Brabants magazine nr. 37

Page 1

Brabants

Kwartaalblad over Brabanders en hun taal

Frits Spits, man van de Taalstaat

C. Heijne, de Bekroonde Komiek

Frank van Osch, muziek en film

Gij

Jaargang 10, nummer 1, juni 2023

Brabants nummer 37

Inhoud

Van de redactie 3

Frits Spits houdt van Brabant | Cor Swanenberg 4

Wè zin ie nou? | Riny Boeijen 7

Einde Berlicumse Brabantse Avonden | Van de redactie 8

Op weg naar Santiago de Compostela | Henk Janssen 11

Kusje | Junt 22

Anders ben ik met jou / Anders zê’k mi aaw | Van de redactie 23

Anders ben ik met jou | Tsead Bruinja 23

Anders zê’k mi aaw | Riny Boeijen 23

Brabants lof. Ode aan ons eigen dialect (2) | Cor Swanenberg 24

Frans Nefs wint Gròòt Berregs Diktee | Van de redactie 12

Praote zô as ge ’t geleerd hèt… | Piet van Beers 12

IJ piept | Frans Nefs 13

DE Middag van het Brabantse Lied op zondag 2 juli 2023 | Marianne Swinkels 13

Liedjeszanger | Ad de Laat 25

Brabants boekske en Willem

Ivenprijs 2023 | Henk Janssen 8

Gij | Jos Swanenberg en Yoïn van Spijk 15

’n Vrèèmde naam (winnaar Willem

Ivenprijs 2023) | Mientje Wever 10

Zeg mèr gij | Jaques van Gerven 16

Spraak-beelden | Ed Schilders 17

C. Heijne, de Bekroonde

Komiek | Gerton

Heyne 18

Oproep | Piet Heerkens 26

’t Dialect uut De Graaf | De Glazere wielekes 26

Antwoord | Lodewijk van Woensel 27

De avonturen van Rommelkruid en Nagelgruis | Ton van den Bergh 21

Brabants nummer 37 - juni 2023

Òòns dialekt | Giel van Gastel 27

Gaat het zomeren?

Volgens de diverse kalenders begint in juni de zomer. Wat voor zomer het wordt in Nederland is elk jaar weer afwachten. Heel wat zomers werden in het verleden gekenmerkt door verregende vakanties, weinig zonne-uren, onbestendigheid en tegenvallende temperaturen. Een echt mooie zomer was er zelden bij, al kunnen de meeste mensen zich wel enkele prachtige zomers herinneren.

Door de klimaatverandering komt daar verandering in. Allerlei records worden gebroken als het gaat om temperatuur, droogte, onweders en neerslag. Het is dus maar de vraag of ook de komende zomer zal voldoen aan onze wensen, laat staan onze idealen.

Wosterouts? Wèdiesdè? | Rensz

Gorisse 28

Mijn moedertaol | Toine Nooijens 28

Lôons | Jan van Beers 29

Ons eigen taol | Wim van Boxtel 29

Witte raaf | Van de redactie 30

Frank van Osch, muzikant en filmmaker | Nico van Kruisbergen 30

De hanenpoot in plantennamen | Wim van Gompel 32

We fiste de burdjes van de skaauw | Hás van de Zande 33

Van wie zèède gij d’r jinne? | Jan Luysterburg 34

Luisterbox 35

Vannant gin haver mer | Jos van Tinuskus 35

Colofon 35

Prent van Robben 36

Net zo onzeker is het gesteld met de toekomst van de Brabantse dialecten. Over dit onderwerp wordt veel gesomberd, ook door mensen die er verstand van hebben. Zij beweren dat over enkele tientallen jaren de Brabantse dialecten volledig verdwenen zullen zijn, opgeslokt door het Standaardnederlands of, erger nog, door de Engelse taal (als het geen Chinees is). De steeds maar toenemende mobiliteit, de zich uitbreidende contacten, de sociale media en het zich steeds minder verbonden voelen met de lokale gemeenschap zouden daar debet aan zijn.

Andere mensen echter, die er minstens zoveel verstand van hebben, zien de toekomst van de Brabantse dialecten minder somber in. Zij beweren dat de dialecten weliswaar veranderen (het zijn immers levende talen), dat ze steeds meer kenmerken vertonen van groepstalen en streek- of regiotalen, maar dat ze desondanks springlevend zijn. Onderzoeken geven deze kenners gelijk.

Het is overduidelijk dat de belangstelling voor de Brabantse dialecten de laatste jaren toeneemt. Met name op het platteland, maar ook in steden als Tilburg en Roosendaal, zijn op straat, in de winkels en in de wachtkamers de lokale klanken, woorden en uitdrukkingen nog steeds volop aanwezig, althans voor degenen die er oor voor hebben. Het Brabants boekske kent nog steeds een groot aantal deelnemende schrijvers en dichters, de oplage was groter dan ooit en toch was het boekske na drie weken volledig uitverkocht. Er was ruime aandacht voor in de pers. Lijkt dit op wanhopige pogingen om een drenkeling te redden? Wij geloven dat we werken aan een opleving en een herwaardering van de Brabantse dialecten. We doen daar in elk geval ons uiterste best voor en wij hopen van harte dat we dit door ons werk ook bij u kunnen bewerkstelligen. De dialectmiddag van Brabanders en hun taal in Goirle op 15 april en de gevarieerde Gij-week droegen zeker ook in belangrijke mate aan ons zomergevoel bij.

Erfgoed Brabant verdient voor de puike organisatie een pluim. De gastvrije ontvangst, prima lezingen, interessante workshops en heerlijke liedjes gaven de ware Brabantse burger moed.

Wij wensen u een zonnige zomer.

Brabants nummer 37 - juni 2023
VAN DE REDACTIE

Frits Spits houdt van Brabant

Op de dag dat ik een afspraak voor een vraaggesprek wilde maken met Frits Spits, vernam ik tot mijn schrik dat hij revaliderend was. Zijn reactie was niet afwijzend, maar vroeg wel om uitstel: ‘Eerst nog even bijkomen van deze confrontatie met de eindigheid; het is niet anders.’ Op een zonnige dag in maart ontmoetten we elkaar in De Eendracht in Blaricum, een unieke locatie aan de Gooise heide. In een rustig hoekje in de nok van het café-restaurant gingen we in conclaaf.

Ik mag Frits zeggen. Je achternaam is Ritmeester. Ik was ooit bij de huzaren. Wij hadden geen kapiteins maar ritmeesters. Weet je waar die interessante familienaam genealogisch op teruggaat?

