Vitruvius oktober 2022

Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR JAARGANG 16 | NUMMER 61 | OKTOBER 2022 KONINKLIJK EISE EISINGAPLANETARIUM IN FRANEKER UNESCO-WERELDERFGOED? DEEL 2: ROMANTIEK EN MYTHEVORMING KOOLSTOF EN CULTUURLANDSCHAP STOF TOT NADENKEN
KUNNEN VERTELLEN!
CATHARINAKERK TE EINDHOVEN,
WAT DE ARCHIEVEN
DE
DEEL 1

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special

Informeer naar de vele mogelijkheden? Stuur een e-mail met uw vragen en wensen naar: info@uitgeverijeducom.nl

COLOFON

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

DIGITAAL ABONNEMENT

Digitaal abonnement (4 nrs./p.jr.)

Particulier EUR 50,- (incl. btw)

Bedrijfsabonnement EUR 60,- (excl. btw)

REDACTIE

Blijdenstijn, R. Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H.

Niemeijer, drs. A.F.J.

Verschuure-Stuip, Mw. dr. ir. G.A. Vreeze, dr. ir. N. de

FREQUENTE BIJDRAGEN

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M. en Coenen, Mw. M.

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

© Copyrights Uitgeverij Educom, Oktober 2022, ISSN 1874-5008.

Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN: Uitgeverij Educom | Mathenesserlaan 347 | 3023 GB Rotterdam | Tel. 010-425 6544 | info@uitgeverijeducom.nl | www.uitgeverijeducom.nl

JAARGANG 16

NUM ME R 61

OKTOBER 2022

4 20

KOOLSTOF EN CULTUURLANDSCHAP

STOF TOT NADENKEN

ROLF WISSELING

9

KONINKLIJK EISE EISINGAPLANETARIUM IN FRANEKER UNESCO-WERELDERFGOED?

DEEL 2: ROMANTIEK EN MYTHEVORMING

DHR. DRS. A.F.J. NIEMEIJER

WAT DE ARCHIEVEN

KUNNEN VERTELLEN!

DE CATHARINAKERK TE EINDHOVEN, DEEL 1

MW. DR. B. VAN HELLENBERG HUBAR & MW. M. COENEN

Recent verschenen • 30

3

Koolstof en cultuurlandschap Stof tot nadenken

Het agrarisch jaar 2021/22 stond voor een groot deel in het teken van stikstofproblematiek en maandenlang hebben boeren op ludieke of serieuze – maar daarnaast ook op intimiderende - wijze aandacht geëist van Den Haag en van de Nederlandse bevolking. Wat de afloop van de beraadslagingen tussen boeren en regering zal zijn, is bij het schrijven van dit artikel nog niet bekend. Wel is op dit moment duidelijk dat een ander knallende-hoofdpijndossier – namelijk de koolstofproblematiek –overstemd is geraakt door wapengekletter tussen agrarische sector en overheid en door ‘tractorgeweld’. Toch kent de kwestie rondom koolstof een veel langere geschiedenis dan die rond stikstof – althans, de ondervonden hinder trad al veel eerder op. Ik werd er onder meer aan herinnerd door een artikel van Eppo König in de NRC van 26 juli 2022 getiteld: “In de ‘grote verbouwing’ wordt heel Nederland binnenstebuiten gekeerd.” König sprak hiervoor onder meer met hoogleraar landschapsarchitectuur Adriaan Geuze, die hier zijn pijlen onder meer richt op de zogenoemde Nationale Omgevingsvisie (NOVI), een langetermijnvisie van de Overheid voor onze ruimtelijke ordening. In het artikel wordt de koolstofproblematiek echter hoogstens zijdelings aangesneden, maar of dat terecht is, valt nog maar te bezien. Hier geldt: waarin een klein land groot was. De achtergrond van veel hedendaagse vraagstukken ligt namelijk in de omgang met koolstof. Voor de geschiedenis van het actuele koolstofprobleem gaan we eerst terug naar de middeleeuwen.

