Bloedreizen in barre winters

Page 1

BLOEDREIZEN IN BARRE WINTERS

A. Weerstand, T. de Vries A. van Urk

BLOEDREIZEN IN BARRE WINTERS

BLOEDREIZEN IN BARRE WINTERS

A. Weerstand, T. de Vries, A. van Urk

STICHTING URKER UITGAVEN 1992

© 1992 Stichting Urker Uitgaven Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

4

Inhoudsopgave

Fenomeen 9

Auke Weerstand 9

Uit het leven van ‘Garret Bakker’ en meer 10 Gerrit de Boer en gezin 10 Rouw en verdriet in het gezinsleven 11 Gerrit als schipper van de ijsvlet 12 De schipper en zijn mannen onderscheiden 13 Een koninklijk afscheid bij de ijsvlet 17 Gerrit de Boer als voortrekker van de Urker zang 19 Een diamanten echtpaar, april 1917 22 De Boer in gesprek met een vliegenier 24 Gevraagd als verjaardagsgeschenk ‘een zakje tabak’ 25 Een opmerkelijk gesprek aan de haven 25 Isolement voorheen 27

Gerrit de Boer overleden 28

In gesprek met kleindochter Marretje Schrijnemaker 28

In gesprek met Frans de Jong 29 Wat Reier Post aan ‘Tagrijn’ vertelde 31 Hoe het ging met het geld 33 Hoe de Urker vissers binnen kwamen, plusminus 1905 34 Urk drie weken zonder post. De ijsvlet in aktie 35 IJsvletten van andere plaatsen langs de kust 36 De Hamper ijsvlet in aktie. Onze Noordpoolvaarders 37 De ijsvlet van Volendam 39 Het begin van de ijsvletten in Harderwijk 41 Vollenhove 41 Monnickendam 42 Texel 42 lets over ijswinters op de Waddenzee 42 Per fiets naar Urk in 1929 46 Een briefvan rouwbeklag 47 Een briefvan N.N. 48 Besluit 53

5

Tromp de Vries 54

Het wel en wee van Hulp en Steun in vijftig jaar 54

Hoe het begon 54 De eerste jaren 55 Allerhande contacten en zaken 58 Visserijproblemen te over 59 Het reddingswerk 60 Moeilijkheden in oorlogstijd (1914-1918) 63 Ongevallen door mijnen in zee 64

Rustiger jaren 65 Diverse moeilijkheden 66 Crisistijd 70 De alledaagse dingen 71 Zorgelijke financien 73 Toekomstklanken in winterklachten 75 Aardige en nare berichten 76 De eerste oorlogswinter 78 Over draad en nog wat 79 Oorlogsjaren (1940-19145) 81 Na de oorlog 83 Moeite met de zalen 84

Wat C. de Vries over de visserij en de boten schreef 88 De visserij van Urk voor de afsluiting van de Zuiderzee 88 Het kuilvraagstuk 90 De boot toet al vanaf 1890 94 Een eigen boot 95

Uit boek en blad bijeengebracht 97 De Urker ijsvletters (L. Penning) 97 Hoofdstuk VII (L. Kombrink) 101 De ijsvlet (W. Kuijper) 109 Vaak verkeerden de kantonniers in levensgevaar 112 Vijftien schepen achter een muur van ijs opgesloten 113 Uit de krant van 13 februari 1929 113

De strenge winter van 1940 114 Postboot, op weg naar Urk, vast in het ijs 117 Drie dagen en nachten in het ijs 118 Dankbetuigingen 119 Veel materiaal 119 Ode aan de oude ijsvlet. Toelichting (1949) 121

6

Hulde aan de ijsloper (1992) 124 De verbouwing van Hulp en Steun 125

Wat Albert van Urk schreef 127 Statuten 127 Gerrit M. Bakker 127 Bezoek van Prins Hendrik 129 Urk in 1917 129 Varkensvlees 130 Moren 131 Kis 131 Grote ongerustheid 132 De bloedreis ten einde 133 Naar Arnhem 4 September 1919 133 De ijsvlet 135 Koninklijke belangstelling 136 Hetjaarl927 137 De strenge winter van ’29 137 De nadagen van de ijsvlet 139 Het gebouw 141 In gesprek met Hendrik Post 142

Het Urkerland over de winter van 1947 151 Bloedreizen 151 Mis 153 Erger 153 Noodtoestand 154 De tocht 154

Ter afsluiting 156

Uit een gedicht van Marretje Bos-Romkes 156 Een monument voor de ijsloperbemanning 158 Naschrift 159 Besluit 160

7
8
‘Moren’ Naar een aquarel van Piet Brouwer

Fenomeen

Een raadselachtig fenomeen: tien mannen, die welhaast verloren in dichte nevels om zich heen, hun haken in de schotsen boren.

Ze zijn nu gans en al alleen: er is geen mistsein meer te horen, en’t licht dat van de vuren scheen ging in de grauwe nacht verloren.

Ze stonden met z’n alien klaar voor wat een bloedreis werd geheten, en hebben huis en haard vergeten om in een tocht zo bang als zwaar, en menigmaal in doodsgevaar, zich met ‘hun’ element te meten.

9
dV

Auke Weerstand

Uit het leven van ‘Garret Bakker’ en meer

Hier volgt een levensbeschrijving van een Urker met name Gerrit de Boer, maar in de volksmond beter bekend als Garret Bak¬ ker.

Deze Gerrit de Boer heeft zich zonder meer ingezet voor de hele bevolking van Urk, die daar nog steeds dankbaar voor kan zijn. Het is vaak moeilijk een levensbeschrijving te geven van iemand die al geruime tijd is overleden, men is aangewezen op schaarse gegevens of op wat de familie nog weet en wat men terugvindt in oude kranteknipsels.

Al met al leek het ons toch de moeite waard om over deze Urker te schrijven, omdat het weergeeft hoe in vroegere jaren de mensen leefden en werkten en een stempel drukten op het leven rondom hen en in de samenleving.

Gerrit de Boer en gezin

Gerrit de Boer is op 14 februari 1854 te Urk geboren als zoon van Meindert en Dirkje de Boer.

Hij trad op 28 april 1877 in het huwelijk met Femmetje Bakker, geboren 11 mei 1855. Hun huwelijk duurde 67 jaar en werd ontbonden doordat Femmetje op 2 maart 1944 overleed.

Gerrit de Boer is op 24 oktober 1947 naar Velsen vertrokken om bij zijn dochter in te wonen, waar hij op 14 januari 1949 over¬ leed. Hij werd op Urk begraven.

Er werden zeven kinderen geboren uit hun huwelijk: Dirkje, geboren 13 februari 1884; Harmen, geboren 25 oktober 1885; Marijtje, geboren 3 november 1887; Andries, geboren 18 oktober 1889; Meindert-Abbetjes, geboren 17 januari 1893;

10

Marrigje, geboren 8 april 1895 te Kampen; Luut, geboren 26 februari 1897.

Dirkje vertrok op 20-jarige leeftijd naar Velsen.

Gerrit was van beroep visserman en heeft eerst op de Noordzee gevaren en op de Zuiderzee toen hij ouder werd. Zijn leven lang heeft hij gewerkt om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien. Doordat hij vele jaren heeft gevaren, kende hij de Zuider¬ zee tot en met en dat kwam hem later goed van pas toen hij bij de Urker ijsvlet kwam.

Rouw en verdriet in hetgezinsleven

In het gezin van deze familie is veel verdriet gekomen, toen er van de zeven kinderen twee overleden en een op zee verdronken is. Marrigje overleed op 11-jarige leeftijd en Andries overleed op 39-jarige leeftijd. Meindert-Abbetjes voer als derde man op de hotter UK 309 van schipper T. van Slooten en de knecht P.R. Kroon. De hotter was in de voormiddag van 3 februari 1910 op ongeveer 150 meter van het Noorderhavenhoofd van IJmuiden toen het schip in aanvaring kwam met een stoomtrawler. De schipper, van mening zijnde dat hij door de stoomtrawler niet werd opgemerkt, ging afhouden, hetwelk ook door de trawler werd gedaan. De aanvaring was zo onvermijdelijk, het zeilvaartuig werd zwaar beschadigd en viel plat op de zijde. Van de opvarenden werden de schipper en de knecht gered. Toen de hotter zonk heeft Meindert nog getracht zich drijvende te houden aan een korboom, maar pogingen om hem door middel van toegeworpen lijnen en houten bomen te redden, mochten niet gelukken en Meindert verdronk. Het vaartuig is daarna tegen de zuidpier gedreven. Het lichaam van Meindert is op 6 februari bij Castricum aangespoeld en daarna op Urk begraven. Het verlies van deze kinderen heeft een spoor van verdriet en rouw achtergelaten in het gezin van de familie De Boer.

11

Gerrit als schipper van de ijsvlet

De ijsvlet was ’s winters het enige verbindingsmiddel tussen Urk en de vaste wal. Als Urk ingevroren lag in de Zuiderzee en er geen boten meer voeren, trokken de mannen van de Urker ijsvlet erop uit om voedsel, post enz. op te halen uit Kampen of van Schokland. De mannen die erbij hoorden, waren de sterken der sterken om in alle weer en wind ijs en koude en mist en gevaren te trotseren. Nu, een van deze roemruchte garde was Gerrit de Boer en reeds in het jaar 1883 maakte hij zijn eerste reis met de ijsvlet. Hij was toen 29 jaar oud. Meer dan 34 jaar hield hij het vol bij de ijsvlet: 20 jaar was hij matroos en 14 jaar schipper. Zo ver wij kunnen nagaan is er nooit iemand zolang bij de ijsvlet geweest en tevens zolang als schipper opgetreden. Hoeveel reizen hij heeft gemaakt is niet bekend, maar vele gevaren heeft hij ongetwijfeld op het ijs doorstaan.

Wij kunnen ons nu moeilijk indenken hoe zo’n tocht vol ontbering en gevaren verliep. Als schipper leidde hij de ijsvlet ook naar vele schepen die in de problemen zaten tijdens de barre winters op de Zuiderzee. Als de ijsvlet klaargemaakt werd voor vertrek, bij een gewone tocht was dat meestal’s morgens vroeg, dan kwamen de mannen bij de schipper in huis, waar eerst nog een stevige maaltijd van erwten met spek genuttigd werd. De schipper las daarna een gedeelte uit de bijbel en ging dan voor in gebed en vroeg God om hulp en bijstand en een zegen over de reis. Ook bij bijzondere tochten werd er eerst gebeden en gelezen. Daarna gingen zij naar de ijsvlet, nam ieder zijn plaats in, en op bevel van de schipper vertrokken zij, niet wetend hoe zwaar de reis worden zou.

Er is bekend dat hij samen met de andere bemanningsleden eens meer dan drie dagen op het bevroren ijs van de Zuiderzee rondtrok en zij zelfs overnachtten op het ijs onder de omgekeerde vlet.

Toch trok hij er steeds opnieuw jarenlang op uit als er een beroep op hem werd gedaan. Veel verdiende hij er niet mee, maar hij voelde het als zijn maatschappelijke plicht om Urk en anderen te helpen en heeft er zich een legendarisch geworden naam mee verworven.

12

De schipper en zijn mannen onderscheiden

Het was in de winter van het jaar 1917, op 25 januari, dat de Urker boot ‘Jonkheer von Geusau’ vastraakte in het ijs ten zuiden van Urk en om hulp seinde, wegens groot gevaar voor schuivend ijs.

Op Urk werden de noodseinen opgemerkt en werd de ijsvlet klaargemaakt voor de gevaarvolle tocht.

De schipper der ijsvlet, Gerrit de Boer, is dan reeds 63 jaar, maar onverschrokken aanvaardt hij samen met de andere man¬ nen de reis naar de boot.

De tocht was zeer zwaar. Na buitengewone inspanning bereikte men eerst’s avonds om half negen afgemat de boot. De volgende dag werd de terugtocht aanvaard met de passagiers, waaronder twee vrouwen en twee kinderen, waar vooral goed voor gezorgd werd.

Toen de ijsvlet omstreeks drie uur Urk naderde (men was daar in spanning achtergebleven), gingen tal van jonge mannen over het vaste ijs nabij Urk de ijsvlet tegemoet en onder groot gejuich van de bevolking, die op de haven was samengestroomd, werd de vlet de haven ingetrokken.

Op de kade werden de mannen toegesproken door burgemeester Gravestein, die het volgende zei: “Wat de zee bouwt, heeft een hart. De waarheid van dit spreekwoord hebt gij schitterend bevestigd, dappere redders, toen ge gisteren de hoogst gevaarlijke tocht ondemaamt om te redden wie in nood verkeerden. Vertrouwende op God en op uw stoere kracht zijt ge de wijde zee opgegaan, den dood als’t ware tegemoet ziende. Uw moedsbetoon heeft indruk gemaakt op de gehele bevolking van Urk en zal geroemd worden door heel Nederland, als het bekend wordt. Ik breng u onze dankbare hulde. Hoera!!’

Ook was op de kade aanwezig de commandant van het intemeringskamp op Urk, de heer Vredenburg.

Naar aanleiding van deze reddingstocht van de ijsvlet bekroonde de Koninklijke Reddings Maatschappij de dappere bemanning met de reddingsmedaille.

Zaterdag 7 juli was het voor Urk een bijzondere dag, omdat toen de bemanningsleden van de ijsvlet, die de passagiers gered hadden, gehuldigd zouden worden. In de namiddag zeilde het padvindersschip, de ‘Lichtstraal’, de

13

Winter 1899. Kamper ijsvlet in actie op de Zuiderzee. Foto coll. A. Weerstand.

Koninklijk bezoek in 1921, met demonstratie

14

haven binnen, waarop ZKH Prins Hendrik der Nederlanden zich bevond om het leven onder de padvinders aan boord mee te maken.

De prins ging naar de burgemeester van Urk en vernam dat die avond de redders hun onderscheiding zouden ontvangen, en Zijne Hoogheid gaf de wens te kennen als Beschermer der Noorden Zuidhollandse Reddings Maatschappij de toegekende medailles op de borst der wakkere mannen te hechten. Tegen negen uur werd de Raadhuisstraat afgezet voor ontvangst van de prins, vergezeld van Jhr. Six, president der reddingsmaatschappij en andere heren en nog verscheidene pad¬ vinders. De leden van de gemeenteraad en dr. Geijtenbeek en de beide predikanten waren er ook bij.

De burgemeester vertelde in het kort de geschiedenis van de reis van de ijsvlet op 25 en 26 januari. Daarvoor had de prins de versierde voorzitterszetel ingenomen. De prins dankt voor de hoge eer en wenst de redders geluk met de eervolle onderscheiding, hen door de reddingsmaatschappij toegekend. Hij wenst de wakkere mannen eveneeens geluk met het welslagen hunner kloeke daad en vertrouwt erop dat zij ook in de toekomst dezelfde kloekheid zullen betrachten. Jhr. Six zegt het volgende: ‘Urk ligt nu zo stil en vreedzaam boven de effen zee, maar zo is het niet altijd, het kent ook stormen en ijsgang, als in de jongste winter. Dan komen mensenlevens in gevaar, dan wordt hulp tot redding vereischt. De red¬ dingsmaatschappij steunt en bevordert dit edele streven zo ruim mogelijk, maar heeft nooit gepoogd om op Urk een station op te richten; daar zorgt Urk zelfvoor.’ Voorwaar een loffelijke getuigenis voor Urk van de president van de reddingsmaatschappij. Daarna heeft de uitreiking van de medailles plaats. De burgemeester roept de namen van de mannen van de ijsvlet af. Schipper Gerrit de Boer treedt als eerste naar voren, wien de prins de zilveren medaille opspeldt en achtereenvolgens Jacob J. Wakker, Jan Schraal, Albert A. van Veen, Harmen R. Kramer, Willem J. Post, Klaas T. Ras en Steven Korf (die als bestuurslid van Hulp en Steun de ijstocht meemaakte) de bronzen medaille op de borst hecht.

Een der mannen, Kobus de Boer, kon niet aanwezig zijn. Steven Korf dankte met enkele welgekozen woorden namens de gehele bemanning voor de hun betoonde eer.

15

Op de medailles, geslagen in’s Rijks Munt te Utrecht, leest men de naam van de persoon.

Hulde

Gerrit de Boer 25 januari 1917 ‘Van Geusau’ URK

En op de keerzijde in randschrift: Noord- en Zuidhollandse Reddings Maatschappij Opgerigt in den jare 1824

De prins vertelde nog dat het doel van zijn reis Kampen was, maar dat het Urk werd. Wethouder De Vries sprak nog over ijstochten van Urk naar Schokland en vooral over de tocht van de burgemeester naar Schokland, in het belang van het vervoer van levensmiddelen naar Urk.

Ds. Rispens, als oudste predikant sprekende, verheugt zich over ’s prinsen bezoek en de rijke zegen door het Oranjehuis aan ons vaderland geschonken en geeft de verzekering van Urks Oranjeliefde.

Daama voerde kolonel De Visser het woord en zei dat hij de prins zou vergezellen op reis naar Zwitserland ten dienst van onze nationale watersport en de padvinders.

Tenslotte zongen alle aanwezigen het ‘Wilhelmus’ uit voile borst.

De mannen werden ook beloond door het ‘Carnegie Helden Fonds’, de schipper kreeg 25 gulden en de andere bemanningsleden 15 gulden per persoon uitgereikt.

Er is ongetwijfeld nog meer te schrijven over zijn werk bij de ijsvlet, maar wij wilden dit artikel over de schipper van de ijsvlet, Gerrit de Boer, besluiten met de stille dank voor wat hij in die lange jaren voor de bevolking van Urk en voor hen die in gevaar verkeerden op het ijs der Zuiderzee heeft betekend.

16

Een koninklijk afscheid bij de ijsvlet

Ja, zo mag het afscheid bij de Urker ijsvlet van de oude schipper, Gerrit de Boer, wel genoemd worden. De laatste officiele reis die hij maakte was op 25 januari 1917 en daarvoor werd hij met zijn dappere bemanning geridderd. Maar op 24 juni 1921 bracht het Nederlandse koningspaar een bezoek aan het eiland Urk. Bij dit bezoek zou ook de ijsvlet en de bergplaats bekeken worden. Toen het koningspaar bij de ijsvlet kwam, stond daarbij of rondom, de bemanning van de ijstocht naar de Geusau in 1917, onder leiding van Gerrit de Boer. Op de borst droegen zij de reddingsmedaille en toen werden zij voorgesteld aan ZKH prins Hendrik en HM koningin Wilhelmina. Daama gaven zij een demonstratie hoe dat werk ging op het ijs. Nu, op dat moment klonk de stem van de schipper over de bezoekers en aanwezigen met de roep die hij zo vaak op het ijs had laten horen: ‘Een 6, twee 6, haal’m erop’.

En voor de laatste maal trok zijn bemanning de ijsvlet over het kunstijs heen, en voor de laatste maal stond de schipper op zijn plek waar hij zoveel jaar had gestaan. Het koninklijk paar was diep onder de indruk van dit gebeuren daar op de kade voor het gebouw van Hulp en Steun, en wenste de schipper en zijn bemanning veel zegen en kracht toe bij deze tochten als hulp noodzakelijk bleek te zijn. Een koninklijker afscheid had de oude schipper zelf niet bedacht kunnen hebben bij ‘zijn’ ijsvlet.

Aan het gedenkboek ‘Helden der zee’ ontlenen we het volgende:

URK

Gerrit de Boer geboren te Urk 14 februari 1854

Ook Gerrit de Boer neemt onder de helden der zee een waardige plaats in, echter in een meer bijzondere beteekenis. Hij trotseerde niet ‘het woest geweld der woedende baren’ bij vliegend weer, om aan schipbreukelingen redding te brengen, maar waagde zich den 25en januari 1917 als schipper van de ijs¬ vlet op het onbetrouwbare gedeelte van de Zuiderzee om pro-

17

viand en zoo nodig hulp te brengen aan de bemanning van het stoomschip ‘Jonkh. Van Geusau’, dat ver in het zuiden van Urk, reeds dagenlang in het ijs bekneld, noodseinen had gegeven. Onvervaard nam de toen al drieenzestig-jarige man de leiding van deze gevaarlijke tocht op zich en het mocht hem na een zeer bezwaarlijke en moeilijke reis gelukken om ’s avonds om half negen de boot te bereiken.

De volgende dag om negen uur’s morgens werd de terugtocht aanvaard en ’s middags om drie uur gleed de vlet, onder het gejuich van een groote menigte toeschouwers, de Urker haven binnen.

Burgemeester Gravestein dankte in tegenwoordigheid van den commandant van het interneeringsdepot te Urk, den Hoogedelgestrengen heer luitenant-kolonel Vreedenberg, de dappere redders voor hun menschlievende, kloek uitgevoerde heldendaad en deed de toezegging dat hij van hunne heroieke prestatie mededeeling zou doen aan het bestuur van de Noord- en Zuidhollandsche Redding Maatschappij. De beloning bleefniet uit. Aan Gerrit de Boer werd een zilveren medaille toegekend door de Noord- en Zuidhollandse Redding Maatschappij en aan Ste¬ ven Korf, Jan Schraal, Albert van Veen, Klaas T. Ras, Harmen Bakker, Willem Post, Kobus de Boer en Jan Wakker (thans overleden) een bronzen medaille. Daarbij viel hun de hooge eer te beurt, dat dit onderscheidingsteeken hun door Zijne Koninklijke Hoogheid den prins der Nederlanden in het raadhuis te Urk op de moedige borst werd gehecht. Gerrit de Boer vischte vanafzijn prille jeugd tot op zijn vijftigste jaar aan boord van een Urker zeilbotter op de Noordzee. Menige storm is hem over de ruige muts gegaan en uit velerlei gevaar gered. Na zijn vijftigste jaar werd hij Zuiderzeevisscher. Al die arbeid gaf hem slechts een sober bestaan. Om er in den winter iets bij te verdienen voor onderhoud van zijn talrijk gezin, maakte hij gedurende 34 jaar de uiterst moeilijke ‘bloedreizen’, zoals het in den volksmond luidt, mee met de Urker postijsvlet naar Schokland en Kampen en daarvan 12 jaar als schipper. Menigen nacht heeft hij op het ijs in de open lucht doorgebracht. Als een staaltje van zijn uithoudingsvermogen en zijn ijzeren wil zij vermeld, dat hij bij zoo’n gelegenheid op een woensdagmorgen om zes uur, na het nuttigen van het gebruikelijke ontbijt capucijners met gebakken spek, met de postvlet de Urker haven verliet, om’s avonds half 12 in Schokland aan te komen.

18

De volgende morgen werd de reis voortgezet naar Kampen, waar men’s avonds om 9 uur arriveerde. Vrijdagmorgen om 6 uur werd de terugtocht aanvaard. Aankomst Schokland, ’s avonds 9 uur. Met vermoeide leden aanvaardde de dappere bemanning zaterdagmorgen om 6 uur de reis naar Urk, waar ze ten gevolge van tegenspoed eerst zondagmiddag voet aan wal zetten.

Geen wonder dat Gerrit de Boer, de bekwame ijsloper, werd aangezocht om de moeilijke en gevaarlijke reis naar de Van Geusau te leiden. Hij moest zijn dappere bemanning voorgaan op het, ook voor hem, onbekende terrein. Op hem rustte de groote verantwoordelijkheid om in geval van mist, het groote gevaar, te waken voor het leven van zijn tochtgenooten. Ik acht het een voorrecht dat de heer Henri ter Hall mij in de gelegenheid stelt, om de toedracht dezer nobele daad van zelfopofferende naastenliefde in de analen der historie vast te leggen voor het nageslacht.

Ook Gerrit de Boer en zijn tochtgenooten staan in de lange rij van de Nederlandsche helden der zee.

Gerrit de Boer als voortrekker van de Urkerzang

Als wij over dit onderwerp wat willen schrijven van deze Urker, moeten wij beginnen in het laatst der vorige eeuw, toen er op Urk nog zonder orgelbegeleiding werd gezongen in de kerken. Gerrit de Boer was zo’n 20 jaar toen op Urk de eerste vereniging op kerkelijk gebied werd opgericht door L. Hoekman, en deze verzamelde ook jongemannen om zich heen die zich oefenden en bekwaamden in het zingen van de Psalmen in de kerkdiensten, want zingen was een van de grote liefdes in zijn leven. Zo behoorde ook Gerrit de Boer tot de voorzangers in de kerk en het is bekend, dat als de koster-voorzanger een moeilijke melodie moest inzetten, hij ook naar Gerrit de Boer knikte en deze hielp hem dan bij het zingen ervan. Nog voor 1900 werd er op Urk een koor opgericht dat de naam droeg van ‘Oefening kweekt kunst’, ook daar hoorde hij bij. Dit koor, dat alleen’s winters oefende, was een echt visserskoor. Dit koor werd omstreeks 1910 opgeheven en daaruit ontstond het nu nog bestaande mannenkoor ‘Halleluja’. Gerrit de Boer behoorde tot de oprichters van ‘Halleluja’ en

19

Westhaven met botters en visafslag. Links de ijsvletschuur van ‘Hulp en Steun’. (Foto nr. 27 G. Wakker)

Achterzijde van het latere ‘Hulp en Steun’ gebouw (tweede van links). (Coll. A. van Urk)

20

werd er de eerste officiele directeur van. Van 1910 tot 1917 werd er onder zijn leiding gezongen en daarna werd hij door Kobus de Boer opgevolgd. Toch bleef hij verbonden aan het koor en gaf hij met zijn heldere stem zijn beste krachten eraan.

Tijdens de eerste radio-uitzending, die vanafUrk over Urk werd uitgezonden op 12 maart 1928, zong ook het mannenkoor ‘Halleluja’ onder zijn leiding, doordat de toenmalige directeur afwezig was.

De laatste jaren van zijn leven had hij bij uitvoeringen en optredens van dit koor een ereplaats. Ook bezocht hij altijd de jaarverslagen van dit koor.

Op de jaarvergadering van ‘Halleluja’ van 22 januari 1947 werkte hij mee aan het programma. Hij bracht solo twee liederen ten gehore; hij was toen 93 jaar. De aanwezigen werden getroffen door de twee verzen die hij zong, het ene was uit Psalm 104 vers 17:

‘Ik zal, zolang ik’t levenslicht geniet, Gods mogendheid verheffen in mijn lied, Ik zal mijn God met lofgezangen eren, Terwijl ik nog op aarde mag verkeren, Mijn aandacht zal op Hem gevestigd staan, En met vermaak Zijn grootheid gadeslaan, Ik zal mij in den God mijns heils verblijden, En dag op dag aan Hem mijn Psalmen wijden.’

Daarna zong hij uit de bekende ‘Hazeu’-liederen, nummer 19:

‘Voelt g’ u, mijn ziel, met schuld beladen, Drukt u de last der zonde neer, Zoudt gij bezwijken op uw paden? Daar is een rustplaats bij uw Heer.’

Nadat de oude zanger deze twee liederen had gezongen, bedankte voorzitter A. Kapitein de oude voortrekker der zangers in welgekozen woorden, waarna ‘Halleluja’ hem toezong: ‘Dat ’s Heeren zegen op u daal.’

Aan het eind van dit artikel over Gerrit de Boer, kunnen wij hem niet anders dan dankbaar zijn voor wat hij op het gebied van de zang heeft gedaan voor Urk.

21

De liederen die hij op 93-jarige leeftijd nog zong, waren kenmerkend voor zijn leven, want daaruit leefde hij en heeft zich ingezet voor het culturele leven van Urk.

Een diamanten echtpaar, april 1937

Opgedragen aan Gerrit Bakker, de schipper van de ijsvlet. Toen de schipper 60 jaar getrouwd was, is dit gedichtje gemaakt. Hij lag toen nog rheumatisch aangedaan in een ledikant, maar de bruid was zeer welvarend.

Het zonnetje schijnt in de kamer. De ‘bruidegom’, een oolijke kwant, ligt (’t pijpje gestopt) lange halen te doen op het wit ledikant.

Wij praten genoegelijk samen. Het bruidje doet mee op den duur. Wat kunnen die oudjes vertellen, van’t leven, zoo vol avontuur!

Verhalen van ijsganggevaren: Als schipper stond hij immer pal, voor d’ ijsvlet, die’s winters verbinding tot stand bracht, van Urk naar de wal.

Geen tocht die den oude te zwaar was. Bij mist, sneeuw of snerpende kou; hij haalde (waar levensgevaar was) het volk van de stoomboot ‘Geusau’.

’t Medaille dat daarmee verdiend werd, ofik dat niet even mocht zien? Welja, in dat onderste laadje, daar ligt dat medaille misschien.

Natuurlijk kwam toen het verhaal los. De prins gafmij dit medaljon. Hij zelfhoor! Zoo need’rig hij spelde’t mij op. Dat hij zoo iets verzon!

22

En toen salueerde hij nog eens voor mij arm, eenvouding - een man. Wat aardig van hem dat te doen, he? Zoo’n prins! Ja, daar huilde ik van!

Wat was wel uw hach’lijkste tochtje? Zo vraag Ik, nieuwsgierig, maar voort. Drie dagen, ja, heen en terug, dan... op woensdag, gelaarsd en gespoord.

Zijn wij toen per ijsvlet vertrokken naar Schokland. Wij kwamen daar aan, des avonds. Omdat het al laat was, zijn wij niet naar Kampen gegaan.

De andere dag (donderdag) gingen wij daad’lijk naar Kampen per vlet. Pas vrijdag de koers, via Schokland, toen eind’lijk naar Urk weer gezet.

’t Was zondag, de kerkklokken luidden, toen kwamen op Urk wij weer aan! Nadien heb ik nimmer zoo lang meer een reis met de ijsvlet gedaan.

‘U had hem ook moeten zien komen; het hoofd pimpelpaars van de kou. Die nachten heb ik niet geslapen’, zegt’t bruidje den schipper getrouw.

‘Ik lapte het toch maar, m’n oudje. En jij had de koffie toch klaar? (Hij knipoogt) Een koek voor m’n vrouwtje, en nog een rijksdaalder zoo waar’.

’k Verdiende toch bloedig (zoo dacht hij), een Deventer koek voor je kroost, plus eene rijksdaalder! Daarvoor drie nachten in’t ijs, onverpoosd!

‘Geen wonder dat u rheumatiek hebt. Dat is van de kou, die u leed’. Hij lacht! En dan klinkt het weer vroolijk: ‘Alsof ik dat zelvers niet weet!’

De post moest gehaald worden, kleintje. Daar was eenmaal niets aan te doen. Bij thuiskomst kreeg ik dan ook altijd... (hij glundert) een dubbele zoen!

‘Wordt u heel niet kwaad, als het strakjes gezet wordt, op rijm, in de krant? Of dat alle menschen dit lezen, de mensen in Nederland?’

‘Je moet er geen ophefvan maken’, zo zegt hij, ‘dat ben ik niet waard’, ‘Je bent toch een held (kan ’k niet laten te zeggen), naar Hollandschen aard!’

Uw leven, zoo vol avonturen, tot heil van de menschen besteed, gafvele gevaarlijke uren... Vergelde u God, wat gij deed!

Door Mariap van Urk

De Boer ingesprek met een vliegenier

Het is bekend dat er reeds voor 1930 vliegtuigen op Urk kwamen met het vervoer’s winters van post, vracht en zelfs passagiers. Deze vluchten gebeurden als de zee was dichtgevroren en werden door de KLM uitgevoerd. Nu, Gerrit de Boer raakte eens in gesprek met een piloot van zo’n vliegtuig, die zo’n vlucht had gemaakt naar het eiland Urk in de dichtgevroren Zuiderzee. Deze piloot nodigde hem uit om zo’n vlucht eens mee te maken en De Boer moet toen het volgende gevraagd hebben: ‘Als ik nu in het vliegtuig zit en het stort neer, waar kan ik mij dan aan vasthouden?’ De piloot antwoordde: ‘Nergens aan, wij storten neer met alle gevolgen van dien,

24

die daar uitkomen.’ De Boer antwoordde: ‘Nu, dan zit ik toch maar liever op een hotter, want als daar wat mee gebeurt, is er altijd nog wel wat om je aan vast te houden en je drijvende te houden en is de kans groter dat je het leven behoudt, dan dat je naar beneden stort met zo’n vliegtuig.’

Gevraagd als verjaardagsgeschenk ‘een zakje tabak’.

De bekende heer Gerrit de Boer, oftewel Garret Bakker, viert vandaag zijn 88-ste verjaardag.

De oude heer is nog zeer kras en maakt dagelijks een wandeling naar de haven, waar hij in de samenkomst der oudere visschers nog opgewekt het woord voert. Gerrit Bakker heeft een druk leven achter de rug en geniet thans van een welverdiende rust. Vorige week was het ook 30 jaar geleden dat onder zijn leiding de gevaarvolle tocht naar de ‘Geusau’ gemaakt is. Schipper en bemanning ontvingen toen uit handen van wijlen ZK Hoogheid prins Hendrik de reddingsmedaille. Het meeste wat de oude redder mist is zijn pijpje tabak en men zal hem geen beter verjaringsgeschenk kunnen geven dan een zakje tabak. We wenschen hem een gezegende levensavond.

Oprechte Urker 14 Februari 1942.

Men moet bedenken bij het lezen om het gevraagde, dat het toen volop oorlog was en er vooral aan rookwaar een groot tekort was.

Een opmerkelijk gesprek op de haven

Zoals reeds geschreven, maakte de oude Gerrit de Boer nog dagelijk een wandeling naar de haven. Nu, op een zekere dag midden in de tweede wereldoorlog was hij op weg naar huis toen hij een Urker tegenkwam die verkeerd was in de oorlog. Gerrit de Boer hield hem staande en zei tegen hem: ‘Ik heb gisteren je naam nog in de bijbel gelezen.’ De andere vroeg verbaasd: ‘Waar staat die dan en wat staat er over mijn naam?’ Gerrit de Boer antwoordde: Wil je het echt weten? Nu,

25

Demonstratie van 818 Urker vissers in 1934 tegen de voorgenomen inpoldering. (Foto nr. 817 G. Wakker)

Vereniging „Hulp en Steun” Urk

Obligati^

(§root 'tTieri G/ulden^

in de renteloze Iening groot f 4500.00. Aangegaan en besloten in de lcden-vergadcring Vereniging ..Hulp en Steun" dato 7 Juli 1951.

Ten behoeve van een betaling-rckening groot f 4500.00 rustende op de VerenigingNa betaling der rekening zal jaarlijks uitgeloot worden zo veel als de kas toelaat. Natnens het Bestuur.

URK. Juli 1951.

Ikmmmmmmmmmmm&mimi mxsmssmim.

Obligatie van de Vereniging. (Coll. A. van Urk)

/ ^ 6
26

over jou staan deze woorden geschreven: ‘Gij dwaas!’ De oude draaide zich om en vervolgde zijn weg naar huis, de ander verbluft op de haven achterlatende, die nu wist hoe de oude over hem dacht.

Een zeer bekende uitdrukking van Gerrit de Boer is, ‘Kind, denk om de koude maand mei.’

Verdere uitdrukkingen van hem zijn: ‘Waor ’n mins’m ien keer vor gift, daor zit’ie an vast.’ ‘Die onbespruuken wil wezen, die moet ongebeuren wezen.’ ‘Ik durfniet is m’n vreemd.’

Isolement voorheen

Wanneer de wintervorst het water had gestremd. En in zijn barre greep ons eiland hield geklemd. Wanneer ‘de Geusau’ zelfs ten lest was ingevroren. En Urk daar lag: verlaten... schier verloren, dan werd de geest van Gerrit Bakker en van zijn kloeke makkers wakker. En moedig klonk op d’ eigen stond het ‘ien-o, twie-o’ uit hun mond. En schoon hun weg door’t ijs versperd wel meestentijds een bloedreis werd, ze trokken onverschrokken voort. En Gerrit kreeg het laatste woord. Hij heeft -’t zij tot zijn eer vermeld zich moedig steeds te weer gesteld, en zich naar ere en geweten van deze zware taak gekweten. En als hij nog wat jonger was, zijn hulp kwam zeker nog van pas. V.

Urkerland, 21 februari 1947.

27

Gerrit de Boer overleden (een bericht uit Het Urkerland van 14 januari 1949)

Een bekend en populair ingezetene overleed vorige week nog vrij plotseling, namelijk de oude Gerrit de Boer, in de volksmond Garrit Bakker.

Hij bereikte de hoge leeftijd van 95 jaren en was bijzonder kras en genoot een sterke gezondheid.