‘Nee, mijn ouders waren van Joodse origine. Toen ik in Westerbork de boeken zag van de gedeporteerden, waren er bijna negen bladzijden Ritmeesters. Ik denk dat onze achternaam met de Napoleontische legers te maken heeft. Ik heb mijn pseudoniem op mijn twaalfde bedacht. Toen ik acht jaar was, wist ik al dat ik bij de radio wilde. Mijn naam Frits Ritmeester was te lang. Daarom werd het Frits Spits. Ik ben blij dat ik mijn naam wat korter en kernachtiger gemaakt heb.’

Jij spreekt op de radio al een mensenleven lang accentloos Nederlands. Jij bent ondertussen een icoon voor alles wat met radio en de Nederlandse taal te maken heeft. Waarschijnlijk verbinden weinig mensen jou met Brabant.

‘Niet overdrijven: ik ben een gewone programmamaker die van zijn werk houdt en... van Brabant! Mijn ouders waren geen Brabanders: mijn moeder kwam uit Twente en mijn vader uit Amsterdam. Dus die spraken geen Brabants, maar voor mij is het wel zo dat ik, wanneer ik in Eindhoven of die contreien ben, mijn taal aan kan passen. Ik heb natuurlijk op scholen gezeten waar Brabants werd gesproken en in kroegen rondgehangen waar Brabants klonk. Als ik in het zuiden ben, wordt de g zachter en dan kun je aan mij echt wel horen dat ik me op een natuurlijke wijze kan aanpassen.’

Jij bent geboren in Eindhoven. Waar precies?

‘Ik ben in Stratum ter wereld gekomen, in de 2e Wilakkerstraat in 1948. Vervolgens zijn we verhuisd naar de St Jansweg en daarna kwamen we te wonen in de Coornhertlaan bij het Stadswandelpark.’

Hoe was het gezin waarin jij geboren bent samengesteld?

‘Ik heb twee zusjes en een broer. En we zijn er nog alle vier!’

Waar bezocht jij de school?

‘Ik ging eerst naar de Jan Ligthartschool. Mijn vader was lid van de PvdA dus moesten we naar zo’n school. Dat was niet zo’n goede school en ik verkaste naar de Nutsschool in de Akkerstraat. Daarna ging ik naar het Gemeentelijk Lyceum in Eindhoven.’

4 Brabants nummer 37 - juni 2023 COR SWANENBERG

Hoe kwam je bij de radio terecht?

‘Ik had in 1971 de gouden microfoon gewonnen en daarvan hadden een paar mensen mij onthouden en ik werd twee jaar later als gastdj gevraagd voor het programma Proefdraaien. Sindsdien ben ik niet meer weg geweest.’

Frits Spits, pseudoniem van Frits Ritmeester, is een Nederlandse radiomaker en televisiepresentator. Hij werd in 2019 door een vakjury van de VARA-gids verkozen tot belangrijkste radiomaker van de eeuw! Zijn moeder is Hanny Meijler (1920-2008), die eerst kinderboeken en liedjes schreef en later journaliste was voor bladen als Eva en Libelle; zijn vader is Sam Ritmeester (1912-1992), Engelandvaarder en brigade-arts van de Prinses Irene Brigade, en na de oorlog huisarts in Eindhoven en clubarts van PSV

Na de hbs-A studeerde Frits een paar jaar economie. Die studie brak hij af en hij ging in militaire dienst. Hij deed een avondstudie MO Nederlands aan de Katholieke Leergangen in Tilburg. Drie jaar heeft hij met genoegen Nederlands gegeven op de toenmalige Rommert Casimir havo in Eindhoven. Na zijn verhuizing naar het Gooi behaalde hij aan de Universiteit Utrecht zijn doctoraal Nederlands met een scriptie waarin hij aantoonde dat Nederlandstalige hits een bepaald tekstpatroon hadden.

Je doctoraalstudie Nederlands. Deed je die naast je radiowerk?

‘Ja, ik ben daaraan begonnen in 1978 toen ik met de Avondspits startte.’

Dat is bijzonder knap, want voor zo’n studie naast je dagelijks werk moet je een enorme discipline hebben. ‘Ik zat vaak tot midden in de nacht te studeren. Zonder de steun van Greetje en de kinderen had ik dat nooit gekund. Ik mag gerust zeggen dat ik het dankzij mijn gezin heb kunnen afronden. Maar ik vond het ook fantastisch om te doen. Zo met poëzie, met literatuur en taal bezig zijn.’

Jij kende Greetje al vanaf je schooltijd. Je zat bij haar in de klas.

‘Ja, al vanaf mijn tiende jaar. In de vijfde klas in de school aan de Akkerstraat. Zij was een goede leerling, veel beter dan ik.’

Wanneer zijn jullie getrouwd?

‘In 1972. We waren 46 jaar getrouwd toen Greetje in mei 2018 overleed.’

Je hebt tal van prijzen en onderscheidingen ontvangen. Die wil ik zeker vermelden, maar eentje mis ik er in de lijst op internet… In 2009 werd je

tot Knoergoeie Brabander verheven bij de Ujese Knoerisse en daar heb ik Greetje en jou voor het eerst in levenden lijve ontmoet. Dat was bijzonder aangenaam.

‘O ja, die onderscheiding heb ik ook nog gehad en daar was ik apetrots op, hoor.’

PRIJZEN EN ONDERSCHEIDINGEN:

1996: Marconi Award

1997: Marconi Award

1997: Groenman-taalprijs

1999: Zilveren Reissmicrofoon

1999: Marconi Award (met het team van Tijd voor Twee)

2008: Ridder in de Orde van Oranje-Nassau

2008: Oeuvre Award (Marconi Award)

2008: Radio 2 Zendtijdprijs

2009: Knoergoeie Brabander

2017: Gouden Harp

2017: Tijdens het congres Onze Taal in 2017 te Utrecht kreeg Spits de Visser-Neerlandiaprijs vanwege zijn inzet voor de taal. Volgens de jury zette hij mensen aan tot creatief taalgebruik vanaf de tijd van zijn radioprogramma De Avondspits en door middel van de rubriek Poplimerick, De Tweespraak en ook het radioprogramma De Taalstaat.

