Obadja's gangen op Urk

Page 1

’s gangen over Urk De ge&hiedenis van de hervormde jongelingsvereniging (1930-1943) lafTmjfmkJMiTtM/A

Obadja’s gangen over Urk

Obadja 9s gangen over Urk

De geschiedenis van de hervormde jongelingsvereniging (1930-1943)

Een uitgave van de IJsselakademie in samenwerking met Stichting Urker Uitgaven Kampen, 1994

Freek Pereboom

Deze publikatie kwam mede tot stand dankzij financiele bijdragen van de Kerkvoogdij en de Diaconie van de hervormde gemeente van Urk.

Publikaties van de LJsselakademie nr. 83

© IJsselakademie Kampen 1994

ISBN 90-6697-071-5

Vormgeving: Bert van het Ende Druk: Krips Repro, Meppel

Foto ’s omslag: Luchtfoto: KLM -foto gebouw Obadja: kollektie Wakker

Niets uit deze uitgave mag worden verveeivoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schrilfelijke toestemming van de uitgever.

Pereboom, Freek

Obadja’s gangen over Urk : de geschiedenis van de hervormde jongelingsvereniging (1930-1943) / Freek Pereboom. Kampen : LJsselakademie ; nr. 83)

Met lit. opg ISBN 90-6697-071-5

Tretw.: Obadja (jongerenorganisatie) ; Urk ; geschiedenis ; 1930-1943.

CIP-GEGEVENS KONINKLUKE BIBLIOTHEEK DEN HAAG

Inhoudsopgave

De plaats van Obadja.9

De binnenkomst .9 Obadja’s nalatenschap en waarom ik de executeur-testamentair werd 11 Obadja de eerste.14 Obadja’s herverschijning .17 De band tussen het Nederlands Jongelingsverbond en Obadja.21 Armoe troef .25

Het reilen en zeilen van de vereniging.31 Het bestuur en de commissie van toezicht.31 De opkomst van leden en bezoekers.34 Belangstelling van ouderlingen, predikanten en godsdienstonderwijzers . . 37 De bibliotheek.41 Het harmonium en de katheder.43 De weerslag van de Duitse bezetting .45 Waarom men ophield met het maken van notulen .59

De jaarvergaderingen .51

De uitvoeringen in de eerste jaren .51 De echo van Obadja’s faam in De Oprechte Urker.53 Hoe de griep bijna spelbreker werd, maar een griezelig verhaal redding bracht .55 Herinneringen aan mooie uitvoeringen .57 De bezettingsjaren.63

De avonden.65 De lofzangen.65 De bijbelse inleidingen.69 Wat een inleiding moest zijn .69 Hoe de inleidingen in de notulen vastgelegd zijn.71 Discussie en kritiek .75 De opstellen .77 De bezinning op het onderwerp .77 De opstellen naar rubrieken ingedeeld 78 De rubrieken.79

Kerkgeschiedenis .80 Vaderlandse geschiedenis .80

Inhoud
5

De bijbel.82 Dogmatiek .83 Geloofs- en ethische vragen .84 Eigentijdse problemen 86 Literatuur.87

Het werk van de eigen vereniging en de geschiedenis van het Nederlands Jongelingsverbond .88 De manier waarop de Obadjanen him onderwerp behandelden .88 De specialisten.90 Willem Schraal .91 De voordrachten .93 De voorbereiding .93 De notering in de notulenschriften .93 De voordrachten naar thema ingedeeld.95 De thema’s 96 Op de bijbel geinspireerd .96 Door het geloofgeinspireerd .97 Geloofbelijdend .98 De protestantse identiteit.99 Het besef van vergankelijkheid 100 Ellende, armoede en dood 101 Luim 102 Techniek, natuur. 103 Historische gebeurtenissen. 103 Proza . 104 Ouderen en jongeren . 106 De trompet van lofen de pijler van kritiek . 107 - Over enkele voordragers en hun wijze van voordragen . 110 De vragenbus . Ill De rondvraag . 114

Samenvatting . 117 lK ZAL JELUIERS IN- EN EUTGANG BEWAOREN . 119 Dankzegging. 124

Bronnen . 126 Bijlagen. 132

De bijbelse inleidingen. 132 De opstellen . 135

Obadja ’s gangen ...
6

De voordrachten. 139

Fotoverantwoording . 142

Over de auteur. 143

Inhoud
7
Obadja’s gangen ... 8

De plaats van Obadja

De binnenkomst

Het is haiverwege de jaren dertig. Als in een droom zie ik het voor me: het kleine gebouw met zijn piramidedakje, naast de hervormde pastorie aan de Prins Hendrikstraat. Eben Haezer heet het in de ambtelijke stukken. Wij Urkers kennen het evenwel niet anders dan Obadja, aldus door de volksmond vemoemd naar de voormalige jongelingsvereniging die daar vergaderde, en naar die welke er tegenwoordig op zondagavond bijeenkomt. Terwijl ik dichterbij kom, bedenk ik dat de volksmond met deze naamsverwisseling weer eens blijk heeft gegeven over een goed gevoel voor humor te beschikken. Immers, het gebouwtje is het kleinste vergaderlokaal van Urk en de daar samenkomende jongelingen weten zich voor het merendeel verbonden met het minst omvangrijke kerkgenootschap van het dorp. Bovendien is Obadja de naam van een van de zogenaamde kleine profeten, wiens getuigenis is vastgelegd in wat het dunste bijbelboek is. En tenslotte heet ook de godvrezende knecht van koning Achab zo. Hij behoorde tot de minderheid die in Israel Jahweh trouw bleef tegenover een meerderheid van afvalligen. Naar wie van de twee de vereniging gene ;md is, weet ik niet.

Haastig leg ik de laatste meters naar de ingang af, die zich aan de noordkant van het gebouwtje bevindt. Het lijkt wel alsof hij weggemoffeld is in de hoek tussen de pastorie en het rijtje huisjes, dat hier schijnbaar achteloos pal naast het kerkplein is neergezet. Dat de ingang daar is en niet aan de zijde van het kerkplein waar je hem eigenlijk verwachten zou heeft het ontegenzeggelijke voordeel dat de bezoekers in de luwte naar binnen kunnen gaan. Met een sprongetje sta ik op de bovenste van de twee treden tellende stoep en doe de deur open. Ik ben nu in een portaaltje, waar een rijtje klompen staat. Links is de deur die toegang geeft tot de plek waar ik moet zijn. Geroezemoes van stemmen hoor ik niet, zodat ik aanneem dat de vergadering inmiddels aan de gang is.

Door niemand opgemerkt stap ik het lokaaltje binnen en doe stilletjes de deur achter me dicht. Ik kijk rond en snel neem ik alles in mij op. Recht voor me, aan de oostelijke muur, zie ik een plank met een rijke sortering hoofddeksels. Aan de rij haken daaronder hangen jassen. Even naar rechts staan twee boekenkasten met schuifdeuren. Daarvoor ontwaar ik een aantal banken, waarop ik in de gauwigheid zo’n veertig jongelieden tel. Zij kijken in de richting van de westelijke

De
plaats van Obadja
9

muur. Voor de banken staat een tafel waaraan vier personen zitten, zonder twijfel de leden van het bestuur.

In de zuidelijke muur bevinden zich twee ramen, die uitzien op de kerk. Daartussenin is een deur, die alleen door de predikant gebruikt wordt om snel in het lokaaltje te komen. In de hoek bij het rechterraam staat een harmonium. Aan de wand achter de bestuurstafel hangt een grote kaart van het oude Israel en de omringende rijken. Naast de tafel, aan de kant van het halletje, is een katheder opgesteld, die nogal fors is uitgevallen. Goed beschouwd is hij te groot voor deze ruimte van zes bij vijf meter. Ik heb horen zeggen dat de Obadjanen hem de stuurkast noemen. Achter het spreekgestoelte is een jongmens met een gespannen gezicht bezig aan zijn inleiding over een tekst uit het Oude Testament. Zijn uitspraak van het Nederlands heeft de onmiskenbare Urker klank; het klinkt mij als muziek in de oren.

Aan de muur achter de spreker springt een ronde wandschildering in het oog, voorstellende de opgaande Zon van de Hoop, omkranst door een aantal dikke stralen. De grote ongelijkmatige letters van het randschrift vormen de woorden: JEZUS LEEFT. He, zie ik het goed? Jazeker, de ronding van de beschildering is bepaald geen volmaakte cirkel! Een eindje naar rechts staat de zwarte potkachel, waarin een kolenvuur gezellig knettert. In de hoek zie ik de kist waarin de voorraad steenkool en aanmaakturf bewaard wordt.

Er branden maar enkele lampen; eenvoudige witte metalen plaatjes die het licht van het peertje weerkaatsen. Hoewel de verlichting beslist niet overvloedig te noemen is, zal niemand daarover klagen, want alien kennen de ongemakken van de olielampen thuis en waarderen de pas verworven elektriciteit als een weelde. Het lokaaltje heeft geen plafond. In de duistemis boven de lampen onderscheid ik met moeite het dakbeschot en de fraaie balkenconstructie.

Ik kijk nog eens naar de jongelingen op de banken. Een aantal van hen is in Urker dracht gestoken. De anderen dragen de kleding die in deze dagen gewoon is: een wit overhemd met stropdas en daarboven een los boordje. De meesten hebben kortgeknipt haar met een kuifje in het midden. De gezichten staan aandachtig en lijken uit te drukken, dat de hier vergaderde jongelingschap zich de zwaarte der tijden ten voile bewust is.

Ik ga op de hoek van de achterste bank zitten. Nu word ik me ervan bewust dat het huishouden van mijn gemoed volkomen overhoop ligt. Het is een janboel van tegen elkaar strijdende gevoelens: de blijheid over het zien van zoveel vrienden en de spanning over wat en wie ik vanavond horen zal. Maar ik voel ook verdriet, omdat ik nu al weet dat hij, die mij van de aanwezigen het meest na staat, er niet meer zal zijn als ik ooit mijn belevenissen van deze avond op zal schrijven. Ondanks mijn verwarring dringen de geluiden uit de omgeving wel tot mij door, en gaandeweg begin ik te beseffen dat ik het vanavond bijzonder tref. Immers,

10

de sfeer die toch al knus is, wordt nog intiemer doordat buiten een krachtige herfstwind waait. Regelmatig kwakt hij handenvol regendruppels tegen de ramen. Ook vangt mijn oor het geloei op van de wind in de iepen rondom het kerkhof. En daarbij voegt zich nog een klank: het geraas van de golven, die op een steenworp afstand van onze vergaderplaats tegen de aloude keileemveste stormlopen. Zoetjesaan slaag ik erin mij te ontspannen. Hier voel ik mij thuis. Het is goed zo en ik ben er klaar voor om de indrukken die ik deze avond op zal doen voorgoed in mijn geheugen vast te leggen.

In dit boek schets ik een beeld van het reilen en zeilen van de Urker hervormde jongelingsvereniging Obadja. Het beslaat de periode van 26 oktober 1930 de dag waarop de vereniging werd opgericht tot 18 april 1943, de datum van de laatste vergadering waarvan een verslag is gemaakt.

In het eerste hoofdstuk beschrijf ik de oprichting, de verhouding tussen Obadja en het Nederlands Jongelingsverbond(N.J.V.), en de financiele toestand. In het volgende komen de betrokkenheid van leden en bezoekers, de belangstelling van ambtsdragers, en zaken die de vereniging aangingen aan de orde. De jaarvergaderingen vormen het onderwerp van hoofdstuk drie. Daarna behandel ik het verloop van de bijeenkomsten, die in het herfst- en winterseizoen wekelijks op zondagavond tussen half acht en ongeveer half tien in het gebouwtje Eben Haezer gehouden werden. Ik eindig mijn gang door de geschiedenis van Obadja met een verhaaltje in het Urker dialect, waarin ik beschrijf hoe ik de vergadering verlaat. Zo heb ik geprobeerd de cirkel te sluiten, die door mijn vertrek op vijljarige leeftijd naar het blindeninstituut verbroken was, en schrijf ik mijzelf terug in een wereld die ik noodgedwongen moest verlaten. Aan het einde van het boek vermeld ik per paragraaf de door mij geraadpleegde bronnen. Ik verwijs niet naar de notulenschriften, omdat het gebruik daarvan uit de tekst genoegzaam blijkt.

De avonden hadden een vast patroon. Het gaat om de volgende agendapunten: het zingen van een of meer coupletten van een psalm of gezang; vanaf 1933 een lied uit de bundel van het Nederlands Jongelingsverbond een kort gebed, meestal door de voorzitter uitgesproken het oplezen van de notulen van de vorige bijeenkomst voorlezing door de inleider van het gedeelte uit de bijbel waarop zijn inleiding betrekking heeft

De
Obadja’s nalatenschap en waarom ik de executeur-testamentair WERD
11

de bijbelse inleiding discussie over de zojuist gehoorde inleiding een korte pauze; door de penningmeester werd deze tijd benut om van de leden de contributie en van de bezoekers een vrije gift te innen het zingen van een couplet uit een psalm, gezang of lied uit de eerder genoemde bundel

- het voorlezen door de opstelmaker van zijn werkstuk gedachtenwisseling over het opstel het voordragen van een gedicht of stukje proza beantwoording van een vraag uit de vragenbus, als de tijd dit toeliet de rondvraag het zingen van het slotlied het dankgebed, doorgaans door de voorzitter, soms door een ander bestuurslid verwoord

- de sluiting van de vergadering, waarbij de namen van de inleider, opstelmaker en voordrager voor de volgende bijeenkomst genoteerd werden, alsmede het aantal leden en bezoekers dat de avond had bijgewoond.

Het is al met al niet veel wat de hoeders over de archieven en boeken van Obadja ons hebben nagelaten: drie notulenschriften, een bijbels handboek en twee toneelstukken die op jaarvergaderingen zijn opgevoerd.

De notulenschriften beslaan de perioden van 26 oktober 1930 tot en met 29 maart 1931, 1 november 1931 tot en met 22 januari 1933, en 20 oktober 1940 tot en met 18 april 1943.* In het derde notulenschrift ontbreken overigens de verslagen uit de tijd tussen 29 november 1942 en 21 februari 1943.

Hoewel het jammer is dat de notulenschriften uit de tussenliggende jaren verloren zijn gegaan, biedt deze omstandigheid het voordeel dat de tijdvakken 1930-1933 en 1940-1943 goed met elkaar vergeleken kunnen worden. Zodoende is het mogelijk een indruk te krijgen van de verandering van sfeer en stemming in Obadja.

Bij mijn onderzoek heb ik jammer genoeg pas in een laat stadium gebruik kunnen maken van het eerste notulenschrift. Dit kwam namelijk boven water toen oud-lid Leendert Brouwer op mijn verzoek in zijn voorraad textieldozen met vergeelde aantekeningen ging vissen naar het op Urk zo bekend geworden toneelstuk Verdreven. Op dat ogenblik had ik mijn manuscript op een haar na af. Waar dat mogelijk was heb ik de gegevens uit dit notulenschrift alsnog verwerkt.

* De door mij op bladzijde 99 van het boekje Het Kerkje aan de Zee en zijn kerkgangers genoemde dag van 18 maart 1943 als laatst genotuleerde vergaderdatum is dus verkeerd.

...
Obadja’s gangen
12

Het was kostelijk kennis te nemen van al die verslagen. Kostelijk vanwege de vaak onbeholpen zinsbouw en het woordgebruik, dat zo kenmerkend lijkt voor de geschreven taal van die dagen. Koesterend ook om het eens op zijn Urks te zeggen - omdat vreemde woorden maar hoogst zelden ongeschonden op het papier kwamen. Zo verliep een geanimeerde discussie doorgaans geamuneerd, terwijl crisis tot criessus en illustratie tot eluistratie konden uitgroeien. En dat de notulen vaak onverhandert werden vastgesteld en de pauze werd beheindigt spreekt welhaast zo vanzelf, dat ik het eigenlijk niet eens hoef te vertellen. Om de oorspronkelijkheid van de notulen volledig tot haar recht te laten komen, heb ik in de citaten de taal- en schrijffouten onveranderd overgenomen. Daar waar ik omwille van de leesbaarheid een letter heb toegevoegd of gewijzigd, heb ik haken geplaatst.

Maar behalve kostelijke lectuur betekenen de notulenschriften voor mij toch in de eerste plaats drie dierbare kleinoden. De verslagen van november 1931 tot en metjanuari 1933 zijn namelijk van de hand van de toen nog jonge secretaris Jan Pereboom, mijn vader. In de periode waarop het laatste schrift betrekking heeft, bekleedde hij het voorzitterschap van de vereniging en dit is de tijd waarin ik geboren werd.

In het begin stand mijn onderzoek vooral in het teken van rouw over de dood van mijn vader. Kort voor zijn overlijden op 3 juli 1986 kreeg hij het tweede en derde notulenschrift in handen. Hij deed er wat lacherig over en volgens hem was de inhoud niet veel bijzonders. Ik zegde hem toe kennis van de schriften te zullen nemen en te proberen er iets over te schrijven. Het staat me nog voor ogen hoe in het najaar van 1986 Harry Stalknecht destijds bij mij als vrijwilliger werkzaam in een verloren uurtje uit de notulen¬ schriften begon voor te lezen. De zon scheen laag in onze werkkamer in het Pesthuis aan de Vloeddijk in Kampen. De herfstsfeer paste volkomen bij mijn gevoel van droefheid. Al luisterend werd het mij in zekere zin te moede als de rijke man uit de bekende gelijkenis. Vanuit de hel ziet hij hoe in de hemel de arme Lazarus lieflijk op Abrahams schoot zit Hij smeekt Abraham om hulp, maar deze roept hem toe dat de smalle kloof tussen hen beiden niet te overbruggen is. De echo’s die ik opving kwamen eveneens uit een wereld, die voor altijd onbereikbaar was geworden! En hoe graag ook had ik vader niet willen toeroepen hoe bijzonder ik die verslagen van zijn Obadja vond!

Pas na verloop van enkele jaren kwam ik er aan toe het onderzoek werkelijk ter hand te nemen. Dit bracht mij in contact met oud-leden van Obadja, met kenners van de cultuur van jongelingsverenigingen en met medewerkers van allerlei archieven en bibliotheken.

De
13

Enkele oudgedienden schreven mij uitvoerig over hun herinneringen aan het verenigingsleven; met anderen voerde ik gesprekken. Hun getuigenissen zijn ruimschoots in de tekst verwerkt. Dankzij de hulp van velen kon ik toch ongedacht ver doordringen in de wondere wereld van Obadja Door hun medewerking en enthousiasme werd het onder/oek voor mij uiteindelijk een aangename en spannende tocht door het land van heugenis. Wat dit boek aan goeds bevat is vooral te danken aan de inzet van mijn bereidwilhge helpers. Hun namen staan achterin opgesomd.

Obadja de eerste

De jongelingsvereniging Obadja heeft een voorganger gehad. Dit blijkt onder andere uit de brief van 2 december 1930, waarin secretaris Roelof Oost het Nederlands Jongelingsverbond in kennis stelde van het besluit van de leden van Obadja om zich bij genoemde organisatie aan te sluiten. Hij schrijft dat tot een paar jaar geleden op Urk een hervormde jongelingsvereniging bestaan had, die dezelfde naam droeg als de zojuist opgerichte. Doordat de oudere leden de een na de ander waren uitgetreden en er geen jongeren bij waren gekomen, was deze vereniging stilaan ingeslapen.

Wanneer dit eerste Obadja is opgericht is mij niet bekend, maar in elk geval bestond het in het begin van onze eeuw al. Dit weten wij uit een brief van het bestuur van deze jongelingsvereniging, die eind februari 1901 bij het gemeentebestuur van Urk binnenkwam. Hierin wordt het verzoek gedaan ”of het ook geschikt zou kunnen worden om een lookaal van het houwde schoolgebouw tijdelijk af te staan ten dienste voor (de) jongelingsvereeneging”. De reden van dit verzoek was, aldus het bestuur van Obadja, dat ”de pastorie moed worden opgeruimd en tot hiertoe zelf nog niet berijkt is om een ander lookaal te verkrijgen”. De vereniging had voorkeur voor de ruimte in de noordwestelijke vleugel, ”agter jufvrouw Hoogeveen”.

De school waarover hier gesproken wordt telde vier lokalen. Het gebouw stand op de plek waar nu het museum Het Oude Raadhuis is. Het was als school in gebruik van 1863 tot 1896. Daama diende het onder andere als stallingsruimte voor de brandspuit en als bergplaats voor strandvondgoederen. Juffrouw Hoo¬ geveen was de echtgenote van de onderwijzer Jan Hoogeveen, die enkele jaren eerder naar Zuid-Afrika was geemigreerd. Uit de openhartige brieven die hij in die jaren aan zijn vrouw en kinderen schreef in 1986 als boek gepubliceerd weten wij hoe het hem daar vergaan is. Ruim tien maanden na Obadja’s brief zou hij in een Engels concentratiekamp sterven.

Op 13 maart besloten Burgemeester en Wethouders het verzoek van Obadja met een gunstig advies aan de gemeenteraad voor te leggen. De volgende dag nam

14

de raad het voorstel aan. Wethouder Willem de Vries stelde evenwel de voorwaarde, dat de leden van de jongelingsvereniging de goederen die in het lokaal lagen naar een andere ruimte zouden overbrengen.

Op initiatiefvan dominee CA. ter linden ging de hervormde gemeente in 1903 over tot de stichting van het gebouwtje Eben Haezer. Daartoe richtte de kerkvoogdij op 7 oktober van dat jaar een brief aan de gemeenteraad met het verzoek om van de gemeente een stukje grond van 30 m2, gelegen naast de oostelijke muur van de pastorie, te mogen kopen. De breedte van het beoogde lokaal zou vijf, de lengte zes meter bedragen. In de raadsvergadering van 12 november stelde wethouder Johannes Romkes voor het verzoek toe te staan, evenwel met het beding dat het gebouwtje niet vijf maar zes meter breed zou zijn en de lengte van zes op vijf meter zou komen: ”daar anders het glop tusschen het woonhuis van Tj. Hoekstra en het te plaatsen gebouw wel wat nauw zal worden”. Met algemene stemmen werd het voorstel van Romkes aanvaard. De prijs van de grond werd bepaald op twee gulden per vierkante meter. In een brief van 18 november deelde de kerkvoogdij het gemeentebestuur mee met de gestelde voorwaarde in te stemmen; wel vond zij de gevraagde grondprijs bezwaarlijk. Daarom verzochten de kerkvoogden vriendelijk ”of U nog zoudt willen besluiten die prijs van f 2 per m2 te brengen op slechts / 1 per m2, onder opmerking dat de grond ons indertijd afgestaan voor de bouw der bovengemelde pastorie niet meer dan laatst genoemd bedrag heeft opgebracht; als we bovendien nog in overweging geven, dat de Ned. Herv. Gemeente met de bouw dezer Catechiseerkamer beoogt de aankweeking van godsdienstzin onder hare belijders”.

Wat het antwoord van het gemeentebestuur is geweest heb ik niet nagegaan. Hoe het zij, het lokaal kwam er.

Een enkel spoor van Obadja de eerste treffen we ook aan in De Urker Courant. Zo lezen we in het nummer van 19 oktober 1918 het droevige bericht van het te vroege overlijden van een van de actieve leden:

’’Memento Mori. Na een zeer korte ongesteldheid is Tromp Brands overleden, voor enkele dagen nog werkzaam in de smederij van A. Hoekman, voorheen bij G. Kok. De voorbeeldige jongeling fungeerde als organist in de Ned. Hervormde Kerk en wijdde zich met ijver aan de Jongelingsvereeniging en de Zondagsschool”.

Tenslotte zijn over dit Obadja enkele anekdotes in de herinnering van ouderen bewaard gebleven. In het boekje Het Kerkje cum de Zee en zijn kerkgangers vertelt Leendert Brouwer er een in de volgende bewoordingen.

De
75

1. De pastorie van de hervormde gemeente, rechts daarvan het gebouwtje Eben Haezer; hetdiende als verenigings- en catechisatielokaal. De vrouw rechts isJawekien, de aanzegster; de foto is van voor de oorlog.

”Niet altijd hadden de debattanten de bedoelmg door het luisteren naar argumenten en het naar voren brengen van andere inzichten tot verrijldng van hun kennis te komen Het kwam meer dan eens voor dat men op het scherpst van de snede wilde tonen de slimste te zijn. Zo was eens het hoofdstuk uit Genesis aan de orde, waar Jacob een put voor de kudde van Laban graaft. Een van de aanwezigen had er zijn zinnen op gezet de inleider idem te zetten. Hij ging er eens goed voorzitten en stelde op een uitgekiend ogenblik de in zijn ogen uitermate belangrijke vraag: "hoe diep was die put van Jacob nu precies?” De inleider begon enigszins verlegen naar een passend antwoord te zoeken.

"Nou, kom op! Draai er niet omheen. Je weet het niet en geefdat maar toe”, zo deed de vragensteller er nog een schepje bovenop.

En inderdaad worden de lengte, breedte, diepte noch hoeveelheid water in dit bijbelverhaal genoemd.

De vragensteller genoot zozeer van de verlegenheid waarin hij de inleider had gebracht, dat hij zich schrap zette tegen de rugleuning van zijn bank Maar daarbij gebruikte hij zoveel kracht dat deze knapte! Als de bank niet zo dicht bij de

Obadja 's gangen ...
Pasforie (Ned. Herv. Kerk) Urk.
16

achterwand van het lokaal had gestaan, dan zou hij misschien net zo laag gevallen zijn als Jakobs put diep was!”

Tussen haakjes, toen ik destijds het gesprek met Leendert Brouwer uitwerkte, heb ik mij bij deze passage kennelijk door mijn enthousiasme zo laten meeslepen, dat ik een opmerkelijk steekje heb laten vallen. Immers, het mag bekend worden verondersteld dat Jakob nooit voor Laban een put gegraven heeft. Graven naar water deed wel zijn vader Isaak, zoals de verzen 18 en 19 uit Genesis 26 ons vertellen. Het gaat daar om een put die na de dood van Abraham door de Filistijnen was dichtgegooid. De knechten van Isaak groeven vervolgens in het dal en vonden een put met levend water. Over die put ontstond toen ruzie met de Filistijnen. De in het verhaal van Brouwer optredende inleider heeft of gesproken over de put waar Jakob Rachel ontmoette, of over de putten die Isaak en zijn knechten opgroeven.

Heel bekend gebleven is de volgende anekdote. Op een avond werd na de bijbelse inleiding een heftige discussie gevoerd. Als voorzitter trad ouderling Jan Kroeze op. Binnen zijn handbereik lagen de Statenvertaling met kanttekeningen en de bijbel met commentaren van de Duitse exegeet Dachsel. Toen niemand de juiste argumenten wist aan te dragen om de discussie bevredigend te beeindigen, besloot de voorzitter aldus: "vrienden, de inleider weet het niet, wij komen er niet uit, en ook de kanttekenaar en Dachsel geven geen uitsluitsel. Daarom zwijgen wij nu verder en doe ik het Deksel toe!”

Minstens een generatie lang werden deze slotwoorden van ouderling Kroeze geciteerd om aan een oeverloze discussie een einde te maken.

Obadja’s herverschijning

Over de heroprichting van Obadja lichten de notulen ons uitvoerig in. Op zondagavond 26 oktober 1930 kwamen tegen negen uur zestien jongeren in het lokaal Eben Haezer bijeen, met het doel een jongelingsvereniging op hervormde grondslag op te richten. Het groepje dat daartoe het initiatief had genomen, had meester Johannes Mink gevraagd de leiding op zich te nemen. Hij opende de vergadering met het laten zingen van psalm 119 vers 5. Vervolgens las hij 1 Samuel 3. Dit bijbelgedeelte gaat over de jonge Samuel, die geroepen wordt om de oude tempelpriester Eli Gods oordeel aan te zeggen en zelf een profeet voor Israel te zijn. Hiema hield Mink een korte inleiding over deze tekst, waarbij hij wees op de toestand in de Hervormde Kerk. Deze toonde volgens hem overeenkomsten met de situatie in de dagen van Eli. Hij wekte de aanwezigen op tot trouw aan de begjnselen van

De
17

2. Johannes Mink in gesprek met Stiene en Harmpje Visser, beiden onderwijzeressen aan de Wilhelminaschool. De staande vrouw is Stiene. VaderKlaas is bezigzijn netten te boeten. De foto dateert uit eindjaren twintig of begin van dejaren dertig.

de Hervormde Kerk. ’’Daartoe zijn wij dan ook samengekomen, met het doel een vereeniging op te richten bij onze gemeente”, aldus beeindigde Mink zijn inleiding. Vervolgens vroeg hij de toehoorders of zij hiermee in konden stemmen. Allen gaven een bevestigend antwoord en daarmee was de nieuwe vereniging een feit. De leden en belangstellende bezoekers zouden elkaar van nu af aan aanspreken met vriend. De namen van de eerste Obadjanen zijn de volgende: Johannes Mink, Jan Kramer, Lubbert Kramer, Roelof Oost, Jan Pereboom, Jan de Wit, Lambertus Oost, Johannes Oost, Albert Post, Feike Groen, Jan Pieter Otter, Roelof Schraal, Freek Brouwer, Jelle Ekkelenkamp, Hendrik Weerstand en Jacob de Wit.

Als naam voor de vereniging werd die van de ter ziele gegane voorganger aangenomen. Hiema ging men over tot de verkiezing van bestuursleden.

Johannes Mink kreeg de voorkeur van alle zestien aanwezigen. Roelof Oost en Jan Kramer behaalden elk veertien, Jan Pereboom dertien, Iambertus Oost en Jan de Wit beiden twee stemmen. Nadat de Obadjanen hun stem hadden uitgebracht op Kramer of Oost voor de functie van secretaris, kreeg het bestuur de

Obadja 's gangen
18

volgende samenstelling: Mink voorzitter, Oost secretaris, Pereboom penningmeester en Kramer algemeen-adjunct. Lub Kramer tenslotte werd tot bibliothecaris benoemd.

Intussen was dominee Faber binnengekomen. Om wie het ging er stonden in 1930 twee hervormde predikanten van die naam in de omgeving van Amster¬ dam en in welke betrekking hij tot het NJ.V. stond, heb ik niet kunnen achterhalen. In elk geval vroeg de voorzitter hem uiteen te willen zetten wat de voordelen zouden zijn van aansluiting bij het Verbond. Dit deed de predikant en hij beloofde een reglement te zullen sturen. Aan het eind van de vergadering sprak dominee Faber nog enkele bemoedigende woorden, waarin hij de leden van de zojuist opgerichte vereniging vergeleek met Jezus’ discipelen: ”wat ook waren jonge mannen, waarvan groote kracht was uitgegaan. Dat ook van deze vereenigjng kracht mooge uitgaan”, aldus de wens van de spreker.

Een week later lag het beloofde reglement ter tafel. De voorzitter stelde voor om de pauze en het opstel te laten vervallen, en in plaats daarvan de statuten te bespreken. Maar Jan Kramer, die voor deze avond een werkstuk had voorbereid, protesteerde, ”daar hij er veel moeite aan besteed had”. De voorzitter zwichtte en gaf Kramer de gelegenheid zijn op rijm gezette opstel voor te dragen. De bespreking van het reglement zou een week wachten. De zondag daarop werd het artikel voor artikel door de voorzitter voorgelezen, waarna de leden commentaar mochten geven. Alleen Freek Brouwer maakte enkele opmerkingen. Deze betroffen het kiezen van een commissie van toezicht en de keuze van de voordrachten. Pieter Gerssen bood aan het reglement over te typen, zodat elk lid over een exemplaar zou kunnen beschikken. De statuten omvatten dertien artikelen. Artikel 2 omschreef de grondslag van het Verbond aldus: ”de erkenning van de Heilige Schrift als het Woord van God, en diensvolgens van Jezus Christus als de zoon van God, den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker, welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking” (Romeinen 1, vers 25). - In het derde artikel werd de doelstelling als volgt verwoord: ”de bevordering van de kennis van de Heihge Schrift en het Koninkrijk Gods, de behartiging der belangen van de jongelingsschap, de bevordering van een Christelijke levenswandel en de uitbreiding van het Koninkrijk Gods in het algemeen en de bloei van de Hervormde Kerk in het bijzonder”. De artikelen 6 en 7 hadden betrekking op de werkzaamheden tijdens de wekelijkse bijeenkomsten. Artikel 8 bevatte de bepalingen voor het verkrijgen van het lidmaatschap van de plaatselijke vereniging en de voorwaarden voor het royeren van een lid. Om lid

De
19

gangen

te kunnen worden moest men de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt en de artikelen 2 en 3 onderschrijven. Hoe de meningsvorming over aansluiting van Obadja bij de landelijke organisatie is verlopen, wordt uit de notulen niet duidelijk. In de bijeenkomst van 30 november vertelde de voorzitter dat hij een brief van het secretariaat van het N.J.V. had ontvangen, waarin de bepa1ingen voor en de voordelen van aansluiting bij dit Verbond opgesomd werden. Vervolgens las hij dit schrijven voor. Tenslotte deelde hij mee, dat het bestuur besloten had het lidmaatschap aan te vragen en hij vroeg de leden hiermee in te stemmen. Het voorstel werd zonder tegenstem aangenomen.

3. Het N.J.V.-speldje. Dit exemplaar behoorde toe aan de vader van de Vollenhover emeritus-predikant P. Datema.

Foto: K. Schilder.

Roelof Oost kreeg de opdracht het NJ.V. schriftelijk van deze beslissing in kennis te stellen. Dit deed hij in de al eerder genoemde brief van 2 december 1930. Na in het kort verslag te hebben gedaan van de oprichting, ging hij enthousiast verder: ”onze vereeniging gaat tot op heden flink vooruit; wij tellen reeds 20 man”!

Behalve de aanmelding had Oost nog iets op zijn lever, dat hij beslist kwijt moest. ”Wij zijn een vereeniging die behoort bij een arme Kerk; dat U begrijpt, dat wij er ook zoo breed niet bijzitten. Nu zouden wij gaame willen dat U ons wat op dreef bracht. En dan moest U ons wat helpen om in het bezit te komen van wat Boeken en Leiddraden, en een inlichting over de Werkwijze”. Duidelijker dan zo kon niet gezegd worden hoe armoedig de nieuwe vereniging het had. Tenslotte verzocht de secretaris het N.J.V. om gedurende een maand ter kennismaking een aantal exemplaren van het weekblad De Jongeman en een twintigtal bondsinsignes toe te sturen.

De aansluiting van Obadja bij het N.J.V. was een verstandige beslissing. De oprichters waren er vermoedelijk van doordrongen, dat het ontbreken van voldoende handboeken op het gebied van de geschiedenis van maatschappij, kerk en staat, een van de oorzaken was geweest van het insluimeren van de vroegere jongelingsvereniging.

...
20

De statuten van Obadja werden door het bestuur van het NJ.V. op 19 december 1930 goedgekeurd en de toetreding van de Urker afdeling werd in DeJongeman van 25 december den volke bekend gemaakt. Uit een aantekening op de aanmeldingsbriefvan 2 december blijkt, dat per ommegaande post vanuit het bureau van het NJ.V. vijf bundeltjes met voordrachten naar Urk verzonden werden en ik neem aan dat het verzoek om proefnummers van De Jongeman ook wel zal zijn ingewilligd. De insignes konden echter alleen tegen betaling verkregen worden en de Obadjanen zullen er dan ook wel van hebben afgezien ze te bestellen. Overigens zou het thema van de armoede van Obadja ondanks de lage contributie in 1930 bedroeg deze tien cent per week een steeds weerkerend onderwerp in de correspondentie met het NJ.V. vormen, zoals we straks nog zullen zien.

1'oen Obadja op 26 oktober 1930 de kring van Urker verenigingen binnenstapte, stonden daar al drie gereformeerde broederorganisaties, namelijk Samuel, Filippus en het in hetzelfde jaar opgerichte Pro Rege. Samuel was in 1871 ontstaan, van Filippus is mij de oprichtingsdatum niet bekend. Van de eerstgenoemde heet het dat de leden vooral afkomstig waren uit de kringen van boeren en middenstanders, terwijl van Filippus gezegd wordt dat hij voornamelijk door vissers werd bezocht. De doelstelling en werkwijze van Pro Rege stonden dichtbij die van Obadja en tussen beide verenigingen zouden dan ook hartelijke betrekkingen onderhouden worden. Overigens, in de jaren dertig ontstond ook nog de christelijk-gereformeerde jongelingsvereniging Eben Haezer.

De band tussen het Nederlands Jongelingsverbond en Obadja

Het Nederlands Jongelingsverbond werd in 1853 opgericht als samenwerkingsverband van twee Amsterdamse jongelingsverenigingen. De oprichters waren afkom¬ stig uit kringen van het Reveil en de doelstellingen ontleenden zij dan ook aan het ideeengoed van deze beweging. In korte tijd sloot zich een groot aantal jongelingsverenigingen aan, waarmee het NJ.V. tot de eerste landelijke organisatie van jonge mannen werd.

Het Verbond had, zoals wij al zagen, als doelstelling de geestelijke, maatschappelijke en lichamelijke vorming in christelijke zin van de Nederlandse mannelijke jeugd.

Het NJ.V. stelde zich op een brede grondslag. Ongeacht kerkelijke binding, politieke overtuiging en maatschappelijke herkomst kon iedereen die de doelstel¬ ling van het Verbond onderschreef lid worden. Na de Doleantie ontstond naast het NJ.V. een jongelingsverbond dat zich met name aan de Gereformeerde Kerken wenste te binden.

De
21

iongeman

JORGAANWHEf

REDACTIE: HET SECRETARIAT. (H. GORDEAU }k. HOOFDREDACTEUR.)

Afeoaoemeaispriji pet par pari. IX~, iSouiM&ien 1 2.~. Menterkeatte eefeeelca taasgaag Adv*rt**U*» van 1—6 risjeli I2,«.'litt»u'! •»*« V*e» IUWI«:itga 1—6 ngt’n 1130. dkt tr&I am 10.20.

Dir Med mi*! lederref OwkkwteB. Adres van 4c ittdznt* ttt <S> Adanautret** Savgrt 5*. Amwenhnn C Kastoorarea van 6—Mr. Tdefeon «*«VSS96-58S»* P«a»wo StSOC. GearewnptoBfS"6. Antacid*®.

(ongcnslciders, en die van da ouder* jangen*. mek n*ar men hoopt. een heerlij&e nitwi*tteiing van tneeningen en geveelea* van at die groepen. ook underling, in den dienst van Kiwirng i«tM< »« order letding des Geestes

BELANSSflKE 0N&ERWE8PEN

D« Werctikoaferenlle van 19J1. (I) lo het volgende jaar wordt opmeuw vca Vt'etcldconlerenlie geboaden. de twinligste. en in Amerika NatnerliJk is hot niei aKeen de bedoelmg daar loavtel mefeU/k iongc menschcn warn te kmtt&tKi ra**t vswrat jteaepen, welke in het een oi andere opziefet ala tvpisehc verlegenvroordiger* van bepaalde ratten en natie's. evenkss-t van cfatttelljk ieagduvrk kunnen warden betcbotiwd.

Eigenlijk is er sprake van twee WenddcuniviKniic» tegelijk, wart wordt 4c eiijenlijke Wereldconlerenlie pa* van 4—9 Aug. 3! en to Cleveland gehouden. mea rekent er up dat vclc der feeroeleer* <W>h reeds zullcn deslnwnen a«n de derde Weretdcanlermti* eon Jangentladen. welke van 27 Jali tot 2 Aug. te Toronto ta Canada plant* vindt Er zollen derwaaru aok wcl Hollander* gaan. naar we bopen <«>k ccsigc vertegenwoordiger* van una Verfeend, hoewel we daar. met bet eng op den finaneieclen toenland, vooratsnog een zwasr hoofd in hebben In ieder g*va! mot! bet de moeile loonen •razen Wereldhond wwi gewiefetige bijeenkotnvtcn, meent I* kunnen bereiken e*i te duett Voar onzen eenvoadigsten lescr beefl dal aelf* bet nut. van t'a gczichlskring wal tc verruiaten en oil te Siren)en

Het Itgt in dc rede, dat in een nutshtitfe. wereldtHBvaUcnde organisatle. de on«e i*. nict all** dime l"nge menteben ban Wor¬ den bealisl; nict uitaluitead naar de adviezrn van longe mmseben kan warden gehandeid. ook al i* dc Wereldbood dan als ten vereaniging van en vuor tonga matmen bedoeld Ja. het slaat veil* r«xi, dat l«td»s van rulk ccn bewegtng too good sta d* beraekers van dorgeliike Sajcenkomslen allklit btj vooekeur genomen warden oil manner van ervaring en stodie. die i>t heel dieht ataaa bij de bovengrens naar den jongeinannenleeltijd. ol die Stem sells reeds gs-ruiraen tijd adder d«n rug hebben. Natuirrlijk schuill bier bet groote gevaar. dal teosluttc *led»U a*n het wtxird roudan hometi diegenen, welke reeds te ver van de eigenlijke Jeogd *i»n algetaabt. <no nog le fetutnen welen. wat de harten der ionge mettsshen van deieti tijd op bel diepste b.-roert. lerwijl |ui»t de stem diet jongeren xell nict lot uiting mu komen.

