Urk in de Zuiderzee

Page 1

Urk in de Zuiderzee

Verhalen over de tijd dat Urk nog door zout water werd omspoeld.

door Jan ten Napel

© Stichting Urker Uitgaven / GBUgrafici met medewerking van het museum Urk. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigden/ofopenbaargemaakt worden door middel van druk,fotokopie, microfilm ofop welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schrifielijke toestemming van de uitgever.

ISBN/EAN: 978-90-809255-6-4

Ruim duizend jaar geleen Kwam hier een gletscher aan Die schoofeen bult vooruit En bleef toen plotseling staan Hij ging wast later weer terug De bult had hij verloren lets aardrijkskundig was geschied: Ons “Urk” dat was geboren...

2

De bult, hij lag tevreden Met water aan zijn voet Dat steeds een aanval deed Eerst wild en dan weer zoet Maar ondanks wind en stormgeweld Bleefhij daar vol vertrouwen Wat Noormannen met een boot Begonnen toen te bouwen

Een boot, hij werd alras gebouwd Dat noemen zij een bot En aan de wal daar stond hun huis Dat noemen zij het ”kot” Zij visten hier en overal Thuis bleven hunne wijven Begonnen toen al afen toe Wat zeeroofte bedrijven

5.

Zo leefden onze vaderen Echt vrij en frank en her Op zeewier kauwden zij En brouwden eigen bier Een bot dat werd al gauw een hotter Ze maakten ras al beetre netten En droegen toen al de karpoets Er waren nog geen petten.

3

De Friezen en Bataven

Ze vonden heul op onze bult Ze leefden van de jacht En aten zure zult De zee die nam een keer hun woud Dat gafveel ergenissen De Friese Noorder Batavieren Die bleefalleen nog maar het vissen

6

Met admiraal Lumey als leider Vochten ze als geus De Spanjaard was ras weg Die had geen and’re keus Zo kwam de geuzenbroek en buis In Hollands klederachte Een Urker voelt zich baas in huis En dult geen vreemde machten

Pagina 4

7

Toen werd het water kleiner De bult, die bleeftoch nat Ze bleven op die plek Er was nog ruimte zat A1 zwierven wij de wereld door En visten heel, heel ver van huis Voor langbroek en de visserman Is de bult nog steeds het huis

8

Zo leeft een volkje op de bult Met liefen met z’n leed Een gastvrijheid soort en gul Wat iedereen ook weet Zo leeft de man van Urker stam Voelen zich der vadren zonen Willen vrij en ongestoord Op hun eigen plekje wonen

9

Bij ons op de keileembult Waar de branding dikwijls bruit Is de kollentijd voorbij Weg is de gemeentewei Al gaan wij niet meer om top Dichten ze t laatste slop Onze wens die is vervuld Want wij wonen: op de bult

Vrij naarJan ten Napel

Pagina 5

De Urker bard J.G. Koffeman voelde de pijn in zijn hart toen Urk zijn onschuld ging verliezen, omdat zij ons isolement gingen verstoren. Ze begonnen met het westvuurtje op de Westdam, die verlengd moest worden. Ze sloopten de planken en zetten op de punt van de verlengde dam een versmalde kweewkbusse met een lichien erop. Een lopien over de planken was afgelopen. Hij maakte een liedje over dat vuurtjen, waarvan het refrein was:

“Dan denk ik altijd nog aan dat vuurtje Het vuurtje op deplanken van de dam Het was voor Urk het stille laantje Waargevrijd werd in het maantje Maar nu is het weg En het komt nooit weerom” (wijze: het meisje van de zangvereniging)

Foto op de voorpagina: Toen hestond het vuurtje nog.

Pagina 6

Voorwoord.8 Inleiding.9 1. Herinneringen op vakantie.10 2. De UK133.12 3. De Ginkies.16 4. Kweewk bakken.27 5. De trein in de onderbuurt.31 6. Jaggies op Urk.33 7. Psalm 103.35 8. De winter van 1929.37 9. Een geluk bij een ongeluk. 42 10. Spieringen. 47 11 De eerste baan.52 12. Toen kwam de haring nog.59 13. Een witte Kerst.70 14. Toen was het zo.72 15. Een vroegere Koninginnedag. 92 16. Vakantie.97 17. Turf.99 18. Jan en de baron. 103 19. De karsboom.Ill 20. Z’n karsmeid 114 21. De organist.117 22. Hoe en wat speelden wij. 121

Pagina 7

Jan ten Napel was gedurende een lange reeks van jaren medewerker van de Kleine Courant van Het Urkerland. In die periode heeft hi) veel van de plaatselijke historic het licht doen zien. Zelfwas hi) nauw betrokken bij de overgang van ‘zout’ naar zoet’, de droogmaking van de Noordoostpolder en het afscheid van Urk als eiland. Die drooglegging en het leven op dat eiland, alsmede het afscheid van de Zuiderzee lopen als een rode draad door zijn verhalen. Alsofzij er zelfbij betrokken waren, zo wist hij zijn lezerspubliek te boeien. Uit zijn wekelijkse bijdragen is een keuze gemaakt, waarbij zijn familie hielp bij de redactionele werkzaamheden.

Het is het bestuur van de Stichting Urker Uitgaven en de redactie van Het Urkerland een genoegen om het eindresultaat van al die werkzaamheden u te mogen aanbieden en aanbevelen.

Pagina 8

In de eerste eeuwen van onze jaartelling, lag het eiland waar later ons Urk van overbleef, midden in het meer “Flevo”. In dit meer monden de rivieren, Vecht, Gelderse IJssel en Eem uit.

Het Flevomeer was een zoetwatermeer en moet ongeveer gelegen hebben in het zuidelijke deel van de latere Zuiderzee. Het was een uitgestrekt meer omringd door loofbos.

De vele stormvloeden die ons werelddeel na de IJstijd teisterden, brachten grote veranderingen aan in Noord Nederland. Marken, Wieringen, Urk en Schokland werden eilanden.

Er werden vele plannen gemaakt om de Zuiderzee te temmen. De stormvloed van begin jaar 1916 en de gevolgen daarvan gaven tenslotte de doorslag.

Op 13 juni 1918 werd de “Wet tot afsluiting en droogmaking van de Zui¬ derzee” zonder hoofdelijke stemming aangenomen. Op 29 juni 1920 (ik was toen ruim 4 maanden oud) werd begonnen met werk; als eerste de dijk naar Wieringen vanafde Noord-Hollandse kust.

Op 28 mei 1932, twee minuten over een werd de afsluitdijk met een grote hap keileem gedicht. De Zuiderzee was afgesloten. Urk verloor zijn zoute boorden en lag in een zee zonder eb en vloed. In 1939 raakten we eilanders af, door de sluiting van de dijk naar Lemmer.

Verhalen ofverhaaltjes die onder de titel “Brieven uit Gouda” reeds in Het Urkerland te lezen waren, heb ik uitgezocht en alleen de verhalen die over Urk midden in de Zuiderzee gingen zijn nu in een boek bij elkaar gebracht. Oude Urkers vinden een stukje nostalgie en de jonge Urkers kunnen lezen hoe ofwij daar midden in de Zuiderzee leefden.

Jan ten Napel, Gouda, april2006.

sit

Italia 1986:

Toen wij vanmorgen wakker werden en Maria, door duizend driften behept, het rolgordijn optrok, baadden de zee en het strand in het voile zonlicht. Geen zuchtje wind bewoog de vlaggen ofstreelde het water, zodat het zich niet genoeglijk kon rimpelen op de aanraking van het aaien van de ‘Zuidooster Jan’. Het was zondag, wij zochten het cassettebandje op waarop Feike Asma, een Friese brassband en een stel verenigde koren zich gezamenlijk hadden opgemaakt om liederen uit onze schooltijd ten gehore te brengen. Wij stamen de cassetterecorder en door onze hotelkamer vloeiden de liederen en vermengden deze zich met onze gedachten. Wij zagen onszelfals kleine kinderen op zo’n mooie zondagmorgen, bekend uit het mooie lied “Als de dag met gouden glans, ’s zondags aanlicht aan de trans. Geen geluid de stilte breekt, alles ons van ruste spreekt”.

Urk 1926: Voor de kerkgang ijverig speuren naar de 'Kwatta-soldaatjes', om na een bepaalde hoeveelheid een cadeau te kunnen bestellen. Het zakgeld van ons bestond toen nog uit twee centen plus nog de zaterdagcent van opoe Ten Napel. Aangezien toen een Kwatta-reep vijfcent kostte, was het voorrecht om een reep te genieten slechts een keer in de veertien dagen weggelegd, en dan hield je nog een cent over voor een gelukstoffee. Dit kopen van een gelukstoffee was een door de Gereformeerde en Hervormde kerk gelegaliseerde manier van gokken door het jonge volksdeel op ons schone eiland. Wij hebben nooit gehoord dat de verkopers van deze gelukstoffees onder kerkelijke tucht werden gesteld. Maar om op de Kwatta-soldaatjes terug te komen, deze werden door de jonge ‘verdieners’ achteloos weggegooid als zij op hun rondje hun chocolaatje opsmikkelden. De grote verdieners (de knechten, ongetrouwd) hadden, ieder met z’n eigen ploegje, zo hun eigen winkeltje waar zij lever- ofpaardeworst met mosterd consumeerden, weggespoeld met een flesje stout ofeen pilsje, gebotteld door Albert van de ijsfabriek. Riekelt Romkes had zo zijn klanten in het winkeltje bij het Kerkje aan de Zee. Liep je door naar de onderbuurt dan was halfin het ‘oogien’ het winkeltje van Lub en Marretje Kramer. Ook hier getrouwe eters,

Pagina 10

drinkers en snoepers. In de winkel van Tijmen Buter was een bank geplaatst, waarop zich de vaste klanten verpoosden. Had Tijmen zijn draad te pakken dan onderhield hij zijn gehoor met kostelijke verhalen die hij beleefd had ofter plekke uit zijn verzekeraarsduim zoog (dat nevenberoep verrichtte hij ook). De man had gevaren op de grote vaart en op de logger. Begrijpelijk dus dat orkanen, hitte, koude en wat een mens zo niet allemaal kon beleven ook’s avonds de winkel van Tijmen Buter werd beleefd. Zijn vertelkunst was magistraal en de jongens beleefden, met hun mond vol worst van Kroeb, al die verhalen mee.

Pagina 11

Wij waren al enkele dagen in ons hotel aan de Adriatische kust, genietend van de September zon en kijkend uit over de blauwe zee. In de verte voeren kleine vissersbootjes van de Italianen huiswaarts na een hele nacht te hebben gevist. Ons kamernummer 133 en peinzend over vroeger herinnerde ik mij dat opeens, dat de open schuit -het bolletje- waar mijn vader in het voorjaar mee viste op haring en ansjovis, ook het nummer 133 had. Mijn gedachten, nog gevoed door de geuren van de zee, verwijlden en keerden terug naar de tijd van mijn jeugd, tijd van de “good old Suidersee”. Ik zag mezelfna schooltijd weer zitten bij het oostvuurtje, wachtend op de terugkomst van mijn vader wanneer hij de netten weer in zee had gebracht. Als het een beetje mooi weer was, mocht ik wel eens mee om de netten te schieten. Het was gewoon een open schuitje; de netten lagen netjes opgeschoten achter de mast bank. Voor de mastbank was alleen in de kop een klein plekje wat dicht getimmerd was en waarin alleen oliegoed en dergelijke kon worden geborgen. Voor de rest lagen daar de stengen met de vlaggetjes er aan gebonden voor herkenning van de in zee gebrachte netten.

Bij de helmstok, in het kontje van het bolletje, was een soort bank getimmerd waarin het meegenomen eten en de thermosflessen met koffie werden bewaard. Ik denk dat de discipelen ook met zulk soort open schuitjes gevist hebben. Tot nog toe heeft een snee brood nooit zo lekker gesmaakt, als uit de trommel, die uit de achterbank kwam. De eerste vraag van mij was altijd, als het bolletje zijn vangst gelost had, “zal ik de trommel mee naar huis nemen vader ?” “Och zoon”, zei hij dan, “dat kan ik zelfwel. Zeg maar tegen je moeder dat we al ge¬ lost hebben en dat ze de kost om e6n uur gaar moet hebben.” Iedereen zal wel begrijpen dat ik nooit weg ging, eer ik de trommel in mijn knuistjes gekneld had. Vrolijk huppelend en fluitend ging ik huiswaarts. In een stil hoekje het deksel erafom de overgeschoten snee brood met de dikke plak kaas en Kamper rogge brood op te smikkelen. Het gebeurde ook wel dat ik uit school kwam, dat er niemand thuis was. Vader had de netten op zo’n goede plek uitgezet dat deze de haring bijna niet kon bevatten; ze durfden de netten niet in een keer in het bolletje te halen, daar het scheepje zou zinken. De buurvrouw ving me op en zei “je vader had de netten vol en heeft ook je moeder op laten halen, jij moest ook maar naar de nieuwe haven vlak bij het spieringhuisje gaan, daar liggen ze de netten te klaren.” Als een ree rende ik op mijn klompen naar de nieuwe haven. Daar aangekomen zag ik het bolletje liggen, wat stak het diep. Ik werd hartelijk ontvangen, “ben je

Pagina 12

Vuurtoren en Mistbel Urk.

Pagina 13

daar zoon, wat een haring he?, ik heb van mijn levens dagen nog nooit op zo’n goed plekje gestaan met mijn netten, Bape zeg even wat hij moet haien.” Ik zag mijn moeder staan met een heel groot schort van oliegoed voor. Een ouwe werkkiel van mijn vader had ze ook aan, alles zat onder de schubben van de ha¬ ring. Zelfs op haar gezicht zaten de zilveren schubben. “Jantje, luister goed, ik heb nu geen tijd om warm eten te koken. Ga naar RoelofSpijker en haal daar twintig lekkere kadetten. Dan ga je naar Albino en haal een pond paardenworst en een halfpond leverworst. Vraag ook om een halfpond beste boter en neem het mandje uit ons huis mee en, he wacht even, neem het grote broodmes ook mee om de kadetten te snijden en te smeren. In de glazen kast staat nog een beetje mosterd, neem dat ook maar mee.” Als een stoomboot, kliefden mijn klompen de straten. Lekka, lekka, ging het door mij heen, hhmm, hhmm, lek¬ kere kadetten met paardenworst en beste boter. Gek he? Over geld werd helemaal niet gepraat. Mijn moeder had zo’n goede naam, een dochter van Jan Kramer en Marretje de Vries en dan nog getrouwd met Jan van Flip. Toen ik bij RoelofSpijker zei “twintig kadetjes voor mijn moeder” , zei hij “krijgt je vader er geen een van?” en meteen gooide hij achteloos een hand met pelpinda’s over de toonbank. “Der” zei hij, “als je geen kadetje krijgt, neem je maar een paar apenootjes en zeg tegen je moeder dat ze het zelfeven onthoud. Ik schrijfhet niet op, mijn pen is kapot.” Even later kwam ik bij het bolletje terug met mijn voltooide opdracht. Mijn moeder was zo verstandig geweest, om, toen zij gehaald werd om te klaren, zij eerst bij Evert van Pieter de Post een paar liter verse melk had gehaald en daar een lekkere “poeier-melk” van had gemaakt. Moeder deed het voorschoot af en legde de kiel omgekeerd op de mastbank en ging het brood gereed maken. “Bbbbbeste boter” zei Teunis de Derdeman. “Nnnouw kunnen wwwwwe nooit wiwiwiwier arm.” Mijn moeder had een zwak voor Teun, zo’n jong knaapie en met die grote mannen de zee op. “Ppppoeier-melk” zei Teun, “dan krijg je alleen maar op een www, op een www, op een wvwvvwv. “Verjaardag” zei Harm van tante Marie. “Just” zei Teunis, “en ook nog op het e, ook op het e, ook op het e. “Kerstfeest” zei Harm weer. “Krek Harm” antwoordde Teunis. Om het praten van Teun werd niet gelachen. Teun was zoals hij was. “Teun is mannetjesgelijk met mensen uit de bijbel, Mozes was ook zwaar ter tale” zei Harm altijd. Als Teun er helemaal niet meer uit kon komen, zei Harm “zing het maar Teun dan gaat het wel beter.” Mijn vader vertelde wel eens dat Teun, op de mastbank, samen met Harm bezig een gaaltje te verstellen, een heel verhaal zingende vertelde. Nu we het ons kunnen veroorloven om 1600 km van huis afons te koesteren

Pagina 14

in een subtropische zon en ons als koningen te laten bedienen, is er altijd nog een licht heimwee naar de jongenstijd tussen 1925 en 1930. Maar tevens gedachten van waardering voor die mensen die toen onder die zware omstandigheden de kost moesten verdienen terwijl ze soms verschillende jaren niets vooruit boerden, maar gewoon op hun oude goed bleven ofnog jaren verlies leden. Het jaar van de grote vangst, die ik hierboven beschreef, noem ik in gedachten nog de wonderbare visvangst. Mijn vader een nieuw kostuum en mijn moeder een nieuwe jurk met van die grote bloemen erop. Ze zag er erg op tegen omdat de vrouw van de burgemeester ook zo’n soort jurk had. Maar tante Marie van ome Reier zei “geen geklets, opoe knipt hem en kleine Nele naait hem.” Flip en grote Jan mochten een echt pak uitzoeken uit de grote doos van Bervoets uit Kampen die Flerik van Klaas van Leendert mee genomen had.” Voor Harm en mij maakte opoe Nele een echt kostuum met voor mij een korte broek en voor Harm een driekwart broek. Natuurlijk vertelde mijn vader ook wel verhalen uit de tijd dat hij nog viste, meestal ‘s avonds na het brood eten. Het licht werd nog niet aangedaan en je zag alleen het houten knoestje eiken vlammend oplichten door de mica raampjes in de kachel. Op de tafel stond het een pittertje te branden met de kofifiepot erop. Als de wind door de bomen gierde en de regen op de ruiten spetterde, kon het gebeuren dat hij een ervaring uit zijn visserstijd vertelde. Laat ik het hemzelfvertelen. “We hadden het bolletje nog”, zo begon mijn vader, “het was een tijd slecht weer geweest, maar er kwam wat ruimte in de lucht en de barometer ging wat vooruit. Ik zei tegen Harm van de ome Reier, hij was knecht bij mij, het glas staat goed Harm en de wind neemt af, we gaan vanmiddag de netten schieten. We zullen de goden niet verzoeken door alle zeven repen mee te nemen. Vijfrepen is zat.” “Doen zo als je zeggen”, zei Harm “dan lieg je niet.”

Pagina 15

jet af: hoe zijn die ‘ginkies’ er nu gekomen? Tegenwoordig bouwen ze in een rij, stevig tegen elkaar gebouwd, ook op Urk. Zelfwoonden E>, met aan de ene kant een ‘ginkien’ en aan de andere kant een ‘glop’. Het kdn zijn dat ze ontstonden om ruimte te hebben voor een Steiger om de zijgevel te kunnen metselen. Dit gaat niet altijd op, want er waren ook wel nauwere ruimten tussen de huizen van ongeveer twintig centimeter, waar alleen wat stokken bewaard werden die bestemd waren om de waslijnen omhoog te houden. Trouwens, in erg smalle ‘ginkies’ hebben ze de gevels toch wel netjes gemetseld en afgevoegd; denk maar aan de doorgang tussen de winkel van Ma¬ rie van Naat en het huis waar later Kees de schoenmaker woonde. Een ander voorbeeld: bij de Botermarkt. Eerst het huis waar vroeger Griet van Lub in woonde, dan een ginkien, vervolgens twee woonhuizen, dan weer een ginkien en tenslotte het huis van Klaas de schilder. Twee ginkies kort bij elkaar. Hoe kom je nu op ‘ginkies’? Nou, dat zit zo. Aan al mijn kleinkinderen kan ik het niet meer vertellen oflaten zien waar ik het onderwijs heb genoten, omdat de school verdwenen is. Laatst heb ik nog een herkenningstocht ondernomen, een soort retime met de ginkies, zo men wil. Ik ging de Zegenaarshoogte op, rechtsafop het Harmen Vissersplein en het ginkien van Klaas de schilder door. Daar ging ik rechtdoor en bij Jante Baarsen linksaf. Volgen jullie me nog? Bij de winkel van Jurie Brouwer even rechts en dan recht tegenover oliehandel De Boer links, tot aan de kerk en dan het ginkien bij de kerk door, waar vroeger Willem Molenaar een manufacturenwinkeltje had. Dan de volgende straten steeds oversteken door opeenvolgende ginkies, toto we in de straat belanden waar Willem van Hessel een winkel met bakkerij had. Aan het eind van de straat vonden we het huis waar vroeger Gerrit Ekkelkamp woonde en dan staan we voor de school. De eerste stappen op weg naar het grote leven lagen in de Idas van juffrouw Jantje. Ook de eerste klassen moesten van negen tot twaalf onderricht ontvangen. De weg naar huis werd meestal snel afgelegd. Voor het huis van Siebe Kroon sloegen we linksaf. O ja, Siebe Kroon had een scheerwinkel en was getrouwd met Oaltien. Siebe woonde al op Urk bij zijn ouders en volgens overlevering kwam hij op een toen wel meer voorkomende manier aan zijn vrouw. Op een dag kwam er een meisje uit Overijssel. Aaltje genaamd, op Urk en vroeg ‘waar Siebe wonde’. Aangezien er op Urk toen heel weinig, ofzeg maar een Siebe woonde, kwam zij aan het goede adres, door bereidwillige Urkers gewezen. “Volluk!” “Ja, wat moet je” “Is Siebe tuus?” antwoordde Aaltje. “Wat moet je dan met Siebe?” “Ik bin Aoltien en Siebe weet wel waarveur ik

Pagina 16

kom.” Zo trouwde Siebe met zijn Aaltje en hij verwekte kinderen, waarvan er ook naar de Zaanstreek uitweken. Twee jongens werden op Urk goed bekend.

Gerrit Kroon werd scheepstimmerman en werkte jaren bij Wiepke ofde werf. Roelofwas de stichter van hotel Kroon. Maar voor die tijd was hij stoker bij de Eerste Urker Stoomboot Maatschappij. Door een ongeval aan boord werf Roelofinvalide. Hij moest een lange weg gaan om voor het werk van stoker afgekeurd te worden, daar hij dit werk niet meer kon doen. Een been van Roelofwas stijf, het was dus zeer moeilijk om in de machineruimte afte dalen. Op weg naar weer zo’n zitting gaf (Lange) Frans Post hem de raad mee: “Lot je niet kisten Roelof, hou je poot steef.” Roelofen de Ongevallenwet kwamen tot een vergelijk voor een uitbetaling van een bedrag ineens. Er werd een ‘cafebillard’ gebouwd en Roelofwerd ‘waard’. Naast het cafe werd nog een woonhuis gebouwd, waar broer Gerrit en de ouders nog een tijdje gewoond hebben. Roelofwilde een hulp terzijde hebben. Hij kreeg een lot uit de loterij, naar ik meen (om het met een ouderwets woord te zeggen) een voormalige liefdezuster (verpleegster). Toen Roelofen Mies 25 jaar getrouwd waren, hadden wij de eer, Jo en ik, die bruiloft met gepaste vrolijkheid en eigengemaakte liederen op te vrolijken, samen met heel goede bekenden van het bruidspaar. Ook zij gewonnen kinderen, waarvan een zoon nu de zaak op een andere manier voortzet. Er zou nog heel wat te vertellen zijn, maar ik moet nog enige ginkies door om vanuit school weer thuis te komen; tenslotte waren we daar mee bezig. Wij zijn in de straat van meesterJansma. Eerst passeerden wij rechts cafe Willem Barendsz’ waar de familie Westereng de scepter zwaaide. Later nam Klaas Schraal de zaak over. Toen wij met de voetbalclub S.G.O. de eerste wedstrijd in een vreemd land (Enkhuizen) speelden en nog wonnen ook, was Urk radeloos. Jan van Luther had naar Urk gebeld en toen wij met het ‘bolletje’ van Bart van Pieter weer aanlegden in de thuishaven, moesten we de hoogte van Gerrit Snoek op en naar de Willem Barendsz. Hier werden we getrakteerd op limonade. Pieter, de oudste broer van Albert Keuter, onze keeper, zei tegen Klaas Schraal: “Nou, oe eawen we dat edoon, de Keuzers eawen we klop egieven, giefde jongens allemaol een koegelflessien van mij.” “Jie dinken dat ik niet groos bin”, antwoordde Klaas. “Oenze Maarten was er ok bij, dus van mij ok een koegeltjen.” Gek he, maar als ik door dat straatje loop, denk ik nog aan de koegelflessies met de ‘esselaor’ er in. De koolzuurboeren vervolgden mij de gehele avond. Na Klaas Schraal heeft Willem Butter daar een tijdje de scepter gezwaaid. Door een verbouwing kwamen er aardige logeerkamertjes bij. O ja, voordat wij bij de ‘Willem Barendsz’ aanlanden was daar eerst het huis van

Pagina 17

Albert Hoekman. De oudste zoon Lukas hield, grenzende aan het cafe, kantoor in een piepklein kamertje voor de fa. Hoekman en Zonen. Als loopjongen van Klaas van Leendert kwam ik daar vaak. Ondanks het feit dat ik Lukas steeds verbeterde bleefhij mij steeds ‘Harm’ noemen. Oude moeder Hoekman hield alles goed in de gaten. Wij pasten namelijk een true toe. Als we iets hadden om te bezorgen, gingen we eerst aan de voordeur vragen. Meestal werd er gezegd: nee, dat is voor het kantoor van Lukas. Kwam je daar, dan kwam moeder Hoekman ook door een smal deurtje het kantoortje binnen en zei dan: “Lukas, ei-je die jonge wel een verdeat (2 Vz cent) egievdn vor’t bringen van’t pekkien?” De verstandhouding met Lukas is altijd goed gebleven. Ik vermoed dat dit kwam door de uitvoering van ‘Dindua’, waarover ik met hem kon praten. Toen wij pas in Gouda woonden, kwam hij ons opzoeken. Ons adres kwam hij aan de weet bij de afdeling bevolking.

Het gebeurde periodiek kort na elkaar, dat ons adres werd opgevraagd. De laatste keer was door ds. L. Loosman. De ambtenaar gafhet gevraagde adres met de woorden: “Wat is dat voor een familie, dat ze onder werktijd naar dit adres vragen?” Loosman antwoordde met Urker gevatheid: “Het is niet wat u denk, meneer, ik ben predikant en die daar wonen zijn vrienden van ons.” “Nou Mary”, zei Lub, “ze dochten op t gemienteheus dat je gelegeneid gavven.” “Goon zitten dan”, zei Mary, “dan zal ik gelegeneid gieven om een lekker bord Urker snert op te eten.” Aldus geschiedde. In die Meester Jansmastraat woonden ook meester Jelle Loosman en Gerardus Metz en familie. De laatste was eerst ook onderwijzer en later oliehandelaar en tevens runde hij mede de toen genoemde Nutsspaarbank. In zekere zin was het een korte straat, maar ook een nette straat. Er werd cultuur gedaan; bij de familie Metz thuis oefenden ze met een dubbelkwartet, vier dames en vier heren. Metz zelfwas een goede bas, Albert van Urk (ook baspartij) en Hendrik Snijder en Jakob van Bonsien waren goede tenoren. Dochter Antje bespeelde het Amerikaanse orgel met doorlopende harp. Het was buitengewoon goed en mooi wat deze lieden ons in die tijd boden. We luisterden graag. De respectievelijke eega’s van de heren waren natuurlijk ook van de partij. Op mooie zomeravonden werden de horretjes in de ramen gedaan zodat de hele buurt kon mee genieten. We vervolgen onze weg; met een klein beetje moeite zou ik al de mensen kunnen opnoemen die daar toen woonden. Dat zullen we maar niet doen, voor mij hebben die mensen allemaal een verhaal. Doorlopen naar het eind van de straat, weer door een ginkien. Rechts van dat ginkien was een mooi oud huis, links het pas nieuw gebouwde huis van meester Klaas van Urk en Nieltjen van

Pagina 18

Piet van Geertjen. Het huis rechts vond ik romantischer. Het was in tweeen gedeeld door een hele lange gang. Hier woonde de familie Mink, ofzoals ze toen zeiden “Ties de keuper.” Vaak heb ik die man aan het werk gezien op de haven in de drukte van de haring- en ansjovistijd. Een vakman pur sang. Een zeer geziene figuur, die rustig zijn gang ging. De oudste zoon was schoolmeester en tevens organist in de Hervormde kerk. De tweede zoon trok naar de stad van herkomst, trouwde een Kamper meisje en bekwaamde zich in het bakken van gebakjes en heel dure koekjes. Dochter Pietje trouwde ook een vreemde, Henk Hartman; zij woont nog onder ons. Het tuintje van de Minken zag er altijd pront uit door de goede verzorging die er aan besteed werd. Met het afsluiten van de Zuiderzee werd ook Mink brodeloos. Zou hij een kleine vergoeding van de Zuiderzeesteunwet ontvangen hebben? Hij zat dicht bij het vuur, was lid van het schoolbestuur, en als je de erevoorzitter, burgemeester Gravestein, een beetje op de hand had, kwam dat wel goed. Als dat niet goed is gekomen, dan was dit de zoveelste onrechtvaardigheid die gepleegd is door de Dienst ter uitvoering van de Zuiderzeesteunwet. Ik daag een student in de sociale wetenschappen uit om hier eens een proefschrift over te schrijven. Als titel kan ik ook een hint geven, b.v. “Er zou geen onrecht geschieden, was dit ja ofnee?”, of “Bij uitvoering van de Zuiderzeesteunwet, vriendjespolitiek in optima forma de macht van de bestuurders.” Mink had echter nog een profijtelijke wrochting door misschien wel een verzekeringsagentschap, want ik zag hem vaak in het nette donkere civiel, met een boek in de hand, verschillende huizen bezoeken. Een en ander nam niet weg, dat het geen royale vetpot was, want vele jaren lang zijn commensaals onder de hoede van mevrouw Mink gevoed en gelaafd. Een oud-collega van Zuiderzeewerken, Henk Oldenhof, heeft zich heel lang de zorgen in huize Mink laten welgevallen.

Wij zijn het ginkien door; links ontwaren we een heel smal winkeltje, met daarachter de schoenmakerij van Dubbele de Boer. Zoon Evert kreeg hier van zijn vader lessen in het maken van Urker schoenen. Later, toen de winkel verplaatst werd naar de winkel en bakkerij van Lukas Brouwer, begon Riekelt Pasterkamp (de Verkos) een kleine boek- en papierwinkel en verzorgde het stencilwerk. We gaan het ‘hoogien’ neer; we kijken naar weer een piepklein winkeltje voor ons. Hier beheerde Pieter Keuter een dependance van Piet Brouwer, manufacturen. Op de hoek woonde hij zelfmet vrouw en kinderen: Hendrik Keuter en de oudste dochter die later met meester Mink is getrouwd. Riekelt Hoefnagel (van Naatje) bakte nog, maar had geen koeien meer toen ik nog op school was. Toen ik nog zo’n peuter was hield hij nog een paar koeien

Pagina 19
Pagina 20
Kerkje aan de Zee in dejaren 40.

en verkocht dus ook melk. De familie moest zorgen dat die voor geld werd ‘opgeconsumeerd’. We lopen weer omhoog en komen langs de tuin en het gebouw van de Kamper Nutsspaarbank. Tegenover die spaarbank is de winkel van Jan Post, bakker, kruidenier, galanteriehandel, grithandel en later ook nog handel in vloerbedekking zoals zeil en matten. Jan Post rookte doorlopend een sigaar, zelfs als hij de broden kneedde. Opmerkelijk was hierbij dat hij nooit de tabak in aanraking met zijn lippen liet komen. De sigaar zat vanafhet ogenblik dat het verroken begon, in een barnstenen sigarenpijpje, dat schuin in een mondhoek geklemd zat. Jan was een late bakker, het venten met de broodkar gebeurde altijd in de late avonduren. Dit tijdstip veranderde ook niet, toen verplicht werd, dat verlichting op rijdende ofmet de hand voortbewogen voertuigen, dus natuurlijk ook op de ‘broodkarre’ van de bakkers verplicht werd gesteld. Lies was altijd paraat en was de ‘gabberse’ van haar vader. Naast de winkel van Jan Post woonde lange Luppien. Ze had vaak hoofdpijn en droeg zelden haar hul. Jan van Loo Koffeman was bij een groothandel in geneesmiddelen, en kon Luppien voor een redelijke prijs aan aspirines helpen, die zij driftig bij buisjes vol consumeerde. Er is geen onderzoek naar gedaan, maar ik geloofdat Luppien de Boer de eerste pik-pak-zaak had in Nederland. Zij gafliggende in de bedstee leiding en de klanten moesten zelfde zaak maar afwegen op het weegschaaltje dat op tafel stond. Luppien schreefalles op en men rekende bij de bedstede af. Riekelt van Pernis kocht zijn ‘lekkers’ bij Luppien, zat alles aan te kijken en prees de lekkere rumbonen aan (oe mins die binnen zo zalig!”). verder gafhij zijn bekende commentaren bij gesprekken tussen de klanten. Het was vrijdags en s zaterdags gewoon een hele leuke boel bij Luppien, met al die blikken en dozen met koekjes, dikkertjes en bonbons zo op de vloer gezet. Winkelsluiting was een woord dat niet in de vocabulaire van Luppien voorkwam. Als de torenklok’s zaterdagsavonds begon met twaalfuur te slaan werd de pik-pak-zaak beeindigd. ’s Zondags dreefje geen handel.

Even verder aan de linkerkant een heel smal ginkien waar brede volwassen zijdelings doorheen moesten. Ondanks de smalte werd veel gebruik gemaakt van dit ginkien. Ernaast woonden en werkten een tante en oom van mij. Dit huis liep helemaal door tot aan de achterliggende straat, waar Fokke de scheerbaas woonde. Marie van Reyer was getrouwd met de oudere broer van mijn vader, Reyer van Flip. Ook de grote schuur tegenover het huis was in huur bij tante Marie. Hier verkocht ze vers stro om de bedsteden na de grote schoonmaak weer als eerste laag voor het veren bed te voorzien. Later werden ook wel strozakken gevuld met weer vers stro. Het wassen van de kleren van het grote

Pagina 21

gezin gebeurde ook in deze schuur. Er waren acht jongens en een meisje. Onze familie was nogal vooruitstrevend en wij kochten gezamenlijk een elektrische wasmachine. Wij schrijven dan 1926. De vuile werkmanskleren werden nu in een speciale wasmachine gewassen. Dat speciale stond op een plaatje, want het moest een gelijkstroommotor wezen, die de energie leverde om het ronsel rond te draaien in de kuip. De motor stond boven op het deksel en dreefeen gekartelde as aan, welke op zijn beurt een kummel, met de as van de ronsel verbonden, heen en weer deed gaan. Voor ons toen een wonder van techniek. Bij tante Marie wasten ze op maandag en bij ons op dinsdag. Dus elke week moest mijn vader op een kruiwagen die wasmachine ophalen. Ook hier bleek dat samen goed niet altijd goed was. Het gebeurde een keer dat s maandagsavonds de wasmachine kapot was. Grote consternatie, want de was stond al in de week. Ja, zo noemden ze dat in die dagen. Vader zei: “Bape, maak je niet druk; morgen haal ik zo’n handwasmachine en na mijn werk ga ik hem wel draaien.” Alzo geschiedde. Toen vader’s avonds om 7 uur thuiskwam at hij eerst een broodje met een kop koffie en begon toen te draaien aan de Velvo wasmachine. Vader moest voor elke was twintig minuten heen en weer zwaaien met die stok. Dan kwam later het nawassen nog en zorgen dat er heet water in de waspot was, dus het was een gesjouw van jewelste. Toen vader dit voorval later aan kennissen vertelde zei hij: “Tugen de nacht wazzen we klaor. Ik was zo beroerd, dat er binnen er dood egoon die er beter an toe wazzen as ik.” Resoluut stapte vader dan ook de andere ochtend bij Willem de smid binnen en zei: “Willem, bestel de beste wasmesjine die er is, ier ij je vast een riksdaolder op aand.” Willem schudde met zijn hoofheen en weer van nee en zei: “Dan zullen we de grooste Miele lotten koemen waor de motor onger op slot.” Een week later stond de wasmachine te pronken bij ons in de keuken en deed meer dan 25 jaar dienst. O ja, we waren nog bij tante Marie. In de winkel verkochten ze kopjes en schotels en meer galanterieartikelen. Verder wat koffie en thee en wat speculaas en koekjes. Het was geen Urker brok, maar s zondags na de kerk kregen we bij tante Marie een vierde van een blaadje brok. Achter de winkel was weer een pakhuis, waar het vat voor de verkoop van petroleum was. Petroleum was in die dagen natuurlijk een levensbehoefte, want alles moest op de petroleumtoestellen gekookt worden; er waren een, twee, drie en vierpitters. Voor je aan het eind van de winkel in de schuur ofhet pakhuis kwam, moest je eerst twee treden afdalen. Vlak links om de hoek was dan de verkoopplaats van de spiritualien, dat wil zeggen dat hier een ‘slukkien’ werd verkocht. Voorraad stond er niet zo veel van de sterk alcoholische dranken, want die werden in bemande kruiken bewaard in de alkoofdie achter de kamer lag. Als de schenkfles

Pagina 22

leeg was werd hij weer bijgevuld. Het borreltje offlesje was een zeer profijtelijke wrochting. Ik vond het een romantisch huis, waar ik veel met de jongste neven heb gespeeld als het weer buiten slecht was.

Naast tante Marie woonde Marie van Appien, familie van mijn schoonmoeder. Later heeft daar nog een zoon, Willem, met zijn Scheveningse vrouw gewoond. Willem heeft later weer een tijd in Scheveningen gewoond, toen Klaas Wakker ging bouwen. Achter dit huis was een voor die tijd grote tuin, waar later Klaas van Sijtje zijn manufacturenwinkel heeft gebouwd, ‘de Magneet’. Nu zijn we dus linksafgeslagen; wij gaan niet de hoogte van Pietertjen van Fokkien neer, maar gaan rechtsaf. Aan onze linkerkant was eerst de beginwinkel van Klaas Wakker. Later is in deze winkel Jaawkien van Ealt een zaak begonnen in van alles wat maar te kopen was. Toen later onze zoon op de arm draagbaar was, vroeg mijn schoonmoeder altijd: “Waar moeten we heen Chris?” Zijn vaste antwoord was altijd: “Even naar Sjouwkje.” Daar konden zijn ogen zich verlustigen in alle mooie dingen die Jaawkien verkocht. Nu weer terug naar de jaren twintig. Naast het huis van Jaawkien stond het grote huis van Hein Hagedoorn, de timmerman. Daar tegenover voerde Jaawk van Pieter zijn stiel uit. Hij was bakker, dat wil zeggen zijn zoon Pieter deed het meeste werk. Jacob Nentjes was ook nog koster van de Gereformeerde kerk, maar dat was voor mijn tijd. Bewust heb ik mijn eerste koster beleefd die Jochem Hennink heette en getrouwd was met een dochter van Louwe Nentjes, een broer van Jacob. Blijkbaar hebben ze het kosterschap in de familie gehouden, al was dit dan wel aangetrouwde familie. Voor mij was Jochem de echte koster. Veel later kwam ik er achter dat de koster van achteren Hennink heette. Als je vroeg naar de koster, ofje moest iets halen, een sleutel ofiets dergelijk, dan ging de naar ‘de koster’, en dat was Jochem Hennink. Wat ook opviel was, dat een zoon van Jacob, Jan, ook mandenmaker was en dat was ook weer de ‘bijstiel’ van Jochem, de koster. Zoon Jan had zich ook het vak van klompenmaker eigen gemaakt. Dit klompen maken en het manden vlechten gebeurde allemaal in een omheinde ruimte voor de bakkerij. Het materiaal waar hij mee werkte was opgeslagen in een groot houten hok, dat niet hoger kwam dan de ramen van de bakkerij. Als hij aan het werk was, waren er altijd wel kijkers die hem om zijn handigheid bewonderden. Er waren voor die tijd veel warme bakkers op Urk. Als ik zo even naar 1927 terug ga, tel ik er wel dertien ofmeer. Er werd toen veel roggebrood gegeten. Dit was zwaar om te bereiden. Er is mij wel eens verteld dat het kneden van het roggemeel in de trog net zo gebeurde als het treden van de wijnpersbak. Het was een hele ceremonie. Eerst werden de benen van de treder met zorg gewassen, de blauwe onderbroek hoog opgebonden en

Pagina 23

het korte witte hemd bij de hals opgemaakt om de transpiratiewarmte te laten ontglippen. Vervolgens werd begonnen met het treden, nadat water bij het meel was gevoegd. De treder commandeerde afen toe “water!”. Er werd dan zoveel bijgevoegd, dat een stevig, plastisch mengsel was verkregen. Dit werd meestal voldoende geacht, als het meel ofhet deeg langzaam tussen de tenen naar boven perste. Eet smakelijk.