In 2019 verscheen je boek Alles lijkt zoals het was met de ondertitel Nieuwe standaards over liefde, leven en verlies* over jouw overleden vrouw Greetje. Ik heb het met grote interesse en bewondering gelezen. Het gaat over liefde in het kwadraat. Vooral je liefde voor Greetje en je liefde voor goede liedteksten en het radiovak. Het boek en de bijbehorende cd’s bieden troost en bevatten fraai gesublimeerd verdriet. ‘Ik ben nu vijf jaar verder en het is weer een ander gevoel dan wat het was. Na haar dood was de wereld een chaos voor mij. Ik kreeg er geen grip op. Diggy Dex hoorde mijn eerste woorden toen ik terugkwam op de radio. Dat had hem aangegrepen en hij had dat verwerkt in een liedtekst. Toen ging ik over mezelf schrijven en ik merkte dat het een mooie manier was om het te verwerken. Vervolgens heb ik twintig nieuwe liedjes ter vertroosting uitgezocht. Frank Boeijen heeft zelfs de titelsong nog geschreven en het is een uniek project geworden. De verandering is niet zichtbaar, maar zit in je hoofd en je wordt steeds met je verlies geconfronteerd. Ik wil niet omkijken, maar na mijn infarct sta ik toch weer anders in het leven. Ik heb heel lieve kinderen en kleinkinderen, fijne collega’s en een lieve vriendin met wie ik samenwerk en weleens uitga. Het leven is geen stilstaande vijver, het is een golfslag.

Brabants nummer 37 - juni 2023 5

’n Vrèèmde naam

Dör ’t luukske van de brievebus blaost unne zoere wiend. Ik neem de post uut de bus en maak ’t dûrke gauw toe. ’n Wit envelupke zonder adres of naam is ’t ènige wâ ik uut de bus haal.

Dè mot zo ien de bus zien gedouwd. ’t Duut mien opèns dinke ân vroeger toen ik op bezondere daag ’n geslote envelupke zonder naam mit nô schôl kreeg.

We gonge mit de schôl op schôlreisje en we mosse toestemming van vader of moeder hebbe um mit te mugge. Ons mam vulde ’t briefke zelf ien want pap was altied werke, ze stopte ’t ien ’n envelupke en plekten ’t dicht.

Op mien vraog wörrum dè ze ’t dicht plekte zei ze: ‘Dès vör de juf, dè hoef nie iedereen te zien en now nô schôl Janne Jansen.’

En zo gebeurde dè verschillende kere as ’r op schôl wâ te doen was.

Tot op diejen énen dag, ik was tien en mos nor de schôlarts. Ons mam vulden ’t briefke ien, stopten ’t ien ’t envelupke, lekten ân ’t klepke en plekten ’t dicht.

Ik stopten ’t ien mien jassetes en gong nô schôl.

Onderweg braande ’t briefke ien mien jassetes. Dicht geplekt, dicht geplekt, dicht geplekt zonge de wiele van miene fiets, mar nie lang mèr docht ik.

Ik stopte langs de kaant van de weg, zette mien fietske tègen d’n bôm en visten ’t envelupke uut mien tes. ’t

Briefke trilde ien mien vingers..

Vurzichtig peuterde ik ’t vastgeplekt klepke los, hier en daor viel d’r ’n schurke. Ingesele was ik zô ver dè’k ’t briefke döruut kos hale, ônderân ’t papierke stond de handtèkening van ons mam. Mar wâ stond dor dan?

Hiermee geef ik toestemming dat onze pleegdochter

Janne Water van Vijverberg naar de schoolarts mag.

Ik kreeg ’t heet, toen kouw, ik snapte dör niks van. Was ik dè? Wie was ik dan en wörrum hiete ik zo? Ik probeerde mit ’n bietje spèèj ’t klepke wer dicht te plekke, ’t zaag d’r wel erg vervroemeld uut.

Ik goef op schôl ’t envelupke aan de juf die mien vrèèmd ânkeek en zei: ‘Heeft je moeder dat zo meegegeven.’ Ik loog en knikte heftig ja.

Oplette ien de klas gong diejen dag nie, wie was ik, wörrum haj ik unnen aandere aachternaam as de aandere bej ons thuus. Was ik ’n prinses? Ik docht ân Mozes ien ’t riete mèndje, wie was ik?

Thuus gekomme waachte ik tot dè ons mam âlleen

was en toen vroeg ik: ‘Mam wie is Janne Water van Vijverberg.’ Ze schrok zô de ze ’t kupke wâ ze ân ’t afdreuge was uut hör haand liet valle.

Toen vertelden ik mar dè’k ’t envelupke ope haj gemâkt en gelèze haj wâ d’r stond.

Ze gong op unne keukestoel zitten en viet mien op hör schoot, ze ojjemde zô vlug dè’k docht dè ze ziek was.

Kiek zei ze: ‘Ow ège pap en mam zien al dood gegaon toen gej nog heel klien waart, wej wôn gèr nog ’n derke en toen hebbe wej ow gekrege en dor zien we heel blèj um.’

Ze keek mien ân en drukte ’n dikke kus op mien rechter wang.

‘Mar mag ik dan mien ège naam gebruke?’ Mar dè vond ze nie zô’n goed idee. Ons mam vond dè iedereen mien kende onder de naam Jansen en dè mos zo mar blieve en ze gong verder mit afwaase.

Ien diejen tied drômden ik duk ôver wie ik was, wie mien echte pap en mam ware gewèst.

As ik huppelde, daanste ôver d’n hofpad dan docht ik dè mien echte moeder ’n danseres was gewèst, en zo ziej ik jaore van alles blieve drome tot ik de lèèftied haj dè ik kos begriepe hoe ’t echt ien mekaar zaat. Ik kreeg ’n vriendje, kreeg verkering, mar nog steeds was ik Janne Jansen, tot dè ik gong trouwe.

De amtenaar die ons huwelijk sloot noemde mien vur ’t urst bej mienen echte naam, Janne Water van Vijverberg. ’t Klonk vrèèmd mar ’t zoj wel wenne, zei ons mam.

En wenne dèj ’t, zô zelfs dè as ik now iemand tège kom die mien Jansen noemt, ik vrèèmd opkiek en dink: Ik bin Janne Water van Vijverberg.

Ik loop mit de post nô de huuskamer en open ’t envelupke, ’t bliekt reclame te zien.

< In het dialect van Boxmeer >

Uit: ’k Zal oe zegge wie ik ben. Brabants boekske 2023

Winnaar van de Willem Ivenprijs 2023

Illustratie: Iris Bongers

10 Brabants nummer 37 - juni 2023
MIENTJE WEVER

Op weg naar Santiago de Compostela

Een artikel schrijven is vandaag de dag gemakkelijk. Je installeert de gratis versie ChatGPT (https://chat.open ai.com/auth/login) op je computer of laptop, formuleert een duidelijke vraag of opdracht, en het gewenste verhaal rolt er binnen enkele tellen uit. Ik zet die artificiële intelligentie op een lazy afternoon aan het werk voor een bijdrage over de historie van de Sint Jacobskapel in Galder en kan in een mum van tijd een alleszins lezenswaard en consistent artikel printen. De applicatie heeft slechts één nadeel: de tekst is geschreven in het Standaardnederlands en met ons mooie Brabants, laat staan met het Baronies, weet ChatGPT nog geen raad. Ik neem dus rap de Eej Kul Omnieboes, de complete kurzus Bredaos van het Kielegats Taole Instetuut van de paoters