Bekendheid verwierf hij bij de redding van de passagiers van de ‘Geusau’ in 1917, toen deze boot wekenlang ten Zuidwesten van Urk in het ijs bekneld zat.

Men kreeg gebrek, maar De Boer en zijn mannen haalden de mensen op en voorzagen daarna de opvarenden van proviand. Hiervoor werd hij ook gedecoreerd.

Zingen was zijn lievelingsbezigheid en hierin was hij zeer bedreven. Toen er in de Gereformeerde kerk nog geen orgel was, ging er menigmaal van de koster voorzanger bij moeilijke psalmmelodieen een knikje naar de trouwe kerkganger De Boer en leidde hij met zijn heldere stem de kerkzang.

De mannenzang ‘Halleluja’ genoot vele jaren van zijn zangerskwaliteiten. In de laatste jaren had hij als erelid bij uitvoeringen een plaats vooraan.

Zijn begrafenis had onder zeer grote belangstelling plaats.

In gesprek met kleindochter Marretje Schrijnemaker-de Boer

Ik was acht jaar toen ik bij mijn grootouders in huis kwam. Wij woonden ernaast, zo was ik reeds veel bij hen thuis. Toen ik tien jaar was, overleed mijn vader Andries, zoon van Gerrit de Boer, hij was slechts 39 jaar oud. Na een korte ziekte overleed hij in april 1929 in Beverwijk in het ziekenhuis. Ik bleef toen bij mijn grootouders, later ben ik gaan dienen en aan de wal gaan wonen door mijn huwelijk. Toen mijn grootvader bij zijn dochter Dirkje ging wonen, bezocht ik hem regelmatig. Ik woonde toen in Beverwijk, maar dat duurde niet zo lang, want hij is maar een paar jaar bij zijn dochter geweest. Daarna is hij overleden. Zij vertelde over haar grootvader, dat die wel streng was, maar oprecht en vooral leefde uit de bijbel. Bij elke maaltijd werd er uit de bijbel gelezen en overluid gebeden, dat deed mijn grootva¬ der in half Nederlands en Urkers door elkaar. Ook werd de dag

28

afgesloten met bijbellezen en werd er gebeden voor de nacht en werd iedereen opgedragen door hem in gebed. Als ze zondag naar de kerk waren geweest werden de kleinkinderen die er waren ondervraagd over de afgelopen kerkdienst en moesten ze antwoorden op de vragen die de oude erover stelde. Als ze het niet wisten, ging waarschuwend de vinger omhoog. Maar het mooiste vond ik nog het schemeruurtje dat elke middag, vooral ’s winters, werd gehouden. Het lichtje op de tafel was het enige lichtje in het kamertje. De oude zat voor het raam en er werd verteld over vroeger en dan begon hij eerst te neurien dat overging in het zingen van Psalmen en de oude bekende liederen die hij kende. Zo zongen wij dan samen in dit uurtje, ook als er anderen kwamen. Zingen was de lust in zijn leven, dat deed hij heel vaak ook thuis, maar steevast elk schemeruurtje. Zolang als ik hem gekend heb, was hij ook op het mannenkoor. Ook op straat, als hij liep te wandelen naar de haven, liep hij vaak te neurien. Verder ging hij vast elke dag naar de haven en liep dan ook het gebouw binnen van Hulp en Steun. Als het winter was en de ijsvlet ging erop uit, dan was hij daar altijd bij, als hij kon, en gaf raad aan de bemanning hoe te gaan op het ijs en waar men op letten moest. Nu ik zelf ook reeds op jaren ben, denk ik nog vaak aan die tijd bij mijn grootouders. Ik heb veel aan hen te danken en voor het voorbeeld dat zij gaven in een christelijke levenswandel, ben ik hen nog steeds dankbaar.

In gesprek met Frans de Jong op 11 maart 1992

Allereerst vertelde Frans de Jong dat de mannen die bij de ijs¬ vlet behoorden, alien vissers waren en daardoor de Zuiderzee vooral goed kenden met zijn stromingen en stormen. Vooral als de zee dichtgevroren was, moest men zeer goed bedacht zijn wat men deed als men het ijs op ging, want er waren plekken in het ijs die vaak onbetrouwbaar waren, omdat het zout water was. Maar als Urk ingevroren lag, was het van de bewoonde wereld afgesneden en moest men teren op hetgeen men thuis had. Men zei dan ook, je moet’s zomers de bloemen in de ruiten zien, zorg dus dat je klaar bent als de winter komt. Ook vertelde hij dat de mannen van de ijsvlet vaak uit behoefti-

29

ge gezinnen kwamen, om zo met hun werk bij de ijsvlet toch wat te verdienen. Zo behoorde Gerrit de Boer ook tot de ijsvlet en heel Urk kende Garrit Bakker. Hij was een bemind persoon op Urk, jong en oud had respect voor hem en ook had hij een ‘oolijk, vroolijk’ karakter en iedereen groette hem ook. Bemind in zijn leven en in zijn optreden, nu dat had hij verdiend, omdat hij zich zeer verdienstelijk maakte op verschillende terreinen van het leven op het eiland Urk.

Ja, ik weet nog heel goed dat hij de schipper was van de ijsvlet en dat hij vele tochten heeft gemaakt en niet alleen post en dergelijke vervoerde, maar ook mensen in nood met deze vlet heeft gered.

Ik stond er zelf bij op de haven dat de ijsvlet de haven in kwam met een geredde schipper van een tjalk, die met vriezend weer op het Zand tussen Urk en Enkhuizen was gezonken. De andere bemanning was reeds gered, maar de schipper had geprobeerd het nog te klaren, maar dat was niet gelukt. Hij was in de mast geklommen. De ijsvlet heeft hem daaruit gered en geheel verstijfd van de kou op Urk gebracht, maar hij heeft het overleefd. Daarom droeg Garrit Bakker de reddingsmedaille dan ook met ere.

Ook weet ik nog wel dat Garrit Bakker goed zingen kon en hij was voorzanger. Hij zat achter de ouderlingen en kwam dan de bank uit en ging voorin staan en gaf dan met zijn doordringende stem steun aan het zingen in de kerk. Ook op het mannenkoor was hij steeds van de partij om daar zijn steentje bij te dragen in de zangkunst.

Nu wil ik ook het bestuur van IIulp en Steun erbij betrekken, met mannen zoals Jacob Brands, Harmen de Jong, Louwe en Steven Korf en G.M. Bakker. Deze waren goed bij de tijd en konden goed praten, maar zij bestuurden ook jarenlang de Urker IJslopersvereniging en zorgden ervoor dat als de winter kwam, alles in orde was om er met de ijsvlet opuit te trekken, om de naam van Hulp en Steun recht ere aan te doen.

Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar laten wij het hier maar bij laten, houd de geschiedenis in gedachten en vergeet die men¬ sen nooit die Urk geholpen hebben in de nood en ook anderen die niet bij Urk behoorden.

Daarom vind ik het goed dat erop Urk een monument komt van de Urker ijsvlet, als stille dank voor dat vaartuig dat ook een voertuig was en velen uitkomst heeft gebracht.

30

Schrijver dezes, beste lezer, hoorde, en oja, hij las dat bij de ingang van ons dorp de Orca vis verwijderd was.

In plaats daarvan zal nu een ijsvlet daar gaan staan, om te laten zien hoe het vroeger op ons eiland is gegaan.

Daar gaat deze oude vriend helemaal ook mee akkoord, dat bij de ingang van ons dorp ook eigenlijk de ijsvlet hoort.

Want als men even nadenkt, dan maakt hem de historie wakker. Ik heb een naam ook voor de vlet, namelijk: oude, Garrit Bakker.

Hij was de schipper van de vlet. Hij hanteerde het Kompas, als het donker ofook wel soms heel erg mistig was. F. de Jong.

Wat Reier Post aan ‘Tagrijn’ uertelde

‘Dat met die ijsvlet, dat kun je je nu niet meer voorstellen, maar dat waren barre tochten. Het ging niet altijd alleen maar over ijs, vaak zakte de vlet er ook doorheen. Dat ding woog een ton, dus je snapt dat het heel wat moeite kostte om’m dan weer op het ijs te krijgen.

Die vletten waren van de vereniging Hulp en Steun. Je had twee vletten, die werden gebruikt om schepen te helpen, die vast kwamen te zitten in het ijs. En dan had je de vlet, die naar Schokland ging voor de post. Die werd gebracht van de Ramspol naar de zuidpunt van Schokland. Wij haalden de zakken dan daar op. Er was een vaste ploeg van

31
32
Tweemaal Schokland: het kerkje op de Middelbuurt in de winter en de oeververdediging van het eiland in de zomer. (Foto’s: coll. A. van Urk)

tien man. Je verdiende 6 gulden per tocht. Dat was met veel, want zo’n reis kon wel eens lang duren. Bij zware ijsgang was je vaak wel drie dagen onderweg. Eten ging mee en overnachten deden we op Schokland. In een ouwe schuur, waar je zo door’t dak naar buiten keek. Meestal was ’t bitter koud, het vroor natuurlijk altijd als je er met de vlet op uit ging. We sliepen daar in het stro. Op een nacht was het zo koud, dat we om wat extra stro gingen vragen. We kregen ’t wel uiteindelijk, maar niet van harte. Ja, het leven was hard in die tijd en de mensen ook. Er werden ook wel zieken met de vlet naar de vaste wal gebracht. Ander vervoer of een andere weg dan via het ijs was er toen niet. En een ziekenhuis was er niet op Urk. Je moest zelfvoor je uitrusting zorgen. Daar hoorden laarzen bij met speciale sporen. Anders ging je onderuit op het ijs, begrijp je? M’n laatste reis was die keer dat er twee Kamper boten vastzaten. De ene is toen nog gezonken. Vier dagen hebben we er toen opgezeten.’

Hoe het ging met het geld

Van Hulp en Steun bleven onder meer de financiele overzichten bewaard van 1898 tot 1928. Vele jaren bleven de totaalbedragen onder de duizend of zelfs vijfhonderd gulden. Door het trekken aan een tjalk kwamen de bedragen in 1912 en 1913 er even bovenuit. Tijdens de eerste wereldoorlog stegen de jaarbebedragen en kwamen in 1919 zelfs boven de tweeduizend gulden. Op 3 januari 1925 kwam de penningmeester met een verslag over 25 jaar, om aan de nieuwsgierigheid van de leden te voldoen. Hij eindigde door ‘met de oude dichter te zeggen: De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd. Daarom wil ik de vergadering verzoeken met ons uit voile borst te zingen Psalm 133 vers 3: Waar liefde woont, gebiedt de Heer den zegen.’

Bij de opening van de vergadering was Psalm 105 vers 3 gezongen: ‘God baande door de woeste baren en brede stromen ons een pad.’ In een volgende vergadering was dat Psalm 33 vers 7 en 8. De toespraak sloot erbij aan in de vorm van een overdenking, die als volgt eindigde: ‘Welk een geluk, dat wij als vissers nog altijd ons pad mogen omringd zien van Gods alziend oog.

33

Mogen wij dan in dit jaar onze arbeid zo weer opvatten, met de gedachte in ons hart om God de Heere te kennen in al onze wegen, in al onze arbeid die wij weer hebben te doen. Dan zal ook ons hart in Hem verblijd zijn, omdat wij op de Naam zijner heiligheid vertrouwen.’

In barre winters kon heel toepasselijk Psalm 147 vers 9 worden aangeheven. De daarin beschreven situatie was op het eiland aan alien bekend.

Hoe de Urker vissers binnenkwamen, plusminus 1905

Nog enkele dagen, dan komt de vloot weer thuis. Enige schepen liggen reeds in de haven, want de kerstdagen zijn op komst. Doch plotseling draait de wind het oosten in en de Enkhuizer Almanak, die bij velen de barometer is, voorspelt vorst. Na en¬ kele dagen is de haven van Urk dichtgevroren en in de verte komt de rest van de vloot er nog aan, doch deze moet op en neer zeilen, want de vorst heeft het ijs voor de havenmond reeds zo dik gevormd, dat daar geen doorkomen naar de haven mogelijk is.

De vereniging Hulp en Steun met zijn flink bestuur, onder andere Harmen de Jong (Harmen van Frans) en Jacob Brands (Jacob van Jetjen), neemt maatregelen. Het is blinde Jelle, vergezeld van zijn trouwe hond Jurie, die de opdracht heeft gekregen in Urks straten bekend te maken, of iedere Urker man wil komen helpen op het Westerhavenhoofd. De ijsloper wordt naar buiten gebracht, op het ijs van de haven gelaten, het touwwerk wordt in de ijsloper gebracht, de mannen nemen plaats naast de ijslo¬ per, de brede banden, welke op afstanden aan de binnenzijde van de ijsloper zijn bevestigd, om hun schouders gedaan en op bevel van de schipper van de ijsloper gaat zij het ijs breken, wel¬ ke een geul vormend de mond van de haven uit naar de botters en schuiten, die voor het ijs liggen of op en neer varen. Het touwwerk wordt aan de eerste hotter bevestigd en op het Wes¬ terhavenhoofd staat een grote katrol, waarover dit touwwerk loopt. De mannen die op het verzoek van de omroeper zijn gekomen, staan klaar en op bevel wordt het zware touw aangehaakt en op de Westdam wordt dan samen getrokken, totdat het eerste schip de havenmond binnenkomt en zich door het ijs, dat reeds verder

34

door de ijsloper is stuk gemaakt, een ligplaats kan zoeken. Dan pas, als iedere hotter of schuit een veilige ligplaats heeft bekomen, wordt het touwwerk gedroogd en later alles weer op zijn plaats van bestemming gebracht. Door de stille plicht en helpende hand van ieder die Urker is, ligt nu de Urker vloot in veilige haven. En mogen wij de burgemeester, Jhr. van Suchtelen van der Haare, niet vergeten. Hij was overal bij, zoals we dit ook van een flinke burgervader kunnen verwachten. Het goede voorbeeld werpt altijd vruchten af. Urk, drie weken zanderpost. De ijsvlet in aktie

Zaterdagmorgen. Blinde Jelle de omroeper met zijn trouwe geleidehond ging door de straten van Urk en maakte bekend dat die middag een grote vergadering in de Van Alphenstichting zou worden gehouden. Maandag zou het 21 dagen worden dat Urk geen post had gehad. Op die vergadering werd natuurlijk de hulp gevraagd van de mannen van de ijsloper, want deze mensen waren vaklui. Zij konden erover oordelen, zij waren al zoveel winters met de ijsloper van Urk naar Schokland geweest. Zij waren van mening, dat het een schande was Urk zolang buiten post te laten. Zij zeiden dat het ijs sterk genoeg was om met de ijsloper droog over het ijs te gaan. Dit was niet altijd het geval, want als het ijs hier en daar zwakke plekken vertoonde, dan viel de ijsloper door het ijs en moesten de twee of vier man die aan de kop liepen, haar telkens weer op het ijs trekken en daar was veel menselijke kracht voor nodig, om zo voorwaarts te komen. Vooral de Nagel was meestal open, alleen bij zeer strenge vorst was die dichtgevroren. De Nagel lag tussen Urk en Schokland. Hier liep veel eb en vloed wat te maken had met het Val van Urk. Op advies van de mannen van de ijsloper werd besloten om te gaan; er werd een garantiefonds gevormd, want ook geldzaken speelden een rol.

Daar de Gebr. De Groot een contract hadden met de posterijen, dat zij alleen de post mochten vervoeren, mocht de heer Buigholt, de postmeester, pas de post afgeven als de waarde gedekt was.

Maandagmorgen vertrokken de Urkers met de ijsloper en met 22 zakken post. De tocht was altijd zo geregeld, dat zij naar

35

Schokland gingen en hier kwamen de knechten van Gebr. De Groot. De post werd daar gewisseld en daarna ging ieder zijn eigen weg terug. De Urkers bleven echter die avond op Schok¬ land om de volgende morgen, dinsdag, vroeg van Schokland naar Kampen te gaan.

Toen de Urkers met de postzakken op de rug voor het postkantoor in Kampen stonden, gingen de deuren wijd open. De postdirecteur was in extase en kon geen woord zeggen. Eindelijk kwam de vraag: ‘Hoe zijn jullie hier gekomen? Mij werd verteld dat het ijs onbegaanbaar was.’ De schipper trad naar voren en zei: ‘Zeg maar wat je wilt hebben van Urk, wij brengen je het.’ Toen moesten de Gebr. De Groot op het matje komen en in bijzijn van de Urkers werd deze heren terdege de les gelezen. ‘Nu kunnen de Urkers de post weer meenemen’, sprak een van de Gebr. De Groot. ‘Nee, onze Urkers gaan leeg naar Schokland en onder geleidde, jij of je broer brengt de post naar Schokland en daar nemen onze Urker vrienden de post over.’ De directeur nam afscheid en bedankte hen nog eens hartelijk en na een lekker bord snert dat hun aangeboden werd, vertrokken onze mannen naar Schokland.

Woensdagmorgen stonden er al nieuwsgierigen op Urk met de verrekijker te zoeken of ze de ijsloper al konden ontdekken en eindelijk was het zover. ‘Ze komen, ze komen’, klonk het en velen liepen de ijsloper tegemoet. Toen de eersten haar bereikten werd het touw uitgegooid en al spoedig waren er veel mensen die de ijsloper over het ijs trekkende de mond van de haven binnenbrachten naar de werfvan Albert Roos. Een luide begroeting vond plaats.

Een verdiende waardering voor deze mannen van de ijsloper. Het waren stille mensen, maar met een energie, een plichtsbetrachting, een sterke wilskracht. En niet alleen deze mannen, in die tijd waren er zeer velen op ons Urk. Het waren eenvoudige mensen, maar juist in deze eenvoud zat hun grootheid. In de stilte willen wij aan hen denken. Men mag ze niet vergeten.

IJsvletten van

andereplaatsen

langs de kust

In dit boek willen wij ook aandacht wijden aan het gebruik van ijsvletten in andere plaatsen langs de kust der toenmalige Zui¬ derzee en in het Waddenzeegebied.

36

Niet alleen op Urk waren er ijsvletten die ’s winters gebruikt werden voor verschillende doeleinden.

Toch kan naar alle waarschijnlijkheid wel geschreven worden dat de ijsvletten van Urk tot de oudste van ons land kunnen gerekend worden, omdat naar onze bescheiden gegevens over de andere ijsvletten een latere bouwdatum bekend is dan van de Urker vletten. Maar de doelen waarvoor de ijsvletten werden gebouwd, waren dezelfde, om mensen en schepen te helpen in nood op het ijs en ook om post en dergelijke te vervoeren.

De Kamper ijsvlet in aktie. Onze Noordpoolvaarders (17 februari 1917)

‘De burgemeester van Urk had verleden week de aardige attentie om schriftelijk onze bijzondere aandacht te vragen voor den gevaarlijken en hoogst interessanten ijstocht dezer dagen, ondernomen door de bemanning van den ijsvlet van de N.V. Kamper Stoomvaart Mij, welke vanuit Kampen via Urk de stoomboot “Jhr. van Geusau” heeft bezocht. Een der dappere deelnemers zal wel bereid gevonden worden u de noodige inlichtingen te verstrekken.

Daar ik van nabij bekend ben met het moeilijke en gevaarlijke ijsloopen, kan mijn oordeel voor uwe redactie enige waarde hebben, als ik u verzeker dat ik voor deze prestatie grooten eerbied koester en dat ik hooge achting en bewondering gevoel voor den moed en het volhardingsvermogen door uw Kamper burgers op zoo schitterende wijze betoond. Zulk een grootsche daad van trouwe plichtsbetracting en naastenliefde mag niet onbekend blijven’.

Beginnen we dus met de namen te noemen: Klaas Hof, Jan Gillot, Marten Bastiaan, Kobus van Marie, Jan Pleket en P.J. de Rode.

Woensdagochtend zes uur zijn deze zes mannen met twee vlet¬ ten uitgegaan. Met een wagen naar het eiland Ramspol (erf van Hendrik van der Stouwe) van waaruit gewoonlijk in de winter dergelijke tochten worden aanvaard. Tegen de middag waren zij dwars van Schokland, tegen drie uur op Urk. Het is al die uren een werken geweest op en over en in het ijs, want nu hier en dan daar ging het er ook telkens door. Daarop met een Kramer

37

Jacob Jan Wakker en zijn vrouw Mary van den Berg.

Met het kompas bepaalt schipper Van Veen de koers van de ijsvlet. Drie boten in het ijs bij Urk, winter 1940. Foto: A. van Veen

38

uit Urk mee, zijn onze Noordpoolreizigers bijna dadelijk doorgegaan, roeiende, brekende door het ijs, een paar uur lang, maar de ‘Geusau’ konden ze met bereiken. En zo hebben de zeven mannen de nacht moeten doorbrengen op het ijs, op een reusachtig veld aan het begin van dat waarin de ‘Geusau’ zit ingemuurd. Er was steenkool op de vlet, er was een kacheltje aan boord, maar helaas waaraan men ook gedacht had, aan koffie niet! Daarvan was immers voorraad aan boord van de ‘Geusau’. En zo is het een zware koude nacht geworden. Nu en dan wat slapende vlakbij het kacheltje, terwijl de anderen voetstampende heen en weer liepen om dan elkaar weer afte wisselen. De ochtend te zien aanbreken was een uitkomst, een opluchting. Toen had Marten Bastiaan bijna dadelijk kijk op de plek waar de ‘Geusau’ zou moeten zitten. Als zij er was, moest het daar zijn, wees zijn hand. En hij bleek goed gewezen te hebben. De ‘Geusau’ zat vastgevroren in een ijsveld dat zich uitstrekte zover men zien kon. Toen de vletten naderden, kwam de bemanning hoera roepende van boord hen toegemoet. Zij hadden trouwens verlangen ook naar voedingsmiddelen. Vanaf 22 januari zat de boot al in het ijs. De vlet zorgde voor zes weken voorraad en ook wat werkbenodigdheden om spiering te vissen.

Van de ‘Geusau’ weer naar Urk terug, waar de burgemeester de manschappen hulde bracht en waar de nacht werd doorgebracht. Vrijdagochtend zeven uur huiswaarts. Het zijn zware dagen geweest vol inspannend zwoegen en ogenblikken van ontmoediging, van tegenslag, van wanhoop wel eens, maar ze hebben volgehouden en naast de eigen stille zelfvoldoening over een volbrachte zware taak, zien zij uit het woord van de Urker burgemeester en uit het artikeltje dat erop volgde, dat er waardering is bij bij de autoriteit en medeburgers voor het stoere mannenwerk waarvan de Zuiderzee, dank zij hun, weer eens getuige is geweest.

De ijsvlet van Volendam

Het onderstaande over de ijsvlet van Volendam is beschreven door de 78-jarige J. Zwarthoed uit Volendam: Er was op Volendam een onderlinge verzekering van de vissersvloot die de belangen met elkaar behartigde bij averij en derge-

39

lijke ongelukken. Deze verzekering had ook het bergingsmateriaal in haar bezit en daar was ook de ijsvlet bij inbegrepen. Deze vlet was altijd gereed om uit te varen en stond in een loods op de dijk. Als er een schip door mist of andere omstandigheden in problemen raakte, ging men met twee botters en de vlet beladen met hulpmiddelen op weg naar de plek des onheils en probeerde hulp te bieden en werd zo het schip meestal door hulp van deze vlet, die de verbinding tot stand bracht, binnengebracht. Als dat dan gebeurd was, werd de vlet weer opgeborgen in de loods en daar goed onderhouden. Als de zee dichtgevroren was, dan lagen de verdiensten ook stil en dan werd de nood soms hoog met die grote gezinnen en geen inkomen, want het leven ging door. Als de wind van het oosten naar het westen ging, dan kwam er aan de vorst een einde. Het ijs zette dan van de kust af. Dan kwam de ijsvlet weer van stal en werd bemand met 12 bemanningsleden en ging het ijs in de haven op. De ijsvlet was een zwaar geklonken ijzeren vlet. Er werd dan van voren en van achteren een stevig touw aan de vlet verbonden. Aan de kant van de haven stonden dan mannen te trekken en trokken de vlet dan naar het ijs, waarop de 10 a 12 mannen die daarin zaten begonnen te hobbelen, zoat het ijs aan stukken brak. Was er dan een gleuf gemaakt, dan ging die ande¬ re kant weer trekken en zo ging dan het ijs aan stukken en de haven uitgewerkt. Dat ging niet altijd gemakkelijk, maar er was nood. Er moest weer brood op de plank komen. De vloot voer weer uit, maar de verdiensten waren dan bedroevend. Met het dichten van de Afsluitdijk was het vissen in de winter niet meer lonend en lag de vloot afgetuigd te wachten op de zomer. Het was een zwaar beroep met twee man op een kwak en niet meer lonend.

Het laatste optreden van de ijsvlet is geweest met het feest ter ere van de trouwdag van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Juliana en Prins Bernhard. Het was een versierde optocht door het dorp Volendam met de ijsvlet erbij. Ondergetekende was de commandant van het vlaggeschip. Een afbeelding hiervan ziet u hierbij afgedrukt.

40

Het begin van de ijsvletten in Harderwijk

Op 2 januari 1909 is er in Harderwijk een vissersvereniging opgericht ‘Onze Toekomst’:

In het jaar 1909 in de maand februari was een aantal Harderwijkers en Elburgers bezig spiering te kloppen op het ijs. Het ijs scheurde en op grote schotsen dreven zij af. Pogingen om hen te redden mislukten door ijsgang en het was de pakketboot ‘Minister Havelaar’, die de dienst Elburg-Urk onderhield, die deze mensen van de ijsschotsen redde. Totaal verkleumd van de kou bracht de boot hen veilig aan land.

De vissers kwamen met het voorstel om de vereniging te doen besluiten tot aanschaf van ijzeren ijsvletten. Er werd geld ingezameld voor dat doel en de aannemer Van Munching begon in juli 1909 een ijsvlettenloods te bouwen voor 570 gulden. De firma Stoel uit Alkmaar krijgt dan opdracht om twee ijsvlet¬ ten te bouwen. De ene vlet wordt het model van een Helderse vlet van 6.60 meter lang en 1.95 meter breed, uitgerust met vijf stel essen riemen die met koper beslagen zijn. Onder het vlak slepers en voorin een gelegenheid voor berging van trektouw, voor elke roeier een haakje om een trekzeel in te haken en twee duwstokken van 5 meter, uitneembaar. De andere bouw was een Boskoopse schippersboot van 8 meter lang en 2.25 meter breed, die dezelfde voorzieningen had als de andere vlet, maar dan zes stel riemen en een eenvoudig zwaard dat aan beide zijden gehangen kon worden.

Op 15 augustus 1909 worden de beide ijsvletten in de havenkom voor de Harderwijkers ter bezichtiging opengesteld en op 30 augustus wordt de bouwer Stoel het overeengekomen bedrag van 890 gulden ter hand gesteld.

Op 4 augustus 1911 bezoekt Prins Hendrik Harderwijk en bezoekt ook de ijsvletten en bezichtigt het reddingsmateriaal van deze visserijvereniging. Vanaf 30 augustus 1909 beschikte Har¬ derwijk dus over twee ijsvletten.

(Verkort overgenomen uit Tagrijn, 1980, no. 1)

Vollenhove

Deze voormalige vissersplaats aan de kust der Zuiderzee had

41

ook ijsvletten in gebruik.

De Visschersvereniging ‘Vollenhove’ heeft op 14 december 1912 een nieuwe ijsvlet laten bouwen.

De firma “Van Aller’ te Hasselt kreeg de opdracht om de ijsvlet te bouwen en klaar te maken voor gebruik.

Omstreeks de 1920 waren er in Vollenhove twee ijsvletten, namelijk een van de RK Visschersvereniging en een van de Chr. Visschersvereniging.

Een van deze ijsvletten heeft tot na de Tweede Wereldoorlog nog op de wal nabij de haveningang gelegen. Het is niet bekend, wat er nadien mee gebeurd is.

Monnickendam

De Vereniging Oud-Monnickendam heeft enkele jaren geleden een aantal oude ijsvletten van vroeger kunnen aanschaffen. Deze worden door vrijwilligers onderhouden. Deze vletten liggen ter bezichtiging in een ofander water in Monnickendam.

Texel

Op het eiland Texel zijn niet daadwerkelijk ijsvletten geweest, omdat de zee rondom het eiland praktisch nooit is dichtgevroren door diepte en stromingen.

Wei is het voorgekomen dat er een ijslaag rondom het eiland kwam aan de Waddenzeekant. Dan werd er wel gebruik gemaakt van een sloep die van glij-ijzers was voorzien en over dat ijs onder andere de post naar de schepen vervoerde, die het dan weer verder vervoerden. Wel had het eiland Texel een speciale postvlet voor het vervoer van post tussen Texel en Vlieland. lets over ijswinters op de Waddenzee (door Durk Th. Reitsma)

Eind november 1921 raakten de eilanden Ameland en Schiermonnikoog gei'soleerd. De vorst viel in bij aanhoudende harde oostenwind. Op 3 december trokken de eerste waaghalzen met een vletje over het ijs van Hornhuizen naar Schiermonnikoog.

42

Op het eiland sprak men schande van deze roekeloze daad. De ijsvlet werd deze winter meerdere malen gebruikt voor het vervoer van de post. Ook voor het vervoer van de post van en naar Ameland werd gebruik gemaakt van wat men noemde ‘een ijsschuitje’. Voor het eerst in de geschiedenis werd een vliegtuig ingezet voor het vervoer van de post. De winter van 1923 bracht opnieuw veel overlast. De meest dramatische gebeurtenis uit deze winter was het stranden van de Schiermonnikoger postvlet op de Engelsmanplaat. Op 9 februari vertrok de postvlet van Oostmahorn met aan boord zeven mannen en de post met bestemming Schiermonnikoog. Na ruim zeven uren worstelen was men verzeild geraakt in het Friesche Gat ter hoogte van Engelmansplaat. Door de harde oostenwind en de stroom, werd de vlet tegen de plaat gedreven. De mogelijkheid Schiermon¬ nikoog te bereiken was uitgesloten. Het vluchthuisje op de plaat, waarin werd overnacht, betekende de redding voor de mannen. De volgende morgen werd geprobeerd de Friese kust te bereiken. Na een ‘wandeling’ van ruim zeven uur bereikten de mannen, van wie twee doornat, uitgeput het dorp Moddergat. Een inmiddels gealarmeerde sleepboot bereikte diezelfde dag’s middags om vijf uur de Engelsmanplaat. De bemanning en passagiers van de ijsvlet waren toen reeds in veiligheid. Ook de winter 1924-1925 bracht weer de nodige overlast voor de verbindingen met de eilanden. Bij het inzetten van de winter raakten de veerboten van de beide eilanden als gevolg van aanhoudende harde oostenwind vast op het Wad. De Leeuwarder Courant van 23 november 1924 vermeldde het volgende:

De veerboot Schiermonnikoog vlot. Schiermonnikoog, 23 November. De rijksveerboot, die sedert Zaterdag wegens den lagen waterstand op Brakzand zat, is heden vlot gekomen en heeft dadelijk den dienst hervat.’

De verbinding metAmeland. Hollum (Ameland), 23 November. Hedenochtend arriveerde via Harlingen de sleepboot “Volharding”, van de firma Doeksen te Terschelling op het zuidwestelijk strand. Deze boot was gecharterd door den inspecteur der Posterijen te Leeuwarden en bracht op Ameland de post van zes dagen en 17passagiers, die in Holwerd op de postboot hadden gewacht. De postboot “Waddenzee” zit nog steeds vast op het Wad. De Wadden zitten vol met drijfijs.’

43
Schipper van de ijsvlet Gerrit de Boer (‘Garrit Bakker’) en zijn vrouw. (Foto T. de Vries)
44
Medaille uit 1917 voor betoonde moed. Jacob Jan Wakker. (Foto A. Weerstand)

De winter van 1928-1929 werd een winter die tot de verbeelding zou gaan spreken. Het verloop van die winter was als volgt: 30 januari: ijsregen, het was ondoenlijk om zich zonder scherp onder het schoeisel buitenshuis te begeven; 31 januari: postboten ‘Brakzand’ en “Waddenzee’ maakten voorlopig de laatste reizen; 8 februari: passagiers en post werden van Oostmahorn per postvlet naar Schiermonnikoog gebracht. Onder de passagiers een aantal joumalisten. Het zou de allerlaatste reis van de ijsvlet worden. Daarna werden vliegtuigen ingeschakeld.

Comelis Bakker (1887-1959), gehuwd met Jannetje Post

45

Per fiets naar Urk in 1929, dwars over de bevroren Zuiderzee

Dezen winter zou een wegwijzer, midden in de haven van Enkhuizen en wijzende in oostelijke richting, met een opschrift ‘Urk 25 KM.’, zijn diensten bewezen hebben. Vertellen de Urkers je nu nog, hoe de overlevering verhaalt, dat in 1830 zeven visschers uit Enkhuizen vandaar naar Urk en terug zijn geloopen onze kleinkinderen zullen verhalen hoe in den jare 1929 hun voorouders per fiets naar Urk zijn gereden. Nauwelijks hadden we het gerucht vernomen dat een ‘Enkhuizer’ per trapautomobiel naar Urk was gereden, of we belden den heer A. Woestenburg, directeur van de havenwerken van Enk¬ huizen op, ten einde ons eenige zekerheid te verschaffen. En jawel het was waar. ‘Dus een tochtje daarheen is niet al te gevaarlijk?’ ‘Voor doorzakken geen kans.’ Zelfs hood de heer Woestenburg aan van de partij te zijn en natuurlijk was hij hartelijk welkom. Half elf reikten eenige behulpzame handen van ‘toch leegloopende visschers’ ons onze fietsen aan. Even een foto, en voorwaarts ging het in oostelijke richting over het zogenaamde Krabbengat. Uit wijze voorzorg had de havenmeester een kompas en een lange lijn meegenomen. Aan mogelijken mist werd door ons, stadsmenschen, niet gedacht. Al hobbelend en glijend reden we de haven uit, doch’t duurde niet lang, of we zagen ons genoodzaakt een paar honderd meter te voet af te leggen. Toen we boven dieper water kwamen, werd het ijs vlakker en de gevallen sneeuw zorgde ervoor dat we niet te vaak uitgleden. Na een kwartier kregen we een ijsvlet in zicht. Urker vis¬ schers die naar den vasten wal gingen om proviand te halen. De strakke oostenwind vulde het zeil van zakkengoed en welgemoed ging ’t ‘los’. Na een uur rijden was Enkhuizen uit het gezicht verdwenen en voor ons zagen we een beeld, zooals Nobi¬ le ze dagen achtereen gezien moet hebben. Zoover men kijken kon een eindeloze ijsvlakte met hier en daar ijsbergen van opeengestapelde schotsen. Na anderhalf uur kwamen we boven het ondiepe Enkhuizerzand en was het rijden af en toe onmogelijk vanwege de opeengeschoven schotsen en de spleten in het ijsvlak. Hier ontmoetten we nog een fouragekaravaan, die het vervoer per slee beproefde. Eindelijk, na twee uur van onafgebroken loopen, trappen of duwen, kwam Urk in zicht. Ook werd het ijs nu weer beter, een teeken dat we de Wal van Urk’, waar het water 16 voet diep is, bereikt hadden. Nu eerst begon onze

46

tocht meer afwisseling te bieden. Af en toe ontmoetten we groepen jongens en meisjes die een wandeling maakten rond het eiland. Nu duurde het niet lang meer of na nog eenige halsbrekende toeren hadden we de glooiing bereikt, waar tientallen Urkers ons stonden op te wachten. Het was half twee. Onze eerste gang was naar Hotel Woudenberg, waar we ons de dampende koffie en de broodjes goed lieten smaken. Bijtijds stapten we dus op, om voor donker thuis te zijn. Half vier namen we afscheid en nu ging het voor den wind op Enkhuizen af.

In stilte bewonderde ik de stevigheid van onze stalen rossen, die met soms een terreinverhooging van 10 cm zonder vaartvermindering te maken kregen. Tegen vijf uur konden we tegen den neveligen avondhemel den Westertoren en de Drommedaris onderscheiden, en zagen we ook reeds verschillende wandelaars als zwarte stippen in de verte. Met vernieuwden moed doorploegden we weer de sneeuwpap en klokslag half zes reden we de haven van Enkhuizen binnen. In stilte heb ik, na afloop, de stalen ribbetjes van m’n fiets gestreeld met een hart vol dankbaarheid, dat we deze reis volbracht hadden. N.

