De stem van het hart

Page 1

DE STEM VAN HET HART

A. Olofsen-Korf

DE
STEM VAN HET HART

DE STEM VAN HET HART

’k moet dwalen, ’k moet dwalen op bergen en door dalen Roman van het eiland Urk door A. Olofsen-Korf verlucht met oude foto’s

© 1991 Stichting Urker Uitgaven Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

ISBN 90-71521-08-7

Inhoud

Grootvader en kleindochter 7 Liefde, wat stelt dat voor? 12 Reis en verblijf 16 Hiltje heeft zorgen 19 Kleine dingen, grote dingen, moeilijke dingen 23 Hoe moet dat toch met Marijtje? 28 In het veen 32 Kobus op zoek naar de steen der wijzen 37 Vakantievreugd, vakantieverdriet 42 De vreemdeling 48 Als de boot toet 51 Opnieuw Laampie 57 en nog eens Laampie 60 Doen en denken 65 O wat een dag 70 Van haan, koe, geit en bok 76 Liefdesliefen -leed 83 Marijtje’s eerste dienst 92 Dromen, denken en doen 97 Vriendschap 100 Ruzie en reis 105 In Kampen 112 Poolreis 115 Thuis en weer van huis 121 Huwelijk 127

Is dat een huwelijk? 132 Moet dat nou zo? 137 Een doodlopend pad 143 Het leven gaat verder 147 Naschrift 157 Verantwoording van de illustraties: 158

5

1. Wat zal de toekomst brengen?.

6

Door het duister van de avond gaan de grote en de kleine Muiter. Zo staan ze niet bij de burgerlijke stand ingeschreven, maar daar trekken de dorpsbewoners zich weinig van aan. De grote Muiter trouwens ook niet. Hij ervaart zijn bijnaam ook niet als een scheldnaam, integendeel, hij proeft er iets in van waardering voor zijn onafhankelijke positie. Is hij niet een van de rijkste mannen van het vissersdorp? Eigenaar van een stal, een schoenmakerijtje en een goedbeklante winkel, alle ondergebracht in het grote huis bij de haven. Ook bezit hij nog enige huurhuisjes en handelt op zijn tijd in haring en ansjovis. Nee, hij hoeft niemand op het eiland naar de ogen te kijken en dat streelt zijn ijdelheid. Met de kleine Muiter staat het er anders voor. Zij is de klein¬ dochter van de grote Muiter en al in haar prille jeugd om haar koppigheid het Muitertje genoemd. En van die naam wil ze nu af. Ze is in de knapte opgegroeid en het ontgaat haar niet hoe er telkens jongens in haar vaarwater opduiken, met een groet of een gezocht praatje. Marijtje, zo is ze gedoopt en zo wil ze ge¬ noemd worden. Ze heeft er een verbeten strijd voor gevoerd om van die bijnaam af te komen. Na een paar keer gezegd te hebben dat ze Muitertje niet meer was, reageerde ze gewoonweg niet meer als ze toch zo aangesproken werd en het begon te werken. Alleen grootvader bij wie ze doorgestoken heeft mag zich nog wel eens vergissen. Ze knijpt hem even in de hand, als een blijk van groot vertrouwen. Het doet hem goed dat ze met hem op zo goede voet staat. Grootmoeder Hiltje wil nog wel eens bedillerig zijn, maar grootvader is altijd klaar een goed woordje voor haar te doen. Hiltje heeft moeilijke jaren gekend, maar is in rustiger water gekomen en drijft nog energiek de winkel. De vissers van rand¬ om de Zuiderzee kunnen er terecht als er weer haring en ansjo¬ vis te vangen is, maar lang kan dat niet meer duren. Tussen Noord-Holland en Friesland groeit langzaam maar zeker een zware dijk die scheiding zal maken tussen een zoet binnenmeer en de zilte Waddenzee. De klanten in de winkel praten erover en ook die in de zeilmakerij en de scheerwinkel. Er zijn er die niet

7

geloven dat die dijk het ooit zal houden, maar anderen gaan rekening houden met de dingen die komen gaan. En bij die laatsten hoort de Muiter. Hij maakt Marijtje deelgenoot van zijn zorgen, en... van zijn plannen. Hij weet dat hij voor grote beslissingen staat en dat velen dat niet zullen begrijpen en billijken. Dat ze wantrouwig tegenover hem staan. Ongezien krult een minachtende glimlach zijn lippen. Hun kritiek zal zijn geestkracht niet breken. Hij gaat zijn eigen weg en zolang Hiltje hem trouw blijft en zolang er een hand vertrouwelijk op de zijne rust, is het leven goed. Even drukt hij zacht die hand en het meisje houdt de zijne steviger vast. Ze heeft behoefte aan een tastbare steun in het donker. Vooral nu ze alweer te laat thuis komt en Hiltje wel lastige vragen zal stellen. Die kan nog niet aannemen dat het kleinkind, dat nu al weer zoveel jaren bij haar in huis is, groot geworden is en nieuwe verlangens in het geheim koestert. En wat grotemoeder niet schijnt te begrijpen lijkt grootvader aan te voelen. Hij praat met haar als met grote mensen en begint in het donker over zijn plannen uit te weiden. Marijtje luistert gespannen. Het oude paard naar de slachter in Enkhuizen? Dat spijt haar, maar het zal wel niet anders kunnen. Het dier is af en hoest dag en nacht. De twee koeien naar de stal van Hakvoort? Dan is him eigen stal dus leeg, want de twee varkens zijn al weggedaan.

Ja, en weet Marijtje al dat Sibbe met schoenlappen wil ophouden? De Urker dienstmeisjes bestellen geen muilen meer en laten ze niet meer repareren. Ze hebben ontdekt dat zwarte burgerdamesschoenen net zo goed bij hun dracht passen en gemakkelijker en goedkoper zijn. Op het eiland zelf worden ze ook al verkocht. Sibbe vindt het niet erg, dat er op die manier in het grote koopmanshuis niet voldoende werk meer voor hem zal zijn. Een oude droom is weer wakker in hem geworden. Als dekknecht op een turfscheepje is hij ooit in de Urker haven beland en op het eiland gebleven, maar het varen is hem blijven lokken. Met een roeibootje en netjes scharrelt hij vaak achter het paalscherm en bij de Staart. Met wind en water is hij vertrouwd en als hij de kans zou krijgen...

De Muiter grinnikt even. Die kans is er nu. Als de Zuiderzee een binnenwater wordt, zal het vrachtvervoer wel toenemen. Als de Afsluitdijk klaar zal zijn, is Urk daarmee nog lang geen eiland af. De bevolking groeit; turf en hout, meel en zoveel andere waren moeten aangevoerd worden en dat kan niet allemaal met

8

de postboot uit Kampen en Enkhuizen worden aangebracht. En nu treft het net dat het praampje van ouwe Meinderts te koop is. Okke houdt het voor gezien en anderen blijken niets in de koop te zien. Een oud paard of een nieuwe gemeentebul, die worden wel met de boot weggebracht of gehaald, en als Urk nou ook een dijk krijgt...

En dan vertrouwt grootvader Grubbelt aan Marijtje als eerste toe, dat hij het scheepje gaat kopen, zodat Sibbe erop varen kan. De beslissing is net gevallen. Nog niet tegen hem zeggen hoor, of tegen Ester, als je die vanavond nog ziet, voegt de Muiter eraan toe, en zijn kleindochter, blij met dit grote vertrouwen, zegt te zullen zwijgen als het graf. Morgen zal grootvader zelf de zaak met zijn knecht bespreken. Morgen? Ineens staat de Muiter stil. Hij vraagt of Marijtje dat spreekwoord wel kent over heden en morgen. ‘Stel niet uit tot morgen wat gij heden doen kunt’, zegt ze op domineestoon. De Muiter schiet in de lach en ze lopen de steeg in waar Sibbe en Ester wonen, en Ede vanzelf, haar vriendin. Als ze binnenkomen zitten moeder en dochter rustig aan de tafel te breien. Ze kijken verbaasd op als eerst Marijtje luidruchtig groet en vlak achter haar een gezette mannengestalte de deuropening vult. Het is Ester of het bloed haar in de aderen stolt, als een stem warm en vol zegt: ‘Genavond Ester. Is Sibbe er niet? Ik moet hem nodig spreken’. Maar Sibbe is er niet. Die is er nog met een netje op uit. Het kan wel laat worden, heeft hij gezegd. En nee, daar kan de Muiter niet op wachten. Hij en Marijtje zijn al zo laat. Hiltje zal toch al wel uitpakken. Laat Sibbe morgen maar in het kantoortje komen, ja, om een uur of elf, dan is er koek en koffie. De Muiter lacht, en Ester kleurt opnieuw tot in haar hals, vooral als ze ziet hoe hij Ede onderzoekend opneemt en haar prijst om haar breikunst. Ester staat op om in het donkere achterhuis een oliepitje aan te steken, zodat die twee hun klompen kunnen vinden, want schoenen, dat is de regel, die draag je alleen’s zondags en bij bijzondere gelegenheden, en is dit niet een dag als alle dagen?

Nee, denkt Marijtje als ze door de steeg klepperen, want ze voelt dat er grote dingen te gebeuren staan, met de familie, ja, maar ook met haarzelf. Wat ze wel eens heeft horen fluisteren over grootvader, Ester en Ede, zonder het te begrijpen, is haar, wonderlijk genoeg, ineens duidelijk geworden daar in dat propere kamertje met moeder en dochter. En ze is er zich, vaag nog,

9

2. Venten langs de huizen.

3. Dorpsgezicht op wasdag.

10

bewust van dat ze geen kind meer is, dat er gedachten en gevoelens in haar woelen die haar dichter bij grootvader en Ester gebracht hebben, ofjuist verder bij hen vandaan? Als ze in bed ligt, houdt het haar nog een hele tijd wakker. Eerst moet ze denken aan none Kobus. Hoewel zoveel jaren ouder als zij, heeft hij zich veel en vrolijk met haar bemoeid. Hij sjouwde al vroeg met haar rond, vertelde haar op zijn wijze het ene bijbelse verhaal na het andere en volgde zijn grillige invallen als geen ander in de familie, tot ergernis van Grubbelt en zorg van Hiltje. Hij was het die het eerst met haar over de vraag praatte waar toch de kindertjes vandaan kwamen. Ze zaten bij ‘de rots der erger¬ nis’ op de dam onder aan de hoogte van de vuurtoren. De zon blikkerde op het water dat traag rond een steen verderop in zee spoelde, zodat het leek ofer een grote vis steeds op dezelfde plek bleef rondspartelen: de ommelebommelestien, oftewel de steen van de hummelmoeder die alle Urker kleintjes afleverde aan hun ouders. Zo was en werd het verteld, maar bij Marijtje leek de twijfel al de kop op te steken en ze vroeg Kobus ofdat nu echt waar was. Een meisje op school wou haar wat anders doen geloven. Kobus was opgesprongen en had haar kwasi-boos vermaand om haar ongeloof aangaande ‘de steen der geboorten’. Maar toen had hij gezegd dat ze bij het bijbellezen aan tafel maar beter luisteren moest, dan zou ze de waarheid wel aan de weet komen. En ja, grootvader die graag een psalm las, had ze diezelfde dag nog horen lezen: ‘Kinderen zijn een erfdeel des Heren, des buiks vrucht is een beloning’. En toen het kalenderblaadje de geboorte van Jacob en Ezau aangaf en Grubbelt begon te lezen, had Hiltje ineens gezegd dat hij dat stuk vandaag maar moest overslaan, maar hij had toch doorgelezen en het had Marijtje nog meer in verwarring gebracht. En toen, nog weer een tijd later, had ze zo’n buikpijn gekregen en ’s morgens toen ze opstond bloed aan haar hemd gezien. Schreeuwend was ze naar grotemoeder gerend en had geroepen: ‘Ik gaon dood, ik gaon dood, er zit bloed an m’n goed’. En iedereen had gelachen, maar Hiltje had haar apart genomen en gezegd dat ze nu ‘groot’ was, dat ze later wel trouwen kon en kinderen kon krijgen, maar veel meer was er echt niet gezegd. Maar ze was op het spoor gezet, en toen ze in een hoek achter de stal een vrijend paartje had overvallen was ze weer wat wijzer geworden, hoe het haar ook van de wijs had gebracht. Tutte Inte had haar verwarring begrepen en door te vertellen van haar eigenjeugd weer wat evenwicht weten

11

te brengen in haar gemoed. Met open ogen zag ze toen wat er in de buurt en in de winkel aan geheimen openbaar werd en ging ze begrijpen wat de vrouwen in bedekte termen over huwelijk en geboorte achter de toonbank te berde brachten. En nu had ze dan ook een vermoeden van wat er in haar eigen familie gebeurd was met de geboorte van Ede, haar vriendinnetje. Ze begreep nu de toespelingen en ‘halve woorden’, die haar ineens weer in gedachten kwamen, van vrouwen in de winkel als Hiltje wat uit de bergruimte moest halen en zijzelf in de winkel aan het afwegen was. Ze hadden haar gevraagd of de jongetjes nog niet naar haar keken en of ze al een Pinkstervrijer had. En ook hadden ze haar lachend gewaarschuwd om voor de vrijers uit te kijken: ‘Zo bin je gezoend, en zo moet je trouwen’. Met gemengde gevoelens, zowel van afkeer als van nieuwsgierigheid, nam ze woorden, blikken en gebaren in zich op, maar de belangstelling was gegroeid, vooral ook voor haar eigen lichaam en de gevoelens die er in haar wakker werden. Ze noemde dat de kriebeltjes... Zo soesde ze voort. Grotemoeder had gisteravond gelukkig niets gevraagd toen ze zo laat thuis kwam. Dat kwam omdat grootvader bij haar was. Ze had wel argwanend gekeken en Marijtje had gauw haar slaapplaats opgezocht. Ze had ook zoveel indrukken te verwerken. Grubbelt, Ester, Ede, en vooral die jonge man die ze gezien had en hij haar. Toen viel ze in slaap, tot grotemoeder haar de volgende morgen uit de droom hielp. Er viel heel wat te doen. Zoveel ansjovis als dit jaar was er nog nooit gevangen, en net nu de dijk daar ginds al bijna klaar was. Er was werk aan de winkel en van luieren hield Hiltje niet. Een mens heeft plichten, nietwaar?

Liefde, wat stelt dat voor?

De zondag brengt verademing, vooral nu Kobus plotseling voor een paar dagen thuis gekomen is. Marijtje heeft een plaatsje in de kerk gezocht vanwaar ze de hele familie in het oog kan houden. Haar moeder Brechtje die van het sloven en slaven in het grote gezin soms zomaar in slaap zakt onder de preek. Haar vader Louwe die daar breed glanzend zit in zijn zondagse kledij, maar weer vergeten heeft zijn haar te kammen. Van de weerom-

12

stuit trekt zijn dochter de knoppen van haar oorijzers wat naar voren en duwt ze de dansende blonde krullen bescheiden onder het heldere hulletje. Dan ziet ze none Kobus zitten op de kraak. Maar wat kijkt die dromerig, en vreemd, hij ziet haar blijkbaar niet. Kobus die geen waarschuwende vinger opsteekt, omdat ze onder de preek zo aan haar hoofdtooi zit te friemelen? Dat is Kobus niet. Ze probeert voorzichtig zijn aandacht te trekken, maar zijn blik is op iets of iemand anders gericht. Ze ziet, als ze die blik volgt, een nieuw gezicht tussen haar volk. Hee, dat is die vreemde, die ze wel eens bij Sibbe en Ester zag. Daar moet wat achter zitten. En ineens weet ze het: Kobus heeft het flink te pakken. Kobus is verliefd. En nu weet ze ook weer dat ze daar al wat over gehoord heeft. Na de kerk drinkt Kobus bij Sibbe koffie en Hiltje, die het blijk¬ baar niet met zijn plannen eens is, neemt thuis Grubbelt onder het mes. Kan Grubbelt daar nou niks aan doen dat die jongen zo onverzettelijk is. ‘Je zult het zien, hij trouwt nog mit die dikke duin voor we erop bedacht binnen. En dat is nou die jongen met die grote plannen. Hij wil toch evangelist worden? Hij volgt toch al zo lang bijbellessen? Hij kan toch zo goed z’n woordje doen? Nou, dan Grubbelt, doe er wat an. Dat komt niet goed, dat zie je zo.’ Maar Grubbelt lijkt wel doof. Wat kun je doen als het middenvak je te pakken heeft. Dan zijn de uiteinden machteloos. Dat weet hij uit ervaring, maar hij zegt het wijselijk niet. Hij zegt: ‘Och Hiltje, evangelist dat is hij al, hij verkletst meer uren dan dat hij werkelijk werkt. En als hij nou van dat meisje houdt, dan is het toch goed dat hij met haar trouwt? En als je daar op tegen bent, je kunt zo goed je boontjes alleen doppen, wie let je om er wat an te doen?’ ‘Ja maar’, werpt Hiltje tegen, ‘as die malle liefde in’t spel is, dan, dan...’. Grubbelt trekt eens aan zijn pijp: ‘Krektens vrouw, en daar kan toch ook een evangelist niet buiten’. De Muiter gaat er in zijn mime rieten stoel gemakkelijk bij zitten. Een verdachte tinteling in zijn ogen doet haar blozen. ‘Och jie’, zegt ze, en dat is het einde van het gesprek. Marijtje komt erin, en die heeft het meeste al gehoord. Kobus is dus op vrijersvoeten. Hij blijkt dat meisje, Vrouwtje heet ze, al lang te kennen en moet haar al heel wat liefdesbrieven geschreven hebben. Hd, als ze die eens zou kunnen lezen. ‘Zeer geliefde Vrouwtje. Uw brief heb ik in goede gezondheid ontvangen en ik hoop van u hetzelfde. Als het anders was, zou het mij van harte leed zijn.’ Marijtje schiet in de lach en verslikt zich in de koffie.

13

Verstoord kijkt grotemoeder haar aan en geeft haar een wenk om weg te gaan, want Kobus komt met zijn geliefde de kamer in. Jammer, dat ze nu het gesprek niet kan meemaken. Maar als ze een half uurtje later met een verleg weer binnenkomt, is het vaarwater rustig. De Muiter heeft een verse pijp gestopt, Hiltje schenkt nog eens in en op elk schoteltje ligt een gevulde koek. Er wordt over koetjes en kalfjes gepraat, over de preek en over de rijke ansjovisvangsten, die den huize Muiter geen windeieren leggen. Kobus is stiller dan anders, maar zijn ogen glinsteren. Marijtje denkt aan een bruiloftsrijm dat hij eens gemaakt en voorgedragen heeft, over een huwelijksbootje dat ging varen over met licht bestrooide baren. Die beroemde regels zijn nog niet vergeten en ze schijnen nu voor Kobus zelf in vervulling te zullen gaan. Vrouwtje zal zijn vrouwtje wel worden. En het huwelijk laat inderdaad niet lang op zich wachten. Kobus vindt voorspraak bij zijn vader, die tot verwondering van zijn zoon ook wel een woord op z’n pas kan spreken, een bijbeltekst nog wel: Het is beter te trouwen dan te branden. En, o wonder, dan duikt er ook nog een bij een jong echtpaar als dit passende betrekking op. Ergens in het Drentse veen, aan een recht rak kanaal, is werk voor een aankomend evangelist, jong en energiek en liefst gehuwd. En bij het sollicitatiebezoek maken Kobus en Vrouwtje zoveel indruk dat de benoeming weldra volgt. En dan komt alles in een stroomversnelling. De Muiter die met het koppen, zouten, inleggen en verhandelen van de rijke ansjovisvang¬ sten prima zaken deed, koopt het praampje van Okken Meindert en maakt Sibbe schipper. En die wil meteen aan de slag om een lading turf uit het veen te halen. Nou, en dan kan hij toch mooi meteen Kobus en Vrouwtje met hun hebben en houden meenemen naar het huisje dat daar aan de vaart op hen wacht? Dus wordt het huwelijk zo snel mogelijk voltrokken. De Muiter zorgt voor meubels, Hiltje voor kleren en beddegoed, Kobus haalt z’n boeken en Vrouwtje haar eigen spulletjes en jan en alleman komt nog met ditjes en datjes aanzetten alsof het echtpaar naar de binnenlanden van Afrika gaat vertrekken. Ome Lord komt met twee jonge katten aanzetten en een kanarie en Marijtje helpt wat ze kan bij het brengen van de bullen en spullen in het scheepje. En dan breekt de trouwdag aan. Op het raadhuis gaat het vlot en de trouwdienst in het bewaarschooltje is sober en plechtig. Voor bruiloft vieren is geen tijd en geen geld meer. De avond

14

wordt verder gezellig bij tutte Inte in de kleine familiekring doorgebracht. Morgen zal de reis beginnen. En vreemd, voor ze opbreken vertelt Inte nog een verhaal over de liefde. Is het een aanmoediging, een waarschuwing? Ieder kan er wel een gedachte of wat uit plukken. Het wordt heel stil als de zwakke vrouw met duidelijke stem begint te spreken: ‘Er waren eens een vrouw en een man die elkaar liefhadden, maar niet op de juiste manier. Ze eisten teveel voor zichzelf en gaven te weinig aan de ander. Het ging niet goed en op een nacht gingen ze uit elkaar en de deur uit. Zonder het van elkaar te weten zochten ze het flauw verlichte strand op om rust te zoeken aan de rand van het water. Maar de wind stak op en de golven begonnen te bruisen. Toen verhief ook de vrouw haar stem en riep over de vloed: Liefde, waar ben je gebleven, golven, waarom neemje me niet mee naar de einder? Het zeewater spatte haar in het gelaat en ze proefde op haar lippen het zout, maar ze verstond het antwoord niet dat wind en golven haar gaven. Ze hoorde alleen maar haar eigen stem en schreide bittere tranen. Ze begreep nog niet dat in het zout van de zee en het zilt van de tranen loutering en reiniging liggen besloten. Wilder werden de golven, schuim nestelde zich in haar haren en toen een bliksemstraal flitste en de donder rolde, zonk ze beangst en radeloos op het natte zand, tot de mor¬ gen grauwde. Toen naderde een man langs het wilde water. Ook hij had de nacht in een gevecht met zichzelf en de elementen doorgebracht. De wind nam afen de maan liet zich weer zien. De man bleefstaan en de vrouw hiefhaar betraande ogen naar hem op. Ze zag hoe zijn gelaat grauw was en gegroefd en zijn haardos verwilderd. Ook hij had zijn woede en boosheid uitgeschreeuwd en het antwoord niet verstaan. De twee zoekende mensen staken tegelijk hun handen naar elkander uit. Stralen maanlicht gleden over hun gestalten toen hij haar oprichtte en zij hem omvatte. En plotseling hoorden ze in de zang van wind en golven het lied van de schepping: Het is niet goed dat de mens alleen zij, Ik zal een hulpe maken die bij hem past, en zie het was zeer goed. Toen gingen zij beiden te zamen. Na Inte’s verhaal was het een poosje stil, toen namen alien rustig en ingetogen afscheid. Inte had met haar gelijkenis alien een wijze les willen meegeven. Buiten scheen de maan. De milde rust in de natuur beloofde een kalme reis. Marijtje ziet als in een flits het gezicht van die jonge man dat haar zo getroffen heeft en dat ze maar niet vergeten kan.

15

Dicht bij elkaar gaan ze door de avond en weten zich verbonden. De nacht in het huis van de Muiter is uitermate onrustig. Nee, niet wat hem zelf betreft. Hij voelt het kussen nog niet of hij slaapt al de slaap des gerusten. Zo’n man, denkt Hiltje, die naast hem ligt te woelen. Deert het hem niet dat zijn zoon nu voorgoed uit huis is? Dat hij zich in de nesten zal werken in het veen, ver van zee en haven? Voelt hij niet de zorgen van een moeder die ziet hoe haar liefde door een andere vrouw wordt overgenomen. Zij kan niet slapen en luistert naar elk gerucht. Vaag dringen de geluiden uit de achterkamer, waar het bruidspaar is, tot haar door. Telkens gaan er deuren open en dicht. Kobus is kennelijk ook onrustig. Ze kent zijn stap. Hij is al een paar keer naar achteren geweest. Dan hoort ze zijn stem ook. Hij leest een psalm blijkbaar. Daarna wordt het rustiger. De nacht kan niet lang duren. Sibbe heeft gewaarschuwd dat hij de meevarenden om vier uur komt wekken. De dag en het weer moeten ten voile benut worden. Slaat de klok daar een uur, ofis het al half twee? Wat was Inte vreemd bezig met dat verhaal over de liefde. Wie had ze daarbij op het oog? Of ging het ook over haarzelf? Liefde! Moet je die man nou horen snurken. De onschuld zelf, zou je denken, Nou ja, ze hebben het beiden nu toch goed... en mor¬ gen... Ook Marijtje kan niet slapen. Wat wilde tante Inte toch met dat verhaal? Liefde! Dat is zeker zo gemakkelijk niet. Het klinkt zo mooi, en toch... De dominee had het er in zijn preek ook telkens over. ‘Dat toch de liefde blijve!’ ‘Jaag de liefde na!’

Wat is liefde? Het vrijen dat ze zag in de hoek achter de stal? En het sterke gevoel dat haar overweldigde toen die vreemde jonge man haar aankeek en een complimentje maakte? Blik en woorden die ze maar niet vergeten kan? Heeft dat wat met liefde te maken? Dan droomt ze weg, maar wreed is de bons op de deur en de stem van Sibbe die roept dat het de hoogste tijd is.

Reis en verblijf

Het begint te dagen als de reis kan beginnen. Sibbe geeft het sein voor vertrek en Kobus gooit de touwen los. Vrouwtje staat op het dek naast Ede, die deze eerste reis mag meemaken. Maar

16

dan komt er nog een meisje aanrennen. Ze kan nog net een vergeten plaatstoof Kobus in de armen werpen. De wind bolt de zeilen en het praampje vaart. Er is geschreeuw over en weer. De Muiter maakt spottende opmerkingen over zijn zoon en diens jonge vrouw. Het steekt Hiltje, dat hij het over ‘kouwe bienen’ heeft. Marijtje neemt het voor haar none op. Die stoof heeft Kobus nodig als hij in dat koude veenland preken moet. Dat kan hem met kouwe voeten nooit goed afgaan. En turfvoor een kooltje in de stoof, nou, die is daar genoeg. Dan zwaait ze verwoed naar Ede, haar vriendin. Vrolijk klinkt hun roep over het water, tot de wind de klanken verwaait. Sibbe staat trots aan het roer. Zijn jeugdjaren keren terug en hij snuift van genoegen dat alles zo voorspoedig verloopt. Hij is het varen nog niet verleerd. Maar goed dat hij de laatste weken alles zo goed heeft nagekeken, geteerd en gesmeerd en vernieuwd wat nodig was aan de tuigage. Het scheepje is wel bejaard, maar nog lang niet versleten. De wind is in hun voordeel en het weer houdt zich uitstekend. ‘Een gezegende reis’, zegt Kobus als ze het middagmaal nuttigen, en dat herhaalt hij tot hij het praampje kan meren voor het huisje aan het kanaal dat Vrouwtje en hij gaan betrekken. Het staat er zo leeg en verlaten, maar dat zal gauw verleden tijd zijn, want vele handen maken immers licht werk? Sibbe heeft het scheepje, dat wel oud maar niet aftands is, ‘De Uutkomst’ gedoopt en het met duidelijke letters op het boord geschilderd. En Kobus weet er een meer dan uitwendige betekenis in te leggen. Hij is opgewekt nu de reis zo voorspoedig verliep en de levende have, de poezen, de kanarie en de schildvink, ongeschonden zijn overgekomen en de vrouwen geen last van zeeziekte hebben gehad. Er is moed voor nodig geweest om de goed betaalde betrekking die hij had los te laten om aan een onzeker en karig betaald baantje in deze arme veenstreek te beginnen. Als het wat schamele meubilair bij het huisje is neergezet, gaan de vrouwen ‘de pastorie’ schoonmaken en gaat Kobus erop uit om een lading bedstro te vinden. Ook Sibbe trekt de rimboe in om verderop langs het kanaal een lading turf voor de terugreis te vinden. Kobus is het eerst terug met een kruiwagen stro voor in de bedsteeen en tegen donker worden keert ook een tevreden Sibbe terug. Hij heeft een Friese vervener getroffen en kon naar zijn zeggen goede zaken doen. Over een paar dagen kan hij al terug zeilen. Het oponthoud heeft zijn mooie kanten. Kobus is buitengewoon opgewekt. Zijn ziel, zegt hij, is dronken van vreug-

17

de over zoveel wijdheid en hij bezingt Gods wonderbare grootheid. God, die met alleen bruisende golven, maar ook bloeiende heidevelden schiep. En ook de eerste kennismaking met mensen in dit haast lege land viel niet tegen. Maar zullen ze met hem wel instemmen in zijn lofzang en met hem opzien naar den Hoge?

In een paar dagen is het gezin volledig geinstalleerd. Kobus’ boeken staan te pronk op een paar planken aan de wand boven een eenvoudige schrijftafel. Vrouwtje heeft haar spulletjes verder over de kamer verspreid en een eigen stoel en eigen hoek bezet. De kanarie zingt zijn hoogste lied bij het raam. En als Kobus de klink van zijn schuurdeur oplicht, lichten ook zijn ogen op. Twee sikken mekkeren bij het horen van zijn stap, en daamaast, gescheiden door een dun beschot, ruiselen twee schapen omhoog. Hij geniet van him domme en athankelijke blik. In een afgesloten hoek knort een zwijn wellustig. Het wendt zijn logge kop even om en gluurt door zijn nauwe oogjes naar de baas in zijn zwarte pandjesjas. Kippen vinden in een naast het huis gebouwd hok een nachtverblijf. Hoe kon hij in zo korte tijd van visser-vanafkomst een klein veen-boertje worden? Ze hebben hier toch maar goed voor hem gezorgd wat de levende have aangaat, maar wat het traktement betreft, blijken er onverwacht enige beren op de weg te zijn. Kobus echter is vol goede moed. Als vogelvriend heeft hij nog een wens: het fokken van kanaries. Maar wat niet is kan worden. Ook Sibbe is welgemoed. Zijn scheepje wordt geladen en voor een paard om het te trekken wordt gezorgd. Natuurlijk, de kost gaat voor de baat uit, maar hij kan gerust zijn en vindt nu de tijd met Ede de wal op te gaan. Hij weet wat Ester de laatste tijd zo beklemt. Ze zit in zorg over haar oudste. Die moet het toch weten voor anderen... En ik, ik kan het niet... Hoe moet dat nou? ‘Stille toch, Ester’, heeft hij gezegd, ‘stille toch, ik zal wel zorgen...’ En nu is het dan zover. Hij loopt met Ede door het geurende veld en wijdt haar in in de geheimenissen van de natuur, voor zover hij die nog uit zijn eigen jeugd kent. Het verschil tussen haver en gerst en de twee soorten heide, tussen de ekster en de scholekster. En als de avond valt zitten ze op een bultje zand en luisteren naar de krekels. In een busje hebben ze rijpe brummels, waarvan Ede niet begrijpt hoe heit die zo gauw kon vinden. Maar nu moet het hoge woord eruit. Sibbe heeft zijn pijp laten uitgaan en Ede wijst hem op zijn verstrooidheid. ‘Ede’, zegt hij

18

moeilijk, ‘Ede, ik ben je heit en toch weer niet, er is, er is voor je geboorte wat gebeurd, dat, dat, dat ik je moet zeggen en, en bijna niet kan...’ Hij wendt het hoofd af, maar Ede trekt het naar zich toe en zegt: ‘Stil maar heit, dat wist ik al een tijdje. Ik heb mensen horen praten en vroeg erover aan Marijtje en die vermoedde wat, en toen zijn we naar tante Inte gegaan...’ Dan drukt ze een kus op zijn wang en geeft hem een arm om naar huis te gaan. Als verdoofd gaat hij door het vallende donker. Wat een meid, denkt hij, hoe is dat toch mogelijk. Wat zal daar een liefhebbende vrouw uit groeien, en zacht drukt hij haar hand.

Hiltje heeft zorgen

Het is stil geworden in het grote huis van de Muiter nu op de winkel na alle bezigheden zijn weggevallen en ook de vogels naar Kobus gegaan zijn. Die mist ze vooral, nu een andere vrouw de grootste plaats in zijn leven is gaan innemen. Grubbelt houdt zich volop met zijn zaken bezig, is soms uren van huis. Alleen Marijtje heeft ze nog, maar die is een bron van voortdurende zorg. Sibbe mist ze ook, hoe vaak ze ook met hem van mening verschilde. Die is al twee keer met zijn scheepje heen en weer geweest en brengt gemengde berichten uit het veenland mee, als hij Kobus en Vrouwtje een bezoek heeft gebracht. Kobus is wel in zijn element. Hij is te vinden bij zieken en ouden van dagen. In rokerige kamertjes, met de voeten op een plaatstoof, een dampende kop koffie voor zich en voorzien van een tweecentssigaar zit hij op zijn praatstoel. Zijn ijver is niet te stuiten als het gaat om de mensen op de rechte weg te brengen en te houden en troost te brengen in droevige en behoeftige omstandigheden. Zijn medelijden is snel gewekt en hij weet ook de handen uit de mouwen te steken als er plotseling hulp nodig is, zodat zijn eigen zaken er bij inschieten. Hij vraagt niet veel voor zichzelf, maar zijn vogelbezit breidt langzaam maar zeker uit. De mensen weten van zijn liefhebberij. Je kunt schildvink en tortelduifbij hem vinden en een batterij kanaries. Het oude kammenet van Bessie komt nu goed van pas. Als Kobus uren ver het veen in trekt om een zieke te bezoeken of een begrafenis te leiden, rust de zorg voor de dieren op Vrouwtje, maar die doet dat niet zo graag, zij

19

heeft er geen hart voor, zegt Kobus. En zij mag de broedende kanaries in het kammenet midden op de zolder niet vergeten, maar ook de schapen, sikken en hennen niet. Het zijn Kobus’ vrienden, maar zijn vrouw vindt het smeerlappen en domme schepsels. Maar aan wie moet ze haar nood klagen als Kobus de hort op is? Het is altijd stil om het huis. Ze voelt zich hier onwennig. Nee, dit heeft ze niet gewild. Ze heeft Kobus aanvaard als zoon van een gegoede koopman, maar wat heeft hij te zoeken in dit godvergeten oord? Het woelige volk van het eiland, dat altijd praat, lacht ofredetwist, dat kon ze waarderen, maar deze ruwe veenbonken... Ze had zich toch Kobus anders voorgesteld en nu zit ze hier in dit heidense land met een man die zijn weelde prijs gafvoor een slecht betaald baantje. Alleen omdat hij ervan overtuigd was dat dit zo hoorde, dat het zijn dure roeping was. Ze bleef bij hem, omdat ze toch hield van die koppige man, die ondanks alle teleurstellingen en tegenslagen volhield. En van hem verwachtte ze ook een kind, dat leven in de stilte zal brengen. En ze hoorde toch bij hem. Zonder haar moest het wel mis met hem gaan. Hij dacht er immers nooit aan zijn jas behoorlijk af te schuieren. Zo gauw hij opstond waren zijn gedachten bij de keuterboeren en de daggelders en het meest nog bij de veenders. Die leefden in hutten met lemen vloeren en wat deert daar een zandbestoven jas ofmodderschoen? Maar zij kon het niet zo goed vinden met de enkele boerenvrouwen met wie ze wel eens in aanraking kwam en die zich zo hoog verheven waanden boven de arbeiders in het veen en toch ook boven die schamele evangelist. Het bezwaarde Kobus niet. Er is maar een ding dat hem dwars zit en waarvoor hij zich uren opsluit in zijn kleine zweethokje, en dat is zijn studie. Want wat baat het, dat je over een stem beschikt als van een bazuin, om de mensheid te overtuigen van de liefde van de grote Schepper en de wetten die Hij gegeven heeft? Wat geeft het, dat je hart haast barst van mensenliefde en warme genegenheid voor alles wat lijdt en strijdt? Wat helpen je grote handen als je de tere schuwe vogeltjes helpt? Dat alles is niet genoeg om eens een domineesrok en zwarte bolhoed te dragen, niet genoeg om eigen kennis te vermenigvuldigen, niet ge¬ noeg om de moeilijke boeken en lessen te bestuderen die hij nodig heeft om het verder te brengen dan evangelist in het veen. Heeft niet een mens plichten ten einde toe? Dit alles vernemen Hiltje en Inte uit wat Sibbe weet te vertellen op zijn eigen wijze, en lezen zij uit Kobus’ brieven in diens eigen

20

trant, en ze leven met hen mee, en meer dan dat. De twee vrouwen kunnen zich voorstellen hoe diep de groeven in Kobus’ voorhoofd zijn als hij zich buigt over de boeken die zijn vriend de ‘prefester’ hem heeft aanbevolen. Dure boeken waarvan prijs en inhoud al menig koffieuurtje heeft vergald. Maar hij leest en leest en zweet, want er is zoiets als artikel acht en dat zal Kobus na ijverige studie en bevredigend examen recht geven om zijnjas met lange slippen terecht te dragen. Maar ja, arbeiden in het veen en studeren voor een volledige preekvergunmng valt bitter tegen en Sibbe weet het levendig te beschrijven, hoe Kobus’ vingers gaan jeuken aan de studeertafel en hoe hij zijn benen niet stil kan houden. Dan springt hij op en zou graag een robbertje vechten met wie dan ook. Soms beschuldigt hij zichzelf van hoogmoed en ijdelheid. Waarom moet hij zo nodig voldoen aan dat artikel acht? Kan hij zonder dat geen goede arbeider in de wijngaard zijn? Dan sluit hij de boeken en gaat naar beneden voor het middagmaal en eet dat het een lust is, zonder te letten op Vrouwtje’s gemopper over de eentonigheid van het menu hier: bieten, boontjes, uien, heen en terug, en nooit eens een visje. En Kobus dankt met verve voor de rijke en milde overvloed die de Schepper hen geeft. Wie had ooit nog eens kunnen denken dat hij al die goede vruchten van eigen grond zou oogsten! Dan schouwt hij verrukt uit het raam over de vredige verten, die hem weer noden tot tochten naar lijdzaam werkende mensen, die hem verstaan in zijn eenvoud. Hij zucht verlicht als hij opstaat en neuriet een psalm. Wat is Gods aarde ruim en rijk en wat is het onvruchtbare veenland nog goed om in te wonen, al is hij dan een tweedehands dominee-boer. Op de kale keileemrots waar hij het levenslicht zag wilde helemaal niets groeien en hier eet hij van eigen teelt. Dan sluit hij vergenoegd de schuurdeur achter zich en gaat met lange regelmatige passen als een woudloper langs de smalle heidepaadjes. Zijn moeder, staande achter de toonbank in haar havenwinkel, ziet hem in haar geestesoog gaan. Ach, met hem en Vrouwtje komt het wel goed, maar met het Muitertje dat nu Marijtje heet?...

Van Brechtje heeft zij toen die jong was nooit zoveel moeite gehad. En nog, met een zwaarwichtige man en een groot gezin, hoor je haar weinig klagen. Die slaat er zich goed doorheen, maar wat er uit Marijtje groeien moet. Heeft zij, Hiltje, er wel goed aan gedaan Brechtje’s eersteling bij zich in huis te nemen, toen die zo gauw door de nummers twee, drie en vier gevolgd

21

werd? Grubbelt schijnen die dingen niet te deren, maar zij heeft er slapeloze uren door. Er zijn avonden dat Marijtje geen huis bekleedt. En waar hangt ze dan uit? ‘Grubbelt’, zegt ze als die binnenkomt van de aandeelhoudersvereniging van Stoombootmaatschappij, ‘Grubbelt, kiek jie nou er’s waor Marijtjen wier zit, ik heaw er de hiele middag nog niet onger m’n ogen ezien’. ‘Is Sibbe soms in de haven ekeumen’, is zijn antwoord, ‘dan zal ze wel bij hem in’t roefje zitten’, en hij gaat z’n kantoortje in. Maar ziJ grijpt hem bij zijn mouw: ‘Die Marijtjen, dat maotjen, daor komt niks van terecht.’ Plotseling heeft ze de behoefte haar grote zorgen voor het meisje eens uit te zeggen. Maar Grubbelt heeft geen tijd, die moet nog weer naar de zouterij. Hij haalt schelms zijn schouders op en zegt dat de liefde soms vreemde wegen gaat en hij geniet even van een ondeugende schermutseling. Dan verlaat hij haastig het huis, Hiltje met haar zorgen achterlatend. Marijtje begint er verleidelijk uit te zien. Er komenjongens in de winkel, alleen al in de hoop haar te zien en te spreken te krijgen. Maar in de winkel laat ze zich zoveel niet zien. Dan gaat de winkelbel. Een klant komt binnen, maar ook Marijtje, die naar achteren roept dat zij wel zal helpen. Zo ontloopt ze even de te verwachten reprimande. Hiltje gluurt tersluiks door het glazen beschot dat de winkel van de kamer scheidt. Er komen meer klanten. Zie haar lachen tegen de jonge vent die ze touwwerk toemeet en zijn maat die zich zijn boodschap niet zo gauw herinneren kan. Heel haar doen getuigt van macht en behendigheid. Het blonde haar kroest in weelderige krullen langs haar hulle. Haar gang is bevallig en lokkend. Haar ogen schitteren, maar zijn ook in staat de al te vrijpostige jongens met koele blikken af te weren. En met pijn wordt grotemoeder het zich bewust. Dit Muitertje is mij ontgroeid. Die andere Muiter is de dwaasheden van zijn jeugd te boven. Zijn grijze haren beziet ze met een gevoel van rust. Laat niemand het wagen in haar nabijheid zijn naam niet met ere te noemen, maar Marijtje, wat zal er nog van dit kind worden? Daar hoort ze boven de stemmen in de winkel uit haar heldere lach, die doet denken aan geluk en liefde. Ja zeker, haar kleindochter moet wel verliefd zijn, maar het wie en wat is in de winkel niet te vinden.

22

dingen

De zorgen van Hiltje worden doorgaans weggedrukt door de dagelijkse beslommeringen, die al haar aandacht opeisen. De stilte in het huis nu de stal en de schoenmakerij gesloten zijn, en door het vertrek van Kobus, kan ze de baas door de drukte in de winkel en de toegenomen bedrijvigheid van Grubbelt. Het eiland, toch al geen toonbeeld van vrede en eensgezindheid, wordt, nu de Zuiderzee zoveel veranderingen moet ondergaan, er niet rustiger op. En Grubbelt schijnt zich overal mee te moeten bemoeien en doet hij dat uit zichzelf niet, dan wordt hij er door anderen wel in betrokken. Dat brengt uithuizigheid mee, maar betekent ook meer manvolk over de vloer. En Hiltje, al lang blij dat het huwelijk weer zo goed is na wat er vroeger is voorgevallen, geeft hem de voile ruimte. Ze kan zich niet herinneren dat er belangrijke zaken buiten hem omgingen. Ze denkt aan de veerdienst en de viszouterijen. Het bijeenbrengen van de beide Bootmaatschappijen, die elkaar door domme concurrentie en eerzucht aan de rand van de afgrond brachten. Hij kan rekenen en redeneren en heeft Urks belang en het zijne beide op het oog. Hij wist de beide stoere kapiteins te overtuigen en in een schip te brengen, toen hij de mogelijkheid schetste dat zij beiden de met een gouden rand versierde pet zouden kunnen blijven dragen en dat de een niet zou moeten wijken voor de ander ofmet een min¬ der baantje genoegen moeten nemen. Het waren immers schippers voor wie alleen het roer waarde heeft. Oude grieven werden opgeruimd en de zaak kwam in goed vaarwater. Grubbelt bleef achter in een kamer vol rook, maar dat deerde hem niet, de grondslag voor een gezond bedrijf was gelegd en het verstand had tenslotte gezegevierd. Met de vismeelfabriek, die zoveel stank over het dorp verspreidde, had hij gelukkig niet te maken gehad. Daar had hij al gauw de ondergang van voorspeld en dat niet alleen vanwege de over¬ last: ‘Wie hier een bedrijf begint, waor geriegeld harde ewarkt moet worren vor geringe verdiensten, trekt an een krank touwtjen as er in de visserije wat maar te verdienen valt. In’t begin

Kleine dingen, grote dingen, moeilijke
23

4. Aan de Westhaven.

5. In de Buitenhaven.

24

gat’t nog wel, omdat het dan een nijtjen is, maar o wee as’t wat langer duurt. Dan heawen ze al gaauw een breuk ofeen zwerende haand om onger ’t wark eut te koemen’. Nee, gemakkelijk voor anderen is Grubbelt niet, hij die nooit tegen lang en ingespannen arbeid opziet. Wat heeft hij zich in het voorbije rijke ansjovisjaar met het inzouten en handel drijven van dat door de oosterburen zo gewenste visje bezig gehouden. En er is geen verkoping of hij is er bij. Dat praampje voor Sibbe heeft hij toch maar goedkoop op de kop kunnen tikken en Sibbe zelf heeft er heel wat aan opgeknapt, daar kwam bijna geen hellingbaas aan te pas. Die man heeft gouden handen en ook altijd al gehad. Grubbelt had destijds meteen al wat in hem gezien en in zijn bedrijfaangesteld als duvelstoejager van alle markten thuis. Zo gaan Hiltje’s gedachten die morgen als ze vaardig haar dagelijkse arbeid begint. Grubbelt is al naar de haven en het is stil in huis, want waar Marijtje nou weer uithangen mag? Van Kobus zal wel gauw weer een brief komen. Met Vrouwtje is het binnenkort zo ver. He, nu mist ze toch wel het gekwetter van zijn vogels. Maar ineens raakt ze in paniek en haar roep schiet door de ruimte: ‘Marijtje, Marijtje, koem dan toch, Marijtje!!’ Afkeer en walging overheersen in de klank van haar stem en dringender wordt haar roep: ‘Marijtje!’ Deze belediging haar properheid aangedaan is te erg. Dat haar dit nu overkomen moet! Tranen komen in haar ogen. Dit kan zij niet opruimen. En nog luider schreeuwt ze om Marijtje. Die komt bedaard binnen en vraagt of er brand is. ‘Nou dan, kiek dan, dat komt er nou van, jie mit al die dieren in heus, dat vieze blest, nou het die katte van joe in m’n bedde ejongd’ en Hiltje wijst haar kleindochter op het wriemelende gedierte op het hoofdkussen. *’t Binnen d’r wel zuvene, geloof ik, nou dat kuun jie opredden, as je dat maar wieten’. Maar Marijtje glundert. Moet grotemoeder zich daar nou overstuur om maken? ‘Ik docht dat er ik wiet niet wat gebeurde. ’t Binnen mooie ketjes, kiek er’s, drie zwarten, een graauwtjen en ok nog een gestriepte rooie, dat zal wel een kaotertjen wezen.’ Zonder zich in het minst om grotemoeders toom te bekreunen, knielt Marijtje bij haar schatten op de grond en meldt dat zij ze allemaal wil houden, nu Kobus alle dieren heeft meegenomen. Dat brengt Hiltje nog meer buiten zichzelf: ‘Net as jie al je vrijers an’t lintjen houwen, zieker, en ik er op passen. Nou, dat zal je mit dit ongedierte niet gelokken. Alla, hier is een zekkien, doen ze daor in, vergeet niet er een keistien in te doen, bring ze

25

after de paolen en maak ze havenmeaster’. Maar Marijtje weerstreeft. Ze wil eerst de komst van Kobus afwachten, die zal er wel raad mee weten en ze brengt de beestjes naar de stal, terwijl Hiltje een schoon kussensloop zoekt en al mopperend de smeerboel opruimt. En dan wordt er ‘post’ geroepen en is er een briefvan Kobus met nieuws. Zijn moeder is weer grootmoeder en zijn vader vernoemd. ‘Een welgeschapen zoon is ons geschonken’, meldt hij in hoogdravende bewoordingen. Sibbe is met een scheepje turf onderweg naar het eiland en Ester en Vrouwtje hebben fijne dagen gehad. Ze weten het natuurlijk nog niet, want de post gaat altijd sneller dan een turfscheepje. Hiltje is in de wolken en weer roept ze Marijtje, maar weer vergeefs. Die is naar buiten gerend, omdat erop de havenkant wat te doen is. Er staan mannen bij elkaar en die wijzen in de verte. De Muiter is er ook bij. Voor de haven zien ze het praampje van Sibbe en er klopt iets niet of toch wel. ‘Wellint man’, zegt er een, ‘hij gaat van’t rifin de gei of hij doet een tukkie’. Maar een ander vraagt waar zijn verstand zit: ‘Nee, buie, wat ik je brom, bij Sibbe is het niet in orde’. De Muiter volgt gespannen de bewegingen van het scheepje. Daar gaat iets mis, dat is duidelijk, en net nu Ester deze reis meemaakt en als dekknecht dienst moet doen. Het is moeilijk te bepalen wat er aan de hand is op deze afstand. En de opmerkingen gaan door. De stuurlui aan de wal kunnen ook niet bevroeden dat daar voor de havenmond een kleine, dappere vrouw vecht om het behoud van haar man. Later horen ze het hele verhaal. Het ging zo onverwachts. Ester zat rustig in het roefje op de harde bank naast het kacheltje waar het eten al op smoorde. Ze stopte kousen, want Sibbe kon het met dit mooie weer best alleen af. Maar ze wist niet dat hij even het roer had vastgezet en op de lading was geklommen om wat grote stukken wasgoed in de lijn te steken. Dat was geen werk voor een vrouw die niet bij het schippersleven was groot gebracht en de nukken van een schip niet kende. En als er nu maar geen appelschil op een luik gelegen had... Sibbe schiet pardoes overboord. Ester hoort een plons en een rauwe kreet. In minder dan geen tijd is ze aan dek. ‘Sibbe, Sibbe!’ schreeuwt ze en tuurt langs de kanten van het scheepje. Dan ziet ze hem in het water en ze roept: ‘Hier hene, Sibbe, koem...’ Het is ofhaar dwingende wil de geschrokken man zijn tegenwoordigheid van geest teruggeeft. Hij maakt zwemslagen en roept: ‘Gooi het roer los en kom deze kant op!’ Werktuig-

26

lijk gehoorzaamt ze het bevel. Maar staan haar handen verkeerd, of ligt het aan de hoge lading van het vaartuig? Het is of de afstand groter wordt. ‘Sibbe, koem!’ roept ze weer en krampachtig omknellen haar handen het roer. Het lijkt echter wel of alles tegenwerkt. O, en wat flitst er in deze bange ogenblikken veel door haar heen. Ze ziet zijn slagen verslappen. Hij haalt het schip niet meer, denkt ze. Dan stoort ze zich niet meer aan zijn roepen over het roer dat om moet. Ze laat slingeren wat slingert en haar hand grijpt naar haar vrouwelijk inzicht een eenvoudiger middel, de lange haak in het boord. ‘Hou bij’, klinkt het nog zwak, maar zij slaat reeds de haak in Sibbe’s boezeroen en haalt hem tot de rand van het schip. ‘Pak vast’, bijt ze hem toe en laat zich op haar knieen zakken, maar dan komt het moeilijkste nog. Ze weet zijn hand te grijpen en weet die op te trekken tot de rand van het boord. ‘Ik kan niet meer’, kreunt Sibbe, ‘laat me maar los’. Bloed sijpelt uit de wond in zijn borst en kleurt zijn boezeroen rood. ‘Niks los, kom’, hijgt Ester. Wat die eenmaal vast heeft, laat ze nooit meer los. Haar nagels schuren en met haast bovenmenselijke kracht krijgt ze hem binnenboord. Sibbe en Ester zakken beiden uitgeput neer, maar zij is het eerst weer bij haar positieven als ze hem drinken aanreikt en een lap op de wond drukt. Hij reageert nauwelijks en sluit weer de ogen. Dan rukt ze aan zijn natte plunje: ‘Sibbe, ik kan je niet missen, Sibbe toch...’ Ze drukt op zijn hart en pakt zijn hand vast: ‘Sibbe! Sibbe!!’ Dat schijnt hem kracht te geven en hij komt weer bij. Ze loodst hem naar het roefje en legt een stapel droge kleren naast hem op de bank. ‘Help je nu zelf, ik breng het schip in de haven’, roept ze op het trapje naar boven. Sturen heeft ze deze reis wel geleerd en gelukkig is het rustig weer. De mannen aan de haven hebben de treuzelgang en de slingeringen van het praampje gezien. Ze beseffen dat er iets niet in orde is. De Muiter knelt in de bescherming van zijn broekzak zijn handen tot vuisten. Maar wat kan hij doen? Er springen al man¬ nen in een roeiboot om te zien ofer wat te helpen valt, doch het is al niet meer nodig. ‘De Uutkomst’ vaart de haven in, bestuurd door een kleine, maar stevige vrouwenhand. ‘Hoe is het Ester’, roept Grubbelt, ‘was er onheil?’ ‘Ja, met Sibbe’, roept ze terug, ‘maar Goddank, ik heb hem nog’. Het klinkt als een juichtoon. Dan verschijnt Sibbe’s natte kop in de opening van de roef: ‘Ja baas, ik ben er nog, dank zij dat famke’. Dan komt Marijtje aansnellen. Haar schort fladdert en muilen klepperen. Ze stevent

27

grootvader voorbij en springt lenig aan boord. Grubbelt volgt en zij krijgen uit de eerste hand het verhaal te horen. Dan verschijnt ook Hiltje op de havenkant, gealarmeerd door een paar mannen, en even later gaan ze gevijven het koopmanshuis binnen. Brechtje komt en ome Lord en het verhaal wordt opnieuw verteld. Wat is Sibbe dankbaar, wat is Ester blij en wat zijn ze alien verwonderd over deze afloop. Maar dan roept Ester ineens dat ze de groeten van Kobus en Vrouwtje moeten doen en komen de verhalen uit het veenland los. Als alles goed gaat, zullen Kobus met vrouw en kind gauw voor een paar dagen op het eiland komen. En heeft de post niet zojuist gemeld dat alles is goed gegaan? De koffie met koek laten zich goed smaken in huize Muiter. Maar waar is Marijtje nu weer? Ja, waar is Marijtje? De zoetheid van de berichten krijgt voor Hiltje alweer een bittere nasmaak. Nu is ze alweer op merode. Wat daar toch achter mag zitten? Wat en wie is er bij die meid in het spel? En ze moet toch naar de consistorie voor de lare?