De grote ontginning

Hoe zat het ook alweer? Om dat weer op het netvlies te krijgen, gaan we kort terug naar de tijd waarin grote delen van ons land vorm begonnen te krijgen – ruwweg

de periode vanaf het jaar 1000. Het is algemeen bekend dat het begin van ‘de grote ontginning’ van wat wel de Lage Landen wordt genoemd, zowel gericht was op delen van de pleistocene, hogere gronden als op holocene gebieden. De pleistocene gronden (soms nog wel diluviaal genoemd) liggen meestal hoger en ze bestonden in hoofdzaak uit fijn zand (ten zuiden van de grote rivieren) of zand en keileem (boven het rivierengebied). In alle gevallen waren lokale beekjes de ideale vestigingsplaatsen, terwijl annexe zand- en/of keileemgebieden konden worden benut voor (extensief) agrarisch bedrijf. Als gevolg van stagnerende, natuurlijke waterafvoer waren de wat verdiept gelegen delen van diezelfde gebieden in de loop van tientallen eeuwen moerassig geworden, waarna zich uit de verschillende lagen plantenresten op den duur dikke pakketten veen vormden. Dit veen – maar in feite alle planten, plantenresten (en organismen) – bestaan voor een groot deel uit koolstof, of beter: uit koolwaterstofverbindingen.1 Dit betekent dat (wereldwijd) koolstof een van de belangrijkste elementen is waaruit ‘leven’ bestaat. Op een aantal plaatsen – vooral in het zuidwesten (o.m. Moerdijk !!) – is zulk veen in de middeleeuwen op grote schaal afgegraven, nadat men had ontdekt dat het in gedroogde vorm een uitstekende brandstof was: turf! Verbranden van turf betekende echter dat de koolwaterstofverbindingen waaruit het bestond in twee ‘sferen’ belandden: het water (H20) in de grond, vervolgens in het oppervlaktewater, en uiteindelijk in zee (de hydrosfeer) en het koolzuurgas (CO2) in de lucht (de atmosfeer). Het ruimtelijk resultaat was drieledig: 1. oppervlaktedaling door afgraven, 2. toenemende wateroverlast en 3. aantasting van de biosfeer, het leefgebied van alle aardse organismen.

Iets vergelijkbaars – maar op een veel uitgebreider schaal - gebeurde (voor een deel later) in de andere streken van het land. Een belangrijk deel van ons cultuurlandschap – in het bijzonder (vrijwel) alle veengebieden – hebben hun ontstaan en karakter te danken aan een stelselmatige ontginning, die begon in de hoge middeleeuwen. In het westen (Holland, Utrecht) en noorden van Nederland (Friesland en aangrenzend Overijssel) - en later vooral in het noordoosten (Groningen, Drenthe) en zuidoosten (N-Brabant en aangrenzend Limburg) - zijn op enorme schaal veenoppervlakken ontgonnen door ze te ontwateren en/of af te graven. Het afgraven (en vanaf het midden van de 16de eeuw het baggeren) van veen – vooral voor de turfbereiding – bracht vanzelfsprekend mee dat het terreinoppervlak daalde met evenzovele meters als de bruikbare veenlaag dik was. In het westen – in wat we nu noemen het Groene Hart (van Zuid-Holland en Utrecht) - kon dit betekenen dat er - na het weggraven van een metersdikke laag veen aan de oppervlakte – ook nog enkele meters beneden het huidige NAP is gebaggerd, totdat de onderliggende kleilaag werd bereikt. De kleibodem is in vele gevallen drooggemaakt met wind- of stoombemaling, waarna er meestal een profijtelijke vorm van agrarisch bedrijf kon worden uitgeoefend. In het noorden – en dan met name in Friesland (in de Fryske Feangreiden) en de kop van Overijssel – lag er zelden of nooit een ‘waardevolle’ grondsoort aan de basis van het verdwenen veen. Daar ontstonden bij de bemaling veenpolders, die bijna zonder uitzondering in weiden werden gelegd of als halfopen water bleven liggen. In vrijwel alle gevallen – zowel in het Groene Hart, als in het noorden – is bij de veenontginningen een afwateringssysteem