Een briefvan rouwbeklag

Harmen van Reinier Kramer, die op Urk geboren en getogen was, verhuisde later naar Zaandijk en overleed daar op 26 januari 1957 op 78-jarige leeftijd. Ook hij had behoord tot de bemanning van de Urker ijsvlet onder schipper Garrit de Boer en werd eveneens gehuldigd toen Prins Hendrik aan de bemanningsleden een medaille uitreikte. Bij het overlijden van Harmen stuurde Jacobje van den Berg-Timmerman aan de familie een briefvan rouwbeklag die we hier laten volgen:

Beste Allemaal,

Ten eerste wil ik jullie condoleren met het verlies van vader Kramer, alhoewel hij nu uit zijn aardse lijden verlost is en we mogen geloven dat de engelen ook zijn ziel gebracht hebben voor Gods troon. Daar hebben wij zo’n interessante uitleg over gehoord verleden

47

week zondagavond, over het werk van de engelen. Nee, wat wij toen gehoord hebben, dat was wat. Toen kon ik nog geloven dat bij onze Hiltjes sterven ze de engelen zag, dat werd mij toen nog duidelijker. Wat hebben wij hier veel dat anderen missen moeten, maar ook een grotere verantwoording om onder zulke waarheden verloren te gaan en vader kan dat nu ook nog allemaal horen. Wat een zegen. Vader maakt het best, als hij maar blijft liggen. Hij kan er niet meer uit, ook al vanwege zijn hart en borst, maar is nog goed bij en erg tevreden. Wij hebben zoveel volk gehad en zoveel gekregen, wel 50 eieren. Jullie worden ook bedankt voor de eieren. Wij hebben het alles bij hem neergezet. Toen kwam de dokter ook nog en vroeg of hij een winkeltje had, zoveel. Zoals je wel weten zult, zijn Jannetje en Alie ook nog geweest en Willem. Nu, Alie viel mij wel mee, maar dat ze er veel mee geleerd heeft betwijfel ik wel, maar ze hebben een gezellige dag gehad. Nu mensen, ik eindig maar weer, want er is weer een zangdienst voor de kerktelefoon van de Jeugdcentrale en daar willen wij naar luisteren. Ik zal ze een voor een maar eens een bedankbrief schrijven. Nu jullie in deze omstandigheden maar het eerste en ik wens jullie als de tijd daar is om vader weg te brengen sterkte toe en het oog maar naar boven. Doe alien de groeten en tot ziens dan maar weer zullen we hopen. Gegroet van ons alien.

Moeder Van den Berg

Een briefvan N.N.

Tenslotte laten we nog een briefvolgen die in de Urker Courant van 10 februari 1917 was opgenomen.

Waarde vriend!

Al zul je te IJmuiden wel het een en ander uit de krant of bij toeval door de telefoon vernomen hebben van ons eiland, nu er morgen weer pogingen aangewend worden voor het overbrengen van de post door de Havelaar en de ijsvlet, richt ik dit schrijven tot de redactie van de Urker krant met beleefd verzoek het te plaatsen. Ik vertrouw, dat hiermede je nieuwsgierigheid naar alles en nog wat ook van andere lezers meer bevredigd zal

48

worden enje met bezorgd behoeft te zijn over ons isolement tusschen het ijs, al ligt er nu juist onze kracht met in. De winter is ons overvallen. Na de langdurige periode van regen en wind, heeft hij onverwachts de wateren doen verstijven, veel ijs in de Zuiderzee gebracht. Wij werden er zaterdag 20 dezer al van overtuigd bij het binnenloopen van een geladen klipperschip, dat voor het jonge ijs bij Schokland naar de Urker haven vluchtte en nog juist aan het eind van den dam kon vastmaken. Door Hulp en Steun is het schip later verder naar binnen getrokken en buiten het ijsgevaar gemeerd. Als ik het goed verstaan heb, betaalt de betrokken assurantie voor die hulp 450 gulden en ontvingen onze mannen een daggeldje. Des maandags had de Urker boot het werk af. De Geusau bereikte door het ijs nog de westdam en stevende in den laten namiddag met 10 passagiers op Enkhuizen aan, maar bleef in een ijsveld steken, zocht een terugweg, doch raakte bekneld in Z.W. richting tot ontsteltenis van de meevarenden. En op de boot en op ons eiland zijn het van 22 tot 26 dezer, dagen van spanning geweest. Wij liepen afen aan naar den vuurtoren. Wat een drukte en geredekavel over het gevaar tusschen het ijs. Voor ons oog viel echter niet anders waar te nemen dan vermeerdering der ijsvlakte, die de Geusau steeds verder afvoerde tot bezuiden het Zand (Enkhuizer nl.), waar ze nog vastzit. Aan stuurlui aan den wal geen gebrek, dat begrijp je. Men maakte zich meer en meer bezorgd, tot donderdag een vlag werd opgemerkt op het s.s. Een ijslooper stond voor dien al gereed, maar een tocht dien kant uit lokte niet aan. Er werd toch besloten de vletreis te aanvaarden en circa een uur stak de ijslooper van wal, of liever de haven uit. De bemanning bestond uit de koplui Albert van Veen en Jan Schraal, verder Klaas T. Ras en Kobus de Boer, Harmen R. Kramer en Jacob Jan Wakker, Steven Korf (bestuurslid van Hulp en Steun) en Willem Post, benevens achterin den schipper G. de Boer. Toen het donker was geworden, hebben we vol spanning staan turen naar het stakelen van de vletlui, dat van den vuurtoren nu en dan werd beantwoord. Het vermoeden dat de ijslooper in den laten avond nog behouden is aangekomen bij de Geusau werd den volgenden dag zekerheid. We stonden dien vrijdagochtend al vroeg, ja, te vroeg, bij den vuurtoren op den uitkijk voor den terugkeer der vlet. Om een uur was ze al vrij dicht onder Urk en ging de ijzeren vlet tot assistentie haar tegemoet. Dat er meer volk in de terugkeerende

49
Tiemen Weerstand. (Coll. A.W.) Jacob van Veen. (Coll. A.W.)
50
Kobus de Boer. (Coll. A.W.) Reier Post. (Coll. A.W.)

vlet vertoefde dan bij de afreis, werd al duidelijker. Tegen drie uur bereikten beide ijsloopers de havenmond, waar een groote schare op het ijs en op de havendammen de aankomst verbeidde. Ook onze burgemeester en de overste van het intemeeringsdepot waren te midden der aanwezigen. En opeens verstomde het gejuich en rumoer onder de groote menigte, toen burgemees¬ ter, omhangen met den ambtsketen, de manschappen wenschte toe te spreken met (ongeveer) de volgende woorden: Wat zee bouwt heeft een hart. De waarheid van dit spreekwoord hebt gij schitterend bevestigd, dappere redders, toen ge gisteren de hoogst gevaarlijke tocht ondernaamt om te redden wie in nood verkeerde. Vertrouwende op God en op uw stoere kracht zijt ge de wijde zee opgegaan, den dood als ’t ware tegemoet ziende. Uw moedsbetoon heeft indruk gemaakt op de geheele bevolking van Urk en zal geroemd worden door heel Nederland als het bekend wordt. Ik breng u onze dankbare hulde. Hoera!’

En Hoera! weerklonk het van alle kanten. Weldra betraden het tiental, dat op de Geusau vertoefd heeft, den vasten bodem van ons eiland, om hun wedervaren der laatste dagen aan familie en belangstellenden te verhalen. Voor dekking en beschutting tegen de koude in de ijsvlet, voor beide vrouwen en twee kinderen, was uitstekend gezorgd. En je vraagt heel nieuwsgierig: Hoe was het gesteld aan boord van de Geusau? Het stoomschip zit omringd door het ijs; onmiddellijk gevaar is er niet bij, maar bij verandering van wind en stroom kan het ineens verkeeren. Kapitein A. de Groot achtte het niet langer raadzaam bij den geringen voorraad proviand, de ‘passagiers’ (die hij ernstig afgeraden heeft de gewaagde reis mee te maken) aan boord te houden. Daarom seinde hij om hulp, maar verwachtte deze met het oog op den grooten afstand eerst den volgenden dag. En om deze reden vertoonde de Geusau geen licht bij aankomst der vlet. Voor de bemanning maakte dit de ijstocht in het duister en helaas ook voor een deel door het kis (fijngeslagen en door het getij loopend ijs) heel bezwaarlijk. Gelukkig was juist de donkere silhouet der Geusau in het schijnsel der dalende maan voor de ijsvlet zichtbaar. Wat men aan eetbare waar uit den ijslooper kon missen, onder andere een zakje rijst, bleef voor de beman¬ ning op de stoomboot achter en een woord van lof en dank komt kapitein De Groot toe, voor zijn humaan optreden. Volgens het

51

getuigenis der passagiers, om het hen aan boord gezellig en gemakkelijk te maken en met hen spijs en drank te deelen, tot de nood aan den man kwam. Bij het verlaten der Geusau was voor een 14 dagen eten aan boord en met den kolenvoorraad moest men zuinig omgaan. Intusschen is het ijs van alle zijden door de strenge vorst sterk toegenomen. Jl. vrijdag (dus 26 jan.) heeft de Havelaar ons bij de Rotholm de post aangebracht, door de kleine vlet een en andermaal over het ijs afgehaald, maar daarvoor is ook deze boot tot zondagochtend opgesloten geweest tusschen de ijsduinen en het aandringende ijs van den oostkant. Eerst in den namiddag van 28 dezer lag de Havelaar weer veilig te Kampen. Je hebt zeker, mijn vriend, wel in twijfel verkeerd over de petroleumnood, aardappelennood enz. en over gebrek aan brandstoffen. De distributie van de regeering heeft zeker niet minder schuld aan de schaarschte dan onze afsluiting van den vaste wal. We zitten nog ongestoord bij onze helder brandende lamp. Toch zijn maatregelen getroffen voor bezuiniging. Aan de gewone afnemers wordt 60 pCt. verstrekt. De straatverlichting is beperkt, de winkels sluiten’s avonds te 9 uur, op zaterdag half elf. Naar men zegt, zal de avonddienst in de kerken des middags gehouden worden. Ter besparing van steenkolen, staat de zondagsschool stil en wordt iederen dag school gehouden van 9 tot 1 uur, met een pauze van 11 tot half 12. Wat petroleum en ook meel betreft, zijn we tot half februari voorzien. Overigens staat het er met de aardappelen bij eenigen heel zuinig voor, rekenend op de regeering in de volgende maand. Zeep heeft zich nog steeds laten wachten. Naar we vernemen, zijn verschillende regeeringslevensmiddelen onderweg naar Urk, maar hangt het van de zeetocht afof ze hier gelost kunnen worden. Maak je echter niet bezorgd over ons, want aan gebrek lijden zijn we nog niet toe. Voor dien tijd zal het verkeer wel weer meer geregeld kunnen onderhouden worden. Mijn brief is grooter van omvang dan het voornemen was. Er is dan ook ruime stof voor. O ja, aan den voorzitter van Hulp en Steun is door een onbekenden gever 25 gulden verstrekt ter uitreiking aan de bemanning van den ijslooper (die gisteren buiten de haven op het ijs ‘gekiekt’ zijn). Evenals dien edelmoedigen gever, teeken ik mij Uw vriend N.N.

52

Besluit

Dit geschrevene over de ijsvlet, wil ik bij dezen besluiten. Er is misschien nog wel het een en ander te vinden over dit onderwerp, dat waard is vermeld te worden.

Door mij werden de gegevens gevonden in oude boeken van Hulp en Steun en in de kranten ‘De Urker Courant’, ‘De Oprechte Urker’, ‘Het Urkerland’ en ‘Stuurboord’. Ook het Urker visserijmuseum werd nagezien op gegevens en verder werden de volgende musea aangeschreven: Het Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam, het Scheepvaartmuseum te Sneek, het Scheepvaartmuseum te Ketelhaven. Bovendien de Reddingsmaatschappij te Amsterdam en het Dorus Rijkers Fonds.

De volgende plaatsen werden ook aangeschreven op gegevens over eventuele ijsvletten in vroeger jaren, de meeste beantwoordden mijn verzoek. Het waren: Elburg, Harderwijk, Spakenburg, Huizen, Marken, Volendam, Monnickendam, Enkhuizen, Moddergat, Lemmer, Blokzijl en Vollenhove. En Verder de eilanden Texel, Terschelling, Vlieland en Ameland. Ook werden op Urk verschillende families bezocht, waar mee gesproken werd over hun betrekkingen met het werk van IIulp en steun en de ijsvlet. Mijn broer Klaas hielp mij bij het nalezen van oude kranten. De hoofdredactie van het blad ‘Tagrijn’ gaf toestemming eventuele artikelen over dit onderwerp over te nemen.

53

Tromp de Vries

Het wel en wee van HULP EN STEUN in vijftigjaar

Hulp en Steun was in de eerste plaats een ijsschuitenvereniging. Er werd na 1900 een boek aangelegd voor de verslagen van de jaarvergaderingen en later ook een van de bestuursvergaderingen. We konden ze ter inzage krijgen en hebben de inhoud in de volgende korte stukjes verwerkt. Gemakkelijk was dat niet vanwege de beknoptheid van de vermelding der zaken die aan de orde kwamen en de onvolledigheid. Ook schrijfwijze en spelling leverden wat problemen op. Maar tenslotte kregen we toch een overzicht van wat er zo in Hulp en Steun speelde, met name in strenge winters. Meer dan dat moet er niet verwacht worden en er blijven vragen te over. De gevolgde methode leverde een resultaat op dat veel heeft van een wat brokkelige kroniek, maar niet zonder verrassingen voor de belangstellende lezer.

Hoe het begon

De jaarnotulen van de ijsschuitenvereniging Hulp en Steun vangen aan op 18 januari 1900 en eindigen met het jaarverslag van 1951. Toch bestond die ‘vereniging’ al veel langer. Hoe lang precies is niet bekend; haar geschiedenis verliest zich in het ongeschreven verleden. Toch zijn we blij met die beschrijving van een halve eeuw. Het notulenboek leert ons de geschiedenis van het eiland beter begrijpen, met name datgene wat zich in barre winters afspeelde. Dan was Hulp en Steun een reddingsstation voor schepen die in het ijs kwamen vast te zitten en de organisatie voor de contacten van het geisoleerde Urk met ‘de vaste wal’

De vereniging had een schuur met reddingsmateriaal, dat ook aan vissers in voorkomende gevallen in bruikleen werd gegeven. De meeste schippers waren dan ook contribuant van Hulp en

54

Steun, al was het alleen al om de gezellige jaarvergaderingen met chocolademelk en koek, waar de sigarenrook te snijden was, want ook een rokertje werd cadeau gedaan. Niet elk jaar was er veel werk aan de winkel; er waren immers ook zachte winters, maar de vereniging deed meer dan de naam ‘ijsschuitenvereniging’ inhield. Er werd gerapporteerd en gecorrespondebrd over mistsignalen, boeien en bakens op zee en remmingswerk en ducdalven in havens voor betere ligplaatsen van de vissersschepen in onder meer IJmuiden en Den Helder, maar ook over het aantal en de diepte van de netten. Tijdens de eerste officiele jaarvergadering, op 18 januari 1900, kwam bericht binnen van de ramp met de UK 169. De schuit sloeg om en de bemanning (D. Romkes, P. Kramer en H. de Boer) verdronk. Zulke berichten waren ware merktekens in Urks geschiedenis. De muur bij het vissersmonument getuigt ervan

De eerstejaren

De inkomsten en uitgaven beliepen in 1899 ruim 250 gulden, de contributie bedroeg slechts enkele kwartjes per lid, en knechts konden lid worden voor een kwartje. Daar werd dan nog wanordelijk over gediscussieerd ook. Er was aanvankelijk ook geen goed reglement en de onordelijkheid werd geweten aan het niet openen en sluiten met gebed! Toen een paar jaar later een regle¬ ment van kracht werd en er met gebed werd begonnen en geeindigd, verbeterde langzamerhand de situatie, vooral onder de leiding van Jacob Brands, jaren lang voorzitter. Een 25-tal begunstigers betaalde 50 cent of 1 gulden. Behalve door vissers werden de jaarvergaderingen ook vaak bezocht door de burgemeester, de havenmeester en nu en dan ook een schoolmeester en een enkele middenstander.

In 1903 reikte burgemeester Van Suchtelen een cadeau uit aan Comelis J. Loosman en Teunis A. van Slooten, die zich op 25 december verdienstelijk maakten door zich op de door storm opgezweepte ijsmassa voor de haven te begeven en verbinding aan te brengen met de vaartuigen die door wind en ijskracht het havenhoofd voorbij dreigden te gaan.

In 1904 en volgende jaren is ‘de moordkuil’ bron van opwindende gesprekken vanwege de voor- en tegenstanders van de kuilvisserij. In 1907 gaat het onder meer over een gewenste gas- of

55

Herinnering aan de Zuiderzeevisscherij-tentoonstelling en vlootrevue. Enkhuizen 1930. (Foto’s A. Weerstand)

56

lichtboei in het Schuitegat, stopmiddelen voor de Velser spoorbrug, een boei op het wrak van de ‘Servia’ en een gewenst mistsignaal voor de haven van Scheveningen. Het levert vrij veel correspondentie op, waaronder een adres aan Amsterdam om de visafslag aldaar te mogen behouden. Intussen is de vereniging dan ook koninklijk goedgekeurd, beseft een roeping te hebben op maatschappelijk terrein, debatteert over onder andere de rijksongevallenverzekering en stelt de vraag naar een tweede dokter aan de orde, maar daar bleef het bij.

In 1908 tekenden 290 personen, zowel schippers als knechts, voor het behoud van de kuil en een begeleidende actie. De secretaris sprak vanwege de commotie van ‘een scheepje op dolle zee’. Het moet er wel gespookt hebben!

Op de volgende jaarvergadering waren ook de onderwijzers Jansma en Nieuwhuis aanwezig, die waarderende woorden spraken. Het peil van de bijeenkomsten steeg. Vrezend voor zedelijk misbruik wilden Hulp en Steun toen geen assuradeur zijn, maar het zou toch mooi zijn als een vergoeding zou kunnen worden uitgekeerd, bijvoorbeeld bij een ramp als die Luit Bakker trof, was het oordeel.

In 1911 wordt om meer verlichting op de haven gevraagd; er is iemand ingevallen door de diepe duisternis. Ook wordt gevraagd om het zilveren ijsschuitje ten toon te stellen, dat als huldeblijk aan de vertrokken burgemeester Van Suchtelen was geschonken en dat men toch wel wilde zien. Z.K.H. Prins Hendrik werd in hetzelfde jaar vorstelijk ontvangen, maar het vorderde wel grotere uitgaven. Die bedroegen dat jaar f289!

De ijslopervereniging behartigde langzamerhand de belangen van een visserijvereniging. Er werden in korte tijd wel vijf requesten verzonden. Gedelibereerd werd over een verplichte ansjoviskeuring om de invoer van Spaanse ansjovis tegen te gaan. En kon de ijsvlet niet van een motor worden voorzien om ook als reddingsboot dienst te doen? Een redelijke vraag, maar de kas liet het niet toe: Er zouden meer leden moeten zijn en minder wanbetalers! En het bestuur had al de handen vol aan de ongevallenwet, de drukkende last van de loonlijsten en de minder gewenste behandeling aan de Amsterdamse visafslag. Er zou wel een advocaat nodig zijn voor onderzoek van al de zich voordoende problemen. Het zag er niet allemaal zo rooskleurig uit. En hoewel de burgemeester geen zwarte kool wilde tekenen, had hij vorig jaar toch gesproken over de ‘goddeloosheid’ van

57

vissersjongens en dat met het oog op het doorsnijden van touwen e.d.

Allerhande contacten en zaken

Net als burgemeester Van Suchtelen was ook A. Gravestein nauw bij het werk van Hulp en Steun betrokken. De laatste werd in 1910 zelfs erevoorzitter. Hij maakte steeds althans een deel van de jaarvergaderingen mee en vertrok daama ‘wegens andere bezigheden’. Zijn toespraken maakten indruk, juist ook in de tijd dat er zoveel commotie was over de bootmaatschappijen en het postvervoer en ook over het aantal en de diepte van staande netten en ‘de moordkuil’ met zijn nauwe aatje. De Urker Courant van die dagen moest er goed over worden geinformeerd en daarom werd oud-secretaris Albert Kramer Cz. aangewezen als ‘journalist’ voor de krant. Er kwamen ook steeds meer zaken aan de orde, waarbij kennis van recht en wet en goede contacten met de pers nodig waren: ongevallenwet, verzekeringen, het visserijbeleid en het nemen van aandelen. Elke schipper moest aan boord een consent hebben en een gele vlag.

De oorlog 1914-1918 gaf bovendien grote problemen en die leverden weer een averijfonds en een koninklijk steuncomite op, en ook werd verzekering tegen ongelukken van regeringswege nodig geacht. De burgemeester wist er vaak meer van. Toen Gravestein zes jaar op Urk was, werd hem al ‘uit naam van de vissersbevolking’ een geschenk aangeboden. Ook met de Enkhuizer, Kamper en Zwolsche Courant waren incidenteel wel contacten. Gelukkig was er niet elk jaar een strenge winter. Op 7 januari 1909 waren alle handen in de weer voor het binnentrekken van de postboot. Dit was, helaas, door voortdurende draadbreuk toch mislukt. Daarna waren er op de Zuiderzee wel dertig mensen uit Elburg in gevaar, en ook Harderwijkers, doordat ze op het ijs van de wal waren afgedreven. Er gingen twee Urker ijsschuiten heen. Ze liepen geen schade op. Wel bleek, dat meer lantaarns, fakkels en kompassen dienden te worden aangeschaft. Het bleef alles kleinschalig. Initiatieven waren er wel, zoals voor een eigen Urker stoomboot, maar het ontbrak meestal aan geld en voldoende zakelijk inzicht. Uit een brief van de Red-

58

dingsmaatschappij bleek, dat er geen motorreddingboot kon worden gestationeerd. Soms wordt in de verslagen ook iets van de moeiten elders openbaar. In 1912 verzochten Scheveninger vishandelaren om aldaar niet in de vishal af te slaan. Ook de Julianabond van Volendam gafproblemen.

In 1912 werd in januari het tjalkschip ‘De Welvaart’ de haven ingetrokken. De stoomboot ‘Havelaar’ raakte aan de grond en dat leverde een vruchteloze poging voor Hulp en Steun op. IJsschuiten gingen op verkenning uit toen een Volendammer hotter vermist werd. Ook werden goederen van een Hunzeboot geborgen. In dat jaar was de vereniging rijker dan ooit. Bedroegen de uitgaven 637 gulden, er was 1.238 gulden ingekomen. De moeilijkheden aan de afslag in Scheveningen werden aan Urk ten voorbeeld voorgehouden. Voor de haven van het Nieuwediep was een consent nodig. De kuil als net leverde nog altijd problemen op, met name het nauwe kuilaatje, er werd zelfs een proefvisserij gehouden. En voor een op te richten averijfonds kwam van de koningin-moeder een gift van 100 gulden binnen. Het volgende jaar kon met recht ‘roerig’ worden genoemd. De vergadering had door ruzie over de stemming veel weg van een Poolse landdag.

Visserijproblemen te over

Op de kuilkwestie kan hier niet uitputtend worden ingegaan. We geven slechts wat de notulen van 11 januari 1912 vermelden als voorbeeld: ‘De president brengt in de rondvraag of wij de route zullen doen naar Volendam, hetwelk wordt toegestemd. Besloten wordt de route dadelijk uit te voeren en er wordt tot stemming overgegaan voor twee afgevaardigden. J. Brands en St. Korf worden gekozen. Dan komt de nieuwe vereniging aan de orde. St. Korf heeft het voorstel om Volendam te steunen en ons er als afdeling Urk bij aan te sluiten en omkleedt dit met breedvoerige redenen, namelijk ons eigen belang. Als Volendam afstand moet doen van de kwakkuil zouden wij minstens honderd Volendammers op de Noordzee krijgen en dit zou zeer groot nadeel voor ons veroorzaken aan de markten. Jurie Kramer stelt voor om bij aansluiting bij Volendam te bedanken als lid van de Zuiderzee-

59

bond. De president wil daarmee nog wachten en zegt verder dat de ZZB Urk wel een duw in de laagte heeft gegeven door het verwerpen van de drie punten van de afdeling Urk van 31 oktober 1911, te weten: 1. Om op zondag geen netten in zee te hebben. 2. Wat het aantal en de diepte der netten betreft, te vissen met 50 haringnetten bij een lengte van 800 en diepte van 100 mazen; en met 60 ansjovisnetten met een lengte van 1.000 en diepte van 250 mazen. 3. Geen maat op haring, spiering en ansjovis aan te houden.

Daarover vraagt Albert Kramer het woord. Hij wil allereerst dat wat door de vorige sprekers gezegd is aandikken en zegt verder dat er met Enkhuizen een anti-beginsel inzit en dus daarom Urk op die vergaderingen erg tegenwerkt. Met algemene stemmen wordt dan besloten “ons bij Volendam aan te sluiten bij de Julianabond”.

Kramer las nog een stuk uit de Enkhuizer Courant voor omtrent de vergadering door de Volendammers op Urk gehouden.’

De visserijproblemen groeiden Hulp en Steun tenslotte zo boven het hoofd, dat er plaatselijk een aparte vereniging voor Visserijbelangen werd opgericht en de ijsschuitenvereniging zich tot het reddingswerk kon beperken.

Het reddingswerk

Zowel in strenge als zachte winters, altijd was er wel wat. Zo werd er een Vollenhoofse hotter geholpen en er werd brievenpost naar de postboot gebracht omdat die niet in de haven kon komen. Door het onregelmatig trekken aan schepen leed het materiaal grote schade. Voor de ijsschuiten moesten de bekwaamste mannen gevraagd worden, ook al waren ze geen lid. Er was dankbaarheid dat de uitgebroken grote oorlog nog geen slachtoffers op Urk gemaakt had. Marken en Wieringen hadden door mijnen al verliezen te betreuren in 1915. De vraag knelt dan of er vergoeding gevraagd kan worden voor door de oorlog opgelopen schade.

Een tjalk op de Vormt wordt met draad geholpen en goederen, waaronder suiker, in het pakhuis geborgen, het schip wordt door de Urker boot vlot getrokken. De Noordzee was onveilig

60

geworden, ook twee Urker jongelingen vonden de dood in de golven, maar alle schepen kwamen veilig in de haven. E. de Groot in IJmuiden vond het lichaam van de zoon van Wil¬ lem Weerstand. Hem werd een huldeblijk met inscriptie toegezegd. Ook burgemeester Gravestein kreeg een huldeblijk en de 12,5 jaar fungerende voorzitter Brands een zilveren bril in dito doosje.

Het lijkt zo vredig, maar de onenigheid is weer groot als het gaat om het nemen van een aandeel in de Urker boot. Op 8 juni 1916 wordt het bestuur zelfs ontbonden, maar in 1917 komt er een nieuw, want de zaken gaan door: een schip op de havendam, brandgevaar door taanderijen en het gamalenkoken, de verkoop van de oudste ijsschuit, de verplichtingen van de Wet van uitwijking. Er zal op Urk toch ook een school voor de zeevaart gesticht moeten worden, zo schrijft de inspecteur van het onderwijs.

‘Journalist’ Albert Kramer onderhield contact met de Urker krant, maar met de pers buiten Urk liep het wel eens mis en ontstonden er misverstanden. Zo verscheen in de Zwolsche Courant van 13 februari 1917 een artikel waarin werd gesproken van gewetenloze schurken en schurkenstreken door Urkers gepleegd. Hulp en Steun wilde daarover circulates op Urk verspreiden. Een stuk werd opgesteld en beoordeeld om als tegenstuk in de Zwolsche Courant te plaatsen. Ook in de Urker Courant en de Kamper Courant werd een stukje geplaatst om beschuldigingen te weerspreken en misverstanden uit de weg te ruimen. De ene reddingsoperatie had veel meer om het lijfdan de andere en dat blijkt ook uit de notulen.

Zo werd in 1912 van een assurantie 350 gulden ontvangen voor het binnenbrengen van een tjalkschip. Hoe moest met dit geld worden gehandeld? Allereerst werd besloten aan de burgemees¬ ter een extraatje te geven en aan de twee klerken ter secretarie elk een gulden, en aan Albert Kramer een kistje sigaren voor de in dezen gedane moeite. Omdat het niet uit te maken is wie wel en wie niet aan het schip getrokken heeft, wordt aan de jaarvergadering voorgesteld de 350 gulden maar in de kas van de vereniging te storten.

In 1917 kreeg de bemanning van de ijsschuiten die de vele passagiers van de ingevroren ‘Geusau’ hadden gehaald, loon uitgekeerd, met dank voor de betoonde hulpvaardigheid. Aan het personeel van de eerste ijsschuit die de tocht heen en terug maakte

61
Jan Schraal en zijn vrouw Klaziena van Dalfsen. (Coll. A. Weerstand)
62
Jacob Brands en echtgenote. (Coll. A. Weerstand)

werd 10 gulden per persoon gegeven en aan de bemanning van de tegemoetkomende ijsloper 5 gulden. Vier personen bedankten voor het loon en verklaarden de tochten geheel uit liefde te hebben gemaakt. Nu had een onbekend-willen-blijvende gever 25 gulden voor de reddingsoperatie beschikbaar gesteld en deze gift werd toen onder de vier belangeloze redders verdeeld, om daar een aandenken voor te kopen. Er was ook een zandschip (‘Trijntje’ van schipper C.J. Mulder) in de haven getrokken, waar veel materialen en wel 150 trekkers bij betrokken geweest waren. Het kostte twee dagen om het schip binnen te krijgen. Het bestuur besloot bij de aangenomen som van 600 gulden te blijven, ook al wilde de verzekeringsexpert daarop afdingen. Een specifiek opgemaakte rekening zou zeker een hoger bedrag opleveren. De strenge winter van 1917 leverde druk ijsschuitenverkeer op. Aan bakkers en slagers werden ze aangeboden voor 25 gulden en een borgstelling. De slagers wilden, om spek van Schokland te halen, 5 cent per pond voor huur geven en ongeveer 2.000 pond vervoeren. Het bestuur besloot, dat als het spek in een dag gehaald kon worden, dit voor 5 cent per pond kon, maar als de ijsloper een nacht op Schokland zou moeten overblijven door de weersgesteldheid, er een halve stuiver op zou komen. Soms ging de ijsschuit door naar Kampen en kwamen er kosten voor het verblijf aldaar bij.

De rekening voor de ‘Geusau’ bedroeg 235 gulden, maar betaling liet op zich wachten.

De inspanningen voor de ‘Geusau’ kregen plaatselijke en regionale belangstelling, met zowel lof als blaam.

De commandant van het op Urk ingerichte intemeringsdepot, de heer Vredenburg, en de burgemeester, brengen openlijk hulde aan de redders bij de eerste en tweede tocht naar de boot. En over die tweede tocht verschijnt dan in de Zwolsche Courant een grievend stuk, zoals we al hoorden.

Moeilijkheden in oorlogstijd (1914-1918)

Alle vergaderingen van HuIp en Steun werden met gebed en psalmgezang begonnen. Een enkele keer ging dit minder vlot als bijvoorbeeld de voorzitter verlaat was, zoals in januari 1914. De vice-president werd toen verzocht de leiding op zich te nemen,

63

maar hij verklaarde geen vrijmoedigheid te hebben het aangezicht des Heeren te zoeken over de zaak waarover het die avond zou gaan en waarmee de spreker het niet eens was. Toen nam L. Korf de leiding maar over, tot Brands verscheen. Het ging over de oprichting van een averijfonds, enkel voor aanvaringsschade, want voor verzekering bij totaalverlies zou de premie te hoog zijn. Aan I.K. Koffeman en de secretaris werd opgedragen elk een concept-reglement te maken, waaruit er dan een kan worden samengesteld.

De bootkwestie houdt in de daarop volgende vergaderingen de gemoederen nogal bezig en brengt veranderingen in het bestuur. Op 4 december 1915 maakt de president zelfs bekend dat hij in de toestand waarin het bestuur onderling gewikkeld is niet met gebed kan openen en acht hij met die toelichting de vergadering dan begonnen. De oorlog laat zich ook hoe langer hoe meer gelden. Er is geen turf voor aan boord te krijgen; er moet voor de distributie opgeslagen worden; ook moet een grotere hoeveelheid petroleum beschikbaar komen.

De middenstanders werden om beurten ingeschakeld voor werkzaamheden. In 1918 was G. Kok aan de beurt voor smid, K. Hakvoort voor scheepstimmerman en W. Schraal voor huistimmerman en voor zeilmaker G. Snoek. O. Hoefnagel, de boedelbewaarder, wordt aangesteld om de turf voor de schepen te laten uittellen, waarbij dan een bestuurslid aanwezig dient te zijn. Aan bode K. Asma wordt 4 gulden uitbetaald voor extra gedaan werk, namelijk het rondbrengen van de stemkaarten. Hoefnagel kreeg 6 gulden voor zijn telwerk.

Over de lonen voor de ijsschuitmatrozen was nog wel eens wat te doen. Moesten ze ook wat hebben als ze ‘op avontuur’ uittrokken en tevergeefs weer terugkwamen? Als er wel een vergoeding aan vast zat, zoals bij het binnenbrengen van het tjalkschip ‘Alpha’ van Wildervank, dan speelde de kwestie van de verdeling tussen vereniging en matrozen. Geld dat binnenkwam en niet direct nodig was, werd op de Kamper spaarbank (afdeling Urk) belegd.

Ongevallen door mijnen in zee

In 1918 wordt berekend dat de vereniging al wel 80 jaar of lan¬ ger bestaat. De oorlog levert dan veel averij op, maar nog altijd

64

is er geen averijfonds. Er zijn grote uitgaven en er is schaarste aan onder meer turf. De vereniging 'Dorcas’, die regelmatig een gift kreeg, krijgt meer nu de prijs van manufacturen zo hoog is. De oorlog loopt ten einde, er worden nog wel mijnen, maar geen beschietingen meer gemeld. En dan nog vallen er slachtoffers. Louwe Jacob Post verloor schip en bemanning. De UK 114 liep eveneens op een mijn, waarbij schip en bemanning verloren gingen: Hendrik T. de Vries, Jan Bakker en zijn zoon Jacob. Jacob W. de Vries verloor zijn hotter op een mijn, maar de bemanning werd als door een wonder gered. Het vissersvak is vol gevaren.

Spanning is er in die jaren volop, bijvoorbeeld als er bij Enkhuizen zoveel Urker schepen in het ijs komen te zitten en als de postboot met wel 200 passagiers de haven moet worden ingetrokken, met ook nog eens elf botters. Dat is het echte werk van Hulp en Steun. De jaarvergaderingen verlopen nu ook veel vrediger dan voorheen, en als steeds houdt de burgemeester een indrukwekkende redevoering.

Maar de zaken gaan toch niet zo goed: er kan geen schiettoestel worden aangeschaft. Visserijbelangen verkeert in moeilijkheden en voor de visserijschool is geld nodig. En met het geld is het juist niet zo ruim gesteld.

Rustigerjaren

Op 3 januari 1920 is punt een van de agenda de schippersorganisatie. De voorzitter zegt, dat in deze tijd waarin alles en iedereen zich organiseert en zich in bonden schouder aan schouder schaart, ook de schippers der vereniging dan een bond oprichten om zo samen kracht te kunnen uitoefenen tegenover de knechts, opdat straks onze vloot niet werkeloos in de haven hoeft te liggen, waar het anders tenslotte wel op moet uitlopen. Dan wordt er een schrijven gericht aan het kamerlid H. Colijn, burgemeester van Nieuweramstel, of hij twee afgevaardigden van het bestuur van Hulp en Steun kan ontvangen om over deze zaken te spreken en ook over de Invaliditeitswet: kunnen de schippers niet vrijgesteld worden van het zegelplakken? Bij punt twee wordt besloten om voor iemand die met zijn schip aan de grond loopt, 50 gulden beschikbaar te stellen als hulp uit de kas van de vereniging, maar alleen voor het jaar 1920.