Wij verpozen niet langer bij de winkel en de bakkerij, maar gaan linksafen horen daar zeer luid en duidelijk Jantje van Hein haar buurvrouw toespreken. Het was geen ruzie hoor, maar de familie waar Jantje van afstamde, de Bodes, waren over het algemeen zeer luidsprekende lieden, die wel twintig meter overspannen konden. Nu waren in die tijd de Urker vrouwen zo tijdens een buurpraatje toch wel heel luidruchtig. Ofdit kwam om boven het ruisen van de zee uit te komen is mij onbekend. Toen ik passeerde, begroette Jantje me altijd zo onder het gesprek door: “Zo maot, is’t skoel al eut? Oenze Hindrik zal wel bij z’n ome Roelofin de bakkerije zitten.” Hendrik was van mijn leeftijd en klasgenoot en ook speelkameraad. Wij lopen de timmerwinkel van Hein Hagedoorn voorbij en zien daar Johannes Kramer, later schoonzoon van Klaas van Hessel, bezig met het repareren van een Urker wagen van Klaas van Hessel. Jannes, want zo werd hij genoemd, was niet alleen timmerman, maar ook nog wagenmaker van professie. De timmerwinkel van Hagedoorn zag uit op een plein, waar ze later een schuur lieten bouwen door ome Willem Schraal. Een intiem pleintje, waar je heerlijk kon knikkeren en allerhande spelletjes doen. Ome Willem woonde in een huis waarvoor een grote stoep en onder dat huis was de timmerwinkel. We steken het plein over en passeren het huis waar Aole en Semen woonden, met naast hun toentertijd Hessel Romkes, de ouders van Jelle, die met ons buurvrouwtje Annetje Koffeman getrouwd was. In datzelfde huis woonden ook de ouders van Rinse en ‘Bif Ruiten en ook Teun Vrolijk de Scheveninger heeft dit huisje bemand. En daarnaast woonde toen de koster Jochem Hennink. Voorzover mij bekend woont de vrouw van Jochem nu in Talma Haven. Met trouwen er in gegaan en tot op hoge leeftijd vergroeid met dit huisje. Ik kan me niet herinneren dat aan de Oudestraatzijde ooit een stoep geweest is, wat wel het geval was bij de eerste twee huisjes. Op de hoek dan tegen de ‘oogte van Nanning’ aan woonden Derkien en Willem Post. Derkien, een nijvere vrouw die altijd aan het werk was. Als ze stond te boenen op de was, had ze een schort van oliegoed voor. Wasdag was de grote versierdag, want dan werden de lijnen gespannen en bolden lakens en broeken in de wind. Jannetje van Nanning moet nog op een ansichtkaart staan, bezig met het ophan-

Pagina 24

De winkel vanJan Gerssen (“Albino”) in Wijk 5.

gen van de was. Je was er zelfook bij betrokken, omdat je helpen moest om de ‘leen’ op te houden, want deze mocht niet te strak staan, daar naders het goed niet tussen het touw te krijgen was. Knijpers waren niet in gebruik.

Kostelijk winkeltje was dat van Nanning en Jannetje, die altijd goed geluimd was. Nanning sjouwde met zijn groentekar over Urk en is verschillende malen vereeuwigd op een foto. Die Urker groenteboer die altijd een gestreept bloesje in zijn Urker broek had, maar steeds zijn viltje op het hoofd hield, want als het stormde, deed hij er een zwart koordje omheen om het afwaaien tegen te gaan. Wie heeft Nanning wel eens met een karpoets opgezien? Ik kan me dat hoofd van Nanning niet met een karpoets op voorstellen. Ik ga gauw de hoogte afen rechtsafnaar huis. Post en zijn zuster Niel staan buiten. Post probeert in de steeg was hout klein te krijgen. A1 zijn frustraties probeert hij van zich afte hakken. Afen toe zie je zijn ondertanden over zijn lip komen, net zoals bij een hond die uitgedaagd wordt om te vechten. Lub Weerstand komt thuis en Lubbe begroet hem: “Bin je daor nou al?” We passeren dan een brede glop. Achter in dat glop woonden de ouders van Griet van Marij. Hun huis stond met de zijmuur naar voren. De oude Meindert Visser liep altijd zo keurig in zijn Urker kostuum. Hij had van die mooie gouden oorringetjes en hij droeg altijd een viltjen op zijn hoofd, waar de rook van zijn sigaartje omheen kringelde. Het

Pagina 25

was altijd een gezellige tijd als Griet met dochter Appien en man en de ander familie bij vader en moeder Visser logeerde in de zomer. Ik denk dat schoonzoon Melk wel voor een goed sigaartje voor vader Visser zorgde, want die hield zelfook wel van een goede Havanna. Ealt van Jaawk van Pieter was, nadat ze aan de ander kant van ons gewoond had, achter Homme Pereboom, de naaste buur geworden van de familie Visser. Er was echter een tuintje tussen dat moe¬ der Visser goed verzorgde. Dan kwam het huis van Klaosien van Hindrikien en Piet Koffeman,die in de volksmond ‘Zwarte Piet’ genoemd werd. Klaosien was hulleplooister en ze verkocht ook koffie, thee en pruimtabak. Ik moest altijd voor mijn vader pruimtabak halen bij buurvrouw Klaosien. Het was er altijd gezellig met al die meiden thuis. Ze hadden maar een zoon, Hein de groenteboer; meet kinderen van het mannelijk geslacht heb ik er nooit kunnen ontdekken. Ofis die man in Maassluis, die wel eens een gedicht in ‘Het Urkerland’ schrijft, ook een zoon van buurman Piet? Het ginkien tussen ons oude huis en het huis van Klaosien, was vroeger een voorname doorgang. Op een goede dag werd het oude huis naast ons gesloopt. Er werden twee huizen van gemaakt. Mina Karremaker kwam in het meest westelijke te wonen en bracht met haar familie nog meer vrolijkheid in de buurt. Voor Klaosien en Piet bleef maar een klein huisje over, waar ze toch wel gelukkige jaren hebben gehad. Piet zei wel eens: “In de oorlog heb ik het nooit koud gehad, want Marietjen zorgde wel voor wat kolen.” Ja, zo zijn we dan weer vanuit school thuisgekomen. Veel dingen komen dan weer boven en je bedenkt dat veel van die mensen al lang gestorven zijn; huizen en mensen zijn weg. Wij zijn er nog om over te schrijven en met genoegen terug te denken aan die tijd van ansopie’s, haring, garren en een binnenscholletje. Misschien zijn er wel die zeggen: “Ik wiet et nog Jan. Ik zie m’n zelfnog zitten onger de petereulielaamp, een zealtjen over de tafel, een bult garren er op, in wij maar pellen. We adden’t niet bried, maar et was wel knus, in we wazzen gelokkig.” Ja, die tijd, toen had ik mijn vader en mijn moe¬ der nog en nu valt alles langzaam om je weg. Als je ouder wordt, dan wordt je ook eenzamer. Denk maar aan het boek dat koningin Wilhelmina schreef: ‘Eenzaam, maar niet alleen’.

Pagina 26

'leetd

Wie weet er nu nog hoeveel bakkers er op Urk waren tussen 1930 en 1940? 65-plussers, tel ze maar eens thuis, als gezelschapsspel, wanneer de televisie in de kornkommertijd is aangeland. In de straat waar ik in leefde, waren er die tijd drie bakkers, en als we van oost naar west beginnen, was no.l van Wijk 6, de ongerbuurt, een graanmalerij; dan kwam er een hele tijd niets. De eerste bakkerij was Willem van Pieter (Nientjes), dan Frissien Bode, een luxe bakkerij die ook taartjes bakte, en de laatste was Piet van Miene (Keuter). Drie bakkers, maar alle drie specialisten op hun gebied. Piet Keuter, nee geen Pieter Keuter, maar Piet Keuter, was specialist op het gebied van roggebrood bakken en. evenals zijn broer Jan Keuter uit Wijk 4, specialist in speculaas bakken. Hoe haal je het in je hoofd, in de winkel werd niet alleen brood, koek en dergelijke verkocht, maar er was ook een afdeling manufacturen en je kon er ook kopjes en schotels alsmede potten en pannen kopen. Er was in die tijd een vaste knecht, Toon Pasterkamp, die’s morgens vroeg hielp bakken, maar als er veel te vervoeren was door Toon (met paard en wagen), moest de vrouw van Piet ook de handen uit de mouwen steken. Koos was een beroemd paard, waartegen Toon net sprak ofhet zijn broer was. “Koos! Nou zeg ik daornet dat je je poot effen moet optillen, waoromme doe je dat dan niet? TOE DAN KOOS!!!” En dan tilde Koos zijn been op (want een paar heeft benen) meestal het verkeerde, en dan riep Toon; j’ andere poot, KOOS!!! OfKoos het verstond weet ik nog niet, maar hij tilde wel zijn andere been op. Piet Keuter was ook de eerste autobusondernemer op Urk. Voor een dubbeltje mocht je een rit om het dorp maken. Ook hier was Toon de chauffeur. Over de bustochtjes van Piet Keuter zou een apart verhaal te schrijven zijn. We verlaten dus dit interessante bedrijf en komen bij Frits Bode terecht, zo’n honderd meter verder. Frits en Geertje hadden geen nevenbedrijven, maar hielden zich voor het grootste gedeelte bezig met de verkoop van bakkersproducten uit eigen bakkerij en/ofluxe eetbare producten van grote fabrikanten. Frits probeerde met massaproductie de prijzen te drukken en was, meen ik, de eerste die op grote schaal reclame maakte. Toen ik daar als scholier werkte, waren daar al drie vast kracht nevens Frits in de bakkerij werkzaam: Hendrik Nentjes, Lub Loosman en Hendrik Keuter. Ook Joh. Gerssen was erbij. In de winkel was het altijd gezellig. Frits en Geertje gaven altijd antwoord op vragen en mengden zich vol overgave in de gevoerde discussies. Er was een kranjes-periode met veel uitvoer naar wal, die een grote verbouwing veroorzaakte van de bakkerij. Tijdens die verbouwing verhuisden de bakkers van Bode naar de bakkerij van Jurie Brouwer. De

Pagina 27

inpakwerkzaamheden gebeurden in de stal van de Bodes in het oosten van het dorp. Over Frits Bode jr. , zoals hij zich noemde, omdat zijn vader ook Frits van voren heette, zou een boek vol te schrijven zijn en niet alleen voer zijn bakker-zijn maar ook op het gebied van kerk- en verenigingsleven. Een ding nog, ik herinner me, toen ik 18 februari 1927 zeven jaar werd, mijn moeder een ontbijtkoekje op mijn arm bond waar de vriendjes op school een stuk van afmochten bijten. Dat koekje, zo’n twintig centimeter lang, was gebakken in de bakkerij van Bode en kostte tien cent.

Het moet dan ongeveer een jaar later geweest zijn dat ik voor het eerst bij Willem van Pieter ging helpen bij het ‘kweewk bakken’. Willem Nentjes leefde samen met zijn twee dochters en zijn zoon Teunis in het grote huis in Wijk 6. Aan de westkant was een gang, als je daar in liep kwam je bij het huis van Ant van Marie van Appien. Links vlakbij de deur kwam je op een binnenplaatsje, waar Kees woonde, die altijd voor Hendrik van Jantje de pakjes wegbracht per kruiwagen. Dat binnenplaatsje was verhard met allemaal ronde balkeitjes. Rechts van het huis van Ant was weer een ruimte die naar de bakkerij ging, want het vreemde van de bouw was dat de bakkerij grensde aan de schuur die achter het huis van de moeder van meester Loosman lag. De stal, voor het grootste gedeelte achter de bakkerij liggende, grensde met de oostgevel aan het orgien’ van Nanne van Tiemen van Eerde. Het achterhuis van de stal grensde weer aan het huis van Teunis Visser, getrouwd met de oudste dochter van Marie van Naat. Uit het vorenstaande blijkt, dat het ook hier een gemengd bedrijfbetreft. Willem van Pieter was dus bakker, melker, broodverkoper en melkuitventer.

De dochters waren de grote en de kleine. Nu was de grote de kleine en de kleine eigenlijk de grote. Dat kwam zo, ze hadden allebei dezelfde naam. De oudste werd dus de grote genoemd, terwijl ze kleiner was dan de kleine. Voor een ingewijde was er helemaal geen probleem. Alleen voor een vreemdeling was het wonderlijk, dat als de kleine geroepen werd, de grote antwoord gaf. Genoeg hierover, vernoemen was een heilig moeten. Bij ons thuis waren er ook drie Jannen. Vader was Jan, mij oudere broer Jan was de grote Jan en ik de kleine Jan. Teunis bracht ons melk als Klaas van Leendert op maandag, de woensdag en de vrijdag niet ventte. Zodoende kwam ik in de bakkerij. De oven werd s morgens voor het broodbakken heet gestookt met turfen takkenbossen. Het mengen van het deeg gebeurde met de hand en was een zwaar werk. De trog waarin gemengd werd, was niet zo groot. De klomp deeg werd op de werkta-

Pagina 28

fel gegooid en de broden werden afgewogen en in de bussen gedaan nadat ze een rol-, klap- en slingerbehandeling hadden ondergaan. Onder de oven was een rijskast, in de oven knetterde nog het vuur. Na enige tijd werd de oven schoongemaakt met een stok waarvan aan het uiteinde een stuk viskornet was vastgemaakt, waarmee de rokende resten in een grote doofpot werden geschoven, die nog waren achtergebleven nadat met een stalen asschraper de stukken houtskool van de vloer waren verwijderd. Na al deze behandelingen werd het stuk viskornet nat gemaakt, nadat Willem de provisorische zwabber over de bodem van de oven en na enige tijd was de vloer van de oven schoon genoeg om van te eten. Dat moest ook wel, want ook vloerbroden werden gebakken. Na het brood kwam dan s woensdags het bakken van de kweewk.

Vader Willem maakte zelfhet deeg gereed voor de kweewk en deed er zijn eitjes bij, volgens eigen recept. In het achterhuis had de grote ofde kleine een mengsel van echt regenwater en voile melk gereedgemaakt om het beslag zijn smeu'fgheid te geven. De gist, die Kagei bezorgde, was in precieze hoeveelheid afgewogen. Het mengen, slaan en keren geschiedde onder het nodige gekreun, waarna de klop deeg op een met meel bepoederde meelzak op de werktafel werd gegooid. Nu was er even rust. Willem ging met zijn zitvlak in een ton zitten. Hij sloot zijn ogen, neuriede wat er riep “Jan van Jan van Flip, kom hier, sluit de ogen, leg je rechterhand onder mijn kin en zeg dan: leg ‘m er effien in.” Ik deed wat de meester gebood. Hij stak zijn kin naar voren. Nu had de familie Nentjes vooraan gestaan toen de kinnen werden uitgedeeld, zij bezaten alien fraaie exemplaren. Ik schoofmij achtjarig handje onder zijn kin en zei ,“Leg ‘m er’s effien in.” Ik voelde de druk van de kin, met het bewegen der kaken van Willem, ik voelde nattigheid en toen ik mijn ogen opendeed lag daar een tabakspruim, lijk een halfvoer hooi in mijn kleine hand. Willem lachte smakelijk en ook Teunis deed mee. De grote kwam op het gelach af en zei: “Kuun jelui wel, grote lummels, kom gaaw, zuun, was gaaw j’ aanen.” Teunis zei later:”Ja jonge, zo wor je ier in-ewijd, tugen gien mins wat zeggen, dan komt’t gien snuut an de wiet!” Dit laatste heb ik tot nu toe gedaan. Het beschuitdeeg werd in kleine porties afgewogen en dan, na weer drukken, plakken, plakken, rollen en slaan in de ronde beschuitbussen gedaan, die ik met een kwastje met een onbestemd vocht had besmeerd. De beschuitbussen werden gesloten en het deeg werd, zo warm ingepakt in de bussen, op platen gezet en in de oven geschoven. Na enige tijd werd gekeken in de bussen onder luid geroep van “auw, ieuw ouw nog an toe” ofde holders als gaar waren. Na wat afkoeling begon het grote werk van Willem van Pieter. Met een groot scherp

Pagina 29

mes sneed hij de holders middendoor. Deze halve holders werden op een plaat gezet en in de oven gedaan. Daar werden ze tot echte kweewken gebakken. Nu werd de kleine geroepen. “Giefde beste hotter in de breune sukker effien an.” Willem sneed een bolder, smeerde de boter op de beide zijden en bestrooide ze met bruine suiker. Hij klapte de beide helften van de warme bolder weer op elkaar en zei tegen mij: “Der, da’s vor de preum.” Ondanks mijn hoge leeftijd heb ik nooit meer zo’n lekkere traktatie gehad, ofzou dit mijn verbeelding zijn? De kweewken werden in geel-rode vaten gedaan en naar de winkel gebracht. De klanten wisten dat er gebakken was en kwamen om een dubbeltje losse kweewk. Om dit te vervoeren hadden de wijze moeders een pannetje meegegeven aan het kroost dat de boodschap deed. “Ei je ok roggebrood?” werd er gevraagd. “Nee, murgenochtens eawen we vurs brood, ze binnen al an’t mengen”, was het antwoord. Willem en Teunis waren om de beurt bezig met het mengen van het rogge. Dit gebeurde weer in een kleine trog, maar nu gebruikten ze een korte stalen schep om de zaak te mengen. Met de handen steeds weer in het water stekend werden de roggebroden getransformeerd en in de oven gedaan. Met een restje roggedeeg werd de oven door Willem hermetisch afgedicht om zodoende het vochtgehalte, waar het Urker roggebrood zo beroemd om was, zo hoog mogelijk te houden. Na de werkzaamheden in de bakkerij heb ik de andere dag een pil roggebrood met daarop een kweewk en hier weer tussen een plak 40 plus Edammer genomen. De tweede plak werk met suurp genutdgd. Mens, wat was het leven mooi, wat wist je van crisis, ’s Avonds laat soms nog een snee brood, met daarop kanen van het vet dat Jan Woord aan mijn moeder geleverd had. In de bedstede droomde ik van een pruim tabak die zo groot was en achter me aan kwam rollen. Moe werd ik wakker, het zweet op m’n kolle. “Wat is er, waar droom je van?”, was de vraag. Ik zei:”Dat weet ik niet meer”, gedachtig aan de woorden van Teunis. “Tugen gien mins wat zeggen, dan komt t gien snuut an de wiet.” En Teunis wist het, want die was ouder dan ik en hij was ook al op de zang.

Pagina 30

veet het, er waren in de Oudestraat nog meer bakkers. Dit antwoord moest lk veel geven toen ik laatst de Urker dreven even bezocht, omdat Jo Gerssen de zeventig alweer een jaar was gepasseerd. “Je hebt Evert van Pieter Post vergeten.” Nee mensen, luister, Evert had winkel en bakkerij in Wijk 5. Dat oude huis zijn ze nu aan het slopen. Zouden ze de trap ook weer maken, of zouden ze een andere oplossing kiezen. Aan de trap kon je zien, dat het huis op de grens van de onderbuurt stond. Een beetje achteruit stonden huizen die ook (een stoep noemden we dat) een trap aan de achterkant hadden. De keuken of het achterhuis lag dus hoger dan ons huis. Het geluid uit het middelste huis klonk bij ons door. Als het warm weer was, en bij Jan van Hendrikus waren ze het eerst gereed met eten, las onze overbuur ook voor ons een kapittel uit de Bijbel, dat wij woordelijk konden verstaan. Let wel, het moest warm weer zijn en de bovendeur moest open staan. Maar daar ging het niet over, de mensen die ik sprak vonden dat ik een bakker vergeten had. Goed dan, Evert was de oom van Jelle Nentjes, de smid. Een vrijgezel, die in dat huis met die stoep woonde, werkte en sliep. Hij was niet alleen bakker, maar ook veehouder. Zijn hoofd stond onder 30 graden op z’n romp en zijn stem was hoog, net ofhij nooit de baard in zijn keel had gekregen. Er was ook een winkeltje in het huis, waar zijn zusters Jannetje en Marretje voor zorgden. Die woonden niet in het huis, maar werden elke morgen vanuit het huis aan de haven naar de winkel met de stoep en’s avonds weer naar het huis aan de haven gebracht. Dit trans¬ port gebeurde altijd met behulp van de familie. Jelle en zijn zuster Harmpje hebben in grote trouw dit jarenlang gedaan, omdat de tante’s niet zo goed ter been waren. Langzaam kwamen zij aangeschreden en ook langzaam sjokten ze s avonds weer naar het huis aan de haven, leunend op de armen van Jelle ofHarmpje. Het bijzondere van deze dagelijkse verplaatsing was, dat het elke dat op vaste tijden gebeurde; s morgens waren ze precies om acht uur boven de Zegenaarshoogte en ’s avonds passeerden zij om elfuur Wijk 6 no. 23. Dit laatste mondde erin uit dat op Urk deze tochten werden aangeduid als ‘de trein van achten en de trein van elven’. Verscheidene klokken zijn op deze tochten gesteld als toevallig het uurwerk stilstond. Mijn moeder haalde’s zaterdags om tien uur’s avonds haar brood voor de zondag. In het kamertje naast de winkel werden met de zusters de dorpse nieuwtjes behandeld en Evert verkocht er zijn resterende melk voor een vriendelijk prijsje, omdat van koeling niet was

Pagina 31

gehoord. Ik moest dan die groene kan, beschilderd met groene motieven, naar huis brengen. Hij was barstensvol. Evert had gezegd: “Bape, ik eaw ‘m maar vol edoon, want ik wiet dat joen Jan graag een bietjen melk lust. “Dit was elke zaterdag hetzelfde, alsook de hoge witte bol waarvan Evert in het bakken meester was. Er was niet geknipt, maar de lange bol had een mooie bruine korst. Van winkelsluiting wisten we nog niet. Mijn broer Harm: “Jie eawen nog een bakker in Wijk 6 vergeten.” “Nee Harm, Evert woonde niet in Wijk 6.” “Dat wiet ik wel, maar ik bedoel Fokke van Leesien.” Nee, dat wist ik niet, dat Harm nog een bak¬ ker opduikelde. Fokke Post (van Leesien) liep in Urker klederdracht en droeg geen viltje ofkarpoets op zijn hoofd, maar een grote zwarte hoed met een gleuf, net zo als de orthodoxe joden. Leesien, zijn vrouw, was een schat van een mens. De winkel was kraakhelder. Leesien liep niet, maar schreed. Als kleine jongen dacht ik dat Leesien erg rijk was, omdat ze altijd zo’n mooie kant aan haar hulle had. Nee Harm, dat was voor mijn tijd, dat Fokke Post ook in Wijk 6 bakte. Zoon Gerrit ventte wel met brood, maar dit was door broerJan (tegenover de Spaarbank) gebakken. Nog even dit. In de krant las ik dat ze in Zwolle oude nederzettingen gevonden hebben en deze overblijfselen aan het opgraven zijn. Toen ik de laatste keer op Urk was, ben ik naar verschillende ginkies aan het zoeken geweest. Weg waren ze, het ginkien van ome Lord, de Jodenhoek enzovoort enzovoort. Nee, Urk van vroeger hebben ze kapot gemaakt. Laten we zorgen dat hetgeen we nu nog hebben ook bewaard wordt. Ofmoet ik in het vervolg naar Enkhuizen om oud Urk te zien?

Pagina 32

Er was een tijd, dat zich maar enkele mensen een plezierjacht konden veroorloven. Daar moest ik aan denken, toen via de havenmeester bekend werd dat het bezoek van de recreatievaart aan de Urker haven minder was dan verleden jaar. De foto’s bij het artikel in Het Urkerland van 20 juli jongstleden liegen er ook niet om. Trouwens, vakantie was er voor de gewone werkman toen niet bij, of hij moest het zelfbetalen. Een vissersman moest blijven vissen en de timmerman, hij timmerde door. De onderwijzer, aangenomen op jaarsalaris, had plm. vier weken geen onderwijs te geven, maar moest van zijn safaris vakantie houden. Evenzo de dominee, maar deze kon zich wat meer veroorloven, zoals een huisje huren, maar een zeiljacht was er niet bij. Zo was de situatie tussen 1920 en 1930. Toch kwamen er toen al ‘jaggies’ op Urk. Waar nu de afslag staat, was vroeger de vlettenhaven, in deze buurt moesten de scheepjes in opdracht van de Rijkshavenmeester afmeren. Urk was een voorname haven, want de havenmeester moest minstens een diploma voor stuurman van de grote vaart in zijn bezit hebben, om het ambt van havenmeester uit te voeren. Nu moeten we niet vergeten dat het toen een zeehaven was. De sprang om naar Urk te komen, werd meestal via Enkhuizen genomen. Mijnheer Verkade (van de koekfabrieken uit Zaandam), kwam met zijn kruisertje, bij gunstige wind, vlak onder de kust van Noord-Holland naar Enkhuizen, zo stak oceaanvlieger, Van der Hoop, ook over. Deze kwam elk jaar in de zomer een bezoek aan Urk brengen. Ik herinner me nog, dat hij schijfjes nieuwe aardappels in de beste slaolie bakte op zo’n soort primusje. Voor ons was het een raar heerschap, want hij at daarbij rauwe blaadjes als groente en snipperde daar ook weer rauwe uien overheen, met nog toevoegsel uit allerhande flesjes. Nu we groter gegroeid zijn weten we dat de groente sla was. Voor ons in die tijd onbekend, want we kookten alles. Had mijn opa niet gezegd: “Zeg wat waar is, drink wat klaar is en eet wat gaar is.” Een figuur die ook veel Urk bezocht, was meneerJan. Dit was een zoon van een textielbaron uit Enschede en hij werd in Leiden de eeuwige student genoemd vanwege zijn lange studieduur. Deze had een mooie zeiljacht, waar een turfschipper het commando op voerde, want aan werken had onze student geen boodschap. Een hulpje voor de touwen vast te maken en de zeilen te reven was er ook nog. Meneer Jan liep langs de haven en zag de lekkere Zuiderzeebotjes uit de zijen netjes halen. Even later kwam de turfschipper bij een Urker Zuiderzeevisser en vroeg: “Kan mijnheer ook wat van de lekkere botjes kopen?” “ Met hoeveel bennen jelui dan?” “Wij zijn met z’n drieen, meneer, ik en de knecht” antwoordde de turfschipper. De visser deed zeven lekkere botjes,

Pagina 33

zo dik als een plank, in een puts en zei: “Der, da’s een vijfentwintig, as jullie die op hebben lust je niet meer.” “Ik zal ze even aan meneer laten zien”, zei de turfschipper, en ging op weg met de vis. “’t komt je over, dat je je puzzetjen in je butjes kweet binnen taote.” Even later kwam de turfschipper terug met de puts en de botjes. “Mijn meneer vindt de vis wel goed, maar mijn meneer vindt de prijs te hoog.” “Giefmij gaauw dat puzzetjen broer, in zeg tugen je meneer dat hij gien meneer is, maar een kakmeneertjen in een stroentmeneertjen in die vis skrift ie maar op z’n buk.” De turfschipper afom tegen de knecht te zeggen dat de olie van het vuur kon. Later, toen de Afsluitdijk gesloten was, werd het drukker op Urk met de recreatievaart. Vaak gebeurde het dat er een ‘sjouwtjen’ was. Als de roep weerklonk:” Er zit er iene op de Vurmt!” vlogen de klompen door de lucht om zo spoedig mogelijk de eerste te zijn bij het gestrande schip ofscheepje. Veel vreemdelingen die toen pech met hun scheepje hadden, herinneren zich nog de gastvrijheid op Urk. “Ga weg met je ‘wat kost dat’, waar er vijfvan kunnen eten kunnen er nog wel twee bij.” Zo was dat bij ons, op het plekje midden in de zee.

Pagina 34

raadslaagden wat ofwe doen zouden, alleen de kousen uit zou ons geen garnalen opleveren, dus de broeken moesten ook uit. Net toen we ons besluit genomcn hadden om ons meer bloot te geven, hoorden we opeens een luid geroep: “Ellep, ellep, d’r verdrinkt een klean jongentjen!” We keken gedrieen richting Staart en we zagen afen toe handjes boven water komen na een hevig gespartel. We wisten dat het daar erg diep was en er veel stroom liep. Alles rende en schreeuwde door elkaar, maar geen mens deed er wat. De oudste dochter van Albert Hoekman, getrouwd met meester van Dijk, was ook met haar oudste kinderen op het strand aanwezig. Zij hoorde geroepen zag de vertwijfelde handjes afen toe boeven water komen. Zij rende er naar toe: “Je kunt dat kind toch niet laten verdrinken?” Ze zou er zo naar toe lopen, maar ze werd tegengehouden. “Mens je gaat niet, je stort zo de steilte in de diepte.” Maar we moeten toch wat doen”, zei ze. “Hier, hou vast mijn hand en laat een ander jou weer vasthouden.” Zo werd een menselijke ketting gevormd en Janne liep zo met haar jurk aan op blote benen h et water in naar de plek waar voor het laatst de handjes gezien waren. Ineens stortte Janne ook naar beneden, maar gelukkig werd ze goed vastgehouden en kon ze weer op het droge getrokken worden. Ze was kopje onder geweest en haar lange zwarte haar hing voor haar ogen. De natte jurk gafduidelijk de contouren van haar lichaam weer. Ze beefde over haar gehele lichaam. Het was stil geworden en het water stroomde weer rustig door er was geen zwemmer ofpootjesbader die zich in het water waagde. “ Van wie was dat kind?” vroeg Janne. “’t Is er iene van dat mins dat achter de stalle van Meandert Kramer woent, ik geloofdat ie Meandert iet!” Ik had het laatste gehoord. Meandert, Meandert! Die zat bij mij in de Idas. Verdoofd liep ik terug naar de anderen. Wij waren getuige geweest van iets verschrikkelijks. Gerrit rolde zijn kuiltje op en we trokken onze kousen en klompen weer aan. Stil gingen we terug naar het dorp. Daar wisten ze al wat er gebeurd was, omdat er iemand snel naar ‘Hulp en Steun’ was gerend om mensen en een kuil, en om te helpen het kind te vinden, eer dat het met de stoom meegevoerd zou worden. Die avond schoten we niet onze ‘buggien waant’.... Zo lange tijd geleden, maar als we in de kerk een vers uit Psalm 103 zingen, dan komt de hele gebeurtenis mij weer voor de ogen. Wat was namelijk het geval? Wij beleefden met de hele Idas de begrafenis van Meindert. Van de aanspraak weet ik niets meer, alleen dat ouwe Hein Psalm 90 las, omdat Eb Brou¬ wer ziek was. Ik zie nog al die vrouwen met de rokken over het hoofd, ik hoor nog het zware zuchten voordat de dominee binnen was gekomen. Maar ik zag

Pagina 35

ook die vrouw, die gepoogd had om Meindert te redden. Ik fantaseerde onder de aanspraak: stel dat ze iets eerder was geweest en dat ze de hand van Meindert had kunnen grijpen, dan waren we in de optocht met deze heldin, die Mein¬ dert in haar armen droeg, naar het dorp gegaan. Haar zwarte haar zou ze afen toe met een bruuske beweging naar achteren gooien. Zo zou ze gelopen hebben , met blote benen in die natte jurk. Maar het was niet zo. Ze zat daar, een echte Hoekman, met een ernstige trek om haar mond en afen toe veegde zij met haar middelvinger haar zwarte haar van opzij naar achteren. Wij liepen met de klas schoolkinderen achter de baar. Dit ging heel langzaam, onder het mono¬ tone geluid van de luidbel van het Kerkje aan de Zee. Geert van Eerde, die ook samen met zijn medewerkers het grafgedolven had, speelde met de luidbel, ze noemden dat kleppen. Geert gafhet tempo aan met de klep. Hoe voelt en beleeft een schooljongen van zo’n jaar oftien, elfjaar dit? We liepen heel ernstig in onze donkere zondagse kleren op de tonen van de bel. Ik weet niet hoe ofhet verder allemaal toeging, maar ik weet wel, dat wij een vers uit Psalm 103 moesten zingen, dat we op school geleerd hadden. Meester Loosman, wit gezicht met donkerbruine ogen, keek ons aan en gafmet een beweging van zijn mond het sein om te beginnen. Dan klonken kinderstemmen over het vers gedolven graf: “Gelijk het gras is ons kortstondig leven gelijk een bloem, die op het veld verheven wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer...” Ik kon het niet meer meezingen, mijn keel was dichtgesnoerd. Ik zag alleen maar die radeloos opgestoken handjes boven het water uitsteken. Als we later in de kerk deze psalm moesten zingen, kwamen de beelden steeds terug, ook als ik alleen de melodie maar hoorde. Meester Loosman kwam naast mij lopen, hij keek recht vooruit en zei: “Jij zong niet mee, Jan!” “Ik kon niet meester.” “Ik begrijp het, vriend.” Even stil. “Op school zingen we dit niet meer!” Later begreep ik dat van Jelle Loosman, hij had die psalm van dat kortstondige leven van zeer dichtbij in zijn leven meegemaakt. Jaren later had ik dezelfde droevige ervaring. Bij mijn werk, in 1953 aan de Schelphoek in Zeeland, zag ik voor mijn ogen een man van een bak met stortsteen vallen en in de kokende stroom terechtkomen. Hij had geen kans met zijn zware laarzen aan en was bovendien nog in een oliepak gekleed. Nog een keer zag ik de armen met de gele mouwen boven water uitkomen en toen was het gebeurd. De zee verzwolg hem. Ligt het nu aan mij, dat ik al treurig wordt, als ik de melodie hoor van Psalm 103? Of... ben ik te zacht?

Pagina 36

stUlS?

splezier kon alleen beleefd worden als het goed hard vroor. We hadden geen ijsbaan, maar toen ik voor het eerst de ijzers onder mocht binden was ik zeven ofacht jaar.

Lekker zware nachtvorst in de late herfst. A1 het water op het land was nog niet helemaal weggezakt toen het begon te vriezen. Mijn vader had een paar kleine doorlopers op de kop getikt, die gingen we eerst proberen op de “barg” vlak achter het huis waar de oude Frits Bode woonde. Daar waren een paar geultjes, waar water in stond en daar deden we onze eerste probeersels. Maar mijn rechterbeen wilde niet in het schaatsgareel blijven, Jelle Nentjes, van Klaas de smid, redde het wel en zei: “Laoten we je skoasen eerst maar us an min toate lotten zien, want ik geloofniet dat ze deugen.” Zo gezegd, zo gedaan. In de smederij werd het schaats malheur voor gelegd. Klaas de smid bekeek ze met een vakoog en begon te lachen. “He, he, ik geloofdat je twie linker skoasen hewen.” Er moest namelijk aan de ijzers een hoogkant zitten. “Vraag effen an je vader of die ur een rechter van makt”, zei Klaas. Ik naar de ellege van Wiepke en beklaagde mij bij mijn vader. “Zo laar ik nooit skoasen, ut binnen twie linkers.”

“Je binen gek, ouwe man”, zei mijn vader, “ur stot duidelijk un R in, Louwe kiek jie ers effen, ik hew mun brille hier niet.” Louw Kramer pakte de schaatsen en keek met een timmermansoog langs de ijzers. “Nou buie, ij et gelik, ut binnen twie linkers, as je effen mit een vijl um vlak maken, dan sliepen we op de zaandstien er effen un hoogkant an.” Mijn vader pakte de rechter en vijlde hem vlak. Even later zat mijn vader de grote zandsteen te draaien en Louwe Kramer met zijn ziekenfonds brilletje hield de schaats onder de vereiste hoek. “Nou komt ut hielemoal goed”, zei mijn vader, “ei et hielemoal gien brille nodeg.” Louwe bekeek de schaats en spuugde er een straal tabakssap op en zei: “draai nou maar, t is woenusdag in die jongen moet vanmiddag skoasen.”

En dat deed die jongen, niet meer op die geultjes op de barg, maar net over de eerste sloot in het voorland. Op de plek waar nu het gemeentehuis staat was een kleine plas en daar gingen we’s middags schaatsen. Tussen het gras schitterde het ijs, door het vele ‘girsen’ sneden we het gras boven het ijs afen de plaats werd steeds groter. De andere dag was de baan zo groot dat halfUrk in het voorland schaatste. Ik had het schaatsgevoel helemaal in die dagen. Zo kwam de winter van 1928-1929. Het land lag erg droog. Voor de kerst vroor het al, maar het bleefkwakkelen. Toch kwam er ijs in de Zuiderzee. Woensdag

Pagina 37
Pagina 38
Chris van Beckhoven

13 februari was het Biddag op Urk. Op zaterdag 9 februari waren enige botters uit de Urker haven vertrokken om IJmuiden ofDen Helder te bereiken. Enige lukten dat, maar enkele botters kwamen in Enkhuizen terecht omdat de wind draaide en zij niet tegen het terugkerende drijfdjs konden op tornen.

Het begon te vriezen uit alle winden. ’s Nachts vroor het wel 20 graden. Onder een zware sneeuwbui uit het zuidwesten, kwamen de vissers lopende over het ijs van Enkhuizen naar Urk. Ik stond achter de vuurtoren, afen toe sneeuw uit mijn ogen vegend, naar de mannen te kijken die in de vallende duisternis aan elkaar gebonden met een touw, naar ons toekwamen. Zo begon de winter, die in de analen van de geschiedenis als zeer streng staat aangeschreven. Voor ons, jongens van 9 jaar, begon toen een wondertijd. Om twaalfuur uit school direct naar de haven, om te tellen hoeveel auto’s, wonderen van die tijd, nu weer op de haven stonden. Afen toe reden er ook wel eens auto’s door het dorp en wij er dan met de hele troep achteraan. Er kwamen geregelde diensten om het Urker volk te voeden en te laven.

Een brug bouwen

Door de eb en vloed was het ijs steeds in beweging. Zo zat er op ongeveer 4 kilometer afstand, op de rand van de Vormt een zeer grote scheur, die met eb, dus laag water, soms wel tegen elkaar kwamen op zodanige afstand dat je er een dikke stok tussen kon steken maar bij vloed wel tot een breedte van een ruime meter kwam. Klaas Koffeman (de klad) kwam op het idee om over de scheur een brug te bouwen. Dit was een hele organisatie, waarvan veel mensen deel uitmaakten. Zo herinner ik mij dat Pieter Schraal (die met Inke Janne was getrouwd) daar ook zijn beste krachten aan gaf. Hij was niet bang, misschien was hij wel aangenomen om de weigerachtigen aan te moedigen om de tol te betalen voor de rit over de brug. Zo was er een vervoerder uit Enkhuizen die vracht voor Urk op zijn Ford vrachtauto had, die weigerde om te betalen voor de brug. De man heette Cornalijnslijper. Hij nam een lange aanloop met zijn auto om naast de brug de scheur te passeren. Misschien was de snelheid niet hoog genoeg, maar hij bleefmet zijn voorwielen in de scheur steken. Alles werd geprobeerd om de vrachtauto terug te halen. Andere wagens aan het trekken, maar slippen op het ijs was het enige resultaat. Het hout, bestemd voor de werf van de Gebr. Roos, werd afgeladen en tenslotte alle vracht, maar niets hielp. De vloed zette door en de scheur werd breder, de dikte van het ijs was daar onge¬ veer 1 meter ondanks dat het water zout was. Ik stond er met mijn wijze neus bij toen de auto reddeloos ten onder ging. Het was een triest gezicht toen de

Pagina39

auto opeens naar voren dook en als een snoek naar beneden ging. Peter Schraal zei: “IJ je nou je zin, ik dink niet dat ij onger woater duur op Urk zal koemen.”

