BRUSSEL LEEFT / BRUXELLES VIT 2020.10

Page 1

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 1


KONINKLIJKE MUZIEKFEDERATIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST vzw Hoge Bescherming: Zijne Majesteit de Koning Beschermcomité: Erevoorzitter : Guy VANHENGEL : Eerste Vicevoorzitter Brussels Parlement Vice-erevoorzitter: Carla DEJONGHE : Lid Brussels Parlement Dagelijks bestuur VAN NEROM Edgard, Voorzitter

e-mail: edgard.vannerom@skynet.be

HUYBANDT Marijke, Secretaris

e-mail: marijke_huybandt@hotmail.com

HUYBANDT William, Penningmeester

e-mail: william.huybandt@telenet.be

Raad van bestuur : dagelijks bestuur + onderstaande e-mail: katleen.tilley@telenet.be DE KLIPPEL Roland e-mail: cecile.van.camp@skynet.be

VAN CAMP Cecile

e-mail: vanneyghemlieve@gmail.com

VAN NEYGHEM Lieve

Algemene vergadering : dagelijks bestuur + raad van bestuur + onderstaande e-mail: michaelhuybandt@hotmail.com HUYBANDT Michaël

CONTACT KMF BHG / FRM RBC

CONTACT VIA MAIL: muziekfederatie@hotmail.com

Fijne charcuterie - Belegde broodjes Charcuterie fine - Sandwichs garnis Plattesteen 4, 1000 Brussel Tel : 02 512 06 37 Van maandag tot vrijdag / Lundi au vendredi

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 2


INHOUD/CONTENU Bestuur KMF BHG // Comité FRM RBC ............................................................................. 02

Inhoud ................................................................................................................................ 03

Agenda & activiteiten verenigingen …………………………..………….......................................... 04

Proficiat – Félicitations…………….…………………………..….………………....................................... 06

De aansprakelijkheid van de leden van een vzw…..………………........................................... 09

325 jaar geleden overleed de componist Henry Purcell….…….…..……................................ 12

Il y a 325 ans que le compositeur Henry Purcell est décédé……………………......................... 19

Verdriet, melancholie en emotie in de muziek…………………….. ……………….…………...............24

Koning Ludwig II van Beieren en de componist Richard Wagner.…………………………………....39

Ludwig II de Bavière et Richard Wagner……………………………….…….…………………………….......47

Colofon………………………………………………………………………………………………………………………….58

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 3


AGENDA 2020 KONINKLIJKE MUZIEKFEDERATIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

FEDERATION ROYALE MUSICALE DE LA REGION BRUXELES -CAPITALE ONDER VOORBEHOUD – SOUS RESERVE

22/11/2020 11.00u / h

Sint Ceciliaviering – Célébration Ste. Cécile Sint-Michielskerkkerk – Eglise Sint-Michel – Brussel/Bruxelles Met de medewerking van het muziekensemble van de K.H. St.-Cecilia Evere Avec la collaboration de l’ensemble musical de l’H.R. Ste Cécile - Evere

../12/2020 ……………

Muziekconcerten tijdens de Brusselse kerstmarkt Concerts lors du marché de Noël Bruxelles

Wij nodigen al onze verenigingen uit tot deelname aan onze activiteiten. Uiteraard zullen wij u eerstdaags, per E-mail, verdere informatie bezorgen over de plaats en de inhoud van de evenementen. Ondertussen kunt u deze data reeds vrijhouden. Muzikanten en bestuursleden, wij rekenen op uw deelname. Samen met de medewerking van onze verenigingen willen wij, in een vriendschappelijke sfeer, muziek beleven en er hoogstaande culturele activiteiten van maken, uw vereniging, onze organisatie en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waardig. Bedankt voor uw bijzonder gewaardeerde medewerking.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 4


ACTIVITEITEN VERENIGINGEN 2020 ACTIVITÉS SOCIÉTÉS 2020 ONDER VOORBEHOUD – SOUS RESERVE 11/10/2020 15u/h

Koninklijke Harmonie Sinte Ceciila/ Harmonie Royale Sainte Cécile – Evere Koffieconcert - Concert de café GC Everna- CC Everna – St. Vincentiusstraat- rue Saint Vincent 30 - Evere

15/11/2020 9.45 u/h

Koninklijke Filharmonie – Jette / Filharmonie Royale de Jette Sint Cecilia misviering – Messe de Sainte Cécile Sint Pieterskerk - Eglise Saint Pierre – Kardinaal Mercierplein – Place Cardinal Mercier – Jette

05/12/2020 11u/h

Koninklijke Harmonie Sinte Ceciila/ Harmonie Royale Sainte Cécile – Evere St. Ceciliafeest, misviering, muziek, banket en dans Fête de Sainte Cécile, messe, musique, banquet et danse GC Everna- CC Everna – St. Vincentiusstraat- rue Saint Vincent 30 - Evere

05/12/2020 20u/h

Koninklijke Filharmonie – Jette / Filharmonie Royale de Jette Galaconcert – Concert de Gala

De artikels voor de volgende editie van ons tijdschrift dienen uiterlijk in het bezit te zijn van de redactie vóór 1 DECEMBER 2020 Les articles pour la prochaine édition doivent être en possession de la rédaction pour le 1 DECEMBRE 2020 au plus tard

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 5


PROFICIAT - FELICITATIONS Op 10 oktober 2020, gaven een stralende bruid, Marijke Huybandt, lid van de Raad van Bestuur van de Koninklijke Muziekfederatie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en een glunderende bruidegom, Stijn De Nil elkaar het jawoord in het gemeentehuis te Opwijk, gevolgd door een sfeervolle en emotionele eucharistieviering en huwelijksinzegening in de Onze-Lieve-Vrouw-vanhet-Heilig-Hartkerk te Asse- Walfergem. De Koninklijke Muziekfederatie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen Marijke en Stijn van harte proficiat en heel veel geluk. Zij zijn nu een mooi leven begonnen, een leven van geborgenheid doorheen het wel en wee van de dagen. Moge de liefde in hun nog verder openbloeien en moge de band die hen verbindt steeds hechter worden. Muziek is liefde en liefde is muziek. Muziek die liefde speelt op de snaren van hun hart. Dat Marijke en Stijn onderling mogen zijn, zoals de noten van een mooie muziekcompositie, elke noot met haar eigen betoverende klank, gebundeld tot mooie melodieën op de onuitputtelijke thema’s van liefde en geluk. Dan wordt hun huwelijk een hartelijke volmaakte symfonie, steeds crescendo, forte, fortissimo… Wij wensen het hun van harte.

Le 10 octobre 2020, Marijke Huybandt, une éclatante mariée, membre du Conseil d’Administration de la Fédération Royale Musicale de la Région Bruxelles – Capitale et un radieux marié, Stijn De Nil se sont civilement donné le oui dans la maison communale d’Opwijk. Ils ont ensuite célébré le sacrement de leur mariage dans l’Eglise de Notre Dame du Sacré Cœur à AsseWalfergem avec une charmante et émouvante messe solennelle. La Fédération Royale Musicale de la Région Bruxelles-Capitale félicite Marijke et Stijn de tout cœur et leur souhaite plein d’amour et de bonheur. Ils ont entamé une nouvelle vie, que nous leurs souhaitons fructueuse de bonté, de santé et fraternité ceci tout au fil des jours. Puisse l’amour encore s’épanouir dans leur vie et que leur union encore se renforce durant leur vie. La musique est l’amour et, l’amour est la musique. La musique l’amour du cœur. Que Marijke et Stijn fassent de leur mariage une symphonie parfaite, comme les notes d’une belle composition musicale, toujours crescendo, forte, fortissimo… C’est tout ce que nous leurs souhaitons.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 6


“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 7


“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 8


DE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE LEDEN VAN EEN VZW In de vorige Review (VZW-Review nr. 189, blz. 12-16) stonden we uitgebreid stil bij de regels inzake bestuurdersaansprakelijkheid. We haalden er het principe aan dat er in de regel geen persoonlijke aansprakelijkheid geldt in een vzw, maar dat het principe onder omstandigheden kan doorbroken worden. In deze bijdrage staan we stil bij de aansprakelijkheid van de effectieve leden van de vereniging. Ook hier kunnen we stellen dat de effectieve geen persoonlijke aansprakelijkheid dragen. 1. Effectieve leden We benadrukken dat deze tekst de aansprakelijkheid van de effectieve leden bespreekt en dus niet de aansprakelijkheid van de toegetreden (of aangesloten) leden. Toegetreden leden zijn leden die genieten van de activiteiten van de vereniging, tegen al dan niet een betaling van een lidgeld. Zij hebben geen stemrecht op de algemene vergadering, beschikken niet over de rechten de plichten van de effectieve leden en hebben geen inbreng bij het bepalen van het beleid van de vzw. De toegetreden leden worden dan ook niet beschouwd als leden in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV). De toegetreden leden dragen dan ook geen aansprakelijkheid voor eventuele schulden van de vzw of voor schade die voortvloeit uit de gebrekkige organisatie van een vzw-activiteit. Het WVV regelt enkel de rechten en verplichtingen van de effectieve leden, niet van de toegetreden leden. De effectieve leden zijn in eerste instantie de leden–oprichters (die de oprichtingsakte ondertekenen) en diegenen die na oprichting als effectief lid worden aanvaard op basis van de regeling zoals bepaald in de statuten. De effectieve leden maken deel uit van de algemene vergadering, het hoogste beleidsorgaan van de vzw en beschikken over meerdere rechten, zoals bijvoorbeeld het stemrecht op de algemene vergadering en het recht om de algemene vergadering te laten samenroepen. Ook de effectieve leden zijn in de regel niet aansprakelijkheid voor eventuele schulden van de vzw of voor schade die voortvloeit uit de gebrekkige organisatie van een vzw-activiteit. Het verder gebruik van de term lid of leden in deze tekst heeft steeds betrekking op de effectieve leden. 2. Geen persoonlijke aansprakelijkheid Het WVV bepaalt uitdrukkelijk in artikel 9:1: De vzw is een vereniging met rechtspersoonlijkheid waarvan de leden in die hoedanigheid niet aansprakelijk zijn voor de verbintenissen die de vereniging aangaat. In tegenstelling tot bij de bestuurders, voorziet het WVV niet in een uitgebreide wettelijke regeling met uitzonderingen op dit principe. Zij lopen geen enkele persoonlijke aansprakelijkheid op voor de handelingen van de vzw. De effectieve leden kunnen wel gehouden zijn tot betaling van een jaarlijkse bijdrage, indien deze wordt gevraagd. In voorkomend geval moet het maximumbedrag van de bijdragen in de statuten opgenomen worden. Een lid dat zijn bijdrage niet betaalt, kan geacht worden ontslag te nemen.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 9


3. Beperkte uitzonderingen voor specifieke handelingen a) Verbintenissen aangegaan door de leden van een vzw in oprichting Artikel 2:2 WVV bepaalt: Tenzij anders is overeengekomen, zijn zij die in naam van een vzw in oprichting en vooraleer deze rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, in enigerlei hoedanigheid een verbintenis hebben aangegaan, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk, behalve wanneer binnen twee jaar na het ontstaan van de verbintenis rechtspersoonlijkheid werd verkregen en de rechtspersoon die verbintenis binnen drie maanden na voormelde verkrijging van de rechtspersoonlijkheid heeft overgenomen. Verbintenissen overgenomen door de rechtspersoon worden geacht door hem te zijn aangegaan vanaf het ontstaan van die verbintenissen. Wat betekent dit in mensentaal? Het is zo dat diegenen die de vzw zullen oprichten, reeds vóór de oprichting van de vzw, al de nodige verbintenissen kunnen sluiten. De bedoeling hierbij is niet om zelf deze overeenkomst in eigen naam te sluiten, maar in naam van de vzw (in oprichting). Zolang de vzw effectief wordt opgericht, zal deze verbintenis ook effectief overgedragen worden op de vzw. Echter, als men om één of andere reden de vzw toch niet opricht, dan zullen de ondertekenaars van dergelijke verbintenis persoonlijk en hoofdelijk moeten opdraaien voor de volledige geleden schade van de contractspartij. De voorwaarde om persoonlijke aansprakelijkheid te vermijden is dan wel dat de vzw opgericht wordt (rechtspersoonlijkheid verkrijgt) binnen de twee jaar na het ontstaan van de verbintenis en dat de vzw die verbintenis binnen drie maanden na oprichting heeft overgenomen. Deze overname kan gebeuren door een bijlage toe te voegen aan de oorspronkelijke overeenkomst. In de praktijk zal dit echter gebeuren door de effectieve uitvoering van de overeenkomst door de vzw. Men kan deze aansprakelijkheid inperken door de verbintenissen te sluiten onder de ontbindende voorwaarde van de oprichting van een vzw en van overname van de verbintenis door de vzw. Dit wil zeggen dat als de vzw niet effectief wordt opgericht of zij die verbintenis niet overneemt, dat het contract dan vervalt. Als tip geven wij mee om altijd eerst de vzw op te richten en om vervolgens pas verbintenissen af te sluiten. b) Oprichtersaansprakelijkheid? Een belangrijk verschil tussen vennootschappen en verenigingen ligt in de oprichtersaansprakelijkheid. Die is er niet bij de oprichting van een vzw. Vooraleer men een vzw opricht, dient men geen financieel plan op te stellen. Dit moet wel gebeuren bij de oprichting van een vennootschap. Indien een vennootschap failliet gaat binnen drie jaar na oprichting en indien het kapitaal bij de oprichting ontoereikend was voor de normale uitoefening van de activiteiten over ten minste twee jaar, dan zijn de oprichters hiervoor aansprakelijk. Wat wel mogelijk is bij de oprichting van een vzw, is dat de oprichters aansprakelijk zijn indien ze een vzw oprichten om schade te berokkenen aan anderen of om bepaalde wetgeving te omzeilen. Derden kunnen dan de oprichters aanspreken voor de fouten die ze zouden hebben begaan op voorwaarde dat deze derde een fout, schade en een oorzakelijk verband kan aantonen tussen de fout en de geleden schade. “BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 10


Deze aansprakelijkheid mag niet verward worden met de faillissementsaansprakelijkheid voor bestuurders van grotere vzw’s, die we hebben toegelicht in VZW-Review nr. 189, blz. 12-16. c) Aansprakelijkheid bij niet vermelden van de vzw-gegevens Artikel 2:20 WVV bepaalt: Alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders, websites en andere stukken, al dan niet in elektronische vorm, uitgaande van een rechtspersoon moeten de volgende gegevens vermelden: 1° de naam van de rechtspersoon; 2° de rechtsvorm, voluit of afgekort; 3° de nauwkeurige aanduiding van de zetel van de rechtspersoon; 4° het ondernemingsnummer; 5° het woord “rechtspersonenregister” of de afkorting “RPR”, gevolgd door de vermelding van de rechtbank van de zetel van de rechtspersoon; 6° in voorkomend geval, het e-mailadres en de website van de rechtspersoon; 7° in voorkomend geval, het feit dat de rechtspersoon in vereffening is. Het is belangrijk dat deze stukken de gegevens bevatten. Hij die namens een vzw meewerkt aan een akte of website die niet voldoet aan de in artikel 2:20 bedoelde voorschriften kan, naar gelang van de omstandigheden, aansprakelijk worden gesteld voor de daarin door de rechtspersoon aangegane verbintenissen (artikel 2:20 WVV). Deze aansprakelijkheid geldt voor iedereen, dus niet enkel voor effectieve leden, maar ook voor bestuurders, toegetreden leden, losse medewerkers, vrijwilligers, personeelsleden, …

4. Burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid Voor de volledigheid geven we nog mee dat uiteraard ook nog steeds de algemene regels inzake burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid een rol spelen, ook tijdens het verenigingsleven. Wie schade toebrengt aan een ander of aan zijn bezittingen, kan hiervoor (burgerrechtelijk) aansprakelijk gesteld worden (behoudens dekking door bijvoorbeeld een vrijwilligersverzekering). Wie strafrechtelijke inbreuken pleegt, kan hiervoor ook gesanctioneerd worden.