Hoe moet dat toch met Marijtje?

Weer zijn er een paar dagen voorbijgegaan in huize de Muiter. Net als Marijtje de achterdeur in wil gaan, komt grootvader naar buiten. Hiltje heeft hem uitgestuurd om haar te zoeken. Ze was zo maar weer uit de winkel verdwenen en wat voert ze nou toch uit? Loopt ze langs de straten te slijpen of is ze ergens heen? Ze kan natuurlijk bij tutte Inte zijn of bij Ester en Sibbe, maar Hiltje vertrouwt het niet. Het meisje is zo dicht als een pot. ‘Er hangt je een bui boven het hoofd’, zegt Grubbelt, “ben je er klaar voor?’ Maar grotemoeder is al op de stemmen afgekomen en de bui breekt meteen los: ‘Waor heaw je de hiele middag ezeten? Vast en zieker niet bij je vaor Louwe, daor kuun je het nog gien half uur euthouwen. Het gat verkeerd mit je! Je ontglupen de lare en as je d’r binnen maak je’t de domenei lastig mit brutaole vragen. Wij binnen allemaol vuuls te goed vor je. ’t Wordt teed dat je onger vreemden koemen in een stringe dienst. Vreemde ogen dwingen. En je wieten wat je ouwe Bessien zeen: een mins het plichten ten einde toe. Nou dan, kin jie gien plichten? Nou, zeg er’s wat! Munnik die je binnen...’. Hiltje houdt geprikkeld en

28

buiten adem op en Marijtje prevelt een toestemmend woord. Dat lijkt haar vooralsnog het beste. Maar dan barst grotemoeder weer los: ‘Grubbelt, zeg jie er nou er’s wat van!’ en dan komt er achter aan: ‘Hoe michtig, waor is die man nou wier? Die is er tussen eut ekniepen. Die lot ok alles vor mij opstropen... Zo’n man ok...’. ‘Nee, dat lot ik niet’, klinkt een stem en de man komt tevoorschijn. Hij zegt: ‘Marijtjen, ik wil een nije week er’s amstig mit je praoten. Bedink je praotjen maar alvast. En help nou eerst je grotemoeder maar, de schuur moet nog geschrobd en de winkelvakken an evuld.’

Marijtje laat zich gezeggen en even later is ze druk aan het werk. Ze zingt haar hoogste lied. Zo hui, zo fui, denkt Hiltje, maar ze doet er voor die dag maar het zwijgen toe. Kobus en gezinnetje zullen nu wel gauw komen en dan moet die er zich maar eens mee bemoeien. Als het van Grubbelt komen moet. Marijtje is volijverig. Ze veegt ook de winkelvloer en klopt de deurmat uit tegen de buitenmuur. Ze haast er zich niet mee, want er komt net een koppeltje jonge jongens aan en dat is een kolfje naar haar hand. Denk niet dat ze bleu of verlegen is, ze kijkt ze vrijmoedig in de ogen. Ze vragen haar prompt of ze mee wil op een wandeling om het Top, langs het vrijersweggetje. En knappe Kees, die denkt dat ieder meisje voor hem valt, buigt zich naar voren en grijpt gretig haar blanke arm. Maar dan bevrijdt ze zich met een forse ruk en breekt meteen alle vertrouwelijkheid af. ‘Blijf van mij af, bijt ze hem toe. Vreemd nest, denkt de jongen. Hoe kan iemand zo op een grapje reageren en zo meteen van humeur veranderen. Vrouwen, je begrijpt er geen snars van. Dan trekken de jongens af. Hiltje heeft het gehoord en gezien en begrijpt het ook niet. Dat waren toch de jongens waarop ze, gezien de leeftijd, zou moeten vallen? En dat er een jongen in het spel is, is wel zeker. Of, en dan schrikt Hiltje kolossaal van die gedachte, of zou het een man zijn? Ze grijpt naar haar borst en moet gaan zitten. Er komt volk in de winkel en Marijtje gaat ze helpen. Hups bedient ze de late klanten en ze weet precies haar plaats. Met zo’n kind moet het toch wel in orde komen. Ze heeft een helder verstand en als het haar zint een werkzame geest. Hiltje probeert de geniepige onruststokende gedachten over haar kleinkind weg te duwen. En hoor nu eens hoe helder haar lach klinkt. Nee, ze maakt zich zorgen om niks. Marijtje is in een moeilijke leeftijd, maar is vast niet tot slechte dingen in staat. Dan komt Grubbelt binnen en is er koffie. Het

29

theelichtje pinkelt in de vallende schemer. Ze zitten gedrieen bij elkaar ofer geen vuiltje aan de lucht is. Ofer de afgelopen dagen al niet heel wat afgemopperd is. Marijtje zegt dat ze naar bed gaat en Grubbelt steekt de lamp in zijn kantoortje nog eens op. Maar Hiltje wil er nog even uit. Zij slaat haar omslagdoek rond de schouders en zegt dat ze nog even naar Inte wil: ‘Haol mij aans maar op, Grubbelt’. Ze gaat door de zachte avond. Haar gang is nog recht, maar haar gedachten zwalken alle kanten heen en ze kijkt, als om hulp, op naar de sterren. Hoe zou het toch met haar Kobus en zijn Vrouwtje gaan? Marijtje krult zich intussen in haar bedstee heerlijk op tussen de dekens en geeft zich over aan gedachten. Hoelang is het nou geleden dat ze hem voor het eerst gezien heeft? Zeker, ze weet het nog precies. Ze zal het nooit vergeten. En ook niet waar het was, daar bij de kromming van de havendam. Ze was een zakje zand van het strandje gaan halen voor het kistje van de poes. Toen kwam er net een boot de haven in. Geen schuit ofhotter en ook geen passagiersschip, maar een klein stoombootje was het. Het meerde waar ze stond en toen gebeurde het: een jonge man stapte de wal op, liep op haar toe, keek haar aan, verwonderd blijkbaar, lachte en vroeg haar naar het postkantoor. Ze zal het nooit vergeten, de schok die ze kreeg, de diepe indruk die hij op haar maakte, het ongekende gevoel dat haar overweldigde. Ze had hem keurig de weg uitgelegd, met (dat voelde ze wel) vuurrode wangen. En hij had haar een complimentje gemaakt over haar mooie dracht, en zonder dat ze wat zei of vroeg, had hij gezegd dat de Afsluitdijk bijna klaar was en dat er dan bij Urk een polder zou komen. Daar moesten al jaren van tevoren opmetingen, tekeningen en berekeningen voor gemaakt worden en vandaar de komst van dit bootje. ‘Je zult het wel meer in deze haven zien verschijnen’, zei hij nog, ‘en dan hoop ik je nog eens te ontmoeten, tot ziens dus.’ Hij had stevig haar een hand gegeven en zo vriendelijk toegeknikt, dat..., dat... och, daar kon ze geen woorden voor vinden. Zo was het begonnen en zo was het voortgegaan. Sindsdien had verlangen haar gedreven, was ze telkens met een of ander verleg de haven langs gegaan om te zien ofhet bootje er ook al weer was. Momenten van teleurstelling of van geluk. Als ze een glimp van hem opving en hij van haar was ze de koning te rijk. Geen dag was hij uit haar gedachten. Zou dit nu liefde zijn? ’t Was in elk geval een gevoel zoals ze nog nooit gevoeld had. En het groeide bij elke ontmoeting op de

30

schemerige planken van de dam. Het babbelen over van alles en nog wat, aanhalig en uitdagend. De eerste keer dat hij een arm om haar schouders legde, de eerste kus... Om telkens aan terug te denken en om constant naar te verlangen. Daar moest alles voor wijken. Ze weet nu wat liefde is, liefdesvreugd en liefdesverdriet. Ze heeft er huiselijke onenigheid voor over, vermaning en scheldwoorden om haar telkens zo onverwachte uithuizigheid. Maar ze zegt niks, nog niet. Het is een vreemde immers. Het beheerst haar denken, voelen en willen. Als ze het bootje ziet, is ze in de wolken en opgewekt als nooit, als ze het mist, is ze in een pestbui en nauwelijks te genieten. Maar morgen... ze draait zich om en rolt zich weer ineen. Dan komt de slaap met zoete dromen...

Als Hiltje later bij haar staat, ziet ze nog de glans op het slapende gezicht en ze vraagt zich af wat er in dat hoofd omgaat. Wat zou ze dat graag weten. Maar dan zijn er weer dagen dat Marijtje landerig en vervelend is en klaar met tegenspraak. En alsof ze daar dan weer spijt van heeft, laat ze zich weer van de andere kant kennen. Het is voor Hiltje om tureluurs van te worden. Maar erger wordt het als Marijtje op een avond niet op de gewone tijd thuis komt en haar uren in ongerustheid laat zitten. En zeggen waar ze geweest is, wil ze niet. Hoe moet dat toch met Marijtje, vraagt Hiltje zich af. En eigenlijk vraagt Marijtje dat zichzelf ook af. Wat weet ze weinig van de jongeman af tot wie zij zich zozeer aangetrokken voelt. Maar ze geniet mateloos van wat hij haar in het oor fluistert. Dat zou ze van een jongen op het eiland nooit kunnen verwachten. Het klinkt als een verrukkelijk sprookje, vol belofte van een lang en gelukkig leven. Bij de eerste kus heeft ze gehuiverd en bij de omstrengeling door zijn armen sidderde er als het ware een groot geluksgevoel door haar heen. Hij laat haar vertellen over haar ouders, haar huishoudelijke bezigheden, over heel het kleine dorpse wereldje waarin zij leeft en hij kijkt met plezier naar het pronte meisje in die keurige dracht en ziet het geluk glinsteren in haar ogen. Maar over zichzelf laat hij zo weinig los. Frans heet hij en hij is in dienst van de Zuiderzeewerken. En van dat alles weet grotemoeder nog niets. Die kijkt naar de sterren ofhet daarin geschreven zou kunnen staan.

31

In het veen

Wie kan de gedachten van de mensenkinderen sturen? Hoe komt het dat ze, ver van elkander, in dezelfde ogenblikken aan elkaar denken? Kobus, ver van het woelige water in het zwijgende veen, blikt eveneens op naar de sterren. Vrouwtje, die de kleine Grubbelt heeft verzorgd, heeft zich al te ruste begeven. Thuis waren ze ook nooit zo laat. Maar Kobus gaat, als de meeste eilanders, nooit zo vroeg te kooi. Hij geniet van de rust en de vrede van de avond als hij zijn dieren heeft verzorgd en daarna in de duisternis verbinding zoekt met de hemel. Hij kent niet alleen de namen van alle bijbelse stenen, maar weet ook aan het flonkerende firmament de bijbelse sterren te vinden. Het is of de vragen tot Job gericht aan hem gesteld worden: ‘Runt gij de lieflijkheden van het Zevengestemte binden, of de strengen des Orions losmaken? Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen en haren tijd en den Wagen met zijne kinderen leiden?’ Nee, dat kan hij niet. En wat kan hij wel? Hij voelt zich klein en nietig onder de geweldige hemelkoepel. Het leiden van mensen is al moeilijk genoeg, en dat wordt toch van een zieleherder verwacht, mensenkinderen op het goede pad te brengen en te houden. Met Vrouwtje wil het al niet zo goed lukken. Zij is anders dan hij, kan hem niet volgen als hij naar de sterren wijst, maar ook niet als hij in vervoering raakt bij de kleurenwisselingen om hen heen. De bloei van de heide, het doffe bruin van de herfst en het stervende bruingeel van de winter, zeggen haar, net als de kleuren en geuren van lente en zomer, alleen iets over de tijd van het jaar en de bijbehorende plichten en zorgen, maar weinig of niets over de mateloze schoonheid van de dingen. Temeer niet, omdat ze weinig binding heeft met de mensen in het veen. Telkens overvalt haar een gevoel van grenzeloze verlatenheid als Kobus een godganselijke dag op pad is en de stilte om het huis op haar drukt als een loden last. Ze verstaat de taal hier niet en kan zich moeilijk aanpassen bij de manier van leven hier. Haar natuur heeft behoefte aan gezellige mensen, en Kobus treft haar soms in tranen als hij moe en bezweet, maar tevreden, de huisdeur open stoot. Dan probeert hij haar op te beuren met zijn verhalen en met de

32

eenvoudige maar goede gaven van het land. Mee op bezoek gaan, wil ze maar zelden. De komst van het tjalkje van Sibbe is steeds een oase voor haar in de woestijn. Waarom toch kan ze zo moeilijk tevreden zijn? Hoe zoet zijn de brummels en hoe heerlijk is de honing. En hoe mooi is het als Hiltje weer diep in de voorraadkast van de winkel gedoken is, als Sibbe zijn aanstaande vertrek weer heeft gemeld. En is het niet prachtig dat hij hun schoenen zo mooi repareert. Kobus glundert als hij zijn afgetrapte schoeisel weer als nieuw terug ontvangt. Het zijn toch de kleine dingen die het doen. Maar dat ziet Vrouwtje zo niet. Ze voelt zich opgesloten in dit oord. Op de verplichte bezoeken weet ze geen echte contacten te leggen. Ze heeft een scherpe blik op de vrouwen die elkaar de loef willen afsteken en proeft hun onderlinge afgunst. Ze doorziet de rookwolken uitblazende mannen die ‘meneer’ voor de moeilijkste karweitjes laten opdraaien en ze wil zich niet mengen in de vele kleine twisten die er onderling zijn. Wat telt de vrouw van een nog niet afgestudeerde evangelist voor de vrouw in de pronkkamer van een boerderij of beladen met sieraden in de beste bank van de kerkzaal? Toch heeft ze in het kerkje haar beste vriend gevonden. Een vriend, nee geen vriendin. Het is Vrouwtje’s geheim. Niemand weet, dat als zij moe en gedrukt in de namiddag over de heide staart, zij op iets, ofiemand, wacht. Het is iets dat de eenzaamheid breekt en haar weer in de aarde en haar bewoners doet geloven. Ze tuurt in de verte tot zich op de heuveltop een witte bewegende wolk vertoont. Als het de heuvel afdaalt gaat een tinteling door Vrouwtje heen. In die ordeloze wolk van wit, onderscheidt ze weldra een zwart en deinend stukje leven dat er bovenuit steekt. Dan veert ze op en gaat kudde en herder tegemoet. Laampie, de herdersjongen, is haar enige vriend en aanspraak na de lange middag alleen. Eerst was de jongen zeer gereserveerd, maar hij bezweek na enige weken toch voor haar lach die hem aanmoedigde met haar te praten. De twee schapen van Kobus zoeken vanzelf wel hun hok en Laampie wil wel even rusten, en na uren van in zichzelf praten erop los kwebbelen. Zij weet niet hoe haar lach haar ongedacht jong en aantrekkelijk maakt en dat de herdersjongen tot vertrouwelijk vertellen brengt. Het begon al toen hij de eerste keer de schapen afleverde en alleen nog maar zei dat zij het nektouw niet hoefde te grijpen. ‘Die dieren zoeken zelf hun hok wel.’ En inderdaad, op zijn bevel gingen ze gehoorzaam en zonder haar hulp waar ze zijn moesten. ‘Ze weten wel waar ze

33

het goed hebben.’ En elke keer werd Laampie vertrouwelijker in zijn mededelingen. Haar onkunde wat de beesten betreft en de zeden en gewoonten van de mensen in de streek, boezemden hem medelijden met de vreemde vrouw in. Daar wist hij veel en veel meer van en met zijn jongensachtige branie nam hij haar tenslotte geheel in zijn bescherming. Overtuigend is telkens weer het gebaar waarmee hij naar de kudde wijst en laat zien dat ze zelf heel goed de weg weten. Dan zien ze samen de lange bochtige zandweg af in de richting van het kanaal. Telkens als het troepje weer een zijweg inslaat, klinkt Laampie’s: ‘Ziede nou wel?’ En zo breidt de vriendschap zich uit. Zodra hij de schapen heeft bezorgd waar ze thuis horen, komt hij vrolijk fluitend terug. Zijn jasje hangt los over zijn schouders en het verstelde buis is duidelijk zichtbaar. Zijn korte, stevige benen gaat in het ritme van het deuntje dat hij fluit. Het mulle zand dempt het geluid van zijn klompen, maar ze hoort hem altijd komen en dan wenkt ze hem voor een warme dronk. Hij werd zo een echte huisvriend die graag een poosje blijft plakken. En Kobus is er aanvankelijk mee ingenomen dat hij Vrouwtje wat vertier brengt. Als tegen de avond de jongen nog geen aanstalten maakt op te stappen, moet ze hem waarschuwen voor het gevaar van de weg langs het kanaal. Maar Laampie is niet bang uitgevallen. Hij vindt haar maar onnozel, weet ze dan niet dat hij een lantaarntje heeft? Met zijn zonnigste lach diept hij uit zijn broekzak een stukje kaars op en een zelfgemaakt soort lampje. Maar Vrouwtje mag het wel hebben, Laampie kan de weg wel met dichte ogen vinden en hij bekent haar dat hij meer met haar op heeft dan met meneer. Die heeft hem al eens vermaand om zijn schelmenstreken.

Op een morgen in de winter brengt Laampie Kobus en zijn vrouw een maaltje spekpannekoeken, vakkundig verpakt tussen twee borden en in een bonte zakdoek geknoopt. Het kanaal is bevroren en dat heeft de weg korter gemaakt en met de schapen hoeft de jongen er niet op uit. Kan hij ook wat voor meneer doen? Willen ze zijn spekpannekoeken niet eens proeven? De heerlijke geur beweegt Kobus er meteen maar aan te beginnen. ‘Je hebt een goede moeder Laampie, je moet haar hartelijk bedanken.’ Laampie is het er mee eens. Maar bij Kobus ontwaakt de bekeringsijver als hij vraagt: ‘Jullie zijn niet bij een kerk, he?’, ‘Nee’, zegt Laampie, ‘maar dat hoeft toch ook niet?’ En dan vertelt hij dat zijn broer gauw thuis komt en dat komt mooi uit voor het

34

nieuwe jachtseizoen. Dan knikt hij naar Vrouwtje, die hij in het geheim verteld heeft dat die broer drie maanden gezeten heeft. Nee, niet in de kerk, maar in de cel. Als Kobus zijn deel van de pannekoeken genuttigd heeft, wil hij met Laampie wel een gesprek beginnen over het geloof, maar de jongen heeft al een kom uit de kast gepakt en gaat de sik melken. Dan krijgt Vrouw¬ tje te horen of ze wel weet wat voor jongen ze in huis heeft gehaald. Zijn er geen mensen van de kerk te vinden om haar wat te helpen? Maar Vrouwtje verweert zich fel. ‘Hij is de enige vriend die ik heb, de anderen kunnen me hier gestolen worden.’ ‘Ja maar, ze komen in geen kerk of kluis en ik heb al heel wat over die lui gehoord. Het zijn daar de belhamels van de streek.’ Kobus slaat een deftige toon aan, maar dat helpt deze keer niet, integendeel, Vrouwtje valt des te vinniger uit: ‘Heb jij mij soms geholpen met de slacht? Of iemand van de kerk? Had ik ooit de worsten zo smakelijk gekregen als die jongen mij niet zo gehol¬ pen had? En wie heeft de tuin zo goed gewied en de boontjes gedroogd en het stukje aardappelland bemest? Jij niet, maar hij!’ Dan staat Kobus met de mond vol tanden. Het is waar, hij is de laatste tijd zo opgegaan in zijn pastorale werk, dat hij Vrouwtje en het huishouden wel wat verwaarloosd heeft. En was het Laampie niet geweest die hem erop gewezen had dat ze de overtollige geitemelk konden kamen, die hoefden ze niet aan het zwijn te geven. En geniet Kobus niet van de worst? Vrouwtje zegt maar niet dat ze vermoedt dat Laampie de pannekoeken wel van zijn moeder gegapt zal hebben om er haar een dienst mee te doen. En Kobus bindt in. Fluiten kan hij, maar heeft ze wel ooit een psalmversje van hem gehoord? Nee, toch? En dat verscherpt zijn achterdocht. Maar dan schalt er ineens een jolige stem in zijn oor: ‘Vier voile pintjes van de grijze sik vandaag, meneer. Wat zeg je daarvan? Een beste sik meneer, die is zijn geld dubbel en dwars waard. En als meneer hem goed voert, dan blijft dat nog een hele poos zo’. Dan ontwaakt in de dominee de boer en hij prijst de knaap. Vrouwtje haalt verlicht adem, want nu gaat de jongen niet verstoord heen. En als de dominee een beetje zwijgt en de boer wat meer spreekt, dan kunnen ze in de winter nog heel wat plezier van Laampie hebben. Gezellig gezelschap en gemakkelijk zo’n jongen om je heen. Hij weet precies wat elk zwijn nodig heeft en hij, Kobus, zet ze wel eens parels voor.

En dan gebeurt het, midden onder een preek, dat Kobus op de

35

allerachterste bank Laampie ontdekt. En de dominee wint het hier met een daverende preek van elke boer en arbeider. Zijn stem schalt als een helder bazuingeluid door de kleine kerk en weet menige gevoelige snaar te treffen. Hij hoopt ook de jongen te beroeren. Maar hij weet niet dat die zich tegen zijn ruwe kameraden verdedigd heeft door te verkondigen dat hij daar niet om de prediker komt, maar om zijn vrouw. Het verhoogt zijn reputatie als grapjas. Maar hij blijft komen, zondag aan zondag, al kan hij’s morgens bij de put niet veel verdragen. Dan smijt hij met aker en ketting en kamt ruw zijn blonde kuif. Nee, hij gaat niet om meneer, maar geeft gehoor aan die vriendelijke stem waar hij naar hunkert, die hem elke maandagmorgen toevoegt: ‘Ik was toch zo blij, Laampie, dat ikje daar gister weer zag, want ik voel me zo alleen tussen al die anderen’. Zo leven ze daar, Kobus en de zijnen, in het veen aan het kanaal, met alle grieven, veten, ongemakken en zorgen. Maar een keer in het jaar wordt dat alles vergeten. Dan worden de koffers en kussenslopen gepakt en begeleidt Laampie het gezin naar de tramhalte. Hij wuift wel zevenmaal met de pet eer de stoomtram ze wegvoert door de vlakke dreven van het veenland, naar het oord waar hun ziel herboren moet worden tot die levende frisheid die ze nodig hebben op hun pad. Laampie begrijpt niet wat ze daar nou te zoeken hebben en kijkt het trammetje na tot het paffend in de verte verdwenen is. Maar ze worden op het eiland verwacht, met de kleine Grubbelt. Er zal van weerskanten veel te vertellen zijn. Hiltje is vastbesloten haar zorgen over Marijtje aan Kobus voor te leggen. Kobus die in zijnjongensjaren zo vaak met haar is opgetrokken. De reis verloopt niet al te vlot en Kobus vreest de boot naar Urk nog te zullen missen. Maar gelukkig, de kapitein ziet nog reizigers over de brug komen, zeulend met pakken en tassen, en besluit maar een amerijtje te wachten. De dekknecht loopt de laatkomers tegemoet en neemt een deel van de vracht over. Iedereen is opgelucht en aan boord heeft Kobus al gauw het hoogste woord. Links en rechts informeert hij naar de visserijproblemen en de droogleggingsplannen. Met een vishandelaar wisselt hij van gedachten over de dalende koersen van het in ansjovis belegde geld. De aanvoer van buitenschol aan de afslag is gering en op het eiland wordt al vooronderzoek gedaan voor de te leggen dijken, het aanleggen van een werkhaven voor groot materieel van de Zuiderzeewerken, een opslagplaats voor rijshout en ba-

36

salt, het zoeken van een plek voor de situering van een sluizencomplex en een poldergemaal. Er lopen nu en dan al wat vreemdelingen rond met meetapparatuur en het zeggen is, dat er een paar keten voor ze opgezet zullen worden aan de rand van het oude dorp. Nee, daar hoeven ze geen hoog water meer te vrezen nu de Afsluitdijk gesloten is. Er waren nogal wat vissers die op die dag in mei de vlag halfstok hadden hangen, maar er waren ook werkeloze arbeiders die hoopten dat de dijkaanleg nu gauw zou beginnen en ze aan de slag konden als bakschipper of dijkwerker. De een z’n dood is de ander z’n brood, och, en de Noordzeevisserij kon toch onverminderd doorgaan. Als er een deur wordt gesloten, dan gaat er wel weer een raam open, en de Zuiderzeesteun... Dat laatste is een onderwerp zonder eind. De grote vraag is ofje belanghebbende bent in de zin der wet en hoe je dat aantonen kunt. En dan komen ook de oude visserlui nog aan hun trekken. Over trekken gesproken, er zijn slimmeriken die steuntrekkers zijn, omdat ze ooit eens met een roeibootje een beugje hoekwant achter de palen hebben geschoten en winkeliers omdat ze een paar roggebroden minder verkopen aan de Zuiderzeevissers. Zo horen ze nog onverwacht de boot toeten. Vrouwtje komt met haar zoontje uit het achteronder, de mannen zoeken de spullen bij elkaar en er wordt gezwaaid naar het wachtende volk op de wallekant. Daar staat Grubbelt met Marijtje aan de arm.

Kobus op zoek naar de steen der wijzen

Hiltje kan niet naar de boot om haar Kobus af te halen. Ze kan de winkel niet uit en wil liever nog even alleen zijn ook. Alles is voor de komst van Kobus en zijn gezinnetje in gereedheid gebracht. Hun zorgen en vreugden nemen ze mee en hoe moet het alles geregeld worden? Maar Hiltje weet er wel raad mee. En tussen haar volk is zij in haar element, als de gasten maar niet teveel noten op hun vreemde zang hebben en Urk ontgroeid zijn. ‘Vreemde moedes’ brengen haar in de war, want die acht ze niet. Ze is voor het oude spreekwoord: ‘Wie gien nije moedes acht, die

37

6. Familieleven op het eiland Urk. 7 Breiende Urkerinnetjes.

38

houdt’m bij z’n ouwe dracht’. Ze heeft nog de ouderwetse veren schudbedden en kookt zoals haar mimme het haar geleerd heeft. Ondanks haar leeftijd is Hiltje’s kracht nog ongebroken en gaat ze nog fier rechtop. Wie niet teveel let op de zilveren haren tussen ’t donkerblond, schat haar zeker jaren jonger dan ze is. Alleen als ze aan Marijtje denkt, wordt ze onzeker en knippert haar linkeroog in nerveuze trilling. Die trilling is begonnen in de tijd dat ze zorgen had over Grubbelt’s handel en wandel. En zo heeft een mens altijd wat, is het de een niet, dan de ander. Het ene jaar heb je geen zuurkool, het andere geen vat. Ligt het niet aan de viool, dan hapert er wel iets aan de strijkstok en is de wijs niet zoals die wezen moet. Nu is het Marijtje die voor een valse toon zorgt. De zaken raken haar niet zozeer, het zijn meer de mensen. Er is wat in het kantoortje afgepraat over de Bootmaatschappijen en de inpolderingsplannen. En bekvechten dat die mannen dan konden. Maar dan wist ze de gemoederen wel te kalmeren met een goed bakje koffie en een echt Urker stukje knapkoek, als het maar geen haat en nijd tussen de personen betekende. Gelukkig, Grubbelt maakt zich niet gauw kwaad, en, hij is een goede zakenman. A1 verliest hij Urk’s belang niet nit het oog, hij heeft ook een goeie kijk op zijn eigen portemonnee. Armoede zal ze niet hij hem lijden. Hij weet van geven en nemen en voor de kinderen heeft hij ook wel wat eiertjes in’t nest, al kleedt hij zich niet uit voordat hij naar bed gaat. Als Marijtje nu maar... He, kan ze die gedachte nu nooit eens van zich afschudden? Dan is Grubbelt gemakkelijker. Ze is al weer weggeslipt en net nu ze het zo druk hebben. Ze begint er verleidelijk uit te zien, maar heeft het hoofd niet bij haar werk. Kijk, afkeurend schudt grotemoeder het hoofd. Nu heeft ze weer vergeten de koperen kranen met rode aarde te schuren. Kleine kinderen, kleine zorgen. Ze ziet het nog voor zich: De kleine Marijtje op grootvaders knie, die op en neer ging, als hij zong: “Wat heeft Marijtje in haar hand?

Een mooi, mooi boekje. Wat staat er in te lezen? Mijn vader en mijn moeder, mijn zuster en mijn broeder...’ Hiltje vraagt zich afwat er nu in te lezen staat, of liever, wie het is. Want bij zoveel geheimzinnigheid moet wel de liefde in het spel zijn. En is niet het liefdespel het gevaarlijkste dat er is. Tot

39

de dood hen scheidt oftot de dood erop volgt. Hoe was dat versje ook weer verder?

Oja, Hiltje weet het weer: ‘Daar ginder op het kerkhof, daar ligt een mooie, blauwe steen, en al wie daarop trapt, die trapt er op Marijtje.’ Marijtje, met haar heldere lach. Wie is er naast en na vader en moeder, zuster en broeder, nu toch in haar leven gekomen? Een echte vriend ofiemand die ten verderve voert? Wist grotemoeder het maar. Ze moet er maar eens met Inte over praten en Kobus moet er achteraan. Zo kan ze niet blijven tobben. Maar daar hoort ze de boot toeten. Er gaan vooral vrouwen en meisjes naar de kade om te zien wie er meekomen. Daar zal Ma¬ rijtje nu ook wel staan. Het zwaaien van de boot om goed aan de wal te komen liggen, duurt een hele tijd. Hiltje kijkt telkens uit het winkelraam ofhet volk nog niet terug komt. En ja hoor, daar zijn de eersten al. Een haastige reiziger die in een paar uur zijn klanten wil bezoeken. Een paar loggerlui en een enkel dienstmeisje. En kijk, daar heb je Kobus. Die draagt de kleine Grubbelt. Vrouwtje komt er met een sloop spulletjes voor het kind achteraan. Sibbe sjouwt twee zware koffers en Marijtje draagt nog een tas. Het eerste wat Kobus na een hartelijke begroeting gaat doen, is een wandeling maken over het eiland. Hij laat de vrouwen pra¬ ten en zorgen en wil genieten van het weerzien. De haven trekt hem het eerst en een wandeling over het plankier naar het vuurtje aan het einde van de dam. Onderweg ziet hij een scheepje liggen dat niets met de visserij van doen heeft. Nee, het heeft blijkbaar te maken met de komende inpolderingen. Hij groet een jonge man die juist uit het bootje de wal opstapt. De wedergroet van de vreemdeling klinkt niet bijzonder uitnodigend, maar toch besluit Kobus een praatje aan te knopen over de dingen die te gebeuren staan. De man wordt toch wat toeschietelijker als hij merkt dat Kobus goed op de hoogte is van de regeringsplannen. Hij heeft ongetwijfeld een Urker voor zich die hij nog nooit heeft gezien, een ook die geen dracht draagt, maar een jas met lange panden. Het lijkt hem, voor zover hij dat kan beoordelen, een man met domineesallures. Die gedachte wordt sterker als Kobus spreekt over het schone weder en de fraaie luchtspiegeling. ‘God

40

heeft elk ding bewonderenswaardig schoon gemaakt, jonge man, en alles heeft hier zijn tijd, als wij het maar willen zien.’ De jonge man zwijgt, maar in zijn ogen is onbegrip en zelfs afwijzing, zodat Kobus verder gaat: ‘Er zijnjonge mensen die denken dat zij hun levensloop zelf wel kunnen bepalen, maar dat is niet zo. Ons wordt een andere weg gewezen’. Als de ander kucht, zwijgt Kobus. Hij vraagt misschien te veel geduld van de vreemdeling en overschrijdt niet graag de grenzen van de wellevendheid en met een vriendelijke groet vervolgt hij zijn weg naar het einde van de pier, niet wetend wie hij ontmoet heeft. Maar bij Kobus volgen de indrukken zo snel op elkaar dat hij ze niet kan vasthouden. Het gezicht op de havens en het dorp aan de ene kant en het uitzicht over de wijde zee met zeilende en vissende schepen daar tegenover, boeien hem uitermate. Een groter con¬ trast met het turfland waar hij woont en werkt is haast ondenkbaar. Kobus geniet en besluit zijn wandeling voort te zetten langs de vuurtoren en om het Top. De vrouwen zullen nog wel niet uitgepraat zijn en deze eerste uren op het eiland wil hij niet missen. Hij keert terug over de planken en bestijgt de hoogte bij de vuurtoren. Daar kan hij de hele dam overzien tot waar het paalscherm begint. Stil geniet hij van het golfgeklots onder tegen de bult en daalt af naar de waterkant. Wat is hij daar in zijn jeugd vaak geweest. Voor elke grote steen bedacht hij een bijbelse naam. De Jacobssteen waarop de aartsvader lag te slapen en droomde van een ladder tot in de hemel. De steen die Samuel Ebenhaezer noemde, toen de Filistijnen werden verslagen. De rots der ergernis en de steen des aanstoots. En in zee de ommelmoerstien, die alleen maar die naam kon dragen. Maar waar was de steen der wijzen ook alweer? Die was het moeilijkst te vinden, dat werd hem al meer duidelijk. En dan is daar een stem: Wat zoek je daar nou als een ouwe strandjutter onder de dam? Watje daar vindt is de moeite van het meenemen niet waard. Ik heb er net een paarjonge katten verzopen. Er dreefook een dooie hond. Een aanstaande dominee moet het hogerop zoeken’. Als gestoken klimt Kobus bij de dam op. Hij mag zijn zwager Louwe niet erg lijden. Breedgeschouderd en zwaar op de hand oordeelt die vrijmoedig over de preken van de dominee en het geestelijk leven van de ouderlingen. Een waarderend woord is er maar zelden bij. De oude Muiter waardeert hij alleen maar om zijn zakelijk inzicht. Brechtje had het in het begin van het huwelijk niet zo makkelijk met haar man en Hiltje volgde de stelregel dat je men-

41

sen waar je niet mee overweg kunt, zoveel mogelijk uit de weg moest gaan. Ach, de man had ook zijn goede kanten. Kobus informeert belangstellend naar de visserij. Hij weet van Louwe’s trots op z’n hotter en het sjouwtje dat hem onlangs geen windeieren heeft gelegd. Dan kan hijzelf er het zwijgen toe doen als hij naast zijn zwager de weg naar huis inslaat. Het Top moet maar wachten, het is ook zo vroeg al niet meer. ‘Blijfmaar’, roept hij als hij de winkeldeur ingaat. Uit de kamer klinkt rumoer van stemmen. Familie, buren en vrienden kwamen de turflanders begroeten en waar bleef Kobus nou? De koffiepot gaat voor de zoveelste keer rond en een nieuwe koek wordt aangesneden. Het is of de verloren zoon thuisgekomen is. Intussen is Marijtje er stilletjes tussenuit geknepen. Waar die nou weer zit?

Vakantievreugd, vakantieverdriet

Kobus komt ogen, oren, handen en benen te kort om van zijn vakantie te genieten en Vrouwtje leeft op met opgespaarde energie. Wat worden er een bezoeken gebracht. Daar is allereerst Inte, die in de nacht het geruis van de voetstappen des Heren hoort en bij wie hij, de evangelist, zich tot luisteren zet. Dan volgt zijn zuster Brechtje, bedrijvige moeder in een groot gezin en een zwaartillende man, waar hij los komt met zijn verhalen uit het turfland. Als Louwe binnenkomt heeft hij net Brechtje en de kinderen aan het lachen gemaakt en Louwe fronst de wenkbrauwen. In hem heerst de strenge geest van voorheen. Zo behoort hij nog tot de enkelingen die hardnekkig vasthouden aan de traditie die eist dat een vrouw niet vertrouwelijk naast je loopt op weg naar de kerk, maar een oftwee passen achteraan komt, en dat ze in het kerkgebouw gescheiden plaatsnemen. Als hij zijn oude schoonvader ziet lopen met een zelfbewuste, ietwat onverschillige pas, stempelt hij hem als iemand die zijn weg gaat in eigen kracht. Hij ergert zich als hij ziet hoe Grubbelt Hiltje een arm biedt. Zo hoort het niet op ‘oenze laand’. Je liefde handel je achter gesloten deuren en ramen af en daar laat je buitenshuis niet het allerminste van blijken. Je laat je ook door niemand in het hart kijken wat het geestelijke aangaat. Maar toch kan hij zijn gevoelens niet zo goed verbergen dat Kobus niet merkt hoe uiter-

42

mate trots hij is, dat hij, Louwe, zonder de hulp van zijn schoonvader, het van loggerknecht tot botterschipper gebracht heeft. Het heeft hem wel geen gouden bestaan gebracht, maar trots stuurt hij zijn kleine schip door de nukken van wind en water. Nee, Kobus en Louwe liggen elkaar niet. De zoveel jongere Kobus die vrijmoedig en blijmoedig over het geestelijk leven praat en Louwe die al zulk praten ernstig wantrouwt. Louwe’s komst bevordert dan ook Kobus’ vertrek, tot spijt van Brechtje en de kinderen. Als hij buiten is, hoort hij het afslagbelletje tjingelen en hij besluit daar maar eens een kijkje te gaan nemen. De aal is er al verhandeld, er is alleen nog een klein partijtje buitenschol. ‘Geefacht’, zegt de afslager, ‘die zullen we maar niet met de klok mijnen, maar op de ouwe manier van de hand doen.’ En hij vervolgt: ‘Klaor? Ik begin! Achtenta, zuvenenta, zessenta,.... ienenta’. ‘Mien!’ hoort Kobus er een roepen en die krijgt een schaal verse vis toegeschoven. Dan herinnert hij zich dat Hiltje hem gevraagd heeft vandaag voor vis te zorgen. Vergeetachtige domkop dat hij is. Nog levende schol? Nee, maar wel vers aangevoerd. En Kobus weet wat hij doen moet en tot welke prijs. Als de afslager opnieuw inzet voor een flinke zoo, weet hij precies voor een ander ‘mien’ te roepen en krijgt hij de schol toegescho¬ ven. Maar waar zal hij die in bergen? Hij voelt in zijn zakken en haalt er twee grote rooie zakdoeken uit en even later verlaat hij de afslag met aan iedere hand een in een snotdoek geknoopte hoeveelheid schol, voldoende om vijf, zes hongerige magen te voeden. Monter gaat hij de hoogte op en botst bijna tegen ‘oom Pieter’ aan, die net als Grubbelt in vis handelt. Die ziet er op z’n zondags uit. Met zijn door zijn vrouw geschuierde bolhoed op, is hij op weg naar de boot. De gouden ketting op zijn dikke buik schittert in het zonlicht en achteloos bungelt de onafscheidelijke paraplu aan zijn arm. Handen geven is er zo niet bij natuurlijk, maar de begroeting is hartelijk. Hij heeft gehoord dat de koersen van de ansjovis alweer gedaald zijn. Daar moet hij meteen op uit. Zijn vrouw brengt hem naar de boot. Zij is wel een hoofd groter dan haar echtgenoot, en dat mag ook wel. Zo kan de pientere vrouw beschermend op hem neerzien en dat heeft de driftige, opvliegende man ook wel nodig. Haar ogen zien evenwel veel meer dan alleen haar gezin. Kobus moet even luisteren. Ja, dat kan nog wel, de boot heeft nog niet voor de tweede keer getoet. Ze zegt: ‘Niet dat ik me mit jeluiers zaken wil bemuuien, maar jului moeten wat maar acht gieven op dat maotjen van

43

Brechien, die Marijtjen. Oenze laand zit vol vreemden, enje wieten maar niet wat dat vor volk is. En een mins moet net zo goed bidden vor een goeie trouwdag, as vor een goeie sterfdag’. Dan gaan ze verder, Kobus beduusd achter latend. Die haast zich met de schol naar huis. Die moet nog schoongemaakt en gebakken worden, dat de morgen is zo weer voorbij. Intussen vraagt hij zich afwat Miene toch met die waarschuwing bedoelde. Is er wat met Marijtje? Moeder Hiltje heeft ook al gezegd dat ze met hem over het meisje praten wil. Als Kobus in het achterhuis aan het bakken begint, vindt Hiltje de tijd om even met hem te praten. Daar heeft ze al een hele tijd naar uitgezien en nu kan ze dan haar hart luchten. Het lijkt haar niet goed met Marijtje, die is maar om de haverklap het huis uit en soms blijft ze een hele tijd weg. En ze is zo dicht als een pot, maar er moet wel een vrijer in het spel zijn, en dat vertrouwt Hiltje niet. Kobus zal het zelf wel merken. Het is of er een geest uit de afgrond over het eiland begint te waaien, die al het oude tracht mee te voeren. Moderne bevliegingen sinds er baggermolens zijn begonnen te draaien voor die verre dijk. En als Marijtje daar nu ook in meegezogen wordt! Kobus kon altijd zo goed met haar opschieten. Als die nu eens met haar zou willen praten, die komt wel meer aan de weet... Hiltje zucht en Kobus belooft te doen wat ze van hem vraagt. Een poosje later genieten alien van de heerlijke gebakken schol. Ook de Muiter, die opmerkt dat zijn jongste dat in het veen nog niet is verleerd. Vrouwtje geniet volop, maar Hiltje is zwijgzaam. Marijtje zegt ook niet al te veel. Ze vermoedt dat grotemoeder over haar zonden begonnen is, oom Kobus kijkt haar zo aan. En als die na de afwas in de keuken verschijnt, is de vogel al gevlogen. Zopas hoorde hij haar nog met potten en pannen rommelen en nu is ze weg. Ze heeft zich niet meer in de kamer gewaagd. Even later verschijnt ze nog even voor het raam. Ze tikt op de ruit en roept dat ze voort gaat. Ze heeft warempel de kleine van Kobus in een geleende kinderwagen gezet en laat Kobus en Hiltje verbluft achter. De Muiter heeft zich in zijn kantoortje teruggetrokken. Een gemiste kans voor Kobus.