4 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022

toegepast dat was opgebouwd uit een fijnmazig patroon van evenwijdige sloten en een netwerk van weteringen en boezems, die samen het overtollige water afvoerden en het aldus lieten opgaan in de hydrosfeer. Het afgraven (en ook het wegbaggeren) van veen én het afvoeren van overtollig water brachten echter mee dat er een tweeledige daling van het terreinniveau plaatsvond: afgraven was één ding, maar verdroging was een ander. Verdrogend veen verliest namelijk ook altijd volume (= inklinken), en dit vooral als gevolg van het feit dat afstervend sphagnum zijn waterbindend vermogen blijvend verliest. Dit volumeverlies werkte bovendien met een zelfversterkende ‘hefboom’: verdrogend en afstervend veenmosveen gaat tot ontbinding over, waarbij de koolwaterstoffen waaruit het sphagnum bestaat aan de lucht (vnl. aan zuurstof) blootgesteld raakten en chemische reacties aangingen. Er ontstonden onder meer koolzuurgas (CO2) en (nog meer) water (H2O) – het eerste vervloog en het tweede werd afgevoerd en/of ging op zijn beurt chemische reacties aan met andere aanwezige elementen of moleculen. Oppervlaktedaling door ontwatering van veen was aldus een proces dat zichzelf in stand hield en dat – bij voortgaande verdroging - in theorie eindeloos kon doorgaan en dat in enkele gevallen ook tot volledige vernietiging van cultuurgrond heeft geleid. Niveaudaling van het veenoppervlak door ontwatering alleen, kon wel 1 cm per jaar bedragen, dus één meter per eeuw! In het ongunstigste geval – over een periode van 1000 jaar – is dat zo’n 10 meter. Waar vervening plaatsvond, kon het verlies van massa nog aanzienlijk groter zijn. In voorbije eeuwen legden ontginners en boeren vermoedelijk geen verband tussen ontwatering en oppervlaktedaling, maar wel constateerden zij dat het proces van ontwateren als zodanig nooit ophield: het was dweilen met de kraan open.2 (Afb. 1)

De grote verbouwing

De huidige minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Hugo de Jonge, noemt de beoogde nieuwe aanpak van de ruimtelijke problematiek in Nederland ‘de grote verbouwing’. De hierboven genoemde Nationale Omgevingsvisie, met als ondertitel: Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving verscheen in september 2020, dus al ruim vóór zijn aantreden, Met deze als NOVI bekend geworden visie streeft het Rijk naar een ambitieuze kentering in het

1 - Veenweidelandschap ontstaan door voortgaande ontwatering en verdroging ten behoeve van agrarisch bedrijf (akkerbouw, later veeteelt) en door afgraven en/of baggeren van veen (turf). Gemeente Stichtse Vecht, prov. Utrecht.

ruimtelijk denken – en hiermee dus (?) ook een kentering in ons ruimtelijk handelen. In de eerste alinea van de aanbiedingsbrief van de Omgevingsvisie aan de Tweede Kamer staat hierover onder meer:3

“In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Deze opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoeken we een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.” [curs. R.W.]

Het is opmerkelijk dat landschap hier een vage, niet nader gespecificeerde betekenis kreeg, terwijl iets verderop in de tekst landschap tegenover - of in elk geval naastlandbouw wordt gepositioneerd:

“Het versterken van onze natuur en ons landschap en het behoud van de vitaliteit van onze landbouw is mede vanwege de stikstofproblematiek een zware en urgente opgave.” [onderstr. R.W.]

Naast het feit dat landschap en landbouw in de aanbiedingsbrief slechts zijdelings met elkaar in verband (lijken te) worden gebracht, valt op dat het begrip cultuurlandschap in het geheel niet wordt genoemd,

terwijl (historische) steden wel een plaats krijgen. En in het verlengde hiervan is het uiterst opmerkelijk dat een ander urgent vraagstuk rondom het ‘landschap’ geen vermelding kreeg: de koolstof(dioxide)problematiek. En dat terwijl de zeespiegelrijzing wél is genoemd. In de NOVI zelf kregen het cultuurlandschap en het intussen berucht geworden ‘broeikasgas’ kooldioxide (= CO2, koolzuurgas, koolstofdioxide) natuurlijk wel vermelding. Maar de relatie tussen beide blijft sterk onderbelicht – om niet te zeggen ongenoemd. Het is vanuit het oogpunt van broeikasgas- en klimaatproblematiek overigens nog maar de vraag of stikstofverbindingen (NOx, NHy) een even vitale rol spelen als kooldioxide.4

De (eerste) grote opwarming

Het grootste probleem waarmee wij allen – wij als levende organismen – op deze planeet worstelen, is de opwarming van de atmosfeer. En één van de belangrijkste oorzaken daarvan is de productie (lees: permanente, onbeteugelde uitstoot) van CO2, naast die van waterdamp (H2O).5 Deze van nature in ‘de lucht’ aanwezige gassen hebben de eigenschap (de warmte van) zonlicht te absorberen en ook de vanaf het aardoppervlak weerkaatste stralingswarmte vast te houden – vandaar de naam broeikasgas. ‘Productie’ van beide gassen is zo oud als de aarde zelf, maar blijvende verstoring van het natuurlijk evenwicht en een verre overschrijding

