Van bezetting en bevrijding

Page 1

VAN BEZETTING EN BEVRIJDING

URK IN OORLOGSTIJD 1940-1945

Van bezetting en bevrijding

VAN BEZETTING EN BEVRIJDING

URKIN OORLOGSTIJD 1940-1945

Stichting Urker Uitgaven Urk

Deze uitgave werd mogelijk gemaakt door een financiele bijdrage van de Gemeente Urk en de Gemeentelijke Visafslag en werd verzorgd door een comite bestaande uit M. Bogerd, L. Brouwer, K. Hoekstra, S. Snoek, A. van Urk en T. de Vries.

CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG

Van...

Van bezetting en bevrijding : Urk in oorlogstijd 1940-1945 / [A. van Urk ... et al. ; red. Stichting Urker Uitgaven].

Urk : Stichdng Urker Uitgaven. Ill., foto’s Met lit. opg. ISBN 90-71521-14-1

Trefw.: Urk ; geschiedenis ; Wereldoorlog II.

1. 2 3. 4. 5. 6 7. 8 9. 10 11 12 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20 21.

Woord vooraf S. Veninga 7 Inleiding T. de Vries 9 Hetjaar voor de oorlog M. Bogerd 11 De meidagen van 1940 A. van Urk 21 Van luchtwacht tot luchtbescherming A. van Urk 29 De Urker visserij van 1939 tot 1945 K. Hoekstra 35 Kerken in de knel T. de Vries 43 Scholen onder druk T. de Vries 57 Het dagelijkse leven T. de Vries/ A. van Urk 60 Een vloot verdween K. Hoekstra 67 De Zuiderzeewerken gingen door J. ten Napel 71 Vliegers in het vuur A. van Urk 77 Eenjoodse familie T. van EerdeSnoek 83 Razzia op Urk (verhaal voor dejeugd) S. Snoek 87 Toen de klokken zwegen A. van Urk 93 Van boten en beschietingen A. van Urk 99 Hetjaar van de bevrijding T. de Vries 105 De mensen achter de straatnamen S. Snoek (door het boek verspreid) Epiloog M. Bogerd 113 Gedicht Geraadpleegde bronnen en fotoverantwoording

INHOUDSOPGAVE
5

Urk in oorlogstijd. Dat kan natuurlijk niet in vijftien hoofdstukken van een boekje allesomvattend worden beschreven. Dat hoeft ook niet.

De mensen van nu, die vijftig jaar geleden de bevrijding mochten meevieren, hebben die oorlogstijd welhaast onuitwisbaar op hun netvlies. Bij het lezen van dit boekje zullen herinneringen bij hen boven komen. “Ik weet nog...”, “Ik herinner mij...”. Soms zullen het verdrietige dingen zijn, die boven komen. Er zijn offers gebracht. Er is geleden onder hetjuk van de vijand. Gelukkig mag dat verdriet, die pijn, nu omkranst zijn door vijftig jaar vrijheid. Want anno 1995 vieren we een halve eeuw bevrijding.

Echter, ook voor onzejongeren zal dit boekwerkje zijn betekenis hebben. Onze jeugd heeft de oorlog niet zelf meegemaakt. Zij kennen slechts broksgewijs de verhalen van ouders of grootouders. Ook zij moeten echter doordrongen zijn en blijven van de noodzaak te strijden tegen onrecht.

Ik prijs de initiatiefnemers en de schrijvers voor de gekozen thematische aanpak. Beschrijving van die thema’s was geen eenvoudige opgave. Veel speurwerk moest worden verricht, veel verspreid aanwezige informatie moest leesbaar worden gebundeld. Bijbehorende foto’s moesten worden opgespoord. Slechts een deel van wat zij hebben aangetroffen, kon in dit korte tijdsbestek leesbaar worden aangereikt in dit boekwerkje. Daarbij moesten keuzes worden gemaakt.

Zij zijn op hun zoektocht stille helden tegengekomen, die met creativiteit en gevaar voor eigen leven tegen onrecht streden. Slachtoffers van de onderdrukkers trokken aan hun ogen voorbij. Ook werden zij herinnerd aan dorpsgenoten die een verkeerde keuze maakten, waarvan nog de littekens worden gedragen.

‘Van bezetting en bevrijding’ bevat een deel van de Urker geschiedenis. Maar het is veel meer dan een geschiedenisboek. Het boek nodigt uit tot herdenken en gedenken. Ik kan het niet

WOORD VOORAF
7

beter zeggen dan onze Koningin Beatrix het in haar kersttoespraak van 1994 onder meer verwoordde: “Hetjoodse volk heeft vanouds aan herdenken en gedenken bijzondere aandacht gegeven. Wanneer kinderen vragen naar de zin van de wetten die God de mensen heeft opgelegd, dan is het antwoord dat eens, na de redding uit de slavernij, God met deze regels richting gaf aan het leven in vrijheid. Zo worden de normen van waaruit mensen mogen leven, verbonden met bevrijding uit onderdrukking. Wat steun gaf in kwade dagen, is ook in goede tijden een houvast. Evenzo reikt ons bet verleden vandaag de toetsstenen aan die we nodig hebben om te blijven onderscheiden tussen ‘goed’ en ‘fout’. Of wij dat morele besef nu wel of niet verbinden met geloof in God, bevrij¬ ding kan niet los gemaakt worden van de normen die het mense1ijk bestaan waardigheid geven. Wie vrij wil zijn, moet de strijd aangaan tegen het onrecht”.

S. Veninga,

8

De tijd tussen bezetting en bevrijding is geen geheel op zichzelf staande periode.

Als wij nagaan wat er in de oorlogsjaren op Urk gebeurde, moeten wij om dit alles goed te kunnen begrijpen kort aandacht besteden aan wat eraan voorafging en ook aan wat er op volgde.

Na 1890 maakte het eiland Urk een snelle ontwikkeling door. Er kwam een vaste bootverbinding Kampen-Urk-Enkhuizen, dagelijks heen en terug, die het isolement verminderde en aan de bevolking meer mogelijkheden bood.

In 1905 werd een gemeentelijke visafslag in gebruik genomen, wat de vissers ten goede kwam. Tien jaar later begon de motorisering van de houten bottervloot.

De plannen om de Zuiderzee door een zware dijk af te sluiten, namen door de watersnood van 1916 vaste vormen aan en de vis¬ sers gingen daarop in door het areaal van hun activiteiten te vergroten. In twintigjaar tijd waren de zeilschepen zo goed als verdwenen. Urk had (in tegenstelling tot andere Zuiderzeeplaatsen) ingespeeld op de uitdaging van de toekomst.

Helaas brak toen een internationale financiele crisis uit, die vele jaren duurde, en vooral voor de vissers en dus voor Urk catastrofaal dreigde te worden. Werkverschaffmg en werk aan de Afsluitdijk en de komende polderdijken hielpen om te overleven.

De Afsluitdijk ging op 28 mei 1932 dicht en de Zuiderzee was dood. Maar goed, de vissers konden op de Noordzee blijven vissen, al werd er te weinig verdiend om de bedrijven en vismethoden grondig te renoveren. De wil was er wel, maar het bleef bij een aantal pogingen, die toch wel veelbelovend waren voor geval er betere tijden zouden aanbreken. Gelukkig bevatte het Ijssel¬ meer ook geen dood water, maar leverde baars, snoekbaars, pos en paling. Het leek weer goed te zullen gaan...

Helaas, de gevreesde oorlog brak uit en daarin beleefde Urk een

INLEIDING
9

ongekend dieptepunt. Het werd erger dan afsluiting, inpoldering en malaise hadden kunnen bewerken. Urk verloor zijn vloot die door de bezetters gevorderd werd om elders dienst te doen. En het eiland was weliswaar geen eiland meer, maar toch tien jaar lang (van 1939 tot 1948) verstoken van ontgonnen achterland en begaanbare wegen. Vanaf april 1945, toen ze bevrijd waren, stonden de bewoners dan ook te trappelen van ongeduld en energie om opnieuw te beginnen. Dat laatste was, na al de geincasseerde tegenslagen, eigenlijk al het wonder van Urk. De frisse moed en energie zorgden voor de opbloei na alle ellende. Veel schepen werden weer teruggevonden, er werden nieuwe schepen gebouwd en nieuwe methoden ontwikkeld.

Tegen de verwachting van velen, kwam Urk er na drie diepe dalen toch weer bovenop.

In dat licht kan de oorlogstijd, hoe vreselijk ook, worden gezien als een door- en overgang tot de voorspoedige halve eeuw die volgde.

In dat opzicht dient ook psalm 124 blijvend te worden gezongen.

10

Het jaar 1939 kenmerkt zich door spanning, onzekerheid en dreiging. Internadonaal neemt de spanning toe. Bohemen en Moravie worden door de Duitsers bezet. Later vallen de Duitsers Polen binnen. Engeland en Frankrijk verklaren Duitsland de oorlog. Daarna worden Noorwegen en Denemarken bezet.

Ook in ons land sdjgt de spanning. Er worden voorzorgsmaatregelen getroffen. Een algemene mobilistaie (kosten: 36 miljoen gulden per maand) wordt afgekondigd. Generaal J.H. Rijnders wijst de regering op tal van gebreken, vooral op materieel gebied. Uit een op de acht gezinnen is vader of zoon van huis. Waar hij zich bevindt, is onbekend. Op het Ijsselmeer verschijnt een marine flotdelje om ondersteuning aan de IJssellinie te geven. De flottielje bestaat uit twee oude kanonneerboten, een torpedoboot en acht bewapende motorboten. Deze marinevloot moet verhinderen dat de Duitsers het Ijsselmeer oversteken. Regelmatig doen deze boten, in het jaar voor de oorlog, Urk aan.

Licht uit Ook op Urk (4.079 inwoners) is de oorlogsdreiging merkbaar. Diverse plaatsgenoten zijn opgeroepen voor de grens- en kustbewaking. De Urker vloot kan niet meer varen waar ze wil. Distributiemaatregelen worden opgelegd. Waarschuwingen gaan uit tegen het hamsteren van goederen. Het oorlogsbrood (voorzien van aardappelmeel) verschijnt. De inwoners krijgen instructies hoe gehandeld moet worden in tijd van nood. Het verdient aanbeveling een partij zand bij de hand te houden. Er wordt echter niet bij vermeld hoe de bevolking daaraan moet komen en waar het gestort moet worden.

Na enkele proeven wordt de alarmsirene afgekeurd. De sirene is niet op het gehele eiland te horen. Er verschijnt een nieuwe sire¬ ne op het raadhuis. De ingebruikstelling wordt niet afgekondigd. De sirene doet het echter goed, want het angstaanjagende gehuil veroorzaakt grote paniek en onrust onder de bevolking.

HETJAAR
VOOR DE OORLOG
11

Het oude gemeentehuis

De verduisteringsproeven leveren geen problemen op. De meeste inwoners draaien gewoon het licht uit en gaan de straat op! Dat dit met de bedoeling is, wordt in de volgende officiele mededeling bekendgemaakt.

12

Bidstond

Op Urk leeft de bevolking mee met het Koninklijk Huis. Het veertigjarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina wordt meegevierd. Er is blijdschap bij de geboorte van prinses Irene (haar naam betekent ‘vrede’).

De feestelijkheden op Koninginnedag gaan echter, ‘gelet op de tijdsomstandigheden’, op initiatief van het bestuur van de Christelijke Oranjevereniging, niet door. Huis aan huis wappert wel de nationale driekleur. ’s Avonds is er een ‘wijdingssamenkomst’ in de Bethelkerk. Sprekers zijn Ds. E. van Wieringen, Ds. E. du Marchie van Voorthuijsen, Ds. W. Doorenbos en Ds. K.S.G. Zijlstra. De kerken op Urk geven in het vooroorlogse jaar aandacht aan de oorlogsdreiging. Regelmatig wordt er een ‘bid¬ stond voor de vrede’ gehouden.

Op de vuurtoren waken ‘onze mannen’, dag en nacht, over de veiligheid van de inwoners.

Gemeentebestuur

In 1939 is een nieuwe gemeenteraad gekozen, die wat samenstelling betreft in belangrijke mate afwijkt van de vorige gemeente¬ raad. De samenstelling van de nieuwe raad is: M. Kramer, T. Visser, D. Gnodde (AR); A. Keuter.Jac. Nentjes (SGP);

- A. Hakvoort.J. Bakker (Visserijpartij); - K. Koffeman, J.M. ten Napel (Comite voor Gemeentebelangen);

A. de Wit (CHU); -K.de Boer.

Tussen A. Hakvoort enJac. Nentjes moet geloot worden. A. Hakvoort valt buiten de boot. In zijn plaats komt L. Kamper in de raad. Tot wethouders worden M. Kramer en A. de Wit gekozen. Tot het begin van de oorlog komt de gemeenteraad maandelijks bijeen onder de bezielende leiding van burgemeester G. Keijzer.

Koppengeld

Op het politieke erf is er overigens niets nieuws onder de zon. Burgemeester G. Keijzer (die in 1939 als eerste burgemeester de zilveren ambtsketting draagt) schrijft in 1940 over zijn gemeente¬ raad onder meer het volgende: “Ik heb in deze gemeente vaak het verschijnsel opgemerkt, dat men als een riet door den wind heen en weer bewogen wordt. Vatidaag moet het zus en morgen

13

zoo. Dit mag nu een voor het visschersbedrijf onmisbare houding zijn, bij bestuurszaken past evenwel het tegendeel. Daar is vastheid van koers geboden om een beteekenisvol doel te bereiken”.

In het vooroorlogsejaar vindt de gemeenteraad een belasting uit om aan nieuwe inkomsten te komen, met de wat onpersoonlijke benaming ‘koppenbelasting’. Elke vreemdeling die Urk bezoekt, moet koppengeld betalen. De minister vindt dit toch wel iets te ver gaan en steekt er een stokje voor. De verordening wordt door de Kroon vernietigd.

Urk bij Holland

De gemeenteraadsvergaderingen worden gekenmerkt door de steeds terugkerende discussies over de woningnood en de toekomstige positie van het eiland Urk. In 1939 wordt Urk door het vaste land omarmd en de vraag rijst: bij welke provincie zal Urk worden ingedeeld? De gemoederen raken verhit. Eerst wordt afgezet tegen Overijssel (“liever Urk afgraven dan Overijsselaar worden”). Er wordt een pleidooi gevoerd om Urk bij Noord-Holland te laten blijven (“wij zijn Hollanders in hart en nieren. Urk bij Holland!”). Ook Fries bloed stroomt er op Urk (“Fryslan Boppe”). Het is ernst. De nieuwe bestuurlijke indeling wordt vergeleken met de militaire situade: “Niet praten, maar gereed om der

14
G. Keijzer, burgemeester in oarlogstijd.

Vaad’ren erve tot het uiterste te verdedigen, zij het parool”. Urk bij Holland, dat is de wens van de bevolking. En als het niet anders kan: bij Friesland.

Dokter gewond De medische zorg is in vakkundige handen van dokter A. Vonk. Door de Zuiderzeewerken heeft hij het druk. Regelmatig gebeurt er een ongelukje. Ook bij de sluisput wordt hij diverse malen gesignaleerd als eerste hulp. Zelf komt hij er ook niet zonder kleerscheuren af. Eerst raakt hij verward in een prikkeldraadversperring en later, na een zwempartijtje, struikelt hij en raakt aan zijn hand ‘ernstig gewond’.

Enkele inwoners maken bij de inspecteur der volksgezondheid bezwaar tegen het feit, dat er op Urk maar een arts is. Zij wijzen de inspecteur er op, dat wettelijk is bepaald dat een arts op de 1.400 zielen het maximum is. De roep om uitbreiding vindt echter geen gehoor.

Het aantal kinderen dat geboren wordt, stijgt over de honderd perjaar. De geboorte-afkondigingen staan onder de veelzeggende kop ‘Urk vooruit’ in de krant. Spoedig wordt op Urk de roep om een tweede verloskundige gehoord. In reactie hierop schrijft de ‘Oprechte Urker’: “Evenmin als er een tweede gemeentearts benoemd kan worden, zal er ook geen sprake zijn van een twee¬ de gemeentevroedvrouw te benoemen”.

Aan de oproep bloed te geven wordt goed gehoor gegeven. Dokter Vonk en zijn assistenten hebben hun handen vol.

Gezag

Het plaatselijke politiekorps verdubbelt. Gemeenteveldwachter en brigadier W. Kok krijgt er een collega bij: de jeugdige rijksveldwachter H. Greven. Dit tweetal handhaaft op voorbeeldige wijze de openbare orde. Niet altijd met zachte hand, want het gelukt de jeugd regelmatig om de gummilat van de broeksriem te krijgen. Er vallen dan rake klappen. De provocaties van de jeugd zijn zeer tot ongenoegen van de burgemeester. Hij klaagt daarover in zijn nieuwjaarsrede. Ook stelt hij de ondermijning van het gezag door ouderen (het zich niet houden aan wetten en verordeningen) aan de orde. Niet aan de persoon van de gezagsdrager behoort eerbied te worden bewezen, zo betoogt burge¬ meester G. Keijzer, “maar aan het gezag, waarmee hij bekleed is. Dat gezag komt niet uit den mensch, maar uit God, Die de Sou-

15

verein is van al het geschapene. En in Zijn naam wordt door de aardsche machten geregeerd”.

“Ik wilde wel”, zo vervolgt de burgemeester, “dat velen onzer burgers hier wat meer van doordrongen waren. Zoo gemakkelijk probeert men zijn eigen wetten te volgen, die vaak dwars ingaan tegen het gebod van de overheid. Dat strekt tot schade van de overtreder zelf, maar ook het gemeentebelang is daarbij niet gebaat”.

Een barre tocht

De nieuwjaarsoproep van de burgemeester blijkt weinig indruk te hebben gemaakt. Veertien dagen later moet hij, in opdracht van de legerleiding in Den Haag, in actie komen. Vele jongens, die op Urk met verlof zijn, verzuimen terug te keren naar hun mobilisatiebestemming. De Urker jongens voelen er niets voor over het gevaarlijke ijs of over de pas aangelegde gladde dijk van Urk te vertrekken. De officiele aandrang van de burgemeester verandert in deze situatie weinig. Door het landen van een vliegtuig op het Urker weiland komt er verandering. Uit de vliegmachine springen acht man van het Korps Politietroepen, die de verlofgangers manen zich gereed te houden.

De dag daarop vertrekken de 49 Urker soldaten en matrozen, geescorteerd door de militaire politie, lopend richting Lemmer. Het is guur koud. De thermometer wijst achttien graden onder nul aan. De mannen maken een barre tocht mee. Jan Loosman, beter bekend als Koen van de Torenwachter, keert per ijsvlet terug. Hij valt onderweg neer en heeft een dag nodig om weer bij zijn positieven te komen. De anderejongens marcheren langzaam voort over de smalle dijk. De opgehoopte sneeuw vertraagt het marstempo. Dassen en zakdoeken worden om de oren gedaan en kragen opgezet. Bij een poging om een teug uit de veldfles te nemen, djdens de vijf minuten durende rust, blijkt de stop door de vorst onwrikbaar vastgevroren te zijn. De ledematen beginnen te bevriezen. Diverse militairen krijgen koorts. Er wordt geen woord gesproken en geen lach gehoord. De ijskoude wind martelt de mannen. Precies zeven uur lang. Dan zijn de mannen in Lemmer. Per uur hebben zij drieeneenhalve kilome¬ ter afgelegd. In het tramstation te Lemmer komen de mannen weer tot leven. Tijdens de tramreis naar Heerenveen in een behaaglijk verwarmd rijtuig keert de spraak terug. Op het station in Heerenveen ontbindt de groep zich en gaat ieder met de trein naar zijn mobilisatiebestemming.

16

Winter 1940. Urker militairen op weg naar Lemmer over de besneeuwde dijk.

Dijkwerkzaamheden

De Zuiderzeewerken gaan in het vooroorlogse jaar gestaag door. De dijk tussen Lemmer en Urk wordt op 3 oktober 1939 gedicht. Urk is op dat moment schiereiland.

De afwerking van de dijk vraagt veel aandacht. Diverse ongevallen vinden bij de dijkwerkzaamheden plaats. De ‘Oprechte Urker’ doet daarvan regelmatig verslag.

In de aprildagen van 1940 loopt het locomotiefje van de NV Zanen & Verstoep uit het spoor en slaat over de kop bij de dijk neer. De machinist kan ternauwernood het vege lijf redden.

De basaltblokken voor de dijk worden door een luchtspoorbaan aangevoerd. Op een gegeven ogenblik schiet het karretje dat de stenen vervoert, met de bestuurder naar beneden, achtervolgd door een regen basaltblokken. Wonder boven wonder kruipt Grubbelt Brands ongedeerd tussen de basaltblokken uit.

Een paar dagen later treft hij het slechter. Terwijl hij onder in een schip staat, komt plotseling de grote laadbak, die door onbekende oorzaak losschiet, op hem af. Met een geweldig geraas stort de bak neer en uit het ruim stijgt een ijselijk gebrul op. Uiteindelijk valt de lichamelijke schade nog mee. Grubbelt komt er

17

met enkele gekneusde ribben en schouders van af.

Het duurt nog een jaar eer Urk met het vasteland van Overijssel wordt verbonden.

Zwijgen opgelegd

In de begindagen van mei stijgt de spanning op Urk. Met instemming wordt naar de rede van Koningin Wilhelmina geluisterd om “den vaderlijke erve te verdedigen”. De burgemeester kondigt, uit naam van de opperbevelhebber van de strijdkrachten, af, dat vijandelijke personen indien deze op het eiland worden gesignaleerd onmiddellijk aan de politie moeten worden overgeleverd. Ook mag iedereen die zich “welwillend uitlaat over de Duitschers of hun leider het zwijgen worden opgelegd”. De bri¬ gadier moet direct worden gewaarschuwd. “Aarzel niet, maar stel deze verraders direct aan de kaak”.

Het is verboden meer in te kopen dan voor een dag nodig is. De prijzen mogen niet worden verhoogd. Een forse straf wordt in het vooruitzicht gesteld bij overtreding van deze maatregelen. De verduistering is van kracht en huis aan huis worden de laatste instructies, door middel van een circulaire, door de burgemees¬ ter gegeven. “Weest kalm en toon u niet nieuwsgierig, maar volg alle bevelen onmiddellijk op”.

Pinksteren

‘Grensoverschrijding bij Kerkrade en Vaals’. Om tien minuten voor vier, in de vroege morgen van 10 mei 1940, is dit het eerste bericht dat bij het Hoofdkwartier van de Generale Staf van het Nederlandse leger binnenkomt. Het houdt in, dat de Duitsers, zonder enige voorafgaande waarschuwing en zonder enige aanleiding, Nederland overvallen. Als dieven in de donkere nacht...

Voor wie nog denken mag aan een vergissing, is de twijfel spoedig voorbij. Over het gehele land vliegen grote groepen Duitse vliegtuigen. Zij werpen hun bommen op vliegvelden en kazernes. Uit honderden transportvliegtuigen springen duizenden zwaar bewapende parachutisten om het westen van het land zo snel mogelijk te bezetten. Sterke Duitse troepen trekken over de oostgrens. Nederland is in oorlog.

Ook op Urk worden de vijandelijke vliegtuigen waargenomen. Zorg over de mannen aan het front, onzekerheid en spanning beheersen het beeld van de zaterdag voor Pinksteren. In tegenstelling tot anderejaren is het deze zaterdagavond opvallend stil.

18

Ook de zondag is ongewoon. De dorpsomroeper gaat rond met de boodschap dat om vijf uur kerk zal worden gehouden. Door afwezigheid van bijna alle mannen (de vloot is naar Amsterdam vertrokken op bevel van het militaire gezag) zijn de kerkgebouwen half leeg, in tegenstelling tot andere Pinksterzondagen.