Marijtje stapt energiek achter de piepende kinderwagen over het smalle dijkje langs het paalscherm. Regelrecht stevent ze af op de Staart, de zandrichel die met zijn breedste kant tegen de punt van het eiland zit geplakt en steeds smaller wordend in zee uit-

44

loopt. Het begint er op deze warme middag nog druk te worden. Vrouwen zedig in de dracht zoeken een plekje tegen de palen in het rulle zand. Enkele meisjes wagen het de kousen uit te trekken en wat in het ondiepe water te waden met lichtelijk opgeschorte rokken. Meer zou aanstoot geven. Alleen de kleine jongetjes hebben meer voorrechten. Die ploeteren rond in het onderbroekje of zelfs in Adamskostuum. Marijtje geniet van zon en wind en van het kraaiende kind. Maar ze mist iets. Ze ondernam niet alleen als uitvlucht deze tocht of om het kleintje een plezier te doen. Telkens kijkt ze wat verstolen naar een bepaalde plek. Daar, zo is haar ingefluisterd, moeten opmetingen worden gedaan. Maar ze heeft pech, er is niets te zien. Als de kleine uit de wagen wil, roffelt ze hem hardhandig op zijn plaats en het kind begint een keel op te zetten als Kobus in de kerk. En weer gaan haar ogen naar de hoek van de palen. Dan krijgt ze een schok. Haastig tilt ze Grubbeltje uit de wagen en zet hem in het zand en vriendelijk probeert ze het kind met een speeldingetje te troosten. A1 wat Marijtje van deze middag verwachtte is gekomen en darteler wordt haar doen. Merken de anderen wat van de verstolen blikken die ze met Frans wisselt? Voor hen is hij een vreemdeling, maar voor haar... Zij begeeft zich met het kind in zijn richting en telkens weer trekt zij zijn bewonderende blikken met haar kirrende lach en sierlijke heupwieging, die als het ware een is met het geruis en de beweging van de golven. Dat kind hoort bij de zee. Ze heeft iets van het raadselachtige van het water. Zij is zijn geheim en hij het hare. Heerlijk is die middag het verblijf op het strand. Als de mannen weggaan en Frans, vrolijk fluitend, vlak langs haar gaat, tilt zij het kind weer in de wagen en begint de terugtocht. Als ze het dorp weer nadert, vervullen bange voorgevoelens haar gemoed. Grotemoeder zal nu tegenover Kobus haar doopceel wel gelicht hebben en haar geweten begint te spreken vanwege haar stiekeme gedrag, want wat weet zij eigenlijk van die man die ineens alles voor haar is en in wiens armen zij zich in het donker op de planken van de dam zo gelukkig voelt? En waarom durft ze niets van die vriendschap te zeggen? Liefde is toch de mensen ingeschapen? Dat zegt grotemoeder toch ook? Liefde is geen schande, maar je moet er wel mee weten om te gaan. Enje moet ervoor uit durven komen. Maar dan siuit Marijtje’s mond zich als een streep. Het zal toch in de toekomst wel meer gebeuren dat Urkers met vreemdelingen gaan en omgekeerd, denkt ze dan. Maar is dat

45

wel alles? Ze drukt de gedachte weg. Daar heeft geen mens wat mee nodig. Ze heeft de man, die zij zo liefheeft, beloofd over hem te zullen zwijgen, en dat zal ze doen ook, al gaan ze allemaal op hun kop staan. Vastbesloten stapt ze de winkel binnen. Gelukkig, Kobus is er niet en grotemoeder zwijgt.

In de dagen die volgen is Marijtje volgzaam en ijverig, zodat grotemoeder zich verwondert, maar zij vermijdt het alleen-zijn met Kobus. Die is trouwens nog niet aan het einde van zijn huisbezoeken. Ester staat nog op het programma en de dominee niet te vergeten en familieleden tot in het derde en vierde geslacht terug. Bovendien, bij Inte wordt hij dagehjks verwacht en daar ontmoet hij ook Ede, die in haar eenvoudige en stille trouw hoe langer hoe meer zijn waardering opwekt. Had Marijtje maar meer van dit meisje! De vriendschap tussen die twee schijnt niet zo hecht meer te zijn. Dat stoort Hiltje niet zozeer. Die voelt nog altijd een steek in het hart als zij Ede ziet en komt dan in haar eigen schuld: Kim je dan nooit ten voile vergeven en vergeten? Daar moet je toch zelf ook van leven? Maar Kobus wordt door zulke gedachten niet gekweld. Hij wordt getroffen door de diepe gedachten van het meisje, wat je niet bij haar leeftijd zou verwachten. Is dat Ester’s invloed, of meer die van Inte? Ze praat niet zo banaal over het weer als anderen, maar heeft aandacht voor een mooie avondlucht en een stralende sterrenhemel. Kobus heeft haar al de grote Beer gewezen, die in Job de Wagen wordt genoemd, en ook het Zevengesternte. Ze was zichtbaar onder de indruk en met bedachtzame gang ging ze weer naar binnen.

Maar na een week zijn de meeste bezoeken wel gebracht. Als Kobus op een mooie avond op de ouderlijke woning afstevent, treft hij onderweg Marijtje die ook op weg is naar huis. In de natuur heerst een serene rust; alles is zo stil en wit in het maanlicht. Geen klompgeklots ofvogelgeroep verstoort de stilte. Is dit Kobus’ kans? Maar nee, Marijtje snelt al weer vooruit. Grote¬ moeder bereddert al alles voor de nacht. Ze schuift de grendels op de deuren, kijkt of de kachel geen kwaad kan en gooit de bakaker leeg. Dat laatste doet ze om te voorkomen dat Marijtje in de ochtend het dode, verschaalde water voor de koffie zal gebruiken. Daar moet opnieuw voor geput worden, weet je. Ze vraagt nog of Marijtje wel alle katten weggebracht heeft. Zo nu en dan meent ze nog gemiauw ergens te horen. Antwoord krijgt ze niet meer. Marijtje is al naar boven. Als Hiltje zich als laatste

46

te ruste heeft gelegd, wordt het stil in huis, maar ze kan de slaap niet vatten. En ineens is er een dof geluid dat haar hele wezen doortrilt. Vergeten angsten wieken weer aan. Met nietsziende ogen staart ze in het donker van de nacht, naast de rustig slapende man. Hoort ze hoe boven haar voorzichtig een deur geopend wordt? Is daar het miauwen van een kat? De zonden der vaderen, ruist het door haar denken, worden die bezocht aan de kinderen? Dan kan ze het in bed niet meer uithouden. Geruisloos laat ze zich van bed glijden en op blote voeten zoekt zij zich tastend een weg in het half donker. Voorzichtig gaat ze de trap op. Een tree piept, de deur van Marijtje’s kamertje staat open en maanlicht valt door het venster. Dan stokt Hiltje de adem in de keel. Zij ziet het onbeslapen bed. Een kat ligt er bovenop te snurken... In grotemoeders hart schrijnt een oude en een nieuwe wond: Marijtje is er midden in de nare nacht op uit! Haar ogen vullen zich met tranen en het bloed stijgt haar naar het hoofd. Onzeker gebarend en tastend daalt ze de trap af. Telkens moet zij zich vastgrijpen. Ze houdt krampachtig haar nachtjak om haar hals gesloten. Wat moet ze doen? Alarm slaan? Een openbaar schandaal riskeren? Besluiteloos klimt ze weer in de bedstee. Die man ook! Die slaapt maar de slaap des gerusten! En zij? Het ene kwartier verstrijkt na het andere. Maar het geluid dat vertellen moet dat haar weerbarstig kleinkind terug is, blijft uit. Wie mag het toch zijn die Marijtje naar buiten lokt? Dat kan toch geen man zijn die echt van haar houdt. Het moet er wel een zijn van het soort dat het daglicht schuwt. Ze wordt doodmoe, en tegen wil en dank valt ze in een onrustige slaap. ‘Morgen’, kreunt ze nog zacht, ‘morgen’. Intussen is Marijtje langs de palenrij gesneld die het eiland beschermt tegen stormvloeden. Daarginds wacht haar vriend. Hij heeft het haar toegefluisterd toen hij passeerde op het zand van de Staart. Regelrecht snelt ze nu in armen die haar opvangen. ‘Wat heb je mij lang laten wachten’, zegt hij zacht, ‘ik heb zo naar je verlangd.’ ‘En ik naar jou’, zegt ze, en kust hem op beide wangen.

47

De vreemdeling

De volgende morgen lijkt er tot Hiltje’s verbazing niets aan de hand te zijn. Marijtje komt op tijd en fluitend beneden en is gewillig in alle tuigen. AIs grotemoeder over de verborgen kat begint, is ze dadelijk bereid die bij ome Lord te brengen. Het schijnt Hiltje toe, dat zij de rest heeft gedroomd. Dan maakt ze zo gauw ze kan Kobus deelgenoot van haar grote bezorgdheid. Wat is er toch met Marijtje aan de hand en wat staat hen te doen. Louwe inschakelen? Die heeft zich zelden met zijn oudste dochter bemoeid en zij loopt de kans dat hij over de roede praten zal die Hiltje gespaard heeft en de sfeer en mensen in huize Muiter de schuld zal geven. Met Grubbelt praten haalt ook niet veel uit. Die kent uit zijn eigenjonge jaren de sluikwegen van de liefde en zal het niet zo zwaar opnemen. Bovendien heeft hij een groot vertrouwen in Marijtje. De dominee erbij halen lijkt ook niet wenselijk. Dan loopt het met een preekje af en wat kan de man meer doen? Nee, Hiltje en Kobus, die moeten raad schaffen. Er zal niets over de ontsnapping van gisteravond laat gezegd worden tot ze meer weten. Zo gauw Marijtje weer de plaat poetst, zal Kobus haar proberen te volgen. AIs hij haar met een jongen aantreft, kan ze niet meer onder de waarheid uit en moet die wel aan het licht komen. De hele dag zijn moeder en zoon op hun hoede, maar er gebeurt niets. Marijtje werkt voor twee. Tegen schemerdonker knapt ze zich op en zegt de door grote¬ moeder gesignaleerde kat bij ome Lord te zullen afleveren en nog even bij Inte en Ede aan te gaan ook. Even later volgt Kobus behoedzaam haar spoor. Hij ziet haar bij de Lord uitkomen en de weg naar het havenplankier langs de dam inslaan. Hij weet ook dat daar sinds de vorige dag weer het scheepje van Rijkswaterstaat ligt, dat telkens weer in de haven verschijnt. Dan gaan er een paar mannen met meetapparatuur de wal op en zijn nu eens aan de noordkant van de bult, bij het Kerkje aan de Zee aan het passen en meten, en dan weer aan de zuidoostkant van de buitenhaven, waar denkelijk gemaal en sluizen moeten komen en een zogenaamde werkhaven. Nu ligt het schip bij het binnenvuurtje op de hoek waar het strandje is. Kobus daalt de hoogte af

48

waar gewoonlijk de staverse jollen een ligplaats vinden en loopt in het vallende donker de planken op. Maar bij het vuurtje en de boot is niets te zien. Misschien op het strandje. Kobus klautert behoedzaam de dam op en als hij over de rand gluurt ziet hij Marijtje en een vreemdeling dicht naast elkaar zitten in het zand, vlak onder zich. Maar zo wil hij hen niet overvallen. Hij laat zich zakken, loopt terug en maakt een damwandeling in him richting. Ze zien hem komen en staan op. Hij groet en de vreemdeling groet terug. Marijtje zwijgt, geschrokken door zijn verschijning. Dan zegt Kobus: ‘Marijtje, grotemoeder heeft je nodig, wilje nu naar huis gaan? Dan kan ik eens even rustig met je vriend praten’. Er is geen ontkomen aan en Marijtje gaat. En daar staan dan in het halfdonker de twee mannen tegenover elkaar. Het is niet moeilijk een gesprek te beginnen. De Zuiderzeewerken leveren weer stofgenoeg en de vreemdeling is beleefd genoeg. Kobus noemt nu zijn naam, maar de vreemdeling zegt alleen maar Frans. En ineens ziet Kobus wie hij voor zich heeft en dat maakt het gemakkelijker. En dan komt het gesprek op de vriendschap met Marijtje. Frans zegt dat hij haar een frisse, vrolijke en ook pientere meid vindt. Dat hij met plezier naar haar kijkt en prijs stelt op haar vriendschap. Zoiets is toch ook op dit eiland niet verboden? Of mogen vreemdelingen niet met Urker meisjes omgaan en vriendschap sluiten? Nee, dat is het niet, zegt Kobus, dat komt al veel meer voor, maar dit gaat zo, ja, zo stiekem. Waarom toch? En wie is hij en waar komt hij vandaan en naar welke kerk gaat hij? Dat mag hij als oom van het meisje toch wel weten? Maar Frans houdt zich op de vlakte. Nee, kerkelijk is hij niet, maar hij respecteert anderen. Zijn vriend¬ schap is zuiver en hij geniet van dit onbedorven Urkerinnetje. Deze kennismaking verruimt zijn horizon. En de betrokkenen hoeven niet bang te zijn. Marijtje is kuis en weet wat ze wel en wat ze niet wil, dat heeft hij wel gemerkt. Zulke vriendschappen kunnen toch niet verkeerd zijn? De antwoorden bevredigen Kobus niet en als hij vraagt of Frans een vrij man is en eventueel aan trouwen zou denken, houdt deze zich weer op de vlakte. Nee, hij is min ofmeer gebonden. Dan breekt hij met een beleefde groet het gesprek af, Kobus met zijn vragen achterlatend. Langzaam gaat deze huiswaarts. Daar is Marijtje al lang aangekomen, ze weet dat nu het uur van de waarheid zal slaan. Als grotemoeder vraagt waar ze vandaan komt, zegt ze, dat ze met haar vriend van de Zuiderzeewerken heeft gesproken. ‘Een

49

vreemde?’ roept Hiltje, ‘een vreemde?’ Dat belooft in haar ogen met veel goeds, maar Marijtje verdedigt hem met vuur. En de woorden komen uit haar hart. Hij is immers de enige voor haar. Niet zo opdringerig en doordouwerig als die Urker knapen en met veel meer fatsoen. Hij respecteert haar in haar opvattingen en in de grenzen die ze stelt. En als grotemoeder zich kwaad maakt over haar stiekeme gedoe, tekent haar houding alleen al protest aan. Fier heft ze het hoofd, ondanks de lelijke woorden die haar treffen. Voor Hiltje schuilt er gevaar in al dat nieuwe dat aan het eiland opgedrongen wordt. En wat is dat voor gedoe om er niet eerlijk voor uit te komen. Liefhebben is toch geen schande? Om echte liefde zal toch niemand haar zwart aankijken? Ze heeft er toch ook de leeftijd voor? Nou ja, Hiltje geeft toe dat ze in een vreemdeling als levensgezel voor haar Marijtje niet zoveel ziet, maar dat maakt het meeste niet uit. Dat zal in de toekomst wel meer gebeuren. Dat houdt geen mens tegen. Kobus zegt dat ook. Urkers zullen zeker met vreemden gaan. Het gaat grotemoeder wel door een hard bot, want wat moet er van terecht komen als misschien dan ook de oude waarden worden losgelaten en de overgeleverde dracht verdwijnt? Marijtje laat grotemoeder praten. Wie heeft er met haar liefde wat te maken? Ze zit daar als een beledigde koningin. ‘Ja maar, Marijtje’, gaat Hiltje verder, ‘dat is toch de verkeerde warreld. Ieder maotjen is er groos op as er een knappe jonge nor d’r vrijt, en wil dat wieten ok, maar jie!’ ‘Een jonge?’, snuift Marijtje verachtelijk. Haar wangen kleuren zich donkerrood en driftig schitteren haar felle ogen als ze vervolgt: ‘Lot m’n toch mit rust. Jullie heawen’t toch zelf ok zo edoon? Ik wil ok m’n eagen leven leien!’ ‘Ja, maar we wazzen niet zo afterkoesig, zo stiekem.’ Och, Hiltje verschiet tevergeefs haar kruit en Marijtje vertrekt als er nog late klanten in de winkel komen die ze kan helpen. Hiltje wacht op de komst van Kobus. Wat zal die voor nieuws hebben. Marijtje was voortdurend haar verwanten te slim af. Heeft Kobus niet al meer dan eens zijn wandelingen in de avond uitgestrekt van de vuurtoren tot de Staart, langs het dijkje en langs de haven, nu eens vroeger en dan weer later? Marijtje was elke keer iedereen te slim af. Liefde zoekt list, dat is een waar woord. Winkelsluiting kent het eiland niet. Tot middernacht kan er wel vissersvolk aan de deur komen dat nog het een en ander nodig heeft voor het afvaart, zoals ook nu. Als Marijtje echter klaar is,

50

keert ze niet in de huiskamer terug, maar gaat naar boven en kruipt in bed. Ze wil er niets meer van horen, ook niet als Kobus zo thuis komt. De kogel is nu door de kerk en maar goed ook. Het werd hoe langer hoe moeilijker voor haar haar lastige opvoeders te ontglippen. Him achterdocht groeide met de dag, maar ze was hun te slim af. Pas nog, toen zij en hij in een vriendschappelijke houding op ‘de steen der wetten’ zaten. Ze moet er heimelijk om lachen. Toen hoorden ze iemand aankomen en lieten zich glijden tot onderaan de dam tussen de hoge stenen. En bovenaan ging Kobus met zijn lange bedachtzame passen voorbij. Hij kon eenvoudig niet bevroeden dat die heilige plaats uit zijn jeugd, waar hij alle bijbelse stenen had gelokaliseerd en aan Muitertje, het kleine kind van toen, had proberen uit te leggen, ontwijd zou worden door haar vrijerij. En daar verschool nujuist de hem ontgroeide Marijtje zich in de armen van haar geliefde. Haar kirrende lach, toen zij Kobus zo goed om de tuin had geleid, hoorde alleen de man die zich over haar heen boog en wiens adem haar gezicht beroerde. Ze denkt aan wat toen verder gebeurde. Hij trachtte voordeel te halen uit haar uitgelaten bui en wilde het spel van de liefde wel verder spelen. Maar toen was ze opgesprongen met een krachtig nee. Ze liet zich niet dwingen in haar liefde, niet door haar familie en niet door haar Frans. Een stevige zoen ten afscheid, dat gaf pas, maar meer niet. En nog voor Kobus was ze die avond thuis, net als vanavond, maar toch, hoe anders!

Als de boot toet

Op de haven is meestal wel wat te doen, maar het is er altijd druk bij het komen en gaan van de postboten. ’s Morgens en in de zomer ook’s avonds nog, maar vooral in de middag als de boot die van Enkhuizen komt en die uit Kampen kort na elkaar aankomen en na een kort oponthoud voor laden en lossen ook weer in tegengestelde richting vertrekken. Zo is er een vaste verbinding Kampen-Urk-Enkhuizen, vice versa, zoals dat heet. En elke boot die de haven inkomt, laat een of twee keer van zich horen door middel van de stoomfluit, die over het hele dorp te horen is en bij vertrek zelfs drie keer. Sommigen vinden dat

51

getoeter geheel overbodig, maar de meesten waarderen het als de kapitein zulke krachtige stoten van de toeter laat horen op de vaste tijden. Het is een klok voor de moeders om de aardappelen op te zetten of de kinderen naar school te sturen. Het is een waarschuwing voor de vrachtrijders en de melkboeren dat ze pakken en bussen nu subiet moeten halen of brengen. De groenteboer grijpt zijn handkar en Knieles die pakjes bezorgt zijn kruiwagen. En bovenal, dat botengedoe is een verzetje, zeg maar het verzetje, voor de huisvrouwen wier leven wegebt in niet aflatende plichten en haast voortdurende armoede. Wie komen aan en wie vertrekken weer, en wat hebben ze voor nieuws of nood? De boot toet, even er tussenuit! Op de ondermuts desnoods en op een en andere klomp, de boezel scheef en nat of omgeslagen, het maakt weinig uit. Nee, bij de boot vertoont het eiland zich niet op z’n best, met schamele kledij en verlept vrouwelijk schoon. De boot toet. Volwassenen en kinderen krioelen op de kade dooreen. Het schijnt uren te duren voor de grote schepen in de kleine binnenhaven hun draai gemaakt hebben en de wachters korten zich de tijd met kibbelen om de beste plekken en kritiek oefenen op wie komen en gaan, zichzelf voorbijziend. En nu, met de aanstaande werken voor de aanleg van een polder bij Urk, komen er nog andere boten dan de postboten bij, maar die toeteren niet, tenzij bij wijze van waarschuwing als er gevaar dreigt voor aanvaring. Er zijn vrouwen die dit bootlopen gewoon in het bloed zit. Ze hebben voor een moment de wastobbe opzij geschoven, zich het schuimende zeepsop van de armen gestroopt en de onder¬ muts recht geduwd en haasten zich de glooiingen naar de haven neer. Kinderen klepperen er op hun klompen achteraan, de kleintjes klagen dat ze het niet kunnen bijbenen: ‘Stille nou, zuun, we gaon kieken of je muutjen Marrie op de boot is, ofje taote die van de logger komt, en die het lekkere kaaks bij ’m, stille nou.’ Het meest verdrietige gezichtje knapt zienderogen op bij zulke vage beloften. Ja, in beloven zijn de moeders sterk, voor het volbrengen ervan schort het aan centen. En je weet het nooit met die boten. De loggerman kon onverwacht thuiskomen en zijn vuile plunje in een hoek van het achterhuis gooien en de begeerde scheepsbeschuit uit zijn bultzak halen, met wie weet wat nog meer.

Als Hiltje de boten hoort toeten weet ze dat ze elk ogenblik bezoek ontvangen kan en niet altijd even prettig. De controleur

52

van weegschaal, maten en gewichten, een ambtenaar van de belastingdienst, een zeurderige reiziger die haar onder het koffielurken waren wil aansmeren die ze niet nodig heeft. Ze is maar weer blij als de laatste boot drie keer getoet heeft en weer vertrokken is. Maar deze dag is dat anders. Het is de dag van Kobus’ vertrek en van Vrouwtje en het kleintje natuurlijk. Ze zal hen missen. Ja, druk was het wel en niet zo vrolijk als anders. Hij is niet meer de zorgeloze filosoof uit zijn jongere jaren. De plichten in het verre veen stempelen hem, en dan nog de studie die niet vlotten wil. En nu waren daar de zorgen om Marijtje nog bijgekomen en de gesprekken die volgden op het bekend worden van haar vreemde vriendschap. De ernst van zijn beroep had Kobus overvallen. Hij begreep het: Marijtje verkeerde in een crisissituatie en wat moest daaraan gedaan worden? Op zijn terugweg had hij in stil gebed omhoog gekeken naar de sterren. En daar meende hij het in te lezen. Er was voor het meisje genezing te vinden door afleiding en verstrooiing elders. Maar waar dan? In turfland vanzelf, een middel met nog een andere goede kant ook. Terug in het veen zou Vrouwtje als gewoonlijk weer onwennig zijn en allesbehalve in een vrolijke stemming. Nou dan! Marijtje kan uitstekend haar handen roeren en is niet zo zwaartillend van aard. Zij zal die vreemde snuiter vergeten. Zo snijdt het mes aan twee kanten. Hij glimlachte om zijn oplossing voor het probleem Marijtje, een oplossing die samen kon vallen met die voor de depressie van Vrouwtje: Een mengeling van onbaatzuchtigheid en zelfzucht dus. En zo stelde hij het Hiltje voor, na een inleiding als van een preek en met de nodige voorzichtigheid in de toepassing: ‘Als je Marijtje nu eens een poosje aan ons meegaf?’ Maar daar moet een nachtje over geslapen worden door Hiltje. Zij mompelde: ‘Zo’n filosoof en wenste Kobus wel te rusten. Kobus kan de rest wel dromen: Zijn moeder rommelt nog na in de kamer en zet de stoelen recht. Ze sluit het huis met de voorzichtigheid van haar trouwe zorg. Alles en iedereen is binnen. Niets komt erin wat er niet thuis hoort. Dan klimt ze in de bedstee en vouwt de handen. De morgen bracht licht en uitkomst. Hiltje ging akkoord. De Muiter, Inte, Brechtje en zelfs Marijtje volgden. Die wist wat de anderen niet wisten. De boot van de polderwerken zou zich enige weken bij Schokland en het Kampereiland ophouden en zodoende werd alles voor de bootreis terug vlot in orde gemaakt. Marijtje’s wangedrag werd vergeten, de laatste, heerlijk toebereide vis

53

8. Even poseren voor de fotograaf.

9. Straatje in oud-Urk

54

werd door Kobus en Vrouwtje genuttigd en de problemen leken al half opgelost. En toen was daar de bestelde Knieles met zijn kruiwagen om het gezelschap met pak en zak naar de boot te brengen. Verduld, daar toet-ie al voor de eerste keer. Nee, Hiltje neemt afscheid in huis, dat spaart tranen en een gekreukelde hulle. Kobus, wat zoek je nou toch nog? Ja, neem die klompen ook nog maar mee, en maak nou voort, daar is al de tweede toet. Hiltje zucht opgelucht als het gezelschap vertrokken is. Grubbelt brengt ze naar de boot. Tutte Inte staat in de deur en wuift ze na, die heeft al in een intiem gesprek afscheid genomen. Hiltje kijkt op de klok. Het is tijd voor de afvaart. Ja, daar gaat de stoomfluit voor de derde keer. Nu worden de touwen losgegooid. Vaarwel en tot ziens. Kobus heeft Vrouwtje en het kind in het achteronder gebracht. Zij is altijd bevreesd voor zeeziekte. De pakkage heeft hij bij elkaar gezet in een hoek van de salon boven. Dan wil hij van het uitvaren genieten. Maar waar is Marijtje? Marijtje is buiten gebleven. Zij staat in het gangboord en tuurt de binnen- en buitenhaven af. Ziet ze daar de boot van Frans? Warempel, ook die staat op het punt af te varen. Gespannen volgt ze de bewegingen van het scheepje. Het is sneller dan de boot, vanwege de sterke motor. Kijk, dan komt het langszij, en nu haalt het de boot al in. Het kruist zelfs het spoor van de postboot. Te dicht, volgens de kapitein en hij laat een waarschuwende toet horen. Maar dan slaat Marijtje’s hart als een bonkende motor. De deur van de stuurhut van Frans’ bootje staat open. Hij komt in de opening staan met zoekende wending van het hoofd. Marijtje ziet hem. Hij ziet haar. Zwaaiend gaan hun handen omhoog, tot de boten wenden. Marijtje’s dag is goed. Zo’n afscheid zal geen afscheid zijn...

Kobus’ dag is ook goed. Hij gaat, met weldaden overladen, naar zijn plichten terug. Naar de mensen die hem nodig hebben. Zolang mogelijk blijft hij aan dek om de huizen, de kerk en de vuurtoren langzaam maar zeker in de verte te zien verdwijnen. Dan overvalt hem de emst van zijn beroep en mijmert hij over een veilige haven van rust. Het water is nu rustig. Verfrissend waait hem de wind door de haren. Het geruis van de golven klinkt als een welluidend lied dat ruist door zijn ziel: ‘O God, hoe goed zijt Gij alom, en hoe machtig groot zijn Uw werken aan alle plaatsen van Uw heerschappij’. De zorgrimpels op Kobus’ gezicht

55

verdwijnen. Het lied verzwakt, het geluid van de stampende stoommachine wordt sterker. Het is een teken dat dromen dromen wel goed is en mooi ook, maar dat de praktijk van het leven harde eisen stelt aan ieder mens. Zei Bessie het niet altijd dat een mens plichten heeft ten einde toe? Hij gaat Vrouwtje en Marijtje gezelschap houden, zij het niet voor lang. Een schip passeert. De boot toet! Voor Marijtje was de armzwaai voldoende om zich opgewekt tot haar reisgenoten te wenden, maar ze is toch te onrustig om twee uur stil te zitten. Ze zet het akelige woord ‘gebonden’ van zich af en gaat helpend en gekheid makend rond. Vrouwtje profiteert van de rust nu ze het kind aan een ander kan overlaten. Het stemt haar mild tegenover de man die haar vergeten schijnt. Die is wel in een heftig discours met de kapitein gewikkeld of met een van de reizigers. Zo is hij nu eenmaal. Maar dan zijn ze al gauw in het Keteldiep en doemt Kampen op. En dan wordt het sjouwen met al die bagage over de IJsselbrug naar het station. De vrouwen verwensen Kobus’ voorliefde om zoveel mogelijk tegelijk mee te nemen. Daar kwamen dan de nagekomen gaven voor de evangelist in het veen nog bij. Maar goed, ze halen het treintje en kunnen de benen strekken. In het trammetje vraagt de conducteur waar hij moet stoppen. Kobus biedt hem een sigaar aan en ze worden het eens over de beste plaats. ‘Maar dat is nog een heel stuk lopen’, zegt Vrouwtje verstoord en wijst op de berg pakjes. Waarom nam hij toch al die aangeboden gaven aan, alsof ze naar Siberie moesten. Ze zal hem nooit begrijpen, die man. Marijtje leest de ergemis op haar gezicht nu ze het eenzaam oord weer naderen. Dan vraagt Marijtje of ze wel echt van Kobus houdt. Vrouwtje bloost tot onder haar hoed en stelt zich voor dat het meisje haar nog wel meer lastige vragen stellen zal. Kobus is een bovenstebeste man en ze verwacht een tweede kind van hem, maar waarom ging hij toch naar deze uithoek? Eindelijk zijn ze er, dat wil zeggen, op de afstapplaats aan het kanaal, midden in de eenzaamheid en in de stilte als het tram¬ metje verder is gepuft. En daar staan ze dan. Hoe komen ze thuis? Het gesjouw kan opnieuw beginnen. Op de plaats waar ze over het kanaal moeten, ligt het bootje aan de overkant. Dat wordt roepen en wachten. Ineens mist Marijtje het roerige eiland. Hier geen kwetterende stemmen en spottende opmerkingen. Ze staan als een stelletje landverhuizers als verloren in een heideveld. Zwijgend stapelt ze de weggegleden pakjes weer op

56

elkaar en droomt weg. Hee, ziet ze daar een zwaaiende hand? Hoort ze de boot toeten?

Opnieuw Laampie

Dat toeten van de boot was verbeelding, maar die zwaaiende arm is werkelijkheid. Aan de overkant staat een jongen die de reizigers uitbundigbegroet en ook Kobus zet zijn stembanden uit en dat wil wat zeggen. Vrouwtje leeft op na de vermoeienissen van de reis. Terwijl ze de spelden uit haar hoed trekt, vraagt ze aan Marijtje hoe die het hier vindt. ‘Wei een beetje levenloos’, zegt het meisje, dat verstrooid om zich heen kijkt. Waar is nu die wondere bekoring die tutte Inte haar voorspelde? Hier is niets dan het suizen van de wind. En hoe simpel is dit rechte water. En hoe kon Inte nou weten hoe het hier zou zijn. Die kent de streek alleen maar van de verhalen die Kobus haar heeft opgedist. Het is net of alle leven en vertier achterbleefin het huis van grotemoeder. Kobus telt nog weer eens de pakjes: hij mist het pakketje met de worst dat hem nog bij de boot is gebracht. Dat brengt Marijtje tot zichzelf. Ze zegt dat hij niet tellen kan en haalt het gezochte onder haar achterste vandaan: ze heeft er al een tijd op gezeten. En nu kirt haar lach over het veld: ‘Zo plat als een skolletje, maar worst is worst’. Dan springt Laampie uit de boot en Vrouwtje prijst hem. En wat heeft hij goed de dag van hun terugkomst onthouden! Geen wonder, zegt Laampie, ik heb toch dat mooie Urker kaartje met de post gekregen, met dag en uur erop? En hij voegt eraan toe dat-ie de koffie ‘bruun’ heeft. En dat is meer dan de reizigers hadden kunnen hopen. Een helper erbij voor het sjouwen is welkom en intussen doet de jongen enthousiast verslag over de koppige geiten en de groei van het varken. Maar nou zijn alle krielaardappeltjes ook op. ‘Dan ben je wel royaal geweest, Lamert’, berispt Kobus. Dat deftig noemen van zijn naam maant de jongen tot voorzichtigheid. Maar kon hij het helpen dat de beesten losgebroken waren? Het schut was niet sterk genoeg, maar Lamert heeft het wel goed gemaakt. Hij straalt van trots en zijn witte tanden blikkeren. Maar och, een van de vogeltjes is van zijn stokje gevallen, de bonte met die wijde vlerken, maar geleden heeft het diertje niet.

57

Is het al begraven? wil Kobus weten. Een duw van Vrouwtje waarschuwt de jongen. Zijn stopwoord: ‘Ik zal wel wiezer wezen’ houdt hij nog net binnen. En dan zijn ze er, maar dan schrikken ze ook. De jongen en het vee hebben er wel huisgehouden. De beesten liepen hem overal na, verontschuldigt hij zich, en hij kon toch niet overal tegelijk zijn? En wat geeft nou zo’n beetje mest op het aanrecht, dat heeft de bruine bamevelder hem geflikt, en leer nou de vogels het zaadstrooien maar eens af. Marijtje krijgt de kriebel van die jongen, die wel intussen met takjes en twijgen snel voor vuur zorgt, dat hij met bolle wangen aanblaast. Snel verspreidt zich een geur van dennehout en een licht geknetter brengt sfeer en huiselijkheid in de wat ontredderde woning. Even later roert Laampie als een volleerde kok in de pap en nog eer er een kwartier verstreken is, kan ieder zijn honger stillen. Buiten valt de duistemis, maar binnen is het licht en warm en ondergaat ieder de behaaglijkheid van het thuis zijn. Als na het avondgebed ieder de rust van de slaap zoekt, lukt het in elk geval Marijtje niet deze meteen te vinden. Ze kan aan niemand haar belevenissen vertellen. Ze mist iets en... iemand. Doezelt ze al even weg, telkens schrikt ze weer wakker. Het helpt niet dat ze haar kussen van de ene naar de andere hoek smijt. Wat is het hier toch stil. Geen geklos van klompen, geen klokkeslag van de raadhuistoren, geen schreeuw van een meeuw. Eerst als een bekende gestalte haar in de droom blij begroet, valt ze tenslotte in een diepe slaap. Ze ontwaakt als het morgenlicht over haar aantrekkelijk gelaat speelt. Dan is de droom voorbij. Marijtje springt uit bed en gaat zich buiten bij de regenbak wassen. Het blonde haar golft in brede slierten over haar schouders en glanst in het zonlicht. Met een snelle hoofdbeweging gooit ze het naar achteren. Ze weet zich mooi en geniet van de morgen. De leeuwerik stijgt hoog in de lucht en achter het huis hoort ze gekoer. Dartel loopt ze een paar maal om het huis dat nog in rust is. Hoe anders is het hier dan op het eiland. Geen steegjes en straatjes, geen klossende klompen, geen haven, maar een kanaal. Dan komt, gedragen door de morgenwind, het geluid van klingelende belletjes nader. Haastig verschuilt Marijtje zich achter de heg. Laampie komt de weg af met zijn kudde en hij mag haar, ongeschoeid en half gekleed, zo niet zien. Maar als hij Kobus’ sikken uit de stal Quit, krijgt hij haar toch in het oog en hij roept vrolijk: ‘Ge hoeft niet weg te krupen, ik hebbe noe toch geen tied om oe te zuuken’. Bewonderend kijkt hij naar het frisse deerntje met

58

het blonde haar en de blote armen en voeten. Dat deerntje kleurt tot in de hals en snelt het huis binnen, terwijl ze Laampie nog hoort roepen: “Wacht maar, tot ik strakkies weerkomme’. Uit de gang klinkt nog haar weerwoord: ‘Heikneuter!’ Het is het begin van een opmerkelijke wrijving tussen die twee. Hij schijnt alles hier beter te weten dan zij en dat kan zij niet hebben. Daarvoor draagt ze haar hart te hoog. Laampie’s onhandige pogingen voor een beetje toenadering en vriendschap weert ze af. Trouwens, ook met Vrouwtje en Kobus botert het niet te best. Marijtje wil in het huishouden al teveel in de melk te brokken hebben en vindt dat haar oom zich overdreven veel voor het karretje van het veenvolk laat spannen. Hij moet meer voor zijn eigen belangen opkomen en niet over zich laten lopen. Wat koopje voor plichten tot het einde toe. Maar Marijtje kan toch bij Kobus wel een potje breken en hij geniet soms van haar pittige opmerkingen en rake typeringen van land en volk. Laampie schudt ze van zich afals heidepluis, zijn stille hulde voor de vrijmoedige Marijtje neemt er eerder door toe. Ach, en’s avonds als de zon daalt over de velden, heeft deze streek zo zijn eigen bekoring. Dan staat ze buiten en luistert naar de geheimzinnige geluiden van de naderende nacht. Zo rijgen de dagen zich aaneen. Het is of haar herinneringen daarmee ook vervagen. En onder de bedrijven door voert ze toch wel wat opdrachten uit voor de zwoegende en hardwerkende Kobus, die nu wat meer tijd voor zijn studie heeft. Hij zit uren in het kleine vertrekje boven, daar juist voor ingericht. Ze verzet de geiten, ondanks het feit dat ze het maar heidense springbeesten vindt. Zijn ze niet al een keer met haar aan de haal gegaan en door greppels en droge sloten gesleept eer ze die loeders de baas was? Kobus denkt daar anders over. Hij prijst de vruchten van zijn tuin en acht de boontjes en bieten die elkaar haast om en om afwisselen een weldaad. Zelfs de gladde veentjes prijst hij de pan uit. ’s Middags neemt hij de pot met veenaardappelen tussen zijn knieen en schudt ze wel zestig maal om, om dan op het moeizaam verkregen kruim uitbundig te roemen. Marijtje is kieskeuriger. Ook de stoet, die maar twee keer per week bezorgd wordt, draagt haar goedkeuring niet weg. Ze denkt verlangend terug aan versgebakken vis en warme bolletjes. Haar grieven zet ze op een stille avond met grote ronde letters op een blad papier. Dat het een en al klacht is schijnt ze zelf niet te beseffen als ze tevreden haar briefaan grotemoeder dichtplakt.

59

AIs die de litanie ontvangt, verschuift ze haar bril wel drie keer van boven naar beneden en terug. Het is schier ongelofelijk wat ze daar allemaal leest. Ze vertrouwt zichzelf niet en roept luide om Grubbelt. Ze reikt hem het epistel aan en zegt: ‘Wie er nou liegt, ik wiet het niet. As je Kobus horen is het daor klinkklaor het Paradijs en hier, lees dit nou ereis’. Hij leest de brief nog eens hardop voor en geeft dan als zijn mening te kennen dat Marijtje kennelijk naar huis wil. ‘Hiltjen, de minsen kieken niet allemaol hetzelfde tugen de dingen an, en daoromme is er zovuul harrie in de warreld.’ ‘Lot ze nog maar wat in’t veen bleven’, zegt Hiltje, ‘lot ze maar wat bekoemen van die wilde bevliegingen om bij nacht en ontij langerst de straoten te gaon. Lot ze wachten tot ze genezen is... .’ ‘Er binnen kwaolen die niet te genezen binnen, Hiltjen’, is Grubbelt’s antwoord, maar dat behaagt haar niet: ‘Maak dat je wegkoemen, spotboef, je bleven ok het¬ zelfde, al is je kop ok zo grees as een deuve’. Maar hij is nog niet uitgepraat. ‘Ik zou maar zien dat ik er wat goeds naor toe stuurde, dan het Kobus er ok nog wat an.’ En dat geeft Hiltje werk. Ze peinst op middelen om verandering te brengen in het eentonige menu daarginds. Als Ede om een boodschap in de winkel komt, laat Hiltje haar de brief lezen. Dat gebaar doet het meisje plotseling haar bedeesdheid verliezen en ze lacht: ‘Die Marijtje, ik docht wel dat’t niet zou bevallen in’t turfland. Ze is bij joe te goed gewind’. En wie er nou liegt? Geen van beiden. Ieder bekijkt de zaak op zijn eigen wijze. Dan treft het Hiltje hoe Ede de woorden spreekt van Grubbelt en het bloed stijgt haar naar het hoofd. Per kerende post gaat er een postpakket naar het veenland. Ze kunnen daar genieten van de inhoud. En de briefin het pak laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Marijtje wordt nog lang niet thuis verwacht. ... en

nog eens Laampie

Laampie komt met een kom schuimende melk uit het geitenkot en Marijtje klopt het natte wasgoed uit. De druppels spatten bei¬ den om de oren. ‘Gaot een keer mit met me’, zegt hij. Maar daar wil Marijtje niet van weten. Ze Scheldt hem uit voor heikneuter.

60

Maar dan verbaast ze zich dat hij praten kan als brugman en haar belooft dat ze dingen zal zien waar ze geen weet van heeft. En als Marijtje doorgaat de was op te hangen komt hij haar vlak onder de neus en dringt aan: ‘Toe doe’t nou. Ik beloofoe...’ ‘Nou, wat beloofje?’ valt Marijtje uit. Haar gezicht is vlak bij het zijne. Plotseling blozen ze allebei om het hardst, want Vrouwtje tikt waarschuwend op de ruit. Marijtje zucht verstoord: ‘Je mag hier ok gien duvel’. De jongen zegt dat ze in een dwarse bui is en dat is waar, ze begint naar huis te verlangen. Alleen het feit dat ze Kobus en Vrouwtje met haar verblijf hier helpt, doet haar nog dralen. De ene dag gaat het beter dan de andere. Soms komt ineens het verlangen boven naar de momenten van intens geluk, het gestolen geluk, dat duizend maal meer beroering in je bloed brengt dan alle dingen die hier het daglicht kunnen zien. Dan zou ze zo de stap willen opnemen. Soms ook is het vrees die haar als het ware in een ban gevangen houdt. Vrees voor de gevolgen van het spel dat ze misschien niet keren kan. Ze verlangt naar de roerigheid van wind en golven, naar het gedruis van het uiteenspattende water op de blauwe dammen. Hier benauwt haar de stilte van de heide. Haar innerlijke onrust brengt haar tot plaag- en spotzucht, onverschillig wie het treft. En dan weer wil ze het goed maken met vriendelijke hulpvaardigheid. Kobus kijkt haar vaak onderzoekend aan. Hij neemt haar mee op sommige van zijn bezoeken bij boeren en daggelders. Hij probeert haar hart warm te maken voor de noden van de mensen. Het lukt niet. Ieder hart heeft zijn eigen smart. Ze vindt dat de boe¬ ren meer van hun beesten houden dan van hun vrouwen en dat ze het beter willen weten dan hun ‘meneer’. Zijn preken zal niets uithalen. Vooral bij de mensen niet. Die zullen zich nooit beteren. Een paar vrouwen, dat zal nog gaan. Tegenover de ingang van de kleiweg, in dat winkeltje, woont een vrouw die haar aan grotemoeder doet denken. Ze groet altijd zo vriendelijk. Kobus is het met haar eens: ‘Er zijn vrouwen in de wereld, Marijtje, die je altijd met vreugde begroeten, waarje ze ook ontmoet... Als jij ook eens zo’n vrouw werd...’. ‘Ikke? Ik ben van een ander soort’, bekent het meisje. Dan heeft ze genoeg van het gesprek en van de tocht en laat ze Kobus alleen verder gaan. Zelf dartelt ze terug naar huis. Dat is mis, denkt Vrouwtje die haar ziet komen. Waarom ging ze niet verder mee vandaag? Dat die meid ook zulke nukken heeft... Maar nee, dat valt mee. Marijtje speelt met het kleintje en geeft ineens te kennen dat ze het huis een grote

61

beurt wil geven. Vrouwtje stemt aarzelend toe. De volgende morgen wordt eerst Kobus het huis uitgejaagd. Voor hij vertrekt verbiedt hij haar boven aan de schoonmaak te beginnen. Marijtje lacht, ze weet wel dat hij haar in zijn heiligdom niet duldt. Ze rekt haar jonge ledematen in uitbundige levenslust: ‘As ik hier klaor bin, begin ik boven’. ‘Marijtjen, as je dat waagt!’ ‘Nou, wat dan?’ ‘Dan zal ik mijn toorn niet kunnen bedwingen.’ ‘Je zou een goeie aartsengel wezen.’ ‘Marijtjen, spot niet, ik waorschouwje.’ Na dit snelle gesprek gaat hij bezorgd de boer op. AIs ze zijn broedende kanaries maar niet verstoort, dat is erger dan dat ze zijn preek in de war zou maken. ’s Avonds is er gelukkig nog geen onheil geschied. En dan wil Kobus haar wel inwijden in zijn geheimen. Stil moet ze naar boven komen en gunt hij haar een blik in het oude kabinet. Kijk eens hoe rustig ze daar zitten. Over een dag of tien, dan blaast de grote Schepper het leven in die kleine eitjes en er komen zangers uit die Zijn grootheid loven. Kunje het vatten, Marijtje? Ja, en als Marijtje dan boven niet schoonmaken mag, moet ze maar eens een dagje met Laampie mee. Het komt voor de jongen als een grote verrassing. Vrolijk klinkt hem de andere morgen haar groet in de oren. Neuriend loopt ze achter de golvende kudde aan en zwaait nog uit de verte naar Vrouwtje in de deuropening. Marijtje wil meteen het initiatiefvan Laampie ovememen, maar die houdt het heft in handen. ‘Niet te snel drijven, Marij¬ tje, dat bin mien dieren niet gewend.’ Het duurt vrij lang voordat de kudde volledig is. Bij de hoeven kijken de boeren stug en wantrouwig naar Laampie’s uitheems gezelschap. Toch knikken zij het tweetal toe, want Marijtje is in een opperbeste stemming en met haar stralend uiterlijk moet zij de mensen wel verleiden tot een groet ofeen kort gesprek. Zij licht toe waarom zij een dag met Laampie de heide opgaat en die, op zijn beurt, moppert, want zulke vertrouwelijkheid is hem vreemd. Ze kan beter haar mond houden en meneers huishouden niet bij de weg brengen. Wat hebben ze met zijn studie en examen nodig. Marijtje werpt tegen dat ze op haar eiland zo bedicht niet zijn. Het overtuigt Laampie niet. Hij zal blij wezen als ze in het veld zijn en zij tegen niemand anders kan praten dan tegen hem. Zijn ze op het eiland allemaal zo praatziek? ‘Allemaal!’ roept Marijtje en uit pure levenslust breidt ze haar armen uit of ze de hele wereld wel wil omvatten. Laampie is er beduusd van en tevens gecharmeerd. Na een poos komen ze op een goede plek voor het vee.