Maar er was meer dat op mijn netvlies is blijven hangen. Door alle geharrewar met de auto, was de brug ook tijdelijk onklaar geworden. Zo kwam er van Urk af, een gesloten vrachtauto uit Gouda. Deze auto had de schone was voor de hotels op Urk gebracht en de vuile was weer ingeladen voor de wasserij “De Pelikaan.” De chauffeur had voor deze gelegenheid zijn familie meegenomen. Maar de man kon niet langer wachten, want hij moest nog van Enkhuizen naar Gouda. De familie stapte uit en ging via een paar planken naar de Enkhuizerkant van de scheur. Hij reed met zijn wagen achteruit, nadat hij goed gekeken had waar de scheur het smalst was, om daar over te gaan. Met loeiende motor kwam hij aangestoven en zweefde over de scheur. Luid gejuich weerklonk vanuit het daar verzamelde publiek. De auto remde en kwam met een wiel tegen een blok ijs aan en begon toen aan een pirouette op het ijs. Alles liep goed af, de familie stapte in, en vervolgden hun weg naar Enkhuizen en Gouda. Toen ik later eens in hotel Woudenberg kwam, werd nog steeds de mand met hotelwas met het klippertje naar Amsterdam vervoerd en vandaar met het vervoer van de wasserij naar Gouda. In die tijd stond Gouda bekend om zijn vele wasserijen en zijn grote bleekvelden. De naam ‘Blekersingel’ herinnert hier nog aan.

Zo ging dat in die maanden februari en in het grootste deel van maart. We schaatsten en gingen zittende in de reserveband van de beroemde T.Fords naar Enkhuizen en weer terug. De zon scheen elke dag en’s nachts vroor het tegen de 20 graden. Je stapte bij de scheur op, als ze wat langzaam reden en nestelde je dan in de reserveband, dat kon omdat de banden toen anders van vorm waren dan nu.

Er was een dag dat ik driemal op en neer ging maar dit was ook de laatste maal dat ik dit deed. Toen ik thuis kwam moest ik ingesmeerd worden met purol. Zitten ging moeilijk en de andere dag moest ik toch naar school. Zitten in de bank ging niet. Meester Bot had geen medelijden met mij en zei dat ik het dan maar niet moest doen. Staande moest ik taal en sommen maken en aan het speelkwartier kon ik niet meedoen.

Laatste ritten

Zo ging de winter door, het land was in de greep van koning winter, zelfs aan de Noordzeestranden waren ijsvelden, waarop werd gerecreeerd. Een spierinkje

Pagina 40

verschalken was er niet bij, daar was het ijs veel te dik voor. Eindelijk kwamen mildere temperaturen, de rivieren begonnen tekenen van verval te tonen. De genietroepen moesten verschillende ijsdammen met buskruit opruimen om overstromingen te voorkomen. De Zuiderzee bleefechter lang in zijn starre houding volharden. Op zondag 24 maart 1929 preekte Jan Gravestein (zoon van de burgemeester) op Urk. Hij was met de auto over het ijs vanafLemmer gekomen. Hij was predikant van een plaatsje in Friesland. Het weer veranderde snel en de dominee moest toch weer terug naar zijn gezin. Gelukkig kwam de fa. Slump uit Lemmer met twee vrachtauto’s met elk voor zo’n 2 ton fijne steenkool voor onze elektrische centrale. Het water stond op zo’n 6 centimeter hoog op het ijs, maar de kolen waren nodig. Ze reden het vlakbij de betonnen muur waar de kistdam begon en begonnen te lossen. De eerste auto die leeg was nam ook de bijrijder van de laatst te lossen auto mee, omdat afgesproken was dat dominee Gravestein met de laatste auto mee terug zou gaan. De oude mevrouw, met haar kleine brilletje op en de twee zusters van de dominee, inclusiefde burgemeester zelf, brachten Jan bij de auto. De cabine werd wat schoongemaakt en ze moesten toch met z’n drieen in de cabine. Hij zat tegen het raam en wuifde naar zijn familie, maar hij kon hier niet mee doorgaan want de bijzitter moest met de slinger de motor op gang zetten. Het konvooi vertrok en het waterpeil op het ijs stond alweer hoger. Eenzaam lag het koffertje van de dominee, met als inhoud de streepjesbroek en de billentikker, achter in de laadbak van de auto. Het waren de laatste tochten met auto’s over het ijs van de Zuiderzee. De ander dag, 26 maart, was er geen ijs meer te bekennen. Het zoete regenwater samen met de hoge temperatuur had gaten in het ijs gemaakt, zodoende ging het ijs naar beneden.

Pagina 41

Op de plek waar nu geen school meer staat, vlak bij de vuurtoren, stond nog de oude school. Het was nog niet zo koud, maar op de kalender was toch de tijd aangebroken om in de klassen grote kachels te zetten. Deze grote slanke kachels stonden in een hoek van het klaslokaal waar wij met zo’n acht en veertig kinderen klaargestoomd werden voor het grote leven. Herfstvakantie was toen nog onbekend, maar voor het plaatsen van de kachels kregen wij twee dagen vrij van school, de zogenaamde kachelvakantie. Het werk van de concierge werd er weer zwaarder op, want hij moest nu elke morgen twaalfkachels aanmaken. De man moest s avonds, samen met zijn vrouw, alle kachels uithalen en de met een groot mes gespleten lange zachte turven gereed leggen om er’s morgens vroeg een beetje petroleum op te gieten. Vervolgens werden de turven aangestoken. Brandden deze goed door, dan er eerst wat korte harde turven opgedaan, de zogenaamde baggelaars, en hierna de eierkolen. De meester zorgde dan later in de morgen voor het onderhoud van de vuurhaard in de kachel. Laten we even in stilte gedenken de vele werkzaamheden die zo’n concierge met behulp van zijn familie moest verrichten om een karige beloning te ontvangen, terwijl de man er nog een bijbaantje op na moest houden om zijn inkomen wat op te vijzelen. O ja, we hadden het over de kachelvakantie. Mijn moeder was aan de herfst uithaal begonnen vanwege het nog mooie weer. Ook in de huizen moesten de kachels worden gezet. De pijpen moesten worden gepoetst, alsook de kachels. Ook werden met zilverbrons de versieringen van de deurtjes en de hoed van de kachels van een fris kleurtje voorzien. Bij al die uithaal werkzaam¬ heden was mijn aanwezigheid niet gewenst. Ik was naar het werk van mijn vader gestuurd met koffie. Wat deed vader dan voor werk? Mijn vader was timmerman van huis uit, maar had zichzelfook gespecialiseerd als scheepstimmerman. Zijn vader, mijn grootvader, was aannemer van rijkswerken. Hij had kleine scheepjes voor de haring- en ansjovisvisserij, tevens een nettenaanderij alsook een garnalendrogerij. Tijdens de winterstormen was er veel schade gekomen aan de zeewering rond om ons eiland. Ook in de zomer waren er veel stormen geweest, waardoor er veel werk bij gekomen was bij het onderhoudsbestek. Tijdens de kachelvakantie waren ze nog bezig aan het heiwerk van de zeewering, een honderd meter ten noorden van de eerste hoek. Dit was de plek waar altijd het water van de Zuiderzee bij harde noordwester het eerst het Urker weiland binnen stroomde. In de late zomer was het ook kantje boord

Pagina 42

geweest op die plek en de toenmalige hoofdingenieur van Rijkswaterstaat, ir. De Block van Kuffeler, had op die plaats een langere damwand en langer platen voorgeschreven. Met dit laatste werk waren zij bezig, het heien van palen met een waterspuit. Het was niet mechanisch. Aan de pomp stonden vier vrouwen en die trokken de zuiger ritmisch heen en weer. Ze zongen daarbij een psalm of een geestelijk lied. Als de paal ofde plank bijna op de diepte was, kwamen de acht mannen in touw en trokken dan het heiblok van 400 kilogram omhoog, om het daarna op de paal te laten neerkomen. Ook zij schreeuwden op maat om alien gelijktijdig hun krachten in te spannen om het blok omhoog te trekken. Ze schreeuwden dan: “Ja, trek op die hei. Los! Laat vallen dat blok. Goed! Nog een er bij. Los! Til op je rok!” Naar al die dingen stond ik te kijken, op de rand van het gat dat door de spuit was ontstaan. Ineens riep mijn opa: “Stop met spuiten, Frans, trekken jongens, op die hei!” Lange Frans trok de spuit op, deze kwam met een straal in het zand waar ik op stond. Mijn wereld stortte in en ik gleed in het koude water. Met alle macht klauwde ik met mijn vingertjes in het zand, maar houvast vond ik niet. Iedereen lachte, maar ze lieten me als een vis spartelen. Frans lachte zich kapot en mijn vader riep: “Als hij helemaal onder is geweest, Frans, dan haal je hem er maar uit.” Even later lag ik op de rand van de put. Als er toen gebeurd was wat ik al die grote bruten toegewenst heb, dan waren er vele begrafenissen geweest op Urk. Als een natte kat moest ik naar huis. Van mijn moeder kreeg ik droge kleren. Het is een paar weken later, de laatste palen worden geheid. Het is slecht weer en de mannen willen opschieten en het werk loopt ook wel. Steeds moet de stelling worden verplaatst. De leiders, waar het blok tussen loopt, staan op de leiderplaten, dit zijn planken waar de leiders met een stompe pen in staan zodanig, dat het heiblok goed op de paal en de plank slaat. Mijn vader staat bij de leider. Er wordt een strop om gedaan, de mannen trekken dan de leider naar de juiste plaats toe en roept dan: “Val!” Ja zo moest het gaan en meestal ging het ook zo, maar een keer ging het anders. De leider wordt opgetrokken, vader drukt de leider om en ineens breekt de strop. De paal valt naar beneden boven op de klomp, versplintert die, de pen gaat dwars door de voet en pent deze vast aan de leiderplaat. Om de pen stroomt bloed. De mannen kijken verbijsterd en de eerste die wat zegt is Jan van Hendrikus: “Ik geloofdat je zelfook helemaal vast zit neef?” Mijn vader antwoordt met een verbeten gezicht: “Dat weet mijn ouwe moer ook wel Jan, maar ik wil wel graag los.” Er wordt een nieuwe strop om de leider gedaan en langzaam wordt die opgetrokken, de klomp valt in stukken uiteen en met een ruk bevrijdt mijn vader zijn voet. Ze nemen hem op en leggen hem bij de werkkeet neer. Opa Flip zegt: “Nou mensen, we hebben

Pagina 43

voor de schrik wel een cognacje verdiend.” Het bemande flesje met cognac wordt uit het medicijnkastje gehaald en in een kopje krijgt ieder zijn pierenverschikker. Vader wordt op de ladder gelegd en de tocht naar het dorp vangt aan. Voorafwordt Jan van Henrikus naar het dorp gestuurd om mijn moeder in te lichten over het gebeuren met haar man. Onderweg vertelde hij het voorgevallene in geuren en kleuren aan verschillende mensen, zodat het nieuws als een lopend vuurtje door het dorp heen ging. De mannen gingen op weg naar dokter Vonk en Jan ging het mijn moeder vertellen. Hij kwam bij ons in huis (hij woonde zelftegenover ons), zijn vrouw zag hem en riep: “Wat moet je al zo vroeg in het dorp doen Jan?” “Ik moet even wat tegen Bape zeggen, direct vertel ik je de rest wel.” Jan deed de deur van ons huis open en riep: “Ben je er in Bape? Ik moet je wat vertellen.” “Kom er maar in Jan, wat is er loos?” Jan komt de kamer binnen en zegt: “Je moet niet schrikken, Bape, maar er is wat met jouw Jan.” Moeder schrikt natuurlijk wel. “ Is er wat ergs gebeurd dan?” “Nee”, zegt Jan, “Zijn klomp is kapot en hij heeft ook een gat in zijn been. Ze zijn nou met hem naar de dokter, ze dragen hem op een ladder en zingen ‘lang zal ie leven in de gloria. Wat Jan niet wist, was dat de mannen dat hele kruikje cognac maar hadden opgedronken voor de schrik. Daarom zongen zij zo vrolijk met de gewonde man op de ladder. Een tijdje later kwam opa zeggen dat mijn moeder een kermisbed voor het raam moest maken. De grote leuningstoel werd voor het raam geschoven en op enige afstand daarvan een tweede stoel. Planken uit de krib van het ouderlijk bed verbonden de twee stoelen en daar weer een grote hoofdpeluw bovenop. Het kermisbed was klaar. Het begon al te schemeren toen ze met vader aankwamen. Lange Frans zei: “Leg de ladder op het kippenhok jongens, dan kan ikJan op mijn rug nemen en hem het huis indragen.” Zo gezegd, zo gedaan. Met mijn vader op zijn rug kwam Frans op de deur aan. “Denk om de afstap Frans, anders heb ik niet alleen een gat in mijn voet, maar breek ik mijn benen ook nog!” Alles liep gelukkig goed afen even later lag mijn vader in zijn kermisbed.

“Hoe komt dat nou Jan?” vroeg mijn moeder. “Ja Bape, meisje, een ongeluk ligt in een klein hoekje, de dokter komt straks nog even om er een nieuw verband om te doen.” Een halfuurtje later was de hele familie thuis en zaten we om de tafel aan de broodmaaltijd. Flip was bij Willem de smid om het vak te leren, grote Jan was bij Willem Schraal als krullenjongen en Harm en ik waren nog schoolgangers. Vader vertelde het hele verhaal van het ongeluk en wij luisterden met rode oortjes. Ik was helemaal vergeten om kadetjes te halen bij ome Riekelt van Naatje, dus werd ik als de weerga weggestuurd om met het broodmandje verse kadetjes te halen. Ik kwam fluitend het winkeltje binnen. Ome

Pagina 44

Riekelt kwam vlak achter tame Naat uit de kamer in de winkel en zei: “Je moet niet fluiten jongen, als je fluit, dan fluit je aan de duvel.” “Pas maar op Jantje” zei tante Naat met een knipoog. Ome Riekelt kwam met de kadetjes en ik ging op weg naar huis. Buiten de winkel begon ik meteen weer te fluiten, het leven was mooi, mijn vader leefde nog en mijn moeder was blij. Het was al helemaal donker. Mijn moeder had de benen van mijn vader gewassen en wij werden de kamer uitgestuurd toen er een schone onderbroek en een hemd aangetrokken moesten worden. De hele familie zat rondom het bed, toen er op de buitendeur werd geklopt. Flip ging naar de deur en we hoorde hem zeggen: “Kom erin dominee.” Even later kwam dominee Bouwman de kamer binnen en weer even later kwam ook burgemeester Gravestein naar de zieke informeren. Om het feest compleet te maken kwam ook dokter Vonk het gezelschap completeren. Mijn vader moest zijn mond houden, hij kon zijn verhaal nog niet kwijt. Dokter Vonk nam de leiding. Hij liet zich een waskom met schoon regenwater brengen en begon uitgebreid zijn handen te wassen, onderwijl het gezelschap toesprekend. “Heer Gravestein” zei hij, “Desse Bouwman, u ziet mij wel geen twee maal onder uw gehoor, maar als u even de tijd heeft, tenslotte maak ik ook tijd voor u, waarde Bouwman, dan zal ik u laten zien hoe ofdeze man gezwijnd heeft bij dit ongeluk.” Ondertussen maakte hij het verband van de voet van vader los. Ik had mij stiekem tussen de grote leuningstoel en het raam gewurmd en volgde alles vanafde eerste rang. “Kijk”, zei dokter Vonk, “de wond zit precies in het midden van de voet en nu vraagt u misschien: waarom heeft dokter Vonk deze patient niet naar het ziekenhuis gestuurd? Kijk, dit laatste ligt natuurlijk aan de aard van de verwonding. Toen Jan, zoon van Flip en Neel ten Napel, bij mij werd gebracht, zei ik, zo Jan, is het weer raak? Jan heeft namelijk de gewoonte om wel eens meer een aanslag op zijn onderdanen te plegen.” Hij stopte even met het verder afdoen van het verband en keek vader aan. “Weet Jan ook nog hoeveel malen ofhij met de dissel zijn benen heeft toegetakeld? En dan moest dokter Vonk het maar weer klaren. Maar het geeft niets Jan, wij hebben nog wel voor hetere vuren gestaan.” Mijn vader knikte en greep met zijn onderlip vertederd naar zijn snorretje. Ondertussen dacht hij: “mauw jij maar aan, doe er maar gauw een nieuw verband om.” Dokter Vonk had inmiddels de wond blootgelegd. “Als u nu even wilt kijken, edelachtbare heren, dan zult u zien waarom ofdokter Vonk deze noeste arbeider niet naar een ziekenhuis gestuurd heeft. Jan Marten, eens even heen en weer.” Mijn vader deed met een van pijn vertrokken gezicht wat de dokter vroeg. “Ziet u, dame en heren, alle teenspieren zijn nog intact, er zit alleen een gat door de voet. Wat gaat de dokter nu doen? De dokter heeft geconstateerd dat er geen spier kapot

Pagina 45

is. Dit kwam omdat die pen in die paal een bolle kop had, want de spieren zijn gewoon opzij gedrukt. Ik zal nu proberen om de spieren wat omhoog te halen, anders zitten deze te dicht bij de zool van je voet. Flippie, houd de lamp een beetje scheef, zodat ik kan zien wat ik ga doen. Jan, ik ga je even wat pijn doen, bijt de tanden op elkaar.” Ik durfde niet meer zo goed te kijken, maar mijn nieuwsgierigheid won het toch van de misselijkheid. Ik zag de dokter met een stalen haakje wat frummelen en met een grote splintertrekker wat rauw vlees onder de spieren trekken. “ Zo”, zei de dokter, “nu even wat medicijnen er op voor de ontstekingen, flink inpakken en dan kan onze Jan gaan slapen. De eerste twee dagen dit verband erom laten zitten en de tenen niet bewegen. Eerst moet de genezing goed ingezet zijn en de wond gesloten. Daarna gaan we met de dan stijve tenen oefenen. Begrepen?” Mijn vader knikte en was versuft van de pijn. De dokter pakte zijn spullen en vertrok met de burgemeester en de dominee. In de gang zei hij tegen mijn moeder: “Haal bij Marrie van Reyer een dikkop cognac, kluts drie eieren, doe die in de cognac en geefdat je man voor het slapen gaan te drinken. Je man gaat lekker slapen en dan kun jij ook lekker slapen Bap. Welterusten allemaal.” Buiten stonden de mensen te kijken en deze vroegen aan mijn moeder: “Hoe is het nou met Jan, Bape?” “Nou, het is allemaal nogal meegevallen zei de dokter. Met een paar weken loopt hij weer. Genacht jelui.” Ik zat nog met slaapogen in de kamer, maar mijn moeder commandeerde mij op bed. Flip werd weggestuurd naar zijn tante Marrie om cognac te halen en ik mocht, o heerlijkheid, bij mijn moeder in het grote bed slapen. Vader bleefop het kermisbed slapen. Toen ik de lakens rook, sliep ik al. Halfdromerig hoorde ik een tijdje later zeggen: “Schiet eens een beetje op, slaapkop.” Ik werd wat opzij geduwd en voelde even later de zachtheid van de vrouw die mij ter wereld gebracht had. Als een tevreden poes schokkerde ik mij tegen haar aan en voelde mij in een veilige haven.

Pagina 46

)e Jnooie herfst is tegen de Kerstdagen in een winterkoude overgegaan. Half december begon het afen toe te vriezen en wonder, o wonder, een paar dagen voor de Kerst zat de zee voi ijs. Het vissersvolk vond het niet zo prettig, want de verdiensten stonden stil en het was armoe troef. Onze kelder lag vol met aardappelen en andere etenswaren. Moeder was op de moderne toer gegaan, de schappen in de kelder stonden vol met gevulde weckflessen met allerhande groenten en fruit. Klaas van Klaas van Leendert had gezorgd voor snijbonen en andijvie en deze waren in Keulse potten ingezouten. Er was dus geen gebrek in Wijk 6 no.23, maar mijn vader begreep niet dat de voorraad zo snel slonk. Dit laatste zei hij ook, maar hij wist heel goed dat er veel naar anderen ging die niet zo gezegend waren met aardse goederen. Een paar dagen voor Kerstmis zei mijn vader: “Ik ben zo flauw als een kat, we moesten maar eens proberen om wat spieringen te vangen. Het ijs is dik genoeg, dus zullen we de netjes maar eens opzoeken.” Moeder voelde er niet veel voor omdat ze het niet zo voorzien had op ijs. De netjes werden toch van zolder uit de grote schoorsteen gehaald, waar ze in de rook werden bewaard. Vader had een stel stevige panlatten aan elkaar getimmerd, waarmede de netjes onder het ijs moesten worden gestoken. Na het eten zei vader: “Nou Flip, we gaan maar eens proberen om wat te vangen een gebakken spierinkje gaat er altijd in.” Het was zaterdagmiddag. Ik zeurde net zo lang tot ik ook mee mocht om visjes te verschalken. Aangezien er geen sneeuw lag moest het sleetje met de netten en andere benodigdheden gewoon over de straat getrokken worden. Vader, Flip en ik sleepten de lange lat van wel twintig meter mee. Wat was ik blij dat we achter de elektrische centrale eindelijk op het ijs konden gaan lopen. We waren alle drie goed ingepakt tegen de kou. “Welke richting gaan we uit vader?”, vroeg Flip. “Ik wou zo’n beetje in de richting van de garnalenbaak, zo schuin op de punt van de Staart aan. Als er spiering is, zitten ze daar”, zei vader. Ik mengde me als spieringvisser ook in de discussie. “Ik dacht dat achter de toren, op de Vormt meer spiering zat vader.” “Nou zoon, daar zit wel spiering, maar die zijn allemaal zo klein, dat je meer graat hebt dan vis. Loop maar een beetje door, het is zo donker.” Glibberend en glijdend gingen we een aardig tijdje door. Gelukkig had ik geen koude voeten in mijn klompen, maar het gafwel moeite om die groten bij te houden. Einde¬ lijk zei vader: “Ik geloofdat we het hier maar eens moeten proberen jongens.” De grote bijl werd vanonder de netjes op de slee gepakt en vader begon een gat te hakken in het ijs. Hij probeerde zo groot mogelijke stukken te hakken om ze naast het gat te leggen, zodat andere mensen konden zien dat er een wak in het

Pagina 47

ijs was. Flip begon over koude handen te klagen. “Koude handen”, zei vader ,“kijk , dat doe je zo.” Hij stopte zijn handen met wanten aan in het ijskoude water van het wak en toen ging hij zijn handen tegen elkaar slaan om het water uit de grote wanten te slaan. Daarna sloeg hij ze gekruist tegen zijn lichaam. Ik stond er naar te kijken en kreeg het al kouder toen ik vader zijn handen in het water zag steken. Een tijdje later zag ik wel de damp van de wanten afkomen. “ Zie je wel”, zei vader, “eerst moet je lijden en dan komt het genot van de lekkere warme handen.” Flip volgde het voorbeeld van vader, vooral toen hij de lekkere warme handen van vader mocht voelen. Even later zag ik Flip als bij een Charleston dansen en springen op het ijs. Dat ‘even pijn lijden’ van vader was wel wat erg voor die jongen van zeventien jaar. Gelukkig kwam ook de beloofde warmte in de handen terug. Hij had toen weer praatjes tegen mij en zijn tranen waren gedroogd. Er waren ondertussen wat gaten gehakt op een beetje kleinere afstand dan de stok lang was. Een touw werd aan de punt van de stok vastgemaakt en vervolgens werd de stok in de richting van het tweede gat gestoken. Flip maakte het touw los en trok de eerste netjes onder het ijs. Evenzo ging het met de andere gaten, tot alle netjes onder het ijs stonden. Mijn vader liep als een bedrijvig baasje rond en mompelde: “We boffen jongens dat het nog niet vriest, dan blijven de netjes tenminste goed om ze nog een keer te gebruiken.” We kregen opdracht om voorzichtig bij de gaten weg te lopen en dan stampende in de richting van de netjes terug. Ik volgde en deed al die dingen

Hotel Woudenberg, later Het Wapen van Urk.
Pagina 48

en voelde mij als een volleerd visserman. Wij waren alleen op het ijs aan deze kant van het eiland, dat ik in de verte zag liggen. “We zullen eens zien ofde ouwe robbe gelijk heeft, hij zei tegen mij, als je goeie spiering wil vangen, Jan van Flip, dan moet je in de buurt van de garnalenbaak wezen, daar vang je de goeie spiering.” Flip en vader maakten het eerste perkje netten los en haalden voorzichtig de eerste netjes onder het ijs weg. Ik zag alras mooie geelwitte visjes in de netten zitten. Mij werd de opdracht gegeven om de visjes uit de netjes te klaren en in een mandje te deponeren. Vader en Flip werkten zich kapot om de netjes onder het ijs weg te krijgen. Toen ik met steenkoude handen de spiering uit de laatste netjes haalde, gingen vader en Flip de netjes er weer onder steken. Ik keek om en zag het een beetje wazig. Ineens kon ik Urk ook niet meer zien en de duisternis viel snel. De zon was weg en vader kreeg ook in de gaten dat het mis ging. “Flip jongen, stoppen met netten steken, laten we de spullen maar gauw op de slee laden.” De netten die net uitgestoken waren werden er gauw weer uitgehaald en met vis erin op de slede geladen. “Jongens, opschieten, want het wordt potdicht”, zei vader. Het zweet liep van zijn voorhoofd. “We moeten terug, als we de gaten volgen komen we op Schokland terecht.” Wij op weg naar huis terug. Het was inmiddels potdicht van de mist geworden. “Toen wij hier naar toe gingen, liepen we tegen de wind in, dus we gaan nu voor de wind, dan zijn we zo thuis”, filosofeerde mijn vader onder het lopen en glijden. Na een tijdje gelopen te hebben, begon mijn vader toch wat ongerust te worden, want eigenlijk hadden we alweer vaste grond onder de voeten moeten hebben. “Horen jullie geen geluid jongens? Hoor je niemand praten of roepen?”, zei vader. “Stop eens even, stil!” We stonden alle drie als standbeelden, doodstil in de mist te luisteren ofwe ook wat hoorden. Het bleefdoodstil. Vader verbrak de stilte: “We liepen toch voor de wind, Flip, of... zou de wind soms gedraaid zijn? Stom dat we daar niet op gelet hebben.” “Wat staat ons nu te doen?”, zag ik mijn vader denken, onderwijl door zijn snorretje strijkend. Het werd mij bang te moede, drie mensen in de mist op het ijs van de grote zee met nog eb- en vloedbeweging. Afen toe hoorden we zware knappen van het ijs en in de verte hoorden we het ijs afen toe kruien. Dinsdag zou het Eerst Kerstdag zijn van 1927. Zouden we ooit nog wel eens thuis komen?. “Waarom zou de misthoorn niet gaan vader?”, vroeg Flip. “Er is toch geen schip op zee jongen, zelfs de Lemster boot vaart al een paar dagen niet meer. Wij lopen nou op die zee waar hij doorheen vaart. Als ik goed gok, is de wind gekrompen naar het zuiden. We hebben dus de hele tijd in een kringetje gelopen. Als onze Lieve Heer de mist niet laat optrekken, zullen we de nacht op het ijs moeten doorbrengen.” ’t Was net ofer een kille band om mijn borst getrokken werd.

Pagina 49

Het huilen stond me nader dan het lachen. Wat moest er gebeuren, wie nam er een besluit? Flip zei ineens: “Als wij sterk aan Andries van de toren denken dan gaat hij de misthoorn wel laten werken.” “Als het zo gemakkelijk ging onze Flip, dan hoefde Andries niet te klimmen, maar vloog hij als een vogel naar boven. Kom, we gaan voorzichtig de andere kant op en afen toe stoppen en goed luisteren. Kom op!” En daar gingen we, drie mannetjes met een slee in het donker met lood in hun klompen en alle drie doodsbenauwd.... Wat gebeurde intussen op Urk? Moeder was doodsbang geworden toen de mist er opeens viel. Zij kon het in huis niet meer uithouden. Twee kinderen, de oudste en de jongste, en haar man niet thuis, maar in de mist op het ijs. Ze ging naar Jan Gerssen om boodschappen en deze merkte de onrust bij moeder. “Wat is er Bape? Je hebt geen rust in je lijf.” “Man, ik heb het niet meer”, zei moeder. “Jan is met Flip en kleine Jan aan het spieringen. Ze hadden allang thuis moeten wezen, ik maak me doodongerust met die mist.” De deur naar de kamer was zacht opengegaan en de dochter van Jan Gerssen luisterde met gespitste oren. Haar Flip, waar ze al stiekem mee verkeerde, was in nood. “Als het al zo lang duurt, dan moet Andries toch de misthoorn laten gaan”, zei Jan Gerssen. Dit was het, dacht Geertje. Ze riep in de kamer: “Moeder, ik moet even weg hoor.” Ze rende naar achteren, trok haar klompen aan en rende weg richting vuurtoren. In het vuurtorenhuisje keek Lumme van Andries Loosman de torenwachter afen toe naar buiten, maar zag niets dan mist. “Zou je de misthoorn niet even laten gaan Andries?” “Och, Lumme, er is toch geen schip op zee, waarvoor zou ik nou herrie maken?”, antwoordde Andries. “Er kunnen toch geen mensen op het ijs zijn? Stel dat je zelfdaar in de mist zat”, verweerde Lumme zich. “Och mens, bemoei je toch met je eigen bemoeisels” antwoordde hij. Ineens werd de deur opengerukt en Geertje kwam buiten adem de kamer binnen. “Tante Lumme, ome Andries, Flip en zijn vader zijn nog op het ijs. Ik zou maar gauw de misthoorn laten gaan, je weet anders niet wat er met ze gebeurt, en kleine Jan is er ook bij.” “Nou”, zei Lumme, “wat heb ik je gezegd, Andries.” Andries antwoordde niets, maar ging als een haas naar de machinekamer om lucht op de hoorn te zetten. Even later klonk het sonore geluid van de misthoorn over het eiland en dreunde verder over het ijs.... “Vader”, riep Flip, “ik hoor de misthoorn!”? “Stil, hou je kop”, riep vader. In de dikke mist stonden we doodstil te luisteren. Boeoeoe... hoorden we. “ Zie je wel dat het klopt”, riep Flip, “als je maar sterk aan Andries denkt, moet hij wel voelen dat hij de misthoorn aan moet zetten.” “Man, hou je kop, luister liever waar het geluid precies vandaan komt”, zei vader. Weer spitsten we alle drie de oren en hoorden het droefgeestige geluid heel ver weg. “Ja jongens,

Pagina 50

ik hoor het links vandaan komen, lopen, op het geluid aan”, zei vader. Met nieuwe moed gingen we strompelende, glijdende en slee trekkende op weg naar het behoudende plekje grond waar wij leefden. Afen toe controlerende en luisterende ofwe de goede richting hadden. “Nou, wat heb ik je gezegd”, zei vader, “de wind is gedraaid en ik denk dat we de Staart overgestoken zijn en dat we aan de Noordwestkant van Urk terecht gekomen zijn. Als ze de misthoorn niet hadden laten gaat, hadden we de goeie richting nooit gevonden, want met zo’n mist loop je gewoon in een kringetje rond.” We liepen door, ieder met zijn eigen gedachten. Het geluid van de misthoorn werd al sterker. Ineens doemde een zwarte rand voor onze ogen op. “Voorzichtig”, zei vader, “vlak bij de kant is altijd een scheur. Laten we nu niet op het laatste nog natte benen krijgen.” Het bleek, dat we bij de eerste hoek aangeland waren. “We lopen nog even over het ijs door, dan gaan we bij het tweede gat aan land, dan zijn we dichter bij huis”, besliste vader. We konden nu ook flitsen zien van het zwaaiende torenlicht. Daar was het gat en we gingen voorzichtig aan land. Er stroomde een blij gevoel door mij heen. Met vreugde hielp ik de slee over de stenen trekken, naar huis. Later herinnerde ik mij de tranen van vreugde van mijn moeder en het vastklemmen ofze mij nooit weer los wilde laten. Een halfuur na thuiskomst lag ik in bed. Doodmoe en blij dat ik weer thuis was, maar ook een beetje trots dat ik dit allemaal beleefd had.

Pagina 51

laas Romkes nam de gelegenheid waar toen mijn moeder bij opoe ten Napel an het werk was. “Buurvrouw, je wieten, je heawen vier jongens in d’r eawen drie jongens bij m’n ewarkt in nou wouwen we graag ok de vierde in dienst eawen.” Moeder bleefzwijgen en dacht na. Klaas vervolgde: “Je wieten Bape, bij oens moeten we aarlike minsen eawen in dat binnen die van joe.” Zo kwam ik bij Klaas van Leendert terecht, niet met mijn zin, maar.... “Gij zult uw ouder need’rig eren. Toen ik daar kwam, eind 1933 (ik was nog geen veertien) mocht ik niet werken, maar ik was gerekruteerd om de koffers van een handelaar in textiel uit Kampen bij verschillende klanten te bezorgen. Dit gebeurde met de kruiwagen van Klaas van Leendert. De handelaar, Van Oene geheten, kwam altijd met de hotter van de Romkessen mee, die ook voor het bezorgen van de bestellingen zorgden. In twee dagen verdiende ik dan / 1,50. Veel winkels die toen bezocht werden bestaan nu niet meer. Achter de Gereformeerde kerk was het winkeltje van Willem van Pieting. Marie Groen in de Kalkenstraat was altijd de laatste klant. Dat Leendert Brouwer in de manufacturen is gegaan komt misschien wel door zijn moeder, want ook daar moest ik koffers brengen. Vader bemoeide zich alleen maar met de groente, maar moeder Ede deed in het klein wat in textiel. Een goede klant voor streeptbaadjes en boezelgoed was ‘de koopman. Officieel heette hij Willem Romkes. Naast meester Verstelle in Wijk 6 woonde Hein Ras (manke Hein), ook een klant die veel Urker goed verkocht. Ik was dus in die dagen goed ingevoerd bij de plaatselijke textielhandelaren. Met een variant op de klokkenluider van Poederoyen: “Het sjouwen deed Jan, hij verdiende er wat an.” Maar als ik’s morgens voor school de koffers bij Marie Groen ophaalde zei ze altijd: “Ier zuun, koop doar maar wat vor.” In mijn hand lagen dan twee vierduitstukken, tezamen dus vijfcent, een ware rijkdom in die tijd. Van Oene, die net zo’n snor als Stalin had, pochte bij de gebroeders Romkes op mij en zodoende wilden ze mij ook inlijven, en dat gebeurde. Wie was nu eigenlijk Klaas van Leendert? Toen ik er kwam was Klaas van Leendert een oude man, die voor de tweede maal getrouwd was na zijn weduwnaarschap met Berendje. Bij zijn eerste vrouw had hij, voor zover ik weet, vijfzonen en een dochter: Riekelt, Dubbele, Klaas, Flerik (Frederik) en Kee, die zal wel Cornelia geheten hebben. Riekelt had een eigen schip, de bolle UK 88. Kee was als oude vrijster getrouwd met Hendrik Romkes (Zeezicht). Dubbele en Klaas waren in de beurtvaart en Flerik was uitgekocht, maar werkte toch in de buurt van Urk-Kampen v.v. Dit alles onder de verzamelnaam ‘Kloas van Leendert’. De stalen hotter waarmee zij

Pagina 52

de beurtvaart op Kampen uitvoerden, was in Enkhuizen gebouwd. Voor de voortstuwing was een 50pk Kromhout ingebouwd, waarmee in het begin enorm veel pech ondervonden werd. Er werd toen al op Urk over sabotage gesproken, allerlei geruchten deden de ronde. Door de familie Romkes waren twee Duitse jongentjes geadopteerd. Dit was na de Eerste Wereldoorlog, er was toen grote armoede in Duitsland. Ik geloofdat dit kwam door hun connecties in Kampen. Een oudere broer, Willy, woonde in Kampen, Otto en Helmut kwamen naar Urk. Otto noemde Berendje mirnme’ en was daar thuis. Hij trouwde later met Ale van Dokkum, een dochter van Inneman. Helmut was jonger en was thuis bij Riekelt en zijn vrouw. Deze ging later zelfs in de Urkerdracht. Als Rijksduitser werden ze in het laatst van de Tweede Wereldoor¬ log toch opgeroepen voor dienst bij de Kriegsmarine. Otto kwam met verlofin uniform van matroos. Hij zei een keer tegen mij: “Je moeten begrijpen Jan, ik eaw alles mit Oale bepraot, ongerdukken was niks vor mij, maar vechten doen ik ok niet, ze kunnen barsten.” Otto was een Urker geworden, zijn broeder Helmut heeft echter nooit meer iets van zich laten horen. Dat verdroot Riekelt en zijn vrouw zeer. We zijn wat vooruitgelopen, dus we gaan weer terug naar de tijd van de intrede als werknemer bij de melkboer Klaas en de beurtvaarder Dubbele met als meesterknecht Frederik en als technicus Otto Roth. De hotter ‘Eben Haezer’ ging s maandags, woensdags en vrijdags naar Kampen en kwam, na overnachting, de volgende dag weer terug naar Urk vol geladen met bestellingen. Als beurtvaarders hadden de gebroeders Romkes geen agent of vertegenwoordiger. Ze moesten alles zelfdoen, maar hun trouw en hun eerlijkheid waren spreekwoordelijk. Voor hen kwam dat alles op de eerste plaats. Op Urk zeiden ze: ‘Vor een dubbeltjen lopen ze ‘rluiers bienen eut ‘r gat’. Mijn eerste werkgever was eigenlijk Klaas, de melkhandelaar in detail en in het groot. Daarbij was hij ook grossier in zout. De melk werd betrokken van de melkfabriek ‘De Delta’. Het zout kwam uit Boekelo en werd opgeslagen in de schuur bij Marie van Reyer. Toen ik begon was een paar jaar daarvoor Klaas ook begonnen als grossier in groenten en fruit en de eierhandel bij Klaas was ook lucratief. Stiekem ben ik eens in de boekhouding nagegaan hoeveel Klaas op een ei verdiende, dat was ongeveer een halve cent ofiets meer. Het tellen van de eieren deed Klaas per drie. Als hij dus honderd eieren afmoest leveren telde hij 33 x 3 en dan nog een tot honderd. Jelle van Klaas de smid (Nentjes) was ook bij Klaas in dienst en hielp de kar drukken waarop een kist met vijfhonderd eieren. Hij plaagde Klaas wel eens bij het tellen. Klaas telde zo: “Negenentwintig, negenentwintig, dertig, da’s dertig.” Jelle zei dan ineens: ‘talhout’ tussen het tellen door en Klaas reageerde dan ook: ‘talhout’ en was de