Overgenomen uit het tijdschrift Review van VSDC

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 11


325 JAAR GELEDEN OVERLEED DE COMPONIST HENRY PURCELL

Een van de beroemdste composities van Henry Purcell heeft de bijnaam “de gouden sonate”. En inderdaad ligt er dikwijls een stralende, gouden glans over zijn werken, maar tegelijkertijd ook een zachte, ondoorgrondelijke zwaarmoedigheid. Alle werken van Purcell hebben steeds weer die verheven stemming. De prachtige passages zijn doortrokken van een betoverende melancholie. Henry Purcell leefde in het Engeland van het herstel van de monarchie in 1660 na de burgeroorlog en Oliver Cromwell’s puriteinse bewind. Het was een bloeitijd van de kunst en de literatuur, vooral wat theater betreft. Als hofcomponist van Charles II en als organist van de Westminster Abbey en de Koninklijke Kapel schiep Purcell een rijkdom aan koormuziek voor plechtige gelegenheden. In zijn talrijke instrumentale werken baseerde hij zich op de gangbare Italiaanse en Franse stijlrichtingen, maar hij componeerde steeds oorspronkelijke werken met een eigen karakter. Henry Purcell werd in 1659 geboren in Westminster, Londen. Zijn vader, Henry Purcell senior en zijn oom Thomas Purcell waren muzikanten aan het hof in Londen. Waarschijnlijk waren de twee broers afkomstig uit een familie van houtakkers en als kind “gekidnapt” om als koorknaapjes in de hofkapel te gaan dienen. Later hadden zij de rang van “Gentleman of his Majesty’s Chapel”.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 12


Henry Purcell senior overleed toen zijn zoontje Henry vijf jaar was. Het was nonkel Thomas Purcell die voor de opvoeding van de kleine Henry en die van zijn broers Daniël (die ook componist was) en Edward zou zorgen. Van de moeder is alleen haar voornaam, Elisabeth en het jaar van overlijden 1699 bekend. Het is vanzelfsprekend dat de jonge Henry in de voetsporen van zijn vader en zijn oom, koorknaapje werd bij de Chapel Royal, onder de leiding van “Master of the Children”, captain Henry Cooke en zijn opvolger Pelham Humfrey. De Koninklijke Kapel in Londen, waar Purcell als musicus aan was verbonden, werd opgericht in de 13e. eeuw. Oorspronkelijk bestond zij uit geestelijken en musici die kerkmuziek verzorgden voor het hof. Henry VIII, zelf een hartstochtelijke muziekliefhebber, verzamelde de beste zangers en instrumentalisten in deze kapel, die in de tijd van de Tudors grootheden kende als Thomas Tallis, William Byrd, Orlando Gibbons en Thomas Morley. Purcell was precies op het juiste moment geboren. Het jaar voordien was de dictator Oliver Cromwell overleden en het jaar nadien keerde de naar Frankrijk gevluchte koning Charles II in triomf terug naar Engeland. Met het herstel van de monarchie slaakten de componisten een zucht van verluchting. Tijdens de zogenaamde Commonwealth, de jaren die Cromwell samen met het parlement regeerde, hadden de invloedrijke strenge puriteinen de muziek in het algemeen en de kerkmuziek in het bijzonder, geviseerd als een te wereldse bedrijvigheid. In 1644 werd zelfs een decreet uitgevaardigd om alle orgels en andere ‘bijgelovige monumenten’ te vernietigen. Kerkmusici werden ontslagen en de opleiding van koorknapen werd opgeschort. Met de terugkeer van de koning keerde echter het tij. De Koninklijke Kapel, die de liturgische diensten met religieus gezang opluisterde, werd in ere hersteld. In navolging van het Franse hof breidde de koning het aantal instrumentalisten uit, vooral de strijkersgroep. In deze gunstige atmosfeer kende het muziekleven een opmerkelijke opbloei. Met Purcells toetreding tot de kapel, die tegenwoordig nog bestaat, werd een nieuw, glansrijk hoofdstuk in de Engelse muziekgeschiedenis ingeluid. Na zijn stemverandering in 1673 moest Henry het koor verlaten en werd hij leerling van John Hingston, die de toets- en blaasinstrumenten van de koning onderhield. Henry groeide op aan het hof waar hij werd omringd door vele musici waardoor zijn muzikaal talent zich razendsnel ontwikkelde. Hij kreeg een uitstekende opleiding, zowel muzikaal als algemeen: zangles, muziektheorie, luit, viool, klavecimbel en compositie, maar ook schrijven en latijn in een bijna militaire discipline. Na de dood van Humfrey zette Purcell zijn studies verder in de “Westminster School” bij de vermaarde componist John Blow, met wie hij zijn hele leven zou bevriend blijven. Op negenjarige leeftijd componeerde Henry zijn eerste lied. Het vroegste werk van zijn hand waarvan het jaartal zeker juist is, is een verjaardaglied voor de koning in 1670. In 1674 werd Henry orgelstemmer in Westminster Abbey. In 1677 bij de dood van Matthew Locke werd Purcell op achttienjarige leeftijd aangesteld tot componist van het Koninklijk Vioolorkest. Het was een keerpunt in zijn leven. Als eerbetoon aan Locke schreef hij een elegie, “Wat hoop voor ons blijft nu hij weg is” In 1678 componeerde Purcell het volkslied “Lore, who can tell”, een psalm die wordt gereciteerd met kerstmis en tijdens het ochtendgebed van de vierde dag van de maand. “BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 13


In 1679 volgde Henry, John Blow op als organist in de Westminster Abbey, een functie die hij zijn leven lang uitoefende. Na zijn werk zag hij nog de gelegenheid om in een tijdspanne van vijf jaar 150 anthems te componeren voor de erediensten. In 1681 trad Purcell in het huwelijk met Frances Peters. Ze was de dochter van John Baptist Peters, van origine een Vlaamse immigrant. Het echtpaar kreeg zes kinderen van wie er drie op jonge leeftijd zijn overleden. De zoon van Purcell werd later componist. In 1682 werd Henry organist van de Koninklijke Kapel.

Jaarlijks werd de feestdag van Sint Cecilia, de patrones van de muziek uitgebreid gevierd. Een ode vormde telkens het sluitstuk van dit feest, dat werd voorafgegaan door een muzikale eredienst en een rijkelijk Ceciliadiner, dat ook muzikaal werd opgeluisterd. Purcell schreef zijn eerste ode voor Sint Cecilia in 1683, toen zijn werk “Welcome to all the pleasures” weerklonk. Ook de vriend van Purcell, John Blow componeerde verschillende odes voor Sint Ceciliadag. In 1687 introduceerde de Italiaan Giovanni Battista Draghi zijn “From harmony, from heav’nly harmony” met een voor die tijd bijzonder uitgebreide bezetting: voor het eerst werden hout- en koperblaasinstrumenten geïntroduceerd in de Engelse kerkmuziek. Het werk duurde wel veertig minuten, wat voor die tijd uitzonderlijk lang was. Dit inspireerde Purcell en Blow om ieder jaar verder te gaan in het componeren van odes voor Sint Cecilia. In 1692 overtrof Purcell Draghi’s werk met het bekende “Haill Bright Cecilia” op een tekst van Nicolas Brady. Het was de langste en meest feestelijke ode tot dan toe gecomponeerd en was gekenmerkt door een ontzettend uitgebreid en gevarieerd instrumentarium. Het werk vereiste minstens vijf solozangers, koor en orkest met strijkers, fluiten, hobo’s, trompetten en slagwerk. De ode heeft dertien onderdelen en duurt bijna een uur. Het is dan ook Purcells langste compositie. Het werk eindigt met een grootse koorzang met soli. De instrumentale, vocale en compositorische weelderigheid van deze ultieme Ceciliaode zou pas overtroffen worden door Georg Friederich Handel, de muzikale opvolger van Purcell, die zich voor zijn “Ode for St. Cecilia’s Day” uit 1739 volledig op het werk van zijn voorganger en voorbeeld inspireerde. Het was Purcell die de trompet in het theater introduceerde. Het instrument dat destijds alleen voor militaire muziek werd gebruikt. Purcells “Te Deum and Jubilate” werd in 1693 geschreven ook ter gelegenheid van Sint Cecilia. Waarschijnlijk werd het “Te Deum” echter uitgevoerd tijdens de “Morning Prayer” in Bride’s

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 14


Church en niet als slotevenement van het feest van Sint Cecilia. Het was het eerste Engelstalige Te Deum . Ook hier was de bezetting opmerkelijk voor die tijd, met de nadruk op de vocale soli. Het “Te Deum and Jubilate” kende een enorm succes en werd elk jaar opnieuw uitgevoerd in Saint-Paul’s Cathedral. Er is hernieuwde belangstelling voor de verschillende “Odes for Saint Cecilia Day” en zij worden tegenwoordig nog dikwijls uitgevoerd. In 1685 overleed de protestantse koning Karel II (Charles). De katholieke James II werd tot nieuwe koning gekroond en Purcell componeerde de kroningshymne “My Heart is Inditing”. Veel plezier heeft Purcell echter niet beleefd aan deze vorst. James II bevoorrechtte de katholieke musici aan het hof en voerde een reorganisatie door. De Fransen en de Italianen stonden in de schijnwerpers, ten koste van Purcell en zijn leeftijdsgenoten. De componist schreef dan minder religieuze werken maar werd meer gevraagd voor officiële plechtigheden, zoals voor de verjaardag van de koning. Het orkest nam dan ook meer en meer een grotere plaats in zijn composities. Tussen 1688 en 1689 vond zonder geweld een revolutie plaats onder leiding van de aristocratische en burgerlijke elite. James II werd verdreven naar Frankrijk waar hij in ballingschap verbleef. Zijn dochter Mary II Stuart en haar echtgenoot Willem III van Oranje volgden samen in 1689 James II op. Als Willem in Nederland verbleef of hij was het land uit om te strijden in de voortdurende oorlog met Frankrijk, nam Mary alle regeringstaken over en bewees zij dat zij een intelligente en bekwame vorstin was. Ze was ook een heel populaire koningin. Purcell nam uiteraard deel aan de kroningsplechtigheid van het koninklijke paar en werd de favoriete hofcomponist van Queen Mary en Willem III. Deze protestante vorsten gaven de officiële taken die Purcell onder het bewind van hun voorganger had verloren aan de componist terug. Purcell componeerde voor het koninklijke hof odes ter gelegenheid van verjaardagen en speciale gelegenheden. Vanaf 1689 componeerde Purcell ieder jaar voor de koningin een ode voor haar verjaardag die hun hoogtepunt bereikten met “Celebrate this festival” (1693) en “Come yes sons of Art” (1694). In 1689 componeerde Purcell zijn opera “Dido and Aeneas”. Het was de eerste Engelse opera, gebaseerd op een episode in het heldenepos “Aeneas” van de Romeinse dichter Vergilius. Dit betoverend werk vertelt het verhaal van het kortstondige bezoek dat de Trojaanse held Aeneas op zijn zwerftocht brengt aan Carthago en aan Dido, de koningin van deze Noord-Afrikaanse stad. Zij worden verliefd op elkaar en Aeneas die van Jupiter de opdracht kreeg in Italië een stad. – het nieuwe Troje, het latere Rome – te stichten, besluit in Carthago te blijven. Een tovenares , vijand van Dido, stuurt echter een geest in de valse gedaante van de god boodschapper Mercurius op Aeneas af. Die geest maant hem aan Carthago onmiddellijk te verlaten om zijn opdracht te volbrengen. Aeneas vertrekt en laat Dido ontroostbaar achter. Dido sterft van verdriet. De overbekende aria uit deze opera is “Dido’s Lament” wanneer Dido zingt: “Remember me, but ah! Forget my fate”. De aria “When I am Laid in Earth” wordt altijd gespeeld bij de Engelse jaarlijkse nationale dodenherdenking. Het werk “Dido and Aeneas” vormden het huwelijk tussen muziek en theater in de toenmalige Engelse traditie. Purcell componeerde na dit werk geen opera’s meer, maar wel vijf semi-opera’s, waarin de muziek fungeert als

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 15


begeleiding van het toneelstuk. Bovendien schreef hij toneelmuziek bij geliefde drama’s van eigentijdse Engelse schrijvers. Men heeft lang gedacht dat de opera “Dido en Aeneas” werd gecomponeerd in opdracht van een deftig meisjesinternaat in Chelsea, Londen, voor een uitvoering die de “jonge dames van stand” hadden gepland, omdat op het oudste bewaarde libretto vermeld staat dat het werk aldaar werd opgevoerd. Sinds enkele jaren is deze veronderstelling op losse schroeven komen te staan. Men neemt nu aan dat het werk oorspronkelijk voor een gelegenheid aan het hof werd geschreven en pas later in het pensionaat werd opgevoerd. De leraars aan deze kostschool waren ook nauw verbonden met het hof. In 1690 componeerde Purcell “The Prophetess” of “The History of Dioclesia”. Het werk is een semi-opera in vijf bedrijven. Het libretto is gebaseerd op een toneelstuk van John Fletcher en Philip Massinger uit 1622 in een bewerking van Thomas Betterton, een van de belangrijkste acteurs uit de 17e. eeuw in Engeland. In 1691 schreef Purcell de semi-opera “King Arthur” naar het toneelstuk van John Dryden. Het werk werd voor het eerst opgevoerd in het Queen’s Theatre, Dorset Garden in Londen. Het verhaal gaat over strijd, liefde en het pastorale leven. Met prachtige instrumentale koor- en solostukken. Het vertelt over de strijd tussen de Keltische Britten en de Saksen. Emmeline is de blinde dochter van Conon, de hertog van Cornwall. De koning van Kent Oswald is een Saks. Hij maakt Emmeline het hof ondanks dat zij de verloofde is van de Britse koning Arthur. Oswald besluit de Britten de oorlog te verklaren om Emmeline. Daar begint het muzikaal gedeelte van het werk. De veldslag loopt af in het nadeel van de Saksen, maar Oswald schaakt Emmeline. Arthur gaat naar haar op zoek. Zijn tovenaar Merlijn heeft hem verteld dat niet alles wat hij ziet echt is. Dwaallichten proberen zijn ridders van de wijs te brengen. Arthur ontmoet Sirenen die hem proberen te verleiden en de groep belandt in een betoverend bos, maar uiteindelijk komt het tot een verzoening. Het werk eindigt met een feestelijk muziek- en dansspektakel en een lofzang op Engeland. Dit werk werd met veel enthousiasme onthaald. “King Arthur” was het meest geliefde werk van Purcell en werd in de hele 18e. en 19e. eeuw steeds weer opgevoerd. In 1692 componeerde Purcell “The Fairy Queen”, een semi-opera in vijf bedrijven. Er wordt gespeeld, gezongen en gesproken. Het werk bevat een droomwereld, een sprookjeswereld met geheimzinnigheid, humor en sensualiteit. Al met al een kleurrijk spektakel over de liefde. Het stuk is losjes gebaseerd op “A Midsummer Night’s Dream” van William Shakespeare. “The Fairy Queen” is Purcells omvangrijkste theaterstuk en het was de duurste productie in die tijd. De partituur was tweehonderd jaar lang spoorloos verdwenen. Pas in 1903 werd er een manuscript, dat blijkbaar bij de première was gebruikt, teruggevonden en door de Purcell Society uitgegeven. In 1694 schreef Purcell zijn laatste luchtige verjaardagode “Come Ye Sons of Art” voor Queen Mary II. De koningin overleed op 28 december 1694. Pas 33 jaar werd ook zij, slachtoffer van de pokkenepidemie die heel Engeland in haar greep hield tot aan het einde van 1694. Purcell schreef de begrafenismuziek voor zijn zeer geliefde Queen Mary II. Ondanks haar instructies om de begrafenis in stilte te laten plaatsvinden, was zij zo geliefd dat er een groot volksverlangen was naar een eervol rouwbetoon. Voor de muziek moest Henry Purcell zorgen. Henry