5 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Foto: P.D., RCE / Siebe Swart

van de tolerantie van het systeem, is pas van de laatste anderhalve eeuw.6 Vóór die tijd – tot ongeveer 1850 – kon onze planeet de (natuurlijke en ook de door de mens veroorzaakte) schommelingen in de broeikasgasdichtheden wel aan, maar dat neemt niet weg dat er eerder belangrijke ‘aanvallen’ op hebben plaatsgevonden. Wat dit betreft, kunnen wij, Nederlanders, de hand in eigen boezem steken. Ontwatering en ontginning van ‘ons’ veen bracht immers mee dat opeenvolgende vegetatielagen, waarin gedurende meer dan 10.000 jaar koolstof was vastgelegd, binnen 1000 jaar in kooldioxide en water uiteenvielen.7 Veruit de meeste van de huidige veenweidelandschappen zijn het resultaat van vele jaren ontwateren, meestal om ze begaanbaar te houden voor mens en dier en voor voertuigen. Ze worden doorsneden en van oudsher gekenmerkt door duizenden, tot bijna aan (of zelfs hoger dan) het terreinoppervlak reikende sloten en weteringen. (Afb. 2) Zo beschouwd, is de hierboven aangehaalde zinsnede waarin landschap en landbouw op zijn minst in een ambivalente positie zijn geplaatst, curieus. Landbouw – akkerbouw en veeteelt worden in de NOVI amper onderscheiden – was immers eeuwenlang de aanjager van de permanente verlaging van het waterpeil en het valt dan ook moeilijk vol te houden dat vernatting (de enige) oorzaak was van de bodemdegradatie. In tegendeel: talrijke historische bronnen laten zien dat venen van een zodanige samenstelling of

conditie konden zijn dat ze verschillende hoogwaardige gebruiksvormen toestonden, zoals ook akkerbouw. Zo kennen we in de Hollands-Utrechtse venen tientallen voorbeelden van de teelt van granen (gerst, haver, rogge, tarwe), peulvruchten (bonen) en vezelgewassen (vlas, hennep) uit de periode ca. 700-1425.8 In het noorden – met name in Friesland – is op talrijke plaatsen tot ver in de 18de eeuw akkerbouw uitgeoefend, onder meer in de latere Grote Veenpolder, in Weststellingwerf.8 Concreet worden er ‘korenvenen’ genoemd rond Haarlem en ‘veenbouw’ in Friesland. Onder meer Gerding noemt uit de 17de t/m begin 20ste eeuw diverse voorbeelden van grootschalige akkerbouw (met name boekweit) op het veen in het noorden van het land. Door middel van zogenoemd ‘veenbranden’ werd de toplaag (keer op keer) in de as gelegd om te dienen als meststof.10 Ook deze cultuur bracht mee dat –net als bij ontwatering – CO2 en H2O de lucht ingingen, dan wel afvloeide, en dat dus ook hier het terreinoppervlak daalde. De genadeslag is daarna toegebracht door de integrale vervening: metersdikke veenlagen zijn als turf vergraven en opgestookt in uiteenlopende vormen van ambachtsnijverheid, in de industrie en in de huisbrand. En alles wat nog tot rond 1900 was blijven liggen, ging daarna alsnog in rook op. Het maakte in het noorden niet veel uit of het veen zich had ontwikkeld op een relatief hoge pleistocene ondergrond (keileem) of in een zuiver holoceen milieu: overal werd

een fijn raster van ontwateringssloten gerealiseerd. En dit alles droeg bij aan de blijvende CO2- en – maar in veel mindere mate - H2O-balansverstoring van onze atmosfeer en biosfeer.