Gods zorg

Alle verbindingen met de buitenwereld zijn verbroken. Alleen de dijk vanuit Lemmer geeft nog toegang tot het eiland.

De mannen van de Urker luchtwacht zijn opgeroepen om het vliegveld bij Bergen te verdedigen. In de nacht van zaterdag op zondag zijn zij vertrokken. Gelukkig mogen zij alien de luchtaanvallen overleven.

Het leven van Koningin Wilhelmina loopt gevaar. In Hoek van Holland gaat ze aan boord van een Engelse torpedojager. Als het schip nog maar nauwelijks op zee is, verschijnt een escader Duitse bommenwerpers boven de boot en als hagelstenen vallen de bommen naar beneden. Weten de Duitsers wie zich aan boord bevindt? Niet een van de bommen treft echter doel. God, de Heere, beschermt onze Koningin. De band God, Nederland en Oranje blijft bestaan.

Dispereert niet

Op 14 mei 1940, na een schandelijk bombardement door de Duitsers op Rotterdam, capituleert het Nederlandse leger. Een pijnlijke beslissing voor een moedige bevelhebber. De verliezen zijn groot. De strijd wordt echter voortgezet, nu vanuit Engeland, waar ook Koningin Wilhelmina is.

Ontroerend zijn haar woorden na de capitulatie. In alle leed en verdriet wie van de Urker soldaten zal in de strijd zijn gebleven? wordt kracht door haar gegeven.

Vanuit Engeland spreekt ze het Nederlandse volk de volgende woorden toe: “Onze harten gaan uit naar onze landgenoten, die liarde tijden zullen doormaken. Maar Nederland zal zijn gehele Europese grondgebied eenmaal met Gods hulp herwinnen!

Herinnert u de rampen uit vroeger eeuwen, waaruit Neder¬ land is herrezen. Zo zal het u ook ditmaal gaan. Dispereert niet!”

19

Pieter Brouwer

Geboren 22 november 1919 op Urk

Overleden in mei 1945 in kamp Neuengamme, Duitsland

Piet Brouwer werd op 28 oktober 1944 door de SD gearresteerd, verdacht van diverse verzetsactiviteiten.

Met het laatste transport vanuit Amersfoort werd hij naar Duitsland gevoerd. Daar werd hij als ‘Nacht-und-Nebe141aftIing’ samen met anderen van kamp tot kamp gedreven, tot hij uiteindelijk in Neuengamme terechtkwam. Op 2 mei 1945 kwamen de Amerikanen het kamp bevrijden. Voor de jonge Piet kwam de bevrijding te laat; kort daarna is hij aan de gevolgen van dysente¬ ric overleden. Evenals zovelen was hij het slachtoffer van de geleden ontberingen in de Duitse concentratiekampen. Op 30 mei 1945 werd hij in Ludwigslust begraven, ver van zijn vrouw en familie, die pas op 11 januari 1946 de droeve tijding van zijn overlijden ontvingen.

Naar deze jonge verzetsheld Pieter Brouwer is op Urk een straat genoemd.

20

“Als een orkaan is de oorlog over ons gekomen”, schreef de ‘Oprechte Urker’ op 25 mei 1940 in een terugblik op de oorlogsdagen.

Een rake typering, maar die oorlog was elders in Europa al maanden aan de gang. We zetten de gebeurtenissen in vogelvlucht uiteraard even op een rijtje.

Voorspel

Op 1 September 1939, ’s morgens in alle vroegte, valt Duitsland Polen binnen. Twee dagen later, op 3 September, verklaren Engeland en Frankrijk de oorlog aan Duitsland.

Op 9 november 1939 worden in Nederland alle verloven ingetrokken. Er zijn namelijk berichten dat Duitsland op 12 novem¬ ber zal binnenvallen. Die berichten blijken afkomstig van een Duitser: Hans Oster, kolonel bij de Abwehr van de Wehrmacht. Hij speelt zijn informatie door aan de Nederlandse militaire attache in Berlijn, majoor G.J. Sas. Veertigduizend militairen moeten naar hun kazernes. Uit voorzorg wordt het terrein voor de Grebbelinie onder water gezet. Tweeduizend mensen moeten daarom hun woning verlaten.

Die aanval gaat niet door, maar was wel door Hider gepland: codenaam ‘Fall Gelb’. De mobilisatie van het Nederlandse leger was al op 28 augustus afgekondigd.

Op 9 april 1940 worden de Denen en de Noren door Duitse troepen aangevallen en een maand later zijn de lage landen aan de zee het slachtoffer van de Duitse agressie. Op 10 mei 1940 vallen Duitse troepen Nederland, Belgie en Luxemburg binnen.

Werkelijkheid

De vrijdag voor Pinksteren, op 10 mei 1940 om 3.10 uur, overschreden Duitse troepen de Nederlandse grens bij Nieuweschans en Waubach. Zij vormden de voorhoede van een aanval die weldra over de hele lengte van de grens werd ingezet. Het tot dan toe neutrale Nederland was in oorlog.

Vanaf 3.55 uur, bij het aanbreken van de dag, werden luchtaanvallen uitgevoerd op Nederlandse vliegvelden in het westen.

DE MEIDAGEN VAN 1940
21

Luchtlandingstroepen werden neergelaten op de vliegvelden Valkenburg, Ypenburg en Ockenburg bij Den Haag, bij de Waalhaven in Rotterdam en de Moerdijkbruggen. De opdracht van Duitse zijde om de regering en de koninklijke familie gevangen te nemen mislukte echter.

In Rotterdam kregen de Duitsers de Maasbruggen in handen ondanks felle tegenstand. De bruggen bij Dordrecht en Moerdijk gingen eveneens verloren.

Toch was de toestand niet hopeloos te noemen. Onder meer gingen veel vijandelijke vliegtuigen verloren, wat later van invloed bleek op de slag om Engeland. In het verloop van de ‘Pinksteroorlog’ werden sommige vliegvelden door Nederlandse militairen heroverd, soms met behulp van soldaten die hun eerste opleiding nauwelijks achter de rug hadden. A1 met al werd er dapper tegenstand geboden door een relatief zwak leger met een sterk verouderde bewapening. Afgezien van modern luchtafweergeschut beschikte het Nederlandse leger over niet meer dan oude artillerie, deels uit de vorige eeuw afkomstig.

Waterlinie

Op de tweede dag van de oorlog braken Duitse troepen bij Mill (Noord-Brabant) door de Peel-Raamstelling en wonnen snel terrein in Noord-Brabant. Soldaten van de SS-Standarte Adolf Hit¬ ler bezetten de voorpostenstrook van de Grebbeberg.

Zondag, Eerste Pinksterdag, vertrokken prins Bernhard, prinses Juliana en de twee kleine prinsesjes Beatrix en Irene vanuit IJmuiden. Zij werden met de Britse jager ‘Codrington’ naar Engeland gebracht. Inmiddels was de Duitse aanval op de Greb¬ beberg tot staan gebracht, maar ’s avonds bereikte de vijand de Moerdijkbruggen.

Pinkstermaandag 13 mei vertrok Koningin Wilhelmina met de Engelse jager ‘Hereward’ vanuit Hoek van Holland naar Enge¬ land. De regering besloot nog diezelfde dag te vertrekken. Het regeringsgezag werd overgedragen aan de opperbevelhebber, generaal H.G. Winkelman, en de secretarissen-generaal van de departementen. Op de Afsluitdijk werd de Duitse opmars gestuit, maar de vijand brak wel door de Grebbelinie. De Nederlandse troepen trokken zich terug achter de Hollandse Waterlinie.

Op dinsdag 14 mei om half twee ’s middags werd het centrum

22

van Rotterdam door Duitse bommenwerpers gebombardeerd. Hoewel het bombardement slechts tien minuten duurde, was de schade enorm. Overal in de binnenstad braken branden uit. Vermoedelijk zijn er 900 burgers omgekomen (de schatting van het aantal slachtoffers lag aanvankelijk veel hoger). Het aantal vernielde huizen bedroeg 24.000. Toen de Duitsers ook Utrecht en andere steden dreigden te verwoesten, besloot generaal Winkelman tot capitulatie. Alleen in Zeeland werd de strijd voortgezet. De vijf oorlogsdagen hadden aan Nederlandse zijde ongeveer 2.200 militairen en bijna evenveel burgers het leven gekost.

23
H.M. Koningin Wilhelmina

Op Urk

Toen op 10 mei de oorlog uitbrak, was Urk al geen eiland meer. De dijk naar Lemmer werd gedicht op 3 oktober 1939. De Afsluitdijk, gedicht in 1932, had grote veranderingen veroorzaakt; de zoute Zuiderzee was veranderd in een zoet Ijsselmeer. Haring en ansjovis waren verdwenen en daarvoor in de plaats kwamen paling, pos en snoekbaars. De pessimisten, die voorspelden dat Urk aan ‘dood water’ zou komen te liggen, hadden geen gelijk gekregen. Integendeel, de IJsselmeervisserij begon tot bloei te komen.

De oorlogsdreiging werd beschouwd als iets wat zich buiten onze grenzen afspeelde. Nederland was neutraal en dat diende zo te blijven. En waren we ook in 1914-1918 niet buiten de oorlog gebleven?

Zeker, er werd meegeleefd met het dappere Finse volk, dat in strijd gewikkeld was met de Russische beer, maar van het Naziregime in Duitsland en de daarmee in het leven geroepenjodenhaat en -vervolging had men nauwelijks weet. En anti-Duits waren de Urkers ook al niet; de Boerenoorlog in Zuid-Afrika en het Engelse optreden daar lag bij velen nog in het geheugen. Urk was in de ban van het nieuwe: de Noordoostpolder zou weldra droogvallen en dat zou grote veranderingen brengen. Er werd gedroomd van een grote toekomst.

Stilte

Zo was de situatie op de dag dat de oorlog uitbrak. Toen het nieuws van de inval bekend werd, bracht dat grote schrik en ontsteltenis. Moeders en meisjes gingen plotseling beseffen dat hun mannen, zonen of verloofden wellicht in gevechten aan het front betrokken waren. Dat het achteraf meeviel (alle 150 Urker soldaten keerden behouden terug) doet hier niets van af; voorlopig heersten angst en onzekerheid. Zouden zij hun geliefden ooit weerzien? Weliswaar putten zij moed uit de aanvankelijk opdmistische radioberichten: de Duitse opmars zou zijn gestuit, veel vijandelijke vliegtuigen zouden zijn neergehaald (dat was waar), vliegvelden zouden zijn heroverd en de luchtlandingen bij Den Haag zouden zijn mislukt (ook dat laatste was waar). De werkelijke situatie was echter verre van rooskleurig.

Op de tweede dag bleef alles rustig. Te rustig, in aanmerking genomen hoe anders de zaterdag voor Pinksteren werd beleefd. Nu geen boten met vrolijk zwaaiende gasten, oud-Urkers ‘van de

24

wal’. De vloot was thuis, gelukkig, alleen van de UK 41 waren nog geen berichten. Alle werk aan de polder was stop gezet en in de sluisput werd het pompen gestaakt. Per circulaire werden door burgemeester G. Keijzer luchtbeschermingsmaatregelen afgekondigd. Er werd zand beschikbaar gesteld tegen brandgevaar na eventuele bominslagen. Verduisteringsmaatregelen werden van kracht.

Pinksteren

De volgende dag, zondag, is misschien wel de meest dramatische Pinksterdag uit de Urker geschiedenis. ’s Morgens vroeg werd door rijksveldwachter H. Greven bekend gemaakt, dat de vloot naar Amsterdam moest vertrekken. De legerleiding was, niet ten onrechte, bang dat Duitse troepen met de Urker botters zouden oversteken naar Noord-Holland en dat moest voorkomen worden. Alles wat varen kon, moest de haven uit. Vooral de zeilschepen ondervonden last van de harde wind. Een van de Urker boten voer langszij voor hulp. Wat niet varen kon, werd buiten de haven tot zinken gebracht. Als laatste vertrok de salonboot ‘Toerist’ met aan boord “eenige plaatsgenoten welke behoorden tot een bepaalde beweging, wier leden door de regeering gevaar-

H,K.H. PrinsesJuliana en Z.K.H. Prins Bernhard.
25

lijk werden geacht”, aldus de ‘Oprechte Urker’ (bedoeld werden NSB-ers, red.). Voor de ingang van de lege haven werden twee Rijnkasten tot zinken gebracht. De voorraden ijzer van de scheepswerven werden in de haven gedeponeerd.

Het zal duidelijk zijn, dat er van de kerkdiensten weinig of niets terechtkwam. Wei werd door de omroeper meegedeeld dat de middagdiensten zouden doorgaan (de morgendiensten wer¬ den niet gehouden), maar bij afwezigheid van zoveel mannen en jongens zullen die wel zeer matig bezet zijn geweest. De mannen van de luchtwacht waren zaterdagnacht al van Urk vertrokken.

Op Pinkstermaandag werd de haven definitief afgesloten met behulp van bakken van de Zuiderzeewerken. Alle verbindingen waren verbroken, telefoonverkeer was niet meer mogelijk.

In de loop van de dag kwamen er toch nog Pinkstergasten, zij het ongenode: drie Duitsers in een vlet. Wat zij kwamen doen, werd niet geheel duidelijk. Zij waren slechts enkele uren op het eiland.

Vlag gestreken

Nog steeds wapperde de Nederlandse driekleur boven de vuurtoren, maar toen op 13 mei de tweede groep soldaten op Urk arriveerde, een drietal, liet burgerwachtman Hoekstra de vlag dalen. Het was voor het op het Ijsselmeer liggende oorlogsschip het teken dat Urk bezet was.

Voorafgaande aan de bezetting was Christien Verstelle (zij was de vrouw van de eerste ambtenaar ter secretarie, Albert van Urk) vergezeld van de omroeper door het dorp gegaan. Na ieder belsignaal van de laatste stond mevrouw Verstelle sdl en raadde de bevolking dringend aan om kalm te blijven en geen onbezonnen acties te ondernemen. Vervolgens wees zij op wat er in het Belgische Dinant was gebeurd aan het begin van de Eerste Wereldoorlog. Schietende burgers waren daar standrechtelijk door de Duit¬ sers gefusilleerd. Het optreden van deze dame maakte op de Urker bevolking diepe indruk.

De gebeurtenissen volgden elkaar snel op. Op 14 mei kwamen ongeveer dertig Duitse soldaten naar Urk. T. de Vries beschrijft deze gebeurtenis in sobere bewoordingen (“Urk in oorlogstijd”, pag. 3): “Torenwachter Loosman werd met geweld uit zijn huis

26

gehaald en met een revolver in de rug gedwongen het postkantoor te wijzen. Op de toren werd de radio-installatie vernield en enige grote verrekijkers werden meegenomen. Andere belangrijke dingen waren tijdig veilig weggeborgen. De verlichting van de toren was voor het uitbreken van de oorlog al gewijzigd, om aan vreemde vliegtuigen geen aanknopingspunt te geven. Aan de buitenkant van de vuurtoren brandde toen een lantaarn”.

Bezet Het vrijheidslievende en zich zo graag onafhankelijk voelende Urk was bezet, het had letterlijk de vlag gestreken. De capitulatie

27
De vuurtoren in 1940

van het Nederlandse leger op 14 mei en het daaraan voorafgaande vertrek van Koningin Wilhelmina en haar regering naar Engeland werden met ongeloof en verbijstering eerst, met berusting en begrip later, verwerkt. Daarbij werden met instemming de woorden van de grijze hofprediker Ds. W.L. Welter geciteerd: “Neen, ’t was geen vlucht die U deed gaan, maar volgen waar God riep” (Anjerdag, 29juni 1940).

En dan: het had zoveel erger kunnen zijn, op Urk waren geen slachtoffers gevallen.

Niettemin viel nu het doek na vijf dagen strijd. Vijf bange jaren zouden volgen. De dichter J.C. Bloem bracht dit, in een inscriptie voor het monument op de Grebbeberg, treffend onder woorden:

Vijf dagen - en de vrijheid ging verloren. Vijfjaren en eerst toen werd zij herboren. Zo moeizaam triomfeert gerechtigheid. Aan dit besefzij deze grond gewijd.

28

LUCHTBESCHERMING

“Over de oorlogsdreiging hebben we maar niets geschreven. Dat maakt maar zenuwachtige menschen”. Een zin uit de ‘Oprechte Urker’ van 26 augustus 1939. Veel leuks was er ook niet te melden. Bij het ter perse gaan van het krantje moet de redacteur, Klaas Koffeman, geweten hebben van de voormobilisatie die daags daarvoor was afgekondigd. De oorlogsdreiging was acuut geworden, nu duidelijk werd dat Hider aan Tsjechoslowakije alleen niet genoeg had.

Waakzaam

Niet alleen het Nederlandse leger was paraat. Bovenop de vuurtoren spiedden de mannen van de Luchtwacht met hun verrekijkers naar overvliegende vliegtuigen. De Luchtwacht was een semi-militaire organisatie die uit vrijwilligers bestond. Velen van hen hadden eerder bij de Bijzondere Vrijwillige Landstorm gediend. De taak van de Luchtwacht bestond uit het waarnemen en herkennen van vliegtuigen en het melden daarvan. Omdat Nederland nog neutraal was, werd met alle mogelijkheden rekening gehouden. Vliegtuigherkenning was daarom van groot belang, zowel van Duitse als van andere mogelijk vijandelijke toestellen.

Hendrik Koffeman, oud-luchtwachter, weet zich nu, na 56jaar, nog veel uit die tijd te herinneren. We laten hem aan het woord.

“Op Urk bestond de Luchtwacht uit 24 manschappen, onderverdeeld in groepen van zes man. Commandant was Hendrik Snijder; groepscommandanten waren G. Heetebrij, G. Metz en J. ten Napel. De eerste oefeningen werden gehouden op de toren van het Kerkje aan de Zee. Later verhuisden we naar de vuurtoren. Na de Duitse inval in Polen werden we opgeroepen voor permanente bewaking. Inmiddels hadden we allemaal een uniform gekregen. Van tijd tot tijd moesten we naar Zwolle voor lessen en instructiefilms. Bij het uitbreken van de oorlog hadden we genoeg te melden, maar we konden onze informatie niet doorbellen naar het hoofdkwartier: de telefoonverbindingen waren

VAN LUCHTWACHT TOT
29

staan in de tekst vermeld. verbroken. Twee mannen, ik meen Johannes Kramer en Lub Hoekman, zijn toen met een bootje naar Enkhuizen gegaan voor nadere instructie. Zij kwamen terug met de order dat wij ons in Alkmaar moesten melden. We zijn toen met de boot naar Enk¬ huizen gegaan en vandaar verder naar Alkmaar. Dat was in de nacht van zaterdag op zondag. In Alkmaar kregen we te horen dat we in Amsterdam een korte opleiding voor de Aan- en Afvoertroepen zouden krijgen. Zo ver is het niet gekomen. Toen we op de dag van de capitulatie stonden aangetreden, kwam er een vrouw naar buiten die ons huilend vertelde dat het afgelopen was. Wij werden als krijgsgevangenen beschouwd, maar niet ge'interneerd. Na tien dagen konden we weer naar Urk terug”.

Tot zover het verhaal van Koffeman. Op de foto van de Lucht¬ wacht, in dit boek afgedrukt, zien we de volgende mannen: achterste rij van links naar rechts Lub Hoekman, Hendrik Koffe¬ man, Jan Gerssen, Abbe Hoekman, Hein Hagedoorn, Ab Koffeman, Jacob Loosman en Johannes Kramer. Middelste rij Lub Kramer,Jaap Bakker, Fokke Hoekman, Iede van Veen, Teun

De UrkerLuchtwacht in 1939. Foto coll. G. Wakker. De namen van de mannen
30

Kramer, Bertus Gerssen, Jan Oost, Hendrik Gerssen. Zittendjan ten Napel, Hendrik Snijder, Gerardus Metz en G. Heetebrij.

De Luchtbeschermingsdienst (LBD)

In September 1936 werd de ‘Nederlandsche Vereniging voor Luchtbescherming’ opgericht. Bij de start had deze vereniging driehonderd leden, in december 1939 waren dat er zestigduizend. Anders dan de Luchtwacht, die een militaire taak had, was de LBD in het leven geroepen voor de bescherming van de burgerbevolking.

De organisatie van de LBD verliep op Urk zeer traag en moeizaam. Dat lag zeker niet aan de redacteur van de ‘Oprechte Urker’. Wij telden in zijn krantje meer dan vijftig artikelen over dit onderwerp. Een vuriger propagandist kunnen wij ons nauwelijks voorstellen. Klaas Koffeman wist waarover hij schreef; als brandmeester bij de plaatselijke brandweer beschikte hij over de nodige informatie en ervaring.

Uiteindelijk kwam de LBD toch van de grond, zij het op last van hogerhand.

In het vooijaar van 1939 trad de dienst in werking met burgemeester G. Keijzer als hoofd. Hij was dat ambtshalve. Plaatsvervangend hoofd en dus feitelijk leider was Hendrik Brouwer Pzn., die voor deze funcde een cursus had gevolgd in Den Haag. Manschappen waren onder meer: Toon van den Berg, Harmen Kra¬ mer, Louwe Kramer, Roelof T. Oost, Pieter Pasterkamp en vele vrijwilligers.

De LBD was onderverdeeld in vijf diensten:

1. Waarschuwingsdienst

2. Ordedienst

3. Brandweer

4. Technische dienst

5. Geneeskundige dienst

De laatste dienst stond onder leiding van dokter A. Vonk.

Verduistering

Op 19 September 1940 werd een vaste wacht ingesteld en ondergebracht in het Witte-Kruisgebouwtje tussen het oude jeugdgebouw en de latere Amsterdamsche Bank aan het plein bij de Bethelkerk. De LBD moest onder andere toezicht houden op het nakomen van de sinds 1939 geldende verduisteringsvoorschriften. De ramen van de huizen moesten ’s avonds en ’s nachts

31

Roelof T. Oost en zijn vrouw Bet. namelijk afgeschermd worden met zwart papier. Dit om waarneming vanuit overvliegende vliegtuigen te verhinderen. Dat gaf natuurlijk de nodige problemen voor de bevolking, die zich in de Egyptische duisternis nauwelijks kon orienteren. Om toch enige herkenningspunten te hebben, werden de houten lantaarnpalen op ooghoogte wit geschilderd. Bij nadering van vlieg¬ tuigen werd luchtalarm gegeven door middel van sirenes, een op de Bethelkerk en een andere op Hotel Van Woudenberg.

Slachtoffers

Een aparte, moeilijke en uiterst delicate taak voor de mannen van de Urker luchtbescherming vormde het bergen van de omgekomen vliegers in het Ijsselmeer en de Noordoostpolder. Harmen Kramer, die zijn belevenissen op schrift stelde, heeft berekend dat er 175 omgekomen vliegers bij de polderdijken werden geborgen. Daarbij komt nog een klein aantal slachtoffers in de nog niet geheel drooggevallen Noordoostpolder, die zo verminkt waren”, aldus Kramer, “dat was ontzettend, armen en benen, schedels en rompen, en dan op een plaats waar nog veertig centimeter water stond, want de polder was daar nog niet droog”.

Het vervoer van de slachtoffers geschiedde doorgaans met paard

32

Harmen Kramer. en wagen. Op beide dijken moest worden gepatrouilleerd over een lengte van totaal 28 kilometer, veertien kilometer in elke richting. Een man die zich daarbij zeer verdienstelijk heeft gemaakt, was Roelof T. Oost, een onverschrokken Urker die in

33

de oorlog verscheidene onderduikers heeft gehuisvest en voortgeholpen. Dat diverse leden van de LBD betrokken waren bij pilotenhulp, mag nu vanzelfsprekend lijken, in de oorlog riskeerden helpers hun leven of wachtte hen, bij ontdekking en arrestatie, het concentratiekamp.