Maar, gelukkig, de VC'erc!db«nd*lciding riel dat gevaar, en waak! er tegen; in baar stai van heroepvarheiders door de bepaltnfc. dat d«e op bO-jangea leeftijd fitpenvioneerd worden. •n op dene gewkhtige Wereideonlerentie door lid voorschrilt. dat min.teos een derde der bczoekers nil ..oudete jvngeas" moet bestsan. In den gnrnd der r.uk is er Jus eigenbik driverlei sronentrclfen die der vcrlegonwoordiger* van de joBgeirisnnenvereenisiiiigesi; die van de

Toch blitll de vraag geweStifid: Waarom aou cen landclijfee organisatle, waafosa »w e»n privaat perroon rich bet geidetijSse nHet en dat van den tdd getroosten. am edo »« naar het Weaten te kunnen gasa? Laten »e pens ri«n tegertover weSSwn wereldtocutand rich dc gerrmeniijke Vercemgingen geplaatst rien. Ten oprickte vjh vo»d*«!, kleeding en aek van feet Iwfesaoettjfe welrijn. zitn de naties der weteld, hue Sanger hoe racer van etkaader albankeiijk geworden. Oaar tegenoser beataat er geenerki afgemeen plan om in den geettel^scn need dier msliioenen te toorzicn. Het resultant ». een vchrikkelijkt economisehe oorlog, met, a!* feegelerdead versebiinsel. cen toenevsetsde. wcreldwijd* werkloosbeid. De maaUegelen, done feet 6sne volk tot eigen bescbcrming s'enonsen, does b«i cen coder volk dadelsjk de pijnliSksl® (jevolgen ontstaan. Daarbij bevindt rich bccl de feagd Wgecover de w«rfdprobSeateo van cornmninsme. soeiofivme, lastisree, matevialiatae en jtheisme vtroomen. die elk bus overtaigde. vunge advocaten hebben. die bun plan we! hebben, volgen* betv.elk eg dc wereld denken te versvinnen. te overheersehen til te redden tellernidi bcelt de chrUtelijk* ieugd.a»der dc leiding van z'n Hcwelseben Koning cen kans alt rummer te voren. In de vowrbiigegaae eeuwen herft het Christesdora kraebtee, eves raaebtig als die waarmede we heden ten d^ge tc doen befebea, weten te ovcrwinBcn, terw.it bet ztcb het goede, dat er in was. toeeigendc Maar het ontbreekt de hedendaagsehe. christclilke teugd aan eekerbeid, omtreat de boodschap, welke ze te brengen beelt, en aan aaneensluiting

Indien de Conlereni.es van 1935 er toe bij kunnvn dragen. om daarin eenige verbetering te brengen, dan is geen oiler te grook out bet alagea dcaer bijeenkomtten mogelitk te raaktn Anderc organisaliet van pohtieken, tocialen ol eeonomtseben aard. men er met tegea op om nog grootcr geldeltjke oiler* tc brengen. (encmtlc klaerheid te verfcrijgen omtrent pro¬ gram en boodrehap. Dc C J. M. V. is kracbtens baar ervartng, orgamsebe vertakkinj over heel de wereld en onder jonge raannen van allcrlei chmteluke beliidentt. verplicht. om haar readingsarbeid eo -boodsebap duidelljk oader de oogen tc nen, opdat se de ieugd Van hi-den kan helpen bij het vinden van cen ehristelijk weicldplan, dal cpgewavscn is tegen de piocilijkheden. waaratede we te doen hebben Het ral goed zijn, indien icdcre algevaardigde. vtraks wegreist in bet bewuatrijn. dat hij een verplichting op zieb beelt grnomcn legenover on* Uercidverhond niel alieen. maar tvenreer legenover alle ionge menveben van deren dag, opdat bij in een «vioel van deemoed en in den geest van gebed mogc

(Wardl vervolgd i

n^8

De ieugd en bet Bokjevelsme. (II) 'bn een mdrnk t® geven van de wijsheid. die deas ieugd in Susland wordt ingeprent. eitenren wtj than* nnfecle iritvprakea van veoraaostaande larders ai art coranuimstisicbe ducunwnten en gescbrillen2o« becit Lento beweerd, dal ..inoraa! datgene is, wat ntrtttg is mar de cnrarantristische partik" Ja het A-BC van feet Conununtsme. cen snort h&ndbaek. komt o.ra, Jeze uitsprzak vatrr. „0oza task bestaat nict in het iatrvormen. maar veeleer in feel vcmrclen eaa ailes. wai gndsdmnst ol tnaraal beet" Es in datzellde hockje kan men lezem „Alle godsdicnstea rim vergilfc die den geest drunken araken en d»;en usslaimeren, cvenals den vril en feet bewustzitn; men meet er daarura een strip! zander genade mede zanvaagen." Ue vrrwgere direclnc* vorw bet openfeare onderwiis m de Unie van Sowjet r-epubliefcen, leetaardc „De ouderiield* i* gewooniijk een verderlabiku iatldc. Het kind, dal in feet gezia wordt opgevucd is racestal snti-sociaalestnd." En in aaosloiting daaraan kan men :en in .Jiawelijks- e«t Sczrasrecfet". can Gorkfeberg. „Wi| moclen de feunilie vervaogen door de cui»se««i*tisefee partij." !» »m bewk. dat spcciaal g«sefeteven is vaa* de teden van den mternatiooaien bond van eommunistiKhc jetigdorganisaijes. de Komsomol, wordt o.a, betoogd. „Vooc alle* zijc mij tegett God, den venbrdiger van dc satbuitiag ra elken vorm. Oaurons ook. dal op de goddelrjke geboden in dit boek de Wgendc commentaren wurdea gemaakt; -Het gebod- Gij zalt oat stelen, dat in den Bribe! van de lutbeitcr* vuorkomt. it door ant reeds lung vervangen door de iormufe van partiigcaiiul Lenin. Steclt. wat geslojea is. ..Gtj rail Uw vadec en tnoeder ceres" Neen Vt ij raden de ieugd aan sleefets die vaster* te ccrco, die cen prolctaristk-revoluliosaie standpunt iBnemcc er. die isitdntkkelfek en ntel groote eoergte de bclangen van de prelelanscbe klas*e verdedigen. Andere vaster* moeten bekeerd worden door de eoounurd*tischc kindcien. VSij erkenen het ouderUik g met *!» aJgemeere grandalag. iit salt idet dooden." Seen. Usi f&ai was voor de bourgeoisie cen vuorseferin van huicbcJarij. Het proletarian! it de eesige soeiale Masse m dc gesefetedenis. die ooott tot huicneUrtj haar loevluchl bcelt genomen. Alt een individu tchadelijk is. als bij gevaarlijk i* voor den revoltstionairen tliiid, IscM gij

SCHAAP 6 Co. AMSTERDAM a Spul J Tel 11919 4. De Jongeman van 18 September 1930.

Obadja ’v gangen ...
DOKnFUpAG IS SEPTEMBER 1930. No. 38. 74c JAARGANG.
CAMERAS KINO'S FOTO-ART.
22

Het werkterrein van het NJ.V. breidde zich in de loop van de tijd zo uit, dat het noodzakelijk werd beroepskrachten in dienst te nemen. Gaandeweg werden voor de verschillende activiteiten afzonderlijke secretarissen aangesteld. Secretarissen die in de jaren dertig en veertig landelijke bekendheid genoten en met wie de Obadjanen contact zullen hebben gehad, waren C. Tabak en H. Gordeau.

In 1917 kocht het Verbond in Amsterdam een gebouw - het later zo bekend geworden adres Singel 58 waarin naast het secretariaat de boekhandel en uitgeverij gevestigd werden. Ten behoeve van de geestelijke en maatschappelijke vorming van de leden van de jongelingsverenigingen gaf het NJ.V. allerlei brochures en enkele tijdschriften uit. Een van de bladen die van niet te onderschatten waarde is geweest, was De Jongeman. Het tijdschrift van groot formaat telde acht pagina’s en kwam elke week in de brievenbus. Naast verenigings- en bondsnieuws bevatte DeJongeman artikelen over christelijke gemeenschappen in het buitenland, beschouwingen over ontwikkelingen in kerk en maatschappij, bijdragen op het gebied van kerkgeschiedenis, boekaankondigingen en recensies. Voor de wekehjkse bijeenkomsten van de afdelingen waren vooral de bijbelbesprekingen van belang.

De band tussen Obadja en het N.J.V. had vooral te maken met de geestelijke en culturele scholing van de leden. Aan de activiteiten die het Verbond ontplooide op de gebieden van sport, recreatie en sociale zorg deden de Obadjanen niet mee. Zoals met Obadja, stond het overigens met veel jongelingsverenigingen op het platteland. Toch heeft het deel uitmaken van het N.J.V. voor Obadja meer betekend dan louter ondersteuning en begeleiding bij de geestelijke toerusting van de vrienden. Want door het aanvaarden van de brede grondslag van het Verbond stelde de vereniging zich open voor jongeren van de andere kerkgenootschappen op Urk. En inderdaad heeft Obadja veel gereformeerde vrienden in zijn gelederen gehad. Een van hen was Jan ten Napel en hij weet nog hoe hij bij deze hervormde jongelingsvereniging kwam:

"Ik wil beginnen met te zeggen, dat in het dagelijks leven het behoren tot een bepaald kerkgenootschap op Urk nauwelijks een rol speelde.

Wij woonden in de ongerbuurt (Oudestraat), onderaan de hoogte die op het voormaligepostkantoor aanliep. Bovenaan het oogien woonde Pieter Gerssen, die bijna even oud was als ik Hij was hervormd, ik gereformeerd Wij waren vrieniljes en zo kwam het dat ik als elfarigjongetje vaak met hem meeging naar de knapenvereniging van Obadja, Timotheus geheten. Daar ontmoette ik Jo Gerssen, met wie ik voor de rest van mijn leven bevriend ben gebleven. Na enkele jaren werd meesterAan Pieter Zandstra leider van de knapenvereniging een prachtmens!

Ik voelde me volkomen thuis in Timotheus en mede daardoor kwam ik vaak in de hervormde kerk Dan zat ik samen met Jo bij de oude koster Bertus Gerssen

De
23

5. Voor het ouderlijk huis, wijk 6 (Oudestraat) no 23; drie broers Ten Napel; rechts Harm, in het midden grote Jan, en links kleine Jan; de foto dateert uit begin jaren dertig, toen Jan net lid van de knapenvereniging was geworden.

in het voorlezersbankje. Gerssen was Jo’s grootvader en mijn oud-oom.

Zo gewoon als die gang naar de hervormde kerk leek, zo vanzelfsprekend was zij toch niet. Hoe patemalistisch de verhoudingen in die dagen nog waren, laat het volgende voorval zien. Op een dag kwam ik de hervormde dominee Everinus van Wieringen op straat tegen. Hij gafme een tikje met zijn wandelstok op de schouder en zei: ’’Jan, ik zie je altijd trouw in de kerk zitten; maar op catechisatie kom je nooit!” ”Dat klopt dominee”, zei ik ”Ik ben bij onze eigen predikant, dominee Dorenbos op catechisatie”. ”Ik zal eens met mijn gereformeerde collega overleggen ofhij dit wel goedvindt”, zo gafhij te kennen.

En Willem Dorenbos vond het goed, zodat alles bleefzoals het was. Wat mijn ouders en ik ervan vonden, deed blijkbaar niet ter zake!

Toen ik zestien jaar was ben ik lid van Obadja geworden en ik heb mij daar altijd op mijn plaats gevoeld. ”

Obadja zou niet blijvend in de gelederen van het N.J.V. optrekken. De bezetting van ons land bracht een ontwikkeling op gang, die na de bevrijding tot een scheiding der geesten in deze christelijke jeugdbeweging leidde. Uit angst dat de bezetters het Verbond onder nationaal-socialistische vlag zouden brengen, streefde

Obadja’s gangen ...
24

6. Aan Pieter Zandstra (r.) en zijn collega Klaas Meinema aan de achterzijde van hun kosthuis (familie Van Slooten) in de zogenaamde Cementenstraat.

het N.J.V. er in de laatste oorlogsjaren naar om samenwerking tussen de plaatselijke afdelingen en de kerkelijke gemeenten tot stand te brengen. Het kerkelijkjeugdwerk werd namelijk door de bezetters ongemoeid gelaten. Zo kwamen in deze jaren veel jongelingsverenigingen onder de vleugels van de kerkelijke gemeenten. Voor het NJ.V. werd het na de bevrijding niet meer wat het voor de bezetting geweest was. Een groot aantal jongelingsverenigingen ging verder als kerkelijke organisatie, onder de naam Jonge Kerk. Het N.J.V. bleef, zij het kleiner, bestaan en behield zijn oecumenische gezindheid. Sinds de fusie in 1958 met de ChrLstelijke Jongevrouwenfederatie heet de organisatie ChristelijkJongerenverbond (CJ.V.). Het immer bedrijvige pand in het bruisende Amsterdam werd verruild voor een fraaie villa in het lommerrijke Driebergen. Dit betekende overigens niet dat het Verbond het leven des gerusten landmans ging leiden.

De hier geschetste gang van zaken is ook van toepassing op Obadja. Aan het eind van 1943 zegde de vereniging het lidmaatschap van het N.J.V. op en schaarde zich onder de vleugels van de hervormde gemeente van Urk. Dit betekende dat men in feite ook de brede grondslag opgaf, die juist haar aantrekkingskracht voor jongeren van andere gezindten had uitgemaakt. De beschrijving van Obadja’s lotgevallen van na de oorlog valt evenwel buiten het bestek van dit boek.

Armoe TROEF

De aansluiting van Obadja bij het Nederlands Jongelingsverbond leverde de vereniging naast voordelen ook een lastig probleem op. Aan de ene kant verschafte de toetreding betere mogelijkheden om de activiteiten naar behoren te kunnen

De
25

uitvoeren, aan de andere kant hield dit voor de leden een hogere contribute in dan wanneer de Obadjanen op zich zelf waren blijven staan. Nadat de vrienden op 30 november 1930 zich voor aansluiting hadden uitgesproken, wilde het bestuur er tegenover het Verbond geen geheim van maken dat de fmanciele armslag van de jonge vereniging uiterst klein was. Na verloop van tijd bleek, dat verscheidene leden maar met moeite aan hun verplichting tot betaling van contribute konden voldoen en dit leidde tot spanningen. Om deze uit de weg te ruimen werd op 20 november 1932 een huishoudelijke vergadering belegd. De agenda bevatte drie punten: het wegblijven van sommige leden uit de wekelijkse bijeenkomsten, de achterstand die anderen in de betaling van contribute hadden en tenslotte de vraag of het collectieve abonnement op De Jongeman gehandhaafd moest blijven. In de vergadering van 4 januari 1931 hadden de Obadjanen namelijk besloten een gezamenlijk abonnement op dit blad te nemen. Dit had echter tot gevolg gehad dat de contribute verhoogd was. De secretaris kon na afloop van de vergadering van 20 november 1932 tevreden vaststellen, dat de moeilijkheden ’’alien gemeenschappelijk en vriendschappelijk [...] vereffent” waren. De notulen vermelden niet welke besluiten genomen waren, maar die kennen we wel uit de brief die voorzitter Klaas Meinema twee dagen later aan het N.J.V. schreef. Hierin sprak hij eerst over de moeilijkheden en vervolgens gaf hij de mogelijke oplossing aan. Zijn brief zegt trouwens ook iets over de plaats die een onderwijzer in de toenmalige dorpssamenleving innam. Omhaal van inleidende woorden achtte Meinema overbodig:

”Om maar met de deur in huis te vallen. Onze vereeniging is arm, hopeloos arm! En dat is geen wonder, als men in aanmerking neemt dat de verdiensten van de visscher nihil zijn. Lang hebben we met onze armoede voortgesukkeld, totdat het niet meer ging. Er gingen stemmen op van bedanken. Trouwe leden bleven weg. Een enkele riep van Jongeman opdoeken”!

Hiema vertelde hij, dat de leden de afgelopen zondag vergaderd hadden en dat zij besloten hadden het abonnement op De Jongeman voorlopig niet op te zeggen. Verder zouden diegenen, die de contribute niet konden betalen, ondersteund worden door leden die in betere doen waren:

’’Ziedaar het karakter van m’n jongens! En ik heb me verheugd voorzitter te zijn van zoo’n vereeniging. Want och, ze willen zoo graag, maar ze kunnen niet”!

Nu kwam hij bij het punt waar het eigenlijk om te doen was, het verzoek of het NJ.V. de verplichte jaarlijkse afdracht zou willen verlagen. En bovendien zou hij graag een aantal exemplaren van de liederenbundel voor de vereniging ontvangen.

...
26

’’Verbond, wij rekenen op uw hulp en zien verlangend uit naar antwoord”, aldus beeindigde Klaas Meinema zijn bescheiden verzoeken. Welnu, de gevraagde hulp werd gegeven. Het N.J.V. verleende vrijstelling van afdracht voor 1932 en 1933, welke afspraak ook voor de jaren daama stilzwijgend werd verlengd. Bovendien zond het Verbond vijftig kleine liederenbundels naar Urk; de Obadjanen hoefden er niets voor te betalen.

Over de gang van zaken tijdens en na de genoemde vergadering van 20 november 1932 weet een van degenen, die er nauw bij betrokken was ons nog iets meer te vertellen. Pieter Gerssen niet te verwarren met zijn jongere neefover wie Jan ten Napel het al had was in die dagen penningmeester:

7. Pieter Gerssen van 1931 tot 8januari 1933 penningmeester van Obadja zittend op de bazaltstenen in de werkhaven, eindjaren dertig.

”Ik herinner me die vergadering heel goed Het bezwaar tegen De jongeman betrofniet eenprincipiele afwijzing van de inhoud, nee het ging om de last van het collectieve abonnement. Dit werd uit de verenigingskas betaald Als penning¬ meester was ik van mening dat de contributie te laag was om het abonnement te kunnen betalen. Ik achtte het daarom mijn plicht de leden erop te wijzen, dat zij moesten kiezen voor verhoging van hun vaste bijdrage dan wel voor opzegging van het collectieve abonnement. Tijdens de bewuste vergadering kwam deze zaak uitvoerig aan de orde. Iemandik weet niet meer wie - deed toen het voorstel om aan het NJ.V. kwijtschelding van de verplichte afdracht te vragen. Inwilliging van dit verzoek zou onze kas lucht geven.

Korte tijd later kocht het bestuur tergelegenheid van het huwelijk van oud-voorzitter Johannes Mink een geschenk Dit werd uit de verenigingskas betaald echter niet met mijn instemming. Deze aankoop betekende een zware aderlating. Toen een van de leden kort daarop vetzocht om een onderzoek naar de besteding van de kasgelden te doen en dit voorstel met meerderheid van stemmen werd aangenomen, heb ik dit besluit uitgelegd als een blijk van wantrouwen jegens mijn beleid als penning-

De
27

Obadja stond op stelten

In zijn brief van 22 november 1932 aan het secretariaat van het N.J.V. vroeg voorzitter Klaas Meinema ook om een spreker. Hij sprak de verwachting uit, dat door de komst van zo’n inleider heel Urk op stelten zou staan. Het N.J.V. stuurde regelmatig mensen naar Urk om een lezing te houden. Bij een spreker gingen de Urkers inderdaad op de stelten, zij het niet op de hoge stand die Obadja’s voorzitter gehoopt had. Dit gebeurde toen Lode van Gent, een bekend publicist in die dagen, eind november 1935 een lezing over Afrika hield. De Urker Courant van 2 december gaf een kort verslag van de bijeenkomst.

"Vorige week Vrijdag trad in gebouw Hulp en Steun op een spreker, die de J.V. Obadja introduceerde, met als onderwerp Lief en Leed uit Centraal Afrika. Aangezien de door hem medegebrachte film niet van onbrandbaar materiaal was, kon deze niet vertoond worden en moest aan de hand van lichtbeelden worden verhaald.

Een vrij talrijk publiek was opgekomen en vele typische en bijzondere dingen over volken en gewoonten uit Afrika werd deze verteld".

Jannie Meinema-Westerneng herinnert zich deze avond nog.

"Er was een grote opkomst. De spreker begon vol goede moed, maar toen hij beelden vertoonde van vrouwen met blote borsten, werd de ene opmerking na de andere gemaakt. Van Gent werd boos en het kostte mijn man de grootste moeite de zaal rustig te krijgen.

Nadien heeft iemand op een van de wekelijkse bijeenkomsten door middel van een opstel geprobeerd begrip te kweken voor het feit, dat bepaalde volken schaars gekleed gingen”.

meester. Het kwam zover, dat ik op 8januari 1933 mijn functie neerlegde en als lid van Obadja bedankte. Dit had misschien niet hoeven te gebeuren, ware het niet dat de karakters van de voorzitter en mij nogal uiteenliepen. Wij lagen elkaar niet erg en zodoende kwam het niet weergoed”.

Ook in de jaren daarna bleef de financiele toestand van Obadja zorgelijk. De bestuurders kenden nu evenwel de weg om daar iets aan te doen en zij bewandelden die bij tijd en wijle met succes. Zo vroegen Roelof Oost en Jan Pereboom als leiders van de kort tevoren opgerichte knapenvereniging Timotheus in januari 1933 aan het N.J.V. ook voor deze groep verlaging van de verplichte afdracht. Dit verzoek werd eveneens ingewilligd.

Tijdens een bestuurswisseling in het N.V.J. halverwege de jaren dertig ontstond blijkbaar een misverstand over de financiele verplichtingen van de Urker afdeling.

Obadja's
gangen
28

In februari 1936 kreeg de secretaris van Obadja een brief met de mededeling, dat over de jaren 1934 en 1935 geen afdrachten waren gedaan. Op 2 maart gaf Jan Pieter Otter kort tevoren tot secretaris benoemd antwoord. Hij schreef onder andere, dat voormalig secretaris C. Tabak, aan Obadja de toezegging had gedaan dat over de genoemde jaren geen afdracht verschuldigd zou zijn. Verder lichtte Otter nog eens toe, waarom het voor de Urker jongelingsvereniging zo moeilijk was om aan haar verplichtingen te voldoen:

”En daar het op het hoogenblik ook zoo slecht gaat met de contributie op de verheeniging, kunt u wel begrijpen, dat het ook slecht gaat met het betalen. De meeste vrienden zijn werkeloos en die nog werken met visschen nu dat kunt u zelfwel begrijpen dat het in de winter ook heelemaal niets is. Over het jaar 36, misschien zou dat gaan. Vast durf ik het u ook niet belooven, dat kan ik natuurlijk niet doen. Maar als het half kan, dan zoo vlug moogelijk”!

Otter maakte meteen van de gelegenheid gebruik om het Verbond op de hoogte te brengen van de bestuurswisseling, die in januari in Obadja had plaatsgevonden. Overigens zette het N.J.V. zich metterdaad in voor de bestrijding van de werkloosheid onder zijn leden. Zo organiseerde het in het kamp Elfbergen bij Oudemirdum onder meer schipperscursussen. Het is mij niet bekend of hieraan ook Urkers hebben deelgenomen, maar ik neem aan dat dit niet het geval is geweest. Hoe dat zij, het bestuur van Obadja werd per briefvan 30 januari 1939 gevraagd deze cursussen onder de aandacht van de Obadjanen te brengen.

De
29
Obadja ’s gangen 30 ,-*L Jdytu/ve^'

Het reilen en zeilen van de vereniging

Het bestuur en de commissie van toezicht

^oals we al zagen bestond het bestuur uit ier leden. De zittingstermijn was drie jaar. 3e verkiezing van nieuwe of herbenoening van zittende bestuursleden vond aan net begin van het herfstseizoen plaats. Wanneer iemand zijn bestuurslidmaatschap voortijdig beeindigde, werd de opengevalen plaats zo snel mogelijk opgevuld.

Ik noem nog eens de namen van de eerste bestuursleden: Johannes Mink (voorzitter), Roelof Oost (secretaris), Jan Pereboom (penningmeester) en Jan Kramer (algemeen-adjunct).

Al na korte tijd bleek de samenwerking met Jan Kramer vanwege zijn lichaamsgebrek ging hij door het leven als Manke Jan niet langs rechte lijnen van eendrachtigheid te verlopen. Was hij achteraf wellicht niet gelukkig met de aansluiting van Obadja bij het oecumenisch gezinde Nederlands Jongelingsverbond en zag hij de vereniging liever naar meer orthodoxe wateren zeilen? De notulen maken alleen duidelijk dat er in hem iets broeide, maar niet wat de aanleiding tot Kramers onvrede was. ”Na het dankgebed bedankte ons alg(emeen)-adjunct J. Kramer als lid van de vereeniging”, zo voegde de notulist zonder enig commentaar aan het verslag van de vergadering van 18 januari 1931 toe. De plooien werden blijkbaar gladgestreken, althans tijdens de volgende bijeenkomst vroeg Kramer het woord ”en hield een pleidooi voor zijn houding tegenover de vereeniging”. Hij verzocht de vrienden hem weer als lid te willen aannemen. Hierover werd gestemd; de uitslag was dertien stemmen voor en vijf tegen. Kramer werd vervolgens in zijn functie van algemeen-adjunct hersteld. Toch was de zaak daarmee niet uit de wereld. Op zondagavond 22 februari werd door de secretaris een briefvan Kramer voorgelezen, ’’waarin verschillende

8. Jan Pereboom als volwassen man.

Het reilen en zeilen van de vereniging
31

ding[en] in voorkwamen”. En tijdens de rondvraag van de samenkomst op 15 maart deed de voorzitter mededeling van ”een kleinigheid over vr[iend] Jan Kramer”. Er werd besloten komende maandag een bestuursvergadering te beleggen om de kwestie met hem te bespreken. Het werd niet weer goed en Kramer verdween uit het bestuur. Het kwam zelfs zover, dat de notulist aan het slot van het verslag van de bijeenkomst van 17 april 1932 moest noteren: ”Jan Kramer heeft zich om ongegronde en daarom niet noemende redenen laten rooieren als lid van Obadja, welke in voltrekking is gegaan”. Overigens, Kramer heeft zich in de jaren daarna zeer verdienstelijk gemaakt als onderwijzer van de hervormde zondagsschool en hij was een gewaardeerd verteller.

Vervolgens kwam Pieter Gerssen in het bestuur, en werden de taken opnieuw verdeeld. Aan het begin van het seizoen 1931-1932 volgde Jan Pereboom Roelof Oost op als secretaris, terwijl laatstgenoemde de functie van algemeen-adjunct kreeg. Pieter Gerssen werd penningmeester. Deze legde, zoals we inmiddels weten, op 8 januari 1933 zijn bestuurstaak na een conflict neer. Hij werd opgevolgd door zijn neef Johannes Gerssen.

Na zijn benoeming tot hoofd der school in een andere gemeente werd Johannes Mink aan het begin van het seizoen 1932-1933 als voorzitter opgevolgd door zijn collega Klaas Meinema. Deze vertrok op zijn beurt in het begin van 1936 van Urk, waama in de vergadering van zondag 18 januari Jan Pereboom tot voorzitter benoemd werd. Diens plaats als secretaris werd ingenomen door Jan Pieter Otter. Tot 1940 bleef het bestuur ongewijzigd. In de loop van dat jaar werd Machiel Post penningmeester en Albert Kroon trad aan als algemeen-adjunct.*

Hoewel tijdens de rondvraag van de avond van 15 januari 1933 voorzitter Meine¬ ma bekend maakte dat het bestuur voortaan iedere maand zou vergaderen, werd dit later beperkt tot twee of drie keer per jaar. Een notulenboek van bestuursvergaderingen is ons helaas niet nagelaten, wel zijn er twee verslagen bewaard gebleven die toevallig in de notulenschriften van de vereniging zijn opgenomen. Het ene is van de eerste bestuursvergadering, die op donderdag 6 november 1930 ten huize van Jan Kramer gehouden werd. Deze woonde aan het eind van de Oudestraat, vlak bij de Slikhoogte.

Het eerste agendapunt was het voorstel van voorzitter Mink om niet langer het boek Samuel, maar het evangelie van Mattheus in de bijbelse inleidingen te behandelen. De andere bestuursleden stemden hiermee in. Hierna kwam de vaststelling van de agenda voor de wekelijkse samenkomsten aan de orde. Beslo¬ ten werd het verloop te doen zijn zoals ik hiervoor al heb beschreven.

In zijn bijdrage aan de kerstbijlage van Het Urkerlandvan 22 december 1988 noemt Leendert Brouwer abusievelijk A.P. Zandstra als opvolger van Klaas Meinema.

...
Obadja ’v gangen
32

Vervolgens besloot men maar een keer in de maand bezoekers toe te laten. Koster Bertus Gerssen werd niet vergeten, want voor het schoonhouden van het lokaal werd hem een fooitje in het vooruitzicht gesteld. Tenslotte maakte Roelof Oost in hartelijke bewoordingen gewag van de goede zorgen van de moeder van de gastheer: ’’Onder deze bespreking werden wij voorzien van Koffie en koek, waarvoor wij vrouw Kramer een woord van dank brachten”.

Het andere verslag wekt de indruk een verdwaalde kladversie te zijn. Er wordt geen datum vermeld, maar ik neem aan dat de bewuste vergadering op 12 februari 1941 gehouden werd. Het verslag behelst de beslissingen om het harmo¬ nium te laten repareren, contributiekaarten te bestellen en weduwe Mink een woord van dank te schrijven voor de schenking van een orgelbankje.

Om de saamhorigheid tussen de leden te versterken en het bezoek aan de bijeenkomsten te stimuleren, werd op aandringen van Pieter Gerssen op de avond

Het
reilen en zeilen van de vereniging
9. Klaas Meinema en zijn verloofdeJannie Westemeng. Defoto werdgemaakt tijdens het bezoek van de leden van Obadja aan een bondsdag te Alkmaar, halverwege de jaren dertig.
33

van 4 januari 1931 een uit twee personen bestaande commissie van toezicht in het leven geroepen. Benoemd werden de initiatiefnemer zelf en Freek Brouwer.

In de vergadering van 30 oktober 1932 werden twee nieuwe leden gekozen, te weten Sjoerd Groothuis en Johannes Gerssen. Hoe de samenstelling in de jaren daarna is geweest, is niet bekend. Vanaf het najaar 1940 tot 25 oktober 1942 bestond de commissie uit Johannes Oost en Jelle Ekkelenkamp. Op laatstgenoemde datum werden Leendert Brouwer en Jo Gerssen (neef van de vroegere penningmeester) benoemd.

De leden van de commissie van toezicht hebben zich vooral beziggehouden met de vrienden die regelmatig de verenigingsavonden verzuimden. Met name in de oorlogsjaren kwam dit veel voor. De notulen geven er inderdaad herhaaldelijk blijk van dat de betrokkenheid van de Obadjanen tijdens deze periode afnam.

De opkomst van leden en bezoekers

Bij de oprichting telde Obadja zestien leden. Uit de aanmeldingsbrief aan het N.J.V. van 2 december 1930 blijkt, dat het ledenbestand inmiddels tot twintig was gestegen.

Degenen die te kennen gaven tot de vereniging te willen toetreden werden door de voorzitter voorgedragen. De vrienden kregen nu een week de tijd om eventuele bezwaren in te dienen. Was dit niet gebeurd, dan werden de gegadigden door de voorzitter als lid verwelkomd. De namen van de nieuwe Obadjanen werden steeds in de notulen genoteerd. In de eerste weken verliep de groei geleidelijk, maar op de avond van 11 januari 1931 gaven zich niet minder dan zeven personen op.

Uit de jaarboekjes van het N.J.V. blijkt, dat het aantal leden in het najaar 1931 26 bedroeg. Twee jaar later waren dat er 29, terwijl er voor 1934 maar liefst 38 vermeld staan. Voor de volgende jaren wordt steeds een getal van 32 gegeven. In 1941, het laatste jaar waarover gegevens bekend zijn, zakte het aantal leden tot 21.

De bijeenkomsten van Obadja waren toegankelijk voor belangstellenden. Van die mogelijkheid werd druk gebruikt gemaakt, zoals valt af te leiden uit de noteringen van het aantal bezoekers. In de eerste jaren bestond doorgaans eenderde tot de helft van de aanwezigen uit belangstellenden. Het kwam zelfs wel voor dat de bezoekers de vrienden ruimschoots in aantal overtroffen. Zo waren er in de samenkomst op 11 januari 1931 25 bezoekers tegenover 19 vrienden. En in de vergadering van 20 maart 1932 telde de secretaris naast de 19 leden maar liefst 27 belangstellenden.

Van de bezoekers werd verwacht dat zij in de pauze de rondgaande penningmeester een kleine bijdrage toestopten. Daartegenover stand dat zij aan de discussies

...
Obadja ’s gangen
34

10. Luchtfoto van het eiland Urk. Begin jaren dertig. (Foto KLM). mochten deelnemen. In de eerste jaren kwam het ook wel voor dat bezoekers een voordracht hidden. Wanneer de leden na de afhandeling van de gebruikelijke agenda wilden vergaderen over aangelegenheden die de vereniging raakten, werd de bezoekers verzocht het gebouwtje te verlaten. Aanvankelijk hadden bestuur en leden van Obadja wellicht uit vrees dat de bezoekers de sfeer in de bijeenkomsten te zeer zouden bepalen een tweeslachtige houding tegenover de belangstellenden. Zo werd zoals ik hiervoor al opmerkte tijdens de bestuursvergadering van 6 november 1930 besloten, dat bezoekers slechts een keer in de maand welkom zouden zijn. In de rondvraag van de bijeenkomst van 9 november 1930 werd dit besluit geformuleerd als: ”het bezoek zou zooveel mogelijk niet toegelaten worden”. De uitwerking van deze richtlijn zal niet groot geweest zijn, want ook nadien bleven de bezoekers trouw komen en werd hun aantal telkens nauwgezet genoteerd. Waren de Obadjanen misschien tot het inzicht gekomen dat het besluit niet uit te voeren was? Althans, in de vergadering van 11 januari 1931 besloten de leden weer gastvrijheid aan toehoorders te verlenen. Maar op 4 december 1932 was het weer raak. Op die avond werd door de vrienden het voorstel aangenomen om bezoekers voortaan alleen op de eerste zondag van de maand toe te laten en hen ”de andere 3 zondagen te weeren”.

Het
reilen en zeilen van de vereniging
35

Hoe lang deze afspraak stand heeft gehouden is door het ontbreken van notulen niet te zeggen, maar in elk geval was zij in 1940 in de vergetelheid geraakt.

De leden waren krachtens artikel 8 van de statuten gehouden de vergaderingen te bezoeken. Alleen wanneer er gegronde redenen waren, mochten zij verstek laten gaan. Het zonder kennisgeving aiwezig zijn was evenwel een euvel waaraan menig Obadjaan zich schuldig maakte. A1 in de bijeenkomst van 8 februari 1931 stelde Roelof Oost voor om aan hen die zonder wettige reden wegbleven een boete op te leggen. Ik vermoed echter dat zijn voorstel niet werd aangenomen, tenminste de notulen zeggen hier niets over. Toch werd handelend opgetreden, want een week later werden Roelof Schraal en Feike Groen als lid geschrapt, omdat zij al lange tijd de verenigingsavonden niet hadden bezocht.

Het waren niet alleen de leden van de commissie van toezicht die erop letten dat iedereen de vergaderingen regelmatig bezocht, ook de vrienden zelf deden dit. Meer dan eens werd iemand tijdens de rondvraag voor een verzuim ter verantwoording geroepen. In de al genoemde huishoudelijke vergadering van 20 november 1932 stond ook de opkomst van de leden op de agenda. De aanwezigen zegden toe hun verplichtingen voortaan naar behoren in acht te zullen nemen. Hoewel de voomemens dus goed waren, bleek het kwaad veertien dagen laten alweer zijn kop te hebben opgestoken. Tijdens de rondvraag van de avond van 4 december moest namelijk worden vastgesteld, dat Sjoerd Groothuis om onbekende oorzaak was weggebleven. Zijn afwezigheid, aldus de notulist, was ”in strijd met hetgeen wij elkander 14 dagen geleden vriendschappelijk hebben belooft”.

De kans om in het openbaar wegens verzuim van de vergaderingen aangesproken te worden, was voor een enkeling zeer zeker een stevige wandelstok achter de deur om trouw op te komen. Zo bood Hendrik Wakker in de bijeenkomst van 30 maart 1941 zijn verontschuldiging aan en beloofde beterschap, toen hem gevraagd werd waarom hij enkele weken achtereen verstek had laten gaan.

Uit de notulen blijkt, dat in de oorlogsjaren het bezoek van leden en belangstellenden terugliep. In het seizoen 1940-1941 kwam het wegblijven van de leden herhaaldelijk in de rondvraag ter sprake. De commissie van toezicht en het bestuur deden hun best de wegblijvers over te halen zich daadwerkelijk bij de vereniging betrokken te tonen, maar uit de noteringen van de aantallen aanwezigen blijkt dat deze inspanningen weinig uithaalden. Tussen oktober 1940 en maart 1941 schommelde het getal tussen 24 en 32. Vanaf laatstgenoemde maand daalde het gemiddelde onder de 25. Na november 1941 tot aan het einde van de periode waarover verslagen gemaakt werden, lag het gemiddelde tussen veertien en twintig aanwezige leden.

Het aantal bezoekers wisselde in deze jaren tussen een en zes.

Obadja
36

Het reilen en zeilen van de vereniging

Het verzuimen van de vergaderingen door een groot aantal leden stelde de trouwe vrienden voor de vraag wat te doen met de wegblijvers. Om daarover duidelijkheid te krijgen, liet Jelle Ekkelenkamp als lid van de commissie van toezicht in de bijeenkomst van 26 oktober 1941 een lijstje rondgaan met de namen van hen die de verenigingsavonden al geruime tijd niet hadden bezocht. Hij legde de aanwezigen vervolgens de vraag voor, of degenen die op dit lijstje stonden lid konden blijven of dat zij als geschorst beschouwd dienden te worden. In het laatste geval zouden ze pas weer toegelaten mogen worden zo was Ekkelen¬ kamp van mening na beloofd te hebben hun plicht te zullen nakomen. De vrienden besloten tot het laatste. Het was in deze jaren overigens niet alleen kommer en kwel met wegblijvende en vertrekkende leden. Er kwamen wel degelijk nog nieuwe Obadjanen bij. Zo konden op de avonden van 21 februari en 8 maart 1942 telkens twee nieuwe vrienden welkom worden geheten, en op die van de week daarop zelfs vier!

De afnemende betrokkenheid bij de vereniging kan voor wat het eerste oorlogsjaar betreft verband houden met de verstoring van het vergaderritme. Deze ontstond doordat het bestuur van Obadja in het najaar van 1940 de vergadertijden aanpaste aan het vervroegde aanvangsuur van de kerkdiensten. Ik kom hier nog op terug.

De teruglopende belangstelling in de latere bezettingsjaren was mede te wijten aan de groeiende angst bij de jonge mannen om door de bezetters te worden opgepakt en voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland te worden gestuurd. Veel Obadjanen zullen het dan ook raadzaam hebben gevonden de vertrouwde plaats van samenkomst te mijden.

De belangstelling van ouderlingen, predikanten EN GODSDIENSTONDERWIJZERS

De verenigingsavonden werden af en toe opgeluisterd door ouderlingen, predikan¬ ten en godsdienstonderwijzers die een preekbeurt op Urk vervulden. Uit de notulen blijkt, dat de ouderlingen niet deelnamen aan de discussies; wel werd hun meestal gevraagd het slotgebed uit te spreken. Met name Freek Brouwer hij was een oom van de Obadjaan met dezelfde naam lag Obadja na aan het hart, tenminste in de beginjaren staat zijn tegenwoordigheid maar liefst zeven keer opgetekend. Zo sprak hij in de bijeenkomst van 4 januari 1931 ter gelegenheid van de jaarwisseling een hartelijk woord: ”Ons er op wijzende dat wij weder een nieuwe tijdkring zijn ingetreden; hoe wij in dit nieuwe tijdperk weer worden geroepen de Heilige Schrift te onderzoeken en ons met ijver en opgewektheid er aan te wijden.” Vervolgens wenste Brouwer de aanwezigen een ’’heilrijk en gelukkig nieuwjaar toe”.

37

eindjaren dertig gemaakt.

Ouderling Pieter de Boer vroeg het woord in de vergadering van 21 februari 1932. Hij wees de vrienden, die de kerkdienst op zondagmorgen nogal eens verzuimden met klem op hun plicht.