Op basis van metingen en cijfers die ons tegenwoordig ter beschikking staan, valt niet serieus meer te ontkennen dat opwarming van de aarde en de atmosfeer vanaf die tijd in een almaar steilere opwaartse curve terecht is gekomen – en dat klimaat en klimaatverschijnselen aan een sterke en permanente verandering onderhevig zijn. In delen van onze aarde zijn inmiddels de omstandigheden zo gewijzigd, dat het bestaan er voor meerdere organismen onmogelijk is, of spoedig zal worden – hier en daar ook al voor de mens. Onze biosfeer wordt stukje bij beetje aangetast, totdat een point of no return gepasseerd is en het leven op aarde verstikt in een broeikas met een hete, ondraaglijk hoge vochtigheidsgraad en met een gevaarlijk hoge concentratie van koolzuurgas. (Afb. 3)

Terug naar de NOVI

Zoals gezegd, blijft de CO2-problematiek in de Nationale Omgevingsvisie nogal onderbelicht. Hetzelfde geldt – maar dan vanuit ander perspectief – voor het watervraagstuk. De stijgende zeespiegel en wateroverlast vanuit rivieren krijgen volop aandacht, maar de ‘waterproductie’ door verbranding (bv. de witte waterdamp in ‘vliegtuigstrepen’ en bij fabrieksschoorstenen) is kennelijk niet vermeldenswaardig. Aan CO2 wordt weliswaar enige aandacht geschonken, maar datgene wat in dit verband mogelijk de meest kenmerkende zaak is, blijft ongenoemd. Terwijl de bovengenoemde Aanbiedingsbrief de zinsnede bevat: “Met de NOVI zoeken we een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden”, lijkt het erop dat het ‘bestaande landschap’ als een status quo wordt opgevat, in plaats van als een (verzameling van) ‘stadia in de ontwikkeling van landschappen’.11 De uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen vanuit onze veen(weide)gebieden is niet tot stilstand gekomen, reden waarom – ook in de NOVI – wordt gepleit voor grondwaterpeilverhoging. De relatie met het verleden – met landverwoestende ontginning, met sterke verlaging van het terreinoppervlak, met opstoken van het veenland en de his -

6 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Foto: P.D., Wikimedia, Vincent van Zeijst, 1 Oktober 2011. CC BY-SA 3.0
2 - Veenweidelandschap waar het terreinoppervlak door ontginning, ontwatering en inklinken tot beneden het omringend polderwaterpeil is gedaald. Gemeente Kaag en Braassem, prov. Zuid-Holland.

torische bijdrage aan het huidige broeikasprobleem - blijft echter ongenoemd. Turf – naast windenergie! – heeft aan de basis gestaan van onze welvaart, maar wel ten koste van enorme verliezen. We hebben – hoe dan ook – dus iets goed te maken. König parafraseert in dit verband drs. Meindert Smallenbroek, directeur van de Unie van Waterschappen, wanneer hij schrijft: “De bodemdaling in veenweidegebieden, ooit ontwaterd voor landbouw, leidt tot verzakte gebouwen en infrastructuur. […] Dat gaat boeren, en de sectoren daaromheen, raken. Dat zijn bijna culturele ingrepen. Ik heb het idee dat dat weleens onderschat wordt.” Kortom: de omgang met het veen heeft ons opgezadeld met een ‘restschuld’, die is opgebouwd gedurende eeuwen van ontginning en ontwatering. In moderne hypotheekterminologie betekent dit dat we met zijn allen figuurlijk ‘onder water staan’. Onze ‘cultuurhistorie’ vertegenwoordigt dan ook niet alleen maar waarden, maar ook schulden! En dan te bedenken dat de koolstofschuld ook mondiaal nog steeds groeit door het verstoken van fossiele

plantenresten (steenkool), het kappen van bossen, het vervoeren van alles wat los en vast zit en als gevolg hiervan het ontdooien van de permafrost van de toendra’s. En dit laatste kan de doodsteek voor de planeet betekenen.

Met de NOVI wordt geproclameerd – na een lange reeks van ‘toenemend-zoek hetzelf-maar-uit-kabinetten’ – dat de regie van de Nederlandse ruimtelijke ordening terug zal worden geleid naar een centraal niveau. Het zou inderdaad goed zijn wanneer de decentralisatie waaraan ons land de laatste decennia is blootgesteld geweest, snel verdampt. De auteur van deze bijdrage is er echter niet helemaal gerust op dat dit realiteit wordt, want zowel in de NOVI, als in de bijbehorende Uitvoeringsagenda wordt gesproken van een ‘centrale opgave’ - en dat is niet automatisch hetzelfde als een ‘centrale aansturing’. En semantische acrobatiek is sommigen in Den Haag niet vreemd. Dat ook Geuze nog niet overtuigd is, blijkt wel uit het laatste citaat in het artikel van König: “Nederland heeft de beste