Terrepetijn OW èn Sjaggerijn OH (Theo Melis en Theo Borghouts †) ter hand om degelijk voorbereid in het circa acht kilometer verder gelegen Galder te geraken. Ik heb er een afspraak met mevrouw Jeanne Maas, geboren in Prinsenbeek, voormalig kleuterleidster in Rotterdam, lid van de Galderse Kapelraad en naast ander vrijwilligerswerk (‘veul ter liefde Gods’) tevens voorzitter van de Seniorenvereniging Galder Strijbeek. Zij is het sleuteladres (Galderseweg 9) van de Sint Jacobskapel en ze heeft ondanks haar drukke werkzaamheden tijd gemaakt om mij rond te leiden door dit fraaie bakstenen zaalkerkje uit 1468. Ménne Meierijse misse (erf) is hier, zo maakt ze me duidelijk, de werft, en m’n hundje is hier m’n ondje, net zoals houdoe in West-Brabant oudoe wordt.

De apostel Jacobus wordt, wonderbaarlijk genoeg, begraven in Spanje, waar zijn graf rond het jaar achthonderd door een kluizenaar is ontdekt. De tombe in Santiago de Compostela, waar nu een indrukwekkende kathedraal staat, is al vroeg de eindbestemming voor vele pelgrims, die toegerust met mantel, hoed, tas, staf en nap, te voet uit vrome vrije wil of bij wijze van penitentie de lange tocht – vanuit Nederland circa 2300 kilometer – naar Galicië ondernemen. Eenmaal daar mag de bedevaartganger de pecten maximus, een sint-jakobsschelp (een coquille Saint-Jacques) op mantel of hoed bevestigen ten bewijze dat men de camino heeft afgelegd. Sint Jacobus wordt een volksheilige en langs alle Europese wegen die naar Santiago leiden, verrijzen kerken, kapellen en logementen om de pelgrims van devotie en enig comfort te voorzien. Tegen deze achtergrond wordt, zo maakt ChatGPT me duidelijk, in 1468 de Galderse Sint Jacobskapel gebouwd. De kapel is toegewijd, zo meldt een akte, aan de heiligen Maria, Jacobus en Barbara. In 1517 wordt het gebouw verfraaid met een 23 meter hoge toren.

Na de Vrede van Münster, waarmee in 1648 de Tachtigjarige Oorlog eindigt, wordt mede als gevolg van dit verdrag het Nederduits-Gereformeerde geloof de ‘staatskerk’ van de

Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en wordt de kapel aan de Hervorming toegewezen. In 1798 gaat het godshuis weer terug naar de katholieken. De Galderse katholieken bezoeken echter liever het in 1687 gestichte kapucijnerklooster in het Belgische Meersel-Dreef, waarna de kapel gedurende tientallen jaren school en onderwijzerswoning wordt. Pas tijdens de Eerste Wereldoorlog, wanneer de grens dicht is, krijgt de kapel weer een religieuze functie. Inmiddels zijn er door de jaren heen restauraties uitgevoerd en staat het gebouw te boek als rijksmonument. Incidenteel vinden er nog trouwerijen, dopen en begrafenissen plaats. Heel bijzonder is elk jaar de sfeervolle kerstviering en ook op de naamdag van Jacobus de Meerdere op 25 juli vindt er een feestelijke activiteit plaats. Wat mij in het gebouw zeer aanspreekt zijn de vele sint-jakobsschelpen die ter herinnering aan pelgrimages aan de kapelmuur hangen. Daarmee wordt eens te meer duidelijk dat deze mooie kapel een eerbiedwaardige etappeplaats is op de eeuwenoude route naar Santiago de Compostela.

Brabants nummer 37 - juni 2023 11
HENK JANSSEN
Sint Jacobskapel in Galder Jeanne Maas

Van wie bende gij d’r inne?

Gij

Als we iemand aanspreken in het Nederlands, doen we dat met de woorden jij en je. Daarbij horen nog de voorwerpsvorm jou, het bezittelijk voornaamwoord jouw, en de meervoudsvorm jullie In het Brabants gaat dat anders:

Van wie bende gij d’r inne?

Hoe hiette gullie?

Ge komt zeker uit Brabant!

Ik ha oe mee herkend.

Dè heur ik aon oew praote.

We noemen deze vormen de tweede persoon. Ze behoren tot de meest typerende vormen van de Brabantse dialecten en het gaat dan niet alleen om gij, ge, gullie, oe en oew (en hun uitspraakvarianten zoals gè, geej, èùw, aow, enzovoort). De bijbehorende persoonsvorm is ook heel typerend, vooral als die voor het onderwerp van de zin komt: hedde gij.

Aanleiding voor dit onderwerp was de Gij-week, die begon met een dialectmiddag in Jan van Besouw op 15 april 2023. Vanuit de gemeenschap Brabanders en hun taal en ondersteund door de Stichting Brabants en de stichting Erfgoed Brabant werd er die week een programma georganiseerd waarin de Brabantse streektaal, inclusief alle Brabantse dialecten, centraal staat. Voor de Gij-week werden er liedjes over gij gemaakt door Twan Lijten en Roel Jongenelen, door Marja Kivits, door Roaw Vlis en door Jacques van Gerven. Het Brabants verdient de aandacht en we brengen graag de liefhebbers van de Brabantse dialecten (de schrijvers, zangers, onderzoekers enzovoort) in contact met elkaar.

Hedde, doede, kunde, zijde, bende, enzovoort zijn woordvormen die typisch zijn voor de grote meerderheid van dialecten die in Noord-Brabant worden gesproken. Ook komen ze volop voor in de regionale ‘tussentaal’ in Noord-Brabant; dat zijn de variëteiten van het Nederlands die duidelijke Brabantse kenmerken hebben op het gebied van accent, woordenschat (frietje in plaats van patatje bijvoorbeeld) en grammatica. Hedde, doede, kunde, enzovoort zijn werkwoordsvormen die, wanneer

de zin een omgekeerde volgorde van persoonsvorm en onderwerp heeft, een woorddeeltje -de in zich opnemen:

Gij het (‘jij hebt’) vs. hedde gij (‘heb jij’)

Ge het (‘je hebt’) vs. hedde (‘heb je’)

De woordvorm kan gevolgd worden door een zelfstandig persoonlijk voornaamwoord, wanneer er nadruk op gelegd wordt. Maar dat is niet verplicht, zoals de voorbeelden laten zien.