Begraven

Harmen Kramer, luchtbeschermer van het eerste uur, raakte in die functie steeds meer betrokken bij het verzet. Diverse geallieerde vliegers heeft hij naar de overkant gebracht. Hij en zijn beschermelingen reisden gewoon met de Urker boot naar Enkhuizen. Samen met Lub Hoekman bracht hij ook wel vliegers naar Amsterdam en de Zaanstreek. De firma Hoekman stelde voor deze tochten belangeloos een sleepboot ter beschikking. Kramer kreeg voor zijn verdiensten in de oorlog het Verzetsherdenkingskruis.

De aangebrachte gesneuvelde vliegers werden aanvankelijk op Urk ter aarde besteld. Op de oude begraafplaats naast het Kerkje aan de Zee zijn ruim twintig vliegers begraven. Hetjuiste aantal is, door gebrekkige registratie, niet te achterhalen. Na de oorlog zijn ze op diverse erevelden in Nederland herbegraven.

De eerste begrafenissen vonden plaats onder enorme belangstelling van de Urker bevolking. Later moest het in alle stilte gebeuren en nog weer later werden omgekomen vliegers naar Schellingwoude overgebracht.

34

Op 1 September 1939 viel Duitsland Polen binnen. Engeland en Frankrijk, de landen die Polen bijstand hadden beloofd, konden niet anders doen dan Duitsland op 3 September de oorlog verklaren.

Dit had direct gevolgen voor de visserij op de Noordzee. Grote visgebieden werden onveilig vanwege de door Engelsen en Duitsers gelegde zeemijnen. Ook werden de Nederlandse vissersvaartuigen niet ontzien door vliegtuigen en onderzeeboten. Voordat Nederland in oorlog was, werd een trawler uit IJmuiden, de IJM 85, gebombardeerd. Hierbij kwamen twee opvarenden om het leven. Op 12 april 1940 werd een Scheveningse logger, de SCH 15, door een onderzeeboot getorpedeerd. De opvarenden wer¬ den gered. In diezelfde periode zijn vier vissersvaartuigen op een mijn gelopen en vergaan.

In totaal zijn bij deze oorlogsongevallen 32 vissers om het leven gekomen. Hierbij waren geen Urkers betrokken.

Het normale visserspatroon was ontwricht. Veel visserijbedrijven hebben getracht op een andere wijze aan de kost te komen. Er zijn er geweest die met netten de snoekbaarsvisserij op het Ijssel¬ meer hebben uitgeoefend. Anderen hebben het met de raamkuil op de Waddenzee geprobeerd. Er zijn ook botter-eigenaren geweest die hun toevlucht zochten bij de Zuiderzeewerken, hetzij met sleepdienstwerkzaamheden of andere bezigheden.

Door de minder intensieve bevissing buiten het kustgebied kon de visstand weer toenemen. De kustvisserij werd beter en doordat er langs de Nederlandse kust geen mijnen gelegd waren, was het vissen daar betrekkelijk veilig. In het vootjaar van 1940 was dan ook bijna de gehele Urker vissersvloot op de Noordzee.

De oorlog

Toen de Duitse troepen Nederland binnenvielen, visten de meeste schepen dicht onder de kust. De snurrevaad-vissers visten bij Terschelling of in het Ketelgat. Een enkeling had zich wat verder uit de kust begeven. Nadat zij op 10 mei 1940 de IJmuider pieren

DE URKER VISSERIJ VAN 1939 TOT 1945
35

waren binnengelopen, werden de vissers gewaar dat Nederland met Duitsland in oorlog was.

In IJmuiden werd een aantal Urker botters door de Koninklijke Marine gevorderd. Zij moesten dienst doen als mijnenvegers en trachtten de afgeworpen magnetische mijnen tot springen te brengen. Daartoe moest een ijzeren bak, die onder stroom gezet was, met een sleepkabel door het vaarwater van de pieren worden gesleept. Ook binnen de sluizen van IJmuiden, op het Noordzeekanaal, werden deze handelingen met succes uitgevoerd. L. Kramer noemt in het Scheepsjournaal van de UK 202 vier houten botters die hierbij betrokken waren, namelijk de UK 16, de UK 96, de UK 144 en de UK 202.

De overige Urker schepen mochten die vrijdag 10 mei 1940 naar Urk vertrekken. Men had er toen nog geen idee van dat de Nederlandse verdediging zo snel in elkaar zou storten.

Louw Hoefnagel

In de ‘Oprechte Urker’ van 25 mei 1940 staat het verhaal van de aankomst van de UK 41 op dinsdag 14 mei 1940 voor de pieren van IJmuiden. De pieren waren inmiddels afgesloten door het laten zinken van het oude passagiersschip de Jan Pieterszoon Coen’. De bemanning van de UK 41 verliet in een roeibootje de kotter, Louw Hoefnagel aan zijn lot overlatend. Hoefnagel verliet op woensdag 15 mei de kotter en zwom naar de pier van IJmui¬ den, die hij na twee uur zwemmen bereikte. Door Duitse militairen werd hij op de wal geholpen. Van moeheid en pijn zakte hij in IJmuiden midden op straat in elkaar. Door omwonenden werd hij een huis binnengebracht. De volgende dag ontwaakte hij uit zijn verdoving. Met een roeiboot heeft hij toen de vis van boord gehaald en in IJmuiden verkocht.

Op donderdagmiddag was de pier zo ver opgeruimd dat de kotter, samen met een Deense houten kotter, naar binnen kon komen. Op zaterdagmiddag kwam op Urk bericht dat Louw in IJmuiden gezien was. De woensdag daarop kwam de koenejonge schipper weer op Urk, waar hij van alle kanten werd gelukgewenst.

Lege haven

Op Eerste Pinksterdag, 12 mei 1940, moest op bevel van hogerhand de totale Urker vloot de haven verlaten en zich naar Amsterdam begeven. Verschillende vaartuigen werden gesleept. In slechte staat verkerende vaartuigen liet men drijven. Vier

36

Urker bolters voor anker in Amsterdam. Op de achtergrond brandende olielanks in depetroleumhaven. (Foto K. Hoekstra) schepen gingen verloren, het waren de UK 63, 186, 193 en 214. De Urker havens boden die zondagavond een troosteloze, lege aanblik. Angstig vroegen de achterblijvende vrouwen zich af: “Zullen onze mannen, zullen onze zonen nog terugkeren?” De bemanningen keerden inderdaad terug. De schepen moesten, ten anker liggend, dienst doen als versperring tegen het landen van vliegtuigen op het IJ. Ondanks grote branden in de Petroleumhaven van Amsterdam (waar de schepen lagen) zijn de vaartuigen weer behouden in de haven van Urk teruggekeerd. Het verlies aan botters was beperkt. Een klein aantal reeds opgelegde bottertjes ging verloren.

Opnieuw vissen

Na de capitulatie zocht men weer naar mogelijkheden om de visserij voort te zetten. Twee bestuursleden van de Vereniging van IJsselmeervissers met mechanische kracht gingen bij de Duitse commandant in Amsterdam pleiten voor het vrijgeven van gasolie voor de vissersvaartuigen, zodat men weer zou kunnen vissen. Men kreeg de toezegging dat voor de visserij gasolie beschikbaar zou komen.

37

Omdat vissen op de Noordzee niet mogelijk was, heeft het bestuur van ‘Visserijbelangen’ aan de Duitse commandant op Urk verzocht het vissen op het Ijsselmeer mogelijk te maken voor Noordzeevissers. De Duitse commandant vond dit verzoek redelijk, en stelde daartoe een eigen visvergunning op. De vissers die op het Ijsselmeer wilden vissen en over een Nederlandse IJsselmeervergunning beschikten, moesten deze inleveren. Zij kregen daarvoor in de plaats een Duitse visvergunning. Voorzover bekend heeft bijna iedereen zijn Nederlandse vergunning ingeruild voor een Duitse. Van een visser is bekend dat hij een Duitse vergunning heeft geweigerd.

Half augustus 1940 zijn de Duitse vergunningen ingetrokken en moest men weer in het bezit zijn van een Nederlandse.

De UK 83

Omstreeks diezelfde tijd werd het vissen op de Noordzee weer in beperkte mate toegelaten. Eerst vanuit Scheveningen, later ook vanuit IJmuiden. De visserij vanuit Scheveningen was alleen over¬ dag toegestaan. Men moest voor zonsondergang weer in de haven zijn.

De visserij vanuit IJmuiden, met nachtpermissie, leverde hoge besommingen op. Deze visserij mocht echter alleen worden uitgeoefend door schepen met motoren van 80 pk en hoger. Deze nachtvisserij was, in verband met de mijnen, gevaarlijk. Omdat men verder uit de kust viste en meer dagen op zee mocht blijven, moest men een Duitse militair aan boord hebben. Dit was ook het geval met de UK 83, die vanuit IJmuiden de nachtvisserij uitoefende.

In de week van 10 tot en met 15 maart 1941 kwam de UK 83, na uitgevaren te zijn, niet meer binnen. De hotter is vermoedelijk op een mijn gelopen en met alle opvarenden vergaan. Uit een proces-verbaal van verhoor blijkt dat de Waterschout, de heer Rienk Warmoltz, drie opvarenden van de KW 104 te Katwijk heeft gehoord. De schipper, Arie Messemaker, heeft verklaard dat hij op maandagavond 10 maart met de KW 104, samen met de UK 83 en de UK 76, 23 mijl uit de kust van IJmuiden is gaan vissen. Die nacht was het mistig en hij heeft de beide andere schepen niet meer gezien. Dinsdagmorgen omstreeks acht uur kreeg hij een mijn in het net. Op een afstand van ongeveer zeven meter ontplofte deze mijn zonder schade te veroorzaken. In verband met de gevaarlijke situatie is hij toen een eindje zuidwest opgestoomd. De volgende dag, woensdag, zag men wrak-

38

hout drijven met nieuwe breuken. Ook zag men gebroken boeien, een vuil-grijs geschilderde kist en een nieuwe, geel geschilderde klomp met rode noppen drijven. Een der boeien werd opgevist en aan boord genomen. Een andere boei dreef te ver weg om op te vissen, dat was ook het geval met de andere voorwerpen. Noch op de boei, noch op andere voorwerpen werd enig kenteken waargenomen. Woensdagnamiddag te IJmuiden binnengekomen, vernamen zij dat de UK 76 reeds dinsdagmorgen binnengekomen was.

De UK 76 had, volgens de verklaring van de stuurman van de KW 104, Arend Messemaker, in de nacht van maandag op dinsdag een mijn in het net gehad, die ook ontploft was. Verder verklaarde Messemaker dat enige dagen later een zekere A. van der Steen uit IJmuiden bij de KW 104 aan boord kwam, welke met stelligheid volhield dat de opgeviste boei, alsook de andere omschreven voorwerpen, afkomstig waren van de UK 8S. Deze man kon het weten, want hij had op de UK 83 gevaren.

Dejongste opvarende van de KW 104, Jan Varkevisser, oud 16 jaar, gaf aan het slot van zijn verklaring de volgende conclusie: “Gezien deze omstandigheden is het wel aan te nemen dat de UK 83 op een mijn is gelopen en gezonken. Een andere omstandigheid waardoor dit schip is vergaan, is haast onmogelijk. Het weer was alle dagen goed. Storm hebben wij in het geheel niet gehad”.

Op 11 augustus 1941 vermeldt L.J. Kramer in zijn scheepsjournaal dat bekend was, dat er een koffertje met kleren van een van de opvarenden van de UK 83 door een stoomtrawler was opge¬ vist. Een bericht van dezelfde strekking stond op 22 augustus 1941 in ‘De Visserijwereld’.

Dit ongeval zette een grote domper op de nachtvisserij. De Urker schepen hebben daarna niet meer aan deze visserij deelgenomen. Zij schakelden over op de snurrevaad-visserij, die bij dag moest worden uitgeoefend.

Noordzeevisserij

De Noordzeevissers verdienden aanmerkelijk meer dan hun collega’s op het Ijsselmeer. Na het paling-kuilseizoen vertrokken alle botters met een motorvermogen van 20 pk en hoger naar de Noordzeehavens om deel te nemen aan de Noordzeevisserij. In december 1941 waren dan ook alle gemotoriseerde schepen van Urk voor IJmuiden aan het vissen in de dagvisserij. ’s Morgens eruit, ’s middags weer naar binnen.

39

In hetjaar 1942 werd door Urker motorbotters vrijwel alleen op de Noordzee gevist. De zeilvloot en de hoekwantvissers visten op paling.

Het vissen met de motor werd vanwege de olieschaarste steeds moeilijker. Er werd wel clandestien olie gekocht. De risico’s daaraan verbonden, waren niet mis. Er waren geheime aanlegplaatsen waar kon worden geladen. Sommige motoren waren in staat om op carboleum te draaien. Men kon een dergelijk vaartuig al van verre zien vanwege een enorme zwarte rookpluim. Op verschillende schepen ging men er toe over om een gas-generator, die gas uit kolen haalde, te installeren. Aan de bediening van deze generatoren was veel werk verbonden.

Het jaar 1943 was voor de meeste Noordzeevissers een moeilijk jaar. De vloot werd steeds kleiner, doordat steeds meer schepen door de Duitse bezetter in beslag werden genomen. Men moest zich na zo’n inbeslagname maar zien te redden. Steeds meer vissers zochten hun toevlucht op het Ijsselmeer of elders, de Waddenzee bijvoorbeeld. Sommige vissers waren in de gelegenheid een ander schip te kopen of te huren. Zij hadden geluk.

40
Haven met visafslag in 1942. (Foto Walkate Archief Kampen)

Visverbod

Het jaar 1944 werd het jaar waarin, als gevolg van de invasie in Frankrijk, de visserij op de Noordzee verboden werd. Later werden ook de kolen schaars, zodat alleen nog voor de zeilen gevist kon worden. Het Ijsselmeer bood de slechtst mogelijke oplossing. Vis was tegen normale prijzen niet meer te krijgen. Men moest wel familie in de visserij hebben om aan een maaltje te komen. Geld werd steeds minder belangrijk. De ruilhandel vierde hoogtij. Schaarse artikelen zoals tabak, koffie of thee, waren met geld praktisch niet meer te koop. Onderling werd dan ook veel geruild.

Zo naderde hetjaar 1945. De IJsselmeervisserij had nog niet veel opgeleverd. Veel vissersschepen hadden deelgenomen aan de voedselvoorziening voor het westen van Nederland. De hongerwinter was daar bar en boos geweest. Gelukkig hadden de vissers¬ schepen de nood daar enigszins kunnen lenigen.

Op 17 april 1945 kwam voor Urk de bevrijding. Vijf angstige oorlogsjaren waren voorbij. Urk kon weer beginnen aan de opbouw van zijn gehavende en weggeroofde vissersvloot.

41

Pieter Hakvoort

Geboren 1 mei 1886 op Urk

Overleden 22 december 1944 in kamp Neuengamme, Duitsland

Pieter Hakvoort werd voor het eerst met het verzet geconfronteerd toen een joodse jongen, die Jaap werd genoemd, bij hem werd gebracht. Aan Pieter werd gevraagd om deze jongen onderdak te bieden. Dat gebeurde, en omdat Jaap goed Engels sprak, kon hij als tolk optreden toen de familie Hakvoort Engelse en Amerikaanse vliegers eveneens onderdak verleende. Door gastvrijheid aan laatstgenoemden te betonen, werd de familie Hakvoort steeds meer bij verzetsactiviteiten betrokken. Hun woning, Wijk 1-20, was een waar ‘doorgangshuis’ voor diverse vliegers. Zij werden via de Urker ondergrondse naar Enkhuizen doorgesluisd, om vervolgens op andere adressen in Noord-Holland te worden ondergebracht.

Pieter Hakvoort werd gearresteerd op 29 mei 1944. Via het kamp Amersfoort kwam hij uiteindelijk in het concentratiekamp Neuengamme in Duitsland terecht, waar hij op 22 december 1944 overleed. De officiele doodsoorzaak luidde: “Durchfall mit Korperschwache”.

Zijn stoffelijk overschot werd na de oorlog op Urk herbegraven. Als eerbetoon aan deze onverzettelijke verzetsman werd op Urk een straat naar hem genoemd, opdatwij niet vergeten. “Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden” (Joh. 15 : 13).

42

KERKEN IN DE KNEL

Tot 1947 telde Urk drie kerkelijke gemeenten met elk een eigen gebouw. Het waren de Hervormde gemeente, de Gereformeerde kerk en de Christelijke Gereformeerde kerk.

In de Hervormde gemeente was van 1937 tot 1942 Ds. E. van Wieringen predikant. Door zijn besliste optreden dwong hij, bij een optocht bijvoorbeeld, zelfs bij rumoerige knapen ontzag af. Hij was zich ook al vroeg bewust van het grote gevaar van het Nazi¬ dom. Over zijn twee oorlogsjaren op Urk zei hij het volgende.

“De eerste Duitsers die in mei 1940 op Urk verschenen, waren over de Lemsterdijk gekomen. Het was al avond toen zij bij ons aanbelden en om kamers vroegen. Ik verwees ze naar ‘Obadja , waar ze die eerste nacht geslapen hebben.

In de begintijd waren de contacten met de Duitsers nog tamelijk gemoedelijk. Zo ben ik eens bij de Ortskommandant geroepen. Iemand had hem verteld dat ik anti-Nationaal Socialist was en tegen Hitler preekte. De commandant vroeg of dat waar was.

Ik zei hem, dat ik steeds tegen alles en iedereen gepreekt had die zelf voor Onze Lieve Heer wilde spelen en “das geht jetzt nicht anders”, voegde ik er aan toe. Hij antwoordde toen: “Haben Sie Vorsicht, Herr Pfarrer; es gibt Krieg”. Deze man was geen nazi, wel een drinker. En Willem van Dokkum, die toch geen groot verstand bezat, sprak de wijze woorden: “Hoe zal deze man ons regeren als hij het zichzelf niet eens kan?”

Bijna

in de val

Mijn positie werd in de loop van de bezettingstijd steeds moeilijker. Ik ben er zeker van dat enkele sympathisanten van de bezetter - hun getal was op Urk gelukkig klein - hebben geprobeerd mij in de val te lokken.

Wat was het geval? Op een dag kwam er een vertegenwoordiger in papier en schrijfbenodigdheden bij mij in de pastorie. Ik meen dat het in 1942 was. Hij vertelde mij dat hij lid geweest was van de inmiddels verboden Nederlandse Unie. Hij had zojuist een bezoek gebracht aan iemand die heel boos op hem gewor-

43

den was, toen deze ontdekt had dat hij nog steeds het speldje van de Unie droeg. Ik wist dat degene over wie hij het had NSBer was en dat maakte mij wantrouwend.

En dat was maar goed ook, want korte tijd later hoorde ik van veldwachter Kamman dat hij deze vertegenwoordiger uit zijn geboorteplaats kende. Hij wist bovendien nog te melden, dat een van diens zoons aan het Oostfront gesneuveld was en dat het gezin als aanhangers van de NSB bekend stond.

Vermoedelijk is het de bedoeling geweest er achter te komen of ik betrokken was bij hulp aan neergekomen geallieerde piloten. Maar als deze man zich inderdaad leende om voor de Duitsers te spioneren, dan betekende hij een gevaar.

44

Liquideren

Daarom heb ik met politieman Harmen Visser de bekende verzetsman die later naar Vollenhove is overgeplaatst en die op de dag van de bevrijding bij Schoterzijl is gesneuveld ernstig overwogen of wij deze persoon onopvallend de Lemsterdijk op zouden kunnen lokken om hem daar te liquideren en vervolgens zijn lichaam onder de basaltblokken weg te werken. Maar we zouden ons met zo’n daad nodeloos in gevaar brengen, want de Duitsers wisten immers precies bij wie hij geweest was”.

Daarna, in Werkendam, deed Ds. Van Wieringen veel in het verzet, tegen het nationaal-socialisme en het optreden van de bezetters en voor hulp aan onderduikers en de verbinding tussen bezet gebied en geallieerden, die door de Biesbosch liep. Hij ontving daar later ettelijke onderscheidingen voor.

Zijn opvolger op Urk was Ds. A. Pietersma. Hij werd hier begin januari 1943 in het ambt bevestigd. Nadat hij een soort ontgroening had meegemaakt, won hij aan invloed. Toen dejongelingsvereniging opgeheven zou moeten worden, werd die omgezet in een groep van deJonge Kerk en kon zo blijven bestaan. De kerk kreeg meer en meer met de oorlog te maken. Hij vertelde er onder meer het volgende over.

“In 1944 kreeg ik tijdens een kerkdienst de mededeling dat er een razzia gehouden zou worden. Ik onderbrak de preek, liet onmiddellijk de mannen de kerk verlaten en ik beeindigde zo snel mogelijk de dienst. De oogst van de Duitsers was toen nihil!

Tijdens een andere dienst kondigde de sirene onverwacht luchtalarm aan. Gedurende het alarm was men verplicht binnenshuis te blijven en dus waren wij genoodzaakt in de kerk rustig maar gespannen af te wachten wat er zou gebeuren. Ook werd gedu¬ rende het luchtalarm de stroomtoevoer onderbroken. Om de tijd te korten, stelde ik voor een psalm te zingen. Die maand was Albert Ras ouderling van dienst en het geviel dat hij niet alleen een goede zanger was, maar ook een zeer groot deel van de psalmen kende. Omdat het orgel door het uitvallen van de stroom niet kon spelen, was Ras de aangewezen man om als voorzanger op te treden. Ik had echter een weinig gezongen psalm opgegeven en door de spanning van het ogenblik zong nauwelijks iemand mee. En zo werd het een onbedoeld solo-optreden voor

45

Albert Ras. Even later was het alarm voorbij en daarmee ook de spanning.

Huisbezoek

Het doen van huisbezoeken was door de verduisteringsmaatregel niet altijd een pretje. Hoewel in het laatste oorlogsjaar de ‘sperrtijd’ tussen acht uur’s avonds en vijf uur’s ochtends viel, hadden predikanten vergunning terwille van het pastorale werk na acht uur over straat te lopen. Daarbij mocht hij vergezeld zijn van een ouderling. Op een avond gingen Jan Pereboom en ik op weg naar een gezin dat op de sluisput woonde. Het was zo donker, dat wij nauwelijks konden zien waar wij liepen. Wij waren net op de werkhaven, toen Pereboom met een harde klap tegen een van de daar opgeslagen stapels hout tot stilstand kwam. “U weet nu in elk geval langs welke paan uw voet niet moet gaan”, stelde hij droogjes vast.

Inzameling kolen

Wij woonden in de studeerkamer, omdat de grote woonkamer door de schaarste aan kolen nauwelijks te verwarmen was. In de winter van 1943 op 1944 kregen wij echter de beschikking over een ruimere hoeveelheid brandstof, omdat wij gebruik mochten maken van de kolenvoorraad die bestemd was voor de verwarming van de kerk. Er was toen namelijk een behoorlijke reserve. Die was als volgt tot stand gebracht. Toen het mij duidelijk werd dat de kolen voor de verwarming van kerk en pastorie bijna op waren, bracht ik dit punt in een kerkeraadsvergadering ter sprake. Ik stelde voor om aan elk gemeentelid te vragen een kit kolen af te staan. Met verbazingwekkend enthousiasme stemde de kerkeraad met mijn plan in. Ik kondigde de zondag daarop het verzoek van de kansel af en die week werd zo’n hoeveelheid kolen bij de kerk afgeleverd, dat ik mij verbaasd afvroeg waar de mensen die vandaan hadden gehaald. Nu, dat bleek al gauw. Een groot deel was namelijk afkomstig uit de voorraad van het stoomgemaal. Bezit van de gemeenschap, zo hadden enkelen geredeneerd en zij hadden met een bootje een flinke lading opgehaald. Affijn, ’s zondags heb ik de gemeente vriendelijk bedankt voor de hartverwarmende meelevendheid!