planningstraditie van de wereld. Maar op dit moment zitten we in een volstrekte impasse. Het gaat buitenparlementair, het is een democratisch tekort.” Maar los hiervan: terwijl door boerenacties nu vrijwel alle aandacht uitgaat naar de stikstofproblematiek, is het koolstofvraagstuk op de achtergrond geraakt. En dat ondanks het feit dat CO2 en klimaatverandering de totale biosfeer bedreigen, terwijl het stikstofprobleem zich vooral lokaal of regionaal voordoet: CO2 verspreidt zich als gas in de mondiale atmosfeer en biosfeer. (Afb. 4) NOx en NHy slaan daarentegen neer – vaak al binnen enkele kilometers van de bron, waar het overigens ernstige milieuschade kan veroorzaken.12 De ‘opgaven’ zijn dan ook niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar, zoals de NOVI zegt. Maar juist hierom zou het mijns inziens goed zijn als de Uitvoering(sagenda) van de NOVI liet zien dat het bestaande landschap zijn historische schaduwkanten heeft en dat de status quo voortaan als het saldo van een winst- en verliesrekening wordt beschouwd: Nederland droeg eeuwenlang

7 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
3 - Veenbranden ten behoeve van boekweitteelt. Duidelijk zichtbaar het sprongsgewijze dalen van het terreinoppervlak – hier vermoedelijk overdreven weergegeven. Foto: P.D., Wikipedia (Picasa); Duitse houtgravure uit de Illustrierte Zeitung, 11 mei 1878, maker onbekend.

4 - Weergave van de globale CO2-concentraties, zoals verspreid door atmosferische circulatie. Beeld gebaseerd op een infraroodregistratie, uitgevoerd in juli 2008. De dichtheid wordt uitgedrukt in deeltjes per miljoen - parts per million by volume (ppmv) – wat weinig lijkt, maar (veel te) veel is.

enorm bij aan opwarming van het aardse klimaat. We waren een grote CO2-uitstoter, alleen het viel niet zo op doordat we zo’n klein landje zijn. Naar huidige maatstaven ging het misschien om peanuts, maar is dat een argument? Als dat ook zou gelden voor onze hedendaagse agrarische productie en export, dan erkenden we wellicht helemaal geen stikstofprobleem.

Noten

1 De elementen koolstof (chemische naam: carbonium; C) en waterstof (hydrogenium; H) kunnen verschillende verbindingen aangaan, die bij verbranding (= verbinding met zuurstof (oxigenium; O) uiteenvallen in (vooral) CO2 (koolzuurgas) en H2O (water).

2 Het was lang gebruikelijk een verschil te maken tussen laagveen en hoogveen, maar dit onderscheid was in de eerste plaats gebaseerd op de hoogte ten opzichte van NAP van de oppervlakte van het veen en eventueel op de wijze van vervening: nat of droog. Vanaf de jaren ’30 is deze gedachte geleidelijk verlaten en thans gaat men ervan uit dat laagveen én hoogveen beide – zij het onder iets verschillende omstandigheden - laagsgewijze zijn ontstaan door

een opeenvolging van plantensoorten met verschillende mate van watertolerantie of waterbehoefte. Als brandstof bruikbare veenlagen bestaan uit veenmosveen (sphagnum), dat bovenin het profiel groeit, tot soms meters boven het lokale grondwaterpeil. (zie bv.: R. Schuiling, Handboek der Aardrijkskunde, 19155, passim, 1934/19366 , passim.

3 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Kenmerk 20200000542208 (d.d. 11-09-2020)

4 Zie bv.: https://www.cbs.nl/ nl-nl/dossier/dossier-stikstof/ stikstofdepositie

5 Zie bv.: https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/uitleg/broeikaseffect ; https://nl.wikipedia.org/wiki/ Broeikasgas

6 Er zijn meer broeikasgassen, maar daarop richten we ons hier niet.

7 Het veen dat bij ons aan de oppervlakte ligt, dateert van na de laatste ijstijd, die 10 à 15.000 jaar terug eidigde. Elders op de wereld zijn veel oudere veen-, bruinkool- en steenkoollagen te vinden, waarvoor in essentie een vergelijkbaar verhaal kan opgaan.