62

Marijtje laat zich vallen in het geurige heidekruid en vraagt of ze hier de hele dag blijven. Nou, dat zal zo zijn tot de middag en dan wil Laampie verder zien. Als Marijtje vertelt over grotemoeder en Ede, maakt ze hem nieuwsgierig. Hij wil weten ofdat vriendinnetje op haar lijkt. En ook of ze allebei al een vriendje hebben. Voortdurend lokt hij Marijtje uit de tent, maar als hij wat over haar volk zegt, smijt ze hem een bos heide in het gezicht. Om het weer goed te maken nodigt ze hem uit naast haar te komen zitten. Dan haalt ze haar breikous tevoorschijn en zet zich in een gemakkelijke houding. ‘Eerst eten en dan werken’, zegt Laampie, maar Marijtje draait het om. Dat weerhoudt hem niet naast haar te gaan zitten en brood tevoorschijn te halen. Speels graait ze hem de stoete voor de neus weg. ‘Da’s gemeen’, roept Laampie en stoeiend rollen zij door de hei tot hij zijn eigendom weer in zijn bezit heeft. In een jolige bui en met een overdadig gevoel aan vrijheid, breekt Marijtje’s verdrongen heimwee zich baan in een huppeldans. Ze sleurt Laampie, die dit niet vatten kan, in haar uitgelatenheid mee, tot een afdwalend schaap hem plotseling aan zijn plichten herinnert. ‘Marijtje, daor gaot er iene. Hier joe rakker’, en weg draaft de jonge herder. Even later golft weer hern lach over de grote stille heide, waar je de bijen hoort gonzen. Tegen de middag drijven zij de kudde naar een hoger gebied en nuttigen daar him eenvoudig maal. Uit de blauwe zak van Laampie komen toch diverse lekkernijen. Het zijn niet alleen de spekpannekoeken en het eigengebakken brood, maar ook een aantal rijpe pruimen die ras verdwijnen. Voor het eerst stemt Marijtje nu in met Kobus’ lijfspreuk dat het hier toch een wonderland is. Laampie is het er met voile mond roerend mee eens en vindt dit het geschikte moment te zeggen wat hem op het hart brandt. ‘Ge most hier blieven, Marijtje, voor altied. Wie zouwen het best met mekare rooien.’ Marijtje antwoordt niet meteen. Ze neemt de ongerepte pracht en vrede van dit plekje in zich op. Het golvende veld, diep en warm getint in de schittering van de al dalende zon. Haar blikken dwalen verder tot aan de horizon waar het donkere geboomte begint en het is of een stem haar een lang vergeten sprookje in het oor fluistert. Nee, dit zou een wereldje voor Ede kunnen zijn misschien, maar niet voor haar. Andere dingen in haar geest verdringen het vredige van het landschap. Ze schudt bedroefd het hoofd: ‘Nee, Laampie, dat kan niet, ik hou al van een man’. ‘He, watte Marijtje, een man? Een jongen zeker, net as ikke?’, zegt Laampie. En weer schudt

63

het meisje het hoofd. “Was dat maar waar.’ Ineens pijnt het in haar hart, de herinnering aan die avond die zo zoet begon en zo bitter eindigde. De avond dat haar grote liefde werd aangevallen door dat ene woordje: gebonden. En vergeefs woedt nu in haar de strijd. Telkens duikt dat verdijde woord weer op. Een ander in zijn en haar leven. Dat gedoogt ze niet. Ze wil hem hebben, hoe dan ook. Grotemoeder heeft toch ook haar man weten vast te houden. Marijtje rekt zich lenig uit en springt op. Die zij liefheeft zal haar niet ontglippen. Ze wendt zich tot de verbouwereerde jongen: ‘Niet boos zijn, Laampie, ik wou ook wel dat het anders was’. Het helpt niet dat hij zegt dat je het verleden toch vergeten kunt, en dat hij zijn gevoelens voor haar duidelijk laat blijken. Dan zitten ze weer naast elkaar en Marijtje neemt haar breiwerk weer ter hand. Laampie verbaast zich over die gekke kousen met gaatjes erin, waar je, foei toch, de kuiten doorheen kunt zien. Nee, die dragen ze hier in het veen niet. Hij pakt het breiwerk af. ‘Hier, m’n warrekieskoesen. Die binnen vor beabe z’n verjaordag, haol er de priemen niet eut, heikneuter’, Scheldt Ma¬ rijtje. Ze heeft al haar aandacht nodig bij het telpatroon. Laampie breit gedachteloos aan een grove blauwe kous, dat gaat haast vanzelf. Laampie wil praten, en, als dat niet lukt, droomt hij ervan een tuutske te stelen uit haar blanke hals. Zo vliedt de dag ten einde en tegen de avond staat de jongen node op. De hemel heeft zich getooid met purperen strepen, het wordt de hoogste tijd. ‘Kom, ik de rechterflank en jij de linker.’ Haar gezicht, als ook zij opstaat, is nu zeer dichtbij. De geur van haar haar prikkelt in zijn neus en voordat zij het verhoeden kan, steelt hij toch de gedroomde kus. Lachend dreigt ze hem met haar hand. Dan drijven ze het vee bijeen en trekken op huis aan. Het mekkeren van de kudde en het geschetter van de twee drijvers breekt de stilte. Laampie heeft geen spijt dat-ie Marijtje meegenomen heeft. Vrouwtje komt met het verwijt dat ze is blijven zitten met de schoonmaak en dat het zo stil was. Het klagen van Kobus’ vrouw zet een domper op de vreugde van de dag. Ze begrijpt niet hoe haar man zo goed met de mensen hier kan omgaan en hoe hij ze telkens weer vertrouwt, ook als ze hun beloften breken. Ze zit ook in zorg over zijn studie. Het werk slokt hem helemaal op en hij zit minder achter de boeken dan zou moeten. En nu moet hij binnenkort examen doen, of hoe ze dat noemen. En als dat nu maar goed gaat. Als hij slaagt, kunnen ze hier wel vandaan, maar anders... En hoe moet het met de kinde-

64

ren? Ze verlangt naar een ruimer traktement, een groter huis en een beetje omgang met mensen in een bewoonde wereld. Maar wie weet. Nu is ze nog evangelistenvrouw, straks wellicht domineese. En dan komt de nacht die aan het tobben een eind maakt. Ofniet.

Doen en denken

De dag nadert dat Kobus een beslissend examen moet doen. Van de studie is door zijn drukke werkzaamheden in veenland niet al te veel terecht gekomen, maar hij heeft de moed niet verloren. De professor die in de commissie zit is een vriend van de jeugdjaren af. Die heeft hem met raad en daad bijgestaan. Die zal hem er ook wel doorhalen, wanneer hij al eens mocht haperen. Dat beweert hij tegen Marijtje. ‘Jij kent hem toch wel, de man die zo mooi preken kan. Hij gaat meer dan eens op het eiland voor in een dienst.’ Maar Marijtje heeft zo haar twijfels: ‘Als hij het je maar gunt dat je net zo knap wordt als hij. En jij kunt toch ook mooi preken?’ Kobus vindt dat ze dwaas en wantrouwend is, zo kun je niet tegenover de mensen staan. Marijtje is het er niet mee eens. Ze kent de klanten. In de winkel heeft ze het wel anders geleerd. Het gaat om het geld. ‘Nee’, zegt Kobus, ‘ware vriendenliefde verheugt zich in elkanders vooruitgang.’ De dominee wordt in hem wakker, maar Marijtje kijkt er nuchter tegenaan. ‘Je dinken dat alle minsen net zo goed binnen as jiezelf.’ Kobus bloost bij dat compliment en hij wil het gesprek afbreken, maar zij wrijft hem nog even grotemoeders oude wijsheid onder de neus: grote heren, lange pijpen, diepe zakken, niks te grijpen. Je moet niet teveel op hoogheden vertrouwen. Ze brengt zelfs Kobus aan het weifelen. Er zal toch ook wat gekend moeten worden. En zo blijft het examen als een onberekenbare, ja als een weinig goeds voorspellende wolk boven Kobus en de zijnen hangen. Ook Vrouwtje wordt nerveus en wenst onophoudelijk dat het voorbij was. Het gekibbel tussen Vrouwtje en Marijtje hindert het lijdend voorwerp bij de studie en zelfs de dieren irriteren hem, te meer naarmate de dag nadert. Als een paar dagen voor de vuurproef de spiegel in de huiskamer van de wand valt en in stukken barst, verergert dat de onrust. De vrouwen

65

11. Bedrijvigheid in de haven.

10. Sfeerbeeld aan dek van een hotter.
66

zien het als een slecht voorteken, Kobus kan preken zoveel hij wil. Als het maar geen dooie betekent... En waarom beent Kobus zo vaak naar dat huuske?

Dan komt Laampie binnen en met hem een forse bamevelder. Maar dat is de bedoeling met. Marijtje smijt de deur met een klap dicht, en daar is de dooie. De slag was te wreed voor het fladderende dier. Zijn kop kon hij nog redden, maar het lijfhangt slap aan de binnenkant. Marijtje kijkt verschrikt naar Kobus, ze verwacht een flinke donderbui, maar dat gebeurt niet. Het is of Kobus zelfs opgelucht is en hij overhandigt de dooie hen aan Laampie: ‘Maak’m schoon jongen, dat wordt een vette pot’. En nog voordat Marijtje’s schaterlach door de kamer klinkt is daar een ander bekend geluid. Het hoornsignaal dat Sibbe op zijn turfscheepje laat schallen. Dat verandert het tafereel als bij toverslag. Allen snellen naar buiten, maar Marijtje is de eerste die als een geit roekeloos de wallekant afspringt. Dan gooit Sibbe het ankertje aan de wal en onderhandelt met de jager hoe ze de boel die hier gelost moet worden het best en het snelst op de kant krijgen, want tijd is geld. Hoe warm Sibbe’s hart ook voor de familie in het veen klopt, hij moet rekening houden met zijn portemonnee. A1 snel wordt de lijn weer ingehaald. Wie meer wil weten dan wat al gezegd is, moet de moeite maar nemen mee te lopen of te varen. Ester is ook aan boord en met haar praat Marijtje. Ze heeft duizend en een vragen. Nee, Ede is niet aan boord. Ja, Ester zal haar de groeten doen. Misschien gaat ze wel mee terug, want ze wil niet langer in het veen blijven. Toeter maar flink als jullie vol turf terugkomen. Als alles gezegd schijnt, ziet Marijtje het nutteloze van verder meegaan in en wendt zich met een laatste armzwaai om en gaat terug. Het is toch nog een heel eind. Kobus die met Sibbe praat houdt het langer vol. Hij vergeet uur en afstand en beent genoeglijk kletsend voort naast de jager. Alles van het eiland heeft zijn belangstelling. Wie heeft het Kerkeland gehuurd en tegen welke prijs? Hoe is het met tutte Inte? Zeg haar maar dat er een nieuw homeopathisch middel gevonden is tegen haar reumatiek. Nou, en als Kobus over die tak van zijn belangstelling begint, is hij nog niet klaar. Er is een middel tegen Ester’s hoofdpijn, dat heeft hij nu in huis. Belladonna, drie keer per dag een korreltje of vijf doet wonderen. Maar dan zet de jager het paard tot groter spoed aan. Zo’n kerel, daar luister je naar ofje wil of niet en dan vervalt het paard in

67

een sukkeldraf. Maar een ding wil Kobus op een vraag van Sibbe nog kwijt en het klinkt als een jubel: ‘We klimmen, Sibbe, we klimmen’. Hij bedoelt dat het aantal evangelisatieleden gestadig toeneemt. Hij vergeet er zijn examenvrees door. Dan beent hij terug naar huis. Als Marijtje bij Vrouwtje terug is krijgt ze het verwijt te horen dat ze Kobus niet meteen ook meegenomen heeft. Weet die man dan niet meer dat er nog een eenzame boer boven de aarde staat die nog deze dag begraven moet worden? Moet zij voor hem nu aan alles denken. Kobus heeft plichten die hij niet vergeten mag. En als hij niet op tijd is om de begrafenis te leiden, hangt hem wel weer wat boven het hoofd. Marijtje is niet onder de indruk. Hoewel Vrouwtje op Kobus wil wachten, begint ze alvast grotemoeders spullen uit te pakken. Kijk eens aan, een rist gedroogde scharretjes om in de schemeravond gezellig aan te pluizen, en, hoe bestaat het, een kistje gerookte pooien en ook nog een zak puikbeste aardappels. ‘Die heawen we toch zelf?’ klinkt het afkeurend uit Vrouwtje’s mond. ‘Ja, maar zulke niet. Geefhet mes eens an, dan zal ik er metien wat van schellen, en... Vrouwtje, Vrouwtje, wat zullen we het van de week nog goed heawen. Kiek niet zo sikkeneurig, dat ik alvast een pooi pruuf. Dan moet Kobus wat maar op z’n teed letten.’ En de tijd dringt. Vrouwtje kijkt voortdurend op de klok en loopt telkens naar de deur en tuurt de lange weg af. Geen Kobus te zien. ‘O, die man, die man! Die komt weer te laat en laat die arme boer maar wachten.’ Marijtje heeft weinig medelijden met haar en drijft er de spot een beetje mee, maar als ze merkt dat Vrouwtje daar niet tegen kan en al zenuwachtiger wordt, neemt ze een kloek besluit. Naast het huis staat Laampie’s oude fiets nog. Daarop zal ze de ‘dominee’ wel gaan halen. ‘Ja maar, jie heawen nog nooit op een fiets ezeten’, roept Vrouwtje verbouwereerd. ‘Nee, maar wat kan mij dat schielen. Allicht kom ik in de vaart terecht, maar voor water ben ik niet bang.’ En daar gaat Marijtje. Het wordt vallen, opstaan, vallen, opstaan. Tenslotte lukt het zo’n beetje. Waar een wil is, is een weg, waar of niet? Haar wangen gloeien. Trappen, dat gaat nu wel, maar hoe moet ze straks stoppen. Och, dat is van later orde. Al wiebelend krijgt ze meer vaart en ze neuriet: ‘Ik kan niet stoppen, ik kan niet toeten, er zit zand in de fluit’, denkend aan de eerste motorrijder die op het eiland zijn capriolen vertoonde. Marijtje vindt haar rijwiel nu minstens zo opwindend als die

68

rare stoomfiets. En ze moet Kobus alarmeren voor de begrafenis die hij vergeet. O wee, daar is een voetganger, maar wat weet ze van bellen of remmen. Een fiets is op het kleine eiland nog een bijzonderheid en zeker voor iemand in klederdracht. En een vrouw op zo’n ding? Niet te geloven! O, en die wandelaar schijnt geen duimbreed te willen wijken. Ziet die sufferd haar dan niet? Boos roept ze: ‘Opzij, opzij. Ik kan niet stoppen’, en al slingerend passeert ze de boer die haar verbaasd nakijkt. Maar, hiep hui, dan is daar toch de man die ze zoekt. Een dolle buiteling volgt, waarbij Kobus de fiets in de armen sluit, maar Marijtje in het zand bijt. Als hij zich over haar heen buigt, zegt ze hartstochtelijk: ‘Hoe kun je nou vergeten een boer te begraven en hoe kun je je vrouw zo in angst laten zitten?’ Maar dan staat ze al weer op de benen en roept: ‘Op de fiets jij, dan haal je het nog wel’. Van zijn dubbele schrik bekomen, bedenkt Kobus dat er niets anders opzit en hij rept zich, eerst wel plichtvergeten, maar zich nu van zijn roeping bewust, naar waar die plicht hem wacht. Marijtje, moe, voelt zich plotseling ook moedeloos. Jaloers volgen haar blikken de verdwijnende figuur. Hij heeft zijn plichten, zijn werk en zijn Vrouwtje. Hij heeft hier zijn gezin en zijn liefhebberijtjes. Maar wat bindt haar aan deze contreien. Zij draagt niets anders met zich mee dan dat ene grote verlangen dat maar niet sterven wil. Het verlangen naar die ene man die nooit echt van haar zal zijn en zij van hem. Het heimwee bruist wild door haar heen. Wat geeft het of ze hier langer blijft. Het ongerepte licht wordt toch weer verduisterd door de schaduwen van het kwellende verlangen. Verdrietig zet ze zich in de berm van de weg en woelt ongedurig met de punt van haar muil in het geelwarme zand aan de rand. Waarom geeft ze geen gehoor aan die dwingende stemmen in haar en besluit ze niet kordaat om naar huis terug te gaan? Ze laat zich achterover glijden en laat de middagzon op haar inwerken. Ze volgt het opstijgen van de leeuwerik en zijn lied. Er moet toch ook iets zijn dat haar hier houdt, ver van de eeuwig kwebbelende vrouwen en flauwe grapjes verkopende mannen. Hier is rust om te denken en tijd om te dromen. Hoe ver schijnt haar dat laatste gelukkige uur en hoe nabij het uur dat zo verwarring brengend voor haar eindigde. ‘Gebonden’, prevelt ze zacht voor zich heen, ‘ik ben gebonden, hij is gebonden, wij zijn gebonden...’ Hoe anders klinken die woorden als je ze telkens herhaalt. En daar doorheen de stem van

69

Kobus: ‘Dat is niet goed, Marijtje’, en die van grotemoeder: ‘Blijf afvan het goed van een ander, Marijtje’. En Marijtje probeert al die stemmen te verstaan in een wisselende toonzetting. Dan schiet ze in de lach. Ze lijkt Abbelejate de opperzangmeester wel. Ze rekt haar jong en krachtig lichaam bij het geluid van naderbijkomende voetstappen. Het past toch niet hier zomaar te liggen luieren. Schielijk staat ze op en slaat het zand van haar rokken en laat een wandelaar passeren. Dan voelt ze in haar zak en vindt de nog nauwelijks gelezen brief die ze vond tussen de scharretjes. Ede vertelt over Inte en de kleine voorvallen van een klein dorp. Het is een goed meisje en ze wil een goede vriendin zijn, maar ze is zo anders, zoveel beter, lijkt het wel. De stemmingen wisselen op Marijtje’s gezicht. De blijde glans versombert tot een ontevreden trek bij de laatste regels: ‘Marijtje, blijf daar nog maar een poosje, dat zal je goed doen.’ Buiten de beste groeten kan ze het nu wel doen. In plotselinge drift verfrommelen haar vingers het zo netjes geschreven epistel tot een prop en smijt ze die van zich af. Een fellejaloezie vreet aan haar denken. Wat weet Ede van haar liefde en strijd? En welke andere vrouw is er tussen haar en haar Frans? Wie heeft er recht op hem? Recht op geluk, dat heeft ze toch zeker? Ze staat op en stapt weg. Kwieker wordt haar gang. Ze moet die andere stoppen. Waarom is ze hier zo lang gebleven? Ze heeft haar post verlaten, die moet ze weer innemen. Zou die ander al op het eiland gekomen zijn? Er is al een enkele keet op het eiland geplaatst, met woon- en werkruimte voor personeel dat voorbereidende werkzaamheden voor een werkhaven en dijkaanleg moet doen. Morgen zal ze gaan, morgen... Maar dan gaat het als een flits door haar denken dat het morgen de dag is van Kobus’ examen. Nee, dan kan ze niet weg, nog niet. Ze kan haar nobele oom en zijn zenuwachtige vrouw niet in de steek laten nu het erop aankomt. Dan moet ze er zijn om haar none bij te staan en om schade en schande van hem te weren, maar dan... Wat Marijtje liefheeft laat ze niet los.

O wat een dag

Als Kobus eindelijk terug is van de bijna vergeten begrafenis, gunt hij zich geen tijd om van het goede uit Hiltje’s pakken te

70

genieten. Hij trekt zich terug in zijn ‘heiligdom’ om zich voor te bereiden op het ‘schrikbarende’ examen. Vrouwtje is al met hoofdpijn naar bed gegaan en Marijtje verdrijfb haar onrust bij de kamton. Werk is, volgens grotemoeder, de best denkbare afleiding. En een mens heeft plichten, niet waar? Handig beweegt ze de stamper in de ton op en neer. Doch geen enkel straatliedje ontheiligt de stilte van het huis. Haar blote armen kleuren van inspanning. Tegen de tijd dat Laampie de schapen afgeeft bij de schuurdeur zien ze bijna paars. Voile drie uur kamen valt ook om de drommel niet mee. Zo denkt de herdersjongen er tenminste over, als hij, geleund tegen de deurpost, haar soepele bewegingen volgt. Ze leert het al aardig, zegt hij, en trots geeft ze als antwoord dat ze kan wat ze wil. ‘En wat je niet wilt?’ ‘Nou, dat doe ik niet.’ ‘Dus als ik om een tuutske vraag...’ ‘Dan krijg je niks.’ Laampie denkt aan de dag met haar achter de schapen. Eerst had hij nog getwijfeld of het wel goed was om haar mee te vragen, want wat zouden zijn makkers daarvan zeggen, maar nu mag ze elke dag wel mee. Als hij de boter komt keuren is haar gezicht verleidelijk dichtbij. Zou hij weer een tuutske kunnen stelen? Maar nee, Marijtje deelt hem plompverloren mee dat ze gauw weggaat. ‘Erg gauw?’ ‘Ja, als meneers examen achter de rug is.’ Wat dat inhoudt is Laampie helemaal niet duidelijk. Alleen het woord al doet hem huiveren. ‘Het examen moet van meneer een domineer maken’, legt Marijtje hem uit, en weer is haar gezicht dichtbij en voordat zij de boel opgeruimd hebben en het geitenhok ingaan, steelt hij toch het begeerde tuutske, al is het dan van haar blozende bovenarm. Voor straf moet hij de emmers met varkensdraf dragen en samen genieten ze van de gulzigheid waarmee de zwijnen hun avondmaal verorberen. Dan komt Vrouwtje tevoorschijn. Ze kan niet meegenieten van de vreugden van de avond voor mens en dier. De hoofdpijn is nog niet voorbij, maar ze heeft nu eenmaal een man die nog zijn eigen koffer niet pakken kan en zelfs het allernodigste weet te vergeten. Nee, als zijn vrouw niet wist hoe het hoorde. Met veel geduld pakt ze de kleine koffer en stopt die vol. Niets mag er worden vergeten en zeker de medicijnen niet. Met kennersblik monstert zij de doosjes en flesjes met poeiers en pillen die Kobus meent nodig te hebben. Het flesje korrels voor zijn spijsvertering, de druppels om zijn kalmte te bewaren en de pillen tegen geheugenzwakte. Tenslotte sluit ze ook nog een busje met knappende beschuiten in, want daar kan hij niet buiten, zelfs niet op

71

de gewichtigste aller dagen. Laampie is reeds vertrokken en ook de vrouw en het meisje gaan weldra slapen. ‘Goede nacht, Vrouwtje.’ ‘Goede nacht, Marijtje.’ ‘Tot morgen, Vrouwtje.’ ‘Tot morgen, Marijtje, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.’ Dat klinkt niet hoopvol. En wat kan er meer gezegd worden dan dat het wel mee zal vallen en ze vertrouwen moeten hebben? Dan komt de nacht. En vervolgens weer de dag. Nog eer de morgennevels wegvluchten voor het licht, stapt Kobus al naar buiten. Zijn grote voeten laten sporen na in het dauwnatte zand. In blij verwachten heft hij zijn hoofd op naar den Hoge. Het is een half uur gaans naar het puffende trammetje. Heel stil is hij uit bed gegleden en staande bij het aanrecht heeft hij een kom water gedronken, zo koud uit de regenbak. Kwam het door de frisheid van de morgen ofde kilte van het water dat zijn tanden klapperden tegen het glas? En toen waren er toch de vrouwen om hem uitgeleide te doen. Het koffertje wordt hem in de handen geduwd en de onaangeroerde stoete in een stuk krant in de zak gestopt. ‘Helemaal niet eten, Kobus? Maar man, dat kan toch niet!’ En toen ging hij met wapperende jaspanden. Wie weet zullen die zich aan de avond van deze dag wat rustiger gedragen. Dan hangen ze misschien deftig, zoals het de slippen van een domineesjas betaamd. Ach, als onder de jas een warm hart zit en een vurige geest, dan kan het toch niet anders of alles moet terecht komen? Maar evenwel, het ontbijt verloopt somber nu Kobus niet aan tafel zit. Die is brandschoon en deze morgen vrij van kanariezaad. Een zonnestraal glijdt over de opengeslagen bijbel in de vensterbank. Marijtje wijst ernaar en Vrouwtje zegt: ‘Nee, dat zal hij nooit vergeten’. Ze perst daarbij haar lippen op elkaar, alsofze zeggen wil dat hij wel een moeilijk man is, maar een met vastheid van karakter en geloof. Op een ogenblik als dit heeft ze er geen berouw van dat ze deze man gevolgd is naar dit barre oord. En kijk eens, hij heeft blijkbaar psalm 23 gelezen, het lied van de goede herder. En wat kan hier beter passen?

Dan komt er beweging in de bedstee. Een warrig kinderkopje gluurt door de gordijnen naar het rustige toneel. Waar is die vader die’s morgens wel alle vogelkooitjes tegelijk verzorgen wil, en die zijn gevederde vrinden gerust een uitstapje gunt al is het over de ontbijttafel?

Dan komt Laampie om de schapen. Die informeert ook al naar meneer. Hij heeft er angstig over gedroomd. En als meneer terugkomt moet hij hem toch overhalen met de boot. Hoe laat kan

72

dat ongeveer zijn, dan hoeft meneer niet te wachten. En als ik er niet ben en hij stapt de plank mis! Over misstap gesproken. Vrouwtje struikelt en breekt een mooi bord, Marijtje snijdt zich met een scherfin de vinger. Alle goeie dingen bestaan uit drieen, maar ongelukken komen ook zelden alleen. De dag verloopt verder traag en mat, de wijzers van de klok lijken ook niet verder te willen, maar eindelijk is dan Laampie met het vee terug en stijgt de spanning. Vrouwtje lucht haar gemoed als in het schemeruur de schaduwen zich diep en donker in de kamer nestelen waar het drietal zit te wachten. ‘Als jullie maar eens wisten hoe die man is. Hij vertrouwt alle mensen. Als ze hun beloften breken stelt het hem teleur, maar ik merk dat het meest. En als zijn boosheid gezakt is, zijn ook zijn goede voomemens om voortaan beter op te letten, weer verdwenen maar nu krijgen ze het misschien beter met een ruimer traktement, als, als Kobus slaagt. Nu is ze nog de vrouw van een eenvoudige evangelist, dan mag ze domineesvrouw heten. Dan beseft ze dat deze gedachten haar niet passen. Las Kobus het gisteravond niet: De hovaardigen hebben geen vrede. Ze staat op en loopt naar de deur. Ze tuurt langs de weg waar de opkomende maan een schaars licht over laat schijnen. Als het goed is moet er gauw een lange man zichtbaar worden. Zijn stap zal het resultaat van de dag verraden en dan... Maar voordat zij haar gedachten verder kan uitspinnen komt vanuit de verte de schrille Quit van de stoomtram. Laampie schiet als een pijl uit de boog naar de kanaaloever, springt de wallekant neer en stoot de boot van de kant. Hij is met enkele roeislagen aan de overzijde, waar een man roerloos wacht. Een pijnlijke scheut gaat door Laampie’s schouder. ‘Da’s mis!’ mompelt hij. Meneer stapt in zonder groet en zit neer als een geslagen mens. Geen vraag naar sik, varken of kanaries. Zwijgend brengt Laampie hem naar de deur en vertrekt met een korte groet. Daar staan de vrouwen. Kobus buigt het hoofd. Hij is gezakt! Vrouwtje kan haar tranen niet bedwingen bij het zien van Ko¬ bus’ verslagen gestalte en Marijtje heeft prompt een brok in de keel vanwege de droeve trek om zijn anders zo vriendelijke mond. In zijn te wijde slipjas zet hij zich vermoeid aan tafel en trekt met een moedeloos gebaar de ingeschonken koffie naar zich toe. Hij is deze dag van alle illusies beroofd en eet nauwelijks van het hem voorgezette brood. Toch strekt hij als in een droom zijn hand uit naar de bijbel ter afsluiting en leest hij met hese

73

stem vanwege de vermoeienissen van de dag het kapittel dat aan de orde is. De vrouwen luisteren met gebogen hoofden en betraande ogen naar de man die zijn plichten waarneemt alsof er nooit illusies hadden bestaan. Maar bij de woorden: ‘Zo achte dan de een de ander uitnemender dan zichzelf, krijgt zijn mond een zenuwachtige trek en trilt er iets in zijn stem. Dan staat hij op om naar bed te gaan. Maar de twee willen weten hoe het ging, of liever, niet ging. Maar Kobus verschuift zijn stoel met een onrustige handbeweging en zegt: ‘Morgen, morgen zal ik alles vertellen, nu ben ik te moe’. Maar toch ontkomt hij niet aan de indringende vragen van Marijtje: ‘Maar none, hoe komt het nou dat het mis is? Was je dan alles vergeten?’ ‘Nee Marijtje.’ ‘Heaw je dan de hiele boel duur eenkanger haold?’ ‘Nee Marijtje.’ ‘Had je dan je korreltjes wel in-eneumen? En je pilletjes?’ Op Kobus’ herhaald hoofdschudden roept ze uit: ‘Maar was je vrind de pre¬ fester er dan niet?’ ‘Zeker Marijtje, maar die had er noujuist niet moeten zijn. Hij hoorde mijn uitspraak en zei dat ik het eiland en onze jeugd niet vergeten was, en toen...’, ‘Nou, en toen?’ dringt ze heftig aan, ‘en toen?’ ‘Toen was het mis!’ ‘Die lamzak’, barst Marijtje los, ‘hoort dat dan niet bij het ware geloof?’ En dan moet de verslagen man al weer zijn eerste klant tot de orde roepen. Vermoeid maar bedachtzaam strijkt hij door zijn kuifen poogt haar woede met bedachtzame woorden te stillen. Hij kan niet geloven dat mensen meer dan 66n kant hebben, maar hoe kon een vriend hem laten zakken als een baksteen? Is dat vriendschap? Die verdijde slipjassen! Klinkende namen tegenover een gebrek aan schoolse geleerdheid en daar moet haar Kobus onder lijden. Die hoort het al niet meer, hij is met zijn verdriet het slaapvertrekje ingewankeld, waar een totaal versla¬ gen Vrouwtje hem weldra volgt. In Marijtje woedt de storm nog voort, het is of zij jaren ouder geworden is. Vragen over zichzelf rijzen op in haar hart en er is geen antwoord. Wat kan zij van haar vriendschappen verwachten? Van de vreemdeling bovenal? En hoe kan een ander je begrijpen en troosten? Zal Vrouwtje het kunnen? Vragensmoe gaat ook Marijtje naar bed. De andere morgen vroeg leunt ze al weer uit het venster. Ze houdt zich verborgen achter het klimop als ze Kobus met gebogen gang door de tuin ziet gaan. Hij is de engte van het huis reeds ontvlucht en zoekt de ruimte. Kan Vrouwtje hem niet helpen of zou een man als hij in zulke dagen toch het liefst alleen willen zijn? Dat hoeft toch helemaal niet. Zij en Frans begrepen elkaar toch ook? En

74

met Laampie klikte het meteen. Vragen moet je samen oplossen. Frans zal haar straks wel begrijpen als ze bescherming zoekt in zijn armen, er is vast nog een hele portie geluk voor haar weggelegd. Krachtig moet je zijn en je niet van het bord laten slaan, dan grijp je het wel. Je kunt het toch niet iedereen naar de zin maken. Deze week nog wil ze naar huis, als de man die nu nog verwezen door de moestuin dwaalt er weer wat bovenop gekomen is. Marijtje denkt dat Vrouwtje niet echt de vrouw is om van zichzelf af te zien en te troosten als een moeder troost. Kobus heeft al zoveel armen en zieken in het turfland bezocht en troost geboden, niet alleen met woorden, maar ook metterdaad. Zovelen wijst hij week aan week de goede weg en nu het aan hemzelf raakt lijkt hij te dwalen. Marijtje ziet hoe hij zoekend om zich heen kijkt. Kobus’ ogen volgen de paadjes die zijn voeten tussen de groentebedden betreden hebben en verwonderd ziet hij ook de vorige dag, zijn verwachtingen werden uitgeroeid, maar de sporen van zijn arbeid in de aarde bleven. Waarom achtte men hem voor het echte geestelijke werk niet bekwaam? Telkens keren zijn gedachten terug naar de middag van het onderzoek. Een vriendenhand werd hem daama hoog en met een kort woord van deelneming toegestoken. Waar had zijn vriend dat hautaine gebaar geleerd? Achter de groene tafel met de hooggerugde stoelen? Toch niet op de kansel als hij de zegen meedeelde aan het kerkvolk? Kobus was ervan geschrokken. Hoe kan de ene mens het ambt bedienen zonder enig uiterlijk vertoon en de ander met zoveel fraaie franje?

Kobus loopt zijn tuin uit en zoekt zijn kerkje op dat als het ware staat te dromen in het licht. Hij begint zichzelf te beproeven zoals hij die aan anderen voorhoudt. In zijn gedachten ziet hij niet meer zijn ondervragers, maar stelt hij zichzelf nu maar een diepgravende vraag: Was hovaardij misschien mijn raadgever? Deed ik er goed aan te dingen naar een titel die ik nog niet verdien? Het kan hoogmoed geweest zijn. Een mens wil vaak teveel en dat is niet zoals het hoort. Het moet wel hoogmoed geweest zijn, stemt hij tenslotte de stem in hem toe. Hij heeft teveel begeerd voor zichzelf en voor Vrouwtje. Dieper buigt zijn dromerskop in stugge zelfbeproeving en daarbij vergeet hij uur en tijd. Is dat dingen naar een titel wel zo nodig? Wat heeft de lijdende mensheid eraan? Zolang hij hier de roep van leed en vrees hoort, blijft hij op zijn post. Dat is zijn roeping. Mens en dier

75

hebben hem hier nodig. Een gebogen man richt zich op en hij begeeft zich naar zijn huis en arbeid. Zijn stap is niet slepend meer. Hij zal waken over alles en een ieder die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd, geleerd door deze beproeving. Dan schiet hem het rijmpje te binnen dat hij las op een Durgerdammer hotter: “Vertrouw op God in al uw zaken, zeg nooit: Hoe zal het gaan? Hij zal het u zo wonder maken, dat gij verbaasd zult staan’. Met een psalmvers op de lippen komt hij het huis binnen. Marijtje hoort het. Was ze van plan geweest om nog wat te wachten tot hier de teleurstelling verwerkt zou zijn, dat hoeft nu niet zo nodig meer. Ze kan terug naar Frans en haar kans. Ze wil weten hoe het zit, over none hoeft ze niet meer te tobben. En als die nu zijn Vrouwtje troosten kan. Het geeft ook Marijtje een lied op de lippen, nee, een psalmvers is het niet: ‘Mimme, zet m’n hulletjen op, vanavond komt mijn vrijer, en als mijn vrijer dan niet komt, dan trouw ik een koddebeier’. Ze moet lachen om haar eigen vondst. Vrouwtje kijkt haar verbouwereerd aan en Kobus vraagt of dat nou taal is op een dag als deze. Nu, Marijtje wil haar keus wel veranderen, ze heeft een heel repertoire in voorraad en begint aan het drama van het schuitje dat van Harlingen kwam en dat in het ijs kwam vast te zitten. Toen de bemanning eindelijk door de ijsvlet van boord kon worden gehaald, was de schipper er slecht aan toe, maar de knecht, die z’n buik vol gegeten had met opgewarmde rijst, had geen centje pijn. Kobus schudt zijn hoofd maar, er komt toch een lach op zijn gezicht en Marijtje geeft hem een pakkerd.

Van haan, koe, geit en bok

Kan Marijtje nu vertrekken? Ze zou het wel willen, maar Vrouw¬ tje ziet het nog niet zitten en dat doet weer afbreuk aan Kobus’ herwonnen vertrouwen. Het meisje kan nu onmogelijk haar grote oom aan zijn lot overlaten. Vrouwtje kijkt naar de kleine Grubbelt haast niet om, zo zit ze nog in de put en Marijtje ontfermt zich over het kind. Ze speelt en rumoert met hem onder het huishoudelijke werk door en verzint ofherinnert zich het ene dwaze versje na het andere. Hinderlijk vindt Kobus tenslotte het zotte versje dat ze het kleutertje inpompt en waar Marijtje zelf

76

ook zo’n plezier aan schijnt te beleven: Kukeleku kwam uit de dop. Moeder nam het kleintje op. Wat vangje aan, zei vader Haan. Tok, tok, tok, laat mij maar gaan. En na eenjaar in’t kippenhok, liep’t haantje met een wandelstok. In de laatste regels zit een geheim opgesloten, maar none begrijpt het, hij zal nog een jaar op zijn bevordering moeten wachten. Als die duvelse meid van geen ophouden weet, vlucht hij naar boven en gaat een geschikte tekst voor de komende zondag zoeken. De preek die hij tevoren al in gedachten had, kan niet doorgaan. Zo heeft elke dag zijn eigen strijd en zorgen. Maar waar kan hij zich echt onttrekken aan Marijtje’s zang en Vrouwtje’s zwijgen? Bijbel en psalmboek liggen op zijn tafel, maar de inspiratie komt nog niet. Hij staat op en gaat voor het kleine venster staan, waar hij een heel stuk van zijn eveneens kleine wereld kan overzien. Dan ziet hij hoe langs het kanaal een vrouwtje driftig komt aanlopen. Haar gang verraadt haast. De geplooide rand van haar muts danst langs haar hoofd. Vrouw Kraft, want die is het, heeft ook geen tijd om op de kuilen in het pad te letten. Ze moet meneer hebben. En dat niet vanwege haar bekommerde ziel, nee, het gaat om haar jonge pink. Ze was er zo blij mee en nu heeft het beest opeens zo’n dikke pens gekregen. Zo dik, dat ze vreest dat-ie zal barsten. En wie kan daar anders raad op geven dan meneer. Die heeft met zijn koffertje vol doosjes en flesjes al zoveel mensen en dieren geholpen! Dicht bij haar doel legt ze er nog een schepje bovenop, zodat haar konen rood worden als de wangetjes van een bellefleur. Ze wist zich het zweet van het gezicht. Als de man die ze zoekt nu maar thuis is. Laampie zei dat hij gisteren ook de hele dag van huis geweest was. En nou dreigt het koetje dood te gaan, dat ze voor het eerst in haar daggeldersleven bij elkaar geschraapt had. Ze loopt de huisdeur met de schel voorbij, dribbelt langs het huis, rukt de schuurdeur open en stapt de achterdeur in. Dan roept ze de verbaasde Vrouwtje toe: ‘Waor is meneer? Waor is meneer?’ Vrouw¬ tje, die Kobus een dag rust wil gunnen, zegt dat hij niet thuis is. ‘Niet thuus, niet thuus? Da’s toch niet meugelijk. M’n lieve mense, dan zal ’k m’n lieve diertien nog kwiet wezen ook.’ ‘Nuja\ zegt Vrouwtje met een kleur, ‘ik bedoel eigenlijk dat hij vandaag niet te spreken is. Kan het niet wachten tot morgen?’ ‘O lieve

77

tied. Ik begriep het al. Maar dit kan niet wachten. Dan is ’t beest al gebarsten. As ie z’n pens zag.’ Vrouwtje zegt dat ze meneer niet durft te storen, die moet nog aan zijn preek werken, maar Marijtje grijpt emmer, luiwagen en dweil en gaat de trap op. Ze zal zeggen dat ze de studeerkamer moet doen en dat er een arme vrouw in angst zit. Maar daar is meneer al. Vrouw Kruft geeft met haar schort de afmetingen van koetjes buik aan. Ja, dat duidt op een zaak die haast heeft. Daar moet zelfs een preek voor wijken. Hij grijpt de oudste van zijn drielingjas en zijn koffertje en daar gaan ze. Kobus vragend, het wijfje druk gebarend naast hem. Marijtje kijkt ze na uit het bovenraam en ziet aan de gebaren van het vrouwtje hoe zij alweer de groeiende omvang van de koeiebuik aangeeft. Zij kan intussen de kamer nu eindelijk eens een goeie beurt geven en het is voor none goed er een paar uur tussenuit te zijn. Wat bereik je met suffen en prakkizeren? Dat wil zij ook niet doen. Ze stoft roekeloos het tafelblad af met alle papieren die erop liggen en schuift het hele geval onder het raam voor meer licht en lucht bij de studie. De rondslingerende boeken ordent zij op haar eigen wijze. Dachsel en Kuiper naast elkaar, het boek met homeopathische verhandelingen naast Vondel’s gedichten en de nachtgezichten van Daniel bij de wijsheden van Erasmus. Ze slaat de bijbel dicht waarin Kobus net een streepje gezet heeft bij de eindelijk gevonden tekst: Alles heeft een bestemde tijd en alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd... Zo is het, denkt Marijtje, en nu is meneer geen lerend ouderling, maar een aankomend veearts. Intussen buigt Kobus zich over een bijna zieltogend beest in het schuurtje dat scheefen bouwvallig tegen het daggelderswoninkje aanleunt. Met kennersblik en gevoelige handen wrijft hij het dier langs de zwoegende flanken. ‘Da’s niet best, vrouw Kruft. Haal de dikste deken van je bed en geef me een nat laken.’ Ja, maar zij is er ook nog. Een laken zo uit de kast, maar dat gaat niet. Vliegensvlug gooit ze haar kap op een stoel en vervolgens het krappe keurslijf. Ze schiet in haar werkrok, pakt schielijk een baalzak, knipt die open en dompelt die in een emmer. ‘Daor dan, zo giet’t ook wel, heur.’ Maar aan de deken ontkomt ze niet. Een paar oudejassen en flink wat stro volgen. Vrouw Kruft kijkt verbaasd en nieuwsgierig toe hoe meneer een hele lies medicijnen in het keelgat van het benauwde koetje giet. ‘Zo, en nu even geduld, vrouw Kruft.’ Gespannen wordt er gewacht. Behoedzaam gaat de hand van meneer onder de driedubbele bedekking. Hij

78

voelt het zweet aan de flanken, de uitwerking van het vocht is al begonnen, dat gaat goed. Na een poos licht het dier zijn logge kop op. Van onder het dek laten zich verdachte fluittonen horen en Kobus roept: ‘Het werkt! Het werkt!’ "t Iiek wel goed te gaon’, zegt de eigenares wat opgemonterd. ‘Nog maar een keer wisselen, maar dan met warm water’, is het antwoord. En zo modderen die twee voort om samen het dier te verlossen van de winden en krampen die zo geweldig de pens deden zwellen. AIs na een paar uur Kobus het schuurtje verlaat, omdat het dier het nu goed maakt, drinkt hij in het met zand bestrooide woonvertrek een kop koffie. De opgeluchte vrouw vertrouwt hem toe dat ze toch zo bliede is. Dat is zijn beloning en Kobus aanvaardt dit als het begin van een nieuwe periode. Hij is tevreden en weet weer dat God hem werkelijk nodig heeft om de lijdende mensheid te dienen. Als hij zijn woning betreedt, is alle lusteloosheid verdwenen. Met drie treden tegelijk neemt hij de trap en is in zijn kamerjuist op het moment dat Marijtje met haar materiaal voor het kabinet staat, weifelend en zich afvragend hoe ze de rommel van kwinkelerende vogels in een grote schoonmaakbeurt kan wegwerken. ‘Laat dat! Niet doen! Bij de minste schrik zingen ze niet meer’, roept hij. ‘Net als wij’, antwoordt het meisje gevat, ‘maar alles heeft zijn tijd.’ Dan lachen ze beiden en gaan naar beneden omdat het eten klaar is.

Kobus en Marijtje laten het zich na de inspanningen van de mor¬ gen goed smaken en Vrouwtje schijnt een beetje jaloers. En waarom zeggen ze nu niets over het eten waar zij zoveel tijd aan besteed heeft. Ze wil delen in hun lach om al het gepasseerde. Na de maaltijd pakt Kobus de bijbel uit de vensterbank en laat die, zoals hij wel eens meer doet, vanzelf open vallen. Dat gebeurt dan meestal bij het boek Job of dat der Psalmen, die hij beide ook gaarne leest en met veel gevoel voor de inhoud weet voor te dragen. Zo heeft hij pas nog over de lieflijkheden van het Zevengesternte en de strengen des Orions gelezen, over het voortbrengen van de Mazzaroth en het leiden van de Wagen met zijn kinderen, en ze daarna aan de beide vrouwen, voor zover mogelijk, aan de heldere sterrenhemel gewezen. Maar nu is het dierenrijk aan de beurt. Hoor maar: ‘Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?’ Vrouwtje kijkt met een schuin oog naar de lege borden. Hoe snel hebben die twee tegenover haar de inhoud

79

verorberd waar zij zoveel tijd en zorg aan heeft besteed. Maar Kobus merkt het met, want hij vervolgt: ‘Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden? Zult gij de maanden tellen die zij vervullen en weet gij den tijd van haar baren?’ Vrouwtje kijkt naar haar schoot. Zij weet dat de dag dat zij haar tweede kind zal voortbrengen niet ver meer is. Maar ook een andere gedachte is bij haar opgekomen onder het lezen en die laat ze na het amen ook meteen maar horen. Hoe dicht ligt hier het geestelijke bij het beestelijke als ze opmerkt dat naar haar stellige overtuiging de geit boks is. Maar dat kan volgens Kobus niet, het is er de tijd niet voor. Vrouwtje wil evenwel nu ook eens gelijk hebben en zegt: *Weetje, het beest is al zo jong niet meer en dan letje niet zo op de tijd. Ik weet het zeker, het dier is boks.’ Ze klemt de lippen opeen op de Kobus zo bekende wijze, dat hij het nodig vindt toestemmend te knikken en hij zegt: ‘Dan moet Laampie, als hij straks de schapen thuisbrengt, de bok van boer Koekoek maar halen’. En dat gebeurt dan ook. Als het zover is, komt Laampie over de hei aangesprongen met het weerbarstige dier. Vrouwtje kijkt tevreden en Kobus vermaant de jongen die de bok onnodig teveel vermoeit. Op het grasveldje voor het raam moet de bruiloft plaatsvinden, edoch, de pogingen om de dieren intiem met elkaar te laten kennismaken, mislukken volkomen en Laampie verklaart onomwonden dat de sik helemaal niet boks is. Doch Vrouwtje zou Vrouwtje niet zijn als ze zich nu zonder meer gewonnen gaf en haar ongelijk bekende. Het klinkt vaster en overtuigender dan het slot van enige preek van meneer als ze zich verweert met de woorden: ‘Je hebt ongeliek, Laampie. Kittel hem maar ereis onder zien staarte’. Och, dat helpt niet en even later dansen Marijtje en Laampie als losgelaten honden over de heide met een haast dol geworden dier tussen zich, tot Marijtje struikelt door een konijnenhol of een pol heide en ze omver tuimelt. Ze wrijft haar verstuikte enkel. Als Laampie de bok afgeleverd heeft en hij terugkeert, zit zij nog op dezelfde plek. ‘Nou mut-ie nog mit een zere poot naar huus toe.’ ‘Hindert niet’, geeft Marijtje als antwoord terug. ‘Ik ga nou toch zo gauw ik kan echt naar huis, naar grotemoeder en, en...’ Haar ogen schitteren bij die gedachte, maar Laampie kijkt bedrukt. ‘Och, blief nog wat’, smeekt de jon¬ gen, ‘ik hoi zoveel van oe.’ ‘O nee, Laampie, dat kan niet, je weet nog van niks.’ Dan, in een dartele bui, kust ze hem op beide wangen: ‘Daor dan’. Beduusd weet de jongen niet zo gauw wat hij

80

zeggen moet en Marijtje jaagt hem weg. Ziet hij niet dat meneer eraan komt? Laampie rent weg, maar de andere morgen is hij al vroeg terug om te melden dat Sibbe met een scheepje turf op komst is, op de terugweg naar het eiland. Dat brengt huize Kobus in grote beroering. Marijtje zegt vastbesloten dat ze met hem mee wil varen en gaat haar koffer pakken. Kobus beraadt zich wat hij uit zijn huis en tuin voor moeder Hiltje mee kan geven en Vrouwtje weet niet of ze lachen of huilen moet. Ze troost zich met de wetenschap dat haar jongere zuster uit het Nieuwediep haar komt helpen en daar kan ze toch wel beter mee opschieten dan met het wispelturige Marijtje. Die is het eerst klaar en neemt Grubbeltje op haar schoot. AIs Kobus binnenkomt drukt ze het kereltje tegen zich aan en fluistert hem toe: ‘Zeg het nou nog een keer’, en het kind roept: ‘Dag tutte Muitertje’. ‘Foei’, bestraft de man, ‘hou toch eens op met die oude woorden, laat hem toch tante Marijtje zeggen’, maar zijn glimlach is mild, als zij haar antwoord al klaar heeft: ‘Wie gien nije moedes acht, houdt’m bij z’n ouwe dracht’. En dan is er de constematie als Sibbe arriveert en Marijtje zich met pak en zak moet inschepen. Omhelzingen, wijze woorden en daar staat Marijtje als een koningin op het dak van ‘De Uutkomst’.