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 16


componeerde een van de hoogtepunten van zijn oeuvre “Music for the Funeral of Queen Mary”. Het is geen bombastische muziek zoals men zou verwachten voor een vorstelijke begrafenis. Het is integendeel aangrijpende, innig-droeve muziek: “In the midst of life we are in death”. In 1695 schreef Purcell “Who can from joy refrain?” voor de verjaardag van prins William Henry, Duke of Gloucester, de zoon van prinses Anne en Georges van Denemarken. Deze ode was het muzikale hoogtepunt van een groots bal ter ere van de jonge prins. Het was de laatste ode die Purcell voor de koninklijke familie componeerde. In hetzelfde jaar componeerde Purcell “The Tempest” of “The Enchanted Island”. Het werk is gebaseerd op “The Tempest” van William Shakespeare en brengt het lot tot leven van overheersende hertogen, gekweld door vurige geesten, de bevelhebber Prospero, de vriendelijke geest Ariël en de beproeving van de jonge geliefden. The Tempest is een stuk dat gezien zijn muzikale en historische achtergrond een speciale lading heeft. Het stuk ademt hoop en verwachting en maakt op een bijzondere manier gebruik van tijd. Daarbij behandelt het een thema dat van alle tijden en van alle mensen is, namelijk de overwinning door geloof in eigen kracht. Eveneens in 1695 componeerde Purcell “The Indian Queen”, een semi-opera naar een toneelstuk van John Dryden en Howard. Het werk vertelt over een bloedige strijd tussen de Inca van Peru en de koningin van Mexico. Het militaire en politieke verhaal over macht wordt doorkruist door een verhaal van passie en jaloezie. “The Indian Queen” wordt gerekend tot het genre van het “heroïsche drama” met zijn gestileerde poëtische dialogen, geïdealiseerde heldinnen en sensationele actie op exotische locaties. Het werk bleef onvoltooid door het vroegtijdig overlijden van de componist. Het was Daniël, de broer van Purcell die het werk voltooide. Purcells theaterstukken bieden vooral veel muzikaal genot. Hij was de Engelse Mozart: jong gestorven en schepper van een uitgebreid oeuvre van een wonderlijke volmaaktheid. Herny Purcell overleed in november 1695 in zijn huis in Dean’s Yard, Westminster, op het hoogtepunt van zijn carrière. Geliefd als hij was bij zijn landgenoten, veroorzaakte zijn dood een diepe schok voor het koninkrijk. De ganse natie rouwde om het verlies van een groot componist. De muziek die hij had gecomponeerd voor de uitvaartplechtigheid van Queen Mary II weerklonk ook op zijn begrafenis . Purcell werd begraven aan het orgel in Westminster Abbey. Dame Annabella Howard, een voormalige leerling van Purcell plaatste voor hem een gedenksteen met een inscriptie in het Engels en het Latijn. De vertaling luidt als volgt: “Hier ligt Henry Purcell Esq. die zijn leven liet en heenging naar de enige plek waar zijn muziek overtroffen kan worden”. Frances, de echtgenote van Purcell en drie van zijn kinderen overleefden hem. Toen Frances stierf in 1706, had ze verschillende composities van haar echtgenoot uitgegeven o.m. de nu bekende “collectie Orpheus Britannicus” ( in twee delen) een bijnaam voor Purcell die al tijdens zijn leven werd gebruikt. Frances overleed in februari 1706 en werd begraven bij haar man. Na zijn overlijden werd Purcell geëerd door verschillende van zijn tijdgenoten, onder meer zijn leermeester en boezemvriend John Blow, die een “Ode on the Death of Mr. Henry Purcell” componeerde, op tekst van Purcells favoriete librettist John Dryden.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 17


John Blow werd terug organist in Westminster Abbey tot aan zijn dood in 1708. Ook hij werd begraven in Westminster Abbey niet ver van Purcell en dicht bij het orgel dat zij allebei hadden bespeeld.

Purcell achtte muziek de hoogste vorm van kunst en zei: “Net zoals poëzie de harmonie is van woorden, zo is muziek die van noten, en net zoals poëzie een stap hoger staat dan proza en redevoeringen, zo is muziek de verheven vorm van poëzie”. De religieuze muziek die Purcell componeerde heeft zeker en vast de tijd getrotseerd. Door de eeuwen heen wordt zij in de Engelse kerken gespeeld en gezongen, zodanig dat de meeste kerkgangers er zo mee vertrouwd zijn, dat zij zelden beseffen wie er de componist van is. Purcell die tijdens zijn leven een beroemdheid was, werd na zijn dood lange tijd vergeten. Tegenwoordig geldt hij echter als de grootste Engelse componist voor Edward Elgar, die tegen het einde van de 19e. eeuw voor het voetlicht trad. Henry Purcell componeerde: anthems, kamermuziek, odes, opera, semi-opera’s.

CVC

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 18


IL Y A 325 ANS QUE LE COMPOSITEUR HENRY PURCELL EST DECEDE

Enfance et premières années Henry Purcell naît dans le quartier londonien de Westminster, à quelques centaines de mètres de l’abbaye, le 10 septembre 1659. Sa famille compte déjà au moins deux musiciens : son père, Henry Purcell senior, et son oncle, Thomas Purcell, sont choristes (ou gentlemen) à la Chapelle royale et participent notamment en cette qualité aux cérémonies organisées pour le “BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 19


couronnement de Charles II en 1661. Par ailleurs, le premier est maître de chapelle à Westminster. C’est donc logiquement que les trois fils qu’il aura avec sa femme Elisabeth recevront une éducation musicale précoce, et que deux d’entre eux, Henry et son frère cadet Daniel, deviendront compositeurs. Le père d’Henry décède en août 1664. C’est Thomas qui prend alors en charge le jeune garçon auquel il témoignera toujours une grande affection malgré l’épidémie et l’incendie qui tour à tour décimèrent Londres en 1665-1666. Ainsi, le futur compositeur, entré comme chanteur à la Chapelle royale, reçoit les enseignements des différents Maîtres des enfants (un poste que Purcell occupera bien plus tard, à partir de 1692) qui s’y succédèrent : le capitaine Henry Cooke jusqu’en 1672, Pelham Humfrey (parfois orthographié Humphrey ou Humphrys) puis John Blow à partir de 1674). Le programme est varié : en plus des incontournables cours de chant, les jeunes choristes sont formés au solfège, à plusieurs instruments et à la composition (en 1670, il compose la première œuvre qu’on peut lui attribuer de manière sûre : une ode destinée à célébrer l’anniversaire du roi). Carrière musicale À la mue de sa voix en 1673, cette formation de qualité (et un peu de piston) lui permet de devenir l’assistant de son parrain John Hingston, qui exerce de nombreuses activités pour sa Majesté : facteur d’orgue, conservateur, réparateur et accordeur des instruments à vent, etc. L’année suivante, il est employé comme accordeur de l’orgue (puis comme copiste à partir de 1676) de l’abbaye de Westminster, et devient l’élève de John Blow qui succède au défunt Humfrey. En 1675, le recueil Choice Ayres I inclut une œuvre du jeune musicien, When Thyrsis did the splendid eye. Son travail de copiste lui permet d’étudier les œuvres et les techniques de nombreux compatriotes des temps passés ou actuels, de Thomas Tallis, Orlando Gibbons et William Byrd à ses maîtres Humfrey ou Blow. Citons encore le compositeur Matthew Locke, par ailleurs ami de la famille Purcell depuis des années. La mort de ce dernier offre cependant à Purcell, âgé de seulement 18 ans, le poste de compositeur attitré du roi en août 1677 : il devra ainsi composer de la musique de danse, dont le roi Charles II est passionné et grâce à laquelle il souhaite (en partie) rivaliser avec le faste de Versailles. Purcell fait un bref passage au St Peter’s college, où il souhaite recevoir une instruction générale de qualité. Puis, à la faveur de la démission de son maître Blow, il devient l’organiste de l’abbaye de Westminster, ce qui lui procure un salaire plus confortable et assoit sa réputation. C’est également à cette période qu’il composera et jouera la plupart de ses anthems destinés au roi. Il élargit ses activités de copiste à des compositeurs du reste de l’Europe : il écrit un arrangement pour violes d’un madrigal de Jean-Baptiste Lully. De plus en plus, Purcell s’émancipe de l’héritage de ses maîtres qu’il enrichit finalement au fur et à mesure de ses découvertes des autres compositeurs européens, mais pour plusieurs raisons (jeunesse, troubles religieux peu propice à certaines formes d’œuvres) il devra attendre septembre 1680 pour décrocher une commande d’envergure de la part du roi : il s’agit de

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 20


célébrer le retour de ce dernier de sa résidence d’été. Cette commande aboutit à l’ode Welcome viceregent of the mighty king. Des années troublées En 1682, malgré les tensions religieuses qui commencent à troubler le pays, Purcell épouse Frances Peters, fille d’une famille catholique (qui devient donc, une fois n’est pas coutume, "Purcell" après la nuit de noce). C’est également cette année que la mort en juillet de l’organiste Edward Lowe, l’un des trois organistes de la Chapelle royale, lui ouvre toutes grandes les portes de la Chapelle royale où il rejoint William Child mais surtout son ami John Blow. De nombreuses tâches lui incombent désormais (il est toujours employé par l’abbaye de Westminster) mais cela ne l’empêche pas de voir ses Douze sonates publiées en 1683 ou encore de composer huit odes. À la fin de cette année, Purcell, qui a perdu son oncle peu avant, doit remplacer Hingston, mort lui aussi, dans ses fonctions. Cette accumulation de charges et de fonctions ne se traduit pourtant pas par une situation financière exceptionnelle pour la famille Purcell qui subit les importants retards de paiement des salaires de la cour.

La mort du roi anglican Charles II en février 1685 amène sur le trône son frère cadet, Jacques II. Ce dernier est catholique, ce qui ne va évidemment pas jouer en faveur de Purcell, qui s’est au fil du temps imposé comme le musicien anglican d’un roi anglican (quelques années auparavant, le compositeur avait dû, en tant que fonctionnaire royal, communier devant témoin pour attester de l’exemplarité de sa foi envers l’Église anglicane). Mais le couronnement de Jacques II est l’occasion pour Purcell de marquer les esprits avec deux nouveaux anthems, "My heart is inditing" et "I was glad". Malgré plusieurs autres commandes (aucune religieuse, toutefois), les charges d’Henry Purcell se sont singulièrement allégées : il n’est plus que "claveciniste du Roi".

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 21


Cela lui permet de collaborer épisodiquement avec le théâtre (il écrit notamment la musique de Tyrannick love de John Dryden) et fait publier de nombreuses œuvres grâce aux éditeurs John puis Henry Playford. Purcell subit encore plusieurs disparitions qui le marquent : son oncle Thomas et l’éditeur John Playford sont décédés respectivement en 1682 et en 1686, et, en 1687, il a déjà perdu quatre fils en bas âge (seuls deux enfants survivront : Frances et Edward, nés en 1688 et en 1689). Les titres de certaines de ses compositeurs d’alors sont évocateurs : O Solitude, my sweetest choice (1687), In the black dismal dungeon of despair (dans le sombre donjon du désespoir, publié en 1688). En 1687, il renoue avec le théâtre. Son opéra Didon et Enée constitue un repère très important dans l’histoire de la musique dramatique anglaise. Cependant, il reçoit sa première commande royale pour une œuvre religieuse depuis la mise à l’écart qu’il connaît depuis le couronnement de Jacques II : début 1688, la reine est enceinte et il compose l’hymne Blessed are they that fear the Lord (Bénis soient ceux qui craignent le Seigneur) pour une cérémonie d’actions de grâce. Peu après, il écrit la musique de la pièce de Thomas d’Urfey, The Fool’s Preferment (La Promotion des Imbéciles). Fin de carrière La situation politique évolue rapidement en Angleterre : la Glorieuse révolution force le catholique Jacques II à s’exiler en France à la fin du mois de novembre. C’est le début du règne conjoint entre les époux Guillaume III et Marie II d’Angleterre, souverains protestants qui vont donc redonner à Purcell les fonctions officielles qu’il avait perdues sous le règne de leur prédécesseur. Contrairement à son époux, Marie II va régulièrement mettre Purcell à contribution, qu’il s’agisse de célébrer son anniversaire ou de la divertir. Parallèlement, Purcell continue de mettre en musique diverses pièces de théâtre, environ une trentaire de 1690 à 1695 (La Tempête ou Le Roi Arthur de John Dryden, qui préférait jusqu’alors faire appel à des étrangers). Son semi-opéra The Fairy Queen, dont la première a lieu le 2 mai 1692, est l’un de ses plus grands succès (le semi-opéra est un genre musical qui mélange opéra et théâtre en alternant passages parlés et chantés, ancêtre du Singspiel de Wolfgang Mozart). Connaissant désormais les faveurs du public londonien et, en 1693, à l’occasion de la Sainte Cécile, il est à l’origine du premier « Te Deum anglais composé avec accompagnement orchestral. Marie II meurt le 28 décembre 1694 et Purcell compose en son honneur et pour ses funérailles un hymne et deux élégies. Quelques mois plus tard, alors qu’il n’a cessé de composer, parfois en collaboration avec son vieil ami John Blow, Henry Purcell, probablement atteint de la tuberculose, meurt chez lui, le 21 novembre 1695, après avoir confié tous ses biens à son épouse. Grande perte que celle de ce génie qui était au sommet de son art et seulement âgé de 36 ans ! Nombreux seront les hommages qui lui seront rendus, à commencer par ceux de John Blow et de John Dryden, qui lui consacrèrent une ode funèbre : An Ode, on the Death of Mr Henry Purcell. Henry Playford rédigera lui-même la préface d’un recueil que fera publier la veuve de Purcell,