Toon Hagen, afkomstig uit Reusel en van 1980 tot 2000 hoogleraar in de taalwetenschap in Nijmegen, noemde de werkwoordsvorm en de persoonlijke voornaamwoorden van de tweede persoon, bijvoorbeeld hedde gij of doede gullie, het sterkste geval van handhaving van dialectsystematiek in Brabant. Hij legt uit dat vormen zoals hedde gij een sociale en regionale meerwaarde hebben en dat ze heel sterk een Brabantse identiteit markeren.

Het mooie van gij is dat je er iedereen mee kunt aanspreken. In het Nederlands kiezen we tussen u en jij wanneer we iemand aanspreken, maar in het Brabants gebruiken we gij voor iedereen: of het nu familieleden en vrienden of de burgemeester betreft, dat maakt geen verschil. Gij is altijd goed.

Waar komt gij vandaan?

Gij, oe en hun regionale varianten hebben een lange geschiedenis. Alle Germaanse talen, waaronder het Brabants, stammen af van het Oergermaans, een taal die zo’n tweeduizend jaar geleden gesproken werd. Er zijn geen teksten van overgeleverd, maar wetenschappers hebben de taal wel kunnen reconstrueren. In het Oergermaans moet gij de vorm j z hebben gehad, en oe moet izwiz zijn geweest. Die woorden betekenden toen nog ‘jullie’.

In het Brabantse Middelnederlands van de dertiende eeuw wasworden. -klank, zoals het Engelse me. In schema 1 staan enkele andere West-Germaanse nakomelingen van Schema 1: ‘jullie’ in het Oergermaans en enkele West-Germaanse dochtertalen

In het middeleeuwse Nederlands was ghi aanvankelijk alleen een meervoudsvorm, net als het Duitse ihr Ghi betekende dus ‘jullie’. Voor het enkelvoud was er du ‘jij’, dat rijmde op nu Du werd gebruikt in situaties van vertrouwelijkheid of saamhorigheid en als gezags-voor-

14 Brabants nummer 37 - juni 2023
JOS SWANENBERG EN YOÏN VAN SPIJK

naamwoord: iemand die hoger op de sociale ladder stond, sprak een lagere met du aan.

Al in het Middelnederlands kwam ghi in gebruik in situaties waarin sociale afstand een rol speelde. Het werd gezegd tegen personen die hoger op de sociale ladder stonden of in dezelfde hogere kringen verkeerden. Ghi werd daarnaast gebruikt als beleefdheidswoord en betekende dus ‘u’. Vergelijk het met het Frans, waar tu en vous naast elkaar worden gebruikt voor ‘jij’ en ‘u’, terwijl vous oorspronkelijk alleen het meervoud ‘jullie’ aanduidde. In het Limburgs is deze situatie bewaard gebleven: doe of diech betekent ‘jij’ en geer betekent ‘u’ en ‘jullie’.

In de Brabantse dialecten ging de ontwikkeling verder: ghi verdrong du als vertrouwelijke vorm. Du werd namelijk steeds meer opgevat als onbeleefd. We vinden het in de late middeleeuwen vooral in scheldkanonnades: “Du stomme ende dove geest!” Zo wordt het ook nog vermeld in woordenboeken van Van Gompel en De Bont, die in het Kempenland doe vermelden in: “Doewen uil da ge daor stao” In Reusel kan die vorm worden versterkt met -se: “Doese vuil sloerie!” Dit oude voornaamwoord doe schijnt alleen nog in aanspreekvormen en dan enkel in minachtende zin te worden gebezigd.

Gij kreeg er dus nóg een functie bij: naast ‘jullie’ en ‘u’ ging het ook ‘jij’ betekenen. Daardoor kunnen we in het Brabants nu nog steeds zowel de dokter als een vriend aanspreken met gij.

Oe

Uit het Middeleeuwse ou zijn Oost-Brabantse vormen als ouw, aow en èùw ontstaan. In West- en Midden-Brabant kwam er ouw uit, maar dat is intussen vrijwel overal vervangen door het Hollandse jou

Ik zie oe nie.

Ik zie ouw/jou nie, mar hum wel.

Hetzelfde geldt voor de bezittelijke vorm oew.

Gullie

Toen gij zowel ‘jij’, ‘u’ als ‘jullie’ was gaan betekenen, kon er onduidelijkheid ontstaan: bedoelde je één persoon of een groep? Daarom gingen mensen er in het meervoud lieden of de afgekorte vorm lie achter zetten. Zo ontstond gij-lie(den). Daar zijn uiteindelijk Brabantse varianten als gullie, göllie, gillie, gellie, gijle en golle uit gekomen.

Waar komt hedde vandaan?

Over de herkomst van vormen als hedde, zijde en doede bestaat een wijdverbreid misverstand: het stuk -de zou een restje zijn van het Middelnederlandse du, maar dat is niet waar. Bij du hoorde namelijk een werkwoordsvorm met een -s: du heves en hevestu, du bes(t) en bestu, en du does en doestu. In Brabant gingen die vormen samen met du ten onder. Hevestu zou heeste of histe geworden zijn als het was blijven bestaan.

Voor de juiste herkomst van hedde moeten we weer even terug naar het Oergermaans. Zoals we eerder zagen, had gij toen nog de vorm j z, met een j. Als j z achter de persoonsvorm stond, groeide het er door de eeuwen heen aan vast, waarbij de j wegviel. Vóór de persoonsvorm werd de j juist versterkt tot een g. Daardoor was in het Middelnederlands het volgende onderscheid ontstaan:

Ghi hebt vs. hebdi

Ghi sijt vs. sidi

Ghi doet vs. doedi

Zoals hebt in de Brabantse dialecten veranderde in het, zo veranderde hebdi in hedde Ghi sijt en sidi werden gij zijt en zijde, met regionale varianten als gij zet en zedde.

De vorm oe wordt in bijna heel Noord-Brabant gebruikt, maar alleen als je er geen klemtoon op legt: 

Brabants nummer 37 - juni 2023 15

‘bij de vrouw te houwes komen’ (bij zijn vrouw terechtkomen). Deze uitspraak is in ieder geval bekend in de Hoekse Waard [B].

De Bekroonde Komiek (1907) heeft het over een ‘afgeraozend’ mooi stuk. Ik heb dit prachtige woord in genoemde bronnen niet kunnen vinden. Ik vond het wel in het Nieuwsblad van Heusden en Altena van 17 juni 1884. Op basis daarvan vermoed ik dat het een variant is van razend. De komiek beschrijft zijn collega’s als ‘kemiekelingen’, die optreden ‘weffer jaorgetij ok’ (‘wat voor een jaargetijde ook’). Weffer is Veers [C] maar wordt ook daarbuiten gebruikt, bijvoorbeeld in Tilburg [B]. In een aantal voordrachten gebruikt Kees de volgende vervoeging: ‘’t Wier een geharrewar’. Dit is volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal een oude verleden tijd van worden, in dialecten nog vaak gebezigd. Hetzelfde geldt voor de volgende vervoeging van zullen: ‘Ik zel zeggen’. De bekroonde komiek relativeert zijn bestaan: ‘Ik maok mijn verexcuseer’ (‘Ik verexcuseer me’). Daarvoor heb ik een verwijzing gevonden naar het Land van Cuijk [B]. Tot slot spreekt de bekroonde komiek de prachtige zin ‘Daor heb ik goed en bloed en leven voor feil gehad’. Hij heeft er dus ‘veel voor over gehad’. Wat opvalt is, dat het gebruikelijke veil hier feil is geworden.