Pagina 53

tel kwijt. ‘Lamme jongen’ zei hij dan en Jelle maar lachen. De gebroeders Romkes waren allemaal zwaar ter tale. Bij Klaas liep het woord wel eens vast. Dubbele hakkelde, alsofhij elke lettergreep over een drempeltje moest tillen en Flerik sprak zo snel dat hij zichzelfafen toe moest afremmen. Toch moest Flerik steeds de bijzondere opdrachten vervullen. Delicate boodschappen en opdrachten werden steeds door Flerik uitgevoerd, hij wist waar en wat was te krijgen. Voor een kostuum ging je niet weg, maar Flerik haalde per kar een grote doos met zo’n acht kostuums uit de winkel van de gebroeders Bervoets, waaruit je thuis kon kiezen. De betaling deed je ook aan Flerik, die voor kwijting bij de winkel zorgde. Flerik was ook de schipper en roerganger en het is maar een hoogst enkele keer gebeurd dat niet werd gevaren wegens stormweer. Met ijsgang bleefhet zo lang mogelijk doortobben tot het niet meer kon. Als de hotter op Urk aanlegde werden de grote partijen, bestemd voor een adres, per paard en wagen direct naar dit adres gebracht. De rest van de vracht werd per handwagen naar huis gebracht, dat boven aan de hoogte stond, rechts van hotel Woudenberg. Als het regende was de gehele gang, de kamer en zelfs de achterkamer volgestouwd. Maarten de Boer was de met een kruiwagen uitgeruste vervoerder van bestellingen. Als het erg druk was en er verschillende adressen op de kruiwagen lagen, ging er iemand met hem mee, daar Maarten niet kon lezen. Vroeger, als een klant tegen een winkelier zei: “wat kost dat duur”, was het antwoord van de winkelier: “ja mins, er koemen nou alteed de vrachtkosten bij.” Afen toe ging ik wel eens mee naar Kampen, dit gebeurde als er winter inmaakgroente voor Klaas gehaald moest worden. ’s Maandags heel vroeg van Urk. Flerik vond het heerlijk, hij kon al zijn wetenschap over de tonnen en baken tegen mij kwijt, ondertussen afen toe een psalm neuriend. “Kijk buurman”, (hij noemde mij buurman omdat mijn opa en opoe naast zijn geboortehuis woonden), “wij kunnen aan alle twee kanten van die zwarte baak langs, de boot niet. De dominee had een mooie preek he? Kijk buiten, kijk buiten, dat moet je nou doen, dan kun je het verschil zien tussen het zoute water en het zoete water van de IJssel. Nou zout, het wordt al een beetje brak. Ja, de dominee had een mooie preek.” Ik ging even naar buiten, keek, en zag duidelijk de afscheiding van twee soorten water. Later bedacht ik dat de IJssel toch veel had bijgedragen aan de snelle verzoeting van de afgesloten zee. Wij voeren het Keteldiep in, twee smalle dammen als lange vingers uitstekende in de zee. “Hou effen vast buur, midden door hoor, niet op de dam, hoor ik ‘rs.” Vol trots hield ik de spaken van het stuurwiel vast. Flerik moest even doen wat de kippen niet deden. Even later liet hij buiten boord de puts vol koelwater lopen en ging zijn handen wassen. In een hoekje van de stuurkast hing een

Pagina 54

Haringspeten op de haven.

dweiltje, hiermee droogde hij zijn handen. “Ja buur, Marretje zegt altijd: grote ofkleine boodschap, handjes wassen!” Ik lachte. “Marretje vond de preek ook mooi. Heb jij ook goed geluisterd buur? ’t Is voor je eeuwig heil hoor.” Flerik liet een raampje zakken en leunde op de onderkant van de opening. Hij tuurde de IJssel op. Vanuit de rietkragen trokken in de vroege morgenstond de nevels op. De hotter tufte driftig tegen de stroom in, hij luisterde nauwgezet op de correcties die ik via het stuurrad verrichtte op de richting van het schip. Flerik neuriede weer en ik zei: “Marretje is een knappe vrouw, Flerik.” Hij draaide zich om, keek mij aan en zei: “Knap, buurtje, knap.Marretje is goud.” Weer uit het raam starend mijmerde hij voor zich heen: ”Goud, buurman, een groot geschenk heb ik gekregen met zo’n vrouw, ik kan er niet dankbaar genoeg voor zijn.” Haalde Flerik daar zijn rooie zakdoek niet voor de dag?. Nee, hij stopte hem weer weg. Met de rug van zijn hand veegde hij over zijn oog. “De ochtendlucht is scherp, buur.” Was het wel de ochtendlucht? “Als we straks in Kampen zijn moet je even achter de Plantage een handkar halen voor het lege goed buur.” “De Plantage?”, vroeg ik. “Weet je dat niet? Direct langs de muur waar met gouden letters op staat: EN beter waar EN tien procent. Daar steek je de Oudestraat over, loop door, loop door, dan zie je de karren staan. Je zegt dan: even een handkar voor Romkes en alles is goed. Begrepen buurtje?” Het was druk in Kampen toen we aanlegden. Over de brug kwamen de boeren van het Kampereiland met hun bespannen voertuigen, mooie en lelijke, om hun

Pagina 55

inkopen te doen in de stad. Voor mijn jonge ogen was dit een imposant gezicht. Ik ging op weg om de handkar. Er waren lieden bezig om met betonnen voetjes, waarin staakjes ijzer met ogen, waar een lint werd doorgevoerd, een rotonde voor de brug samen te stellen. Toen ik alles achter de Plantage vond zoals Flerik het beschreven had (de handkarrenman was wagenmaker van professie), ging ik op de terugweg, weer langs de muur met het opschrift ‘en tien procent’ om een beetje links schuin over te steken naar de hotter. Maar ik had buiten de waard ofliever buiten de Kamper politie gerekend. Ineens klonk er een hels fluitje, het geluid werd voortgebracht door een op een fluit met een erwt erin blazende Kamper politieagent die midden in de rotonde stond. Hij zwaaide met zijn hand en ik keek om om te zien tegen wie hij zo’n drukte maakte. Ik zag niets en drukte de kar door. Maar de dienaar van de wet, met helder witte handschoenen aan en een gestreepte band om zijn pet kwam op mij aangestormd en zei: “He, kun jij niets zien en iets horen?” “Jazeker wel meneer, mijn oren en ogen zijn prima.” “Waarom ga jij dan niet rechtsom zo naar de brug?” “Maar ik moet helemaal niet naar de brug, ik moet daar links naar de hotter die daar ligt.” De agent begon nu temend tegen mij te praten. “Maar weet jij dan niet jongetje dat je om die daar opgestelde paaltjes eerst richting brug moet en dan pas naar die hotter links???” Nee, dat wist ik niet. “En dat is ook veel verder en het staat ook nergens dat het zo moet!” “Dus”, zei de agent ,“ik sta daar dus voor paal. Ben je een Kamper?” “Nee mijnheer, ik kom van Urk en daar bemoeien we ons niet met zulke dingen, je gaat gewoon de kortste weg.” “Van Urk?” De agent krabbelde onder zijn pet. “Rij gauw door en leer hoe het verkeer in Kampen geregeld wordt.” Ik als een haas met de handkar naar de hotter, Urk had me weer eens gered. Een paar uur later vertrokken we met een lading verse groenten, meest snijbonen voor de inleg. ’s Middags werd alles bij de klanten gebracht, die direct begonnen met het inleggen van de bonen als teerkost voor de winter. Op de maandag en de woensdag was het zout-wegbreng-dag. En de lege flessen werden opgehaald. Er zaten aan die flessen grote afsluitdoppen, welke aan de flessen vast zaten met een dunne ijzeren constructie. Hierdoor kon je die flessen aan een touwtje rijgen en zo meesjouwen, dus de kruiwagen kon thuis blijven. Moest er echter zout weggebracht worden, dan moest je wel de kruiwagen gebruiken als het meerdere bestellingen betrof. Waren het bijvoorbeeld twee klanten die dicht bij elkaar woonden, dan nam je twee van die zakjes zout op je rug, een dwars op de schouder en een daar in de lengte weer bovenop. Als kereltje van veertien jaar liep je dus met honderd pond op de schouder van de schuur van Marie van Reijer naar Meindert Kramen en Bape van Frans. Nu waren er twee soorten

Pagina 56

zout, zeer fijn in wit linnen zakjes en een grover soort in een jute zakje. Toen ik pas in dienst was moest ik bij Marij van Lubbertjen (T. Kramer) en bij Harpien van Iedeman (Wed. J. Korf) zout brengen. Ik nam twee zakjes met grofzout op de rug en bezorgde eerst bij Marij. Ik deed het zakje leeg lopen in de grote keulse pot. Nu kan ieder wel een zakje gebruiken, dus het lege zakje mocht je niet meenemen. Klaas haalde later het geld op. Het grove zout kostte inclusief zakje een gulden en negentig cent. Ik ging op weg naar Harpien van Iedeman. Het hekje lag al hoger en naar de winkel moest je ook weer een stoep op. Ik deed de deur open en hoorde een luid gerinkel van de bel die door de deur aan het rinkelen werd gebracht. De zak zout legde ik vast op de toonbank. Op het bellen kwam van achteren dochter Derkien aangesloft. Toen ze de zak zag liggen op de toonbank zei ze: “Ik geloofdat et niet goed is. Mimme, ei-jie grof zout besteld?” lets later ging de deur naar de kamer open en verscheen Harpien met het gouden brilletje op haar neus. Over haar bril Ioerde zij naar de grove zak, klapte haar onderlip vastberaden naar boven en zei: “Vort mit je grove zout, ik moet een wit zekkien eawen.” “Nou, dit is toch ok zout”, antwoordde ik, de kruimeltjes zout uit mijn nek wrijvende. “Nee”, was het commentaar, “Kloas weet al lang genoeg dat ik een wit zakje moet hebben, dus neem dit weer mee en breng een ander zakje zout.” Derkien slofte weg, Harpien draaide zich om en ging de kamer in. Ik probeerde de zak weer op mijn schouder te leggen toen de kamerdeur weer open ging. Groot verscheen Harpien weer in de deur en zei: “Denk er om, lamme jongen, ik moet vandaag nog zout hebben, morgen moeten we wassen.” Ik weg om een wit zakje zout te halen. Gelukkig kreeg ik een lumineus idee. Ik zou Marretje, de zuster van Willem van Tuus Snijder vragen ofdie ook zout nodig had. Dit was een lieve vrouw en toen ik de zaak uitgelegd had zei ze: “Het vat is nog niet leeg, gooi het er toch maar bij, dan hoefje niet zo te sjouwen.” Ik had haar wel kunnen zoenen. Onbelast kon ik dus naar de schuur om een nieuwe voorraad zout te halen. Daar zocht ik een mooi wit zakje uit, anders zou ze het toch misschien niet goed vinden. Onderweg liep ik te peinzen. Zou het toch waar zijn dat Harpien die zakjes uitwast en er dan een onderbroek, zo’n soort snelpieser van maakt? Jan Brands van het “grote huishouden” had dit verteld. Deze kwam vaak zo met schemeravond, bij Berendje binnenwippen en vertelde de roddeltjes en nieuwtjes weer door die hij bij Klaas de smid in de smederij gehoord had. Toen hij het vertelde van die snelpiesers had Klaas zich eerst verslikt in zijn koffie en Dubbele had zijn hoofd geschud en een klakkend geluid met zijn tong gemaakt, gevolgd door een “tsjonge, jonge, jonge.” Toen Jan nog verder ging en vertelde van die grote kroon op de broek met de letters “KNZ” er boven en dat hij die zelfin de

Pagina 57

lijn had zien hangen, was het Berendje te erg geworden en deze was uitgevallen: “Hou nou je malle fratsen maar voor je, spoel je mond.” Ik zat erbij en had Willepien, de werkster zien knikken dat het waar was. Dit alles liep ik te overdenken toen ik met dat mooie witte zakje fijn zout op mijn rug in de richting van de weduwe J. Korfging. Toen ik het zakje binnen bracht zei Derkien: “Ier zunn, gooi et effien leeg in de pot.” Ik voldeed aan het verzoek en keek naar de handen van Derkien die rood zagen van het werken. Ze had nooit tijd om haar hul op te zetten en liep altijd met haar ondermuts op en een kraplap van onbestemde kleur voor, het mens sloofde altijd. Ze stopte wat in mijn hand en zei: “Hier, niks zeggen, m’n mimme valt dood op een cent.” Ik ging weg en keek in mijn hand. Het was geen cent maar een vierkante nikkelen stuiver. Later dacht ik daar nog wel eens over na en ik heb Derkien altijd zeer gewaardeerd, alleen al omdat haar moeder haar beschouwde als haar meesterknecht die ook alle werk in de stal moest doen. De jongste dochter Jantje durfde haar moeder wel aan. Zij was een knappe verschijning en fungeerde in de zomer als het melkmeisje. Wat ze verder in het winkeltje verkocht was niet veel. Deze winkeltjes werden altijd door de familie begunstigd en door de buren die zelfgeen winkeliers in de familie hadden. Om het hoofd boven water te houden moest je als vrouw ook wel een beetje hard zijn. Volgens mijn schoonmoeder had Harpien eens gezegd: “Ik heb een slecht jaar gehad, mijn beste koe dood en mijn man.” Ja, zo raakte je door je dienstbetrekking heel goed bekend met de neringdoende Urkers.

Pagina 58

een koud voorjaar. De winter is ook lang geweest en de buitenvissers, zeggen de Urkers die op de Noordzee visten, hadden ook nog niet veel verdiend om in de winter gemaakte schulden afte betalen. Ondanks dit alles gaven de winkels nog krediet. Je liet tenslotte je medemens niet verhongeren. Ook de diakens van de kerken moesten met overleg te werk gaan met het geld dat er nog in kas was. De Zuiderzeevissers hadden de haringnetten al van de zolder gehaald en met een proefschotje van een paar repen hadden ze geprobeerd ofde haring al op komst was om te paaien. “Nou, was et al wat, Jaawk jonge?” “Wellinnek man, nog gien wolkien as een mans aand; er zatten drie aringen in de netten in je anen vullen van de kelte van je leef.” Ja, het leek net ofde haringen helemaal vergeten waren om te paaien in de oude Zuiderzee. Er waren er die zeiden dat de stromingen niet goed waren, het vorige jaar was het met de haringen ook al niet zo goed geweest. Maar een man hield de moed er in. Dat was de ouwe Durgerdammer. Die zei maar steeds: “Pas maar op, zorg dat je de eerste haringen vangt, dan heb je nog een goeie prijs, maar als er zo veel komen dan zakt de prijs. Let op mijn worden: er komt van’t jaar veel haring.” Het jaar daarvoor was het voor Willemstad een best jaar geweest. Een bende haring was het water tussen Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee ingetrokken en daar hadden ze met veel zegen, veel haring buitgemaakt. Tenslotte werd dit water niet tevergeefs ‘Haringvliet’ genoemd. Maar nu waren er ook nog geen berichten binnengekomen dat daar al haring was. Ook was er nog geen teken uit Den Helder dat daar al haring was gesignaleerd. Gerrit Westermeng bleefmaar beweren dat het best goed zou komen. De jongste dochter, Jannetje, vertelde mij eens Haringzegenen op het Top. dat haar vader,

&/?s&uuww^e/e
Pagina 59
Pagina 60
Water- en brandstofvoorziening op het eiland.

wat ze op Urk noemden, een ‘zondagsvisser’ was. Natuurlijk waren er wel meer op Urk, maar die kon je op de vingers van den hand tellen. Zondagsvissers waren mensen die ook op zaterdagmiddag hun netten in de zee brachten en ze’s maandags dan weer ophaalden. Ik weet nog goed dat het ook bij mijn grootouders een groot dilemma was. Opa Flip ten Napel was wat ruimer in zijn opvattingen wat betreft de zondagsheiliging dan zijn eega Neeltje ten Napel. Opa was de reder en moest zijn opdracht geven aan mijn vader, als de schipper van het bolletje de UK 133. Als ik mij goed herinner zou mijn vader die opdracht hebben aanvaard. Ook mijn ome Reier van Flip had geen bezwaar dat de netten’s zondags in de zee zouden staan. Maar dat kleine manke Schokker mensje behield de overmacht. Zij poneerde geen theologische bezwaren, maar zij volstond door te zeggen: “Flip, al praat je als Brugman, het gebeurt niet, uit, basta!” En dan volgde een klap met haar vuist op tafel om haar woorden kracht bij te zetten. Ome Reier commentaarde dan: “Dink om je anen, moeder, direct kuun je gien navelbindjen maar om de kiengeren d’r luiers leefien leggen.” Nee, die kleine Kale, want dat was haar stam, liet niet met zich spotten. Voor zich heen pratend achter de naaimachine zei ze dan: “Ik zou niet meer met de vree in de kerk kunnen zitten.” Alzo niet Gerrit de Durgerdammer. Deze moest zich voor het feit dat hij een zondagsvisser was, voor de kerkenraad verantwoorden. Zijn netten stonden s zondags in zee, en dat was niet betamelijk, dus hij was een zondaar, want je rustte op zondag. Men vroeg hem wat zijn antwoord daar op was. Gerrit had daar het volgende weerwoord op: “Dominee, mannenbroeders, ik geloofwel dat u allemaal brood eet, en dat brood is van gemalen graan gebakken. Nu geloofik dat dat graan ook’s zondags groeide. U denkt toch niet dat het graan’s zondags stilstond met groeien en s maandags weer doorging met groeien. Ik vis niet, maar mijn netten staan in zee.” Op dit woord hadden de broeders geen antwoord. Nu moet ik zeggen, als je dat zo neerschrijft, dat dit zondagswerk probleem ook nog in deze tijd toepasselijk is. De grote fileerbedrijven hebben ook’s zondags voor tonnen aan waarde in hun koel- ofvriescellen staan en er moet dus ook s zondags gekoeld worden. De stroom wordt niet afgezet, anders ontstaat er schade. Ik zou nog wel even door kunnen gaan, maar vult u zelfmaar in. Toen Urk pas een elektrische centrale had, draaide deze centrale niet op zondag. Maar toch konden wij op zondag gebruik maken van elektriciteit. In de week werden hele series accu’s opgeladen en daarvan kon het orgel zijn energie onttrekken en konden de lampen in de kerk branden. Als we dit systeem nu nog zouden willen toepassen, zou de ruimte waar de accu’s zouden moeten worden opgeslagen, de helft van het oude Urk beslaan, daar de behoefte aan stroom in deze moderne tijd ons boven

Pagina 61

het hoofd is gegroeid. Vergeefmij even het uitstapje, maar we waren nog bezig met dat koude voorjaar. Vroege vissers hadden ook nog schade geleden aan hun netten door ijsgang, ja dat kon ook. Een lange winter, de zee vol ijs en dan een zuidelijke wind. Het ijs weggewaaid, het water ruim bij Urk en de gauwers, de vroegers, brachten wat netten in zee, mochten er soms wat haringen in zwemmen. De familie Lichtendaal was ook al op Urk en Geert van Tjaltjen was in de ‘ange’ al begonnen met opruimen; de mot voor het roken van de haring was ook al aangevoerd. Waar bleefde haring? Die kwam niet, maar wel een koude noordwester en die commandeerde het nog aanwezige ijs weer terug met kwalijke gevolgen voor de in zee staande netten. Van dit ongemak profiteerde grootvader Flip, want hij verkocht weer veel nieuwe gaaltjes. “Nou, je geloven et niet Niel, maar ofde gaoltjes zo mit een messien of-esnien binnen.” De nettenfabriek van Von Zeppelin uit Hamburg profiteerde ook natuurlijk. Opa deed al jaren zaken met hen. Maar toen kwam toch de dag dat het door het dorp ruiste: “Ze binnen op komst oor, de Durgerdammer krigt gelik!” Bij Willemstad was al haring gevangen. Willem Lichtendaal droeg zijn jas al open, je kon zijn grote horlogeketting zien hangen op zijn buik. Hij liep met zijn duimen in de mouwen van zijn vest en zijn hoed stond wat achterover op zijn Harlingerkop. De zegenaars legden hun spullen klaar De ‘kubbeboot’ werd in het water gegooid en de kleine ‘lekkies’ werden gebreeuwd. Er kwamen ook goede berichten uit het noorden. De Wieringer vissers hadden al vangst en dat waren de stoottroepen van de haringen die de Zuiderzee hadden verkoren als hun paaiplaats. Mijn vader had tegen Wiepke gezegd dat hij het bolletje weer op ging tuigen en mijn broer Reier maakte de zegen klaar. Opa Flip zei tegen mijn vader: “As je de netten goon skieten, giefdan acht op Keesien van de Robbe, waor die z’n netten skiet; want die rukt de aring.” Zo begon het vissen op de haring. Et werd nog niet veel gevangen in de netten, als je geluk had ving je een tal ofvijf, zes. Maar de prijs was goed, de kopers waren tuk, de vraag was groot, er werd twaalfgulden voor een tal gegeven. Wie had het ooit beleefd; zes centen voor een haring. Je hele weekloon verdiende je dubbel in een dag ofsoms nog meer. En daar op een nacht ging het gerucht door het dorp: “Haring aan de wal.” Ouwe Leendert Brouwer was al op het Top. Ze zeiden dat die ook haring kon ruiken. Hij had zijn ploegmaten al gewaarschuwd, zijn kubbeboot lag al de bocht van de Staart. Pruimende en afen toe spugende had hij, liggende op zijn armen die op het paalscherm rustten, over zee getuurd. Nu en dan struinde hij naar een andere plek om daar te kijken en te snuiven. In gedachten en voor

Pagina 62

zichzelfpratende zei hij: “Ze moeten mit de vloed koemen, de arekies binnen love, ze widen d’r luiers keat kweet.” Hessel van Rika was ook in touw. Hij liep naar zijn broer Appien toe en zei: “Let op meen woorden Appien, de ouwe Leendert van Freek is zo onrustig, ik dink dat de aring er an komt.” Ook de ouwe schipper was al drie keer bij zijn dochter Abbe geweest om te zeggen dat Klik van de partij moest wezen. Kortom, de zegenaars waren bioednerveus. Bij opa Flip was ook al beraad, wie moest wie waarschuwen? “Reier, zurg dat van joen jonges, die kan, ok miekomt. Jan, jie waorskuwen Inderik van m’n zwager Bertus in op weg nor de ange loop je dan ok bij Willem Kroeze an om te waorskuwen.” “Zou je dat nou wel doen vader?” “Wat doen”, brieste Flip, “Willem warkt bij mij in de ange, in wie bij mij warkt, is ok bij de zegen.” In’t begin van de nacht werd er bij ons, onder aan de Zegenaarshoogte, op het raam geklopt. “Ome Jan, volgens mijn vader is er vuul geloop nor et Top, koem er eut in wek je volk.” Mijn vader was direct wakker; ik werd wakker van het kraken van de springveren matras toen hij uit de bedstede klom. Hij liep naar het raam en hield de zware donkerrode overgordijnen opzij. Hij riep: “Bin jie dat Marinus?” “Ja, dat bin ik”, antwoordde Marinus “klien je goed an want et is barstenskoud.” “Trek jie dan ok een dikke kiel an mit je magere bast, ik koem wel bij de ange.” Grote Jan was ook wakker geworden, stak zijn hoofd buiten de bedstede en vroeg: “Wat is er loos vader?” “Ou je moend, koem er eut, trek je goed an want jie moeten ok mie.” Jan was er in een wip uit en begon zich aan te kleden. “Zet eerst effien een biejten waoter op de vierpitter vor een bietjen drinken”, gafmijn vader opdracht, ondertussen zijn kousebanden, die aan zijn blauwe keper onderbroek vastzaten, om zijn kousen draaiend om ze er vervolgens met een lus aan vast te maken. “Lot et stel niet loeven”, klonk de stem van mijn moeder uit de bedstede, “niem bij de tee maar wat kasies vor de onger.” Hektor was ook wakker en keek vol verwachting naar mijn vader en Jan. “Nee Ektor, jie kunen niet mie midden in de nacht, goon maar wier gaauw op een bedde.” De hond wist, dat als mijn vader een opdracht gaf, hij die ook moest uitvoeren. Hij keerde zich om, sprang op de stoel voor het bed en verdween toen in de bedstee. Na de thee met de ‘kasies’ verorberd te hebben gingen vader en Jan op pad. “Goon jie maar nor de ange in kiek wat je daor doen moeten”, kreeg Jan de opdracht, “ik goon et angere volk roepen.” Het was Iichte maan en geen straatlichtje brandde er toen vader op weg ging. “Eerst maar naar Hendrik de Bie”, dacht hij. Werktuiglijk nam hij vervolgens zijn gedachten de kortste weg, zoals hij ook altijd naar de kerk ging. Hij ging de hoogte van de Snijdertjes neer en ging het huisje van Hendrik en Ede voorbij om voor aan het raam te tikken. Tik tik tik. “Ben je wakker Hendrik?”

Pagina 63

Een beetje gestommel en de kop van Hendrik kwam door het raam. “Machtig, da’s ok gank”, zei mijn vader, “sliep je soms vor et raam?” “Nee, wat is er loos?” “Trek je goed an, want ze zeggen dat er aring an de walle is, koem maar bij de ange.” “Nee, wacht effen, ik goon direct mit je mie”, anrwoordde Hendrik. Even later kwam Hendrik naar buiten en gezamenlijk gingen ze op weg. Boven aan het hoogje van zeilmaker, Snijder, waar toen het enige Urker urinoir stond, zei mijn vader. “Die witte broek zal wel gauw smerig worren Inderik.” “Wat witte broek oe michtig, daor eaw ik vergeten m’n bovenbroek an te trekken.” Hendrik terug om zijn bovenbroek, waar thuis zijn Ede hem al op stond te wachten. “Ik docht al, zou Hendrik nou op z’n ongerbroek an t zegenen wezen?” “Hou op Ede, ik bin ielemoal van touw, ik eaw zo maar een gevoel bij m’n dat we een paor goeie strieken doen, in dat we aring zat vangen.” “Nou, ik oop et, want we kunnen wel wat gebrukken. Pas goed op jezelfen maak je niet te nat... ” Ondertussen was mijn vader bij het huis van Willem Kroeze aangekomen. Hij moest lang kloppen, tot de vrouw van Willem voor de dag kwam. “Bin jie dat Jan?” “Ja, dat bin ik”, zei mijn vader. “Maak Willem wakker want ij moet an de zegen.” “Man ouw op”, antwoordde zijn vrouw, “ij et zo’n peende an z’n bienen in ij is benauwd van et oesten.” “Nou, lot ‘m dan maar in bedde bleven”, zei mijn vader. “Ik ad al oord, dat ij niet arg lekker was, daormomme eaw ik die twiede jonge van ons al naor de ange estuurd, om’t werk van Willem over te kunnen niemen.” Even later kwam Hendrik er ook weer bij en gezamenlijk gingen ze op weg naar de ‘ange’ onder in de Prins Hendrikstraat naast de ijskelder. Ze moesten ook nog even langs Bape van Fraans, want zoon Frans moest ook mee. Hij had zich namelijk verhuurd voor de haring- en ansjovisteelt bij mijn vader op het bolletje. Frans was al wakker en aangekleed. “Ik hoorde zoveel herrie bij Leendert van Freek, dat ik dacht er is wat loos.” Toen ze bij de ‘ange’ aankwamen was ome Reier als druk bezig om de zegen op de handkar te laden. De lijnen gingen op een andere kar waarmee anders palen werden vervoerd. En daar gingen ze, op hoop van zegen, met de zegen. Jan en Harm kwamen met een kubbeboot roeien uit de vlettenhaven. Toen ze bij de vuilnisbelt kwamen zagen ze die twee bij de hoek van de kistdam achter de centrale. “Ja Reier, we adden de boot al vuul vroeger bij de warken moeten eawen.” “Dan ad j’ um bij ’tTopsoofd ofbij de Start op de straande moeten trekken, in daor barst et al van de boten.” Ze delibereerden over de vraag waar zij het eerste schot zouden wagen. Opa Flip gafzijn commentaar: “Jongens, we gonen niet zo vaar, ’t is op et tuppien van de vloed, lotten we’t maar es prebieren tussen et eerste in et twiede dammetjen.” De jongens, Jan en Reier, kwamen tegen vader Flip in opstand. Ze hadden al eens een keer een

Pagina 64

trek gedaan maar een grote tobberij om de zegen aan de wal te krijgen. Ondertussen waren de jongens met de boot in de luwte van her eerste dammetje gaan liggen. “Koem op jongens, de zegen moet in de boot, praot dan waor we goon skieten.” Het was Marinus die het voortouw nam. “Jie eawen gelik buie”, zei lange Frans, en met vereende krachten werd eerst een rol touw aan boord opgeschoten in de kop van de boot en daarna de zegen en tot slot weer een rol touw. Tijdens dat in de boot brengen van de spullen zei grote Jan van tante Marie: “Ik geloofdat het barst van de haring ome Jan, want min rooien zagen ik de haring springen.” Toen mijn vader dat hoorde riep hij tegen ome Reier: “Leg niet te zaniken Reier, we skieten ier, niet geschoten altijd mis...” Het volk ging in de boot. “Jongens begin noordelijk in dan zo richting de ‘avenmoend ouwen, in zurg dat je net boven et eerste dammetjen wier an laand koemen.” Zo werd afgesproken. Riekelt van’t spoor met zijn ploeg aan de noordelijk kant bij de lijn en ze roeiden eerst die lange lijn uit en na de knippel begon de zegen die door ome Reier met grote Jan buiten boord werd gezet. Nu met de treklijn terug varen naar de wal. Maar ze waren misschien een beetje te ver gegaan, want toen ze bij de wal kwamen, d.w.z. de kop van het dammetje, bleek de lijn te kort. Ome Reier schreeuwde: “Giefnog effien een stok touw an dat ik dat er efFen opsteek, we koemen tekort.” Mijn vader greep een stuk touw en liep met zijn klomplaarzen aan naar de kop van het dammetje, een stuk in het water, en gooide het stuk lijn op. Ome Reier stak het op het in de boot bevindende eind van de zegenlijn en riep toen: “Trekken maar jongen!” De boot kwam aan wal en ome Reier zei tegen mijn vader: “’t Is glen lolletjen Jan, maar ik zou oenze vader alvast nor de ofslag sturen in daor prebieren een last in vuren te verkopen.” “Je binnen toch niet gek Reier?” “Ik bin niet gek, net zoas je zeggen, maar’t barstte van de aring. Er sprongen verskillende aringen gewoen in de boot.” Weer in conclaafmet opa Flip en deze ging meteen naar de afslag. “Ik zal mit Iede van de measter prebieren een ofspraak te maken.” De commando’s klonken en twee ploegen begonnen te trekken. Mijn broerJan en kleine neefJan kregen opdracht om de binnengetrokken lijn meteen weer netjes op te schieten, zodat hij voor gebruik weer gereed lag. Ook was er op aandringen van mijn vader iemand naar Piet Keuter gestuurd om direct met de haringkar achter de fabriek te komen. Het trekken begon en afen toe kwamen de ploegen naar elkaar toelopen. De noordelijke ploeg kwam dichter naar de zuidelijke ploeg om te zorgen dat, zoals mijn vader zei: “We achter de stroentbult niet an laand koemen.” Het was zwaar werk, er moest flink getrokken worden. Toen de knippels van de zegen bij land kwamen, gingen de mannen aan de waterkant van het paalscherm staan en trokken zo de zegen binnen.

Pagina 65

De beginjaren van het watertoerisme.

Hendrik Gerssen pakte de onderkant met loodjes en Riekelt de bovenkant met de kurken en zo werd de zegen netjes opgeschoten om misschien direct weer in de kubbeboot te kunnen brengen. Er werd steeds met het gaal geschud om de haring in de zak te krijgen. Deze werkzaamheden werden natuurlijk ook aan de andere kant gedaan. “Minsen wat trekt dat zwaor”, zei lange Frans, “ofde zak zit vol stienen ofij zit vol aring.” Eindelijk kwam de zak bij de wal. “Vorzichtig an jongens, as de zak skeurt is oenze wark vor niks ewest.” Hendrik Gerssen zei: “Ei jie et ooit beleefd Jan, et likt de wonderbare visvangst wel.” “Man, Indrik ou op, ik eaw stroentnatte bienen, maar ik voel et niet maar, nou ik al die aring zien.” Nou het was ook wel wat, het was allemaal zilver-gekrioel. “Ik dink niet dat ik de zak dicht kan kregen”, zei ome Reier, “woar blift m’n vader in waor blift die aringkarre?” Ofze het gehoord hadden, want opa Flip en Piet kwamen tegelijk aanzetten. “Ik ben zelfmaar gekomen”, zei Piet. “Ik had net het eerste meel in de trog gedaan, nou moeten Jannetje en Toon maar beginnen met bakken.” Opa kwam met een blijde boodschap: “Wat dink jelui dat we kregen per tal?” “Nou, misschien twie gulden.” “Twie gulden, nee vier gulden. Lichtendal zit er gewoen omme verlegen; maar ik eaw tugen ‘m ezegd, as et maar is as iene last moet ie de rest ok niemen vor die prees.” “Nou Jan jonge”, zei Hendrik, “dan kunnen we niet maar arm...” Er werd volk naar huis

Pagina 66

gestuurd om brood en koffie, want de dag was nakende. Opa Flip had wat droge worstjes van de zolder gehaald voor de flauwigheid en sneed voor iedereen een stuk af. “Jongens, skep wat aring eut de zak, been ‘m dan dicht in zet er een nije zak in. As je opskieten kunnen we nog een trek doen.” Opa Flip liep ijverig heen en weer. “Nou Reier, wat dink je er van?” “Ik dink er wel goed over, as ik m’n niet vergis dan legt et droge van de aring...” En tot mijn vader: “Jan, oe oordiel jie er over?” “As we’t doen, dan moeten we t gaauw doen, vordat de ebbe goed duurzet; lotten we de spullen in de boot doen.” Daartoe werd opdracht gegeven. Er was een andere zak aan de zegen bevestigd, maar Jan en Harm, de oudsten van ome Reier, hadden iets anders in t hoofd. “Jan zeg jie et maar”, zei Harm. Jan pakte zijn pet van z’n hoofd en krabde met zijn hand net boven zijn oor. “Ja, kiek”, zei Jan “Harm in ik dochten dat we nou een trek westelijker moeten doen dan de eerste, de aring zwimt nou in de luwte van de aven.” “Oe wil jie dan westelijker?” was de vraag. “Harm, nou bin jie an de beurt”, zei Jan, “jie adden et al ielemoal in j’ oofd.” “Kiek”, zei Harm, “we beginnen ier bij’t eerste dammetjen, skieten de zegen in laanden an midden in de kistdam.” “’t Is zieker duur de aring in je bol esloegen”, antwoordde ome Reier. “Nee Reier”, zei mijn vader, “je kunen best op de kistdam stoon te trekken, maar et zal wel zwaor wezen.” “Juust”, zei Harm, “maar we moeten niet op de kistdam bleven stoon, maar terogge lopen naor t eerste dammetjen, in de angere ploeg trekkers moet wat richting twiede dammentjen goon, in dan aolen we de zegen binnen noord van et eerste dammetjen.” “Reier, in de boot, leuster nor et jonge volk, ik voel et an m’n waoter dat we’t wel redden.” Mijn vader Jan van Flip commandeerde verder. Zo werd op een wonderlijke manier getracht om de haring te verschalken die als ploeg wat uit de ebbestroom was gaan zwemmen op weg naar de strandjes in het noorden. Het lossen ging door, geteld werd de haring niet. Er was een merkje op het mandje gezet, nadat er vijftig worp van vier, dat is tweehonderd haringen in het mandje geteld was. Het waren mooie haringen en besloten werd om het mandje gewoon vol te maken, het kwam tenslotte niet op een haring aan. Er waren al vijftig mandjes gelost en nog was de zak niet leeg, dus er was veel meer dan een last haring. Lichtendal was dan ook al even wezen kijken en uitte zijn tevredenheid. “Nou Flip jongen, et is een goeie pries, maar de haring is ook best; Geert en Dubbele kunnen d’r tegen aan gaan nou.” “Jongens, niem efifien een kedetjen in een bekkien koffie!” Mijn moeder had Hessen koffie gereed gemaakt en wat kadetten gesmeerd met daarop veertig plus kaas van Van der Deure uit Enkhuizen. Ook waren wat kadetten belegd met paardeworst van Kroeb. Toen ik dat allemaal zag inpakken liep het water mij over mijn tanden.

Pagina 67

“Hier”, zei mijn moeder, “zet gank, ze zullen wel onger eawen.” Hektor begreep het ook en vrolijk rende hij voor mij uit op weg naar de lichtfabriek waar de zegenaars waren. Toen ik daar aankwam, waren ze net bezig om de zegen benoorden het eerste dammetje binnen te halen. Het had wel heel wat water in de laarzen geklost en geschreeuw en geplons in het water om de haring binnen de zegen te houden. Maar alles liep volgens plan en de zegen bleefheel. Arie de Wit was ook op het gerucht afgekomen dat in het dorp in de rondte ging: dat de zegenaars van Flip ten Napel zoveel geluk hadden en dat de andere zegenaars bitter weinig gevangen hadden. “Nou buurman Flip”, zei Arie de Wit, “jij hebt wel geluk vandaag.” “Ja”, antwoordde mijn opa, “het geluk was van de nacht nou ‘rs niet mit de goddelozen.” “Dat zijn woorden die je voor eigen rekening moet nemen, buurman.” “Nou kijk maar, de zak zit al weer barstensvol, hij komt helemaal boven kalm an jongens dat de zak niet scheurt. Heb jij een emmertje meegenomen Arie, dan kan Fiene wat harinkjes bakken.” Arie streek eens over zijn Nieuwedieper snor en zei: “Emmertje, Flip, zeg maar emmer, want de jongens wilden er ook wat roken om spouwers te maken.” Zo kwam de kantonnier Arie de Wit aan zijn zootje verse haring ondanks de hoge prijs die ze opbracht. Ik moest ook haring mee naar huis nemen en alvast wat gaan roken, nadat ze eerst een tijdjes aan de speten geregen waren en vervolgens tegen de gevel van het huis waren opgehangen om te drogen. Het was waar, de tweede trek was nog weer beter, want er werd ruim anderhalve last uit gelost, maar de prijs schoot wel twee kwartjes het tal naar beneden. De andere zegenaars hadden niet zo vlot gemarkt en beurden nog weer vijftig cent minder voor een tal, omdat er toen ook veel aanvoer van de staande nettenvissers binnen kwam. Kooplieden waren natuurlijk ook linke jongens en smoesden over de prijs. Maar Lichtendaal zat werkelijk verlegen om haring, want Duitsland vroeg, en de ‘hang’ stond al vol met mandjes, gevlochten door de Urker mandenmakers. Zo kwam er toch weer wat geld binnen. De zegenaars van Flip zaten goed. Toen ik die zaterdag met mijn vader naar opa en opoe ging om het verdiende loon op maatschapbasis rond te brengen, was er ook een envelopje bij voor Willem Kroeze. “Maar Willem et z’n anen niet an de zegen ad, een anger mos vor ‘m warken...” “Je moeten maar in de Biebel lezen oenze Jan”, zei opoe, “dink maar es an de arbeiders in de wijngaard.” “Maar...” “Niks gien maren”, zei opa, “as wij venen dat hij recht op dat geld et, moet jie je daor niet mie bemuuien, jie in de angeren eawen d’r luiers part ad.” Ik wachtte buiten toen mijn vader het geld over de onderdeur aanreikte bij de Kroeze’s. “Pak an, ier is Willem z’n part.” Mijn opa en opoe zijn nooit erg rijk geworden, maar ook niet arm. Wel was er een groot onrecht in hun leven,

Pagina 68

omdat ze niet in aanmerking kwamen voor een uitkering van de Zuiderzeesteunwet. Door een ruzie met burgemeester Gravestein waren de aanbevelingen van deze man niet gunstig voor een uitkering van die wet. Maar ja, burgemeesters waren in die tijd halve goden, wier aanbeveling gewoon nodig was wilde je iets bereiken. Maar ouwe Flip wilde niet buigen voor Gravestein. Op het laatst was er alleen nog vijfgulden ouderdomsgeld, met nog wat geld wat opoe verdiende met het maken van burgermansbroeken met klappen. Hij werd slecht ziend en bijna blind en zo lag hij daar in de voorkamer op het bed. Grootmoeder kon hem niet verzogen, maar daar was zijn naamgenoot goed voor. Mijn broer Flip zorgde ervoor dat die grote zware man niet doorlag nadat zuster De Wit hem de fijne kneepjes van het vak geleerd had. Je wordt ouder en je wordt dan ook eenzamer. Maar Iede Koffeman kwam elke dag even binnenwippen, praatte eerst even met opoe en ging dan de alkoofdoor naar de voorkamer. Hij ging dan op een stoel aan het voeteinde van het bed zitten, zijn handen steunend op zijn wandelstok. Ze wisselden de wetenswaardigheden uit en spraken over het einde dat onherroepelijk zou komen. Dat maakte wei emoties los bij die grote sterke man. “Jie wieten Iede, dat ik niet zo’n beste was, ik bin wel er’s angstig dat dit niet goed komt.” “Flip jongen, we zijn allemaal niet zulke besten, maar het wonder is, dat Hij Zijn Zoon gezonden heeft om van die niet zulke beste mensen hele besten te maken. Vertrouw daar nou op, met je verstand kun je dit niet beredeneren, dat moet je geloven en hopen Filippus. Ik goon nou nor eus, want Jannetjen zal de kost gaor eawen. As je er murgen nog binnen koem ik wier effien an.” “Nou wat dink je wel”, antwoordde opa bits, “ik goon zomaar niet dood.” Ja, hij ging toch zo maar dood. Tante Jent, zijn dochter was op visite geweest uit de Wormer. Ze hadden lekkere scholletjes gegeten en opa had er drie naar binnen gepeuzeld. Tante Jent werd in Enkhuizen opgevangen. “Jent, een droeve mededeling voor je, je vader is plotseling gestorven.” “Och minsen, in ij at nog wel beste arepels in drie lekkere skolletjes op..Ze was’s avonds met de boot weer op Urk.