Aan boord van ‘De Uutkomst’ is het tijdens de thuisvaart een gezellige boel. Sibbe deed volgens zijn zeggen goede zaken, de tocht verloopt voorsp>oedig en Marijtje is in een opperbeste stem¬ ming. Ze put zich uit in kwinkslagen en vrolijke verhalen over Kobus, Vrouwtje en niet te vergeten Laampie met zijn tuutskes. Ester geniet ervan als ook Sibbe zich van zijn beste zijde laat zien. Hij heeft heel wat meegemaakt in zijn leven. Zwerftochten in zijn jeugd, vooral op het water dat hem op het eiland bracht. Zijn kleurrijke jaren in het grote huis van de Muiter waar hij manusje van alles en nog wat werd, het vee verzorgde, de wagen mende, in de zouterij van zijn baas hielp als het daar druk werd en in rustige dagen het schoenlappersvak leerde en ook beoefende. Kon hij niet als de beste de muilen maken waarop de Urker vrouwen zo elegant wisten te trippelen? Ja, en toen werd het vee verkocht en het hele bedrijf ingekrompen. Er kwam een schoenenwinkel in het dorp en de Zuiderzee werd afgesloten. En in Sibbe groeide het heimwee naar zijn varend verleden, ja, en zo zitten ze nu dan in dit turfschuitje, voor zolang het duurt. De inpolderingswerkzaamheden zijn begonnen. Marijtje luistert

81

geboeid. Het meeste is haar bekend, maar Sibbe kan het zo raak zeggen, met zelfspot en een scherpe kijk op anderen. Hij zwijgt evenwel over de periode dat hij met Ester ging trouwen en zijn vrouw waardeert dat. Ze heeft een gelukkig leven met deze man, die altijd voor brood op de plank heeft gezorgd. Ja, en voor verse vis, want dkt was hij ook nog, een gelegenheidsvisser en een tikkeltje strandjutter. Jarenlang had hij een bootje achter de palen en spleetjes hoekwant en wat botnetjes in het schuurtje. Voor de hoeken van de beug werd gretig naar aas gezocht. In de late avond trok hij er nog wel met een lampje op uit om wormen te zoeken. Dat werd veel gedaan op het eiland. Geen tuintje, geen plekje groen was veilig voor de wormenzoeker. Ook de grond tussen de school en het kerkhof niet. Sibbe vertelt hoe hij daar zijn vele concurrenten eens bij de neus nam. Achter het kerkhofhek had hij met zijn lichtje geslingerd en wat rare geluiden gemaakt. De een na de ander was van het veldje verdwenen en de wormen waren er voor hem gebleven. Het werd een rijke avond. De pieren die hun koppen boven de vochtige grond staken moesten de grap duur betalen. Een uurtje later bengelden ze aan de hoekers als zwengelend lokaas voor paling of snoekbaars. Marijtje griezelt bij het plastisch gebrachte verhaal, maar wat heeft ze vaak genoten van Sibbe’s uitzonderlijk lekker gerookte aal en gebakken botjes. Het ruisen van de golven is de achtergrondmuziek bij het gesproken woord. En dan komt, eindelijk, Urk in zicht. Sibbe wijst links en rechts naar de tekenen die aan de drooglegging voorafgaan. Rumoerende baggermolens in de verte, zandzuigers en dekschepen en daarboven de vuurtoren op de berg. Als hij de haven inlaveert zoekt hij een ligplaats aan de oostkant. Ester en Marijtje pakken bijeen wat ze mee moeten nemen naar huis, Sibbe zal het verder wel redden. Ze lopen voorbij een paar keten. Er komt een man naar buiten, hij blijft staan. Marijtje voelt een schok door zich heen gaan en verschiet van kleur. Het gevoel dat ze zo lang probeerde te verdringen, neemt ineens weer bezit van haar. Hij lacht en steekt zijn hand op. Ester is al een paar stappen verder, zij merkt niets, maar Marijtje is van de kaart. ‘Frans’, prevelt ze, dan schokt ze verder zonder nog om te zien. In huis is ze bijzonder stil. Grotemoeder is blij met haar komst. Die is ‘onwennig’ geweest en laat dat merken ook. Ze vraagt honderd uit over haar Kobus en zijn omstandigheden, maar ze moet Marijtje de woorden uit de mond trekken. Die komt pas wat bij bij het derde kop-

82

je koffie en de binnenkomst van Grubbelt. Die is ook in zijn schik met haar terugkeer. Dan worden de spullen uitgepakt die Kobus heeft meegegeven en die nu door Sibbe worden aangereikt. Hij vraagt Grubbelt naar de koersen van de ansjovis, de op gang komende aal- en snoekbaarsvisserij nadat het Ijsselmeer een tijdlang weinig meer was dan een dode zee en deelt hem mee, dat zijn eigen zaken tot nu toe redelijk goed gaan. Marijtje gaat met Hiltje een bezoek brengen bij Inte, maar ook daar praat ze met veel. Tutte Inte kijkt haar nu en dan onderzoekend aan. Dan verklaart Marijtje dat ze hoofdpijn heeft van de lange, vermoeiende dag en naar bed wil. Vroeger dan anders gaat dan de lamp uit in huize de Muiter, Kan Marijtje wel slapen? De gedachten bonzen door haar hoofd. Wat kan, wat mag en wat zal ze nu toch doen?

Liefdeslief en -leed

Als naar gewoonte is Grubbelt als eerste achter de bedsteedeurtjes verdwenen. Hiltje heeft nog wat in de kamer nagerommeld, de stoelen recht gezet en de deuren gesloten. Dat doet ze altijd met heel de voorzichtigheid van haar trouwe zorg. Alles is binnen de mikken, en toch... er valt wat te schuieren in de wereld en het meest nog inje eigen leven. Dan vouwt ze de handen voor het avondgebed. Zo hoort het. Toch is het ditmaal ofze de rechte toon niet vinden kan en ze sluit haar gebed maar af met een diepe zucht en stapt ook de bedstee in. Grubbelt slaapt al als een os. Zo’n man toch. Of hij geen zonden en geen zorgen heeft. Zij kent ze des te beter, al noemt zij die liever niet bij name. Na nog een reeks zuchten wordt ze eindelijk stil en komt haar onrust tot bedaren. Daarboven in het kleine kamertje gooit een jong mensenkind zich om en om. De zo vurig begeerde slaap wil zich niet ontfermen over haar brandende oogleden. Ze heeft hem gezien, haar Frans, en het heeft alles wat al tot rust gekomen was opnieuw weer losgewoeld. In een wild verzet smijt ze ineens haar hoofdkussen van de ene kant naar de andere en verbeten prevelt haar mond: ‘Nooit, nooit laat ik hem los, laat die ander dat maar doen’. Dan is het ofeen razemij zich van haar meester maakt. Ze zet haarjonge, sterke tanden in het laken dat haar voor de mond

83

komt en scheurt het stuk. Ha, dat doet goed. In wrede wellust herhaalt ze nog eens dat spelletje en nog eens. Bijtend en rukkend zoekt ze troost voor het gemis dat weer als een levensgroot monster aanwezig is. ‘Nooit, nooit zal hij die ander toebehoren, nooit!’ Ze kent alleen dat ene woord, dat die duldeloze pijn uit haar hart moet bannen. Het hart van een jonge vrouw die in nood is, een hart dat de diepste treurigheid kent, een hart dat een weg zoekt uit de moeilijkheden... En wat uit het hart komt, dat moet je toch volgen, een andere weg is er toch niet? Maar dan schieten haar oude woorden te binnen, dat het hart arglistig is, dat het verwoesting bedenkt en verharding. Maar nee, dat kan hier toch niet gelden. Dat mag niet waar zijn. Ze bant die gedachten uit haar binnenste. Ze wil doen wat haar eigen hart haar ingeeft. Het wordt haar te benauwd in dat enge bed, waar je het hoofd stoot tegen het schuin aflopende dak, en kordaat opent ze het dakraam. Lenig trekt ze gehaast haar kleren aan. Dan laat ze zich zakken in de dakgoot. Daar is het beter dan bin¬ nen. Een frisse koelte waait om haar slapen en brengt het bruisende bloed ietwat tot rust. Wat maakt ze zich toch bezorgd! Hij hoort immers bij haar? Wat kunnen haar de wetten schelen door strenge lieden ingesteld? Ze aanvaardt ze niet, punt uit. Dan beziet ze uit de dakgoot haar kleine wereldje. Een heel stuk van het oude eiland is vanaf de dakrand te overzien, met alle mensen die daar wonen. En dan is daar een sterke kracht in haar. Nee, niets en niemand om haar heen zal haar verhinderen de man vast te houden die zo onverwacht en onweerstaanbaar haar hart is binnengedrongen. Marijtje rekt zich uit om beter te zien. Liggen daar al niet de koppen van de dijken die het eiland gaan insluiten? En op een daarvan is hij, en... hij is toch zeker binnen haar bereik? In een handomdraai is zij toch zeker beneden! Spottend krullen zich haar lippen. Is er geen middel om hem voor altijd aan zich te binden? Als ze nu eens... Reeds omklemt haar hand de dakgoot en meet ze de afstand voor een gewaagde afsprong. Het is niet ver en niet donker. Doch dan is er plotseling de luide stap van een man die rakelings langs de muur gaat. Marijtje schrikt en houdt de adem in. Wie kan dat zijn? Er is iets bekends in dat regelmatige klompengeklos. Ineens weet ze het: het is de stap van vader Louwe. Haastig trekt ze zich omhoog aan het dakraam. Het hart klopt haar in de keel. Als hij haar ontdekt, zal hij ogenblikkelijk alarm slaan. In haar haast stoot zij een dakpan los die dan rinkelend naar beneden klettert en

84

vlak voor Louwe’s klompen op de straat in stukken spat. Geschrokken kijkt hij naar boven. ‘Als door een wonder bewaard’, mompelt hij, en als hij niets verdachts ziet, vervolgt hij kwiek zijn weg naar zijn schip. Opnieuw wil Marijtje zich laten zakken, maar ineens is daar een hand die haar vast grijpt. Het zijn de handen van beabe Grubbelt die haar behoedzaam het venster binnen helpen. Er valt geen woord. Alleen als hij zich over het bevende meisje heen buigt, zegt hij: ‘Marijtje, kind, doe toch geen domme dingen. Ik zou niet graag willen dat je door het leven zou gaan als een gebrandmerkte’. ‘Maar beabe, wiet jie dan?’ ‘Keend, ik wiet niks, maar ik wil je wel waorskuwen.’ Dan gaat hij. Marijtje werpt zich op bed en dan breekt ze los in een voor dat moment bevrijdende tranenvloed. In de morgen is er stilte en een gedrukte stemming, maar verwijten zijn er verder niet. Maar hoe doofje de begeerte van een verlangend hart. ‘Ik hou van je’, heeft hij gezegd en dat klinkt luider dan alle andere stemmen, maar wat wordt er nu op haar gelet. Is een mens dan niet vrij om de weg van zijn hart te gaan? Liefde zoekt list en niet veel later ziet Marijtje de kans schoon een avondwandeling over het plankier te maken waar ze Frans bij het vuurtje op de dam aantreft. Ze werpt zich in zijn armen en zijn adem beroert haar gezicht, maar haar liefde zal ze niet te grabbel gooien. Een van grotemoeders lessen is altijd geweest dat je manlui nooit teveel him zin moet geven. Frans moet zelfs al zijn overredingskracht aanwenden om haar althans tot een volgende afspraak te bewegen. Hij begrijpt zelfniet, hoe hij zich toch zo aan dit kind kon hechten. Had hij deze jonge vrouw maar eerder ontmoet! Met de dag wordt zij nog begerenswaardiger in zijn ogen, juist om haar besliste houding. Zie, hoe ze daar nu heen snelt. Hij verkneukelt zich al op de volgende ontmoeting, die toch komen gaat. En weer ontmoeten zij elkaar bij het rode licht van de havenpier. Edoch, het geluk dat hun zojuist nog welgezind scheen, vlucht weg als er een gestalte nadert. Het draailicht van de vuurtoren zet hem telkens een fraktie van een seconde in een heldere flits. Marijtje neemt nu geen enkel risico meer. Zij rukt zich los en zegt: ‘Wacht op me, ik ben zo weer terug.’ Dan laat ze zich lenig als een kat langs een paal van de lichtopstand omlaag glijden en is het of het donkere water het meisje heeft opgeslokt. Bij het wakend oog van de havendam staat nu alleen de vreemdeling. Als de eenzame wandelaar hem genaderd is, klinkt een korte

85

12. De zeewering bij windkracht elf.

13. Dam enplankier van Urker haven.

86

groet en keert de man op zijn schreden terug. De vreemdeling verbaast zich over dit volk. Zijn ze wel te doorgronden? En waar mag dat verliefde kind nu toch gebleven zijn? Weet ze dan in alle omstandigheden onmiddellijk te handelen? Nergens is een weg en rondom bruist het water. De enige toegang naar het dorp is een smal plankier. Als dat maar goed zit. Maar daar is Marijtje alweer. “Waar was je?’, vraagt Frans ademloos. ‘O, daar beneden, in die ouwe taanketel. Maar nou is onze avond bedorven. Die man was Louwe, mijn vader. Hij is mij vast gaan zoeken. Ik moet naar huis. En er zit smeersel aan mijn rok.’ De zinnen komen er hijgend uit en het gesprek vlot niet meer. Hij houdt haar hand vast en voetje voor voetje gaan ze terug. Frans had meer van de avond verwacht en toch groeit zijn bewondering voor dit wicht. Ze is niet de eerste de beste straatmeid en daarom juist voelt hij zoveel voor haar en haar vriendschap die hij niet vindt waar die zou moeten zijn. Zij moet er wel een zijn uit een edel geslacht. Op het eiland zijn zeker ook rangen en standen, al zouje dat zo niet denken. ‘Wat benje stir, babbelt ze, ‘zo ken ik je niet.’ Dan zijn weer haar armen om hem heen en vlijt ze zich tegen hem aan. Ze wil nu wel eens precies weten waarom ze toch altijd over hun vriendschap zwijgen moet, maar hij kust haar vragen weg en zegt alleen maar: ‘Ik hou van je, ik hou van jou!’ En dan moeten hun wegen scheiden. Marijtje schiet nog gauw even bij tutte Inte in huis en praat honderd uit, maar als ze’s avonds in bed ligt, komen weer de vragen. Waarom geeft hij geen duidelijk antwoord? Waarom moeten ze zo lang wachten met hun geheim? Met een wild, niet te bedwingen gebaar, sluit ze het kussen in haar armen en snikt het uit: ‘Het kan niet, het kan niet, dat er echt een ander is. Ik hou van hem. Nooit laat ik hem los. Nooit. Nooit, hoor je’. Dan schrikt ze van haar eigen vurige stem. Even later staat grotemoeder in de kamer. ‘Marij¬ tje, wat heb je? Wat roep je?’ Zij buigt zich over haar kleindochter die met gloeiende wangen in het bed ligt te woelen en te draaien. ‘Je hebt koorts. Daar moet ik wat aan doen.’ En even later komt ze met drinken en nog een deken boven. Er is geen vergissing mogelijk. Marijtje is ziek. Dan ziet ze de besmeurde rok op de stoelleuning hangen. Ze zegt maar niets, maar neemt hem mee naar beneden, een hoofd vol zorgen. Als het er morgen niet beter uitziet, moet de dokter maar komen. En die komt. Heeft Marijtje soms kou gevat in de nachtlucht? Ze kon wel eens een beginnende longontsteking hebben. Hij moet

87

volstrekte rust voorschrijven en medicijnen. Dit kan wel eens weken duren. En dat blijkt ook het geval te zijn. Eerst is Marijtje vele dagen- en nachtenlang te ziek om uit haar ogen te kijken. Als tenslotte de crisis geweest is en het gevaar geweken is, komen de gedachten opzetten. Is dit het einde van haar grootscheepse gedachten aan geluk? Heeft Frans dan niets van zich laten horen? Maar nee, dat blijkt toch niet zo te zijn. Als Ede op bezoek komt, fluistert die haar verlegen in dat een knappe vreemdeling meer dan eens naar haar gevraagd heeft. Het is net of dat Marijtje’s genezing met sprongen bevordert. Er is nog toekomst?

De winter valt onverwacht vroeg in. Marijtje geniet van het mooie uitzicht over het in boeien geslagen water en de witte, witte wereld van sneeuw en ijs rondom. De schrale oostenwind houdt haar nog binnen en grotemoeder verdrijft hardnekkig de grillige figuren die de vorst op de ruiten schildert. Maar tegen de wisselende buien van haar kleindochter staat ze machteloos. Het wil nog maar niet tot haar doordringen dat het kind, waar ze in haar liefde zoveel invloed op had, een zelfstandige jonge vrouw is geworden, die zelfhaar problemen wil oplossen. Het steekt Hiltje dat ze over Ede in de winkel nooit een kwaad woord hoort, maar dat achter haar rug wel over Marijtje wordt gekletst. Wel vragen de klanten telkens wat voor kwaal ze wel heeft. Maar over grotemoeders zorg zal het meisje niet te klagen hebben. Elke avond giet ze de tinnen kruik vol kokend water en laat die in een dikke wollen kous van Grubbelt zakken. En hoeveel druppeltjes tegen de koude koorts zou ze haar al wel niet toegediend hebben? Dubbele de beurtschipper heeft al heel wat flessen met medicijn en andere ‘beste flessies’ uit Kampen voor haar meegebracht, koortsbitter niet eens meegerekend. Maar Haarlemmerolie kan Hiltje aan Marijtje niet kwijt en nog minder de huismiddeltjes waarmee de winkelklanten komen aanzetten: het eten van een bolletje met beddepissers of het doorslikken van een galletje, zo uit een levende bot gesneden. Voor de dokter met zijn grijze flaphoed heeft ze ook al niet veel respect. Hij wilde haar maar in bed houden en voorspelde voortdurend regen en wind. Maar dat wist zelfs de zandspiering aan zijn dunne draad bengelend boven haar hoofd toch beter. Toen Marijtje hem ernstig toesprak vanwege dat wisselvallige draaien en geroepen had: ‘Vort, oost op mit je kop, ik heaw nog glattendal niet op de schaatsen gestaan’,

88

toen had de spiering niet lang meer geweifeld en was meteen pal in oostelijke richting blijven hangen. Ook de Enkhuizer almanak, die leugenzak, blijkt ditmaal de waarheid te zeggen: Winter en nog eens winter. En als dan de wind gaat liggen en de omroeper alom in het dorp bekend maakt dat er een mooie ijsbaan achter de vuurtoren is, dan duurt het niet lang ofMarijtje is niet meer binnen te houden en bindt onderaan de dam op de steen der wijzen de ijzers onder. Het rondjes draaien valt haar nog niet mee. Telkens schiet er wel een flinke knaap op haar af die aanbiedt haar te trekken, maar daar is ze niet van gediend. Ze kijkt aan het einde van de baan vaak om zich heen. En zie, daar is Ede, en warempel, daar is Sibbe ook nog. Het wordt een mooi uurtje, maar helemaal voldaan is Marijtje niet. Ze heeft hem niet gezien. Maar dat is de volgende dag anders. Weer rijdt ze met Ede en daar komt Frans aanzwieren. ‘Lot je niet verleien, Marijtjen, gaon niet met ’m rijen’, raadt Ede, maar de vreemdeling heeft zijn handen al uitgestoken en daar glijden ze heen. Nou, en op de ijsbaan zal niemand daar wat van zeggen. En ze laten zien wat ze kunnen. Ze zijn het beste paar van de baan. De Muiter staat wijdbeens ter zijde, een zwarte wollen doek met blauwe rand netjes om zijn hals geknoopt, de lamswollen karrepoes dekt zwierig het grijzende haar. Hij wordt om zijn kennis en politiek gewaardeerd. Een voorman is hij, al wordt er over zijn voorgeschiedenis wel heimelijk gesmoesd. Met kennersoog volgt hij de bewegingen en de blikken over en weer van Marijtje en de vreemdeling, en van Ede die nu met Sibbe de rondjes draait. Op een gegeven ogenblik komen ze allemaal bij Grubbelt staan om even te rusten. Dan wil de vreemdeling wel even een praatje aanknopen. Hij lijkt heel aardig, maar beabe heeft zich intussen een duidelijk oordeel over de man gemaakt. In die verhouding met Marijtje lijkt hem weinig vooruitzicht te zitten. Na nog een rondje ofwat verlaten de meeste rijders de baan. Ede en Marijtje ook, ze gaan nog wat buurten bij tutte Inte. Grubbelt heeft daar intussen aan Hiltje zijn ervaringen verteld. Ze zijn er nu beiden van overtuigd dat er wat dient te gebeuren, maar wat, dat is de vraag. Zou een dienstje aan de wal een medicijn kunnen zijn? Het verblijf in het veenland heeft niet veel geholpen, maar een dienstbetrekking? Vreemde ogen dwingen misschien die andere vreemde ogen weg. Er moet wat op gevonden worden! Hiltje is blij dat Grubbelt dat nu wel met haar eens is. Dan komt Marijtje binnen. Ze is onder de indruk van Inte’s moed en vertrouwen en

89

is daar jaloers op. Zelf is ze niet meer zo zeker als ze pas nog geweest is. Is er voor haar dan geen echt geluk weggelegd? Moe van alles zoekt ze de rust van de nacht. Die laat zich niet zo gemakkelijk vinden, ze draait zich om en om, Een oud speelversje komt haar in de zin, maar alleen de eerste regels lijken waar: l’k Moet dwalen, ’k moet dwalen, op bergen en door dalen. Daar kwam een kleine spring in’t veld, die zwaaide met zijn hoed en stampte met zijn voet. Kom laten wij nu samen gaan en de anderen moeten blijven staan’.

Een paar dagen later is er hardrijden en dat trekt veel belangstelling. Daama wordt er in ploegen gereden die met veel geknars van schaatsen en ruime zwaaien door de bochten scheren. Voor de individuele rijders en de paren is het niet meer zo veilig op de grote baan. Maar het ijs achter de toren is over een grote afstand van goede kwaliteit en de rijders verspreiden zich over de Vormt. Ook Marijtje en Frans zijn weer van de partij en zij drukt alle nare gevoelens en bange vermoedens zo ver mogelijk weg. Als het begint te donkeren, kijkt hij op zijn horloge en begeleidt haar naar de damwand. Een innige omhelzing en voor vandaag is het weer voorbij. Frans schaatst om de havenpier en door de haven op zijn woonkeet aan. Marijtje bindt afen loopt in gedachten naar huis. Wat moet ze er toch van denken? Aan de ene kant dringt hij op meer aan dan zij wil toestaan en tegelijkertijd laat hij veel minder los dan zij wil weten. In een opwelling besluit ze hem te volgen. Ze bindt de schaatsen weer onder en volgt zijn spoor. Zo onopvallend mogelijk nadert zij de woon¬ keet. Hij is net naar binnen gegaan. De lamp brandt en de gordijnen zijn niet gesloten. Ze wil geen gluurder zijn, maar haar ogen worden onherroepelijk naar het licht getrokken. Ze ziet hem in het vertrek komen en zijn jas uitschieten. Dan wendt plotseling een vrouw haar gezicht naar het raam. Ze steunt het donker gelokte hoofd in de hand. Haar andere hand is als beschermend om een kind geslagen dat beweegt op haar schoot. Kleine handen heffen zich op, maar de vrouw schijnt niets te merken. Zij lijkt wel blind en doof. Het wekt Marijtje’s verwondering. Hoe kan een vrouw zo zijn? Ze waagt het wat dichterbij te komen en wordt getroffen door een grenzeloze droeve blik in

90

die starende ogen, die zich niet wenden naar de zojuist binnengekomen man. Wat is hier voor een verdrietig geheim? Het treft Marijtje als een zweepslag. Ze wankelt weg. Dan gaat het sneller. Waar moet ze heen met haar onrust en de stemmen die zich in haar verdringen? Dit is de laatste keer geweest, denkt ze. Hier moet ik vandaan. Ik moet weg, de wijde wereld in. Zo kan het immers niet langer verder gaan. Tranen branden in haar ogen. Ze wil vluchten, maar kan nergens heen. Ze struikelt en voelt hoe pijnlijk zij haar been verzwikt heeft. De toenemende kou bijt haar in het gezicht. Diep ongelukkig en met betraande ogen wankelt ze tenslotte de kamer in waar Grubbelt en Hiltje nog over haar toekomst praten. Ze flapt het emit: ‘Ik gaon van Urk of. Dan verdwijnt ze in haar kamer. De beide grootouders kijken elkaar aan. ‘Een besturige’, zegt Hiltje.

De winter gaat even snel als hij gekomen is. Nog voor oudjaar varen de boten alweer en op de boot die naar Enkhuizen gaat, bevindt zich ook Marijtje. Ze begint aan een nieuwe periode in haar leven. Maar... heeft ze de oude wel afgesloten? Dat is de vraag die blijft pijnigen. Je zoekt iets nieuws, maar kun je het oude wel opzij zetten? En nu is zij op weg naar Den Haag. Er was geen hand uit een raam die haar goede reis toewuifde. Grubbelt bracht haar naar de boot. Het afscheid van Hiltje en Inte was moeilijk geweest, dat van vader Louwe en moeder Brechtje een stuk gemakkelijker. Een betrekking is haar als het ware in de schoot geworpen. Femmetje, nog een vriendin vanaf de schoolbanken, was met de Kerstdagen op het eiland en kon niet terug toen haar moeder ziek werd en er geen ander was om haar te verzorgen. Maar in het gezin in Den Haag kon ze ook onmogelijk gemist worden. In de winkel van Hiltje had ze gehoord dat Marijtje wel van Urk afwou om zelfhaar kleren en levensonderhoud te verdienen, net als zoveel andere meisjes. En zodoende waren die zaken snel geregeld, tot tevredenheid van grotemoeder en als een vluchtweg voor haar kleindochter. Af¬ scheid van Frans heeft ze niet willen en kunnen nemen. Ze had het land wel willen uitrijden op een wit paard in venijnige draf. Ze had het wel willen uitschreeuwen van verdriet aan het strand, zodat de golven het konden wegdragen. Ze had het verleden wel willen uitwissen en wegdromen in een eindeloze stilte. En nu zit ze hier op de boot. De kapitein komt langs om de kaartjes in te halen en hij informeert naar Grubbelt. Ze geeft

91

antwoord of er niets aan de hand is, maar in haar woelen haar gedachten pijnlijk om. Dan toet de boot, als het Krabbersgat wordt ingevaren. Met anderen neemt ze de stap op naar het sta¬ tion. Een gewilligejongeman draagt haar koffer. Weldra vertrekt de trein. De fluit van de machinist snerpt en scheurt haar gedachten stuk. Een nieuwe periode is ingeluid. ‘Wees sterk en heb goede moed’, heeft tutte Inte haar toegefluisterd. Maar hoe zal ze sterk kunnen zijn, nu ze welhaast alle moed verloren heeft.

Marijtje’s eerste dienst

In een van de nette buitenwijken van Den Haag is Marijtje bezig zichzelf terug te vinden na de emoties van de laatste weken. Hier geen verwarring en wanorde. De huizen staan er keurig in het gelid, de tuintjes zijn netjes door hekjes van elkaar gescheiden en de huisdeuren blijven dis¬ creet gesloten. Zelden worden er wanklanken buitenshuis opgevangen van ruziende vrouwen of huilende kinderen. De hondjes worden er als welopgevoede beestjes op tijd uitgelaten en buitenissige sprongen in een keurig Haags zoveel mogelijk beteugeld.

Marijtje zoekt haar evenwicht tussen een welverzorgde mevrouw en een deftige meneer. Ze heeft niet alle schepen achter zich verbrand, o nee, de deur van het grootouderlijke huis op het eiland staat voor haar open. Hiltje had haar bij het afscheid nog van alles en nog wat toegestopt, moeder Brechtje had zelfs geschreid en beabe Grubbelt had haar naar de boot gebracht. Bij het af¬ scheid had hij haar in de arm geknepen en toegefluisterd dat zij maar bedenken moest dat hij er ook nog was. ‘As’t joe daor in den vreemde niet bevalt, nou maot, koem dan mitien terogge.’ Ze had alleen maar kunnen knikken vanwege die brok in haar keel, maar de kussen die ze hem op beide wangen had gegeven waren veelzeggend geweest. En zoenen, dat deden de eilanders toch niet graag in het openbaar. Maar terugkeren, nee, daar dacht Marijtje niet aan. Een mens heeft plichten en wie niet volhouden kan is niet veel waard. Dan glipt er een gedachte bij haar binnen. Geldt dat volhouden dan ook niet voor de liefde en is het nu:

92

uit het oog, uit het hart? Toen de boot de haven uit was had Marijtje als een eenzaam hoopje mens op het achterdek gezeten. Ze had buiten in de wind nog lang getuurd naar een plek aan de oostkant van het eiland. Had ze daar iemand zien zwaaien? De tranen in haar ogen hadden haar het zicht tenslotte geheel benomen. En nu is ze hier alleen in haar Haagse dienstbetrekking en huivert in de vroegte van de morgen. Wat zijn dat voor malle kuren omje’s morgens met een bel je bed uit te luiden. ‘Ze likken wel beduveld, en dat vor grote minsen.’ Als er nu nog kinderen rondsprongen die rommel maakten. Marijtje zwaait onverschillig met haar stofdoek, want eigenlijk acht ze dat afstoffen, elke morgen weer, totaal overbodig in een kamer waar elk meubelstuk op zijn plaats blijft staan en niets te beleven valt. Neem dan het grote huis van beabe Grubbelt, die zelfallerlei dingen laat slingeren, waar de bezoekers vettige jassen en petten op de stoelen gooien en waar ze soms zelfs him kleverige tabakspruimen in de vensterbank deponeren als ze zo gauw geen kwispeldoor zien staan. Waar ook gebarende aandeelhouders en commissarissen van de Stoombootmaatschappij of een ansjoviszouterij met hun pijpen of zelfs vuisten op de tafel slaan als het hun niet naar de zin gaat. Kijk, dan geefje daama met plezier de boel een beurt. Maar hier, in het Haagse, moet ze met een kwastje het stof zoeken dat er niet is. Marijtje gaapt bij dit morgenwerk van de verveling en ook van de honger. Wat moet ze weer lang wachten voordat haar het ontbijt wordt toegeschoven door een kier van de deur. Des te gretiger hapt ze in de drie sneden wittebrood en schrikt als ze bemerkt dat ze al verdwenen zijn aleer ze ervoor gebeden heeft. De thee is slapjes, grotemoeder zou het gootwater noemen. Het wekt gedachten aan haar geurige koffie en de verse kadetjes van Roelof de bakker. Ze probeert hier en nu him levenswijze te begrijpen en verdiept zich in de begeerte van haar meneer die zo dolgraag een auto wil hebben als zijn buurman aan de overkant, zo’n mooie blauwe, die als een slee over de wegen glijdt. Nou, als hij er een krijgt mag zij misschien ook wel eens mee en eens een keertje tussen deze muren uitkomen, zij die het verlangen naar lucht en ruimte zo goed kent. Nu zit ze hier maar tussen de overdadige weelde waar haar mevrouw zoveel waarde aan hecht: Vijf tafels in twee kamers, wanden vol schilderstukken en dat met brede, vergulde randen, omdat ze die hier zo mooi vinden. En wat is het ontbijt dat ze klaar maakten weer karig. Als ze de laatste kruimels van

93

haar bordje pikt, bedenkt ze dat stevig eten en veel luxe ook niet zo goed samen gaan in deze omgeving. Waarom zouden ze hier toch zo hechten aan al dat overbodige meubilair en hun lichaam zo te kort te doen, of hebben ze alleen het meisje op dieet gezet? Marijtje heeft er vrijmoedig al eens wat van gezegd, maar dat viel wel verkeerd. Zij vonden haar maar eigenwijs, vooral mevrouw, en meneer probeerde het later weer wat goed te maken. En als hij over de begeerde auto begint, is ze zijn kameraad. Gaat dat genot niet boven dat van divans en crapauds? Ze kunnen samen ook lachen, tot ergemis van mevrouw. Marijtje lacht wel, maar niet zoals vroeger. Ze voelt zelf wel dat haar lach hard klinkt en wreed, als ze schatert om dat gedoe en de beuzelwerkjes die ze zonder veel interesse afdoet. Als ze ziet hoe de man elke avond met een glimmend rood hoofd de beursberichten verslindt en zijn humeur met die berichten schommelt, als ze opmerkt hoe hij angstvallig om zes uur thuis komt, omdat zijn vrouw anders weer onnodig opbelt of weeklaagt, als ze al zijn verplichte glimlachjes, groetjes en andere beleefdheden gadeslaat, dan moet ze wel lachen. Ze raadt wel wat erachter dat precieze gedoe schuil gaat, die dwaze dikdoenerij. Met vuur slijpt ze in het schuurtje de messen. Krachtig duwt ze die over de plank en het is of ze haar geliefden in de lemmeten ziet glanzen. Onwillekeurig ontsnappen haar dan de oude bekende versjes van bim, bam, beieren, van Kaatje ben je boven en daar was ereis een vrouw. Die worden in het deftige huis niet geduld en helemaal niet de liedjes in het dialect als van’t ouwe paard in de sloot en het ‘mimme, zet m’n hulletjen op, vanavend komt m’n vrijer’. In het schuurtje is Marijtje meer zichzelf. Ze hoort er de mussen tjilpen in de struiken. Bobbie de hond en Marijtje de meid benijden de vogels allebei: de een omdat hij ze niet vangen en de ander omdat zij ze niet volgen kan en hun de vrijheid haast misgunt. Uit pure baldadigheid hitst ze de hond op: ‘pak ze dan!’, en troost hem vervolgens door hem aaiend toe te voegen dat het helemaal niet meevalt niet te kunnen krijgen wat je zo graag hebben wil. Ze voelt hoe achter de serredeuren een paar begerige ogen de ranke bewegingen van haar lichaam volgen en dan neemt weer de wrevel bezit van haar hart. Een gevangene is zij hier. Het kan toch niet zo zijn, dat dit haar leven is, dag in dag uit alleen in een halfdonkere keuken te zitten. Hoe heeft Femmetje dat zolang kunnen uithouden? Het zijn de wijde verten, de jagende wolken en het bruisende water die Marijtje

94

aanspreken en die raken hopeloos zoek tussen de glimmende potten en pannen, de valletjes en de lopers, een weelde zonder hartelijkheid en met veel op- en aanmerkingen. Nu heeft ze weer vergeten de bontjassen op tijd te luchten, mevrouw vangt notabene een mot vlak voor Marijtje’s neus. Dan schilt ze de aardappelen niet dun genoeg, want die glanzende limousine moet voor de deur komen. Ofschuilt achter die vitterijen ook nog een venijnigejaloezie?

En dan komt de dag dat Marijtje het niet langer harden kan als meneer te familiaar wordt en mevrouw een furie. Dan staat haar besluit vast. Hier blijft ze niet. En als er niet al die opbeurende brieven van thuis gekomen waren, van grotemoeder en van Ede, en van none Kobus niet te vergeten, ze was er allang weg geweest. Marijtje konkelefoest met de melkboer, een van de weinigen die ze kent en met wie ze vertrouwelijk kan zijn. Hij belooft haar verder te helpen als het niet langer gaat. Hij weet immers allang dat mevrouw helemaal geen dienstmeisjes houden kan. Zij heeft er al hij weet niet hoeveel wel versleten. Die goeie Femmetje blijkt er nog het langst geweest te zijn. De maat bij Marijtje is vol als mevrouw een brief blijkt te hebben geopend, en gelezen natuurlijk. Per ongeluk natuurlijk. Alsof een brief van grotemoeder er niet anders uitziet dan de gebruikelijke post voor mevrouw. Dan is de boot an, om het op z’n Urks te zeggen. Marijtje pakt haar bezittingen bijeen en verlaat stilletjes het huis dat in haar ogen niets meer of minder is dan een oord van verschrikking. Ze neemt haar intrek in het gezin van de Scheveningse melkman, die beloofd heeft haar spoedig een ander dienstje te zullen bezorgen, er zijn immers in de residentie meer dienstjes dan meisjes. Zij maakt zich intussen verdienstelijk in het winkelhuis met het ruime uitzicht op twee straten en de beklemming van de dorre woning die ze achterliet wijkt. Het is heerlijk telkens weer de vrolijke klingel van de winkelbel te horen en dan gaat Marijtje opgewekt helpen in de hoop iets terug te vinden van de gemoedelijkheid op het eiland dat ze zo mist. Maar dat blijkt in de buurt toch wel een misrekening. Voor een half litertje melk vijf keer te moeten zeggen: ‘Ja mevrouw’, ‘Nee mevrouw1, ‘Alstublieft mevrouw’, ‘Dank u wel mevrouw’, ‘Dag mevrouw’, ligt haar niet, die er in het geheel geen besef van de Haagse wellevendheid op nahoudt. ‘Wat binnen dit vor minsen’, mompelt ze, ‘m’n nekke is steef van ’t knikken. Ze wieten van

95

gien weer of wiend. Nou, ze zullen de wiendstneken ok wel niet kinnen. Nargens angers kunen ze over praoten as over d’rluiers klachten. Ze heawen alle kwaolen die er binnen, en de grootste is geldgebrek. Daor komt er wier zo ientjen. Die kan nog niet kiezen eut zes soorten keaze. Wat belieft u mevrouw? Een onsje hiervan dan maar? Alstublieft mevrouw. Je zouwen er niet goed van worren.’ “Wat zegje meisje?’ ‘Dat het frisjes is mevrouw. Dag mevrouw. Tot ziens mevrouw.’ Intussen verbetert Marijtje’s humeur er niet op. Als ze’s avonds met haar daagse schoeisel naar een schoenmaker stapt om dat op te laten lappen, geeft hij haar ‘die dingen’ meteen maar weer terug. Er staat geen merkteken van fijne vakkennis op en ze heeft ze teveel afgetrapt. ‘Zulke rommel maken we hier niet, jongedame.’ En dat gezegd van muilen die Sibbe nog voor haar gemaakt heeft en waar ze zich zo aan heeft gehecht. De melkboer probeert haar te troosten: ‘Meisje, je kent de gewoontes hier niet. A1 die kouwe drukte wordt dagelijks gebruikt, daar moet je maar aan wennen’. ‘Dat lukt mij niet, melkman’, zegt ze en trekt hem speels aan zijn blonde haar. Hij geeft haar een guitige knipoog en een kneepje in haar blanke arm die hem de muiltjes voorhoudt. Als zij dan in een plotselinge behoefte aan enige vertrouwelijkheid wat naar voren leunt, vangt ze van terzijde de blikken van zijn jonge vrouw op die dit maar moeilijk verdraagt. ’s Avonds wil de slaap niet komen door de lastige gedachten die zich in haar verdringen. Urk is toch maar een soeten dal. Dikke tranen vinden hun weg en de slaap wil niet komen. In het kamertje naast haar hebben een man en een vrouw woorden met elkaar. Marijtje duwt haar hoofd diep in het kussen. Ontstaan overal rondom haar moeilijkheden? Dat mag en kan toch zo niet blijven. Is zij dan een steen des aanstoots? Daarom gaat zij reeds de volgende morgen in de winkel op de mededeling van een van de klanten in. Op een bovenhuis enkele straten verderop woont een goede mevrouw met lieve kinderen. Allemaal krullekopjes. Die zoekt hulp voor dag en nacht. Dat zou misschien wel wat voor dit Urkse meisje zijn. Marijtje gaat er subiet op af. Ze trekt daar haar zondagse schoenen voor aan, al voelt ze dit toch wel een beetje als verraad aan die goeie Sibbe. Ze moet bij meneer die en die zijn. Ja, een naam weet ze niet, maar wel het adres, maar’t is in ieder geval een ‘mijnheer’. Kijk maar, op het bordje naast de deur staat ‘advocaat procureur’. Nou als dat niet voornaam is. Reeds heeft ze

96

gebeld. Eerst krijgt ze met de meneer te doen, maar dat gaat niet zo vlot. Hij doet zo verhipt gewichtig. Met zijn vrouw kan ze het al dadelijk veel beter vinden en ook met de kinderen, die haar wel erg verwend lijken, maar toch... Het blonde moedertje verdedigt haar kroost door te zeggen dat die de Indische zon in hun bloed hebben, zodoende. Maar daar moet toch onder nuchtere Hollandse luchten wel wat aan te doen zijn. Het klikt wederzijds en Marijtje heeft haar tweede Haagse betrekking. Nog diezelfde avond stuurt ze brieven naar Hiltje en Kobus.

Dromen, denken en doen

Samen zwoegen mevrouw en Marijtje met ‘die lieve krullebolletjes’, ze blijken ongewoon verwend en lastig en kunnen zichzelf niet helpen. Dat begrijpt het dienstmeisje niet. Zij, die al van haar prille jeugd af zichzelf leerde helpen en behelpen kan zich met mevrouws toegevendheid niet verenigen. Ze weet middelen toe te passen die haar hulp minder gewenst maken en de kinde¬ ren meer zelfstandig en het resultaat is al gauw merkbaar. En, het moet gezegd, Marijtje weet van nemen en geven en waardeert de aanwezige goede wil. Hoe rapper de kleinen de hun opgedragen werkjes doen, hoe eerder is zij te bewegen een spannend verhaal te vertellen, en des te eerder vindt zij de tijd er met de kinderen opuit te gaan, en als altijd trekt zij dan met hen naar zee. Op het bovenhuis keert voor de oververmoeide me¬ vrouw de broodnodige rust weer. Ofschoon ze het niet zo met Marijtje’s hardhandige opvoedingsmethoden eens is, laat ze haar zoveel mogelijk gaan en kan ze het meisje, dat zo zelfstandig haar werk verricht en haar eigen opvoedingstaak verlicht, een gevoel van dank niet onthouden. En zo gaan tot beider tevredenheid de weken voorbij. Maar als mevrouw Marijtje aanraadt niet steeds naar de zeezijde te gaan, maar ook eens een andere kant op te zoeken, schudt deze vastberaden het hoofd, want zij heeft daar intussen een wondermooie ontdekking gedaan. Daar in het mondaine Scheveningen, tussen fleurige en schaars geklede badgasten, lopen nog mannen en vrouwen rond die nog niet de modegod aanbidden, maar rustig in hun eigen dracht letten op lucht en wolken en verstandig praten over weer en wind en

97

zoveel hogere zaken meer. En wie Marijtje tussen al die mensen het meest boeit, is een vrouw die ze kent, omdat die bij hen op het eiland een tijdlang heeft gewoond, niet ver van grotemoeders huis. De ontmoeting was zo plotseling en onverwacht, die mid¬ dag dat ze met de kinderen weer eens aan het strand zat. Terwijl de kleinen speelden in het zand werd haar het verlangen naar huis bijna te machtig. En toen ineens had een stem gezegd: ‘Ben je nou helemaal tot je nek, Marijtje? Waarom zit je hier zo alleen?’ En toen had die vriendelijke vrouw zich naast haar gezet en dat was het begin van een hartelijke vriendschap. Dat heeft ze wel nodig ook, want de tijd lijkt haar wonden niet te helen, integendeel, ze gaan hoe langer hoe meer pijn doen, vooral als in de nacht de herinneringen niet te stuiten zijn en het heimwee knaagt. Dan ziet ze Frans levensgroot voor zich: Hij neemt haar bij de hand en leidt haar naar het einde van het strand. Daar is het goed. Ze zitten samen in het warme zand. Maar ineens springt ze op en roept: ‘O, waarom liet je me niet met rust. Ik heb haar gezien, haar, je... Maar het woord wil niet over haar lippen en ze breekt in tranen uit. De man begrijpt haar niet, dat ziet ze zo. Maar hoe kan ze hem die geen godsdienstige achtergrond heeft nu in vredesnaam uitleggen wat haar dwars zit? Hoe kan ze hem duidelijk maken dat ze over de vriendschap, de liefde tussen een man en een vrouw, nu eenmaal anders denkt dan hij, omdat ze hoort bij een volk dat toch trouw wil zijn aan geloof en traditie. Toch drukt ze haar hoofd tegen zijn borst en in haar droom voelt ze hoe hij haar gezicht streelt. Dan schiet ze wakker en rukt ze de deken weg die haar op de wangen kriebelde. Slapen kan ze dan niet meer. Ze bedenkt wat ze allemaal had moeten zeggen tegen hem, maar niet deed. Hoe ze zonder een goed gesprek op de vlucht is geslagen. Wie weet hoeveel hij tot zijn verdediging had kunnen aanvoeren. Heel haar verdriet staat weer voor haar in de stille nacht. Haar handen zoeken vastheid. Was ze maar weer op de plaats waarvan ze elke duim grond liefheeft, waar beabe Grubbelt is en grotemoeder, moeder Brechtje en al die anderen, en niet te vergeten tutte Inte, die zoveel heeft moeten afstaan aan de wilde zee. Het droombeeld van Frans wijkt voor de rechte gestalte van Inte. Ze hoort hoe die vertelt over haar geschonden leven, maar kent ook de aandacht die zij iedereen in haar omgeving toedeelt. Altijd heft Inte verrast het hoofd op als het zandzakje aan de deur met een ruk omlaag gaat. Dan weet ze meestal al wel wie er binnen zal komen. Marijtje

98

komt binnen als een wildebras en dat verraadt de zandzak. Tutte Inte kent ook de schakeringen van de gezichten, weet ze, en kan raden wat daarachter schuil gaat. Net als die avond toen ze haar, Marijtje, naast zich nodigde toen er verder niemand in de kamer was en een verhaal begon te vertellen over liefde en avontuur, zoals zij dat alleen kan. In het donker van Marijtje’s slaapkamer hoort ze weer de wijze woorden: ‘Er binnen minsen die geluk dinken te kunen stelen, maar die binnen dom en kunen niet rekenen, want vor zo’n dief is er gien geluk’. ‘Waoromme niet?’ ‘Een mins kan een nijt heus niet bouwen op ouwe troep, in elk geval niet het heus van je leven. Mit hout en stien kuun je vuul doen, maar as je harte een peunhoop is, dan bringje dat op die menier nooit in orde, daor heawen wij het recht niet toe. En nou, oenze Marijtjen, nou is meen harte vol zorg over joe.’ ‘In waoromme dan, tutte?’ ‘Omdat je de kaans op echt geluk verspuulen, keend. Je kunen gien echt geluk bouwen op het ongeluk van een anger. Wie warkelijk lief het, zoekt niet in de eerste plaose z’n eagen genot en genugen, maar het goeie vor de man of vrouwe waor hij of zij van houdt.’ En wat was er toen nog te zeggen? Er was een zwijgen gevallen tussen die twee dat luider sprak dan woorden. Inte liet zich vermoeid in de kussens van haar leunstoel terug vallen. Ze had nog een ding gezegd: ‘Ma¬ rijtjen, je wieten toch wel dat jie ok een ieuwigheidskeend bin¬ nen?’ Toen had ze de ogen gesloten en de handen gevouwen. Ze had haar plicht gedaan. Ze kon nog maar den ding doen voor Marijtje...

Die was toen stilletjes op huis aan gegaan. En als zij er in een half slapeloze nacht aan denkt, vouwt zij de handen en zucht. Wat is het leven toch ingewikkeld en wat zijn er een stemmen in een mensenhart, goede en kwade. En telkens is er een stem die weer boven alles uitkomt, hoezeer ze juist die wil wegdrukken. Dan neemt ze een kloek besluit en valt in slaap. Als zij de avond daarop een paar uur de tijd heeft, zet ze zich aan het tafeltje in haar kamertje om een paar brieven te schrijven. Aan Kobus om te informeren naar zijn gezin, gezondheid, studie en beestenboel, en aan tante Inte met veel lieve alledaagse dingen. Aan grotemoeder ‘groeten uit Scheveningen’ op een mooie prentbriefkaart, ja, en dan, dan komt het moeilijkste, ze schrijft een brief aan Frans op zijn kantooradres. Hij moet toch wel begrepen hebben waarom ze van het eiland is gegaan? Het was immers een vlucht? Hij of zij hadden ruimte moeten maken in een onhoud-

99

bare situatie. Waarom liet hij haar dan niet met rust? Hij kon vanwege zijn positie niet vertrekken en daarom had zij de keus gemaakt, tegen haar gevoelens in. En nog is de vriendschap, wat haar aangaat, niet gedoofd, als ze hem maar zou kunnen begrijpen, als hij haar maar zijn omstandigheden zou willen vertellen, als zij maar kon weten van zijn oprechtheid. Nu zaten ze toch allebei in een noodsituatie? Echte liefde sterft toch niet zomaar? Haar vochtige vingers maken vlekken op het papier, als ze tegen middernacht de envelop sluit en die bij de te posten brieven van meneer legt.