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 22


Frances. Son frère, Daniel Purcell, achèvera lui-même le semi-opéra The Indian Queen, dont la composition avait été interrompue par la maladie et la mort de son auteur. Mort…de froid ? La cause du décès de Purcell n’est pas très bien définie : une théorie affirme qu’il aurait attrapé froid en revenant tard du théâtre un soir, pour trouver que sa femme avait fermé la porte à clé… Forcé d’attendre dehors de longues heures, il aurait attrapé la mort. Une version plus vraisemblable est qu’il mourut de la tuberculose, ce qui est sous-entendu par les premiers mots de son testament : « Moi, Henry Purcell, de la Cité de Westminster, gentilhomme, dangereusement malade dans mon corps… » Les deux versions ne sont pas contradictoires : on peut dire que le fait de passer une nuit dehors dans le froid n’a pas dû arranger l’état de santé déjà très dégradé de notre malheureux musicien. Œuvre Ses compositions associent aux formes traditionnelles de la musique anglaise divers éléments de la musique baroque française et italienne. L’influence française prédomine mais la contribution personnelle de Purcell réside surtout dans le style qu’il avait mis au point pour mettre en valeur les mots anglais en s’appuyant sur la rythmique et une certaine irrégularité, rompant avec les traditions polyphoniques de la Renaissance, mais toujours avec beaucoup de grâce et de facilité. Il possède avec Shakespeare le sens du merveilleux et du surnaturel, ce qui n’exclut pas truculence et humour. Dans les passages les plus connus de Purcell, citons l’Air du froid, extrait du semi-opéra King Arthur (1691 ) où le personnage du Génie, réveillé par Cupidon, supplie l’ange de le laisser à nouveau mourir de froid. Le compositeur utilise des notes saccadées qui symbolisent les frissons du personnage. Comme souvent chez le compositeur anglais, on a une écriture avec une basse continue (procédé caractéristique de l’époque baroque) très chromatique, avec un langage harmonique assez riche et modulant. On trouve un autre exemple de ce type d’écriture dans Didon et Énée, lors de la mort de Didon, avec des passages descendants chromatiques au caractère dépressif. Postérité Après sa mort, Purcell fut célébré par beaucoup de ses contemporains. Aujourd’hui, son œuvre la plus connue est le premier opéra de l’histoire de la musique anglaise, Didon et Énée, qui compte parmi les grandes pièces lyriques de la musique baroque. Purcell eut aussi une influence sur les compositeurs de ce qu’on a appelé la renaissance de la musique anglaise du début du XXe siècle. Cela est manifeste chez Benjamin Britten, qui a non seulement créé et dirigé une mise en scène de Didon et Énée, mais a aussi repris un des thèmes de l’Abdelazer (1677 ) pour écrire ses fameuses variations pédagogiques The Young Person’s Guide to the Orchestra (Guide de l’orchestre destiné à une jeune personne) : lire une analyse dans notre dossier Instruments au sein de l’orchestre. Symphozik.info

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 23


VERDRIET MELANCHOLIE EN EMOTIE IN DE MUZIEK De herfst: druilerige regen, lange grijze spookachtige nevelslierten maar ook een schitterend kleurengewaad van multicolor bladeren. De natuur laat zich in dit seizoen van haar meest melancholische kant zien. Ook de triestige periode van Allerheiligen en Allerzielen doet ons stilstaan bij leven en dood. Verdriet, leed en emotie waren belangrijke componisten niet vreemd. Door hun droefheid muzikaal uitdrukking te geven, konden zij wonden helen die het leven hun had toegebracht. Ook voor ons kan muziek in droevige momenten een balsem zijn voor hart en ziel. Muziek raakt, ontroert en troost. Het menselijk gevoel voor weemoed, melancholie en emotie is in de loop der tijden niet veranderd. Ook de volgende muziekwerken van onze grote musici uit vervlogen tijden zijn nog even ontroerend en troostend als toen. Met een woordje toelichting willen wij de lezers een idee geven van wat er achter de tonen van deze mooie krachtige composities schuilt. Zo wordt de luisterervaring alleen maar rijker en intenser. Muziek versterkt, muziek verzacht, muziek is een geschenk uit de hemel. Soms is het leven zo overweldigend mooi of hartverscheurend lelijk dat woorden niet volstaan en muziek de enige taal is die ons hart verstaat. Niet iedereen gaat gemakkelijk om met zijn of haar emoties, maar dan kan muziek echt een middel zijn. REQUIEM - INTROIT – Jean GILLES

Een heel mooie treurmars, die rond 1696 werd gecomponeerd door de Zuid-Franse componist Jean Gilles, horen we aan het begin van zijn “Requiem”, één van de beroemdste Requiems van

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 24


Frankrijk. Gilles componeerde zijn werk in opdracht van een rijke familie. Blijkbaar was er geen discussie over het geld tussen componist en opdrachtgever geweest, maar toen de compositie klaar was, vond men het werk veel te duur en weigerde de opdrachtgever te betalen. Gilles was razend en besliste dat men zijn “Requiem” dan maar moest uitvoeren bij zijn eigen uitvaartmis. Hetgeen ook gebeurde. Het werk werd heel snel zo beroemd dat, toen de Franse koning Lodewijk XV , zoon van de Zonnekoning overleed, dit mooie werk moest worden uitgevoerd tijdens zijn begrafenis. Van toen af werd het werk natuurlijk nog beroemder. Het werd eveneens uitgevoerd bij de begrafenis van Jean-Philippe Rameau en van Stanislas Leszczynski, destijds koning van Polen en hertog van Lotharingen. Zwaar omfloerste trommen geven de cadans aan van de treurmars. Strijkers nemen die cadans over en even later spelen de violen een mooie melodie. Af en toe hoort men heel duidelijk de trommen. Na een tijdje, begint de sopraan hemels mooi het “Requiem” te zingen. Zowel de trommen als de strijkers steunen deze droevige, maar heel mooie zangpartij. ADIOS NONINO - Astor PIAZZOLLA

De Argentijnse componist en bandoneonist Astor Piazzolla heeft de betekenis van de tango voorgoed veranderd. Hij ontwikkelde naast de pure dansmuziek een versie van de tango die zich het beste laat typeren als “melancholische luistermuziek”. Het iconische “Adios Nonino” is daar wellicht het meest bekende voorbeeld van. Piazzolla verloochent hierbij nooit zijn roots (het parfum van Buenos Aires, zoals hij het zelf noemt). Piazzolla behield passie, hartstocht en melancholie in zijn stukken, maar verrijkte de muziek met elementen uit onder meer de klassieke muziek, jazz en Zuid-Amerikaanse volksmuziek. Hiermee ontstond de basis voor een nieuwe stijl die later “Tango Nuevo” genoemd zou worden. Door Piazzolla’s vernieuwde aanpak werd deze tango niet alleen gespeeld in de louche bars van Buenos Aires, maar ook in concertzalen. Astor Piazzolla componeerde het werk “Adios Nonino” (Farewell Granddaddy – vaarwel opaatje) om afscheid te nemen van zijn in 1959 overleden grootvader. Piazzolla was destijds op tournee “BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 25


door Midden-Amerika toen hij het nieuws kreeg over de dood van zijn grootvader als gevolg van een fietsongeluk. De danser Juan Carlos Copes, die toen Piazzolla vergezelde, zei dat het de enige keer was dat hij de componist had zien huilen. Piazzolla was zo overmand door een depressie als gevolg van het verlies van zijn grootvader, het mislukken van zijn tournee en financiële problemen, dat hij naar New-York vertrok, waar hij het werk componeerde. Zijn zoon Daniël vertelde als volgt: “Vader vroeg ons hem een paar uur alleen te laten. We gingen naar de keuken. Eerst was er absolute stilte. Na een tijdje hoorden we vader de bandoneon bespelen. Het was een heel trieste, vreselijk trieste melodie. Hij componeerde “Adios Nonino”. “Adios Nonino” werd uitgevoerd tijdens het huwelijk van Willem Alexander en de Argentijnse Maxima. Dat bij het horen van dit werk de gedachten van Maxima uitgegaan zullen zijn naar haar niet op de bruiloft aanwezige vader, laat zich raden.

ADAGIO FOR STRINGS - Samuel BARBER

Het “Adagio for Strings” van Samuel Barber is een van de droevigste, maar ook een van de populairste stukken klassieke muziek ooit geschreven. Hoe kreeg Barber het voor elkaar om met zo weinig melodisch materiaal, luisteraars zo tot tranen te roeren?

Deze compositie is een werk uit de beginperiode van Samuel Barber. De Amerikaanse componist schreef het in eerste instantie als middendeel voor een strijkkwartet, maar het werd bekend als een op zichzelf staand werk, in een eigen arrangement voor strijkorkest. Barber was opgegroeid met een overdaad aan alcohol en de daarbij horende depressie. Uit brieven die hij gedurende zijn leven schreef blijkt dat hij vooral moeite had met zichzelf. Hij worstelde met zijn seksualiteit en probeerde zijn melancholie te allen tijde te verbergen. Gelukkig is muziek dan een uitlaatklep.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 26


Slechts weinig werken roepen al bij de eerste klaaglijke akkoorden zo’n smartelijk gevoel van pijnlijke herinneringen op. Door het ingetogen en meditatieve karakter van de melodie blijft het werk voor altijd -zoals de componist het wilde – verbonden met de pijn van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Samuel Barber ging in 1943 tijdens de Tweede Wereldoorlog in militaire dienst en werd ingedeeld bij de luchtmacht. Sinds de eerste uitvoering is het werk wereldwijd uitgegroeid tot een populair stuk, dat vooral door zijn smart veel wordt gespeeld tijdens droevige en plechtige gebeurtenissen. Deze muziek was te horen bij de uitvaartplechtigheid van: de presidenten Franklin Delano Roosevelt en John F. Kennedy. Bij de begrafenis van : prinses Grace van Monaco, componist Leonard Bernstein, Albert Einstein en prinses Diana. In 1967 bewerkte de componist het werk voor acht stemmig koor op tekst van het Agnus Dei. Als herinnering aan de aanslagen op 11 september 2001, wordt dit werk ieder jaar uitgevoerd.

HOORNTRIO IN ES - OP 40 – Johannes BRAHMS

Johannes Brahms componeerde zijn “Hoorntrio in Es – Op 40 tijdens de zomer van 1865 in zijn zomerverblijf , een fraai huis op een heuvel in Lichtental nabij Baden-Baden in het Zwarte Woud. Hij kocht dit huis na een tip die hij had gekregen van Clara Schumann, een componiste en pianiste die de echtgenote was van de componist Robert Schumann. Op een zomerochtend maakte de componist een wandeling in zijn geliefde bossen van het Zwarte Woud. Zoals hij later aan zijn vriend Dietrich schreef, was het tijdens deze wandeling dat de openingsmelodie van het “Hoorntrio in Es – op 40” in zijn gedachten vorm kreeg. Hoe mooi dit mag klinken, de aanleiding voor het werk was echter tragisch. In het voorjaar van datzelfde jaar was zijn moeder Christine getroffen door een beroerte. Een telegram van zijn broer Frits luidde: “Indien u onze moeder nog levend wilt zien, kom dan onmiddellijk naar huis”. Brahms vertrok onmiddellijk naar huis, maar helaas hij kwam te laat. Toen hij in Hamburg aankwam was zijn moeder al overleden.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 27


Brahms was diep getroffen door de dood van zijn moeder. Toen zijn bevriende cellist Josef Gänsbacher hem onverwacht opzocht, trof hij de componist huilend achter zijn piano aan. Ook in de brieven aan zijn goede vriendin Clara Schumann was Brahms openhartig over de goede relatie met zijn moeder. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de muziek die hij in 1865 componeerde in het teken stond van zijn groot verlies. Brahms schreef het “Hoorntrio” ter nagedachtenis aan zijn moeder. Hierin verwerkte hij een volksliedje dat zij hem als kind had geleerd. Een ontroerend eerbetoon van een zoon aan zijn moeder. Het werk is een unicum in de muziekgeschiedenis want het is een van de weinige werken voor de bijzondere bezetting van hoorn, viool en piano. Deze instrumentenkeuze kunnen we vinden in de jeugd van de componist. De drie instrumenten waren juist de instrumenten die Brahms in zijn jeugd had leren bespelen. Zijn vader was naast contrabassist ook hoornist in de Bürgerwehr van Hamburg. Het eerste stuk dat hij na het overlijden van zijn vader in 1872 componeerde was eveneens een compositie voor hoorn. CELLOCONCERT IN E-MINEUR OP.85 – Edward ELGAR Met zijn gevoelige dieptes en intense hogere toonliggingen is de cello een instrument dat een diepe doorvoelde ontroering kan oproepen.

De grote Engelse componist Sir Edward Elgar, leefde van 1857 tot 1934. In zijn werken ontvouwde zich een individuele, fijngevoelige stijl. Elgar was een teruggetrokken en melancholieke man. Zijn aard drukte duidelijk een stempel op zijn muziek, en juist daardoor bereikte hij het publiek ook op emotioneel vlak. Zijn “Celloconcert in E-mineur Opus 85” wordt enorm bewonderd door de moderne cellisten. Het is een van zijn laatste grote werken. Elgar componeerde deze compositie tijdens de zomer van 1919 in zijn afgelegen landhuis “Brinkwells” in de Cotswolds, een prachtige streek in Centraal-Engeland waar hij een aantal jaren

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 28


daarvoor, ’s nachts nog het gerommel van de artillerie hoorde over Het Kanaal. In 1918 onderging de componist een operatie om zijn amandelen te laten verwijderen, wat toen een gevaarlijke ingreep was voor iemand van zestig jaar. Toen hij terug bij bewustzijn kwam en rustig was, vroeg Elgar pen en papier en noteerde het eerste thema van zijn “Celloconcert”. De première van dit werk vond plaats in oktober 1919 in de Londense Queen’s Hall. Net als andere kunstenaars werd Elgar diep getroffen door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Elgar’s Celloconcert belichaamt de klaagzang van een natie over een wereld die verloren is gegaan door de Grote Oorlog. Het is zijn aangrijpende en ontroerende muzikale reactie op de verschrikkingen en de verwoestingen. Het werk is muziek van diep verdriet en uitzonderlijke schoonheid: Elgar’s Celloconcert is een feniks die oprijst uit de as van een wereld in oorlog, een elegante klaagzang voor een altijd verloren Engeland. Naast zijn verdriet om de vele slachtoffers, trof hem het einde van de regeerperiode van Edward VII, waarmee hij zich sterk had geïdentificeerd. In 1919 werd zijn vrouw Alice ernstig ziek. De duistere klanken van deze compositie weerspiegelen eveneens Elgar’s voortschrijdende vereenzaming in een wereld die hem steeds vreemder werd. Er zijn maar weinig instrumenten die melancholieke momenten zo innig kunnen vertolken als de cello. In dit meesterwerk weet Elgar de expressieve kracht van dit instrument op schitterende wijze te gebruiken en vormt een inleiding tot zijn laatste depressieve levensjaren. Zijn vrouw Alice overleed op 7 april 1920. Na haar dood schreef Elgar geen grote werken meer.