Voorzien in de nood

Het begrip mijn en dijn had in die oorlogsjaren nu eenmaal een andere inhoud dan in normale tijden, zoals de Duitsers ons in

46

hun gedrag voordeden. Ontroerend was in die tijden van schaarste de zorg van veel gemeenteleden voor ons gezin. Hoe vaak gebeurde het niet dat wij ’s avonds laat vis en andere etenswaar in onze keuken aantroffen, zonder dat wij gemerkt hadden dat iemand binnen geweest was!

Overigens hebben ook wij waar mogelijk geprobeerd te helpen in de nood. Zo hebben wij tijdens de hongerwinter een paar kinderen uit Amsterdam in huis gehad.

Tyfusepidemie

Vlak voor de bevrijding brak er op Urk een tyfusepidemie uit. Patrimonium, de Gereformeerde houten noodkerk, werd tijdelijk als hospitaal ingericht. Gelukkig is het aantal slachtoffers beperkt gebleven, maar de situatie was niettemin heel ernstig. Een van de ernstig zieken was eenjonge vrouw uit onze gemeente. Haar man was als marinier in de meidagen van 1940 naar Engeland overgestoken. Zij hoopte zo dat zij hem nog terug zou zien, maar helaas heeft zij dat niet mogen beleven.

Wij hadden gelukkig nog een flinke voorraad thee en die kwam nu goed van pas, omdat tyfuspatienten veel moeten drinken.

Zoals bekend, was ook ik bij de groep Urkers die tijdens de grote razzia van 18 november 1944 werd opgepakt. Samen met Ds. Spijker en dokter Andriessen heb ik hun lot gedurende zes weken in Duitsland gedeeld”.

Ook de vrouw van de dominee stond in die tijd haar mannetje.

Problemen

In de Gereformeerde Kerk waren de problemen in de oorlogstijd vele. De grote gemeente, die ongeveer driekwart van de bevolking van Urk omvatte, had aanvankelijk nog maar een kerkgebouw en een predikant. De onzekerheid die na de crisistijd door inpolderingsproblemen en oorlogshandelingen ontstond, hield lange tijd de nodige voorzieningen tegen. Ds. W. Doorenbos was er predikant van 1931 tot 1952 en Ds. G. Spijker van 1943 tot 1947. Kandidaat K.S.G. Zijlstra verrichtte hulpdiensten in de evangelisatie onder Zuiderzeewerkers van 1938 tot 1942.

Alle drie hadden ze met oorlog en bezetdng van doen.

Buiten Urk was het drooggevallen poldergebied nog een ware wildernis van onkruid en riet, een broedplaats en toevluchtsoord

47

Ds. W. Doorenbos. voor vogels en knaagdieren en soms ook een tijdelijke onderduikplaats voor door de bezetters gezochte personen. Doorgangswegen waren er nog niet, zodat Urk, al lag het tussen dijken, in feite nog volop een eiland was.

Toch werd men er reeds vroeg met landelijke en internationale problemen geconfronteerd. Reeds in de herfst van 1938 werd geld ingezameld voor verdrukten vanwege ras en geloof.

Een jaar later moest geoefend worden door de luchtbescherming en verduisteren geleerd worden. Toen kreeg de kerkeraad

48

ook te maken met enige leden die zich bij de Nationaal Socialistische Beweging, de NSB, hadden aangesloten. De behandeling daarvan bevredigde niet iedereen. Het werd een classiszaak. De vergaderingen buiten Urk konden door het slechte vervoer maar moeilijk bijgewoond worden. Je moest voor zo’n bijeenkomst twee dagen uittrekken.

Medeleven

In 1942 werd bij de kerkeraad ‘een stuk’ bezorgd met een kanselboodschap. Het werd aanvankelijk niet voorgelezen, maar daarna op aandrang toch bekend gemaakt. Ook latere stukken over de in het gedrang gekomen positie van de jeugdverenigingen en de bezwaren tegen de arbeidsdienst werden van de kansel bekend gemaakt.

Er werd ook steeds meer met vervolgden en verdrukten meegeleefd. Aan Ds. Van Ginhoven uit Diever werd toegestaan op Urk te preken en een collecte te houden ‘voor een goed doel’. Dat was werk in een doorgangskamp, voor Westerbork, vanwaar zoveel joden naar de gaskamers in concentratiekampen werden afgevoerd. De opbrengst was ‘niet te geloven’, aldus de predikant in een dankbrief.

Zo raakte men op Urk steeds meer bekend met wat de joden te wachten stond. Op het eiland was men van oudsher wel met joodse handelaars bekend, die er nu en dan hun waren kwamen aanbieden. Vissers losten in Amsterdam hun vangst en Urker meisjes dienden in ‘de stad’ vaak bijjoden.

Net voor het uitbreken van de oorlog kwam de joodse familie Kropveld op Urk en voelde er zich thuis. Helaas, twee jaar later werden vader, moeder en dochter Kropveld gedwongen naar Amsterdam terug te keren.

In de herfst probeerde Ds. Zijlstra nog wat voor de bedreigde familie te doen. Door de kerkeraad werd toen een ‘Angehorigkeitserklarung’ afgegeven aan de familie, die mogelijk deportatie zou verhoeden.

Het hielp niet. In maart 1943 werden de Kropvelds met vele anderen naar Westerbork vervoerd en medio april in Sobibor omgebracht.

Bidstond De nood, zowel landelijk als plaatselijk, werd steeds hoger. De kerktelefoon werd verboden, de luidklok werd gevorderd en uit de kerk gehaald. In de hulpkerk werden daklozen gehuisvest,

49

Ds. K.S.G. Zijlstra zodat er niet meer gepreekt kon worden. Ds. Doorenbos werd uit zijn pastorie gezet, omdat daarin Duitsers gestationeerd werden, en een poos later ook uit zijn tweede verblijfplaats om

50

plaats te maken voor de door de bezetters aangestelde burgemeester.

Toen na acht uur niemand meer op straat mocht komen en er weinig of geen elektrische stroom geleverd kon worden, kwamen catechisaties te vervallen en moesten de middagkerkdiensten eerder beginnen.

De kerk leende aan het schoolbestuur om de salarissen van de onderwijzers uit te betalen. Enige breeders uit de gemeente werden gearresteerd en weggevoerd, nog voor de grote razzia’s van eind 1944.

In samenwerking met de Hervormde en de Christelijke Gereformeerde gemeente werd er wekelijks een bidstond gehouden. In de kerkdiensten werd ook ernstig gewaarschuwd tegen winstbejag en zwarte handel en aangedrongen op verootmoediging en gebed, en onder bedekte termen ook het nationaal-socialisme afgewezen.

Toen uit westelijk Nederland personen gedwongen werden te vertrekken, kwamen tal van oud-Urkers weer op het eiland. Onder kerktijd was er soms luchtalarm.

Toen de zelfstandige verenigingen verboden werden, werd het jeugdwerk onder toezicht van de kerkeraad gesteld. Aanvankelijk floreerde het, maar na de beruchte razzia’s kwam het welhaast tot stilstand, gehinderd door de sperr-tijd en het gebrek aan elektra en brandstof.

Er werd zoveel mogelijk contact met de weggevoerden gezocht. De boten voeren nog slechts twee keer in de week en helemaal veilig was de overtocht niet. De kerkdiensten gingen nog wel door en telkens werd gecollecteerd voor ‘bijzondere noden’.

De razzia 18 november 1944 ging de geschiedenis in als de dag van de gro¬ te razzia. Onder de vele jongens en mannen die toen werden weggevoerd, bevond zich ook Ds. G. Spijker. Samen met Ds. A. Pietersma en dokterj. Andriessen verbleef hij totjanuari 1945 in Duitsland. De predikanten hielden in Oldenburg in de avond bijbellezingen voor de weggevoerden en deden samen met de dokter nuttig werk in een noodhospitaal. De Oberhauptmann wilde hen niet als soldaten inschrijven. Hij zei, dat hij zelf de zoon van een dominee was en een mensenvriend. Hij gaf hen papieren voor de terugreis. Die was nog spannend bij de contro-

51

Ik. G. Spijker. le aan de grens en de tocht naar het nog zo geiisoleerde Urk. Daar bood ieder weer op eigen wijze stil verzet. Zo klopten bij Ds. Spijker wel eens onderduikers aan, die hij dan, dankzij giften uit de gemeente, verder hielp met geld en zo mogelijk bonkaarten. De winter werd heel moeilijk.

52

Ds. E. du Marchie van Voorthuijsen

In de Christelijke Gereformeerde Kerk was van 1937 tot 1942 Ds. E. du Marchie van Voorthuijsen de veel toehoorders trekkende predikant. Zijn gemeente groeide tijdens zijn verblijf op het eiland. Ook in zijn gemeente waren enkelen lid van de NSB. Hij heeft die letters eens verklaard als ‘Nooit Schuldig Bevonden’, dat wil zeggen, nooit schuldig bevonden voor God.

Ds. Du Marchie legde, toen de oorlog uitbrak en slachtoffers vroeg, zeer sterk de nadruk op de hand Gods in dezen, om het

53
Ds. E. du Marchie van Voorthuijsen.

volk tot verootmoediging voor het bedreven kwaad te bewegen. Hij voelde zich al gauw thuis op Urk en weldra moest het kerkje in de Kerkstraat wegens de grote toeloop van hoorders vergroot worden. Er kwamen ook wel Duitse militairen onder zijn gehoor. Er waren nogal wat oudere mannen door de Luftwaffe op Urk geplaatst om te registreren welke vliegtuigen er over vlogen. “Daar waren ernstige mannen onder die ook in ons kerkje kwa¬ men, eerst enkelen, later meer. Ze gingen weldra ook de psalmen meezingen en kennen. Af en toe sprak ik voor hen ook een Duitse zin of iets uit de Heidelberger Catechismus in het Duits. Dat vonden ze prachtig. Helaas werd dit door Hitler later verboden”, aldus de dominee.

In een interview zei hij later nog, dat hij tijdens de oorlog niet and-Duits was, maar wel pro-Oranje. Over de eerste uren van de oorlog vertelde hij toen ook het volgende:

“Er heerste op Urk, net als overal in het land, een grote span¬ ning, omdat men voelde dat er iets op komst was. Vrij plotseling kwam het bericht op Urk, dat de oorlog was uitgebroken en dat de vijand reeds onze grenzen had gepasseerd. Heel in de verte hoorden we kanongebulder.

Ik wandelde die morgen door Urk en sprak met verschillende mensen. Ze waren ontroerd en aangedaan over het uitbreken van de oorlog. Ik kwam bij een vrouw van een diaken die de was aan het doen was, in een grote ouderwetse wastobbe. Ik wist dat haar zoon in dienst was en in de buurt van de Grebbeberg lag. Ik had het daarover met haar. Ze bleek niet ongerust te zijn.

Ze zei: “En aan des hemels bogen, staat mijn Getuige trouw te schitteren in elks ogen!”...

Ze bedoelde er dit mee: al zal alles vergaan, de Heere blijft bestaan. Daar mocht ze dus houvast aan hebben”.

In 1942 vertrok hij naar Driebergen en werd de gemeente vacant. Omdat er niet gemakkelijk predikanten konden komen, was er vaak preeklezen. Voor het overige had de kerk tijdens de bezetting van doen met de moeilijkheden die wij al eerder genoemd hebben en die heel Urk aangingen.

In Driebergen verleende Ds. Du Marchie aan een voortvluchtige wekenlang onderdak op een zolder van de consistoriekamer. De vrouw van de dominee bracht hem daar meestal brood.

Bevrijding

Wat bracht de bevrijding in april 1945 tenslotte een grote opluchting op Urk en wat werden de dankdiensten spontaan en

54

blij gevierd. Weggevoerden keerden weer en in vergelijking met andere plaatsen waren de menselijke verliezen hoe betreurenswaardig ook in ons dorp niet van grote omvang. De kerk was, hoe dan ook, tenslotte de oorlog nog goed doorgekomen, al viel er veel, heel veel, in geestelijke en stoffelijke zin, weer aan te pakken en op te bouwen.

55

Hessel Hoefnagel

Geboren 14 april 1922 op Urk

Overleden 5 april 1945 te Hierden

Zoals zovelen kreeg ook Hessel bericht om zich te melden voor dwangarbeid in Duitsland. Omdat hij de eerste en de daaropvolgende oproep genegeerd had, besloot hij onder te duiken. In Enter (Overijssel) kwam hij bij een boer,Johan Terkeurs, terecht, die de leider van het ondergrondse verzet bleek te zijn. Hierdoor werd Hessel als vanzelfsprekend bij dat verzet betrokken. In het zicht van de bevrijding, op 5 april 1945, was de groep van Hessel betrokken bij gevechten met de vijand. De verzetsgroep, bestaande uit achttien man, schoot vanuit een boerderij op terugtrekkende Duitsers. De Duitsers kwamen later met een grotere gevechtseenheid terug en schoten de boerderij in brand. Zeventien leden van de knokploeg werden gearresteerd en ter plekke gefusilleerd; slechts een man wist aan de dood te ontkomen, door zich te verbergen.

Op 17 april 1945 kwam bij de familie op Urk het bericht van Hessels dood. Op maandag 22 april 1945 is hij met militaire eer op Urk ter aarde besteld.

Op 10 november 1981 is Hessel Hoefnagel postuum onderscheiden. Het Heldenverzetskruis is bij deze gelegenheid aan zijn moeder uitgereikt. Naar deze nog zo jeugdige Urker is een straat genoemd.

“Hij viel in Wierden voor zijn land en volk, dat werd geknecht, maar is door trouwe vriendenhand alhier ter rust gelegd”.

56

Het onderwijs aan de twee scholen in het ene gebouw, de Rehoboth- en de Wilhelminaschool, had tijdens de oorlog met zoveel tegenslagen en zelfs rampen te kampen, dat zowel het schoolbestuur als de leerkrachten menigmaal ten einde raad waren.

F. Bode, jaren voorzitter van dat bestuur, bracht een en ander in de zomer van 1945 kort en krachtig als volgt onder woorden.

“Er zijn stemmen opgegaan het schooljaar 1944-1945 als verloren te beschouwen en thans weer opnieuw te beginnen. Hier is veel voor te zeggen. Het onderwijs heeft ditjaar ontstellend geleden. Overal en dus ook op Urk. De omstandigheden waren er dan ook naar!

Hier zijn ze: onvoldoende verwarming van het schoolgebouw; later zelfs bittere koude. Gebrek aan letterlijk alle schoolbehoeften. Het enerveerende overtrekken van massa’s vliegtuigen, luchtalarm met al den aankleve van dien. Het wegblijven van leerlingen uit alle klassen tengevolge van ziekte, gebrek aan Wee¬ ding en schoenen in vele gezinnen. Gebrekkige verlichting in de woningen met als gevolg geen huiswerk voor de laagste klassen. De wegvoering van twee onderwijzers. De zenuwachtige span¬ ning bij de andere onderwijzers, wanneer het hun beurt zou zijn om door de Duitsche slavenhalers te worden gegrepen en gedeporteerd. De zorg voor hun gezinnen, die hen ook bij hun werk in de school vervulde, enz. enz. Wat er op die manier van geregeld onderwijs terecht moest komen, is ieder duidelijk”.

Kinderen leerden maar moeilijk lezen in de laagste klassen. Ook in de hoogste was de achterstand aanzienlijk. Er waren leerlin¬ gen die op weg waren zenuwpadentjes te worden of ze liepen geestelijke schade op door de sfeer van onder meer pers en radio waarin goddelijke en menselijke wetten overtreden werden. Temeer als ouders in de zwarte handel gingen en roekeloos omsprongen met geld. Zo viel er in 1945, aldus de voorzitter, een enorme achterstand in te halen.

SCHOLEN ONDER DRUK
57

Het schoolverzet

Het schoolbestuur verzette zich al vroeg tegen maatregelen die het christelijk onderwijs bedreigden en konden ondermijnen.

Begin 1942 werd aan de secretaris-generaal meegedeeld dat de benoemingsverordening, die een beknotting inhield van de vrijheid van onderwijs, niet zou worden nageleefd. Schoolbe¬ stuur en leerkrachten kwamen in ‘een historische vergadering’ bijeen. Man voor man werd gevraagd hoe de houding zou zijn. Niets kon worden beloofd als de subsidie zou worden ingehouden. Toch vormden zij een front. Zonder vergunning te vragen, benoemden zij onderwijzers. De eerste keer werd er nog kennis van gegeven en volgde proces-verbaal en bedreiging. Deze bedreiging werd echter niet ten uitvoer gebracht, toen de desbetreffende onderwijzer overging tot ‘een andere staat des levens’. Daarna volgden nog successievelijk zes benoemingen, zonder dat de secretaris-generaal hiervan in kennis gesteld werd. Daardoor werd tenslotte voor de Rehobothschool de subsidie ingehouden. Gelukkig werden er middelen gevonden om het leren voort te zetten totdat de bevrijding kwam en ook het christelijk onderwijs zijn vrijheid herwon.

Een bordje dat moest onderduiken Zoals hiervoor al vermeld, had Urk een Rehoboth- en een Wilhelminaschool. De namen, gegoten letters op een ijzeren raamwerk, waren, niet ver van elkaar, aan de zijgevels gehecht. Ze prijkten er ongestoord, tot Urk bezet werd. De bezetters zagen de namen. Wat ‘Rehoboth’ wilde zeggen, begrepen ze blijkbaar niet, maar de naam van de aan hun handen ontsnapte Koningin was hun een doom in het oog. Op last van ‘sterker’ hand moest die naam toen veranderd worden. Het schoolbestuur moest wel aan het bevel voldoen, al ging het niet van harte. De Wilhelminaschool heette voortaan Willem de Zwijgerschool! Maar het oude bordje werd niet weggehaald.

’t Gebeurde wel dat er een Oranjeklant voorbijging, die de naam zag en even aan de pet tikte. Een dame, die met enkele meisjes een uitstapje maakte, wees naar het bordje en hield een kleine toespraak. Toen de dames weggingen, maakten ze voor de naam een buiging.

Maar diezelfde dag kwamen er ook twee bezetters langs, die teveel gedronken hadden. Zij werden woedend! De nacht daarop waren zij in gezelschap van een plaatsgenoot, rukten de naam

58

van de muur en smeten het bord in het water: voorgoed weg ermee...

Zolang de oorlog duurde, bleef de plek aan de muur leeg. Niemand wist dat de naam toch gered was. Iemand van de Zuiderzeewerken, hij heette Vrij, sloeg in de buitenhaven het bord aan de haak. Hij haalde op, zag de geliefde naam en wist wat hem te doen stond. Hij bond een draad aan het gebroken bord en liet het naast zijn woonark weer in het water zakken. Bij de bevrijding haalde hij het glorieus weer boven water.

Toen kreeg de naam Rehoboth (de HEERE heeft ons ruimte gemaakt) ook weer nieuwe glans...

59

Toen in 1939 de oorlog uitbrak, dacht men in Nederland meteen aan een mogelijke voedselschaarste. Immers, ook in de oorlog van 1914-1918 was er nijpend gebrek aan levensmiddelen geweest. Daarom werd distributie van de belangrijkste levensmid¬ delen ingevoerd. Ze kwamen zogezegd ‘op de bon’. Mensen die een stamkaart gekregen hadden, konden op vertoon daarvan een bonnenkaart krijgen. Het begon met suiker en tenslotte kwa¬ men ook textiel en brandstof op de bon. Veel produkten waren slechts ‘mondjesmaat’ te verkrijgen.

Van schaarste tot gebrek De schaarste werkte de ‘zwarte handel’ in de hand, maar versterkte desondanks ook de hulpvaardigheid. Aangevoerde vis was voor de distributie bestemd en kon dus niet vrij verhandeld worden. Met produkten die niet onder de distributie vielen, kon men illegaal (dus strafbaar) bijverdienen, maar anderzijds was het ook mogelijk met deze produkten zonder winstoogmerk een goede zaak te dienen. Ook ruilen van levensmiddelen kwam voor. Door de paling en snoekbaars, die toen ruimschoots in het Ijsselmeer gevangen werden, was er op Urk niet zo’n nijpend voedseltekort als in het westen van Nederland, waar de ‘hongerwinter’ (1944-1945) zwaar was en slachtoffers eiste.

Naarmate de oorlog vorderde, nam de schaarste toe. Artikelen die voor de oorlog goedkoop en volop te verkrijgen waren, werden nu opeens een luxe. Het werd een dagelijks terugkerend probleem om de kachel gevuld te krijgen en om aan een beetje zout en suiker te komen. Koffie en thee echte, wel te verstaan waren allang vervangen door surrogaten.

Er kwam eveneens groot gebrek aan olie voor de motoren van de botters die op het Ijsselmeer visten. Ook die brandstof werd gerantsoeneerd, totdat het een afgelopen zaak was. Er werd dan ook weer zoveel mogelijk van de wind als krachtbron gebruik gemaakt, althans door die scheepjes die niet door de bezetters voor andere doeleinden dan vissen ‘gevorderd’ waren. Ook in dit opzicht waren de moeilijkheden groot en vele.

Op Urk werden in die tijd nog overwegend klompen gedra-

HET DAGELIJKSE LEVEN
60

gen, en ook daaraan kwam groot gebrek. Als er bij de verkopers weer eens een partijtje binnenkwam, was er nooit genoeg en dat gaf veel gekrakeel. De distributie is ook na het einde van de oorlog in mei 1945 nog geruime tijd doorgegaan. De ambtenaren van de distributiedienst hadden het niet gemakkelijk, toen door de bezetters gezochte ‘illegalen’ geen bonkaarten konden krijgen. Langs allerlei wegen moest voor deze mensen een oplossing gezocht worden, wat zeer gevaarlijk, zo niet levensgevaarlijk was.

Paalscherm

De oude zeewering die het eiland Urk eeuwenlang beschermd had tegen het water, had na het droogvallen van de Noordoostpolder geen functie meer. Vooral in de laatste oorlogsjaren deed zich een nijpend gebrek aan brandstof voor. De nog in de grand zittende palen werden geleidelijk door de plaatselijke bevolking in stukken gezaagd om als aanvulling op de schaarse brandstofvoorraad te dienen. In november 1944 werd aan deze illegale praktijken een einde gemaakt. In opdracht van de Dienst Zuiderzeewerken werden de nog resterende palen door het personeel van de fa. Daalder uit de grand getrokken en opgeslagen op het terrein van Zuiderzeewerken bij de werkhaven.

Dat moet voor havenmeester Zeeman een hele opluchting geweest zijn, want blijkens een berichtje in de ‘Oprechte Urker’ had hij grijze haren gekregen van het toezicht houden op het palenscherm.

Aan de binnenkant van de nieuwe meerdijken werd eveneens hout gesprokkeld. Daarvoor moest men soms uren lopen, terwijl de ‘oogst’ gering was.

Ook in het brandstofafval van het stoomgemaal bij de sluisput was nog wel wat brandbaars te vinden.

A1 met al leverde dat, samen met wat op de bonnen verkrijgbaar was, in de laatste koude oorlogswinter net voldoende verwarmingsmateriaal op. Maar wat bracht de zorg voor de kost en de kachel voorjong en oud veel inspanning mee!

In de winter van 1942 maakte de dorpsdichteres Mariap van Urk een gedichtje over de brandstofproblemen en stopte meteen haar Oranje-liefde in het laatste couplet.

Stoken met hout Een stapel hout - gelijk de Himalaya Is reeds verdwenen voor den middagdisch.