Eenmaal heeft dominee Albertus Blink Kramer zich met een zaak van de vereniging bemoeid. Er leek niets aan de hand te zijn toen de voorzitter in de rondvraag van de avond van 25 januari 1931 meedeelde, dat hij aan de heer H. Maarhuis - godsdienstonderwijzer te Andijk - gevraagd had een lezing voor de vereniging te houden en dat deze daartoe bereid was. Men besloot hem uit te nodigen voor dinsdag 10 februari, de avond voor biddag. In de samenkomst op zondag 8 februari evenwel kwam de predikant de vergadering binnen en vroeg in de rondvraag het woord, om te zeggen wat hij van de gemaakte afspraak vond: ”Wij moesten in gevolge wat voorzichtiger zijn”. Lag het onderwerp waarover Maarhuis zou spreken wellicht gevoelig, of was de predikant het er niet mee eens dat de afspraak buiten hem om was gemaakt? De notulen laten ons in het ongewisse; ik neem aan dat de lezing wel doorgegaan zal zijn. Hoe het zij, tussen Obadja en Maarhuis ontstond een goede band. Zo

Obadja’s gangen ...
11. Freek Brouwer en zijn zoon Leendert voor hun groentewinkel in de Oudestraat; Brouwer was in dejaren dertig en veertig ouderling van de hervormde gemeente. De foto werd
38

reilen en zeilen van de vereniging

was hij aanwezig in de bijeenkomst van 20 december 1931, waar hij de Obadjanen aan het slot van de avond bemoedigend toesprak. Nadat hij verband had gelegd tussen het optreden van de profeet Obadja en de wijzen uit het oosten, ’’drukte hij ons op het hart om niet als een doode handwijzer te blijven staan en te zeggen: daar of daar is Christus. Nee, wij moeten als een gids met de measchen mee en zeggen: hier is de Christus”!

De bezoekende predikanten en godsdieastonderwijzers mengden zich doorgaans in de gedachtenwisseling na de voorlezing van de bijbelse inleiding of het opstel. Het kwam ook wel voor, dat zij een vraag uit de vragenbas beantwoordden. Zo legde de heer Maarhuis op zondag 20 december 1931 voorganger in het Kerkje aan de Zee naar aanleiding van Sjoerd Groothuis’ werkstuk over de Kruistochten de Obadjanen de vraag voor, of het aantal slachtoffers tegen de voordelen van deze krijgsondernemingen opwoog. De aanwezigen beantwoordden zijn vraag in meerderheid ontkennend.

12. Pieter de Boeren zijn vrouw Elisabeth voor hun huis in de Oudestraat (wijk 6, no 49). De Boer was in dejaren twintig en dertigouderlingvandehervormdegemeente.

Op 8 november van hetzelfde jaar bracht zijn Amsterdamse collega H. Heeresma een bezoek aan Obadja. Bij die gelegenheid beantwoordde hij twee vragen, die een week eerder in de vragenbus waren gedaan. Een daarvan was afkomstig van penningmeester Pieter Gerssen. Het was deze: Waarom heeft God de mens laten valien? Deze avond heugt Pieter Gerssen nog goed:

’’Die beantwoording is me bijgebleven. Heeresma logeerde bij mijn oom Jaap. Hij wilde graag met me mee naar de bijeenkomst van Obadja. Ik zou met meer knnnen zeggen ofik hem mijn vraag ondetweg heb voorgelegd, maar ik weet nog wel waar zijn antwoord op neerkwam. Je moet niet vragen waarom God de mens liet vallen, maar waartoe Hij dat deed. En het antwoord op die vraag luidt: om tot dat ene grote einddoel te komen, de verlossing door Zijn zoon Jezus Christus".

Ilet
39

13.

tweede helft van dejaren dertig; Albert Kroon, tweede rij van boven rechts, werkte in deze tijd als kwekeling aan deze school; links boven meester Tennis Ruiten; op de tweede rij van boven in het midden Geert Heetebrij, hoofd van de school.

Drie weken later was Heeresma er weer, en nu maakte hij iets bijzonders mee. Er ontstond namelijk een enigszins stekelig dispuut naar aanleiding van de voordracht, die Willem Schraal (de oudere) gehouden had en die als titel droeg Een benauwd ogenblik. In vinnige bewoordingen notuleerde secretaris Pereboom hierover:

’’Hnkele pesimisten, welke met vooroordeling Obadja binnenkomen deden opmerkingen aangaande de voordracht; doch deze heeren zat het niet glad, daar de gehele houding der verg[adering] tegen hen gekant was en de voorz[itter] zijn mannetje stand”.

Heeresma maakte vervolgens een eind aan de discussie met de opmerking, dat gepaste emst en gezonde humor beide in bijeenkomsten vanjongelingsvcrenigingen thuishoorden.

In de jaren veertig hadden de Obadjanen niet langer de eer bezoek van een ouderling of predikant te krijgen. In de rondvraag van de vergadering van 1 december in de notulen staat 30 november 1940 werd zelfs geklaagd, dat dominee Van Wieringen zich nooit liet zien. In dit opzicht was het met zijn opvolger Arie Pietersma, die in het najaar van 1942 naar Urk kwam, anders ge-

Obadja’s gangen ...
Klassefoto van de Rehobothschool uit de
40

Het reilen en zeilen van de vereniging

steld. Hij was ook degene die Obadja in de loop van 1943 het vaarwater van de kerkelijke gemeente binnenloodste.

De bibliotheek

In de eerste jaren bleef het aantal boeken dat Obadja in bezit had beperkt tot zo’n twaalf stuks. Daaronder waren ongetwijfeld de vijf bundeltjes met voordrachten, die het N.J.V. de Urker afdeling bij haar toetreding ten geschenke had gegeven. A1 vrij snel moet de vereniging een of meer bijbelverklaringen hebben verworven. Hoe dan ook, de aanduiding bibliothecaris was voor het werk dat Lub Kramer moest doen een veel te weidse omschrijving. Door aankoop en schenkingen nam Obadja’s boekerij weliswaar toe, maar zij bleef tot aan het eind van de jaren dertig een bescheiden omvang houden. Dankzij blijvende inspanning slaagde het bestuur er omstreeks het begin van de bezettingstijd evenwel in de eerste heuse bibliotheek in te richten. Met name Jan Pieter Otter en Albert Kroon, die halverwege de jaren dertig in Zwolle voor onderwijzer studeerde en na de voltooiing van zijn studie als leerkracht naar Urk terugkeerde, hadden een werkzaam aandeel in de verwerving en het beheer van de boeken. Over zijn bemoeienis met de bibliotheek vertelt Kroon het volgende:

14. Lub Kramer voor het toenmalige ge meentehuis; elfjaar lang was hij bibliothe caris van Obadja.

”Toen ik in het najaar van 1936 ik was achttienjaar lid van Obadja werd, heb ik mij dadelijk ingezet om het schamele aantal boeken uit te breiden We hadden in die tijd niet veel meer dan enkele handboeken bij de bijbel, die gebmikt werden ten behoeve van de inleidingen. Zo herinner ik mij de bijbelverklaring van Matthew Henry, een bijbelcommentaar van de Franse theoloog F. Godet en een prachtig exemplaar van Op Bijbelse Bodem, van de hand van professor Obbink Dit laatste was een boek over de archeologie van het oude Israel

41

Door middel van een inzameling bij boekenbezitters onder wie dominee Van Wieringen lukte het een kleine bibliotheek samen te stellen. Daamaast namen wij abonnementen op enkele series, zoals de Nobelreeks en de uitgaven van de Vereniging voor Christelijke Lectuurvoorziening beide uitgegeven door Kok te Kampen. Nog voor de oorlog konden wij door bemiddeling van Gradus Brouwer ongeveer 1100 boeken van een hervormde gemeente in Zaandam aankopen voor de spotprijs van f 125-! Brouwer vervulde in deze gemeente een bepaalde functie. Ik weet nog dat deze boekenschat verpakt in grote kartonnen dozen met het klippertje van Griet van Lub op Urk aankwam. Voor het overbrengen werd ons maar tien gulden in rekening gebracht. Met een advertentie in De Oprechte Urker werd het bestaan van de nieuwe biblio¬ theek de dorpsgenoten aangezegd En toen konden wij gaan uitlenen: een boekper week voor vier cent en drie boeken voor een dubbeltje. Op zaterdagmiddag hielden wij van drie tot vijf uur zitting in het verenigingsgebouw. Meestal Hep het storm. Onze bibliotheek bevatte nu zo 'n 1250 titels. Naar de huidige maatstaven mag dat weinig lijken, voor de Urker gemeenschap betekende het in die dagen heel wat!”

Op 5 oktober 1941 legde Lub Kramer zijn functie neer. Hij werd opgevolgd door Willem Schraal (de jongere). Ongetwijfeld zal in de bijeenkomst van die zondag de voorzitter Kramer bedankt hebben voor al het werk dat deze gedurende elf jaar voor de vereniging gedaan had. De secretaris vergat echter in zijn verslag van dit dankwoord melding te maken. Hij kwam er de zondag daarop eigener beweging op terug en hij vroeg toestemming om alsnog in de notulen vast te leggen, dat ”onze oude Bibliotecaris” zich al die jaren tot voile tevredenheid ”van geheel Obadja” had ingezet. ”Er waren fouten, maar wie van ons zonder zonden is werpe de eerste steen”, zo kon notulist Jan Pieter Otter niet nalaten kapittelend aan zijn loftuiting toe te voegen.

Het bestuur hield in de persoon van Albert Kroon nauw toezicht op het welzijn van de boeken. Herhaaldelijk treffen wij tussen oktober 1940 en mei 1943 oproepen in de notulen aan om de geleende werken ’’zmdelijk” te houden en ze na lezing terug te brengen.

Van tijd tot tijd werden boeken, die vaak werden uitgeleend en dus aan slijtage onderhevig waren, voor een zacht prijsje van de hand gedaan. Dat gebeurde ook met studieboeken die weinig of geen aftrek vonden. Voor de opbrengst werden dan werken aangeschaft waarvoor meer belangstelling verwacht kon worden. Zo werd in de vergadering van 28 februari 1943 het voorstel van Albert Kroon aangenomen om een bijbels handboek met concordantie aan te schaffen. De belangstelling voor de bibliotheek was zo groot, dat het voor een man te veel werk werd.

...
Obadja ’s gangen
42

Het reilen en zeilen van de vereniging

Vandaar, dat Albert Kroon in de samenkomst op 11 januari 1942 een beroep op de vrienden deed om op zaterdagmiddag een handje te komen helpen. Jo Gerssen, Jan Pieter Otter en Leendert Brouwer schoten nadien bij toerbeurt te hulp.

Het harmonium en de katheder

In de eerste jaren van Obadja moesten de vrienden het bij het zingen zonder orgelbegeleiding stellen. De behoefte aan dit instrument was er wel, maar pas na vijfjaar had men genoeg geld in kas om een orgeltje te kunnen kopen. Uit een bericht in De Oprechte Urker van 17 oktober 1935 weten we dat het harmonium geplaatst werd:

”Het gebouwtje naast de Herv. Pastorie, dat vorige winter geheel inwendig werd verbeterd op initiatief van Ds. Marsman en aan gezelligheid en tevens aan meer geriefehjkheid in de ruimte won, is thans ook van een orgel voorzien. Het instrument is vorige week gearriveerd en inmiddels geplaatst. Voor de Herv. Jeugdvereenigingen die hier vergaderen is dit een mooie aanwinst.”

Aan Pieter Zandstra tussen 1 mei 1933 en 15 September 1936 onderwijzer op Urk - kan zich nog te binnen brengen hoe Obadja aan dit harmonium kwam.

"In een advertentie hood iemand uit de provincie Groningen een orgel aan. Het was niet duur en het zou gaan om een vrij royaal instrument. Wij bestelden het en op het eerste gezicht leek het heel wat. Maar bij nader onderzoek ontdekten wij tot onze grote teleurstelling dat men in defors ogende kast een heel klein, oud orgeltje gebouwd had. Er kwam nauwelijks een fatsoenlijke toon uit. In de eerste opwelling wilden wij hetgeval meteen terugsturen, maar iemand deed het voorstel eerst eens grondig te onderzoeken ofer toch niet iets van te maken vieL En zo hebben wij het hele instrument uit elkaargehaald, schoongemaakt, onderdelen aan elkaar geplakt en eindeloos gezocht naar de oorzaak van het alsmaar blijven hangen van die ene toon! We. vonden ten lange teste hoe dat kwam en zo kreeg Obadja dan toch zijn orgeltje. Het was weliswaargeen klankjuweel, maar het zingen werd er in elk geval een stuk plezieriger op”.

Johannes Oost werd de vaste organist en hij zou dat blijven tot aan zijn bedanken als lid op 15 november 1942. Vanaf het najaar van 1936 was Albert Kroon trouwens beschikbaar om hem te vervangen als dat nodig was. Aan het eind van de jaren dertig kwam Obadja door een erfenis in bezit van een zo goed als nieuw harmonium, een orgeltje met een doorlopende harp. In de loop van 1940 was dit instrument nodig aan een opknapbeurt toe. Jelle Ekke-

43

lenkamp drong er in de rondvraag van de vergadering van 12 januari 1941 op aan om het te laten stemmen. De voorzitter antwoordde hem dat dit pas kon gebeuren zodra een vakman ”ons eiland” zou bezoeken.

Op 19 oktober van dat jaar was het orgelleed overigens geleden, want in het verslag van die avond kon de secretaris tevreden optekenen dat het harmonium na reparatie aanmerkelijk zuiverder was geworden.

Omdat ook andere verenigingen van het gebouw Eben Haezer gebruik maakten, gebeurde het nogal eens dat onbevoegde vingers de toetsen en klankregisters beroerden. Dit kwam de toestand van het harmonium uiteraard niet ten goede. Zodoende namen de leden op 21 februari 1943 het besluit een slot op de klep te laten zetten en de sleutel bij een van de bestuursleden in bewaring te geven.

15. Aan Pieter Zandstra (tussen 1933 en 1936 onderwijzer op Urk), in Urker dracht; aan de achterzijde van zijn kosthuis in de Cementenstraat in wijk 6.

Was de zorg voor het behoud van het harmonium een probleempje dat gemakkelijk was op te lossen, de aanschaf van een nieuwe katheder had daarentegen heel wat meer voeten in het keileem. Zoals gezegd, bezat de vereniging een nogal groot uitgevallen spreekgestoelte. Niet zozeer door het intensieve gebruik alswel doordat de katheder zo vaak versleept werd, raakte hij na verloop van tijd in verval. Zo diende hij elke week zijn plek te ruimen voor de bibliothecaris en zijn hel¬ pers, en ook wanneer bezoekers van de andere verenigingen en de catechisanten dit nodig vonden.

In het begin van 1941 moet de katheder buiten gebruik zijn gesteld, althans in de rondvraag van de samenkomst van 12 januari van genoemd jaar drong Jan ten Napel erop aan weer een spreekgestoelte te plaatsen. De voorzitter zegde hem toe dat het bestuur in zijn eerstkomende vergadering hierover een beslissing zou nemen. En de volgende oplossing kwam uit de bus: Johannes Oost werkzaam als zelfstandig timmerman kreeg de opdracht een nieuwe katheder te maken. Deze goed bedoelde beslissing pakte echter anders uit. Daarop duidt de omschrijving ’’kathedervraagstuk” in de notulering van de avond van 23 februari 1941. Als 44

Het reilen en zeilen van de vereniging

antwoord op Ten Napels vraag hoe het met het nieuwe spreekgestoelte stond, moest de voorzitter erkennen dat de zaak vertraagd was. Enkele vrienden waren er namelijk niet over te spreken geweest, dat Oost de opdracht zonder meer had gekregen. Zij hadden er verder op gewezen, dat er meer goede vaklieden onder de Obadjanen waren. De voorzitter gaf Ten Napel daarop de verzekering, dat het bestuur zou proberen het gcschil uit de weg te ruimen. Maar dat ging niet zo gladjes als men gehoopt had, tenminste in de rondvragen van de bijeenkomsten van 16 en 30 november 1941 kwam de katheder weer ter sprake. Toch kwam er een nieuwe "en nog wel een hele mooie”, zo weet Jan ten Napel te vertellen.

”De lessenaar was bedekt metgroene bekleding terwijl de zijkanten behangen waren metfranje, eveneens groen. Wie dat fraaie werkstuk gemaakt heeft, kan ik me helaas niet meer heugen. ”

De wff.rsi.ag van de Duitse bezetting

De bezetting van ons land had niet alleen ingrijpende gevolgen voor de uiterlijke kant van het verenigingsleven, maar had ook haar uitwerking op de beleving van het individuele lid en daarmee op de sfeer in de wekelijkse bijeenkomsten. Dit valt onder meer af te lezen aan de slinkende aantallen bezoekende leden en belangstellenden, de wisselingen in de vergadertijd en de thema’s voor de opstellen en voordrachten.

De verandering van sfeer wordt al meteen merkbaar in het verslag van de eerste vergadering van het seizoen 1940/1941. De voordracht die Jan ten Napel op de avond van 20 oktober hield heette Onbekende soldaat. Eveneens een duidelijke verwijzing naar de oorlog is het opstel, dat Leendert Brouwer in de bijeenkomst van 19 december 1941 voorlas en dat als opschrift had Er is nog plants voor Kerstvrede in 1941. Tenslotte vormden twee vragen uit de vragenbus, die betrekking hadden op de oorlog, het onderwerp voor een opstel. Ik ga daar later verder op in.

Naast de hiergenoemde directe verwijzingen is de weerslag van de bezetting ook merkbaar aan de toenemende belangstelling voor godsdienstige onderwerpen. Waren politieke gebcurtenissen en maatschappelijke vraagstukken voorheen goed voor menig opstel, in de jaren na 1940 putten de makers van werkstukken hun onderwerp vooral uit de bijbel en het geloof. Lichtvoetige en Iuimige voordrachten gingen in deze tijd tot de uitzonderingen horen. En die emstige stemming is goed te begrijpen, want welke politieke kwestie ofwelk maatschappelijk vraagstuk viel er nog te bediscussieren in een samenleving waar onderdrukking en bedreiging het leven overheersten?

45

21 sept. 1940

6 okt. wordt de klok een uur terug gezet. De 40 minuten blijven er bij, zoodat we dus midden-Europese tijd houden.

12 okt. 1940

De zomertijd is voorlopig gehandhaafd. Voor hoelang is nog niet bekend. De dagen korten 's morgens vlugger in dan 's avonds. Duurt het nog lang dan zullen de kerken in plaats van om half 10 om half 11 moeten beginnen.

In de samenkomst op 20 oktober 1940 werden de aanwezigen er al meteen met hun neuzen opgcdrukt, dat de tijden letterlijk veranderd waren. In de rondvraag deelde de voorzitter namelijk mee, dat in verband met de vervroegde aanvangsuren van de middagkerkdiensten de hervormde en gereformeerde godsdienstoefeningen begonnen om vier uur, terwijl de christelijk gereformeerden het op vijf uur hidden ook de vergaderingen van Obadja de komende tijd eerder zouden beginnen. Het tijdstip van samenkomst zou half zeven worden. De vervroeging van de diensten was bedoeld om de kerkgangers de ongemakken van het lopen langs donkere straten zoveel mogelijk te besparen. De bezetters hadden namelijk voorgeschreven, dat huizen en gebouwen afgeschermd moesten worden tegen uitstralend licht. Bovendien hadden zij al op 16 mei verordend dat in Nederland voortaan de midden-europese tijd zou gelden. Tot dan toe had in ons land de Amsterdamse tijd het levensritme aangegevcn. In de herfst en winter liep deze veertig minuten achter bij de midden-europese tijd. Vanwege de zomertijd moest na 16 mei 1940 in Nederland de klok een uur en veertig minuten vooruit worden gezet. Deze sprang in de tijd zal, tezamen met de verduisteringsplicht, door veel mensen als buitengewoon onaangenaam ervaren zijn. De Oprechte Urker geeft in de maanden September en oktober ettelijke berichten over het scherpe toezicht dat de Duitsers op de naleving van de verduistering uitoefenden, en over de moeilijkheden die mensen ’s avonds op straat ondervonden.

Gezien deze omstandigheden hoeft het niet te verbazen dat de hervormde en gereformeerde gemeenten hun kerkdiensten vervroegden. Het is daarentegen verrassend dat de christelijk gereformeerden dit niet deden. Het bestuursbesluit om de vergadertijd van Obadja een uur te vervroegen gaf overigens nog wel aanleiding tot een kleine discussie. Jan ten Napel was namelijk bang dat sommige Obadjanen thuis moeilijkheden zouden krijgen en daarom deed hij het voorstel in plaats van half zeven, om zeven uur samen te komen:

"In gewone tijden wasje na de avondkerkdienst ongeveer halfzeven thuis. Er werd dan naar gewoonte een broodmaaltijd gebruikt.

Obadja’s gangen ...
46

Het reilen en zeilen van de vereniging

Na het eten gingen we vrijwel meteen naar de vereniging. Hoewel in het voorstel van het bestuur rekening werd gehouden met eenzelfde tijdsruimte kort voor halfzes gingen de kerken uit en wij zouden om halfzeven heginnen was ik bang dat de oudere generatie niet bereid zou zijn het etensuur met gelijke tred te vervroegen. Er was naar mijn mening ook geen dwingende noodzaak om tegen halfzeven te heginnen. Al heelgauw namelijk zou de duistemis als gevolg van de korter wordende dagen ons toch parten gaan spelen. Bovendien begon de spertijd de uren waarin men binnenshuis moest blijven pas om middemacht.

Hetgebouwtje kon overigens goed worden verduisterd Alsje binnenkwam, moest je eerst in het halletje wachten totdat de buitendeur dicht was. Dan pas mochtje het vergaderlokaaltje in.

In die eerste oorlogsjaren werd op Urk door de bezetters niet gelet op het aantal personen dat een vergadering bezocht. Dit werd anders toen zij versterldng kregen en ’s avonds gingen patrouilleren”.

Ook in het seizoen 1941/1942 besloten de leden van Obadja ’’gelijk met de kerk op en neer te gaan met de tijdwisseling”, aldus de notulen van de vergadering van 26 oktober.

In de bijeenkomst van 8 februari 1942 stelde Johannes Oost voor in het vervolg de vergadering om zeven uur te laten beginnen. Zijn voorstel werd aangenomen. Maar het nieuwe tijdstip beviel kennelijk niet, want al een week later merkte Albert Kroon in de rondvraag op, dat de kerken om ongeveer half zeven uit waren. Daarom was het volgens hem voor de Obadjanen niet zo gelukkig dat zij om zeven uur moesten beginnen. Blijkbaarwaren de kerkgenootschappen op hun vertrouwde uren terug. Hij zou graag zien, dat ook de vrienden van Obadja weer zouden keren naar het tijdstip van half acht. Zo dachten de meeste leden er ook over.

Waren de ongemakken van verduistering en wisseling van vergadertijden met een beetje goede wil nog op te lossen, de beknotting van de vrije meningsuiting betekende daarentegen een regelrechte bedreiging voor het bestaan van de vereniging. Naar aanleiding van een overlijdensadvertentie in De Jongeman voor een in de meidagen van 1940 gesneuveld lid van het N.J.V., kreeg het blad op 6 februari 1941 een verschijningsverbod opgelegd. Daarvan deed de voorzitter van Obadja mededeling in de vergadering van 16 februari. Het achterwege blijven van de ondersteunende artikelen ten behoeve van de bijbelse inleidingen ving het NJ.V. op door ze in brochurevorm te laten verschijnen.

Verder is in de notulen te lezen dat de levensmiddelen en -benodigdheden schaarser werden. Zo stelde Tijmen Wakker op de avond van 28 februari 1943 voor honderd schriften aan te schaffen om de dreigende papierschaarste het

47

16. Blik op de omgeving van de hervormde kerk. Defoto werd doorKlaas Mcinema, vermoedelijk in 1935, vanafde trans van de toren van de hervormde kerk genomen. Op de voorgrond is een gedeelte van het gebouw Eben Haezer te zien.

hoofd te kunnen bieden. Leendert Brouwer deed daarop het aanbod de gevraagde hoeveelheid te leveren. Diezelfde Leendert Brouwer zag bovendien kans het 12y2-jarig bestaan van Obadja, dat in maart of april 1943 de juiste datum is mij niet bekend - op bescheiden wijze in eigen kring werd gevierd, luister bij te zetten met een tractatie. Voor dat doel had hij de vrienden tijdens de bijeenkomst van 21 februari met klem op het hart moeten binden vier meelbonnen mee te brengen. Dit heugt Brouwer nog heel goed:

"Als groenteboer had mijn vader een goede verstandhouding met verschillende andere winkeliers. Zodoende konden wij afen toe de hand leggen op het een of ander. De bij ons in de buurt wonende bakker Frissien Bode hoorde tot vaders relaties. Ik weet nog wat die tractatie was; dikkertjes, de bij ons Urkers zo geliefde goedgevulde koeken”.

Tenslotte was ook het besluit van het bestuur van Obadja om uit het N.J.V. te treden het gevolg van het beleid van de bezetters. De beknotting van de vrije meningsuiting, de toenemende greep op het verenigingsleven, de groeiende dreiging voor jongemannen om in Duitsland tewerkgesteld te worden en het

Obadja's gangen ...
48

Het reilen en zeilen van de vereniging

inkrimpen van de reismogelijkheden leidden ertoe dat het Verbond het initiatief nam om de afdelingen nauwere banden te laten aanknopen met de plaatselijke kerkelijke gemeenten. Op deze manier hoopte het bondsbestuur een zekere bescherming te kunnen bieden tegen de druk van de Duitsers. Om dezelfde redenen ontstond ook bij de kerkeraden de wens de band met de jongelingsverenigingen steviger aan te halen. Hoe een en ander bij Obadja in zijn werk is gegaan, onttrekt zich door het ontbreken van archiefbronnen aan onze blik. In elk geval werd in de bijeenkomst van 7 maart 1943 aan de leden meegedeeld, dat het bestuur besloten had het NJ.V. vaarwel te zeggen. Deze beslissing werd echter niet onmiddellijk ten uitvoer gebracht. Door een misverstand gebeurde de opzegging pas met ingang van 1 januari 1944. Maar toen het seizoen 1943/1944 begon trad Obadja eigenlijk al op als een vereniging die deel uitmaakte van de hervormde gemeente. Die kerkelijke koers bleef men ook na de bevrijding varen, ondanks pogingen van dominee Johannes Anthonie Gelderman om Obadja weer te laten toetreden tot het Nederlands Jongelingsverbond.

Waarom men ophield met het maken van notulen

Als gevolg van de langdurige ziekte van secretaris Jan Pieter Otter werden vanaf het najaar 1942 de verslagen van de vergaderingen door wisselende notulisten gemaakt. Dit leidde ertoe, dat een herhaling optrad van geijkte formuleringen. Het wegvallen van de vaste verslagmaker zal er ook wel de oorzaak van zijn geweest, dat het notulenschrift tussen 22 november 1942 en 21 februari 1943 een gapend gat vertoont. Een aantal leden en het bestuur waren niet gelukkig met de manier waarop genotuleerd werd, zoals blijkt uit de opmerking onder het verslag van de samenkomst op 4 april 1943: ”Meer uit te werken”! Deze vermanende woorden trok degene die het verslag van de avond van 11 april maakte zich wel heel letterlijk aan, want hij sloofde zich uit om zelfs de gewoonste zaken in kleurrijke bewoordingen te schilderen. Zo heette het dat de leden ongeregeld binnenkwamen, terwijl Tijmen Wakker enige concertklanken ten gehore bracht. Hij zou overigens niet de organist van die avond zijn, zoals we dadelijk zullen zien. En waar de inning van de contribute in de pauze het gewoonlijk moest stellen met alleen de vermelding daarvan, werd het nu: ’’waarin de dienstdoende elementen onder opkringelende wolken van genot hun werk doen”. Misschien waren de geesten door die prachtige orgelklanken en heerlijk geurende rook ietwat bedwelmd geraakt en dat zou geen wonder geweest zijn met die tabak van eigen kweek! althans men vergat de notulen van de vorige vergadering voor te lezen. Dit verzuim werd door Jan ten Napel - maar hij had dan ook

49

eerder over de hinder van de sigarettenrook geklaagd opgemerkt. De voorzitter stelde daarop voor het verslag na de pauze aan de orde te stellen. Ten Napel maakte nu van de gelegenheid gebruik om zijn al langer gekoesterde kritiek te spuien. Hij beweerde, dat de notulen de laatste tijd niets anders waren dan een opsomming van feiten ’’die gepasseerd zijn”. Het doel van het maken van verslagen was toch meer dan het noemen van de sprekers en hun onderwerpen alleen. Leendert Brouwer naar ik meen was hij de schrijtVaardige notulist van deze bijeenkomst - kon niet nalaten de criticus een plaagstootje na te geven. Aan het slot van zijn verslag schreef hij namelijk: ”De muzikale begeleiding berustte in de onmuzikale, wat te stijf geworden handen van den Heer J. te[n] Napel”. Overigens herinnert Jan ten Napel zich wat de aanleiding tot de opmerking over zijn stramme handen was:

”Ik had mij zelfiets van de kunst van het orgelspelen bijgebracht. Noten lezen kon ik niet, maar het ten gehore brengen van een aantal bekende liederen ging me redelijk goed af. Toen de vaste organist op die avond afwezig was, sprong ik in het diepe water en begeleidde zo goed en zo kwaad als het ging de zang. De liederen die wij toen zongen, waren nog niet in mijn geheugen vastgelegd. Ik moest nogal eens wachten totdat de zangers hadden ingezet en pikte dan mijn nootje op. Tegen het einde van het lied kwam ik aardig op dreef, zodat we toch in goede harmonie eindigden”.

De knuppel die Ten Napel in het hoenderhok had gegooid, werd van de grond geraapt. In de vergadering van 18 april stelde Albert Kroon voor het notuleren af te schaffen en in plaats daarvan besluitenlijstjes te maken. Zijn voorstel werd met algemene stemmen aangenomen.

Ten Napel zou dat niet meer meemaken, want in diezelfde bijeenkomst maakte hij bekend dat hij zijn lidmaatschap van Obadja beeindigde. Hij vertelt hierover:

"In 1943 werd het voorjongemannen steeds riskanter om op straat te zijn. Zodoende nam ik aan het eind van het seizoen 1942/1943 afscheid van Obadja, na gelijk Jacob, zeven jaren gediend te hebben. Het waren jaren van vorming en onderricht over zaken die niet alleen dit leven, maar ook de tijd daama betrojfen. Ik was dankbaar voor de discussies over het wezenlijke van ons geloofen belijden.”

Terecht kreeg Ten Napel van de voorzitter woorden van dank toegesproken, omdat hij zich door de jaren heen steeds voor de vereniging had ingezet en in de bijeenkomsten zo’n werkzaam aandeel had gehad.

...
50

Dejaarvergaderingen

Obadja kreeg op Urk vooral bekendheid door zijn toneeluitvoeringen tijdens de jaarvergaderingen. In calvinistische kringen sprak men overigens van samenspraak en voor zover het godsdienstige stukken betrof van lekespel, omdat toneelspelen werelds werd geachL De verslagen in De Urker Cowant na 1935 in De Oprechte Urker geven slechts indrukken van de feestavonden weer. Voor de inhoud van de toneelstukken en wie er zoal in meespeelden zijn we voomamelijk aangewezen op de herinneringen van degenen die het hebben meegemaakt; temeer omdat ook de notulenschriften niet erg mededeelzaam zijn over de stukken die gespeeld zouden worden. Het is echt een uitzondering dat wij in het verslag van de bijeenkomst van 8 maart 1942 lezen, dat Jan ten Napel de rollen van de samen¬ spraak Wie Erin Is Is Erin ronddeelde.

Volgens artikel 11 van de statuten waren jongelingsverenigingen verplicht elk jaar een vergadering te houden ter herdenking van hun oprichting en deze op christelijke wijze te vieren. In het eerste seizoen beperkten de Obadjanen zich tot het beleggen van een gezellig avondje voor de leden op zaterdag 11 april 1931. Nadat gedurende een aantal jaren de feestelijke bijeenkomsten in januari of maart waren gehouden, werd februari voor Obadja de vaste maand voor zijn jaarvergadering.

In feite ging het om twee avonden. De eerste was alleen toegankelijk voor leden en begunstigers; voor de tweede werden kaarten verkocht. De opbrengst kwam ten goede aan de verenigingskas. De eerste jaarvergaderingen werden opgeluisterd met voordrachten, voorlezingen van opstellen en korte samenspraken. Zo valt in De Urker Cowant van 28 januari 1932 te lezen:

”De Ned. Herv. Jongelingsvereen. Obadja heeft Donderdagavond [vermoedelijk 21 januari] in de bovenzaal van Hulp en Steun met hare leden, begunsti¬ gers en genodigden jaarvergadering gehouden. De vergadering die onder leiding van den voorzitter van Obadja den heer Joh. Mink [stand], had een aangenaam en vlot verloop. Verslagen werden uitgebracht, terwijl verscheidene leden bijdragen leverden in den vorm van opstel, voordracht of samenspraak. De vereeniging Obadja telt een flink aantal leden en heeft over geen gebrek aan belangstelling te klagen.”

De krant van 11 februari maakt er nog melding van dat de vereniging binnenkort

De
jaarvergaderingen
51

17. Het gebouw Hulp en Steun op de West-havenkade; het diende als opslagruimte voor de ijsvlet. Na de verbouwing in 1931 werd de bovenverdieping verhuurd aan verenigingen. Obadja heeft hierenkelejaarvergaderingen gehouden. Vanaf1978 was erhet visserijmuseumgevestigd; na de inrichtingvan het Oude Raadhuis voordit doel werd Hulp en Steun gesloopt

een voordrachtavond hoopt te houden, die tegen betaling toegankelijk zal zijn. ”De baten zullen worden aangewend voor de verbouwing van de vergaderzaal Obadja, die vergroot zal worden”, aldus de opsteller van het bericht. Deze werd ongeveer een maand later gehouden, tenminste de Urker Courant van 24 maart laat ons weten dat er een rijk programma werd afgewerkt. Er moesten overigens nog heel wat meer acties gehouden worden eer er voldoende geld was om het gebouwtje op te kunnen knappen. Uit het bericht over de komst van het eerste orgel weten we al, dat het lokaaltje in de winter van 1935 grondig onder handen werd genomen.

De voorzitter en de onderwijzers die lid waren, hadden in het begin een dikke vinger in de pap bij het samenstellen van het programma voor de jaarvergadering. Dit blijkt onder meer uit het verslag van de samenkomst op 22 januari 1933, toen Johannes Mink de aanwezigen vroeg de volgende zondag hun voordrachten voor de jaarvergadering mee te nemen, zodat hij ze zou kunnen beoordelen. Aan Pieter Zandstra staat het nog voor de geest hoe hij zijn verenigingsgenoten wist over te halen het stuk Novemberstorm op te voeren:

Obadja’s gangen ...
52

"Voordat ik op Urk kwam was ik negen maanden verbonden aan een school in Appelscha, waar ik lid was van de jongelingsvereniging Paulas. Door werd genoemd toneelstuk op de planken gebracht en dit vond ik zo indrukwekkend, dat ik de vrienden van Obadja voorstelde het ook op het programma te nemen. De uitvoering vond plaats in de bovenzaal van de vismeelfabriek van Bakker en Gerssen. ” Vermoedelijk is Novemberstorm op de jaarvergadering van 1934 gespeeld en zeer waarschijnlijk werd het jaar daarop het stuk Verdreven opgevoerd. In elk geval blijkt uit het bericht in De Urker Courant van 7 februari 1935, dat op de jaarverga¬ dering van Obadja een toneelstuk van enige omvang werd gespeeld. ’’Beide avonden was de zaal van Bakker en Gerssen tot de laatste stoel bezet. Over het geheel mag de vereeniging terugzien op twee zeer geslaagde avonden, die nog lang in de herinnering zullen blijven. Vooral de mooie samenspraak viel zeer in de smaak bij het publiek”, zo vatte de schrijver zijn indrukken samen. Over beide hiervoor genoemde toneelstukken zullen we straks meer horen. Ook werden wel jongens van de knapenvereniging bij de uitvoeringen betrokken. Zo speelden Jo Gerssen en Jan ten Napel in het begin van de jaren dertig mee in het stuk Het Levende Standbeeld. In Het Urkerland (de rubriek De Kleine Courant) van 31 juli 1992 schrijft Ten Napel hierover:

”Ik was toen nog erg statisch en speelde het standbeeld. Jo was een van dejoodtse kooplieden en Gerrit Post de deftige meneer faan] wie het standbeeld aangesmeerd moest worden. Nu ik erover nadenk, was het wat wij nu zouden noemen erg discriminerend voor onsjoodtse volksdeel. Wij repeteerden in het kamertje achter de winkel van Jan Gerssen (Albino)."

De echo van Obadja’s faam in De Oprechte Urker

De verslagen die Klaas Koffeman als redacteur van De Oprechte Urker sinds 1935 de opvolger van De Urker Courant van de jaarvergaderingen van Obadja maakte, zijn uitgebreider en levendiger dan die in het blad van zijn voorganger. Hier volgt zijn ontboezeming over de feestavond, zoals die te lezen is in De Oprechte Urker van 1 februari 1936:

”De zaal van Bakker en Gerssen was geheel bezet. Na de gebruikelijke ope¬ ning spreekt de voorz. de heer Pereboom een inleidend woord naar aanleiding van het Schriftwoord: zeg tegen het volk dat zij voorttrekken (Exodus 14). Na dit krachtige woord treden achtereenvolgens op: de seer, en de penningm., en de seer, en de penningm. der Knapenver. Thans begint de eigenlijke feestavond. Ernst en luim wisselen elkaar af, en

De
53

Obadja's gangen

alles heeft een vlot verloop. Het opstel van de heer Kolkman over het werk der Chr. Jongel. Ver. boeit van het begin tot het einde.

Jammer is het dat in de pauze sommigen een te gretig gebruik willen maken van de versnaperingen. Dit geeft eenige wanorde, hetwelk nog verergerd wordt als juist die personen welke een voorbeeld dienen te geven daar ook aan meedoen.

Het laatste stuk is van ontroerende schoonheid. Dit leekenspel bestaat uit 3 tafreelen. Een aantal jonge menschen trekken voorzien van de wijze raadgevingen van een oude pelgrim, vol moed de wereld in. Helaas ze vergeten de vermaningen ... ze keeren tenslotte terug, ontmoedigd en teleurgesteld. Weer vermaand zijnde vertrekken ze en keeren terug, gevonden hebbende wat het hoogste goed is, namelijk Het Koninkrijk Gods.

Onder ademlooze stilte is dit prachtige spel gevolgd en het daarop aansluitende slotwoord van Ds Marsman maakt groote indruk. Obadja heeft weer doen zien dat zij waard is om door alle burgers gesteund te worden. Het was zeer mooi”!

Uitgebreid en eveneens lovend over Obadja’s jaarvergadering schreef Koffeman in De Oprechte Urker van 18 februari 1939:

”De Herv. Jongelings V. Obadja hield vorige week haar jaarvergadering in Patrimonium, onder leiding van de heer J. Pereboom. [Dit houten gebouw stond toen nog bij de werkhaven.]

Na een inleidend woord naar aanleiding van Matt. 17:8 las de seer, zijn geheel op rijm gestelde verslag voor. De ver. is vooruitgegaan. Uit het verslag van de penningm. bleek dat het met de financien niet zo rooskleurig gesteld is. Hiema volgde een gewone vergadering, waardoor de aanwezigen een beeld kregen van de degelijke werkwijze der ver.

Hiema volgde een gevarieerd programma met voordrachten en samenspraken, waarbij vooral genoten werd van de samenspraak Kolen Vuurs die 1 1/2 uur duurde.

Na toespraken van de afgevaardigden van andere vereenigingen en een slot¬ woord van de voorz. eindigde ouderling [Klaas] Pereboom met dankgebed”.

Ook de laatste vooroorlogse jaarvergadering werd in Patrimonium gehouden, zoals blijkt uit het bericht in De Oprechte Urker van 24 februari 1940. Zoals gewoonlijk werden er opstellen voorgelezen, en voordrachten en samenspraken gehouden. Het dankwoord werd door dominee Van Wieringen uitgesproken. Namens alle aanwezigen bedankte hij degenen die hadden opgetreden. ”Het middemachtelijk uur had reeds geslagen toen het publiek welvoldaan huiswaarts toog”, aldus De Oprechte Urker. In het slot van het berichtje worden wij onverhoeds op de wer-

54

18. Klaas Koffeman en zijn vrouw Grietje zijn bezig de kopij voor De Oprechte Urker uit te tikken.

kelijkheid van de nabije oorlog gedrukt: ’’Vrijdagavond is een tweede avond gehouden, waarvan de opbrengst voor Finland bestemd is”. Dit land was op dat moment in oorlog met de Sovjet-Unie.

Hoe de griep buna spelbreker werd, maar een griezelig verhaal REDDING BRACHT

Het had maar een haar gescheeld of er was op de jaarvergadering van 1938 helemaal niets opgevoerd. Hoe dat zat vertelt Jan ten Napel in Het Urkerland (De Kleine Courant) van 11 en 18 oktober 1991 (met toestemming van Ten Napel heb ik de tekst aangepast).