Vriendschap

De volgende dag voelt Marijtje zich enigszins opgelucht. Ze heeft heel wat van zich afgeschreven, voorlopig. Nu gaat ze zo gauw mogelijk een bezoek brengen aan haar nieuwe vriendin, al is die dan zoveel ouder dan zijzelf, ouder en vertrouwder ook dan de anderen die zij in deze omgeving kent. En de gelegenheid is er weldra, dat Marijtje bij de Scheveningse een bezoek kan bren¬ gen. Om woorden hebben ze niet te zoeken. Als een waterval stort de woordenvloed zich uit. De vrouw is verbaasd dat de kleindochter van de gefortuneerde Grubbelt in dienstbetrekking is en ze begrijpt hoe alleen ze zich wel in Den Haag moet voelen. Die Hagenaars hebben toch allemaal een klap van de molen gehad, niet dan? Ze willen allemaal meer lijken dan ze zijn, maar daar moet Marijtje zich maar geen klap van aantrekken. Voor het eerst sinds vele weken is er weer een opgewekte klank in haar stem en samen kunnen ze lachen om die malle dikdoenerij. De vrouw probeert er toch wel achter te komen wat Marijtje wel bewogen kan hebben het knusse Urk te verlaten, maar die laat niet zo gauw het achterste van haar tong zien, dat heeft ze wel van grootvader geleerd en politiek antwoordt ze: ‘Ik wiet het gerust niet wat m’n drift’. Pleuntje doet er vooreerst het zwijgen maar toe, maar dat het klare koffie is kan ze zich niet voorstellen. Ze zullen maar eens een bakkie doen en intussen licht ze Marijtje in over haar eigen situatie. ‘Onze Klaas vaart bij een Urker, zie je, en daarom keek ik vorige week even aan de waterkant of de schokker al op de zee was. Een vers visje gaat er 100

wel in, niet dan?’ Marijtje informeert of het haar goed bevalt en Pleun blijkt een evenwichtige vrouw, die de dingen neemt zoals ze haar toevallen. ’t Moet wel, als je zo’n groot gezin hebt en nou haar man niet meer in zijn eigen hoekje zit na gedane arbeid, kan zij al helemaal niet in een hoek gaan zitten. ”t Valt niet mee, Marijtje, ik ben zo gelukkig met’m weest. Toen-ie d’r niet meer was, toen wist ik niet waar ik’t zoeken moest, maar ik kon met al die kinderen niet bij de pakken neerzitten en dat anpakken hielp me er bovenop.’ Ze woont in een eenvoudig, maar net huis. In de weduwenstraat, met meer vrouwen die alleen voor grote gezinnen staan. Marijtje moet maar veel op bezoek komen om een bakkie te doen als ze zich alleen voelt, en als Pleun niet thuis is kan Marijtje er toch wel in. ‘Je gaat maar door het achterpoortje hoor, dat sluit ik nooit af. We stelen hier niet omdat we toch allemaal gesjochten bennen, nietwaar?’ Het worden een aantal fijne bezoeken die een verademing voor Marijtje betekenen in de sleur van de dagen. De kinderen willen graag mee naar Scheveningen, naar het strand en de haven en naar die vriendelijke vrouw waar ze zo fijn kunnen spelen met een scheepje van een klomp en dozen met mooie schelpen. En als de vrouwen ‘een bakkie doen’, dan is er voor hen altijd wel een steek of een zuurbal; snoep die ze thuis nooit te proeven krijgen. Marijtje en Pleun hebben stof genoeg voor hun gesprekken en laten intussen de breipriemen lustig gaan. Pleuntje met haar grote gezin weet van heel wat liefen leed te verhalen en Marijtje heeft zoveel opgestoken in de winkel, in het veenland bij none Kobus en in haar twee dienstjes, dat het wel een vervolgverhaal wordt. Het verzoet veel van haar eenzaamheid en telkens weer opduikend verlangen, maar daarover zwijgt ze, een afkeuring zou ze niet kunnen verdragen. Haar lachen overstemt haar verdriet als ze vertelt van die malle Sibbe en zijn vroegere streken. Heeft ze dat al eens verteld van die diefstal? Nee? Nou, een keer was er een deel van de eigen slacht (dat deden we toen nog) uit het achterhuis verdwenen, een klein vaatje met vlees. En wie kon dat gedaan hebben? Omdat er reden was te verwachten dat de diefnog eens terug zou komen, besloten Sibbe en Grubbelt om beurten wacht te houden tot in de kleine uurtjes, vanwege het vermoeden dat gerezen was en gevallen op iemand die er steeds voorbij kwam als bij zich naar boord begaf. Maar toen ging er wat mis, de afspraak was niet duidelijk genoeg geweest. ‘O wee, als ik die schavuit betrap’, dacht Sibbe en hij had een strook leer

101

14. Op de grote stille heide.

15. Aan het strand van Scheveningen.

102

bij de hand toen hij in zijn schuilplaats achter het schot kroop. ‘Vannacht zou die vent wel weer eens een slag willen slaan’, zei Grubbelt tegen Hiltje en hij trok een extra jas aan en stak een stuk hout in zijn zak en sloop op het hok aan. Slechts een vredig geroffel en snurken van de twee biggen was hoorbaar. Haast onhoorbaar deed hij de deur open en schrok zich toen bijna een beroerte. Een sterke hand greep hem bij de strot en de andere hand hief de riem omhoog. En toen kwam de ontknoping toen de Muiter om genade riep, iets wat hij nog nooit in zijn leven gedaan had.

De toehoorders gnuiven om het verhaal en moedigen Marijtje aan voor meer. Nou dan, weten jullie wat een robbe is? Ja, een zeehond, nou, en Sibbe heeft er eens een levend gevangen. Hij was met zijn roeibootje bij de staart van Urk en op die zandstrook lagen robben te zonnen. Sibbe zag er een die te dicht in zijn richting geschoven was en te ver van het zakkende water. Hij maakte zich klein, bespiedde het niets vermoedende dier en wachtte af. Ineens zag hij zijn kans en schoot toe. Blaffend trachtte het beest te ontkomen, maar de droogte belemmerde het in zijn bewegingen en Sibbe was hem te vlug af. ‘Gladjas Snor, gladjas Snor, wat was je nou toch dom.’ Sibbe droeg zijn glimmende buit weg, een jong dier dat angstig met de ogen knipte, terwijl zijn lange snorharen in nerveus verweer trilden tegen de mens aan wie geen ontsnappen mogelijk was. In huis hadden de kinderen gejuicht en Sibbe gesmeekt het dier niet dood te maken, zo’n jong dier nog. Ede snelde weg om bij de buurman wat visjes te halen en lachend gooide ze die in de tobbe met water die Ester klaar gezet had. De kinderen wilden hem houden en Ester zei dat die ene gulden die ze ervoor zouden krijgen hen niet rijker zou maken. Maar houden, nee, dat zou niet gaan. Besloten werd het dier’s avonds in zee terug te zetten en dat gebeurde op een feestelijke wijze. Een hele stoet kinderen uit de buurt vergezelde Sibbe die het beest in een kruiwagen naar zijn element terugbracht.

O, wat kan die Marijtje vertellen. De kinderen kijken haar met open mond aan en Pleun zegt dat ze schooljuffrouw had moeten worden. Het vleit Marijtje, maar nu is de beurt aan haar gastvrouw. Nou, en als die begint over alles wat ze met haar kinde¬ ren beleefde, dan is ze zo gauw nog niet klaar. Mooi en lelijk, lief en leed. Ja, dat laatste ook volop, toen het schip waarop haar man voer niet uit zee terugkeerde en een ongeluksbode het haar

103

en haar kinderen kwam vertellen. Pleun schieten de tranen weer in de ogen en Marijtje moet eens snuiven. Maar dan is er koffie en wordt het tijd voor opbreken. En Marijtje weet het immers, ze mag zoveel komen als ze wil en de kinderen mogen meekomen. We zijn toch in de wereld om elkaar te helpen, niet dan? En de deur aan de achterkant is open hoor, zo hoort het toch zeker voor vrienden, niet dan? Maar trots deelt ze mee, dat ze zich goed red¬ den kan omdat haar handen niet stil staan. Toen Jan stierf had ze gedacht van armoede te zullen omkomen, maar nee, gebrek heeft ze Goddank nog niet gehad. Er komen een paar kinderen thuis die haar het verdiende dagloon aanreiken. Ze staat op en bergt het in de kast in verschillende potjes. Onder de avondboterham gaat het praten door en worden oude herinneringen opgehaald. Een van de kinderen wordt nog om een brood gestuurd. ‘Het leven staat geen moment stil, Marijtje, en al lijkt het soms ofje hart zal breken, je wordt er door geholpen. En zo erg zal het bij jou toch wel niet zijn?’ Weer gooit Pleun een hengeltje uit, maar Marijtje slurpt met welbehagen van een nieuwe kop koffie en schudt alleen maar met het hoofd. Hier warmt ze haar verkleumde hart aan de sfeer van warmte en licht. Als Egbert en Giel het niet met elkaar eens kunnen worden, moet er kordaat opgetreden worden. Egbert is een soort huisknechtje en heeft drie weken vrijaf nu zijn werkgevers naar Zwitserland met vakantie zijn. Hij is van plan van zijn loon nu ook een paar kleine uitstapjes te maken. Giel, die niet vrij is, vindt dat niet in orde. Als ze uitgaan moeten ze dat samen doen. Pleun hoort ze beiden aan. Dan roept ze: ‘Vakantie? Ik heb nog nooit in mijn leven vakantie gehad. We gooien het geld niet over de balk. De groenteman hier in de straat is om een hulpje verlegen. Morgenochtend om acht uur kun je beginnen’. ‘En ik wou nou eens wat uit rijen gaan’, zegt Egbert teleurgesteld. Giel gnuift als z’n moeder zegt: ‘Ben je nou tot je nek dan, of niet? Bij de groente¬ man rij je de hele dag. En als je dan nog weg wil, neem je de schildpad uit het tuintje maar onder je gat’. En dat is dan dat. Marijtje wordt voor de komende zondag te eten gevraagd. Aan groenvoer zal het dan niet ontbreken. In het algemeen gelach doet het meisje volop mee en met een licht hart neemt ze afscheid van deze hartelijke mensen. De ontvangst in de dienst is minder hartelijk. Marijtje is te lang weggebleven en de kinderen waren bar lastig, maar ruzie komt er niet van, na zo’n fijne mid¬ dag en avond. Met een flinke dosis opgewektheid probeert Marij-

104

tje het in deze betrekking vol te houden en mevrouw begraaft op den duur de strijdbijl. Ze kan met deze dienstbode werken en ordenen en dat is het voomaamste, maar converseren, nee, dat gaat niet. En toch komt er ruzie.

Ruzie en reis

Mevrouw houdt er andere opvattingen op na dan Marijtje. Dat geldt zowel het dagelijkse werk als de omgang met de kinderen en de leveranciers die aan de deur komen. Te toegevend tegenover de ene en te afgemeten ten opzichte van de andere groep. Maar goed, zij is tenslotte mevrouw niet, als die zich maar niet teveel in haar persoonlijke doen en laten wil laten gelden. Me¬ vrouw kan nu eenmaal niet vatten dat Marijtje liever in Scheveningen naar de kerk gaat dan in Den Haag. Marijtje kan haar voorkeur ook niet uitleggen. Ze zegt dat de dominee daar mooier preekt, in elk geval voelt zij zich er veel beter thuis. Maar veel erger is, dat Marijtje’s werkgeefster niet begrijpen wil dat het voor een Urker een ongeschreven wet is met de kerstdagen op het eiland te zijn. Marijtje telt de dagen al af die haar van haar vakantie scheiden en let als nooit tevoren op het weer als het reeds begin december begint te kwakkelen. En nog steeds zijn de twee vrouwen het niet eens over ingang en duur van de vrije tijd. Mevrouw blijft volhouden dat ze Marijtje’s hulp onmogelijk kan missen bij het geplande kerstdiner en de vasthoudendheid van het dienstmeisje aan haar rechten op vrije kerst¬ dagen maakt dat ze bekvechten als kemphanen. Beiden blijken een hele voorraad aan stekelige gezegden te hebben, zodat ten¬ slotte ook meneer zich in de strijd mengt. Maar twee tegen een vindt Marijtje niet eerlijk en met een verachtelijke blik in haar ogen brengt ze dat ook te berde, advocaten kunnen immers net praten zoals ze willen. Dat prikkelt de man in zijn beroepseer en doet hem zijn beroepswaardigheid verliezen, zodat het huis galmt van boze woorden. En dan is het het dienstmeisje dat rustig de kwestie als opgelost beschouwt door te zeggen: ‘Al praten jullie met engelentongen, ik ben hier met de kerstdagen niet beschikbaar, zoek voor jullie diner maar een ander’. Maar advo¬ caten en hun vrouwen geven niet zo gauw toe. Him toom bruist

105

op: ’t Gebeurt niet, alles loopt in de war, ze moet die malle Urker gewoontes maar eens overboord zetten. En ja, dan loopt alles zeker in de war, want Marijtje voelt zich gekrenkt en schiet uit haar slof. Roekeloos voegt ze haar meneer toe, dat die dan maar wat meer in huis moet blijven en op drukke dagen te hulp schieten. Dat doen de mannen op het eiland ook. Die kunnen ook allemaal eten koken en vooral vis bakken en meneer kan blijkbaar alleen maar praten. Dat laatste maakt het nog erger en dan is het hek van de dam. Argumenten worden beledigingen en de visserijproblemen blijven niet buiten schot. Dat de kerk daarbij in het geding komt is de druppel die de emmer doet overlopen voor Marijtje en de aanval wordt persoonlijk. ‘Man, waarom zit je altijd maar op die smerige tuteretuut van een stoomfiets. Daar heb ik je al een paar keer mee over de boulevard zien toeren en elke keer met een ander grietje achterop en mij gun je mijn rechten niet.’ Meneer heft bezwerend zijn handen op. ‘Dom mens, begrijp je dan niets? Dat is vanwege de clientele.’ Dan verdwijnt hij uit de keuken en is het debat gesloten. Ook mevrouw trekt zich gepikeerd terug in de salon. Er valt een stilte, tot er in de kamer gekibbeld wordt en ook daar met stemverheffing. Marijtje, die niet voor luistervink wil spelen, rommelt onnodig met potten en pannen en als de vaat gedaan is, zingt ze maar eens het schone lied van de mosselman: ‘Zeg, ken jij de mosselman, die woont in Scheveningen?’ Wat kan haar die ruzie schelen. Waar mannen en vrouwen samen zijn, hoor je gekijf als de liefdewoordjes voorbij zijn. Ze kijkt uit het raam en ziet dat het is beginnen te sneeuwen. Het wordt een fikse bui en al gauw is het buiten een witte wereld, weggedoken in het winterpak. Een dag later zijn er bloemen op het keukenraam te zien. O, als het weer nu maar geen belemmering wordt voor haar plannen. Als de zee nu maar bevaarbaar blijft, want hoe moet ze anders thuis komen? In haar woelt immers nog altijd het verlangen dat maar niet sterven wil? Op al haar vragen heeft ze nog geen antwoord gekregen. Na haar brief aan Frans, die aantrekkelijke en zo geheimzinnige vreemdeling, heeft ze dagen, weken lang, verlangend uitgezien naar de post. Hoe kan die man zich toch zo in zwijgen hullen? Had ze haar adres wel goed vermeld? Maar nee, daar had ze extra goed op gelet. En ja hoor, eindelijk was daar dan toch een teken van leven zijnerzijds. Nee, geen brief helaas, geen uitleg van zijn gedrag, geen antwoord op haar willen weten. Alleen een prentbriefkaart met ‘Groeten uit Urk’

106

erop, en naast het adres een nietszeggend zinnetje en nauwelijks leesbare naam. De nacht erop was niet best geweest en de dagen daarna zonder geur en fleur, tot een bezoek aan haar moedige Scheveningse vriendin de zaken weer wat recht getrokken had. Maar nu staan dan de kerstdagen voor de deur. Ze zijn niet uit Marijtje’s gedachten. En dan wordt er gebeld. Traag gaat ze naar de deur, maar het wordt een geweldige verrassing. Marijtje staat compleet verstijfd als ze plotseling haar vader Louwe voor zich ziet. Op haar verbaasde uitroep: ‘Michtig, wat zullen we nou beleven?’, volgt zijnerzijds een korte en bondige uiteenzetting: ‘Ik moest toch in Den Haag wezen en ik docht zo, het is om en nabij de Karst, dat ik zal Marijtjen maar mitien mie naor heus niemen’. Hij volgt haar de trap op en zij vertelt hem hoe blij zij met zijn komst is en hoeveel zorg zij al had met dit vriezende weer. Louwe’s breedgeschouderde gestalte vult een heel deel van het luxueus ingerichte keukentje en zijn verweerd en sober uiterlijk staan ermee in een schril contrast. Eigenlijk ervaart Marijtje dat ze voor het eerst echt blij is haar vader te ontmoeten. Al vroeg kwam zij bij grotemoeder in huis. In haar kinderjaren meed ze uit vrees de strenge en rechtlijnige man en later ging ze hem uit berekening toch maar liever uit de weg. Grotemoeder wist het raak te zeggen: Deze vader en dochter hebben niet op een en dezelfde dag geslacht. En mensen waar je niet mee worden kunt doe je beter te mijden. Maar vandaag ligt het anders. Hij komt net van pas en zij zal het beste beentje voorzetten. Ze vertelt hoe graag ze met de kerstdagen thuis wil zijn en ook dat die mevrouw hier haar beslist niet wil laten gaan. ‘Magje niet voort, Marijtjen? Wie praot er hier van niet maggen? Of moet dat mens soms in de kraam, want dan ligt het wat anders.’ Marijtje voelt ineens weer iets van haar oude afkeer, maar wil nu toch haar genegenheid laten winnen. Het is prettig een sterke bondgenoot te hebben. Zijn blikken gaan door het kleine vertrek en hij vraagt hoe zij het hier kan uithouden. Hij kijkt haar onderzoekend aan en informeert dan waarom ze toch van het eiland weg wilde, maar die vraag weet Marijtje zo langzamerhand wel te omzeilen, dkt is al wel gebleken. Ze trekt haar schouders op en zegt wat over ervaring opdoen. Dan blijkt Louwe ook een complimentje te kunnen geven. Het is hem meegevallen dat zij het in Den Haag zo lang heeft uitgehouden, omdat hij verwacht had dat ze niet langer dan een blauwe maandag zou wegblijven. Het doet Marijtje goed, die maar zelden een goed-

107

keurend woord van hem heeft gehoord. Haar moeder heeft ze nooit echt benijd, hoewel die het toch op haar manier wel met de man weet te rooien die zozeer de zware kant overhangt. Maar waarom is haar vader eigenlijk in Den Haag? Ligt hij soms met de hotter in Scheveningen? Hij vist toch altijd veel noordelijker? Het blijkt dat hij weer een stuk op de maatschappelijke ladder is gestegen. Eerst was hij knecht op een logger, maar hij bracht het tot botterschipper en nu zit hij zelfs in het bestuur van de vereniging die de belangen van de vissers wil behartigen. En ze hebben hem nu ook al aangewezen om met Andries, de voorzitter, op bezoek te gaan bij de minister. Zodoende. De droogmaking van de Zuiderzee gaat hard door en brengt voor de vissers veel last mee en nadeel. Ondanks alle mooie beloften die gedaan zijn, komen ze er maar bekaaid af. De verkeerden gaan met de winsten strijken en daar moet de minister maar eens wat aan gaan doen. ‘We komen’, zegt hij, ‘voor onze rechten op, maar je kunen beter bij de duvel te biecht gaon. Praotjes en nog er’s praotjes. Ze binnen hier in Den Haag zo glad as een aol. Het minsdom is wat.’ In een behoefte aan vertrouwelijkheid leunt hij naar voren. Als hij wat gemakkelijker gaat zitten, kraakt de luxe keukenstoel onder zijn gewicht. Steunend op zijn ellebogen doet hij Marijtje verslag van zijn grieven tegen de regering en de politie. Ze hebben hem al bekeurd ook en toen moest hij in Hoorn voor de rechtbank komen. *’s Avends ging ik eerst nog mit An¬ dries nor die rechter z’n heus. De man was arg vrindelijk en docht dat’t wel los lopen zou, maar de angere ochtend, Marijtjen, de angere ochtend, dat was m’n wat.’ Van pure ontzetting nu hij dat moment opnieuw doorleeft, verschuift Louwe z’n pruim tot achter z’n kiezen en vervolgt: ‘Diezelfde vint was de klinkklaore boze, wil je dat wel geloven? Zou’m dat nou in die toga zitten?’ Marijtje ontkent dat. Zij kent ook een advocaat van wie de och¬ tend- en de avondspraak nogal verschil maakt. Die moeten de vissers maar eens in de arm nemen. Die kan praten precies zo je het hebben wil. Nou, Louwe zal het aan Andries zeggen, maar kan Marijtje nou meteen meegaan? Zij knikt, maar op dat ogenblik stapt de advocaat binnen. Hij vraagt of Marijtje haar vader wel van het nodige heeft voorzien en wil hem ook graag even spreken. Louwe wendt zijn ruige kop om en staat schielijk op om te tonen dat hij weet hoe het hoort. Dan geeft hij beleefd een hand. Het is of zijn brede borst onder de dikke blauwe trui uitzet, als meneer informeert naar de belangen van de vissers.

108

Louwe gaat er met diep op in, de man maakt op hem helemaal geen solide indruk, het is een draaibord in zijn ogen, net zoals zijn dochter zegt. Hij doet warempel ofhijzelfde minister is. Wat het weer aangaat wil Louwe wel kwijt dat er nog meer vorst op til is en dat het tijd wordt voor vertrek. Hij staat op en zegt: ‘Kom an meid, we gaon\ Daar wou meneer nou net over praten, maar daar voelt Marijtje niets meer voor. ‘Er valt niets meer te bespreken, meneer, we vertrekken nu direct.’ Intussen is ook mevrouw binnengekomen, maar wat valt er verder nog te doen? Louwe rekt zicht uit, recht zijn forse schouders en trekt zijn broek wat op. De heer en mevrouw des huizes krijgen nog een genadig knikje en Marijtje pakt haar rieten koffer die al drie dagen gepakt in de keukenkast klaar stond. Haar vader pakt zijn karpoes, keert die om zodat het ruige schaapsvel zichtbaar wordt, zet hem op en trekt het ding diep over de oren. Marijtje slaat haar omslagdoek stevig om de schouders. Dan verlaten beiden de woning. Bovenaan de trap staren twee verblufte mensen het wonderlijke stel na. Mevrouw vraagt nog of haar huishoudelijke hulp nog terug komt en die roept terug dat dat zeker het geval zal zijn, maar niet eerder dan in het nieuwe jaar. Dan slaat de deur dicht. ‘Compleet een stel vogelverschrikkers’, merkt meneer schamper op, maar mevrouw huivert bij de gedachte dat ze zonder meid kan komen te zitten en merkt op dat het meisje toch bijzonder ijverig is en goed voor de kinderen, al houdt ze van orde en regel. Zij hoopt maar dat ze terug zal keren, maar meneer vindt haar een bemoeial. Hij kan niet vergeten wat zij er over hem heeft uitgeflapt. Gelukkig heeft hij zijn vrouw kunnen overtuigen van zijn goede bedoelingen. Door de stille buitenstraat gaan Marijtje en haar vader naast elkaar in de vrieskou. Zij zegt: ‘Ik geloofgerust dat ze een bietjen bange vor je wazzen’. En hij: ‘Nou, vor mij hoeven ze’m niet te knepen, ik zal gien kip kwaod doen’. Het doet Marijtje goed haar vader zo te horen praten en hij stijgt in haar achting. Dus ergert hij haar ook niet als hij kort beveelt dat zij nu de kortste weg naar het station maar zoeken moet, omdat hijzelfniet meer weet hoe hij haar heeft gevonden. Verheugd over zijn waardering en vertrouwen steekt zij haar arm door de zijne en zegt dat ze wel een trammetje zal pikken. Ze kan er zich over verwonderen dat de dingen zo snel kunnen veranderen. De dag die zo moeilijk en haast uitzichtloos begon, eindigt in een avond waarin ze zich op weg bevindt naar haar eigen volk. Op het station treffen ze meer

109

dienstmeisjes die nog naar het eiland willen en ook vissers die hun schepen in de Scheveningse haven hebben afgemeerd. Ze worden met gejuich begroet. En dan begint de treinreis. Marijtje zit als geperst tussen haar vader en Andries en krijgt het behoorlijk warm. De voorzitter van de vissersbond, een dikke kerel, verschuift zo nu en dan eens om wat ruimer te kunnen zitten en dat komt het meisje niet ten goede. Hij heeft voor de gelegenheid zijn eigen Urker pak verwisseld voor een burgerkostuum en daar kan hij maar niet aan wennen. De witte boord die zijn vrouw hem twee dagen geleden heeft omgedaan, zit nu scheef en kreukelig om zijn vette nek, maar verhindert hem het spreken niet. ‘Kuun je’t zo wel volhouwen, keend? We binnen d’r nog bij lange nao niet. Reazen in de wienter is niks gedoon, en as we niet noar de menister emoeten hadden, dan was ik bij de vrouwe eblieven.’ Dan steekt hij zijn beide duimen in de mouwgaten van zijn vest, zodat Marijtje het nog benauwder krijgt. Zo nu en dan wrikt hij aan die vermaledijde boord. ‘Doen dat ding toch of, zegt er een van het gezelschap en dan buigt Andries zich naar Marijtje over en zegt: ‘Alla, meid, help m’n d’rs effen’. Als zij hem van het knellende halsstuk bevrijd heeft, glijdt er sierlijk een brede plooi in zijn onderkin en kan hij makkelijker praten. Een paar vissers blijken het met zijn beleid niet eens, die willen actie, maar Andries zegt: ‘Kiek er’s hier minsen, begreep goed, de regiering mient het wel goed mit oens, maar die kan ok niet alles tegelik, we moeten geduld heawen’. ‘Dat moeten we al zo lange’, werpt er een tegen. De voorzitter maakt met zijn pijp een berustend gebaar, maar daar zijn de anderen niet mee tevreden. Ze wrijven him voorzitter onder de neus dat hij voor die hoge lui overstag is gegaan. Het wordt een heftig debat en de voorzitter doet er maar even het zwijgen toe tot er een opmerkt dat er maar naar een andere voorzitter moet worden gezocht: ‘Lekker eten en drinken en mooie ressies maken op oenze kosten, dat kan iederiene wel’. ‘Pekelvlees en eieren naar binnen warken tugen de vermuuienissen’, valt een tweede bij. Gelach en leut krijgen de overhand in de coupe. Al is het spot, het wordt toch maar gezegd. Andries wil erop ingaan, maar Louwe klopt hem op de schouder en merkt op dat iedereen toch wel weet hoe hij voor aller belangen opkomt. Dan vervalt de voorzitter weer in zijn stocijnse houding. Af en toe vertrekt een wijze glimlach zijn bol gezicht, vanwege de praats van een eigenwijs en onwetend volkje. Rustig rookt hij

110

zijn pijp leeg en wacht in het besefvan zijn verantwoordelijkheid en waardigheid de tijd af om zijn zegje te doen. ‘As jullie zo beginnen, koem ik niet an’t woord, dan moet je wachten op het volgende jaor, as ik dan tenminste anbleef.’ Die bedreiging van hun beste voorzitter haalt evenwel niet zoveel uit, nu de manlui op thuisreis zijn met de Kerstdagen en Oud en Nieuw in het verschiet. Het wekt gedachten aan eten en drinken, net als de zware gestalte van de voorzitter. Er wordt nog eens gerept over eieren, vlees en ‘een slukkien’. Dan kijkt de waardige man uit het waardige geslacht de melkmuil die dat zegt waardig aan en antwoordt dat hij geen eieren en melk gebruikt vanwege zijn bloeddruk en geen drank vanwege zijn hart. ‘Zou je soms willen dat ik voor jullie belangen ook nog onder de blote hemel sliep?’ Nee, maar ze willen wel dat er vorderingen worden gemaakt, maar wat blijken de belangen verdeeld. De een wil steuntrekken, een tweede vindt dat ze met de polder wat moeten opschieten, hij wil bakschipper worden, een derde wil de dijken weer laten doorsteken en zo heeft ieder zijn mening. Er is er zelfs een die oppert de Muiter in het bestuur te kiezen, die krijgt bij ministers wel wat voor elkaar. ‘Ja, als het nou vrouwlui wazzen’, schampert er een. Algemeen gelach. Zelfs Louwe kan een glimlach niet onderdrukken, maar toch verdedigt hij zijn schoonvader als een flinke vent in zaken. Door de lange rit verslappen toch langzamerhand de gesprekken. Met kwinkslagen zijn de zorgen niet weg te krijgen. De inpoldering heeft van de Zuiderzee een binnenmeer gemaakt en de visserij daar is in nood. Armoede en ondergang bedreigen de binnenvissers, ondanks de regeringsverzekering dat aan dat nationale werk van de inpoldering geen smet zou mogen kleven. En niet alle binnenvissers kunnen of willen naar de Noordzee en het vredige leven opgeven van na enkele trekken weer in de thuishaven te zijn. Daar wacht moeder de vrouw met koffie en je kuntje knippien doen op een bont kussen ofdesnoods zomaar op de grond voor het beddeschot. Een visser kan overal en in alle houdingen wel slapen, als hij nachten lang wakker moet blijven in weer en wind. En dit alles dreigt verloren te gaan. Met de kuilvisserij is het ook al niks meer. Er zijn er al die naar de Grote Vaart of fabrieken aan de wal trekken voor hun boterham, maar hoelang zullen ze het daar uithouden! Ze houden van hun vrije bestaan. Liggende renten hebben zij niet. Wat zal de toekomst brengen? En als de trein nu maar op tijd in Kampen is.

Ill

In Kampen

AIs het treintje van Zwolle in Kampen is aangekomen is de winterse stad al zo goed als uitgestorven. ‘Hier gaan ze ook met de kippen op stok’, mopperen de reizigers die eraan denken hoe levendig hun dorp in de avonduren nog kan zijn. Ze sjokken met allerhande vreemdsoortige bagage in de lichte nacht door de hoge sneeuw. Ze zullen maar op het politiebureau om onderdak vragen, want welke rechtgeaarde Kampenaar zal te middernacht nog de deuren openen voor een stelletje mensen dat eruit ziet als een groep zigeuners? Eenmaal over de IJsselbrug, splitst een deel zich afom te proberen in de Urker boot aan de kade nog een hoekje te vinden om te rusten: de tocht morgen zal zwaar worden. De rest vindt een plaatsje om de kachel bij de politie. Marijtje koestert zich met handen en voeten. Van slapen zal niet komen en dat maakt sommigen knorrig, maar het meisje dat de leut erin wil houden met Kerst in zicht zet een oud liedje in: Karsavendjen, Karsavendjen, m’n mimme kookt resenbrij, een harekien en een spierekien, en het startjen is voor mij. Al joliger wordt het telkens herhaalde lied en Marijtje geeft een jongen die haar bij de laatste regel een dubbelzinnigheid wil influisteren pardoes een klap in zijn gezicht. Ze moet die knaap niet, maar lacht innemend tegen de jonge agent die haar een beker warme koffie brengt en dat mist zijn uitwerking niet. Later in de nacht waarschuwt de chefhem: ‘Pas op voor Urkers. Het is een wonderlijk volkje, en o wee als ze het niet op je begrepen hebben’. Dat Marijtje het eigenlijk wel op hem begrepen heeft, ziet hij pas als het te laat is. Hij geeft haar een wat gemakkelijker onderdak in een zijvertrekje en als de chef een uurtje later nog eens komt kijken, is het ijs tussen die twee volledig gebroken. Hij heeft het hulletje dat zij afgezet heeft, dwars op zijn kop en zijn ogen blinken van ingehouden pret en zij warmt haar koude neus onder zijnjas. De boze ogen van de baas brengen haar niet van de wijs en zonder blikken ofblozen toont ze hem een rij schitterende tanden en zegt: ‘Man, maak je niet

112

ongerust, ik heaw gien iepeldepiepels, uw agent komt weer schoon terug’. Dan ordent Marijtje snel haar lokken in de vereiste wrong, zet haar hulletje netjes op en kleedt zich voor de barre tocht die de Urkers te wachten staat. De chef, wiens diensttijd er bijna opzit, toont zich toeschietelijk en de boze bui bbjft door Marijtje’s ontwapenend gedrag uit. Snel volgt het afscheid. ‘Kom Marijtje, de boot toet al’, wordt er geroepen. Voor de agent zit er nog een zoen in, maar dan zet de groep Kerstgangers zich in beweging. De politieman, weer in zijn keurig gesloten uniform, strijkt bedachtzaam door zijn kuif, zet zijn pet op en verlaat de nachtdienst. Als hij dan wat later zijn kale, koude pensionkamer betreedt huivert hij terug. Hij mist iets, de warmte die hem te pakken had midden in de nare nacht. Wat mag dat toch zijn? Die kriebeling in zijn binnenste? Het is uren later dat hij ongedacht en nooit verwacht weer tegen het meisje aanloopt dat hem zo diep beroerde. Rap vertelt zij hem dat de boottocht naar het eiland mislukt is. Buiten de Ketel was het ijs niet te buigen of te breken. Morgen zal het opnieuw worden geprobeerd. ‘Maar we komen er, we komen er’, zegt ze vol vertrouwen. Het diendershart lijkt al wel gebroken, als Ma¬ rijtje vertrouwelijk haar arm door de zijne steekt en zegt: ‘Je hebt mijn hulletje niet voor niets gedragen. Kampen heeft toch zoveel slagerijen, hoe denk je over een lekker stuk worst?’ Maar hij kan toch niet gearmd met iemand, een Urkerinnetje nog wel, door de Oudestraat stappen en worst gaan kopen bij een slager? Nou, dan doet zij het zelf wel en meteen stapt ze een zaak binnen. Voor de man die buiten door het raam gluurt is ze nog aantrekkelijker als hij ziet hoe ongedwongen zij met de slager gekscheert of zij hem al jaren kent. En hij moet altijd zo beleefd zijn en zorgen dat zijn prestige geen gevaar loopt. Jaloers stapt hij ook de winkel in en nodigt haar een kop koffie bij hem te gaan drinken, nu ze zo spijtig gestrand is. Dat is goed als hij een beter plekje weet dan dat kale bureau en ze haar maats ook meenemen mag. En zo gebeurt het. De kachel vinden ze er warm en de koffie klaar. De avond vliegt voorbij. Ze moeten nu naar het bestelde hotelletje. Marijtje moet de agent maar eens hartelijk bedanken. Nou, dat knapt ze wel even op. Zij neemt innig af¬ scheid, nu niet ter hoogte van zijn jaskraag, maar een beetje hoger, juist waar de kriebeling van een baard haar een rilling door de leden jaagt en hij het niet meer heeft. ‘Zo hoort het’, fluistert zij, ‘wij houwen van hartelijkheid.’ Dan is ze weg en vraagt hij

113

zich afofhij dit meisje ooit nog eens terug zal zien. De eigenaar van het volkslogement wijst de meisjes een bedstee op de zolder. In het kamertje is er nog wel een, maar die blijkt al bezet te zijn en achter de gordijntjes klinkt een luid gesnurk. Als Marijtje even poolshoogte neemt wat voor vlees ze in de kuip heeft, blijken daar Andries, de dikke voorzitter van de vissersbond, en zijn ergste tegenstander de slaap der gerusten te slapen, als twee geliefden. Alle Urkers blijken weer hetzelfde plekje gezocht te hebben. Dat geeft nog veel geharrewar, maar eindelijk wordt het toch stil, nouja, stil...

Bij het krieken van de dag slaat Marijtje verbaasd haar ogen op als een man haar onzacht bij de arm pakt en haar een speld toesteekt. ‘Hier, awaor, Marijtjen, doen die spelde effen an m’n doekien, dat heaw ik hier onder m’n boorde, tugen de kelte.’ Het meisje, dat vooraan bij de bedgordijnen ligt, ondemeemt slaapdronken een vergeefse poging. ‘Pas op, steek m’n niet in m’n blote vel. Zit-ie nou goed? Een mins moet op z’n lichem passen. Minsen wat is het koud. ’t Het wier een koekien ebakt vannacht.’ Marijtje voelt er weinig voor zo vroeg al een boom op te zetten en doet er het zwijgen toe. Als hij in zijn blauwe onderbroek en met loshangende kousebanden verdwenen is, glijdt ze rap de bedstee uit. Van alle kanten klinken er stemmen. Er is er zelfs al een die op een klarinet tettert, een wat aparte Urker die aan de wal het drukkersvak leert, omdat hij later zelf een krant wil uitgeven. Hoe komt zo’n man er bij! En dan ook nog muziek instuderen op de vroege morgen! Staande slurpt het hele gezelschap beneden de hete koffie. Daar knapt een mens van op. Snel wordt er afgerekend, want in de verte klinkt het signaal van de boot. De oude logementhouder slaakt een zucht van verlichting als de deur achter de meute dichtslaat en hij telt zijn geld. Dat zijn gasten zich vrolijk over hem maken, hoort hij niet. Een zegt er: ‘Die man moest’m schamen, een gulden voor een slok koffie’. ‘En je bedde dan?’, grinnikt een ander. ‘Nou man, die stoon er ommers toch? En hij docht nog een fooitjen te kregen ok.’ Lachend en monter stapt iedereen aan boord. Vandaag moet het lukken. Alleen Willem, de kapitein, is minder optimistisch. Volgens hem staat het nog te bezien of er nu buiten de Ketel meer ruimte gekomen is door eb en oostenwind. Hij voorziet moeilijkheden genoeg. Marijtje evenwel, deelt zijn zorgen niet. Morgen zullen ze op Urk de Kerstklokken horen luiden. Monter stapt ze de voile kajuit in, zoekt een wat rustig plekje en haalt haar brei-

114

werk voor de dag. Alle branie is verdwenen en ze droomt en denkt maar aan een ding. Hoe zal Frans het hebben?

Poolreis

De IJssel afwaarts zit er nog wel vaart in de boot. De stroom en de ijsbrokken die meegevoerd worden zijn een duwtje in de rug van het schip, maar aan het eind van de dammen beginnen de moeilijkheden. In zijn dubbeldikke jekker gehuld staat de kapitein op de brug. Onafgebroken geeft hij zijn bevelen: ‘Vooruit! Achteruit! Halve kracht! Vol!’ Met handige manoeuvres brengt hij de boot langzaam maar zeker vooruit en tuurt met scherpe blik langs de ijsmassa’s naar open water. Het ijs is onverwacht sterk en om zijn mond groeft zich een vastbesloten trek. Marijtje’s vader die een kijkje in de stuurhut genomen heeft, keert vol goede moed terug en deelt zijn dochter mee dat ze er wel komen zullen. Zij breit rustig door en telt: ‘Minderen, twee recht, overhalen...’. Ze laat zich ook niet afleiden door de gesprekken om haar heen. Andries praat met de professor uit Kampen die op Urk preken moet, de komende dagen. Over de visserij eerst, dan over de kerk en de bijbel, de theologische school, ja, wat niet al. Andries is een belezen man en de professor kent Urk. Ze schijnen op deze eindeloze tocht van voor- en achteruit in het geheel geen verveling te kennen en steken zo nu en dan eens een verse Kamper sigaar op. Waarom houden die mannen toch hun mond niet? Bovendien begint haar maag te knorren, ze heeft haar mondvoorraad al verorberd. Ook een oude schoolvriend ziet ze geeuwen en eens over zijn maag strijken. ’t Blijkt al met al laat te worden. Andries en de professor kijken beurtelings op him horloges. De laatste begint het nu toch ook welletjes te vinden. Marijtje gunt het hem van harte. Hij is het immers die haar beste none Kobus zo’n beroerde dag bezorgde? De honger grijpt nu algemeen om zich heen, een sein voor de bemanning van de boot om voor eenvoudige kost te zorgen. En ja, even later komt vader Louwe met een dampende kom pokkoek aandragen. Hij heeft vijf lepels weten te bemachtigen en beurt om beurt neemt ieder een lepelvol uit de kom. Troet, met in het midden een kuiltje vol stroop om in te stippen, dat mag dan luievrolluierskost

115

16. De Urkerpostboot in het ijs.

17 IJselijk vervoer.

116

genoemd worden, in deze omstandigheden is het een heerlijkheid. Als de professor wat preuts blijkt te zijn, wordt voor hem een tinnen bord bemachtigd. De kerk moet immers boven de huizen staan? Marijtje schuurt het met een hand vol sneeuw schoon en droogt het met een ruige doek. Het is buiten de kajuit snerpend koud. Venijnig snijdt de wind in haar wangen, maar het schuren van de ijsbrokken langs de bootwanden klinken haar als muziek in de oren: Ze komen er. Ze komen er. Maar de dag verstrijkt en de kleine portie pokkoek is al gauw vergeten. Binnen begint het al donker te worden, vooral als stuwende massa’s ijs nog het weinige licht aan de kleine patrijspoorten ontnemen. Het blijft maar voor- en achteruit gaan. Als Louwe weer eens in de stuurhut geweest is, weet hij te melden, dat er maar langzaam gevorderd wordt. Het eiland is nog maar als een kleine stip aan de horizon te zien. Ze zullen er wel komen, maar deze dag niet meer en van teruggaan kan ook al geen sprake zijn. De boot, die donkere worstelaar in de poolzee, stoot als dol zijn stoomwolken uit, maar daar komen nog andere wolken bij en dat is minder. Nevels wieken als vreemde gedrochten over de ijsvelden, tot ze verloren gaan in de grauwe verte. Ze schijnen te spotten met het werken en zwoegen van boot en bemanning. En dan duurt het niet lang of de boot zit muurvast in het ijs. Er rammelen geen geluiden meer door de spreekbuis. Er is geen voor- of achteruit meer mogelijk, ze zitten hopeloos vast in een dreigende poolzee. Tenminste, dat zeggen ze in de kajuit, maar zolang Willem het niet zegt! Enja, als hij beneden komt en op de bange vragen knikt, weten ze dat het mis is. De mannelijke passagiers klimmen overboord en lopen om de boot om te zien of er nog wat te helpen, los te wringen is. Harde vuisten zoeken een houvast, knieen in wijde broeken zetten zich pal, stoere vissers duwen met man en macht, en in de verte is die donkere stip. Niets helpt evenwel en ze staken hun pogingen. Dan zien ze de vlek ver weg oplichten. De vuurtorenwachter heeft het draailicht in werking gesteld. Er gaat een geheimzinnige aantrekkingskracht van uit. In Marijtje’s hart worden verzoenende gedachten jegens de professor geboren, als hij troostvolle en bemoedigende woorden weet te spreken over het licht in de verte. Dan is er weer een hap pokkoek te verorberen en probeert iedereen wat te slapen. De mannen verdelen de nacht om in groepen wacht te houden. Het ijs is immers alleman te wijs en als het onverwacht zou gaan schuiven, nee, dat zou niet zo best zijn. Marijtje maakt

117

zich klein in een hoekje. Dit is nu al de derde nacht dat ze zich niet echt kan uitstrekken. Urkgangers moeten er in de winter wel wat voor over hebben. Dan wieken haar gedachten weg. Het is of Louwe voor het eerst oog heeft voor zijn dochter. Ze heeft haar rokken kuis tot over haar enkels getrokken en lijkt te slapen als een der gerusten in Sion, maar vreemde beelden nemen bezit van haar geest. Ze droomt van de kollenverhalen van ouwe Knelis die haar de stuipen op het lijfjoegen voor de schuur op de haven, waar de heksen zich zouden ophouden, zodat ze er een lange tijd niet langs dorst te lopen, tot tutte Inte haar wist te overtuigen van de onzin van deze verzinsels. Oudwijfse fabelen, zou none Kobus zeggen. Even schiet ze wakker, maar doezelt snel weer weg. Ze ziet hoe haar oom grijpt naar de hoed van de professor en die een politieman op het hoofd zet. Of is het haar hulletje en reikt hij haar een kop koffie aan? Ze glimlacht om het gebruinde gezicht dat zich over haar heenbuigt. Bijna raakt zijn mond de hare, maar verhip, dat is Frans, haar Frans. Ze grijpt hem om de hals, maar nee, haar handen maaien in de lucht. Er valt een doos van de bank. Een stem zegt: ‘Zit toch stil, meid’. Ze gaat verzitten en vindt een beter steuntje en de natuur herneemt zijn rechten. Ze valt in een dromenloze slaap met haar hoofd notabene op het dikke dijbeen van de voorzitter. Zelfs zijn snurken maakt haar niet wakker. Dat wordt ze pas lang na middernacht als de machines weer dreunen. Ze voelt zich koud en onbehagelijk na een nare droom en rekt zich verveeld nit. Ze hoort niet eens de milde spot van de man wiens been haar tot hoofdkussen heeft gediend. De kop van de boot stoot als een nijdige stier in de dikke ijsrand. Er scheurt iets met donderend geweld. In de nacht is er wat beweging in de ijsvloer gekomen en het gaat er weer met voile kracht tegenaan. De boot schiet een stuk vooruit, maar dan is het weer ploeteren als tevoren. En opnieuw komt de boot muurvast te zitten en is het geduld van de kapitein op. Ze zitten tegen de rand van het vaste ijs aan dat het eiland als een dikke korst omringt. De hemel kleurt in het oosten rood. Nog een paar uur en dan zullen de Kerstklokken luiden en het volk ter kerke roepen. Zullen de bootpassagiers erbij zijn? Ineens is daar Louwe, driftig en welgemoed. ‘Alla, Marijtjen, pak je boeltjen, we gaan lopen.’ En daar gaan ze: kat achter kat verlaten ze de boot die hen zoveel uren heeft geherbergd. Alleen het personeel blijft achter om te zien wat er verder nog gedaan kan worden. Een paar jonge mannen gaan aan het hoofd van de

118

stoet. Ze bonken nu en dan tastend met hun klompen. Een heeft er een dikke stok. Alles lijkt goed en eerst voorzichtig, dan driester, gaan ze alien verder. Het loopt niet gemakkelijk op het gladde ijs. Marijtje scharrelt voort naast de goeie Andries en grijpt hem aan zijn broek als ze dreigt uit te glijden. Hij verbindt er de waarschuwing aan dat ze er goed aan zal doen zich niet op gladde wegen te begeven en zij belooft erom te zullen denken. Maar dan komt Andries zelften val. Marijtje en de professor hebben de grootste moeite de dikkerd weer op de been te krijgen. En nog is het eiland ver. Andries zegt dat ze moeten voortmaken en bezorgd tuurt hij naar de wolkenbank die zich in het noordwesten vastzet. De vissers versnellen him stap en manen ook de meisjes tot meer spoed. Het blijkt nodig, maar is niet voldoende. Een dichte mist golft plotseling over de ijsmassa’s en siuit alien in. Boot en eiland zijn nu beide uit het gezicht verdwenen en de moeilijkheden hopen zich op. Het wordt dubbel uitkijken nu, terwijl er zo weinig te zien is. De kou trekt door alles heen en ze schuifelen maar voort, want ze moeten er komen.

’Ze moeten nu toch eindelijk eens komen’, verzucht Sibbe, als hij nog voor het ochtendgloren uit de bedstee stapt en zich warm inpakt. Ester geeft hem brood mee, want je weet maar nooit. Dan stapt haar man de deur uit en zoekt de zeekant op. Het is ijs zover hij zien kan, maar hij tuurt en tuurt met zijn geoefende ogen en krijgt dan de boot als een zwarte stip in de witte winterwereld in het oog. Nauwkeurig bepaalt hij de richting met zijn houten kompasje. Als de weerga beent hij naar huis en pakt zijn slee en nog wat spullen, een bijl, wanten en een rol touw, en draagt Ester op voor kannen koffie te zorgen. ‘Maakje niet ongerust als ik voor kerktijd niet terug ben.’ Hij heeft ook de oude zangmeester al uit zijn bed getrommeld. Die moet voor zijn zang in de kerk eerst met hem een koud karweitje opknappen. Hij weet immers behalve van psalmen ook zoveel van ijs en mist. De man is dadelijk klaar. Hij keert zijn karpoes binnenstebuiten en knoopt zijn buis dicht. Uit de winkel van grotemoeder wordt nog roggebrood, spek en een kruik jenever meegenomen. Intussen zijn er meer mensen gealarmeerd, genoeg om de ijsloper te trekken. Fluks gaat het naar de schuur waarin de ijsvlet staat. De houten rollen worden uitgelegd en de vlet wordt naar de haven gerold en over de helling op het havenijs gebracht. Aan elke kant trekken vijfmannen de zware boot voort over de gladde ijzers. In

119

de diepe havenmond blijkt het ijs gebroken en onbetrouwbaar. De vlet zakt afen toe weg, maar geen nood, de trekkers springen vlug op de rand en duwen de boot met hun gelaarsde benen voort, tot ze weer op steviger ijs zijn. Sibbe geeft de richting aan. Want te zien is er zo goed als niets. Toch vorderen ze goed. De voorzanger vuurt zijn mannen aan met hoge en lage tonen. ‘Ien6, twie-6, haol’m maar voort, toe mannen, zet’m op, ik wil ok nog nor de kark en er wachten minsen op oens. Ien-o, twie-o...’