65

In mei 1921 vergadert het bestuur, zoals vaker, in de bovenzaal van de Van Alphenstichting, ‘het oudemannenhuis’. Beneden hen is een luidruchtige vergadering aan de gang, zodat niet met gezang en gebed kan worden begonnen. H.M. de Koningin komt 24 juni op het eiland en Wilhelmina moet koninklijk ontvangen worden als zij Hulp en Steun zal bezoeken. Er zal een vracht dennegroen uit Elburg gehaald worden en er moet een voorstelling met de ijsschuit gegeven worden en daar moet ijs uit IJmuiden voor komen.

In 1922 (er zijn dan al ettelijke motorvaartuigen) is er een voorstel een cooperatieve olievereniging op te richten onder de schippers.

In januari 1923 wordt een nieuwe voorzitter gestemd, daar voorzitter Jacob Brands bij de laatste verkiezing als president en bestuurslid was gevallen. Jacob Nentjes neemt dan zijn taak over. De eerste Urker Stoombootmaatschappij verkeert in precaire toestand die op liquidatie dreigt uit te lopen. Aan Draagt Elkanders hasten wordt daarover een brief geschreven. Aan het eind van het jaar zullen Hulp en Steun en Visscherijbelangen tegelijk jaarvergadering houden om het 25-jarig bestaan van de vereniging feestelijk te herdenken. Later wordt de feestavond vastgesteld op 2 januari 1925. De secretaris krijgt voor zijn 12,5 jarig waamemen van het secretariaat een vulpen. Een plan voor een motorijsvlet is met een ingenieur in Haarlem besproken. Het is er, als zo vaak, nooit van gekomen. De volgende jaren verlopen rustig en de vergaderingen gaan over de gewone zaken: de schuiten, het draad, de contributie, de stemmingen. De secretaris G.M. Bakker schrijft in december 1927 zijn laatste notulen; wegens lichamelijke gebreken bedankt hij als bestuurslid. In zijn plaats wordt Riekelt Brands benoemd. Bakker had het voor zijn tijd uitstekend gedaan, van 1906 tot 1928. Hij kreeg bij zijn afscheid 25 gulden als beloning voor die 22 jaar.

Diverse moeilijkheden

De nieuwe secretaris was Riekelt Brands. Hij schrijft in januari 1928 zijn eerste notulen. Voor het ophalen van de ijsloper zijn op het havenhoofd twee rollen nodig, ‘mosterdpotten’ genoemd. Er wordt gevraagd waar

66

de gouden medaille toch gebleven mag zijn, die aan de vereniging is toegekend. En ook (hoewel dit een onderwerp is dat thuishoort op het terrein van Visscherijbelangen) wordt gesproken over het verkrijgen van een stabiele prijs voor puf. Hoewel Hulp en Steun allesbehalve rijk is, wordt er nog wel eens om een gift aangeklopt. De vereniging Dorcas wordt haast jaarlijks bedacht. Als in januari 1928 de Prins der Nederlanden, de reddingboot van Hoek van Holland, vergaat, stuurt Hulp en Steun, samen met Visscherijbelangen, MAAS en DES een gift. Ook krijgt Hulp en Steun nogal eens een verzoek om mee te werken aan een tentoonstelling, zoals die op visserijgebied in Enkhuizen. Medewerking wordt gewoonlijk slechts toegezegd als de kosten kunnen worden vergoed. Het ging ook niet altijd goed. In de notulen van 27 december 1930 lezen we dat besloten wordt ‘over de mislukte demonstratie te Enkhuizen zoo weinig mogelijk stofop te jagen.’

Een jaar later kan het bestuur voor het eerst vergaderen in de zaal van het vernieuwde eigen gebouw. De oud-bestuursleden worden ervoor uitgenodigd. Maar er is meteen een probleem: aan wie kan en mag de nieuwe zaal wel en aan wie niet verhuurd worden? Als voor een rede van dominee Kersten, OudGereformeerd predikant, de zaal gevraagd wordt, wordt beslo¬ ten de zaal niet te verhuren voor godsdienstoefeningen, tenzij er zich met de bestaande kerken op Urk een uitzonderingsgeval voordoet. Een politieke rede mag ‘niet in strijd zijn met de beginselen onzer plaats.’

Als een jaar later de gymnastiekvereniging om de zaal vraagt, is het bestuur van mening dat de zaal er niet voor geschikt is en wil daar eerst naar informeren. Dan blijkt de medaille ook terecht; de penningmeester J. Molenaar zal erop passen. Tenslotte wordt besloten een wekkertje aan te schaffen ‘opdat men wat tijdiger naar huis gaat.’ Ja, de vergaderingen liepen wel eens uit, vooral als de aandelen van de Urker Stoombootmaatschappij ter sprake komen. Hulp en Steun zit ermee. Ze geven geen rente en verkopen wil maar niet lukken. En welke rechten kan men laten gelden? Er moet een advocaat over geraadpleegd worden.

In januari 1933 wordt gesproken over het plaatsen van een portret van oud-voorzitter Jacob Brands, die overleden is, in het gebouw. Een jaar later is het nog aan de orde. Het portret zal 40 bij 50 centimeter zijn, 25 gulden kosten en Brands tonen bij zijn

67
~ V
Jacob Nentjes. (Coll. A.W.) Riekelt Brands. (Coll. A.W.)
68
Lubbertje Kramer. (Coll. A.W.) Hessel Snoek. (Coll. A.W.)

demonstratie met de ijsvlet voor H.M. Koningin Wilhelmina in 1921.

Het portret van alle bestuursleden samen, ook gepland, bleef wegens de kosten achterwege.

Er is in die tijd een verzoek om een bijdrage voor de nagelaten betrekkingen van de beide verongelukte reddingboten. Op de aandelen van de Urker boot is dan helemaal nog geen rente ontvangen.

De voorzitter wordt na 21 jaar dienst niet herkozen. De nieuwe voorzitter, Jacob Nentjes, verliest vrouw en kind door de dood. Met de ijsvlet worden ze in de lijkkist van de boot gehaald. Wat konden de winters op Urk hard en vol problemen zijn! Aan het Dorus Rijkersfonds wordt ondersteuning gevraagd voor de oude ijsvletschipper Gerrit de Boer (Garret Bakker genoemd).

In 1925 bestond de KNZHRM honderd jaar. Tromp Korf verdronk ‘met het schoonste weder.’ Er werden zeven botters uit het ijs geholpen, wat dagen duurde. Maar dan volgen er een paar rustige jaren. Het ongeluk van de UK 169 van J.J. van den Berg en bemanning schrikt iedereen op in 1928. En dan valt de winter van 1929 in! Die duurt tot half maart! Een groot deel van de Urker vloot is opgesloten in de haven van Enkhuizen. Die mannen wagen van daaruit de oversteek en worden met de ijs¬ vlet ingehaald: Jan de Boer, Cornells Post en Luut Bakker. Auto’s komen later zelfs over het ijs. Op de Zuiderzeevisserijtentoonstelling (ZVT) in Enkhuizen in 1930 geeft de ijsvlet een demonstratie. Voor de (vergane) reddingboot van Hoek van Holland wordt een bijdrage gegeven. De plannen om de Zuiderzee droog te maken zijn omgezet in daden. Er worden dijken gelegd en wat staat Urk te wachten? Het gebouw van Hulp en Steun wordt uitgebreid met een werkzaal. Vergaderruimte (zeer schaars op het eiland) kan nu verhuurd worden.

Op de jaarvergadering van 30 december 1931 komt de burgemeester met een gelukwens, spreekt meester Heetebrij een emstig woord en voert ook Hendrik Korf, schoolhoofd in Amster¬ dam, nog het woord. Van de vergaderzalen wordt een ruim gebruik gemaakt, ten gunste van de financien. Urk en Hulp en Steun hadden zo hun banden met ons vorstenhuis. Zo bezocht Prins Hendrik in 1911 het eiland en in 1921 weer, maar toen met H.M. de Koningin. En beide keren gaf de

69

vereniging een ijsvletdemonstratie. De prins kwam ook wel eens incognito een kijkje nemen.

In 1933 was een deputatie aanwezig bij de opening van de Staten-Generaal om de koningin te huldigen.

In hetzelfde jaar was er een verzoek om als vereniging mee te doen aan de huldiging van burgemeester Gravestein als die 25 jaar hoofd der gemeente zou zijn. Na een breedvoerig debat werd tenslotte met algemene stemmen besloten aan deze huldi¬ ging als vereniging niet mee te doen. Hadden de visserijproblemen van die jaren daar mee te maken?

Crisistijd

De malaise liet zich hoe langer hoe meer gevoelen en de vereni¬ ging kwam niet in aanmerking voor een waardeverminderingsvergoeding vanwege de Zuiderzee-steunwet. De zaalhuur bracht ook maar weinig op. Verhuurd werd onder andere aan de jongelingsverenigingen Filippus en Pro Rege, aan Visscherijbelangen en zo nu en dan voor een uitvoering ofeen fdmvertoning. Het viel niet mee de contributie van de leden binnen te krijgen en de huurder van de regenwaterbak bleef achterstallig in het betalen en er moest toch op de kleintjes gelet worden.

Kosten waren er wel, ook vergeefse!

In januari 1933 trok de ijsvlet uit om zes leden van de boot te halen die, naar gemeld was, zich op het ijs zouden bevinden. Maar het bleek loos alarm te zijn. De bemanning van de ijsloper moest echter wel 15 gulden beloning hebben. In diezelfde tijd werd het motorschip Ebenhaezer van de gebroeders Romkes geborgen. Als er gelden voor binnenkwamen, zouden die als volgt verdeeld worden: Aan C. Post (UK 176) 60 procent, aan J. Molenaar (UK 1) 15 procent en aan Hulp en Steun 25 procent. Helaas, ondanks alle pogingen daartoe bleek er niets te (ont)vangen. Wel moest de ingeschakelde advocaat betaald worden. En wegens ‘de nood der tijden’ moest de huur voor de verenigingen verlaagd worden. De norm werd ook soepeler. Verhuurd werd ‘tot zolang er geen dingen gebeuren of gesproken worden in strijd met onze innerlijke overtuiging.’ En niet alleen de twee ‘zalen’ werden verhuurd, ook stoelen werden tegen betaling beschikbaar gesteld, maar soms bleef betaling achterwege en werden de stoelen zelfs niet teruggebracht. Een stoel moest 5

70

cent per dag of avond opbrengen en dat was niet eens genoeg om de geleden schade op te vangen. Het was haast alles malaise wat de klok sloeg.

De alledaagse dingen

In 1935 stelde Jacob Nentjes zich niet opnieuw als voorzitter herkiesbaar en werd na stemming het bestuur als volgt samengesteld: L. Kramer Jz. (le voorzitter), L. Korf (2e voorzitter), R. Brands (le secretaris), K. Ras (2e secretaris), R. Hoekstra (le penningmeester), A. Ras (2e penningmeester), Jan Bakker (lid) en Klaas Romkes (lid). Hendrik Romkes was boedelbewaarder en Jan Molenaar en Willem Pasterkamp werden benoemd in de commissie van toezicht. Het was steeds het streven om de hele vloot zoveel mogelijk in het bestuur vertegenwoordigd te doen zijn, dus zowel schippers van kleine en middelgrote als ook van grote schepen. Ook werd op een voorstel besloten het in onbruik geraakte psalmzingen weer te praktizeren op de bestuursvergaderingen. De financien bleven zorgen baren. Een verzoek aan DEL (Draagt Elkanders Lasten) om de hypotheekrente te verlagen werd niet ingewilligd. De opruiming van de oude ijsloper gaf beneden in het gebouw wat ruimte die verhuurd kon worden aan schippers voor opslag: vijf perceeltjes voor f 2,50 per jaar elk. Er moest om geloot wor¬ den. Er werd nog altijd zo gerookt, dat er zo nu en dan om een venti¬ lator werd gevraagd, maar zonder resultaat. L. Kramer was slechts kort bestuurslid, omdat hij naar elders vertrok, en hij werd opgevolgd door Riekelt Brands, de eerste secretaris, en in diens plaats kwam nu Klaas Ras als schrijver van de notulen. Het waren vooral de kleine dingen die de agenda bepaalden, zoals de verhuur van de kleine en de wat grotere zaal, van de stoelen en van de regenbak. ‘Bloedreizen in barre winters’ waren er immers maar zelden. Toen in december 1936 de Chr. Oranjevereniging vroeg om voor te houden feestavonden de stoelen gratis te mogen gebruiken, werd daar nee tegen gezegd, net als tegen een ingezetene die de zaal vroeg voor een vergadering van de NSB.

71

Voor de te houden jaarvergadering werden als gasten uitgenodigd de burgemeester, dominee Doorenbos en Riekelt Hoefnagel. En toen was er ineens toch weer een winter met werk aan de winkel. Ten behoeve van de stoomboot Insula, die met gebroken roer hulpeloos ronddreef in het zware ijs waar hij in bekneld was geraakt, werd een nachtelijke tocht met de ijsschuit gemaakt, toen het schip op 1 februari 1937 noodseinen afgaf. Maar vooraf werd wel met de heer Snoek van de EUSM een afspraak gemaakt voor borgstelling.

In de morgen van de volgende dag was de ijsloper weer op Urk met drie leden van de bemanning van de boot aan boord om benodigdheden te halen voor het lassen van het gebroken roer. Daarmee ging de ijsvlet terug naar de boot, die nog in het ijs zat. Later kwam de Insula met een hersteld roer toch veilig in de haven.

In 1932 was de Afsluitdijk dichtgegaan, maar Hulp en Steun kan nog niet gemist worden. In hetzelfde jaar overlijdt oud-voorzitter Jacob Brands. Zijn nagedachtenis moet in ere gehouden worden. Gesproken wordt over een portret in het gebouw. In de volgende jaren is er een langzame achteruitgang. Verlenging van de koninklijke goedkeuring wordt niet aangevraagd: te duur! De aandelen van de boot zijn dan nog altijd niet verkocht. De contributie wordt slecht betaald en steeds meer leden moeten geschrapt worden. De gebroeders Roos kopen de oude ijslo¬ per voor 4 gulden. Volgens een besluit in 1932 wordt twee keer een zaal geweigerd aan de NSB. In 1936 koopt Klaas de Boer dan de bootaandelen voor 55 procent van de nominale waarde. Op 5 januari 1937 wordt aandacht besteed aan het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard; klaagt L. Kamper over de verdeeldheid op Urk door de Zuiderzeesteunwet; wordt de vraag gesteld of er geen reddingboot moet komen; keurt ds. Doorenbos de weigering van de zaal aan de NSB goed en wordt toch weer over koninklijke goedkeuring gepraat.

In 1938 is er een nieuwe voorzitter, R. Brands, de man die al vele jaren secretaris was. Intussen zijn er toch nog wel spannende zaken: een schip aan de grond op Marderhoek, een nachtelij¬ ke tocht naar de Insula, beurtschipper Kamper in het ijs en moeite met het opsporen.

Met de financien staat het niet zo goed door de armoede. Telkens is er slecht weer en heeft de visserij slechte uitkomsten en met de Kerst is er al vorst. Op de jaarvergadering drinken de

72

mannen thee, omdat er door het isolement geen melk op Urk is! De burgemeester constateert dan dat de ijsvletten nog onmisbaar zijn. Klaas Brands wil de inkomsten oppeppen door in de zomer demonstraties met de ijsvlet te geven met het oog op het op gang gekomen vreemdelingenverkeer...!

Zorgelijke financien

Als steeds baarden de financien in die crisistijd zorgen. De bij de wed. C. Brouwer gekochte stoelen waren nog altijd niet afbetaald. En was de verhuur ervan wel zo nuttig? Ze gingen er niet op vooruit, die stoelen, en wie ze huurde vermeed daarmee het huren van een zaal. Gelukkig viel het met de te betalen belastingen wat mee; voor ‘belasting uit de dode hand’ kon althans een vrijstelling worden verkregen. Op het kostbare draad moest streng gelet worden; er werd soms te ruw mee omgegaan, vooral door niet-leden die ook niet scheutig waren met betalen. Er moest wel cautie gevraagd worden voor het afgeven. Ook werd een commissie ingesteld om wanbetalers onder de leden te bezoeken en te manen. Dat deed even veel stof opwaaien, toen gei'nformeerd werd naar het betalen van een van die commissieleden zelf. Teunis Visser kwam in die tijd met een ingrijpend plan om de financien te verbeteren door het uitgeven van aandelen. Het bestuur stelde het, aangepast, aan de ledenvergadering voor, die het aannam. Zo zou de dure hypotheek aan DEL kunnen wor¬ den afgelost. Er werd ook een rondgang bij de leden voor gemaakt en veel over gesproken. De voorzitter was van mening dat de nemers van aandelen vissermannen moesten zijn en lichtte dat toe met een woord over ‘de erve der vaderen’. Die vaderen hadden Hulp en Steun opgebouwd en die waren alien vissers en daar kan nog op gepleit worden. Meer dan eens werd opgemerkt, dat het nodig was schouder aan schouder te staan. Toch bleek er te weinig animo voor de aandelen te zijn en kon de hypotheek nog niet worden volgestort.

Na Jan Molenaar werd Evert Hakvoort penningmeester, maar de financien bleven zorgen geven. Er werd zelfs gedacht aan een collecte langs de huizen, maar daar werd toch nee tegen gezegd. Wel werd besloten af te stempelen kaarten te gebruiken voor de inning van de contributie, om te voorkomen dat ten onrechte

73

Stoomschip ‘Havelaar’ in het ijs voor de haven van Urk. Links de ijsvletbemanning. (Foto nr. 45 G. Wakker)

Winter 1917. Eenhotter wordt de haven binnengetroken. (Foto coll. A. van Urk)

1
74

beweerd werd dat men al betaald had!

Heel zuinig werd omgesprongen met het geven van giften, omdat de kas ‘niet zo stevig’ was, en dat was zeker waar. Zo werd in oktober 1938 ‘een schrijven voorgelezen aangaande het Hospitaalkerkschip. In dit schrijven werd uiteengezet van welk groot nut het kerkschip voor de Noordzeevisschers is en daarom verzocht men of Hulp en Steun zoo mogelijk ook een kleine bijdrage zou kunnen schenken, om dan te komen tot het bouwen van een nieuw kerkschip.’ Na een drukke bespreking werd tenslotte f 2,50 beschikbaar gesteld! Het lag meer op het terrein van de Visserijverenigingen daarvoor te geven, werd geconcludeerd.

Ach, alle plannen om meer leden te winnen, liepen ook op niets uit. Er was ook geen animo voor het en bloc toetreden van de neringdoenden als begunstigers.

Voor de vereniging van vrouwen ‘Het goede doel’ werd toch nog een gift van f 2,50 beschikbaar gesteld. De dames schreven zelfs een dankbetuiging terug.

Toekomstklanken en winterklachten

Toch vinden we in die vooroorlogse jaren al iets van de komende tijd. Er wordt steun (morele althans) betuigd aan het streven naar een tweede geneesheer op Urk. Er wordt telkens weer op gewezen dat er op het eiland een reddingboot dient te worden gestationeerd. Er organiseren zich meer belangengroepen. Mel¬ ding wordt gemaakt van de Vereniging van IJsselmeervissers met Mechanische Kracht en van OAB (Ons Aller Belang). Die laatste zou, volgens de notulen, niet in het belang van de schippers werken. We komen ook de namen tegen van de Christelijke Besturenbond, de Nederlandse Bond van Christelijke Fabrieksen Transportarbeiders en de Onderlinge. Er is zelfs even een voorstel ter tafel om van Hulp en Steun een cooperative afslag te maken! Het wordt afgeschoven naar de Vereniging Visscherijbelangen. Er zal ook geen actie gevoerd worden voor een burgemeester.

En ja, die financien! De middenstanders verdienden meer aan het vervoer van levensmiddelen met de ijsloper dan de vereni¬ ging. Zij zouden een te hoge toeslag berekenen. En hoe gemakkelijk traden er misverstanden op, zoals die met de heer G.

75

Snoek van de EUSM. Zo gaan eind 1938 R. Brands en J. Molenaar hem een bezoek brengen om de verkeerde indruk weg te nemen die hij van het bestuur op de avond van 23 december gekregen heeft, toen in de raadzaal (negatief) gesproken was over het varen van een ijsschuit voor het postvervoer. De commissie moet Snoek proberen te overtuigen dat het bestuur daar in het geheel niet achter zat. Vreemd is het al te lezen hoe enkelen in Hulp en Steun wat zien in het veelvuldige vreemdelingenbezoek in die dagen, op gang gebracht door onder meer de Zuiderzeewerken: Er zou in de zomer reclame voor het Urker reddingwezen kunnen worden gemaakt, met bezichtiging van Hulp en Steun en de reddingsmiddelen, voor 10 cent per persoon, met zo mogelijk een demonstratie met de ijsvlet daarbij. Dat wordt later, na onderzoek, onmogelijk geacht, zulks al vanwege de nodige aanvoer van ijs. Ook van reclameplaten in de Urker boten kwam niets, voor zover wij weten. De heer K. de Boer zou worden verzocht of hij genegen zou zijn, kosteloos enige foto’s te maken aangaande de werkzaamheden die bij een eventuele redding of afvaart van ijsloper en bemanning geschieden. Van een antwoord lezen we verder niets. Zo weten we ook niet of de plannen om met de ijs¬ schuit goederen uit het schip van L. Kamper te halen doorgang vonden. De kosten zullen wel te hoog geweest zijn. Er zijn ver¬ der klachten dat velen zich roekeloos op het ijs begeven en naar Kampen of Enkhuizen gaan (het is dan 4 januari 1939). En als zulke lieden in moeilijkheden komen, moet Hulp en Steun maar klaar staan! Daar moet met de burgemeester over gesproken worden.

Aardige en nare berichten

Waren er geen leuker onderwerpen? O ja! We noemen het gehannes met de vlaggestok en andere zaken. ‘Bij de geboorte van onze prinses Beatrix bleek dat de vlag geen behoorlijk plaatsje had, en door zijn grootte ook slecht op het gebouw geplaatst kon worden, en daar wij door de blijde gebeurtenis toch onze dankbaarheid en blijdschap wilden tonen over ons geliefd vorstenkind, moest noodgedwongen de vlag een plaatsje hebben naast het gebouw, hetwelk de indruk gaf dat niet wij, maar de buren die daar wonen te zamen een gemeen-

76

schappelijke reuzevlag hadden uitgestoken.’

Er moest dus een betere plaats gezocht worden door een daarvoor aangestelde commissie. En dan is een half jaar later de vlag weer aan de orde in het bestuur. Want wat bleek? Bij het jubileumfeest van H.M. koningin Wilhelmina leverde het uitsteken van de vlag nog altijd geen bevredigend resultaat op. En zo kreeg de commissie de opdracht alsnog een betere plaats voor de vlag te zoeken. Voorgesteld wordt de vlaggestok vooraan het gebouw te plaatsen, want dat zou zeker een beter resultaat geven.

De gouden medaille voor IhiIp en Steun is wel mooi, maar heeft geen speciale inscriptie en die moet er, volgens het bestuur, toch komen.

Vanwege het 25-jarig huwelijk van voorzitter R. Brands zal hij een cadeau van 10 gulden ontvangen en wordt er een advertentie in de Oprechte Urker geplaatst. Eind 1938 was er een ingekomen schrijven, waarin aan de vereniging gevraagd werd, het resultaat te melden van het naar de laagte werpen van twee pakjes uit een sportvliegtuig boven het schip van Kamper op 19 december.

Helaas zijn de nare berichten sterk in de meerderheid. Abonnees die gebruik maakten van de zaal voor herstelwerkzaamheden aan de netten, hielden zich niet aan de regels en lieten er netten liggen. Anderen sloegen lieren of vaten olie in het gebouw op. Toen de ijsvlet moest uitrukken voor een noodgeval, had men er danig last van ondervonden. Vooral de fuik- en kamervissers, die veel op de zaal deden, veroorzaakten last en maakten er een smeerboel van. In januari 1940 werd besloten ze van stonde aan te weigeren op de zaal. Er ontstonden soms chaotische toestanden als zelfs niet-leden meenden het voor het zeggen te hebben. Zo had een niet-abonnee veertig netten op de zaal gesteld en was hij niet genegen daar ook maar een cent voor te betalen. De boedelbewaarder werd ernstig gemaand om toch niet langer mensen op de zaal te laten werken die niet ingeschreven stonden als lid!

En wat kon er gedaan worden tegen ondeskundigen die met sleden over het ijs gaan en goedkoper vervoeren dan de ijslopers? Als ze in gevaar komen, moet de bemanning van de ijsloper er nog voor uittrekken ook!

77

Het jaar 1940 begon treurig. Op 6 januari moest gezocht worden naar de lijken van twee jongemannen, allebei Jan Kaptein geheten. Ze waren door het ijs gezakt.

Op 17 januari moest hulp geboden aan de boten van Koppe en Verschure die tussen Elburg en Urk in het ijs bekneld waren geraakt.

De bemanning van de ijsloper was’s morgens vroeg naar Kampen vertrokken om daar vlees te halen, maar hun werd al snel een boodschap nagezonden dat zij hun reis moesten wijzigen, omdat er waarschijnlijk schepen in nood verkeerden die door middel van stakelen’s nachts noodseinen hadden uitgezonden.

IJsloper en bemanning keerden in de namiddag van de 19e januari op Urk terug, nadat zij zoveel mogelijk hulp aan genoemde boten hadden verleend, totdat de reder, die zelf op een van de boten aanwezig was, die hulp niet meer nodig achtte. In de bestuursvergadering van Hulp en Steun werd een dag later over de beloning gedelibereerd, en verder was er een bespreking van de radioberichten aangaande de tocht van de ijsloper, die de vorige avond maar zeer schaars waren uitgezon¬ den. Aangezien G. Snoek berichtgever van het ANP was, moest een commissie hem daar opheldering over vragen. Op 2 februari werden de baten van de tocht naar de boten, te weten 300 gulden, zo goed mogelijk verdeeld. Elke matroos kreeg 24 gulden en de schipper 5 gulden meer. In de kas van Hulp en Steun kon 50 gulden gestort worden. Een meevaller. De drie jongens die de bemanning op de fiets gevolgd waren om ze opmerkzaam te maken op de in nood verkerende schepen, kregen 5 gulden te verdelen. Echter, de ijsschuit had op de terugtocht enkele krantemensen meegenomen en op Urk aan wal gebracht. Van twee hunner was daar 20 gulden beloning voor betaald, maar de redactie van Het Volk was nog niet over de brug gekomen. Het blad werd er tot z’n ongenoegen om gemaand, maar zegde toch 10 gulden toe. Zo komt de vereniging dan toch iets ruimer te zitten. A. van Veen klaagt over het kompas en mag zelf een beter kopen. Ook betoogt hij dat het mogelijk is de ijsloper zo in te richten, dat deze geen hinder heeft van de sneeuw op het ijs, door het aanbrengen van losse barkoenen ofijzers aan de schuit,

78

en die met vijzels te bevestigen, om dan zo de boot op zijn ijzers op te vijzelen. Hem wordt beloofd dat er ernstig over zal worden nagedacht...

Ook wordt er over gesproken een ijsloper geschikt te maken voor het openbreken van de dichtgevroren haven en worden, na wat vijven en zessen, de gebroeders Romkes weer als lid toegelaten.

Voor hulp aan de Finnen wordt f 2,50 gegeven. Voor een nieuwe koninklijke goedkeuring van de vereniging is nog steeds geen geld, vooral niet als uitgevoerde reparaties, tegen de berekening in, bijna het dubbele moeten kosten. Het plan om van een oude ijsloper een openbreker van de haven te maken, als dat nodig is, gaat niet door omdat het te duur is.

Over draad en nog wat

Bij de ‘abnormale toestanden’ die in 1940 geconstateerd werden, diende Hulp en Steun bedacht te zijn op eigen belangen, ook bij de verhuur van de zalen. De Chr. Besturenbond, die in de zaal van Hulp en Steun vergadert, maakt sterk propaganda voor de monsterrol, ‘terwijl juist onze leden een procedure hebben aangegaan tegen de monsterrol’, wat dus regelrecht tegen de belan¬ gen van die leden ingaat en dat mag zo niet langer. Een ‘teer’ punt is steeds ook het draad, het dure, kostbare staaldraad, waar steeds weer een beroep op wordt gedaan door leden en niet-leden en waar onzorgvuldig mee wordt omgesprongen. Zo is door leden draad gebruikt om hun schepen te lichten die in het begin van de oorlog tot zinken waren gebracht. Een rol van honderd meter was daardoor onbruikbaar geworden; er is bij defensie al een rekening, groot 70 gulden, voor ingediend. Scheepmaker L. Hakvoort kocht een stuk voor 5 gulden en aan G. Korf wordt 5 gulden bijdrage gevraagd, omdat hij met zijn schip de gezonken schepen hielp lichten. Het schip van L. Asma Kramer verdaagde op het Vrouwenzand. Bij de reddingsoperatie ging 30 meter draad verloren. Nu was Kramer geen lid en met de borgstelling was een fout gemaakt door een vergissing van de boedelbewaarder en was er een verkeerd papier getekend, en dat gaf voor inning van de onkosten de nodige sores. Als hij bereid is zijn achterstallige contributie te betalen, kan hij (Kramer) toch nog weer lid worden.

79

De

ijsvlet bij de Schokker palen. (Coll. A. Weerstand)
80
De zeilkotter IJM 45 (plm. 1904) Links: Engel de Groot. (Foto: A. Weerstand)

Om het draad langer bruikbaar te houden wordt besloten aan het einde een kous te splitsen en om de financien gezonder te maken moeten wanbetalers maar weer eens bezocht worden en enige huren worden verhoogd, dan kunnen er ook weer enige rekeningen worden betaald. Een jongelingsvereniging die op zondagmiddag van de kleine zaal gebruikt maakt, krijgt deze gratis, omdat Hulp en Steun op de zondag geen geld wenst te verdienen, maar dan moeten zij, de jongelingen, zelf de kachel stoken met door henzelfbetaalde brandstofen de boel ook zelfin orde en schoon houden. Als de concierge daarvoor moet zorgen, dan kost dat de J.V. 75 cent per keer.

Oorlogsjaren (1940/1945)

De tweede wereldoorlog gaf weer de vele gevaren op zee, direct al in 1940. Sjoerd van den Berg overlijdt en een zoon van Hend¬ rik Brands verongelukt. Nog altijd is er geen reddingboot. Er komen ‘zwarte bladzijden’ in de boeken van Hulp en Steun: barre winters in de oorlogsjaren; ijsschuiten die uittrekken om de lijken van twee jongens (beiden Jan Kaptein) te zoeken; stoomboten in het ijs die geholpen moeten worden; het lichten van tot zinken gebrachte schepen; de UK 69 op het Vrouwenzand; de dreigende gevaren; het vergaan van de UK 83 van Gerrit Korf en bemanning; het recruteren door de bezetters van de beste schepen (13 maart 1941) enz.

Op 1 mei 1941 raakt de UK 8 van Jurie Romkes op het Enkhuizer zand. Hij wordt geholpen met boten van de fa. Hoekman en materiaal van Hulp en Steun. Twee rollen draad worden aan de Duitse commandant afgestaan wegens een schip op de Vormt. Daar komen ook een zuiger en sleepboot van de Zuiderzeewerken vast te zitten. Al is Urk dan geen eiland meer, nog kan Hulp en Steun niet gemist worden.

In februari 1942 is de vereniging de enige die nog eenjaarvergadering mag houden. Met de NZHRM werd vergaderd over de stationering van een reddingboot.

In 1941 kwam de vraag aan de orde of de leden van wie de sche¬ pen gerekwireerd, dit is: gevorderd, waren, toch nog contributie moesten betalen als leden-zonder-schip. De voorzitter, hoewel zelfook slachtoffer, achtte dit wel gewenst. Omdat een lid te kennen gegeven had alle nog niet aan de man

81

gebrachte aandelen te willen kopen, werden alle leden in de gelegenheid gesteld de hun eerder al aangeboden aandelen alsnog te kopen en werd dit per advertentie in het Urker krantje bekendgemaakt.

Op een zondag in januari 1942 werd draad afgegeven ten behoeve van een zuiger en sleepboot die op de Vormt waren vastgelopen. Er werd honderd gulden voor ontvangen, want de draad was geramponneerd. Omdat het zondag was had de vereniging geen verdiensten willen eisen.

Intussen waren er ook honderd en een aandelen verkocht en was er geen schuld meer aan particulieren. Ook had de gemeente honderd gulden subsidie toegezegd. Zodoende kon tweehonderd gulden aan het Ziekenfonds worden afgelost, voor de NZHRM f 7,50 worden bijgedragen, en het loon van de boedelbewaarder met tien procent verhoogd. De sporen voor de bemanning van de ijsloper zijn nog in orde; een nieuw kompas is evenwel nog niet gekocht.

Een half jaar later zijn er dan zoveel aandelen verkocht dat de hypotheek geheel kon worden afgelost. Er kan geconcludeerd worden dat Hulp en Steun niet slecht had geboerd.

In het najaar vierde het bestuurslid A. van Veen zijn veertigjarig huwelijk. Er was helaas geen aandacht aan besteed. Gezien de tijdsomstandigheden werd besloten af te zien van een jaarvergadering en de leden per circulaire over de financien in te lichten.

Die tijdsomstandigheden laten zich steeds sterker gevoelen, maar met het geld gaat het beter. Er kunnen begin 1944 hon¬ derd aandelen uitgeloot worden, de brandverzekering kan wor¬ den verhoogd en zelfs geinformeerd worden naar een molestverzekering.

De boedelbewaarder evenwel heeft een scala aan klachten: de gang van zaken op de (boet)zaal laat veel te wensen over, nietabonnees hebben daar het hoogste woord en abonnees worden achtergesteld. Er moet een lijst hangen met de verschuldigde kosten voor niet-leden: tien cent voor het stellen van een net, een kwartje voor de reparatie van een sleepnet en een gulden voor het herstellen van een kuil. Omdat er, gezien de inpoldering, al wat ijslopers ‘uit de vaart’ zijn, wordt besloten een stel riemen te verkopen. Daarna wor¬ den de berichten schaars.

82

Dan kan er in vijfjaar geen jaarvergadering gehouden worden. De vloot is zowat helemaal ‘gevorderd’.

Na de oorlog

In 1946 is er al in drie jaar geen jaarverslag geweest, blijkt reparatie van het gebouw dringend geboden en moet er wel eens zeer grondig worden schoongemaakt. De contributie voor motorschepen en zeilvaartuigen wordt gelijkgetrokken: vier gulden per schip. Als secretaris K. Ras overlijdt wordt in zijn plaats J. Korf aangesteld. De boedelbewaarder H. Romkes verviel door ziekte en voor hem kwam Jan de Boer in dienst, die er echter twee jaar later mee ophield.

In 1948 wordt de draad weer volop opgenomen en een overzicht gegeven van al het gepasseerde, inclusief het auto-ongeluk van voorzitter R. Brands. Zijn lievelingspsalm (89 vers 6) wordt gezongen. De palingvloot vaart op 1 mei weer uit. De herstelde vloot van buitenschepen gaat’s winters op de haringvangst. Jan Goedkoop jubileert. Deze Kromhout-man is veel voor Urk geweest. Hij krijgt een cadeautje van onder meer de fa. Hoekman. De oude ijsvlet kan verkocht worden aan het museum in Enkhuizen. Het museum vraagt ook om andere spullen.

In het jaar daarop hebben er leden van Hulp en Steun overboord gelegen, maar werden toch gered, anderen waren in Stortemelk eveneens de dood nabij. Er is streng toezicht van een politieboot op de Noordzee op nummer en dagmerk van de vissers. De kerkelijke moeilijkheden op Urk geven ook moeite bij het verhuur van de zalen. Het levert pittige discussies op over kerk en poli¬ tick.

In 1950 was niet veel te doen. De UK 1 en de UK 22 trokken een mijn in het net. De modernisering van de vloot zet door. Een jaar later is er in maart een zware storm als de vloot op zee is. Van de UK 126 verdronk Tromp Bakker. De nieuwe zaal van het herstelde gebouw blijkt nog niet rendabel en Hulp en Steun heeft een schuld van 900 gulden en zit nog met 200 renteloze obligaties die niet afgenomen zijn. Het draad, eens zo belangrijk, is nog maar twee keer gebruikt. Urk is nu over de weg ook gemakkelijk te bereiken. De staaldraden wer¬ den nog aangewend om het schip van Jan Keuter van een zand-

83

bank te slepen, wat ook geschiedde met de UK 68 van Klaas Romkes.