SYMFONIE NR.6 IN B-MINEUR – “PATHETIQUE” – Pjotr TSJAIKOVSKY Er is nauwelijks een componist te bedenken die zo geliefd is als Tsjaikovsky. De werken van deze Russische componist behoren tot de meest gespeelde composities in de internationale concertzalen. Van de ruisende klanken van zijn eerste pianoconcert tot zijn laatste composities is zijn oeuvre vervult van emotionele kracht en bezieling. Tsjaikovsky was homoseksueel, hetgeen in die jaren in Rusland taboe was. Verboden liefde daar kon de componist over meespreken. Een vurige bewonderaarster, de pianiste Nadesia von Meck, was lange tijd een grote stimulans voor de componist. Zij bezorgde hem opdrachten en stelde hem jaarlijks een groot bedrag ter beschikking. Om het gerucht over zijn homoseksualiteit te weerleggen, huwde Tsjaikovsky in 1877 met een van zijn leerlingen Antonina Milikova. Na twee maanden vluchtte Tsjaikovsky in overspannen toestand weg van zijn vrouw. In 1878 nam hij ontslag bij het conservatorium. Toen in 1890 von Meck alle banden met de componist verbrak, bleef Tsjaikovsky eenzaam achter. In zijn briefwisseling met haar, geeft de componist meer van zichzelf prijs dan in al zijn andere brieven aan zijn vrienden. Het einde van de vriendschap met deze vrouw bracht bij de componist ernstige depressies teweeg.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 29


In 1893 componeerde Tsjaikovsky zijn “Symfonie nr.6 – Pathétique”.

Slechts zelden heeft een compositie zo onverholen een dreigend onheil en diepe wanhoop weerspiegeld. Van het herhaalde zuchten uit de inleiding en de daaropvolgende stormachtige passages tot aan de aangrijpende finale, is dit werk de stem van een mens die , zoals de componist het zelf zei, zijn ziel in het werk heeft gelegd. Over deze symfonie hangt een waas van verdriet, ellende en pessimisme. Het werk lijkt doordrenkt van smart, wanhoop en eenzaamheid, maar ook van opstandigheid en woede. De symfonie staat bol van klagende melodieën afgewisseld door opstandige passages. Dit werk is ongebreidelde passie en pathos. In deze compositie stort Tsjaikovsky zijn hart uit, eerlijk en zonder taboes. De waas van mysterie die over de partituur hangt heeft veel te maken met zijn dood na de première (de meeste historici nemen aan dat hij door zelfmoord om het leven kwam) . “Symfonie nr.6” is een samengaan van afscheidsklanken waarin Tsjaikovsky’s leven vol eenzaamheid wordt uitgebeeld. Tijdens het ontstaan van het werk kreeg Tsjaikovsky een sterke band met zijn neef Vladimir Davidov. De nadruk op het gevoel in de Pathétique is naar alle waarschijnlijkheid in de eerste plaats toe te schrijven aan Davidov, aan wie de componist deze bijzondere symfonie opdroeg. Tsjakovsky was nog nooit zo gelukkig geweest met zijn werk als met deze symfonie: “Ik beschouw het als het beste en in het bijzonder, het meest oprechte van al mijn creaties. Ik hou ervan zoals ik nooit van mijn andere muzikale nakomelingen heb gehouden” schreef hij over dit meesterwerk. Toen men aan Tsjakovsky vroeg of hij na zijn wereldsuccessen nog een requiem zou schrijven, antwoordde hij : “Luister naar mijn “Symfonie nr.6” en je hebt mijn requiem”. Maar of dit werk nu Tsjaikovsky’s persoonlijke requiem is of niet, smart en wanhoop klonken nog nooit zo mooi.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 30


“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 31


“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 32


CELLOCONCERT IN B MINOR OP.104– Antonin DVORAK

Antonin Dvorák, geboren in Bohemen, schreef lange tijd geen concerto voor cello. Hij was altijd van mening dat de cello geen solo-instrument was, en hij klaagde dat de klank te nasaal en mompelend was. Toch is zijn celloconcert uitgegroeid tot één van de meest gespeelde wereldwijd. Dvoráks celloconcert is gepassioneerd en verbluffend mooi. Sinds de eerste uitvoering in 1896 heeft het werk zijn positie als een van de meest geliefde werken van het klassieke repertoire behouden.

Het werk werd gecomponeerd tijdens de periode dat Dvorák directeur was van het National Conservatory in New-York. De compositie is doordrenkt van heimwee en verlangen naar zijn geboorteland. Maar er was ook nog een ander verhaal. In 1865 gaf Dvorák pianoles aan de zussen Josefina en Anna Cermáková. De componist werd verliefd op de toen zestienjarige Josefina. In die tijd was hij begonnen aan een celloconcert als uiting van zijn liefde. De compositie was nog lang niet klaar en de componist werd door Josefien afgewezen. Acht jaar later huwde hij de jongere zus Anna. Toen Dvorák in Amerika vernam dat Josefina ernstig ziek was begon bij opnieuw aan een celloconcert. Daarin verweefde hij het door hem gecomponeerde lievelingsliedje van Josefina: “Leave me Alone”. Men hoort de weemoed die doorschemert in het werk en het verlangen naar zijn geboorteland maar ook het verdriet om de ziekte van zijn schoonzus, zijn eerste liefde. PREDLUDE NR.4 IN E-MINOR – Frédéric CHOPIN Wat is de aantrekkingskracht van de muziek van Chopin? Wat zorgt er voor dat zijn muziek zo melancholisch klinkt? Heimwee, verdriet?

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 33


Frédéric Chopin is nooit kunnen terugkeren naar zijn geboorteland Polen door de opstand tegen de Russen die daar was toen Chopin op zijn negentiende in Wenen verbleef. Hierdoor hunkerde de componist zijn leven lang om terug te gaan naar Polen waar zijn hart lag. Dit kunnen wij horen in zijn muziek. Muziek die droevig is, maar ook vol liefde. Muziek die ontroert maar ook verblijdt.

Chopin werkte aan zijn beroemde 24 Preludes tijdens de jaren 1838-1839. In 1838 verbleef Chopin, samen met zijn minnares George Sand, een beroemde Franse romanschrijfster en haar twee kinderen op Mallorca. Op dit prachtige eiland genoten ze van het mooie leven. De eerste preludes zijn geschreven in een kleine villa bij Palma. De overige in een oud kartuizerklooster in Valldemossa, tussen de rotsen en de zee. De reis die aanvankelijk was gepland als een romantische reis, bleek al snel een achtbaan van emoties. De romantische idylle eindigde toen het mooie weer plaats maakte voor striemende regen, gure wind en koude temperaturen. Het werk liep vertraging op maar het manuscript van de 24 Preludes was toch klaar in januari 1839. Al deze omstandigheden zorgden ervoor dat de gevoelige componist extreme emotionele ups en downs doormaakte. Hierdoor zijn de pianopreludes van Chopin qua stemming en stijl heel verschillend. Sommige preludes zijn duister als de nacht, andere stralen als een zonovergoten dag. Elk werk vertegenwoordigt een wereld op zich , een stemming of verhaal. Maar samen vormen ze een geheel waarin luisteraars en pianisten eindeloos kunnen verdwalen en alleen maar zullen genieten.

De “Prelude in e-minor” is een van de meest welsprekende korte muziekwerken ooit geschreven. Het spreekt boekdelen in een tijdspanne van minder dan twee minuten: verdriet, verlangen en hoop. Het werk is ontstaan vanuit zwaarmoedige, zelfs tragische gedachten. Het is een van de meest geliefde pianomuziek van Chopin. Deze compositie werd later gearrangeerd voor orkest en verschillende solo-instrumenten waaronder het orgel. In die versie is het werk met zijn wanhopige sfeer en zware orgelklanken schitterend als treurmuziek, en werd het op verzoek van Chopin, samen met fragmenten uit Mozarts Requiem gespeeld tijdens zijn begrafenis.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 34


ETUDE OP.10 NR.3 IN E-MAJEUR – Frédéric CHOPIN

Dit werk met de titel “Tristesse” behoort tot de meest ontroerende etudes van Chopin. Het is een ongelofelijk emotioneel en muzikaal werk. Wat deze etude echter opmerkelijk maakt is de nostalgie, de weemoed en de emotie die door de muziek stromen. Chopin zelf vertelde : “ik heb mijn hele leven nog nooit zo een mooie melodie kunnen vinden”. Toen Chopin dit werk voor een van zijn leerlingen speelde begon hij plotseling te wenen en riep: “O mijn vaderland”. Deze Etude is een van de beste uitingen van nostalgie en de liefde die Chopin voelde voor zijn geboorteland Polen. Het werk is een van de populairste en meest geliefde composities van Chopin , de grootste componist die Polen heeft voortgebracht. Als jonge man was Chopin vurig verliefd op de operazangeres Konstanza Gladkovsky, een studente van hem aan het conservatorium in Warschau. Hij bewonderde haar op afstand en noemde haar “zijn grootste bron van inspiratie”. Konstanza trouwde echter met een andere man. Sommigen denken dat het werk misschien kan geschreven zijn met Chopins liefde voor Koanstanza in het achterhoofd – een herinnering die hem tot aan zijn dood is bijgebleven.

CONCIERTO DE ARANJUEZ - Joaquin Rodrigo Elk instrument kent wel een jaloersmakend mooi concerto, maar Joaquin Rodrigo schreef “Concierto de Aranjuez “, het eerste concerto voor gitaar en orkest in 1940. Het is een spel van licht en gevoelens. Hoewel Rodrigo al vanaf zijn derde jaar blind was, werd hij dankzij zijn enorm talent de bekendste Spaanse componist van het einde van de twintigste eeuw.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 35


In 1928 ontmoette Joaquin de mooie Turkse pianiste Viktoria Kahmi. Hun huwelijk vond plaats in 1933. Daarna werkte het paar samen. Zijn vrouw steunde hem zoveel mogelijk en het was door haar ogen dat hij de wereld kon aanschouwen.

De inspiratie die Rodrigo opdeed voor zijn “Gitaarconcerto” was ontstaan In de periode dat Rodrigo en Viktoria verloofd waren. Zij brachten tijdens hun opbloeiende liefde, veel tijd door in de streek rond Aranjuez ten Zuiden van Madrid, de plaats waar de Taag en de Jarama samenvloeien. Het was In de buurt van het “Palacio Real de Aranjuez” of het paleis van Aranjuez, dat in de 18e. eeuw het zomerverblijf was van de Spaanse koningen. Het paleis en de tuinen eromheen , waar Rodrigo samen met Viktoria als jonge verliefden graag wandelden, deed Rodrigo denken aan de roemrijke tijd van de Spaanse geschiedenis. Maar Concierto de Aranjuez is niet alleen een eerbetoon aan deze tijd, Het is zoals Viktoria zelf zei “een evocatie van de gelukkige dagen tijdens hun verloving”, maar het werk is vooral met veel liefde opgedragen aan zijn vrouw. Een tweede inspiratiebron die goed te horen is in de melancholiek van het adagio, was het gevolg van een droevige tijd toen het echtpaar hun baby verloor. De componist heeft Aranjuez nooit gezien want hij was blind, maar hij rook de geuren van de bloemen, hij hoorde de zomerbries in de bomen en zijn vrouw vertelde hem de rest. Voor de manier waarop Rodrigo deze plek in noten schilderde, verhief de Spaanse koning hem in de adelstand. “Duisternis was mijn vaders domein, van daaruit schreef hij zijn muziek” zei Cecilia Rodrigo.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 36


CLARINET CONCERTO IN A - K.26 – W.A. MOZART Ontroerend, troostrijk. Het “ Clarinet Concerto in A – K.26” van Wolfgang Amadeus Mozart raakt je recht in het hart. Maar het is niet alleen een van Mozarts mooiste werken, het is het eerste klarinetconcerto ooit geschreven door een groot componist. Mozart had een bijzondere voorliefde voor de klarinet en met zijn “Clarinet Concerto”, dat in de laatste maanden van zijn leven werd gecomponeerd, schreef hij een werk van diepe schoonheid, ontwapenende eenvoud, diep menselijke gevoelens en verdriet. Het instrument zingt in al zijn registers, van de schaduwrijke diepten tot de heldere en zonnige hoogten. De partituur is een tapijt van transcendentale schoonheid, getint met strijd en een zucht van gelatenheid.

De meest angstaanjagende tonen van de klarinet worden weergegeven in het tweede deel: het Adagio, een van de meest sublieme langzame bewegingen van Mozart. Hier wordt de klarinet een prachtige operadiva die zingt van eenzaamheid en verdriet. Mozart kende in zijn laatste jaar een ernstige depressie en had al vaak opgemerkt dat hem geen lang leven beschoren zou zijn. Zijn muziek drukt dikwijls een diep gevoel uit van de voorbijgaande aard van het leven en het verdriet dat achter schoonheid schuilt – maar nooit zo aangrijpend als in deze compositie. Dit onvergelijkbare werk was het laatste soloconcert van Mozart. De uitvoering vond plaats op 28 september 1791, ongeveer twee maanden voor zijn dood op 5 december 1791.

SYMFONIE NR.9 - Gustav MAHLER De werken van Gustav Mahler staan voor ontroering en zijn sterk autobiografisch. Dat is zeker zo met zijn “Symfonie nr.9”. Zijn laatste voltooide symfonie staat in het teken van de verstilling en klinkt elke seconde als een persoonlijk drama met momenten van absolute wanhoop.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 37


Gustav Mahler componeerde zijn “Symfonie nr.9”, een werk in vier delen voor groot orkest in 1909 en 1910 in zijn zomerverblijf in het pittoreske Toblach gelegen in de Dolomieten in de Italiaanse provincie Zuid-Tirol. Daar vond hij tijdens zijn vakantieperiodes rust en tijd om kalm en ongestoord te kunnen componeren. De première van het werk vond plaats op 26 juni 1912 in de Wiener Musikverein en werd uitgevoerd door de Wiener Philharmoniker onder leiding van Bruno Walter. De componist heeft de uitvoering van zijn compositie niet meer kunnen bijwonen want hij overleed in 1911. In zijn zomerverblijf componeerde hij eveneens zijn onvoltooid gebleven ”Tiende Symfonie”.

Toen Malher zijn “Symfonie nr.9” uitschreef was hij niet meer de oude. Hij was dirigent van het koor en het orkest van de Hofoper, destijds het toporkest van Europa. Maar hij stelde enorm hoge eisen wat precisie en klank betrof, zodat conflicten met zijn muzikanten niet konden uitblijven. Tenslotte kregen zijn orkestleden er genoeg van en Malher nam ontslag en verhuisde naar New-York. Hij was intens verdrietig toen zijn dochtertje Marie Anna aan roodvonk overleed. Om alle ellende compleet te maken kreeg hij van zijn artsen te horen dat hij leed aan een ernstige hartkwaal. Tevens stond zijn huwelijk op losse schroeven. Zijn knappe twintig jaar jongere vrouw Alma Schindler flirtte met andere mannen en uiteindelijk ging ze er met de beroemde architect Walter Gropius vandoor. Tenslotte was Mahler sterk gefrustreerd omdat hij in Oostenrijk vooral als dirigent, maar veel minder als componist werd geprezen. De wereld in klanken vangen dat was voor Mahler het belangrijkste van het componeren. Zijn “Symfonie nr.9” werd een lofzang op het leven, uitmondend in een ongrijpbaar klinkend afscheid. Een afscheid van alles dat hem dierbaar was: de liefde, de natuur, zijn kunst, zijn muziek en tenslotte het leven zelf . Afscheid van allen van wie hij hield. Het vierde deel het adagio is één van de indrukwekkendste werken die Mahler schreef. Hij was altijd al een briljant orkestrator, maar met dit werk overtrof hij zichzelf. Wanneer de laatste noot van deze compositie is vervlogen kan je er zeker van op aan dat deze muziek je nog lang zal bijblijven. “Muziek van een andere wereld, van de eeuwigheid”, dat waren de woorden van de legendarische dirigent Herbert von Karajan over Mahlers Negende Symfonie.