61

Dorpslafereeltje in de ‘Torenstraat’. Louw Groen

Wee u, wanneer gij soep of ‘toe’ moet eten, Wijl’t ‘hooggebergte’ dan nog hooger is.

De kind’ren kunnen u zoo veel niet zagen, Niet hakken, of het wordt weer grifgebruikt; Het is al knett’rend in den muil verdwenen Des Molochs, die naar teer en olie ruikt.

Dan lekken spitse vlammen rond uw pannen En schiet het vuur al blazend in de pijp. Roodgloeiend daalt een vonkenregen neder, Terwijl de vlammenzee uw voorraad grijpt.

De asch is als een brandend heete krater: De lava daalt tot in de kamer neer... Het resultaat? Een ketel lauwig water En’t aanzijn dik met stof en roet besmeerd.

Zoo zeulen wij met zwart gelakte handen... Wij denken aan dien goeden, gouden tijd... Aan stellen, die zoo pittig konden branden, Waarop het eten smaak’lijk werd bereid.

62

O, goede dagen van Prinsesseboontjes, VanJuliennesoep en alzoo meer...

Van biefstuk malsch, gebakken in wat boter... O, goede dagen van een rijk weleer!

Woningnood

Op Urk was eigenlijk altijd al sprake van woningnood. Vooral toen in de negentiende eeuw de bevolking snel begon te groeien, werd de toenemende behoefte aan woonruimte duidelijk merkbaar. Na het goede ansjovisjaar 1890 werden veel nieuwe woningen gebouwd op het terrein tussen de vuurtoren, het Kerkje aan de Zee en de Bethelkerk, het huidige Wijk 5.

Vlak voor de oorlog verrezen tal van woningen, die van de wijken 7 en 8. Dat was mogelijk geworden door de aanleg van de Afsluitdijk, die voor een veiliger Ijsselmeer zorgde. Zo kon er eindelijk gebouwd worden op het voormalige weiland, het ‘Top’. Maar de woningnood bleef. De gemeente deed er alles aan om het probleem op te lossen en her en der op Urk verrezen zogenaamde noodwoningen. Een rijtje van zulke huizen werd gebouwd tussen de westelijke zeewering en de voet van de ‘bult’. Dat rijye kreeg in de volksmond de naam ‘Kooidorp’, omdat Urker boeren daar enige tijd experimenteerden met het fokken van eenden.

In de oorlog kwam er nog een probleem bij. Van elders uit het land, vooral uit de kustplaatsen Den Helder en Scheveningen, kwamen oud-Urkers als evacue naar onze plaats, bijvoorbeeld omdat hun eigen woningen door de Duitse bezetter gevorderd waren. Veel van die mensen werden door familieleden op Urk hartelijk opgenomen. Voor minder gelukkigen moest natuurlijk ruimte gezocht worden. Dat zoiets niet altijd gemakkelijk ging, blijkt uit een oproep van NSB-burgemeester Landman aan de bevolking, op 29 augustus 1944:

“Het huidige woningvraagstuk is zeer moeilijk. En niets geeft ons hoop daarin spoedig verbetering te kunnen aanbrengen. Er rest dus niets anders, dan een en ander met elkaar zoo dragelijk mogelijk te maken. Gemeenschapszin en goede wil kunnen ook hier nog veel, wat onhoudbaar is, meer dragelijk maken. Wij zullen binnenkort een onderzoek instellen naar degenen, die met weinig personen over veel woonruimte beschikken. Het ligt in de bedoeling door overleg die menschen samen te brengen, die door tijdelijke samenwoning, voor anderen ruimte kunnen maken. Bereidwilligheid in dezen kan veel narigheid voorko-

63

men. Een vrijwillig gebracht offer is altijd nog meer waard dan een dat afgedwongen moet worden. Ik reken op alle mogelijke medewerking van de betrokkenen”.

Wat gaf het een opluchting toen de bevrijding een feit was en de schaarste aan voedsel, textiel en brandstoffen tenslotte verleden djd werd, al bleef de woningnood tot ver na de oorlog een nijpend probleem.

64
yastkbka-ni v1.Kr.SCJJ VLEESi»- ,VLEE*»I VLEESttl VLEES*} VLEESjfo VLEES£4] VLEESCfo 48HJ-V 47W 46A* i 45*54* 44AHi 43'4> 42*<!> 41 v,,ii v jab .4 VOEDINGSMIDDELEN voorhoudemvan kiegvellengc«>i llo EN 12e PERIODE 1944 (1 OCTOBER-25 NOVEMBER) KC411-412 Reserve reserve reserve reserve reserve reserve reserve re: RESERVE RESERVE RESERVE RESERVE RESERVE RESERVE RESERVE RESERVE C9><6 C34 eg>a C90 CSS C8B C§d C82 HIMi.il IVViO'Ul IlKOOD J! RO.l 2e3*|>oD jnsjoOV ®tf0ad 'BfiOO D “BfiOOD .:“»ROOD ''xlR'o VB'tf.bdi> Bonkaarten.

Pieter Hoekman

Geboren 14januari 1917 op Urk

Overleden 6 november 1943 te Keent (Noord-Brabant)

Als wachtmeester bij de marechaussee heeft Pieter zich onderscheiden door een bijzonder moedig optreden. Op avontuurlijke wijze wist hij vanuit bezet Nederland toch Engeland te bereiken. Hij ging er in opleiding voor parachudst. Op 19 September 1943 werd hij met een vriend boven Brabant gedropt om inlichdngen voor de Nederlandse regering-in-ballingschap in te winnen en verbindingen met Engeland tot stand te brengen. Ook moesten zij behulpzaam zijn wanneer nieuwe parachudsten werden gedropt. Het ging goed totdat in november de bagage van enkele nieuwkomers moest worden geborgen. De dropping was niet geheim gebleven, maar door verraad ook aan de Duitsers bekend geworden. Pieter wist bij een confrontatie anderen te redden door zijn onverschrokken optreden, maar verloor zelf door een geweerschot het leven.

In 1948 werd hij postuum onderscheiden met ‘de bronzen leeuw’, die door de Koningin persoonlijk aan zijn naaste familie werd overhandigd. ‘Hij gaf zijn leven voor zijn vriend, zijn volk en vaderland, en heeft het tot den dood gediend met kracht van hart en hand’.

In krant en tijdschrift is enige malen uitvoerig over hem geschreven. Op Urk werd een straat naar hem genoemd.

66

De Duitse bezetters waren, toen ze Nederland hadden overrompeld, in gedachten al in Engeland. Marcherend door de straten zongen ze: “Denn wirh fahren gegen England”.

Om met een groot aantal soldaten naar Engeland te varen, had men schepen nodig. Daarom werden veel Rijnaken gevorderd en omgebouwd tot landingsvaartuigen. Om deze vaartuigen te beschermen en te begeleiden waren weer andere schepen nodig. Het oog van de bezetter viel daarbij op de vissersschepen. Vooral de ijzeren Noordzeebotters vielen bij de Duitsers in de smaak.

Gevorderd

Op zondagmorgen 9 maart 1941 werd vanaf de kansels in de kerken bekend gemaakt, dat alle schippers zich naar de haven moesten begeven en zich voor hun schepen moesten opstellen.

De ‘Wasserkrieg Polizei’ kwam met een controleur aan boord van ieder schip en deze inspecteerde de hotter of kotter. Voldeed deze aan bepaalde eisen, dan werd het schip gevorderd. Negen van de mooiste botters werden uitgezocht. Van de ene op de andere dag moesten vissers hun broodwinning opgeven.

Steeds opnieuw werden de Urkers met vorderingen geconfronteerd.

In november 1942 werden verschillende botters, waaronder de UK 4, de UK 96 en de UK 202, respectievelijk toebehorende aan Ideman de Vries, Renze Hoekstra en Lub Jan Kramer, in beslag genomen.

Op maandag 5 april 1943 werden in de vissershaven in IJmuiden de daar aanwezige vissersschepen bijna allemaal gevorderd. Alleen diegenen die daar niet aanwezig waren, ontsprongen de dans. Volgens de schrijver van het jaaroverzicht visserij 1945 in ‘Het Urkerland’ werden in de vijf oorlogsjaren 69 vissersschepen gevorderd. De navolgende schepen bleven vrij van inbeslagname: de UK 16, 86, 184, 185, 215 en 172.

Naar gelang de grootte van het vaartuig en het motorvermogen kreeg men een huurvergoeding. Deze vergoeding bedroeg

EEN VLOOT VERDWEEN
67

voor een schip als de UK 66 vijfen dertig gulden per maand.

Het verlies aan schepen

Er gingen diverse schepen verloren, onder andere de UK 4, 17, 33, 46, 47, 80, 90, 96, 98, 102, 109, 187, 202, 206 en de UK 242, totaal vijftien schepen.

Met de vier schepen die op de Eerste Pinksterdag 1940 verlo¬ ren gingen, kwam het totale verlies op negenden schepen.

Hoeveel schepen keerden terug?

Op 25 mei 1945 werd aan een commissie van negen personen via het Militair Gezag toestemming verleend naar gevorderde sche¬ pen te zoeken. Eerst in Nederland en later over de grens tot vrij ver in Duitsland.

In ‘Het Urkerland’ van 1 juni 1945 werd melding gemaakt van het feit dat drie schepen, de UK 2 (A. Romkes), UK 36 (K Hakvoort) en de UK 162 (J. Bakker), terecht waren. Voorts waren in dienst van de geallieerden gesignaleerd de UK 68 (K. Romkes), UK 64 (K.T. Ras) en de UK 243 (P. Bos).

‘Het Urkerland’ van 6 juli 1945 meldl dat de UK 45 (J. van Dokkum), de UK 76 (Gebr. Kapitein), de UK 168 (J.L. Korf) en de UK 176 (C. Post) weer gevonden zijn.

Volgens ‘Het Urkerland’ van 27juli 1945 zijn terecht de UK 1 (J. Molenaar), UK 7 (J. van den Berg), UK 9 (J. Bakker), UK 34 (H. Romkes), UK 39 (Fr. Bakker), UK 44 (A. Post), UK 51 (J. Kapitein), UK 52 (W. Pasterkamp), UK 53 (K. Post), UK 79 (Gebr. Van Urk), UK 85 (M. Meun), UK 121 (D. Bakker), UK 236 (P. Kramer) en de UK246 (J. Bakker).

‘Het Urkerland’ van 14 September 1945 maakt melding van de volgende gevonden schepen: UK 22 (R. Brands), UK 28 (J. Korf), UK 41 (F. Hoefnagel), UK 59 (L. Korf), UK 66 (Tj. Hoekstra), UK 77 (R. Kramer), UK 95 (P. Baarssen), UK 107 (L. Post), UK 114 (A. Woord), UK 119 (F. Hoekstra), UK 126 (F. Baarssen), UK 141 (H. Snoek), UK 143 (P. de Vries), UK 147 (F. de Jong), UK 148 (Gebr. Post), UK 150 (Fr. Brouwer), UK 163 (J. Korf) en de UK 266 (J. Schraal).

‘Het Urkerland’ van 26 oktober 1945 bericht, dat de UK 91 (J. Snoek), na op een zandplaat gezeten te hebben, weer is vlot gekomen.

Op 7 december 1945 meldt ‘Het Urkerland’, dat de UK 94 (F. van Slooten) terecht is.

Volgens ‘Het Urkerland’ van 22 maart 1946 zijn terug in de

68

Een deel van de vooroorlogse vloot.

Urker haven twee schepen, de UK 8 (J. Romkes) en de UK 27 (Alb. Kramer).

Op 26 april 1946 zijn terug de UK 78 (P. Woord) en de UK 69 (L. Kramer).

‘Het Urkerland’ van 17 mei 1946 bericht dat de UK 97 (H. van den Berg) in Duitsland gevonden is.

Het laatste bericht van in de haven teruggekeerde schepen is van 27 juni 1947, namelijk de UK 47 (R. Bakker) en de UK 98 (Toon Meun). Deze vaartuigen waren, volgens ‘Het Urkerland’ van 23 augustus 1946, al in Duitsland gevonden.

Zoektocht

In een interview vertelt Hendrik Visser van de UK 46 over een reis, op zoek naar Urker botters, samen met L.J. Kramer. Deze reis (naar Zeeland) vond plaats in november 1945. De verbindingen waren slecht. Het vervoer over de Zeeuwse wateren geschiedde met een oude Waffenboot. Deze was overvol en het was slecht weer. Veel passagiers moesten zich tevreden stellen met een plaats aan dek, temidden van opspattend buiswater. De tocht naar Zierikzee duurde bijna zeven uur. De Urkers konden overnachten in een hotel met kapotte ramen. Hun tocht naar Zeeland was niet geheel vergeefs: zij vonden er een Urker hotter,

69

de UK 169 van de gebroeders De Boer. Deze hotter was nog in zijn oude staat.

Per boot ging het weer terug naar Rotterdam. Van daar af deels lopend, deels liftend naar Amsterdam. Bij de Kromhout motorenfabriek lag de HA 10 met schipper Lub Loosman. Met hem voeren zij naar Urk.

Achteraf bezien is er toch nog een redelijk aantal schepen terug gekomen. De staat waarin de houten botters verkeerden, was in het algemeen slecht te noemen. Met steun van ‘Wederopbouw’ zijn de schepen zo goed mogelijk hersteld.

De vissersvloot van Urk heeft zich daarna goed ontwikkeld en is tegenwoordig een van de modernste van Europa.

70

Een persoonlijke impressie

In 1936 begonnen de werken aan de Noordoostpolderdijken. Sinds 3 oktober 1939 was Urk al geen eiland meer. Op die dag werd het sluitgat in de dijk van Urk naar Lemmer gedicht. Ook aan de andere kant van Urk groeide de dijk gestadig. De gemalen in Lemmer en de Voorst waren bijna gereed om de polder leeg te malen. Het grootste gemaal zou bij Urk komen, omdat hier het diepste gedeelte van de polder was. Dit gemaal zou worden voorzien van Werkspoor Dieselmotoren om de pompen aan te drijven. Men was druk bezig om dit gemaal te formeren in een diepe put, die wij de sluisput noemden. Van mensen die bij de sluis wonen, wordt op Urk vreemd genoeg nog gezegd, dat zij ‘op de sluisput’ wonen.

Bedrijvigheid

De eerste aannemers bij Urk waren Bakker en De Groot. Bij de bouw van het gemaal was een combinatie van twee bedrijven betrokken: Gnerrip en Vermorken.

Het werk ging goed, maar we kregen een heel strenge winter. De soldaten, die gemobiliseerd waren in September 1939, moesten hard werken om de sluizen en inlaten ijsvrij te houden, zodat de beroemde waterlinie intact bleef. Hele gebieden in ons land waren al onder water gezet, maar door de strenge vorst hadden de tanks er gewoon overheen kunnen rijden.

Ondanks de oorlogsdreiging werd er gebaggerd, gebouwd, beton gestort en zand tussen de keileemdijkjes gespoten. Vlakbij Urk werden proefstukken dijk gemaakt om te testen wat de beste zeewering zou zijn.

Het begin van de oorlog

Toen was daar ineens die overval in de nacht van donderdag op vrijdag, de dende mei. Nu gebeurde wat de meeste mensen in Nederland nooit in gedachten was gekomen: wij waren in oor¬ log. De Duitsers besprongen ons en na enige dagen waren wij een bezet land.

DE ZUIDERZEEWERKEN
DOOR
GINGEN
71

Er gebeurden dolle dingen. De sluisput werd onder water gezet en het aanwezige staal voor de bouw werd ook maar in het water gegooid.

Maar het leek allemaal mee te vallen, tenminste, dat dachten wij. In Den Haag wisten de mensen van Rijkswaterstaat het voor elkaar te krijgen dat de Zuiderzeewerken gewoon door mochten gaan. De draad werd dus weer opgepakt. De baggermolens baggerden weer, de zandzuigers zogen en spoten er weer lustig op los. Van het Urker depot aan de rand van ‘de Vormt’ werd keileem aangevoerd en door de kranen van ‘Blankevoort en Thomsons Havenbedrijf in de dijken gegooid. Het afwerken van de dijk naar Lemmer werd met spoed voortgezet.

Kamperdijk

De dijk richting Kampen vorderde gestaag. In alle stilte werd de ringdijk op 13 december 1940 gedicht. De Duitsers waren zeer verontwaardigd, want zij hadden graag wat reclame gemaakt voor het front van de wereldopinie. Zij hadden dan kunnen laten zien, dat de arbeid aan het nieuwe land ondanks de bezetting de grootste prioriteit had en dat zij die bezetting op huma¬ ne wijze uitvoerden. Gelukkig werd alles in der minne geschikt. Het spuien kon beginnen en wat later begonnen de twee elektrische gemalen de polder droog te malen.

Kolen

Gemaal Vissering bij Urk kon zijn aandeel nog niet leveren. Hoewel er al een motor was ingebouwd, diende zich een tekort aan brandstof aan. Er werd besloten om twee stoommachines in te bouwen om de pompen te bedienen. Er moest veel werk worden verzet om die machines van energie te voorzien. Besloten werd om voor een grote opslag van kolen te zorgen. In de al gereedgekomen werkhaven werd een steiger gebouwd, waarop een kraan voor het lossen van de kolen werd geplaatst. Vanaf die steiger werd een smalspoor aangelegd naar de kolenopslag, die wij het ‘kolenpark’ noemden. Het spoor liep op gelijke hoogte van de dijk daar naar toe. Het leek net een echt spoorwegemplacement met wissels, draaischijven enz. Het was voor ons, jonge Urkers, een heel andere wereld.

Toen de pompen van Lemmer en de Voorst goed doordraaiden, plaatsten we, op een voor ons bekende plaats, een merkteken. Van tijd tot tijd gingen we daar naar toe om te zien hoeveel centimeter het water weer was gedaald.

72

De pas drooggevallen Noordoostpolder, ook welgenoemd ‘Nederlands Onderduik Paradijs’ in 1944.

Op 9 September 1942 was de gehele bodem van de Noordoost¬ polder droog. Eeuwen hadden we rondom in het water gelegen en toen konden we ineens ‘after de poalen’ hele stukken lopen.

In dienst bij Zuiderzeewerken Doordat ik in aanraking kwam met de aannemers van de sluisen gemaalwerken, maakte ik veel van deze bouw intensief mee. De aannemers logeerden in hotel ‘Woudenberg’, waar ik toen werkte.

In 1942 kwam ik persoonlijk in dienst van Zuiderzeewerken en hielp nog mee om de grote voorraad steenkolen, mooie Poolse nootjes, in het kolenpark op te slaan. Ik verwonder mij er nu nog over hoe ze het toen in Den Haag voor elkaar gekregen hebben om al die goede brandstoffen helemaal uit Polen naar Urk te krijgen. Het opslaan van de kolen was zwaar en hard werk, maar er stond wel wat tegenover: wij kregen via onze stamkaart honderd procent extra voedsel voor zeer zware arbeid. Op mijn persoonsbewijs stond als beroep vermeld ‘dijkwerker’.

73

In de polder

De mensen van Zuiderzeewerken probeerden zo veel mogelijk mensen aan het werk te houden in de drooggevallen polder. Opzichter Dalebout zocht werk voor ons. Zo kreeg aannemer Vermorken opdracht om ten westen van de Urkervaart een brede afvoersloot te graven. Later moesten wij het talud van die brede sloot afmaken. Het was niet zo’n pretje om bij koude en regen in de polder te werken. Met een ploeg arbeiders waren we een terrein aan het uitzetten waar bakken aarde waren gelost op een zanderige bodem. Die goede teelgrond was uit een stuk kanaal gebaggerd en moest worden geegaliseerd. Tot onze ploeg behoorden onder anderen Jaap Jenema, Klaas van Tiemetjen, Tijmen Wakker (de latere dominee), Klaas Brands (van Riekelt van Fim) en ik.

We hadden een schaftkeet meegesjouwd waarin we onze meegebrachte boterhammen nuttigden. Een in de polder gevonden wasketel, waarin we gaten hadden gemaakt, diende als kachel. Zo warmden we ons in rook en roet en spoelden het oorlogsbrood weg met surrogaat-thee.

Zwaar werk

Als het visseizoen afgelopen was, konden toch weer veel Urkers in de polder terecht, want er moesten wegen worden aangelegd en sloten gegraven om het laatste water af te voeren. Het merendeel van deze Urkers kwam in het werkkamp op Schokland terecht. Per fiets konden we het voormalige eiland bereiken via het schuine talud van betonzuiltjes op de dijk. De oude palen van de zeewering moesten daar uit de grond worden getrokken en vervolgens naar Leiden worden vervoerd om tot planken te worden verzaagd. Daar werden dan weer keten van gebouwd.

Voor de aan te leggen weg van Emmeloord naar Ramspol moesten we kipkarren met zand laden, waar ruim een kubieke meter in ging. Wilde je niet buiten de boot vallen, dan moestje minimaal vier karren per uur volscheppen. Dat betekende veertig kubieke meter zand per dag, van zeven uur’s morgens tot zes uur ’s avonds, en dat metje schopje. De beloning voor dit werk was twee tientjes met een gulden per week. Maar... we kregen te eten in het kamp. Als we’s morgens -in plaats van mannetjespap (gort met taptemelk)- soep kregen, dan zeiden de mannen die de gamellen gehaald hadden: “Jonges, ’t is vandochted skink-in de kost”. Daar zatje dan ’s morgens op je nuchtere maag aan soep met moerasandijvie en genootje van een beker surrogaatkoffie.

74

Toen de geallieerden het luchtruim begonnen te beheersen en dejachtbommenwerpers een grotere actieradius kregen, was het werken in de polder niet langer ongevaarlijk. Dat ondervond mijn vriendJoh. Gerssen. Ook kwamen er steeds meer onderduikers in de Noordoostpolder.

Improviseren

Op Urk hadden we geen honger, want er was paling in overvloed. Later in de oorlog gaf de polder ook zijn vruchten in de vorm van aardappels en graan. Frits Bode ijverde ervoor dat wij ook graan uit de polder kregen, zodat ons broodrantsoen op peil bleef. De graanmolen van de oude Frits Bode aan het begin van Wijk 6 werd weer in ere hersteld en mijn broer Harm werd daar molenaar. Ook oliehoudende zaden werden in de polder verbouwd en met geimproviseerde persen werd er olie uit gewonnen.

Breezand

Omdat het directievaartuig ‘Breezand’ van motorische voortstuwing was voorzien, werd dit schip aanvankelijk opgelegd binnen de sluis en nog weer later diep in de polder verstopt. Op bepaalde tijden moesten wij daar per vlet naar toe om eten te brengen aan de bewaarder. Na de bevrijding kwamen we pas aan de weet dat die man daar aan boord een verbindingsofficier was, met veel zend- en ontvangapparatuur die hij moest bedienen. De pol¬ der werd ook gebruikt om wapens in te droppen voor het verzet. Die moesten uit de polder naar het vasteland worden gebracht. Ir. Klazema heeft met zijn directie-stoomsleepboot wel tochten naar Noord-Holland gemaakt om daar spullen af te leveren.

Razzia’s

en wittebrood

Ik was ondertussen benoemd als weerman voor de polder en bemoeide mij met het meten van schepen met wegenbouwmaterialen, die op verschillende depots werden gelost. Hoewel ik een ‘Ausweis’ had, bleef ik zoveel mogelijk uit de buurt van de Duitsers. Bij razzia’s probeerden we een schuilplek te vinden. Zo gebeurde het een keer, dat we niet naar onze eigen schuilplaats konden gaan. Wij werden toen via het mangat in een van de stoomketels van het gemaal gestopt. Het was daar stikdonker en ik hoorde de mannen buiten zeggen: “Zullen we er maar een beetje vuur onder maken, dan hebben ze het daarbinnen lekker warm”. Voor de grap natuurlijk.