Pagina 69

Het was puzzelen voor het bestuur van de Zondagsschoolvereniging: hoe en waar moest het Kerstfeest gevierd worden. De school werd verbouwd en s zondags lieten zij de kinderen op verschillende locaties tot zich komen. Maar het Kerstfeest zou de sfeer verliezen als in al die verschillende gebouwen het Kerstverhaal verteld en de poeiermelk gedronken moest worden. Erger was het voor de ouders, die anders gewoon door de gangen van de school de klas van hun in verschillende leerjaren gezeten kroost konden bezoeken. Al die overwegingen liepen er op uit, dat het kinderfeest in de kerk gevierd zou worden. Het was vroeg donker die 26s" december, de lucht was bewolkt en de grond was hard van de vorst. Gewapend met mijn kroesje gingen we de Zegenaarshoogte op door de Langestraat naar de kerk. Alle lichten in de kerk waren aan en de deuren stonden uitnodigend open. Een feestelijk gevoel kwam over mij, toen ik de roezemoezige kerk binnentrad en de warmte voelde van de grote kachels, die door Jochem Hennink extra van brandstofwaren voorzien. Het orgel speelde mooie muziek die door Louwe Kramer was uitgezocht. De kinderen zaten allemaal beneden. Poeiermelk zag ik niet, later bleek dat die door de helpers in de bewaarschool werd opgewarmd. We begonnen. Eerst zongen we ‘Nu sijt wellecome. Wat was dat mooi, zo met dat grote orgel. Dat was heel wat anders dan in een schoollokaal zo zonder begeleiding. De kerstvertelling werd door Cornelis van Eerde gedaan. Niet vanafde preekstoel, maar vanafhet voorlezers gestoelte. Hij voelde het zelfook wel aan dat hij voor een kerk met volk moest optreden. Rode blosjes kleurden zijn ietwat uitstekende jukbeenderen en afen toe moest hij zijn grote witte zakdoek voor de dag halen om zijn mond wat af te vegen. Het Kerstverhaal was mij natuurlijk bekend, maar de oude Cornelis kon daar toch een dimensie aan toevoegen. “Het was al zo donker, en daar liep nog een man met een ezel, en bovenop die ezel zat zijn vrouw. En zo liepen ze door Bethlehem te zwalken en om onderdak te zoeken, maar nergens was er nog ruimte, er was geen plaats voor hen. Snap je nou, wat ofdie mensen in Bethlehem zochten? Nou dat kwam zo: de keizer had e-zegd , dat iedereen ingeschreven moest worden. In dat inschrijven moest je doen op de plek waar je van afstamde. In omdat Jozefin Maria (want dat waren die zoekende mensen) van Bethlehem afstamden, omdat zului familie van David waren, kwamen ze hier terecht. Daarbij kwam ok nog dat de vrouw van Jozefin de kraam mos koemen. Gien iene herberg had plek...” Toen hij over David sprak, gingen mijn gedachten verwijlen. Ik zag dat grote beeld op het orgel, ze hadden mij gezegd dat dit David was die op de harp speelde, en ik fantaseerde verder over

Pagina 70

David. Alle verhalen over David vlocht ik samen tot een verhaal. Het was een goeie poedermelk die we kregen. Ik kon het maar niet goed rijmen, kransjes en poeiermelk in de kerk. Een pepermunt ofeen zuurtje kon nog, maar.Toen kwam het verhaal, verteld door Kees Koffeman, de latere gemeenteontvanger. Hij had zo’n mooie stem, sprak nooit hard, zodat je je oren goed moest open houden. Het was een natuurlijke gave van hem om heel boeiend een verhaal te vertellen. De hele kerk was muisstil. Nog meer poeiermelk en een sinasappel en ... het Kerstboekje. Ik kreeg ‘Jaap Holm en zijn vrinden’. Het Kerstfeest in de kerk, een mooi feest. Van Kerstbomen wisten we toen nog niet. Warm en welgedaan gingen we naar huis. Maar wat we toen zagen geloofden onze ogen niet. Donker waren we in de kerk gekomen en nu zagen onze ogen een witte wereld. De bomen waren allemaal kerstbomen geworden. De armetierige lichten van de lantaarnpalen vielen in het niet bij het licht dat de witte sneeuw uitstraalde. Als jonge honden stortten wij ons in de bijna 20 centimeter dikke sneeuwlaag. Zo beleefde ik mijn eerste witte Kerst. De voetstappen werden gedempt en stemmen verstierven in de witte wollen deken. Die Tweede Kerstdag mocht ik na het Kerstfeest nog een tijd buiten dollen. Ik ging nog even naar mijn schoolvriendTjailing Kramer. Hij woonde in de laatste huizen van de onderbuurt. Wij gingen samen lopen door de ongerepte deken van sneeuw. Wij keken naar het noorden en zagen een grote, witte deken, alleen onze adem hoorden we. Toen kwam het Kerstlied in mijn gedachten: “’t Was nacht in Bethlems dreven, een schone stille nacht.” Ja, dat jaar was het op ons eiland een schone witte nacht.

Pagina 71
Woningen in Wijk 6.

Ik had heel diep geslapen. Er waren na het ontwaken in een halfsluimerende toestand heel veel dingen over vroeger door het hoofd gegaan. De school was al afgelopen. Ik stond tegen het hek aangeleund, recht tegenover het huis van Jan Molenaar en Willepien de hulleplooister, te wachten op Piet Brouwer. Er waren ons heel ingrijpende dingen verteld door de meester. De oude school zou worden afgebroken en op dezelfde plaats zou een nieuwe moderne school worden gebouwd. “Hebben wij dan geen school meester?” “Nou, wat dacht je dan! Het leren gaat door, vakantie is er niet bij.” Daar kwam Piet. Hij had voor zijn opa een briefmoeten ophalen bij meesterJansma. Ik vroeg Piet ofhij mee ging over de haven. Nee, Piet moest thuiskomen, want hij moest zijn vader Cornelis helpen om verschillende dingen in de winkel bij te vullen. Ik had de tijd, want mijn vader kwam pas om een uur thuis om te eten. In gedachten zette ik koers naar de vuurtoren. s Morgens had ik gezien dat het erg zichtig was. Enkhuizen kon je duidelijk zien liggen met nog een stuk kust en dan kwam er een stuk niets naar rechts en dan stond daar die lange staak van het gemaal in Friesland. Het was wel erg zichtig vandaag. Enkhuizen lag niet zo diep en je kon ook de Gaasterlandse bossen voor een gedeelte zien. Het leek toen wel ofhet vasteland werd opgetild. Maar nu was het niet meer zo. Enkhuizen was weer weggezakt, het was weer zoals het altijd gezien werd, je zag alleen de hoge torens en de hoge gebouwen en voor de rest een streep land. Ik liep weer terug richting school en kwam langs het gebouwtje van de waterleiding; ik hoorde de pompen draaien. Mijn broer Flip was hier ook nog beheerder geweest en kreeg de naam ‘Flip van de waterleiding’. Hij had eerst als jongmaatje bij Willem de smid gewerkt en had zijn baas bewerkt om ook autogenisch te gaan lassen. Hierdoor werden de gaatjes in de pannen niet meer met plaatjes dichtgemaakt, maar door de lasmethode. Flip had ook eens een hele mooie hoepel voor mij gemaakt. Onder het lopen dacht ik zo: die Flip pakte toch maar van alles aan. Zo werkte hij ook bij de radiocentrale. Als er wat kapot was bij de slager Jan Woord (Pasterkamp) maakte Flip de zaak weer heel ofaan het draaien. Elektriciteit had voor hem geen geheimen meer en later bij de gemeente werd hem alles op de rug geschoven, ofeigenlijk pakte hij alles op. Burgemeester Schipper zei eens tegen ons: “Die Flippie, die broer van jou, daar is niks te gek voor, die kan alles.” “Nou, alles?” “Ja, alles, wat je ook voor opdracht aan hem geeft, het komt voor elkaar ofhij snort iemand op die hem vertelt hoe ofhet moet.” Ik moest de burgemeester wel gelijk geven. Al heel jong had Flip heel dikke boeken besteld over allerlei ziekten en studeerde

Pagina 72

daarin. Hij had zeker wat genen van zijn ouwe opoe Nele geerfd, want die beoefende de geneeskunst ook. Dokter Vonk zei wel eens tegen een patient: “Vraag het maar eens aan ouwe Neel, misschien weet die er wat op.” Het werk op de ambulance was zijn lust en zijn leven, terwijl hij ondertussen ook nog brandweerman was. Langs het gebouw waar de tankwagen van de A.P.C. gestald was liep ik het huis van Jan Molenaar voorbij en ging de hoogte neer naar de haven. Die hoogte noemden ze later de ‘Staverse hoogte’, maar in den beginne was de naam ‘de hoogte van Jan van Diene’. Hij woonde zelfonder aan de hoogte naast zijn schuur, die voor een gedeelte in het talud van de berg was uitgegraven. Er moest met ruimte gewoekerd worden om woningen te bouwen. Bij storm liep het weide- en hooiland onder water. De huizen in Wijk 6 (waar onder andere mijn vriend Tjalling Kramer in woonde) waren al hoger gebouwd. De oude huisjes ernaast kregen wel eens water binnen. Zo ook op de haven, maar daarover straks. In 1878 werd begonnen met het graven van de Westhaven. Ook werd toen de werfvan de Hakvoorts in de berg uitgegraven. Oostelijk van de werfwerd een grote timmerschuur gebouwd, waar ook nieuwe botters werden gemaakt. Jan van Diene liet bovenop de schuur een huis bouwen, waarin zijn dochter Dientje een winkeltje dreef, terwijl haar man Noordzeevisser was. Om in de winkel te komen moest je een trap op. Wij hebben samen nog in de kamer naast het winkeltje de bruiloft verzorgd van zoon Jelle. Het was niet zo groot, maar toch hadden we wel een gezellige avond. Zoals de gewoonte was hadden we een bruid- en bruidegomsliedje gemaakt, maar vriend Gerssen moest de gasten mededelen dat er geen orgel was om ons te begeleiden bij de zang, dus zouden we het a capella doen. De moeder van de bruidegom ageerde toen ik zei: “Als ze dat nu gezegd hadden, had ik wel een orgeltje laten komen.” Het zou natuurlijk wel een gesjouw geweest zijn de trap op. Onderaan de trap kon je rechtsafeen gangetje door om achter de huizen te komen, maar je moest wel een paar traptreden op. Naar beneden was ik het huisje van Jan van Diene gepasseerd en ik ging rechtsaf. Het klom een beetje en bij de achterkant van het van Diene’s huis was weer een brede trap die naar boven ging. We gaan niet naar boven, maar lopen even door en komen bij het huis waar Marrie Gnodde in woonde en handelde. Zij was getrouwd met Fokke Gnodde, de vader van de Gnodde’s op Urk. Marrie was de directrice van het bedrijfdat tweedehands spullen verhandelde. Hele ameublementen kon je daar kopen. En had je wat anders nodig, dan gafje het aan Marrie op en dan zorgde zij dat het bestelde binnen een paar weken voorhanden was. Fokke drong zich niet zo erg op, maar hield de touwtjes in handen en had het laatste woord. Ze kochten samen in en daarna ging de

Pagina 73

omroeper door het dorp om bekend te maken dat bij Marrie Gnodde weer van alles te koop was. Zo kocht mijn vriend Jo Gerssen daar zijn eerste schoenen om ze als voetbalschoenen te gebruiken. Dit waren, schrik niet, hoge dameslaarsjes die met een veter werden aangeregen aan de voet. Het waren net zulke puntlaarsjes die nu weer in de mode zijn, maar toen van betere kwaliteit. “Je kon zo heerlijk punteren met die laarsjes”, aldus Jo. Marrie had een hele serie overgenomen van een handelaar op het Waterlooplein in Amsterdam en bracht ze op Urk weer aan de man ofvrouw. Persoonlijk snuffelde ik daar ook graag. Eens vond ik een instructieboekje voor Zweedse gymnastiek. Ik vroeg aan Marrie: “Wat moet ik voor dat boekje geven?” want je praatte altijd ‘vreemd’ tegen Marrie. De familie moet maar eens nagaan ofzij van oorsprong wel een Urker vrouw was. Wel liep zij in Urker dracht en haar hulle had altijd zo’n mooie gele kant. Bovendien had zij een mooie bril op, waarvan de glazen in klatergoud monteur gevat waren. Marrie zei: “Wat is dat voor een boekje?” “Nou”, antwoordde ik, “dat is een boekje waarin de mensen allemaal met stokken zwaaien.” Dit eenvoudige antwoord bespaarde mij misschien wel een stuiver, want ze antwoordde: “Geefdan maar twee vierduiten.” De ruimte waar zij die handel dreven was misschien wel een visrokerij geweest, want alles geurde naar rook. Vanuit hun woonhuis keken ze uit op een grote, ouwe schuur, waar misschien wel attributen bestemd voor de vishandel, zoals vaten en netten, waren opgeslagen. Deze schuur werd later door de gemeente gehuurd ofgekocht en ingericht als een ambachtschool. Voor het grootste gedeelte werd het onderwijs daar gegeven op het gebied van staal bewerken. Als hoofd was daar naar ik meen een zekere Siebel, uit de Amsterdamse contreien. Ook Udink, chefbij de E.U.S.M. gafdaar lessen aan mensen die daar onder¬ wijs hebben genoten. Ik weet dat Jacob Post, later machinist bij de boot en nog weer later werkzaam bij Hoekman, daar ook de lessen volgde. Ook een oud-collega bij Klaas van Leendert, Meindert Kaptein. Hij woonde in het begin van de ‘Kalkenstraaf achter Hein Ras. Meindert vond de leraar Siebel een interessante man. Het was een spreekwoord bij ons geworden: “Zeg Kaptein, hak jij even dat moppie ijzer af.” Later werd die schuur afgebroken en maakte Reier Kale daar zijn timmerschuur. Hij bouwde er twee woonhuizen op. Later werden die twee huizen tot een huis gemaakt. Ik loop verder. Weer een schuur waar later Fokke Hoekman zijn oliehandel stichtte en er boven ging wonen. De laatste plaats van bebouwing werd ingenomen door een grote schuur ofhange. Die was stevig gebouwd met in de voorgevel twee grote deuren. Het gebouw had een plat dak. Nu ik dit zo schrijf, denk ik eraan dat dit een gebouw was in eigendom van Jan Brouwer. Later oefende Jakke Ras

Pagina 74

Vele “hoogjes”leidden naar de onderbuurt. hier zijn beroep als vishandelaar en haring- en palingroker uit, nadat hij een tijd op de grote vaart was geweest. Jakke was getrouwd met een dochter uit het kinderrijke gezin van Jan Brouwer. Jan Brouwer zelfwas ook handelaar en bezat een zegen. Hij viste met een aakje op haring en ansjovis, terwijl spiering en garnalen ook tot de stiel behoorden. Jakke was erg trots op zijn kunde van het paling roken. Toen ik in 1936 in hotel Woudenberg werkte, was Jakke de hofleverancier van de gerookte paling, die Hein van Woudenberg zijn gasten voorzette. Het harde broodje uit de bakkerij van Jaawk van Pieter, belegd met de gefileerde paling was een delicatesse die boven het broodje paling van hotel Spaander uit Volendam ging. Achter die schuur was een opslagplaats van olie. Daar was ook de stal van het paard die de oliekar trok voor het bezorgen van petroleum bij de winkeliers. Dit bedrijfrunde Gerrit Snoek en in mijn jongenstijd was Peter van Homme Perenboom de koetsier van de wagen. Ik heb mij altijd afgevraagd; hoe kwam de voorraad olie nu in die tank terecht, werd dit per tankboot aangevoerd? De oude tankwagen waarmee toen de winkeliers werden bediend, staat nu te pronken bij de aanlegplaats van de boot die nu’s zomers de dienst op Enkhuizen uitvoert. Het is niet zo’n grote wagen, maar als hij volgetankt moest worden, was het een hele toer om hem weer naar

Pagina 75

boven te trekken. Ach, die goeie ouwe tijd, toen we nog een-, twee- ofdriepitters gebruikten, ja zelfs vierpitters om ons eten op te koken. Er waren toen ook nog enkele lieden die met zo’n klein, misschien 100 liter tankje, op een handwagen petroleum verkochten om in hun levensonderhoud te voorzien. Bestaat hier nog een foto van? We lopen boven de werfvan Hakvoort langs en moeten oppassen om niet over de draden te vallen waarmee de schepen op de helling worden getrokken. We slaan rechtsaflangs de schuur. Op deze werf heeft mijn vader ook nog gewerkt, samen met Hendrik Gerssen, de vader van mijn vriend Jo Gerssen. Dat moet geweest zijn toen ik nog niet op school ging, want ik herinner me nog duidelijk dat ik met mijn moeder mee ging om mijn vader koffie te brengen. Ze ging dan ook altijd even bij Aole van de toren aan, zo werd de moeder van wijlen Klaas Hakvoort (Klavalli) genoemd. Pieter van de Ellege was getrouwd met Aole en deze was weer familie van mijn moeder. We slaan linksom en gaan over de haven, maar hier moeten we goed uitkijken, want overal liggen materialen en onderdelen. Ook wel complete scheepslieren staan hier opgesteld. In een slalom ga je daar langs. We zijn bij de oude zaak van Hoekman. Voor de wal liggen schepen waaraan gewerkt wordt ofwaar een nieuwe motor in wordt geplaatst. Her is daar altijd gezellig druk. Binnen wordt gesmeed, gezaagd en gedraaid. Helemaal achteraan staat Lowie van Oudenaarden achter de draaibank zijn precieze werk te doen. Onderwijl zingt hij het hoogste lied, boven het knerpen en piepen van de draaibank uit. Vanuit het straatje stapt de oude baas binnen en strompelt bijna over het afstapje. De oude Albert, met zijn typische baadje aan met twee rijen knopen, heeft zijn sigarenpijpje tussen de lippen geklemd met daarin een sigaar. Door de struikeling valt de as op zijn baadje. Hij klopt de as van zijn kleren en dan zegt Lowie: “Maak maar goed schoon baas, want als de vrouw het ziet, is het niet zo best.” “Dat zal zo’n vaart niet lopen, Lowie, het is mijn zondagse baadje niet.” Albert blijft even kijken naar het werk van Lowie, tikt hem even op de schouder en gaat weer verder. In die tijd was hij nog de grote bindende factor van het bedrijf Hoekman en nam hij ook een grote plaats in van de samenleving in het dorp. Er zullen niet zo veel lezers meer zijn die Lowie van Oudenaarden gekend hebben. Lowie heeft een hele tijd op Urk gewerkt in de vooroorlogse tijd bij Hoekman. Hij was een zeer sportiefiemand die uitblonk in schaatsen en voetballen. Ook was hij zeer ingevoerd bij de Urker bevolking, want wie kende Lowie niet. Jarenlang was hij kostganger bij de familie Schraal in het hotel. “Dirkien is m’n mimmie”, zei hij altijd. Hij deed geen inspanning om zich het Urker dialect eigen te maken, maar bleefaltijd zeer goed en netjes Amsterdams spreken. Hij was begiftigd met een goede stem en oefende achter de draaibank.

Pagina 76

Toen er een muziekbandje werd opgericht dat bij de Ober in de kappersruimte repeteerde, werd Lowie de zanger bij deze band. Later trokken de muzikanten nog een dirigent aan. Dit was een Enkhuizer goudsmid, Van Kalken genaamd. Deze Van Kalken heeft ook wel eens als vervanger voor het muziekkorps gestaan. Hij was zeer muzikaal, niet groot van postuur en hij had een goede ingang bij de dorpelingen. Met zijn peper- en zoutkleurige voile haardos en eenzelfde kleur driehoekig sikje beneden de onderlip, zag men hem met van die driftige passen, de tas met spullen onder zijn arm geklemd, zijn klanten bezoeken. Het was een van die figuren, net als Jan Kroeb, die bij de outfit van ons dorp hoorden in die dagen. Dit was even een uitstapje, want we gaan weer verder naar het oosten. Naast de oude zaak van Hoekman was het woonhuis met de hang van Klaas Hakvoort. Klaas was vishandelaar en had misschien nog wat andere dingen onderhanden. Hij was getrouwd met een zuster van Jannetje van Jakob en Hendrik de Vries, fotograaf, suikerhandelaar, agent van de Urkerboot, alsmede verkoper van eieren en, na Kagei, verkoper van gist voor de bakkers, enz. O ja, en ook nog oprichter van een transportbedrijf, wat nu nog floreert. Voor Klaas werden nog in de Zuiderzeetijd garnalen gepeld. Dat gaf een hele drukte. De garnalen werden in de hang gekookt en dan aan de mensen meegegeven naar huis en daar gepeld. Het pit (garnalenvlees) en de doppen werden afzonderlijk terug gebracht naar de hang en het pel loon werd bepaald aan de hand van de hoeveelheid pit die werd terug gebracht en gewogen. Er was soms sprake van oorlogstaferelen als het er om ging een emmer garnalen te bemachtigen, om met het pellen het huishoudbudget enigszins te verhogen. In de tijd dat mijn broer Harm bij Hoekman werkte, werd het pand van Klaas Hakvoort gedeeltelijk door brand verwoest. Het was een hele consternatie, vooral ook omdat de bebouwing zo dicht op elkaar stond (en nog staat). We steken de straat die naar de hoogte van Gerrit Snoek loopt, over en komen voor een huis met een stoep te staan. Op foto nr. 12 uit Urk in oude ansichten deel 2 zien we dat huis met de voorgevel naar de haven staan. Haaks erop is een schuur gebouwd, waar Gerrit Snoek een vishandel in voerde. Ik ben vaak die stoep op gegaan toen ik in dienst was van Klaas van Klaas van Leendert, om daar de winkel te bevoorraden die toen gevoerd werd door Jan van Laar en zijn vrouw. Het schip waar hij toen turfmee aanvoerde lag voor de wal, de schuur diende als opslag voor kolen en turf. Jan van Laar ging de gebroeders Kramer concurrentie aandoen en ging ook in steenkolen handelen. Mij is bekend uit verhalen van mijn grootvader, dat naast de winkel ook een kleine taanderij was. In die tijd waren er veel nettenvissers die hun netten een beurt wilden geven in de taanderij. Op de genoemde foto staat nog de schoorsteen voor het afvoeren

Pagina 77

van de rook. Die winkel van Jan van Laar en Annegien werd later het kantoor van Machinefabriek Hoekman. Mijn vriend Jo Gerssen heeft daar ook nog enige tijd zijn dagen gesleten als boekhoudkundige kracht. Gerrit Snoek had ondertussen zich in andere zaken begeven. Gerrit verzette bijtijds de bakens. Hij werd hoofdvertegenwoordiger van een koffie-, thee- en tabakshandel en persoonlijk werd hij directeur van de Eerste Urker Stoomboot Maatschappij. Hij liet voor zich en zijn gezin midden in de hoogte naar de haven een groot en imposant huis bouwen. Onder dat huis bleefhij trouw aan zijn eerste stiel, nog steeds handel in vis, in de ingegraven schuur. Als jongen van zo’n twaalfjaar kreeg ik daar mijn eerste muziekonderricht door meester Mink. In opdracht van Gerrit Snoek, en ook door hem betaald, gafdeze ons lessen, om wat later in het muziekkorps te kunnen intreden. Dat gebouw onder het huis was het spieringhuisje. Gerrit Snoek had een grote hobby: muziek! Het heeft die man aardig wat geld gekost om die hobby in stand te houden, maar hij verdiende ook wel aardig, want hij was een goede koopman en zeer zakelijk. Later bouwde hij nog een zaaltje boven op het spieringhuisje en ging daar een andere hobby uitvoeren. Langs de muren van het zaaltje stonden allemaal grote aquariums met daarin allerlei soorten tropische vissen. Het was een lust om die te zien, wat ik meermalen deed toen ik in dienst van Gerrit Snoek kwam te staan op de boot. Zijn zoon Iede was een echte radioamateur en bouwde in het kantoor van de directeur een zend- en ontvangststudio, om in moeilijke tijden het contact met de boot te kunnen onderhouden. De installaties op de boot werden natuurlijk ook door Iede gebouwd. Ik mocht een keer het geluk hebben om met Iede naar zijn woning in Leiden te gaan om daar zijn grote hobby als amateur radiozender te aanschouwen en te beleven. Op de onmogelijkste uren was hij in gesprek en wisselde hij berichten en gegevens met lieden op een heel andere plek op aarde. Dit was even een zijsprongetje. We waren even midden op de hoogte van Gerrit Snoek. Boven aan die hoogte woonde Sjoerdje en recht voor die hoogte was het huis van Albert Hoekman. We gaan weer verder. Als we linksafgaan dan komen we bij die hoogte van Jelle de slager, maar dat doen we niet, we blijven langs de haven gaan. We passeren dan een ruim, vierkant plein, onbestraat, en het eerste huis dat we dan zien is dat van de Urker karpoezenmaker. Hier woonde Albert van Ede. Naar de haven toe hadden ze een mooie gevel met vrij uitzicht naar zee, maar aan de achterkant waren ze wat ingebouwd door de zeilmakerij van Jelle van Evertjen. Ik meende al eens verteld te hebben, dat ik in 1953 op Schouwen Duiveland een ingenieur heb ontmoet, die een karpoets droeg die hij gekocht had bij Albert van Ede tijdens een bezoek aan Urk. Willem Kroon was getrouwd met een dochter van

Pagina 78

Albert van Ede. De oudste zoon van Willem Kroon werd naar de karpoezenmaker vernoemd en heette dus ook Albert. Evenals zijn grootvader werd die Albert ook Hervormd. Als ik Albert nog eens spreek, moet ik toch aan hem vragen ofhij ook Hervormd gedoopt is, ofdat hij later, onder invloed van zijn grootvader, overgegaan is. De oudste dochter Harmpje trouwde later met Jelle Ekkelenkamp, een oude makker van de Jongelingsvereniging ‘Obadja’. Jelle is nog een tijdje schilder geweest bij de E.U.S.M., dus een collega in de tijd voor de oorlog. Toen Jelle en Harmpje daar woonden, rookte Jelle er de heerlijkste palingen en ook wel eens een scharretje ofeen poon. Zijn vakmanschap op dit gebied lag hoog. Ik meen dat tijdens mijn schooltijd naast Albert van Ede een broer van de Pieterman woonde, een jongere broer van Jelle Bakker. Zij begonnen daar hun huwelijk en kregen negen kinderen. Riekelt was goed van de tongriem gesneden, evenals zijn oudste broer Jelle. Op de foto van de demonstratie tegen de inpoldering heb ik hem niet kunnen ontdekken. Dit was een dubbel huis, niet zo groot, maar er woonden twee gezinnen in. Aan de kant van Albert van Ede woonde Abbesien. Na de familie Bakker kwam in dat huis Gerrit van Louwe te wonen. Ik mijn tijd van de boot ontmoette ik Gerrit vaak met zijn bemanning op weg naar Urk. De Urker vissers lieten hun schepen in IJmuiden liggen en charterden dan een bus naar Enkhuizen om met

Woningfamilie Van Beckhoven (links).
Pagina 79

de boot huiswaarts te keren. Als ik aan die tijd denk, zie ik altijd nog dat vrolijke, open gezicht van Gerrit voor mij. Zijn karpoets droeg hij wat achterover, zodat zijn blonde krullen er onderuit kwamen. Zijn blauwe ogen lachten altijd. Als hij bij de boot kwam, was het eerste wat hij zei: “Ei je et bekkien al gaorJan?” Toen kwam die verschrikkelijke dag in de oorlog. Gerrit met zijn bemanning en een toezicht houdende Duitse soldaat kwamen om door een mijn. Als bemanning was daar bij een schoolkameraad, Sjoerd van Breggien en zijn broer Jurrie. Dat gebeuren bracht mij er toe om later een liedje te schrijven met als titel: ‘Een kleine jongen droomde’, dat bij de uitvoering van het stuk ‘Van Zuiderzee tot Ijsselmeer’ werd gezongen. We passeren een gang en we komen terecht bij de smederij van Klaas Romkes. Om in de smederij te komen moeten we in de gang een treetje opstappen om binnen te komen. De smederij lag wat hoger, evenals de huizen ernaast, om bij hoog water droog te blijven als de havenkade onderliep. Achter de smederij lag de winkel en daar weer achter het woonhuis dat naar het westen was uitgebouwd. Klaas Romkes heette in de volksmond Klaos de smid. Het was een verrukkelijk gezicht om die wat lange man in het Urks gekleed met zijn zeildoeken voorschoot aan, de hoed op, zijn ijzer te zien smeden. Klaos had een gelijkmatig humeur en was altijd bereid om een bandje om je klomp te maken ofje kapotte hoepel voor twee centen weer aan elkaar te smeden. Klaos was de enige hoefsmid. De trekpaarden kregen van hem nieuwe hoeven en die werden in de wintertijd op scherp gezet. In de winkel kon je toen al heel wat doe-het-zelfartikelen kopen. Spijkers in alle maten waren voorhanden evenals moeren, bouten, houtschroeven, hamers, beitels, enz. enz. als er wat nieuws was op dit gebied schafte Klaos het aan. Zijn dochter en zijn vrouw waren de verkopers in de winkel. Mijn broer Flip lag op een lijn met Klaos, diende hem van advies en knapte klusjes voor hem op op het gebied van autogenisch lassen. Een altijd opgeruimde man en een voorbeeldig diaken. Ik heb zelden een ouderpaar in korte tijd zo ouder zien worden dan zij, toen hun enige zoon, die opvolger zou worden, na een korte, ernstige ziekte overleed. Maar het leven ging door en misschien ook wel door de plannen die zijn zoon had met de zaak, werd het assortiment artikelen voor de doe-hetzelver steeds verder uitgebreid. Hele rollen asfaltpapier waren aanwezig alsmede gaas voor het kippenhok. Een teil en een emmer kon je er ook kopen. Als je wat hebben moest ging je naar Klaos de smid. Er was nog een andere smid die Klaos heette, dat was Klaas Nentjes. Er was ook een Willem de smid in de Torenstraat, maar dat was Willem van Broer. We gaan weer naar de haven. Het is wat rommelig voor de smederij. Er liggen wat visborden die gerepareerd moeten worden. Naast de smederij weer een schuur. Volgens vriend Jo Gerssen

Pagina 80

heeft in deze schuur de latere slagerij Bos een viszouterij gehad. Ofhij gelijktijdig ook zijn stiel als zeilmaker uitoefende is mij niet bekend. In het verlengde van deze schuur, met een gespaarde ruimte waardoor de winkel van Klaos de smid wat licht ontving, was weer een schuur waarvan ik vermoed dat hij van Klaas van Hessel was. In deze schuur heb ik persoonlijk gezorgd voor het grootbrengen van kalveren, als de ruimte in de boerderij bezet was door ander vee. Ook Klaas van Meindert Kramer deed in vis, en gebruikte deze schuur voor het grootbrengen van varkens. In die tijd ging ieder die wat centen omhanden had in de vis, vooral de lucratieve handel in ansjovis werd door velen beoefend. Op een foto, genomen onder aan de hoogte van Jan van Diene, staan vier Urker vrouwen random een tafel bezig aan het koppen van ansjovis. Goedkeurend ziet Meindert Hakvoort (van Flerik) toe. Achter de vrouwen staat Tiemen van Jelle van Tiemen, terwijl geleund tegen de schuur van Jan Brouwer, Klaas van Meindert Kramer met een vaatje waarin de gezouten ansjovis werd gedaan, naar het vogeltje van de fotograafkijkt. De Urker middenstand had veel belangstelling voor de vishandel. Misschien kregen de varkens wel de kop en de ingewanden van de ansjovis op te peuzelen. Dit is een foto op bladzijde 16 van het boek ‘Omzwervingen langs de oude Zuiderzee’ van Wim Kuyper. We zijn weer op de Westhavenkade, het huis naast de schuur is nog betrekkelijk nieuw. Een korte ‘hange’ met daarboven een woonhuis van de eigenaar. Je moest eerst een stoepje op dat voor de gevel was geprojecteerd en dan kwam er een halletje met de trap naar boven. Hier was het woonhuis van Albert van Inte (Hakvoort), van professie vishandelaar. Vaak heb ik een fles rijstepap naar boven gesjouwd en afgerekend met Boukje, de vrouw van Albert. Het was een schat van een mens, met van die rode blosjes op haar wangen. Een Urker zou zeggen: “D’r kwam gien onvertogen woord over d’r lippen.” Albert was van een heel ander uitgave, niet van humor ontbloot, goed van tongriem gesneden en hij behoorde lange tijd tot de notabelen van de gemeente Urk. Vaak was hij heel bijzonder in de uitmonstering van zijn Urker kleding. Zijn broekstukken waren groot en prachtig bewerkt. Ik vermoed dat ze uit Zeeland kwamen. Hij had ook een paar Urker schoenen met zilveren gespen er op. Een gezegde van hem, tot nu toe bewaard gebleven, luidde: “Man, ouw op, ’t is een kollezeutjen.” Albert had lang een zetel in de gemeenteraad voor zijn eenmanspartij. Als er stemming was voor de gemeenteraad, stonden de te kiezen raadsleden voor het gemeentehuis om hun kiezers voor het laatst nog wat op te warmen. Albert kende zijn pappenheimers en zei dan: “Je wieten zieker wie je kiezen moeten ih?” Op verenigingsgebied stond hij ook zijn mannetje. Organiseren zat hem in het bloed. Lange tijd was hij lid van het Oranjecomite,

Pagina 81

de IJsclub en organisator van schaatswedstrijden. Als er een Sinterklaas moest komen, stapte Albert in het comite. Voordeel bracht hem dat niet, het kostte hem altijd geld, al die ontspanning voor zijn dorpsgenoten. De jongste zoon Pieter heeft de handel van zijn vader voortgezet. De oudste zoon, Klaas, had heel andere ideeen naast de vis. Zo zette hij een kappersbedrijfop, zonder zelf daarvoor de bekwaamheid te bezitten. Daarover een volgende keer. In het grote pand dat Willem de Boer zette in Wijk 7, waar hij ging wonen en waar hij ook zijn timmerwerkplaats had, had hij links van zijn woning een voor die tijd groot winkelpand onder dezelfde kap. In een vleugeltje van die winkel zette Klaas Hakvoort een kapperszaak op. Hij scharrelde een werkloze kapper op, die dan de haren kortte en fatsoeneerde en de baarden afschoor. Als het druk was, hanteerde Klaas wel eens de scheerkwast om in te zepen. De zaak had geen bestaansrecht. De kapper kwam bij Jan de Wit in dienst, trouwde met een Urker meisje en ging later naar Canada met vrouw en kroost. Klaas bleef onrustig, had ideeen uit te voeren. Zo kwam er met steun van de burgemeester Keijzer een nestfabriek om uit de afval van vis een kostbare olie te winnen. Garnalen drogen gafeen penetrante lucht, maar deze nestfabriek sloeg alles op het gebied van een onaangename stank. Toen alles nog werkte, schreefik samen met Jelle Koffeman (van Geert van Iede) een zogenaamd historisch stuk over Urk. Urk was Urekwe, de nestfabriek was een reukwaterfabriek en die was gesticht door ridder Claus Jelio de Nestelroy, in samenwerking met de keizer van Urekwe. Het hele gebeuren van de nestbehandeling liep ook op niets uit en wij waren van de stank bevrijd. Zou Albert toen wel eens gezegd hebben: “Man, skei eut, et is een kollezeutjen?” Op veel oude foto’s, als het maar even met vis ofhaven te maken heeft, komt het konterfeitsel van Albert nog voor. Hij droeg geen karpoets, maar altijd een vilthoed. In zijn jonge tijd heeft hij wel een karpoets gedragen en ook als hij in de winterkou schaatswedstrijden organiseerde. Dan was het lamsvel over de oren getrokken. Maar later werd hij meest met een hoed gezien. Een man die zijn stempel op de samenleving drukte. Met zijn ontwapenende lach van dat doorgroefde gelaat nam hij iedereen voor zich in. Dat was Albert van Inte. Naast het bedrijfvan Albert van Inte staat weer een grote schuur, deze was van Jan Brouwer, in de volksmond genoemd Jan Spek. De hoogte waar het geboortehuis van vriend Jo Gerssen staat, heette dan ook ‘de oogte van Jan Spek’. Op de grote schuur waren woningen gebouwd, waar ook mijn schoonouders hebben gewoond. In de Gereformeerde kerk, en ook in het Kerkje aan de zee waren galerijen of gaanderijen, maar die werden ‘kraken’ genoemd. Zo woonden ook de burgers die boven die schuur van Jan Brouwer ‘op de kraak’ een naam die gewoon

Pagina 82

ingeburgerd was. Een dochter van Jan Brouwer woonde ook op de kraak in vroegere tijden. Ook ik moest de trap beklimmen die naast het huis van Keetje van Geert van Louw begon, om de melkklanten te bedienen. Ook Kee van Hendrikus behoorde tot onze klantenkring. Dit alles was in het straatje achter de havenkade, waar verderop terug ook het huisje van de vader en moeder van Dubbele Nentjes, de vishandelaar, stond. Een ouderwets kroegje, waar Vermouth en Cora-wijn de sterkste alcoholhoudende dranken waren. Terwijl de Volendammers die daar kwamen graag een flesje stoutbier verorberden. We gaan weer terug naar de schuur op de haven. In de stille tijd stond hij volgepakt met vaten en lag ook de zegen er opgeslagen. Zijn zoon Albert Brouwer, de slager, was in die tijd weer de voorman van de zegenaarsploeg van vader Jan Brouwer. Slaan we linksom, dan lopen we tegen een woonhuisje aan dat vastgeplakt stond tegen een haaks opstaande schuur, ook al van Jan Brouwer. In die schuur was het ook allemaal vis wat de klok sloeg. Later ging Douwe Gnodde hier wonen en handelen, nadat hij eerst in het witte huisje achter het kerkhofhad gewoond. Ook hier waren Douwe en Jannetje in de handel; gerookte haring, spekbokking, zure haring, sardientjes in het zuur, ja wat niet al op visgebied. En dat alles in dat kleine winkeltje. De Gnodde’s zat de handel in het bloed. Hun moeder had hun dat doorgegeven. In de winkel op de haven werd er geen vis meer verkocht, maar werd op dezelfde voet als Jan Brouwer doorgegaan en nog wat uitgebreid. Er kwamen moderne materialen voor de visserman. Douwe zag in de groothandel brood en werd voor vishandelaren van buiten Urk de koopagent. Hij deed ook wel selfsupporting en besteedde het bewerken van de vis uit. Ook van Douwe kon gezegd worden dat het een selfmade figuur was. Hij was welbespraakt en dong samen met Klaas Kofifeman naar een zetel in de raad. Daar kwam hij ook wel in, maar voor de A.R. partij. Zijn wilde haren was hij kwijt. Het gezin van Douwe en Jannetje werd zwaar getroffen door het verdrinken van een zoon en het verlies van een dochter, die door hersenvliesontsteking in korte tijd werd geveld. We hadden het over Douwe en Jannetje Gnodde. In het laatst van de oorlog kwam er een bleekneus bij hun in huis. Die is hun trouw gebleven en niet meer terug gegaan. Het is een echte Urker geworden, dat wil zeggen trouw aan zijn familie, want Douwe en Jannetje waren voor hem een vader en een moeder. Douwe heeft de Gereformeerde kerk jarenlang in het ambt van ouderling gediend. De afslag werd verplaatst naar de Oosthaven en ook door Douwe werd aan die haven een nieuw pand betrokken. In gedachten zie ik Douwe nog lopen met een grote oranje kokarde op als lid van het Oranjecomite. Ja, ook zo’n figuur die in de tijd dat hij onder ons was een prominente plaats innam. Toen wij in 1943 uit

Pagina 83

het kamp Amersfoort vrij kwamen, moest Urk hiervan weten. “Wie moeten we nu bellen?” vroeg ik aan Johannes van Slooten. “Wie anders dan Douwe Gnodde, dat nummer weet ik alleen.” Douwe werd gebeld en Douwe zorgde voor de rest, zodat het bolletje gereed lag in Enkhuizen. Ja, dat vraag ik me thans nog af: “Wie anders dan Douwe Gnodde?” Als we bij de schuur zijn is verderop een afgescheiden gedeelte onderaan de hoogte, waar de gebroeders Snijder op vrijdag en zaterdag het beroep van nettentaander uitoefenden. Hendrik en Teunis waren ook zeilmakers van beroep. Boven aan de hoogte woonde de vader van de Snijders. Deze vader droeg bij zijn Urker kostuum geen karpoets ofhoed, maar een klein zwart petje met ook weer zo’n glimmend zwarte klep. Ook de zoons Teunis en Hendrik droegen door de week zo’n petje, dat door de Urkers ‘drokpetje’ werd genoemd. Teunis droeg zondags een hoed, een zogenaamde flambard, maar Hendrik bleefook zondags zijn drokpetje trouw, alhoewel die dan van een betere en mooiere kwaliteit was en waarvan de klep nog meer glom. Dat verschillende families in hetzelfde werk bleven mag blijken uit het feit dat schuin terug ook een taanderij was gevestigd. Hier waren Lukas Snijder en vader Snijder druk doende om de netten en viskuilen onder te dompelen in het bruine spul dat we caoutchouc (spreek uit: kaoetsjoek) noemden. Stel je voor, die walmende ketels en de rook van het vuur daaronder. En ook daar nog bij het roken van de paling uit de rokerij van Jan Brouwer. Dat verhinderde niet dat de vader van Lukas onder alle werkzaamheden zijn kromme pijpje in zijn bijna tandloze mond bleefklemmen. Lukas, in burgermanskleding, was liefhebber van een goede sigaar. Ook deze vader en zoon beoefenden het zeilmakersvak op de verdieping van de schuur en keken zo door de ramen op de haven. Toen vader Snijder zijn rust nam, werd Jan Bos, de broer van slager Bos, zijn medewerker. Ik kwam graag op de zeilmakerij. Toen later mijn zoons een zeilkano bouwden, moest daar natuurlijk ook een zeil bij komen. Besloten werd om op Urk daar trachten aan te komen. Met de oudste zoon gingen we naar Lukas toe en maakten daar een praatje, maar roerden het onderwerp ‘zeil’ niet aan. Maar de zoon had dat geduld niet, want met de tekening van het zeil in de hand stootte hij me steeds aan met de bedoeling dat ik erover beginnen zou natuurlijk. Lukas had dat in de gaten en lachend zei hij: “Ik geloofdat je een probleem eawen.” “Nou Lukes jonge, dat is ok zo” antwoordde ik, “ze eawen een zealkano emaakt, ik eaw vor out erzurgd in zului eawen al m’n beatels stomp emaakt, maar de kano is klaor.” Toen zag Chris zijn kans schoon en zei in goed Urks: “In nou moeten we nog een zeal eawen, kiek, ier eaw ik de teakening.” Lukas bestudeerde die en zei: “Nou, dat is een iele klus, maar van gewoen zealdoek is dat vast te zwaor vor die kano.” Chris zakt

Pagina 84

een beetje in elkaar. Lukas zag dat, draaide zich om naarJan Bos en zei: “Wat dink jie daor van Jan?” “Ja”, zei Jan “daor moeten we wat angers op zien te venen.” “Dat docht ik ok”, zei Lukas, “eawen we nog niet een stukkien leggen waor wij die zunnetint van emaakt eawen?” “Jie zeggen et”, zei Jan, “in ik docht er an.” Het gezicht van Chris klaarde op. “Nou Jan”, zei Lukas, “kiek ofje et venen kunen.” “Dat oeft niet”, zei Jan, “ik eaw et gister nog in m’n anen ad.” “Nou, dan is et vor nkanger”, zei Lukas tegen Chris, “giefdat papiertjen an Jan, want ij zal et wel maken moeten.” Het slot van het liedje was, dat we opgetogen de zeilmakerij verlieten met de belofte dat, als we met een week of vier terug zouden komen, het zeil klaar zou zijn. En dat was ook zo, en nog voor weinig geld ook.