’t Is afgeraokt met z’n deuske, ‘het is uit met z’n simpel meidje’ (Afgeraokt, 1912); Kasjeweel, ‘uitzonderlijk’ (idem); ’n meraokel, ‘het is geweldig’ (Ik gao ze vraogen, 1913). In de wat latere voordrachten (Het 25-jarig Burgemeesterschap van mijn bruur, 1913; Ik gao ’t waogen, 1914) laat Kees een aantal typische Veerse karakteristieken achterwege; geen lange klinkers meer en de o wordt niet meer als oe uitgesproken. Het is mogelijk dat het Bosch meer invloed op zijn dialectgebruik begint te krijgen.

Ik ga in vogelvlucht door de overige voordrachten en citeer een aantal herkenbare Veerse uitspraken [C]:

Da laas ik nog in de kraant (uit Minus de Schaopherder, 1909);

Doe me esteblieft het plezier (idem);

Fiselemie, dat hier ‘tronie/gezicht’ betekent en een verbastering is van het Franse physionomie (‘uiterlijk, gezicht’). Het wordt ook wel voor ‘kont’ gebruikt. (Ik pluk kippen, 1909);

Meese, ‘mensen’ (idem);

Gekookte aaiers, dat een dubbel meervoud is van aaier (idem);

Die heeg ’t er nie beter oep gemaokt (De bedroefde recruut, 1909);

Oos buurmeèd uit de waai, onze buurmeid uit de wei (idem);

Dà gesaauwel, ‘dat geklets’ (De liefdesverklaring van Jan Stoffel, 1911);

Tot slot

Kortom, Kees Heijne werd wijd en zijd bekend als de humorist uit ’s-Hertogenbosch. Begrijpelijk, omdat hij vanaf het begin van zijn optredens daar ook woonde. Maar het dialect dat Kees bij zijn voordrachten sprak, was zijn moerstaal, ’t Fèrs, met aantoonbare invloeden vanuit het ‘grondgebied’ van het Midden-Brabants dialect. Meese, ’t was afgeraozend mooi bai Kees!

Noten

[1] Op een aantal van de voordrachten staat C. Heijne, op een aantal C. Heyne. Hier ligt waarschijnlijk de bron van een soort van schisma in de familie: met puntjes of zonder puntjes? Het leeft voort tot op de dag van vandaag. Ik ben van ‘zonder puntjes’ maar voor de lieve vrede schrijf ik in het artikel de familienaam mét puntjes. De naam van de auteur blijft echter zonder puntjes.

[2] www.bossche-encyclopedie.nl

Literatuur

- Schillings (1976). Toneel en theater in Limburg in de 19de en 20ste eeuw.

- Jos Swanenberg & Har Brok (2008). Het Brabants Beschreven, Dialect in Noord-Brabant, met een bibliografie van 1776 tot 2007

- Werkgroep Zeggenderwijs Veers Erfgoed (zonder jaartal). Fèrs Woordenboekske.

20 Brabants nummer 37 - juni 2023
Brabants nummer 37 - juni 2023 21 TON VAN DEN BERGH

Brabants lof Ode aan ons eigen dialect (2)

We zagen in de vorige editie van Brabants dat Piet Heerkens zijn dialect bezong in het Veurwoordje van zijn bundel Den Örgel (1938). Later deed hij er in zijn boekje De Kinkenduut (1940) nog een schepje bovenop met zijn wervende vers Oproep. De miskenning en onderschatting van de eigen spraak liet de Tilburgse ‘dialectpater’ niet los: hij schrijft later nog een loflied op zijn Tilburgse taol in de dichtbundel De Mus (1939). Piet Heerkens is ongetwijfeld het meest aansprekende voorbeeld voor lofdichten op het dialect.

Vogelstemmen

De Oproep van Heerkens kreeg vooral via Lodewijk van Woensel uit Eindhoven een voortreffelijke respons in zijn oorlogsuitgave De Kneuter, zoals u verderop kunt zien. Lodewijk van Woensel, Louis Vrijdag voor de burgerlijke stand, was soldaat bij het begin van de Tweede Wereldoorlog en ging als krijgsgevangene naar Duitsland. Na enkele weken kwam hij terug in eigen land en las De Kinkenduut van Piet Heerkens. Daarin stond de Oproep. Het instigeerde hem erop te reageren in zijn dichtbundel De Kneuter. ‘Hier kom ik dan mee menne ‘Kneuter’, ’n klèin, greùw vuggelke, dè toch ôk z’n best wil doen um mee te telle. Op ’t uurste blad kumt m’n antwoord an Paoter Heerkens en dan zing ik mèr deur, over van alles en nog wa, krèk lijk ’t me te binne schiet, in m’n èige taol, die ’t goei volk moet verstaon. Hij noemt Piet Heerkens de pionier. Het is opvallend dat de Brabantse dichters van het eerste uur zich vooral identificeren met de eenvoudigste zangvogeltjes uit de eigen streek. We zagen bij Sterneberg de mardel (merel) en de vienken al in de hoofdrol. Bij Heerkens, die begon met de kwaakzang van de kinkenduut (kikvors), werd het de mus en later de kanarie, Van Woensel koos de kneu, die op z’n Brabants kneuter heet. Wim van Boxtel zal veel later nog dichten: ’n Lieke in ons eigen taol, dè zingt gelek ’ne wielewaol. Waar komt al dat vogelgekwetter vandaan? De Roosendaalse geestverwant en dialectpionier Kees of Kiske Dekkers zou weleens onwetend het voorbeeld kunnen hebben geleverd. Hij schreef in 1923 in Balik-Papan op Borneo het Roosendaolsch lieke, denkelijk het meest geïmiteerde lied in Noord-Brabants dialect. Jan van Nassau, kenner bij uitstek van het werk van Dekkers, wist ons te melden dat er tientallen liedjes op soortgelijk stramien Brabant-breed nagemaakt zijn.

Kees Dekkers.

In 1924 schreef Kees, officieel C.J. Dekkers geheten, ook Lieke van n’n Roosendaolder.