75

Nu ik dit schrijf, is het vijftigjaar geleden dat het wittebrood uit Zweden naar ons land kwam. Dat de mensen uit het westen van het land het nog maar net op tijd krgen, was te danken aan de Noordoostpolder. Er was een zware winter geweest en al het ijs van het Ijsselmeer was met de wind richting Friesland gestuwd en op elkaar geschoven. Vanuit Lemmer was er geen doorkomen aan. De binnenvaartschepen die in Delfzijl -waar het meel was aangekomen- geladen waren, namen toen de route door de pol¬ der, want daar kon wel gevaren worden. Bij Urk lag een smal randje ijs voor de haven, maar dat verhinderde de schepen niet naar Amsterdam te varen. Waar nodig hielp men elkaar.

Terugblik

Ik zou nog veel verhalen over de polder kunnen schrijven. Ik kwam er terecht doordat mijn baas, de toenmalige postdirecteur de heer Post, mij op een dag ontsloeg. Hij zei tegen mij: “Ik zal oe maar als hulpbesteller ontslaan, want ik mut mensen opgeven om naar Duitsland te gaan, dus ie mutten oe zelf maar redden”. Ik kon niet in Rijksdienst komen, omdat ik weigerde in de Arbeidsdienst te gaan. Ergens op een plek, midden tussen Urk en Emmeloord, was een kampement van die dienst. Lieden die in de Arbeidsdienst gingen om maar een aanstelling te krijgen, gingen gewoon door met promotie maken en brachten het later nog heel ver in de ambtelijke hierarchie.

Mijn verhaal begon met het gemaal, dat destijds -voor 1940nog niet klaar was. Ik eindig ook met het gemaal. Ondanks het feit dat dit gedurende de oorlog gereed kwam, kon het in het begin van 1945 niet pompen, omdat alle steenkool door de Duitsers was gevorderd en afgevoerd. Het water kwam langzaam weer hoger in de nieuwe polder te staan. We moesten achter Emmel¬ oord nog een deeldijk maken om dit gedeelte, dat iets hoger lag, droog te houden.

De mensen van Zuiderzeewerken, van hoog tot laag, hebben hun best gedaan om de polderweken, ondanks de oorlog, door te laten gaan. Veel onderduikers bleef werken in Duitsland bespaard.

Een klein beetje trots ben ik er nog wel op, dat ik een Zuiderzeewerker ben geweest...

76

Toen Frankrijk was verslagen en Nederland, Belgie, Luxemburg, Denemarken en Noorwegen waren bezet, stond Engeland er alleen voor.

Duitsland kon zich nu helemaal op de slag om Engeland concentreren. Die (lucht-)slag werd niet door de Duitsers gewonnen. Door de Royal Air Force, de Engelse luchtmacht, werd toen een enorme prestatie geleverd. Zij wisten de Duitse luchtmacht een dusdanige slag toe te brengen, dat de vijand moest afzien van een invasie op de Britse eilanden.

Dat ging echter gepaard met onvoorstelbaar grote verliezen aan mensen en vliegtuigen. Ook onder de burgerbevolking vielen veel slachtoffers. Steden als Londen en Coventry werden zwaar getroffen door de Duitse bombardementen.

Ijsselmeer

Toen de luchtslag om Engeland verloren was, werden de rollen omgekeerd. In 1945 ging de Amerikaanse luchtmacht aan de Europese luchtoorlog deelnemen en nu keerde het tij definitief. Met honderden vliegtuigen tegelijk werden bombardementsvluchten uitgevoerd op Duitse vliegvelden, fabrieken en steden. Sommige aanvliegroutes liepen over het Ijsselmeer. Op een dag in 1944 werden boven Urk, dat door zijn ligging tussen de nieuwe polderdijken als herkenningspunt diende, 1100 geallieerde vliegtuigen geteld.

De Engelsen bombardeerden ’s nachts, de Amerikanen overdag.

Door dejagers van vooral de vliegbasis Leenwarden werden hon¬ derden geallieerde vliegtuigen boven Noord-Nederland en de Noordzee afgeschoten.

De Duitsers hadden een ring van radarposten rond het Ijssel¬ meer opgetrokken, die ieder een sector moesten uitpeilen. Vliegers die over het noordelijke deel van het Ijsselmeer vlogen, hadden vooral te maken met de sectoren ‘Salzhering’ in de kop van Noord-Holland en ‘Eisbar’ in Gaasterland.

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat vooral boven het noor¬ delijke gedeelte van het Ijsselmeer veel vliegtuigen werden neer-

VLIEGERS
IN HET VXJUR
77

geschoten. Uit een kaart van Ab A. Jansen in het boek “Wespennest Leeuwarden”, deel III, valt op te maken dat er alleen al vanuit die vliegbasis meer dan vijftig geallieerde vliegtuigen boven het Ijsselmeer zijn neergeschoten. Het moeten er dus veel meer geweest zijn. Van 67 neergestorte vliegtuigen zijn rapporten bekend.

Neergeschoten

Er is berekend dat er vanuit Urk 175 gesneuvelde bemanningsleden zijn geborgen. Hoe groot moet het totale aantal slachtoffers wel niet zijn geweest?

Bij de luchtaanval op Gelsenkirchen op 25/26 juni 1943 gingen 34 toestellen boven Nederlands grondgebied verloren; zeven daarvan kwamen in het Ijsselmeer terecht.

Het is niet doenlijk een overzicht te geven van alle bij Urk neergestorte vliegtuigen. Nog altijd zijn niet alle gegevens daarover bekend.

De laatste week vanjuni en de daaropvolgende drie dagen in juli 1943 werden niet minder dan vier vliegtuigen nabij Urk neergehaald.

Op 23 juni werd een Halifax bommenwerper zeven kilometer ten westen van Urk door een Duitse nachtjager geraakt. Het toestel had een achtkoppige bemanning. Vier van hen werden

Op 10februari 1944 maakte een Boeing B17, 42-37950 ‘Dina Might ’ een noodlanding nabij Urk in de N.O. Polder. (Foto: ArchiefWaterstaat directie Flevoland)
78

als vermist opgegeven en vier slachtoffers konden worden geborgen. Het toestel kwam terug van een speciale missie: twee geheime agenten, de Nederlanders H. Letteboer en G.A. van Borssum-Buisman, waren in de buurt van Ommen gedropt met een regeringsboodschap voor het Nederlandse verzet.

Op 26 juni stortte een Stirling bommenwerper met zeven bemanningsleden westelijk van Urk in het Ijsselmeer. Het toe¬ stel keerde terug van een bombardementsvlucht boven Gel¬ senkirchen.

- Van een derde toestel is bekend dat het westelijk van Urk werd neergeschoten door een Duitse nachtjager. Het was een Wel¬ lington bommenwerper op terugtocht van de aanval op Gel¬ senkirchen. Het toestel had een vijfkoppige bemanning aan boord, van wie moet worden aangenomen dat ze alien zijn omgekomen.

Op 3 juli stortte een Wellington bommenwerper met vijf bemanningsleden bij Urk in het Ijsselmeer, na betrokken te zijn geweest bij een bombardement op Bremen. Er was een overlevende: P/O C.R. Lark, die in krijgsgevangenschap werd afgevoerd.

Pilotenhulp

Een ‘crash’ ging niet altijd gepaard met een dodelijke afloop. Soms kon de bemanning zich met behulp van een parachute in veiligheid stellen. Boven Nederland zijn er ruim 3000 piloten en bemanningsleden ‘afgesprongen’.

De meesten werden meteen gearresteerd en raakten voor de rest van de oorlog in krijgsgevangenschap. Velen echter wisten zich aan arrestatie te onttrekken. Zij werden verder geholpen door zogenaamde pilotenhelpers.

Op Urk zijn diverse mensen geweest die zich met pilotenhulp hebben beziggehouden. Wij noemen er twee: Piet Brouwer en Pieter Hakvoort. Beiden kwamen om het leven in een concentratiekamp in Duitsland. Twee straten in het oude dorp zijn naar hen genoemd.

Soms gelukte het de piloot van een aangeschoten vliegtuig om een noodlanding te maken. Een spectaculair voorbeeld daarvan

79

is het neerkomen van een B-17 bommenwerper bij Urk. Een overlevende van die (goed gelukte) landing zijn naam is Walt Fox meldde ons vanuit Denver, Colorado (USA) de volgende bijzonderheden, die zijn vrouw voor ons optekende.

Walt Fox

“Walt (Fox) maakte deel uit van de bemanning van een B-17, staartnummer B-17F 42-30751, tijdens een bombardementsvlucht op 8 oktober 1943 naar Bremen, Duitsland. Dat waren de 305th Bomb Group en het 365th Bomb Squadron. Op de neus van het vliegtuig stond de naam ‘Hellcat’. De groepsletter ‘G’ stond op de staart van het vliegtuig. Ongelukkigerwijze werden ze, op weg naar het doel, doorjagers aangevallen en ze probeerden toen terug te keren naar Engeland. Het vliegtuig maakte een noodlanding (bij Urk in de Noordoostpolder, red.) met een voile lading bommen (tien 500-pound bommen), omdat het mechanisme om de bommen af te werpen door de Duitse jagers vernield was.

De piloot en Walt (de bomrichter, red.) waren vrij zwaar gewond en werden door bemanningsleden naar een klein kanaal gedragen. Een Nederlandsejongen en een oudere man kwamen langs. De jongen kon Engels spreken en praatte met Walt en de piloot, maar kon weinig doen om hen te helpen, omdat ze gewond waren. Binnen een uur waren de Duitsers er. Een ding weet Walt zich levendig te herinneren: dat de Duitsers Walt en de piloot met paard en wagen door het dorp (Fox schrijft ‘stad’, red.) lieten voeren. Hij dacht dat de bevolking gedwongen werd om naar buiten te komen om het schouwspel waar te nemen, en hij herinnerde zich dat sommige omstanders huilden. Hij meende dat ze huilden om de gevangen genomen Amerikanen. Vervolgens werden ze naar een huis gebracht, maar kregen geen medische hulp. In de vroege morgen van de volgende dag wer¬ den zij met een grote boot naar Amsterdam gebracht en aldaar in het Wilhelmina Gasthuis opgenomen. Walt verbleef daar ongeveer zes weken en de piloot was daar gedurende elf maanden voordat hij mogelijk werd gerepatrieerd (bedoeld is waarschijnlijk: afgevoerd naar een krijgsgevangenkamp, red.). De overige bemanningsleden hebben geprobeerd te ontsnappen en sommigen van hen wisten, met behulp van de ondergrondse, ongeveer dertig dagen in vrijheid te blijven. Uiteindelijk werden ze allemaal gevangen genomen op een na; bemanningslid Kevil wist Engeland te bereiken”.

80

Aanvulling

We moeten aan de briefwel enkele opmerkingen toevoegen.

1. Met ‘een klein kanaal’ wordt de Steenbanktocht bedoeld.

2. De twee gewonden zijn met een vlet van Zuiderzeewerken naar de sluisput vervoerd en vandaar met paard en wagen naar hotel ‘Woudenberg’ gebracht. De bemanning van de vlet bestond nit de heer Stuifzand, opzichter bij de Zuiderzeewer¬ ken, en twee Urkers, Joh. Gerssen en Maarten Schraal. Het is mogelijk dat Fox twee personen met elkaar heeft verwisseld. Alleen de heer Stuifzand sprak Engels.

3. Fox gewaagt van een ‘town’ (stad) in plaats van een ‘village’ (dorp). Door de lengte van de tocht moeten zij de indruk hebben gekregen dat door de Duitsers een soort overwinningsparade met hen werd opgevoerd. Het vervoer verliep echter correct.

4. Daar Fox meende in een stad te zijn aangekomen, heeft hij waarschijnlijk verwacht dat de twee gewonden nog diezelfde

Sgt. WaltJ. Fox in 1943... en 52jaar later.
81

dag in een ziekenhuis zouden worden opgenomen. Dat was op Urk natuurlijk niet mogelijk. Volgens het officiele politierapport dat de volgende dag door de op Urk gestadoneerde agenten Faber en Greven werd opgesteld, blijkt dat er wel degelijk eerste hulp werd verleend ter plekke van de noodlanding. De behandelend arts wasJ. Andriessen. Hij woont thans in Noord-Italie.

Niet vergeten Van de piloot, 2nd Lt. W.E. Emmert, kreegjoh. Gerssen als dank een paar witte handschoenen. Die kwamen hem na de bevrijding goed van pas als trommelaar bij ‘Valerius’.

Van de den bemanningsleden gingen er, nadat zij de twee zwaar gewonden in een woonarkje hadden ondergebracht, acht ‘het riet in’. Een bemanningslid werd de volgende dag in Emmeloord gearresteerd. Hij was licht gewond. De anderen werden door Ir. Klazema van Zuiderzeewerken, met behulp van nog anderen, op de boot ‘Argus’ van die dienst in veiligheid gebracht. Zij werden later onder begeleiding van een verzetsman, de oud-Urker Harm H. Gerssen uit de Zaanstreek, met de Urker boot naar Enkhuizen gebracht en vandaar naar een onderduikadres in Noord-Holland. Gerssen werd, met twee anderen van zijn verzetsgroep, op 22 januari 1944 gearresteerd door provocatie van V-man Van Bree. Kort daarop werd hij gefusilleerd.

Honderden jonge vliegers vonden nabij Urk een vroegtijdige dood. Zij vielen voor de vrijheid van Europa, van Nederland en van onze eigen woonplaats. Er rest voor hen geen monument of teken, althans niet in onze plaats. Voor een groot deel bleven zij naamloos.

Wij mogen hen echter nooit vergeten. Nooit, zolang wij leven.

82

Israel Samuel Kropveld was een echte handige, vlotte koopman uit Amsterdam. Op Urk werd hij in de volksmond ‘Japien de Joode’ genoemd. Twee dagen per week ventte hij met zijn kar met koopwaar door de Urker straten. Hij verkocht van alles: mattekloppers en zeepkloppers, teilen en dweilen. Wat er ook aan hem gevraagd werd, hij nam het mee. In de oude maalderij van Iede Bode in Wijk 6 had hij, op tafels en schragen, zijn handel uitgestald. Later is hij verhuisd naar de poort van Roelofvan Rinke Oost. Als hij op Urk was, logeerde hij in de ‘Willem Barentsz’. Drie jaar lang werd zijn kamer vrijgehouden. Mevrouw ZeemanButer vertelde van hem:

“Hij was bij ons kind aan huis. Als het erg slecht weer was, hield hij verkoop op het biljart. Dat was gezellig. De kwinkslagen waren niet van de lucht met al die Urker huisvrouwen. Zijn stereotiepe uitdrukking was in die toch zo armoedige tijd: ‘Laat maar zitte, de koopman is er weer uit’.”

Naar Urk

Vlak voordat de oorlog uitbrak, in 1939, heeft Japien zich met zijn vrouw Hendrika de la Penha en zijnjongste dochter Lea op Urk gevestigd. Drie jaar lang hebben zij bij ons in de straat gewoond op Wijk 8-30, in die tijd het nieuwe plan ‘Tuindorp’, achter bij Leen van Janne van Harm. Zij pasten zich snel aan in de buurt. Lea ventte met een mand met snuisterijen bij de deuren langs. Zij was bevriend geraakt met haar buuijongen Maghines Hartman. Vaak kwam het gezin Kropveld buurten bij mijn ouders, vooral in de verduisteringstijd. Jaap kon verhalen vertellen, die meestal begonnen met de zin: “Dan moetje goed horen wat ik je vertel”. Ze gaven elkaar ook raadsels op. Zo werd eens aan Lea, meisje van achttien, gevraagd: “Wietjie ’t verskil tussen de peep van de Geusau in joen brockspeepen?” “Nou”, zei Lea, “dat is simpel sat. De pijp van de Geusau rookt en mijn broekspijpen roken niet”. “Mis”, zeiden ze, “de Geusau et iene peep in joen broekspeepen binnen d’r twie”.

Gewone mensen waren het, die Urker werden met de Urkers. Op een keer kwamen ze in het donker bij ons. Na achten mocht

EENJOODSE
FAMILIE
83

niemand meer buiten komen, dus klommen ze over het kippenhok. Prompt zakten ze er doorheen. Het liep goed af, alleen de kippen maakten veel lawaai.

Joodse gebruiken

Er was geenjoodse gemeenschap op Urk. Toch hielden zij Pasen (Pesach). Hendrika bakte dan ongezuurde koeken en grote boterspritsen. Met die lekkernijen kwamen ze bij ons om ze te laten proeven. Zij hielden de sabbath, zij konden maar moeilijk

84
Het huis van defamilie Kropveld, Wijk 8 nr. 30.

wennen aan de zondag op Urk. Jelle Kramer heeft mij eens verteld dat ze’s zondags bij hem om boodschappen kwamen. Eens op een mooie zomerzondagmiddag had Lea het zo warm, dat ze naarJelle ging om ranja te halen. Maar die zei: “’s Zuundags verkoop ik niet, moat, maarjie kunenje dorst ok lessen mit woater”. In onze buurt waren ze erg geliefd, iedereen mocht ze graag. Hendrika kocht, ondanks het feit dat joden geen varkensvlees mochten eten, wel eens een karbonade voor Jaap, maar geen spek of vettigheid, aldus slager Willem Blom. Jaap lustte graag een nekkarbonaadje. Bape, de vrouw van Willem Blom, vertelde dat zij het verschrikkelijk vond dat het gezin de jodenster moest gaan dragen. Toch kon Hendrika tegen Bape zeggen: “Wij mogen oranje dragen en jullie niet”. Dit gezegde typeerde hun optimistische levensstijl en humor.

Onderduiken?

De vader van Klaas Hakvoort, Pieter, heeft meerdere malen willen helpen om het gezin te laten onderduiken. Maar Jaap wilde niemand tot last zijn, hij weigerde steeds.

Hij bleef koopman. De laatste week voordat zij werden weggevoerd, kwam hij nog met machinenaalden aan die geschikt waren voor het zware Urker goed. Deze naalden waren schaars in die tijd, zoals zoveel artikelen trouwens. MaarJaap wist lang wat te bemachtigen.

Op Urk is veel onzekerheid en verdriet hun deel geweest. Hun oudste zoon David, die niet op Urk woonde, werd opgepakt. Later kregen zij bericht dat hij in het concentratiekamp Maut¬ hausen was omgekomen.

Een koopman uit Amsterdam met zijn gezinnetje leefde en werkte onder ons. Zij zijn weggevoerd en nooit meer teruggekomen. Mijn ouders hebben nooit geweten wat er met hen is gebeurd. Door het onderzoek van Jelle van Slooten weten wij nu dat zij in 1942 in Sobibor vergast zijn. Zijn spontane lach klinkt nog door bij de ouderen onder ons, zijn geestigheid en slagvaardigheid zijn niet vergeten.

Ik heb ze zelf niet gekend, maar door de verhalen van thuis is het alsof ik ze gekend heb. Drie gewone mensen zijn weggevoerd en nooit teruggekomen, alleen omdat ze joods waren. Van het afscheid vertelde mijn moeder: “Wij hebben ze uitgezwaaid, ja, dat wel. Toen ze de straat uitliepen en nog een keer omkeken, durfden we niet naar hen toe te gaan om gedag te zeggen. Ze

85

worden zo vor oenze ogen weg-evoerd, dat gat mitje mie, keend, je leven lank”.

Dat blijft in mijn herinnering. Drie namen, drie onder de zes miljoenjoden die omgekomen zijn. Opdatwij niet vergeten...

86

RAZZIA OP URK (JEUGDVERHAAL)

In de oorlog werden eens 85 mannen uit Urk opgepakt door de Duitsers. We noemen dat een razzia. Ze moesten werken voor de Duitsers in Duitsland. En wat moesten ze precies doen? Loopgraven maken en leren vechten! Dat was niet zo leuk! Na de oorlog werden deze gebeurtenissen geschreven in een boek. Dat boek heet “Na de razzia, dagboek van Sjoerd Snoek”. Hier volgt een stukje over dat dagboek.

Razzia

Met is oorlog. Er gaat een omroeper door het dorp: “Alle man¬ nen moeten zich onmiddellijk in de school melden. Wie zich niet meldt, zal worden doodgeschoten!” De Duitse soldaten willen alle mannen van het dorp meenemen! De soldaten zoeken in alle huizen. Sommigen hebben zich verstopt. Maar de soldaten vinden toch nog een heleboel jongens. Ze worden in de Wilhelminaschool gebracht. Deze school stond vroeger dicht bij de vuurtoren.

Bij de november-razzia van 1944 werden dejongens en mannen verzameld in de Wilhelminaschool (links op defoto).

87

Boot

Op de vroege morgen van zondag 19 november 1944 klinken er Duitse bevelen door de gangen van de school. In rijen van vier aan vier en onder strenge bewaking worden de gevangenen naar de haven gebracht. Daar liggen al boten klaar om de gevange¬ nen weg te brengen. Hier en daar wordt een hartelijk vaarwel geroepen. Iemand probeert wat dichterbij de gevangenen te komen. Maar een soldaat ranselt hem af. Hij maakt dat hij wegkomt!

Lopen

De gevangenen gaan naar Duitsland. Dat is een zware reis. Soms gaan ze te voet. Dan strompelen ze in de stromende regen voort. Wie niet meer kan, wordt met de gummiknuppel vlug weer overeind geslagen. Een gevangene kan niet meer. Ook hij krijgt slaag. Maar hij blijft liggen op de weg. Een paar soldaten ‘smijten’ hem in een vrachtwagen. Langs de weg zijn er mensen, die brood en melk geven aan de gevangenen.

Trein

Maar gelukkig lopen de gevangenen niet het hele stuk naar Duitsland. Soms gaan ze met de trein. De trein ziet er triest uit. De ramen van de trein zijn stuk. Er zitten kogelgaten in. Omdat het juist zondag is, zingen de gevangenen een psalm of een gezang. Plotseling staat de trein sdl! Met een oorverdovend lawaai scheert een Engels vliegtuig over de trein. Even later volgt een Duits vliegtuig. Ze zijn aan het vechten! “Dekking”, schreeuwen de mannen in de trein. Ieder wurmt zich in paniek door deuren en ramen naar buiten. Ieder zoekt dekking in het weiland aan de kant van een sloot. Even later is het gevecht voorbij. De bewakers beginnen te schreeuwen en te schieten. De bewakersjagen de gevangenen “snel, snel!” de trein weer in.

Luizen

Eindelijk komen de gevangenen in Haren. Haren is een plaats in Duitsland. Het ligt twaalf kilometer over de Nederlandse grens. De soldaten brengen ze in een school. In een lokaal moeten ze met 55 man slapen. Nee, er zijn geen bedden in het lokaal. Er ligt stro. En ze zijn ook niet alleen in het lokaal... Er zijn luizen! Weet je, wat er precies in het dagboek staat? Lees maar: “We krabben ons op de rug of in de nek. We denken eerst, dat het stro ons plaagt. Maar al spoedig weten we beter! Al zit je elke

88

avond met je hemd op schoot, er is altijd een ruime vangst. Je raakt er zo aan gewoon, datje rustig aanje buurman vraagt hoeveel hij er heeft geknipt...” Geknipt: dat is tussenje vingers dood maken.

Loopgraven

Overdag moeten de gevangenen loopgraven maken. Loopgraven zijn kuilen in de grond. Die kuilen worden gebruikt door de soldaten. Ze kunnen zich dan verstoppen voor de kogels. Werken de gevangenen hard? Geen denken aan! Als het lukt, doen ze niets. Dan staan ze met elkaar te praten. Maar laat de bewaker niet boos worden! Op een keer roept de bewaker iemand. En wat doen de gevangenen? Ze komen allemaal rondom de bewa¬ ker staan! Ze doen net of ze het niet goed verstaan. De bewaker wordt boos. Hij schreeuwt: “Vandaag moetenjullie twintig meter loopgraaf klaar hebben. Eerder mogen jullie niet terug!” Ja, dat maakt wel indruk. Na veel gemor gaan ze weer aan het werk.