8 W. Ettema (2005), Boeren op het veen

(1000-1500); Een ecologisch-historische benadering. In: Historisch Tijdschrift Holland, nr. 4, 239-258. Ettema noemt buiten dit tijdvak nog een aantal markante perioden waarin eveneens – of opnieuw - akkerbouw op veen werd uitgeoefend. Hoge graanprijzen waren dan vermoedelijk de aanleiding. Hij stelt verder: “In de veengebieden handhaafde het overwegend op zelfvoorziening gerichte gemengde bedrijf zich waarschijnlijk als volwaardig bedrijfstype.”

9 P. van der Lende (http://www.stellingwerven.dds.nl/index19e/economie1/ PRODSYS8.htm#verhouding); D. Worst (2012), Agrarische veenontginningen in oostelijk Opsterland (900 - 1700 AD); Een interdisciplinair onderzoek naar de natuurlijke landschapsopbouw, de nederzettings- en ontginningsgeschiedenis en het agrarische landgebruik langs de boven- en middenloop van het Koningsdiep, (masterscriptie, RUG), passim.

10 M.A.W. Gerding (1995), Vier eeuwen turfwinning; De verveningen in Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel tussen 1550 en 1950, 16-20; Beschrijving van de provincie Groningen behorende bij de waterstaatskaart […] (1961), 2-6; G.A. Venema (1855), De hooge veenen en het veenbranden, passim. Boekweit gedijde het best op door branden gecultiveerde veengronden.

11 Woordelijk dezelfde zin komt ook voor in de Samenvatting van de NOVI (p. 4).

12 Een ander punt is dat bij industriële productie van stikstofverbindingen (bv. voor kunstmest) veel energie verbruikt wordt, die alsnog tot CO2-problemen leidt!

8 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Beeld: P.D., Wikipedia

Duinontginningen Van opdracht, via obsessie naar ontspanning - Deel 1

Koninklijk Eise EisingaPlanetarium in Franeker

UNESCO-Werelderfgoed?

Deel 2: Romantiek en mythevorming

Eind september 2017 wezen de toenmalige ministers Bussemaker (OC&W) en Schulz van Haegen (I&M) de ‘Ontginningen Voornes Duin’ aan als een van de laatste van Rijkswege beschermde dorpsgezichten. De ontginningen in de duinen van Voorne passen in een lange reeks ontginningen in duingebieden en andere Nederlandse zandgronden. Cultures in de duinen, binnenduinen en op de strandwallen kennen we al van vóór het begin van de jaartelling. Zo ver gaan we hier echter niet terug. Een deel van de ontginningen waarover we hier spreken dateert van laat-middeleeuwse perioden, maar de redenen om ze in cultuur te brengen waren sinds die tijd niet altijd dezelfde. Wanneer we de processen door de oogharen heen bekijken, zien we natuurlijk altijd ‘functies’, maar deze functies verschilden in tijd en plaats en ook en vooral naar de betrokken initiatiefnemers. In deze bijdrage passeren enige typerende perioden, locaties en aanleidingen voor ingrepen de revue. En daarbij staan degenen die aan de touwtjes trokken regelmatig centraal.

In het eerste deel van het drieluik rond de nominatie van het Eise Eisinga Planetarium voor erkenning als Werelderfgoed hebben we gezien dat de weg daarheen vol hindernissen kan zijn.1 Er spelen niet alleen puur formele kwesties – zijn de vinkjes goed gezet en is alles op tijd aangeleverd? – maar ook procedurele en inhoudelijke zaken. Hierbij moeten vooral de beargumentering en de formulering van de OUV (= Outstanding Universal Values / Uitzonderlijke Universele Waarden) voldoende sluitend en overtuigend zijn om ICOMOS (= International Council on Monuments and Sites) tot een positief advies aan UNESCO (= United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization) te verleiden. Dat de site-holder (= Stichting Koninklijk Eise Eisinga Planetarium) hierin tegen de nodige moeilijkheden aanliep, werd duidelijk uit het onwennige - maar vooral ook met een tekort aan begeleiding - zoeken naar een pakkende invulling van de criteria. Concrete problemen waren er onder meer door een niet goed op waarde kunnen schatten van de weegfactoren – en dan vooral die op het grensvlak van ‘Wahrheit und Dichtung’.2