Moeite met de zalen

Het gebouw van Hulp en Steun, hoe eenvoudig ook, had een kleine en een grote zaal, die met name in de avonduren gebruikt konden worden voor het houden van vergaderingen. En omdat er op Urk, mede door een opbloei van het verenigingsleven, een constant tekort was aan vergaderruimte, vonden die zalen gretig aftrek. Aanvankelijk voornamelijk bedoeld ten bate van allerhande visserijbelangen, kwamen ze in trek voor jaarvergaderingen en bestuursvergaderingen van velerlei aard en werden er zelfs bruiloften en partijen in gehouden. Maar ze werden ook voor politieke en kerkelijke doeleinden gevraagd en dat bracht het bestuur voortdurend in moeilijkheden.

In 1964 e.v. ging er haast geen vergadering voorbij of het kerkhouden kwam aan de orde en genomen besluiten werden steeds weer aangevochten en herzien: Wat dachten de bestaande kerken en de dominees ervan? Zou weigeren geen last met leden opleveren? Wat was het verschil tussen een godsdienstoefening en een bijbellezing? Dan toch maar alleen voor visserijdoeleinden geven? En als er al wat besloten werd, dan werd het ook steevast weer aangevochten. Maar de huurpenningen konden toch ook node gemist worden.

De kerkkwesties (want ook wat kerkformaties aangaat was Urk in een stroomversnelling gekomen) speelden zelfs nog in 1949 en 1950. Toen werd zelfs gesteld: of alleen voor de visserij geven of voor alien en alles! Er kwamen brieven over binnen. In april 1950 wordt dan besloten dat er met Pasen voor het laatst kerk gehouden mag worden.

En met ingang van de herfst zullen dan weer vergaderingen en bruiloften worden toegelaten, want (hoera) het gebouw ‘Irene’ wordt nu ook voor kerkelijke doeleinden verhuurd en dat is een opluchting voor Hulp en Steun.

Intussen ging het met voorzitter Riekelt Brands met zo goed. Hij was al eens in het ziekenhuis opgenomen. Dat was in 1947. En in 1950 verwoordt hij dat God hem in zijn genade nog in het heden der genade heeft willen laten. Intussen was hij actief op meer dan een terrein. Als op 5 januari 1949 het bestuur even

84

pauzeert voor een kopje melk en een koekje, vertelt de voorzitter intussen hoe hij die dag voor de vloot is weggeweest om vrijstelling te bepleiten van de omzetbelasting. Een jaar later treedt hij af als voorzitter. Als hij dan in april voor het laatst in de bestuursvergadering is, wordt in de pauze getracteerd met het oog op de scheidende voorzitter. E. Romkes, de nieuwe presi¬ dent, spreekt Brands met woorden van dank toe. Brands vraagt of hij de medaille, die de naam van zijn vader draagt, mag behouden. Toegestaan wordt dat hij hem thuis mag bewaren, maar dat de medaille voor Hulp en Steun beschikbaar moet zijn bij ofFiciele gelegenheden. Met algemene stemmen wordt Brands dan tot erevoorzitter benoemd. Een en ander komt in de krant. Er wordt voorts gesteld dat Hulp en Steun 75 jaar (!) bestaat en voorgesteld wordt een steen in het gebouw te doen inmetselen met de namen van de oprichters. De voorwaarden voor het gebruik van de zaal moeten op een bord vermeld worden, duidelijk leesbaar voor iedereen die er werkzaamheden uitvoert.

In 1951 is weer een nieuw bestuur aangetreden. Voorzitter is Evert Romkes, Jan Bakker Jzn. secretaris en Hessel Snoek penningmeester. Verder zitten in het bestuur K. Kramer, J. van Slooten, J. Korf en J. Brouwer en is A. van Veen de boedelbewaarder.

Oude moeibjkheden blijken telkens weer nieuw. Hoe verdeel je de plekjes beneden? En wat te doen tegen het zeer laakbare feit dat leden zich laten vinden om voor niet-leden netten te stellen? ‘Allen betreuren het, dat men zulke praktijken kan uitbroeden door wel de gemakken van het gebouw te willen benutten en er zelf niets voor over te hebben.’ Het gebouw is met moeite bij elkaar gebracht en zit nog met een aanzienlijke schuld, zodat de contributie verhoogd moet worden. Er wordt namelijk ingrijpend verbouwd, met de daar haast vanzelf bijbehorende strubbelingen. Er moeten renteloze obligaties voor de kosten worden uitgeschreven.

Maar intussen blijken de jaren van de eens zo belangrijke vereniging Hulp en Steun geteld. Er wordt nog een poos doorgewerkt, maar grote veranderingen hebben het leven op Urk en het reilen en zeilen van de vloot grondig bei'nvloed. In 1939 was Urk al geen eiland meer, in 1942 viel de Noordoostpolder droog en in 1948 kwam de eerste wegverbinding tot stand. Hulp en Steun was Hulp en Steun niet meer en na nog enige jaren kon er

85
Trekken aan de vlet, ongedateerd. (Foto coll.: A. Weerstand)
86
Met een kleine vlet op weg (ongedateerd): Jan Wakker, Reinier Kramer, Jan Wakker, Jelle Kapitein.

gezegd worden: HuIp en Steun is niet meer. De oudste en lange jaren de belangrijkste vereniging van het eiland was verleden tijd.

Het vorenstaande, geplukt uit notulen van zowel de bestuursals ledenvergaderingen en de jaarverslagen, is bedoeld om de lezers inzicht te geven in de zaken die in de ijslopersvereniging aan de orde kwamen. Ook de grote veranderingen die in de loop derjaren op Urk optraden worden duidelijk. We schreven ‘geplukt’ en dat leverde een bont boeket op, door wat gebrek aan samenhang, door het gemis nu en dan van nadere gegevens. Ook wordt in de boeken van Hulp en Steun geen aaneensluitend overzicht van de ontwikkelingen gegeven. Zaken, toen algemeen bekend, worden slechts genoemd, terwijl de lezer van nu alleen maar kan gissen. Om toch van de bootperikelen en de visserijproblemen een globaal overzicht te krijgen, laten we hier volgen wat C. de Vries daarover in zijn ‘Geschiedenis van het eiland Urk’ wist mee te delen. Het stukje over de Urker boot is zeer beknopt, het stuk over de visserij, met name de kuilkwestie, is veel uitvoeriger. Het zet het brokkelige van de notuleringen in een wat breder verband. In elk geval verschaft het meer inzicht in de verhoudingen van toen.

87

Wat C. de Vries over de visserij en de boten schreef

De visserij van Urk voor de afsluiting van de Zuiderzee

Van ouds wist men van de kor, en de beug, en de kuil, en de zegen, en de fuiken.

Voor de kor, die over den bodem der Noordzee gesleept grote schol en tong en tarbot en wat ponen samenraapte, werd hier en daar de Deense snurrevad in de plaats gesteld, omdat ze wijder openstond. De beug, waarvoor in den winter in de visserswoningen het snoerenwiel gedraaid werd en die aan boord ‘gespleet’, dat is: van gamalen als aas voorzien, werd om er in de Noordzee schelvis en kabeljauw mee te hengelen, werd in deze periode in de Zuiderzee voor paling gebruikt. De palingfuiken, die op ondiepe plaatsen bij Urk aan staken werden vastgelegd, bleven ook in gebruik, want de ‘walvissertjes’ wilden liefst dicht bij de kust blijven: op hun leeftijd zochten ze geen ‘vooruitgang’ meer. Ze trokken er meestal met hun beiden op uit en waren’s mor¬ gens wat blij als hun fuiken enkele ponden paling gevangen hielden. Maar de kuil, de eeuwen oude kuil, waarvan de tweelingschuiten die haar sleepten, de Zuiderzee zo gezellig konden stofferen, in het voorjaar om haring, in den zomer om ansjovis en daarna om bot te vangen, die kuil kwam in onbruik. En ook de zegen, dat eenvoudig kustdrijfwerk, zoals het op Urk in mooie sociale samenwerking van enkelen, handwerkslieden niet uitgezonderd, gebruikt werd om in hun slappen tijd wat met de haring te verdienen, ook die zegen verloor de voorkeur. Reepnetten werden het nu, staand want, duur en broos. Het werd eerst dichter bij de kust, maar daarna al verder in de zee verankerd, in de hoop, dat veel domme visjes, haring en ansjovis en bot er met den kop in zouden blijven hangen. Wat waren die ‘zijen netjes’ duur, en wat werden ze door het druk scheepvaartverkeer of ook, hetgeen soms nog erger was, door vraatzuchtige zeehonden vaak vernield! Een aparte bron van inkomsten voor den nettenfabrikant!

Dat staande want deed het probleem van de zondagsvisserij

88

weer opkomen. Als men het’s zaterdagavonds schoot, zat het’s maandagmorgens vaak vol. Erg verleidelijk voor degenen die redeneerden: Maar we werken’s zondags toch niet! Die wilden dan ook die grotere winst niet laten lopen. Maar de grote meerderheid van de Urker vissers hield zich aan de strengere zede. En ofnu al die ‘vooruitgang’ ruimere winsten gaf? Voor dezen en genen ja, maar vaak gingen de tarra en de risico de grotere opbrengsten te boven. De rompslomp was zo veel groter. En bij plotseling opkomende storm in de binnenzee waren de ranke vletten, waarmee stapels netten ter plaatse gebracht en teruggebracht werden, vaak in het grootste gevaar. Intussen was er in het gebruik van de kuil en van het staande netwerk niet steeds dezelfde vastheid. De vissers lieten zich vaak leiden door geruchten van betere vangsten op de ene of andere manier. Ook moesten de ‘repers’ bij het verlies der netten wel ‘uit armoe’ tot de kuil terugkeren.

In 1901 verschenen in het tijdschrift ‘Woord en Beeld’ van de hand van W.F.G. een tweetal artikelen met beschouwingen over land en luiden’ van het eiland Urk. Daar ze over het geheel blijk gaven van een nauwkeurig vooronderzoek, wil ik hier weergeven wat ze meedelen van den strijd voor en tegen het gebruik van de kuil in de Zuiderzee.

Van het vissersbedrijf der Urkers wordt het volgende gezegd. Reders zijn er op Urk niet. De vissers moeten zwaar werken voor geringe verdiensten. Vroeger gingen de Urkers wel naar de Oostfriese eilanden ter schelvisvangst, maar de afgunst der Duitsers heeft dat doen ophouden. Er gaan hoe langer hoe meer vissers naar de Noordzee, ofschoon dat groot tijdverlies meebrengt. Er zijn reeds 244 botters met vaste dekken. In de Zuiderzee wordt met sleepnetten of met reepnetten naar haring gevist. De reepnetten staan een halven of een helen dag in zee. Ook de zegen wordt nog gebruikt. De eigenaar van de zegen krijgt de helft van de vangst; de helpers ook de helft. Een knecht op een hotter heeft 20 cent per gulden van de ruwe besomming. W.F.G. kwam evenals wij tot de conclusie dat de Urkers lang niet altijd uit vrije verkiezing in het vissersbedrijf gingen. Ook met betrekking daartoe was op Urk het spreekwoord gebruikelijk:

89

‘Winsen in wouen Is een arremoedig heushouwen.’

Vooral nadat bij Rijkswet de havengelden zijn afgeschaft wordt de haven van Urk druk bezocht door vissers van elders. In het ‘Lozemint’ kan men ’s avonds vissers uit Huizen, Volendam, Harderwijk, Hindeloopen, Marken en Enkhuizen aantreffen, die er een borrel komen drinken. Toch is er onder de vissers veel onderlinge naijver, waarvan vooral de moord- of wonderkuil der Volendammers de oorzaak is: de Volendammers visten naar puf of nest voor hun eendenhouderijen: ze visten de zee ‘dood’, hetgeen door de andere vissers met lede ogen werd aangezien. Klachten erover hadden een kuilverbod ten gevolge. Toen klaagden weer de Volendammers dat hun het brood ontnomen was. En met behulp van de Urkers. die misschien de Volendammers als mededingers op de Noordzee vreesden, wisten deze gedaan te krijgen dat een zogenaamde proefvaart werd gedaan en dat daarna het kuilverbod werd ingetrokken. De Markers zeiden: Die proefvaart betekent niets; ze hebben wel niet veel nest opgehaald, maar anders vangen ze veel meer. De Volendammers gingen weer kuilen, zelfs reeds voordat het kuilverbod was inge¬ trokken. Velen werden gestraft, maar telkens kwamen ze met voile schuiten thuis, de vlag in top om de Markers te treiteren. Die vlaggen zouden de Markers niet licht vergeten.

Het kuilvraagstuk

Nu gaan we verder met de bespreking van het kuilvraagstuk. Het deed op Urk in 1908 een heftigen strijd ontbranden. Hier lagen eigenlijk twee problemen naast elkaar. Voor het bedrijf der Urkers zelf was de vraag: Moeten we doorgaan met het gebruik van staande netten voor de vangst van haring, ansjovis en bot, of moeten we terugkeren tot de vanouds gebruikte en veel goedkopere kuil? Daamaast was het dan nog, bij keuze voor de kuil, de vraag of dan ook de wonderkuil der Volendammers met haar kleinere mazen kon worden toegelaten. Hier had men dezelfde kwestie, die reeds in de 16e eeuw de Zuiderzeevissers verdeelde.

Zo namen dus de Volendammers onder de verdedigers van de kuil een eigen plaats in. De in dezen tijd opgerichte Julianabond in Volendam trachtte het gevaar, dat de wonderkuil

90

weer zou verboden worden, tegen te gaan. Ook de Julianabond maakte propaganda, met name op Urk. In het begin van 1908 riep zekere Spaanders van Volendam de Urker vissers bijeen en trachtte ze te winnen voor het streven van zijn bond. Na zijn vertrek werd druk vergaderd om het voor en tegen te bespreken. Voor- en tegenstanders bleken ongeveer even sterk. Toen werd op Urk het vreemde verschijnsel gezien, dat twee requesten aan de Tweede Kamer werden gezonden, die elkaar lijnrecht tegenspraken. Het ene verklaarde het een ramp te achten ‘als de Regeering mocht besluiten den toestand, zooals heden de Zuiderzee bevischt, neen uitgemoord wordt, te bestendigen.’ Het andere meende dat het staande netwerk de oorzaak was van den achteruitgang der visserij en verzocht dat nimmer een algemeen kuilverbod zou worden afgekondigd. Elk request had ongeveer 100 handtekeningen gekregen. Uit die tweeslachtige houding der Urker vissers moesten ongelukken voortkomen.

Het eerste ongeluk was al, dat de ene partij besloot een afdeling van den Julianabond op te richten. De 100 tegenstemmers bleven niet achter en stichten een vereniging Recht door Zee als afdeling van de algemene Zuiderzeevereniging, boven genoemd. Deze nieuwe vereniging Recht door Zee hield 30 maart 1908 haar eerste openbare vergadering. De heer Gelder, redacteur van de Visscherijcourant en tevens nettenfabrikant, was de spreker. Die bestreed niet alleen de Volendamse wonderkuil, maar stuurde ook aan op het uitsluitend gebruik van staand netwerk. Geen wonder dat in het debat de opmerking werd gemaakt, dat de nettenfabrikanten daar het meeste voordeel van hadden.

Terloops moet worden opgemerkt dat de heer Gelder onder de bedoelingen van de Zuiderzeevereniging (ZZV) ook noemde de bestrijding van ‘knoeierijen’ in den ansjovishandel. Vermoedelijk bedoelde hij daarmee, dat de vissers bij den afslag steeds een hogeren prijs voor de ansjovis maakten dan bij de zouters. De zouters hadden een soort gedwongen winkelnering: zij hielpen de vissers met voorschotten en netten en eisten daartegenover, dat de vissers de ansjovis rechtstreeks aan de zouterij afleverden, maar dan tegen een lageren prijs.

De vergadering nam tenslotte zonder stemming deze motie aan: ‘De vergadering van visschers, bijeengekomen in de Van Alphenstichting op 30 maart 1908 te Urk, en bezocht door tal van

91

Winter 1924. De ‘Geusau’ bekneld bij het Ketelvuur van de IJsselmond. (Coll. A. van Urk)

Het peilen van de ijsdikte en het uitzetten van ankers. (Coll. A. Weerstand)

visschers van Urk, Huizen, Spakenburg, Elburg en andere plaatsen, gehoord de besprekingen inzake de kuilkwestie, verklaart een algeheel verbod van de wonder-, de dwars- en de kwakkuil nodig voor de instandhouding der Zuiderzeevisscherij.’

In de Visserijwet werd 6 oktober daarna inderdaad een verbod van nestvissen opgenomen. Maar hiermee was de kwostie niet uit. Op Urk allerminst.

Om begrijpelijke redenen, maar ongetwijfeld na een taaie actie van den Julianabond, werden 1 juli 1911 haring en ansjovis geschrapt van de verboden lijst van onvoldragen vis (nest of puf). En juist tegen die twee had de ZZV haar strijd aangebonden. Volendam juichte weer!

Nu bestond op Urk de vereniging Hulp en Steun, de zogenaamde IJslopersvereniging, die ten doel had om hulp te verlenen aan vissers, die door storm ofstranding, ofook door het ijs, hulp nodig hadden. De meeste leden waren schippers die de Noordzee bevoeren. Wat het doel der vereniging betreft, stond zij buiten den strijd voor en tegen de kuil, maar de Noordzeeschippers vreesden dat de Volendammers, als ze in de Zuiderzee niet mochten kuilen, de Noordzee zouden opgaan en dus den Urkers concurrentie aandoen. Daarom lieten ze den Volendammers maar liever hun wonderkuil behouden. Hoe het zij, op 8 januari 1912 verschenen enkele Volendammers op Urk om te trachten de Urkers in actie te zetten voor den Julianabond. Het werd toen een zeer stormachtige vergadering, waarin alleen door het kalmerend optreden van burgemeester Gravestein voorkomen werd dat ze in een vechtpartij ontaardde. Het gevolg van die vergadering was dat Hulp en Steun met een toevallige kleine meerderheid besloot zich los te maken van de ZZV en zich aan te sluiten bij den Julianabond. Het was te verwachten dat dit besluit protesten zou uitlokken. Niet minder dan 104 leden van Hulp en Steun en anderen die rechtstreeks belang hadden bij de Zuiderzeevisserij, tekenden een verzoekschrift aan het bestuur van Hulp en Steun om op het besluit terug te komen. Pas op 8 april viel de beslissing over dat verzoek.

Een vissersvergadering die niet alleen bestond uit leden van Hulp en Steun, maar ook uit anderen het gaat wat dat betreft op Urk niet al te formeel toe - besloot weer met een kleine meerderheid om een nieuwe vereniging Visschersbelangen te

93

stichten, die dan, onder het bestuur van de leiders van Hulp en Steun, in eigenlijken zin een vakvereniging zou zijn. Hulp en Steun zou blijven bij zijn oorspronkelijk oprichtingsdoel: onderlinge hulp. Pinkstermaandag zou worden beslist of Visschersbelangen op zichzelf zou blijven staan, dan wel zich aan zou sluiten bij de ZZV. Van den Julianabond werd niet gerept. Die had toen al afgedaan.

De eerste wereldoorlog en de daarna wenkende afsluiting van de Zuiderzee, hebben de betekenis aan den strijd om de kuil ontnomen, althans dien strijd verzwakt.

Een korte opleving gaf 1924. De kuil die in de Zuiderzee bijna algemeen door staand netwerk was vervangen, deed nu met succes haar intrede in de Noordzee. Tot zover wat de kuil betreft. Wat de boot aangaat, vermeldt C. de Vries het volgende.

De boot toet al vanaf1890

We komen op het verkeer tussen Urk en den vasten wal. Tot omstreeks 1860 ging de postschuit eenmaal per week naar Kampen, en den volgenden dag keerde ze terug. Een verbetering was het toen dat tweemaal in de week ging gebeuren; en nog groter was de verbetering in 1870 toen dit op driemaal gebracht werd. Of de Urkers toen minder leesgierig waren dan thans, valt te betwijfelen, maar kranten werden toen heel weinig gelezen. Een weelde werd het na enkele jaren weer toen er een tweede postschuit bij kwam. Elken dag vertrok er een en kwam er ook een aan. De schippers waren Dubbele Nentjes en zijn schoonzoon Klaas Romkes. Maar ads de zee met ijs bedekt werd, was de beurtvaart gestremd en lag het verkeer met den vasten wal stil. Dan merkte men op Urk eerst goed dat men er op een eiland zat. Kwam de nood aan den man door gebrek aan leeftocht, dan maakte de IJslopersvereniging haar ijsloper klaar. Dat was een stevige sledeboot, die door enige stoere kerels over het ijs gesleept werd. Door open water kon ze worden geroeid. Schokland werd aangedaan en daar werd in de oude kerk overnacht. Dan ging de tocht verder naar Kampen, waar de vereiste inkopen werden gedaan. Daarna ging het langs denzelfden weg terug.

94

Het gebeurde wel, zoals nog in 1895, dat de mannen zo slecht vooruit konden komen, dat ze in hun open vlet den nacht moesten doorbrengen! Werd men op Urk over het uitblijven van den ijsloper ongerust, dan werden aan de kust houtvuren ontstoken en liet men den misthoorn klinken, om de mannen den weg te wijzen. Waren ze goed aangekomen, dan ging er een zucht van verlichting uit het hart der ingezetenen op. In de kerk werd’s zondags voor de behouden aankomst gedankt. Men sprak wel van ‘bloedreizen’.

In velerlei zin was het daarom een zeer grote vooruitgang toen de gebroeders De Groot te Kampen op 1 april 1890 met hun stoomboot ‘Minister Havelaar’ de lijn Kampen-Urk-Enkhuizen openden, waardoor men op een dag heen en terug kon. Ook kon nu bij vorst de vaart iets langer worden volgehouden dan met de postschuiten. Het isolement van Urk was nu zeer veel beperkt. Het wachten was toen nog op een telefonische verbinding van Urk met den wal, waarvan het gemis in stormtijden bijzonder werd gevoeld. Ook daaraan kwam 1 October 1897 een einde. Voor de perioden dat de boot niet door het ijs kon, sloot de maatschappij in 1899 een overeenkomst met de IJslopersvereniging. De eerste zou zorgen voor een ijsvlet van Kampen naar Schokland en terug en de andere voor een tussen Urk en Schokland. Zo konden de zware tochten worden gehalveerd.

In verband met de noodzakelijkheid dat het vuurtorenlicht, met het oog op de ijslopers, steeds, ook oostwaarts van het eiland, zichtbaar zou zijn, werd de vuurtoren in 1899 vijf meter verhoogd, zodat het licht niet langer door het dak van de Gereformeerde kerk werd onderschept.

Een eigen boot

Een der sprekendste kenmerken van den nieuwen tijd is wel het in de vaart brengen van ‘een eigen boot’. Een der firmanten van Gebroeders De Groot, die de Minister Havelaar sinds 1890 in de vaart hadden en die later hun vennootschap hadden omgezet in de Kamper Stoombootmaatschappij, kon niet overweg met zijn medevennoot en trad in 1914 uit de firma. Hij kwam op Urk en gaf aan enkele notabelen te kennen, dat hij wel een eigen Urker bootmaatschappij zou willen oprichten, met het gevolg dat nog

95

in hetzelfde jaar de Eerste Urker Stoombootmaatschappij ‘Urks Belang’ tot stand kwam.

In dezen naam lag een program opgesloten. Zonder iets te willen afdoen aan den lof, die de Kamper firma toekwam voor de voorbeeldige wijze waarop zij bijna 30 jaar lang de gemeenschap van Urk met ‘den wal’ had onderhouden, een gemeenschap die zelfs in den winter, als het even kon, werd volgehouden, oordeelden de Urker vennoten toch dat ‘een Urker boot op Urk thuishoorde\ De algemene sympathie was terstond voor de nieuwe onderneming, en Urks Belang bracht 15 mei 1915 het stoomschip Eiland Urk in de vaart. Vanwege de kolenschaarste moest evenwel het eerste jaar met hout worden gestookt. De Kamper firma heeft nog enige tijd de concurrentie volgehouden, zodat men op Urk van het goede haast te veel kreeg, maar op den duur trok zij zich uit de ‘territoriale wateren’ van Urk terug. De rijkssubsidie en het recht van het postvervoer kwamen toen toe aan de nieuwe maatschappij, en meerdere boten werden in de vaart gelegd, ook voor de route Urk-Elburg. 1 April 1940 werd het 50-jarig bestaan van de stoombootverbinding van Urk met den vasten wal in alle stilte herdacht.

Opmerking: Toen Urk een wegverbinding met het achterland kreeg in 1948, kon de boot de concurrentie met het vervoer over de weg niet langer meer volhouden en kon de bootverbinding met Enkhuizen alleen in de zomermaanden gehandhaafd blijven.

96

Uit boek en blad bijeengebracht

De zware reizen van de ijsvletbemanning trokken in ruime kring de aandacht en schrijvers werden erdoor geinspireerd. We laten hier eerst volgen wat L. Penning schreefin ‘De Eilanders’, zoals dat werd opgenomen in ‘Het Ruisende Woud’, leesboek voor de lagere school, J.B. Wolters, 1953.

Dan volgt een deel van het zevende hoofdstuk uit L. Kombrink ‘De Bruid van Schokland’, J.J. Groen en Zoon N.V., Leiden. Tenslotte volgen nog enige bladzijden uit Wim Kuyper ‘Zwervend langs het Ijsselmeer’, De Boer Maritiem, 1978, over de Schokker ijsvlet.

De Urker ijsvletters (L. Penning)

Des morgens te kwart voor zessen waren acht Urkers, moedige kerels, van Kampen vertrokken en hadden te negen uur de uiterste punt van ‘de Ketel’ bereikt, waar een vlet lag. Met dit open vaartuig, dat kon drijven als een roeiboot en glijden als een slede, zouden ze de post naar het eiland brengen. Maar de zee lag vol ijs, en de moeilijkheden werden steeds groter... Toen de avond begon te vallen, hadden ze, na een dag van grote inspanning, Urk in het gezicht gekregen.

De lucht betrok. Er was ander weer op til; en de zon, die zo heerlijk had geschenen, ging achter dikke sneeuwwolken schuil. Het begon reeds te schemeren. In die schemering zagen de ijslopers de eilanders die hen tegemoet gingen, als kleine, zwarte mieren op de wijde vlakte, en langzaam dreef de ijsvlet weg op de stroom.

Doch Albert Visser was geen man om het lijdelijk aan te zien. ‘Vooruit’, zei hij, ‘met alle man aangepakt! We zijn over de hond gekomen licht komen we ook over de staart!’ De wakkere vletters sloegen de handen opnieuw aan het werk, in een heldhaftige poging hun vermoeidheid vergetend om hun eiland, hun vaderland, te bereiken.

97

Postvervoer winter 1929. Aankomst bij het postkantoor in de Prins Hendrikstraat. (Foto nr. 44 G. Wakker)

Winter 1929. Autoverkeer tussen Enkhuizen en Urk. (Foto coll. A. van Urk)

98

De ijsvlet kraakte en steunde; de schollen persten er zich koppig tegenaan en het vaartuig zuchtte als een mens, die niet opgewassen is tegen zijn taak. En terwijl die acht mannen daar in de ijsvlet stonden, de ijzeren punten hunner pieken in de omringende schollen zetten, en met geweld een doortocht trachtten te forceren, stapelde zich het ijs, door de gepantserde kop van de ijsvlet voortgeschoven, tot een wal op die ondoordringbaar was. Toen lieten de mannen op Snoeks voorslag de boot zo krachtig wiebelen, dat de dam op zijde ging. Er kwam weer gang in het vaartuig en terwijl het zweet de hard worstelende mannen in de koude vrieslucht als een zware damp van de leden sloeg, grepen zij met wanhopige moed naar de pieken. Doch daarop lag de ijs¬ vlet weer stil, onbeweeglijk, als verlamd, door de stroom van het losse ijs meegevoerd naar het noorden, terwijl de sneeuw al dichter viel. De moed van de dappere Albert echter was nog niet gebroken en de spieren van zijn armen waren hard en sterk geworden in de strijd met de elementen. ‘De onzen wachten ons’, zo zei hij, ‘laten we nog eens het uiterste beproeven!’ Zo hervatten die stoere mannen dan opnieuw de arbeid, in de duistemis van de nacht, tegen de gevaarlijke stroom in die hen wegdreef van het eiland. Zij deden bovenmenselijk werk in de wanhopige zucht om toch maar thuis te komen, doch de vlet werd van voren en van achteren en van alle kanten omsingeld en het was een vruchteloos werk, met de gelaarsde voeten de schollen voor de kop stuk te stoten. Het vaartuig kleefde als pik aan het koude, dikke water, terwijl de sneeuw viel bij hevige vlagen. En de sneeuw scheen bezig een lijkkleed te weven over de ijsvlet, over de acht Urker vissers, over het sombere veld, waar zich op sommige plaatsen de verstarde golven tot heuvels hadden opgestapeld... ‘Volhouden! Volhouden!’ riep Albert. ‘Ik kan niet meer!’ zei Leendert. ‘Alles kan!’ riep Snoek, ‘toe Leen, doe je best!’ Maar Gerrit kwam tussenbeide. Hij zag hoe bleek Leenderts wangen werden, en dat diens armen begonnen te beven. ‘Leen moet er uitscheiden!’ zei hij, ‘toe Leen, schei er uit. Wij anderen zullen nog wel een beetje krachtiger aanpakken, dan is het toch weer in orde, niet waar, vader?’ Albert knikte met het hoofd, en de zeven vissers werkten rusteloos voort, met een dappere volharding. Doch de stroom was sterker dan hun armen; zij vorderden, na langdurige inspanning, een bootslengte, meer niet, en toen was het uit.

99

De vlet zat muurvast. Het was onmogelijk door het pantser van ijs heen te breken. En het vaartuig steunde als een gejaagd dier dat vast is gelopen in een wrede klem. ‘Jongens’, zei Albert, ‘het helpt niets! We moeten’t opgeven en zien dat we de vlet op een ijsschol krijgen!’ De vissers wierpen een smartelijke blik in de richting van het eiland. Er was niets meer van te zien, het eiland was verdwenen, opgeslokt door de duistemis, maar het schijnsel der brandende teertonnen was duidelijk waar te nemen, en de grauwe horizon scheen te rusten op het fonkelende reuzenoog van de vuurtoren. De vissers ontdekten een grote ijsschots, waar de vlet werd opgezeuld. Zij hadden een harde arbeid van zeventien uren achter de rug en voelden iets van de Noordpoolvaarder, die met zijn brik door ijsbergen is beklemd geraakt. Zij werden door doodsgevaren omringd, en het bezit van een broze ijsschol, twintig meter in het vierkant, was het enige resultaat van hun moedige strijd. Zij zetten zich dicht bij elkander neer, in een sombere stemming. ‘Leen’, zei Gerrit, ‘heb je’t koud?’ ‘Het zal wel overgaan’, antwoordde Leendert, maar zijn tanden klapperden. ‘Je hebt de koorts’, zei Gerrit, ‘wacht, er moet nog een deken in onze vlet liggen!’ ‘Doe geen moeite!’ zei Leen. Het scheen hem uitermate pijnlijk te zijn, dat Gerrit zich om hem bekommerde. Doch Gerrit was reeds bezig de deken te zoeken. ‘hier is ze al’, zei hij, ‘kom, ik zal je eens flink inpakken, hoor!’ En hij sloeg de deken over Leenderts schouders, met een hartelijke toegenegenheid, die Leendert diep schokte. ‘Ik wenste dat het morgen was’, zei Lubbert. Niemand antwoordde; de doodse stilte, de verlatenheid en de eenzaamheid drukten zwaar als lood op de vissers. Het werd nu middernacht; iets als een bijgelovige vrees greep het dappere hart der mannen aan. Zij huiverden, als in afwachting van iets vreselijks, dat zij niet konden grijpen, en dat toch onvermijdbaar was. En plotseling sprongen alien op, elkander aanstarend met strakke gezichten, terwijl de stilte werd verbroken door een doffe, zware donderslag. Zij hadden een trilling gevoeld, een schok. Het was de zee, de gevangen reus, die zijn boeien van ijs wilde breken. “We zullen eens zien hoe het met onze schots is afgelopen’, zei Albert. Hij sprak weer op bedaarde, kalme toon. ‘Er is een brok afgescheurd’, antwoordde Lubbert, ‘daar, aan die kant, Albert!’ En hij wees met de hand rechts. ‘Ze is nog groot genoeg’, hernam Albert. De stilte was teruggekeerd en de zee was weer rustig geworden, want het uur van haar

100

bevrijding had nog niet geslagen. Langzaam streken de uren voorbij, heel langzaam. En reikhalzend zagen de vissers uit naar de morgen, die uitkomst zou brengen.

Met de morgen kwam de redding. Het bleek dat de vlet afgedreven was in de richting van De Lemmer. Een dichte drom van mensen stroomde over de uiterste punt van Urk het ijs op, de vletters tegemoet. En het was een uur van grote vreugde, van zegepraal voor de bevolking van het eiland, toen de acht mannen, na bang avontuur, in het dorp waren teruggekeerd.

Hoofdstuk VII (L. Kombrink)

Klein en nietig, nauwelijks merkbaar op de grote doodse ijsvlakte, zwoegen de Urkers met hun ijsvlet. Een korte adempauze doet hen de karpoets van het hoofd nemen om zich het zweet af te wissen. Ze kijken vooruit naar de wazige contouren van Schokland en knikken elkaar bemoedigend toe. ‘Nog een paar uurtjes, mensen, en we zijn bij Douwe’, zegt een hunner, de leider van de groep. ‘Net wat je zegt, Steven’, antwoordt een der mannen, ‘maar die uurtjes kunnen wel eens meer dan zestig minuten tellen, ouwe. Het ijs wordt slechter en we mogen van geluk spreken dat we er nog niet doorgezakt zijn.’ Nu geeft de aanvoerder het sein van verder gaan. Vlug nemen enkelen nog een pruimpje en dan slaan ze het trekzeel om de schouders. Langzaam komt de zware vlet, met de lopers er onder, in beweging. Iedere keer botst zij tegen een overeind staande schots en dan is de gang er weer uit. Diep voorover gebogen trekken de mannen voort, zich soms met de handen op het ijs steunend wanneer hun benen door de gladheid onder het lichaam wegschieten. De jongeren onder hen mopperen. Er zijn er bij, die voor de eerste keer de tocht met de ijsvlet meemaken. Ze hadden er zich zoveel van voorgesteld, doch enige kilometers buiten Urk waren ze al volkomen ontnuchterd en hebben ze elkaar verteld, dat het een ‘bloedwerk’ is.

‘Ik geloof vast’, zegt een der mopperaars, ‘dat ze Schokland ook op een paar lopers gezet hebben. We komen maar niet dichterbij. Ik heb trek in een slok drinken, jullie ook?’ ‘Natuurlijk’, gromt de man naast hem, ‘maar Steven zal je zien komen! We hebben pas gerust, man. Pak een stukje ijs en sabbel daar op.’

101

Eensklaps geeft de voorste trekker een schrille schreeuw en meteen verdwijnt hij tot aan zijn middel in het ijs. Men stopt onmiddellijk en vlug wordt de drenkeling uit het koude water getrokken. In stralen stroomt het water hem uit de wijde broek en zijn gezicht staat allesbehalve plezierig. Verrassend snel springt hij in de vlet en schopt de reeds bevriezende broek van zijn lijf. De onderbroek van hetzelfde formaat volgt en vijf minuten later staat hij weer in het trekzeel en trekt, trekt zo hard hij maar kan om weer warm te worden. En voort gaat het weer, richting Emmeloord. Men is voorzichtiger geworden. Het ijs is onbetrouwbaar door de snelle stroom die door de Nagel trekt. Reeds heeft de zon haar hoogste punt bereikt en is bezig de korte winterbaan naar de horizon af te leggen. De oostenwind wakkert aan en harder moeten de Urkers trekken om het logge gevaarte vooruit te krijgen. Zij komen op een punt waar de schotsen tegen elkaar op staan. Steven geeft het sein om te stoppen. ‘We zullen een andere weg moeten zoeken; we komen hier nooit langs mannen! Allemaal duinen en nog eens duinen. Verder om de Noord gaat het misschien beter. Gauw een slok koflie en dan weer vooruit.’