CVC

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 38


KONING LUDWIG II VAN BEIEREN EN DE COMPONIST RICHARD WAGNER Als er een beschermheer was in het leven van Richard Wagner, was het koning Ludwig II van Beieren . Een “sprookjeskoning”, zoals zijn trouwe aanhangers hem liefkozend noemden, die vaak de voorrang gaf aan zijn romantische en artistieke dromen in plaats van aan de politiek van een koninkrijk dat hij van jongs af aan moest besturen. De relatie tussen de jonge, hevige monarch en de componist ging door een groot aantal zware beproevingen, van de meest vurige (platonische) hartstocht tot de diepste vijandschap. Als men soms verdwaalt in de details van de geschiedenis van deze verheven vriendschap, kan men niet vergeten dat zonder het bestaan en de niet-aflatende steun van de koning het werk van Richard Wagner nooit zou zijn geworden wat het is. Ludwig II een "sprookjeskoning" rechtstreeks uit een Wagneriaanse droom. Ludwig II van Beieren, de toekomstige koning van Beieren werd geboren op 25 augustus 1845, een mooie zomerdag in een decor van legendes ( het paleis van Nymphs Nymphenburg Palace, nabij München ), als de zoon van koning Maximiliaan II van Beieren en Marie de Hohenzollern, prinses van Pruisen. Het koninkrijk Beieren met zijn diep gewortelde katholieke tradities werd reeds vroeg opgeschrikt door schandalen. Inderdaad, terwijl de jonge prins nog geen jaar oud was werd zijn grootvader, koning Lodewijk I van Beieren, in zijn laatste jaren verliefd op een actrice genaamd Lola Montès, hetgeen niet in goede aarde viel bij de Beierse conservatieve bevolking. De vorst gaf er de voorkeur aan af te treden in plaats van zijn passie voor de jonge avonturierster, die zonder twijfel reeds van een troon had gedroomd, op te geven. Omwille van het feit dat Ludwig op zijn beurt in het openbaar zijn relatie van grenzeloze genegenheid voor Richard Wagner toonde, maakte hij deel uit van een bepaalde familietraditie ... Toen er met de

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 39


vinger werd gewezen naar de favoriete Wagner – die in de ogen van de bevolking buitensporig profiteerde van de gunsten van de vorst en zich te veel bemoeide met de politiek - kregen ze de bijnaam van "Lolus" , hetgeen de jonge vorst herinnerde aan de excessen van zijn eigen grootvader die ook bezweken was voor de charme van "kunstenaars". Nadat Lodewijk I was afgetreden, besteeg Maximiliaan, de vader van Ludwig , voortijdig de troon van Beieren. Misschien als gevolg dat hij had geleden onder de vrijheid van moraal van zijn vader, legde Maximiliaan strenge regels op voor de opvoeding van de jonge Ludwig. Omdat hij zijn zoon weg wilde houden van het “slechte pad”, hanteerde hij een bijzonder ijzersterke en strikte discipline, zonder enige vorm van genegenheid. Ludwig moest hele uren wetenschap en literatuur studeren, onder het ongemakkelijke - en vaak strenge toezicht - van docenten die weinig aandacht hadden voor de uitzonderlijke gevoeligheid van de kleine Ludwig. De prins had geen interesse voor sportonderwijs en ook niet voor wetenschappen, techniek en wiskunde. Aan de andere kant had hij een uitgesproken voorkeur voor literatuur, mythologie ( een eigenschap die hij gemeen had met de opvoeding van de jonge Wagner), godsdienstwetenschappen en vreemde talen, maar in het bijzonder Frans. Eenzaam, gesloten karakter en lichtgeraakt, dat is het beeld van de toekomstige monarch. Vanaf zijn prille jeugdjaren werd hij opgeleid en voorbereid tot het dragen van de lasten en de zorgen van zijn toekomstige kroon. Hij bracht zijn tijd door tussen het paleis van München en het kasteel van Hohenschwangau in de Beierse Alpen, bij Füssen.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 40


Het was een koninklijke villa die in 1832 door zijn vader werd aangekocht in de vorm van een ruïne en die in 1837 in neogotische stijl werd gerestaureerd. Rechtstreeks gelinkt aan de Germaanse legenden van “Lohengrin” , “le Chevalier au Cygne”, en “ Tannhäuser”. Kortom een Wagneriaans oord dat vlug Ludwigs favoriete plek werd. Hij noemde het " het paradijs van mijn jeugd ". Het was in deze omgeving die bevorderlijk was voor romantiek en de meest verrukkelijke dromen, dat Ludwig de kunst van Richard Wagner ontdekte: allereerst theoretische verhandelingen in 1857, met het lezen van “ L'oeuvre d'Art de l'Avenir”. Vervolgens op 2 februari 1861 de opera “Lohengrin” . Het werk is gebaseerd op een oude Duitse sage over een ridder die over bovennatuurlijke krachten beschikt. Hij gelooft dat men hem nooit om zijn persoonlijkheid zal liefhebben, maar om zijn kracht. Daarom zoekt hij een vrouw die zweert hem nooit naar zijn ware identiteit te vragen. Wagner die erg leed onder het gemis aan oprechte vriendschap, zag hierin een parallel met zijn leven als succesvol kunstenaar. Na de dood van zijn vader Maximiliaan, besteeg de jonge Ludwig op de leeftijd van achttien jaar de troon en werd hij koning Ludwig II van Beieren . De jonge vorst, slank ( 1m.90) en onweerstaanbaar knap, veroverde onmiddellijk de harten van het Beierse volk. Ludwig was zich bewust van zijn verplichtingen jegens zijn koninkrijk, maar de gevoelens en het hart van de jonge monarch gingen helemaal uit naar de kunst en naar de componist Richard Wagner. Louis II en Richard Wagner, verhaal van een passie Nauwelijks zat Ludwig op de troon of de jonge vorst voelde het als zijn "missie" de componist Richard Wagner - die hij bewonderde, maar die recent veel tegenslagen kende - te redden. De koning had niet alleen interesse in het werk van Wagner, maar ook in zijn persoon en daar zou Richard op zijn beurt handig gebruik van maken. Wagner zat voortdurend krap bij kas. Door zijn uitbundige levensstijl lagen de uitgaven vele malen hoger dan de inkomsten, en zelfs de niet geringe inkomsten van zijn succesvolle opera’s konden niets veranderen aan zijn financiële miserie. Wagner leende regelmatig geld dat hij meestal alleen kon terugbetalen als hij een nieuwe lening afsloot. Hij hield van de goede dingen van het leven: lekker eten, goede wijn, kostbaar meubilair voor zijn woon- en werkruimtes. Hij beweerde dat hij zonder luxe om zich heen niet kon werken en sprenkelde voor zijn inspiratie parfum in alle vertrekken van zijn huis. Hij droeg meestal dure

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 41


maatkleding van zijde, maar dat had meer met zijn hardnekkige huidallergie te maken dan met zijn behoefte aan extravagantie. Begin 1864 ging het de componist niet voor de wind. Wagner was in die periode in Wenen en probeerde alles te organiseren voor de uitvoering van de opera “ Tristan en Isolde” . Maar bij gebrek aan bekwame uitvoerders en muzikanten kon de uitvoering niet plaatsvinden. Na de artistieke tegenslagen volgden onvermijdelijk de financiële problemen waaraan de componist ondertussen reeds gewend was. Wagner vluchtte voor zijn schuldeisers die hem achtervolgden en hij verstopte zich om aan de politie te ontkomen. Zo ontsnapte hij ook aan Pfistermeister, de adviseur van Lodewijk II van Beieren , die van de vorst de opdracht kreeg op zoek te gaan naar de ongrijpbare componist. Het verstoppertje tussen de componist en de gefrustreerde minister - dat bijna een maand duurde - eindigde op 3 mei 1864 in Stuttgart. Terwijl Wagner op het punt stond alweer op de vlucht te gaan, kwam Richard oog in oog te staan met Pfistermeister die hem een portret van de jonge monarch overhandigde, evenals een geschenk, een weelderige robijn in een ring. De koning verzocht Richard zo snel mogelijk naar het hof te komen. Wagner die onmiddellijk per brief antwoordde aan de koning met volgende woorden: (" Ik stuur je de tranen van de meest hemelse emotie om je te vertellen dat de wonderen van poëzie als een goddelijke realiteit zijn binnengekomen in mijn arme leven, verlangend naar liefde ") haastte zich naar München. Het was het einde van de omzwerving voor de componist die behoefte had aan erkenning en financiële middelen.

Zodra Wagner in München aankwam, wilde Lodewijk II dat de componist dicht in zijn omgeving bleef en hij installeerde hem in een landhuis “Villa Pellet” genoemd vlakbij zijn woonplaats aan de oevers van het meer van Starnberg. Ludwig bood zijn “koninklijke beschermeling” de eerste financiële tussenkomsten aan die hij rechtstreeks uit zijn eigen zak betaalde. De vurigste wens van de koning was de werken van Wagner in München te laten klinken. Wagner was vaak te gast in het kasteel en speelde piano voor de koning. De monarch, die zich liever bezighield met kunst dan met regeren, zou voortaan de begunstiger en voorvechter van de componist zijn. Hij zorgde voor diens levensonderhoud en financierde de uitvoeringen van Wagners werken. Voor het eerst had Wagner geen geldzorgen en kon hij zich volop op zijn werk concentreren.

Aan deze providentiële monarch, een jonge knaap die zich als een wonder in Wagners leven opdrong en alles over zijn idool wilde weten, vertelde Wagner zijn leven en zijn avonturen. Richard beloofde de koning hem het volledige verhaal van zijn leven te bezorgen in een autobiografie die speciaal aan hem zou worden opgedragen - het werd “Mein Leben”. Maar Wagner beloofde de koning ook opera's om de fantasieën van de jonge vorst te bevredigen en zelfs ... een “Festtheater” aan de boorden van de rivier de Isar, waar alleen zijn werken zouden worden uitgevoerd. De koning was enthousiast en begon reeds te dromen van deze “BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 42


muziektempel. Richard vroeg aan zijn vriend Gottfried Semper, architect een plan te maken voor de uitvoering van dit bouwwerk. De koning zag in de dertig jaar oudere componist niet alleen een briljante kunstenaar, maar ook een soort vaderfiguur hetgeen de entourage van de koning reeds vreesde. De charismatische Wagner ondervond weinig moeilijkheden om de koning te overtuigen van zijn plannen . Maar met de steun van Lodewijk zou de uitvoering van zijn opera “Tristan und Isolde” die niet kon plaatsvinden in Wenen alleen nog een formaliteit zijn. De kosten voor meer dan zeventig repetities met orkest waren enorm en werden door de critici scherp op de korrel genomen. Maar niets was te veel om aan de grillen van de vorst en zijn koninklijke beschermeling te voldoen. In 1865 ging “Tristan und Isolde”- Wagners eerbetoon aan het ware liefdesgeluk - in première in het Nationaal Theater van München. Om plaats te maken voor het enorme orkest liet Wagner de eerste rij stoelen verwijderen. De opera lokte heftige reacties uit: sommige mensen waren boos over de duidelijke erotiek, maar velen erkenden de grote betekenis van het werk. Het orkest werd gedirigeerd door Hans von Bülow. Zijn vrouw Cosima (dochter van de componist Franz Liszt) trok Wagners aandacht. Hoewel ze 24 jaar jonger was dan hij begonnen ze een relatie. Een jaar later werd hun eerste kind Isolde geboren. De bevolking en het hof van Beieren werden steeds wantrouwiger tegenover Wagner vanwege dit schandaal en de invloed die de componist had op de koning. Maar de bewondering van de koning nam af toen hij erachter kwam dat Wagner een affaire had met Cosima. Toch bleef hij Wagners artistieke werk financieel steunen. Wagner echter maakte grif gebruik van Ludwigs tomeloze aanbidding. De componist stak zich diep in de schulden en beledigde bijna al zijn Beierse kennissen, omdat hij zich dankzij de steun van Ludwig voor onaantastbaar hield. Hij begon zich zelfs te mengen in de politiek. Gezien zijn invloed op de koning, had Richard de rechters die oordeel moesten vellen over zijn affaire tegen zich. Zij oefenden druk uit op koning Ludwig om Richard uit de stad München en uit de staat Beieren te verbannen. De onderdanen kwamen in opstand, niet alleen vanwege het schandaal met Cosima, maar ook waren zij zich bewust van al de financiële middelen die de koning ter beschikking stelde ter verrijking van de componist. Ondanks Ludwigs liefde voor Richard kon hij niet anders dan gehoor geven aan het verzoek van de rechters en de regering. Richard verhuisde samen met Cosima en zijn dochter Isolde naar het Zwitserse Tribschen bij Luzern in een villa aan het Vierwoudstedenmeer. In die periode verloofde Ludwig II zich met Sophie-Charlotte de Wittelsbach, Sissi's jongere zus, tevens zijn nicht. Een jonge vrouw wiens lot niet het minst tragische was van deze beslist vervloekte familie. Sophie-Charlotte was een goede muzikante en een vurige bewonderaarster van Wagner. Omdat Sofie mooi kon zingen en bovendien zichzelf begeleidde op de piano, zong zij regelmatig voor Ludwig II stukken uit de opera’s van Wagner. Zij had al verschillende vrijers de laan uitgestuurd , nadat ze getuige was geweest van de briljante maar rampzalige huwelijken van haar zussen. Toen Ludwig II haar ten huwelijk vroeg, verheugde Sophie-Charlotte zich. Maar zich bewust van zijn aard, stelde Ludwig het huwelijk verschillende keren uit. Uiteindelijk werd de verloving verbroken en ging ieder zijn eigen weg.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 43


München-Tribschen – Bayreuth Van artistieke inspiratie tot financiële intriges Ludwig II had moeten toegeven aan de druk van de bevolking om Wagner te verbannen, maar ondanks alles was de componist nog steeds in de gedachten en het hart van de koning. De kosten voor het verblijf van Wagner in Zwitserland werden door de koning betaald. Ludwig ging zijn componist ook regelmatig in het geheim bezoeken. Toen in 1866 de vrouw van Wagner overleed , probeerde Cosima te scheiden van von Bülow, maar die ging pas akkoord in juli 1870, nadat Wagner en Cosima nog twee kinderen hadden gekregen. Wagner en Cosima trouwden een maand later. Met passie en waanzin begon de excentrieke Ludwig aan de verwezenlijking van zijn meest waanzinnige dromen: de bouw van zijn kastelen die rechtstreeks uit de Wageriaanse verbeelding kwamen. Tegen het advies en tot grote woede van Wagner, liet de koning in München de twee eerste delen van “Der Ring Des Nibelungen”: “Das Rheingold” en “Die Walküre” uitvoeren. Wagner was bezig met het componeren van “Siegfried” en “Gotterdammerung”, de twee laatste delen van het werk. Hij wilde dat “Der Ring Des Nibelungen”, na voltooiing van deze twee laatste delen, volledig (de vier opera’s) zou worden uitgevoerd . Hij koesterde reeds lang de wens om zelf een theater te bouwen een “Festspielhaus” waar alleen zijn eigen werken zouden worden uitgevoerd. Om te ontsnappen aan de wetten van München, had hij reeds plannen dit theater te bouwen in Bayreuth en hij zou in dit nieuwe theater het volledige werk “Der Ring des Nibellungen” in première uitvoeren. In 1874 voltooide Wagner “Götterdämmerung”, de laatste opera van de cyclus. Daarmee had hij in totaal 26 jaar aan de cyclus gewerkt. Geen enkele opera lijkt op “Der Ring des Nibelungen”. Het is deels een sprookje, deels een sage, maar ook een allegorie van het leven en de samenleving. Deze cyclus van vier opera’s is een machtig en uniek meesterwerk. De cyclus bereikte het toppunt van megalomanie: de bezetting was gigantisch en vereiste allerlei bijzondere instrumenten die nooit gebruikt werden of geheel nieuw waren, zoals de contrabastrombone en de Wagnertuba. Op 22 mei 1872, op Wagners negenenvijftigste verjaardag kreeg de componist eindelijk zijn zin. In Bayreuth werd de eerste steen gelegd voor de bouw van het Bayreuther Festspielhaus, waar zijn Ring-cyclus kon worden opgevoerd. Op de groene heuvel, hoog boven de kleine Beierse stad Bayreuth groeide het nieuwe theater – volledig gericht op akoestische perfectie - uit tot de muziektempel van Wagner. Dit was de perfecte omgeving voor de uitvoering van zijn machtig werk. Koning Ludwig had geweigerd om het project te financieren, maar ging uiteindelijk toch akkoord en bezorgde de componist een ruime financiële tussenkomst. Drie jaar later ging de droom van Wagner in vervulling en was het Bayreuth Festspielhaus klaar, volledig naar de wens