Eten

Halverwege de dag komt de etenswagen. Iedereen rent er naar toe. Ze krijgen waterige soep. Veel te weinig om de honger te stillen. De bewakers gaan ook eten. Zij hoeven de waterige soep niet. In een boerderij, iets verderop, eten ze hun buik rond.

89
Eten halen. (Foto: Collectie gemeente archie/Rotterdam)

Ondertussen werken de gevangenen niet veel, dat begrijpje wel. De gevangenen praten veel over het eten. Want ze hebben vaak honger. Wat eten we vandaag? “Nou, zeg maar verdunde gortepap, gebonden met wat aardappelmeel. En gemalen biggevelletjes. En het ruikt naar afvalwater!”

Zondag

Op zondag moeten ze ook werken. ’s Avonds is er een kerkdienst. Natuurlijk niet in een kerk! In de gang van de school houdt een dominee uit Urk een preek. Het is donker in de gang. Na de dienst is het heel rustig. Elk denkt aan thuis. Hoe zou het daar zijn? De een schrijft een brief, de ander leest wat in zijn Bijbeltje. Trouwens, elke avond houden de gevangenen een avondsluiting. Bij het licht van een kaars lezen ze dan een hoofdstuk uit de Bijbel en ze zingen een psalm.

Vechten?

Later worden de gevangenen weggebracht naar Oldenburg. Dat is een andere plaats in Duitsland. Moeten ze daar weer loopgraven maken? Nee, nog erger! Ze moeten soldaat worden! Soldaat in het leger van Duitsland. De Urkers vinden dat verschrikkelijk! Ze moeten gaan vechten tegen de Russen. Het moet van de Duitsers! Maar eerst moeten ze leren hoe ze moeten vechten. Leren marcheren. Leren, hoe je een kogel in een kanon moet afschieten. De gevangen Urkers houden zich dom. Als ze moeten mar¬ cheren, links, twee, drie, vier... dan gaan ze ‘per ongeluk’ naar rechts! Zo hopen de Urker gevangenen, dat ze nooit echt hoeven te vechten.

Drei Liter

Ze moeten ook oefenen in het brengen van de Hitler-groet. Ze moeten zeggen: “Heil Hitler”. Maar dat wil niemand! Wat nu? En dan komt er een op een idee: “Laten we zeggen ‘drei Liter’ in plaats van 'Heil Hitler’”. Zo gezegd, zo gedaan. En de Duitsers hebben het niet door.

Weer naar een andere plaats

De Urker gevangenen moeten vertrekken. Ze hebben nu genoeg geleerd. Ze moeten soldaat worden. Met de trein gaan ze op weg. Het is op Urkjuist biddag, als ze vertrekken. Hoe zal het nu op Urk zijn? Bidden ze vandaag ook op Urk? In de trein klinkt ook een stil gebed: “U hebt ons tot nu toe willen sparen. Wil ons

90

weer behouden thuis brengen. We vragen het om Jezus’ wil. En zo Uw weg anders is...” Hier stokt het gebed en de trein rommelt voort. In een andere treinwagon wordt een lied aangeheven: “Ruwe stormen mogen woeden; alles om mij heen zij nacht; God, mijn God, zal mij behoeden...” Tranen branden in de ogen van de gevangenen. Toch voelen ze zich wonderlijk getroost.

Karlsruhe

Eindelijk komen ze in hun nieuwe plaats aan: Karlsruhe. Dat is een stad in Duitsland. Ook daar zien ze veel ellende. Lees maar eens een stukje uit het dagboek van Sjoerd Snoek: “We komen voorbij een keet, waarin blijkbaar mensen worden gefolterd. De Duitser, die erbij staat, loopt even weg. Een gevangene vraagt aan mij om brood. Hij draagt kampkleding. Hij heeft geen vlees meer op zijn botten. Wat jammer, dat ik niets bij me heb. De Duitser komt terug en vraagt: “Wat heeft de gevangene gezegd?” Ik zeg: “Ik heb hem niet verstaan”. De arme stakker wordt naar binnen geslagen. De deur gaat dicht. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten”.

De Russen komen

Ook in deze nieuwe plaats moeten de Urker ‘soldaten’ veel oefenen. Eigenlijk rekent niemand er meer op, dat ze nog eens aan het front moeten vechten. De oorlog is bijna voorbij. Je kunt het merken aan de Duitsers. Toch is het voor de Urker gevangenen nog niet voorbij. Ze moeten naar de stad Berlijn. In Berlijn is het verschrikkelijk. Het gevecht is daar hevig. Er vallen bommen. Heel vaak schuilen de Urkers in een schuilkelder. Op 28 april 1945 zeggen de Duitsers tegen de Urker gevangenen, dat ze maar beter knnnen vluchten. Vluchten naar Nederland. Want de Russische soldaten komen er aan! En daar is iedereen bang voor. De Urkers naaien rood-wit-blauw-vlaggetjes op hun jassen. Zo kunnen de mensen zien, dat ze Nederlanders zijn.

De weg terug De terugweg naar Nederland is moeilijk. Ze moeten over een rivier. De brug is kapot. Je kunt er nog wel overheen. Maar er staan schildwachten. Alsje toch over de brug gaat, wordje doodgeschoten. Later zijn de schildwachten even weg... De Urkers gaan de brug op, klimmen over spanten en spijlen. Het gaat omhoog en omlaag tot aan het midden van de brug. Dan gaat het nog verder omlaag. Het water stroomt snel onder hen... Ze

91

zien het dode lichaam van een soldaat. Die werd dus doodgeschoten... Eindelijk bereiken ze de overkant. Er is niet geschoten. En verder gaat het weer.

Weer thuis

Eindelijk, na een lange, moeilijke tocht, bereiken ze Urk. Een angstig oorlogsavontuur is voorbij. In alle kerken worden dankdiensten gehouden. Met grote dankbaarheid wordt psalm 126 gezongen: “Hij heeft door wond’ren ons bevrijd; diesjuichen wij, en zijn verblijd!”

Wilje meer weten over dit angstige oorlogsavontuur'? Lees dan het complete verhaal! Je hunt het lezen in het boek “Na de razzia, dagboek van Sjoerd Snoek

92

In juli 1942, midden in de oorlogsdjd, verscheen een verordening van Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Deze bepaalde, dat voorwerpen van koper, lood, tin, nikkel of legeringen daarvan, aangemeld moesten worden bij de ‘Rustungsinspektion’ ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie. Ook kerkklokken stonden op de lijst. In de herfst van datzelfde jaar begon de grote klokkenroof. Vijfenzestighonderd klokken verdwenen uit kerktorens en carillons. Een onwezenlijke stilte viel over stad en land. Toch bereikten niet alle klokken hun oorlogsbestemming. Op de Vormt bij Urk strandde een schip met de toepasselijke naam ‘Op hoop van zegen’. Het had meer dan tweehonderd klokken aan boord. Kerst 1944, somber klotsten de golven van het Ijsselmeer rond en boven de tot zwijgen gedoemde klokken...

‘Klokken-Peter’

P.J. Meulenberg was de man die zich in opdracht van de Dnitsers (maar geenszins onder dwang of bedreiging) belastte met de klokkenroof. Hij maakte daarmee naam: 'Klokken-Peter'. Het was geen erenaam, integendeel. Eerder had hij schatten verdiend bij de aanleg van een vliegveld bij Venlo.

Veel Nederlanders waren ‘goecl’, teveel landgenoten echter ‘fout’ in de Tweede Wereldoorlog. Het laatste predicaat was helaas niet uitsluitend voorbehouden aan aanhangers van de NSB.

De Urker klokken

In 1943 waren er op Urk drie kerkgebouwen: het Kerkje aan de Zee, de Gereformeerde kerk (die toen nog niet Bethelkerk heette) en de Christelijke Gereformeerde kerk in Wijk 4. Sinds enige tijd was daarbij gekomen het houten gebouw ‘Patrimonium’, als tweede Gereformeerde kerk.

Alleen de Gereformeerde Kerk en het Kerkje aan de Zee hadden een luidklok. De laatste, gegoten in 1461 en overgegoten in juli 1936, was aangemerkt als monument en bleef voor deportatie gespaard, maar de kleinere bijklok werd meegenomen. In de

TOEN DE KLOKKEN ZWEGEN...
93

Bethelkerk had voor 1910 een luidklokje gehangen, een scheepsbel, waarschijnlijk gekocht van een scheepssloperij. In 1910 werd een hogere toren gebouwd en een zwaardere klok gekocht. Het opschrift luidde: ‘Gegoten door Gebr. Van Bergen, Midwolde. Ps. 48 : 10: “O God, wij gedenken Uwe weldadigheid in het mid¬ den Uws tempels” Deze klok werd door de mannen van Meulenberg gevorderd en weggehaald om nooit terug te keren. In

De monumentale luidklok van het Kerkje aan de zee (1461). De klok werd overgegoten in 1936.

94

1947 werd een nieuwe klok aangekocht. Daar kwam op te staan: ‘De oude ontnam ons de Duitsche tyran A.D. 1943. Deze werd verkregen onder Godes zegen A.D. 1947. O God! Wij gedenken Uwer weldadigheid in het midden Uws tempels’.

Het klokje van 1870 (van de Christelijke Afgescheiden Gemeente) overleefde de oorlog in een verborgen hoekje en kwam in het Urker museum terecht. De oorlog kostte de Urker gemeenschap dus een klok, maar dat was wel de helft van het toenmalige bestand!

Op hoop van zegen Zo heette het scheepje dat met een kostbare lading in de herfst van 1944 onderweg was van Leerdam naar Hamburg. Het maakte waarschijnlijk deel uit van een door een of meer sleepboten gesleept konvooi. Aan boord bevonden zich 226 klokken en 145 klepels. Ter hoogte van Urk raakten twee schepen los van het konvooi. De ‘Op hoop van zegen’ strandde op de Vormt recht tegenover de Vuurtoren. De oorzaak van het losraken en de daaropvolgende stranding zal wel nooit worden opgehelderd. Was er sabotage in het spel? Niet onmogelijk. Trouwens, al zou het schip niet bij Urk gestrand zijn, dan nog was het de vraag of het ooit zijn bestemming bereikt zou hebben.

De Engelse luchtmacht, de Royal Air Force, was namelijk via ondergrondse kanalen op de hoogte gesteld van het klokkentransport. Eerder waren de twee fabrieken in Hamburg, waar de klokken werden omgesmolten, gebombardeerd en geheel of gedeeltelijk buiten werking gesteld. Het waren de ‘Norddeutsche Affenirie’ en de ‘Zinnewerke Wilhelmsburg’. Beide bedrijven maakten deel uit van de Duitse oorlogsindustrie.

De klok van de Bethelkerk zal daar waarschijnlijk zijn stukgeslagen en langs elektrolytische weg omgesmolten tot maagdelijk koper en tin. In ieder geval bleven de 226 klokken van de ‘Op hoop van zegen’ (hoe toepasselijk!) voor deze smadelijke ondergang gespaard.

Tot augustus 1945 bleven zij rusten op de zeebodem. Er werden in die laatste, bange oorlogswinter en het daaropvolgende voorjaar geen pogingen ondernomen om schip en lading te bergen. De dierbaarste ‘sjouw op de Vormt’ bleef zelfs door de Urker bergers toch voor geen kleintje vervaard onaangeroerd.

95

Op bezoek bij Sjouke Zoer

Dejaren verstreken en de geschiedenis van het ‘Urker’ klokkenscheepje dreigde zich op te lossen in de nevels van de tijd. Er werd nauwelijks iets over gepubliceerd. Zo vlak na de oorlog waren kranten en tijdschriften nog van minimale omvang en herrijzend Nederland had wel belangrijker dingen aan het hoofd.

In het vooijaar van 1989 werden wij getipt omtrent een gepensioneerde sleepbootkapitein Sjouke Zoer. Deze zou een belangrijk aandeel hebben gehad in de berging van de klokken aan boord van de ‘Op hoop van zegen’. In de vroege herfst zochten wij hem op in zijn geriefelijke woning aan de Eekwal in Zwolle. Hij weet zich de berging van het klokkenschip nog goed te herinneren.

“In mei 1945 keerde ik uit Duitsland terug naar het bevrijde Nederland. In Duitsland (ik was injuli 1944 opgepakt) moest ik, als zovelen, dwangarbeid verrichten, puin ruimen en schepen lossen met van joden geroofde goederen. Het was geen prettige tijd. Op 11 mei 1945 kwam ik in dienst van de fa. Daalder, de opzichter heette Leijnse. Vier weken lag ik met onze mastbak in Oostvaart (Noordoostpolder). Toen kreeg ik opdracht mij op Urk te vervoegen bij Fokke Hoekman. Wij gingen naar Monnickendam om dertien gezonken schepen te bergen die gevaar opleverden voor de scheepvaart.

Op dinsdag 31 juli 1945 werd onze mastbak - het karwei bij Monnickendam was inmiddels geklaard naar het klokkenschip bij Urk gesleept en namen de bergingswerkzaamheden een aanvang. Van de Urker medewerkers herinner ik mij Andries Hakvoort. Voor de klokken die in dieper water lagen, was een duiker ingehuurd. Als we’s avonds het werk voor die dag geklaard hadden, sloegen we met een ijzeren staaf op de grootste klok. Dat was het sein voor de ‘Albert IV’ dat wij gehaald konden worden. De werkzaamheden strekten zich uit van eind juli tot begin augustus 1945”.

Aan het eind van het gesprek haalt Zoer een paar oude kiekjes uit zijn portefeuille: het klokkenschip!

Het verloop

Uit dagboekaantekeningen van de Urker havenmeester kennen wij het verloop van het verhaal.

Verdeeld over vijf werkdagen werden in totaal 226 klokken en

96

145 klepels geborgen. Ze werden op Urk aan land gebracht en ujdelijk opgeslagen in de hoek bij het strand. De ‘Eben-Haezer van Jan van Laar bracht de kostbare lading op donderdag 9 augustus naar Amsterdam, gesleept door de ‘Albert II’. In december 1945 enjanuari daaropvolgend is nog geprobeerd het wrak van het klokkenschip te lichten. De werkzaamheden wer¬ den belemmerd door storm, ijs, mist en regen.

Toen eindelijk de weersomstandigheden kenterden, bleek het wrak in tweeen gebroken en berging onmogelijk. De gebroeders Hakvoort van de gelijknamige werf op Urk gingen het wrak in de strenge winter van 1963-1964 met branders te lijf. Voor het schroot ontvingen zij / 300,-. Een aardig bedrag voor die tijd.

97

Pieter Romkes

Geboren 15 September 1915 op Urk

Overleden 23 april 1943 in Birma

Pieter Romkes vertrok op 20 September 1955 als vrijwilliger naar het toenmalige Nederlandsch Oost-Indie. In de laatste brief die hij van daaruit schreef, meldde Pieter dat hij was bevorderd tot onderofficier in het Koninklijk Nederlandsch Indische Leger. De oorlog brak uit en de brieven bleven uit. Na de nederlaag in Indie werd Pieter als krijgsgevangene tewerkgesteld aan de beruchte Birma-spoorlijn. Daar overleed hij in een Jappenkamp aan de gevolgen van difterie. Op een van de oorlogskerkhoven in Birma ligt hij begraven.

Na de oorlog deden zijn vrienden verslag van zijn dood en begrafenis aan zijn familie; een veldprediker had de dienst geleid. Pas in 1952 kreeg de familie enige persoonlijke bezittingen terug.

In het verre Birma ligt een Urker begraven, maar dichtbij gedenkt Urk dezejongen van het eiland met een straatnaam.

98

VAN BOTEN EN BESCHIETINGEN

Voordat in mei 1948 de wegverbinding met Emmeloord tot stand kwam, was Urk wat het verkeer met de ‘vaste wal’ betreft aangewezen op de bootdiensten van de EUSM. Die afkorting stond voor Eerste Urker Stoomboot Maatschappij, opgericht in 1915. Tot 1890 had de postschuit nog dienst gedaan, maar in april van dat jaar voer de ‘Minister Havelaar’ van de Kamper Stoomboot Maatschappij een dagelijkse dienst van Kampen naar Enkhuizen met Urk als tussenstation. De aanvankelijke concurrentiestrijd tussen de beide maatschappijen is uitvoerig beschreven in ‘De boot toet’ van W.J.J. Boot (1984). Uiteindelijk trok de Kamper maatschappij zich terug en bij het uitbreken van de oorlog was de bootdienst een geheel Urker aangelegenheid.

De vloot

De EUSM beschikte in 1940 over een vloot van zes schepen. Vijf schroefstoomboten, te weten de ‘Toerist’, de ‘Dir. Gen. Jhr. Von Geusau’, de ‘Insula’, de ‘Ostera’ en de ‘Sirena’, en een motorboot, de ‘Idonea’. Zij voeren, voorzover ze niet waren opgelegd

De reserveboot ‘Sirena bouwjaar 1902, vanafaugustus 1944 de enige unbin¬ ding met Kampen en Enkhuizen.

99

als reserveboot, regelmatige diensten op Kampen en Enkhuizen en ’s zomers op Amsterdam. Met de komst van de Zuiderzeewerken werden ook toeristische excursies gevaren naar de groeiende polderdijken. De ironie van bet lot wil, datjuist de drooglegging van de Noordoostpolder het einde inluidde van de bootdienst, maar de oorlog rekte nog enige tijd het bestaan van de maatschappij. In mei 1940 was van een dreigende liquidatie nog niets te merken. Integendeel, nooit tevoren was de vloot zo groot en het aanbod van passagiers was daarmee in overeenstemming. De leiding van de maatschappij was in handen van een energieke en vooruitstrevende Urker: Gerrit Snoek.

Vorderingen

De eerste oorlogsjaren voeren de boten vrijwel ongehinderd hun dagelijkse diensten na een korte onderbreking gedurende de eerste oorlogsdagen. Het zomerse toerisme kwam in de loop van 1940 weer normaal op gang. Nog in 1942 boekte de maatschap¬ pij een aardig succes: door de verkoop van de ‘Toerist’ naar Duitsland (!) voor een voor die tijd zeer gunstige prijs, kon de ‘Ostera’ worden verbouwd tot een moderne salonboot. Dat gebeurde bij de Amsterdamse werf ADM, maar prompt daarna werd het schip door de bezetter gevorderd en als ‘Lazarettschiff in Enkhuizen, later in Hoorn, gestationeerd.

En daarmee begon de ellende. Niet een van de resterende vier boten ontkwam aan een kortere of langere vordering door de bezetter. In de tweede helft van 1944 was de situatie zodanig dat alleen de oude en weinig geliefde ‘Sirena’ nog in de vaart was, een langzame, aftandse boot, eerder opgelegd als reserveschip. Beurtelings werden de andere schepen gevorderd, tijdelijk teruggegeven en weer gevorderd. Er moest veel worden geimproviseerd om de levensader van Urk in stand te houden.

Op 29 februari 1944 werd het ‘vlaggeschip’ van de EUSM, de ‘Dir. Gen. Jhr. Von Geusau’, ten zuidoosten van Enkhuizen beschoten. De passagiers, waaronder vrouwen en kinderen, doken in paniek onder tafels en banken. Gelukkig werd niemand gewond, maar de boot liep flinke schade op. Alle boten keerden naar Urk terug, nog in of net na de oorlog, maar wel, zoals directeur Snoek het in zijn aantekeningen omschreef, “in desolaten toestand”.

Groningen IV Een dramatische gebeurtenis speelde zich af op het Ijsselmeer in

100

de nacht van 8 op 9 januari 1945, midden in de hongerwinter. De passagiersboot ‘Groningen IV’ was op weg van Lemmer naar Amsterdam. De boot voer met gedoofde navigatielichten. Het zicht was slecht, de nacht was donker en koud. Het schip was afgeladen: veel moeders en kinderen, ondere mensen ook, die op voedseltocht in Friesland waren geweest. Uit de tegenovergestelde koers naderde de ‘Jan Nieveen’, afkomstig uit Amsterdam en op weg naar Friesland. De klok wees tien voor twaalf. Op de brug van de ‘Groningen IV’ zag men plotseling een donkere schim uit het zwarte niets opdoemen, een spookschip. Even later raakten beide schepen elkaar met een geweldige klap. De ‘Jan Nieveen’ reet het voorschip van zijn tegenligger open. “Als een sardineblikje”, vermeldt een beschrijving van de gebeurtenis. In de ‘Groningen IV’ bevonden zich veertien mensen in de voorpiek. Door de enorme ravage waren zij afgesloten van de rest van het schip. Het rampschip werd opzij geslingerd en helde al met de voorsteven onder water. Er begon paniek uit te breken. Mensen verdrongen elkaar, vechtend voor hun leven, naar de toegangsdeuren. Even later lag de Jan Nie¬ veen’ slingerend langszij. Loopplanken werden uitgelegd en dekknechten en stokers begonnen mensen over de railing te tillen. De kapitein deed nog een keer een ronde over het zinkende schip. Daarbij moet hij als eerste de afschuwelijke waarheid beseft hebben omtrent het lot van de passagiers in de voorkajuit. Luttele ogenblikken later zonk het schip weg in het ijskoude water van het Ijsselmeer, veertien mensen met zich naar de diep-

De ‘Dir. Gen.Jhr. Von Geusau’, hei ‘vlaggeschip’van deEUSM.
101

te sleurend. De scheepsramp voltrok zich ter hoogte van Urk. Het wrak werd in September 1946 gelicht. Toen pas konden de slachtoffers worden geborgen.

Mysterie

In het begin van 1945 werd aan de voet van de dijk bij Urk het ontzielde lichaam gevonden van een ruim twintigjarig meisje. Het stoffelijk overschot kon niet worden geidentificeerd. Een zakje met geld zat om de hals van het slachtoffer. Een oproep in het politieblad bleef zonder resultaat. Was het meisje een van de passagiers van de ‘Groningen IV’? Men vermoedde het, maar er was geen enkel bewijs. Het raadsel bleef onopgelost. Totdat de jonge Piet Brouwer, in de zomer van 1946 op vakantie bij een tante in Amsterdam, getuige was van een gesprek tussen zijn tante en de melkboer. Het ging over de vermiste dochter van een van zijn klanten, die niet was teruggekeerd van een hongertocht naar Friesland. Piet herinnerde zich meteen dat er op Urk een onbekend meisje begraven lag en vertelde dat aan de melkboer. Die gaf de bijzonderheden van Piets verhaal op zijn beurt dadelijk door aan de betrokken familie en dat was aanleiding tot een nader onderzoek. Het resultaat was, dat het mysterie van het ver¬ miste 23-jarige meisje zowel hier als in Amsterdam tot een oplossing kwam. Het stoffelijk overschot werd aan de familie in Amsterdam afgestaan en aldaar herbegraven.

Brand aan boord

Varen op het Ijsselmeer was in de oorlog niet ongevaarlijk. Dat ondervond de schipper van de klipper ‘Spes Salutes’, Jan Romeijn, op 13 april 1944. Zijn schip werd nabij Urk door een Engels vliegtuig in brand geschoten. De lading bestond uit pakken stro. Harmen Kramer (van de Luchtbeschermingsdienst) en Klaas Kramer voeren uit om het schip naar de Urker haven te slepen. Aanvankelijk kregen zij daarvoor geen toestemming, omdat de Duitse autoriteiten vreesden dat de lading van het schip, in tegenwind op sleeptouw, heviger zou gaan branden, waarbij de roef, waarin zich het gezin van de schipper bevond, gevaar zou lopen. De klipper is toen achterstevoren naar Urk gesleept. Daar aangekomen bleek, dat de lading onderin het schip nog smeulde, zodat het moest worden volgepompt en aan de grond gezet. Het gezin Romeijn heeft tot na de bevrijding op Urk gewoond. Andere schepen liepen bij Urk op ‘de Vormt’, waaronder een tjalk, geladen met touw, en een schip met een wel zeer uitzon-

102

derlijke lading: geroofde klokken op weg naar Duitsland. Zie daarvoor het hoofdstuk: ‘Toen de klokken zwegen...’.