Terwijl ik zo aan het schrijven was had ik vriend Jo Gerssen op de lijn genomen ofik het allemaal wel goed had met die huizen, bedrijven en schuren. Zijn informeren naar wie ofnu voor Jan van Laar in dat winkeltje op de Westhaven had gewoond, was niet met succes bekroond. Maar om duidelijkheid te krijgen over het gedeelte van de smederij van Klaos de smid (naar de oude afslag) was hij te rade gegaan bij een dochter van Klaos de smid, Alie. Enthousiast belde hij mij zijn onderzoeksresultaten met veel informatie door, waaruit bleek dat Alie nog veel wist van het buurtje waarin zij was opgegroeid. In grote lijnen was het traceren van de gebouwen en de werkplaatsen door ons goed gedaan, maar bovenal wist Alie wie ofer voor Jan van Laar in dat winkeltje woonde en handelde. Dit was voor ons een volkomen verrassing en die hadden we daar nooit in gedacht. Het waren namelijk Bonsien en haar man, dus de ouders van Luut van Bonsien hadden daar een bedoenigje voordat Bonsien op de Botermarkt ging wonen achter gebouw Samuel. Interessant was ook dat Alie vertelde dat de winkel van Klaos de smid, waar wij onze spijkers kochten, eerst de smederij was geweest. Later werd het smederijtje voor de winkel gebouwd. Aan al deze zaken merken we dat de Urker economie in die dagen geent was op vis en wat dies meer zij. Jan Brouwer was in de dagen een grote op het gebied van

Pagina 85

Aanlegsteiger van de Urkerboten.

het handelen in vis maar ook van het in bezit hebben van woningen. Waar later dan Douwe Gnodde in dat winkeltje op de haven woonde, voer ookJan Brouwer die stiel uit in de verkoop van allerhande artikelen op het gebied van de visserij alsmede op de bevoorrading van schepen. We kunnen vanafhet pleintje de taanderijen via twee wegen terug naar de haven. We nemen het pad waarover vroeger vriend Gerssen en trawanten met de slee in een grote vaart vanafde hoogte naar beneden suisden. Er was veel stuurmanskracht voor nodig om niet tegen het huisje van Derkien van Inte aan te razen. Linksafwas de weg te moeilijk, alhoewel die ook wel eens werd genomen. Linksafkwam je voorbij het tehuis van Hulp en Steun, waar ook de vletten van de gelijknamige vereniging waren ondergebracht die in de winter onze verbindingen met de vast wal moesten gaande houden. Vanafde deuren naar de haven was nog een steil ‘hogien’ om de ijsvlet makkelijker in het water ofop het ijs te krijgen. Langs de kade was een gedeelte van de oever verlaagd en dat liep schuin op tot de straat hoogte. In normale tijden lagen daar dikke planken om de straat hoogte weer gewoon door te laten lopen. Naast het huisje van Derkien van Inte stond een huis waar in mijn jonge tijd Hendrik Romkes (‘Zeezicht’) met zijn tweede vrouw, Kee Romkes woonde, een zuster van Klaas van Leenderts zonen. Met Hendrik Romkes heb ik op de boot gevaren en zijn zoon Klaas, van zijn

Pagina 86

eerste vrouw (een dochter van Jan Brouwer) zat bij mij op school. Dat huis was oud Zeezicht van Jan Brouwer. Wij noemden het later ‘Hotel Zeezicht’, want op de verdieping waren veel kamers. Veel Zuiderzeewerkers zijn er in de kost geweest in de dertiger jaren. Later verkocht Hendrik het hele spul aan Klaas Jelle Koffeman en werd de zaak wat levendiger. Hendrik liet een nieuw huis bouwen door Reier Kale, maar hij bleefin de buurt, want het huis werd gezet boven aan de hoogte van Jelle de slager. Op Urk hadden we nog nooit zo’n puntdak gezien, maar Hendrik en Kee hoefden niet ver te lopen naar de kerk; de straat oversteken en dan konden ze zo de bewaarschool in. Nu we toch boven zijn, dit huis was het eerste dat een stukje van het grasland, daar aanwezig, afbrak. Als het gras wat hoog werd, gebeurde het dat wat koeien daar midden in het dorp graasden. Dit was ook zo bij het stuk grasland langs de hoogte tot de hoogte van Gerrit Snoek, dan naar beneden en dan rechtsaftot aan het huis van Jelle de slager. Ook op deze grasvlakte graasden wel eens koeien en deze beesten konden zich goed staande houden op de schuine gedeelten. Ze hadden echter geen koeienbellen om, zoals in Oostenrijk en Zwitserland. We gaan weer terug naar hotel Zeezicht. Daar heb ik persoonlijk niet zulke prettige herinneringen aan, want in 1943 werden we vandaar uit op het voor de kade liggende Waffenschip gedropt en afgevoerd naar Amersfoort. Als ik daar nog aan denk, zie ik nog het verschrikte gezicht van Klaas Jelle, toen dorpsgenoten van hem werden meegenomen. Die zondag vroeg hij aan mij: “Ei je soms dorst Jan?” Maar voordat ik kon antwoorden, werd hij afgeblaft door een Duitser en als een hond naar de hoek gedreven. We gaan verder en belanden dan bij twee gebouwen die in eigendom waren van een broer van mijn opa. Het was de oudste zoon van mijn overgrootvader Harm Hendrik ten Napel. Deze zoon Jacob ten Napel was op 18-8-1846 geboren in Stad-Vollenhove. Hij was vijfjaar ouder dan mijn grootvader Philippus. Jacob en mijn grootvader gingen in de aannemerij, vishandel en zouterij, en later werd Jacob ook nog gemeente opzichter. Jacob ten Napel trouwde op 12-2-1886, hij was toen veertig jaar, met de tien jaar jongere Pietertje Woord. Uit dit huwelijk werd een dochter geboren op 2-12-1889. Haar naam was Jentje ten Napel, die op 10-4-1914 trouwde met Jacob Bakker, die een jaar ouder was dan Jentje. Dit waren de moeder en de vader van Hiske en de vroeg overleden Pietje Bakker. Juun Schrijver trouwde later met Hiske Bakker. Jacob en zijn vrouw Pietertje woonden op Wijk 1 no. 36. Die Jacob had tot zijn veertigste jaar hard gewerkt en was voor die tijd al een man in bonus geworden. Hij was eigenaar van een grote hang en samen met eigenaar P. de Rook, zoals hij toen werd aangegeven, uit Lemmer, van de zouterij, waarvan later een gedeelte werd

Pagina 87

verbouwd tot afslag. Die verkoop gebeurde pas in 1911, terwijl in 1905 al begonnen was met het stichten van de eerste gemeentelijke visafslag. Achter die tot visafslag verbouwde zouterij was nog een ruimte, waar later de Visserijcooperatie haar eerste verkooppunt van touw, olie en andere visserijbenodigdheden stichtte. De bekende Sjoertje was daar de beheerder en vanuit de donkerte van de schuur werd de smeerolie aan de klanten rondgebracht plus de pakken poetskatoen. De beheerder sjouwde over de haven met een kruiwagen met spullen voor de Cooperatieklanten. Het uiterste noordelijke uiteinde van die schuur was een woonhuis met aan de kant van de ruimte tussen de schuur en het afscheidingshek van de werfvan de Roosjes, voor dat huis langs een groen hekje. Ook de officiele voordeur was aan de kant van de werf. Maar meestal werd gebruikt gemaakt van de zij-ingang. Zo lang ik daar melk en pap heb bezorgd bij Hermina ten Napel, ben ik altijd door de achteringang van de zouterij gegaan, naast de later visafslag, naar tutte Miene, zoals ze genoemd werd. Hermina te Napel was een dochter van een oudere broer van mijn grootvader Philippus ten Napel. Zij was geboren op 10-5-1893 en overleed in 1946 op ruim 53-jarige leeftijd. Zij trouwde op 13-2-1917 metTeunis Brouwer. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren, maar zij had en heeft wel de zorg voor haar vader Hendrikus op zich genomen, tot hij door de dood op 91-jarige leeftijd werd weggenomen op 11-9-1940. Nu we toch bij de achteringang van de zouterij zijn gekomen en daar binnen gaan, staan we in een ruimte waar de vishandel van Bakker en Gerssen zetelde. Jacob Bakker had met het trouwen van Jentje ten Napel een goudvis aan de haak geslagen. Zij was de enige dochter van Jacob ten Napel en ook zijn erfgenaam. Harm Gerssen, zoon van Lambertus Gerssen en Geertje ten Napel, die na mijn grootvader Philippus op Urk was geboren, was de eerste echte Ten Napel die op Urk was geboren en zich dus een echte Urker mocht noemen. De zonen, die uit het huwelijk van de kleine koster, Lambertus Gerssen en Geertje ten Napel zijn geboren, onderscheidden zich allemaal als goede vaklieden op het gebied van timmeren en metselen. Vroeger was het namelijk gewoon, dat een timmerman ook een goede metselaar was. Zij hadden alien de goede ondergrond van hun vader meegekregen en geleerd. Om een voorbeeld te noemen: de vader van vriend Jo Gerssen kon zich veroorloven om zowel in de huizenbouw, timmeren en metselen alsook in de scheepsbouw en later nog als mast- en blokmaker zijn mannetje te staan. Tegenwoordig zouden we dit all-round noemen. Van Jacob Bakker is bekend dat zijn oorspronkelijke metier in de vishandel lag. Misschien werkte hij wel bij zijn latere schoonvader Jacob ten Napel, waarvan wij weten dat deze in de aannemerij zat. De kleine Harm Gerssen, die zich goed wist te

Pagina 88
Pagina 89
Timmerschuur in bet oude dorp.

verkopen en een dochter van DE Pieter Keuter trouwde, in die dagen een invloedrijk man op Urk. Deze Harm ging met Jacob Bakker in zee. Zij stichtten de vishandel Bakker en Gerssen in het gebouw naast de eerste Urker visafslag. Harm wilde zijn echte beroep niet verloochenen en daarom stichtten zij samen ook het aannemersbedrijfBakker en Gerssen; ze namen rijkswerken op Urk en Marken aan. Waar je allemaal al niet op komt als je over die oude gebouwen gaat schrijven. Er beginnen dan weer mensen voor je te leven die je terug voeren naar die tijd van zo’n 65 jaar terug. Ik verlaat het huisje van Hermina ten Napel, die voor haar vader moest zorgen, maar ga niet het ‘ogien’ op langs de zeilmakerij, want daar boven op dat ‘ogien’ stond, voorzover ik het weet het urinoir. Als kleine jongen, wiens reukzenuwen nog niet bedorven waren, vond ik die plaats zo’n penetrante geur van sterke ammoniak afgeven, dat ik een andere weg koos over de werfvan de gebroeders Roos. Tegenwoordig zou men het werkterrein beter afsluiten, maar toen vond men dat je niet behoefde om te lopen als je toch op de haven moest blijven. Ik stak dus ook het werfterrein in de breedte over. Er waren drie broeders Roos. Twee woonden er met hun oude moeder in het huis naast de winkel van de Ober. Zij hadden de Urker dracht aangenomen. De derde broer woonde in het huis bij de werfen deze droeg de burgermans broek met klap en een buis ofkiel, zoals ook mijn vader op zijn werk placht te dragen. De twee Urker Rozen bleven ongetrouwd, maar de ‘burger’ Roos was getrouwd en gewon alleen maar dochters. Een zuster van die Rozen was getrouwd met Johannes Verhoeff de vader van de latere bakker, wethouder en slaatjesmaker Albert Verhoeff. Zo kwam het ook dat later een ander zoon, Arie, als kleine jongen op de werfvan zijn ooms terechtkwam en na de terugval van de werfactiviteiten als concierge van het gemeentehuis door het leven ging. De naam Roos, van de werf, is niet meer onder ons genoemd, omdat opvolging ontbrak. Ik weet niet ofTiemen Roos en Teunis Roos van het ziekenfonds kort bij deze ‘werfrozen’ in de ‘pollemetaosie’ zat. Wat ik wel nog weet is, dat de zuster van de ‘werfrozen’, die schuin achter ons woonde, elke dag het eten verzorgde voor de twee broeders en de oude moeder in de Prins Hendrikstraat. Tegen een uur’s middags kwam zij door het ‘ginkien’ naast ons huis, ging de Zegenaarshoogte op, kruiste het latere Harmen Vissersplein en ging dan achterom naar binnen. De grootste van die twee broers waste altijd de vaat weer schoon. Hij gooide de overgebleven kruimkes van de tafel onder een boom in de Prins Hendrikstraat voor de mussen. Ja, dat stukje nostalgie is verdwenen. Ik voel het nu zo aan ofdat ik toen al, toen ik die brede, zwarte, gekoolteerde deur achter mij liet vallen, de hele werfsloot. Die werf, die zo voor de opening van de haven lag waar ze het zeegat uittrok-

Pagina 90

ken. Hier, op deze werf, had ‘Appien van d’ ellege’ ook nog wel eens gewerkt; trouwens die had zijn krachten aan alle drie de werven gegeven. Rechts van mij staat de grote schuur, de boet noemden ze dat, waar, voor Lub van Jan van Bubbe, een grote hotter werd gebouwd om mee te vissen op de Noordzee. Ik passeer dan links een aardig breed ginkien. In dat ginkien was de keukendeur van het huis waar juffrouw Jantje met haar dochter Lies en haar moeder woonde. Het was voor die tijd een betrekkelijk moderne woning met een erker. Dan konden ze nog eens opzij kijken want recht vooruit keek je tegen de boet aan. Jansje, de oude moeder, was de eerstgeboren dochter van mijn overgrootvader Harm Hendrik. Toen ik daar voor de eerste maal met de karnemelksepap aan de deur kwam, vroeg de oude Jans: “Van wie is dat een jongen die daar aan de deur staat?” Juffrouw Jantje gafals antwoord: “dat is de jongste zoon van Jan van je broer Flip.” “Zo”, zei de oude Jans, “dan hoeft die jongen toch niet bij de deur te blijven staan?” Familie laat je binnen. Ja, zo ging dat vroeger. Achter dit huis stond het huis van de familie Willem Kroeze. Naast het huis van juffrouw Jantje heeft, voordat de familie Nentjes daar is gaan wonen, de latere slager Bos het beroep van zeilmaker uitgeoefend. Ik sla linksaf, want het is al aardig laat geworden en we moeten eten, mijn vader had schaft van 1 tot 2 uur. Ik ren een beetje, boven aan de hoogte naar rechts. Bij het huis van Harm Gerssen ga ik weer wat links naar boven en ga langs de schuur van de gebroeders Kramer, de steenkoolhandelaren, het glop door tussen RoelofSpijker de bakker en Roelfien, loop rechtuit langs het postkantoor naar de straat langs Jan van Albino, ga naar benenden en kom dan thuis. Gelukkig ben ik op tijd, want ik had veel te kijken; op de haven was altijd wat te doen.

Pagina 91

iins vragen er mensen aan mij: “ Oe koem jie an al die stukkies?” Anderen zeggen weer: “Jie moeten een ge-ugen eawen as een ezeren pot.” Nou, laat ik maar zeggen, het is van alles wat. Neem nu het onderwerp dat we nu onder handen nemen. De aanleiding hiervoor was een artikel in ‘Het Urkerland’ van 1 augustus j.l. Het ging over het scheepsdmmerbedrijfde Flux. Nu gaat het niet over de Flux, maar meer om de mensen die verder op de foto staan, waar mijn geheugen een prik van kreeg, namelijk de naam Piet Kiefte. Ik bekeek de foto van Piet Kiefte goed en dacht: maar dit is niet de Piet Kiefte uit mijn jeugd, niet de Piet Kiefte waar Klaas van Dokkum mij wel eens over schrijft. Ik zag op de foto drie mannen staan en die hadden allemaal bruine ogen. Ik las: zoon Harm, de Flux en vader Piet Kiefte. Toen ik ‘zoon Harm’ las, was ik eruit. Deze Piet Kiefte was natuurlijk een zoon van Harm Kiefte en die Harm heb ik heel goed gekend. De Harm op de foto is naar goed gebruik naar zijn grootvader vernoemd en de Piet op die foto is weer vernoemd naar een broer van vader Harm. Hebben we het allemaal? En toen rolden mijn gedachten voort en komt nu de rest. Ten oosten van de oude werfvan Metz woonde toen de enige Kiefte die wij op Urk hadden. Zijn naam was Hendrik jan Kiefte en op Urk werd dat al gauw ‘de Kiefte’. Aan zijn dialect vermoed ik dat hij uit de buurt van Vollenhove kwam. Hij was getrouwd met Jeltje en dat werd al gauw Jeltje de Kiefte. Haar oude vader, een Zuiderzeevisser, was bij ze ingetrokken. Hendrik Jan heeft ook op de grote vaart een tijd zijn boterham verdiend. Zij gewonnen drie zonen en en dochter, Geesje, de jongste. Erg breed hadden ze het niet, maar wie had het wel breed in die dagen tussen de le en de 2e wereldoorlog? De vader van Jeltje had een Zuiderzeesteuntje en zo werd de zaak dan toch gered. Jeltje was goedlachs en had een hart van goud. Harm was de oudste, dan Piet, een vlotte, schalkse knaap, die wel eens wat uitspookte maar zich er altoos tussenuit kon praten. Jan, de jongste jongen, ging vrijwillig onder dienst bij de marine, te weten de onderzeedienst, en fungeerde als hartenbreker onder de Urker meisjes als hij in uniform over Urk flaneerde. Deze Jan woont nu in Amerika, terwijl Piet in Amsterdam woont. Harm, de oudste zoon, ging een huwelijk aan met een Urker meisje: Aegien, de dochter van Jannes van Albert van Iede. Jannes heette eigenlijk Johannes Koffeman; hij was Zuiderzeevisser en tegelijk groenteboer. Wie weet waar Johannes (Jo) Gerssen (Wijk 5 nr. 18) nu

Pagina 92

woont, komt dan ook te weet dat naast Jo en Jaawkien vroeger de groentewinkel van Johannes Koffeman was. Als hulp bij Klaas van Leendert heb ik vaak groence gebracht bij de familie Koffeman, die dan in de kelder werd opgeslagen. Johannes had een echte Staverse jol die hij samen met zijn oudste zoon Jan bemande als haring- en ansjovissers. De vrouw van Johannes en de dochter Agien verzorgden dan de groentewinkel waarin ook nog wat andere levensmiddelen en schoonmaakartikelen werden verkocht. Jan van Jannes ging later bij de Zuiderzeewerken en haalde daar zijn pensioen. Albert werd later een kundig timmerman. Misschien zullen de lezers zich afvragen: wat heeft dat nu te maken met dat stukje in de krant en met het opschrift? Welnu, eerst het opschrift. Harm, de oudste, moest keuren voor de dienstplicht, werd goedgekeurd en werd huzaar. Hij kwam dus bij het paardenvolk. Vol bewondering keken we naar Harm als hij met verlofop Urk kwam in zijn uitgaansuniform. Ik geloofdat zij Harm gekozen hebben om zijn goede, rechte figuur. Het was een plaatje om naar te kijken met zijn rijbroek en zijn laarzen met sporen aan. Op zijn uniformjas liepen mooie blauwe tressen en zijn kepie stond diep op zijn kop geplant, zodat hij net onder zijn blinkend zwarte klepje door kon kijken. Zo kwam dan Koninginnedag, toen 31 augustus. Het Oranjecomite, waar toen Harm Gerssen, Douwe Gnodde, Albert van Inte en nog meer toenmalige coryfeeen lid van waren, had een programma samengesteld waarin ’s middags een ‘paardedrafwedstrijd’ zou worden gehouden. Die wedstrijd zou gehouden worden op de Noord, net voorbij de tweede hoek. En mi komt Harm om de hoek, want hij zou ook als jockey fungeren en wel op het tankpaard. Even ter verduidelijking: dit paard werd zo genoemd omdat het de petroleumwagen trok. Toen de dag en het uur waren aangebroken zagen we de berijders bij hun paarden staan. Kees Kroon (de zeeman) zou een paard van Klaas van Urk berijden. Riekelt Korf (van Nel) zou een paard van Piet Keuter onder zijn zitvlak nemen. A1 die mensen hadden wat met paarden te maken, maar de vierde berijder, Pieter Loosman, een broer van meester Loosman, had hoogstens wel eens een paard een aaitje gegeven, die zou het burgerpaard berijden. Het burgerpaard was de trekker van de vuilniswagen, een rustige zwarte, die zich nooit zo druk maakte. Zo brak de dag aan. De mensen waren na de kinderspelen naar huis gegaan om wat vroeger te eten, want iedereen wilde graag de paardenrennen bijwonen. Het leek wel een optocht, al die mensen die naar de Noord trokken. De startlijn was een touw tussen twee palen gespannen. Maar er waren protesten voor de wedstrijd. De andere rijders maakte er bij de jury bezwaar tegen dat Harm Kiefte sporen aan zijn laarzen had, waarmee hij het paard tot grotere spoed kon prikkelen. Ze kwamen eruit,

Pagina 93

want Harm bood zelfaan: “dan trek ik m’n laarzen wel eut in goon ik om m’n koesen.” Maar Harm vroeg wel even belet om het paard even aan hem te laten gewennen, omdat het tankpaard erg zenuwachtig was. Harm voerde buiten de baan wat kapriolen uit met het paard, maar hij leerde de viervoeter toch wie of er de baas was. De berijders gingen op de paarden. Zadels hadden ze niet, maar met riemen hadden ze een deken op de rug van het paard vastgemaakt en touwen, waarin een lus was gemaakt, dienden als stijgbeugels. Douwe riep: “Klaar jongens? Opstellen dan!” De paarden met berijders kwamen naar het touw toe gereden. Het tankpaard was nog steeds erg nerveus, daardoor was de bles van Klaas van Hessel ook niet erg rustig. Alleen Koos van Pieter Keuter was de rust zelve, evenals de zwarte van de gemeentereiniging. “As ikAF! Roep, moet je’t touw mit een rok nor je toe trekken, goed begriepen?” “’t Zal mij benijen”, zei Pieter Loosman, terwijl hij een flinke straal tabakssap naast zijn paard spuwde, “ofmeen paard’t eande aolt.” “Dan giefje’t maar een klap vor z’n gat” antwoordde Douwe. “Klaar Af!!!” Daar stoven (nou stoven...) de paarden weg. De bles en het tankpaard gingen aardig van start, maar Koos en de zwarte zetten er maar een sukkeldrafje in. OfRiekelt al tegen zijn paard zei: “toe nou Koos, trek wel je poten wat ganker nor je toe, ik kan toch slecht joe op meen rogge niemen”, het scheen geen uitwerking te hebben. Maar ofde zwarte beledigd was omdat hij laatste was, ofook omdat Koos beledigd was omdat Riekelt zijn benen ‘poten’ had genoemd, zetten beide paarden er een galop in. De bles en het tankpaard gingen zowat gelijk op, maar later bleek dat Harm zijn paard bewust wat inhield. Maar toen het volk ‘Aloesika’ begon te roepen, gafhij het de vrije teugel. Het zwarte tankpaard ging er in een mooie stijl vandoor en ondanks het schuim op de mond van de bles, kon hij de tegenstander niet meer volgen. We zagen Pieter Loosman met een soort van roede van twijgen de achterkant van het paard slaan en dat hielp, want in zijn hele leven bij de gemeente was hem dat nog nooit gebeurd. Zijn galop werd sneller en als de renbaan wat langer was geweest was hij nog wel als tweede geeindigd achter Harm met het tankpaard. Koos en Riekelt waren de hekkensluiters. “Wou et niet Riekelt?” “Jazieker”, antwoordde Riekelt, “maar je wieten, alle goeie dingen koemen langzaam, in dat docht Koos ok.” Harm liep rustig met zijn paard terug, hem dankbaar op de hals kloppend en vriendelijke woordjes in zijn oor fluisterend. Die zenuwpees was ineens een heel rustig paard geworden. Jan Kroeze nam de zwarte over van Pieter Loosman en begon een relaas tegen zijn medewerknemer van de gemeente: “Sloeg die Pieter joe zo maar op je getjen? IJ mos ‘m skamen. Nou meid, ik eaw een lekkere plakke roggebrood vor je. Jie eawen toch je best edoon!” Het paard van Harm kreeg

Pagina 94

een kokarde aan zijn hoofdstel en Harm reed een ereronde, maar hij had wel zijn laarzen met rijsporen aangedaan. Maar als grote verassing had hij stiekem zijn grote berenmuts meegenomen en daar reed Harm met een gematigd drafje in vol ornaat. Griezelend van genot zag ik daar die Harm met die grote kolbak op, die met een zilveren ketting nonchalant onder zijn kin was vastgemaakt, het paard berijden ofhij in een echt zadel zat. Maar dat zagen we niet, daar reed de zoon van Jeltjen en Hendrik Jan als een volleerd huzaar en wij maar klappen, want dit was tenslotte ook een voorstelling. Harm hield de teugels goed strak en praatte maar tegen zijn paard: “Rustig maar, zwarte, rustig, w’ eawen op oenze koesen ewonnen.” Toen Albert Ras de zwarte overnam om hem naar de stal te brengen, zei hij tegen zijn paard: “Nou zwarte, ik kan tugen Pietertjen zeggen dat je de zaak ewonnen eawen, je eawen de aver wel verdiend.” Zo kwam dan Harm Kiefte hier op papier weer op het paard. Even nog over Harm. Met Kerstverlof 1939 kwam Harm als laatste uit de Oudestraat naar de boot rennen, toen de koptouwen al los waren. Gerrit Ekkelenkamp zag hem nog bijtijds, en dienst doende als invallende dekknecht hield hij het achtertouw vast om Harm in de gelegenheid te stellen aan boord te springen. Het benedendek was te diep, dus belandde hij op het bovendek. Harm stak zijn hoofd over de railing en zei tegen Gerrit: “Los maar Garret, ik bin er.”

Even later kwam ik hem in het gangboord tegen. “Nou, dat was op et nippertjen Harm.” “Ja, dat komt”, zei Harm, “ik eaw nog niks egeten. Ik krieg op et nippertjen verlof, dus van de wacht ofmitien weg. Ei jie ok efifien een mes vor m’n, dan zal ik wat kadetjes snijden in smeren in beleggen mit lekkere worst.”

En met dat wonderlijke lachje van Harm, waar ik zijn moeder Jeltje in zag, besloot Harm: “die kadetjes in die worst zouen m’n lellik op-ebruuken eawen.”

Even later ging Harm met zijn mes, kadetjes en worst naar beneden en begon aan het gereedmaken van zijn ontbijt. Als hij een kadet gereed had legde hij hem achter zijn hoofd boven op het plankier van de vaste bank waar hij op zat.

Toen hij mij zag bestelde hij een kop koffie, terwijl hij zijn laatste kadet sneed. Toen ik hem zijn koffie bracht, zei hij handen wrijvend: “Nou zal ik er’s lekker een paor kadetten achter m’n borstrok stouwen, ik eaw een onger as een lieuw.” Hij draaide zich om, maar wat zijn ogen zagen, geen kadetten. “Nou, kiek er’s.” “Waar moet ik kijken Harm?”, zei ik. “Nou, ier”, antwoordde Harm, “ik leg ier twaolfgesnien kadetten neer in nou legt er gien iene maar.” Ik was verwonderd dat Harm zo kalm bleef, ondanks het feit dat zijn hele mondvoorraad was weggekaapt. Even later kwam Gerrit Ekkelenkamp ergens uit een deur vandaan, maar ik zag dat op het brede stuk, tegen de wand van de boot aan, een paar planken open lagen. Ze waren namelijk bezig geweest om een paar

Pagina 95

spekstempels op lekke plekken in de klinknagelrij te zetten. Gerrit begon te lachen toen hij onze verbaasde gezichten zag. “Wazzen die bolletjes van joe dan, Harm?” “Ja, van wie moeten ze dan angers wezen?”, zei Harm, en een lach verhelderde zijn gezicht. “IJ jie m’n bolletjes dan?” Gerrit vertelde het hele verhaal. Hij was verder gekropen om de planken weer goed te leggen en, even naar boven kijkend, had hij Harm bezig gezien zijn brood gereed te maken. Elke keer als Harm een broodje gereed had, had Gerrit het kadetje naar zich toe gehaald. Harm kon de gein waarderen en even later kwam Gerrit met de stapel broodjes aan. Met voile mond zei Harm: “Man, ouw op, ik rammel van de onger.” Zo, dat was Harm Kiefte, en nu staat de Flux tussen de jonge Harm en Piet Kiefte in. De Kiefte’s hebben de zaak van Andries (de Flux) Hakvoort overgenomen. Nu kan ik me voorstellen, dat de Flux zijn zaak niet aan de eerste de beste heeft overgedragen. Het moeten natuurlijk op en top vaklieden zijn. Volgens de berichtgeving is dat ook zo. Maar waar komt dat “vakmanschap is meesterschap” dan vandaan? Niet van de Kiefte’s, dus moet het van de Koffeman genen zijn die dit erin gelegd hebben. Moeder Agien gafhun dat vakmanschap. Was Albert van Jannes niet een eersteklas vaktimmerman, en als het op precisie aankwam, was Jan van Jannes dan niet geniaal? Jan had toezicht bij de steenzetters en die wisten dat Jan een stukje steenwerk kon zetten, dat past als een stutte in een pot en dan praat ik nog niet eens over de mooie bottertjes die hij maakte. Dus, Kiefte’s, wees trots op je naam. Want met vader Harm begon het, maar die kon er niets aan doen dat jullie van die donkere Koffemans-ogen kregen.

Pagina 96

We schrijven 1931. De schoolvakanties waren begonnen. Zij woonden in de Zaan. Vader werkte op de Lum. Hij was daar verfmenger om het balatum de mooie kleuren te geven. Moeder kreeg weer last van die malariamuggen die daar waren. Wat moest ze met de kinderen? Ze kregen een briefvan Urk: stuur de jongste maar hier naar toe, dan passen wij wel op haar. Zo kwam het dat op zaterdag, heel vroeg, vader de banden van zijn fiets hard oppompte, het van hard, geverfd bordpapieren koffertje achterop de fiets bond en zijn jongste dochtertje van tien jaar daar bovenop plaatste. Zo togen ze van Zaandam naar Amsterdam. Bij vader achterop de fiets en zij wist nog van niets. “Kijk goed uit aan wie je haar mee geeft hoor!” Dat was de boodschap die hij had meegekregen. Ze genoten van het mooie weer. “Nou, dat keend zal wel een blikken koentjen ekriegen eawen van de iele teed achterop die ezeren bagagedrager te zitten.” Nee, ik zei toch, het bordpapieren koffertje zat achterop en zij zat daar bovenop met gladde lakschoentjes aan haar voeten en een mooie strik in haar zwarte haar, tegen de brede rug van haar vader aan te kijken. “Zit je goed meid?” “Ja hoor, ik zit best.” Ze durfde niet te zeggen dat de binnenkant van haar bovenbenen soms zo zeer deden van de kofferranden als ze weer over een bult ofdoor een kuil reden. Ze ging toch op vakantie, dan klaagde je niet, ze dacht vooruit, ze ging fijn naar Opoe. Op de pont mocht ze even van de fiets af, ze viel bijna om toen haar vader haar neerzette. “Wat is er?” Hij zag de striemen van de kofferranden. “Wacht, ik trek m’n jasje uit en dan kun je daar op zitten.” Zij weer verder naar Amsterdam. Wat zat ze lekker, ze hield zich nu vast aan de bretels van haar vader. “Zit je nu beter?” “Ja hoor, lekker zacht, eerste Idas.” Vader wist precies de weg naar de De Ruyterkade, waar de Urkers met hun botters lagen. Even kijken, dacht vader, aan wie zal ik het vragen? O ja, daar kwam Piet Bos aanlopen, die zal ik het vragen. Hij zag ook zijn broer Jan Bos aan boord. “Piet, mag mijn dochtertje ook met jullie mee naar Urk?” “Jazieker mag dat lekkere keend mit oens mie. Ik zal Leen effen roepen, dan kan die op eur passen.” Leen kwam, zag vader en zei: “Ik ken u wel, ze moet zeker naar Iede de Schilder.” “Nou, je eawen t oord, ze is bij Leen in goeie anen in ze boft, want Leen et lekkere kapkool ekookt in ij bakt er een karmenade bij. Doen je vrouwe de groeten van oens”, zei Piet Bos. Even later stond vader te wuiven op de Steiger, toen de hotter met zijn veertig pk en veel gerook en geronk achteruit stoomde, bijdraaide en op weg ging naar de Oranjesluizen. Het meisje moest hoesten van al die rook. “Nou, daar gaan we, op weg naar Urk”, zei Leen. Zij keek haar ogen uit, al dat gewriemel op het water en

Pagina 97

die grote oceaanstomers die daar lagen.Ze kwamen er nog een tegen die door drie sleepboten geholpen werd, twee er voor en een erachter. Ze schrok, toen die grote stomer ten afscheid zijn stoomfluit, ofeigenlijk was het geen fluit maar een hele zware bromtoon, liet horen. “Ja”, zc> keen, “bij zo’n ding bennen wij maar een ouwe klomp.” En hij zette zijn gebreide mutsje nog een beetje schever op zijn hoofd. Hij nam haar mee naar het vooronder, want hij moest de karbonades bakken. Zij rook alle geuren die er in een vooronder van een Urker hotter kunnen hangen. De hotter werd geschut naar het buitenIJ, maar toen ze Durgerdam voorbij waren, namen de golven het scheepje op hun hoofdjes en voerden zo’n beetje een Engelse wals met haar uit, om afen toe ook een gaatje te laten vallen, waar de hotter speels indook en dan lekker het nog zout proevende water over het voordek stroelde. Het meisje kon dit niet zo waarderen en haar maag begon op te spelen. Even later, Leen hield haar gelukkig vast, ging ze de visjes voeren. Wat had dat kind het benauwd. “Weet je wat we doen”, zei Leen, “we zullen je lekker in de kooi leggen, da’s beter voor je.” Even later lag ze in de kooi van Leen. Het geurde hier ook wel naar olie, maar niet zo erg. Haar zwarte lakschoentjes stonden voor de kooi. “De deurtjes moeten open blijven” zei ze. “Ja, de deurtjes blijven open, ik zal even een kommetje water voor je halen”, zei Leen “vanochtend hebben we de tank weer vol gedaan met lekker water, dat komt uit de duinen.” Leen zorgde goed voor haar en bracht afen toe een kommetje aan haar mond. “Drink maar, ouwe lekkere, je moet wat in je maag hebben om te spugen.” Voor het meisje tijden later kwa¬ men ze in Urk aan. Aan de hand van Leen werd ze bij Opa Koffeman gebracht. Opoe Jannetje begroette haar uitbundig. “Och keend, bin je daor, ik zal gaauw een eitjen vor je koken.” Leen vertelde zo achter zijn hand tegen opa Iede: “Ze is arg zieziek ewest, stop er maar gaauw op een bedde.” Zo gebeurde het ook. Op maandagmorgen zei opoe: “We zullen ‘rs lekker gaan werken.” De loper uit de gang werd opgerold. “Nou ga je voor opoe ‘rs lekker de gang opdweilen.” De kleine tienjarige hield wel van werken en ze dweilde voort. Tenslotte had ze vakantie en ze had ook wel van het spreekwoord gehoord: een vrouwenhand en een paardentand moeten altijd gaan. Het was een andere tijd, zo’n zestig jaar geleden. Tegenwoordig is dat anders: dan drie dagen naar Parijs met de school, dan naar een zeilkamp ofnaar een paardenkamp, dan naar.och, laat ik maar niet alles opnoemen. Luut Kamper zou zeggen: “De wereld wordt angers in de minsen worren ok angers, begreep je Pier?” “Ik begreep je, we worren zelf ok angers, zo zachies an.