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 44


en de ideeën van de componist. Compleet met villa voor de familie Wagner. Het was een huis waarvan Wagner zijn leven lang had gedroomd: alle comfort en schoonheid, mooi gelegen met een prachtige uitgestrekte tuin. Wagner noemde het “Wahnfried”. In de zomer van 1876 had de eerste “Bayreuther Festspiele” plaats en werd de nieuwe muziektempel geopend met de uitvoering van de “Ringcyclus ". Voor het eerst in een volledige versie, als een vervolgverhaal over een tijdsspanne van vier avonden (16-17-18-19 augustus 1876) . De uitvoering van de volledige cyclus duurde ongeveer 15 uren. Bij de première was een lange lijst van gasten aanwezig: keizer Wilhelm, Dom Pedro II van Brazilië, Koning Ludwig was in het geheim aanwezig, waarschijnlijk om de keizer te ontwijken. Uit heel Europa kwamen de gekroonde hoofden en journalisten. De adel was eveneens aanwezig alsook de componisten Anton Bruckner, Edvard Grieg, Johannes Brahms, Camille Saint-Saëns, Pyotr Tschaikovsky en Franz Liszt. Allen waren het erover eens dat muziek en theater op hun hoogtepunt beland waren. Na de volledige uitvoering van “De Ring” werd Wagner een van de beroemdste componisten van Europa. Het Wagner Festival in Bayreuth werd in het begin met veel verlies georganiseerd. In 1878 kwam Ludwig II Wagner alweer te hulp en bezorgde de componist een lening. De familie Wagner betaalde het volledige bedrag terug. Sinds Wagner zich in Bayreuth vestigde trok de koning zich terug in zijn paleizen in het zuiden van Beieren en werd het contact met de componist minder. Wagner en Cosima onderhielden hun correspondentie met de vorst, maar de bezoekjes werden schaars. De laatste keer dat de koning en de componist elkaar ontmoetten was in 1880. Wagner was op doorreis naar Italië om er even tot rust te komen. De koning gaf de componist nog een fors bedrag voor zijn verblijf in Napels. Samen woonden ze een privéuitvoering van “Lohengrin” bij. Twee dagen later dirigeerde Wagner op verzoek van de vorst een privéuitvoering met op het programma de inleiding tot het eerste bedrijf van “Parsifal”, een opera waaraan Wagner nog ijverig werkte. Deze opera ging in Bayreuth in première in 1882. Wagner nodigde de koning uit, maar deze kwam niet omdat hij de aanwezigheid van andere prinsen en edellieden niet kon verdragen. Richard Wagner, de onbetwistbare meester van de Duitse romantische opera, overleed in februari 1883 in Venetië. Hij werd per gondel naar het station gebracht en van daar met de trein naar Bayreuth. In de tuin van Wahnfried vond hij zijn laatste rustplaats. Toen Ludwig II het bericht vernam was hij intens verdrietig en voelde hij zich eenzaam en verlaten. Op kasteel Neuschwanstein waar hij het grootste deel van zijn tijd verbleef, ver van het hof van München en op de vlucht voor zijn verplichtingen, had hij de piano waarop de componist ooit voor hem speelde, bedekt met een zwarte sluier. Ludwig II hoorde Wagners laatste muzikale drama “Parsifal” pas na de dood van de componist.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 45


In 1885 vroeg Cosima, de echtgenote van Wagner, de koning om de beschermheer van het festival te worden. De koning was hiermee akkoord. Toen het derde Bayreuth-festival in 1886 werd geopend, was de vorst reeds overleden. Ludwig II begon zich zonderling te gedragen en leefde in zijn eigen wereldje, ver weg van de realiteit. Hij leefde ’s nachts en sliep tijdens de dag. Uiteindelijk werd hij ongeschikt verklaard om te regeren. Hij werd door de strijdkrachten van zijn eigen regering op 12 juni 1886 geïnterneerd en onder huisarrest geplaatst in “Slot Berg”. De dag na zijn arrestatie vroeg de koning om een nachtwandeling te maken, waarbij hij werd vergezeld door zijn arts dokter Bernhard von Gudden. De lichamen van de vorst en zijn arts werden kort daarna levenloos gevonden. Misdaad, zelfmoord? Het mysterie rond de verdwijning van koning Ludwig II blijft tot op de dag van vandaag een raadsel en onbegrijpelijk, net zoals de persoonlijkheid van een vorst die, geliefd door zijn volk, er nooit is in geslaagd begrepen te worden. Die zelfs zijn eigen lot als koning opofferde voor zijn droom, maar ook voor de glorie van de kunst van een componist van wie hij zijn hele leven hartstochtelijk had gehouden. Wat Richard Wagner en Ludwig II gemeen hadden, was hun liefde voor poëzie en muziek. Het verband tussen deze twee kunstvormen had Wagner in zijn vroege geschriften al besproken. Ludwig II erkende Wagner als de kunstenaar die op de meest ontroerende manier legendarisch materiaal, romantiek en het Germaanse verleden in zijn composities wist te verwerken. Bombastische klanken, die een uitzonderlijke sfeer van idylle, gratie, tragedie, grootsheid en pathos creëerden waren precies naar de smaak van de koning. Wagners klankvormen en arrangementen waren uiterst modern, terwijl de thema’s teruggingen naar mytische tijden. Ludwig II en Richard Wagner hebben muziektheater naar een nieuw tijdperk gebracht. Ludwig II van Beieren was de belangrijkste sponsor van Wagner, wiens werken de koning inspireerden tot het uitvoeren van architectuur- en binnenhuisinrichting. Koning Ludwig II realiseerde in zijn bouwwerken stoffen en motieven uit het werk van Wagner. De Hunsdinghütte (bouwjaar 1876) bij paleis Linderhof bij Ettal kwam overeen met een scène uit de “Walkure”. Niet ver daarvandaan werd in 1877 een “Hermitage van Gurmemana” gebouwd, gebaseerd op motieven uit “Parsival”. De “Venusgrot” in het Linderhof Palace Park moest de koning aan “Tannhäuser” herinneren. Slot “Neuschwanstein” heeft motieven van de werken : “Parsival”, “Tannhäuser” en “Lohengrin”. De Bayreuther Festspiele, vinden ieder jaar in juli en augustus plaats op de “groene heuvel”, en vormen een hoogtepunt in het operaseizoen. De toegangskaarten zijn zo gewild, dat het dikwijls jaren duurt voordat de echte muziekliefhebber er eindelijk een paar kan bemachtigen. Bron: gedeeltelijk: Haus der Bayerische Geschichten

CVC “BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 46


LUDWIG II DE BAVIERE ET RICHARD WAGNER Né le 25 août 1845 – décédé le 13 juin 1886 L’Homme d’état allemand. Roi de Bavière (du 10 mars 1864 jusqu’à sa mort) S’il y eut un mécène dans la vie de Richard Wagner, c’est bien le roi Louis II de Bavière. Un “Roi de conte de fées”, ainsi que le surnommait avec affection son peuple fidèle, qui eut pour malheur de confondre bien souvent ses rêves romantiques et artistiques avec la politique d’un royaume qu’il dut seul assumer très jeune. Les rapports entre le jeune et fougueux monarque et le compositeur traversèrent une foule d’épreuves considérables, passant de la passion (platonique) la plus enflammée à l’inimitié la plus profonde. Si l’on se perd parfois dans les détails de l’histoire de cette amitié exaltée, on ne peut oublier que sans l’existence et le soutien indéfectible du roi, l’œuvre de Richard Wagner ne serait jamais devenue ce qu’elle est.

Un “Roi de conte de fées”tout droit issu d’un rêve wagnérien Fils du roi Maximilien II de Bavière et de Marie de Hohenzollern, princesse de Prusse, le futur roi Louis II de Bavière (Ludwig) voit le jour le 25 août 1845 par une belle journée d’été dans un décor de légendes : le Palais des Nymphes (le château de Nymphenburg, tout près de Munich). Profondément ancré dans la tradition catholique, le royaume de Bavière a déjà été secoué par les scandales. En effet, alors que le jeune prince n’a pas encore un an, son grand-père, le roi Louis Ier de Bavière, s’entiche sur ses dernières années d’une actrice du nom de Lola Montès, ce qui déplaît fortement au peuple conservateur bavarois. Le monarque préfère abdiquer plutôt que renoncer à sa passion pour la jeune aventurière qui, elle, avait sans doute rêvé d’un trône ! ! Ludwig, quand il affiche à son tour publiquement sa relation d’affection démesurée pour Richard Wagner, s’inscrit donc dans une certaine tradition familiale… Et lorsque l’on pointera le favori Wagner du doigt – qui, outrepassant les faveurs du monarque, se mêle un peu trop de politique aux yeux du peuple – celui-ci sera affublé du surnom de “Lolus”, rappelant au jeune monarque les excès de son propre grand-père qui, avant lui, avait succombé pour son plus grand malheur au charme des “artistes”. “BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 47


Louis Ier ayant abdiqué, Maximilien, père de Ludwig, accède donc de manière prématurée au trône de Bavière. Peut-être par effet de balancier, Maximilien, ayant souffert de la liberté de mœurs de son père, impose un univers très rigide pour l’éducation du jeune Ludwig. Voulant éloigner son fils du “pire” chemin qu’un monarque pourrait suivre, il impose une discipline particulièrement stricte, dépourvue de démonstration d’affection inutile. Celui-ci doit passer des heures entières à l’étude des sciences et de la littérature, sous le regard maladroit – et bien souvent obstiné – de précepteurs peu attentifs à la sensibilité exacerbée du jeune garçon. Si le prince se montre aussi peu réceptif à l’éducation sportive qu’à l’apprentissage des sciences telles que la technique ou les mathématiques, ses “affinités électives” se montrent en revanche déjà fort prononcées pour la littérature, la mythologie (un trait commun avec l’éducation du jeune Wagner) ainsi que l’histoire religieuse et l’enseignement des langues étrangères, et en particulier, du français.

Solitaire, secret, au caractère ombrageux, le futur monarque – à qui l’on fait dès sa plus tendre enfance comprendre la charge et le poids à porter de sa future couronne – passe son temps entre le Palais de la Résidence de Munich et le château de Hohenschwangau, dans les Alpes bavaroises, près de Füssen. Un lieu wagnérien s’il en est, une villa royale acquise en 1832 par son père sous la forme d’une ruine qu’il fit restaurer à grands frais dans un style néo-gothique en 1837 : directement lié aux légendes germaniques de Lohengrin, le Chevalier au Cygne, et de Tannhäuser, cet endroit devient très vite le lieu de prédilection de Ludwig (il l’appellera “le paradis de mon enfance”). C’est dans cet environnement propice au romantisme et aux rêves les plus exaltés que Ludwig découvre l’art de Richard Wagner : les traités théoriques, tout d’abord, avec la lecture de L’œuvre d’Art de l’Avenir, en 1857, puis l’opéra, le 2 février 1861 : ce sera… Lohengrin.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 48


Trois années à peine plus tard, le jeune Ludwig devient Louis II de Bavière, et accède au trône à l’âge de dix-huit ans. Jeune, élancé (il mesure 1m90), irrésistiblement beau, le jeune roi conquiert instantanément le cœur et l’adhésion du peuple bavarois. Mais s’il est conscient de ses obligations envers le royaume, le cœur du tout jeune monarque tend tout entier vers … Richard Wagner !

Louis II et Richard Wagner,histoire d’une passion À peine a-t-il accédé au trône (Ludwig est couronné le 10 mars, à la mort de son père Maximilien) que le jeune monarque se sent investi d’une “mission” : celle de sauver le compositeur Richard Wagner dont il admire déjà l’œuvre et dont il a entendu les récentes infortunes. Et en effet, en ce début d’année 1864, le compositeur est au plus mal : Wagner est alors à Vienne et essaie de réunir tous les éléments nécessaires à la création de Tristan et Isolde, mais, faute d’interprètes et d’orchestre à la hauteur – démesurée – de l’ouvrage, l’entreprise “s’enlise”. Et aux déboires artistiques se succèdent les inévitables déroutes financières desquelles le compositeur est coutumier. Fuyant les créanciers qui le poursuivent, il se faufile pour échapper à la police… et par ce faisant se dérobe aussi à Pfistermeister, le conseiller aulique de Louis II de Bavière, envoyé par le souverain à la recherche du compositeur, décidément insaisissable. Le jeu de cache-cache entre le compositeur et le ministre dépité qui dure près d’un mois s’achève le 3 mai 1864 … à Stuttgart !

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 49


Alors qu’il est à nouveau sur le point de prendre encore la fuite, Richard Wagner tombe nez-ànez avec Pfistermeister qui lui tend un portrait du jeune monarque ainsi qu’un (premier) cadeau : un somptueux rubis enchâssé dans un anneau. Le roi réclame Wagner auprès de sa cour et au plus vite. Wagner qui répond sur le champ par une lettre au monarque (“Je vous envoie les larmes de la plus céleste émotion pour vous dire que les miracles de la poésie sont entrés comme une réalité divine dans ma pauvre vie avide d’amour”) s’empresse de gagner Munich. C’est la fin de l’errance pour le compositeur en manque de reconnaissance. Naturellement Wagner ne souhaite pas s’arrêter dans le si bon chemin de la fortune qui lui sourit : avec parcimonie, il laisse entrevoir à Ludwig le rêve d’un théâtre qui serait spécialement conçu pour y faire représenter ses propres œuvres. Pour ce faire, le compositeur requiert la science en la matière de son ami de toujours, l’architecte Gottfried Semper, pour concevoir un Festtheater – bien avant un Festspielhaus – qui devrait être érigé sur les bords de l’Isar. Le souverain, conquis d’avance, ne peut résister à l’avènement de ce qu’il considère comme son propre rêve. Qui, du souverain-mécène ou du compositeur-protégé aura le plus longtemps tenu les rênes dans cette aventure ? La relation de pouvoir ne cessera de changer de main au cours de la décennie à venir.