"We hadden een mooi programma in elkaar gezet De uitvoering zou plaatsvinden in de gymnastiekzaal van de nu gesbopte school bij de vuurtoren. AUes Hep goed, maar op griep hadden we niet gerekend. Twee hoofdrolspelers van het toneelstuk lagen met koorts op bed Er ontstond algehele paniek De zaal was klaar, het toneel ingericht, stoelen gehuurd en de kaarten voor twee avonden iiitverkocht. De top van

De
jaarvergaderingen
55

Obadja kwam in spoedberaad bijeen. Jan van Homme [Pereboom] was van mening dat uitstellen niet kon. Johannes Oost had eenja-maar-mening. Johannes [Gerssen], de manufacturier, vatte het luchtig op en zei zo ongeveer: ”Non, ier... ij” door bedoelde hij mij mee ”IJ wiet wel wat. Verliedenjaor in 7 buurteus bij jnkii et ij die klucht ok wel twiendg minuten lunger espuuld”.

”Ja, maar Jan zil niet in dit stok”, zei de treurige Pereboom. "Dat oens dat non net moet overkoemen; wat zeen jie bum, wat moeten we doen?”

Ik had maar zitten denken en zei plompverloren: ”’t Moet duurgoon".

”Nou kin ikje wier” zei Johannes Gers¬ sen. Johannes Oost zat met zijn hoofd te schudden en zei zacht: ”’t Is mij een raosel oe wij dit moeten oplossen... ”

”Nou”, zei ik, ’’die oplossige komt vor 7 grooste diel eut joen familie, Joannes”. En ik deed hem het verhaal dat Roelof Oost (de aannemer) mij eens verteld had over zijn grootouders.

19. Pieter Gerssen, zittend op de rand van zijn bed bij zijn werkgever slager Broersma. Hij had zich zojuist in zijn vinger gesneden met een slagersmes.

”Een skets kan ik er niet van maken, maar een eutgebreide vuurdracht wel”, zo besloot ik mijn mededeling.

”Nou, dan doen jie dat toch burn”, zei Jan Pereboom. En zo gebeurde het De uitvoering ging door. Jan Pereboom verlengde zijn openingswoord en ik deed de vertelling van Roelof Oost, terwijl Klaas Groothuis er nog een korte voordracht tegenaan gooide. ”

Na de toehoorders te hebben uitgelegd dat Roelofs voorouders uit Kuinre afkomstig waren en dat de dialogen in het Urks en Kuinders zouden zijn, vertelde Jan ten Napel op die bewuste avond de volgende familieoverlevering:

’De oude mensen zaten thuis. Het was al danker. De oudjes hodden geen rust, want Jinte barstte van de Idespijn. Ze jammerde als een varken. De oude man raakte er over zijn toeren van. Hij zei: "Jinte, loot ik now een touwgien om je kieze doen; dan gaoj’ bi’j de deure staon en koem ik ongvewachs binnen”.

Nu hadden ze dit al eerdergedaan, maar door de alteratie had Jinte de dem tegen hoar harsens gekregen, omdat hoar man hoar aan de verkeerde kant gezet had Dus 56

Jinte bleefjammeren en zei: "Doe dat touw maar omje eigenste kiezen!”

Door al de drukte hadden ze de buitendeur niet horen opengaan en ineens stond Albert in de kamer.

"Wat is dat ier vor een gejammer. Ik eaw wel vier keer volk eroepen”, zei hij.

"Man, ouw erover op. Jinte et ’t in de kiezen We ebben al van alles prebeerd, moor niks elpt”, sprak de oude man.

”Dan eaw ik een goed middeltjen vorjelui”, antwoordde Albert. "Je moeten een kieze eut een doosoofd aolen en die an een stopdraodjen om V nekke angen”.

”Zou je denken dat i elpt?”

"Jazieker, maarje moeten er wel an geloven”. De oude man was overtuigd en riep: "Jinte, ik gao ejfen een middeltjen aolen veur de Idezepiene, ik ben zo temgge”.

Hij ging naar de schuur om een stormlantaam te halen en trok, nadat hij de lamp had aangestoken, z’n bonkertjen aan en ging op weg naar het kerkhof. Zodm Albert zag dat Jintes man van plan was zijn raadgeving op te volgen, ging hij haastig been met de woorden: ”ik koem nog wel ers vragen oe of’t mit de kiespeende got”.

MaarAlbert Hep niet naar huis, doch stevende ook op het kerkhofaan en ging achter het doodhuisje zitten wachten op de oude man. Deze kwam even later aanschuifelen, zich bijlichtend met de lantaam. Bij het knekelhok aangekomen zocht hij in het spaarzame licht een doodshoofd met kiezen uit "Ha, daar ligt een goeie!” dacht hij en pakte het op. Ineens fioorde hij een stem die zei: ”wat moetje met mijn hoofd? Lout liggen, laat liggen mijn hoofd!”

De oude man, helemaal niet van streek, antwoordde: ”och ouw toch je mondjie, ik moet een kieze veurJinte ebben!" En doodgemoedereerd ging hij naar huis, met een kies.

Dolblij en opgelucht was voorzitter Pereboom na afloop. "We eawen 't ereddet buur”, zei hij tegen me.

De tweede avond speelden plaatsvervangers de rol van de zieken Maar men stond erop, dat ik het verhaal nog eens zou vertellen. Het werd die avond een latertje”.

Wat De Oprechte Urker over deze jaarvergadering te schrijven had kan ik niet vertellen, omdat de jaargang 1937/1938 niet in het archief van het museum aanwezig was.

Herinneringen aan mooie UITVOERINGEN

Een ander oud-lid, dat boeiend vertelt over de samenspraken die hij op jaarverga¬ deringen heeft zien opvoeren, en over toneelstukken waarin hij heeft meegespeeld, is Pieter Gerssen. Van hem weten we al dat hij zijn vriendje Jan ten Napel meenam naar de knapenvereniging.

De
jaarvergaderingen
57

"Mijn vroegste herinnering aan een jaarvergadering van Obadja is aan het stuk Verdreven. Het werd opgevoerd in de bovenzaal van de vismeelfabriek van Bakker en Gerssen. Het moet halverwege de jaren dertig zijn geweest, want ik zat nog op de knapenvereniging.

Het is het verhaal over Krijn Jans, zijn vrouw Anna en hun dochter Maaike, die aanhangers zijn geworden van het Calvinisme. Zij wonen in een stad in de noordelijke Nederlanden.

Als het spel begint is voder Krijn met zijn zwager naar een hagepreek Terwijl moeder en dochter zich ongerust maken over het lange uitblijven van Krijn, komt Maaikes vrijer Aart binnen. Al pratend over hun keuze voor de nieuwe leer verschijnt een marskramer ten tonele. Aart koopt van hem een halssnoer voor zijn meisje. Vlak voor zijn vertrek drukl de koopman Maaike op het hart: ”Pas op hoor, dat ge hem nooit breekt, dat geeft tranen!”

Nadat Aart en de marskramer zijn weggegaan, komt voder eindelijk thuis. Hij zegt dat zijn zwager Dirk straks een gast mee zal brengen Het blijkt om de hageprediker te gaan, de uit Antwerpen afkomstige Gerard Derkszoon. Na de begroeting vertelt deze hoe hij in Antwerpen door de inquisitie gevangen was genomen en hoe hij met hulp van vrienden uit de gevangenis kon ontsnappen. Juist als ze aan tafel zullen gaan loopt Jan Gerrils, de voder van Aart, de kamer binnen Hij heefi van zijn zoon gehoord dat Krijn en de zijnen aanhangers zijn van de nieuwe leer en daarover is hij zeer verstoord. Op ruziende toon verlaat hij de woning.

Even later komt zwager Dirk met de mededeling dat zojuist door het stadsbestuur verscherpte maatregelen tegen de protestanten zijn afgekondigd Dit is het teken voor Gerard Derkszoon om overhaast te vertrekken.

De volgende morgen wordt het gezin tijdens het ontbijt overvallen door de stokmeester (de burgemeester die het toezicht had op de gevangenis en verantwoordelijk was voor de openbare orde) en twee rakkers, die de opdracht hebben de hageprediker te arresteren. Hem treffen ze niet aan, maar wel vinden ze de bijhel, die onder een stapel linnengoed was verborgen.

Na het vertrek van de ongenode gasten besluiten de gezinsleden niet af te wachten, maar met medeneming van hun kostbaarheden zo snel mogelijk naar Emden te vluchten. Terwijl ze nog staan te overieggen met hun zoster en zwager, wordt namens het stadsbestuur een brief bezorgd, waarin stoat dat zij uit de stad verbannen worden en dat hun bezittingen verbeurd zijn verklaard

In de loop van de middag maken Krijn, Anna en Maaike zich reisvaardig. Juist als laatstgenoemde het halssnoer onder hoar kleren verborgen heefi, komt hoar vrijer binnen en verklaart met hen mee naar Emden te widen gaan. Even later verschijnt Aarts voder, deze beveelt hem naar huts te gaan. In de hierop volgende woordenwisseling geeft Jan Gerrits toe, dat hij het is geweest die de hageprediker bij het stadsbestuur heeft aangegeven. Verder verklaart hij ronduit blij te zijn, dat het gezin Jans moet vertrekken.

58

20. De opvoering van het toneelstuk Verdreven in de bovenzaal van de vismeelfabriek van Bakkeren Gerssen (staande tussen de elektrische centrale en ijsfabriek). Vermoedelijk werd het toneelstuk gespeeld in de winter van 1934. Staande van links naar rechts: Pietje Bakker, Jelle Ekkelenkamp, Albert Mean, Kees Otter, Bertus Korf, Johannes Oost, Jo Gerssen Hzn, Riek Brouwer, Klaas Groothuis. Zittend van links naar rechts: Jo Gerssen, Bet Gerssen, Jan Pereboom.

Dan daagt de stokmeester op om de inboedel in beslag te nemen. Onder bedreiging van deze sterke arm wordt Aart gedwongen met zijn vader mee te gaan. De stok¬ meester onderzoekt de inhoud van de zakken en haalt er enkele mooie kledingstukken uit. Als Maaike zich bukt om hoar reiszak van de grond op te pakken, komt haar halssnoer onder hoar kleren uit. De stokmeester grijpt het, het snoer breekt en de kralen rollen over de grond. Met de woorden: ”Ge kunt ons alles afnemen, alles, maar ons geloofi daar blijft gij af!” verlaat het gezin onder gejoel van de straatjeugd het huis. De rol van Maaike werdgespeeld door Pietje Bakker, dochter van de eersteJirmant van de vismeelfabriek Zij had zich zo in haar rol ingeleefd, dat zij werkelijk begon te huilen toen Aart van haar wegging. Ik weet nog dat verscheiden toeschouwers door haar overtidgende spel mee gingen huilen. Helaas is Pietje heeljonggestorven. Ik geloof dat zij achttien ofnegentien was toen zij aan hersenvliesontsteking overleed

Jelle Ekkelenkamp had de rol van Aart; Jan Pereboom speelde de hageprediker,

De jaarvergaderingen
59

21. Een opvoering van het toneelstuk Verdreven op 11 december 1946. Deplaats van handeling is de kantine van de Dienst Zuiderzeewerken, aan het begin van wat nu dePiramidewegis. Staandv.1.n.r.:RoelofAnne Oost,AlbertMeun, JelleEkkelenkamp, Andries Post, Johannes Gerssen Hzn., Hennie Post, Klaas Groothuis, Willie Post, Hendrik Post. Zittend v.l.n.r.: Annie Hogewoning, Leendert Brouwer.

terwijl zijn verloofde Riek Brouwer tante Geerte was. Ook Albert Meun en Cees Otter hebben aan dit stuk meegewerkt Na de oodog is Verdreven nog eens met veel succes opgevoerd en wel in de kantine van Zuiderzeewerken. ”

De stukken die op de jaarvergaderingen voor de pauze gespeeld werden, waren van geestelijke aard. Daarna kwam de luim aan bod. Hoe het op de jaarvergadering van 1937 toeging, zij werd gehouden in wat nu het Medisch Centrum is - staat Pieter Gerssen helder voor ogen:

"Op hetprogramma stonden het godsdienstig stuk De Poort en de klucht Wie Erin Is Is Erin.

De Poort is een op rijm gezet symbolenspeL Het goat over het thema van de innerlijke strijd van de jongeman die zijn eigen weg door het leven wil zoeken en daarom met zijn vaderlijk huts breekt. Achtereenvolgens hoopt hij dat de wereldse genietingen, de arbeid, de wijsheid en tensbtte de massabeweging hem datgene zullen geven waamaar zijn ziel zozeer verlangt Steeds moet hij echter ervaren dat alles onderworpen is aan de dood en dat niets in staat is hem de poort te openen, die toegang geeft tot het waarachtige leven.

Obadja’s gangen
60

Vrienden, die Gods Verbond symboliseren, wijzen hem voortdurend op het Kind in de kribbe en de Verlosser aan het Kruis. Op het ogenblik dat dejongeman aan vertwijfeling ten prooi is, herinneren de vrienden hem eraan dat de Heiland de dood heeft overwonnen. Deze woorden treffen hem in het hart. Het stuk eindigt met zijn uitroep: ”Heer, ik geloof.” En als hij dat zegt, goat depoort open. Ter afsktiting zong hetpubliek staande het bekende lied: Ik zie een poort wijd open staan, waardoor het licht komt stromen. Dit stuk, waarin voorzitterJan Pereboom de hoofdrol speelde, was enkelejaren eerder ook al opgevoerd Toen had Kktas Meinema de rol van dejongeman gespeeld Diezelfde avond maakte ik mijn toneeldebuut in het stuk Wie Erin Is Is Erin. Het goat over een man die een circus op wil richten, en daartoe allerlei artiesten bij zich ontbiedt om hun kunsten te vertonen. Jan ten Napel was de circusdirecteur. Er kwamen achtereenvolgens een clown, een krachtpatser en een hypnotiseur hun opwachting maken. De sterke man had gewichten bij zich, waarop in duidelijk leesbare cijfers het gewicht stond vermeld. Toen de kamer van de directeur opgeruimd werd, kwam de schoonmaker er toevallig achter dat zij van karton waren. Zelfspeelde ik de hypnotiseur. Ik droeg een hoge hoed en om mijn magisch werk

De jaarvergaderingen
61
22. Paasmaandag 1939. Obadja op de boot ’’Ritske” van G. Metz, op het punt om naar Hoorn te vertrekken; doel van de reis was de bondsdag in de Korenbeurs in Alkmaar. Daar waren de Obadjanen getuige van het toneelstuk Novemberstorm.

te kunnen doen, had ik een speen aan de wijsvinger van m ’n rechterhand De zaul lag dubbel als ik daarmee Jan op zijn neus tikte en hij op onnavolgbare wijze een schrikbeweging ten beste gaf. Overigens moestje wel sterk in je schoenen staan om een volwaardige tegenspeler van hem te zijn, want Jan kreeg vaak de meest onverwachte ingevingen waarbij hij zomaar een tekst verzon. Reageer daar maar eens vlot op, alsje al moeite genoeg hebt om je eigen tekst erin te stampen. Zo kwam het dan ook dat deze klucht tot bijna drie kwartier uitliep, terwijl er niet meer dan twintig minuten voor stond”.

De jaarvergadering van 1939 vond plaats in Patrimonium, dat zoals gezegd toen nog bij de werkhaven stond. Deze houten keet is later door de gereformeerde kerkeraad gekocht om te gebruiken als noodkerk. Bij die gelegenheid werd zij verplaatst naar de plek waar nu de Petrakerk is. Het is de enige keer dat het verslag in De Oprechte Urker een titel van een opgevoerd stuk geeft: Kolen Vuurs. Pieter Gerssen herinnert het zich:

”Onder anderen speelden Klaas Groothuis, Roelof Oost en Jo Gerssen hierin mee. Het thema van deze samenspraak was ontleend aan Spreuken 25 vers 22: want gij zult vuurige kolen op zijn hoofd hoopen en de Heere ztd het u vergelden. De hoofdpersonen zijn twee mannen die ruzie krijgen. Het is duidelijk bij wie van beiden de schuld ligt. Deze blijft in zijn boosheid volharden, totdat er iets gebeurt waardoor hij tot het inzicht komt de under verkeerd te hebben behandeld Daarop stapelt hij vurige kolen op zijn hoofd en de tweedracht wordt bijgelegd”

Ik schreef al dat de laatste vooroorlogse jaarvergadering eveneens in Patrimonium werd gehouden, en dat zij na middernacht eindigde. Bij deze gelegenheid werd Novemberstorm opnieuw opgevoerd. Het was tevens het laatste spel waaraan Pieter Gerssen meewerkte:

”Hetjaar tevoren hodden we het stuk zien spelen op de bondsdag in Alkmaar. Het kan zijn dat wij Novemberstorm mede hebben gekozen om zeker te zijn van een grote publieke helangslelling. immers de ophrengst van die avond was bestemd voor de slachtoffers van de agressie van de Sovjet-Unie tegen Finland. Veel mensen hadden nog heugenis aan de opvoering van dit stuk onder leiding van meester Zandstra.

Deplaats van handeling is een dorp aan de kust. De zoon geeft aan zijn vader te kennen dat hij de wijde wereld in wil trekken. Hij monstert aan op een schip. Tot groot verdriet van zijn vader wil hij van God noch geloofweten. Ik speelde de rol van de zoon.

Jaren zijn voorbijgegaan als op een avond in november een zware storm opsteekt. Het geloei van de wind werd ruigebootst met behulp van een apparaat, het gekletter

...
62

van de regen door erwten op een wasbord te gooien Nog hoor ik de oude vader gespeeld doorAndries Post (Ansien van Aole van date) zeggen: ”Oh oh oh, hoor dat weer toch eens aan Als er maar geen mmsen op zee zijn!"

Utgerekend op dat ogenblik vaart een Amerikaans schip gevaadijk dicht onder de kust en even later strandt het. Met grote moeite kunnen de opvarenden worden gered Een van hen is de afgedwaaide zoon en onverwachts stoat deze getooid met een indrukwekkend verband om zijn hoofd voor zijn oude vader. Dejongen blijkt het tot stuurman te hebben gebraeht Na een ontroerende begroeting begint hij te vertellen over het le\>en dat hij geleid heeft. Zo komt hij te spreken over zijn bekering: ”In het zeemanshuis in Boston, vader, preekle eens een dominee over de gelijkenis van de verloren zoon Toen, toen is het bij mij ingeslagen!” En de oude vader reageert daarop aangedaan: ”Oh jongen, ohjongen toch. Wat ben ik daar blij om!”

Ansien kon dat zo mooi zeggen Ja, dejaarlijkse bijeenkomsten van Obadja horen tot mijn kostelijkste herinneringen”.

De bezettcngsjaren

In de tijd van de Duitse bezetting was het afgelopen met de uitbundige en grote uitvoeringen. De Oprechte Urker maakt dan ook geen enkele melding meer van een jaarvergadering van Obadja. Ik vermoed zelfs, dat in deze periode helemaal geen openbaar jaarfeest gehouden is.

Hoe groot de onzekerheid in deze dagen was, blijkt uit de notulen van de vergadering van 16 februari 1941. In de rondvraag vroeg Albert Kroon waarom er niet eerder gewaarschuwd was, dat de feestvergadering was verschoven. Deze zou gehouden worden op dinsdag 11 februari.

De notulen vertellen de reden van dit uitstel niet. Het is niet waarschijnlijk dat het er in dit seizoen nog van gekomen is een feestelijke bijeenkomst te houden, want na het uitbreken van de historische staking op maandag 24 februari was

De
jaarvergaderingen
23. Andries Post op middelbare leeftijd. Hij speelde de oude vaderin Novemberstorm.
63

gedurende enkele weken een beperkt uitgaansverbod in de avond van kracht. Af en toe klinkt in de verslagen de twijfel door over de zin van het houden van een feestavond. Zo werd in de rondvraag van de samenkomst op 9 november 1941 de vraag gesteld ”of er Jaarvergadering komen zou ja of nee”. Het antwoord van de voorzitter luidde, dat het bestuur zich hierop zou beraden. De volgende zondag deelde hij mee, dat men besloten had op 13 december een jaarvergadering te houden. Zij zou evenwel alleen toegankelijk zijn voor leden en donateurs. Het kan niet anders of de vrienden hebben zich bij die gelegenheid beperkt tot het ten beste geven van voordrachten en misschien een korte samenspraak. De terughoudendheid tegenover feestelijke bijeenkomsten blijkt ook uit het feit, dat Jan ten Napel op de avond van 8 maart 1942 de rollen van de klucht Wie Erin Is Is Erin uitdeelde; het stuk waarmee hij vijf jaar eerder zoveel bijval had gekregen. Kennelijk was het de bedoeling een bijzondere avond te houden. Maar volgens Ten Napel is deze niet doorgegaan.

Ondanks de drukkende omstandigheden heefl Obadja in het vroege vooijaar van 1943 wel zijn 12V2-jarig bestaan gevierd. Dit gebeurde vooral op aandringen van Johannes Oost.

In de bijeenkomst van 14 maart nodigde de voorzitter Roelof Oost uit om op de jubileumavond een feestrede te houden over het onderwerp ”wat de Jongelingsvereniging Obadja voor mij was”. Oost nam de uitnodiging aan.

Om de avond een werkelijk feestelijk tintje te geven zamelde Leendert Brouwer, zoals we al weten, bij de leden meelbonnen in. Ongetwijfeld werd de jubileuma¬ vond in het gebouwtje Eben Haezer gehouden.

Jan ten Napel weet zich de bewuste avond nog voor de geest te halen:

"Leendert Brouwer versierde ondanks de schaarse tijden toch nog wat tractatie, waarvoor hij die meelbonnen nodig had Ik kan me niet herinneren ofoud-voordtter Mink erbij geweest is. In elk geval was hij wel uitgenodigd.

RoelofOost sprak defeestrede uit. Hij vertelde hoe hij door dejongelingsvereniging de moed en de ruimte had gekregen om in het openbaar te spreken, zijn zinnen goed te vormen en zodoende begrijpelijk voor anderen te zijn.

Roelof was een goede spreker en ook een uitstekende voordmger. Hij was bescheiden en stelde zichzelfnooit op de vootgrond”.

Het zou voorlopig de laatste keer zijn dat de Obadjanen in een feestelijke stem¬ ming bijeen zouden komen. Na de bevrijding deed de vereniging opnieuw van zich spreken en werden nog verschillende grote uitvoeringen gegeven.

...
Obadja ’s gangen
64

De avonden

De lofzangen

Zoals gezegd, werden tijdens de wekelijkse samenkomsten drie psalmen of gezangen gezongen en wel aan het begin, na de pauze en aan het eind. In de eerste jaren zongen de Obadjanen nagenoeg alleen uit de psalm- en gezangenbundel, die tot 1938 in de Nederlandse Hervormde Kerk in gebruik zou blijven. Zo nu en dan brachten zij ook wel een lied uit de door het Nederlands Jongelingsverbond samengestelde liederenbundel ten gehore, met name het bondslied. Het was meestal de voorzitter die opgaf wat gezongen zou worden, maar ook de anderen konden hun voorkeur kenbaar makea Van het openingslicd werden vaak twee verzen gezongen, bij overige liederen bleef het doorgaans bij een couplet. Het blijkt dat de Obadjanen aanvankelijk een zekere voorkeur voor de psalmen hebben gehad. Althans, in 36 bijeenkomsten werden twee psalmen tegenover een gezang gezongen, terwijl de laatste groep liederen 21 keer de meerderheid behaalde. Vooral in het eerste seizoen hadden de psalmen een duidelijk overwicht, daama kwamen de gezangen meer in trek. De psalmen die door de vrienden hoog gewaardeerd werden, waren dezelfde die ook bij andere jongelingsverenigingen populair waren. Het zijn de volgende (het cijfer achter het psalmnummer geeft het aantal keren aan dat zij tussen oktober 1930 en februari 1933 gezongen werden): 150 (5), 138 (5), 68 (6) en 89 (6). Het meest geliefd was evenwel psalm 119, de lofcang op de Thora, waarvan negen keer een of meer verzen gezongen werden. Vooral het vijfde couplet was bij jongelingsverenigingen zeer gewild:

Waarmee zal de jongeling zijn pad, door ijdelheen omsingeld, rein bewaren? Gewis, ah hij het houdt naar ’t heilig blad U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren; laat mij van ’t spoor, in uw geboon vervat, niet dwalen, Heer, laat mij niet hulp’loos varen

Obadja’s oprichtingsvergadering werd met dit vers geopend. Bij de gezangen is minder sprake van een opvallende voorkeur. Zo werden de gezangen 112 tot en met 124 voor het merendeel maar een keer gezongen. Toch waren er enkele die zich in een betrekkelijk grote belangstelling mochten verheugen. Dit zijn ze (het cijfer achter het gezangnummer geeft aan hoe vaak zij tussen

De
avonden
65

oktober 1930 en februari 1933 gezongen werden): 141 (3), 189 (3), 22 (4), 264 (4), 180 (5) en 3 (6). Gezang 180 is het bekende danklied:

’k Wil U, o God, mijn dank betalen, Uprijzen in mijn avondlied Het zonlicht moge nederdalen, maar Gij, mijn licht, begeeft mij niet.

De eerste regels van gezang 3 luiden: Wij loven U, o God wij prijzen Uwen naam; U eeuwig’ Vader, U verheft al 't schepsei saam.

In de psalm- en gezangenbundel die in 1938 in de Nederlandse Hervormde Kerk werd ingevoerd, werden de gezangen 32 en 141 niet opgenomen. De gezangen 3, 22, 180 en 189 kregen een ander nummer, namelijk 132, 179, 244 en 280. En gezang 264 werd verdeeld over de nummers 96 en 97.

Ik vertelde al, dat het N.J.V. in antwoord op voorzitter Meinema’s brandbrief van 22 november 1932 niet minder dan vijftig liederenbundeltjes aan Obadja stuurde. Het ging om een door het Verbond samengestelde zangbundel. Geleidelijk aan zullen de Obadjanen dan ook de vertrouwde psalm- en gezangenbundel hebben verruild voor de liederenverzameling van het N.J.V. Deze verandering betekende overigens zeer zeker niet een voorgoed vaarwel aan de gekoesterde psalmen en gezangen, want vele van deze liederen waren in de N.J.V.-bundel opgenomen.

In oorsprong telde deze bundel 80 liederen; in latere drukken dijde het aantal uit tot 332.

De bundel bevat zes rubrieken:

1 Uit de psalmen en gezangen ( 3 t/m 100)

2 Voor de christelijke feestdagen (101 t/m 137)

3 Algemene christelijke liederen (138 t/m 265)

4 Vaderlandse en gewestelijke verzen (266 t/m 293)

5 Natuur- en kampliederen (294 t/m 315)

6 Van alles wat (316 t/m 332)

Uit de in de notulen genoemde liederen blijkt, dat de vrienden van Obadja naast de ereplaats die zij voor de psalmen en gezangen bewaarden ook een mooi

66

gestoelte inruimden voor de algemeen christelijke verzen. De volgende Iiederen waren bijzonder in trek:

161 Roept uit aan alle stranden (Nicolaas Beets)

213 Zie ons wachten aan de stromen (gemaakt door de bekende Amerikaanse evangelist uit de 19e eeuw Ira D. Sankey)

225 Waarheen pelgrims, waarheen gaat gij (de dichter wordt in de bundel niet vermeld)

227 Ik voel de winden Gods vandaag (ook hiervan wordt de dichter niet genoemd) en vooral

234 Wij hebben een woord voor de wereld (dichter C. Sterne; melodie 1LE. Nicholl) Het eerste couplet luidt:

Wij hebben een woord voor de wereld, dat kan redden uit zonde en wee, een woord van genade en waarheid, een woord van liefde en vree een woord van liefde en vree

Refrein:

’Na donk’re nacht komt schemer, en na schemer morgenrood; Als Christus komt in zijn heerlijkheid Zijn liefd’ oneindig groot.

Met name de Iiederen van Sankey en Moody worden gekenmerkt door goed in het gehoor liggende en gemakkelijk te zingen melodieen. Door hun uitgesproken evangelisch karakter spreken de teksten ook nu nog velen aan. Een aantal Iiederen uit rubriek 3 van de NJ.V.-bundel werd later door Johannes de Heer in diens liederenuitgaven opgenomen.

Gedurende korte tijd heeft Obadja een zanggroepje gekend, dat de bijeenkomsten op christelijke feestdagen of bijzondere vergaderingen luister bijzette. De zangers stonden onder leiding van Albert Kroon. Lid van het groepje waren: Jan ten Napel, de gebroeders Albert en Dirk Ras, Andries Post en Jelle Ekkelenkamp. Drie deelnemers zaten op het mannenkoor Halleluja. Jan ten Napel herinnert zich hiervan:

De
avonden
67

De wekelijkse bijeenkomsten van Obadja in de Oprechte Urker aangekondigd

In de eerste jaargang van de Oprechte Urker werden de sprekers tijdens de wekelijkse bijeenkomsten van Obadja als voIgt aangekondigd:

28 sept. 1935 spr. A. Zandstra over de zoon der belofte. A. Kolkman over Abessinie.

5 okt. 1935 spr. J. Ekkel(en)kamp over Izaaks huwelijk. J.P. Otter over Spurgeon.

16 nov. 1935 spr. Lamb. Korf, Jesaja 28 C. Otter over Onbegrepen menschen

23 nov. 1935 spr. Joh. Oost, Jesaja 11 J.P. Otter over Het leven van Luther

12 okt. 1935 spr. Jan Korf over Jesaja's roeping.

19 okt. 1935 spr. W. Weerstand over Het lied van de wijngaard. (Joh. 5) K. Groothuis over De strijd tusschen Kerk en Staat.

30 nov. 1935 spr. Sj. Meun, Jesaja 25:1-9 R.A. Oost over ?

7 dec. 1935 spr. T. Woord over Vervallen grootheid (Jesaja 14) A.S. Post over Het alziend oog van God voordr. door de bekroonde declamator R. Oost

26 okt. 1935 spr. Joh.GerssenoverJesaja1:1-20 spr. A. Meun over Een blijde boodschap in bange dagen (Jesaja 7:1-16) R. Anne Oost, Politiek onderw.

9 nov. 1935 spr. M. Post, Jesaja 30:1-26

14 dec. 1935 geen opgave

21 dec. 1935 spr. J.P. Otter, Lukas 2 J. Pereboom over het Engelenlied Vrede op aarde voordr. C. Otter

Obadja ’.v gangen ...
68

"In het najaar van 1940 werd het idee geboren de zang van Obadja op een hoger peil te brengen. Zespersonen gaven zich op voor het zanggroepje. We oefenden na afloop van de wekelijkse vergadering. Bij de repetities maakten we gebmik van het harmonium, maar als we optraden zongen we a capella. In de gebroeders Ras hodden we de beste bassen van Urk!

Op 22 december 1940 traden we op in de kerstbijeenkomst van Obadja. Verder herinner ik me nog een optreden bij een uitvoering in het gebouw Patrimonium. Hoe lang ons koortje bestaan heeft weet ik niet meer, maar in elk geval was het van korte duur.”

De bijbelse inleidingen

Wat een inlciding moest zijn

Het eerste belangrijke onderdeel van de wekelijkse bijeenkomst was de bijbelse inleiding. Het doel ervan was de jongeren te leren lezen wat er werkelijk in de bijbel staat.

Degene die een bepaald gedeelte uit de Schrift behandelde, mocht beslist geen preek houden. Zijn uiteenzetting moest een verklarend karakter hebben. Anders dan bij de opstellen over teksten uit de bijbel, waarover ik verderop vertel, werd van de inleider verwacht dat hij zich beperkte tot het vooraf voorgelezen gedeelte.

In Obadja maakte men gebruik van de bijbelbesprekingen, die iedere week in De Jongeman verschenen. De Hoenderloose dominee D. van Maanen verzorgde deze artikelenserie vanaf 1931 tot aan het verschijningsverbod van het blad in februari 1941. Zijn bijdragen boden de inleiders een stevige hand en vaste voet. Van Maanen volgde steeds dezelfde lijn: allereerst een korte aanduiding van de strekking van het bijbelgedeelte, vervolgens een samenvatting van wat de verschillende verzen te zeggen hebben, en tenslotte enkele overwegingen die bij de inlei¬ ding en discussie betrokken zouden kunnen worden. In de eerste drie maanden van het kalendeqaar behandelde hij de geschiedkundige boeken van het Nieuwe Testament, in het tweede kwartaal kwamen de brieven van de apostelen of gedeelten uit de Openbaring van Johannes aan de orde. Vanaf juli tot en met September was de historische stof van het Oude Testament aan de beurt en in de laatste maanden de profeten en psalmen. Uiteraard werd rekening gehouden met de christelijke feestdagen. Na het verschijningsverbod van De Jongeman kwamen Van Maanens bijbelbesprekingen uit in brochurevorm.

Naast de artikelen uit De Jongeman maakten de inleiders gebruik van bijbelverklaringen en -commentaren. Zij konden onder andere terecht bij de bijbeluitgaven met kanttekeningen van Matthew Heniy en van Karl August Dachsel. Bovendien bezat de bibliotheek de bijbelcommentaren van S.G. Stock en B. Renkema, en

De
avonden
69

1 o 1

1930- NTERPROGRAMMI-1931 NEDERLANDSCH JONGELINGS VERBOND

BUITENGEWONE BONDSVERGADERING

i October 1930 Bollenhofsche straat 138, Utrecht Aanvang 21 > uur

On:c tinancleele toestand, floor Ds P. Veen. Onae werkcampagne voor a.s. winter, door C. Tabak.

CONFERENTIES ERNST SILLEM-HOEVE

Het Secretariat organiseert in desen winter een vijftal conferences op de navolgende data. Kosten voor deeiname tien gulden per persoon.

Van Donderdag 13 tot Maandag 17 November 1930 voor Bondsleden. Leider de beer C. Tabak.

Van Donderdag 11 tot Maandag 15 December 1930 voor Bondsleden. Leider de heer C. Tabak.

Van Vrijdag 9 tot Maandag 12 Januari 1931 voor Jongensleiders. Leider de heer H. Gordeau.

Van Donderdag 15 tot Maandag 19 Januari 1931 voor Bondsleden. Leider de heer C. Tabak.

Van Donderdag 5 tot Maandag 9 Februari 1931 voor Bondsleden. Leider de heer C. Tabak.

WEEK-ENDS ERNST SILLEM-HOEVE

Bondscommissies, Provincial? Coromissies, Ringen en Afdeelingen kunnen op de Ernst Stllem-hoeve week-ends organiseeren ter viering van jubilea en bespreking van gemeenschappelijke belangen.

RADIO-AVON DEN

Het Verbond organiseert in den aanstaanden winter twee radio-avonden over den Huizer sender en wel op Donderdag 15 Januari 1931, ’savonds 8 uur. Donderdag 23 April 1931, ’savonds 8 uur.

ALGEMEEN-SECRETARISSEN

DISTRICTS-SECRETARISSEN

De algemeen-secretarissen H. Gordeau, C. Tabak en C. V. Doorschodt en dc districts-secretarissen J. dc Haan en M. C. Fallentin zijn, voor zoover hun tijd dit toclaat, beschikbaar voor afdeeiingsbezoek. voor spreekbeurten op propaganda-samenkomsten. jaarfecsten en familie-avonden, bet leiden van cursussen en week-ends en het geven van raad en voorlichting.

BONDSORGANEN

De Bondsorganen DE JONGEMAN (voor Bondsleden). JONG HOLLAND (voor Jongens), ORGAAN VOOR LE1DERS VAN KNAPENVEREENIGINGEN en HET KORENLAND geven werkmatcriaal voor afdeelings- en ringvergaderingen.

BROCHURE-REEKS

De Brochure-reeks geeft dezen winter tegen luttelen prijs brochures over: GEORGE WILLIAMS, ZIELKUNDE. DE CHR1STELIJKE JONGEL1NGSVEREEN., DE WERELDBOND, HET RfiVElL, een LEGENDESPEL. en een HANDLEID1NG VOOR HET ORGANISEEREN VAN FEESTAVONDEN IN DE VEREENIGJNG.

BONDSBOEKHANDEL

Einde 1930 verschijnen het nieuwe jaarboekje Christophilus (waarin thans weer de adressen der afdeelingsbesturen zijn opgenotnen) de zakkalender ende zakagenda. Uitgave van den Bondsboekhandel. De Bondsboekhandel levert voorts boeken en brochures over den Bonds- en Vereenigings-arbeid, fluiten en insignes en belast zich gaarne met het samenstellen en aanvullen van vereenigings-bibiiotheken en met de levering van school- en studie-boeken en ontspanningslectuur.

BONDSBUREEL

Het Bondsbureel geeft aile gewenschte inlichtingen omtrent oprichting en aansluiting van vereenigingen en adviezen betreffende den jeugdarbeid.

SECRETARIAAT SINGEL 58, AMSTERDAM <C.) POSTGIRO 51500 TELEFOON 58888

Obadja’s gangen ... o O p
1 1
o | I i 1 5 I 0 iIIIIi11i o 24. Bijlage uit De Jongeman van 2 oktober 1930. 70

die van de Franse theoloog F. Godet. De commentaren behandelen hele bijbelboeken of bij elkaar behorende hoofdstukken, terwijl de bijbelverklaringen vaak tot in bijzonderheden uitweiden. De Engelsman Flenry werkte in de jaren 1708 tot 1710 aan zijn bijbeluitgave, de Duitse theoloog Dachsel en zijn Franse collega Godet publiceerden hun werken in de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw. Flet boek van Stock en Renkema verscheen in 1907 en is nadien verschillende keren herdrukt. A1 deze werken staan in de traditie van de orthodoxie.

Uit de verslagen in de notulenschriften is niet op te maken in welke mate de inleiders gebruik hebben gemaakt van de hiervoor genoemde bijbelverklaringen en -commentaren. Met name Flenry, die zijn uiteenzettingen doorspekt met aanhalingen van de Griekse wijsgeer Plato en de Romeinse geschiedschrijver Tacitus, moet toch niet echt toegankelijk zijn geweest voor de weinig geschoolde Obadjanen. Ook Dachsel is bepaald niet eenvoudig te noemen, en toch is juist zijn bijbelverklaring bij de vrienden in gewaardeerde herinnering gebleven. Ik heb niettemin de indruk, dat de inleiders zich voomamelijk door de bijbelbesprekingen in De Jongeman lieten loodsen.

Hoe de inleidingen in de notulen vastgelegd zijn

De notulisten van de eerste jaren gaven doorgaans uitvoerige verslagen van de inleidingen. Ik vermoed, dat de inleiders hun werkstuk na de bespreking aan de secretaris gaven om het bij de uitwerking van de notulen te gebruiken. En het komt mij voor, dat het verslag van de avond van 11 januari 1931 zelfs de hele op schrift gestelde inleiding is, die Johannes Mink had gehouden. Het ging per slot van rekening om de voorzitter! Mink sprak over Mattheiis 9, de verzen 1 tot 23:

”Spr[eker] liet ons zien hoe Christus in deze verzen optrad als de Medicijnmeester, in staat tot het genezen van alle ziekten. Christus was met zijn dicipelen overgevaren en kwam in zijne Stad, dat is Kapemaum. Hier nauwelijks aangekomen zijnde, brachten zij tot hem een geraakte, die de dragers met veel moeite tot hem brachten. Jezus hun Geloof ziende, zeide tot den Geraakte: Zoon, wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven.

Waarschijnlijk was zijn kwaal te wijten aan een zekere zonde, waardoor hij eenigzins vrees koesterde om tot Jezus te naderen. Hierover murmureerden de Schriftgeleerden en zeiden: Deze lastert God. Jezus hen hierover bestraft hebbende, zeide tot den Geraakte: Sta op en wandel! En hij was genezen. En de Scharen dit ziende, waren verwondert.

De
avonden
71

P.n verder reizende, zag Jezus Matteus in het tolhuis zitten en beveelde hem te volgen. Matteus volgde Hem en richtte in zijn huis een Maaltijd aan, waar tollenaars en zondaars mede aanzaten. Ook dit ergerde de Farizeeen. En Jezus dit hoorende, zeide tot hen, dat hij niet gekomen was om rechtvaardigen maar om zondaars tot bekeering te roepen”.

Verder bracht Mink nog de vraag van de volgelingen van Johannes de Dooper aan Jezus over het vasten ter sprake. En tenslotte stipte hij de genezing van een ”bloedvloeiende vrouw” en de opwekking van het dochtertje van een overste aan. De bijbelbesprekingen uit de jaren 1940/1943 moesten het in de notulen met aanzienlijk minder stellen. Zo heet het van de inleiding, die Lub Hakvoort in de vergadering van 1 december 1940 in de notulen staat bij vergissing 30 november - over psalm 8 ten gehore bracht: ’’Spreker sprak over de majesteit Gods en zijne onbegrijpelijke goedertierenheid en genade over den hellendigen mensch”.