Pagina 98

Nu de regen op de ramen klettert en Jan de wind trekt en de jonge bomen heen en weer zwiepen; als de bui niet alleen regen brengt, maar soms ook met v?el geweld hagel de straat wit laat kleuren, dan moeten we wel toegeven dat na die lange mooie zomer, de herfst nu zijn intrede heeft gedaan. Mijn vrouw zegt: “Ik vind het hier kil, zet de verwarming even wat hoger.” Ik draai aan een temperatuurschijfje beneden in de kamer en via een dun draadje wordt aan de kachel, boven op de vliering, opdracht gegeven om meer warmte te produceren. Het gas ploft aan en wat later stroomt warmer water door de radiatoren. Ja, zo gaat dat tegenwoordig, maar van oorsprong was het niet zo. Bij het lezen van het boek ‘De laatste echte schippers’, binnenvaart onder zeil, zag ik onze kachel tussen het raam staan, met een zwarte pijp, waarin ook nog een kunstig bewerkte ijzeren schuifzat waarmee een klep kon worden verdraaid om de trek te regelen. Die pijp ging door de zolderplanken in de schoorsteen. Een kolenkit stond er niet bij, maar wel een grote turfbak die vanafde zolder via een ‘ledder’ elke dag werd bijgevuld met de daar opgeslagen voorraad baggelaars en lange turf. Die turfhadden we zelfniet, die moest uit de veengebieden van Drenthe komen. Als we bedenken dat ruim zestig jaar geleden het grootste gedeelte van het vrachtvervoer in Nederland over water met zeilschepen werd uitgevoerd, moeten we een stil saluut brengen aan de Urker turfboeren, die met hun schepen zorgden dat we toch niet omkwamen van de kou. Voor mijn netvlies komen dan de volgende schippers, turfboeren, tevoorschijn. Zo was daar Kiesien van Willem van Okke Meandert, dan Spithorst, hij was geen Spithorst, tenminste, zo dachten de meeste mensen op Urk, maar haar echte naam was Grietje de Roo. Zij was opgevoed bij ene Spithorst en Urk had haar die naam maar gegeven. Je haalde turfbij Griet Spithorst. Zij was een kordaat vrouwenmens, die een groot aandeel had in het bedrijfvan haar man. De tjalk waarmee Spithorst de turfhaalde was modern voor zijn tijd, was van staal en had een roefgedeelte bovendeks. Het laatst heeft de familie gewoond in de Torenstraat (Raadhuisstraat) tegenover Cornelis van Eerde, die weer naast de slagerij van Bos woonde. Naast het woonhuis was een voorraadschuur voor de verkoop van brandstofifen. Verder kwamen daar als turfhalers en -verkopers Klaas van Reinier en zijn broeder Gerrit, de grootvader van Jelle van Afien. Hun schuit geleek op het schip van Keesien, die later trouwde met ‘de Grote’ van Willem van Pieter. De schepen die zij hadden noemden ze een aak ofpraam. Er zat geen roefop, maar door een luik moest je in het vooronder duiken. Eerst een vreemdeling, maar later een Urker, omdat hij met een Urker vrouw trouwde,

Pagina 99
Pagina 100

Angien van den Berg, dat was Jan van Laar. Eerst woonden ze op de klipper, waar een mooie roefop zat en waar voorin ook nog ruimte was voor de jongens om in te slapen. Later begonnen ze een winkel op de Westhaven, waar weer later het kantoor van Hoekman was gevestigd. Hendrik van Veen had een tjalk. Zij woonden aan het pleintje naast de bekende bakkerJan Post. Ook naast deze woning was een voorraadschuur. Een vreemde eend in de bijt was Klaas Booij. Deze Booij bivakkeerde het hele jaar op Urk. Zij woonden in de tjalk en gingen trouw ter kerke in de Christelijke Gereformeerde kerk achter slager Eb Brouwer. De vrouw van Booij had zeer heldere blauwe ogen en een donkerbruin getinte huid. Ik had zo maar de gedachte dat zij wel eens van Zuidoost Europese afkomst kon zijn. De oudste zoon van Booij heb ik op school meegemaakt. Uit het voorgaande kunnen we opmaken dat zijn turfklanten voornamelijk uit de Christelijke Gereformeerde hoek kwamen. Zo, nu zijn we op de hoogte van wat er speelde tussen 1920 en 1930 wat betreft de bevoorrading van de brandstofturf.

Het was in die dagen een drukte van belang om uit Drenthe de turfte vervoeren naar Noord- en Zuid-Holland. De meeste turfwerd in Zwartsluis geladen, waar ze met Hoogeveense pramen werd aangevoerd. Die pramen werden in de vaarten midden in het turfland geladen, voor het grootste gedeelte door vrouwen. De Drentse turfboeren lieten zich robuuste zeilpramen bouwen, waarmee zij zelfde turfnaar Holland brachten en verkochten. Zij waren wat de grootte en diepgang van de schepen betreft, verbonden aan de breedte en diepte van de vaarten in het turfland. Was het een droge zomer, dan kon de schuit niet afgeladen worden, later werd dan in Zwartsluis bijgeladen. De Urker turfboeren kochten hun turfin Zwartsluis, die met kleine pramen daar werd aangevoerd. Het gebeurde wel dat in Zwartsluis 60 schepen lagen om turf te laden. In een tjalk ofklippertjalk konden ruim twee kleine pramen turfge¬ laden worden. De deklast was natuurlijk op vakkundige manier gestuwd. Dat noemden ze ‘loegen’. Als de zaak goed geloegd was, hield de ene turfde andere vast en dan kon de strijd tegen de elementen beginnen. Als de weergoden niet meewerkten, moesten de tjalken in de luwte van Schokland wachten op betere tijden. Zo moesten onze Urker turfboeren de helmstok van het roer verlengen en boven op de deklast gaan staan en soms scherp bij de wind zeilen, en ook wel laveren, om Urk te bereiken. In gedachten zie ik dan Griet Spithorst boven op de deklast staan met ene zuidwester over haar ondermuts en een oliehemd aan, en haar man de fok en de zwaarden bedienen. Jan van Laar had een goeie klippertjalk en als kleine jongen heb ik wel eens gezien dat de buitenkant van

Pagina 101

de deklast helemaal nat was van het overkomende water. Niet alleen de vis, maar ook de turfwerd heel duur betaald. Klaas van Reinier, waarmee ik op de ‘Toerist’ heb gevaren (een stoomboot van de EUSM, red.), vertelde wel eens over de turftochten. Maar ook wel dat zij hooi haalden van Marken, als er een tekort aan hooi op Urk was. Je probeerde zoveel mogelijk mee te nemen. Het hooi werd in kleine praampjes via de sloten naar de havenbuurt gebracht. Alles moest over water, er waren alleen maar paadjes waar geen paard en wagen op kon rijden. De Marker vrouwen sjouwden dan op berries het hooi de dijk op, dan weer naar beneden naar het schip in de haven. Alles met de hand. Als je dan een goeie Z.W. wind had, liep je ‘tjalkien’ als een haas over het water op Urk aan, aldus Klaas. Natuurlijk moest Marken ook turfhebben voor de kachels. Bij het lossen van de tjalk waren vaste gewoontes in zwang. ’s Morgens vroeg kwamen de vrouwen, geheel in smetteloos wit gekleed, zelfs de klompen waren wit, en sjouwden de turven in grote manden op hun schouders, dijkje op, dijkje af, naar de praampjes, waar iemand van het mannelijk geslacht, ook in smetteloos wit, de turven oploegde en naar de klanten bracht. Het eigenaardige was (ja, ik heb het zelfgezien toen ik logeerde bij oom Harm, die havenmeester was op Marken) dat’s middags na het eten alle turflosters en -lossers weer met schone witte kleren aan, het lossen weer voortzetten. Ook op Urk hielpen we elkaar met de turfvan de wagen op de zolder te krijgen. Drente verloste ons van de gedroogde koeienplakken als brandstof, maar hout dat aanspoelde, werd naarstig verzameld om gedroogd te worden om ook in de maag van duvel en kachel te stoppen. Het was romantisch, maar geef me nu toch maar het temperatuurschijfje van de centrale verwarming. Een mens went zo gauw aan het gemak. Ik hoefnu niet meer voor een dubbeltje talhout te halen om de kachel aan te maken.

Pagina 102

Alweer een tijdje geleden hebben we een afvalcontainer gekregen. Het zijn van die grote bakken met twee wieltjes eronder. In de ene gaat groen en keukenafval en in de andere het normale afval dat verbrand wordt. Het blijkt dat de groene container meer afval krijgt te verstouwen dan de grijze container. Een container per week, die door een moderne vuilniswagen wordt opgehaald. Met grijparmpjes worden de containers opgepakt en door de mannen op de goede plaats gezet. De bak wordt geledigd in de buik van de vuilniswagen die bijna een halfmiljoen kost. Op dat moment verwijlden mijn gedachten van weleer, ze gingen jaren terug en op mijn netvlies verschenen Jan en de baron. Door de Urker straten rijdt een wagen. Het is een grote rechthoekige bak op een wielenstel. Voorop is een plankje waar de menner op zit en aan de achterkant kan de palfrenier staan als alles is opgeladen en de kar richting losplaats vertrekt. Met deze wagen word eenmaal per week het vuil opgehaald. Nu waren we toen maar met z’n vierduizend Urkers onder elkaar en we maakten niet zoveel vuil. Het waren de vaste en urinale stoffen die tijdens het voeten bedekken, ook wel de stoelgang genoemd, onze body verlieten en in de emmer terecht kwamen. Ja, wat wil je, we waren toen nog niet zo modern. De nachtspiegel (de pot) was nog in grote ere onder ons en deze werd op de put geledigd. Bij de nieuwe huisjes die toen gebouwd werden kwam ook een gemetseld ‘huisien’, waar aan de straatzijde, onderaan, een deurtje ofluikje was gemaakt waardoor de emmer naar buiten kon worden gehaald ter lediging in de kar. Waar dit niet zo was en er maar een eenvoudig optrekje van hout tegen het huis was aangebouwd kon de roep gehoord worden: “Aole, ei je de immer al beuten e-zet, de karre komt er an!” Nou nou Jan, zo kan ie wel weer. Nee, laten we de zaken eens op zijn merites bekijken, zou Teunis Visser zeggen. Als ik zo terugdenk kan ik niet dankbaar genoeg zijn dat we nu in anderen omstandigheden leven. Toen ons huis in 1936 op dezelfde plaats gebouwd werd, verdween het ‘huisien’ van buiten en werd er een toilet in huis geplaatst, een watertoilet. Dat wil zeggen: na een grote boodschap moest je er zelfeen emmer water doorheen gooien. Dit alles ging via een beerput op ofnaar de al aanwezige riolering. Het was nog niet zo, zoals onze buurman Piet Ras ons zijn relaas vertelde, nadat hij op bezoek in de Zaanstreek geweest was: “Ik ging nor et uisien, gafeen trek an et touwtjen in et iele spul was toe zo in Amsterdam.” Nu we bij Piet beland zijn, komen we ook bij de baron. Deze was daar ter woning als broeder van de vrouw van Piet, Lebe. Er was ook nog een Jan thuis, ook weer een broeder. De naam van de baron was Klaas. In de volksmond was dit Klaas de baron. Hoe ofhij aan deze

Pagina 103

naam gekomen is weet ik niet, maar ik geloofdat hij ook geparenteerd was aan het ‘vorstelijk huis’ dat wij toen op Urk bezaten. Ze woonden bij het eerste gat, waar de basaltwaterverdediging overging in het paalscherm. Er is nu een parkeerterrein gemaakt. Een groot hek sloot de binnenplaats afwaar de familie woonde. OokJaaie en Marrie woonden daar. Jaaie Stokebrand was erkend jager, met een roeibootje zette hij zijn botnetjes uit. Willem de Boer woonde daar met twee zusters. Willem was een los-vaste werker in de turf, in het steen lossen en hij was bij Jan Woord op gezette tijden in het hooi en s winters was hij betrokken bij het legen van de groep achter de koeien. Hij meste in de de lekkere warmte van de stal en praatte met de koeien welke hij, volgens overleve¬ ring, ook in zijn avondgebed gedacht.

Jan en de baron moesten deze voorraad koeienmest uit de grote opvangbakken, die buiten tegen de muur van de stal waren geplaatst, in de kar laden. De mest werd vervolgens vervoerd naar de gemetselde ‘stroenbult’ waar ze moest worden gelost. Dit vervoer ging niet altijd zonder verliezen gepaard. Een van de raadsleden sprak daarover in de raad, in een repliek zei hij: “Mijnheer de voorzitter, ik wil opmerken dat de mensen te veel koeienmest in de kar laden. Als die kar dan over een bultje rijdt, dan gaat het van klort-klort-klort.” Algemeen gelach van de rest van de vroede vaderen, alhoewel de man gelijk had. Je kon, als Kleinduimpje, precies de weg van de mestkar volgen. Nogmaals, ik weet nog niet waarom ofKlaas toen de baron werd genoemd. Niet omdat hij achter op de kar stond, want daar leek hij meer op een palfrenier, strak geieund op de schop die in het afval stond, afen toe wat bruin tabakssap spuwend. Als tegen de wind in werd gereden, kleurden de sappen zijn doorgroefd gelaat, want omdraaien was er niet bij. De baron stond als een rots, zijn wangen deinden op en neer met elke beweging van de kar, waar geen veren onder zaten. Nee, ik geloof dat Urk hem de naam van baron gegeven had vanwege zijn manier van lopen. Kaarsrecht liep hij met korte driftige passen. “Nou man, kiek Kloas lopt net as een baron.” Zo zal het wel gegaan zijn. De baron droeg ook beenkappen. Deze leren beenkappen waren afdankertjes van onze dorpsveldwachter Kok, die ze bij zijn uniform droeg. Je staat er van versteld hoe sterk die dingen waren, want de baron had drie paar: een paar voor in de poep, een paar voor als het gewone huisvuil werd opgehaald en een paar voor als hij het vaandel voor de muziek uit droeg. Dit paar was zijn beste, het werd gepoetst met het ledervet van het tuig van het gemeentepaard, de ‘zwarte’. Ik was nog muziekdrager. We hadden ons verzameld boven de hoogte van Gerrit Snoek. Ons repetitielokaal was in het spieringhuis onder het huis van Gerrit Snoek. Het muziekkorps moest een

Pagina 104

serenade brengen aan een bruidspaar dat vijftig jaar getrouwd was. De baron had zijn beenkappen extra opgepoetst, zodat ze glommen in de avondzon. Er werd afgemarcheerd door de Meester Jansmastraat. Halfin de straat kionk het fluitje van de dirigent en even later drie klappen op de grote trom, waarna de muziek inviel met de mars “lang zal ze leven, lang zal ze leven”. Klaas voorop droeg fier het vaandel. Ofhet kwam door de beenkappen, maar de stappen van Klaas waren groter dan anders. Als spelende kwamen we bij de Prins Hendrikstraat, Klaas was er het eerst en sloeg linksaf, richting Hervormde Kerk. Gerrit Snoek liep naar voren en gafaan dat wij rechtsafmoesten. Klaas liep fier door en kreeg bij Geert van Iede pas in de gaten dat er iets fout was. Hij keerde zich om en keek de muzikanten op de rug. “Vewek”, (hij sprak de r nooit uit) “ze gonen de angewe kaant eut.” Klaas ging toen weer met vliegend vaandel achter de slaande trom aan en bij de winkel van Jurie Brouwer liep hij weer voor de troep uit. Toen Jan het geval hoorde van zijn palfrenier zei hij: “Jie adden zieker twie linker bienkappen omme Kloas_” Jan, de baron en het paard, de zwarte. Het paard werd prima verzorgd en kreeg boven zijn haver nog lekkere broodkorsten en stukken roggebrood. Ofhet nu door dit eten kwam is nog steeds onbekend, maar op een van zijn tochten door het dorp bleefhij ineens staan en liet een hele serie onparlementaire geluiden van onder zijn staart implantatie komen. “Nou zwarte”, zei Jan, “kan het niet een bietjen fesoenlijker?”

De zwarte keek dan om, net ofhij zeggen wilde: “Je weet niet halfbaas hoe of dat opknapt, als je zo’n kramp hebt.” De zwarte ging weer verder, hij stopte uit eigener beweging bij het volgend inladen. Klaas was al vooruit gelopen en gooide de gereed gezette emmers met uitlating van levende mensen in de kar.

Je moest niet toevallig langs de andere kant van de wagen lopen als de emmer geledigd werd, want dan had je de kans vreemde urinespatten op kleren of aangelaat te krijgen. Er was in die tijd niet zoveel afval als nu. Papier en hout werden verbrand in de kachel ofhet duveltjen. Koffiedik en theeblaren met daarbij wat restjes overgebleven eten en/ofvisgraten vormden de boventoon. Dit alles werd samen met de faecalien der mensenkinderen in de kar geladen en naar de zogenaamde ‘stroentbult’ gereden en aldaar gelost en weer vermengd met de daar aanwezige koeienmest. De paardenmest zorgde voor een goede fermentatie, zodat een product ontstond dat gretig aftrek vond naar de dorre, droge, zanderige gebieden in Drente. Menig Drents gebied is daar tot rijpe voile wasdom gekomen dankzij het Urker compost. De mest moest ook afgevoerd worden en dat gebeurde per schip. Er liep vanafde mestvaalt achter de oude vismeelfabriek, de elektrische centrale en de, wat we toen noemden de

Pagina 105
Pagina 106
De voorvader van defamilie Ten Napel.

nieuwe zaak van Hoekman, een smalspoor naar de haven tot aan de werfvan Metz. Via dit smalspoor werd de mest per kiepkar, door een paard getrokken, naar de haven vervoerd. Hier werden de karren leeg gekiept en door de Urker werkers per kruiwagen in het ruim van het schip geladen. Stel je voor, mannen in Urker klederdracht die kruiwagens vol scheppen en dan deze met mest gevulde kruiwagens over een plank kruien naar het schip en dan deze kledderende kledder in het ruim storten. Om hun kleding te beschermen hadden sommige kruiers een oliebroek aan en een zuidwester op. Het transport van de kiepkarren met de paarden werd eerlijk tussen de vrachtrijders op Urk verdeeld. Iedereen kwam aan de beurt.

De meerdere taken vanJan

In de dertiger jaren was er al wel riolering op Urk, ook hadden we waterleiding. Het water kon getapt worden uit de standpompen die op verschillende plaatsen in het dorp stonden. Er waren echter maar weinig toiletten op deze riolering aangesloten. Water om te drinken werd uit de regenwaterbakken gehaald. Het leidingwater smaakte niet lekker. Ook voor de fijne was was dit leidingwater niet geschikt, het kostte te veel zeep om het water zachter te maken. Voor het spoelen van de zware baaien kleding werd het wel gebruikt en natuurlijk voor het vrijdagse straatschrobgeweld. Vrijdags werden er geen praatjes gemaakt, dan was het de wekelijkse grote boen- en schrobdag. Zo was de maandag de grote wasdag. Een droge zomer was een ramp. De kerkenbakken werden dan geopend en voor twee centen kon je dan een lgank’ (twee emmers) water kopen. Je moest ze zelfputten met een akertje. Het gebeurde wel dat de gemoederen zo heet gebakerd waren dat sommige schedels op hardheid werden beproefd door er met een emmer op te slaan en voor de afkoeling zorgde dan weer een akertje met water dat over de ruziemakers werd gegooid. Boezels werden afgerukt en hullen sneuvelden ook wel. Ondanks het feit dat het hemelwater via het dak van de gereformeerde ofhervormde kerk in de bak was gevloeid, was dit geen verzekering dat de waterbevoorrading in pais en vree geschiedde. Als de kerkenbakken ook leeg raakten, werd er water met de postboot aangevoerd. De ballasttanks werden dan vol water geschept, zo uit de IJssel even buiten Kampen. Ook van hieruit werd het water per ‘gank’ verkocht. De bemanning zorgde voor de goede orde. Een spreekwoord, dat door oudere mensen op Urk nog wel eens wordt gebruikt, stamt uit die tijd. Het was een droge tijd, de kerkenbakken waren leeg en van de verschillende regenwaterbakken waren de laatste beetjes ook opgebruikt. Een lid van de Hervormde kerk had niets meer in voorraad in de bak, maar hij wilde toch een lekker ‘bekkien’ zetten. “Ik weet

Pagina 107

wat ik ga doen”, zei hij, “ik ga naar de Hervormde pastorie en vraag daar om een emmertje water.” Zo gezegd, zo gedaan. Hij op weg naar de pastorie. Deze werd bewoond door dominee Lingbeek. Bij de pastorie aangekomen trok onze vriend opgewekt aan de bel, gedachtig aan het lekker water uit de pastoriebak. De eerwaarde deed zelfopen. “Goeienavond dominee, mijn regenwaterbak is leeg en ook de kerkenbak is leeg, zou ik misschien dit kleine emmertje met drinkwater uit uw bak kunnen krijgen?” “Het spijt me beste man”, antwoordde de dominee, “dit doen wij niet!” De waterhaler gloeide van verontwaardiging en zei: “dan hoop ik dat al het water in uw bak petroleum wordt.” Kalm reageerde de eerwaarde: “daar heb jij je emmertje water niet mee.” Uit hetgeen wij hiervoor aangaven blijkt, dat het leven op Urk toen niet van een leien dakje ging. Om ziektes te voorkomen, moest soms de omroeper met een boodschap van de dokter door het dorp. Deze boodschap kwam dan bij de dorpelingen zo over: “Op de fiets van de dokter moet het regenwater eerst gekookt worden voordat het wordt gedronken.” Die fiets van de dokter was natuurlijk “advies van de dokter”. Ondanks deze voorzorgen bleven de besmettelijke ziektes niet uit.

Eerst nog even een kleine sfeertekening uit die tijd. Urk, een klein eiland midden in de Zuiderzee die nog niet was afgesloten. Eb en vloed overheersten nog. Het hoge gedeelte van het eiland was bebouwd, het lage gedeelte was grasland, dat steevast een oftwee keer per jaar onder water liep bij een noordwesterstorm. De Urker boeren werden toen met een deftige naam veehouder genoemd. Net als nu was er toen al een mestprobleem op Urk. De mest van het gestalde vee moest vervoerd worden en daar had Jan een aandeel in. Verder moest hij met zijn hulp het karrenpaard verzorgen. Als gemeente ambtenaar was hem de zorg voor de gemeentestier op zijn rug gelegd. Voor het vermenigvuldigen en het op peil houden van ons melkvee had de gemeente Urk een dekstier. De veehouders moesten dus met Jan in contact treden om de dekkingsriten met hun tochtige koe te laten volbrengen. Vorstverlet en regenverlet waren er voor de mannen van de gemeentereiniging toen nog niet bij. Het waren lange dagen die zij toen moesten maken. Het was een drukke tijd in de winter, mest van de stalkoeien en het afval van de burgers moesten ondanks sneeuw ofgladheid worden opgehaald en gelost. Ook op de zondag was Jan in de weer, want de stier (‘bul’) en het paard moesten dan ook eten en drinken. Dan was er nog een taak voor Jan. Hij was assistent van de dokter. We gaan even terug naar de droge tijd in de zomer. Het drinkwater is schaars en ineens slaat het noodlot toe. Er breekt een epidemie uit, de tyfus grijpt om zich heen. Het gonst op Urk rond: “Heb jij het al gehoord, die en die heeft het ook te

Pagina 108

pakken.” Zuster de Wit werkt onder hoogspanning. Er is nog maar een dokter op Urk, die doet wat hij kan in samenwerking met de gemeente ambtenaren. Voor verschillend huizen is zand gestrooid, zo’n tien centimeter dik. Dit dient om het geluid te dempen om de zieken de broodnodige rust te geven. Op de woning van de zieken is op de voordeur een aankondiging geplakt dat hier een besmettelijke ziekte heerst. Ook bij de school voor het huis van Trui van Inte ligt zand. De jongste, Flerik, is ernstig ziek. Flerik strijdt met de dood. Elke dag is er wel een begrafenis. Jan Kroeze doet zijn werk, want’s avonds moet hij met een roeiboot een stuk buiten Urk varen met een bijzondere last aan boord. Het zijn stalen gamellen van het Witte Kruis met de faecalien (ontlasting) van de zieke mensen. Deze stoffen mogen niet met de kar mee en ook niet in het riool gegooid worden. Jan roeit zo een stuk buiten Urk en gooit ze daar in de zoute zee, als de eb loopt, leeg. Hij boent ze met veel lysol schoon. Hij is nu in dienst van dokter Vonk en deze zorgt dat Jan geen besmetting oploopt.

Van de dokter krijgt hij heel goede brandewijn mee op zijn tochten. “Denk erom Jan”, zegt de dokter “voordat je de bussen opent eerst een slok bran¬ dewijn in je mond en met lysol je handen beschermen.” Zo roeit Jan en zo helpt hij de epidemie te bestrijden. Hij is ambtenaar, dat wil zeggen dienaar in de juiste zin van het woord. Jarenlang zag ikJan ons huis passeren met in zijn hand een in een theedoek gebonden schaaltje met eten. Elke dag weer, s zondags en in de week. Dat eten was bestemd voor twee vrijgezellen, familie van hem, die in de straat achter Fokke de scheerbaas woonden. Het waren wat wonderlijke mensen die nooit buiten kwamen. Met mijn vader kwam ik er veel want ze waren meesters in het netten boeten. Veel mensen waren bang voor ze. Als trouw kerklid van de Hervormde kerk heeft hij jarenlang de kinderen van de Hervormde zondagschool verteld uit de Bijbel samen met zijn zwager Freek Brouwer. Jan deed dat op zijn eenvoudige kinderlijke manier. Met Kerstfeest was de viering in de kerk, waar altijd een mooie kerstboom stond. Veel mensen kwamen dan luisteren naar de vertelling. Soms ging hij wel wat ver, naar onze mening, in het aanduiden van de toestand in de stal. Zo vertelde hij eens dat Maria niet eens luiers bij zich had en toen maar “haar snotdoek om et keend z’n getjen ding.” Gelach op de galerij. Jan draaide zich om en zei tegen ons: “Ik vertel et vor de kiengeren, niet vor jului, grote vullemen!” Ik schaamde mij wel een beetje, want hij had gelijk. Zwager Freek deed de vrije vertelling over het boek ‘Peerke en zijn kameraden’. Ja, zo leefden wij in die tijd op dat kleine eilandje midden in de zee. Klaas de baron is niet zo oud geworden. Op een vroege nieuwjaarsmorgen werden wij opgeschrikt door drukte op de Zegenaars-

Pagina 109

De Wilhelminaschool.

hoogte. Wat bleek? Klaas was die nacht niet thuisgekomen. Later hoorde wij de toedracht van de zaak. Klaas had met vrienden de jaarovergang in een hotter op de haven gevierd. Na de klok van twaalfging onze Klaas nog even wat halen om de gezelligheid te bestendigen. Bij het overstappen van de hotter op de wal raakte hij te water. Heel Urk leefde mee met dit tragisch ongeluk in de eerste uren van het nieuwe jaar. Jan Kroeze moest toch weer een secondant hebben op de kar. Er waren veel en goede sollicitanten, want het was een fel begeerd baantje, vooral ook omdat het toen nog in zwang zijnde ludieke nieuwjaarzeggen door de karrenlieden een profijtelijke wrochting was. Het werd Jelle Romkes. Ofhet een rol speelde dat hij een buurman van de burgemeester was durven wij niet te zeggen. De Zeeman (Kees Kroon) kwam toch later in dienst van de gemeente toen Jan Kroeze de harp aan de wilgen hing. Aan een zeer werkzaam leven in dienst van de burgers van Urk kwam een einde. Samen met zijn vrouw mocht hij nog enige jaren van zijn pensioen genieten. Hij was nadrukkelijk aanwezig onder ons, door zijn werk, maar hij stelde zich nooit op de voorgrond. Er kwamen grote veranderingen. De kar ging weg, de stier ging weg, de zwarte, het paard, werd verkocht. Er kwam een auto. De ene verandering buitelde over de andere verandering heen. Jan bleefnog lange tijd zijn familie het eten brengen dat Bape gekookt had. Er kwamen jongere onderwijzers voor de zondagschool, daar stopte Jan dus mee. “Et is zo kiengeren”, zei Jan wel eens, “as je ouwer worren, brikt alles bij je anen of.” Een waar woord, maar dat deze mens, deze eenvoudige man, een sterke indruk heeft achtergelaten, bewijst, dat ik nu, op 73-jarige leeftijd hem in gedachten nog zie lopen, de rug wat gebogen. Als Jan’s morgens als eerste naar zijn werk ging, dan stond daar de gemeente opzichter Hendrik Nentjes het kampertje al op zijn personeel te wachten. Jan groette dan netjes “Gemorgen baas.” Nentjes antwoordde dan “Jan, pak het paard.” En ik hoor hem nog praten tegen zijn paard: “Goon je gank maar zwarte, wij binnen ier kloar....”

Pagina 110

Eigenlijk zou ik er boven moeten zetten ‘het kerstfeest van Flip’. Het was 1927. Op Urk waren niet veel kerstbomen, dat vonden ze een beetje heidens. Alleen op de tweede Kerstdag stond een mooie grote opgetuigde boom in het Kerkje aan de Zee voor het kerstfeest van de kinderen van de Hervormde Zondagsschool. Flip werkte al en deed wel eens een karweitje voor eigen zak en verdiende zo wat extra’s. Een paar dagen voor de kerstdagen kwam hij thuis met een kerstboom in een doos, met daarbij een hele hoop doosjes met ballen, pieken, en ook heel dunne glazen slingers. Vol trots tuigde hij op vrijdagavond (zondag zou het eerste Kerstdag zijn) de kerstboom op. Hij werd tegen de houten gangwand gezet op het naaimachinetafeltje. Tussen de ramen kon niet, want daar stond de kachel. Dat tafeltje was smal, dus de boom stond bijna op de rand van het tafeltje. Uiteraard was het een namaakboom, dus de meeste takken waren naar voren gebogen en volgehangen met ballen en slingers. “Hoe kom je aan die boom?”, vroeg mijn moeder aan Flip. “Die heb ik bij Riekelt Romkes gekocht.” “Voor veel geld zeker.” “Ja, maar ik hoefde niet alles te betalen, ik had een karweitje voor hem gedaan en als het wat minder koud wordt, moet ik nog een klusje voor hem doen; ik kan goed met Riekelt opschieten.” Moeder vond het maar niks, maar vader zei: “Zet neer dat ding.” Flip tuigde vol vlijt de boom op. Ik vond de piek het mooiste, zoiets had ik nog nooit gezien. Onder de hoogste punt van de piek zat weer een bal, die aan vier zijden naar binnen liep met een verdieping. Als daar het licht in viel, zag je de allermooiste kleuren opschitteren. Elektrische lichtjes waren er niet. Er waren knijpertjes, waarin kaarsjes konden worden gestoken. Ook hing er een trompetje aan. Als je er zacht op blies kwam er een iel geluidje uit. Deed je het te hard, dan kwam er net een geluid uit ofje de kat op zijn staart getrapt had. Ook hingen er kerstklokjes aan de boom, die heel teer tinkelden als je ze even bewoog. Flip had ook engelenhaar tussen de takken verstopt. Later werd dit spul verboden, want het was gewoon heel fijn gemalen glas, dat zelfkon zweven en dat je dus kon inademen. Mijn ogen werden moe, zo veel kleurige dingen hingen er aan. Enfin, Flip had hem opgesteld en’s avonds werden er zelfs kaarsjes ingedaan en ook even aangestoken. “Bape”, zei mijn vader, “zet er een emmer water bij en zorg voor een ouwe deken om, als er wat mocht gebeuren, we de zaak kunnen doven.” Nu ik daar aan denk, had vader gelijk. Het huis was zo droog als kurk en veel hout; daarenboven hingen de netten op zolder en de pannen lagen op een rieten afdekking. Enfin, na een kwartier moesten na angstige spanning, de kaarsen weer worden gedoofd. Je mocht

Pagina 111

alleen maar kijken en niet veel lopen vanwege de doorbuigende planken van de kamervloer. Bij de piek zat ook een kaarsje. De kleuren in de bal daarboven waren van een bovenaardse pracht. “Dan moet je hier eens gaan staan Jantje”, zei Flip, “dan zijn het weer heel andere kleuren.” Op mijn tenen kroop ik tegen Flip aan. “Ooooh, wat mooi”, zei ik. “Voorzichtig”, zei vader, “als ie valt dan is Leiden in last.” ’s Nachts stond de boom te pralen bij het kleine lichtje dat op de tafel stond. Afen toe keek ik vanuit de bedstede en zag de ballen en slingers dofoplichten. De andere dag aten we vogeltjes, die vader’s morgens heel vroeg geschoten had. Moeder had er ook maar een drilpudding bij gemaakt, die uit de vissenvorm gehaald moest worden met veel geschud en geklop. “Bape, ik heb lekker gegeten, ik geloofnet zo lekker als met Kerst.” Vader schoof de grote leuningstoel achteruit om de Bijbel te pakken. Maar o wee, de stoel kwam met de rugkant tegen de kerstboom en deze tuimelde, door de vele versieringen topzwaar met veel geraas van het tafeltje. “Blikstientjes”, zei vader, maar het was al gebeurd. Flip dook ernaar, maar kon niets redden. De tranen stonden in zijn ogen. Mij stond het huilen ook nader dan het lachen. Ik kroop er ook bij en vond tussen het gruis het trompetje. Ik zette het voorzichtig aan mijn mond en blies er heel voorzichtig op. “Tuuut” klonk het. “Hij doet het nog, Flip!” “Man, kijk ers de piek is ook nog heel!”, juichte Flip. “Als je piek maar heel is”, zei vader, “ruim straks de boel maar op en stop alles in een schoenendoosjes, eerst gaan we lezen.” Zo stond er dus op eerste Kerstdag geen kerstboom. Vader was er tegen. Laat het nu zo gaan, dat ik op tweede Kerstdag ziek werd en niet naar het kerstfeest in de school kon. Flip bood aan om op te passen. Mijn moeder had een zogenaamd kermisbedje voor mij gemaakt, van de leunstoel van vader en een andere stoel er tegenaan geschoven met daarop een hoofdpeluw. Het was wel lekker, maar ik betreurde het erg dat het kerst¬ feest in de school gemist zou worden. Flip deed een beetje geheimzinnig toen vader en moeder naar school gingen voor de kerstviering van de broers Jan en Harm. Ze gingen al vroeg weg, eerst nog even naar de opa’s en opoe’s. “Moeten jullie nog niet weg?”, vroeg Flip aan de broeders. Even later gingen zij op weg met de kopjes in hun handen geklemd. “Hou je kop Jantje, zeg niets, wij zetten de kerstboom weer op.” Ik werd ineens weer een stuk beter. Flip kroop onder de bedstede in de gang en haalde de kerstboom weer op. “Ik heb bij Riekelt Romkes nog wat spullen gekocht, we gaan hem mooi opsieren.” Een tijdje later stond de boom te schitteren en zelfde kaarsjes werden aangestoken. Flip haalde zijn Bravo mondorgel voor de dag en speelde “De herdertjes lagen bij nachte.” Ik kreeg gewoon wat koorts van kerstgenot. Ik had kerstfeest en Flip had ook zijn kerstfeest. Hij vertelde nog een verhaal over twee jongetjes die stekelbaars-

Pagina 112

jes gingen vangen, hoe ofhet verder ging ben ik vergeten. De boom was ik ook bijna vergeten, tot ik hem een paar jaar geleden weer terug zag bij schoonzuster Geertje met altijd nog de toeters en de bellen en de vogeltjes. “Ja”, zei Geertje, “die vogeltjes vind ik zo mooi, die horen in een boom, zei Flip altijd.” “Ja”, dacht ik, en ik zag weer de boom achter de leunstoel van vader staan op het naaimachinetafeltje uit lang vervlogen tijd, uit 1927.

Pagina 113

Hetgeemancipeerde Urker meisje (Een verhaal uit de twintigerjaren)

Jaawk liep balorig te zwerven door Urk. Hij was verlegen met zichzeif. Zijn maats waren op de vrijtoer, maar hij bezat de moed niet om een meisje te vragen. Als hij een meisje aankeek, was het net ofhij een spraakgebrek kreeg, de moed zonk hem dan in de schoenen. Er was wel een meisje, waarmee hij graag verkering zou willen hebben. Maar vragen, ho maar! Hij was nog niet verder gekomen dan over haar te fantaseren, hoe fijn het zou zijn als zij zijn meisje zou zijn. Hij zorgde altijd dat hij vroeg ik de kerk was, zodat hij vooraan op de kraak kon zitten, zodat hij goed in het middenschip kon zien waar de vrouwen zaten. Tersluiks gingen dan zijn blikken naar beneden, waar zij zat naast haar moeder. Hoe vaak had hij dit nu al niet gedaan. Hij wist precies de kleur van haar nieuwe kraplap, die zij’s zondags droeg. Maar de vorige zondag had zijn Henkien niet naast haar mimme gezeten. Hij was een beetje geschrokken, zou ze ziek zijn? Ofzou ze op een andere plaats zitten? Spiedend gingen zijn ogen over al die vrouwen in het midden van de kerk. Kijk nou eens, ze zat naast zijn bessien, die haar benen op een warme stoofhad. Anders keek zijn bessien altijd even naar boven en als ze Jaawk dan zag zitten, gafze een klein knikje met haar hoofd. Als antwoord stakJaawk dan de wijsvinger van zijn rechterhand even naar boven en mompelde dan zacht voor zich heen: “Ik zie je wel, ouwe mins.” Maar toen was het een beetje mis gegaan, zijn bessien keek helemaal niet naar boven, maar Henkien keek wel, zag hem zitten en stootte zijn bessien aan. ’t Was net ofze zei: “Kiek, daor zit Jaawk ok.” Zijn bessien keek toen ook naar boven en lachte. Jaawk had toen in plaats van zijn vinger, zijn hele hand even naar boven gedaan als groet. Toen had hij gezien dat Henkien haar ene hand van het psalmboekje losliet en even heen en weer ging over het boekje. Daar dacht hij nog aan toen hij daar liep. Zou ze dat voor hem gedaan hebben, zou Henkien...? Nee jongen, hou er over op. Wat moest dat meisje nou met hem. Hij had nog nooit met haar gepraat, alleen maar aangekeken. Zij kon wel wat beters krijgen. Ineens kwam hij tot de ontdekking dat hij op de westplanken liep. Nou nog maar even doorlopen naar het vuurtje en dan terug naar zijn bessien. Toen zijn bebe was gestorven, was hij gaan slapen bij zijn bessien. Zo was er wat ruimte bij hen thuis gekomen. Tjonge, ’t was wel koud, je liep hier zo in de guile noordwesten wind. Afen toe kwam de maan tussen de wolken door. Nog twee dagen en dan was het Kerst. Het zou wel geen witte Kerst worden. Zijn maats zouden wel een paar fijne dagen met hun meisje hebben, want varen tussen Kerst en Nieuwjaar deden ze toch niet. Bij het schaarse

Pagina 114

maanlicht zag hij dat er allemaal letters in de witte verfgekrast waren. Impulsiefzocht hij een scherp stukje basaltscherfen kerfde daarmee eerst een J. dan een hart en daar achter een H. Hij schrok er een beetje van, dat hij deze twee letters in het hout had gegrift. Hij draaide zich om en ging op weg naar huis. Wat in zijn hart leefde, had hij aan het hout toevertrouwd. “Bin je daor oenze Jaawk?” hoorde hij zijn bessien zeggen. “Ja, zal ik de grindel maar op de duur skeuven?” “Nee, want ier zit nog volk in die moet er nog eut.” Toen Jaawk het kamertje binnentrad zag hij ineens Henkien zitten. Hij schrok een beetje, wat moet die hier? “Nou”, zei zijn bessien, “Henkien kwam nog effien buurten, ze mos d’r ulle nog effien op-aolen, in toe zeg ik: wacht effien op Jaawk, dan kan die effien mie om je naor eus te bringen.” “Nou in ik zit ier te wachten op de galante ridder die m’n zal beskarmen”, zei Henkien olijk. Jaawk voelde dat hij kleurde. Gelukkig konden ze bij dat licht van de petroleumlamp niet zien. “Nou”, zei Jaawk, “dan zullen we dat maar effien doen wel?” Even later liepen ze gezamenlijk door de donkere straatjes. Ze liepen zwijgend naast elkaar. In¬ eens voelde Jaawk, dat de arm van Henkien zich door de zijne strengelde en hij nam met zijn grote knuisten die kleine hand helemaal in zijn hand geborgen. Het tintelde door zijn bloed heen. Henkien liep naast hem en haar hand lag in de zijne! “Nou worden m’n vingers niet koud”, zei Henkien zacht. Was er wel een straat onder zijn klompen? In gedachten liep hij over rozen. Als er weer een vlaag wind kwam, drukte Henkien zich stijftegen hem aan. “Wat een wiend!” Ze zeiden het bijna tegelijk. Even later zei Henkien: “Waor wil je m’n ene-bringen, we goon oens eus vorbij.” “Lieve teed, ik ad’ er ielemaol gien arg in”, zei Jaawk. Ze stopten bij de deur en keken elkaar bij het bleke maanlicht aan. Met een beetje schorre stem zei Henkien: “As een jonge een maotjen teusbringt, dan gift die jonge z’n maotjen toch een koes?” Een koes! Jaawk bukte zich een beetje en drukte zijn lippen op haar wang. “Nee Jaawk, een echte koes.” Hen¬ kien pakte met haar handen het hoofd van Jaawk naar zich toe en drukte haar voile lippen op zijn mond. ’t Was net ofer voorJaawk vogeltjes zongen. Voor het eerst van zijn leven hadden vrouwenlippen zijn lippen en had hij vrouwenlippen beroerd. Brutaal beantwoordde hij de kus. Even later zei Henkien: “Nou bin ik joen karsmeid hi?” “Jazieker”, fluisterde Jaawk, “maar dan giefik je nog een koes.” “Genacht, Henkien”, “genacht, karsvrijer.” In gedachten die door elkaar tolden liep Jaawk terug naar het huis van zijn bessien. Hij deed de grendel achter zich op de deur en liep de kamer in. De grote lamp was al uit en op de tafel stond een klein nachtpitje. “Bin je daor oenze Jaawk?”, zei zijn bessien uit de bedstede. “Ja bessien, ik bin er.” Even later had Jaawk zijn baadje, broek en kousen uit en zei: “Nou genacht, bessien.” “Genacht zuun,

Pagina 115

slaap maar lekker.” Jaawk dook de ander bedstede in en lag in het donker te staren. In gedachten voelde hij nog de lippen van Henkien op de zijne. “Nou eaw ik een karsmeid”, met die gedachte sliep hij in en droomde over Henkien, zijn karsmeid!