Hier volgt het begin met de ‘vogelstrofen’, waarin dertien ‘zangvogels’ voorkomen. Die zullen zeker bij zijn latere geestverwanten bekend zijn geweest.

Ik zijn ik van Roosendaol

Da wuk gèerre weete

Daor verstaon ik goed de taol

Die zak nooit vergeete…

Kem ze nooit te leere gad

Op oons school, as jonge, Mor ik piep ze net zo glad Azzat d’ouw ze zonge…

Ik zijn ik van Roosendaol

Rommetom in ’t koore…

Waor g’in de’eg de nachtegaol

’s Morges vroeg kund oore…

Waort de kwakkel* kwikwedikt

En de vienke pienke…

Waor at stesselkopke* knikt

En de meirrels* blienke…

Ik zijn ik van Roosendaol

Waort de kwiksteirt wiebelt

En de geile wielewaol

Missen stertje kwiebelt…

Waor in ’t riet de karakiet

Fel is op z’n eikes…

Waor ge nog n’n biedief* ziet

Putters sommetijjkes…

Ik zijn ik van Roosendaol

Waorat d’ooievèirre

En de reigers allemaol

Dur de polders flèirre…

Waor ge weeverkes* mot zien

As ze’r nesje naaie…

Waor ge beeverkes* mot zien

At begient te waaie…

24 Brabants nummer 37 - juni 2023 COR SWANENBERG

*kwakkel = kwartel

*stesselkopke = pimpelmees

*meirels = merels

*biedief = koolmees

*weeverkes = grauwe vliegenvangers

*beeverkes = trilgras

Zelfs Raymond van het Groenewoud haalt er op het eind onverwacht nog vogels bij als hij zijn fraaie lied Moedertaal zingt:

Ik zing in m’n moedertaal

Tussen walvissen en haaien

Is ook plaats voor een garnaal

Tussen al die papegaaien

Is ook plaats voor een nachtegaal

Tussen walvissen en haaien

Is ook plaats voor een prachtige garnaal!

Bescheidenheid

‘Loflied en lofdicht op het eigen dialect’ wil ik overigens ruim interpreteren en daarom past

De Liedjeszanger van Ad de Laat ook zeker in onze rubriek. Het liedje waarmee deze Nisseroise zanger zijn optreden vaak afsloot, past wonderwel bij de opstelling van zijn dichtende voorgangers en het getuigt van een universeel gevoel van bescheidenheid. Over zijn eigen Udenhoutse dialect schreef Cornelis Verhoeven in 1976 in zijn prachtige boek Herinneringen aan mijn moedertaal poëtisch en kernachtig dat die taal ‘ruist van nederigheid en zelfspot’.

Ad de Laat

Brabant Noord-Oost wekelijks de ether in zongen:

‘Wor ik geborre ben, wor ik de mense ken, dè is men Brabants laand, hier òn de zùiekaant. Wor ik m’n woorde heur èn m’n gedachtes kleur, wor ik dan van verhaol in èige taol…’

Het betrof hier een hertaling van het refrein van het Groningse lied Wat moakt het oet van de noordelijke dialectster Ede Staal (1941-1986).

Giel van Gastel, alias Michel de Koning, vertolkte het loflied op zijn Oud Gastelse dialect in Roosendaal in 1979. Rensz Gorisse zong in de jaren negentig cd al een fraai lied over zijn Oosterhoutse moedertaal. De Glazere wielekes, de zanggroep van wijlen Liesbeth Caron uit Grave, vertegenwoordigt het Land van Cuijk.

Tilburg en omstreken

Zoals eerder geconstateerd is Tilburg kennelijk de rijkste bron voor ‘taolliedjes’. De gedichten van de overleden dichters Piet van Beers (zie pagina 12) en Lechim getuigen daar bij herhaling van en dat ook zij weer navolgers hebben, zien we in de komende afleveringen. Wim van Boxtel verkondigt dichterlijk zijn visie op het Goirlese dialect en Jan van Beers, de broer van Piet en vader van Marja van Trier, bezingt zijn Lôonse moedertaal.

Vers van de pers

Toine Nooijens gaf gehoor aan onze oproep en schreven een nieuw lofdicht over zijn dialect. Opdat er meer mogen volgen… Het mag variëren van vogelgetjilp tot leeuwengebrul.

AD DE LAAT (1947-1995)

LIEDJESZANGER

Ik ben nie ècht ’nen troubadour, ik ben gen chansonnier mar iemand die slès liedjes zingt, ik breng mar heel klèin liedjes mee iemand die wè spult en zingt en meer breng ik nie mee

Aanstekelijke voorbeelden

Ad de Laat is met Gerard van Maasakkers denkelijk de meest geïmiteerde dialectzanger van Oost-Brabant geweest. Veel beginnende zangers en zangeressen rond de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw hadden aanvankelijk liedjes van hen in hun repertoire. Het is dan niet zo gek dat die nieuwe artiesten later ook hun eigen lof op de moedertaal uitzingen. Bij het zoeken naar passende dialectliedjes moest ik er opeens met weemoed aan terugdenken dat wijlen Jo van Heeswijk, Hennie Korsten en ik de herkenningsmelodie van ons Brabants ketierke in de gloriedagen van Omroep

Ik proot gewoon op ons manier, dè is vur ons goed zat want ’t klinkt zo skón en ik doe-g-’t geer en de mense noeme dè plat. Gen politiek, gen wetenschap, gen kunst wor ik van proot, want dè sort grèij dè is vur ons ’n moot of wè te groot

Want ik ben nie ècht ’nen troubadour, ik ben gen chansonnier mar iemand die slès liedjes zingt, ik breng mar heel klèin liedjes mee iemand die wè spult en zingt en meer breng ik nie mee

< In het dialect van Nistelrode >

Van de lp Alles goed en wel, 1984

Brabants nummer 37 - juni 2023 25

Van wie zèède gij d’r jinne?

As kind moog ik van m’n ouwelui aljeen mar van de waaref af om naor school te gaon of naor de kerrek, of om bodschappe t’aole vur oons moeder. Vur de rest moes ’t ekketje aon ’t straot dicht blèève. De weg was ommes vuste gevaorlek.

Mar in oktoober wier daor jinne kjeer ’n uitzondering op gemokt, want dan moog ik kestannies gaon raope. Gewaopend meej ’n stukkezak liep ik dan dur de Dubbeledreef tot aon de boederaaj van Keej en Kiske Schwoone, diep in de Kuiperse Bosse. Daor stong ’n jeele raaj meej kestannies en de oopegebarste steekelbaste laage n’al meej blienkende vruchte n’op mèèn te waachte.