De verslagen uit de beginjaren wekken de indruk dat menig inleider er zich toe beperkte het bijbelverhaal zo goed mogelijk na te vertellen, zoals Jelle Ekkelenkamps inleiding over de Wijzen uit het Oosten, die hij in de samenkomst op 20 december 1931 voorlas, laat zien:

”Sp[reker] behandelde hoe de wijzen na een lange reis te hebben gemaakt te Jeruzalem aankwamen, denkende dat zij daar de geboren Koning der Joden zouden vinden. Maar teleurstelling, geen feest te Jeruzalem. Zij gaan naar het Koningklijk paleis. Daar is ook niets bekent van de geboorte van Christus. Koning herodes roept de schriftgeleerden bijheen en verneemt de tijd en de plaats van hen, waar Christus zou geboren worden.

Zij gaan verder en de ster gaat hen voor [...]. Zij komen in Betlehem en vinden Jezus en aanbidden hem, en geven hunne schatten. Hiema vertrekken zij weer langs een andere weg naar hun land.

Herodes voelt zich bedrogen en gaat over tot kindermoord, welke ten doel had Christus ten onder te brengen. Jozef word in den droom vermaant naar Egipte te vluchten, waar het Kind in veilighcid is. Als zij gestorven zijn die het Kindeke zoekken te dooden, keeren Jozef en Maria met het Kindeke terug naar Galilea en zij gaan wonen te Nazarett, opdat vervuld zou worden wat de Profetie zegt: dat hij een Nazareer zal geheeten worden”.

De hierop volgende discussie leidde, aldus de notulist, tot ’’gezeligheid”. Ruim een jaar eerder had ook Jan Pereboom over hetzelfde gedeelte uit Mattheiis gesproken en de woorden van het verslag van de avond van 23 november 1930 zijn in dezelfde geest.

Obadja’s
...
gangen
72

25. De jonge onderwijzer Johannes Mink, zittend in de turn van zijn ouderlijk huis (Prins Hendrikstraat);foto eindjaren twintig of begin jaren dertig.

Meer dan eens blijken de inleiders hun woorden rechtstreeks aan de bijbeltekst ontleend te hebben. Zo lezen we in de notulen van de vergadering van 1 november 1931, ”dat de voorzitter aan vriend K[laas] Keuter de gelegenheid gaf om zich in de kathe[d]er te begeven, van welker plaats wij hoorden inleiden hoe polietiek Ab¬ salom was aangelegd.” Hij is politiek aangelegd, is een Urker manier van zeggen hoe sluw iemand is. Over deze inleiding zelf meldt het verslag: ’’Nadat Absalom 2 jaar na zijn terugkeer uit Gesur te Jeruzalem woonde, zocht hij des Konings aangezicht en dit gelukte Absa¬ lom. En als hij het huis des Ko¬ nings in kwam kreeg Absalom van David weder een vaderlijke Kus.

Nu geschiede het dat Absalom zich neerzette aan de poort en een ieder die een geschil had, regte; en ook hij was tegen ieder uitnemend vriendelijk. Zoo gewon hij het hart van gansch Israel. Ook in gansch Israel was er geen man zoo schoon als hij, zeer te prijzen; van zijn hoofdschedel tot zijn voetzool was er geen gebrek aan hem”.

Het is leuk om nog te vertellen, dat notulist Jan Pereboom in zijn oorspronkelijke tekst het zinnetje had staan: ”Zoo veiwierf zich Absalom vele vrienden en hij zal zich ook wel vele vriendinen hebben verworven”.

Met ingang van het seizoen 1931/1932 is de invloed van De Jongeman duidelijk merkbaar. De inleidingen worden vanaf die tijd minder verhalend en meer analyserend van aard. Een staaltje van die verandering geven de notulen van de bijeenkomst van 11 december 1932. Johannes Oost leidde de tekst uit 1 Koningen 22 in, handelend over de gebeurtenissen tijdens het sluiten van het verbond tussen

De
avonden
73

de koningen Josafat van Juda en Achab van Israel. Oost sprak aan de hand van De Jongeman:

’’ten lste over het bondgenootschap met Josafat, ten 2de schilderde hij het tafreel van de luitruchtige profeeten, ten 3de het wantrouwen van Josafat en het optreden van den getrouwen Micha, ten 4de Micha spreekt onverholen een harde waarheid, ten 5de de raad Gods en den leugen der colega’s onthult hij door ze te hullen in een fantastisch kleed, ten 6de zijn lot als getrou getuige ondergaat hij manmoedig gelaten, en tenslotte, Gods raad wordt volvoerd, ongeacht des menschen raadslag en niet tegenstaande des menschen tegenstand”.

Er volgdc op dcze inleiding gcen cnkcle vraag, omdat zij ’’model” was uitgevoerd. 26. Leendert

zijn Ook in de jaren van de bezetting pas- zestiendejaar;

1924. ten inleiders de ontledende benaderingswijze toe. Zo ging het in Leendert Brouwers inleiding, die hij op de avond van 28 februari 1943 voorlas, om de drie volgende vragen:

”1 Hoe Jezus de Sabbath in acht nam, 2 Hoe de Farizeeen de Sabbath in acht namen, 3 Hoe wij de SJabbath] in acht hebben te nemen”.

In de inleidingen uit de jaren 1940- 1943 klinkt af en toe door dat de sprekers hun best deden om de geest van waakzaamheid bij hun toehoorders aan te wakkeren. Tenminste, zo vatte secretaris Jan Pieter Otter de strekking van de inleiding op, die Jan Pereboom als opening van het seizoen in de vergadering van 5 oktober 1941 uitsprak. Hij had het over Habakuk 3, de verzen 17 en 18:

...
Obadja's gangen
Brouwer omstreeks hij werdgeboren in
74

Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geene vrucht aan den wijnstok zal zijn, dat het werk des olijjbooms liegen zal, en de velden geene spijze voortbrengen; dat de kudde uit de kooi afscheuren zal en dat ergeen rund in de stallingen wezen zal; zoo zal ik nochtans in den Heere opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils!

”Deze woorden uit dit schriftgedeelte spreken voor zich zelf, wat de voorzitter hier bedoelde”, aldus Otter. Veertien dagen later deed Albert Kroon er nog een schepje bovenop. Hij sprak over Samuels roeping en Eli’s berusting tegenover het wangedrag van zijn zonen, en hij betoogde dat diens ’’levenshouding nog in vele menschen leeft”.

Het kwam wel eens voor, dat iemand te verlegen was om zijn inleiding voor te lezen. Zo bracht Meindert Post in de bijeenkomst van 29 december 1940 het werkstuk van zijn broer Klaas ten gehore, dat over psalm 23 ging. Als de inleider door onvoorziene omstandigheden verstek moest laten gaan, werd het betreffende bijbelgedeelte hardop voorgelezen en gingen de aanwezigen meteen over op de algemene bespreking. Dit gebeurde onder andere op de avond van 11 januari 1942, toen Cor Brouwer ’’door werkzaamheden verhinderd was zijn inl[eiding] te maken”.

Discussie en kritiek

Na voorlezing van de inleiding was er gelegenheid tot discussie. Eerst moesten de vragen aan bod komen die betrekking hadden op het besproken bijbelgedeelte, daama kon van gedachten gewisseld worden over de behandelde stof in breder verband en over vergelijkbare teksten. In de notulen wordt de overgang in de dis¬ cussie gewoonlijk weergegeven met de woorden: ”De voorzitter gaf het Schriftge¬ deelte in algemene bespreking. De hierop gestelde vragen werden gemeenschappelijk besproken en opgehelderd.” Het was in het begin overigens wel wennen aan het discussieren, zoals uit het verslag van de bijeenkomst van 2 november 1930 blijkt: ”Hier scheen niets van terecht te komen, maar toen het hoofdstuk nog eens gelezen was en ieder een bijbeltje in handen had, werden er eenige vragen gedaan”.

Het gebeurde maar zelden dat de notulisten vragen over een inleiding in hun verslag opnamen. Een van de weinige keren dat dit wel gebeurde, was de verduidelijking die M. Post in de samenkomst op 25 januari 1942 vroeg: ”Of de volken der wereld de heidenen zijn”. Hij stelde zijn vraag naar aanleiding van Lub Hakvoorts inleiding over de rijke dwaas die schatten verzamelt, feest wil vieren, maar sterft. Deze tekst ontleende hij aan Lucas 12, de verzen 13 tot en met 21.

De
avonden
75

Het valt op dat in tegenstelling tot de opstellen en voordrachten de notulen nauwelijks melding maken van kritiek op de bijbelse inleiders. Twee keer had Albert Kroon aanmerkingen op de wijze van voorlezen. In de vergadering van 1 februari 1942 wees hij op het te vlugge lezen van vriend M. Post, terwijl hij Harm Oost een goed jaar later de raad gaf zijn werkstuk thuis eerst enkele malen door te nemen alvorens het in Obadja ten gehore te brengen. Opvallend mag het verslag van de avond van 22 januari 1933 genoemd worden. De jonge Albert Meun hield een inleiding over Johannes 3, de verzen 1 tot en met 21. Jan Pereboom tekende het volgende aan:

”Spr[eker] sprak

ten lste over de Kleinheid van een mensch en de grootheid Gods, ten 2e [over] de Kleinheid van Nicodemus en de Grootheid van Jezus, ten 3e [over] het gesprek van de groote Christus, ten 4e de Kleine nicodemus over de wedergeboorte”.

Of de inleider door zijn vragenstellers werkelijk onderuit werd gehaald valt in de notulen niet te lezen, maar de kritiek die hij kreeg schoot de notulist in elk geval in het verkeerde keelgat. Hij wond zich er zelfs zo over op, dat hij in geharnaste bewoordingen Meun in bescherming nam:

”1 ToeweI onze jonge vriend dit hoofdstuk niet tot in de Kleinste fieneses inleide, leide hij toch het voomaamste van dit hoofdstuk in; de wedergeboorte, welk elk kind Gods ten deel moet vallen[...].

Op deze inleiding volgden enkele opmerkingen welke ik betietel van nul en geener waarde. Want als wij iemand bekrietieseren willen, moeten wij ons eerst afvragen wat voor persoon het is. Dit is naar mijn meening niet geschied. Want vr[iend] Meun stond voor het eerst op de J.V. in de Kathe[d]er en hij leverde voor ons zijn eerste werk. Dit werk was naar mijn meening Keurig uitgevoerd en gelevert. Gelukkig zagen dit ook nog verschillende andere vrienden”.

Als Albert Meun zich de kritiek al heeft aangetrokken, dan toch zeker in opbouwende zin; althans in de jaren 1940/1943 komt zijn naam ettelijke keren onder de inleiders voor.

Er was een groepje Obadjanen dat in de beide perioden met de regelmaat van een klok als inleider optrad. Dit waren Jelle Ekkelenkamp, Roelof Oost, Jan Pereboom, Johannes Oost, Lub Kramer, Johannes Gerssen en Jan Pieter Otter. In de eerste drie jaren hidden verder de voorzitters Johannes Mink en Klaas Meinema nogal eens een inleiding. Voor de jaren 1940/1943 zijn te noemen: Albert Kroon, Leendert Brouwer, Lub Hakvoort en Jan ten Napel.

...
Obadja ’s gangen
76

in zijn vrije tijd bezig met modelbouw. Sjoerd Groothuis

het Kerkje aan de Zee geweest.

De opstellen

De bezinning op het onderwerp

Naast het bevorderen van kennis van de bijbel stelde het Nederlands Jongelingsverbond zich tot doel de leden van jongelingsverenigingen aan te moedigen zich te verdiepen in de geschiedenis van kerk en staat, alsook zich op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen in de samenleving. Het meest doelmatige middel daartoe werd het maken van een opstel geacht. De voorlezing van een werkstuk werd dan ook een vast onderdeel van verenigingsavonden.

Het maken van een opstel had een aantal voor de hand liggende voordelen. De maker werd niet alleen gedwongen het gedachtengoed, dat hij aan zijn bronnen ontleende overzichtelijk te ordenen, maar ook om het zo helder mogelijk aan het papier toe te vertrouwen. Immers, het opgeschrevene zou door de

De avonden
27. Drieoud-Obadjanen bijeen in hetKerkjeaan de Zee. Zittend rechts, Albert Meun, linkszijn zwagerJan Weerstand, op de achtergrond Sjoerd Groothuis. Ze kijken naar het door Marinus van der Vegte gemaakte model van een tjalk. Albert Meun hield zich isjarenlang koster van
77

vrienden worden aangehoord en dezen mochten vragen stellen en kritiek leveren. Dit bracht met zich mee, dat de opstelmaker zich ook moest voorbereiden op het goed naar voren brengen van zijn betoog. Omdat de keuze van het onderwerp vrij was, werd dit agendapunt vaak aangeduid als vrij onderwerp.

In de eerste jaren bezat Obadja geen of hoogstens enkele boeken op het gebied van geschiedenis en maatschappijleer. Voor werkstukken daarover moesten opstelmakers dan ook bij deze of gene een boek lenen. Het schamele boekenbezit zal er wel de oorzaak van zijn, dat in de beginjaren naar verhouding zoveel opstellen over bijbelse onderwerpen gingen. Er was nog een andere manier om aan werkmateriaal te komen. Het NJ.V. gaf brochures uit over thema s die in de bijeenkomsten van jongelingsverenigingen doorgaans ter sprake kwamen. In deze geschriftjes, bestemd voor een breed publiek, waren vaak schema’s en aanwijzingen opgenomen voor het houden van een inleiding. Daarnaast verschenen in het tijdschrift De Jongeman regelmatig artikelen, die zich goed voor het uitwerken van een onderwerp leenden. Zo veronderstel ik, dat Pier Weerstand de gegevens voor zijn opstel, dat op de agenda van de vergadering van 21 februari 1932 stand, aan dit blad ontleende. Zijn werkstuk had de Zwitserse hervormer Ulrich Zwingli tot onderwerp. Over deze figuur stond in De Jongeman van 15 oktober 1931 een lezenswaardig artikel, waarin Zwingli’s 400ste sterfdag herdacht werd.

De opstellen naar rubrieken ingedeeld

Om aan te geven hoe de belangstelling van de vrienden van Obadja zich tussen 1930 en 1943 heeft ontwikkeld, heb ik de in de notulenschriften genoemde opstellen in acht rubrieken ingedeeld. Ik ben mij ervan bewust dat mijn indeling onvolkomenheden bevat. Wanneer de notulisten trouw gewag gemaakt zouden hebben van de bronnen, die voor de werkstukken gebruikt waren, dan zou dat in veel gevallen een betrouwbare aanwijzing hebben opgeleverd voor de rubriek waarin een opstel thuishoort. Helaas wordt maar bij uitzondering een boek of tijdschriftartikel genoemd. De notulen geven alleen in een paar zinnen weer wat de notulist als het meest kenmerkende van een werkstuk bkschouwde. Bovendien was het opstel op zichzelf al een uittreksel van de bestudeerde stof. Het blijft daarom vaak gLssen of dat wat in de notulen staat opgetekend ook werkelijk de kern van het behandelde onderwerp bevatte. Daar komt nog bij, dat de maker van de verslagen van de vergaderingen tijdens de oorlogsjaren bepaald zuiniger met zijn inlichtingen was dan de notulisten uit het begin van de jaren dertig. Zo staat over het werkstuk, dat Jan Pieter Otter op de avond van 1 november 1942 aan zijn vrienden voorlas

78

alleen genoteerd, dat het betrekking had op Hervormingsdag. Op grand van zo’n aanduiding valt niet uit te maken of het in de rubriek kerkgeschiedenis dan wel in de categorie geloofs- en ethische vragen thuishoort. Het lijkt mij evenwel aannemelijk dat de strekking van Otters betoog is geweest dat het zin had om ondanks de bezetting Hervormingsdag te gedenken. Daarom reken ik dit opstel tot de rubriek geloofs- en ethische vragen. Hoewel er dus geen sprake is van een waterdichte beschotting tussen de verschillende rubrieken, biedt de indeling voldoende houvast voor een beschrijving van het verloop van de belangsteiling van de Obadjanen.

De rubrieken

1 kerkgeschiedenis 5 geloofs- en ethische vragen 1930-1933 20 1930-1933 6 1940-1943 3 1940-1943 10

2 vaderlandse geschiedenis 1930-1933 7 1940-1943 0

3 de hijbel 1930-1933 11 1940-1943 8

4 dogmatiek 1930-1933 4 1940-1943 15

6 eigentijdse problemen 1930-1933 5 1940-1943 0 7 literatuur 1930-1933 1 1940-1943 4

8 werk en geschiedenis van eigen vereniging en NJ.V. 1930-1933 3 1940-1943 0

De verandering van stemming die de oorlogsjaren bij de vrienden van Obadja teweegbrachten is duidelijk. Vaderlandse geschiedenis is niet langer een bron waaruit inspiratie valt te putten voor een opstel en de kerkgeschiedenis verliest terrain aan de dogmatiek. Terwijl tussen 1930 en 1933 grate belangsteiling bestond voor eigentijdse problemen, legden de Obadjanen zich in de jaren veertig vooral toe op het bestuderen van geloofs- en ethische vragen. Toch werd de sfeer in de bijeenkomsten gedurende de bezettingstijd er niet een van alleen maar levensen geloofsemst, getuige de ruime plaats die de literatuur kreeg toebedeeld.

De
avonden
79

Kerkgeschiedenis

Het leeuwedeel van de opstellen over de kerkhistorie had tot onderwerp leven en denkbeelden van de vaderen van de Reformatie, en de geschiedenis van de hervormingsbewegingen. Zo sprak Lub Kramer op de avond van 1 november 1931 over Luther en Calvijn. Na uiteengezet te hebben dat deze hervormers vrienden waren, ging Kramer in op het onderscheid tussen hun denkbeelden: ”Dit verschil lag op het gebied van het Avondmaal. Calvijn zegt dat wij zinnebeeldig moeten denken, dat Jezus in brood en wijn aanwezig is; terwijl Luther zegt dat Jezus in brood en wijn werkelijk aanwezig is”. De strekking van werkstukken van dit soort was vooral het verduidelijken en bevestigen van de eigen, calvinistische identiteit. Maar ook figuren en thema’s uit de vroegste kerkgeschiedenis kwamen aan bod, zoals blijkt uit verhandelingen over de apostel Timotheus, de eerste christengemeenten, de vervolging van christenen onder de Romeinse keizers, de komst van het Christendom in de Nederlanden en de Kruistochten. De wording van de bijbel werd eveneens behandeld.

Opvallend is het werkstuk over het Mohammedanisme, dat Jelle Ekkelenkamp in de vergadering van 21 december 1930 voorlas. ”Deze Godsdienst heeft veel aanhang, vooral in Engels-Indie en China. Maar ook heeft Duitsland en Frankrijk plaatsen waar kerken staan voor de vereering van Mohammed”, zo wist Ekkelen¬ kamp zijn toehoorders te melden.

Een aantal opstellen uit deze rubriek was beschouwend van aaid. Ik noem onder andere titels als: De Toestand Onzer Kerk en Wij Menschen. Werkstukken als deze mondden nogal eens uit in een kritische beschouwing over het heden. Zo was de kern van het betoog dat Frans Post in de bijeenkomst van 28 februari 1932 hield: ”Hoe de regeering in 1834 de menschen, die naar het zuivere woord van God zochten, alle vrijheid benam. En thans laat de regeering alle rebelse partijen met vrijheid hun gang gaan”!

Vaderlandse geschiedenis

Het waren vooral de oorlogen die de Republiek der Verenigde Nederlanden in de zeventiende en achttiende eeuw met de grote mogendheden voerde, die de stof voor de opstellen uit deze rubriek leverden. Met vrij grote zekerheid kan worden aangenomen, dat deze werkstukken gemaakt werden aan de hand van Groen van Prinsterers Handhoek der Geschiedenis van het Vaderland. Zo komen de bewoordingen uit Johannes Oost’s opstel De patriotten en prinsgezinden, dat hij in de samenkomst op 13 december 1931 voorlas, vrij goed overeen met datgene wat Groen daarover schrijft:

...
Obadja's gangen
80

”Spr[eker] behandelde hoe er voor 150 jaar een volk Ieefde dat Oranje naar den troon stond. Zij noemden zich vrienden van het vaderland, doch de geschiedenis leert dat zij het vaderland bijna ten onder hebben gebracht. Dit volk had zoo een geweldigen invloed, dat het verboden was de naam van Oranje in het openbaar te noemen. Aan het hoofd der regering stond Prins Willem de 5e. In het jaar 1785 werd aan hem het bevel over het Nederlandsche volk ontnoomen [...]. Vergeefsche pogingen werden door Prins Willem de 5e en zijn vrouw aangewend om de zaak te herstellen. Nu kwam er een troep van pruisische soldaten van 20 duizend man sterk en ten slotte werd de Prins in zijn eere hersteld. Doch de revolutie brak uit in Frankrijk en men onthoofde lodewijk de 16e. De Patriotten staken het hoofd weder op en zij haalden de Franschen in Flolland. En Oranje vluchte naar Engeland. Er werd over de Schelde nog oorlog gevoerd met Engeland, omdat het Engeland opnam voor de Nederlandsche republiek

Ook hier ontbrak een waarschuwend verwijzen naar het heden niet:

’’Spreker eindigde met de weas, dat het in Nederland niet meer tot zulk een tijdperk moge komen”!

Dezelfde wens uitte ook Pieter Gerssen aan het slot van zijn vertoog op de avond van 29 maart 1931. Flet handelde over Troelstra’s optreden in november 1918, waarbij deze uitspraken deed die alom als een oproep tot revolutie werden uitgelegd.

De
avonden
81

De bijbel

Er werden bijna evenveel werkstukken over teksten uit het Oude als uit het Nieuwe Testament gemaakt. Van het eerstgenoemde bijbelgedeelte was vooral het boek Jesaja, en van het Nieuwe Testament waren het de brieven van Paulus die tot het maken van een opstel inspireerden. Was degene die een inleiding over een bijbeltekst moest verzorgen min of meer gebonden aan een schema, de maker van een werkstuk over een bijbels onderwerp kon naar eigen inzicht te werk gaan. Zoals gezegd, konden de Obadjanen al vanaf het begin voor hun opsteUen te rade gaan bij bijbeluitgaven met kanttekeningen, met name de Statenvertaling Matthew Henry en Karl August Ddchsel. Net als bij de bijbelse inleiders stond ook bij de opstelmakers Dachsel in hoog aanzien. Zo neem ik aan, dat Freek Brouwer de bijbelverklaring van deze theoloog als leidraad voor zijn verhandeling nam, die op het rooster van de vergadering van 20 maart 1932 stond. Het ging over de tekst uit Jesaja 21, de verzen 11 en 12, De last van Duma. In de Statenvertaling luidt de betreffende tekst aldus.

29. Jan Pieter Otter, de veertiggepasseerd en inmiddels naar Bant in de NOP vertrokken.

Men roept tot mij uit Se'ir: Wachter wat is er van den nacht, wachter, wat is er van den nacht? De wachter zeide: de morgenstond is gekomen en het is nog nacht! Wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt!

De notulen vatten Brouwers voorlezing aldus samen:

”Spr[eker] toonde aan hoe men dat eens indertijd had gevraagd [...]. Daarna wees Sprfeker] erop hoe die vraag ook thans nog rijst. Maar het antwoord is nog even als vroeger: de morgenstond is gekomen en nog is het nacht; nog duiren de slechte tijden voort. Maar tenslotte wees spreker herop dat, hoewel wij slechte tijden doorleven, des heeren harm niet is verkort”.

Henry’s verklaring van deze tekst komt er in hoofdzaak op neer, dat de wachter een profeet zou zijn, die door een bekommerde Edomiet geraadpleegd wordt over

Obadja’s gangen ...
82

de dreigende overheersing door het Assyrische rijk. Duma zou hetzelfde zijn als Edom, een buurstaatje van Israel. Ook Dachsel wijst op deze dreiging, maar de tekst houdt volgens hem daamaast een aansporing in om zich bewust te zijn van de tekenen van de tijd en tegen het kwaad op te komen. Als de wachter in de nacht op Jezus Christus duidt, dan kan deze tekst bovendien beschouwd worden als de verwoording van het verlangen naar de komst van Gods Koninkrijk, aldus Dachsel. Het komt mij voor, dat deze interpretatie dichtbij de strekking van de woorden in de notulen komt.

Zoals uit het verslag over het hiervoor genoemde werkstuk al blijkt, leenden met name de opstellen over bijbelteksten zich bij uitstek voor beschouwingen over het heden, en voor bemoediging van de toehoorders. Dit was vooral in de jaren van de bezetting van groot belang. Zo stand boven de verhandeling, die Jan Pieter Otter in de vergadering van 3 november 1940 voor de vrienden hield, het Hebreeuwse woord Boldm. De notulen zeggen niets over de inhoud van dit werk¬ stuk, maar wel krijgen we te horen dat het om een vergelijking ging tussen de tijd waarin dit woord het betekent wenende geschreven werd en de dagen van nu. Aan welke plaats in de bijbel Bo/dm ontleend werd, vermeldt het verslag evenmin, maar op grond van een concordantie zou Ezra 3, de verzen 10 tot en met 12 hiervoor het meest in aanmerking komen. Daar wordt verteld over het leggen van de eerste steen voor de te herbouwen tempel, nadat een deel van het Joodse volk uit de Babylonische ballingschap naar Jeruzalem was teruggekeerd. De jongeren stonden te juichen; de ouderen, die de tempel van koning Salomo nog hadden gekend, huilden. De bedoeling van Otters betoog zal ongetwijfeld geweest zijn om zijn toehoorders erop te wijzen, dat ook de onderdrukking van nu zou uitlopen op een nieuw en vrij bestaan.

Dogmatiek

De opstellen in deze rubriek kunnen worden onderverdeeld in twee groepen. De eerste omvat de inleidingen over theologische vragen; de tweede de verhandelingen over de leer van de kerk. In de eerste categorie treffen we titels aan als Sabbats Rust en Sabbats Heiliging, Ben ik uitverkoren, Gods Voorzienigheid, De DrieEenheid ofHet Wezen Gods, en Na het sterven. Een aantal van deze werkstukken ontstond als antwoord op een vraag uit de vragenbus, zoals we verderop nog zullen zien.

Van de opstellen die de leer van de kerk behandelden, noem ik De Sacramenten, Het huwelijk, De leer van Christus en de leer van den Paus. Alleen al omdat laatstgenoemd werkstuk door twee personen werd voorbereid en ten gehore

De
avonden
83

gebracht, was het iets bijzonders. Het waren Jan Kramer en Jan Pereboom die hun toehoorders op de avond van 30 november 1930 dit voorhielden: ”Hoe het Christus er om te doen is diepgevallen zondaren weer te brengen in Gemeenschap met Zijnen Vader; en hoe hij gekomen is om te zoeken en te zaligen hetgeen verloren was. En dat de Paus of Rome het er om te doen is om eigene macht en heerlijkheid, zich niet bekommerende om het lot en eeuwig heil zijner Volgelingen”.

Hoewel de werkelijkheid van de rijk geschakeerde tegenstelling tussen Reformatie en Rome door de inleiders wel heel sterk vereenvoudigd was weergegeven, kon notulist Roelof Oost dik tevreden noteren: ”Het was een stuk waaruit veel te leeren was”.

De meeste opstellen in deze rubriek gingen over artikelen uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In de periode van november 1941 tot en met maart 1942 kwamen de eerste vijf artikelen uit de Geloofsbelijdenis in evenzovele inleidingen aan de orde. Dit gebeurde aan de hand van een brochure van het NJ.V., die door dr. G.P. van Itterzon geschreven was. Dit geschriftje begint met een korte levensbeschrijving van de Zuidnederlandse hervormer Guido de Bray (1522-1567), de opsteller van de Geloofsbelijdenis. Hierna worden alle artikelen volgens een vast patroon behandeld. Elk artikel wordt eerst in hedendaags Nederlands weer¬ gegeven, vervolgens in onderdelen uitgelegd en daama toegelicht aan de hand van verwijzingen naar verschillende bijbelteksten. Tenslotte volgt een schema voor het maken van een opstel.

De notulen melden over de besprekingen meestal alleen, dat zij gevolgd werden door een levendige discussie en dat de inleiders het er goed vanaf hadden gebracht.

Geloofs- en ethische vragen

De meeste van deze werkstukken zijn sterk be'invloed door het besef, dat de tijd waarin men leefde moeilijk was. Titels als Hoe moeten wij de tijden welke wij thans beleven verstaan, Het verleden, heden en toekomst der Christelijke Kerk en De duistemis in deze dagen spreken voor zich. Een duidelijke verwijzing naar de oorlogsomstandigheden geeft het opstel Er is nogplants voor Kerstvrede in 1941, dat Leendert Brouwer op de avond van 14 december van dat jaar ten gehore bracht.

Over de bronnen die ten behoeve van deze verhandelingen gebruikt werden, is weinig te zeggen. Ongetwijfeld werd vaak de bijbel geraadpleegd om beweringen te staven. In een enkel geval zal het om een persoonlijke stellingname gegaan zijn,

Obadja
84

30. Jan Kramernaastzijnfiets; hijis inmiddels op middelhare leeftijd. De foto werd genomen ergens in wijk 7.

avonden

vooral als het de verdediging van waarden en normen betrof. Een voorbeeld daarvan levert het opstel Onze radio-omroep, dat Klaas Meinema in de bijeenkomst van 4 december 1932 aan de aanwezigen ter discussie voorlas. De notulen zeggen erover:

”Spr[eker] wilde niet spreken over andere omroepverenigingen, maar besprak alleen onze omroep, de NCRV. Nadat spr[eker] het ontstaan van deze omroep had geschetst, zag hij de Chr[istelijke] radio een middel zijn om onze verbrokkelde Christelijke beginselen weer te vereenigen”.

In de discussie die hierop volgde, vochten enkele vrienden deze stalling aan. Maar de voorzitter kreeg ook bijval. Tot hen behoorde ongetwijfeld secretaris Jan Pereboom, althans hij omschreef de uitkomst van de discus¬ sie als:

”En wij zagen onze radio in het teeken van het Koningkrijk Gods”.

Het was zuiver toeval dat in de vergadering van 15 februari 1931 een ethisch vraagstuk aan de orde kwam. Hendrik Weerstand stand voor deze avond op het rooster, maar hij moest de voorzitter melden dat hij zijn werkstuk niet af had gekregen. Daarop bood Jan Kramer aan een gedeelte voor te lezen uit de redevoering De Christelijke levensbeschouwing en het dmnkvraagstuk, uitgesproken door de Enkhuizer gereformeerde predikant D. Hoek. Ot het nu de kerkelijke herkomst van deze dominee was of dat de toehoorders het met Hoeks pleidooi voor geheelonthouding niet eens waren, zegt het verslag niet. Hoe het zij, ”op dit gesprokene kwam er eenige discussie, en het scheen wel of dit woord van Kramer niet in de smaak viel; want de houding van de vr[ienden] tegenover dit vraagstuk was niet sympatiek”. De voorzitter vond het dan ook niet nodig de rest van de toespraak voor te laten lezen.

De
85

Eigentijdse problemen

Vooral de economische crisis van de jaren dertig bood stof voor ettelijke opstellen. Zij droegen namen als De nood der tijden, De crisis en wij, De wereldcrisis en het Kerstgebeuren.

Voor een aantal werkstukken is de bron waaruit geput werd aan te wijzen. De Jongeman besteedde in deze jaren namelijk veel aandacht aan de economische crisis en de daarmee gepaard gaande werkloosheid. Zo zal de verhandeling De crisis en wij, die Jan Pereboom in de vergadering van 6 december 1931 hield, stellig ontleend zijn aan het gelijknamige artikel van de hand van G.W. van Deth uit De Jongeman van 8 oktober van dat jaar. De spreker zette uiteen ”hoe onze wereld, die sinds de laatste jaren zoo’n ontzag[g]elijke hoogte had bereikt, thans een ontred[d]erde wereld is geworden. Daarna besprak spr[eker] nog, dat de crissus de jonge menschen het meest geld, en wat of wij jonge menschen nu in deze benarde toestand aan ons geloof hebben. Het geloof geeft de mogelijkheid om niet geestelijk onder de ellende te komen. En tenslotte wees spr[eker] erop, dat wie het heeft leeren verstaan om zijn weg te zien als gods weg, lust en leven heeft”. Dit is inderdaad de lijn, die in het genoemde artikel te herkennen is. Van betrokkenheid bij de problemen waarmee de Urker bevolking in die dagen kampte, getuigt het onderwerp waarover Klaas Hakvoort in de samenkomst op 30 oktober 1932 in de notulen staat 30 november sprak. Het ging over de demonstratie, die een hondertal Urkers voornamelijk vrouwen onder leiding van wethouder Albert Hakvoort op de middag van dinsdag 13 September van dat jaar in Amsterdam had gehouden. De stoet was onder grote belangstelling van De Ruijterkade naar het Rokin opgetrokken om aan de secretaris van de daar gevestigde Generale Commissie de commissie die verantwoordelijk was voor de uitvoering van de Zuiderzeesteunwet een petitie aan te bieden. Daarin uitten de vrouwen de klacht, dat hun gezinsinkomen sterk achteruit was gegaan, omdat zij na de afsluiting van de Zuiderzee hun werk als gamalenpelsters kwijt waren geraakt. Zij verzochten de commissie daarom hun mannen als belanghebbenden in de zin van de Zuiderzeesteunwet te erkennen, waardoor zij voor het verlies aan inkomsten schadeloos gesteld zouden worden. De landelijke dagbladen en de Visserijcourant berichtten over deze demonstratie. Kennelijk riep de manier waarop de spreker te werk ging weerstand op, tenminste er volgden ’’eenige ongeoorloofde” woordenwisselingen, ’’welke Krachtdadig door den voorzitter werden afgeklopt”. Overigens, de demonstratie zou niets opleveren.

Obadja ’s gangen
86

Literatuur

In het begin van de jaren dertig gebeurde het wel eens, dat iemand voor een afwezige opstelmaker inviel met een voordracht. Zo las Jan van Dalfsen in de bijeenkomst van eerste Kerstdag van 1932 een gedicht van Gerdt Waanders voor, getiteld Nicodemus. De notulen spreken hier abusievelijk van Zacheiis.

In de jaren veertig blijkt de literatuur een volwaardige bron voor het maken van werkstukken te zijn geworden. Degene die haar rijkelijk aanboorde was Jan ten Napel. Op de avond van 5 januari 1941 hield hij een verhandeling over een gedeelte uit een novelle van K. Norel. Deze droeg het opschrift De gladde aal. Dit moet een werktitel zijn, want Norel heeft geen verhaal geschreven dat zo heet.‘ Nadien vormden boeken vaker het onderwerp voor een opstel. Zo besprak Jelle Ekkelenkamp in de vergadering van 23 november 1941 J.H. Eekhouts roman Pastoor Poncke. Dit boek gaat over de pastorale wederwaardigheden van een geestelijke uit het achttiende-eeuwse Vlaamse stadje Damme. Dat de toevoeging van dit literaire ingredient aan de vertrouwde kost gewaardeerd werd, blijkt uit het verslag. ”Daar een Boekbespr[eking] weer wat nieuws was, viel dit ook zeer goed in de smaak. Hiermee wil ik niet te kort doen aan Vr[iend]

*Als de schrijver inderdaad Norel is, meen ik dat het hier gaat om een passage uit het boekJanmaats en Sinjeuren en wel de bladzijden 221 t/m 230, en 235 t/m 241. De GladdeAal zou dan Syvert Sem kunncn zijn, die hcimelijk koning Filips’ regering in Brussel inlicht over het voornemen van een groep Amsterdamse kooplieden om een compagnie voor de handel op Indie op te richten.

Hij vraagt bovendien er bij de koning op aan te dringen de in beslag genomen Amsterdamse schepen en hun gevangen genomen bemanningen vrij te laten, om zodocnde de belangrijkste reden voor de oprichting van de compagnie ongedaan te maken. Zijn verzoek wordt vrijwel meteen ingcwilligd.

Als de kooplieden bijeenkomen om de akte van oprichting te tekenen, stormt Sem de vergadering binnen met de zojuist uit Spanje ontvangen brief, waarin de vrijlating bericht wordt. De aanwezigen laten zich echter niet van hun plan afbrengen en tekenen het stuk. Nu Sem ziet dat zijn opzet mislukt is, wint bij hem het verlangen om te delen in de te verwachten winst het van zijn sympathie voor de Spaanse zaak. Als laatste zet ook hij zijn handtekening onderaan de lijst. Jan ten Napel kon het zich niet meer herinneren en hij twijfelde zelfs sterk aan mijn veronderstelling.

Mijnbelangrijkste argumenten zijn, datNorelhetboekinDuitse krijgsgevangenschap voltooide en dat de strekking in de lijn ligt van de voordrachten die Ten Napel in de maanden oktobcr en december 1940 hield. Ik kom daar nog op terug. Onze argumenten voor en tegen werden uitgewisseld in de brief van F. Pereboom aan J. ten Napel (7 november 1991) en van J. ten Napel aan F. Pereboom (27januari 1992).

De
avonden
87

Ekkelenkamp, die dit Boek op schitterende wijze aan ons vertolkte”, aldus de opgetogen Jan Pieter Otter.

En in de bijeenkomst van 18 januari 1942 lichtte Albert Kroon zijn toehoorders in over een zojuist verschenen streekroman, die Bartje heette. Dit door Anne de Vries geschreven en in Drente spelende verhaal zou een veel gelezen jeugdboek worden.

Het werk van de eigen vereniging en de geschiedenis van het NJ.V.

In de eerste jaren van Obadja’s bestaan vormden het werk van de vereniging zelf en de geschiedenis van het NJ.V. de aanleiding voor het maken van drie werkstukken. Zij zullen voornamelijk tot doel hebben gehad om propaganda voor Obadja te maken. Dat blijkt onder meer uit het feit, dat het eerste opstel van het seizoen 1932/1933 Het doel en het werk van dejongelingsvereniging heette. Het was Roelof Oost die dit op de avond van 26 September voorlas. Een opwekking om actief deel te nemen aan het werk van de jongelingsvereniging deed ook Freek Brouwer in de samenkomst op 18 januari 1931. ”Het doel der Jongelingsvereeniging is den Jongeling te vormen tot Een Christelijke Persoonlijkheid”, zo was de kern van Brouwers betoog. Bovendien, ”hij Leert er zelfstandig een meening vormen, en leert er veel dingen die hem in het latere Leven kunnen te pas komen”.

Verder kwam de geschiedenis van het NJ.V. ter sprake in Roelof Oost’s werkstuk, dat hij voor de avond van 6 november 1932 had voorbereid. Voor zijn onderwerp kon hij gebruik maken van een brochure van H. Gordeau, waanin drie thema’s aan de orde komen: Hoe het [N.J.V.] ontstond, wat het werd en wat het wil.

Hoezeer Roelof Oost als pleitbezorger van Obadja gewaardeerd werd, is ons al gebleken uit de vermelding, dat hij de feestredenaar was tijdens de besloten viering van het 121/2-jarig bestaan in het vooijaar van 1943.

De manier waarop de Obadjanen hun onderwerp behandelden

De handboeken en geschriften voor een breed publiek, die door de vrienden van Obadja voor het maken van hun opstellen gebruikt werden, vormen de weerslag van het wetenschappelijk denken uit de tweede helft van de negentiende en de eerste decennia van de twintigste eeuw. De verklaring van historische en maatschappelijke verschijnselen werd in die tijd vooral gezocht in de geestelijke gesteldheid en persoonlijke drijfvcrcn van het individu. Bovendien vond men het

...
Obadja‘s gangen
88

van belang het verloop van gebeurtenissen en ontwikkelingen schematisch en afgerond in tijdvakken voor te stellen.

Daartegenover leggen wetenschapsbeoefenaren in onze dagen zich in de eerste plaats toe op het bestuderen van groepsgedragingen, machtsverhoudingen en economische omstandigheden; terwijl zij ontwikkelingen in de geschiedenis vooral in samenhang met de samenlevingsverbanden in het betreffende tijdvak beschouwen.

Uit de bewoordingen waarin de inhoud van de opstellen in de notulen is weergegeven, blijkt duidelijk hoezeer de Obadjanen kinderen van hun tijd waren. Als verklaring voor het ontstaan van de tweede oorlog tussen de Verenigde Nederlanden en Engeland (1665-1667) wees Pieter Gerssen in zijn werkstuk, dat hij in de bijeenkomst van 3 januari 1932 voorlas, op de invloed van het individu: de haat van Karel II tegen raadspensionaris De Witt, en de afkeer van de geestelijken van de Anglicaanse Kerk tegen de Republiek. Een proeve van een schematische voorstelling van het verloop van historische ontwikkelingen leverde het betoog De kerk en de maatschappij, dat Jan Pereboom in de vergadering van 23 oktober 1932 hield: ”Spr[eker] wees erop, hoe voor de veertiende eeuw de staat werd beheerscht door de Kerk. Daama werd de staat de machtige en beheerschte zij de Kerk. Daama sprak spreker over de bovendrijvende geestesstromingen. Voor de 19e eeuw beheerschte de Kerk de beschaving en daama werd de Kerk door de machtige opwel[l]ende geestesstromingen der 19e eeuw, dus de beschaving, beheerscht”.