De boot zwenkt om, schuift langs een hoge richel die het voortgaan belette. Op de gladde plaatsen glijdt de vlet dwars weg zodat de mannen veel moeite hebben om haar in de goede koers te houden. Plotseling loopt er een siddering door de ijsvloer, een daverende knal volgt. Met verschrikte gezichten richten de mannen zich op en onwillekeurig naderen zij de boot om zich in veiligheid te stellen. Een luide waarschuwende kreet van de leider doet hen het trekken vergeten. ‘Kijk daar... daar recht voor ons... daar schuift het ijs...!’ schreeuwt hij schor. Hij heeft gelijk. Het ijs is in beweging en de zware dikke schotsen schuiven over elkaar heen. Onder hevig gerommel begint zich een duin te vormen, almaar hoger. De ijsvloer siddert onder de geweldige druk... Onder de voeten der Urkers springen barsten en deze planten zich krakend voort. Even zijn de mannen de kluts kwijt, heel even slechts. ‘Weg van hier mannen!’ beveelt Steven dan. ‘Terug, desnoods weer naar Urk.’ Allen smijten zich in de zelcn, een vluchtende horde, die trekt voor het leven. Met wanhopige blikken kijken ze naar Schokland, dat nu achter hen ligt. ‘We zullen het om de Zuid proberen’, zegt Steven, ‘er moet ergens goed ijs zijn. En we moeten opschieten, want over twee uur is het donker.’ Steven krijgt gelijk. Het ijs wordt beter. ‘Het gaat

102

goed, mannen!’ moedigt hij aan. ‘We hebben de goede koers weer.’ Als kleine wolkjes stoom komt de adem uit hun hijgende monden. Soms heffen zij verschrikt het hoofd op als met een gedreun een nieuwe scheur door het ijs jaagt. Zwijgend gaat het verder, want elk gesproken woord is verspilling van energie. Langzaam, tergend langzaam, wordt het nevelig silhouet van Emmeloord duidelijker...

Brand staat daar met zijn twee zonen achter de schapenschuur. Gistermiddag hebben ze hier ook gestaan, omdat ze de ijsvlet van Urk verwachtten. Maar toen is de vlet niet gekomen. Doch vanmiddag, toen Brand aan een kopje thee zat, is Gart binnen komen hollen. ‘Ze komen eraan, vader!’ had hij geroepen en de thee werd niet opgedronken. Met spanning volgen ze de kleine stipjes in de witte verte. ‘Het is net alsofze heen en weer lopen’, merkt Jaap op en zijn vader knikt begrijpend. ‘Slecht ijs in de Nagel, jongens. Het zal donker zijn voor ze voet aan wal zetten en we moesten de mannen maar eens tegemoet gaan, Gart!’ ‘Mag ik ook mee, vader?’ vraagt Jaap. ‘Nee vent, dat gaat niet, en daarbij, de schapen moeten ook gevoederd worden.’ Nu het meertje houden kan, lopen ze niet over de Noorderdam, maar steken dwars over naar het ijs. ‘Weet moeder dat we weg zijn, vader?’ ‘Dat zal Jaap wel vertellen, Gart.’ Met schuifelende stappen spoeden zij zich over het gladde ijs, maar het duurt toch een vol uur voor zij bij de Urkers arriveren. De komst van twee verse krachten wordt met vreugde begroet. Er zijn nog trekzelen in de vlet, doch eerst voorzien Brand en Gart zich van sporen. ‘Het werd tijd, Douwe’, zegt Steven. ‘De suiker is op en de mensen verlangen er hard naar om eens weer post te krijgen. We wilden eerst recht op de IJsselmond aan, maar we zagen al gauw, dat het daar te laat voor werd. Dan blijven we vannacht maar bij jullie en morgen weer verder. Op Urk? Ja hoor, alles in orde Douwe! Vooruit jongens, nog een kwartiertje. Ik ruik de koffie van vrouw Brand al.’ “Wordt er nog spiering gevangen bij jullie?’ vraagt Brand. ‘Spiering? Man, de zee zit tjokvol spiering. Iedereen vist bij ons. Je kunt ze met de beugel uit het bijt scheppen. Pas op mannen, een dikke schots!’ ‘Zo straks is Gerrit van Klaos van Riekelt er nog doorgezakt. Het scheelt een stuk dat jullie trekken, Douwe!’ Het is een dodelijk vermoeide groep mannen, die eindelijk voet op Schokland zet. Met stijve passen lopen ze achter Brand aan

103

Postvervoer over het ijs op 2 maart 1929. (Foto nr. 36 G. Wakker)

Winter 1929. K.L.M. vliegtuig brengt post naar het eiland Urk. (Foto coll. A. van Urk)

104

naar diens woning. Reeds heeft vrouw Brand een grote kan koffie gereed en nu zegt ze tegen Nanne, dat ze koppen op tafel moet zetten. ‘Je komt handen te kort om al die manlui te bedienen’, moppert ze en ze doet in iedere kop een extra schepje suiker. Even later is de huiskamer gevuld met druk pratende mannen, die zo dicht mogelijk bij de kachel een plaatsje zoeken en verlangend naar Nanne kijken, die bezig is de hete drank in de koppen te gieten. Dan komt vrouw Brand uit de winkel met een reusachtige schotel met sneden roggebrood, belegd met heerlijk doorregen spek. De eerste tien minuten heerst er zwijgen, maar dan komen de tongen los. De ijsvletters vertellen hun belevenissen en wensen zichzelf geluk dat ze het er goed afgebracht hebben. Zoals gewoonlijk zit Nanne weer op een stoof naast vaders knie en luistert. De meeste mannen kent ze. Ook Steven, die op smakelijke wijze vertelt, hoe Gerrit van Klaos van Riekelt door het ijs zakte en hoe vlug hij z’n broeken uithad. Als een corpus delicti hangen de de natte kledingstukken achter de gloeiende kachel te drogen. De oostenwind buldert door de schoorsteen en fluit in verschillende tonen langs het huis. Als de koffie op is, tasten de meesten naar hun pijp en tabak. Nanne krijgt een tikje op haar hoofd van Brand. ‘Toe Nanne, zet de tabakspot eens op tafel.’ Het meisje haast zich om het te doen en het eerst reikt ze Steven de tabak toe, die ze lachend aanpakt. ‘Dank je, maotjen. Ja, ja, je vader rookt de beste tabak, dat weet ik.’ En als de blauwe rookwolken omhoog kringelen, schijnt de gezellige sfeer nog intenser te worden. Na z’n pijp te hebben aangestoken, schraapt Steven zijn keel en dit is het sein voor de anderen om naar hem te luisteren. Steven vertelt graag en hij is dan ook een onderhoudend causeur. Even is het stil in de kamer. Na een lange haal aan z’n pijp vertelt hij een van zijn gewilde geschiedenissen. ‘Vijftig jaar geleden’, begint de bejaarde visser zijn verhaal, ‘ging er ook al een ijsvlet naar Kampen. Ik was toen een knaap van dertien jaar en mijn vader was een van de mannen die altoos meegingen. De dag brak aan waarop het plan gemaakt werd om met de vlet naar Kampen te gaan. De volgende morgen zou men om acht uur vertrekken. De slee stond klaar, de ploeg was bij elkaar getrommeld en men ging vroeg naar bed, omdat het morgen wel eens een bar drukke en vermoeiende dag kon worden. Een paar kameraads van me en ik stonden er bij toen de mannen erover spraken. Toen kwam er een roekeloos plan bij

105

me op. Ik wenkte mijn twee vriendjes en op een stil plekje maakten wij ons plan. We zouden zorgen dat we om half acht gereed stonden. Schaatsen en brood meenemen en voor dat ze met de vlet op weg gingen, moesten wij al vertrokken zijn. Mijn vader keek wel een beetje verbaasd toen ik zo vroeg uit m’n bed kwam, maar ik zei dat ik de ijsvlet wilde zien vertrekken. Hij geloofde het en ik kaapte stiekum een stuk brood uit de kast. Mijn schaatsen hingen in het portaal en ik greep ze in het donker van de spijker. En toen de deur uit, naar het ijs aan de oostkant. Mijn kameraden waren er al, en ik moet bekennen, dat we niet zo geestdriftig waren als de vorige avond. Het was vinnig koud en bijna besloten we om weer gauw naar huis te gaan en lekker onder de wol te kruipen. Na enig dralen bonden we de schaatsen toch onder en gingen op weg. Wij namen de koers op een ster die in het zuiden stond. Verdween die, dan kwam de zon, om ons verder de richting te wijzen. We wilden naar Kampen en we waren vast besloten om er eerder te zijn dan de mannen met de ijsvlet. Het ijs was vrij goed, zo nu en dan een schots of ruige plek, maar dat waren we wel gewoon. We hadden een lange stok bij ons en achter elkaar krasten we erop los. Onze oren hadden het zwaar te verduren, maar langzaam begonnen ze te tintelen. De ster verdween; de hemel begon in het oosten te kleuren. Het ijs bleef prachtig en we waren heerlijk doorgewarmd. Op de maat van de ritsende schaatsen zongen we het ene lied na het andere, zonder echter de nodige voorzichtigheid uit het oog te verliezen. Ik reed achteraan en toen ik eens omkeek, was Urk al bijna uit het gezicht en we schoten dus goed op. De zon steeg hoger, maar zij scheen niet zo helder meer. Ik maakte mijn makkers daar op attent, maar ze luisterden er niet naar. Heel langzaam kwam in het oosten een bank opzetten, een mistbank. En opeens was de zon verdwenen. Dikke Harden mist dreven ons voorbij en maakten grijze pluisjes aan onze kleren. Steeds dikker werd de mist en geen enkel punt van orientering bleef er over. We zongen niet meer, maar keken elkaar ongerust aan. Waarheen?’ vroegen onze ogen, ‘waarheen moeten we nu?’ We wisten er geen van alien antwoord op te geven. Het was doodstil om ons heen. Ik stelde voor om terug te gaan. Goed praten, welke kant moesten we op om dat te doen? ‘We moeten hier blijven’, zei een van mijn vriendjes. ‘Op de ijsvlet hebben ze een kompas en ze komen vast bij ons langs.’ Toen schoot me een goede gedachte te binnen. Ik had al eens een paar malen naar het

106

ijs gekeken. Er was veel grondijs bij en je kon duidelijk zien uit welke richting het was komen aandrijven. De richting was oost. En in die koers lag Schokland immers? Eenvoudig genoeg dus. Gedurig naar het ijs kijkend, reden we langzaam voort. Het ijs werd ruwer en na veel gestrompel en vallen, besloten we de schaatsen af te binden om de tocht te voet voort te zetten. We zagen er echt winters uit met onze wit aangeslagen kleren en ruige wenkbrauwen, maar de ernst van de toestand deed elk grapje achterwege blijven. En wie zal onze schrik en teleurstelling beschrijven, toen we eensklaps vlak voor ons geklots van water hoorden? Geraas van vogels, die uit zee opvlogen en er neerstreken, een geluid dat we goed kenden. Een wak versperde ons de weg en een groot wak was het ook, want ver naar links en rechts hoorden wij de vogels rumoeren. Hoe was het mogelijk! We hadden gedacht dat de hele Zuiderzee dicht zat, maar nee hoor, dat wak vertelde ons wel anders. Lang stonden we te beraadslagen. Er omheen moesten we. Maar welke kant uit? We werden het eens om naar rechts te gaan, om de zuid dus. Onze magen begonnen te rommelen, dus aten we ons brood op, al verder lopende. We waagden ons zo dicht mogelijk bij de rand van het wak, omdat daar het ijs beter begaanbaar was. Eindelijk maakte de zoom van het wak een bocht... gelukkig, we hadden het einde bereikt. We keken voor de zoveelste keer naar de ligging van het grondijs en bonden de schaatsen weer onder. Alles kwam goed. Onze angst verdween. Weldra zouden we op Schok¬ land zijn en daar wachten tot de mist op zou trekken. Ons lied schalde door de dichte stilte en onze schaatsen maakten forse halen. Zo nu en dan bleven we stil staan om te luisteren, want je kon nooit weten, de vlet mocht eens in de buurt zijn. Maar we hoorden niets dan onze hijgende adem of de schreeuw van een onzichtbare vogel. Onverwachts stonden wij voor een hoog ijsduin. Vele meters hoog was deze berg van dikke schotsen en het leek ons te gevaarlijk om er over te klimmen. Er omheen dus. Maar het bleek een soort bergketen te zijn, een heuvelrug ofhoe het ook mag heten. Weer besloten we om naar rechts lopend het lange duin te volgen. Ik geloof dat we meer dan een uur liepen voor er een einde aan het opgekruide ijs kwam. Er lag weer vlak ijs voor ons en wij volgden de richting vanwaar het ijs gekomen was; er niet aan denkend dat we veel te zuidelijk zaten, doordat we voortdurend naar rechts uitgeweken waren.’ Steven zwijgt. Hij klopt zijn uitgerookte pijp leeg en stopt

107

bedachtzaam een nieuwe. Vrouw Brand benut de pauze om een paar turven in de kachel te gooien, terwijl ook de andere mannen een verse pijp stoppen. Nanne ziet dat moeder op de klok kijkt. Het is half tien en om negen uur is het eigenlijk bedtijd. Doch zij zegt niets gelukkig. Niet graag had ze het verdere verloop van het spannende verhaal willen missen. ‘Wij waren dus weer op vlak ijs’, herneemt Steven, ‘maar voor schaatsenrijden was het toch te ruw en lopend gingen we verder. Opeens gaf mijn makker, die voorop liep, een gil. Zonder te kraken zonk het ijs onder z’n voeten weg, maar gelukkig hield hij de stok vast. Met veel moeite slaagden wij er in om hem emit te trekken en bibberend stond hij z’n kleren uit te wringen. Ofschoon we jong waren, beseften we dat stilstaan niet raadzaam was, dus gingen we verder. En het ijs werd hoe langer hoe slechter. De mist was zo dik dat we geen tien meter voor ons uit konden zien en nog begrijp ik niet wat ons bezielde om ver¬ der te gaan. Voetje voor voetje ging het, overal in het rond zagen we dat het ijs grote barsten en scheuren vertoonde. En tenslotte drong het tot ons door, dat we ons bevonden op een losliggend ijsveld... We werden ontzettend bang. Er liep stroom hier, dat wisten we. Als dit ijs ging schuiven, waren we verloren. We durfden geen stap meer te doen. Maar blijven staan ging ook niet, want de zachte modderige schotsen konden ons niet dragen. Om kort te zijn, tenslotte lagen we plat op het ijs en kropen achter elkaar voort. Wat hadden we een spijt, dat we deze tocht begonnen waren! Ik dacht aan mijn ouders, maar vooral aan moeder. Die wist immers niet waar ik was? Vader wist niet beter ofik was thuis. En toen schoten de woorden mij te binnen, die ze wel eens tegen me sprak: ‘Jongen’, zei ze dan, ‘verlaat je altoos op God in tijden van gevaar. Vraag Hem dan om hulp en Hij zal je gebed verhoren.’

En ik bad. Niet hardop, want ik zou me geschaamd hebben voor m’n kameraden. Maar mocht er schaamte zijn in dit uur van hoogste nood? Zouden mijn vriendjes ook bidden? Misschien net als ik, in stilte. Maar plotseling wendde een hunner zich om en vroeg met angst in de ogen: ‘Zullen we bidden om redding, Ste¬ ven?’ Ik kon wel jubelen van vreugde. Vooral toen ook mijn andere makker goedkeurend knikte en er aan toevoegde: ‘Jelle heeft gelijk; we moeten bidden, dat we bewaard zullen blijven.’

En we hebben gebeden. Stil en ieder op z’n eigen manier. Nooit zal een gebed meer gemeend zijn geweest dan het onze, toen we

108

op onze doorweekte knieen op het langzaam wegzinkende ijs lagen. Door het kruipen waren onze handen bijna verkleumd en ik raadde de anderen aan om op de ellebogen verder te gaan. Het ijs werd iets steviger. We kwamen vlugger vooruit en even later waagden we het om te gaan staan. En toen mensen, toen hoorde ik het mooiste geluid dat ik ooit heb gehoord; het hakken van ijs met een bijl... We schreeuwden van vreugde en het hakken hield op. Een roepende stem vroeg iets, dat we niet verstaan konden. We riepen terug en toen kwamen er voetstappen op ons af. En zo dik was de mist, dat hij die naar ons toekwam, dichtbij was, voor we hem zagen. Het was een visser, maar we kenden hem niet. Doch een Urker was hij niet, dat zagen we natuurlijk aan z’n kleren. ‘Zo jongelui!’, vroeg hij, ‘waar komen jullie in vredesnaam vandaan?’ ‘Van Urk’, antwoordde ik, met een van vreugde bevende stem. Van Urk, ben je niet wijs? Dat kan niet!’ ‘Toch is het zo’, zei ik weer, en vertelde ons wedervaren. Intussen waren er meer mannen bijgekomen en zij vertelden ons, dat we dicht bij Elburg waren. Mijn kameraad kreeg een droog pak. Het was hem wel te groot, maar dat hinderde niet. Zij besloten ons mee te nemen en de volgende dag naar Urk terug te brengen, tenminste als het helder weer was. De Elburgers hadden spiering gevist en waren juist van plan om naar huis te gaan, toen ze ons hoorden roepen. Wij sliepen die nacht in een groot bed, maar we moesten er weer vroeg uit. De terugreis naar ons eiland had zonder ongelukken plaats en hiermee is mijn verhaal ook uit. Ik geloofwel, dat mijn goede moeder even in twijfel gestaan heeft, wat te doen: mij een pak ransel geven of om haar verloren gewaande zoon te knuffelen. Maar gelukkig deed ze het laatste en ik heb haar beloofd om nooit weer zoiets uit te halen. Mijn vader was nog een tijd met andere vissers aan het zoeken geweest, want de tocht naar Kampen was niet doorgegaan vanwege de mist. En dit was mijn avontuur op het ijs en nooit hoop ik weer zoiets mee te maken.’

De ijsvlet (W. Kuyper)

Als kantonnier op Schokland had Jan Schuurman de zorg voor het dagelijks onderhoud van de dijken, de zelfregistrerende peil-

109

Winter

Winter

1929. Haven van Emmeloord op Schokland. (Foto Coll. A. van Urk)
110
1929. Vervoer van goederen over de Zuiderzee. (Foto coll. A. van Urk)

schaal en de controle op de vuurtoren van de zuidpunt. Daarnaast had hij de zorg voor zijn schapen die hijzelf schoor. Spelenderwijs had hij dat geleerd, evenals het knippen van het haar van zijn kinderen. Als geboren en getogen visserman had hij ook zijn fuiken in de meertjes staan en een enkele keer rookte hij de paling. Sedert het vertrek in 1922 van de laatste lichtwachter Pieter Verschoor, werd het licht automatisch ontstoken; overdag moest de waakvlam blijven branden. Alleen wanneer de scheepvaart door ijsgang gestaakt werd, doofde hij het licht dat op blauwgas brandde. Langs de oostkant van Schokland verzamelde zich steeds het eerste ijs; zodra de vaart om de oost niet meer mogelijk geworden was, overlegde hij met het Loodswezen in Amsterdam, van wie hij de opdracht kreeg om’s nachts de rode petroleumlamp te laten branden, die aan de oostzijde van de vuurtoren opgehangen werd.

Op het moment dat de jonge Jan Schuurman op Schokland kwam, had Harm Smit de 48-jarige leeftijd bereikt. Zijn collega Jan Spit was nog maar vijfjaren geleden tot kantonnier-havenmeester van Emmeloord benoemd. Spit en Schuurman, beiden geboortig uit Vollenhove, kenden elkaar van jongsaf van de visserij. De winter mag dan de vrees voor het wassende water op Schokland tijdelijk hebben weggenomen, hij bracht ook weer andere ongemakken die overwonnen moesten worden. Niet voor niets was het Landsmagazijn op de Middelbuurt gebouwd, dat op Schokland de ijsloperschuur genoemd werd. Daarin hadden de vlet met de lopers eronder, de pieken, de riemen, de mast met het zeil, de trekzelen, de ijszagen en bijlen, de lantaarns, de sleden, en nog veel meer, een vaste plaats gekregen. Wanneer de omstandigheden gunstig leken, vertrokken de mannen’s morgens om zeven uur. Van te voren waren de bestellingen bij de leveranciers in de Oudestraat in Kampen gedaan. Met goed ijs en windstil weer, duurde de tocht naar de overkant ongeveer twee uur. Als het ijs op het Rechterdiep (oude arm van de IJssel; de weg Kampen-Emmeloord loopt bij Kampen gedeeltelijk nog langs dit water) berijdbaar was, bracht men daar de vlet aan de wal en gingen de mannen op de schaats verder naar Kampen.

Maar de tocht over de dichtgevroren Zuiderzee eindigde meestal bij de Ramspol, waar de vermoeide mannen op de meest westelijk gelegen boerderij van het Kampereiland eerst een kop koffie dronken om wat op hun verhaal te komen. Op de terugreis

111

namen zij ook melk voor Schokland mee. Te voet ging de reis naar Kampen, waar de post afgeleverd en een praatje met de leveranciers gemaakt werd. Een stalhouder vervoerde de goederen naar de boerderij. Pas later werden deze transporten door de leveranciers gezamenlijk gedaan. Met vast weer en een stevige oostelijke bries werd het zeil op de zwaar beladen vlet gehesen; achter de ijsvlet schaatsten de mannen soms wel in een goed uur naar de Middelbuurt terug. In het Gat van Ens bleef het ijs meestal zwak en daardoor gebeurde het wel eens dat de slede, bij onderlinge transporten op Schokland, met een deel van de pas overgebrachte proviand door het ijs zakte, waarbij de mannen met moeite gered konden worden.

Vaak verkeerden de kantonniers in levensgevaar

Wanneer de nood op Schokland steeg, was men wel genoodzaakt om de tocht naar de Ramspol onder veel minder gunstige omstandigheden te maken. Dan liep er steeds een man met een lange ijshaak voorop om het vaak onbetrouwbare ijs te onderzoeken. Maar ondanks dat, zakte de ijsvlet toch nog door het ijs en moesten ook grote stukken open water genomen worden. Een ware marteling werd de tocht wanneer er onderweg een sneeuwstorm opstak of wanneer de mannen door mist overvallen wer¬ den. Draaide de wind opeens naar het noordwesten, waarbij het ijs door het wassende water omhooggeperst werd en het met donderend geweld knapte, dan betekende dit voor de mannen dat zij in levensgevaar verkeerden. Het leken wel kanonschoten, soms dichtbij, dan weer in de verte. Als eenmaal de boerderij bij de Ramspol bereikt was, waren zij hun vermoeidheid weer snel kwijt, maar de volgende dag voelden zij het nog in hun benen. Echt teleurgesteld waren zij wanneer het slechte weer aanhield, waardoor zij de terugreis naar Schokland soms dagen moesten uitstellen. Onder deze omstandigheden, waarbij het ijs meestal ging kruien, waren die tochten een uiterst moeilijke en inspannende onderneming. De ijsvlet was meer dan duizend pond zwaarder geworden; behalve door de ijsbergen langs de kust van het Kampereiland, werd hun weg ook nog door opgewaaide sneeuwhopen versperd. Hoe het er bij de haven van Emmeloord uit zou zien, hoefden zij zich niet af te vragen; het ijs zou daar met geweld over de

112

havendijk geschoven zijn, de beide huizen zouden in de luwte van een tien meter hoog ijsduin liggen en zware, eikehouten palen zouden als talhoutjes afgeknapt zijn.

Vijftien schapen achter een muur van ijs opgesloten

Eigenlijk werd Jan Schuurman al door de eerste winter op de Middelbuurt verrast. Op 2 januari 1929 was hij nog met zijn collega naar Kampen gevaren; de nacht daarna vroor het zo hard dat de tocht niet meer mogelijk geweest zou zijn. Veertien dagen achtereen hield de vorst aan. Zijn schapen waren gehard en stonden nog in het land; steeds verder naar het zuiden waren zij getrokken om nog wat voedsel te bemachtigen. Op een nacht ging het ijs plotseling kruien; op sommige plaatsen werden de schotsen over de gehele breedte van Schokland heengeschoven. Overal ontstonden ijsduinen, niet alleen aan de westkant, maar ook aan de oostkant en zelfs in zee. Met gescherpte laarzen en gewapend met een houweel en een zware schop, trok Jan Schuurman er’s morgens vroeg op uit. Al gauw stuitte hij op een grillige ijsdam, die overal doorliep. Uren achtereen was hij bezig om een doorgang te hakken, die op enkele punten meer dan twee meter hoog was. De verbindingen met de vaste wal waren verbroken. Eindelijk viel de dooi in en spoedig daarna zeilde Jan Schuurman weer naar Kampen; een heel kussensloop vol met post bracht hij naar Schokland mee.

We laten nu nog enkele knipsels volgen die herinneren aan strenge winters

Uit de krant van 13 februari 1929

Sinds maandag was er al gesproken onder de vijftig Urker visschers die te Enkhuizen ingevroren zitten, om over het ijs naar Urk te gaan. De jongeren meenden dat het best kon. Maar de ouderen, de schippers, hadden het afgeraden. ’t Is spelen met je leven, hadden ze gezegd. Je weet hoe’t stroomt bij den Val van Urk.

Maandag was het bij praten gebleven. Dinsdag ook. ’t Was toen trouwens ook te koud om te verkeeren op een open ijsvlakte als

113

de Zuiderzee thans is.

Maar woensdag is het gebeurd!

Drie dappere kerels: Luut Bakker, Cornelis Post en Jan de Boer hebben te voet een tocht gemaakt, als sinds 1830 niet gemaakt is. Te voet over het ijs van Enkhuizen naar Urk. Om tien uur’s morgens namen ze den stap op. De haven uit, het Krabbersgat over, en daarna dwars over het Enkhuizer Zand, heuvel op, heuvel af.

Niets hadden ze bij zich. Geen touw, geen voedsel, geen kompas. Als er mist was gekomen, dan waren de mannen reddeloos verloren geweest.

‘Ze komen nog wel terug’, zeiden hun makkers, die ze nakeken van den Wierdijk. "t Gaat net als gister. Toen hebben er ook een stuk ofwat op het Enkhuizer Zand gedwaald.’

Maar om half twaalf waren er alleen nog maar met den kijker vijf zwarte stippen zichtbaar op het oneindige witte vlak van ijs...

Om twee uur keerden twee van het vijftal terug. Ze hadden den tocht opgegeven, toen ze aan een geul gekomen waren en een gevaarlijke sprong moesten maken. ‘Maar onze makkers zijn doorgegaan. Om vier uur kunnen ze er wezen’, vertelden ze ons. Urk werd opgebeld: ‘Drie Urkers op weg naar Urk.’ ‘Ze zijn in zicht’, was het antwoord door de telefoon, ‘maar er is open water aan den Westkant van het eiland. We zullen een ijsvlet klaar houden.’

Om vier uur kwam het tweede telefoontje: ‘Allen behouden aan land. Post, Bakker en De Boer zitten bij vrouw en kinderen.’ Het waagstuk was volbracht. Voor ’t eerst sinds 1830. Of de winter van 1929 ook streng is!

De strenge winter van 1940

Er zijn oogenblikken, waarop de menschelijke wil zich buigt voor de machten der natuur. Zoo gebeurde het, dat drie schepen, de ‘Holland’, de ‘IJssel’ en de ‘Friesland’, die betrekkelijk regelmatig het Ijsselmeer van kust tot kust plegen over te steken, muurvast in het kruiende ijs kwamen vast te zitten. Drie zware stippen in een onafzienbare, Poolsche allures aannemende witte wereld, waar schotsen, sommigen 65 cm dik, kriskras door elkaar boven den ijsvloer omhoog piekten. Maar het isolement

114

van de schepen beteekende tevens een ongewilde afzondering van een groep menschen van de Taewoonde wereld’. Vandaar dat herhaaldelijk gepoogd werd verbindingen met hen tot stand te brengen.

De expeditie naar de ingevroren booten op het Ijsselmeer is op niets uitgeloopen. Om half vijf daalde het Fokkervliegtuig op Schiphol. De vertegenwoordiger van de reederij Goedkoop, de heer G. Munnik, deelde mede, dat het zicht zoo slecht was, dat niets viel waar te nemen. Men is nog op Urk geland, heeft daarna weer een rondje gemaakt, doch ook toen zag men niets dan grauwen mist en sneeuw. Morgen zal de poging hervat worden.

Even voordat het vliegtuig neerstreek, arriveerde van het eiland Ameland een Douglas, bestuurd door Parmentier. Deze had de booten wel gezien. Passagiers uit het toestel vertelden, dat de ijsbrekers de andere booten tot op circa drie kilometer genaderd waren.

Parmentier telefoneerde uit Eelde naar Schiphol, dat hij op zijn tocht naar het Noorden andermaal boven de schepen heeft rondgevlogen. Met kolengruis hadden de opvarenden op het ijs geschreven, dat de sleepbooten nog niet waren gesignaleerd en dat er nog geen voedsel was aangekomen. Parmentier heeft thans evenmin de ijsbrekers kunnen vinden. Wel nam hij waar, dat de ijsvlet, welke vanochtend van Elburg was vertrokken, de schepen reeds op enkele kilometers was genaderd, zoodat er goede hoop bestond dat zij deze spoedig zou bereiken. Omtrent het sportvliegtuig, dat gistermiddag op verzoek van den burgemeester van Urk naar het Ijsselmeer is gevlogen, vernemen wij dat hier een misverstand in het spel is. Niet de heer Heijmans heeft de vlucht gemaakt, doch deze werd ondernomen door een militair vliegtuig van Soesterberg, bestuurd door den reserve-eerste-luitenant Sluyters, van de Nationale Luchtvaartschool, die thans onder de wapenen is. Hij was vroeger reeds meermalen in den winter met een sportvliegtuig op het gei'soleerde eiland geweest, zoodat hem de situatie ter plaatse bekend was en hij gemakkelijk eenige landingen kon uitvoeren om de boodschappen over te brengen. De burgemeester van Urk deelde ons nog mede, dat vanochtend overwogen was, om ook van Urk af een ijsvlet met levensmidde-

115

‘Trekken als leeuwen’ zeggen ze op Urk en inderdaad stelde het zeer zware eischen aan het uithoudingsvermogen van deze groep Urkers, die op zoek naar de ijsbrekers waren, om de vlet voort te trekken. (Uit een tijdschrift artikel, winter 1940)

Winter 1940. De ‘Friesland’ in het ijs op het Ijsselmeer, Z.W. van Urk. (Foto coll. A. van Urk)

116

len naar de schepen te zenden, doch dat men hiervan had afgezien, omdat de tocht op het onbetrouwbare ijs zeer zwaar werd geacht en het onzeker was of men de booten wel zou kunnen bereiken (18 januari 1940).

Van een van deze expedities maakte onze fotograaf deel uit. Na een uiterst vermoeiende tocht over een afstand van 35 km, werd vanuit Elburg de gedeeltelijk gezonken 'Friesland’ bereikt en vervolgens op Urk de overtocht beeindigd.

Postboot, op weg naar Urk, vast in het ijs

Uit de krant van 10 maart 1940

Terwijl elders in Nederland de strenge winter bijna vergeten is, leeft men op Urk nog in groote spanning ten gevolge van de onberekenbaarheid van het ijs. Ondanks de gestaag neerplensende regen, heerschte aan de haven op Urk te elfuur’s avonds een groote bedrijvigheid. Ieder wilde, voor hij naar bed ging, eerst nog eens zien of de boot gevorderd was.

Er zit namelijk een Urker boot in het ijs bekneld. Aan boord bevinden zich ongeveer zestien passagiers, voornamelijk militairen en visschers en niemand weet of niet misschien haar man of verloofde zich aan boord bevindt.

Zaterdagmorgen vroeg vertrok de stoomboot ‘Insula’ van Kampen en nog steeds is de boot niet op Urk aangekomen. De ‘Geusau’, welke om zeven uur gistermorgen van Urk vertrokken is, is na een reis van acht uur in Kampen aangekomen. Onderweg passeerde men de ‘Insula’, die Urk als bestemming had. Het beurtschip ‘Eben Haezer’, dat ook om zeven uur vertrokken was en in het ijs vastliep, is door de sleepboot ‘Ems’ bevrijd en na een zwaren tocht, welke elf uur duurde, in den Ketel aangeko¬ men.

Toen bleek dat de ‘Insula’, die van Urk af omstreeks een uur vanmiddag vaag te zien was, niet opschoot, gaf de directeur van de Urker Stoomboot Maatschappij, de heer Snoek, radiografisch opdracht aan de bemanning van de ‘Geusau’ te trachten de

117

‘Insula’ te bereiken en deze zoo mogelijk uit het ijs te bevrijden. De ‘Geusau’ is direct vertrokken, maar raakte buiten den Ketel in het ijsveld bekneld. Toen na enkele uren werken de boot vlot was, bleek de voorraad brandstof dermate te zijn geslonken, dat opnieuw in Kampen kolen gehaald moesten worden.

De ‘Geusau’ ligt nu in den Ketel gereed om morgen vroeg uit te varen ter assistentie. Hoe het aan boord van de ‘Insula’ is gesteld, is niet bekend, omdat de boot geen radiozendtoestel bezit. Nauwkeurig wordt van den wal af uitgezien naar eventuele noodsignalen, waarna onmiddellijk een reddingsexpeditie zal vertrekken. In den loop van den zondag zal een ijsbreker het schip trachten te bevrijden.

Hier volgen nog enige berichten uit de Oprechte Urker van januari 1940

Drie dagen en nachten in het ijs

Vorige week woensdagmorgen is de ijslooper onder leiding van A. van Veen naar Kampen vertrokken om vleesch te halen. Zooals bekend, werden direct na het vertrek noodsignalen gezien van de in het bezuiden Urk beknelde booten.

De burgemeester was ook al vroeg op pad en na een bespreking met het bestuur werden twee jongelui achter de vlet aangestuurd om te zeggen dat ze naar de booten moesten. Daar aangekomen, bleek dat de ‘Friesland’ al gezonken was. De opvarenden van de booten waren zeer verheugd de ijsvlet te zien. Ze hadden een benauwde nacht doorgemaakt. De vlet is bij de boot¬ en gebleven tot vrijdagmiddag de twee ijsbrekers van Amster¬ dam aangekomen waren. Eerst zou de vlet nog mee naar Amsterdam, maar dat bleek niet noodig en na een moeilijke tocht door hooge sneeuw en over hobbelig ijs, is de vlet vrijdagavond op Urk aangekomen. Hulp en Steun had weer voor de zooveelste keer bewezen, dat zij altijd klaar staat om te helpen. Steunt dan ook alien Hulp en Steun en toont daarvoor uw dankbaarheid aan de mannen, die zich te alien tijde beschikbaar stellen. Hulde!

118

Dankbetuiging

Louwe Kaptein en Echtgenoote, de Wed. J. Kaptein, de Wed. C. Kaptein en wederzijdsche familie, betuigen langs dezen weg hun hartelijken dank aan den Edelachtbaren Heer Burgemeester G. Keijzer, het Personeel van Politie, de geheele bemanning der ijsvlet, en verder aan alien die op eenigerlei wijze hebben medegewerkt tot het vinden van hun geliefde Man en Zoons:

J.C. Kaptein en J.L. Kaptein die beiden op zoo noodlottige wijze om het leven zijn gekomen.

Dankbetuiging

Ondergeteekenden brengen langs dezen weg hun hartelijken dank aan Burgemeester Keijzer, door wiens medewerking het mogelijk was, dat zij per vliegtuig op Urk konden komen. Verder aan de Directeur der E.U.S.M., de heer G. Snoek, die op 26 Dec. de boot een uur liet wachten, waardoor ik tijdig in het ziekenhuis te Zwolle aankwam om direct in behandeling genomen te kunnen worden en tevens dank aan Dr. Vonk en Zuster de Wit voor hun zorgvuldige behandeling en aan alien die op eenigerlei wijze blijk van medeleven en hulp hebben gegeven.

E. de Boer

D. de Boer-van Urk en fam.

Veel materiaal

Lezers die nog meer willen weten over strenge winters met storm, mist en ijs, kunnen terecht in W.J. Boot ‘De boot toet’ (biz. 55 tot 76) en Tarate Post’ (biz. 25 tot 90). Beide boeken zijn uitgegeven door de Stichting Urker Uitgaven.

In S. Baarssen ‘Ook dat was Urk’ valt eveneens het een en ander te lezen over barre winters en bloedreizen (biz. 388 tot 445 en 493 tot 502).