Dès son arrivée à Munich, Louis II souhaite que Wagner soit à ses côtés et l’“installe” tout près de sa résidence du château de Berg, sur les bords du lac de Starnberg, dans la réplique d’un chalet suisse nommé “Villa Pellet”. Et offre à son “royal protégé” les premières dotations provenant directement de sa cassette personnelle, toutes plus importantes les unes que les précédentes. À ce monarque providentiel qui s’est imposé dans la vie de Wagner comme un miracle, Wagner raconte sa vie, ses péripéties à un adolescent avide de toujours en connaître davantage sur lui. Il lui promet le récit complet de sa vie dans une autobiographie qui lui sera spécialement dédiée – ce sera Mein Leben (Ma Vie) – mais aussi des opéras, plein d’opéras pour satisfaire les fantasmes du jeune roi, voire … un théâtre ? Très vite, la relation qui unit le monarque au compositeur évolue inévitablement dans un rôle d’ascendance que l’entourage du roi redoutait. De plus de trente ans son aîné, farouchement charismatique, Wagner éprouve peu de difficultés à exercer son influence auprès du souverain et ce d’autant plus “facilement” qu’il œuvre sur le terrain particulièrement fertile d’un esprit exalté trop longtemps contenu. Grâce à l’appui du souverain, « l’affaire Tristan »– impossible à mettre en œuvre à Vienne – n’est plus à présent quasiment qu’une “formalité”. Certes, à grands frais : plus de soixante-dix répétitions avec l’orchestre pour un ouvrage sur lequel la critique émettait les plus hautes réserves. Mais rien n’est trop beau pour satisfaire aux exigences (aux caprices) d’un monarque et de son royal protégé. Si l’ouvrage était qualifié d’indécent, si la musique est peu propice à l’adhésion immédiate du public, la création de Tristan et Isolde, le 10 juin 1865, désormais placée sous la protection du roi, fait grand bruit : si le roi aime, le peuple, toujours sous le charme de son monarque, se doit d’obtempérer.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 50


Naturellement Wagner ne souhaite pas s’arrêter dans le si bon chemin de la fortune qui lui sourit : avec parcimonie, il laisse entrevoir à Ludwig le rêve d’un théâtre qui serait spécialement conçu pour y faire représenter ses propres œuvres. Pour ce faire, le compositeur requiert la science en la matière de son ami de toujours, l’architecte Gottfried Semper, pour concevoir un Festtheater – bien avant un Festspielhaus – qui devrait être érigé sur les bords de l’Isar. Le souverain, conquis d’avance, ne peut résister à l’avènement de ce qu’il considère comme son propre rêve. Qui, du souverain-mécène ou du compositeur-protégé aura le plus longtemps tenu les rênes dans cette aventure ? La relation de pouvoir ne cessera de changer de main au cours de la décennie à venir. Richard Wagner n’a que faire des ragots qui enflent dans les rues de Munich, et qui se dispersent telle une traînée de poudre. Mais le peuple se lasse de voir que rien n’est trop beau pour satisfaire le bien-être matériel du compositeur et se montre décidément de plus en plus hostile à ce couple qu’il affiche publiquement avec Cosima, l’épouse de son meilleur ami et chef d’orchestre, Hans von Bülow. Selon les termes d’un nouveau contrat ratifié le 18 octobre 1865, le roi fait verser à Wagner la somme délirante de 40.000 florins. La Caisse des Finances du royaume sait que c’est à Cosima, qui gère la fortune de l’artiste, de remettre la somme en espèces sonnantes et trébuchantes. Celle-ci doit la véhiculer en fiacre vers le nouveau domicile de Wagner, Briennerstrasse à Munich. Mais la Caisse commet un impair : à la “trésorière” de “l’industrie Wagner”, les bureaux de la Trésorerie prétendront ne pas avoir assez de billets de banque à lui remettre. Wagner (innocemment ?) monte au créneau et s’en plaint auprès du monarque. C’en est décidément trop pour le bon peuple bavarois qui, un an auparavant, s’était ému de la familiarité avec laquelle le compositeur avait appelé le roi “Mon garçon”. C’est pieds et poings liés que Louis II doit renoncer à la présence à Munich de cet hôte tant désiré qu’il en devient embarrassant : il doit prononcer à contrecœur la disgrâce de celui-ci. Wagner prend une nouvelle fois le chemin de l’exil. En Suisse, et plus précisément, à Tribschen. Munich-Tribschen- Bayreuth : de l’inspiration artistique à l’intrigue financière Si Louis II a dû céder à la pression de son peuple et de son gouvernement et éloigner Richard Wagner physiquement, il ne demeure pas pour autant moins proche dans son cœur. A la villa de Tribschen où il s’est désormais installé en compagnie de Cosima (toujours par ailleurs mariée à von Bülow), le compositeur se remet tant bien que mal de sa disgrâce et redouble d’efforts et d’inspiration artistique. Même s’il est éloigné de la Cour – provisoirement – Wagner reste semble-t-il assez confiant sur l’ascendant qu’il exerce sur Louis II de Bavière. D’ailleurs, sitôt son protégé lui est-il arraché par la force (la raison ?) publique, sitôt l’absence de l’“Ami” devient insupportable au monarque. Richard Wagner – par ailleurs fort accoutumé aux difficultés des relations affectives ainsi qu’à l’art d’entretenir celles-ci – sait pertinemment qu’en toute forme d’amour, le manque, l’insatisfaction finissent par toujours avoir raison. Alors qu’il est en pleine composition “BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 51


des Maîtres Chanteurs de Nuremberg, Wagner, depuis sa villa de Tribschen, tente de manipuler le roi et le conseille. Mais s’il est exalté et voue une passion sans borne au compositeur, Ludwig est un politicien avisé. Il s’est trouvé, lui pacifiste, à devoir faire face à des conflits générés par des alliances anciennes. En effet, traditionnellement alliée à l’Autriche, la Bavière doit entrer en conflit avec la Prusse lorsque celle-ci attaque l’Autriche. Mais Louis II se conduit de telle manière que Bismarck ne lui en tient nulle rigueur. C’est à cette époque que Louis II se fiance avec Sophie-Charlotte de Wittelsbach, la plus jeune sœur de Sissi, également sa cousine. Jeune femme dont le destin ne sera pas le moins tragique de cette famille décidément maudite, fine musicienne, fervente admiratrice de Wagner, elle a déjà refusé plusieurs prétendants, ayant été le témoin des certes brillants mais désastreux mariages de ses sœurs. Quand Louis II la demande en mariage, Sophie-Charlotte se réjouit. Mais prenant conscience de sa nature, Ludwig reporte plusieurs fois le mariage avant de rompre définitivement. Soulagé d’avoir échappé à cette “catastrophe”, il apprend la trahison de Wagner et en garde une grande rancune : en effet, alors que le roi, sur la foi du compositeur et du mari, défendait l’honneur de Cosima, allant même jusqu’à rédiger une lettre interdisant tout ragot à ce sujet, il prend conscience de la situation. Son amour pour Wagner s’en trouve refroidi, sans s’éteindre pour autant. Cherchant de plus en plus à s’éloigner de la réalité, Louis II, fortement attaché à la France, vit très mal de devoir s’allier à la Prusse en 1870. Le Lion de Bavière est blessé. Sa royauté n’a plus vraiment de sens, et le couronnement de l’empereur Guillaume met fin à son pouvoir politique. Il a su préserver l’identité de la Bavière, mais ces quelques années ont été éprouvantes. Il s’évade avec passion – et folie- dans l’avènement de ses rêves les plus mégalomanes. À la construction de ses châteaux les plus fous directement sortis de l’imaginaire wagnérien (Neuschwanstein ou bien Linderhof et ses folies telles que la grotte souterraine de Venus ou bien encore la cabane de Hunding), Ludwig ajoute l’exigence d’un autre rêve : la création de La Tétralogie de Wagner. “ Comment faire sans théâtre ? ” lui rétorque le compositeur. Commence alors l’un des bras de fer artistiques les plus serrés de l’Histoire de l’Art : d’un côté, le roi, protecteur, mécène, ayant acheté les droits de représentation des deux premiers volets achevés de l’épopée wagnérienne (L’Or du Rhin et La Walkyrie), de l’autre, un compositeur qui retient son inspiration et sa plume (du moins officiellement) afin de ne pas laisser couler l’encre des deux derniers volets (Siegfried et Le Crépuscule des Dieux) tant qu’il n’aura pas… son propre théâtre ! Nul ne sortira véritablement vainqueur de cette lutte sans merci, ou plutôt… les deux. Louis II, à qui le Conseil des Ministres a refusé de débloquer les fonds nécessaires pour bâtir ce Festtheater à Munich même, impatient, va jusqu’à braver la volonté de son protégé et se fait représenter “sa” Tétralogie (ou du moins les deux premiers volets dont il détient les droits) successivement le 22 septembre 1869 pour L’Or du Rhin, et le 26 juin 1870 pour La Walkyrie. Contre l’avis du compositeur qui redouble de fureur depuis son exil de Tribschen. “BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 52


Et d’ardeur à composer les deux volets suivants pour un Festival qu’il imagine en dehors de la juridiction de Munich pour échapper au contrôle du souverain. Ce sera à Bayreuth. Bayreuth et l’envol du Cygne En allant à Bayreuth, Wagner veut s’affranchir de la “dépendance” royale. Mais même en luttant contre vents et marées pour tenter de réunir les fonds nécessaires à l’édification de son propre Palais des Festivals, Richard Wagner n’y parvient pas. Au début de l’année 1874, au moment le plus critique dans la “grande entreprise” que représente la construction du théâtre idéal et alors que Wagner entrevoit la faillite, c’est à nouveau le roi Louis II qui vient au secours de son ami en détresse.

Dans une lettre du 25 janvier de cette année, le roi prend les devants et réengage le discours avec son protégé : “Non ! Non et encore non ! Ce n’est pas ainsi que cela doit finir : il faut y prêter secours ! Notre projet ne doit pas échouer !” Et le roi de verser de sa cassette personnelle les fonds nécessaires pour sauver le vaisseau pris en pleine tourmente, ceci contre l’avis du secrétariat de la Cour qui, quelques jours auparavant (le 6 janvier) avait refusé d’assumer la garantie financière nécessaire au Festival de Bayreuth. C’est donc réconciliés que les deux hommes se donnent rendez vous pour la création in loco de l’intégrale des quatre volets composant La Tétralogie. Mais de plus en plus replié sur lui-même, le roi est venu quasiment incognito participer à cette grande fête de l’Art où ont été conviées toutes les têtes couronnées d’Europe. Il n’assiste d’ailleurs qu’aux répétitions générales, du 6 au 10 août, afin de ne pas avoir à affronter les obligations d’un protocole qu’il fuit de plus en plus.

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 53


L’aventure de Bayreuth est lancée et a pu voir le jour grâce au soutien du monarque. Alors qu’il se trouve à Munich à l’occasion d’une fête donnée en son honneur, Wagner est mandé par le roi pour assister, le 10 novembre 1880, à une représentation privée (et nocturne) de Lohengrin au Théâtre de la Cour. Les deux amis sont seuls dans l’enceinte du théâtre, à l’exception de quelques rares témoins de cette étrange représentation, comme Cosima et ses filles dissimulées à l’arrière de loges, invisibles aux yeux du roi. Deux jours plus tard (le 12 novembre), le monarque exige de Wagner qu’il dirige un concert privé et lui fasse entendre le prélude de Parsifal. Wagner s’exécute avec toute la religiosité qui s’impose. Lorsqu’à l’issue de cette audition privée, Louis II demande à Wagner de diriger pour lui le prélude de Lohengrin, l’opéra qui, quelques années auparavant, avait réuni les deux hommes, “pour comparer”, Wagner comprend qu’ils ne partagent décidément plus les mêmes terrains d’entente artistiques. Le compositeur, une nouvelle fois vexé, passe la baguette à Hermann Levi. Et tandis que l’âme de Louis II de Bavière se hisse au royaume du Graal aux accents du prélude mystique de Lohengrin, Wagner quitte le théâtre sans même un adieu au monarque. Les deux hommes ne se reverront plus. Et celui-ci, adoptant un comportement de plus en plus étrange et solitaire, proche de la folie, n’assistera pas à la création de Parsifal. Lorsqu’en février 1883, Louis II apprend la mort de Wagner, le monarque éprouve un terrible chagrin et un non moins terrible sentiment d’abandon. Au château de Neuschwanstein où il réside désormais la majeure partie de son temps, loin de la Cour de Munich et fuyant ses obligations, il fait recouvrir d’un voile de crêpe noir le piano sur lequel, jadis, le compositeur avait joué pour lui. Déclaré inapte mentalement à régner, le roi Louis II de Bavière est arrêté par les forces de son propre gouvernement et interné, le 12 juin 1886, au château de Berg où il est assigné à résidence. Un Lion de Bavière, encore moins un cygne, ne saurait vivre longtemps emprisonné. Le lendemain même de son arrestation, le roi demande qu’on lui accorde une promenade nocturne où il est accompagné par son médecin, le Docteur Bernhard von Gudden. Les corps du monarque et de son médecin sont retrouvés sans vie peu de temps après. Crime, suicide, double crime, double suicide ? Le mystère enveloppant la disparition du roi Louis II de Bavière en cette nuit du 13 juin 1886 demeure à ce jour inexpliqué, insaisissable, tout comme la personnalité d’un monarque qui, bien qu’aimé de son peuple, n’avait jamais réussi à s’en faire comprendre, et qui alla jusqu’à sacrifier son propre destin de roi pour son rêve, mais aussi pour la gloire de l’art d’un compositeur qu’il avait toute sa vie passionnément aimé.

Le Musée virtuel Richard Wagner

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 54


“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 55


“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 56


“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 57


“Brussel Leeft” “Klankbord Brussels Gewest” Driemaandelijks tijdschrift. Een uitgave van de Koninklijke Muziekfederatie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vzw. Redactieadres, lezersbrieven, abonnementen en advertenties KMF BHG E-mail: muziekfederatie@hotmail.com Gelieve uw bijdrage elektronisch aan te leveren

De artikels voor de volgende editie van ons tijdschrift dienen uiterlijk in het bezit te zijn van de redactie vóór 1 DECEMBER 2020 Les articles pour la prochaine édition doivent être en possession de la rédaction pour le 1 DECEMBRE 2020 au plus tard Het overnemen van artikels en illustraties (of een gedeelte ervan) kan alleen na de uitdrukkelijke toestemming van de Koninklijke Muziekfederatie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Verantwoordelijke uitgever: William Huybandt, Brugstraat 27, 1730 Asse Werkten mee aan dit nummer: Cecile Van Camp, Louis G. Meeus, Edgard Van Nerom, William Huybandt, Stany De Smedt Lay-out: Marijke Huybandt Lezersbrieven zijn welkom! Indien mogelijk zullen wij uw brief publiceren: hou er wel rekening mee dat om diverse redenen uw brief kan worden ingekort of beknopt weergegeven.

Wie graag dit “gratis” magazine graag digitaal ontvangt klikt: Qui désire recevoir ce magazine << gratuit >> digitale cliquez

https://muziekfederatie.be/contact/

“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 58


“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 59


“BRUSSEL LEEFT” / “BRUXELLES VIT”

KMF BHG / FRM RBC - 60


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.