Thema’s uit de dogmatiek leenden zich bij uitstek voor een schematische indeling. Zo vatte het verslag van de avond van 4 januari 1942 Albert Kroons werk¬ stuk over artikel 3 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis aldus samen: ”Spr[eker] sprak over de verschillende opvattingen van de ingeving der Heilige Schrift, namelijk de Mechanische, Dualistische, de Dynamische en de Organische”.

De weinige scholing die de meeste Obadjanen hadden genoten en het beperkte aantal boeken en tijdschriften waarover zij konden beschikken, leidden er vooral de eerste jaren toe, dat niet altijd recht werd gedaan aan een evenwichtige behandeling van het onderwerp. Toen Willem Schraal (de oudere) op de avond van 15 november 1931 sprak over De nood der tijden, duidde hij de oorzaak daarvan aan als schuld, ’’omdat arbeider en patroon niet meer voor mekaar bukken”. Volgens Schraal zou de arbeider zijn stand overdrijven. Weerwoorden bleven niet uit en tot de opposanten behoorde ongetwijfeld notulist Jan Pereboom zelf, zoals de formulering van de zinsnede over de discussie laat zien: ’’Jammer, dat wij niet hoorden dat de pattroon en het Kapitaalisme niet moede worden hun Kapitaal steeds te stevigen”.

De
89

Obadja 's gangen

In zijn opstel dat Pieter Gerssen in de vergadering van 16 oktober 1932 voorlas, deed hij enkele aanbevelingen om de bestaande werkloosheid te verlichten, ’’zoals de vrouw en het jonge meisje van de fabriek en daarvoor mannen in de plaats; de kinderen niet beneden de 16 jaar laten werken enz”. Ook hierop kwam tegenkanting, tenminste het verslag meldt dat het beter zou zijn ”om deze gewichtige onderwerpen voor de economen te laten”.

De onbedrevenheid in het houden van goed omlijnde betogen ontlokte met name in de beginjaren meer dan eeas kritische opmerkingen aan de toehoorders, of noopte de voorzitter tot het plaatsen van aanvullende kanttekeningen. Zo kreeg Jelle Ekkelenkamp het in de samenkomst op 1 november 1931 zwaar te verduren. Zijn opstel handelde over de vrede van Rijswijk, die een einde maakte aan de negenjarige oorlog (1688-1697) tussen Frankrijk en een coalitie van verschillende staten, waaronder de Republiek. Blijkbaar had Ekkelenkamp zich op de omvang van het karwei verkeken, althans de notulen spreken van een half opstel. Klaas Koffeman, die als bezoeker aanwezig was, nam Ekkelenkamp onder schot. Hij kende hem van andere verenigingen, waar hij altijd goed werk leverde. Koffeman beschouwde zijn optreden op deze avond dan ook als een blijk van luiheid! Overigens liet Ekkelenkamp zich door deze ffontale aanval niet uit het veld slaan. Wij komen namelijk nadien zijn naam in de notulen nog vaak tegen als maker van een opstel en als inleider op een bijbelgedeelte, terwijl hij zich bovendien ontpopte als een verdienstelijk voordrager.

De specialisten

Evenals bij de inleidingen over bijbelteksten, ontwikkelden sommige vrienden zich in de loop van de tijd tot ware specialisten in het maken van opstellen. Zo was Jan Pieter Otter niet alleen kundig in het vervaardigen van werkstukken over bijbelteksten, maar ook treffen wij zijn naam onder de makers van opstellen over onderwerpen uit de kerkgeschiedenis aan. Pieter Gerssen (de penningmeester) behoorde tot degenen die in de eerste jaren eveneens vaak op het roaster stonden. Cor Brouwer was een van de specialisten uit de jaren veertig. Albert Kroon deed in dezelfde periode meerdere studies om vragen uit de vragenbus te beantwoor den, en aan Jan ten Napel komt de eer toe de literatuur als bron voor het maken van opstellen te hebben aangewezen.

Willem Schraal

De Obadjaan die als opstelmaker wellicht de grootste faam heeft gekregen en van wie bepaalde werkstukken lang in het geheugen zijn blijven hangen, is de

90

jonggestorven Willem Schraal. Legendarisch is zijn verhandeling De mens in de ban van de technische superperfectie geworden. Hij moet dit werkstuk kort voor de oorlog in Obadja gehouden hebben. Willem werd op 24 februari 1921 op Urk geboren als oudste zoon van aannemer Willem Schraal en Anna Kramer. Op jonge leeftijd moest hij in het sanatorium Sonnevanck bij Harderwijk kuren vanwege een tbc-aandoening. Door zijn vrienden Jo Gerssen en Leendert Brouwer kwam hij bij Obadja; Willem was van gereformeerden huize. Hij las veel en talloze onderwerpen hadden zijn belangstelling. Misschien kwam het juist door zijn honger naar kennls, dat hij liever inging op vragen die door anderen opgeworpen werden dan zich te zetten aan het uitwerken van een inleiding over een gedeelte uit de bijbel. Vooral de beantwoording van geloofsvragen had zijn voorkeur. Deze veelbelovende vriend is slechts 24 jaar oud geworden. In het laatste jaar van de bezetting werd hij emstig ziek en kort voor de bevrijding stierf hij. Zijn overlijden en begrafenis vonden onder dramatische omstandigheden plaats. Zijn broers Jan en Hendrik waren buiten Urk ondergedoken en enkelen van zijn vrienden waren na de razzia van 18 november 1944 als dwangarbeider naar Duitsland weggevoerd. Terwijl Willems lichaam in huis lag opgebaard, deden de Duitsers tot twee maal toe een inval. Op hun herhaalde vraag of de twee jongere broers thuis waren, antwoordde de familie om de Duitsers het belachelijke van hun optreden duidelijk te maken : ”Ja, ga maar kijken in de achterkamer”. Daar zagen ze dan de kist staan met het stoffelijk overschot van Willem. Meerdere opstellen van Willem Schraal zijn bewaard gebleven, waaronder Is er geen licht aan de lam. Dit werkstuk ontstond naar aanleiding van het binnentrekken van de Duitse legers in Oostenrijk op 11 maart 1938. Willem Schraal zal deze inleiding eind maart of begin april van dat jaar in Obadja hebben voorgelezen. Zijn broer Jan publiceerde de tekst in het nieuws- en advertentieblad Stuurboord van 24 december 1980. De opbouw is evenwichtig en de stijl van schrijven duidelijk. Dit opstel mag voor een jongen van amper zeventien jaar gerust een opmerkelijke prestatie heten, zoals blijkt uit het volgende citaat (Jan Schraal herschreef de tekst in hedendaagse spelling):

”Nog maar weinige dagen geleden heeft geheel Europa zich de ogen uitgewreven van verbazing over hetgeen er gebeurde tussen Oostenrijk en Duitsland. Rijkskanselier Adolf Hitler verklaarde dat dezeAnschlusz van Oostenrijk bij Duitsland komt door de machtige trekking van de band des bloeds. Waarop het in Duitsland moet uitlopen kan niemand zeggen. Wat er uit deze chaos zal voortkomen ontsnapt aan ieders waameming [...]. Dat is echter nu weer voorbij. Er is zelfe, nu de zaken in Oostenrijk ten naaste bij geregeld zijn, weer enige ontspanning ingetreden. Het kan nu voorlopig

De
avonden
91

weer vrede blijven. Het kan [...], maar [...] meer dan een mogelijkheid is het niet. Europa zit immers vol met spanningscentra. Als in Spanje de republikeinen het niet meer kunnen houden? Als Duitsland de weg naar het Oosten verder wil betreden [...]. Wat zijn onze dagen dan? Hoe is de atmosfeer geladen! Wat houdt de beker van Gods grimmigheid veel in! Wat woeden de volken; wat bedenken de vorsten: ijdelheid! De revolutievlam laait hoog op [...]. De aarde zal schrikkelijke tonelen beleven. Wat er nog mooi is lijkt maar schijn. De mens der zonden, de anti-Christ, zal zich openbaren. Het zal een tijd van benauwdheid zijn als nooit tevoren. Volken zullen botsen tegen volken. Blanken zullen strijden tegen gekleurden. Ziet, daar komt een volk aan van het Oosten, daar dreigt een leger van het andere einde der aarde. De krachten der natuur zullen ontketend worden [...]. Onze vragen vermenigvuldigen. Onze gedachten worden verschrikt. Onze zorg voor de toekomst wordt nijpend. Ons vaderland zien wij zinken. ’s Heeren kerk zien wij in verdrukking. Brandstapels verrijzen. Vlammen lichten hoog op en de mens zal uitroepen: 'Oh God, waar berg ik mijn aangezicht!’”

Obadja ’s gangen
33. Willem Schraal met bolhoed en Jo Gerssen; foto april 1942.
92

De voordrachten

De voorbereiding

De geestelijke vorming van de jongelingen bleef niet beperkt tot alleen kennisnemen van geschriften over theologie, maatschappijleer en geschiedenis. Het Nederlands Jongelingsverbond had zich ook tot taak gesteld hen binnen te leiden in de wereld van de letterkunde en voordrachtskunst. Het voordragen van een gedicht of stukje proza was naast de bijbelse inleiding en het opstel al gauw een niet weg te denken onderdeel van de wekelijkse bijeenkomsten van de jongelingsverenigingen.

De voordrager kon zelf kiezen wat hij ten beste zou geven. Bij het maken van zijn keuze zal hij doorgaans een aantal gedichten of stukjes proza hebben doorgelezen. Dit snuffelen heeft zeker bij menig jongere de liefde voor de literatuur doen ontwaken, zoals ook de bedoeling was. Van hem werd verwacht dat hij zich goed op zijn optreden voorbereidde. Meerdere uitgevers onder wie het N.J.V. gaven voordrachtsbundeltjes uit met toelichting op de gedichten en aanwijzingen voor het voordragen. Begrip van het gedicht of stukje proza was een eerste vereiste. Het ten gehore brengen op de goede toon, het leggen van de juiste klemtonen en het inachtnemen van pauzes, waren zaken waarop de voordrager diende te letten. Hij moest tenslotte kunnen uitleggen waarom het voorgedragene hem had aangesproken. Zoals vaker gezegd, bezat Obadja in de eerste jaren slechts een klein aantal voordrachtsbundeltjes. In die tijd moesten de vrienden vaak een beroep doen op het boekenbezit van onderwijzers, predikanten ofverenigingsgenoten. Het kwam ook regelmatig voor, dat de Obadjanen gedichten overschreven en aan elkaar doorgaven. Dit is zeker het geval geweest met het ook bij andere Urker verenigingen zo geliefde vers De ramp van de Titanic, dat Freek Brouwer in de bijeenkomst van 3 januari 1932 ten gehore bracht. Vanaf het begin van de bezettingstijd konden de vrienden putten uit de door hen aangekochte bibliotheek.

De noteringen in de notulenschriften

De notulenschriften vermelden helaas nagenoeg alleen de titel van de voordracht, zodat het vaak niet met zekerheid te zeggen is welke gedichten en stukjes proza werkelijk voorgedragen zijn. Hoewel secretaris Jan Pieter Otter in de verslagen uit de periode 1940/1943 zo nu en dan de naam van een dichter of schrijver noteerde, maakte hij daarbij jammer genoeg enkele vergjssingen. Zo heette het gedicht dat Jan ten Napel op de avond van 20 oktober 1940 Met horen niet Hij

De
avonden
93

sneuvelde in tie Grebbelinie, maar Onbekende soldaal. En de dichter was niet zuster Sonja, doch de Kamper journalist Hendrik van Heerde. Deze publiceerde onder het pseudoniem Havanha. Evenmin was Het geweten, dat Willem Schraal in de samenkomst op 18 januari 1942 voorlas, van de dichter-dominee Elisa Laurillard, maar van de Fransman Victor Hugo. Het was vertaald door de eveneens dichtende predikant J.J.L. ten Kate. Wat dat aangaat waren de notulLsten uit het begin van de jaren dertig nauwkeuriger. Zij gaven bovendien meer dan eens een uitgebreide samenvatting van de gehoorde voordrachten. Zo noteerde Roelof Oost in zijn verslag van de vergadering van 18 januari 1931 over Jan de Wits vertolking van De verloren zoon het volgende:

”De Wit schilderde hierin een beeld uit het visschersleven. Het stormL In het huisje achter de dijk komt bericht dat er een schip in nood is. Het Volk word bijeengeroepen en de Reddingbood trekt er op uit. Bij het schip gekomen zijnde, word ontdekt dat de eenigste zoon van den schipper op het schip is. Deze word gered en weldra is er weer vreugde in het huisje achter de dijk”.

Dat de weergave niet altijd volkomen met de werkelijke inhoud overeenkomt, laten de notulen van de avond van 6 december van hetzelfde jaar zien. Johannes Mink las Het lied van de zee voor en Jan Pereboom vatte de voordracht in deze woorden samen:

’’Elene Zwart had haar man en zoon in de zee verloren. Nu was het in de nacht dat Elene Zwart ter ruste lag [en] dat haar een jongeling kwam wekken, dat de zee haar Kleinzoon het leven ook had benomen. Aan het strand gekomen barste zij in tranen uit en wenste dat de zee haar zelf nu ook maar het leven benam, omdat zij niet met god rekende. Want zij had haar weg nog niet leeren zien als gods weg”.

De persoon om wie het gaat, wordt in het gedicht omschreven als oud moedertje en Helene Swarth is de dichteres. Dat de oude vrouw niet met God rekende, is een uitleg van de notulist zelf. Blijkbaar was hij nog vol van het opstel De crisis en wij, dat hij voorafgaand aan de voordracht had voorgelezen. Hierin had hij betoogd dat ook in de economische crisis Gods weg te onderkennen is.

In het eerste jaar kwam het regelmatig voor dat liefhebbers de gelegenheid kregen om na degene die op het rooster stand een voordracht te houden. Zo las Freek Brouwer in de bijeenkomst van 23 november 1930 nog twee gedichten van PA. de Genestet voor. En toen Lambertus Oost, die voor de avond van 1 maart 1931 een werkstuk zou voorbereiden niet aanwezig was, namen maar liefst vier belangstellenden de gelegenheid te baat om een vers ten gehore te brengen.

...
94

Achtereenvolgens traden op Roelof Oost met Daniel in de Leeuwenkuil, Jan Pereboom met Hagar en Ismael, Willem Schraal (de oudere) met De dorpsdominee en als laatste Klaas Koffeman met Irene.

De voordrachten naar thema ingedeeld

Hoewel de notulenschriften weinig houvast bieden om de herkomst van de voorgedragen verzen en stukjes proza op te sporen, is het mij dankzij vele hulpvaardige handen niettemin gelukt van de 98 genoemde titels 64 te achterhalen. Om inzicht te krijgen in de aard van de belangstelling van de Obadjanen heb ik ze over elf thema’s verdeeld. Gezien het ongewisse karakter van de zoektocht hoe uitgebreid deze ook geweest is geef ik het resultaat met een zeker voorbehoud. De lezer moet rekening houden met de volgende omstandigheid. Bij thema’s die voor veel dichters aantrekkelijk waren om over te schrijven, is niet altijd met zekerheid uit te maken welk gedicht bij welke dichter hoort. Hoeveel verzen zijn er niet, waarin de lof op de moeder bezongen wordt? In de Nederlandstalige poezie is dat minstens een honderdtal, waarvan Willem de Merode er alleen al vier op zijn naam heeft staan. Dat De moeder, die in het verslag van 8 januari 1933 genoteerd staat, het gedicht van Geerten Gossaert is geweest, neem ik op gezag van oud-leden en van kenners van de cultuur van de jongelingsverenigingen aan. Op grand van ditzelfde gezag ga ik er ook vanuit, dat het vers Het Kruis voorgelezen in de bijeenkomst van 6 november 1932 het geesteskind van de bekende Reveilman Isaac da Costa was. Een gelijknamig gedicht ontsprong overigens ook aan de dichterlijke ader van Ten Kate.

Net als bij de rubrieken van de opstellen is ook de ordening van de voordrach¬ ten naar thema’s niet sluitend. Zo heb ik het gedicht Te laat vanwege de dramatische inhoud gevoegd bij het thema ellende, armoede en dood. Er is echter iets voor te zeggen om het op te nemen in de categorie onderen en jongeren, want evenals in het bovengenoemde vers De moeder gaat het ook hier om iemand die als een verloren zoon beschouwd kan worden. Ondanks deze beperkingen, geeft onderstaand staatje voldoende duidelijk aan waarop de belangstelling van de Obadjanen zich richtte. Omdat anders dan bij de opstellen uit de titels van de gedichten en verhalen niet zonder meer is af te leiden tot welk thema zij gerekend moeten worden, heb ik alleen de gevonden voordrachten opgenomen. Aangezien meerdere thema’s maar enkele titels bevatten, geef ik alleen daar een uitsplitsing naar tijdvak waar de verschillen in het oog springen.

De
avonden
95

De thema ’v

op de bijbel ge'inspireerd 14 door het geloof ge'inspireerd 7 geloof belijdend 9

- de protestantse identiteit 193011933 2 1940/1943 0

- besef van vergankelijkheid 5 ellende, armoede en dood 1930/1933 6 1940/1943 2

luim 1930/1933 6 1940/1943 1 techniek, natuur 2 historische gebeurtenissen 4 proza 3

- ouderen en jongeren 3

Men ziet, dat de thema’s de protestantse identiteit, ellende, armoede en dood, en luim in het begin van de jaren dertig grotere belangstelling genieten dan in de tijd van de bezetting.

Op de bijbel ge'inspireerd

Van de veertien gedichten die onder dit thema vallen, hebben er maar liefst zeven betrekking op Jezus’ lijden en sterven. Twee zijn van de bekende dichter-dominee Nicolaas Beets, te vinden in zijn Rijmbijbel. Nog van drie andere negentiendeeeuwse dichters werden verzen over dit onderwerp in Obadja voorgedragen. Het gaat om Het Kruis van Isaac Da Costa, Golgotha van Henri Bruning en Het is volbracht van J.J.L. ten Kate. Kenmerkend voor gedichten van de negentiende-eeuwers is de verheven toon en wijdlopige stijl. Het eerste couplet van Nicolaas Beets’ De morgen, in de samenkomst op 16 oktober 1932 door Klaas Meinema ten gehore gebracht, luidt aldus:

Stil is de nacht en zwart en schrikbaar voor het hart; elk legt als in zijn graf, een poos het leven af, en toont zich in dien schijn, waarin men dood zal zijn.

...
Obadja’s gangen
96

Des levens laid gerucht smoort in zijn dikke lucht; stil is de nacht en zwart, en schrikbaar voor het hart.

De dichter wil zeggen dat het licht van de morgen van Jezus’ opstanding is als de zonnegloed, die in het eeuwige leven is opgegaan. Ook werden twee verzen van eigentijdse dichters over Jezus’ kruisdood voorgedragen. Het betreft Barrabas van J.H. de Groot en Petrus van J.A. Rispens. In dit laatste gedicht schetst de maker het laffe gedrag van de apostel bij het vuur in de voorhof van de hogepriester. Deze twee verzen zijn directer van toon en mijns inziens aansprekender dan die van de negentiende-eeuwers.

Het aantal voordrachten dat betrekking heefl op Kerstmis is naar verhouding klein: Kerstlied - vermoedelijk dat van Joost van den Vondel - en Ontwaakt, herders loopt.

Verder zagen we al dat Jan van Dalfsen in de bijeenkomst van eerste kerstdag 1932 het vers Nicodemus van G. Waanders ten beste gaf.

Ook gedichten over figuren uit het Oude Testament leenden zich voor een voordracht. Het ging om Abel van Ten Kate, Daniel in de leeuwenkuil en Hagar en Ismael, beide van Willem de Merode.

Diepe indruk maakte de voordracht die Willem Schraal (de jongere) op de avond van 18 januari 1942 hield. Zij was getiteld Het geweten. Het gedicht gaat over Kai'n die na de moord op zijn broer Abel met vrouw en kinderen van hot naar her trekt en nergens rust vindt.

”Wij gevoelden door de wijze van voordragen iets van de wanhoop van Ka'in, toen hij wist dat hij zich nimmer voor God verbergen kon”, aldus de voor zijn doen uitvoerige notulist Jan Pieter Otter.

Door het geloofgeinspireerd

In vier van de zeven gedichten van dit thema brengen de dichters tot uitdrukking wat het geloof tijdens een alledaagse ervaring voor hen betekende. Ze werden alle tijdens de oorlogsjaren voorgedragen. Zo liet Jo Gerssen in de vergadering van 26 januari 1941 Jacqueline van der Waals’ De spoortrein horen. In dit aardige vers brengt de dichteres haar ervaring onder woorden, dat de wachtende trein waarin zij zit lijkt te rijden, en de op het naastliggende spoor rangerende locomotief en wagons schijnbaar stilstaan. Dan realiseert zij zich dat God het eeuwige punt van zekerheid is in een altijd in beweging zijnde wereld. Eveneens van Jacqueline van der Waals en ook door Jo Gerssen voorgedragen is het

De
avonden
97

ontroerende gedicht Annunciatie (aankondiging). Hierin vertelt zij in sobere woorden hoe haar werd aangezegd, dat zij binnen afzienbare tijd zou sterven. Verder noem ik hier Slapen gaan van Willem de Merode en Het schrijverke van Guido Gezelle.

Afstandelijker zijn de verzen van twee negentiende-eeuwse dichters, die in de eerste periode werden voorgedragen. In De bekentenis op de avond van 23 november 1930 door Freek Brouwer ten gehore gebracht - verontschuldigt De Genestet zich voor zijn kleine geloof. Hendrik ToUens’ De wijsgeer en het kind laat ons de worsteling van een geleerde met zijn geloof zien. Jelle Ekkelenkamp droeg het in de vergadering van 7 december 1930 voor. De notulist vatte de ervaring van de wijsgeer als volgt samen: 32. Willem Schraal, 22jaar oud.

”Hij ging langs het strand en ziet hoe een kind bezig is een kuiltje in het zand te graven en water overdraagt vanuit de zee in het kuil[t[je. De wijsgeer vraagt wat het doet; het kind antwoort: ”Ik schep de zee over in het kuil[t]je”. Nu ontdekt de wijsgeer zijn beeld in het kind en een stem in zijn binnenste zegt: ”Zoo zijt gij, die de wijsheid Gods tracht te begrijpen met uw menschelijk Verstand”.

De slotregels van het gedicht zeggen het feitelijk iets mooier: Wie Gods geheimen na wil sporen, die dwaas is dwazer dan een kind!

Geloofbelijdend

Bij de gedichten van dit thema gaat het niet zozeer om persoonlijke ervaringen van de schrijvers, alswel om de betekenis van het geloof voor de mensheid. De strekking is meer belijdend en getuigend dan die van de verzen uit de categorie Op de bijbel geinspireerd. Zo zijn de eerste twee coupletten van Jan Ietswaards U, die ik mijn vertroosting noem Albert Kroon droeg het in de bijeenkomst van 28 februari 1943 voor als volgt:

98

U, die ik mijn vertroosting noem ah mij de dood komt vragen: wat van dit arm en eenzaam hart ik naar Uw licht zal dragen.

Gij weet: het is te weinig moed, het h te veel aan smart. O troost mijn [even dan voorgoed en neem geheel mijn hart.

Het gedichtje is een kort gebed om kracht, troost en geborgenheid. Min of meer dezelfde strekking hebben Bede van Arie Wapenaar, Veni Creator (Kom Schepper) van Willem de Merode en Mijn belijden van G. Waanders. Genoemde vier verzen zijn van eigentijdse dichters en zij werden betrekkelijk kort na elkaar voorgedragen. Zij passen bij de stemming van inkeer en ingetogenheid, die in het tweede en derde bezettingsjaar in Obadja heerste.

De overige gedichten van dit thema zijn 33. Jo Gerssen op zeventienjarige leef- anders van inhoud. Zo is Ontwaakt gij die tijd; het kiekje werd genomen in 1936. slaapt van Petrus Parson - het vers staat onder nummer 462 in het Liedboek der kerken een opwekkingslied. En De molen, waaruit Jan ten Napel in de samenkomst op 23 maart 1941 een gedeelte voorlas, is een berijmd lekespel van Martien Beversluis. Hierin staat de molen symbool voor Gods bestuur in de schepping. Verder acht ik tot dit thema te behoren Brief van een scheepsjongen, Onvermoeid en Licht, de laatste twee achtereenvolgens van De Genestet en Van Beers.

De protestantse identiteit

In de eerste jaren werden twee voordrachten gehouden, die betrekking hadden op de eigen identiteit. Hoewel beide stukjes weinig diepgang hebben, spraken ze de Obadjanen kennelijk aan. Dit blijkt wel uit de manier waarop secretaris Jan Pereboom De biechteling, die Jan Kramer in de bijeenkomst van 8 november 1931 ten gehore bracht, samenvatte:

De
avonclen
99

”Hoe een roomsche in de Calvinistische bijbel leerde leezen; nu wou hij voor zijn zonden geen geld meer betalen en zette heeroom (pastoor) met enkele vragen op de plaats waar hij hem hebben wou”.

Wat de toonzetting van het rijmsel is laten de eerste versregels al meteen zien:

Wei Ls vaak een pater verbazend verstandig maar soms is een leek toch een pater te handig...

De hoofdpersoon, een boerenknecht uit Ierland, wordt door zijn vader gedwongen te biecht te gaan. Door steeds maar te vragen hoe de biecht in de kerkelijke hierarchie verloopt, dwingt de biechteling de pater tenslottc tot het antwoord dat de Paus zelf rechtstreeks aan God om vergeving van zijn zonden vraagt. Het tweede gedichtje is De kleine ketter, waarover straks meer.

Het besef van vergankelijkheid

In een vijftal voordrachten kwam dit thema aan de orde. Het eerste gedicht was De wolken, waarin Martinus Nijhoff op aansprekende wijze een ervaring verwoordL Hij vertelt hoe hij als kind met zijn moeder op de hei lag en naar de Iucht keek. Hij maakte haar deelgenoot van wat hij in de wolken herkende. Zij begon daarop te huilen. Nu ligt hij met zijn zoontje op een plekje in de heide en zij kijken naar de wolken. Thans is hij het zelf die ontroering voelt. Jelle Ekkelenkamp droeg dit ’’wonderwerk van God” op duidelijke wijze voor, aldus de notulist in zijn verslag van de avond van 30 oktober 1932. Aansprekend is ook het vers Voorbijgang van Willem de Merode, dat Albert Kroon in de vergadering van 29 december 1940 voorlas. De eerste regels luiden:

Weerging de dood ons stille huis voorbij en groette ah een bekende en zag nog lang glimlachend naar onze open ramen om...

In Waarheen komt het vergankelijkheidsbesef in algemene zin ter sprake, waar de dichter Georg Scheuerling het leven vergelijkt met zwevende stofjes en neerdwarrelende bladeren.

Vermoedelijk is De twaalfklokslagen dezelfde voordracht als de in het verslag van de vergadering van oudejaarsdag 1932 genoemde De klokslag, ten gehore gebracht door Jan Pereboom. Dit gekunstelde rijmwerk vertoont het kenmerkende karakter van een negentiende-eeuwse maker. Bij elk uur krijgt de lezer een waarheid als een koe en een goede les te horen: 100

...
Obadja's gangen

Tien slagen melden groot en klein dat er voorts tien geboden zijn, door God op Horeb eens gegeven, ais richtsnoer voor het Christenleven...

EUende, armoede en dood

In menige voordracht werd danig ellende doorstaan, bittere armoede geleden en gestorven van jewelste. En vaak gaan zij hand in hand. Het merendeel van deze verzen werd in het begin van de jaren dertig voorgedragen. De belangstelling voor dit thema luwde evenwel met de tijd, want in de seizoenen van 1940 tot en met 1943 is het nog maar met twee vertegenwoordigd. Het dramatische karakter van deze gedichten wordt nog vergroot doordat zij, op een enkele uitzondering na, geschreven zijn in een verheven taal en een gekunsteld aandoend rijm. Zo klonken op de avond van 22 maart 1931 de eerste regels van het door Jacob Romkes voorgedragen vers Schipbreuk aldus:

Verschrikkelijk was de nood der arme schepelingen, die, vreeslijk overplast, elkaar in de armen hingen, van hongerflauw, van worstling mat, van koude stijf, met hangend hoofd en borst, en ingedoken lijf, ofrollende oogen, van vertwijfling steeds verwoeder!

Tot de voordrachten van dit soort behoren ook Het was maar een weesje en Een bedelland.

Het uiten van persoonlijk verdriet over het verlies van een dierbare treffen we aan in de verzen Zijn zwanenzang van Jan van Beers en in het op verenigingsavonden zo graag gehoorde Aan den Rijn in de lente van hetjaar 1820 van EA. Borger. In Obadja werd het door Jurie Romkes op de avond van 22 januari 1933 vertolkt. Zo mooi als de rivier langs Katwijk stroomt, zo bedroefd is de dichter die zojuist zijn vrouw bij hun dochtertje in het graf heeft gelegd. De bekende openingsregels luiden:

Zoo rust dan eindlijk 't ruwe Noorden van hageljacht en stormgeloei, en rolt de Rijn weer langs zijn boorden, ontslagen van de winterboei.

Twee gedichten hebben een arme zwerver tot onderwerp. Het zijn Te hat en het bij jongelingsverenigingen zeer gewilde De kleine Savoiaart van Ten Kate. Dit

De
avonden
101

Iaatste vers werd door Teunis Pasterkamp in de bijeenkomst van 24 november 1940 voorgelezen. Het gaat over een arme weduwe uit Savoye, die haar zoontje naar Holland stuurt om daar schoorsteenveger te worden. Na een moeilijke tocht komt de jongen in Amsterdam, waar hij aanvankelijk bittere armoede lijdt. Maar na lang en hard werken kan hij met zijn gespaarde geld naar huis terugkeren. Daar treft hij zijn moeder volkomen verzwakt en ziek aan.

Luim

Overigens waren het niet alleen kommer en kwel die in de voordrachten van Obadja de boventoon voerden. Zeven gedichten waren komisch van aard. Toch speelde een ervan Naar de natuur van de negentiende-eeuwer De Genestet zich uitgerekend op een kerkhof af. Het begint zo:

Ik zie een grafgedolven op het kerkhof te Bloemendaal, de lijkbaar stoat te wachten vlakbij het kerkportaal...

Het aardige versje gaat over kinderen die op het kerkhof aan het spelen zijn, vlak voordat een begrafenis begint. Klaas Keuter droeg het tijdens de samenkomst op 10 november 1932 voor. Ook bijbelse figuren konden zowaar een bron voor een grappig rijmwerkje zijn. Zo liet Willem Schraal (de oudere) in de vergadering van 15 maart 1931 David en Goliath horen. Het eerste coupletje is als volgt:

Er leefde in vroeger tijd een reus, die had een Filistijnschen neus. Men noemde hem reus Goliath, hij was gevreesd in land en stad.

Leuk waren ook llet hooge weiland de op rijm gezette Kamper ui over de koe die langs de toren omhoog gehesen wordt De inspektie, De weg naar het station en De aanhaling. Hierover verderop meer.

Ook bij dit thema komt duidelijk de veranderde belangstelling en stemming tijdens de bezettingsjaren tot uiting. In deze periode werden de toehoorders slechts een keer op een luimige voordracht vergast en wel in de bijeenkomst van 12 februari 1942. Andries Pasterkamp las toen Laurillards Een mtttige knecht voor. Kort gezegd komt de inhoud hierop neer: Jan krijgt van zijn baas opdracht kledingstukken in een grote koffer te stouwen. Hij heeft daar geen zin in en hij weet zijn werkgever

Obadja’s
...
102

zover te krijgen, dat deze het zelf gaat doen. Aldoende spreekt de man Jan bestraffend toe. De knecht laat in zijn antwoord doorschemeren, dat hij het spel slim gespeeld heeft.

Techniek, natuur

De enige twee gedichten van dit thema werden in het begin van de jaren dertig voorgedragen. Beide zijn van negentiende-eeuwers. Het was Jelle Ekkelenkamp, die in de vergadering van 14 december 1930 het moeilijke en gezwollen vers De spoortrein van G.J. Spoor voor zijn rekening nam. Als bijzonderheid vermeldt de notulist dat Ekkelen¬ kamp het uit zijn hoofd voordroeg, ”wat ons tot navolging strekte”.

Op de avond van 14 februari 1932 gaf Willem Schraal (de oudere) de op verenigingsavonden zo graag gehoorde voordracht De winter van A.C.W. Staring ten beste. De eerste regels zijn:

De winter heeft, hoe grijs van kin, een kleur als melk en hloed. Hij tafelt lang, schenkt naarstig in en ’t maal bekomt hem goed.

Historische gebeurtenissen

Vier voordrachten hadden historische gebeurtenissen tot onderwerp. Als eerste kwam De ramp van de Titanic op de avond van 3 januari 1932 aan de beurt. Dit gedicht handelt over de ondergang van het gloednieuwe passagiersschip De Titanic, in de nacht van 14 op 15 april 1912. Het is op heel wat verenigingsavonden voorgedragen en vooral in vissersdorpen werd het zeer gekoesterd. Het vers ging van hand tot hand om overgeschreven te worden. Het eerste van de 36 coupletten gaat zo:

Stampend snuift het trotsche stoomschip door de breede Oceaan;

De
avonden
34. Jelle Ekkelenkamp als volwassen man.
103

aun de boeg waait Englands vlagge, heerscheres der Waterbaan...

De strekking is dat de mensen zich in hun hoogmoed verheven hebben, maar dat de botsing met de ijsberg Gods almacht laat zien. De laatste coupletten eindigen steeds met de bekende regels Nader mijn God tot U, nader tot U. Freek Brouwer kreeg een welverdiend compliment voor de wijze waarop hij de voordracht deed. Alarmisten van De Genestet is een spotdicht op de paniekstemming, die na het uitbreken van de revolutie in Frankrijk in februari 1848, op de beurzen uitbrak. Floewel dit gedicht ’’moeilijk was te vertolken, slaagde vr[iend] Ekkelenkamp er toch in om ons te doen begrijpen wat de dichter hiermee wil”, zo complimenteerde de notulist de voordrager in de bijeenkomst van 11 december 1932. Grote indruk maakte de voordracht waarmee Jan ten Napel de avond van het 20 oktober 1940 opluisterde. Hij liet het al genoemde gedicht Onbekende soldaat van de Kamper journalist Hendrik van Heerde horen. Deze publiceerde in de maanden juli en augustus van dat jaar in de Kamper Courant artikelen over zijn belevenissen als soldaat in de Grebbelinie. Zij werden later gebundeld in het boek Tussen ijzer en vuur. Het bewuste vers verscheen in de Kamper Courant van 14 juli 1940:

Er is een grafop de Grebbeberg, waarin zij rusten zij aan zij. Vaak ligt een helm op de witte aarde, op een bordje staat hun naam erbij.

Zo begint het aangrijpende gedicht. ”De stilte in de verg[adering] getuigde van de aandacht waarmee deze voordracht gevolgd werd”, aldus bracht de notulist de waardering van de toehoorders onder woorden. Het was de eerste bijeenkomst in de bezettingstijd. Veertien dagen later droeg Jelle Ekkelenkamp Aan een seepkissie voor. Dit vers is een aanklacht tegen de Boerenoorlog. Het gaat over een zeepkistje waar een jongetje in een concentratiekamp in Zuid-Afrika mee speelde en dat in Engeland gemaakt is. Na enkele weken werd het kind erin begraven. Het zal duidelijk zijn dat beide gedichten bedoeld waren om de geest van vaderlandsliefde levend te houden.

Proza

Een stukje proza vormde in de eerste jaren maar een keer de bron voor een voordracht. Dat gebeurde in de samenkomst op 8 februari 1931. Johannes Mink las toen een gedeelte voor uit de in protestantse kringen zeer geliefde familiero-

104

man De lichte last, van G. Schrijver. De eerste druk dateert uit 1912 en het boek beleefde sindsdien vele herdrukken. De notulen vermelden de titel van de voordracht als Leed. In het boek komt een hoofdstuk voor dat Rouw en leed heet. Als de notulist de titel juist genoteerd heeft, dan zou het moeten gaan om de passage waarin Christiaan worstelt met de gedachte dat zijn blindheid een onoverkomelijke belemmering vormt om een verbintenis aan te gaan met Grietje Vlietstra, op wie hij verhefd is. Mij lijkt het echter meer in de lijn van Obadja te liggen, dat het voorgelezen gedeelte betrekking heeft op de rouw van Adriaan Wevers, die zojuist zijn dochtertje heeft moeten begraven en met de koets op de terugweg is. Hij probeert Gods bedoeling te doorgronden in het lijden en sterven van zijn kind.

Na Mink heeft jarenlang niemand het aangedurfd een stukje proza als voordracht te kiezen. In de tijd van de bezetting waren de Obadjanen wel weer zover om verhalen of gedeelten daaruit voor te lezen. Dat boeken onderwerp van studie werden zagen we al bij de opstellen.

Vooral Jan ten Napel schuwde het proza niet. Zo las hij in de bijeenkomst van 22 december 1940 een gedeelte uit het verhaal Gouden klokken van Rudolf van Reest voor.

In deze geschiedenis gaat het om een bejaarde predikant en diens liefde voor de oude kerktoren tegenover zijn pastorie. Dit bouwwerk is voor hem het symbool van de onveranderlijkheid en onvergankelijkheid van God. De dorpsbewoners gaan mee met de ontwikkelingen in de wereld. Het merendeel heeft de Kerk verlaten en volgt de dictator van hun land. De dominee ziet dit alles met lede ogen aan.

Op een dag halen de mensen het oude uurwerk uit de toren en vervangen het door een modeme klok met een elektrisch verlichte wijzerplaat. De predikant kan het maar moeilijk verkroppen.

Er komt oorlog. Op een avond doen vijandelijke vliegtuigen een aanval op het dorp en de mensen haasten zich naar de schuilkelders. Vanaf de plek waar hij zit, ziet de dominee dat de verlichting van de wijzerplaat niet gedoofd is. Hij rent naar de toren en ziet kans de schakelaar om te draaien. Maar het is te laat. De toren wordt door bommen getroffen en stort in. Terwijl de predikant onder het puin bedolven wordt, vemeemt hij de galm van de neervallende klokken als een roepende stem uit de hemel. Het verhaal sprak de toehoorders sterk aan. De verwijzing naar Duitsland lag er dik bovenop. Het feit, dat de voordracht drie dagen voor Kerst 1940 gehouden werd, zal er wel de oorzaak van zijn dat de notulist de titel weergaf als De Kerstnacht van de klokkenist. De volgende die een stukje proza uit het hoofd voordroeg was Jo Gerssen en wel op de avond van 19 oktober 1941. Het verhaal heette D 38 rijdt door, een race met de dood.

De
105

Kort samengevat is dit de inhoud:

Op de avond waarop de geschiedenis speelt, is het precies een jaar geleden dat tussen Grains en Brieg een treinongeluk gebeurde. Hierbij hadden 26 passagiers het leven verloren. De ooizaak van het ongeval was het negeren van een rood sein door de machinist. Door schuldgevoel overweldigd was deze krankzinnig geworden en in een inrichting opgenomen.

Omsticeks half twaaif konil op het station van Brieg hot boricht bin nen, dat D 38 dezelfde trein als een jaar geleden door een rood sein is gereden. Als de machinist niet reageert op seinen en stoptekens springt de stationschef op een locomotief, rijdt de spooktrein tegemoet en gaat er naast rijden. Hij slaagt er vervolgens in om over te stappen en weet de trein vlak voor Brieg tot staan te brengen. Dan blijkt dat de uit de inrichting ontsnapte machinist zich van locomo¬ tief D 38 meester heeft gemaakt. Tijdens de dodemansrit is hij gestorven. Nadien heeft Gerssen dit verhaal meerdere keren met veel succes op avonden van de reciteervereniging Dindiia voorgedragen. Hij herinnert zich, dat het in Het Nieuws van de Dag heeft gestaan.

35. 3 oktober 1935. Links Jo Gerssen, rechts Jan ten Napel. MetmuziekverenigingAdrianas Valerius in Leiden bij de herdenking van Leidens ontzet.

Ouderen en jongeren

In drie gedichten kwam de verhouding tussen ouderen en jongeren aan bod. Zo liet Jelle Ekkelenkamp in de vergadering van 27 november 1932 het vers Jeugd van de in de achttiende eeuw geboren dichter C. Loots horen. Hierin vergelijkt deze de jeugd met onstuimige paarden. Op den duur komt het echter niet aan op tomeloze drift, maar op wijsheid, bedachtzaamheid en godsvrucht, aldus de strekking van dit gezwollen en moeilijke gedicht.

Obadja ’v gangen ...
106

Voor de luisteraars gemakkelijker te volgen was De moeder van Geerten Gossaert, die Klaas Meinema in de bijeenkomst van 8 januari 1933 voorias. De eerste regels luiden:

Hij sprak en zeide in ’t zadl zich wendend: Vaarwel, o moeder, nooit keer ik weer

Maar net als de verloren zoon uit de bekende bijbelse gelijkenis komt ook deze jongen terug.