En juist als Marijtje de moed laat zakken en geen woord meer zegt, staat ze plotseling stil en roept: ‘Wacht effen, ik voel wat om m’n hene, en ik hoor ok wat’. De mannen lachen, maar dan horen ze ook de misthoorn van het eiland en een zwakkere toon dichterbij. Allen staan nu stil en roepen op bevel van Andries luid. In de stilte die volgt worden in de verte ook stemmen gehoord. En dan duurt het niet lang ofde mannen met de ijsvlet en Sibbe met zijn slee duiken op in de mist. Marijtje valt hem pardoes om de hals. Alle leed is geleden en de hoop is herleefd. Koffers en pakken worden in de vlet gegooid en de dienstmeisjes mogen er ook in plaatsnemen. Ze krijgen allemaal een snee roggebrood met spek en een scheutje brandewijn en dan wordt vrolijk de tocht voortgezet, op Urk aan. Door de vele helpende handen glijdt de vlet nog veel sneller voort en langs het reeds getrokken spoor. Het duurt niet lang ofze komen de havenmond in en klimmen bij de blauwe dammen op. Op het plankier staan al vele wachtenden. Een ouderling ontfermt zich over de profes¬ sor. Dan beginnen de klokken te luiden. De dienst kan nog op tijd beginnen, want dit is de tweede keer pas. Over drie kwartier is het tien uur en dan luidt de klok voor de derde keer. Iedereen spoedt zich huiswaarts om zich klaar te maken voor deze bijzondere dienst. Marijtje spoedt zich met Louwe door het dorp. Van pure blijdschap geeft ze hem een douw tegen zijn elleboog. De poolreis is ten einde. Overal ruik je de koffie. Louwe gaat op Brechtje aan en Marijtje op grotemoeder Hiltje. Ze denkt er niet aan met vader mee te gaan, daar hoort ze al jaren niet meer. Louwe, die het destijds wel goed gevonden heeft, voelt het nu toch als enigszins pijnlijk aan, als hij haar zo vluchtig ziet wegglippen. Was het wel goed zo te doen? Zeker, het is op het eiland niet zo vreemd als een oudste kleindochter bij haar bessien in huis komt, maar toch... Louwe stapt vlug verder. Zijn nieuwe klompen klepperen op de bevroren straat. Hij gaat met vaste

120

tred. Even van jas verwisselen en hij is klaar voor de kerstpreek en ook benieuwd wat de Hamper professor ervan maken zal op deze gedenkwaardige kerstdag.

Thuis en weer van huis

Als een wervelwind stapt Marijtje bij grotemoeder binnen. Ze is thuis. Het hoe doet er ook niet meer toe en daar jeremieert ze ook niet meer over. Met flitsende spot vertelt ze over haar belevenissen in den vreemde en het gedrag van haar reisgenoten. Een kwaad woord over de professor die preken moet (hee, daar luidt de klok al voor de derde keer) wil Hiltje niet horen, hij is de prediker van Gods woord en dat wil ze, en zeker vandaag, niet missen. Dan is er geschuifel van stoelen en grotemoeder en beabe Grubbelt trekken ter kerke. Er zullen er deze morgen wel een paar meer aan de late kant zijn. Marijtje mag na zo’n bloedreis thuis blijven en er valt nog wel wat te doen ook. De tafel staat vol koppen. Jammer dat Kobus met vrouw en kinderen er nu niet kan zijn. Hij is door ambtsbezigheden aan zijn kerkewerk in Drenthe gebonden. Marijtje heeft nog op de valreep de conditie gekregen voor de maaltijd. Alle dingen zijn gereed, de gerechten moeten alleen nog gewarmd worden, er is op alle gebeurlijke dingen gerekend. Na kerktijd wacht dan ook een stevig maal na het gezellige koffiedrinken. Het smaakt Marijtje alles stukken beter dan de liflafjes in haar zo deftige Haagse keuken. Ouwe Lubbe, die Hiltje tegenwoordig met werken helpt, is ook van de partij. Marijtje knijpt haar met een blik van verstandhouding even in de arm. Aan Inte moet ook wat van de lekkere kost gebracht worden en een kom soep aan de oude ome Lord. Dit is toch een dag van delen geven aan elkander, nietwaar? Grotemoeder houdt in zulke zaken zich aan wat de bijbel aandraagt. Het is beter te geven dan te ontvangen. Het ‘zalig zijn de bezitters’ is haar vreemd. Door haar voorbeeld leert ze de mensen rondom haar waar ze staan moeten. De Muiter zit als een eerbiedwaardige patriarch in het midden van het gezelschap. Hij weet ook wel van geven, maar vergeet het nemen zelden. Zijn grijze kop buigt hij van de een naar de ander. Hij broedt op een plan en wat hij in zijn hoofd heeft... Als het blijft vriezen, en

121

daar ziet het wel naar uit, moet het uit te voeren zijn. Hiltje schudt haar wijze hoofd over zoveel vermetelheid. En dan is het al gauw weer kerktijd. De professor zal niet voor stoelen en banken preken. Hij beheerst zijn stof en kent zijn mensen. Grotemoeder vloeit over van dankbaarheid. Het was toch maar een goed idee Marijtje van het eiland te laten gaan om genezing te vinden voor haar malle kwaal. Ze heeft er nog nooit zo monter uitgezien als nu en wat is ze handig en vlug geworden. Wel een beetje vreemd dat ze nu en dan ineens helemaal stil valt en haar ogen als in de verte staren. Ach, dat zal de leeftijd wel zijn.

Na de kerstdagen viert het eiland de Oudejaarsdag als een dankdag voor de visserij. Dan immers alleen zijn alle vissers thuis. Omdat de vorst aanhoudt krijgt Grubbelt alle gelegenheid aan zijn plan te werken. Hiltje is het er blijkbaar niet mee eens, maar Marijtje kiest natuurlijk zijn partij en tegen die twee kan ze niet op. In de loop van het jaar lijken de rollen omgekeerd, Hiltje blijkt nu te doen wat Marijtje zegt. Toch is ze dankbaar gestemd als ze voor de laatste dienst van het jaar naar het kerkgebouw zullen gaan. ‘We binnen rik gezegend, Grubbelt.’ Hoe zou Kobus het hebben in zijn kleine kerkje? Met zijn studie schijnt het nu veel beter te gaan. Ze verkneutert zich bij de zoete gedachte dat zij wel eens spoedig zijn stevige stem hier van de kansel zou kunnen horen. En wie weet gaat Marijtje binnen niet al te lange tijd trouwen. Zij heeft er de leeftijd voor. Ze torst al een stoof mee naar de kerk, die nu zo koud is. Marijtje heeft dat zo gewild. °t Verblijf an de walle heeft haar toch goed gedaan’, zegt ze tegen Grubbelt en die geeft haar aarzelend gelijk: l’t Is toch net of ze alles vergeten is, maar’, voegt hij eraan toe: ‘lotten we dat maar hopen.’ Het prikkelt Hiltje. Die mannen ook. Nee, Marijtje prakkizeert niet meer over die. Van dat hout is ze niet gesneden: ‘Hier, doen een spelde an m’n doek, ik gief toch gien acht op die praotjes van joe, en koem nou maar mie’. En daar gaan ze samen over de besneeuwde weg naar het lichte kerkge¬ bouw. Het is net een plaatje. Twee oude mensen op Oudejaarsavond in de sneeuw. Niets is er bestemd tegen grootvorst de tijd. De organist speelt het bekende: Uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen. Ach, wij vinden, waar wij staren, niets bestendigs hier beneen.

122

Hiltje neuriet de bekende woorden mee. Ze houdt naar het oude gezegde het hoofd koel en de voeten warm. Dan dwingt ze zich tot luisteren, hoewel dat onder het lange gebed niet meevalt. Waarom hamert de dominee toch zo op het memento mori? En waarom worden de namen van de in zee gebleven vissers nu genoemd? Het wordt sommige vrouwen te veel, dat kun je zien. Een enkele staat op en verlaat de kerk als het zingen begint. Waar zou Marijtje zitten? Natuurlijk op een van de stoelen achter in de kerk. Onrust komt op in grotemoeders borst. Was Grubbelt het niet met haar eens? Is Marijtje niet te peilen? Was zij het zelf wel, toen Grubbelt zo vreemd ging? Het lijkt nu toch of de stoofwarmte haar naar het hoofd stijgt. Hiltje vergeet een ogenblik haar waardigheid en draait zich half om. Ze ziet Marijtje naast Ede zitten en komt met een schok in de werkelijkheid terug, maar de begeerde rust komt niet. Telkens drijven haar gedachten in een richting die ze niet gaan wil. Niemand kan gelukkig vermoeden wat er in haar hoofd omgaat. Ja, en zo kan het ook met Marijtje zijn. Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? Waarom wil Marijtje geen verkering met een knappe Urker visser? Waarom praat ze nooit over trouwen? Voor haar ziet ze Ester zitten, rustig en ingetogen. Het zwarte dasje rond haar hulle houdt in keurige plooitjes het achterhoofd omsloten. Het lintje van de ondermuts spant zich strak langs de nek en daaronder glinstert het gouden slot. Alles even netjes en altijd al geweest en wat moet er toch allemaal in dat mooie hoofdje omgewoeld hebben. Wat draagt een mens veel prikkels mee die wonden kunnen op de meest ongedachte ogenblikken. En wat zijn er een toevalligheden in het leven van alle dag. Wie had nu kunnen denken dat bij de laatste stoelverloting Ester een stoel vlak voor Hiltje zou kunnen trekken? Het is elke zondag weer een oefening in ootmoed als het verre verleden naar boven komt, juist in de kerk. Heeft niet de mens een strijd op aarde? En wat zei bessie altijd? Een mens heeft plichten ten einde toe. Die strijd en die plichten zullen ook wel in Marijtje omwoelen, al weet ze die dan prachtig te verbergen. Als Hiltje ziet hoe Ester met de voeten beweegt om er wat warmte in te krijgen, schuift ze haar de warme stooftoe. Een glimlach trekt om haar fijnbesneden mond. In Hiltje keert de rust weer en met overgave stemt ze in met het danklied. Als later op de avond iemand thuis kritiek heeft op de preek, legt ze hem het zwijgen op: ‘Stille jie. Hei je soms vor een

123

anger eleusterd? De toepassige, die was mooi. Daor komt het op an. As we die maar verstoon. Ik hew er vuul an had. As we’t maar betrachten’. Met een plofzet ze de ketel met chocolademelk op tafel en haalt nit de kast beschuiten en kaas. Maar waar blijft Marijtje nu toch? Ze kijkt bezorgd naar de klok die aanwijst dat het nieuwe jaar is begonnen. Zou die meid...? ‘Stille maar’, zegt Grubbelt, ‘ze komt zo wel.’ Dan slaat met een smak de voordeur dicht en stuift het meisje binnen. Met gloeiende wangen en schitterende ogen doorstaat ze grootvaders zacht vermaan en grotemoeders bezorgdheid en lacht met een zin al hun zorgen weg: ‘Ik hew nog nooit zo’n mooie ouwejaorsnacht had, as nou bij Sibbe en Ester. En ik hew ok nog effen een kuiertjen mit Ede edoon om nor’t ees te kieken’. Ze vertelt er niet bij dat het haar bedoeling was te zien of Frans ook op het eiland zou zijn. Maar nee, die had natuurlijk ook met de kerstvakantie zijn keet verlaten voor een prettiger onderdak, alles was er donker. Met gemengde gevoelens ondergaat ze de teleurstelling dat ze hem nu niet zal zien, maar aan de arm van Ede, die haar bijpraat over alles was er in haar afwezigheid in het dorp is voorgevallen, en door de ontmoeting met jongens die opmerkelijk aandacht aan de knappe meisjes besteden, overheerst al gauw weer haar opgewektheid. Het oude jaar is voorbij, het nieuwe kan nog heel wat verrassingen te beleven geven. Ja, en dat begint al met de beloofde tocht over het ijs op de tweede dag van hetjaar.

Als de vuurtorenwachter het licht heeft gedoofd en een kijkje buiten zijn deur neemt, passeert daar al een auto die de tocht over het ijs wagen zal naar Enkhuizen. Het is een auto met personeel voor de boot die in het Krabbersgat ligt ingevroren. Daarachter volgt een tweede wagen die door Grubbelt is gecharterd. Meer auto’s zijn er ook op het eiland nog niet voorhanden, wat zouden de bewoners er ook mee moeten beginnen, maar deze dag biedt een prachtige gelegenheid voor een heel enige tocht. Marij¬ tje zit geklemd tussen Sibbe en zijn zoon die de wagen besturen kan. Achter hen zitten Ester en Ede en ligt de pakkage. Grubbelt heeft op aandringen van Hiltje op het laatst nog van de rit afgezien. Een oude en verkouden man moet zich niet op glad ijs wagen en zeker niet in een derdehands auto. Inderdaad is er met het oude vehikel van alles en nog wat mis. De raampjes rammelen, het portier sluit niet goed en de banken zijn al te hard.

124

Hobbelend en slingerend gaan de auto’s over het ongelijke ijs. Om hoge duinen moet worden heen gereden en als zich dikke barsten in de ijskorst vertonen, moet eerst een onderzoek wor¬ den ingesteld en een plaats gekozen voor een veilige overtocht. Vrolijkheid en vrees wisselen elkaar af, maar tenslotte rijden ze als overwinnaars Enkhuizen binnen. In de herberg aan de haven worden de voeten gewarmd en de hongerige magen gevoed. En dan wordt Marijtje in optocht naar het station gebracht. Het afscheid valt zwaar en de trein wacht niet. Met veel gezwaai van armen en over en weer geroep van bemoedigende woorden tuft Marijtje opnieuw naar de dienstbaarheid die ze gekozen heeft, tot er een oplossing zal komen voor de problemen die haar knellen.

Ze sukkelt in slaap op het denderen van de treinwagons en schokt wakker als de machinist aan de fluit trekt bij het passeren van een overweg of wanneer de trein voor korte tijd tot stilstand komt op een koud en half verlaten station. In haar herinnering koestert ze nog altijd een paar verboden armen en een warm gebruind gezicht. Het verlangen naar liefde en geluk is levensgroot en daardoor wil ook het werk in haar Haagse dienst de eerste dagen niet best vlotten, al toonde mevrouw zich bijzonder blij dat haar hulp in de huishouding en bij het in het gareel houden van de kinderen, zo spoedig weer was teruggekeerd. Over de ruzie van voor de kerst wordt niet meer gerept, maar Marijtje raakt de vreemde hunkering die haar nu in den vreemde opnieuw betovert haast niet meer kwijt. En dat wordt er niet beter op als de weken en maanden verglijden en de symptomen van het voorjaar zich laten zien in de tuinen. Dan begint ook de onrust weer te woelen in een verlangend mensenkind. Er moet toch meer op de wereld zijn dan koude keukens, lastige kinderen en humeurige mevrouwen. Telkens zoekt ze gezelligheid bij haar Scheveningse vriendin als ze maar een paar uur vrij heeft en ze weet haar kennissenkring ook nog wat uit te breiden, maar dat neemt in een zwoele voorjaarsavond de hunkering naar sterke armen niet weg. De middeltjes die grotemoeder haar tegen allerhande huis-, tuin- en keukenkwaaltjes meegegeven heeft helpen daar niet tegen. Er blijkt niet ver uit de buurt nog een vrouw te wonen die verre familie van grotemoeder is. Marijtje treft haar in de kerk en brengt er de zondagavond wel eens door. Een blonde jonge

125

vrouw, niet meer in de dracht, met een fijnbesneden mond en een guile lach. Een zorgzame man en een paar lieve kinderen maken haar tot een gelukkig mens. Marijtje streelt de kinderkopjes en bewondert de kleertjes die Riek zelf weet te maken met haar rappe handen, die niet alleen thee met een koekje serveren, maar ook het huisorgel kunnen besp>elen. Dit is een echt tehuis, maar het is geen geneesmiddel tegen Marijtje’s kwaal. Ze is jaloers. Ze heeft een pijn waarover ze met deze vrouw niet praten kan. Ze durft niet beginnen over die, door welke machten dan ook, gebonden man, die het eerst en het sterkst de liefde in haar gewekt heeft. Frans, wiens naam ze niet durft te noemen, omdat ze voelt hoe onbegrijpelijk anderen dit zullen vinden. Ze zullen proberen het haar uit het hoofd te praten, maar het wil niet uit haar hart, dat is het. Als Riek met liefde luiers op het rekje om de kachel hangt of in de pap roert, weet Marijtje zeker dat haar problemen niet begrepen zullen worden. Deze vrouw zal deze liefdesverhouding, hoe weinig er ook van beleefd kan wor¬ den, vast en zeker afkeuren. Zelfs de zoete melodieen van het harmonium brengen het meisje niet tot een openhartig gesprek en ze zingt mee als Riek’s lievelingslied alien, die van’s levens rechte baan op de dwaalweg zijn vervallen, moet aanspreken. Toch gaat er wat van uit en als Marijtje de gastvrije woning verlaat, gaat ze er weer met nieuwe moed tegenaan. Het moet uit zijn met die kwellende dromen, uit... En dan gebeurt het onverwachte. Marijtje komt op een prachtige voorjaarsdag op een wandeling met de kinderen in de Scheveningse duinen een man tegen, een jonge vent, die haar lachend aanspreekt. Het is dezelfde die in een koude nacht in een Kamper vertrekje haar hulletje op zijn blonde kop paste. En na een paar weken van verdere kennismaking acht Marijtje hem het middel tegen al haar kwalen. Zij stelt hem voor met haar te trouwen. Of liever, de woorden komen van hem, maar zij had ze hem in haar gedachten al voorgezegd. Onmiddellijk wordt de familie op het eiland ingelicht. Grotemoeder aanvaardt het bericht als een geschenk uit de hemel. Is het geen zegen dat Marijtje nu toch een eerlijke trouwdag zal doen? Hiltje reikt de brief aan Grubbelt, die eerst zijn bril moet zoeken en schoonpoetsen, dan het epistel twee keer moet voorlezen en er vervolgens mee naar Inte trekt om daar de heuglijke tijding te brengen. Nou ja, heuglijk? Hij wil haar raadplegen, want wat staan er een duistere zinnen in. Hij vindt geen woord over liefde en trouw in de brief, alleen dat afsluitende zin-

126

netje: ‘Ik trouw’. Dat kan ze toch niet alleen doen? Over de man die in het geding moet zijn, staat er niet veel te lezen en bezorgt kijkt Inte Grubbelt aan, maar als grotemoeder binnen komt lacht die haar bedenkingen weg. Zij schrijft Kobus een lange brief. Die is intussen toch dominee geworden op artikel acht. Hij moet het om de kosten niet laten en Marijtje zelfin het huwelijk bevestigen als dat mogelijk is. Zij belooft hem veel stoffelijke weldaden, zoals vette hanen en een lange rits gedroogde scharretjes. ‘Ik verwachtje ten spoedigste.’ Alle moeilijkheden worden overwonnen. Marijtje komt uit haar dienst, alle noodzakelijke voorbereidingen worden getroffen en de dag voor het huwelijk arriveren met dezelfde boot Kobus en Bert de bruidegom.

Huwelijk

’s Avonds staat Kobus nog aan Inte’s bed. Hij vertelt dat hij al kennis met de bruidegom gemaakt heeft, een man die weet wat plichten zijn. Zij vraagt hem de andere dag niet alleen over plichten te spreken, maar er volop de liefde in te betrekken. Daar kan Marijtje het niet zonder stellen. Hij glimlacht. Jammer dat Inte nu weer aan bed gebonden is en de dienst niet kan meemaken. Er zullen toch al niet zoveel mensen zijn. Bert was al vroeg wees en is met zijn oudere zuster in een tehuis opgegroeid. Familie hebben ze haast niet en Marijtje had ook al niet zoveel vriendinnen meer, toen ze zich zo van de jongens op het eiland afwendde om in’t geniep een vreemdeling te zoeken die notabene ‘gebonden’ was, wat dat ook mocht betekenen. Ze zal het zelf zo erg niet vinden, maar grotemoeder vast en zeker wel. Die is blij met deze bruiloft, hoe sober het jonge paar die ook wil houden. Hiltje is guller dan ooit met het uitdelen van rozijnen op brandewijn. Dit huwelijk is een wonder in haar ogen. Als zij de andere dag achter het paar aanloopt is ze vol respect voor die knappe en nette man. Hij kan geen kwaad in haar ogen doen. De trouw straalt gewoon uit zijn ogen en hij was het in de gesprekken zo met haar eens, tot in het kerkelijke toe. Een dubbel geluk. Ze heeft vrienden en bekenden een lies wijn en een zak koekjes laten brengen. Grubbelt had er werk mee, of hij nu wou of niet.

127

Dat moest en zou nu gebeuren. Ze kan immers nu zovelen weer recht in de ogen kijken die wel eens waarschuwend de vinger tegen haar hebben opgestoken als het om Marijtje ging en nu is zij zo’n eerbare bruid en zo netjes in de dracht. En daar heeft zij, Hiltje, toch maar aan meegewerkt! Daar denkt ze aan onder de preek, zodat de helft van Kobus’ schone toespraak haar ontgaat. En zo uit het blote hoofd en niet uit een prekenboek zoals vroeger. Gedragen klinkt zijn duidelijke stem door het kerkgebouw, maar intussen ontgaat de bruid hem niet. Meer dan eens werpt hij snel een aandachtige blik op dat mooie, als uit marmer gehouwen, gelaat. Het is niet zoals voorheen een open boek. Waar is de levendigheid gebleven? Weggevaagd door de emoties van het ogenblik? Ineens moet hij denken aan Inte’s wijze woorden en wijzigt zijn preek. In plaats van een rij bijbelse vrouwen aan te halen die hun plichten kenden jegens him mannen, schildert hij met het gemak van een geboren redenaar het zoveel lieflijker beeld van hun liefde. Doch er komt geen verandering in Marijtje’s trekken. Wel ziet hij hoe in de ouderlingenbank een paar broeders als vragend het hoofd opheffen. Hij boeit zijn hoorders ten einde toe. Dan klinkt het amen. Grubbelt zit voor het gemak in de diakenbank. Hij snuit zijn neus als Marijtje uit haar knielende houding opstaat. De bruidsstoet vertrekt en Hiltje verwent haar gasten. Zelfs Louwe is een tevreden mens. Het is al geluk wat er woont in het huis van de Muiter. Er is een voortdurend gestommel van gaande en komende gasten, tot de duistemis valt. Dat is het gunstige ogenblik voor de bruid die wegslipt om nu uit te voeren wat ze zich voorgenomen heeft. Rap gaan haar voeten langs de bekende weg. Ze moet een belofte vervullen om in Frans’ ogen geloofwaardig te blijven. Heeft hij niet eens gezegd dat hij haar in die prachtige Urker bruidstooi wil zien? Ze moet ook afscheid nemen van wat haar zo lief en dierbaar was. Was? Of moet ze zeggen: Is? Ze wordt duizelig bij de gedachte alleen al. Als ze bij de keten komt willen haar voeten wegglijden in de modder. Is ze niet op een verkeerde weg? Ze lacht. Nog den keer wil ze bij hem zijn, moet hij haar gelukkig maken met zijn stem en afscheidskussen. Nog eenmaal wil ze hem zeggen hoe lief zij hem heeft... gehad. Ze zal haar belofte houden, wat er ook van komt. Ze zal de stem van haar hart volgen op de weg van haar hart. Er steekt wind op. Haar rokken fladderen. Ze snelt voort. Ze moet zijn waar dagelijks die zware basaltblokken neerploffen. Daar kan ze hem vinden in het keetje dat ruim genoeg is

128

voor beiden. Dit is hoog spel. Hij ziet haar komen onder de lantaarn en bewondert haar durf en roekeloosheid. Dit komt nooit meer terug. Nog eenmaal zal hij haar in zijn armen sluiten en dan...

’Ik moet nu weg’, fluistert ze later en hij begrijpt het. Dan is er de pijn van het afscheid. Dit is de man die ze echt heeft liefgehad en nu zal zij zich geven aan zijn plaatsvervanger. Nog een omhelzing en ze wiekt weer weg in de stille nacht. Als ze thuis komt is het daar stil. Alle gasten zijn vertrokken, ze hebben in alle drukte nauwelijks de bruid gemist. Zelfs bij grotemoeder drong haar afwezigheid pas later door. Ze moet zoveel handen geven en handen vullen en ze neemt de complimenten in ontvangst over de prachtige gebreide wantjes van het trouwkostuum en het witte neteldoekje zonder een kreukje. Dan vraagt Bert naar zijn bruid. ‘Och, die zal zo wel komen, Marijtje is een kind van wind en water.’ ‘Ja, maar toch niet op een avond als deze? Ze is al bijna een uur weg.’ ‘Och, met Marijtje moet je het zo krek niet nemen. Die is misschien naar Inte voor een praatje. Je moet maar goed op haar passen. Ik weet niet of ze wel met geld kan omgaan, maar ze heeft een hart van goud.’ Ja, alles goed en wel, maar waar zit ze nu? Brechtje die net binnenkomt deelt mee dat ze niet bij Inte was, maar och, ze zal in geen zeven sloten tegelijk lopen. Die man moet niet zo precies kijken als hij vrede met haar houden wil en ze laat zich ook niet zo makkelijk dwingen. Het verontrust de bruidegom meer dan hij wil toegeven en juist als hij op onderzoek uit wil gaan, zijn er lichte voetstappen en trekt Marijtje de deur achter zich dicht. ‘Marijtje, waar was je nou?’ vraagt Bert dwingend. ‘Dat moet je aan mij nooit vragen, man.’ ‘Ja, maar ik wil weten waar je gezeten hebt, daar heb ik toch recht op?’ ‘Recht, wat is dat voor een ding? Het meeste in de wereld is krom.’ Marijtje’s ogen glanzen onheilspellend en ze lacht hoog en schril en een antwoord krijgt hij niet. Grote¬ moeder en zij die er nog zijn, horen en zien het met verbazing aan. Is dit een blijde trouwdag? ‘Kwel je zelf niet’, raadt ze haar man. ‘Ja, maar jullie doen hier zo vreemd!’ “Vreemd, dat ben je zelf. Laat ons nu maar gaan, dan komt alles op zijn pootjes terecht.’ Bert’s gevraag irriteert haar, misschien wel juist omdat het terecht is. Ze wordt boos en valt uit: ‘Wel michtig minsen. Ik hew de hiele dag in touw ewest, en mag ik dan gien ogenblikkien vor m’n zelf heawen?’ Grotemoeder moet zich aan de tafel vasthouden. Er golft vrees over haar heen, waarin haar geluk weg-

129

smelt. Gelukkig doet de bruidegom er verder het zwijgen toe en volgt Marijtje naar het voor hen in gereedheid gebrachte vertrek. Grubbelt en Hiltje zitten even later verwezen neer. Zij vat zijn hand en zegt: ‘Och, as Marijtjen het er nog maar half zo goed ofbringt as wij, ouwe’. Hij knikt zwijgend en ziet haar vol aan. Ze is nog knap voor haar jaren. In haar ogen leest hij de grote zorg om hun kleinkind dat zulke eigenzinnige wegen gaat. Zij zucht en repeteert de zin die zij hem zo vaak heeft horen lezen: ‘A1 ware het dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had...’ Ze stokt en luistert of ze ook geluiden in het huis hoort, dan staat ze resoluut op om naar gewoonte te sluiten voor de nacht. Grubbelt ziet haar bewonderend na. Worden huwelijken niet in de hemel gesloten? Hiltje gaat redderend door de kamer en talmt om in de bedstee te klimmen. Ze ordent wat scheef staat en zet de zondagse stoelen voor het beddeschot en de daagse aan de tafel tussen de ramen. De deur van het kabinet krijgt een duwtje en de plaatstoof schuift ze met haar voet onder de tafel. Zo kan ze rustig de nacht ingaan. Dan licht ze de zondagse hul van het hoofd en pelt hem uit, de ondermuts is voor de nacht goed genoeg. Haar halskralensnoer hangt ze aan de lamp. Grubbelt is al achter de bedgordijnen verdwenen, maar Hiltje talmt nog. Ze spitst haar van hid en oorijzer bevrijde oren of ze dan geen enkel geluid opvangt van een beginnende bruidsnacht daarboven. Hoe is het mogelijk, zo’n geluidloos en onverschillig begin. Verbaasd schudt ze het grijzende hoofd. ’Koem toch’, roept Grubbelt, ‘spuul toch niet vor leustervink.’ En hij voegt eraan toe: ‘Die vrouwlui ok!’ Dan draait ze vlug het licht uit en stapt in bed. Een diepe zucht volgt. Slapen kan ze niet. Na zulke inspannende dagen is dat wel te begrijpen. Als Grubbelt al lang de slaap des rechtvaardigen schijnt te slapen, spieden Hiltje’s ogen nog altijd de donkere ruimte in en zijn haar oren gespitst op elk geluid. Een verontrustende gedachte houdt haar bezig en bange beelden trekken aan haar voorbij, als een domper op de blijdschap van de trouwerij. Als ze het dichtslaan van een deur meent te horen, komen ook weer dingen boven die ze al lang meende kwijt te zijn. Wil dat geluid haar dan nooit verlaten? O, als er nu werkelijk een deur zou dichtslaan, zou heel haar wereldje waar ze zo aan bouwde dan niet in elkaar storten? Bevend vouwt ze haar handen voor een woordenloos gebed. Ze ligt wakker tot de morgen gloort. Eerst dan krijgen haar moede ogen rust. Marijtje is veilig, het is goed, toch nog

130

goed met die twee, als hij en zij nu maar wat verstandig zijn, als ze maar op elkaar passen en bij elkaar blijven, zoals zijzelfen de man naast haar. Schier onbewust tast ze naar hem en laat haar hand glijden over zijn gezicht. Hij is er nog, verzorgd en bewaakt en over de dieptepunten heen getild. O, en als die twee boven nu ook die weg weten te vinden... Tevreden sluimert ze in en wordt pas wakker als Marijtje roept dat de broodtafel klaar staat en dat de mannen zo’n honger hebben. Zo is Marijtje ook, denkt Hiltje verwonderd. Het broodeten verloopt rustig, maar er moet die dag nog heel veel gebeuren. Kobus en Vrouwtje gaan straks met de boot naar Kampen en Bert en Marijtje nemen dan de boot die naar Enkhuizen vaart. Er is heel wat te redderen en in te pakken door het vrouwvolk en de mannen moeten maar een paar uur van de vloer. Grubbelt trekt zich terug in zijn kantoortje en Kobus en Bert gaan een wandeling om het eiland maken, dat vraagt maar een klein uur. Met de koffie zullen ze wel weer te¬ rug zijn. Maar zo snel gaat het nu ook weer niet. De dominee heeft de politieman heel wat aan te wijzen en uit te leggen en bovendien komen er mensen op hun pad die niet zonder een gesprekje te passeren zijn. Als ze teruggekeerd zijn in het huis van de Muiter staat alles al weer klaar. Grotemoeder heeft voor de vertrekkenden al heel wat goede zaken ingepakt en Vrouwtje en Marijtje zijn zich na twee drukke uren gaan verkleden voor de reis. Vrouwtje is het eerst in de kamer. Kobus kijkt met genoegen naar zijn eega. Die paar dagen er tussenuit hebben haar blijkbaar goed gedaan. Het wachten is nog op Marijtje. Ja, en daar horen ze haar al de trap afkomen. De deur gaat open en daar staat ze. Tot aller verbazing heeft ze haar Urker dracht verwisseld voor burgermanskleren, zoals die in de stad worden gedragen. ‘Och heden, oenze Marijtjen in’t vreemd’, zegt grotemoe¬ der, met een mengeling van spijt en bewondering in haar stem. ‘Neum’t liever in’t polletiek’, voegt Grubbelt eraan toe en hij doet daarmee geen slag in de lucht. Bert is zichtbaar blij. Hij heeft er tegenop gezien zich met een vrouw in klederdracht te vertonen: Niet zo goed voor mijn reputatie en promotiekansen en denkelijk duurder in onderhoud. Fijn, dat ze hem na die streek van gisteravond nu toch op deze manier verrast. Het versterkt zijn zelfvertrouwen en hoop voor de toekomst. Ze ziet er nog verleidelijker uit dan in het Urker pak. Vrouwtje lijkt een beetje jaloers en bedenkt dat zij er bij Marijtje vergeleken wat ouderwets en tuttig uitziet, zodat Kobus tot de conclusie komt dat hdm

131

dit ook geld gaat kosten. Snel nadert nu het uur van vertrek. Marijtje wenkt grotemoeder de trap op. Daar liggen in de slaapkamer haar mooie Urker kleren op het bed, met bovenop haar hoofdtooi: hul, oorijzer en kralen en voor het bed de gladde muilen. ‘Pas er goed op, grote¬ moeder’, zegt Marijtje met tranen in de ogen en vlucht weg. Als de boten vertrokken zijn, vlijt Hiltje het goed met liefde in het kabinet.

Is dat een huwelijk?

Nijdig gebel van gedwarsboomde fietsers, naar gegorgel van startende auto’s en het rinkelen van hotsende trams zijn de geluiden die tot Marijtje doordringen. In de drukke volksbuurt waar ze een woning konden huren is het op bepaalde uren een gekrioel van mensen en ook overigens hoor je er de roep van fruitventer en visboer en is er na schooltijd een wirwar van spelende kinderen. Het zijn de klanken en beelden van alledag, maar Ma¬ rijtje wordt er niet vrolijk van. Liever hoort ze het bruisen van het water en gieren van de wind en ziet ze het in- en uitvaren van de vissersboten. Maar dit is nu alles verleden tijd. Ook de man met wie zij zo schielijk getrouwd is, is anders dan zij zich hem had voorgesteld. O ja, hij heeft zijn goede kanten, hij is plichtsgetrouw en wil vooruit komen in de wereld, maar de positie waarin hij zijn vrouw graag ziet, druist in tegen wat zij zelf als haar plaats en plicht voelt. Zij begint steeds duidelijker te begrijpen dat haar huwelijk verre van ideaal is. A1 te voortvarend was zij in het bootje gestapt omdat zij het trouwen meende te kunnen gebruiken als het middel om haar problemen in de liefde op te lossen. Maar was het gebezigde medicijn niet erger dan de bestreden kwaal? Hij vraagt dat er notitie van hem genomen wordt als man van gezag. Hij die soms zijn nachtrust moet opofferen in zijn strijd tegen alle mogelijke wetsovertredingen, tegen diefstallen en ontucht, hij verlangt in huis toewijding en gewilligheid van zijn vrouw, hartelijkheid en woorden van waardering, maar daar is zij in deze omgeving niet zo sterk in. Als hij klaagt over zijn zware werk, voegt ze hem al gauw toe dat alle mensen moeten werken en de visserlui ook niet veel slaap

132

krijgen aan boord. Dat verraadt hem dat zij meer met haar geest bij haar volk op het eiland is dan bij hem in zijn strijd. En dan dat eeuwige gezeur over weer en wind. Als hij zijn ronde doet en een vrijend paartje ziet, moet hij soms denken aan de dagen dat alles zo goed was in die eerste roes aan het strand en in de duinen. Wat was ze vrolijk en goedlachs geweest. Hoe had ze hem als een dolleman meegesleurd door het mile zand. Open en fier had ze gekeken en het ging allemaal zo gemakkelijk, terwijl nu, op enkele uitzonderingen na, de contacten zo moeizaam tot stand komen. Ze verwijt hem zijn verregaande zuinigheid en controle op alles wat ze doet en hij noemt haar harteloos en grillig. Die grilligheid heeft invloed op zijn humeur en de collega’s op het bureau merken dat wel op. Hijzelf leert haar kuren kennen aan de klank van haar stem en de wijze waarop zij hem bij name noemt. Bert klinkt neutraal, maar als ze Bertje zegt klinkt daarin geen vertedering maar minachting in door. Galmt ze Allebert door het huis, dan drijft ze de spot met zijn eisen en noemt ze hem voluit Albertus, dan slaat dat op zijn dromen van promotie. Soms gaat het een hele tijd goed, tot zijn aanmerkingen op haar zijns inziens te buitensporige uitgaven haar weer een duw in het negatieve geven, vooral als hij haar het huishoudgeld krap toemeet en zij vragen moet en de hand ophouden. Het is haar onverdraaglijk en dan komen de buien die het huiselijk klimaat bederven. Zij doet ook geen pogingen meer om opgewektheid te veinzen, alleen haar verstand leert haar hoe zij de meeste moeilijkheden kan omzeilen. Zij leert zwijgen, maar ook dat kan hem ergeren als zij niet lacht om de nieuwste moppen uit de trommel van het bureau. En zo gaan de maanden voorbij. Marijtje zoekt heul in het werk. Het oude, uitgewoonde huis dat zij na de trouwdag betrokken wordt een goed bewoonbaar en proper geheel, want haar handen staan niet verkeerd. Ze kan er mensen in ontvangen en dat zijn hoogtepunten in haar dagelijks bestaan. Haar vriendin Pleun uit Scheveningen, grootvader Grubbelt die voor zaken in Den Haag moet zijn en een keer none Kobus met zijn vrouw, omdat hij een beroep uit een dorp in de buurt had ontvangen. Dat was me een vertoning geweest! Toen Marijtje hen in de kamer gelaten had, praatte Kobus honderduit, maar Vrouwtje bleef als verwezen zitten en reageerde niet in het minst op haar hartelijkheid. Ze zat als met stomheid geslagen en met opeengeklemde lippen Marijtje aan te kijken, tot die haar bij de arm greep en riep: ‘Hew ik wat van je an? Wat hew ik edoon,

133

18. Winter in de haven van Enkhuizen.

19. Winter in de haven van Urk.

134

dat je niks zeggen?’ Vrouwtje schudde van neen en toen hielp Kobus zijn nicht uit de droom. Op preektoon galmde hij: ‘Eigen schuld. Eigen schuld. Vrouwtje heeft een nieuw gebit. En ik zei nog zo: AIs je happen moet, hap dan goed. Maar niet gedaan he, niet gedaan! En nou zie je het resultaat. A1 in geen drie uur heb ik een woord gehoord. Het zit niet gemakkelijk en ’t zal toch moeten wennen. Voor nog eens happen en weer een gebit ontbreekt het geld’. Daar opent toch Vrouwtje haar mond: ‘As’t dan moet..’, ‘Dan moet’t’, vult Marijtje vrolijk aan en kust de hjdende Vrouwtje hartelijk op beide wangen. Haar man voert verder wel het woord. Hij vertelt over de problemen in het veen, over hun kleine vreugden en grote zorgen met de kinderen en in de gemeente. Zijn wens is in vervulling gegaan. Hij is nu volop dominee, zij het op artikel acht, en wordt ook als zodanig beroepen. Studie en zorgen hebben hem vroeg grijs gemaakt, maar dat misstaat hem niet. Als Vrouwtje eindelijk haar tanden durft te laten zien, lijkt zij een stuk jonger. ‘Hoe gaat het met Laampie?’ informeert Marijtje. Dat brengt nieuwe verhalen. Er is meer, veel meer grond in cultuur gebracht, maar Laampie doet nog altijd zijn werk in de streek, al is hij geen herdersjongen meer. Nee, hij is intussen ook getrouwd en loopt er netjes bij, niet meer met de pet scheef op en het gescheurde buis half open. En dan komt het verhaal hoe Kobus en Vrouwtje een lange wandeling gemaakt hadden en tenslotte nog verdwaald waren in het donker. Tot overmaat van ramp waren ze toen in een diepe kuil gegleden, waarin nog wat water stond ook. Lange tijd hadden ze vergeefs om hulp geroepen: ‘Mensen, we zijn verdwaald. Help ons hieruit!’ Tot Laampie ‘meneer en zien vrouwe’ gevonden en geholpen had. Ze hadden wel zijn terechtwijzingen moeten aanvaarden: Zo lang al in het veen en nog zo onervaren. Dan passeren de koster van de kerk en de voorlezer de revue. De laatste had zijn bril vergeten die zondag dat dominee over het dochtertje van Jairus preken zou en hij het verhaal uit Marcus lezen moest. Och, dat kende hij toch wel zowat uit het hoofd. En wat las de man? ‘En Hij vatte de hand des kinds en zeide tot haar... zeide tot haar..., Alida koem ie?’

Er valt een leegte als het domineesechtpaar weer vertrokken is. Hij met zijn nieuwe wandelstok en zij met haar nieuwe gebit. Marijtje blijft peinzend achter. Ze heeft hem nog kunnen vertellen dat zij al een paar maanden in verwachting is. Als zij over Urk terug zullen reizen, moeten zij dat maar aan grotemoeder

135

meedelen. En dat gebeurt. Hiltje is in de wolken. Dat is toch een heel goed teken in Marijtje’s huwelijk, nietwaar? Het neemt in een klap een heel stuk van de zorgen weg die zij dagelijks, sinds die vreemde trouwdag, voor Marijtje en haar man koestert. ‘Moet je nou er’s leusteren, Grubbelt...’, maar die is al weer verdwenen. De koersen van de vaten ansjovis zijn alweer gezakt en de kosten van bewaring in het veem worden hoger. Wat voor tijden staan het mensdom in het algemeen en Urk in het bijzonder te wachten? De geruststelling van grotemoeder zou evenwel zo groot niet zijn geweest, als ze geweten had wat er onmiddellijk na het vertrek van Kobus en Vrouwtje uit het huis van Marijtje daarin al weer was voorgevallen. ’De iene dag zien je gien snuut en d’ angere dag overlopen ze je’, mompelt Marijtje, als ze naar de deur loopt voor nieuw bezoek. Een collega van Bert komt binnen en nestelt zich breed in een gemakkelijke stoel, die nog warm moet zijn van Kobus’ zitvlak. En ook hij krijgt koffie en koek. Bert zal nog wel een poosje op zich laten wachten. Marijtje kan goed met de jonge man opschieten en is blij dat hij eens binnenvalt met zijn nieuwtjes. Ze kan beter met hem lachen en schertsen dan met haar in de grond zo humorloze echtgenoot en hij blijft maar plakken omdat hij het zo gezellig vindt. Hun gelach overstemt het binnenkomen van de echtgenoot die vroeger thuis komt dan verwacht. Door een kier van de deur ziet hij de leut die hijzelf zozeer moet missen en die prompt verstomt als hij in de kamer verschijnt. De collega is snel vertrokken en dan breekt de bui los boven Marijtje’s hoofd. Zoveel smerige kopjes in de keuken en een lege koektrommel. Zij met een ander de bloemetjes buiten zetten en hij zorgen voor brood op de plank in onregelmatige en zware dienst. Marijtje kan er haast niet tussen komen. Het is duidelijk: Bert is niet alleen zuinig en bekrompen, hij is ook nog bijzonder jaloers. Maar Marijtje geeft geen krimp, fier laat ze de woordenstroom over zich heengaan en dat is een ongewoon verschijnsel. Zo plotseling als de bui is losgebarsten, zo onverwacht is die ook weer voorbij. Wat heeft Marijtje? Dan legt ze hem rustig uit dat hij te achterdochtig geweest is. Kobus en Vrouwtje zijn op bezoek geweest en konden niet op zijn terugkeer wachten en toen kwam z’n vriend Flip, die ze toch het laatste koekje niet weigeren kon. Ofhad ze hem de deur misschien moeten weigeren. Laat hij dan meteen maar weten dat ze dat op het eiland niet zo gauw doen, iemand buiten laten staan. Bert is wat beduusd, maar nu hij

136

toch luistert weet ze hem nog wat anders te vertellen ook. Heeft hij soms te klagen over haar liefde, dan mag hij nu weten dat zij van hem een kind verwacht. En wat heeft hij daarop te zeggen? Bert is verbluft en zijn mond die hij net zou openen voor een scherp weerwoord, klapt weer dicht. Die vrouw is hem ook elke keer weer de baas. Trots staat ze op en gaat naar de keuken om de afwas te doen en voor eten te zorgen. Die avond valt er geen onvertogen woord meer. Zij lijkt een ordentelijke vrouw waarmee hij tevreden mag zijn en hij zal vader worden. Misschien komen de dingen dan toch allemaal nog goed.

Moet dat nou zo?

Marijtje lijkt in alles buitensporig. In plaats dat ze nu, als een gewoon mens, een kind ter wereld brengt, scheept zij de diender op met twee witgekuifde schreeuwertjes. Het is een tegenvaller voor hem en het past niet in zijn plannen, want een zo’n druktemaker brengt al kosten genoeg mee en als hij overdag slapen moet, storen de kleine schreeuwertjes hem in zijn rust. En de straat is al zo druk met z’n blaftende honden en denderende karren. Marijtje kan er aarden, die dwarskop, maar hij zou graag rustiger wonen, de dienst is al druk genoeg. En als er kooplui aan de deur komen is ze’s weeks veel te vroeg door haar geld heen. Zij vindt hem een kankerpit als hij zo mopperend uit dienst komt. ‘Heb je Flipje weer niet te pakken kunnen krijgen? Had het mij maar gevraagd, ik had hem wel gekregen.’ De man die zo serieus zijn schoenen poetst, weet soms niet wat hij van haar denken moet. De verwachte promotie blijft maar uit en het eeuwige tekort blijft bestaan. Marijtje zal toch zuiniger moeten huishouden. Dan stelt ze hem voor dat ze de kas gaat vullen door zelf buitenshuis te gaan werken. Voor de kinderen is wel een oppas te vinden in de buurt, weet ze. Maar dat wil Bert niet. ‘Je hebt werk genoeg te doen in huis.’ Ja, en dat lijkt nu juist wel een aansporing voor haar naar werk in de stad om te zien. Als je goeie handen hebt en werkwillig bent, je kunt daar best wat bijverdienen. Ze heeft een hekel aan armoe lijden. En ze vindt werk ook. In de buurt staat een oud schoolgebouw, waar een concierge is zoals er geen tweede bestaat. Hij sloft op

137

zijn pantoffels door de gangen met een pijp tussen de tanden en heeft er de wind onder. Hij stamt uit een geslacht van vissers en kan Marijtje in veel dingen begrijpen, beter dan haar eigen man. Zolang een mens werken kan, hoeft hij geen armoede te lijden. En dat stelletje ambachtschooljongens mag dan tuig van de richel zijn, ze hebben nog ontzag voor hem, eventueel voor een slof als projectiel dat hij trefzuiver weet te lanceren. Het werk wordt echter teveel voor hem en hij mag er een hulp bij hebben. Marijtje komt als geroepen. Die kindertjes zijn helemaal geen bezwaar, daar kan zijn vrouw best zolang op passen. Het werk bevalt haar. Haar veerkrachtige gestalte gaat lenig en kwiek door de lokalen en zij zingt haar hoogste lied. Dit doet veel leed vergeten. Ze voelt zich weer jong tussen de jeugd en na maanden van depressie komt er meer zelfbewustzijn in haar optreden. Ze verdient nu zichzelf. En als ze wil, kost het haar weinig moeite de stemming van haar man ten goede te bei'nvloeden en de dagen in de duinen te doen herleven. Zo weet ze haar aantrekkingskracht te benutten, maar ze ervaart het zelfte veel als spel zonder diepgang. Ze zoekt de stem van het hart en het verlangen dat ze eens kende wil maar niet sterven. In Bert’s armen kan ze aan Frans denken. En dan kan vrolijkheid omslaan in koppige afgetrokkenheid. Ze rukt als het ware aan een ketting die haar gevangen houdt. En met alleen Bert gaat gebukt onder haar buien, hoe her hij ze ook afweert, de twee blonde jongetjes leren zo ook hun moeder kennen. Ze weten wanneer ze zich koest moeten houden. Dat is als moeder het over ‘bibbertjesdag’ heeft. Dat woord heeft ze de kleinen al vroeg geleerd. Op zo’n dag luisteren ze verschrikt naar luide en boze stemmen uit de keuken en hoeven ze niet op een spelletje of een verhaaltje te rekenen. Maar noch Bert, noch de kleinen kunnen bevroeden dat ze dan de eerste liefde niet uit haar hart weet te bannen, een man als geen ander. Een die nooit zeurt over boorden of sokken en die haar op geen uitgave beknibbelt of beknot als ze de collectebussen aan de deur royaal bedenkt. In zo’n bui is Bert’s aanwezigheid haar een kwelling en klaart haar gezicht op als hij de deur achter zich dicht trekt. Dan kan ze zich plotseling rijk voelen in haar kleine wereld en met de jongetjes naar hartelust stoeien en als het weer het toelaat er met hen op uit trekken de duinen in ofnaar het strand. Dan hebben ze die dag geen bibbertjesdag, maar een stralende jonge moeder die opleeft in de natuur. Holland aan zee is zo mooi. Daar roept geen man

138

om nieuwe veters of vloekt als de vouwen niet scherp in de broekspijpen zitten. En wat is het heerlijk om zo’n middag aan zee afte sluiten met een bezoek aan haar Scheveningse vriendin die haar maar een geluksvogel vindt. Heerlijk is het ook als er eens een bekende van het eiland op de stoep staat, die voor zaken in Den Haag moet zijn ofvoor reparatie in de Scheveningse haven ligt met zijn schip en haar met een zoo schoongemaakte schollen oftongetjes bedenkt, al ofniet door grotemoeder op haar spoor gezet.