Beschieting

Afgezien van de vordering van een groot gedeelte van de vissersvloot is Urk voor verder oorlogsmolest gespaard gebleven. Er zijn, voorzover wij weten, twee bommen gevallen, een in de haven en een andere op of nabij de ‘burgerboet’ van de dienst Gemeentewerken. Niemand werd getroffen, de schade bleef beperkt. Soms werden in de haven liggende ‘Waffenschepen’ door vliegtuigen beschoten, wat grote consternatie gaf. Een meisje dat met een handgranaat ‘speelde’, liep door het exploderende oorlogstuig blijvend letsel op. Een aantal plaatsgenoten beleefde een hachelijk avontuur in de polder, op en nabij een zandzuiger in een zijtocht van de ‘Urkervaart’. Rense Ruiten, Maarten Schraal, de broers Jaap en Johannes Gerssen en een opzichter, Stuifzand, waren erbij betrokken. Op het dek van de zuiger stond een groot fornuis, waarop de mannen hun eten konden warraen. “Elet liep tegen etenstijd”, aldusjoh. Gerssen in een verslag. “We haalden onze pannetjes tevoorschijn. Plotseling doken, als uit het niets, twee Engelse jagers naar beneden en begonnen, rrrrt... te schieten. De hele bovenbouw van de zuiger schoten ze aan Harden. De man die voor het fornuis had gestaan, lag hevig bloedend op het dek. Iedereen was in paniek weggerend om dekking te zoeken. Toen we van de eerste schrik bekomen waren, gingen Jaap en ik aan boord van de zuiger. Onze eerste zorg gold natuurlijk het slachtoffer. We legden hem op een ladder en vervolgens op de sleepboot die naast de zuiger lag. We voeren af naar de Urker sluis, maar eer we de steiger hadden, was de man al dood. Zelf hadden we geen schrammetje”. Tot zoverJoh. Gerssen.

Elders in ons land werden (oud-)Urkers met oorlogsgeweld geconfronteerd. Drie van hen vonden de dood bij een bomaanval. Het waren Stijntje Bakker-Schenk (54), Hein Bakker (59) en Sijmen Bakker (27).

103

geestelijk leven. En door hun gebed voor u. 2 Kor.9:14a.

IXt hoofdstuk handelt over de inzaraeling van giften voor de arme gemeente.Geldzaken zijn in den regel dorre zaken voor geestelijk aangelegde menschen,zij hebben er slechts sen matige belangstelling voor.

Paulas zet de materieele dingen mid¬ den in de sfeer der geostelijke din¬ gen.Lees slechts aandachtig na,hoe hij den weldadigheidszin bij de KorinthiSrs opwekt.Strooien zij hun gaven.mildelijk en verstandl^ uit,zooals de zaaier zijn zaad,dan zal er ook brood voor hen zelf uit het zaaisel opschieten,zij zullem er persoon- i lijk niet bij te kort komen.

Schooner is het echter.dat hun liefdeblijken de bewaldadfgden er toe dringen om God te verheerlijken,die de harten als waterbeken hun ten goede heeft geneigd.En niet minder ver~ rassend is het,d&t dit loven van God zich orazet in een gebed voor do weldooners.Broader3,gij spreekt zoo vaak over ‘ s werleds ondank.Voor menigeen is dit zolfs oen voorwendsel om de hand gesloten te houden,iets wat alleen mogelijk is,indien het hart 6<5k voor den nood der broederen gesloten is.Gelooft echter,dat er ook nog wel diepe en teodere dankbaarheid is.Misschien zal men u niet met een vloed van woorden danken,de gezegendon zijn er vaak te schnchter voor.Maar als gij in hun binnen ka-

KERKNIEU V/ S.ZONDA.G 16 Nov. Geref.Kerk Ls*Dcorehbos. Geref.Kerk Oost Ds.Zijlstra. hanvang 10 en half vier uur. Herv.Kerk Ds.van V/ieringen. Aanvang 10 en 4 uur. Chr.Ger.Kerk Ds.van Vocrthuysen* Aanvang 10 en 5 1113*3 —c—c—o—o—o—o—o—c—0—0—o—o—o—o— BEROEP.

Ds.van Voorthuysen ontving een beroep van de Chr.Ger.Kerk van Brieber*gen.Naar we vsrnemen vrordt ,er in da gemeente ernetig rekening gehouden met het felt dat de stoffelijke zij de van het beroep voel bekoorlijks heeft voor den geli.fden leeraar. 0 0 0—c-o—0 0 NA-\R HET HIEWE GEBIED.

Ds.Ziijlstra zal binnenkort zich geheel gaon wijden aan de geestelijke verzorging van do arbeidc-rs in hot Urkerlandflangezien momenteel veel v°lk werkzaam is met de ontginning langs de Ovori.jsel3che(voopm^ligpj kuststrook zal Ds%Zijlstra zich waarschijnlijk te Kadoelen vestigen.Vfe komen hierop t.z.t.terug. -o-o-o-o—0 0 0

HET ORGSL COMITE. ^

Bij het Comity dat zich ten doel ;stelt het oude orgel in de Herv.Kerk te vervangen door een nieuw.hebben zich reeds meer dan 300 personen annIgesloten.Om lid van het Comit6 te worden behoeft men juist niet tot de Herv ,kerk te behooren.ook andere Urkers jkunnen hiervan lid worden. mer kondt glurcn,zoudt gij don boweldadigde daar op de knieOn vinien om stillekens voor den weldoener £c

—W—U—u- 0-0—oONT//IKKELII\G. UU1 a exixeKens voor aen weiaoener te j De reciteerver.Kleine Kracht heeft bidden,.... .de schoonBte,rijkste dankl, Mar studies hervat.Er is nos olaat K. voor enkf?1« irmrmi,.-! -0-0—o—o-o-o-o-o-0-0—0—0—0—0—O—0—0-6

voor enksle jongalui aie zich Woensoagavond in de bovenz.van het Jeusdgeoouw ktnmen maiden. Het krantje van Koffeman.

104

Wat is 1945 toch een gedenkwaardig jaar geweest! De eerste maanden waren nog vol kommer en kwel vanwege de steeds knellender wordende bezetting, het toenemende gebrek aan noodzakelijke levensbehoeften en het gevaar van verwoestende en slachtoffers eisende calamiteiten, zoals de dreigende inundatie van de Noordoostpolder. Maar toen kwam in het vooijaar de lang verwachte bevrijding!

Bevrijding

Wat is ‘bevrijding’ toch een prachtig woord. Het doet ons denken aan hoe erg het was en hoe heerlijk het werd.

Wat was immers de winter bang en boos. De bevrijding, die in September 1944 zo dichtbij scheen, ging toen niet door.

Maar toen kwam toch het voorjaar van de verlossing. Op 14 april 1945 werden de telefoonverbindingen ‘met de wal’ verbroken. De nog op Urk aanwezige Duitsers bereidden hun aftocht voor. Op zondag 15 april versperden ze de sluis door er twee schepen te laten zinken. Toen de Bethelkerk uitging, zagen de kerkgangers de pastoriebezetters met beddegoed sjouwen en dat gaf moed. ’s Middags vertrokken ze op twee schepen, maar twee andere, de zogenaamde Waffenschepen, bleven nog in de haven liggen.

De dorpelingen, die in spanning afwachtten, hoorden ’s nachts ontploffmgen. Er was een kraan tot zinken gebracht om de binnenhaven te versperren.

’s Maandagsmorgens gingen de laatste ongewenste pastoriebewoners over de dijk er vandoor. (Nog altijd was er geen wegverbinding. Die is er pas in 1948 gekomen.) ’s Avonds vertrokken de Waffenschepen. Urk was niemandsland geworden en volkomen geisoleerd. Het gonsde er echter van de geruchten.

De enige landwachter van Urk probeerde op de dijk te komen, zogenaamd om hout te sprokkelen, maar hij werd door mannen teruggewezen.

Vlaggen

De Ersatz-burgemeester wilde er in een punter vandoor gaan,

HETJAAR VAN DE BEVRIJDING
105

maar ook hij werd tegengehouden. Vervolgens kwam in de nacht van 17 op 18 april de NBS (niet te verwarren met de NSB) in actie. Enige NSB-ers werden opgepakt en met een bootje de pol¬ der ingebracht.

In de morgen van woensdag 18 april verschenen plotseling de eerste vlaggen, zo lang in het verborgen bewaard. Ieder ging de straat op en was zeer opgewonden.

In de loop van de middag organiseerden enige mensen een samenkomst op de haven, om te zingen. Massaal werd aan deze volkszang deelgenomen. De bevrijdingsliederen, die al in Sep¬ tember klaarlagen, konden nu gebruikt worden. Uit voile borst werd er gejubeld. Zelfs de kleinen konden meedoen.

Rood Wit Blauw!

Kom eens gauw, ’k Zie de vlag waar ik van hou. Wij zijn blij: ’t Land is vrij! O, hoe vrolijk zingen wij!

Als na vijfjaar dwinglandij Klinkt de kreet: het land is vrij! Springt het hart van vreugde op En de blijdschap stijgt ten top. Ieder trekt eenfeestkleed aan. Vrolijk waait d’ Oranjevaan Boven ’tfrisse rood-wit-blauw, Eind’lijk uit de vouw.

In de straat heerst groot gerucht, Ieder voelt zich opgelucht.

KindYen zingen, juichen luid, En ook ouden roepen’t uit: Leve onze Koningin! Nu komt zij het land weer in. God heeft aan ons welgedaan, ’t IJjden is vergaan!

’s Avonds was er de eerste dankdienst. De bevolking ging opge¬ lucht slapen. De donderdag zette echter een domper op de feestvreugde. Bij het opbrengen van een aantal ‘meisjes’, viel temidden van de deinende menigte een noodlottig schot, dat twee

106

Landing van Canadese amfibievoertuigen op de dijk bij Urk, mei 1940. (Foto G. Wakker) slachtoffers maakte tweejonge mannen.

Canadezen

Nog altijd was Urk niemandsland. Pas de volgende dag verschenen de eerste Canadezen, die aloni met gejubel werden begroet. Nu wist ieder dat de vrijheid werkelijk weer gekomen was.

De verhalen kwamen los, grappige en ernstige.

De proclamaties, die bij de bevrijding opgehangen moesten worden, waren een tijdlang verborgen geweest in de zitting van de burgemeestersstoel. De NSB-burgemeester had er onbewust wekenlang op zitten broeden.

Het werd nu ook bekend wie vliegeniers verborgen en voortgeholpen hadden. Vier ingezetenen kregen daarvoor een loffelijk getuigschrift, te weten: Jelle Visser, Lub Hoekman, Lub Hakvoort enJoh. Gerssen.

De bevolking was geschokt toen bekend werd gemaakt dat twee Urkers in de duinen bij Bloemendaal dood waren aangetroffen. Ze waren gefusilleerd. Ze werden bijgezet in het Eregrafhof van genoemde plaats. Het betrof Harm H. Gerssen en Roelof Oost. Zij waren al een tijd niet meer op Urk woonachtig. Elders hadden zij hun roeping ten opzichte van vaderland en volk begrepen en het hoogste offer gebracht: hun leven.

In de Zaanstreek was het onder meer Hendrikus ten Napel.

107

Groot gevaar

Ook werd bekend welk een groot gevaar de Noordoostpolder had bedreigd. De Duitsers hadden met de polder hetzelfde willen doen als met de Wieringermeer, namelijk onder water zetten. Bij Lemmer waren daar alle voorbereidingen al voor getroffen. Het ondergrondse verzet in de polder nam toen in ’t geheim contact op met enige Polen, die gedwongen bij de Duit¬ sers in dienst waren. Toen deze laatsten de polder ijlings verlieten, wilden ze de dijk opblazen, maar een Pool had de lont verstopt en zo ging de grote explosie gelukkig niet door; de polder was gered. (Later is hierover een andere lezing in omloop gekomen.)

Harmen Visser, die op Urk postcommandant van de politie was geweest, had moeten onderduiken en was in de illegaliteit gegaan. Een rechtschapen en dapper man! Hij sneuvelde, net voor de bevrijding, in de buurt van Kuinre.

Feest

De vrijheid was herwonnen en dat vroeg om een daarbij passende viering. Op 5 mei capituleerde Duitsland en kon het hele land vrij en blij zijn.

Op Urk werd eindjuni twee dagen feest gevierd op een eigen wijze. Een kinderoptocht, gevolgd door een kinderfeest. Een defile langs de graven van gevallenen, gevolgd door een gedenkdienst in de kerk. Een nagebootste landing van de Prins van Oranje. Een vreugdevuur. Een optocht als nog nooit was vertoond. Een zeil- en een voetbalwedstrijd. Vuurwerk en film. En dat alles zonder wanklank.

En hoe vaak is in die tijd psalm 124 gezongen? Een psalm met een niet zo gemakkelijke wijs, maar met woorden die toen door alien begrepen werden:

“W’ontkwamen haast des vogelvangers net, de strik brak los en wij zijn vrijgeraakt!”

Nu betekende ‘bevrijd’ nog niet ‘vrij van zorgen’. Want zorgen waren er in 1945 en verder nog volop, door schaarste van veel levensmiddelen, kleding en faciliteiten op velerlei gebied.

Naar veel schepen die gevorderd waren, werd nog gezocht, en vooral: niet alle weggevoerde plaatsgenoten kwamen terug.

Wei keerde op 14 mei burgemeester G. Keijzer uit zijn gevangenschap weer.

108

Beunjdingsfeest 1945

De Duilse comman¬ dant op Urk, bijgenaamd ‘het Varkenssnuutjen’ mocht in de optocht niet ontbreken.

(Foto G. Wakker)

De krant

Een strook van de Noordzeekust werd voor bevissing vrijgegeven. Het aanbod van goederen werd verruimd. Elke week bracht de krant wel een verblijdende mededeling. We noemen er enige. Het brood was niet muf meer. De gerookte paling was zo verrukkelijk. Het werk aan de nog niet geheel afgewerkte dijken begon weer. De Urker boten waren weer terug en zo konden de bootverbindingen met Enkhuizen, Kampen en Amsterdam weer onderhouden worden. En telkens als er een geroofde en teruggevonden hotter, hoe gehavend ook, de haven werd binnengebracht, gaf dat een goed gevoel. Het licht van de vuurtoren werkte weer en de kerktelefoon kon opnieuw in gebruik worden

109

genomen. Er was weer elektra en er werd melk, petroleum en turf verstrekt. Daarna volgden zaken als beschuit, witbrood en schoenen. Ook kwam er hulp uit Zweden en Zwitserland, landen die buiten de oorlog gebleven waren. Deze hulp kwam goed van pas.

Naar nog vermiste schepen werd verwoed verder gezocht. De schepen die in de haven tot zinken gebracht waren, werden gelicht en buiten de haven werd een schip met geroofde kerkklokken boven water gehaald. De zoektocht naar botters ging tot ver in het buitenland door.

Normaal

Alleen... door de polder kwam nog steeds maar geen weg. Met een vletje was er zo nu en dan een verbinding met Emmeloord in-opbouw.

Het goede nieuws overheerste in de tweede helft van 1945.

Maar tussen alle goede berichten door was er toch ook telkens droevig nieuws. Er werden lichamen van verongelukte en aangespoelde vliegeniers tijdelijk op Urk begraven. Er bleken botters verloren te zijn gegaan. Enkele plaatsgenoten keerden niet meer terug...

Bevrijdingsoptocht 1945 voorgebouw ‘Samuel’ in dePrins Hendrikstraat.
110

Het deed denken aan plaatsen die veel erger dan Urk getroffen waren en waar men desujds inzamelingen voor had gehouden. Dat waren het verdronken Grijpskerke op Walcheren en het verbrande Putten op de Veluwe.

Urk dankte met een gedenksteen Vollenhove voor in november 1944 aan Urker gevangenen bewezen hulp. Trouwens, Urk dacht zelf ook aan een monument voor de oorlogsslachtoffers. Dat kwam er later inderdaad.

Aan het einde van datjaar verscheen het eerste nieuwe schip in de haven. In diezelfde tijd werd de eerste roman over een Urker meisje uitgegeven: ‘Snibbetje’, van A. Olofsen-Korf.

Daarmee was nog niet alles ‘normaal’, maar hetjaar 1945 kon op de Urker dankdag met grote dankbaarheid afgesloten worden. Eenjaar van lijden en verblijden.

Ill

Harmen Visser

Geboren 25 november 1894 te Scharl

Overleden 16 april 1945

Brigadier Visser, zoals hij altijd op Urk werd genoemd, is op ons eilandjarenlang hoofd van de politie geweest. Als verzetsstrijder hij was afdelingscommandant van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten trok hij aan het hoofd van zijn mannen met een Canadese eenheid op, teneinde Kuinre en Schoterzijl te bevrijden. In de buurt van die laatste plaats is hij door een Nederlandse SS-er neergeschoten. Dit gebeurde op de dag voor de bevrijding van de Noordoostpolder. Het Harmen Visserplein op Urk en dat in Emmeloord dragen zijn naam als eerbetoon aan deze onverschrokken verzetsstrij¬ der.

112

Op 17 april 1945 werd Urk bevrijd. Ruim twee weken later kwam de bevrijding voor geheel Nederland. Nederland was weer vrij. Een zware tol moest daarvoor worden betaald. Groot was het verlies aan mensenlevens. Groot waren ook de verwoestingen door roof, vernieling en oorlogshandelingen. Materieel gezien bracht Urk het er nog best vanaf. Ons dorp bleef onbeschadigd. Toch was er ook op Urk leed. Oorlogsleed. Rouw over hen die niet terugkeerden. Zorg over hen die de gruweldaden aan den lijve hadden ondervonden en daarvan niet (meer) konden loskomen. Openbare en verborgen nood. En ondanks dat, groeide weer de geestkracht. De wil, de zin en de lust om in vrijheid te zorgen voor hen die ons lief en dierbaar zijn. Urk ging een nieuwe periode in. Vertrouwend op God, Die de tirannie en het geweld had verdreven. Die God, Die in verleden tijden zo rijk gezegend had. De Heere werd gedankt en geprezen!

En nu? Waar hebben de weelde, de welvaart en de weldaden ons gebracht? Een vraag die moet leiden tot bezinning.

Een klein stukje Urker geschiedenis ging in dit boekwerkje aan uw ogen voorbij. Urk in oorlogstijd. ’t Is slechts een samenvatdng. Veel meer kan er over de oorlogsperiode worden geschreven. Wanneer alles naar wens verloopt, gebeurt dat ook. De oproep in de plaatselijk verschijnende bladen om gebeurtenissen uit de oorlog door te geven, vond weerklank. Een groot aantal ooggetuigeverslagen, verhalen en bijzondere gebeurtenissen werden vanuit de bevolking aangeleverd. Daarnaast trof de redaktie tijdens haar speurwerk diverse belangrijke gegevens aan. Nieuwe verhalen konden worden gemaakt. Ook werden enkele interviews afgenomen. A1 deze verhalen, gebeurtenissen, interviews en verslagen zullen in een tweede boek over Urk in oorlogstijd nog dit jaar verschijnen. Uiteraard opnieuw verluchtigd met bijpassende foto’s.

Dank zijn we verschuldigd aan het gemeentebestuur en de directie van de visafslag, die een financiele bijdrage verstrekten, waardoor deze eerste uitgave mogelijk werd. Ook zeggen we Janny de Boer hartelijk dank, die dit oorlogsboek heeft getypt, met zorg en toewijding.

EPILOOG
113

50jaar na de bevrijding zien we terug op de oorlogsjaren. Om te gedenken, maar ook ter lering. Dit niet weer. ’t Is een terugblik, om Gods hand in de geschiedenis op te merken en Zijn wonderdaden.

Ons past de bede: ‘Heer’, ontferm U, ontferm U over dit geslacht. En breng ons weder aan Uw voeten, opdat ons niet iets ergers wacht.

114

Ik sta bij ’t monument, verzonken in gedachten... De tijd ging snel voorbij. Wie kent nog al het leed dat d’ oorlogsweeen toen aan deze mensen brachten? Ik lees de namen weer... opdat ik niet vergeet.

Komt er nog ooit een tijd dat de kanonnen zwijgen en dat er vrede mag op gans de aarde zijn, zodat geen wapentuig het leven kan bedreigen en heel de schepping zal Gods schone gaarde zijn?

Ik sta bij’t monument en richt de blik naar boven, ik voel de frisse wind en zie de wolken gaan... Daalt ooit die vrede neer? Heer’, sterk mij in ’t geloven: Gij laat het door uw Kind de kinderen verstaan.

T. de Vries

BIJ HET MONUMENT

Archiefgemeente Urk

W.J.J. Boot, 'De boot toet!’

Diversejaargangen van het ‘Friesch Dagblad’ Diversejaargangen van de ‘Oprechte Urker’ Diversejaargangen van ‘Stuurboord’ Diversejaargangen van ‘Het Urkerland’ Diversejaargangen van het ‘Urker Volksleven' Elsevier, ‘Kroniek van de twintigste eeuw’, 1985 Het Grote Gebod', gedenkboek LO en KP, 3e druk 1979 A.A.Jansen, ‘Wespennest Leeuwarden’, 1977 Dr. L. deJong, ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ H. Kramer, ‘Aantekeningen’ L. Kramer, ‘Herinneringen uitmijn leven’, 1971 L. Kramer, ‘Scheepsjournaal UK 202’, 1994 F. Pereboom, ‘Het Kerkje aan de Zee’ J. van Slooten, ‘Een verurkte Israeliet’, 1995 S. Snoek, ‘Na de razzia’ A. van Urk, ‘Daar werd een dijk gelegd’ R. Valkenburg, ‘Gedreigd door’t vuur’, deel II T. de Vries, ‘Urk in oorlogstijd’ A. en K. Weerstand, ‘Verzamelde gegevens’ A. Wielinga/J. Salverda, ‘De Lemmerboot’, 1983

Fotoverantwoording

De foto’s in deze uitgave zijn afkomstig van: Archiefgemeente Urk (ArchiefRijkswaterstaat, directie Flevoland) ArchiefA. van Urk, Urk Walkate Archief, Kampen Gemeente archiefRotterdam Museum ‘Het Oude Raadhuis’, Urk Collectie G. Wakker, Urk Machiel Korf Fotobureau Bedijs, Amsterdam Diverse particulieren

LITERATUURLIJST
116

5 mei

Psalm 37 vers 35 en 36

Toen’s Heeren hand den dwing’land had geveld

En ’s vijands macht een einde had genomen, Scheen onze blijdschap schier niet te betoomen; Verbroken werd, wat lang ons had gekneld.

O vreugdedag!... Wie had nog durven droomen Eens vrij te zijn van onrecht en geweld? Er stierven veel, gemarteld en gekweld, En ook voor ons scheen bijna geen ontkomen.

Elkjaar opnieuw zal Holland dit herdenken, Hoe God na druk, verademing won schenken, Met dankbaarheid in het verruimd gemoed.

En stil zijn, in gedachtenis aan alien Die, voor de vrijheid daagde, zijn gevallen, Die voor ons streden offerden hun bloed.

W. Ruiten Stichting Urker uitgaven 1995

Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.