De trompet van lof en de pijlen van kritiek

De jongelingen van Obadja’s eerste uur zullen voor het merendeel ongeoefend zijn geweest in het voordragen. Gezien de opmerkingen in de verslagen uit de jaren tussen 1930 en 1933 is het in elk geval duidelijk, dat velen het nog moesten leren. Er werd nogal eens opbouwende kritiek gegeven. Daartegenover kon iemand die zijn voordracht er goed vanaf had gebracht, rekenen op lof. Zo wordt Klaas Koffeman hij was als bezoeker aanwezig en had in plaats van de afwezige voordrager van die avond Een briefvan een scheepsjongen voorgedragen in de notulen van de vergadering van 1 november 1931 ”een reuzedeclamator” genoemd. En over Pieter Gerssens voorlezing van Bezoek bij het grafvan een vriend, die te beluisteren viel in de bijeenkomst van 21 december 1930 heet het: ’’Gerssen droeg deze voordracht duidelijk voor, zoodat de hoorders er ook van konden genieten. Dit is een eerste vereischte voor voordragen, men moet er een beetje studie van maken”.

Wanneer iemand het goed gedaan had, luidde de waardering gewoonlijk zoals de bewoordingen in het verslag van de avond van 20 december 1931: ’’Post droeg deze voordracht goed en duidelijk voor en een woord van dank werd hem dan ook niet onthouden”. Het bedankje werd ook wel aldus uitgedrukt: waarvoor een woord van dank dan ook op zijn plaats was.

In de jaren veertig werd de lof doorgaans soberder gehouden, getuige de woorden in de notulen van de bijeenkomst van 29 december 1940. Over de voordracht Voorbijgang noteerde de notulist: ’’[Albert] Kroon droeg dit op zijn welbekende, rustige wijze voor”. Wanneer de toehoorders werkelijk onder de indruk waren van de manier waarop een voordrager een vers of verhaal had gebracht, dan heette het: op welke wijze hij voorgedragen had bleek uit de stilte in de vergadering. Deze eer viel onder anderen Jelle Ekkelenkamp ten deel na het voorlezen van het al gcnoemde Aan een seepkissie op de avond van 3 november 1940.

De
avonden
107

Geen mooiere pluim dan een die een mens zichzelf op de hoed kan steken, moet de jeugdige secretaris Jan Pereboom gedacht hebben toen hij het verslag van de avond van 15 november 1931 maakte. Althans in het notulenschrift tekende hij over zijn vertolking van Barrabas op: ”De stilte in de vergadering was bewijs dat deze voordrfacht] duidelijk werd gedaan, waama een woord van dank op zijn plaats was”. Kennelijk was dit iets te veel van het goede, want op aandrang van enkele vrienden moest hij in de volgende bijeenkomst deze zinsnede doorkrassea Dat deed hij, maar gelukkig niet zo grondig dat de oorspronkelijke tekst voor een nieuwsgierige nakomeling volkomen onleesbaar werd.

In de begintijd gebeurde het wel dat iemand een te moeilijk vers koos. Dit was het geval met Comelis van Veen in de samenkomst op 4 december 1932. Hij had voor die avond Licht van Jan van Beers gekozen. Maar, ”daar onze jonge voordrager niet bij machte was dit moeilijk gedicht tot zijn recht te doen komen, droeg de voorzitter het opnieuw voor. Met een kleine opheldering verstonden wij het nu beter”. De dichter beschrijft hoe de natuur elke dag opnieuw het licht verwelkomt als in de dagen van de schepping, toen Gods geest alles tot leven wekte. Het eerste couplet gaat als volgt:

Licht! Wat is licht? Diepten der hemelen, diepten der zeeen, en gij, o aarde, antwoordt mij, antwoordt mij, wat, wat is licht?

36. Jan Pereboom en zijn oudere broer Klaas voor het huis van buurman Pieter Romkes, Oudestraat 19. De familie Pere¬ boom woonde op 22. Foto omstreeks 1930.

...
Obadja's gangen
108

Te moeilijk vonden de vrienden ook Het bedelkind, dat Jan de Wit in de bijeenkomst van 20 maart 1932 liet horen. ”Van deze voordracht viel niet veel te zeggen, omdat wij hiervan de strekking niet konden begrijpen. Daarom raden wij vriend De Wit aan wanneer hij weer voordraagt zoveel mogelijk eenvoudige voordrachten te kiezen”, aldus het welgemeende advies van de notulist Jan Pereboom.

Ook de wijze van voordragen gaf meer dan eens aanleiding tot het maken van opmerkingen. Dit gebeurde onder andere bij Willem Schraals voorlezing van De winter, op de avond van 14 februari 1932. ”Vr[iend] Schraal droeg deze voordr[acht] nu niet juist voor. Daarom raden wij vriend Schraal aan [...] zijn voor¬ dracht eens flink te bestuuderen en hem iets fijner aan te voelen”, zo luidde het oordeel van de luisteraars. Het kon nog sterker. In de vergadering van 2 oktober 1932 vertilde Lub Kramer zich zwaar aan het vers Het was maar een weesje. ”Aan den steil van het voordra¬ gen ontbrak zeer veel. Daarom raden wij vr[iend] Kramer aan zich nog eens duchtig voor de voordragersspiegel te oefenen”, zo klonk de niet mis te verstane

De avonden
37. Links RoelofOost, rechtsJacob de Vries. Roelofverwierfzich op Urk bekendheid als voordrager. Defoto werdgemaakt in de Raadhuisstraat voor het huis van dokter Vonk, vermoedelijk begin jaren vijftig.
109

aanbeveling. Inderdaad, men moet ook wel van goeden huize komen om dit in hoogdravend rijm geschreven gedicht er zonder hapering uit te krijgen.

Het ergste wat een voordrager overkomen kon, was het volkomen in de war raken. Dat overkwam Hendrik van der Vecht in de bijeenkomst van 13 december 1931. Hij was nog maar net aan het gedicht De kleine ketter begonnen, toen zijn stem stokte. De jeugdige voordrager was ’’door zijn zenuwen overste[l]pt en was bang dat het niets worden zou. Maar door enkele aanmoedigende woorden gedroeg hij zich mannelijk en vervolgens had de voordr[acht] een goed verloop”. Het vers gaat over een kleine jongen in de tijd van de tachtigjarige oorlog. Het kind is als protestant van huis en haard verdreven, maar wordt door een rijke rooms-katholieke boer mee naar huis genomen. Op aandrang van de boerin altijd die vrouwen weer! probeert de boer hem in ruil voor onderdak en eten over te halen het katholicisme te aanvaarden. Dit weigert het standvastige kereltje, waarop hij het huis wordt uitgejaagd. De volgende morgen vindt de boer hem aan de kant van een sloot, van honger en kou gestorven. Op de avond van 21 februari 1932 bracht Van der Vecht het er overigens beter vanaf met het luimige rijmsel De aanhaling, van Jacob van Lennep. De vooizitter kon dan ook met voldoening vaststellen, dat hij goed vooruit was gegaan. Het stukje gaat over een commies die een man met een vat wijn aanhoudt, op verdenidng van smokkel. Een uur lang sjouwt de hoeder van de wet met de vracht door de duinen. Bij het huis van de verdachte aangekomen, toont deze hem echter zijn vergunning.

Dat de Obadjanen in de loop van de jaren het voordragen naar behoren onder de knie kregen, mag genoegzaam blijken uit het feit dat in de notulen uit de periode van de bezetting geen kritische opmerkingen over de wijze van voordragen of de gekozen gedichten te vinden zijn.

Over enkele voordragers en hun wijze van voordragen

Vrienden die zich in de vroege jaren dertig vaak lieten horen, waren Roelof Oost, Jan Pereboom en Jelle Ekkelenkamp. De laatste was ook nog in het begin van de jaren veertig actief. In deze periode waren Jo Gerssen, Jan ten Napel, Willem Schraal (de jongere) en Albert Kroon graag gehoorde voordragers. Uit de notulen valt niet af te leiden hoe er voorgedragen werd. In de jaren twintig en dertig werden de gedragen toon van zeggen en het weidse gebaar in de toneelkunst nog hoog gewaardeerd. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat in de beginjaren van Obadja ook een aantal vrienden hiervoor ontvankelijk was. Deze stijl stelt hoge eisen aan de vertolker en Roelof Oost was een van de weinigen, die haar goed beheerste. Zonder ook maar een ogenblik te haperen zegde hij tijdens het gesprek, dat ik op 4 mei 1987 met hem over zijn herinneringen aan

...
110

Obadja had, Ten Kates lange en moeilijke vers Zijn dit al de jongelingen op. In het midden van de jaren dertig won hij er een voordrachtsprijs mee en nadien gaf hij het op menige verenigingsavond ten beste. Op den duur kreeg de natuurlijke en sobere stijl van voordragen de overhand. Althans de notulen maken vanaf 1940 vaak melding van de rustige manier waarop de voordrager te werk was gegaan. Van 1930 tot in 1933 waren vooral gedichten van negentiende-eeuwers in trek; in de jaren veertig ging de voorkeur van de Obadjanen meer naar eigentijdse dichters uit. In deze tijd ook doet het proza als thema voor voordrachten zijn intree.

Ondanks het feit dat de vrienden van Obadja onderhevig waren aan de wisselende stemmingen van de drukkende bezettingsjaren, geven de voordrachten tussen oktober 1940 en half april 1943 al met al een gevarieerder en boeiender beeld te zien dan die uit de begintijd.

De vragenbus

Tijdeas de rondvraag van de vergadering van 23 november 1930 wees de voorzitter de aanwezigen op de mogelijkheid om vragen te stellen. ”Als er vrienden zijn, die zitten met vragen over het dagelijksche leven, [dan] kunnen [zij] die ter tafel brengen of bij den voorzitter bezorgen”, aldus verwoordde de notuILst het instellen van de vragenbus. De voorzitter werd de eerste weken bepaald niet bestormd met vragen. Om zijn vrienden een duwtje in de goede richting te geven, deed Jan Pereboom op de avond van 28 december het voorstel een echte bus op tafel te zetten. Een week later stond deze er en toen hij bij de rondvraag geopend werd, bleken er twee vragen in te zitten. De ene had betrekking op een huishoudelijke aangelegenheid, de andere betrof een vergelijking van twee bijbelteksten. De voorzitter vroeg wie deze vraag zou willen beantwoorden, waarop Jan Pereboom aanbood dit de volgende week te zullen doen.

De weergave in de notulen van het agendapunt vragenbus is doorgaans erg beknopt. Niet altijd namelijk werden de gestelde vragen en de gegeven antwoorden genoteerd. Zo weten we niet hoe Perebooms vergelijking van de gelijkluidende teksten uit Lucas 9 vers 50, en Mattheus 8 vers 20 uitpakte. Jezus zeide tot hem: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten, maar de Zoon des menschen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen. Uit het verslag van de bijeenkomst van 1 februari 1931 weten we, dat enkele niet met name genoemde vrienden twee vragen in de bus hadden gedaan. Na de bijbelse inleiding kregen Jan Pereboom en Lambertus Oost de gelegenheid hun beantwoording te doen. Pereboom ging in op de vraag, ’’wanneer aan de Dooden

De
avonden
111

het Evangelie verkondigt was”. Zijn antwoord luidde: ”Dit [...] is geschied toen Jezus nedergedaald is ter helle”. Oost sprak over de vraag ”of het Adam en Eva in het Paradijs ook verboden was te eten van de boom des I evens ’. Volgeas hem was hun dit voor de zondeval niet verboden, daarna wel.

Wanneer geen van de aanwezigen zich aan de beantwoording van een vraag wilde of durfde wagen en de vrienden haar niettemin belangwekkend genoeg vonden, dan kon men deze opsturen naar het bureau van het N.J.V. met het verzoek er in De Jongeman aandacht aan te besteden. Dit is bij mijn weten niet voorgekomen.

De beantwoorders waren niet gebonden aan een bepaald aantal minuten spreektijd, maar zij werden niet geacht eUenlange vertogen te houden. Bij de beantwoor¬ ding zal het vooral gegaan zijn om een gewetensvol hanteren van vindplaatsen in de bijbel, het raadplegen van bijbelverklaringen en het aanbieden van vruchten van eigen denkwerk. Maar het blijft gissen naar de argumenten die Frans Post in de vergadering van 22 november 1931 aandroeg om de tegenstelling, die in de vraag van Johannes Oost besloten lag, te overbruggen: ”Hoe te verstaan, Jezus [te] beminnen en toch verloren [te zijn]”.

Er werden niet alleen vragen gesteld over de verhouding tussen God en mensen, en over hoe bepaalde bijbelgedeelten opgevat moesten worden, maar ook over de normen waaraan christenen als leden van de maatschappij zich hadden te houden.

Zo ging Johannes Mink in diezelfde bijeenkomst van 22 november 1931 in op de vraag: ”Is het een christen geoorloofd te staken”? Deze vraag werd, zo merkte de notulist op, ’’duidelijk opgelost”. Die duidelijkheid zal er wel uit bestaan hebben, dat een christen zich hoe dan ook van staking moest onthouden.

Omdat in de jaren van de bezetting de opstellen en voordrachten nogal eens vervielen, werd de beantwoording van vragen uit de vragenbus een agendapunt dat gaandeweg meer gewicht kreeg. Zo werd aan Albert Kroon op de avond van 16 november 1941 ruim de tijd gegeven een vraag van Willem Schraal (de jongere) te beantwoorden, omdat Jelle Ekkelenkamp het boek dat hij bespreken zou nog niet uit had. Schraal had het volgende op zijn hart: ”Is de doop het teken onzer uitverkiezing? Zo ja, kunnen wij dan de doop als onze uitwendige roeping beschouwen”?

Opvallend was wat er in de samenkomst op 9 februari 1941 gebeurde. Jan ten Napel behandelde de door Jan Pieter Otter ingediende vraag: ”Ugt er een zegen in dat de Heilige Geest waarachtig God is”? Ten Napel gaf een bevestigend antwoord. Nadat hij was uitgesproken, vroeg de vrageasteller zelf het woord. Ook hij had zijn best gedaan een antwoord te formuleren. Otters beantwoording viel

...
112

zelfs iets uitvoeriger uit dan die van Ten Napel; toch kwam zijn conclusie goeddeels op hetzelfde neer.

In deze jaren vormde een vraag uit de vragenbus meer dan eens het onderwerp voor een opstel. Dit was onder andere het geval met het werkstuk dat Willem Schraal (de jongere) in de vergadering van 26 januari 1941 voorlas en dat de titel droeg: Kan men de doden raadplegen? Schraal beantwoordde deze door Albert Kroon ingediende vraag met ja. Zoals te verwachten was, volgde een levendige discussie.

Twee opstellen ontstonden naar aanleiding van vragen over de verhouding van oorlogvoerende mensen tot God. Zo behandelde Cor Brouwer op de avond van 22 februari de notulen geven 21 februari 1942 de vraag mag men oorlog voeren, terwijl het werkstuk dat Willem Schraal in de bijeenkomst van 22 maart daaropvolgend voorlas als kopje had: Is het Gods wil dat er zooveeljonge menschen valkn in de oorlog? Dit probleem, zo noteerde de maker van het verslag, loste zich op in een gelijkluidende vraag uit Johannes C. Franckens boek Veel vragen... een antwoord Francken verzorgde vanaf 1932 tot in 1940 op maandagavond tussen half zeven en zeven uur voor de NCRV de veel beluisterde rubriek Het vragenuurtje. Luisteraars konden vragen opsturen, die door hem beantwoord werden. Om de schijn van partijdigheid te vermijden, deed hij dit anoniem. In het najaar van 1940 verscheen een keuze uit zijn voor de microfoon uitgesproken antwoorden; zijn naam prijkte nu wel op het titelblad. Veel vragen....een antwoord is een kostelijk monumentje van de calvinistische cultuur van de jaren dertig. Flet laat zien met welke vragen orthodox-protestants Nederland in die tijd zoal zat. Naast verklaringen van bijbelteksten en geloofsvragen komen zaken als de invoering van de zomertijd, het gemengd zwemmen, de film en wat niet al aan bod. Een onderwerp uit Franckens boek leverde een rijke stof tot studie op, en wel het begrip Wereldgelijkvormigheid. In het boek staat het onder nummer 110. Omdat de Obadjanen voor dit onderwerp zo’n grote belangstelling hadden, is het goed om in het kort samen te vatten wat Francken onder wereldgelijkvormigheid verstond.

De wereld is de stroming van de tijd, die zich van God en Zijn dienst afkeert. Wereldgelijkvormigheid is die houding waarbij een christen de gedragingen, zeden en levenstoon van de wereld ovemeemt, in de overtuiging dat deze met zijn geloof te verenigen zijn Maar in werkelijkheid zijn ze joist onverenigbaar. Aan de christen legt God een eigen levenshouding op en daarom moet deze zich ook anders gedragen dan iemand die het Christendom niet omarmt. Maar hoewel mensen ervoor moeten waken niet aan de wereldgelijkvormig te worden, mogen zij zich toch niet onttrekken aan de verantwoordelijkheid die zij tegenover de samenleving hebben Dit betekent, datzij gebruik mogen maken van

De
avonden
113

dc vmchten van de wetenschap en genieten van de zegeningen van het modeme leven. De grens tussen het deelnemen aan de maatschappij en de wereldgelijkvormigheid moet evenwel scherp in de gaten worden gehouden.

Het was Albert Kroon, die in de vergadering van 21 februari 1943 naar aanleiding van Leendert Brouwers vraag naar de betekenis van dit begrip een uiteenzetting gaf over wereldgelijkvormigheid. Het onderwerp werd een bredere behandeling waard geacht, en Tijmen Wakker verklaarde zich bereid er een bijbelse inleiding over te maken. Deze hield hij op de avond van 7 maart. Als uitgangspunt had hij genomen de teksten uit Spreuken 1, de verzen 20 tot en met 33, en Amos 3. Hij sprak achtereenvolgens over ”de wereldge¬ lijkvormigheid der kerk in’t algemeen, van de kerk in het byzonder en van het ware volk des Heren”.

Er volgde op zijn goed gedocumenteerde opstel tot teleurstelling van de notulist een ”vrij makke bespreking”. Wei spraken enkele vrienden de wenselijkheid uit een studie te doen over de vraag wat wereldgelijkvormigheid voor ons persoonlijk betekent. Leendert Brouwer nam dit op zich. In de samenkomst op 21 maart hield hij een inleiding over Johannes 13, de verzen 1 tot en met 20. Deze tekst gaat over Jezus die de voeten van zijn discipelen was! De notulen maken evenwel niet duidelijk of Brouwer dit Schriftgedeelte inderdaad toepaste op de hiervoor genoemde vraag.

De rondvraag

38. Tijmen Wakkeralsongeveer vijftienjarigejongen, staande op een dukdalf. Hij zou een wisselvallige loopbaan volgen als predikant van oud-gereformeerdegemeenten in Nederland. Na zijn emigratie naar Zuid-Ajrika trad hij toe tot de Pinksterbeweging. Hij overleed op 12 april 1992.

In het begin stond het de vrienden niet steeds helder voor ogen welke zaken thuishoorden in de rondvraag. Bij dit agendapunt werden nogal eens vragen naar voren gebracht, die eigenlijk voor de vragenbus bestemd waren en omgekeerd. Toen op de avond van 4 januari 1931 de bus geopend werd, zat daar het verzoek

...
Obadja's gangen
114

avonden

van penningmeester Pieter Gerssen in om ten behoeve van de aansluitende huishoudelijke vergadering de bezoekers het gebouwtje te doen verlaten. Misschien kwam het door de nauwe verwevenheid van de rondvraag en vragenbus, en door het geregeld inlassen van huishoudelijke vergaderingen, dat notulist Jan Pereboom formuleringen gebruikte als: ”De rondvraag werd uitgesteld tot de huis¬ houdelijke vergadering” (6 december 1931) en ”Zij werd gedaagt tot belangrijk nieuws” (13 december 1931).

In de vergadering van 14 februad 1932 werd besloten de rondvraag voortaan een keer in de maand te houden. Deze afspraak bleef een tijdlang van kracht, maar zij bleek op den duur toch niet bevredigend. Vanaf het seizoen 1940/1941 stond zij dan ook weer van week tot week op de agenda. Als er niets te vragen of te melden was luidde de formulering doorgaans: nu volgde de rondvraag welke geen nieuws opleverde.

In de rondvraag werd een bonte mengeling van vragen gesteld en werden allerhande mededelingen voor kennisneming of goedkeuring aan de vrienden voorgelegd. Wij hebben daarvan in het voorafgaande al enkele voorbeelden gezien. Hier volgen er nog wat.

In de samenkomst op 2 november 1930 stelde Freek Brouwer een belangrijke kwestie aan de orde. Mocht er gerookt worden, zo was zijn vraag. De voorzitter stelde voor om de beslissing uit te stellen tot de volgende vergadering. Het verslag van de bedoelde bijeenkomst maakt echter geen gewag van een besluit dienaangaande. Maar het werd gebruik om zich tijdens de bijbelse inleiding en de discussie van rookwaar te onthouden en pas in de pauze een rokertje op te steken. Opvallend was wat de voorzitter tijdens de avond van 8 maart 1931 te vertellen had. Hij maakte melding van het ’’vermisten” van enkele psalmboekjes van de gereformeerde jongelingsvereniging Immanuel. Deze zouden in het bezit van vrienden van Obadja zijn. Hoe dit gebeurd was en wat er van de verloren boekjes geworden is, komen we jammer genoeg niet te weten.

Het innen van het abonnementsgeld voor De Jongeman tijdens de vergaderingen was Frans Post kennelijk een doom in het oog, althans in samenkomst op 20 december 1931 stelde hij voor dit niet langer te doen. Zijn voorstel werd aangenomen.

Teunis Pasterkamp ergerde zich aan het gepraat tijdens de bijeenkomsten. In de rondvraag van de avond van 30 november 1940 vroeg hij de aanwezigen stilte in acht te willen nemen wanneer het opstel werd voorgelezen, en tijdens de discussie.

Voor Jan ten Napel vormde de rondvraag bij wijze van spreken een rechtstreekse uitnodiging om van zijn tegenwoordigheid blijk te geven! Zo vroeg hij in de bijeenkomst van 8 december 1940 ”of er niet iets gedaan kon worden aan de rook onder de vergadering; of er niet wat ventilatie gemaakt kon worden”. En in de rondvraag van de vergadering van 12 januan 1941 informeerde hij naar de plannen voor de verbetering van de verlichting. Dat de nieuwe lampen er nog niet waren

De
115

lag aan de krapte aan kasgeld, zo kreeg hij van de voorzitter te horen. Jan ten Napel weet nog hoe hij tot zijn vragen kwam:

”Ja, dat gebrek aan licht en die overdaad aan rook waren me wat! Boven de tafel hingen twee lampjex De sprekers die achter de katheder stonden, moesten wel hele goede ogen hebben om het geschrevene te kunnen ontwaren. Johannes Oost greep nogal eens mis op het orgel, omdat hij doorgebrek aan licht het muziekschrift niet kon ontcijferen. Wij, de bankzitters, moesten echt moeite doen om de tekst van de liederen te lezen bij het licht van die ene lamp.

Als gpvolg van de oorlog werd gem tabak meer ingevoerd, zodat wij aangpwezm warm op wat ait oude voormden nog te krjgm was en op produkten van eigen teelt De tabak die gerookl nerd, was dan ook niet

39. Jan ten Napel als havenmeester van het vliegveld op Urk; een Fokker heeft zojuistpost gebracht. De foto werd gemaakt in de winter van 193911940. Dit is de tijd van de grote Finland-avonden van Obadja, en van de reciteerverenigingen Kleine Krachten Dindua. Jan was toen in dienst van de Eerste Urker Stoombootmaatschappij (EUSM).

van al te beste kwalileit In verband met de verduisteringsplicht was het openzetten van een roam niet mogelijk, zodatje kunt begrijpen dat de lucht in Obadja soms om te snijden was”.

We zagen al dat de rondvraag van de avond van 18 april 1943 het begin inluidde van Obadja’s gang door de schemering van de geschiedenis. Of de rondvraag in de bijeenkomsten tot aan de razzia van 18 november 1944 nog nieuws opleverde, zullen wij dan ook nooit te weten komen.

...
Obadja’s gangen
116

Samenvatting

Door kort na haar oprichting aansluiting te zoeken bij het Nederlands Jongelingsverbond, verzekerde Obadja zich van daadwerkelijke hulp bij het uitvoeren van zijn activiteiten. Deze steun - vooral bestaande uit het schenken van boeken en uit verlaging of kwijtschelding van afdracht van contributie verschafte Obadja een grotere bestaanszekerheid dan zijn gelijknamige voorganger, die tevergeefs het schip op eigen kracht in de vaart had proberen te houden.

De keuze om als zelfstandige vereniging op te treden en zich in zijn werkzaamheden breed te orienteren, maakte Obadja aantrekkelijk voor jongeren van de andere kerkgenootschappen. In hun wekelijkse bijeenkomsten op zondagavond beperkten de Obadjanen zich niet tot bijbelstudie alleen. Dit was wel de belangrijkste activiteit van de meeste andere Urker jongelingsverenigingen. De vrienden van Obadja maakten naast bijbelse inleidingen ook opstellen over historische en maatschappelijke onderwerpen. Bovendien kregen zij een gedicht of stukje proza te horen, zodat zij ook kennis maakten met de wereld van de cultuur. De opvattingen die de Obadjanen in hun bijbelse inleidingen en opstellen verkondigden, alsook de voordrachten die zij kozen, waren in overeenstemming met de waarden en normen van de gematigde orthodoxie van die dagen.

Door het ontbreken van notulen over de periode van eind januari 1933 tot oktober 1940 is het niet mogelijk de volledige geschiedenis van Obadja te schrijven. Maar de bewaard gebleven verslagen bieden wel voldoende aanknopingspunten om een vergelijking te kunnen trekken tussen de sfeer in de vereniging aan het begin van de jaren dertig en die uit de tijd van de bezetting. En er is duidelijk een verschil merkbaar. In de eerste jaren van zijn bestaan is de stemming er een van geestdrift. De vrienden schrikken niet terug voor een opstel over maat¬ schappelijke vraagstukken en de voordrachten vormen een mengeling van in bloemrijke taal vastgelegde zwaarmoedigheid en van lichtvoetige luim.

In de jaren van 1940 tot in 1943 is de stemming ingetogen. De belangstelling van de vrienden gaat nu meer uit naar bijbelse onderwerpen en dogmatische vragen. Ook menige voordracht weerspiegelt de ernst van de tijd. Omdat zij vaak aan eigentijdse schrijvers en dichters ontleend zijn, zijn ze voor de toehoorders vermoedelijk aansprekender geweest dan de voordrachten uit het begin van de jaren dertig.

De wisselende vergadertijden en de gevolgen van de Duitse bezetting hebben een verstorende uitwerking op het verenigingsleven gehad, wat is af te leiden uit het teruglopend aantal bezoekers, en uit het feit dat het opstel of de voordracht nogal eens verviel door verhindering of nalatigheid van de voorbereider.

Obadja kreeg in de jaren dertig vooral bekendheid door zijn jaarvergaderingen,

Samenvatting
117

waar toneelstukken werden opgevoerd. Na de bevrijding kende de vereniging opnieuw een tijd van bloei.

In 1943 verbrak Obadja de band met het NJ.V. en werd een kerkelijke vereniging. Mettertijd werden de kerkelijke activiteiten voor jongeren in een andere bedding geleid en werd Obadja een vereniging voor volwassen mannen, die zich uitsluitend met bijbelstudie bezighoudt. Dit doen de leden overigens niet meer in het oude vertrouwde gebouwtje, want dat werd samen met de pastorie in het begin van de jaren zestig gesloopt Op deze plaats verrezen een nieuw gebouw en een woning.

Net als de andere jongelingsverenigingen is ook Obadja van betekenis geweest voor de Urker gemeenschap als geheel. Zo vormde de ovemame van een partij boeken van een kerkelijke gemeente uit de Zaanstreek het begin van de eerste bibliotheek van het dorp. Bovendien bood de vereniging aan tientallen jongeren de mogelijkheid om zich te ontwikkelen. En dit was van des te groter belang, omdat op het eiland geen instelling voor voortgezet onderwijs bestond. Obadjanen die na hun lagere school verder leerden waren dan ook een uitzondering. Op de wekelijkse avonden kregen de jongeren scholing in het zich begrijpelijk uitdrukken en discussieren. Velen hebben de kans tot ontplooiing gegrepen. Zij werden bestuurders van verenigingen, van afdelingen van een vakbond en leden van een kerkeraad. Enkelen belandden in de politiek en een oud-Obadjaan werd wethouder. Hoe uiteenlopend ook, voor alle vrienden van Obadja heeft hun deelname aan de activiteiten van de vereniging een betekenis gehad die in hun leven van blijvende waarde is geweest. Oud-lid Jan ten Napel zegt het zo: ’’Misschien was wel het allerbelangrijkste dit. We leerden luisteren naar elkaar, wat toch de eerste vereiste van democratic is”.

...
Obadja 's gangen
118

Ik zaljeluiers in- en eutgang bewaoren

(Omwille van dc leesbaarhcid schrijf ik hct voegwoord en zoals in het standaardNederlands; in het Urkcr dialect wordt het uitgesproken als in. Ook heb ik gecn accenten geplaatst om de verschillen tussen korte en lange klinkers aan te geven. De enige uitzondering is de u, die klinkt als in het Engelse but).

Ik verskiet ervan as ik de vuurzitter oor zeggen dat we ’t leste vursien zullen zingen. M’n gedachten kan ik er niet langer bijouwen. Ok de woorden van’t dankgebed kunen gien ingang bij m’n venen. Och ai! Nog effies en ik moet voort. Ik zou zo graag langer willen bleven en nog vuul maar oren. Ik eaw glad gien zin om nou al voort te goon, maar ik wiet dat ’t moet. Dan rees ik van m’n binkien op en zonger ok maar ien woordjen te gieven skiet ik as een koegel op de duur an, steuf ’t portaoltjen duur en vlieg de straot op. M’n arte zal zo m’n leef eutwuppen! ’t is ok zo begrotelik dat ik ier vandeen moet. Ik kreeg ’t gevoel of een onzichtbaore aand m’n nor vuren drokt en vaag wor ik gewaor waor ie m’n ene wil eawen. Ik wiet dat’t gien zin et om te prebieren een angere kaant eut te goon, want op dit ogenblik is die aand toch starker dan meen wil. En wat zou ’t ok, er is op dit stukkien laand midden in de zie ommers toch gien beter plekkien waor een ziel in nood tot rust kan koemen?

Ik steek de Prins Indrikstraot over en belaan op’t paodjen dat langerst de kark lopt. Minsen kiengeren, wat stot er een sturm. Dat likt op zwaor weer vannacht. Nee, de vissers zullen er aans beslist niet eutgoon. Gelokkig eaw ik vor een ogenblikkien een oppertjen van’t karkien en ok is de regen opouwen. Nor de verlichte ramen van Obadja wil ik niet kieken om’t m’n niet muuiliker te maken dan ik ’t toch al eaw. Mit’t karkof en de arrie van de zwiepende bomen zo vlakbij moet ik iniens dinken an de ouwejaorsavenddienst die ik in de kark miemaakte. Dat is nog niet zo lange gelien. Ik zat op de kraak, bij’t raam an de kaant van’t karkof. Duur de wiend worde de iele teed een tekkien mit een knarpend geluid langerst’t glas bewoegen. ’t Liek wel of de dood zelf mit een veniendige nagel an de reut zat te klauwen om oens te waorskuwen: dink er omme, jelui zitten daor nou wel zo koesterend in de warmte en in’t licht, maar’t verskil tussen mij en’t leven is niks angers dan een alve cintimeter duurzichtig en breekbaor spul! Net as ik op’t punt koem waor’t karkof an’t pad raakt, kreeg ik een arde tjomp van de sturm. As vanzelf duk ik een bietjen in elkanger en doen een steppien nor rechs, weg van ’t karkof. Die wiendstoot komt m’n goed eut, want ik bekin’t maar aarlik een lopien langerst dit plekkien veen ik altoos al een

Ik zaljeluiers in en
bewoaren
autgang
119
Obadja’s gangen ... 120

zaljeluiers in en autgang bewoaren

bietjen skril, laot stoon bij nacht en ontij.

An’t eande van’t pad sloon ik gank linksof en loop de straot nor de vuurtoren in. Daor is’t witte ussien al. Er is gien snuut te zien. Ja toch, daor komt net een man z’n eus eut. Zouje maar niet liever achterje kacheltjen bleven ouwe! skreaw ik boven de wiend eut. Maar ’t likt wel of ik ’m niet betoet eaw, want ij lopt zonger wat te zeggen langerst m’n ene. Non dun niet, sjel Op de oek bleef ik effies stoon om nor de toren te kieken. ’t Is of ie daor in de oogte mit z’n lichtstraolen bessem de iele teed in de weer is om ervor te zurgen, dat vaneut de nachtelike emel gien stuffien neer zal daolen op dit neuvere diirp. Dan loop ik de straot nor’t skoel in. Al gauw eaw ik’t an m’n linker-aand. Oge reest’t middengedielte eut boven de leage zedevlugels. ’t Is een nijt gebouw; maar ’t likt wel een ieuwenoud fort, even ongenaakbaor as de burcht van koning David. Wie zal zeggen oevuul kiengerzieltjes ier bezwikken onger zovuul verieveneid. Ommers, de kiengeren woenen bijna allemaol in kleane en leage ussies. Ik keer’m m’n rogge toe om nor de Staverse oogte te goon. In de leagte vor m’n is de sturm en’t breusende waoter. Een ogenblikkien bleef ik stoon. ’t Lokt m’n niet arg. Zou ik ier maar niet liever bleven, in de lijte van de bewoende warreld? Maar dan voel ik wier die aand: nor vuren, nor benien jie! Vlug goon ik dan de oogte neer en aar ik er arg in eaw, stoon ik op de steager die nor ’t strandjen got. Links is de aven, rechs benien m’n de dam waor de golven oge tugenop steuven. ’t Beast nogal, maar omdat ik de wiend achter eaw, is’t toch niet zo min as ik docht.

’t Is arg donker en ik moet goed acht gieven, want de steager is maar zuven planken bried. De aven legt vol. De wiend flut duur ’t waand van de skiepen en een outen hotter trekt krunend an z’n touwen. Die samenzang van wiend, waoter en skiepen klinkt skril en machtig mooi tegelik; asof de duvel zelf an z’n ketting legt te rammelen en een ingel er een vursien bij stot te zingen. Varder lopend voel ik iniens wier de twefel bij m’n opkoemen. Ik wiet niet of ik blede moet wezen mit de kostelike avend die ik ad eaw of dat ik m’n bedroefd zal voelen, omdat ik wel begreep dat ik dit nooit wier beleven zal. Maar och, bledeskap en zurgelikeid woenen in mij toch al jaoren in liefde samen en waoromme zou ik ze dan nou niet allebijen bleven koesteren? En as ik bedink dat dit meen weertjen is en dat dit stukkien van de warreld effies van mij alliendig is, gluupt de zurgelikeid eut emzelf een zedekamertjen in.

Daor eaw ik’t strandjen al. Bij’t witte lichtbaken is de skarpe bocht nor rechs. Ier moet ik eutkieken dat de wiend m’n niet van de steager kiepert. Dan zien ik’t rooie licht van’t vuurtjen. Nog effies tom ik tugen de sturm op, maar dan bin ik toch waor ik ene mos. Ongeran ’t treppien van ’t vuurtjen draai ik m’n omme en goon tugen iene van de paolen lunen. Daor, vaarweg op de bult legt’t durp mit z’n duur elkanger ekruulde straotjes en ussies. De maos van Obadja zullen nou zuutjesan op een

Ik
121
Obadja 's gangen ... VWVw<".'"| 122

zaljeluiers in en autgang bewoaren

bedde goon. Op dit plekkien wil ik een teedjen bleven stoon om nao te drnken over alles wat ik vanavend oord eaw, over de grote verangerige die Urk mit ’t beginnen van de Zuierziewarken mie zal maken, over God en minsen en .. en..

Oe machtig! wat zal ik nou beleven! ’t Is of ik an m’n aoren nor de oogte etrokken wor en tegelik in een diepe ofgroend val. Ik klauw wild om m’n ene om niet te vallen. Maar dan voel ik ineens wier groend onger m’n bienen. Weg is de wiend, voort binnen de golven! As verdoofd kiek ik roend: rechs van m’n zien ik in ’t licht van branende lantaams op een briee kade een groot gebouw; ’t vuurtjen is een flink stok bij m’n vandeen eloepen, en ik stoon waarachtig op een stievige dam. En wat een lichten vor m’n eut! Vuul skiepen leggen er niet in de aven.

De warkelikeid begint eandelik tot m’n duur te dringen. Dit is’t Urk in't naojaor van 1993! Maar oe bin ik ier zo terechtekeumen? Bin ik as in een slaap nor dit plekkien ekuierd en et alles wat ik vanavend beleefd eaw niet angers as een droom ewest? Of is wat ik nou zien een visioen en moet ik aans as een profeet vor de minsen geteugen over’t Urk dat koemen zal? Of wie wiet, eaw ik vor een ogenblikkien twie Urken zowat tegelik in m’n anen ad: ’t Urk van zo’n kleane zestig jaor gelien en dat van disse teed! Maar nee, ik wiet’t ok wel. Een mins kan maar in iene warkelikeid leven en daor et ie z’n anen al vol genoeg an. ’t Is m’n toch ok bekind dat an’t eande van de jaoren dartig’t plankier vervongen worde duur een kade en dat de dam een stok langer emaakt is? En dan, de ofslag daor an de overkaant want dat is ’t gebouw dat ik zien eaw ik ommers zelf zien bouwen? Nee, dit is meen warreld en meen warkelikeid. Maar wat lieken m’n belevenissen van disse avend echt! En’t et toch ok echt zo ewest in Obadja? Wat er in de jaoren allemaol verangerd mag wezen en oevaar’t durp ok’t nije laand in zal trekken, nooit mugen de Urkers vergeten oevuul ze te danken eawen an de minsen eut de teed dat Obadja over Urk ging.

Ik voel dat de kelte begint op te kreupen en op de torenklokke zien ik dat’t al laot eworren is. ’t Wordt m’n teed, want ik moet nog terogge nor waor ik vandeen ekeumen bin. En ik kan ok mit een gerust arte opstappen, want duur alle verangerige ene eawen de Urkers ommers al lange laoten zien dat ze toch wel bleven wie ze wazzen.

Ik
123

Dankzegging

De volgende personen ben ik zeer erkentelijk. Bij degenen die buiten Urk woonachtig zijn, vermeld ik de woonplaats.

Wijlen Roelof Oost, Jan Pieter Otter, Pieter Gerssen (Zwolle); zij waren mannen van het eerste uur.

Wijlen Aan Pieter Zandstra (Hardegarijp), lid tussen 1933 en 1936.

- Albert Kroon (Ermelo), Jan ten Napel (Gouda), Pieter Gerssen (jongere neef van zijn hiervoor genoemde naamgenoot), Jo Gerssen (een neef van de laatstgenoemde Pieter) en Jjeendert Brouwer; zij werden in 1936 of kort nadien lid van Obadja.

Jan Schraal schreef mij uitvoerig over zijn jonggestorven broer Willem.

Jannie Meinema-Westemeng (Harmelen) vertelde mij het een en ander uit de tijd dat haar man voorzitter was.

Albert van Urk plaatste in het Urkerland op mijn verzoek een lijst van voordrachten die ik zocht, waarop enkele reaches kwamen.

Klaas Koffeman, wethouder, leende mij enkele jaargangen van De Oprechte Urker, terwijl wij voor het raadplegen van de overige jaargangen en De Urker Courant gastvrijheid genoten in het museum Het Oude Raadhuis. Hier kregen wij vooral de hulp van de heren Klaas Kramer en E.Ch. van Millingen.

Jan de Vries, bestuurslid van de vereniging Vrienden Van Urk gaf steeds blijk van zijn warme belangstelling voor mijn onderzoek.

Albert Ras zorgde ervoor dat enkele belangwekkende foto’s in mijn bezit kwamen.

Tromp Korf reikte mij de gegevens aan over de voormalige scholen en deed mij ook enige foto’s toekomen.

Willeke Brouwer maakte de tekeningen bij mijn inleidend en uitleidend verhaal; waar onze nabuurschap op het werk en Urker herkomst al niet toe leiden kan.

Gerrit Wakker (Gerrit van Sijtje) voorzag mij van foto’s en droeg details aan om mijn slotverhaal zo getrouw mogelijk te doen lijken.

Sjoerd van den Berg (Emmen) bezorgde mij een flink aantal gedichten die voorgedragen zijn en hij las de tekst kritisch door.

C. Lina (Hardenberg), G.T. Hartong en Rinus de Jong (beide laatstgenoemden in Enschede woonachtig), en Adrie de Vries (Amsterdam) wisten voor mij eveneens een aantal voordrachten te achterhalen.