Op een goede (of liever een kwade) dag staan Sibbe en Ester tegenover haar. Ze zag ze al komen en verwonderde zich over hun weifelende gang. Ester lijdt aan een ziekte die Sibbe in haar bijzijn niet eens noemen wil en waar volgens grotemoeder geen kruid voor gewassen is. Sibbe evenwel probeert koppig de beste dokter te vinden die er is, op hoop van redding.

Twee dagen had Marijtje hen onderdak verschaft, toen waren ze weer verder getrokken met weer wat minder hoop. Het had Ma¬ rijtje tot nadenken gestemd. Kon ze maar zo liefhebben als die twee en het begin was ook daar toch niet vlekkeloos geweest. Zou door plichtsbetrachting en goede voomemens haar verhouding nog niet grondig kunnen verbeteren? Bert had toch ook zijn goede kanten en zijzelf had toch ook haar beperkingen. Maar wat begin je met goede voomemens als de duvel ermee lijkt te spelen enje er weer hopeloos invliegt. Zo ging het ook de dag die het sombere voorspel werd van een droevig drama en die zo mooi begonnen was.

Vanuit de geopende deur van het zo dikwijls bezochte Scheve¬ ningse huisje, klinkt haar een warme welkomstgroet tegen: ‘Marijtje, wat een geluksvogel bin jie toch, niet dan. Moet je nou es horen. Nou het onze Annie toch zowaar verkering gekregen met een jongen die een auto het en vandaag gaan we toeren. Je geet toch ook mee, niet dan, die slee is groot genoeg’. En wat doet Marijtje? Ze denkt aan tijd noch taak en stapt in met de beide kindertjes die juichen van plezier. Het wordt een dagje als een uit duizend en een nacht. Ze vergeet de benauwde etagewoning en een man die zich maar moet zien te redden. De wind suist door haar haren. Ook de vrouw naast haar geniet. Bij een uitspanning is iedereen vrolijk. Op de terugtocht slapen op de achterbank de kinderen op de schoot van Marijtje en Pleun, die fluisterend met elkaar praten. Zo’n dag hebben ze nog nooit gehad. "t Is er een van een professor’, zegt Pleun zacht en ze

139

wijst naar de chauffeur. Annie leunt verliefd tegen hem aan. Dit is een ander ritje dan in de rammelende tram. Ze zitten op verende kussens en kunnen zelfhun weg kiezen. Doch, helaas, ook een automobiel kent kuren. Het duister valt en nog ver van huis weigeren de koplampen ook maar enig licht te geven. In de eerste de beste autowerkplaats volgt een gezoek en gepruts tot in het oneindige. De inzittenden zijn uitgestapt en drentelen wat rond. De kinderen slapen, toegedekt, in de auto rustig verder, maar in Marijtje staat de onrust op. De wijzers van de klok in de garage schuiven maar voort. Het wordt te laat. Bert’s middagdienst zit er al lang op. Wat zal hij denken? AI het genot van de dag is vervlogen en de auto komt niet meer klaar. Vol angstige voorgevoelens staat Marijtje aan de wegkant en dan is er uitkomst. Er stopt een auto van de politie en een bekende stem zegt: ‘Marijtje, wat doe jij hier?’ Het is de jongen waar Bert zo jaloers door werd. Maar alle hulp is nu welkom. De professorszoon gaat vervoer voor Annie en haar moeder zoeken en Ma¬ rijtje stapt in de dienstauto. De tweeling kan er ook nog wel bij. “We moeten er nu snel komen’, zegt de opgewonden Marijtje, ‘ik voorzie grote moeilijkheden.’ Ze bedenkt hoe onvoorzichtig en onverstandig ze weer te werk is gegaan, nu het net weer wat beter leek te zullen gaan. De behulpzame agent maakt er graag een show van. Met roekeloze durf en een hand aan het stuur stuift hij door de al donkere stad en maakt intussen dubbelzinnige grapjes. De door hem bewonderde vrouw probeert haar angst weg te lachen, maar het lukt slecht. Wat is het wreed als je na een dag van vrolijke ontspanning wordt opgewacht door een dienaar der gerechtigheid. Er is geen ontkomen aan. Als de auto voor de deur stopt, staat hij al buiten en ziet wie haar heeft afgezet. Het bijt hem als een adder en zijn jaloezie laait op. Marijtje tilt de kinderen van de bank en de chauffeur geeft al weer gas om een confrontatie nu met zijn collega te vermijden. Diens gezicht zei hem al genoeg. ‘Waar kom je zo laat vandaan?’ wil de man weten, die al uren gekweld is door ongerustheid niet alleen, maar ook door achterdocht, die nu bewaarheid lijkt te worden. Marijtje antwoordt nauwelijks. Vlug kleedt ze de kleintjes uit en legt die in him bedjes. Redderend gaat ze heen en weer om nog een directe aanval te ontgaan, maar hij staat treiterend rechtop met een minachtende blik in zijn ogen en wacht af. Ze tracht verslag te doen van de gang van zaken, zowel de gezelligheid als de tegenslag, maar wat begin je met een man die

140

niets begrijpen wil of kan van wat haar beroert? Een man die geen oor heeft voor het bruisen van de zee en het ruisen van de wind, die ongevoelig is voor blonde duinen en wuivend helmgras. Een man die niets voelt van de harteklop van zijn vrouw, en dingen veronderstelt die er niet zijn. “Wat bedoel je?’ zegt ze dan boos. Haar drift laait op, ondanks haar goede voornemens en hatelijkheden vliegen heen en weer. Dan ontsnapt een gemeen woord zijn lippen. Marijtje’s gezicht trekt wit weg. Ze heft haar hand op en slaat hem op de mond. ‘Daar dan, als je toch alleen maar slecht van me wil denken. Daar zul je nog berouw van hebben.’ Er valt een stoel om, de kinderen beginnen te huilen en ‘Albertus de Rechtvaardige’ verdwijnt achter de deur van de slaapkamer, zijn geschokte vrouw in een diepe depressie achterlatend. Dan sust ze de kinderen en ordent het vertrek. Dit is voorbij, denkt ze, hier is geen verzoening meer mogelijk. Als hij dat woord gezwegen had, dat gemene woord... Weer voelt ze de haat in haar opbruisen. Hier moet ze uit. Dit wordt een helleleven op den duur. Wanhopig zet ze zich op de divan en staart in het donker. Dan legt ze zich neer en trekt de plaid over zich heen. En dit keer wacht de man, die weet dat hij te ver gegaan is, vergeefs op een vergevingsgezinde Marijtje, terwijl zijn eigen trots hem verhindert ook maar een stap terug te doen. Voor beiden duurt het uren eer de slaap komen wil, want wat zal de morgenstond in de mond hebben?

Als Marijtje wakker gemaakt wordt door de kinderen is Bert al naar zijn werk. Hij zal de hele dag wegblijven, tijd voor zijn vrouw om diep na te denken. Zo gauw zij kan, zet zij zich voor het raam, haar geliefkoosde plekje, de kin gesteund in de hand. Ze heeft het gevoel of alles wat nog mooi en goed was nu voorgoed aan flarden is gescheurd. Stille weemoed, vermengd met zelfbeklag en heimwee, neemt haar gevangen. De zon die ze hier nooit ziet opgaan, maar die na een paar uur toch meestal zijn lichtstralen door dit venster in haar domein zendt, laat vandaag verstek gaan en dat maakt alles er niet vrolijker op. De kinderen houden zich rustig, het is voor hen een vreemd soort bibbertjesdag en ze zien uit hun speelhoek nu en dan met bange ogen naar hun als versteend zittende moeder. Zij is ver weg met haar gedachten die terug gaan naar grotemoeder en Kobus, bij wie zij in haar jeugdverdriet altijd weer troost vond. Hier is niemand bij wie ze haar hart kan uitstorten, alles wat voor haar waarde heeft is deze dag onvindbaar. Zij snakt naar bevrijding, naar het

141

ontwaken uit een bange droom, naar verlossing uit de kwade machten in het leven die haar liefdesverlangen hebben geblokkeerd. Haar fierheid is geknakt als een bloem in de storm. Heftig verlangt ze naar haar oude tehuis. En dan is daar nog onverwacht de streep zon in haar kamer, die zich verbreedt en kozijnen en deuren doet oplichten. Het geeft Marijtje een perspectief en ze weet nu wat haar te doen staat. In de verte ziet ze grotemoeder met haar verstandig gezicht, Kobus met zijn vriendelijk voorkomen en tutte Inte met haar wijze liefde, ja ook moeder Brechtje en vader Louwe die hun kind niet zullen afvallen. Naar wie zal ze gaan? Vlug kleedt ze de kinderen verder aan, pakt het nodige bijeen, steekt het door haar verdiende en gespaarde geld bij zich en verlaat het huis als de zon weer verstek laat gaan. En in een flits ziet ze tussen alle oude vertrouwde gezichten van al de haren ook het vrolijke uiterlijk van de vreemdeling die de eerste en schoonste liefde in haar heeft gewekt. Het eiland wacht haar.

Intussen verwacht Bert dat, als zijn dienst er voor die dag opzit, de onverwachte storm wel weer wat geluwd zal zijn en komt hij ook al gauw tot de conclusie, dat zijn vreselijke vermoeden en het afschuwelijke woord dat hij Marijtje toevoegde misplaatst waren. ’t Is echter goed, zo bedenkt hij in zelfverdediging, dat zij eens een toontje lager gaat zingen en begrijpt dat hij niet met zich laat spotten. Op een vrouw moet je aan kunnen! En wie zal haar met die twee drukke kinderen met open armen ontvangen?

Na een eenzame en ongewoon stille nacht wordt zijn onrust alleen maar groter. Als zijn uren er de tweede dag opzitten en Marijtje niet is teruggekeerd, stapt hij op de fiets en belt eerst bij de oude concierge aan, maar die weet van niets. Dan gaat hij door en bezoekt Pleun in Scheveningen en die weet wat meer. Haar dochter Annie sprak de vorige dag Marijtje voor het station in Den Haag en deze had haar verteld dat ze een tijdje naar het eiland ging om er wat bij te komen van een overspanning. Het is voor Bert een zekere geruststelling, maar hij komt nog niet in actie. Ze moet maar eens voelen dat ze niet zo roekeloos met tijd en geld mag omgaan en tevens haar plichten vergeten. Ja, ja, maar hij is toch zelfook veel te ver gegaan, om zonder kennis te hebben genomen van de gang van zaken zo onbillijk en gemeen te reageren. Komt dit nog wel weer goed? Die gedachte vergroot zijn onrust en hij gaat een paar dagen verlofvragen om haar te

142

zoeken en terug te brengen. Heeft ze dat niet meer dan eens gezegd: ‘Wie mij hebben wil, zal mij moeten halen’? Intussen heerst ook bij grotemoeder in huis grote onrust. Wat is er nu toch weer met Marijtje aan de hand? Ze heeft wel niet zoveel gezegd toen ze zo plotseling met de boot kwam, maar Hiltje proeft aan alles de problemen. Marijtje moet maar meteen helpen met de herfstschoonmaak. Bij de koffie probeert ze haar wat op te vrolijken met verhalen over Kobus en zijn Vrouwtje. Die zorgen altijd weer voor een vrolijke noot. Zijn wandelstok en haar gebit, zijn kanaries en haar aspiraties. Intussen ziet Ma¬ rijtje, terwijl ze lachen, de stomme verbazing overgaand in woede op het gezicht van Bert, toen ze zo onverwacht en fel uithaalde en ze huivert. Grotemoeder kijkt bevreemd op. Wat heeft ze nu weer, Marijtje, als altijd zo onberekenbaar. Ze veegt met de zakdoek in de ogen, maar niet om het zojuist vertelde. Als Inte haar die avond vraagt het lied voor haar te zingen van de Goede Herder, kan ze dat onmogelijk doen en ze bedenkt in hoe lange tijd er al geen zang over haar lippen gekomen is. In bed hoort ze later nog lang de klok tikken. Er zijn gedachten en gevoelens die maar niet sterven willen op haar bevel, storende elementen in haar leven. Hoe kan ze die nu toch kwijt raken? Met het besluit die de volgende dag systematisch op te ruimen, als bij een grote schoonmaak past, valt ze tenslotte in slaap.

Een doodlopend pad

Op de derde dag, in de late middag, na de aankomst van de laatste boot, haalt Marijtje haar Urker kleding uit het kabinet waarin grotemoeder het de dag na de trouwerij zo zorgvuldig had opgeborgen. Zij trekt de kleren aan om zich te tooien voor haar kinderen, die hun moeder zo nog niet gezien hebben. Nieuwsgierig buitelen de twee krullebolletjes over elkaar heen om maar niets te missen van de verkleedpartij. Zo mooi zagen ze hun moeder nog nooit. Maar heeft Marijtje alleen voor hen de dracht uit de kast gehaald? Ze zegt dat grotemoeder nu verder op hen passen zal, en als de donkerte invalt staat ze op en gaat welbewust naar de deur. “Waar ga je naar toe, Marijtje?’ wil Hiltje weten en rustig antwoordt zij dat ze dat nog niet weet.

143

Naar Sibbe misschien, of naar tutte Inte. Ze zal wel zien, maar de dag was zo lang in huis en nu wil ze er toch nog even uit. Dan mist ze majestueus naar buiten. ‘Koem nou niet zo laot terogge, Marijtjen’, hoort ze zich nog na roepen. Grotemoeder ziet haar na, maar omdat de avond valt is Marijtje snel in het donker verdwenen. Wat weet die vrouw een houding aan te nemen. Hiltje is trots op haar here gang en zegt tegen Grubbelt dat zijn kleindochter nu pas leert om waardig door het leven te gaan, zoals bij hun geslacht past. De kinderen liggen al in de bedstee en Hiltje reikt ze vergenoegd nog wat lekkemij. Het zal toch nog wel goed komen met Marijtje. Dat kan haast niet anders. Ze toont immers dat ze vaardig en waardig door het leven wil gaan. Met een glimlach neemt ze het terzijde gelegde breiwerk weer op. De klok tikt en laat nu en dan ook horen hoe laat het is. Het duurt een uur. Is Marijtje nog niet uitgekletst? Twee uur. Dat lijkt toch niet zo goed. Drie uur. Nee, dat is mis. ‘Grubbelt, ga eens naar Inte, ik maak me ineens zo ongerust. De oude man legt zijn pijp neer en probeert zijn vrouw gerust te stellen, maar hij voelt haar angst en gaat op Inte aan. Die is de laatste tijd minder geworden en ligt te rusten, Ede doet verstelwerk bij het licht van de lamp. Nee, Marijtje is hier niet geweest. Nu wordt ook Grubbelt ongerust. Zo snel hij kan gaat hij naar Sibbe en dan slaat de schrik toe, ook daar was ze niet geweest. Misschien is ze al bij grotemoeder, maar nee, als de twee mannen daar komen is Marijtje nog niet gearriveerd. Hiltje is een flauwte nabij en Grubbelt moet wel bij haar blijven. Sibbe zal op onderzoek uitgaan. Net als hij buiten is loopt hij tegen Bert aan, die zojuist is aangekomen. Hij kon uit Amsterdam met een hotter meevaren die hij daar aan de kade getroflen had. De toestand is gauw uitgelegd. Voor alle zekerheid kijken de twee mannen nog even bij Inte, maar geen spoor van Marijtje. En als de mannm erop uittrekken om te zoeken, stuurt Inte Ede naar grotemoeder. Maar even later kan de door reumatiek gekwelde vrouw het in huis niet langer uithouden. Ze slaat een doek om en gaat naar buiten. Moeizaam scharrelt ze de hoogte op in de richting van de vuurtoren. Dan kan ze niet verder. Ze zet de handen aan de mond en roept zo hard ze kan: ‘Marijtjen! Ma-rij-tjen!’, totdat de adem haar ontbreekt. Ede komt op het geroep aan en brengt de uitgeputte vrouw weer in huis. In twee huizen is nu benauwdheid en vrees. Waar, o waar is toch Marijtje?

144

Marijtje is op zoek naar het verloren geluk. Zij, die nu zelf ‘gebonden’ is, wil afscheid nemen van de man die dat ook is. Hij moet haar raad geven hoe zij ermee kan leren leven. Ze pijnigt haar hersens af tot het haar duizelt. Heeft Frans haar niet vergeten? Wat heeft hij haar vaak verzekerd dat ze altijd in zijn gedachten zou zijn. Maar wat had ze de laatste keren in zijn ogen menen te lezen. Tranen wellen in haar ogen als ze verder gaat. Aan alle plekjes die ze ooit bezochten, wil ze het geheim ontworstelen. Wat betekent het woordje ‘nooit’ voor een man. ‘Nooit’, zei de een en hij drukte zich bij nacht en ontij tegen haar aan. ‘Nooit’, zei de ander en hij smeet haar scheldwoorden naar het hoofd. Wat stellen liefdesverklaringen eigenlijk voor? Marijtje lacht weemoedig. Waar zal ze het eerst heengaan? Waar de wind haar drijft! En die is westelijk. Eerst dus maar naar het oosten. Dat brengt haar al dicht bij hem. En hij weet dat ze thuis is. Hij stond bij de boot toen ze aankwam, zeker om een pak voor het bureau af te halen. Hij moet haar wel gezien hebben, zoals zij hem. Nu wil zij hem de mooie ronding van haar hulle laten bewonderen, de gloed van haar bloedkoralen en de warmte van haar hart laten voelen. Het kan niet voorbij zijn voor zij nu definitief afscheid gaat nemen. Ze kan zich niet in hem vergist hebben. Straks hoort ze wel de waarheid als ze bij hem is. Zekerheid wil ze hebben. Daar is al de oude oostelijke palenrij. Het is er stil en doods waar weldra het water zal moeten wijken. En hij is er niet. Als hij niet te vinden is waar zij hem zou kunnen verwachten, zal ze hem opzoeken op de plaats waar hij haar niet verwacht, daar in die keet met het lichte venster. Behoedzaam nadert zij het raam en daar is hij. Hij buigt zich over de papieren op zijn bureau. Een lampje houdt zijn gezicht in de schaduw. Dichterbij komt ze om hem beter te zien en ze struikelt haast over een blok beton. Hij heft zijn hoofd op. Ziet hij haar? Nog dichter staat ze bij het venster. Een hand strijkt met een moe gebaar over ogen die een visioen lijken te zien. Als zij op het raam tikt, springt hij op. Ze snelt weg, want nu zal hij komen en met haar spreken op een van hun geliefde plekjes. Op een afstand blijft zij staan, maar de deur gaat niet open, nog niet. Wil hij niet samen met haar gezien worden, dan zal zij een voor een de schuilplaatsjes opzoeken waar ze zich eens zo gelukkig voelde. En bij een daarvan zal hij zijn. Ze gaat voorbij de steen der wetten en daar is hij niet, ze komt bij de rots der ergemis en ze vindt er hem niet. Dan moet hij nu wel bij de steen der wijzen zijn,

145

de andere kant op. Haar voeten gaan werktuiglijk over het ongelijke en hellende pad. Dan zet ze zich neer en wacht. De nachtwind blaast langs haar heen. Er is niets dan kou en duistemis. Eindelijk staat ze op. Het schiet haar te binnen dat ze nog op een dierbaar plekje niet geweest is. Helemaal bij het vuurtje, onderaan de dam. Als ze op weg gaat treft met een aansuizende windvlaag een geluid haar oor. IJ1 en licht klinkt de roep: ‘Marijtje! Marijtje!’ Nee, dat is Frans niet, dat is tutte Inte. Maar dat kan toch niet. Die is toch in huis, halfverlamd van de reumatiek? En toch is het Inte. ‘Ja, tutte Inte’, snikt ze, ‘ik kom zo, ik moet alleen nog even bij de steen van het geluk zijn.’ Ze wankelt verder in haar hoop die in wanhoop begint te veranderen. Herinneringen, zoet en bitter, spoken door haar verwarde gedachten. Waar is nu toch die steen? Spoelen de golven erover heen nu de wind opsteekt? Ze wordt moe van het vruchteloos zoeken. Nog dieper daalt ze af. Haar muilen schieten uit, maar wat deert het haar. De pijn in haar hart is zo veel erger. Komt er geen eind aan haar verwachtingen? Is er geen nieuw begin? Waarom komt Frans niet en waarom kwam Bert niet? Heeft dan iedereen haar verlaten? Nee, want nog eens hoort ze roepen. Er zijn stemmen die verwaaien in de wind. Ze klinken bekend als ze haar hoofd wendt. Zij zal opstaan en ze tegemoet gaan. Waar zijn nu haar muilen? Ze tast met haar voeten op de stenen die glibberig zijn van zeewier en schuim. Welke kant moet ze nu uit? Een melodie en woorden ruisen door haar hoofd: ‘die van’s levens rechte baan op de dwaalweg zijn vervallen’. Ja, zo een is zij er, maar ze keert terug. Nog ebn stap en ze is weer op de goede weg. Het is een misstap. Haar armen zwaaien wild in het rond en Marijtje valt in het koude water. Angstkreten komen uit haar keel. Vergeefs probeert ze bij de kant op te klauteren en weer schreeuwt ze het uit. Dan verliest ze het bewustzijn.

Zij komt weer enigszins bij haar positieven als sterke armen haar uit het water trekken en zij de stemmen hoort van drie mannen die ze zo goed kent, de stemmen van Sibbe, Bert bn ‘de vreemdeling’. Hij voegde zich bij de twee toen die de zeekant langs gingen, omdat ongerustheid toch ook hem naar buiten dreef. En ze hadden de roep gehoord, de schreeuw van een geteisterd mensenkind in uiterste nood. Willoos laat ze zich meevoeren en binnen brengen bij Inte, wier woning het dichtst bij is. Dan verdwijnt de vreemdeling en leggen zorgzame handen

146

haar weldra droog en schoon in het bed van Ede. Nog even slaat Marijtje de ogen op en noemt de namen van haar geliefden, dan zakt ze weg in een onbereikbare diepte. Het is een snelle afloop als der wateren. De dokter die uit zijn bed gebeld wordt, kan geen hoop geven aan de wakenden. Als de morgen aanbreekt worden de gordijnen in drie, vier woningen gesloten. De uren van spanning en uitputting en de val in het koude water zijn teveel geweest voor de vrouw, die zocht en niet vinden kon. Zij volgde de wisselende stemmen van haar hart en verdwaalde op de wegen van de liefde. Diep bewogen stonden haar verwanten om het doodsbed. Inte had haar met liefdevolle handen de ogen toegesloten en de handen gevouwen als in een woordeloos gebed. Ede was niet van haar zijde geweken. Bert zat verslagen en zichzelf pijnigend in een hoek. Sibbe kauwde op de punten van zijn snor. Brechtje barstte in snikken uit en Louwe vond dit keer geen woorden. Grubbelt en Hiltje waren zichtbaar ouder geworden en zochten troost bij elkaar en toen Kobus later binnenkwam had hij zijn plechtstatigheid verloren. Nog nooit was hij zo ontroerd geweest. ‘Hoe is het goud verdonkerd’, mompelde hij. De man die altijd wel woorden wist te vinden stond hier sprakeloos. Van hem werd verwacht dat hij zou troosten en hij kon het op dat moment niet. Hij zou moeten spreken bij de begrafenis, maar wat had hij hier en nu te zeggen, waar de vergankelijkheid van het leven zo luide riep. Het werd doodstil in de kamer, alleen het ruisen van de wind buiten werd gehoord. En toen bleek Inte, de zwakste van alien, de sterkste te zijn. Met zachte stem sprak zij van de onvergankelijkheid van de ware liefde. Liefde met een hoofdletter, de grootste kracht in het menselijk lijden en strijden, en niemand had een wederwoord.

Het leven gaat verder

Over wat Marijtje overkomen is, wordt veel in het dorp gesproken. Hoe heeft ze toch die val op de havendam kunnen maken? Dat het een ongeluk was maakte de wond aan haar slaap wel duidelijk. Ze hebben haar nog levend thuisgebracht. Daar was haar man ook bij. En ze laat twee van die knappe kereltjes na. Een hele slag voor Hiltje, die in een nacht grijs is geworden en

147

een hele taak ook. Inte is er die nacht nog uitgeweest en ligt nu zwaar ziek in de bedstee. Kobus van Hiltje en Grubbelt, snel overgekomen uit zijn nieuwe standplaats, zal de aanspraak houden. Wat zal hij te zeggen hebben? Er zijn immers mensen die zelfs de doden niet met rust laten. Boze tongen, die beweren dat er veel meer aan de hand was dan de nabestaanden zeggen. De kinderen hebben him dode moeder mogen zien. Hiltje had ze zelf bij het doodsbed gebracht en niet de kinderen hadden gehuild, maar Hiltje zelf was in wenen uitgebarsten. Toen eerst had haar smart verlichting gevonden in een milde tranenvloed. Grubbelt had hen weer teruggebracht in zijn huis. Hij is haar in deze droeve dagen een hele steun. Dat moet wel eens anders geweest zijn. De kinderen babbelen over him moeder die zo mooi en stil was, en koud. Ze hebben haar gezicht even mogen aanraken. Zo was moeder na een bibbertjesdag. Dat heeft Brechtje aan de buurvrouw verteld. Een hele slag voor haar die toch Marijtje’s moeder was, al was ze dan ook in het huis van de Muiter groot geworden. Zo geeft de dood stof tot veel gepraat, zolang als het duurt tenminste. Met drie dagen is het nieuws er wel af, of met vier. De begrafenis op die dag brengt velen op de been die de doodsbaar volgen. Ze komen uit de huizen waar achter de gesloten gordijnen de smart woont, maar ook uit vele andere woningen. Is het medeleven of nieuwsgierigheid, die zo velen op het eiland doet meegaan bij begrafenissen? Of is het wellicht beide? Wie zal het zeggen. Op het oude kerkhofis voor Marijtje een graf gedolven naast dat van Bessie die daar nu al jaren rust na haar leven van plichten. Ook zfj heeft een geheim mee in het graf genomen. Gebeurtenissen in haar jeugd in Gaasterland die grotendeels verborgen gebleven zijn. Zo is het ook met Marijtje, over wie veel gepraat en weinig echt geweten wordt. En welk mens draagt niet zijn verborgenheden mee tot in de groeve. We zien het, maar doorgronden’t niet. Bij het gaan naar de dodenakker, waar de iepen ruisen en de oude klok het ritme klept van sterven en vergaan, lopen Grub¬ belt en Bert vooraan, met Hiltje tussen hen in. Dan volgen Brechtje en Louwe en daarna alle andere familieleden. Vooraan de vrouwen, achteraan de mannen, en bij die laatsten liep ook een vreemdeling mee. Dat is niet zo’n wonder. Nu de dijken hun voltooiing naderen en Urk binnen afzienbare tijd geen eiland meer zal zijn, komen er meer mensen van buiten. En een ouderwetse Urker begrafenis meemaken, dat is toch een gebeurtenis

148

om eens mee te maken, nietwaar? De meeste aandacht van de begrafenisgangers, en ook van hen die verscholen achter de venstergordijnen de stoet zien voorbijgaan, gaat uit naar de mensen vooraan. Hoe diep is him rouw? Grubbelt houdt Hiltje’s elleboog vast en Louwe die van Brechtje, omdat de vrouwen haast niets kunnen zien door de zwarte rok die ze als een sluier over het hoofd geslagen hebben. Zwijgend lopen de velen mee. Zelfs de oude ome Lord, die ditmaal niet op sokken loopt maar op sandalen, Kiele de schoenmaker en zot Riekeltje die zwijgt vanwege de ernst en droefheid alom. In ordeloze rij gaan vrienden en vreemden naast elkaar. Bij het graf zien alien op naar de rijzige figuur van Kobus die zulk een treffende lijkrede hield en toch zo anders dan ze van hem verwacht hadden. Als Kobus zijn hoge hoed afneemt en de klokken zwijgen, spreekt hij tenslotte het ‘memento mori’ en roept hij tussen de doden de levenden tot bezinning. Allen die van’s levens rechte baan op de doolweg zijn vervallen, wijst hij het rechte pad. Dan wordt, wat niet zo vaak voorkomt, op de begraafplaats nog een psalmvers gezongen. Kobus zet in met krachtige stem. Eerst doen enkelen en dan velen mee en de woorden galmen over de zerken en daarachter de zee: ‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven, gelijk een bloem, die, op het veld verheven, wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer...’ en wat daar verder volgt in het achtste en negende vers van psalm 103. Als de wind de laatste woorden meegenomen heeft, geeft de doodgraver de klokluider een wenk en voor het laatst luiden de klokken en zet de stoet zich opnieuw in beweging. Met gebogen hoofden verlaten de verwanten het graf. Het leven gaat door en kent zijn plichten ten einde toe.

De vreemdeling keert terug naar zijn bureau, maar vooreerst wil de arbeid niet vlotten. Hij begraaft zijn hoofd in beide handen en vraagt zich afwat die leegte en doffe pijn in zijn innerlijk toch te betekenen mag hebben. Ach, zijn leven is ook maar een aaneenschakeling van groot verdriet en kleine vreugden tot nu toe. Voor de bittere teleurstelling in zijn huwelijk had hij een tegenwicht gezocht in de frisse opgewekte vriendschap van dat Urkerinnetje, totdat hij, om niet alles te bederven had moeten afhouden om het niet alleen voor zichzelf, maar ook voor Marijtje, nog moeilijker te maken. En wie had kunnen bevroeden dat het zo zou aflopen. Spelen met de liefde moet wel op verliezen uitlopen, beseft hij achteraf. Hij moet heul zoeken in zijn werk, zijn strijd

149

20. Ansjoviszouterij aan de haven.

21. Op degrens van twee werelden.

URK, DORPSGEZICHT
150

tegen het water, en dat gaat binnenkort bekroond worden met een prachtig resultaat, nieuw land in een oude zee. Dan krijgt ook het eiland expansiemogelijkheden, het eiland dat nu voorgoed gevrijwaard is van het gevaar nog eens door de zee verzwolgen te worden. Jammer toch van die fijne meid, fee van de zee. Nooit meer zal hij in weer en wind die bloeiende figuur in haar fleurige dracht zien aanwieken. Trouw was ze geweest tot het laatst. Had hij haar maar eerder, veel eerder leren kennen. Nu is er alleen de herinnering die pijn doet. Een trieste glimlach trekt over zijn intelligent gezicht. Hij heeft gezocht wat hem niet toekwam en de rekening gepresenteerd gekregen. Dat zal hij nooit meer kunnen vergeten en goed te maken valt er al helemaal niets. Hij staat op voor een inspectietocht langs het water; binnen wordt het hem te benauwd. Weg met al die lastige gedachten. Het werk wacht als een remedie.

Bert is op weg naar zijn werk in Den Haag. Op de boot en in de trein heeft hij tijd voor het nadenken over alles wat zich in zo korte tijd heeft afgespeeld, over de wending die zijn leven zo onverwacht genomen heeft. Marijtje was voor hem een moeilijke vrouw, maar hij voor haar ook een moeilijke man, beseft hij nu. En ja, waarom had zij hem zo snel getrouwd? Hij had zelf toch veel beter moeten opletten en meer tijd moeten nemen om haar te leren kennen. Hij was voor haar niet het geneesmiddel geweest tegen een kwellende kwaal. Och, en wat hadden ze toch ook nog veel goede uren en dagen gehad. Wat hadden de kinderen hem blij begroet en toch was hij nooit zo royaal met zijn vaderlijke gevoelens voor hen geweest. Hoe het nu verder moet? ’t Is goed dat de kinderen nog zolang op het eiland kunnen blijven. Die zijn bij de familie en vooral bij die rechtvaardige Ede in goede handen. En Marijtje, die zal hij nooit meer kunnen ver¬ geten in haar ups en downs. Dat zij hem in haar bijna-bewusteloosheid kende, haar hand nog even uitstak en ‘Bert’ tegen hem zei. Bert! Het neemt de pijn niet weg, maar toch...

Hier zou het verhaal afgesloten kunnen worden, maar het leven gaat door. Nooit is er een echt einde. Ze leefden nog lang en gelukkig, past alleen in de sprookjeswereld. Er zouden voor de mensen in deze roman nog zowel goede als minder mooie dagen aanbreken, want zo is het leven. De kracht van de lieve en wijze Inte, die zoveel in haar leven geleden had, was na de laatste

151

krachtsinspanning, toen ze zo hartstochtelijk aan Marijtje geroepen had, voorgoed gebroken. Ze overleed, geeerd en bemind, niet lang na die dramatische nacht.

Ede, die haar jaren lang zo liefderijk verzorgd had, hoefde niet om werk te zoeken, haar werd de opvoeding van de tweeling toevertrouwd en ook daaraan wijdde ze zich met heel haar hart. Ede, het kind dat niet gewenst was en dat zo goed was geweest voor haar moeder, die tenslotte aan de gevreesde ziekte was overleden. Ede, die de man die haar vader was geworden altijd een goed hart had toegedragen en voor de man die haar werkelijke vader was geen verachting had gekoesterd. Ede, die toch door haar ongewenste geboorte geremd was in haar ontwikkeling en die de jongens, die wel eens een oogje op haar hadden, in niets tegemoet gekomen was. Ede, die veel van de wijsheid en tact van tutte Inte had geerfd en die op haar beurt weer verspreidde in haar omgeving. Ede, die ook haar verlangens had. Met veel inzet zorgde zij voor de tweeling en hield van hun vorderingen de va¬ der trouw op de hoogte. Als de feestdagen aanbraken en de Urker boten vol zaten met Urkers en oud-Urkers die dan op het eiland wilden zijn, was daar Bert ook van de partij en zo leerden een man en een vrouw, elk met zowel goede alsook bittere ervaringen, elkaar beter kennen. Na een lange tijd van voorbereiding kwam het tussen hen tot een goed huwelijk, tot grote vreugde van de tweeling die met graagte hun verzorgster moeder noemden.

Op Grubbelt en Hiltje gingen de jaren drukken. Over him kinderen en kleinkinderen hoefden zij geen zorgen te hebben, die vonden hun weg in het leven. Hiltje sloot de winkel en Grubbelt rondde zijn zaken af. Sibbe, die er het varen aan gegeven had toen Ester stierf, kwam nog vaak bij hen op bezoek om oude herinneringen op te halen. Dat Hiltje hem aan zijn vrouw had geholpen was geen vloek maar een zegen geweest, het had hem op den duur alle rancune doen vergeten, en ook wat hij lang voor zich alleen gehouden had, kan hij er in het schemeruurtje wel kwijt. Hij praat graag over zijn overleden vrouw. Kort na het zo tragische sterven van Marijtje was hij Hiltje komen troosten en dat op zijn manier. Hij was vlak bij haar komen zitten en was begonnen te zeggen dat hij geen vleet bijbelteksten uit het blote hoofd kende, maar toch, de vrouwe moest

152

met teveel peinzen over de val van haar liefste kleindochter. Je had haar eens moeten zien, zoals ik haar gezien heb in die grote stad. Dat weet de vrouwe zo niet, maar ik weet het nog als de dag van gisteren, dat Ester mij voor het eerst dat knobbeltje in haar borst liet zien. Dat was wreed, vrouwe, heel wreed. Ik wist direct al dat het die boze ziekte was, maar ik liet haar in onwetendheid, ik had er zelfal angsten genoeg over. Zo doen wij toch, Hiltje? Toen heb ik niet gerust en mijn spaarduiten voor de dag gehaald, die ik had weggelegd voor mijn begrafenis. Ik dacht, dat geld is beter besteed aan een levende dan aan een dooie, en ik ging met Ester een aantal dokters langs. Toen kwam ik ook in de stad van Marijtje en toen hebben wij haar liefde leren kennen. Ester kwam bij de allerbeste dokter in het ziekenhuis om het kwaad nog zoveel mogelijk weg te halen. In het begin leek alles goed te gaan. De zustertjes waren lief voor haar. Zo vlug als meeuwen fladderden ze door de zaal, maar op de dag dat Ester mocht vertrekken, konden ze toch haar hulleke niet naar haar zin opzetten. Haar eigen armen waren stijfvan de operatie en ze was zo krek op dat punt en dat speet iedereen. Maar opeens, daar kwam Marijtje aangestapt als een klinkklare dame en ze zette Ester de hulle op zoals die het graag wou hebben. Ze nam ons toen eerst mee naar haar huis en daar heeft het ons aan niets ontbroken. Ze kon precies raden wat wij nodig hadden, een schat van een meid die Marijtje. ‘En, Hiltje, dat had ze toch compleet zo van joe elaard. Je moet niet treuren, vrouwe, Marijtje’s taak zat erop. As een mins dat maar laart verstoon.’ Zo’n bezoek van Sibbe doet grotemoeder goed. En wat hebben hij en Ester him kinderen goed opgevoed. Ook in Ede heeft ze geen wanklanken ontdekt. Sibbe bracht het meisje geen brutaliteit jegens haar en Grubbelt bij. Zelfheeft zij met de afkomst van het meisje meer dan eens grote moeite gehad, maar daar is zij nu gelukkig helemaal overheen. Alleen op Grubbelt rust toch nog altijd een zware verplichting en die moet hij nu, na de dood van Marijtje, maar eens gaan uitvoeren. Op een avond, als hij net weer 1 Korinthen 13 gelezen heeft en de bijbel sluit met de woorden: ‘doch de meeste van deze is de liefde’, wrijft grotemoeder bedachtzaam met haar wijsvinger langs de neus, poetst haar brilleglazen schoon, kucht, en zegt: ‘Grubbelt, wiet je wel dat er nog een plicht op je rust?’ En dan komt Hiltje met de opdracht dat Grubbelt maar eens serieus met Ede moet gaan praten over verleden en toekomst. Hij staart

153

haar onthutst aan. Het is iets dat hij zelf wel eens overwogen heeft, maar als al te pijnlijk steeds maar voor zich heeft uitgeschoven. Nu zal het dan moeten zijn, als Hiltje dat zo pertinent wil. Aan haar vastberaden trek ziet hij dat tegenstribbelen niet zal helpen. Vrouwen, als die ook wat in de kop hebben... ‘Ga nou maar’, dringt ze aan, en Grubbelt, zijn verzet opgevend, knoopt zijn wollen sefuutjen steviger om de hals en gaat op weg voor een van de moeilijkste opdrachten uit zijn leven. Een misstap belijden op je oude dag en de gevolgen onder ogen zien erbij, maar dat valt niet mee. Hij drukt vanwege de wind zijn karpoes ste¬ viger op het grijze haar en stapt naar de woning van Inte zaliger, waar Ede voor de kinderen zorgt en met naaien en breien verder poogt aan de kost te komen. Hij klopt op de deur voor hij binnentreedt. Het potkacheltje snort en een vredig lamplicht valt over de vrouw die aan tafel zit met haar naaiwerk. Ze lijkt eenzaam maar niet ongelukkig en kijkt bevreemd op bij dit ongewone bezoek. Rustig wacht ze af wat het zal inhouden en als hij blijft zwijgen, staat ze op om hem een kopje koffie in te schenken en zegt wat over het gure weer. Dan informeert hij naar de kin¬ deren en schuift wat onrustig heen en weer in de oude kraakstoel en weer valt een stilte. Dan neemt Ede zelf het initiatief door te vragen: ‘Wat brengt je hier in dit weer nog zo laat naar toe, baas? Het is toch met Hiltje wel in orde?’ Ja, met die is het in orde, en hij komt hier, hij komt hier, om wat van vroeger recht te zetten. Ede wendt de blik af en buigt zich over het potkachel¬ tje om het vuur nog wat op te rakelen en Grubbelt raapt al zijn moed bijeen: ‘Kind, ik moet er’s mit je praoten...’ Ede zwijgt, maar er tintelt wat in haar ogen. Grubbelt zit met zijn gat voor’t blok. Laat hij er maar mee op de proppen komen. ‘Nou’, zegt ze, ‘biecht dan maar op wat je op je ouwe hart hebt.’ Ze lachen allebei en dan is het ijs gebroken, hoewel, het blijft moeilijk: “Wiet je wel, Ede, wiet je wel dat ik en je moeder, dat wij, dat jie...’ Dan laat ze de man niet langer tobben en zegt resoluut: ‘Stille maar, ik wiet het wel, daor het pake wel vor ezurgd. Ik wiet wie ik bin, en ik wiet ok wie jie binnen, m’n echte taote’. Met haar jeugdige overmoed heeft ze de ban gebroken, nee, hard valt ze hem niet. ‘Je hewwen wat eut ericht, baos, maar een vader heaw ik niet emist. Sibbe is er iene eut duzend.’ Het treft Grubbelt toch wel enigermate. Hij is zelf schromelijk tekort geschoten. Ede vervolgt met te zeggen, dat die geschiedenis in haar omgang met anderen soms toch wel pijnlijk voor haar is geweest, maar dat ze

154

hem geen kwaad hart toedraagt. ’Bin je daoromme zo voorzichtig mit het kiezen van een man?’ waagt Grubbelt op te merken. Het is de spijker op de kop. Ede kleurt en geeft het hem vriendelijk toe, maar ze vervolgt: ‘Ook dat, maar ze binnen ok voorzichtig mit het kiezen van mij’. En dat treft weer Grubbelt. Hij smoort zwijgend zijn pijp als zij zijn ogen voor veel dingen opent. Die wijsheid moet ze wel van haar moeder hebben. Hijzelf veroorzaakte alleen maar problemen, maar nu zal hij alles nog zoveel mogelijk goed maken. Ede mag niet onder zijn wangedrag blijven lijden. Hij zegt: ‘Ede, kind, jie hewwen net zovuul rechten as m’n angere kiengeren, en daor zal ik vor zurgen ok. Koem murgen in m’n kantoor, dan zal ik de zaak beschreven’. En zo groeit het wederzijds begrip en een gevoel van genegenheid. Hier spreken vader en dochter elkaar. Dan staat hij op en zoekt zijn klompen in het achterhuis en trekt de deur met een hartelijk ‘genacht dan maar Ede’ achter zich dicht. Zij heeft hem bijgelicht met het olielampje. Ze zet zich weer aan de tafel en steunt het hoofd in de handen: Wat is er veel om over na te denken. Grubbelt ziet op naar boven, een donkere wolk heeft een gouden rand gekregen. Voor het eerst in meer dan twintig jaren beziet hij de wereld met andere ogen. Er kan nog wat goed gemaakt worden. Hiltje is tevreden als hij in zijn woning terugkeert. Nu voor Marijtje niets meer te doen is, zal haar zorg des te meer uitgaan naar haar vriendin Ede, en deze waardeert dat ten voile. Ook zij troost grotemoeder door haar te vertellen welk een vriendschap zij, Ede, van Marijtje ontvangen heeft en hoe die zich vaak in het goedwillende hart heeft laten zien. En daar komt in het jaar daarop de mededeling van Ede bij dat Bert haar gevraagd heeft om samen met hem de jongetjes groot te brengen en ze weer een moeder te geven, en dat zij daar ernstig over denkt. En ook Bert zelfkomt het vertellen. Grubbelt spot: ‘Sjonge jonge, daarom kwam je de laatste tijd zo vaak op Urk’. ‘Ja’, bekent hij openhartig. ‘Ze lijkt mij het waard Marijtje’s plaats in te nemen, en ik’, voegt hij er aarzelend aan toe, ‘ik denk ook wel het een en ander geleerd te hebben.’ Het valt bij de oude mensen in goede aarde en zij verheugen zich als Ede hem hetjawoord heeft gegeven.

Op de avond voor het huwelijk zitten de oudjes stilletjes bijeen. ‘Het zal stille worren in oens heus, ouwe’, zegt Hiltje. Hij knikt

155

zwijgend. Dan staat zij beslist op. Ze heeft dingen aan het hoofd waarover ze met die man toch niet praten kan. Ze gaat naar het kabinet als ze Ede ziet binnenkomen. Daarin ligt in een groot pakket Marijtje’s trouwkostuum. Grubbelt heeft er een envelop opgelegd met daarin dezelfde bruidsschat die hij ook zijn andere kinderen bij hun trouwen gegeven heeft. Hiltje wenkt de jonge vrouw en laat haar pak en briefuit de kast pakken, terwijl Grubbelt stilletjes de kamer verlaat. Hij gaat in de huisdeur staan en kijkt naar de klare avondhemel. De rook van zijn pijp kronkelt naar boven, terwijl hij mompelt: ‘In het leven van een vrouw komen momenten voor, dat engelen bij het aanschouwen daarvan him schoeisel uitdoen en barrevoets gaan, en wat moet ik daar dan bij doen op mijn gestopte zwarte kousen?’ Hij vangt niettemin Harden op van een gesprek: Besmeur dit pak niet... vergeet daor ginder ook het goede van dit land niet... houw je aan de goede zeden... Het zijn de vermaningen van Hiltje en dan ook de antwoorden van Ede: Ze weet dat aan het trouwkostuum plichten hangen en ze heeft geleerd hoe het hoort. Ze zal de lessen van Inte nooit vergeten... Dat moet wel het einde zijn. Grubbelt keert in de kamer terug en hoort de bruid nog zeggen: ‘Allien al omjoe zal ik het doen’ en ze geeft Hiltje een kus op elke wang. Als Ede vertrokken is, gaan zij beiden nog een kleine wandeling maken voor het slapen. Ze gaan om de vuurtoren en langs het kerkhof waar hun geliefde doden rusten. Ze zien hoe ver de dijk zich al in noordelijke richting uitstrekt: De oude tijd is haast voorbij. Ineens vraagt Hiltje: ‘Zeen Ede nog wat tugen je, toen ze wegging?’ Hij glimlacht. Wat is zijn vrouw weer nieuwsgierig, maar zij, zij wil het weten en dan zegt hij langzaam: ‘Ze zeen: dag taote, pas goed op je ouwe mins’.

In het wijkend licht kuieren die twee weer op huis aan. Nu weten zij zich veilig bij Hem die de wind laat gaan waarheen Hij wil, die de golven gebiedt en zij worden stil, die tot het onrustige mensenhart spreekt van vrede.

156

Toen A. Olofsen-Korf, Urkse van geboorte, in 1963 in Amster¬ dam overleed, had zij een roman op haar naam staan, ‘Snibbetje’, waarvan de Stichting Urker Uitgaven in 1983 een derde, gei'llustreerde druk verzorgde. Bovendien liet de schrijfster nog uitgewerkt materiaal na voor twee romans, evenals ‘Snibbetje’ spelend op het eiland dat haar liefwas. De genoemde stichting verwierf het manuscript, maar het bleek als zodanig niet geschikt voor uitgave. Toen maakte Tromp de Vries het eerste deel daarvoor klaar en dat verscheen in 1989 onder de titel ‘Het Ontwijde Huis’. Het speelt op Urk in dejaren twintig. Met ‘De Stem van het Hart’, is nu het tweede deel uitgekomen, dat geplaatst kan worden in de jaren dertig. De bewerking vroeg van De Vries een heel eigen inbreng. Sommige namen en situaties zullen oudere Urker lezers niet onbekend voorkomen, maar dezen dienen te bedenken, dat het verhaal toch een onontwarbare mengeling is van feiten en fictie. Als dialect gebruikt is, werd meer gedacht aan de leesbaarheid dan aan een zuivere weergave. Oude illustraties bepalen mede de sfeer, maar staan los van de tekst.

Ze werden beschikbaar gesteld door onder meer Klaas de Vries en Albert van Urk. Femmy van Urk-Hoefnagel verzorgde het typewerk. De voorplaat is een afdruk van het schilderij van Willemina van Peere: ‘Urker vrouw met brief, dat te zien is in het Urker mu¬ seum.

T. de Vries.

157

Verantwoording van de illustraties

Coll. K. de Vries: de nrs. 1, 4, 5, 6, 7, 10, 13, 20 Coll. A. van Urk: de nrs. 2, 3, 12, 14, 16, 17, 18, 19 Frans Walkate ArchiefKampen: de nrs. 8, 11 Coll. G. Wakker: de nrs. 9, 11, 21 T. de Vries: nr. 15

158
J