119

Aan strenge winters met gestremde vaart op de Zuiderzee en isolement van de eilanden werd door de pers veel aandacht besteed en Urk nam daarbij een centrale plaats in. Achtereenvolgens is op het eiland zelf daarover geschreven in de plaatselijke pers: De Urker Courant, De Oprechte Urker en Het Urkerland. Terugblikkend wijdden ook Stuurboord en Het Urker Volksleven er aandacht aan. Uit wat in de landelijke bladen verscheen, zou een boek samen te stellen zijn. We noemen de volgende artikelen: Een tocht dwars door het ijs van Kampen naar Urk, door H.K. van der Woerd in 1897.

Een bezoek aan den ‘Directeur-Generaal Jhr. von Geusau in 1917.

En verder uitvoerige berichten met titels als: Per vlet over een Nederlandse poolzee; Met de Urker postvlet op’t ijs der Zuider¬ zee; Urk is geen eiland meer (1929); Per auto over de Zuiderzee (1937); Strijd tegen ijsbergen in het Ijsselmeer (1939); Een avontuurlijke tocht over de bevroren Zuiderzee (1962-1963).

Vooral 1929 leverde nieuws, toen 17 Urker botters op 31 januari in de Enkhuizer haven opgesloten raakten en daar vele weken ook bleven. Drie vissers waagden toen op 13 februari de oversteek te voet naar Urk: Jan de Boer, Cornelis Post en Luut Bakker.

Verder is materiaal te vinden in de Berichten van de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij over werkzaamheden op de Zuiderzee en in de mededelingen “Uit het Peperhuis’ van het Zuiderzeemuseum, onder meer van K. Boonenburg: 'Verbinding met Urk’ (1958). J.W. de Jong beschreef in januari 1970 in ‘Zuid-Friesland’ wat zich 30 jaar eerder op de Zuiderzee afspeelde. Toen werd namelijk de ‘Tramboot Friesland’ gekraakt in het kruiende ijs.

Soms was er op Urk verontwaardiging over onjuiste berichtgeving, zoals in 1940, met wat over de boten vermeld werd. Maar toen in 1948 eindelijk een wegverbinding van het vasteland naar Urk gerealiseerd werd, behoorden de riskante bootvaarten en hachelijke ijslopertochten eindelijk tot het verleden. Maar vergeten zijn ze tot nu toe niet. En om ze daarvoor ook in

120

de toekomst te behoeden, wordt dit boek de bevolking aangeboden en wordt een bronzen monument onthuld dat een posthuum eerbetoon is aan de moedige mannen die zich voor de bevolking niet alleen op glad, maar ook op onbetrouwbaar ijs waagden. Hun nagedachtenis blijve onder ons nog lang in ere.

Uit Het Urkerland van 29 juli (1949)

Ode aan de oude ijsvlet

Oude, trouwe Urker ijsvlet: Bitter stevig vastgesnoerd, Werd jij, boven op een auto Naar de Geuzenstad gevoerd.

Over Zwolle, Utrecht, Mokum Ging je! Voor je laatste reis! Zal het weer een ‘bloedreis’ worden, Net als vroeger, over’t ijs?

Menig barre Noordpool-winter Heb je goede dienst gedaan: En je voerde post en kranten, Ja, ook levensmiddelen aan.

Op de allerlaatste ‘ijsreis’ Zat een stoomboot in de knel Tusschen huizenhooge schotsen In’t Zuid-west, zeg, weet je wel?

Hier van Urk afnauw’lijks zichtbaar Seinde men, uit bitt’re nood, Vrouwen en zelfs kind’ren waren In gevaar op deze boot.

Dapp’re mannen waagden’t leven, Grepen spaak en roer en touw, Gingen onverschrokken voorwaarts, Ondanks vorst en felle kou.

121

Het einde van Urk’s isolement: Kamperdijk in aanleg (1940) en bijna voltooide Lemmerdijk (1939). (Foto’s coll.: A. van Urk)

122

Piepend’ knarsten j’ oude ijzers Krakend’ ging’t gebinte mee... Wieg’lend’, schuivend’, zeilend, glijdend, Zeulde de bemanning mee.

God beloonde’t emstig streven: Vrouw en kind werd rijk gered: En in menig Urker woning Steeg een vurig dankgebed.

In de oude Drommedaris

Treft men vele dingen aan... Doch ik smeek U, laat de ijsvlet Op een eereplaatsje staan!

TOELICHTING

Wij praatten deze week nog even met iemand, die vele tochten met de ijsvlet meemaakte. Tjonge tjonge, dan verdiende de bemanning het niet gemakkelijk hoor! ’s Morgens vroeg kregen zij, voor hun uitvaart, eerst een bord erwten of boonen voor ‘vastigheid’ in de maag. Daarna werd gebeden voor een goede overtocht. Was men voor de avond terug, dan had men vijf gulden verdiend, duurde de tocht langer, dan was het loon f 7,50. In het kastje van de vlet bevond zich: 1 liter brandewijn, 5 pond spek en een roggebrood. De tocht ging via Schokland, over de Ramspol naar Kampen. Moest de bemanning in Schokland overnachten, de rietsnijderskeet stond open ofde sleutel hing aan een spijkertje. Een oude potkachel, die betere dagen gekend had, was aanwezig, en het toch al schaarsche rantsoen aardappelen van de Middelbuurt (het middelste huis) werd aangesproken en de mannen aten, liepen of geeuwden zich warm. Altijd had er een de wacht, wanneer de anderen door slaap overmand ‘duudoorden’, doch meestal bleef door koude en tocht, de slaap toch verre. Was de vlet in zicht op Urk, na een moeizame tocht, dan liepen de jongelui van ons eiland de bemanning tegemoet, de zeelen ofspantouwen werden dan overgenomen, en de ijsvletters liepen achter de jongkerels aan. Dat was een triomftocht. Het gebeurde echter ook wel, dat op het ijs de nacht werd doorgebracht. Wijlen oude Gerrit Bakker was jarenlang de onbetwistbare alleenheerscher of schipper van dit thans verdwenen vervoermiddel, dat deze week een

123

roemloos einde heeft gevonden in de schaduw van den ouden Drommedaris te Enkhuizen. Wat niet verdwenen is, dat is de rheumatiek, niet te verwarren met romantiek, van alle visschers die tot de bemanning van deze schuit hebben behoord. En in een hoekje van de kast staat nog wel het fleschje ‘perecheulie’ (pijlrogolie) dat moeder de vrouw maar vast klaarzette, als onfeilbaar middel om de oververmoeide gewrichten op gang te helpen, na een “bloedreis’. Want dat was het!

MARIAP VAN URK

Hulde

aan de ijsloper

Voor de hoop in bange dagen, dat de vlet er in zou slagen, ’t knellende isolement, dat van dagen klom tot weken, met een ‘bloedreis’ te doorbreken, komt er straks eem monument. Waar de roep eens werd gehoord: ien-o, twie-jo, aol’m maar voort!

’t Is een hulde aan de mannen die zich hebben ingespannen, om zo’n bloedreis aan te gaan, voor het welzijn van zovelen, en met schor geschreeuwde kelen toch aan’t eindpunt kwamen staan. Waar de roep eens werd gehoord: ien-o, twie-jo, aol’m maar voort!

Tegen karige beloning lieten zij gezin en woning voor’t gevaar van kruiend ijs, en voor al wat kon gebeuren door de duinen en de scheuren op die barre winterreis. Waar de roep eens werd gehoord: ien-o, twie-jo, aol’m maar voort!

124

’t Was’t verlangen in die dagen dat de vlet erin zou slagen (tot de rand met goed gevuld) d’ elementen te trotseren en heelhuids terug te keren op de ouwe, trouwe bult. Waar de roep eens werd gehoord: ien-o, twie-jo, aol’m maar voort!

Wat was’t prachtig als die mannen bek-afwerden uitgespannen aan de oude palenrand. Want daar was na wachten, hopen, de bevolking uitgelopen naar’t met ijs bedekte strand. Waar de roep eens werd gehoord: ien-o, twie-jo, aol’m maar voort!

Zij verdienen nog de hulde om de vreugd’ die ons vervulde, als met post en melk en gist, na zoveel gespannen uren die kordate poolfiguren plots opdoemden uit de mist. Waar de roep eens werd gehoord: ien-o, twie-jo, aol’m maar voort!

T. de Vries, 1992

Uit Het Urkerland

De verbouwing van Hulp en Steun (januari 1978)

Hulp en Steun is een gebouw wat toch een bijzondere plaats inneemt in het visserijverleden van Urk. In 1905 werd het gebouwd door de eerste visserijorganisatie die Urk heeft gekend. In het allereerste begin bestond het uit een verdieping, hier had de ‘IJsschuiten Vereeniging Hulp en Steun’ haar reddingsmateriaal, touwwerk en de ijsvlet opgeslagen. In strenge winters werden de deuren opengegooid en begon men van hier-

125

uit de ‘bloedreaze’ met de ijsvlet. Maar ook wanneer bij windstil weer de botters de haven binnengesleept moesten worden, gebeurde dit door de vereniging. Omstreeks 1910 werd er een verdieping bijgebouwd, dit werd de boetzaal van de Urker vissers. Nu nog steeds ademt deze boetzaal iets van de sfeer van vroeger, van de Zuiderzee, van de schuiten en de botters en van de verhalen die men elkaar vertelde onder het breien en boeten. Menige visserman heeft hier zijn oude dag gesleten. Momenteel is men begonnen met de gedeeltelijke afbraak van Hulp en Steun. De laatste vissers hebben deze week mopperend hun spullen bij elkaar gezocht en zijn vertrokken. Het gebouw blijft gelukkig bestaan, echter op zo’n manier dat van de herinnering aan vroeger weinig over zal blijven. De boetzaal wordt een gewone zolder en van buiten gaat het een Urker huisje worden. De geschiedenis van Hulp en Steun wordt weggerestaureerd. Hoe mooi zou het zijn geweest, wanneer we over 50 jaar nog een authentieke boetzaal hadden kunnen laten zien. De huidige is (was) de laatste van de voormalige Zuider¬ zee. Het heeft niet zo mogen zijn. De plannenmakers hebben anders gewild en zo verdwijnt weer een van de laatste resten Zuiderzeegeschiedenis van Urk.

Klaas de Vries

Enige vissers vielen de schrijver bij in zijn kritiek, maar het werk ging door. Het gebouw werd nog ingericht als visserijmuseum, maar is, toen dit naar het oude gemeentehuis verhuisde, gesloopt en door andersoortige nieuwbouw vervangen.

126

Statuten

Wat Albert van Urk schreef

De statuten van de vereniging, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 21 januari 1907 en gepubliceerd in Staatsblad no. 7, stellen ons in staat een beeld te vormen van het doel van de ver¬ eniging Hulp en Steun (hierna afgekort als H. en S.). Dat doel luidde: ‘Hulp te bieden aan zeevarenden die in de nabijheid van Urk in nood verkeeren door storm, ijs of ongeval.’ Ten tweede: ‘Visschers of inwoners van Urk, aan andere plaatsen door den winter overvallen zijnde, te helpen tot het bereiken hunner woonplaats, wanneer de scheepvaart door het ijs belet is.’

Om dit doel te bereiken moest men op Urk beschikken over allerlei reddingsmaterialen, als: doelmatige ijsvaartuigen, trossen staaldraad, touwen, blokken, zagen, fakkels en wat verder nodig blijken zal. Men zou hulp brengen aan in nood verkerenden ‘tot redding van hun leven en tot berging hunner goederen’.

Voor het geval dat schepen door het ijs heen in de haven van Urk moesten geborgen worden, werd elk lid van de vereniging verplicht persoonlijk te helpen en anderen op te wekken hun hulp te verlenen.

Dan volgen de gebruikelijke bepalingen omtrent lidmaatschap en contributie (minimaal een gulden per lid per jaar) etc. Een reddingmaatschappij dus, weliswaar van bescheiden aard, maar groot in zijn betekenis voor alien die op een of andere wijze te maken kregen met het onbaatzuchtige werk van deze vereni¬ ging.

Gerrit M. Bakker

Hadden we het in het eerste hoofdstuk over Gerrit de Boer, alias Garret Bakker, de gedecoreerde schipper van de ijsvlet, nu iets over de ‘echte’ Gerrit Bakker, de man die als bestuurslid en secretaris zoveel voor de vereniging heeft betekend, de man ook,

127

Winter 1947. Aankomst colonne met hulpgoederen over de Kamperdijk. (Foto coll. A. van Urk)

Winter 1947. De hulpcolonne is gearriveerd. Ontvangst op het raadhuis.

128

die er voor gezorgd heeft dat de geschiedenis van Hulp en Steun door middel van notulen en jaarverslagen op schrift werd gezet. Gerrit bevoer een eigen schip, de UK 2, een blazer. Hij was goed bij de tijd, had een ruime en milde visie op de samenleving en kon zijn gedachten goed schriftelijk formuleren. Geboren in 1868, was hij in 1927 het jaar van zijn aftreden de laatste van de oude garde bestuurders. In 1938 is hij overleden. Tweeentwintig jaar heeft hij de vereniging onafgebroken gediend. Hij overleefde, samen met de voorzitter, de bestuurscrisis rond de bootkwestie en was de onbetwiste spreekbuis der vereniging. Evenals Gerrit de Boer was hij een groot liefhebber van de zangkunst. Hij was de eerste voorzitter van ‘Halleluja’. Toen hij ongeveer zestig jaar was, kreeg hij last van een toenemende doofheid, welke hem noopte beide bestuursfuncties op te geven. Als secretaris van Hulp en Steun werd hij opgevolgd door Riekelt Brands.

Bezoek van prins Hendrik

Op 3 juli 1917 kreeg Urk andermaal en onverwacht (het eerste bezoek dateerde van 3 juni 1911) bezoek van de prins der Nederlanden, de echtgenoot van koningin Wilhelmina en trouw supporter en animator van het Nederlandse reddingswezen. Prins Hendrik was vergezeld van Jhr. Six, de president der Noord- en Zuidhollandsche Reddingmaatschappij. Zij kwamen de negen mannen huldigen die in 1916 met twee ijsvletten van Kampen af een ‘bloedreis’ hadden gemaakt om de ‘Baron Rengers’, die bij Urk in het ijs zat, van mondvoorraad te voorzien. C. de Vries schrijft daarover: De mannen werden op het Raadhuis op hartelijke wijze toegesproken door den Prins, den Burgemeester en Jhr. Six. De laatste deelde mede, dat het niet nodig was om op Urk een station van de Reddingmaat¬ schappij te stichten, omdat de vereniging Hulp en Steun daartoe zo uitnemend was ingericht. De schipper der vletten, Steven Korf, kreeg een medaille in zilver, de anderen een in brons.

Urk in 1917

De winter was dit jaar in januari begonnen. Aanvankelijk leek

129

hij niet streng. Er was visserij bij de wal en de verdiensten waren goed en werden nog beter. Er werd aan de oorlog verdiend, ook de Urker vissers proflteerden ervan. Het grote oorlogsgebeuren ging aan Nederland voorbij, maar liet het niet onberoerd. Talrijk waren de slachtoffers op koopvaardij- en vissersvloot ten gevolge van mijnontploffingen.

Op Urk waren vreemde officieren geintemeerd, voornamelijk Belgische en Britse. Allengs werd de winter strenger, de Zuider¬ zee vroor dicht en weldra moest de ijsvlet varen. De postvlet ging heen en weer van Urk naar Schokland, waar de post vanuit Kampen door De Groot en zijn mannen werd gebracht. Deze postvlet nam wel enige noodzakelijke levensmiddelen mee, bijv. deeg en gist voor de bakker, maar meer kon echt niet. Nu had Hulp en Steun nog een ijsvlet, een houten. Deze was echter wat minder handzaam dan de postvlet en vroeg een bemanning met legendarische lichaamskracht.

Varkensvlees

Jan Pasterkamp en andere Urker slagers wilden vlees hebben, om precies te zijn 1500 pond varkensvlees, plus de koppen. Acht mannen werden bereid gevonden om er met de vlet op uit te trekken. Het waren Evert Weerstand, Lubb. Weerstand, Jan de Boer, Klaas Brands, Cornells Kaptijn, Jan Wakker, Jelle Bak¬ ker en Hendrik de Vries, mannen voor geen kleintje vervaard.

Op de Ramspol aan de kust van Overijssel zou worden overnacht. De heenreis met de lege vlet verliep bijzonder voorspoedig, zodat zij’s avonds al bijtijds bij de boer in het hooi lagen na een stevige boerenmaaltijd, die aan deze mannen wel bijzonder goed besteed was. Vroeg in de morgen arriveerden de geslachte varkens en voorbereidingen werden getroffen voor de terugtocht. Mudvol was de vlet, voor de bemanning was nauwelijks plaats om te staan. Maar het ging. Op het Kamperzand ondervond men geen noemenswaardige moeilijkheden.

Het ijs was hier voldoende sterk. Met vereende krachten trokken de acht mannen dat het een lust was richting Schokland. Vlakbij het verlaten eiland ging het mis. Met een hevig gekraak zakte de vlet door het ijs. En hoe men ook rukte en trok onder het schreeuwen van de ijsvlet-yell: ‘Ien-booo, twie-dodo...’, de vlet bleefwaar hij was.

130

Wat nu? Goede raad was duur en de tijd begon te dringen. Dan de varkens er maar uit. Aldus geschiedde. De vlet werd voor het grootste gedeelte van zijn lading verlost. Het vlees werd naar een plek gesleept waar het ijs sterker leek. Een tijdrovend karwei. Het gelukte de mannen de vlet op het ijs te krijgen. Bij de vleesvoorraad aangekomen moest weer ingeladen worden. Deze gebeurtenis zou zich die dag nog enkele malen herhalen.

Moren

Er bestaat in het Urker dialect een woord waarvan de herkomst onbekend is: het werkwoord moren. Het laat zich misschien het best vertalen met aanhoudend ploeteren, maar dan in de overtreffende trap. Dit woord nu past misschien om de inspanning van de vletbemanning weer te geven. Ondanks de kou liep het zweet de mannen tappelings van het voorhoofd. De damp sloeg de acht van het lijf en zwetend en zwoegend moest men de onafzienbare ijsvlakte meter voor meter bevechten. De barre tocht werd niet onderbroken voor een warme kop koffie, daar had men de spullen niet voor. Wie dorst kreeg, leste deze met ijswater. Wei kregen ze van de schipper van tijd tot tijd en zolang de voorraad strekte een kleine scheut jenever of cognac om de verstijfde spieren weer op gang te brengen. Maar als de nood het hoogst is... Plotseling schreeuwt een der mannen: “Waoter!’

‘En evenals’, schrijft Lub Jan Kramer, ‘de soldaten van Alexan¬ der de Grote juichten toen zij de zee zagen, zo juichten ook onze Urkers: “Waoter!”. ‘Nu het zeiltje er bij en we zijn bij dag nog op Urk!’

De vlet gleed in het rimpelloze water en voortgestuwd door een matig koeltje, ging het in de goede richting. De gedrukte stem¬ ming sloeg om in uitbundigheid. Een jonge vletter, hierdoor aangestoken, gaf staande in de kop van de ijsloper zelfs een voordracht ten beste waar hartelijk om werd gelachen. Schokland was weldra uit het gezicht verdwenen.

Kis

De man met de meeste ervaring was zonder twijfel de al wat

131

oudere Evert Weerstand en deze was heel wat minder optimistisch. Hij waarschuwde: ‘Al ziet men vuur en baken staan, dan is de reis nog niet gedaan.’ A1 gauw bleek de emst van deze waarschuwing. Spoedig geraakte de vlet in het kis, zeer fijn drijfijs, waarin roeien onmogelijk is, waarop de piek geen houvast krijgt en het zeil zijn nut verliest. De gang was eruit. Maar weer schiet vrouwe Fortuna de mannen te hulp: een gunstig getij drijft de vlet in de richting van het vaste ijs bij Urk. Het gelukt de geplaagde bemanning echter niet de vlet daarop te krijgen. Weer worden de varkens eruit gesleept en als de vlet eindelijk op het ijsveld is getrokken, komt er even later weer een minder sterk ijsveld en begint het gedoe en gezeul opnieuw. De mannen zijn uitstekend gekleed tegen de koude, zware laarzen, dito jekkers, wollen shawls en hoofddeksels van uiteenlopende aard. De acht zijn stuk voor stuk gehard en berekend voor deze zware taak. Maar nu zijn ze de uitputting nabij. De avond begon snel te vallen en Urk leek nog ver. Een doflfe moedeloosheid maakte zich langzamerhand van de vletters meester, al liet niemand van deze kerels dat aan zijn kameraden merken.

Grote ongerustheid

Op Urk, inmiddels, was men verre van gerust over het verloop van de tocht. In de loop van de dag was er telefonisch contact met Kampen geweest. Men wist hoe laat de vlet vandaar was vertrokken en onder ‘normale’ omstandigheden had die al in de loop van de middag op het eiland moeten arriveren. Ook onge¬ rustheid bij de slagers, die vreesden voor de risico’s die zij op zich hadden genomen. Kleumend dromden familieleden en nieuwsgierigen samen op het ‘Top’ waar de bebouwing overging in het weiland, dat er nu ijzig en verlaten uitzag. Maar hoe men ook luisterde en tuurde, geen gerucht uit de klamme ijzigheid, geen opvlammend vuur van een stakelpot. Als de ongerustheid tot ondraaglijke hoogte is gestegen, besluit een groep moedigen zich op het ijs te begeven in zuidoostelijke richting. Dicht bij elkaar blijven deze mannen, die uit ervaring weten dat afdwalen of achterblijven rampzalige gevolgen kan hebben. Dan krijgt een van deze verkenners een ingeving.

Hij laat de groep halt houden en laat zich languit met het oor op het ijs zakken. Hij heeft slechts enkele seconden nodig.

132

‘Daarheen!’, wijst hij vastberaden en nadat dit ritueel zich nog enkele malen heeft herhaald tot men, eindelijk, het monotone roepen der vletters hoort, toch nog veel oostelijker dan gedacht, komt eindelijk, eindelijk! contact tot stand. Een luid gejuich uit tientallen kelen ontwelt aan een geprangd gemoed. Nu is het leed spoedig geleden. Frisse krachten nemen de dodelijk vermoeide ijslopers de zelen uit handen en in een geforceerd tempo gaat het in de richting van de Staart, de smalle uitloper van het eiland.

De bloedreis ten einde

Op het weiland, dicht bij de Staart, stonden reeds wagens klaar, door de slagers daarheen gedirigeerd. Het vlees werd door nijvere handen overgeladen en ook de vletters kregen een plaats op de wagens. Zij waren zo uitgeput, dat ze niet verder konden lopen. Half elf sloeg de torenklok, toen de stoet in triomf in het dorp arriveerde. Tien gulden was de beloning voor ieder van de acht mannen. Het geld was verdiend, zuur verdiend. Een verzoek om twee pond vlees de man kon niet worden ingewilligd, ook de slagers hadden zo hun onkosten en de varkenslappen mochten niet duurder worden dan zeven stuivers het pond.

De schipper hield aan deze ware uitputtingsslag een breuk over en alien die de tocht hadden meegemaakt, een blijvende herinnering aan de inspanning en ontbering welke men zich had getroost oflaten welgevallen. Hulp en Steun voegde weer een gulden bladzijde toe aan zijn roemruchte geschiedenis.

NaarArnhem 4 September 1919

Die feestelijke manifestatie in Arnhem! Er werd nog lang over nagepraat, wekenlang ‘as we zoo bij oenze vrouwen in eus zatten of we stingen onder’t klapskoel bij de ofslag.’ Hele gezinnen waren met eigen botters over de Zuiderzee gekomen en via Kampen stroomopwaarts de IJssel afgezakt. Het comite van uitvoering kreeg telegram na telegram, waarin het aantal deelnemers steeds hoger werd gesteld.

133

1923. Ook andere plaatsen en eilanden hadden een ijsvlet. Postvlet van Vlieland.

Bij een demonstratie in Enkhuizen. Zittend: Albert van Veen. Verder o.a. Comelis Bakker, Meindert van Urk, Jan de Boer, Jan Pasterkamp. (Foto coll. A. Weerstand)

134

In die zorgvuldig voorbereide optocht toonde Urk zich op zijn best. Niet minder dan drie wagens volgeladen met eilanders namen er aan deel achter de onvermoeibare mannen van ‘Vale¬ rius’.

Twee wagens hadden betrekking op het Urker volksbestaan, de visvangst en de vishandel, ansjovis koppende Urkerinnen met als decor allerlei visvangstmateriaal door de Urkers zelf op hun botters meegebracht. De derde wagen bracht op suggestieve wijze in beeld hoe bij een dichtgevroren zee de Urker ijsvlet door zeven stoere kerels naar Schokland werd gebracht. De bedoeling van de organisatie was de Nederlandse bevolking nog een keer kennis te laten nemen van de verdwijnende folklo¬ re van het eigen land. Het werd een grandioos volksfeest.

De ijsvlet

Men moet zich dat voorstellen: het zonovergoten Arnhem met zijn duizenden nieuwsgierige kijkers als decor voor een gigantische optocht. Voorop ‘Valerius’, stormachtige toejuichingen in ontvangst nemend, dan de wagens van de ijsvlet, gevolgd door nog twee Urker wagens en daarachter Hannes Broekhuizen uit Elhurg, met zijn twee zonen op een druipende ijsschol, als spieringkloppers. ‘Dat is wat om zoon spul te maken’ schreef Gerrit Snoek. ‘In die optocht eewwen we zoon peende elien; we liepen te smachten noar een bietjen woater! Gelokkig was de eesvlet dicht bij oens, zodat we zoo nou in dan een stukkien of brokkien ees in oenze moend kriegen, want doar was plintie!’ D.J. van der Ven, de bekende folklorist, heeft dit landjuweel in een welhaast lyrische ontboezeming vastgelegd. Na een beschrijving gegeven te hebben van Urks’ isolement in de winter en een tocht met de ijsvlet over de eenzame Zuiderzee, vervolgt hij: ‘Op deze heroi'sche wijze brengt sedert honderd jaren het visschersvolk van Urk des winters bij ijsgang zijn post naar Kampen. Met levensgevaar wordt door de Urker post-ijsvletbemanning het isolement van hun eiland opgeheven. Maar weinigen in den lande wisten, welke koenheid en moed er noodig voor zijn om bij dichte zee een brief naar Urk te krijgen. Warme toejuichingen stegen op uit de menigte, wanneer de zeven Urker zeebonken met de origineele post-ijsvlet voorbijtrokken, af en toe zwol het hoezee-geroep na het sombere eeen

135

000000, twee 000000!... aan tot een ovatie en dan salueerde de postschipper aan zijn uniformpet! Het was stoer, machtig, tot stilte stemmend, prachtig van plastiek, ontroerend van innerlijke waarachtigheid! Ten voile verdiende deze groep dan ook den eersten prijs, door de jury uitgeloofd voor de beste uitbeelding van eenig gebruik in den stoet’. Tot zo ver Van der Ven, die naast dit verslag regelmatig losbarst in loftuitingen over ‘de Urker visscherskapel met zijn wijdschallende fanfares onder leiding van den eminenten dirigent Gerrit Snoek’.

Koninklijke belangstelling

De gebeurtenissen volgden elkaar in snel tempo op. ‘Hulp en Steun’ begon zich nationale bekendheid te verwerven. Van tijd tot tijd gewaagde de landelijke en regionale pers van de door haar mannen geleverde prestatie’s. De deelname aan de Arnhemse feestelijkheden had de vereniging niet alleen een eerste prijs, maar ook een uitstekende reputatie bezorgd. En had ze niet een warm pleitbezorger in de hoogste kringen, Prins Hendrik? Op 24 juni 1921 stoomt de mijnenlegger ‘Medu¬ sa’ geflankeerd door de torpedoboten Z.2 en Z.6 de Urker haven binnen. Aan boord: H.M. Koningin Wilhelmina, geheel in het wit, en Prins Hendrik in admiraalsuniform, klein tenue. Het wordt weer een schitterende dag. Gerrit Snoek dirigeert het muziekcorps en wordt ten raadhuize zelfs door H.M. op een korte audientie ontvangen. De schoolkinderen zingen, plechtig en krachtig: ‘Dat’s Heeren zegen op U daal’.’ De koningin beklimt de vuurtoren en vertelt de vuurtorenwachter geen spijt te hebben van het klimpartijtje omdat Urk onder die hoge, heldere zon wel op z’n mooist moest wezen. Vervolgens door een haag van stoere vissers naar de Westhaven. Daar lag, voor de visafslag, de ijsvlet, de bemanning ernaast in volledige winteruitrustig, de hand aan’t dolboord. Er wordt, op kunstijs speciaal voor dit doel uit IJmuiden gehaald een demonstratie gegeven die klinkt als een klok. Vooral Prins Hendrik geniet van dit schouwspel. Hij, een man van weinig woorden maar met een groot hart, toont andermaal zijn genegenheid voor de gewone man. ‘Geen woorden, maar daden’. Het zou zijn lijfspreuk kunnen zijn. ‘Hulp en Steun’,

136

intussen, wist zich te presenteren, en hoe! De mannen hadden het trouwens dubbel en dwars verdiend.

Hetjaar 1927

Op 10 januari van dit jaar moest het stoffelijk overschot van Jacob Korf met de ijsvlet van de boot worden gehaald, die op ongeveer 1 kilometer van Urk in het ijs zat. Korfvoer op de grote vaart naar Belgisch Congo, het tegenwoordige Zaire en was aan boord van zijn schip plotseling overleden. Op 11 januari werd opnieuw een tocht gemaakt, nu om post en levensmiddelen van de boot te halen, wat twee dagen later weer nodig bleek. Op 13 februari verging de UK 169 van Jan Jurie van den Berg met drie opvarenden op de Terschellinger gronden. Het was het tweede schip met dat nummer dat verging. Op 18 januari 1900 verging bij Nieuwediep de eerste UK 169, schipper D. Romkes, een gebeurtenis die een vroegtijdig einde maakte aan de eerste jaarvergadering van ‘Hulp en Steun’.

De strenge winter van ’29

De veel besproken en beschreven winter van 1929 was voor de vereniging een rustige tijd. Dat klinkt paradoxaal, maar het is in het licht van de gebeurtenissen volkomen begrijpelijk. De ijs¬ vlet lag werkloos in de loods... door het ijs, dat zo dik was, dat de taak van de vlet werd overgenomen door sleden, auto’s en vliegtuigen. Toch notuleert de secretaris een voorval waarbij de ijsvlet moest uitrukken om drie mannen op te halen die te voet van Enkhuizen naar Urk waren gekomen. We moeten ver in de geschiedenis terug gaan om van een dergelijke tocht te kunnen gewagen: In 1845 kreeg oude meester Vis onverwachts bezoek van enkele Enkhuizers, die ter gedachtenis op de terugreis over het ijs een Urker stoof meenamen. Een krantenbericht van 13 februari ’29 meldde het volgende: ‘Sinds Maandag was er al gesproken over de vijftig Urker visschers die te Enkhuizen ingevroren zitten, om over het ijs naar Urk te gaan. De jongeren meenden dat het best kon. Maar de ouderen, de schippers, hadden het afgeraden. ’t Is spelen met je leven, hadden ze gezegd. Je weet hoe het stroomt bij de Val van

137

Urk. Maandag was het bij praten gebleven. Dinsdag ook. ’t Was toen trouwens ook te koud om te verkeeren op een open ijsvlakte als de Zuiderzee thans is. Maar Woensdag is het gebeurd! Drie dappere kerels, Luut Bakker (de latere boedelbeheerder van H. en S.), Comelis Post (UK 176) en Jan de Boer (Jan van Jenne) hebben te voet een tocht gemaakt, als sinds 1830 niet gemaakt is. (Dit jaartal verdient correctie, zie boven).

Te voet over het ijs van Enkhuizen naar Urk. Om tien uur’s morgens namen ze den stap op. De haven uit, het Krabbersgat over en daama dwars over het Enkhuizer Zand, heuvel op, heuvel af. Niets hadden ze bij zich. Geen touw, geen voedsel, geen kompas. Als er mist was gekomen, dan waren de mannen reddeloos verloren geweest. ‘Ze komen nog wel terug’, zeiden hun makkers, die ze nakeken van den Wierdijk. ’t Gaat net als gister. Toen hebben er ook een stuk of wat op het Enkhuizer Zand gedwaald’.

Maar om half twaalf waren er alleen nog maar met den kijker vijf zwarte stippen zichtbaar op het oneindige witte vlak van ijs... Om twee uur keerden twee van het vijftal terug. Ze hadden den tocht opgegeven, toen ze aan een geul gekomen waren, en een gevaarlijke sprong moesten maken. ‘Maar onze makkers zijn doorgegaan. Om vier uur kunnen ze er wezen’, vertelden ze ons. Urk werd opgebeld: ‘Drie Urkers op weg naar Urk’. ‘Ze zijn in zicht’ was’t antwoord door de telefoon, ‘maar er is open water aan den Westkant van het eiland. We zullen een ijsvlet klaar houden’. Om vier uur kwam het tweede telefoontje. ‘Allen behouden aan land. Post, Bakker en de Boer zitten bij vrouw en kinderen’. Het waagstuk was volbracht’. Tot zover het krantenbericht. Het voorbeeld van deze dapperen werd door 53 andere uitgevroren vissers gevolgd. Jb. Kooiman Kzn. uit Enkhuizen is vrijwel zeker de allereerste geweest die op de fiets van zijn woonplaats over het ijs naar Urk reed. Vijfkwartier deed hij over het traject van 25 kilometer. Enkele dagen later fietste zowat half Neder¬ land naar Urk. Met gejuich werden de wielrijders op het eiland ingehaald. Op 20 februari volgde de eerste auto, een ‘Holzmobile’ met als bemanning de Enkhuizers Leo Maranus, Hendrik de Boer en Drijver, al spoedig gevolgd door vele anderen. Urk was zij het tijdelijk geen eiland meer. Albert Hoekman en de monteur Louis van Oudenaarde, bij de

138

Fa. Hoekman in dienst, maakten te voet een tocht over de Zui¬ derzee naar Amsterdam. Voor dag en dauw gingen ze samen op weg, na de avond tevoren uitvoerig te zijn gei'nstrueerd door de ijsveteraan Gerrit Westerneng, die waarschuwend gezegd had: ‘Het ijs is alleman te wijs’. Een koude wind striemde om neus en oren, de sneeuw verblindde soms de ogen. Er heerste op de onmetelijke ijsvlakte een overweldigende stilte. IJsbergen moesten worden beklommen, er moest levensgevaarlijk over scheuren in het ijs worden gesprongen. Na acht uren werd Marken bereikt, een afstand van 42 km. Van hieruit werd naar huis gebeld. Vandaar op naar de Oranjesluizen. Maar o, die laatste loodjes... Nieuwendam was nog te volbrengen, toen gaven de spieren het op. In een auto reed het tweetal naar Amsterdam, waar tevergeefs gezocht werd naar het adres van de guile gever, die zestig gulden zou hebben uitgeloofd voor de eersteling(en) van Urk over het ijs aankomende. Een avontuurlijke en gevaarlijke tocht op de fiets werd die winter ondernomen door een ondernemend tweetal, broer en zus Walet (19) en Greta Vos (16) uit Naarden. Het doel was Marken. Door opkomende mist verdwaalden zij. Door oververmoeidheid overmand gingen ze op hun jassen op het ijs liggen. Toen het zicht beter werd ontdekten beiden het licht van een vuurtoren: die van Urk, al wisten zij dat niet. Tot aan de kuiten door het water wadend kwamen ze’s nachts om half twee op Urk asm en zochten daar onderdak. Een zoon van Alb. Hoekman ontdekte hen en nam het totaal verkleumde tweetal mee naar huis, waar ze door middel van warme thee en een dito maaltijd spoedig op verhaal kwamen. Het zal wel altijd een raadsel blijven waarom mensen uit vrije wil zulke dingen doen. De drang naar avontuur, het ontdekken van het onbekende, schijnt de mensen te zijn aangeboren.