P.S. Die twee trouwden later en werden een gelukkig paar en ze gewonnen kinderen.

Pagina 116

Bij het ouder worden kunnen, door een klein voorval, toch ineens weer dingen heel scherp voor de geest komen. Misschien zijn deze dingen voor een groot publiek niet zo belangrijk, maar voor het ‘individu als zodanig zijn bepaalde gebeurtenissen als met een stalen voorwerp in steen gegrift. Door weersinvloeden en andere omstandigheden zou het ingegrifte kunnen verbleken, maar wordt er water over gegooid dan komen de ingekraste letters weer tevoorschijn. Dit tevoorschijn komen speelde een rol toen ik bij het rubriceren en inplakken van foto’s een oude foto in handen kreeg, waarop het muziekkorps Adrianus Valerius troonde. Deze foto was gemaakt tijdens het concours te Arnhem. Bovenaan prijkte, op borsthoogte genomen, Louw Kramer; nog in de voile kracht van zijn leven. Mijn gedachten dwaalden terug tot in de twintiger jaren. Voordat ik zelfals bespeler van een instrument in de rijen van het muziekkorps was ingelijfd, gafhet horen van het spelen van een mars door het korps, mij rillingen van genot en liep ik als kleine jongen met de muziek mee. In die tijd werkte Louw Kramer tezamen met mijn vader op de werfvan Wypke Metz. Zij bouwden samen aan de laatste houten hotter die op de werfwerd gebouwd. Het was de UK 16, die voor rekening van Jan Bakker werd gebouwd. Bewust heb ik toen de bouw van dit trotse houten schip meegemaakt. Als het te donker werd om buiten aan te repareren botters te werken, werd in de grote schuur verder gegaan met de 16. De werktijden waren toen nog lang en’s avonds om een uur ofzes moest ik mijn vader koffie met een kadetje brengen. Jannetje van Louwe zat in de kleine kinderen en meestal nam ik dan voor Louw ook de koffie maar mee. Jannetje zorgde dat het blauwe kruikje met koffie klaar stond en het peperhuis met kadetje. Vaak gebeurde het dat als ik kwam, ze samen aan het branden waren van de gangen. De spanten van deze botters waren meestal zware, bijna in de vorm gegroeide takken van inlands eiken. De nauwkeurige vorm werd er met de dissel aan gehakt. De gebogen vorm van de gangen werd door verhitting van het hout verkregen. Wat dit branden betreft, konden Jan en Louw heel goed met elkaar overweg; het was een secuur werk en er moest voor gezorgd worden dat het hout niet teveel door de vlammen van het bosje riet, waarmee werd gebrand, aangetast werd. Er stond dan ook altijd een emmer met water klaar om lekvlammetjes te doven. Terugdenkende hieraan was het toch wel een romantische tijd. Er was nooit een woord van protest om de koffie weg te brengen. De grote houten schuur was fel verlicht op de werkzaamheden, maar er waren van die schrille donkere plekken en er vlogen ook vogels door de nok van de schuur, wat de zaak nog wat enger maakte. In mijn jongensfantasie

Pagina 117

Een “glop” verbindt twee straten met elkaar. zag ik grote vleermuizen door de schuur zeilen. Zo was dan Louwe Kramer in mijn jongste tijd een goede bekende voor mij, vooral toen ik op de kinderen ging passen als zijn vrouwJannetje s middags naar de kerk ging. De bewondering voor de man, die altijd zo kalm en bedaard zijn werk deed, veranderde in verering toen ik hem thuis zag en hoorde spelen, als hij de opgegeven psalmen oefende voor de samenzang ik de kerk. Als ik naast mijn vader op de noordkraak zat en het orgel speelde, bliezen voor mij de engelen op hun trompet en koning David speelde op de harp.

Jannetje, zijn vrouw, voelde met die bekende vrouwelijke intu'ftie de vraag die mij prangde, maar die ik niet durfde te stellen. Op een dag zei ze tegen haar man: “Als het een keertje kan, moet je hem ook eens meenemen naar het orgel in de kerk.” “Nou”, zei Lou, “als de tijd daar is, mag hij wel eens een keertje mee.” Gelukkig werd de tijd van wachten gekort. Op een zondag, toen ik mij meldde voor de oppas, voelde Jannetje zich niet erg lekker en zou thuis blijven. “Ga jij maar met Louw mee”, zei ze tegen mij, “dan is die hoek ook uit de keel.” Wat dit laatste betekende, snapte ik toen niet, maar ik was erg gelukkig met de invitatie. “Kom jongen, we gaan”, zei Louw, en daar stapte ik naast de grote meester vanuit zijn woning, tegenover de oude burgerboet, naar de kerk. Louw klemde tussen zijn hand het boek met de 150 psalmen en enige gezan-

Pagina 118

gen met voor-, tussen- en naspelen van Worp. Tevens had hij nog wat door hemzelfgeschreven muziek bij zich. Ik moest twee stappen doen tegen een van hem, maar het was ofik op rozen liep. Voor het eerst van mijn leven zou ik een voor mij heilige plek betreden. Louw ontsloot de deur links achter in de zaal, die wij bereikt hadden door twee trappen te beklimmen. We kwamen terecht naast het orgel en het was zeer donker. Via een nauwe doorgang achter de orgelkast, kwamen we in het gedeelte waar het klavier voor het bespelen van het orgel aanwezig moest zijn. Het was hier wat netter, er stond een tafel en een paar stoelen. Ook was er zo’n zeshoekige luidspreker. Louw ontsloot een paar deurtjes boven zijn speelbank en mijn ogen zagen niet een, maar twee klavieren. Naast de klavieren zaten aan weerszijden grote, uitstekende knoppen. Later begreep ik dat deze dezelfde functie hadden als de uittrekbare knoppen die boven de speeltafel van een gewoon huisorgel zitten. Ik zei niets en keek maar en nam alles goed ik mij op. Louw zei zacht voor zichzelfheen: “Dan zullen we maar beginnen.” Hij draaide de lcnop om en ik hoorde een zacht trillend geluid, dat was de motor die lucht moest pompen voor het orgel. In de kerk kwam het volk binnen voor de avonddienst. Jochem, de koster, verwachtte veel bezoek, en zette alvast binnen het trouwhek wat stoelen klaar. Stiekem had ik dat gezien, door onder het gordijntje door een blik toe te werpen. In de kerk kwamen de mensen binnen, er was veel geloop, gekuch en gepraat. Op de orgelgalerij kwamen al die geluiden binnen. Die gemengde geluiden leken veel op het murmelen van een snelstromend beekje. Louw zette de door hemzelf geschreven muziek op de lessenaar en begon te spelen. Zijn handen streelden zacht de toetsen en licht van toon herkende ik de melodie van ‘Gebed des Heeren’. Over zijn schouder kijkend, zag ik dat er boven stond: ‘Paraphrase’. Bijna tegen het eind van het muziekstuk gaat er een klein lichtje branden. Dat betekent dat de dominee met zijn kerkenraad in aantocht is. Even later hoorde ik in de luidspreker de dominee de deur van de preekstoel dicht doen, dan wat papiergeritsel en vervolgens kondigt hij de beginpsalm aan: Psalm 99 vers 1 en 2. Er was die avond een gastpredikant, ds. Seinen uit Baarn. Hij preekte over de vraag naar de opstanding, de tekst was Mattheiis 22 vers 31 en 32. Wij zaten elk aan een kant van het tafeltje met daarop de luidspreker. Net voor de preek kwam Hendrik van Veen binnen om ook mee te luisteren. Hij zorgde voor de goede gang van zaken wat betreft de stroom en het geluid voor de mensen die bij de kerktelefoon de dienst meemaakten.

Toen de dominee de tussenzang opgaf, zei Louw zacht: “’t Is wel een baas he? “Louw voor zijn orgel”, een kort voorspel, en dan valt jong en oud in: Psalm

Pagina 119

147 vers 10. Het voorspel moest wat langer, want de diakenen waren bezig met de collectes te verzamelen in hun van lange stokken voorziene zwart fluwelen zakjes. De diakenen die op de ‘kraken collecteerden, wachtten op elkaar en gingen gezamenlijk weer naar hun plaatsen terug. Als je ze zo zag lopen, leken het net van die pauselijke wachten met van die speren. Louw beeindigde zijn spel en de dominee begon aan de toepassing. Na het dankgebed gafde dominee nog op om te zingen Psalm 138 vers 1 en 3. Deze psalm was die avond wel het kroonstuk van de organist. In het voorspel liet hij zijn orgel al juichen en gafmet zijn voeten de bassen opdracht om zich bij deze juichklanken aan te sluiten. Ik kon niet zingen, ik kon alleen maar kijken en luisteren. Er zat een man voor het orgel, die de hele lange week van maandagmorgen tot zaterdagmiddag zware handenarbeid moest verrichten, en die nu met diezelfde handen, als een meester, met zijn spel de gemeente laat juichen en bidden. Hij moet de psalm uit zijn hoofd kennen, want ook de komma’s krijgen bij hem de waarde. Als het derde vers gezongen wordt, is het eerste gedeelte fortissimo, maar bij “Hij slaat toch, schoon oneindig hoog” is daar opeens die bruisende kracht van het orgel getemperd en strelen de vingers van Louw de toetsen. Waardig en zacht volgen de zangers in de kerk de organist. De stemmen van de jeugd, van de vrouwen en de mannen knielen nederig en brengen Hem de eer in hun zang... Als Louw zijn naspel heeft beeindigd, veegt hij even met een grote, rooie zakdoek in zijn ogen en snuit ingehouden zijn neus. Later lopen we samen naar huis; een kleine jongen loopt naast de maestro. Nog weer veel later spelen we samen in de muziek en nog weer later is hij mijn dirigent bij het muziekkorps. Ik herinner me nog dat we naar een concours in Bloemendaal gingen. Met het verplichte nummer (een ouverture) haalden we goede punten maar ons vrije nummer, een psalm met voor-, tussen- en naspel, door Louw bewerkt, oogstte de meeste lof. In het jury rapport stond: “De uitvoering van het vrije nummer was van een zodanige schoonheid en zuiverheid dat de klank van het kerkorgel werd benaderd.” Toen de laatste toon van het naspel verstierfonder het bladerdak van het Bloemendaalse bos, klonk voor de Urkers en hun dirigent een daverend applaus, nadat er eerst een tijdje een ontroerde stilte was geweest. Vanachter mijn trombone, met een brok in mijn keel, zag ik, nadat de laatste tonen verstorven waren, Louw een grote (nee, nu geen rooie) witte zakdoek uit zijn zak halen. Hij snoot zijn neus omstandig, nam zijn bril afen veegde zijn ogen schoon. Zijn orgel had hij nu alleen maar met een stokje bespeeld. En zeker, dat kon hij ook. Zo herinner ik mij Louw Kramer, een musicus bij de gratie Gods.

Pagina 120

op, tenslotte ben ik geboren in het oude pand Wijk 6 nr. 23, om de vraag van een van mijn kleinkinderen op papier te beanrwoorden: “Opa, wat speelden jullie nou vroeger, toen je nog zo’n kleine jongen was?” Ik heb hem toen alle spelletjes verteld die wij zoal deden, zoals sjirtum an de korte, sjirtum an de lange, schrok om et oekien, tollen, hoepelen en verlos. Toen ben ik er maar mee gestopt want hij begreep het toch niet, omdat wij die spelletjes in de speciale sfeer speelden van de ‘ongerbuurt’ met zijn ginkies, pleintjes en korte straatjes. Zo speelden we ook wel ‘krieg’, waar de meisjes ook aan meededen en het spelletje ‘schipper mag ik overvaren’. In ons buurtje hadden we meiden die niet voor jongens onderdeden zoals Inkien van Jenne, Aole van Gaart, Annie van Zwarte, Piet en Klaosien van Anne. Natuurlijk waren er meer meiden, maar die komen nu niet voor mijn ‘fieselemie’. Het was geen gewoonte dat jongens meededen met het touwtjespringen van de meisjes. Als je dat deed was je een meidengek. Heel jong had je natuurlijk een vriendje wat bij je in de buurt woonde; dit was voor mij Japien van Bape van Geze. Die woonde op Wijk 6 nr. 19. Japien was wat jonger en wat kleiner dan ik. Onze wasdom in lengte maten wij ofwe al bij de goot konden reiken van het huis Wijk 6 nr. 88. Ik kon al gauw bij de goot, maar Japien moest springen, totdat hij een keer nieuwe klompen had met daaronder oud drijfriemenleer gespijkerd en zodoende de schande kon uitwissen dat hij de kleinste was; hij kon met zijn vingers om de rand van de ‘geut’ klemmen. Als ik zo de foto bekijk geloofik dat ze bij het opbouwen van het huis de zaak helemaal wat hebben opgekrikt en hoger gemaakt. De westelijke goot zat veel lager dan hij nu is gemaakt. Ik ben bij Gerrit van Annetjen en Jan Baarsen wel eens thuis geweest. Zo waren de ramen van de voorgevel ook veel lager en was het huis meer in de diepte gebouwd. Dit was vooral voor de warmte. Maar we hadden het over spelen. Huiswerk van de lager school hadden we niet, wel lange school uren van negen tot twaalf, met daarin een speelkwartiertje, en’s middags van twee tot vier uur. Totaal dus in een week vierentwintig en driekwart uur stugge lessen. Omdat we random ons heen de zee hadden, was ons spel ook wel op zee geent. Zo was het maken van botters en daar dan mee spelen een geliefde bezigheid. Die botters werden gemaakt van oude klompen voorzien van zeiltuig van oude vodden. Ik had een vriend, Gerrit Post (Poetjen), die bovenaan de Zegenaarshoogte woonde, die

Pagina 121

daar een grote bedrevenheid in had. Op de klomp kwam ook het blokwerk voor, dat nodig was om het zeiltuig te bedienen. Hiervoor gebruikte Gerrit grote kersenpitten en de pit van de rode en blauwe pruim. Met een gloeiend heet gemaakte priem boorde hij dan gaatjes in die pitten waar de touwen door konden lopen. Met veel geduld maakte hij een stukje tak de gaffel van het zeil uit een stuk. Het hang en sluitwerk van het roer werd gevormd door blik van cacaodoosjes. Als hij zijn bottertje van de oude klomp weer wat volmaakt had stond je met verbazing en met afgunstige ogen dit werkstuk te bekijken... Toen de motor in de hotter ging overheersen, maakte Gerrit ook een klompbotter met een motor er in. De motor was een oude kapotte wekker, die Gerrit zodanig transformeerde (door er wieltjes uit te halen) dat er meer toeren werden gemaakt door een asje waaraan de schroefmoest worden verbonden. De as werd gevormd door een stuk dunne priem, die met een stuk van een ventielslangetje was verbonden met het asje van de wekker. De schroefwas weer gemaakt van het cacaoblik. Toen hij zijn eerste prototype klaar had, mochten Jaap en ik als enigen mee om in de eerste sloot getuige te zijn van de proefvaart. Gerrit had zijn schip in een schoenendoos verpakt. We liepen langs de oude vismeelfabriek tot aan het begin van de vuilnisbelt en klommen daar over het grote groene hek dat de gemeentewei afsloot. “Ier vlakbij, an disse kaant van de sloot, drinken de koenen alteed, daor kan ik et bottertjen makkelik in et waoter zetten”, zei Gerrit, terwijl wij achter hem aanliepen tot aan het hek waar het Voorland begon. Gerrit pakte voorzichtig de klompbotter uit de doos. Wat wij zagen was een wonder; onder de klomp zat ook een kiel die vooraan eindigde in een voorsteven en achter bij het roer, waar een uitsparing in gemaakt was waar het schroefje zat. De mast stak her omhoog en daaraan zaten de fok en het zeil. “Oe minsen, kiek daor’s effien, een echte elmstok an et roer”, zei Jappien vol bewondering. “Ja, dat moet”, zei Gerrit, “ik moet et roer vastzetten, dan vaort ie roend in dan komt ie vanzelfwier bij m’n terogge as de wekker of-eloepen is.” Gerrit draaide de grote veer van de wekker op en zei: “Ier, ou m’n aand effien vast, dan kan ik ‘m in et waoter zetten.” Wij hidden samen de hand en de arm van Gerrit vast en deze zette het palletje over en zette het klompschip in het water en... daar ging het voor ons mooiste bottertje wat we ooit gezien hadden. Wij zagen het schroefwater opborrelen en als een echte hotter stoomde het scheepje in een grote boog door de eerste sloot. Gerrit tuurde met zijn heldere blauwen ogen zijn schepping na. Ik keek naar de hotter en naar Gerrit; zijn pet stond wat scheefop zijn hoofd en onder de klep kwam een witte lok haar tevoorschijn. Zijn lippen prevelden: “niet te vaar, niet te vaar.” Het leek alsofde klomp naar hem luisterde, want hij kwam

Pagina 122

mooi in zijn ronding terug. Op het gezicht van Gerrit brak die zachte lach door; om zijn ogen en op zijn wangen kwamen die rimpeltjes, die Gerrit, die stille jongen, zo sympathiek maakten. Zij hadden het niet breed thuis, maar hij kon door zijn knutselen in een andere wereld leven. Later heb ik nog vaak gedacht aan die Gerrit, die maar zat te knutselen in dat oude bouwvalletje, waar Jelle smidjen zijn vak had uitgevoerd. Rechts waar zij woonden had je dat grote huis dat in tweeen bewoond werd. Rechts naast hun woonde een man, waarvan ik alleen zijn voornaam weet. Meestal werd hij Albert Jankes genoemd. Op een goede dag is die man uit het huis gehaald en toen naar het pas gereedgekomen buurthuis gebracht om daar te worden schoongemaakt. Ze vertelden op Urk over hem dat hij eerst in het bad in de week moest worden gezet om hem schoon te krijgen. Deze behandeling heeft hij niet lang overleefd, want hij stierfkort daarna. Dit kon toen gebeuren op een plekje waar iedereen iedereen kende. Het acht geven op elkander werd toen ook al niet in praktijk gebracht. Toen ik hoorde van het levenseinde van mijn vroegere school- en knapenvereniging-vriendje Gerrit Post, liep ik dagenlang met veel vragen: Waarom? En heeft dan niemand een signaal opgevangen van die integere vrijgezel? Het zal ongeveer rond 1930 ofiets later geweest zijn dat er een Lemster visser met zijn gezin de winter op Urk doorgebracht. Zij woonden, aten en sliepen in een klein Lemster aakje. Er was ook een jongen bij van onze leeftijd, die bij ons in de klas geplaatst werd op school. In de bank van Gerrit was nog plaats. Zo kwam de kleine Poepjes, zo heette hij echt, in Urk op school. Van alle jongens vond Gerrit het een gewone naam, en steevast ging hij s morgens voor het schoolgaan zijn vriendje Poepjes ophalen. Zo werd die Lemster jongen een buurgenootje van ons en deed mee met ons spel, waarbij hij menigeen achter zich liet. De winter kwam met grote haast en er kwam ijs. Er werden wedstrijden uitgeschreven. Albert van Inte kwam in zijn goeie doen en verzamelde andere Urkers om zich heen. Zij maakten een baan schoon en schreven wedstrijden uit voor groot en klein. Toen kwam onze Poepjes om de hoek en zei tegen Gerrit: “Ik kan ook wel hard rieden, maar mien skaatsjes binnen te liets.” Gerrit had al wat Fries geleerd en wist dat diets’ klein was. “Nou”, zei Gerrit, “dan niem je mijn skaatsen toch.” Dat kon natuurlijk, maar er was nog een bezwaar. De kleine Poepjes had geen schoenen, alleen maar klompen, dus hij moest de schaatsen onder zijn kousenvoeten binden. Volgens Gerrit kon je op kousen ook schaatsen. Poepjes vertelde toen dat hij altijd op zijn kousen gereden had vanwege het gebrek aan schoenen. “Pas de skaatsen dan efifen”, zei Gerrit. Maar toen kwam niet de aap uit de mouw, maar een grote teen en een knol van een hak uit de kous.... Gerrit was natuurlijk wel

Pagina 123

wat gewend, maar die had zusters die de gaten in zijn kousen stopten als hij op bed lag. “Zo kun je niet op de skaatsen”, zei Gerrit, “want dan bevriezen je bienen.” In gemeen overleg werd in huize Post besloten, dat Poepjes met zijn blote voeten in de klompen naar boord zou gaan en dat de kousen gewassen en gerepareerd zouden worden. Moeder Aole zei nog: “Trek die koesen direct maar eut, dan kan ik ze wassen in bij de kachel angen om ze te drogen.” Toen ze met de kousen wegliep hoorde ik haar mompelen: “Nou, et is maar gat as koes.” Dat laatste nam ik op mijn achterste kiezen, ik ging naar huis en vertelde mijn moeder over de kousen van Poepjes. Die zei: “Ier, niem gaaw dit kloentjen stopgaoren mie nor Aole, in niem die ouwe gestopte koesen van joe mie, dan kan ie die over z’n eagen koesen antrekken.” ’s Avonds zaten de zusters van Gerrit aan tafel onder de petroleumlamp ingespannen de kousen van de Lemster jongen te herstellen. Gerrit had intussen ook niet stilgezeten. In het oude smederijtje had Gerrit nog een brokje zandsteen gevonden, daar een bakje bij gemaakt en bij het licht van het petroleumlampje zaten de vriendjes de schaatsen voor de wedstrijd in optima forma te slijpen. Dit kon Gerrit, de constructeur: “Mit dit ees moet je een goeie oogkaant eawen.” Er werd afgesproken, dat we’s morgens na school eerst oefenen zouden. Jelle van Klaos de smid was er ook bij. Hij zag Poepjes schaatsen en zei: “Daor wint et gien mins van.” En dat was ook zo. Poepjes schaatste de rollen vet en de karbonades bij elkaar. “Nou”, zei Albert van Inte, “dan wil ik ok zien ofij et van Willem

De werfvan degebroeders Roos aan de Westhaven.
Pagina 124

van Meindert van Okke Meindert winnen kan, ik zet er een stok spek tussen.” Willem was onze beste korte baanman in die dagen. Zelfs Louis van Oudenaarden, die draaier was bij Hoekman, kon niet altijd van hem winnen. De baancommissie gnuifde, zij wilden dat ook wel eens zien, dat jongetje op zijn kousen tegen Willem. Albert van Inte besliste dat de kleine Poepjes tien meter voor mocht hebben, dus hij behoefde maar zeventig meter afte leggen en Willem tachtig meter. “Jonges, niet zo dichtbij, angers komr er te vuul waoter op et ees.” Albert was zo druk in de weer, dat de ringetjes in zijn oren geen rust kregen. “Is dat nou wel aarlik Albert?” vroeg iemand, “dat die Limster tien meter minder oeft te skaosen?” “Jazieker is dat aarlik, dat jongetjen et toch vuul korter bienen, begreep je?” De schaatsers stonden klaar. “Jonges, aarlik doen oor, ik tel drie tellen in bij drie mag je goon. Een, twee, drie!!!” Daar stoven ze weg. Willem liep in en wij riepen tegen onze Lemster vriend: “Zet gank, zet gank, lot je niet kisten.” Ze stoven op de eindstreep aan die door twee vlaggetjes was aangegeven. Albert van de ouwe boas zat op zijn hurken in een lijn met de vlaggetjes om te zien wie ofde eerste zou zijn. Toen ze de eindstreep passeerden sprang Albert op en riep: “Gelik, gelik, ze wazzen geliek.” “Wat moeten we dan, over rijen Willem?” vroeg Albert van Inte. “Nee”, zei Willem, “giefdat spek maar an die jonge, want ij kan rijen.” “Nou minsen, jului oren et, Willem gift die spek an oenze Limster, in dat doen we, maar vor mij ei jie dan ewonnen.” Vol trots nam onze Lemster Poepjes zijn gewonnen etenswaren mee naar het Lemster aakje. Later kwam daar nog het stuk spek van Albert van Inte bij.

Voor die winter was het natuurlijk Sinterklaas geweest. A1 vroeg was ik begonnen om stevig bordpapier (karton) te pakken te krijgen en daar heb ik veel geluk bij gehad. Wat was namelijk het geval? Als er in een huis een nieuwe zolder werd gemaakt, dan lagen die dunne balken niet zover uit elkaar als die oude dikke balken. Tussen de nieuwe balken werd dan stevig geprepareerd kar¬ ton gespannen en met latten vastgemaakt. De balken kregen een kleur en het karton werd ook geverfd. De Iaatste laag die op het karton werd geverfd was een zeer gladde lak, meestal was dit appelbluuisef. Als dit met de schoonmaak werd uitgenomen, glom het weer als een spiegel. Nu, van dit karton had ik wat op de kop geduikeld en hiervan maakten Japien en ik een hele mooie mijter. Broer Flip was toen nog zeer ijverig in het figuurzagen, en die bepraatte ik om een mooie krul van dik triplex uit te zagen, die we dan op een lange bezemstok spijkerden. Ons voorbeeld voor kleding en verder uitrusting van Sint en Piet haalden we uit de advertenties die in de krant stonden. We hadden al wat geld

Pagina 125

gespaard door zand te verkopen, waarvoor wij een cent per emmer vroegen. Tenslotte moest je toch strooien kunnen en dat waren natuurlijk pepernoten. We hadden een paar adressen waar wij op bezoek gingen en waar we een kleine vergoeding kregen. Mensen die het niet zo breed hadden werden via de kamerdeur verrast met een strooipartij. Volgens ingewijden was de mijter van een uitzonderlijke schoonheid. Toen dan ook ‘strooiersavondje’ was aangebroken, werd alles in het werk gesteld om Sint en Piet een waardig en getrouw aanzicht te geven. Japien had intussen niet stilgezeten en had een grote zwarte directoir met elastiek in de pijpen op de kop getikt. Daarbij een zwart vestje en een wit nachthemd van zijn mimme daaronder. Op een zware baret hadden we een grote meeuwenveer genaaid, nadat wij de veer in rode verfhadden gedompeld. Ook ik als Sint had een lang wit nachthemd aan van moeder en daarover weer een rood overgordijn, waar de ringen nog aanzaten, maar na overleg lieten wij die er aan zitten omdat ze een mooie koperkleur hadden. De baard was een wonder op zich, want ik had onder de bedstede in de gang van dat mooie witte haar gevonden. Hoe dat daar kwam? Nu, broer Flip was bij de radiocentrale en het was druk met nieuwe abonnees aan te sluiten. De draden liepen langs de huizen over van die porseleinen potjes die op een bout geschroefd waren. Om die potjes goed vast te zetten, werd er van dat witte haar om die schroefdraad gedaan. En daar kwam nu de baard van Sinterklaas vandaan. Met wat rood krijt kreeg Sinterklaas van die mooie rode wangetjes. Maar zwart krijt was er niet voorhanden. “Daor moet je roet vor gebrukken”, zei een van de broers van Japien. Op het achtererfstond een ‘duveltje’ en met het roet daaruit werd Jaap zwart gemaakt. Nu was dat roet van uitzonderlijke kwaliteit, want geloofmaar dat er in zo’n ‘duveltje’ stevig gestookt werd met terig hout. Na ons Sinterklaasspel heeft het wel veertien dagen geduurd voor en aleerJapien weer zijn blanke gelaatskleur terug had. O ja, om de broek van zwarte Piet zo echt mogelijk te doen lijken, hadden we er wat kranten bij gedouwd, zodat de directoire lekker bol stond. Wij dus op pad; het was echt sinterklaasweer met een natte mist. De misthoorn op de vuurtoren liet zijn klagelijke toon over water en dorp horen en er waren niet veel mensen op straat. Maar dat mocht hem allemaal de mijter niet drukken, wij waren de echte Sint en Piet van de onderbuurt. We spraken zelfs gebroken Spaans met elkaar (met Urkers gelardeerd) waar we ook op be¬ zoek waren. De roet was zeer vet, dus Japien kon zijn grijnslach wel verkopen. Zijn mooiste geste was als hij de pepernoten rondstrooide, de kinderen raapten dan als dollen om de noten te bemachtigen. Een Urker zou zeggen: het was toen niet zo zwiet, dat wil zeggen dat er wel wat gebrek was, dus een pepernoot was een welkome aanvulling op het rantsoen. Japien had een adres waarvoor hij

Pagina 126

wat pepernoten had bewaard. Wij kwamen daar aan, de voordeur stond open en wij kwamen in het portaaltje, maar veel lichc was er niet. Hierdoor zagen we ook de klompoen niet die daar allemaal stonden. De Sint strompelde over een grote klomp en klapte tegen het kamerschot aan. De bewoners schrokken zich een hoedje. Japien struikelde over de Sinterklaas heen met zijn zwarte kop tegen de kamerdeur, die open vloog en daar lag hij, halfin de kamer. Door het schamele licht van de petroleumlamp zagen de aanwezigen alleen maar zijn lichtblauwe ogen in zijn zwarte smoel. Maar met veel tegenwoordigheid van geest riep Japien Piet: “Zijn hier nog stoute kindertjes, nee he? Dan krijgen jullie wat lekkers.” Piet greep in zijn zak en gooide een handvol pepernoten door de kamer. Het was blijkbaar al laat, want uit een bedstede kwamen kinderen om ook mee te graaien. Voor de ‘kesse’ stond de pot en met de tweede gooi kwamen daar ook wat pepernoten in terecht. Geen bezwaar, hij was schoongeboend en er zat nog geen plas in, dus ook deze pepernoten werden smakelijk verorberd. Wij hoorden: “Nou op-ouwen jelui, vooruit, in je nest.” Wij als Sint en Piet wisten, dat nu ook onze tijd gekomen was om onze Spaanse kuierlatten te strekken. Weer buiten, lachten we smakelijk om de pepernoten in de nachtspiegel en om de herrie die we gemaakt hadden. “IJ jie je niet bezaard, Japien?” “Welninnik, ik kwam zo zacht neer duur al die kraanten die in m’n broek estopt wazzen.” Zo eindigde ons sinterklaasavontuur, want de mijter was door de val meer op een vliegenierskap gaan lijken en de krul van de stafwas ook gebroken.

Oudere Urkers die dit lezen zullen zich herinneren dat tegenover de winkel van Jan Gerssen (‘Albino’) een parkje was aangelegd, waar wat bomen stonden. Tegenover de oude groentewinkel van Marie van Naat was het omringende hek naar binnen geplaatst omdat daar een pomp stond. Hier kon grondwater mee opgepompt worden, maar later werd er ook zo’n standpijp geplaatst, omdat de slingerpomp steeds aan de gang moest worden gemaakt. Later werd dit parkje ons afgepakt omdat daar door de gemeente een huis werd gebouwd waar een politieagent in moest gaan wonen. De Hermandad op Urk werd uitgebreid met rijkspolitiemensen. Voor ons was dit parkje een stuk speelterrein. Ook concerteerden wij daar later met de mondorgelclub onder leiding van Jan van Dalfsen. Voor twee kwartjes had de omroeper bekend gemaakt dat er een concert gegeven zou worden. Ook gaven we daar filmvoorstellingen. Dat wil zeggen Pieter Gerssen van Albino had een toverlantaarn die door een elektrisch lampje verlicht werd. Een laken werd tussen de bomen gespannen en Pieter toverde ons de beelden voor. Ook zat er aan die toverlantaarn een rolletje waarover een

Pagina 127

Het ‘klareri van ansjovisnetten op de

filmpje draaide dat met de hand rondgedraaid moest worden. De filmbeeiden waren van een gymnast die oefeningen deed aan een rekstok. Naarmate de snelheid waarmee werd gedraaid harder ofzachter werd, kwamen er leuke dingen voor ogen. Als hij de zwaai maakt en de benen van de sportman helemaal naar boven stonden, stopte Pieter en dan riep hij: “Komt hij er over jongens?” Als er dan geantwoord werd: “nee”, liet Pieter hem erover gaan, maar als er geroepen werd “ja”, dan draaide Pieter het filmpje terug en viel de sportman terug Nu moet u niet denken dat Jan Gerssen zo rijk was, want ondanks zijn winkel moest hij er nog bij werken. Maar toen was het ook al zo, dat als de winkelier van een artikel veel afnam, daar ook lokcadeaus tegenover stonden. Zo kwam Pieter in zijn dagen aan dat speelgoed, dat voor ons te duur was. Voor de rest moesten wij ons maar vermaken en veel fantasie gebruiken.

Tegenover ons woonden Bape en Jan van Hinderikus. Johanna was de oudste, dan kwam Teunis, die later schilder werd, en dan Hinderikus, vernoemd naar zijn opa, die weer een broer van mijn opa was. Hinderikus was een doener en had altijd wel een paar dubbeltjes op zak. Hij was ook een concurrent van ons wat betreft het verhandelen van zand, grit en schelpen. Voor dag en dauw was

Westhavenkade.
Pagina 128

hij in de weer om langs het strand het kippengrit op te scheppen en in zakjes te doen. Dit verkocht hij dan aan mensen die kippen hielden. Ook een bezigheid van hem was vis roken. Dat deed hij samen met de familie. Midden op het plein tussen hun huis en de schuur van Jan Gerssen, waar later Flip en Geertje gingen wonen, stond een tweehonderdlitersvat waar paling en pooien in werden gerookt. Soms waagde hij zich aan de schar en geep. De buren vonden dit allemaal heel gewoon en hielden deuren en ramen gesloten om geen last van de rook te hebben. Dit was gewoon iets wat bij het leven van alledag behoorde. Van ondermaatse aaltjes hadden we nog nooit gehoord, want Hinderikus rookte alleen maar ondermaatse. De prijs werd nooit duurder dan een dubbeltje per bosje. Een klein reepje vetvrij papier werd om de kopjes gedraaid en daar weer een elastiekje om. Zo werd’s avonds aan de deur gevent, waar ook zijn broeder Harm aan moest geloven. Hinderikus was een zeer goede doe-hetzelver en speelkameraad. Zo kwam hij ertoe om in het park’ voor ons een groot spektakel op te voeren. Zijn trouwe vazal was Lub, de tweede zoon van Jannes Schenk en Abbe, die toen achter het huis van Louw Nentjes, de ouders van de Ober, woonden. Die Lub durfde alles en klom op de hoogste daken om duiven te vangen. Kortom, Lub was een durver en daarbij erg ‘rad’ (elastisch). In het park was geen boompje voor Lub veilig. Zo kwam Hinderikus er om een apenpak voor Lub te maken. Hij had wat donkere suikerzakken verzameid en daar werd dat pak van gemaakt. Zelfs een staart was erin aan gebracht, die opgevuld was met een stuk bezemsteel. Er werd proefgesprongen met die staart, maar de flexibiliteit van die staart was niet genoeg, zodat Lub uit de boom viel. Gelukkig ving Hinderikus hem op en samen rolden ze over de grond. De staart werd wat flexibeler gemaakt door de stok te vervangen door een stuk slang. De staart werd nu wel dikker, maar wij waren op gezag van Hinderikus ervan overtuigd dat er ook apen waren met van die dikke staarten. Zo was dus de ‘dolland’, een aap gemaakt, en Hinderikus voerde hem mee met een dun kettinkje om zijn nek. Het was een groot spektakel met nog meer apen daarbij dan alleen de ‘dol¬ land’, maar hij stal wel de show met zijn gedurfde act, van de ene op de andere tak. Maar... alle takken waren niet even sterk en het moest een keer gebeuren. Onze aap werd steeds maar driester. Met een zoeklicht moesten wij hem opsporen tussen het lover van de bomen. En het gebeurde een keer. Wij waren de aap kwijt, maar ineens hoorde we gekraak en de aap stortte op de grond. Lub aap bleefdoodstil liggen en schrik deed ons verstijfd staan. Niemand durfde er naar toe te gaan. Tot Hinderikus de stoute klompen aantrok en naar Lub toeging. Zachtjes zei hij: “Ei je je zaar edoon Lub? Wat mankier je?” Lub gafeen luide schreeuw, sprang op en klom weer in een boom. Hinderikus zei even later:

Pagina 129

“Man, ouw op, ik docht dat m’n arte stille sting van de skrik.” Toch was door die val het feest gauw afgelopen. Ik vertelde al dat Hinderikus een concurrent van ons was betreffende het verkopen van zand. Maar hij wilde ons ook overtroeven in ons spel. Zo speelden wij ook paarden, zo getrouw mogelijk, want auto’s waren er natuurlijk nog niet. Ik had een kar gemaakt van fietswielen, die van Hinderikus had een onderstel van een kinderwagen. Er was ook een slurf aan gemaakt. De ‘dolland’ was zijn paard. Elke keer moest er wat nieuws ge¬ maakt worden om elkaar te overtroeven. Japien was mijn paard en daar hadden ze thuis een tuig van een bok. Wij maakten van dat tuig ofspan gebruik, maar het hoofdstel was natuurlijk te klein voor het hoofd van Japien. Het antwoord van Hinderikus was dat hij een hoofdstel fabriceerde met kleppen voor de ogen en onze ‘dolland’ ook een bit in zijn mond had, gemaakt van een hele grote spijker. Japien zei: “Ik goon niet mit een spikker in m’n bek lopen.” Goed, we vonden er wat op, door een lemoen aan onze kar te fabriceren waarmee het paard de kar ook achteruit kon duwen. Het antwoord van Hinderikus was dat hij ons aftroefde met twee paarden voor zijn kar, elk aan de kant van zo’n middenboom, waar ook de achteruitrijdact mee kon worden uitgevoerd. Jaap en ik waren moedeloos. Tegen Hinderikus kon je niet op. Tot ik een lumineus idee kreeg. Toen we onze paarden weer inspanden en Jaap tussen het lemoen sclioof, draaide hij een beetje met zijn kontje heen en weer, en wat zagen we? Ons paard had een staart! We hadden weer gebruik gemaakt van het materiaal waar de baard van Sinterklaas van was gemaakt. Daar kon Hinderikus niet tegenop en een beetje treiterend zei ik: “Meen paard et lekker een nije start. Vooruit Bles!” En ik klikte met mijn tong, zoals de ‘Zeeman’ altijd deed.

Pagina 130