’t Duurde dan nwoot laank of Keejke kwaam in ’t deurgat ’s kèèke. Ik vroog netuurlek netjes aon Keeje of ik wir kestannies moog raope, net as aandere jaore. En aaltij kwaam jirst wir dezellefde vraog: ‘Van wie zèède gij d’r jinne?’

Dapper zeej ik: ‘Ik zèèn de zeun van Kiske Lösterbörg van d’n Ouwe Tol.’ Keejke knikte dan en riep: ‘Rop tan mar oewe stukkezak vol.’

Jeel oew leeve laank motte nogal ’s ’n kjeer vertelle wie ge zèèt. Mar èègelek motte dan de vraog beaantwoorde: van wie zèède gij d’r jinne? Want ’t mok nogal wa d’uit van wie ge afstamt.

Toen ik in de zesde klas van de laogere school zaat, wouw ik gèère durljeere. De boovemjeester kon da mar moeilek gelwoove, want ij zeej: ‘Gij? Mar gij zèè toch ’n zeun van ’n arrebaajer?!’ Ik zèèn nog aaltij blaaj da’k toen èègewèès durgezet em, al waore m’n ouwelui daor aonvaankelek nie gelukkeg meej. Durljeere betjeekende da ge veul geld gieng koste, terwèèl nie durljeere as gevolleg ad da ge al gaauw geld meej naor uis brocht. ’n Grwoot verschil in dieje tèèd.

Zoow gao g’d oew jeel leeve laank: iedere kjeer motte wir vertelle wie ge zèèt. A ge solleseteert, a ge gaot trouwe, a ge oew belastingpepiere n’invult, a ge erreges lid van wult worre, a ge oew pesjoen aonvraogt, a ge ’n’n brief schrèèft, iedere kjeer opnuuwt.

Mar dan gebeur t’r iets aaregs in oew omgeevieng, iets wa d’oew leeve finaol op z’n kop zet en dan is ’t injees nie mir van belang van wie ge d’r jinne zèèt. Dan gaode nordenke en oew èège afvraoge wie ge zellef werkelek zèèt. Oew bende gewiest in oew leeve en oew bende nouw? Wa d’is nouw nog belangrèèk, nouw ’t leeve plotselieng zoow èèndeg blekt? Waor edde oewèège veul druk om gemokt en was ’t da wel wèèrd? En daorteegenoover: waor edde oew èège nwoot om bekom-

merd, swees a ta toch van grwoot belang was en is?

Körtom: wa gaode sebiet teege Peetrus zegge a ge gaot aonkloppe aon de n’eemelpwoort? Want ij vraog nie: ‘Van wie zèède gij d’r jinne?’ IJ vraog wie ge zellef zèèt, wa ge gedaon en gelaote n’et en of ge wel verdient om vur aaltij die pwoort dur te meuge.

Meschien, jeel meschien vraog t’ie daornaor toch nog effekes: ‘Van wie zèède gij d’r jinne?’ En a ge dan de naome van oew vaoder en oew moeder noemt, is ’t t’oope, da t’ie dan vriendelek glimlachend zegt: ‘Oh, gao tan mar gaauwkes nor binne, want die zitte n’ier al laank op jouw te waachte.’

< In het dialect van D’n Ouwe Tol, halverwege tussen Bergen op Zoom en Hoogerheide >

Uit: ’k Zal oe zegge wie ik ben. Brabants boekske 2023 Als derde genomineerd voor de Willem Ivenprijs 2023

Illustratie: Iris Bongers

34 Brabants nummer 37 - juni 2023
LUYSTERBURG
JAN

Luisterbox Brabants 37

Colofon: Brabants, jaargang 10, nummer 1, 1 juni 2023

Brabants verschijnt vier keer per jaar: in juni, september, december en maart.

Redactie: Jan Luysterburg (hoofdredacteur), Ed Schilders, Yoïn van Spijk (eindredacteur), Cor Swanenberg, Jos Swanenberg. Redactiesecretariaat: Cor Swanenberg, Milrooijseweg 109, 5258 KG Berlicum, tel. 073-5031879.

De volgende door de auteurs ingesproken teksten zijn te beluisteren op de website:

Riny Boeijen: Anders zê’k mi aaw (Berghem) 1.06

Michel de Koning: De taol die òòns moeder òòns ljeerde (Oud Gastel) 1.33

Jan Luysterburg: Van wie zèède gij d’r jinne? (Hoogerheide) 5.11

Mientje Wever, ’n Vrèèmde naam (Boxmeer) 5.02

De geluidsopnamen zijn gemaakt door Frans van den Bogaard en Cor Swanenberg. De luisterbox is te vinden op de audiopagina van www.stichtingbrabants.nl

VANNANT GIN HAVER MER

Van de haver, groeiend in héél Odiliapéél, makte de boere veul vèrs bróót en méél, mar dur alterande polletiek geklóót verdwéén dieje mik in de slóót en kekt de Péél meer pèèrs dan géél.

< In het dialect van Heeswijk >

Aan dit nummer werkten mee: Ton van den Bergh, Riny Boeijen, Tsead Bruinja, Jacques van Gerven, Wim van Gompel, Rensz Gorisse, Gerton Heyne, Henk Janssen, Junt, Nico van Kruisbergen, Frans Nefs, Toine Nooijens, Marianne Swinkels, Jos van Tinuskus, Mientje Wever en Hás van de Zande.

Foto omslag: Henk Janssen. Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit blad van Henk Janssen.

Vormgeving: Meyer Grafische Vormgeving, Asten (www.meyergrafischevormgeving.nl).

Druk: Grafisch Atelier Blaricum, Blaricum (www.drukkerijblaricum.nl).

Uitgever: Stichting Brabants, Missiezusterslaan 51, 5405 NL Uden, tel. 06-51158839. KvK-nummer 60585412. RSIN 8539.72.199. ISSN 1572 – 1612.

Bankrekening ABN-AMRO

IBAN: NL73 ABNA 0545 3581 75 (BIC-code: ABNANL2A)

Website: www.stichtingbrabants.nl

E-mailadressen:

Algemeen: info@stichtingbrabants.nl

Redactie: redactie@stichtingbrabants.nl

Abonnementen:

Bestellingen, opgave en mutatie van jaarabonnementen uitsluitend via de uitgever, Stichting Brabants. Een jaarabonnement kost € 24,50. Losse nummers € 8,95 inclusief portokosten in Nederland. Voor abonnementen in het buitenland wordt de prijs van het jaarabonnement verhoogd met de van toepassing zijnde verzendkosten. Voor het buitenland is Brabants evenwel ook in pdfbestand verkrijgbaar.

De prent op de achterzijde is van Cees Robben. Dank aan de Cees Robben Stichting, Goirle.

Brabants nummer 37 - juni 2023 35
JOS VAN TINUSKUS
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.