- Peter Ruijf (Dedemsvaart) gaf mij inzage in zijn omvangrijke voorraad voordrachtbundeltjes.

Obadja’s gangen
124

Hans Wiersma (Kampen) wees mij op het bestaan van Havanha’s Tussen ijzer en vuur.

Auke Weerstand stelde archiefstukken beschikbaar die betrekking hadden op Obadja’s voorganger; verder was hij mij bij het krantenonderzoek behulpzaam. Herman Docter (Baam), beheerder van het archief van het Christelijk Jongerenverbond (opvolger van het Nederlands Jongelingsverbond), wees ons de weg in zijn domein; de bezoeken aan het gastvrije Driebergen behoren tot de aangenaamste van het onderzoek. Jaap van Gelderen (Kampen), docent aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken; op zijn kennis en boeken kon ik steeds een beroep doen.

P. Datema (VoUenhove), emeritus-predikant, gaf mij enkele belangrijke adviezen en zijn belangstelling was bijzonder stimulerend. Riek van der Kolk (Zwolle) zette het bronnenmateriaal voor mij over in brailleschrift.

Albert Kroes (Mastenbroek) zette het manuscript op de computerschijf. De medewerkers van de IJsselakademie: Willem van der Wolde, Rob Hoekstra (familie van de op Urk geboren professor), Femke Bijlsma, Hetty Reisinger, Immy van den Berg, Joop Rigterink, Hetty Feijth, Bert van het Ende, Jeroen Kummer en Philomene Bloemhoff-de Bruijn, dank voor jullie geduld en toewijding. Een bijzonder woord van dank komt Lien Vos toe, mijn rechterhand.

- Verder alle medewerkers van de verschillende door mij geraadpleegde archieven en bibliotheken, die meestal niets, maar soms wel een door mij verlangde tekst vonden.

En tenslotte mijn vrouw Marian; ze tikte niet alleen een gedeelte van de tekst, maar ze steunde mij vooral bij het volbrengen van de opdracht, die ik mijzelf had gesteld.

Dankzegging
125

Bronnen:

De plaats van obadja

De binnenkomst De beschrijving van het interieur van het gebouwtje Eben Haezer ontleen ik aan: gesprek met Roelof Oost, 4 mei 1987 gesprek met Jan Pieter Otter, 27 januari 1988

- brieven van Albert Kroon, (Ermelo), 15 augustus 1990 en 22 maart 1993 brief van Jan ten Napel (Gouda), 29 maart 1993

Obadja de eerste archief van het C.J.V. te Driebergen, Plaatsenarchief, map Urk; hierin bevindt zich de brief van 2 december 1930

gemeentearchief Urk, ingekomen brieven, brief van het bestuur van de jongelingsvereniging Obadja aan het gemeentebestuur van Urk, februari/maart 1901, nummer 87 notulen van Burgemeester en Wethouders, 13 maart 1901, artikel 6

- ingekomen brieven, brief van de kerlcvoogdij van de Nederlandse Hervormde gemeente van Urk aan het gemeentebestuur, 18 november 1903, num¬ mer 564

gemeenteraadsnotulen van Urk, vergadering van 2 november 1903, artikel 3

De Urker Courant van 19 oktober 1918

Jan Hoogeveen, Lieve vrouw en kinders, Bosch en Keuning, Baam 1986 F. Pereboom, Het Kerkje aan de Zee en zijn kerkgangers, Stichting Urker Uitgaven, 121

Obadja’s gangen ...
126

de anekdote over ouderling Jan Kroeze werd mij zowel schriftelijk meegedeeld door Jan ten Napel (Gouda), brief van 22 mei 1990, alsook verteld door Pieter Gerssen (Zwolle), gesprek van 19 mei 1990

Tromp Korf deelde mij de feiten over de oude school mee

Obadja’s herverschijning

archief van het CJ.V. te Driebergen, Plaatsenarchief, map Urk, brief van RA. Oost aan het Nederlands Jongelingsverbond, 2 december 1930

De band tussen het Nederlands Jongelingsverbond en Obadja Christelijke Encyclopedie, red. prof. dr. F.W. Grosheide en dr G.P. van Itterzon, Kok Kampen, 1957, 2e geheel herziene druk, 173-175

H. Gordeau, Het Nederlands Jongelings Verbond, 3e druk, uitgegeven door het N.J.V.; zonder jaar van uitgave, vermoedelijk 1923

H. Gordeau en E.J.M. Faber, Honderdjaar C.J.M.V, 1853-1953, uitgegeven door het N.J.V., 1953

Rokus Verwoerd, Het Nederlands Jongelings Verbond, in Jeugd en samenleving, jaargang 11, juni 1981, 457-466

G.P. van Itterzon, Het Nederlands Jongelings Verbond en de kerk, rede bij de opening van de 86e bondsdag te Leeuwarden, 18 mei 1939, uitgegeven door het N.J.V. (zonder vermelding van jaartal)

Armoe troef archief van het C.J.V., Driebergen, Plaatsenarchief, map Urk, brief van K.W. Meinema, 22 november 1932 aan het Nederlands Jongelingsverbond idem, brief van J.P. Otter, 2 maart 1936 idem, brief van het N.J.V aan het bestuur van Obadja, 30 januari 1939 gesprek met Pieter Gerssen (Zwolle), 19 mei 1990

Het reilen en zeilen van de vereniging

Het bestuur en de conimissie van toezicht - archief C.J.V., Driebergen, Plaatsenarchief, map Urk, brief van het bestuur van Obadje aan het N.J.V., 2 december 1930

Dronnen
127

Obadja ’s gangen

idem, briefvan het bestuur van Obadja aan het N.J.V., 2 maart 1936 bijlage van Het Urkerland, 22 december 1988, herinneringen van Leendert Brouwer

De opkomst van leden en bezoekers Archief C.J.V., jaarboekjes N.J.V., Christophilus, 1932 tot en met 1942

De belangstelling van ouderlingen, predikanten en godsdienstonderwijzers

- Gesprek met Pieter Gerssen (Zwolle), 19 mei 1990

De bibliotheek archief C.J.V., Driebergen, jaarboekjes 1933 t/m 1935

- brieven van Albert Kroon, 28 februari 1990 en 22 maart 1993 notulen van Obadja , met name de vergaderingen 1 december 1940, 23 maart 1941 en 22 maart 1942

Het harmonium en de katheder De Oprechte Urker, 17 oktober 1935

De Urker Courant, 17 oktober 1935

brief van Aan Pieter Zandstra (Hardegarijp), September 1990 brief van Jan ten Napel, 22 mei 1990

- gesprek met Jan Pieter Otter, 27 januari 1988

De weerslag van de Duitse bezetting

- Brief van Jan ten Napel, 22 mei 1990

Mededeling van Leendert Brouwer, 26 juli 1990

- H. Gordeau en E.J.M. Faber, 100 jaar C.J.M.V., met name hoofdstuk 9

Waarom men ophield met het maken van notulen

- Brief van Jan ten Napel, 22 mei 1990

128

DE JAARVERGADERINGEN

Brieven van Jan ten Napel, 22 mei 1990 en 29 maart 1993

Brief van Aan Pieter Zandstra, augustus 1990

De Urker Courant: 28 januari 1932, 11 februari 1932, 24 maart 1932 en 7 februari 1935

De Oprechte Urker: 1 februari 1936, 18 februari 1939 en 24 februari 1940 Het Urkerland (De Kleine Courant): 11 en 18 oktober 1991, 31 juli 1992

Gesprek met Pieter Gerssen (Urk) 11 September 1992

M.C. Falentin, De Poort, uitgave van het N.J.V., zonder jaartal

- D. de Nie, Verdreven, uitgegeven door H.H. Kok, Zwolle, zonder jaartal

De avonden

De lofeangen

Brieven van Albert Kroon, 28 februari en 15 augustus 1990

Brief van Jan ten Napel, 22 mei 1990

Liederenbundel van het Nederlands Jongelingsverbond

Christelijke Encydopedie, onder redactie van dr. F.W. Grosheide en dr. G.P. van Ittterzon, deel 2, 2e geheel herziene druk, Kampen 1957 (zie onder Sankey en Moody)

De Evangelische Gezangenbundel (tot 1938 in gebruik bij de Nederlandse Hervormde Kerk)

Psalm en Gezangbundel

De bijbelse inleidingen

De Jongemarv, ik heb een aantal afleveringen uit het najaar van 1931 en 1940 bestudeerd. In het archief van het C.J.V. zijn alle jaargangen aanwezig.

Bronnen
129

gangen

Matthew Henry, Letterlijke en practicale uitgave van het Oude Testament, en van het Nieuwe Testament, Kampen, 1910/1915

Karl August Dachsel, Bijbel ofde geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament volgens de Statenoverzetting 4 delen, ik raadpleegde de uitgave van J.H. Bos, Kampen 1901

F. Godet, Bijbelstudien over het Oude Testament, Amsterdam, Hoveker 1882; Het Nieuwe Testament, idem 1876

S.G. Stock en anderen, Handboek voor de beoefening der Bijbelsche Geschiedenis, bewerker B. Renkema, Rotterdam/ Den Haag, D.A. Daamen 1907/ 1908, 2 delen, 3e en 4e druk 1914/1916

De opstellen kerkgeschiedenis

- P. Weerstands opstel over Ulrich Zwingli, 21 februari 1932, ontleende hij vermoedelijk aan een artikel in De Jongeman van 15 oktober 1931 vaderlamise geschiedenis

voor een aantal werkstukken uit deze rubriek is met zekerheid gebruik gemaakt van G. Groen van Prinsterer, Handboek der Geschiedenis van het Vaderland, 2 delen; ik raadpleegde de 2e druk uit 1852

de bijbel hier is zeker geput uit de volgende bijbelverklaringen: de Statenvertaling met kanttekeningen Matthew Henry, Letterlijke en Practicale Verklaring van het Oude Testament, uitgegeven door W.H. Kok, Kampen 1915; Karl August Dachsel, Bijbel of de geheele Heilige Schrift, bevattende al de Kano¬ nieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) 4 delen; F. Godeth, Bijbelstudien over het Oude Testament, N. Hoveker, Amsterdam 1882; idem, Bijbelstudien over het Nieuwe Testament, 1876

dogmatiek de opstellen over de Nederlandse Geloofsbelijdenis werden gemaakt aan de hand van de gelijknamige brochure, van de hand van dr. G.P. van Itterzon, uitgave van het Nederlands Jongelingsverbond, Onze Brochurereeks, 1940 of 1941

Obadja’s
130

geloofs- en ethische vragen het gedeelte uit de rede van ds. D. Hoek, getiteld De Gereformeerde Levensbeschouwing en het Drankvraagstuk, uitgave van de Gereformeerde Vereniging voor Drankbestrijding, zonder jaartal, werd door Jan Kramer op de avond van 15 februari 1931 voorgelezen

eigentijdse problemen

het opstel De crisis en wij is stellig ontleend aan het gelijknamige artikel van G.W. van Deth uit De Jongeman van 8 oktober 1931; zie voor de demonstratie van Urker vrouwen op het Rokin in Amsterdam onder andere De Telegraaf, 13 September 1932, De Standaard (14 September 1932), De Visserijcourant, 16 September 1932, De Urker Courant, 21 September 1932 en K.W.J.M Bossaers Zuiderzeevissers, Geschiedenis van de Belangenorganisaties van de vissers op de Zuiderzee en Ijsselmeer, de Walburgpers, Zutphen 1987, 153 en 154

literatuur

Het gedicht Nicodemus, dat op lste kerstdag 1932 in de plaats kwam van het opstel, is van G. Waanders, uit de bundel Mijn Belijden. Mogelijk is het werkstuk De Gladde Aal, 5 januari 1941, een bespreking over een gedeelte uit Norels boek Janmaats en Sinjeuren, Sijthoff, Leiden 1940, 221 t/m 230 en 235 t/m 241

het werk van de eigen vereniging en de geschiedenis van het N.J.V.: voor het werkstuk Het ontstaan van het NJ.V, 6 november 1932, is wellicht geput uit H. Gordeau’s brochure Het Nederlandsch Jongelingsverbond, uitgave van het N.J.V., Amsterdam, zonder jaar van uitgave; ik zag de 3e druk

de wijze waarop de Obadjanen hun onderwerp behandelden mogelijk werd voor het opstel De kerk en de maatschappij, 23 oktober 1932, J.Th. de Vissers drie delen omvattende werk Kerk en Stoat, Leiden 1926-27, gebruikt

Willem Schraal gegevens over hem werden mij per brief van 27 oktober 1990 meegedeeld door Jan Schraal te Urk, een jongere broer van Willem. Ook stuurde hij mij een kopie van zijn artikel over zijn broer, dat hij in het nieuws- en advertentieblad Stuurboord van 24 december 1980 publiceerde

De vragenbus

Johannes C. Francken, Veel vragen....een antwoord, J.H. Kok, Kampen 1940

Bronnen
131

de gegevens over het vragenuurtje werden mij verstrekt door Peter van Campen, oud-medewerker van de NCRV, per brief van 12 maart 1992

De rondvraag

- Brief van Jan ten Napel, 22 mei 1990

Bijlage 1

De bubelse inleidingen

Niet altijd werd in de notulen aangegeven over welke verzen uit een bepaald hoofdstuk de inleiding ging. In die gevallen noem ik alleen het betreffende hoofdstuk. 26 oktober 1930 2 novcmbcr 1930 9 novcmbcr 1930 16 novcmber 1930 23 novembcr 1930 30 novembcr 1930 7 deccmbcr 1930 14 december 1930 21 deccmbcr 1930 28 december 1930 4januari 1931 11 januari 1931 18 januari 1931 25 januari 1931 1 februari 1931 8 februari 1931 15 februari 1931 22 februari 1931 1 maart 1931 8 maart 1931 15 maart 1931 22 maart 1931 29 maart 1931 1 november 1931

Johannes Mink Johannes Mink Jan Kramer Johannes Mink Jan Pereboom Freek Brouwer Jan Pieter Otter Irib Kramer Roelof Oost Johannes Oost Jan Pereboom Johannes Mink Pieter Gerssen Hendrik Weerstand IAtmbcrUis Oost Lub Kramer Ticmen Ruiten Jelle Ekkelenkamp Klaas Keuter Roelof Oost Jan Pereboom Johannes Mink Freek Brouwer Klaas Keuter

1 Samuel 3 2 Timothciis 2 1 Samuel 4 Zacharia 14 Mattheus 2 Mattheus 3 Mattheus 4 Mattheus 5 Mattheus 6 Mattheus 7 Mattheus 8 Mattheus 9: 1 t/m 22 Mattheus 9: 23 tot cinde Mattheus 10 Mattheus 11 Mattheus 12: 1 t/m 21 Mattheus 12: 22 tot einde Mattheus 13 Mattheus 14: 1 t/m 12 Mattheus 14: 13 tot einde Mattheus 15 Mattheus 15, en 16 gedeeltelijk Mattheus 27

2 Samuel 14: 25 en 26, en 2 Sa¬ muel 15: 1 t/m 12

...
Obadja’s gangen
132

8 november 1931 15 november 1931 22 november 1931 29 november 1931 6 december 1931 13 december 1931 20 december 1931 27 december 1931 3 januari 1932 17 januari 1932 24 januari 1932 31 januari 1932 7 februari 1932 14 februari 1932 21 februari 1932 28 februari 1932 6 maart 1932 13 maart 1932 20 maart 1932 27 maart 1932 3 april 1932 17 april 1932 26 September 1932 2 oktober 1932 9 oktober 1932 16 oktober 1932 23 oktober 1932

30 oktober 1932 6 november 1932 13 november 1932 20 november 1932 27 november 1932 4 december 1932 11 december 1932 18 december 1932 25 december 1932 31 december 1932 8 januari 1933 15 januari 1933 22 januari 1933

Hendrik Weerstand

Sjoerd Groothuis Jan Pereboom Freek Brouwer Jan Kramer Jan Pereboom Jclle Ekkelcnkamp Jan Pereboom

Johannes Gerssen

Lub Kramer Johannes Mink Frans Post Freek Brouwer Hendrik Weerstand Jelle Ekkelenkamp Johannes Oost Jan Brouwer

Lambertus Oost Pier Weerstand Johannes Mink Johannes Gerssen Pier Weerstand Johannes Mink Frans Post Jan Pereboom

Johannes Gerssen Johannes Oost

Lub Kramer Sjoerd Groothuis Jan Pereboom Jan Pereboom Jurie Romkes Hendrik Weerstand Johannes Oost Johannes Mink Johannes Mink Johannes Gerssen Sjoerd Groothuis Johannes Gerssen Albert Meun

2 Samuel 15: 13 tot einde en 2

Samuel 16: 1 t/m 14

2 Samuel 16: 15 tot einde

Psalm 1: 1 t/m 4

Psalm 21 Hebreeen 10: 1 t/m 24

2 Samuel 24 Mattheiis 2

Openbaringen 21: 1 t/m 5

Marcus 1: 12 t/m 22 Marcus 2: 1 t/m 12 Marcus 3 Marcus 4: 21 t/m 41

Marcus 5: 21 t/m 43

Marcus 8: 22 t/m 38

Marcus 11:15 t/m 33 Mattheiis 26 Mattheiis 26: 47 t/m 75 Mattheiis 27: 1 t/m 31 Mattheiis 27: 32 t/m 54 Mattheiis 28 Jacobus 1 Jacobus 2

1 Koningen 12: 1 t/m 18

1 Koningen 12: 25 t/m 32

1 Koningen 12: 33 tot einde en hoofdstuk 13

1 Koningen 14

1 Koningen 16: 29 tot einde, en 1 Koningen 17: 1 t/m 6

1 Koningen 17: 7 t/m 24

1 Koningen 18: 1 t/m

1 Koningen 18: 20 t/m 46

1 Koningen 19

1 Koningen 20

1 Koningen 21: 17 tot einde

1 Koningen 22: 1 t/m 40

Johannes 1: 1 t/m 13

Lucas 2: 1 t/m 20

Hebreeen 13: 7 t/m 19

Johannes 1: 14 t/m 34

Johannes 2 Johannes 3: 1 t/m 21

Bijlagen
133

20 oktober 1940 27 oktober 1940 3 november 1940 24 november 1940 1 december 1940 8 december 1940 15 december 1940 22 december 1940 29 december 1940 5 januari 1941 12 januari 1941 19 januari 1941 26 januari 1941 2 februari 1941 9 februari 1941 16 februari 1941 23 februari 1941 9 maart 1941 23 maart 1941 30 maart 1941 5 oktober 1941 12 oktober 1941 19 oktober 1941 26 oktober 1941 2 november 1941 9 november 1941 16 november 1941 23 november 1941 30 november 1941 7 december 1941 14 december 1941 21 december 1941 4 januari 1942 11 januari 1942 18 januari 1942 25 januari 1942 1 februari 1942 8 februari 1942 15 februari 1942 22 februari 1942 1 maart 1942 8 maart 1942

Albert Kroon Jan Pereboom Hendrik Wakker Jelle Ekkelenkamp Lub Hakvoort Jan R. Kramer Johannes Gersscn vriend Meun (Sjocrd of Albert) Klaas Post Jan Pieter Otter Albert Meun Gerdt Ras A. de Boer Sjoerd Meun Andries Post Pieter Gerssen Johannes Oost Meindert Post Lub Kramer Johannes Gerssen Jan Pereboom Jelle Ekkelenkamp Albert Kroon Jan ten Napel Willem Schraal Hendrik Wakker Lub Hakvoort Johannes Gerssen Meindert Post Meindert Post Arie Bakker Willem de Boer Johannes Oost algemene bespreking Jan ten Napel Lub Hakvoort Meindert Post Jan Pieter Otter Willem de Boer Jelle Ekkelenkamp Johannes Oost Lub Hakvoort

Haggai' 1: 1 t/m hoofdstuk 2:1 Haggai 2: 2 t/m 10

Haggai' 2: 11 Psalm 4 Psalm 8 Psalm 116 Psalm 19

Johannes 3: 10 t/m 15

Psalm 23

Lucas 8: 22 t/m 33

Lucas 8: 40 tot einde

Lucas 7: 1 t/m 10

Lucas 18: 18 t/m 27

Lucas 9: 28 t/m 43a

Lucas 9: 43b t/m 56

Lucas 9: 57 t/m 62

Lucas 10: 1 t/m 24

Lucas 10: 25 t/m 42

Marcus 12: 1 t/m 12

Marcus 14: 32 t/m 52

Habakuk 3: 17 en 18

1 Samuel 1

1 Samuel 3 t/m hoofdstuk 4:1a 1 Samuel 4 en 5

1 Samuel 6 t/m hoofdstuk 7:1 1 Samuel 7: 1 t/m 17

1 Samuel 8 1 Samuel 9

1 Samuel 10 en 11: 1 t/m 13

1 Samuel 11: 14 en hoofdstuk 12

Lucas 1: 1 t/m 19

Lucas 2: 1 t/m 19

Lucas 4: 1 t/m 36

Lucas 11: 37 tot einde

Lucas 12: 1 t/m 12

Lucas 12: 13 t/m 34

Lucas 12: 35 t/m 48

Lucas 12: 49 t/m 59

Lucas 13: 1 t/m 17

Lucas 13: 18 tot einde

Lucas 14: 1 t/m 24

Lucas 14: 25 tot einde

Obadja's gangen
134

15 maart 1942 22 maart 1942 25 oktobcr 1942 I november 1942 8 november 1942 15 november 1942 22 november 1942 31 januari 1943 21 februari 1943 28 februari 1943 7 maart 1943 14 maart 1943 21 maart 1943 28 maart 1943 4 april 1943 II april 1943 18 april 1943

Gerrit Ras

Tiemen Weerstand

Jan Pereboom Albert Kroon

Johannes Gerssen Sjoerd Brouwer Harm Oost Sijmcn Post Harm Oost Leendert Brouwer Tijmen Wakkcr

Meindert Post Leendert Brouwer Jan ten Napel Sijmen Post Johannes Gerssen Tijmen Wakker

Lucas 15: 1 t/m 10

Lucas 15: 11 tot einde 1 Koningcn 19 Johannes 1: 19 tot einde Johannes 2 Johannes 3: 1 t/m 17 Johannes 3: 18 tot einde Lucas 17

Lucas 19: 1 t/m 28 Matthcus 12: 1 t/m 21 Spreuken 1: 20 t/m 33, en Amos 3

Matthcus 26: 1 t/m 24 Johannes 13: 1 t/m 21 Johannes 18: 1 t/m 27 Johannes 18: 28 tot einde Johannes 19: 1 t/m 30 Johannes 19: 38 t/m 42

Bijlage 2

De opstellen

2 november 1930 16 november 1930 23 november 1930 30 november 1930 7 december 1930 14 december 1930 21 december 1930 28 december 1930 4januari 1931

Jan Kramer

Freek Brouwer Roelof Oost

Jan Pereboom en Jan Kramer

Lub Kramer Hendrik Weerstand Jelle Ekkelenkamp

Lambertus Oost Lub Kramer

God verheerlijkt voor de vrede te Aken in het jaar 1748 De culturele waarde van het boek Maarten Luther, de grote hervormcr Fen vergelijking van de leer van Christus en de leer van den Paus of Rome Mattheus 9; enige wonderen Wet en evangelie Mohammed als stichter van cen godsdienst De geboorte van Christus Hoe ontstond de Lutherse kerk, en wie was er de stichter van

Bijlagen
135

11 januari 1931 18 januari 1931 25 januari 1931 1 februari 1931 8 februari 1931 15 februari 1931 22 februari 1931 8 maart 1931 15 maart 1931 22 maart 1931 29 maart 1931

1 november 1931 8 november 1931 15 november 1931 22 november 1931 29 november 1931 6 december 1931 13 december 1931 20 december 1931 27 decmber 1931 3 januari 1932 17 januari 1932 24 januari 1932 31 januari 1932 7 februari 1932 14 februari 1932 21 februari 1932 28 februari 1932 6 maart 1932 13 maart 1932

Jan Kramer

Freek Brouwer Roelof Oost Jan Pereboom Johannes Oost Jan Kramer Jan Pieter Otter Johannes Mink Lambertus Oost Lub Kramer Pieter Gerssen Jelle Ekkelenkamp Lub Kramer Willem Schraal Roelof Oost

Pieter Gerssen Jan Pereboom Johannes Oost Sjocrd Groothuis Johannes Mink Pieter Gerssen Johannes Mink Roelof Oost Klaas Keutcr Johannes Mink Klaas Hakvoort Pieter Weerstand Frans Post Johannes Gerssen Willem Schraal

De voorzeggingen aangaande den Heere Jezus Dc bijbcl on de jongeling, en het doel van de jongelingsvereniging Het sterflot Afscheiding en Doleantie Ismael De christelijke levensbeschouwing en het drankvraagstuk De Kerk in haar verschillende betekenis De Hervorming

Uit de duistemis tot het licht Dc laatstc vervolgingen van dc christenen onder de Romeinse keizers De revolutionaire woclingcn van 1918 De vrede van Rijswijk Luther en Calvijn Dc nood der tijden Luther op de Rijksdag te Worms Calvijn De crisis en wij De patriotten en prinsgezinden Dc kruistochtcn De wereldcrisis en het kerstgebeuren

De tweede Engelse oorlog Het huwelijk Sabbatsrust en Sabbatszaliging Maria en Martha De saccramenten De opwekking van de jongeling van Nam Het leven van Ulrich Zwingli Vrij Nederland Hoc mocten wij de tijden die we thans beleven verstaan Prins Willem van Oranje

Obadja’s
...
gangen
136

20 maart 1932 3 april 1932 2 oktober 1932 9 oktober 1932 16 oktober 1932 23 oktober 1932 30 oktober 1932 6 november 1932 13 november 1932 27 november 1932 4 december 1932 11 december 1932 18 december 1932 31 december 1932

8 januari 1933 15 januari 1933 22 januari 1933 20 oktober 1940 3 november 1940 30 november 1940 15 december 1940 29 december 1940 5 januari 1941 12 januari 1941 19 januari 1941 2 februari 1941

Frcck Brouwer

Jan Kramer Sjoerd Groothuis Lub Kramer

Pieter Gerssen Jan Pereboom Klaas Hakvoort

Roelof Oost Pieter Gerssen

Jan Pieter Otter Klaas Meinema Frans Post Klaas Meinema

Jurie Romkes

Jan Oost Jan Pieter Otter

Roelof Oost Cor Brouwer Jan Pieter Otter Cor Brouwer Willem Schraal (de jongere) Pieter Gerssen (de jongere)

Jan ten Napcl Lub Hakvoort Pieter Gerssen Hendrik Wakker

Wachtcr, wat is cr van de nacht (Jesaja 21:11 en 12) De tocstand onzer Kerk Te wapen De eerste christelijke gemeenten Werkloosheid De Kerk en de maatschappij De Urker vrouwen naar het Rokin

Het ontstaan van het N.J.V. De hervorming der christelijke Kerk

De tiende plaag van Farao Onze radio De bijbel en wij mensen Jesaja 9:11 Ondanks dit alles keert Zijn loom zich niet afen blijft Zijn hand uitgestrekt De vergankelijkheid aller dingen (aan de hand van Hebreeen 13)

Timotheiis Weest niet vervaard gij kleine stoet (gezang 268, uit de Evangelische Gezangenbundel) Verleden, heden en toekomst der christelijke kerk Bijbel en jeugd Bokim (wenende) Het leven van kerkvader Atanasius (patriarch van Alexandria, ± 295 tot 373 n.c.)

Na het sterven Psalm 91:1 De gladde aal (aan de hand van een novelle van K. Norel) De duistemis in deze dagen Heeft de mens een vrije wil Gods voorzienigheid

Bijlagen
137

9 fcbruari 1941 23 februari 1941

9 maart 1941 23 maart 1941 30 maart 1941 19 oktober 1941 2 november 1941 9 november 1941 23 november 1941

7 december 1941 14 december 1941 21 december 1941 4januari 1942 18 januari 1942 25 januari 1942 1 februari 1942 8 februari 1942 15 februari 1942 1 maart 1942 1 november 1942 8 november 1942 7 maart 1943

Andrics

Post Leendcrt Brouwer

Albert Kroon Willem Post M (Machiel of Meindert) Post Willem Schraal Cor Brouwer

Jan Pieter Otter Jelle Ekkelenkamp Jan Pereboom Leendert Brouwer Willem Post Albert Kroon Albert Kroon Cor Brouwer M. Post Willem Schraal Willem Post M. Post Jan Pieter Otter Lub Hakvoort Tijmen Wakker

Dc vraag van de discipelen: wie van hen het belangrijkste zou zijn in het Koninkrijk der Hemelen

Waar staat ons stopteken en wat is onze houding Dc stille week 1 Corinthe 15

De uitvinder Edison Levenskunst Art. 1 van de Nederlandse geloofsbelijdenis Het concilie van Trente Pastor Ponke, bespreking van het boek van J.H. Eekhout Ant. 2 van de Nederlandse geloofsbelijdenis

Is er nog plaats voor kerstvrede in 1941 Kerstfeest is Christusfeest Art. 3 van de Nederlandse geloofsbehjdenis Bartje, (bespreking van het boek van Anne de Vries) Johannes Huss, de hervormer van Bohemen Romeinen 1:16 Ik schaam mij het evangelie van Jezus Christus niet

Art. 4. van de Nederlandse geloofsbelijdenis Jesaja 43:2 Art. 5 van de Nederlandse geloofsbelijdenis Naar aanleiding van hervormingsdag

De drie-eenheid of het wezen Gods Wereldgelijkvormigheid

Obadja’s gangen ...
138

Bijlage 3

De voordrachten

De niet gevonden voordrachten zijn met een * aangemerkt. De namen van de dichters en schrijvers die konden worden achterhaald zijn in cursief toegevoegd. Van de achterhaalde voordrachten vermeld ik de juiste titels. 9 november 1930 16 november 1930 23 november 1930 7 december 1930 14 december 1930 21 december 1930 28 december 1930 4 januari 1931 11 januari 1931 18 januari 1931 25 januari 1931 1 februari 1931 8 februari 1931 15 februari 1931 22 februari 1932 1 maart 1931

8 maart 1931 15 maart 1931 22 maart 1931

Jan de Wit Lambertus Oost Jan de Wit Freek Brouwer

Jclle Ekkelenkamp Jelle Ekkelenkamp Pieter Gerssen Willem Schraal (de oudere) Jan de Wit Roelof Oost Jan de Wit Lambertus Oost Jan dc Wit Johannes Mink Jan Pereboom Roelof Oost Roelof Oost Jan Pereboom Willem Schraal Klaas Koffeman Jan de Wit Willem Schraal Jacob Romkes

De dobbelaar en zijn stervende kind* Zijn grootste schat* De laatste vaderkus* De bekentenis, onvermoeid P.A. de Genestet De wijsgeer en het kind De spoortrein G.J. Spoor Bezoek bij het graf van een vriend* Aan mijn gcliefdc moeder*

Als de jaren eens voorbijgaan* Abel JJ.L. ten Kate De verloren zoon* Davids drie helden* De inspectie Lced, uit: Dc lichte last G. Schrijver Morgen* Het visioen* Daniel in de leeuwenkuil Wil¬ lem de Merode Hagar en Ismael Willem de Me¬ rode De dorpspredikant Irene* De pientere boer* David en Goliath De schipbreuk G. van der Lin¬ de (Gedichten van de schoolmeester)

Bijlagen
139

Obadja’s gangen

29 maart 1931 1 november 1931 8 november 1931 15 november 1931 29 november 1931 6 december 1931 13 december 1931 20 december 1931 27 december 1931 3 januari 1932 31 januari 1932 14 februari 1932 21 februari 1932 6 maart 1932 13 maart 1932 20 maart 1932 3 april 1932 26 September 1932 2 oktober 1932 9 oktober 1932 16 oktober 1932 23 oktober 1932 30 oktober 1932 6 november 1932 13 november 1932 20 november 1932 27 november 1932 4 december 1932 11 december 1932 18 december 1932 25 december 1932 31 december 1932 8 januari 1933 15 januari 1933

Jan de Wit

Klaas Koffeman Jan Kramer Jan Pereboom Willem Schraal Johannes Mink Hendrik van der Vecht Frans Post Roelof Oost Freek Brouwer Jelle Ekkclcnkamp Willem Schraal Hendrik van dcr Vecht Johannes Gerssen

Klaas Hakvoort Jan dc Wit Jan Pereboom Pieter Gerssen Jan Kramer Roelof Oost Klaas Meincma Johannes Gerssen Jelle Ekkelenkamp Jan Pereboom Klaas Keuter Jelle Ekkelenkamp Jan Oost Comelis van Veen Jelle Ekkelenkamp Hendrik Post Johannes Gerssen Jan Pereboom Klaas Meincma Pieter Gerssen

De Kamper koe (Kamper Uien, berijmd door een Kampenaar) I2en brief van een scheepsjongen De biechteling Barrabas Jan H. de Groot Een benauwd ogenblik* (in de notulcn ook voorkomend als Het laatstc ogenblik) Een lied van dc zee Helene Swarth

Dc kleinc ketter dr. I.J.W.R. de Haan, (Balladenboek) Ontwaakt, herders loopt Hem de louwer* Het vergaan van de Titanic Waarheid bovenal* De winter A.C.W. Staring De aanhaling Jacob van Lennep De weg naar het station Clinge Dorenbos

Te laat P.M. Hoekstra Een bedclkind De blindgeborene W. Hessels Visserslecd* ’t Was maar een weesje Kernel en naald* De morgen Nicolms Beets Simson in Dagons tempel* De wolken Martinus Nijhoff Het Kruis Isaac da Costa Naar de natuur PA. de Genestet Jeugd C. Loots Wees tevreden met uw plaats* Licht Jan van Beers Alarmisten PA. de Genestet Het kerstlied Joost van den Vorulel (mogelijk het gelijknamige gedicht van Helene Swarth) Ver van moedcr* De klokslagen De moeder Geerten Gossaeri Golgotha Henri Bruning

140

22 januari 1933 20 oktobcr 1940 27 oktober 1940 3 november 1940 24 november 1940 I december 1940 22 december 1940 29 december 1940 5 januari 1941 12 januari 1941 19 januari 1941 26 januari 1941 9 februari 1941 23 februari 1941 23 maart 1941 30 maart 1941 12 oktober 1941 19 oktober 1941 26 oktober 1941 9 november 1941 16 november 1941 14 december 1941 4 januari 1942 II januari 1942 18 januari 1942 25 januari 1942 1 februari 1942 15 februari 1942 22 februari 1942 1 maart 1942

Jacob Romkes

Jan ten Napel

Jo Gerssen Jelle Ekkelenkamp Teunis Pasterkamp Jan Weerstand Jan ten Napel

Albert Kroon Andries Post Jan Weerstand

Jaap Woord Jo Gerssen Willem Post Jelle Ekkelenkamp Jan ten Napel Ixendert Brouwer Jan ten Napel Jo Gerssen Leendert Brouwer

Gerrit Ras Willem de Boer Lub Hakvoort Willem Schraal (de jongere) Jelle Ekkelenkamp Willem Schraal

Jo Gerssen Albert Kroon

Jo Gerssen Teunis Pasterkamp Jan ten Napel

Aan den Rijn in de lente van het jaar 1820 Elias Annes Borger Onbekende soldaat Havanha (pseudoniem voor Hendrik van Heerde) Natuur en geloof* Aan ’n seepkissie C. Louis Leipoldt

De kleine savooiaart JJ.L. ten Kate

De terugkeer* Gouden klokken Rudolfvan Reest

Voorbijgang Willem de Merode Des christens strijd* Ontwaakt gij die slaapt Petrus Parson Kindcrleed* De spoortrein Jacqueline van der Waals Slapen gaan Willem de Merode Zijn zwanenzang Jan van Beers De molen Martien Beversluis Een maal* Angst* D38 rijdt door II.E. Doman Waarheen Georg Scheuerlin (bewerkt door JJ.L. ten Kate) Ons levensschip* Oud moedcrtje Henri Bmining Hij komt*

OudejaarsavondlL Siebesma Eeuwig* Het geweten Victor Hugo (bewerkt door J.J.L. ten Kate) BedcArie Wapenaar Veni Creator (Kom Schepper) Willem de Merode De moeder* Een nuttige knecht E. Laurillard Een stukje proza*

Bijlagen
141

15 maart 1942

22 maart 1942

8 november 1942 21 februari 1943

28 februari 1943

28 maart 1943 4 april 1943 11 april 1943 18 april 1943

Jo Gerssen Albert Kroon

Jelle Ekkelenkamp Leendert Brouwer Tijmcn Wakker Jo Gerssen Jan ten Napel Tijmcn Wakker Jo Gerssen

Fotoverantwoording:

collectie Wakker, Urk; 1, 2, 13 Jan ten Napel, Gouda; 5, 39 Jo Gerssen, Urk; 22, 31, 33, 35

- familie Meindersma, Aalten; 25

Annunciatie (Aankondiging), Jacqueline van der Waab Het schrijverke, Guido Gezelle Dank Heer* Afgoderij* (over de Uiververering)

U, die ik mijn vertroosting noem Jan letswaart Petrus J.A. Rbpens Mijn belijden G. Waanders ’t Is volbracht J.J.L. ten Kate De gestorvene Nicolaus Beets

- Geertje ten Napel-Gerssen, Urk; 12, 19 Leendert Brouwer, Urk; 11, 21, 26, 32 Harmpje Ekkelenkamp-Kamper, Urk; 23, 34 Griet Oost-van den Berg, Urk; 28 mevrouw R. Zandstra-Stoker, Hardegarijp; 6, 15 Pieter Gerssen, Zwolle; 7

- uit eigen bezit; 3, 4, 24 mevrouw Jannie Meinema-Westemeng, Harmelen; 9, 16 Riek Pereboom-Brouwer, Urk; 8, 20, 36 Jan Pieter Otter, Urk; 29 Klaas Koffeman, Urk; 18 collectie museum Het oude Raadhuis; 27, 37, 38 Albert van Urk; 10, 17 A. Ras; 14

- mevrouw Geertje Kramer; 30 tekeningen; WiUeke Brouwer, Kampen

Obadja’s
gangen
142

Over de auteur

Freek Pereboom werd op 5 augustus 1942 op Urk geboren. Op vijfjarige leeftijd ging hij naar het Koninklijk Instituut tot onderwijs voor Blinden: respectievelijk de internaten in Huis ter Heide, Haren en Huizen. Na het verkrijgen van het Mulo-diploma bezocht hij het Willem de Zwijger Lyceum in Bussum, waar hij gymnasium alfa deed. Hierna studeerde hij sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Sinds 1978 is hij werkzaam bij de stichting IJsselakademie te Kampen, ten behoeve van de lokale en regionale geschiedbeoefening. Hier heeft hij zich vooral toegelegd op kerkgeschiedenis, rechtsgeschiedenis en mondelinge geschiedbeoefe¬ ning. Als redakteur en/of auteur werkte hij mee aan verscheidene publikaties. Daamaast leverde hij onder andere bijdragen aan Het kerkje aan de zee en zijn kerkgangers, en Redders, bergers en bouwers, publikaties van de stichting Urker uitgaven.

Over
de auteur
143

Obadja is zowel de naarn van de oud-testamentische profeet als van de moedige en tegelijk bangelijke godvrezende knecht van koning Achab. Naar een van beiden noemde zieh de hervormde jongelingsvereniging op Urk, die in de jaren dertig en veertig van zich deed horen en spreken. Dit laatste vooral door de toneeluitvoeringen op dejaarvergaderingen.

De aanleiding tot het schrijven van dit boek waren enkele notulen schriften van Obadja, die de vader van auteur Freek Perebootn kort voor zijn overlijden onder ogen kreeg. Hij was een van de oprichters van de vereniging en vele jaren voorzitter. Omdat alleen notulenschriften over de jaren 1930-1933 enl9401943 bewaard zijn gebleven, richt de schrijver zich vooral op het vergelijken van de stemming in Obadja aan het begin van de jaren dertig met die in de tijd van de bezetting.

Hoe nauw Freek Pereboom zich bij het onderwerp betrokken voelt blijkt al nieteen uit de inleiding. waarin hij op<een denkbeeldige herfstachtige zondagavond het vefrgaderlokaaltje binnenkomt oin er een bijeenkomst bij te wonen.

Naast.een uitgcbreid||en levendige beschrijying-’van het verioop van de wekelijkse /ondagavonclbijeenkomsten fen de op Cnk 70 bekend geworden jaarvergaderiitgen, lqzert wponckf andfertfeoVer: enkele kleme bestuursperikelen, het geduld dat nddig was een biblkotheek bijeen te garen, hoe moeilijk hef-ging om van het nange?kochte harmortiiim ecp fatsocnlijk orgeltte maken enjde moeite die het kostte om een nieuwe katheder aan te schaffen. ,*

Diior gebruik te makHTvan vele aanwrekende citaten uit de notu¬ len, biicven vnri eii^esprekken met oud-leden, verslagen uit de Urker Courant en de Oprechte Urker, is Freek Pereboom er in geslaagd een vlot leesbaar boek te maken over Obadja's gangen over Urk.