De nadagen van de ijsvlet

Een specifieke taak van de ijsvlet was komen te vervallen: het verzorgen van het postvervoer naar Kampen, een taak die voortaan bij ijsgang werd overgenomen door de K.L.M. Toch werd de vlet niet werkloos. In de winter van 1934 werd hulp geboden aan de ‘Eben-Haezer’, het beurtschip van de Gebr. Romkes, dat Z.O. van Urk met de noodvlag in top in het ijs bekneld zat. De

139
140
Model van de ijsvlet, vervaardigd door Piet Brouwer. Geen gemakkelijke keuze!

eerste tocht erheen op 17 januari mislukte door invallende duisternis. De volgende dag werd de tocht opnieuw gemaakt, nu achter de sterke motorbotter van C. Post, de U.K. 176. Op 2 februari 1937 werd, in twee tochten, hulp verleend aan de ‘Insu¬ la’, die met een gebroken roer voor Urk lag. Spectaculair mag de tocht genoemd worden naar de schepen van Koppe en Verschure, die in de barre winter van 1940 tussen Elburg en Urk in het ijs bekneld raakten. De Urker ijsvlet, op weg naar Kampen, verlegde zijn koers om deze schepen te hulp te komen. Hoewel deze werden bereikt, kon de bemanning van de vlet weinig uitrichten. De schepen, een was er reeds gezonken, werden tenslotte ontzet door de sterke schepen van de rederij Goedkoop uit Amsterdam, een staaltje van Hollandse durf dat de vaderlandse pers een aantal journalistieke hoogstandjes en de vletbemanning f 250,— opleverde. Over deze tocht is uitvoerig geschreven in het Kerstnummer 1984 van het weekblad ‘Stuurboord’. Een droeve tocht werd op zondag 7 januari 1940 ondemomen. De dag daarvoor waren twee Urkers, beiden heetten Jan Kaptein, over het ijs naar Lemmer gegaan. De tocht voerde langs de pas gereedgekomen Lemmerdijk. Het ijs leek goed begaanbaar. Op 13 kilometer van Urk kwamen ze in een wak terecht. Beiden verdronken. De ijsvlet rukte de volgende dag uit om de beide lichamen te bergen. Het tragische ongeval wekte op Urk grote ontroering. Toen de jongens begraven werden, waren daarbij alle op het eiland vertoevende soldaten (zij waren hier ingevroren geraakt) aanwezig.

Hetgebouw

Het gebouw van ‘Hulp en Steun’ deed nog enige jaren dienst als boetzaal. Er werd nog maar weinig vergaderd. In de laatste jaren van zijn bestaan waren er nog wat vissers te vinden bezig met het repareren van hun netten of zo maar voor een praatje bij elkaar gekomen. Tenslotte is het, in de winter van 1977-’78 gedeeltelijk afgebroken, vernieuwd, in 1978 als museum in gebruik genomen.

In de benedenzaal, op de noordwand, schilderde Klaas de Vries de ijsvlet met zijn stoere bemanning, als huldeblijk en herinnerin aan een onvervalst stuk plaatselijke historie. In verhalen

141

van onze nu zeer oude vissers krijgen sommige gebeurtenissen in barre winters nog enig relief, totdat de tijd ook deze doet verstommen. Het leek ons daarom goed om de geschiedenis van de ijsschuitenvereniging ‘Hulp en Steun’ te boekstaven en door te geven. Opdat wij niet vergeten.

In gesprek met Hendrik Post

Willem Baarsen en Albert van Urk hadden een gesprek met de nestor van de Urker gemeenteraad Hendrik Post over de rol van zijn vader bij het ijsvlet-gebeuren en zijn eigen belevenissen.

Mijn vader heeft veel op de Zuiderzee gevist. Als de haring- en ansjovis-visserij afgelopen was, gingen ze naar de logger; dat was om een boterham te verdienen want dan was hier niks te doen. Op Urk waren er praktisch geen bedrijven waar je werken kon, er was geen industrie in die tijd. Later moest vader in dienst bij de mobilisatie in 1914. Eerst zat hij aan de grens, maar toen kwam er een intemeringskamp op het eiland Urk en dat werd zo veel mogelijk bemand met Urker militairen die als wachtsoldaten dienst deden. Jacob Korf was sergeant. Hij was de enige Urker onderofficier. Er zaten voornamelijk Belgen en Engelsen in het kamp, allemaal officieren. Er is er ook nog een ontsnapt en dat gaf natuurlijk de nodige problemen. Die man werd bewaakt door een Urker militair. Die soldaat moest de officier begeleiden bij zijn wandeling om het Top. Vanaf de wachtpost op de toren van de Hervormde kerk was al een paar keer geseind dat er een verdacht bootje om Urk heen voer. Bij de Staart aangekomen sprong de officier plotseling over het paalwerk en begon te rennen. Die soldaat heeft nog wel geschoten, maar de kogels sloegen in het zand en de officier werd door dat verdachte bootje opgepikt. Zijn vrijheid duurde trouwens niet lang. Hij werd in Edam gepakt en opgehaald door de Urkerboot, daar was mijn vader ook bij. In de winter van 1917 mochten de soldaten van het kamp niet met de ijsvlet mee, maar ze zijn, naar ik meen, wel een keer naar Kampen geweest om levensmiddelen te halen voor het intemeringskamp. In 1917 kwam de Urkerboot in het ijs vast te zitten. Er werd een bemanning bij elkaar geroepen. Steven Korf (van Lange Jan) was de schipper. Ze hebben voor die tocht nog een medaille gekregen. Vader zal

142

het wel sneu gevonden hebben dat hij met mee kon. Toen de oorlog over was, werd mijn vader voor de ijsvlet gevraagd omdat mijn grootvader ook tot de bemanning had behoord. Jan Schraal was toen schipper. De vereniging ‘Hulp en Steun’ beheerde de vletten en organiseerde de ijstochten. De ijs¬ vlet werd gebruikt als er bijvoorbeeld botters in het ijs zaten. Ik kan mij nog herinneren, dat op een zondag, het was Sinterklaas, er een hoop botters in het ijs zaten. De UK 16 zat op het strand met de krukmetalen er uit. Klaas Hoekman was op die zondag bezig er de krukmetalen weer in te zetten. Die bottertjes werden met een draad naar binnen getrokken. De ijsloper brak het ijs buiten en binnen de haven om dat binnentrekken mogelijk te maken. Dat was allemaal pro deo gedaan, want het was ‘hulp en steun’, weet je wel?

De post moest van Schokland gehaald worden. Moeilijke tochten waren dat. Je had toen, de Afsluitdijk lag er nog niet, eb en vloed op de Zuiderzee. Het kon gebeuren dat de mannen van de ijsvlet zes uur gelopen hadden zonder ook maar een meter op te schieten, omdat het ijs van Schokland af in de richting Urk dreef. Ze moesten dan wachten op de vloed, die ze weer in de gewenste richting dreef. Dat waren bloedreizen. Waar die naam vandaan komt? De mannen hadden soms het bloed in de laarzen staan van de blaren onder hun voeten. Je had toen nog geen rubberlaarzen, maar klomplaarzen. Daar zat van dat harde leer op. Niet geolied of in’t vet gezet vanzelf. Zolang er vast ijs was ging het nog wel, maar als de ijsloper op zwak ijs kwam en er doorzakte, nou, dan moest er wel kracht op gezet worden om de vlet vooruit te krijgen. Op Schokland werden de mannen gehuisvest in een houten schuur, waar je zo doorheen kon kijken. Ze kregen een kleed over zich heen, een stuk zeil, en daar ging dan wat hooi op. Als het dan erg koud was, vroegen ze om wat meer hooi. Maar dat werd geweigerd. De lammeren zouden het hooi in het voorjaar niet willen eten. De kwestie liep zo hoog op dat de mannen naar de Middelbuurt trokken om daar te overnachten in een rietsnijderskeet. Ze hebben toen het daar aanwezige kacheltje zo hard opgestookt dat het roostertje smolt.

Hoe het met de navigatie ging? En met mist? Nou kijk, ze had¬ den wel een kompas natuurlijk. Een droog kompas, want een nat was niet te gebruiken. De koers werd uitgezet: Urk-Schok-

143

land, O.Z.O. zo ongeveer. Onderweg liep telkens een man vooruit met het kompas naar een markant punt in het ijslandschap, een ijsduin bijvoorbeeld. Zo ging het de hele reis tot het eindpunt in zicht was. Na iedere markering kwam de man met het kompas weer terug naar de vlet. De man liep zo ver dat hij nog net te zien was, en wees in welke richting de mannen moesten lopen. Ook werd wel met een vaarboom gepeild in een wak naar de diepte van de zeebodem. Ervaring met en bekendheid van bodem, stromingen, geulen etc. was van enorm groot belang. De Nagel lag altijd open evenals het Val van Urk. De vloed liep oost-uit en de eb west-uit. Dat kon betekenen dat je na uren lopen nog geen centimeter opgeschoten was. Toch liep de bemanning dan door. De vloed zou ze immers in de gewenste richting kunnen voeren?

Zieken werden gratis vervoerd, daar namen ze geen geld voor. De ergste reis was, naar mijn vader mij vertelde, toen er in de winter van 1940 twee soldaten uit een wak gehaald moesten worden. Ze waren verdronken tussen Lemmer en Urk. Ik had zelf nog aanwijzingen gegeven waar het wak kon zijn, want wij waren die bewuste dag zelf op het ijs geweest. Ds. Van Wieringen en een onderwijzer waren er ook. Hij kwam ons tegemoet en vroeg ons of wij soms zo geschreeuwd hadden. Achteraf moeten dat die twee jongens geweest zijn. Toen vader de haak in het water stak, haalde hij ze allebei tegelijk naar boven; ze hadden zich aan elkaar vastgeklampt. Vader zei later: ‘Dat hoop ik nooit, nooit meer mee te maken. Het was verschrikkelijk!’ Maanden na die vreselijke gebeurtenis kon hij nog geemotioneerd raken.

In de winter van 1940 raakten de passagiersboten ‘Holland’, TJssel* en ‘Friesland’ in het ijs, dat waren lijnboten van de dienst Amsterdam-Zwolle. Het was de laatste reis met de ijsvlet die vader meemaakte. ’s Morgens stak de vlet van wal voor een reis naar Kampen. Ze waren vertrokken vanafhet punt waar nu het beeld van de ijsvlet komt te staan. Daar was, achter de kantine en de directiekeet een klein haventje, waar ze de vlet naar toe hadden gesleept. De tocht ging door wat nu de Noordoostpolder is, binnen de dijken dus, die er al lagen. Ze zouden vlees halen voor de plaatselijke slagers. Toen ze een tijdje onderweg waren, kwam hen een fietser achterop. Die vertelde dat er drie

144

boten in het ijs zaten, waarvan er al een in zinkende toestand verkeerde. Er werd meteen koers gezet naar de in nood verkerende schepen. Ze zijn toen net zo lang aan boord gebleven van de ‘IJssel’ totdat de ijsbrekers van Goedkoop hen kwamen ontzetten. Er zijn nog foto’s van de noodsignalen die ze met kolen op het ijs hadden uitgelegd. Parmentier, de bekende vlieger, heeft ze anuit Urk nog voedsel gebracht. Hij is later verongelukt, naar ik meen. Op een andere foto is de hele bemanning van die laatste vletreis te zien.

Dit was de ijsloper van ‘Hulp en Steun’, want de Urkerboot had ook een ijsvlet. Die noemden ze het hobbelpaard. Die vlet was eigenlijk alleen geschikt voor vast ijs, hij had te weinig raakpunten op het ijs. Als dat gevaarte door het ijs ging, moesten ze ‘moren’ om’m er weer uit te krijgen. Maar dit even terzijde. De bemanning kreeg zes gulden per keer of de reis nou een, twee of drie dagen duurde, het bleef zes gulden. Ze kregen een paar roggebroden mee en een liter jenever voor onderweg. En ieder had een paar verschoningen bij zich. Als je door het ijs zakte, dan moest je ‘verdroogd’ worden, op het ijs vanzelf; kun je je dat voorstellen?

Als ze voor de Urkerboot weg moesten ging er een man van de maatschappij mee die verantwoordelijk was voor de post, daarvoor moest cautie getekend worden (= borgtocht, zekerheidsstelling, red.). Zo moest er ook voor getekend worden dat er onder geen beding post overboord gezet zou worden als er wat gebeurde, omdat er bij die post ook belangrijke stukken zaten. Het gebeurde eens, net na Kerst, dat er zich een passagier voor de vlet aandiende. Het was een broer van Geert van Iede Koffeman, Albert heette hij. Hij was onderwijzer in Utrecht en had de Kerstdagen bij zijn moeder op Urk doorgebracht. Hij wilde terug, maar had geen vervoer. In arren moede vroeg hij toen of hij met de ijsvlet mee kon. De directeur van de maatschappij gaf zijn toestemming op voorwaarde dat hij reisgeld zou betalen. Hij ging lopend mee, want zittend zou hij bevriezen vanzelf. Op Schokland aangekomen, gaf hij een tientje voor de bemanning. Er moest toen heel wat gepraat worden om voor die ene gulden de man niet gekort te worden, op zes gulden nota bene.

Er is enige tijd sprake geweest van een concurrerende ijsvlet. Er

145

Gevelsteen van de werkplaats van Piet Brouwer, herinnerend aan de vroegere bestemming van het gebouw. (Foto Ritske Brouwer/‘Het Urkerland’)

Piet Brouwer aan het werk.

146

had zich een groepje gevormd van mannen die de reis wel voor vijf gulden wilden doen. Het liefst wilden ze wel een paar ervaren mannen meenemen. Ze kwamen ook bij mijn vader en Albert van Veen. Die voelden daar natuurlijk niets voor. De ‘concurrenten’ hadden al zo’n drie tochten gemaakt, echter zonder het gewenste resultaat. Op een avond kwam havenmeester Blom vragen of vader toch maar mee wilde gaan, of, liever gezegd, bij had van de burgemeester opdracht gekregen om dat van vader af te dwingen. Vader vroeg: ‘Met wie?’ Nou, dat bleek de concurrerende ploeg te zijn. ‘Daar begin ik beslist niet aan’. ‘Maar de burgemeester zegt het’, zei Blom weer. ‘Al zegt’t van mij de koninginne’, antwoordde vader, ‘ik goon niet!’ De burge¬ meester stond buiten te luisteren hoe het aflopen zou. De volgende morgen werd vader op het raadhuis ontboden. Vader werd bij die gelegenheid uitgemaakt voor ‘pauper’ en de burge¬ meester dreigde met het inhouden van zijn uitkering. Nu was vader lid van de Zeeliedenbond, waarvan Teun van Willem van Antje de plaatselijke bestuurder was. Vader ging naar Teun en legde hem de kwestie voor. ‘Geen probleem’, zei Teun, ‘dat tientje krijg je evengoed wel, van de bond. Alsjeblieft!’ De ijsloper kwam’s avonds terug, weer zonder post, ’s Avonds kwam Albert van Veen. ‘Post, morgen gaan we met de eigen ploeg. Kan ik op je rekenen?’ ‘Natuurlijk, Van Veen, ik ben van de partij!’ De avond van de volgende dag kwam de ijsvlet afgeladen met post aan op het Topshoofd. Er waren ook levensmiddelen aan boord voor de plaatselijke middenstand. Bij het uitladen stond de burgemeester toe te kijken. Mijn vader zei wijselijk niets, natuurlijk. De volgende morgen werd vader weer op het raadhuis ontboden. Maar nu om de excuses van de burgemees¬ ter in ontvangst te nemen. Toen kwam ook aan het licht waarom de burgemeester zo gebrand was op een vletreis, desnoods met een andere bemanning. Ze zaten om geld te springen. Salarissen voor politie en onderwijzers b.v. (Urk had toen nog een openbare school).

De mannen van ‘Hulp en Steun’ waren goed getraind en stuk voor stuk berekend voor hun taak. Kijk, ze zeggen wel eens tegen me: ‘Moet dat nou, een beeld van de ijsvlet?’ Dan zeg ik zonder aarzelen: ‘Niet omdat mijn vader er bij was, maar dat de mannen van de vlet jaren achtereen hun leven gewaagd hebben voor een krats. Dat verdient een aandenken, al is’t poshuum.

147

Bij hun leven zijn ze nooit geeerd, op een enkele uitzondering na. Dan is het toch logisch dat we dat nu alsnog doen, of niet soms? Als je bedenkt wat die mensen gepresteerd hebben! Zieken weggebracht, overleden mensen opgehaald van de vaste wal, soms onder de meest barre omstandigheden. En dan: de vlet was in de winter de levensader van Urk. Mogen deze men¬ sen dan eindelijk een beetje geeerd worden?’

De langste reis die ze gemaakt hebben? Dat was in ’29 naar ik meen. Het ijs was op’t laatst van die winter erg slecht. Op een zaterdag waren ze van Schokland vertrokken naar Urk, vroeg in de morgen. Meester Loosman maakte’s zondags na de avonddienst in de kerk bekend dat de ijsvlet onderweg was en ieder ogenblik in de thuishaven aan kon komen. Dat gaf me een opluchting! Men was namelijk al bang dat er iets met de vlet en de mannen gebeurd zou zijn. In 1941 maakten we nog een reis naar Lemmer voor Adolf Gnodde om snoekbaars te brengen. Dolf ging ook mee. Ik zeg ‘we’, want ik was er zelf ook bij. De tocht voerde langs de Lemmerdijk, een hele tippel. Om een uur of zeven ’s avonds kwamen we aan op de plaats van bestemming. In ‘De Wildeman’ troffen we Gerrit Post (Garrit van Leesien). Die was met een mandje snoekbaars op een kleine slee naar Lemmer gelopen. Hij vroeg of hij de volgende morgen met ons mee mocht. Dat werd goedgevonden, mits Gerrit tracteerde op een flesje limonade de man. ’s Morgens was Gerrit al vroeg bij de vlet. We hadden een retourlading: bier voor Hotel Schraal en vlees voor Willem Blom. Wij gingen in de zelen en raadden Gerrit aan naast de ijsvlet te gaan lopen om bevriezing te voorkomen. Maar Gerrit piekerde er niet over om te lopen. ‘Jullie hebben je limonade gehad, dus ik ga IN de vlet!’ Ik zeg nog tegen Gerrit: ‘Jie verdagen nog dood oor!’ Het vroor dat het kraakte. Op Urk aangekomen bleek Gerrit zo stijf als een plank te zijn. We hebben hem vanaf de dijk naar zijn huis moeten dragen. Het liep goed af, gelukkig en later konden we om het voorval lachen.

In 1947 maakte de vlet zijn laatste reis: naar het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. De bemanning heeft nog een keer een demonstratie gegeven op het grasveld voor de Dromedaris. Vader was er ook bij. Maar naar Enkhuizen ging de vlet haast nooit, de afstand was te groot en het Val van Urk vroor zelden

148

dicht. Schokland lag veel dichterbij, dat was 12 km van Urk verwijderd. De post werd op Schokland overgeladen op de Kamper ijsvlet, die kwam van de Ramspol af. Het Kampereiland lag niet zo ver van de zuidpunt van Schokland en daar kwam de vlet van Kampen. De Urker vlet landde meestal op de noordpunt, dus dan moest de post over het dijkje naar de andere kant worden gebracht. De tochten om levensmiddelen voerden helemaal naar Kampen, daar kwam geen hulp van buiten aan te pas, dat moesten ze helemaal zelf doen, net als de tochten naar Lemmer. Zieken en kraamvrouwen, die naar het ziekenhuis in Kampen moesten, gingen altijd via Ramspol, want die kon je natuurlijk niet in een bootje overladen. Doorgaans ging de vlet een keer per week, want de post kon niet te lang blijven liggen, er zaten ook geldkaarten bij voor de mensen, postwissels en zo, waar men meestal dringend om verlegen zat. Er is wel eens gesteld dat de ijsvlet verdrongen is door het vliegtuig, maar dat is niet zo. Tijdens de oorlog ’40-’45 is er ook nooit een vliegtuig geland om post te brengen. Nee, de ijsvlet is pas echt overbodig geworden toen de polder helemaal klaar was en er een weg naar Urk lag.

We hebben het wel steeds over ‘de ijsvlet’, maar in feite had ‘Hulp en Steun’ twee ijslopers, een ijzeren en een houten. Die houten vlet werd gebruikt om het ijs mee te breken, dat kon je met die ijzeren niet doen, want dan vlogen de nagels er uit ofje kreeg de luchtbakken lek. Onder die houten ijsloper zat een dubbele bodem. Daarom was hij ook geschikt om het ijs in de haven te breken bij het binnentrekken van botters en andere schepen. Dat gebeurde met een lange draad... Op de havendam werd dan door vele tientallen mannen en jongens getrokken. Dat was niet zonder gevaar voor de vletbemanning, want er stond een geweldige spanning op die draad. Als het sein ‘trekken’ niet op het juiste moment gegeven werd kon dat gevaar opleveren voor de vletbemanning. Dat is een keer gebeurd: de draad bevond zich op de plek waar de mannen aan het breken waren. Hoe of het kwam weet ik niet, maar in ieder geval werd het sein ‘trekken’ gegeven terwijl de draad zich onder de vlet bevond. Een wonder dat het goed afgelopen is...

Tot slot nog een persoonlijke herinnering. Op een keer liepen we de ijsvlet tegemoet om te helpen bij het laatste traject, dat

149

gebeurde meer trouwens. Dan kwamen vooral de jongens van het eiland de ijsvlet tegemoet lopen om te helpen trekken. Ik nam een touw over van een bemanningslid en het voelde aan als ijs. Het was bitter koud, maar ja, wat wil je, je was trots om te kunnen helpen nietwaar? Thuisgekomen ‘kieperden’ m’n handen zo, dat m’n mimme een teiltje met warm water klaar maakte. Ze nam mijn handen en stopte ze in dat warme water. Nou mensen, toen heb ik gegild! Willem van de toren hoorde mijn geschreeuw en kwam kijken wat er ‘loos’ was. ‘Wat is er loos?’ vroeg Willem, et Reier soms een ongelok ’ad?’ Toen zegt m’n mimme: ‘Nee, Reier is terecht, maar ik eaw er ier iene...’

150

‘Het Urkerland’ over de winter van 1947

De ouderen onder ons denken en praten over de winters, toen de Zuiderzee en later het Ijsselmeer volkomen dichtgevroren was en Urk totaal was afgesloten van het vaste land. De jongeren hebben het niet meegemaakt en luisteren naar de verhalen van boten in het ijs voor vele weken en de ijsvlet die door sterke mannen getrokken werden en niet alleen de boten die vastgevroren zaten, van proviand moest voorzien, maar ook de gehele bevolking van Urk.

BLoedreizen

Wei werd er voor de winter zoveel mogelijk eten ingeslagen maar duurde het isolement lang, dan voerde de ijsvlet zoveel mogelijk aan via Schokland. Niet altijd kon dit want als het ijs slecht was, had men dagen werk om weer terug te komen. Bloedreizen noemde men dit. En dat waren het ook inderdaad. Ook de post moest op deze wijze vervoerd worden, en soms duurde het dagen dat men post ofeen krant kreeg. In later jaren werd op het zogenaamde Achterland (de plaats waar nu woningen staan is er naar genoemd) een noodvliegveldje ingericht waar kleine vliegtuigen konden landen. Hiermee werd de post vervoerd en ook ernstige zieken die naar een ziekenhuis moesten, konden hiervan gebruik maken. Dit was al een verbetering, maar al de grootste verwachtingen waren gesteld op de in de jaren ’30 begonnen drooglegging van de Zui¬ derzee. Deze vorderden snel, maar de in 1940 uitgebroken oorlog vertraagde veel. De dijkverbindingen tussen Urk-Lemmer en Urk-Schokland waren klaar, maar nog niet afgewerkt hoewel men direct na de oorlog weer met voile kracht was begonnen. De polder was droog, meer een en al modder, en geen wegen.

151

De Urker ijsvlet kreeg uiteindelijk een waardige plaats in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen (1947). ‘Oude, trouwe Urker ijsvlet...’ (Foto col.. A. Weerstand)

152

Toen kwam de winter 1946-1947 en hierop had men eigenlijk niet gerekend. Men had dijken naar het vaste land en met de bevoorrading zoals andere winters was gebeurd was het slecht gesteld geweest. Men gaat over de dijk en haalt wat men wil, zo waren de gedachten, maar dat liep mis! De winter die al vroeg begon maar eerst nog niet zo streng doorzette liet nog niet zien wat ze wel kon. In januari 1947 begon het steeds strenger te vriezen, maar het ergste was dat dit gepaard ging met ontzettende massa’s sneeuw welke werden opgejaagd door een harde oostenwind. Het gevolg hiervan was dat niet alleen de straten en wegen in het dorp onbegaanbaar waren en dat was nog veel erger buiten het dorp in de wijde vlakte van de polder en, wat voor Urk, gei'soleerd dat het was, het belangrijkste was: ook over de dijken bleek geen verkeer meer mogelijk, en juist daar was de hoop van de Urkers op gevestigd. Alles werd geprobeerd om het isolement te verbreken maar een regelmatige verbinding kon er niet komen. Alleen lopend door sneeuw en gladheid kon men na uren ploeteren Ramspol bereiken. Dat deden dan ook velen die zieken in het ziekenhuis wilden bezoeken. Vliegtuigen konden niet landen en met veel moeite en hulp van de gehele bevolking moesten emstige zieken per vrachtwagen of slee naar het ziekenhuis worden vervoerd. Evenzo ging het met plaatsgenoten die in ziekenhuizen overleden waren en naar Urk moesten worden vervoerd om hier begraven te worden.

Erger

De toestand werd nog erger toen ook de voedingsmiddelen en brandstoffen op raakten wat ook met de strenge kou een emstige zaak was. Het was intussen februari 1947 geworden en de plaatselijke Biddag zou worden gehouden. Vissers die hun schip aan de Westkust hadden liggen waren in lange tijd niet bij hun gezin geweest. Dinsdags voor Biddag wou men proberen thuis te komen. Met de trein ging men naar Kampen en verder met twee vrachtauto’s zover men door het woeste winter landschap kon komen via Marknesse naar een kamp in het nog onbekende Emmeloord. Vanaf Emmeloord ging men lopend richting Urk

Mis
153

langs het reeds gegraven kanaal omdat men anders in het sneeuwlandschap geen richting kon bepalen. Een urenlange vermoeiende tocht en toen men dacht dat Urk naderde splitste de groep zich in tweeen. Een gedeelte dacht dat men dicht bij de zogenaamde Staart (nu Staartweg) van Urk was en wilde de afstand kleiner maken. De grootste groep bleeflangs het kanaal door de sneeuw baggeren omdat men redeneerde: ‘langs het kanaal komen wij zeker op Urk’. Deze groep kwam dan ook inderdaad zeer vermoeid bij het gemaal aan. De andere groep verdwaalde en kwam pas de andere dag, Biddag dus, op Urk aan, nadat velen op zoek gegaan waren.

Noodtoestand

Intussen had de toenmalige burgemeester van Urk met velen op het ‘eiland’ overleg gepleegd hoe uit deze noodtoestand te komen.

Op 11 februari stelde het gemeentebestuur zich in verbinding met Binnenlandse Zaken welke, zo vlak na de oorlog nog, een hulpverleningsdienst ter beschikking had. Aan deze noodroep werd direct gehoor gegeven, want reeds op 13 februari werd aan het commando van de hulpverleningsdienst opdracht gegeven om, koste wat het kostte, Urk uit de nood te helpen. Uit verschillende delen van ons land werden vrachtauto’s naar Kampen gedirigeerd en daar werden ze op een centraal punt geladen met het eerst nodige waar op Urk behoefte aan was. Op 14 februari vertrokken 50 vrachtauto’s vanuit Kampen richting Noordoostpolder. Die avond kwam de colonne in het kamp Marknesse, waar de kok zorgde voor het nodige eten voor de manschappen en waar tevens werd overnacht en rust genoten voor de ‘Noordpool-tocht’ begon.

De tocht

Zaterdagmorgen 15 februari zette de stoet zich in beweging richting Urk via de dijk. Urk werd telefonisch gewaarschuwd dat men vertrokken was en daar begon toen het uitkijken en wachten. Velen liepen de Karavaan tegemoet om zo nodig hulp te verlenen. En dat mocht ook wel want vaak gleed een auto van

154

de smalle dijk en die moest dan weer op het ‘goede pad’ gezet worden. De tocht duurde 5 uur en op zaterdagmiddag reed de colonne het vlaggende Urk binnen en konden de gebrachte goederen nog voor de zondag gedistribueerd worden. Op 18 februari werd dezelfde tocht nog eens gemaakt.

Een van de weinigen die in die tijd een vrachtauto op Urk bezat was Jannus (auto) van Slooten, en deze heeft die winter tientallen keren geprobeerd om met zijn auto het isolement te breken. Soms lukte dat en soms niet. Maar Jannus heeft die winter even zo vaak zijn leven gewaagd om de gemeenschap van Urk te helpen. Ook fungeerde hij als gids voor de militaire colonne, hetgeen niet weinig tot het welslagen heeft bijgedragen.

155

Ter afsluiting

Uit een gedicht van Marretje Bos-Romkes

De ijsvlet, als die spreken kon, dan luisterden we alien vast wat ze al die jaren heeft vervoerd, ook wel een droeve last.

Want’s winters is er meestal sneeuw ofmist, dat viel niet mee. Het was compleet een ijswoestijn, die ouwe Zuiderzee.

Op Schokland stond een oude kerk, daar kwam men op verhaal. Was’t weer niet goed, men bleefook’s nachts. Men had een lijfvan staal!

Maar was het weer best naar hun zin, ze treuzelden niet lang, men laadde uit, men laadde in, ging weg, men was niet bang.

En was op Schokland nog geen vracht door Kampen daar gebracht, meteen ging men naar Kampen door, al werd het middernacht.

En kwam men in het ‘kis’ terecht, dat is los fijn ijs in zee, kon men niet lopen, roeien niet, dat viel voorwaar niet mee.

156

Met een been stond men in de vlet, het and’re been in’t ‘kis’.

Zo tobde men, u snapt het wel wat ofeen ‘bloedreis’ is.

Dat is, men heeft het mij verteld, een lange barre tocht. En’t weer, ’t was meest een vijand waar het dapp’re volk mee vocht.

En’t loon dat men na afloop kreeg dat was een sober deel. Het was een schamel roggebrood, dat is, dunkt mij, niet veel.

Maar later, toen’t iets beter werd, kreeg men zijn loon in geld, vijfharde guldens, hoogstens tien, werd voor hen neergeteld.

Heel vroeger, toen geen radio noch telefoon hier was. In Kampen had men telegraaf en dat was nog maar pas.

’t Was midden winter, na een storm, op Urk had men gebeefd. Men wist van niets maar voelde het, ’t was al zo vaak beleefd.

Na barre tocht, de ijsvlet kwam en vrouwen togen uit. Ze waren hopend naar bericht, dat nieuws kwam met de schuit.

Een vrouw en moeder stond op wacht, ze vroeg: ‘Mijn zoon, mijn man, hebt gij van beiden geen bericht’? ‘Och of ik nieuws vernam’.

De ijsvletmannen stonden stil. Men zei: ‘Ga maar naar huis, straks hoor je wel het bitter nieuws’. Zij ging, droeg stil haar kruis.

Maar later toen er radio en telefoon verscheen, toen werd het alles beter hier, was’t grote leed geleen.

Nu ligt ons dorp vast aan de wal en rijdt men afen aan. ’t Verkeer zoals het vroeger was, dat heeft nu afgedaan.

Wij hebben nu een vissersvloot, modern en ‘up to date’. Maar denk nu niet dat Urk daardoor die oude tijd vergeet.

Nog hangt, gij ziet dit alien hier, een zeilschip in de kerk. Wij vragen zinnebeeldig, Heer zegen onzer handenwerk!

1956

Een monument voor de ijsloperbemanning

De maker, P. Brouwer, zei daarover het volgende: Mijn hobby’s zijn al jaren aquarelleren, houtsnijden en bronsjes maken. Mijn keus werd dan hoofdzakelijk bepaald door onderwerpen uit de Urker geschiedenis en de huidige samenleving. Het was dan ook logisch dat vroeg of laat de ijsvlet met bemanning aan mijn ‘kunsthorizon’ zou verschijnen. Vooral ook, omdat de geschiedenis van de barre tochten door sneeuwstormen, drijfijs, mist en bittere kou, mij altijd heeft geboeid door de verhalen van vissers en oude familieleden.

Eigenlijk is daarbij nooit genoeg uit de verf gekomen dat met de ijsloper niet alleen voedsel werd gehaald, zieken werden wegge-

158

bracht en overleden plaatsgenoten opgehaald, en mensen van in het ijs beknelde schepen werden gered, maar dat voor de komst van telegraaf en telefoon de ijsvlettochten ook zorgden voor het enige contact tussen Urk en de rest van de wereld. Bij behouden thuiskomst van de ijsloperbemanning hoorde de bevolking pas wat er buiten Urk bij familie, op de vissersvloot en in het land de laatste weken gebeurd was In 1985 maakte ik al eens een gestileerde betonnen versie van de ijsvlet, en drie jaar later een bronzen exemplaar van de zwoegende tien-koppige bemanning. Die stond een paar jaar bij ons thuis in de kamer en was vorig jaar op een expositie te zien en werd daar toen met aandacht bekeken door een welzijnswerker van onze gemeente, en deze berichtte daarover aan wethouder mevrouw Kramer-Brouwer. Zij kwam kijken en vroeg mij wat zo’n bronzen exemplaar, maar dan van een meter of vijf lang, zou moesten kosten, als het als eerbetoon aan de dappere mannen van ons voorgeslacht in de vorm van een monument in het dorp zou kunnen worden geplaatst. Immers, die mannen maakten’s winters vaak 'bloedreizen’ tegen een schamele beloning en vervoerden soms zelfs zieken en overledenen, en dat laatste gra¬ tis. Een enkele ijsloper-man ontving wel een medaille, maar in het dorp herinnerde niets aan die helpers, redders en bergers. Ik schrok een beetje van de vraag, maar was er wel ‘verkeafd’ (d.i. ‘ingenomen’) mee en ben aan het rekenen geslagen, heb offertes opgevraagd, en mijn eigen kunnen afgetast, en heb toen een prijs genoemd. En toen kwam de opdracht van het gemeentebestuur! Van de ijsvlet in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen werden de maten genomen en een triplex model, ‘in schaal’, van vijf meter werd uitgeslagen, onder supervisie van mijn jeugdige vriend, de scheepsbouwkundige Gerrit de Wit. Toen kon het maken van het wasmodel beginnen, en na wat technische problemen kwam het bij de bronsgieter. En zo wordt Urk, na het monument voor in zee gebleven vissers, nu ook een tastbare herinnering rijk aan wat de ijsschuitenbemanningen voor het eiland betekend hebben.

Naschrift

De tijd gaat snel, en veel van wat eigen was aan het oude eiland ging niet alleen verloren, maar dreigt ook geheel in het vergeet-

159

boek te geraken. Zo ook de gevaren en noden die de eilandbevolking in strenge winters te verduren kreeg. Het op te richten monument voor de bemanningen van de ijslopers die dan het knellende isolement trachtten te breken en het verschijnen van dit boek over hun barre reizen, werken er naar we hopen, aan mee, niet te vergeten.

Het boek geeft echter meer, en gaat ook over ‘Hulp en Steun’ en de problemen van deze vereniging. Ook wordt iets verteld over ijsschuiten in andere plaatsen en barre winters in het algemeen. Het samenstellen van een en ander heeft heel wat voeten in de aarde gehad door het te verrichten speurwerk en de beperkt beschikbare tijd. Dat toch zoveel gegevens, verslagen, verhalen en foto’s geboden kunnen worden, gaf de samenstellers veel voldoening en zij hopen dat ook de lezers dat genoegen zullen smaken.

Dank dient daarbij getracht te worden aan alien die op de vraag om gegevens, van zich lieten horen en feiten meldden of foto’s deden toekomen. De foto’s komen vooral uit de verzamelingen van Albert van Urk, Auke Weerstand, Gerrit Wakker (van Sijtje) en Piet Brouwer. Van Jan Hakvoort konden we gebruk maken van knipsels uit zijn archief. De tekening op de omslag is van de bekende illustrator J.H. Isings.

Besluit

Wat eens op Urk bedreven is, met sneeuw en ijs verweven is en alles wat daameven is...

Wat’t winterse gegeven is van wat zo niet gebleven is, maar in dit boek beschreven is...

Zij, voor wie nu in leven is, dat wat ons aller streven is, een boeiende belevenis.

dV 160

De Stichting Urker Uitgaven heeft tot doel de uitgave van min of meer belangrijke bijdragen in enigerlei vorm over of in verband met het volksleven, de taal, cultuur en geschiedenis van Urk mogelijk te maken.