op strandwallen of zavelige stroomruggen was. Voorbeelden zijn er volop: vrijwel alle dorpen op de Hollandse en Zeeuwse strandwallen en ook die op de tegenwoordige Waddeneilanden zijn ontstaan als agrarische nederzettingen van het type ‘geestdorp’.1 Min of meer hetzelfde geldt voor de dorpen in het rivierengebied: droge fossiele takken van rivieren maakten het eenvoudig de gronden te ontginnen en er permanent te blijven wonen. Ten slotte waren ook zandgebieden in hoog Nederland van oudsher bewoonbaar door ontginning. Water was een absolute voorwaarde; voor de rest kon worden gezorgd. Er zijn dan ook veel oude ontginningen gevonden en/of voortgezet in deze gebieden. De redenen waarom onze (verre) voorouders tot ontginning van zandige gronden overgingen, moeten vooral worden gezocht in de simpele noodzaak monden te voeden. Toenemende bevolkingsdruk vroeg om steeds meer akkerland. Toen het christendom eenmaal vaste grond had gekregen in de Nederlanden, waren het verder ook monni-

Opdrachten van hogerhand

ken en kloosters die ontginningen ter hand namen: de Cisterciënzers zijn hiervan wel de bekendsten. Voor de kloosterlingen was het een ‘opdracht’ of levensvervulling zich te wijden aan taken als het bewerken (‘bouwen’) en ontginnen van gronden. Dit gebeurde ook in kust- en duingebieden, zoals in Zeeland (Kloosterzande) en op de Waddeneilanden (Schiermonnikoog).

Tot op zekere hoogte gold zo’n ‘opdracht van boven’ ook voor de poging van Jan van Scorel een bedijking uit te voeren in het noordwestelijk kustgebied van Noord-Holland. Nadat hij in Rome voor de paus had gewerkt, probeerde hij kort na 1550 de buitendijkse kwelder Zijpe droog te maken en te ontginnen. Het plan mislukte totaal, maar het feit dat hij de onderneming ‘Nova Roma’ had gedoopt en dat hij er zeven kerk(dorp)en wilde vestigen, zegt veel over zijn beweegredenen.2 In dezelfde tijd gaven – naast de hogere geestelijkheid - ook vele wereldlijke gezagsdragers opdrachten of vergunningen voor

In dit tweede deel verdiepen we ons allereerst in de aanleiding die er geweest zou zijn voor het bouwen van het planetarium en vervolgens in de mythevorming rondom Eise Eisinga en zijn ‘hemelplein’. Feiten en verdichtsels raken hier aan elkaar.

De vermeende aanleiding

Ontginnen is van alle tijden. Al in de Bijbel (Statenvertaling; Genesis 3: 23) staat het: “Zoo verzond hem de Heere God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, […].” En dat lieten onze Nederlandse voorvaderen zich geen twee keer zeggen. Katholiek of (vanaf de 16de eeuw) protestant, de spaden gingen de grond in en de bodem werd omgewoeld en zo veel mogelijk vruchtbaar gemaakt. Ontginnen begon echter al vóórdat het christendom de Lage Landen bereikte. Dit gebeurde het eerst waar dat het gemakkelijkst was - en wat later ook op moeilijker plaatsen. Relatief simpel was het ontginnen in gebieden waar water in de buurt was. Ook als dat

Begin 1774 deed (niet voor het eerst) het gerucht de ronde dat de wereld en de mensheid binnen afzienbare tijd zouden vergaan. Het gerucht kwam voort uit het feit dat astronomen hadden berekend dat er op 8 mei

van dat jaar een uiterst zeldzame, schijnbare samenstand zou zijn van ‘onze’ Maan en de vier planeten Mercurius, Venus, Mars en Jupiter. Deze door velen - maar door lang niet iedereen - gevreesde conjunctie ging echter voorbij zonder merkbare consequenties. Maandenlang was er in binnen- en buitenlandse kranten al op de samenstand gewezen en soms werd hierbij verband gelegd tussen de toen moderne, newtoniaanse fysica enerzijds en de Bijbelse eschatologie (= leer van de eindtijden) anderzijds. De artikelen die in de kranten verschenen, waren zeker niet allemaal paniekerig van karakter en soms waren ze zelfs geruststellend.3 Niettemin werd het in de Verlichting verkregen inzicht in de werking van ons zonnestelsel via de zogeheten ‘fysico-theologie’ alsnog overgoten met een waterig sausje van (bij)geloof.4 Opmerkelijk is het feit dat een Friese publicatie over de conjunctie en de mogelijk catastrofale gevolgen ervan weliswaar een maand vóór die ‘fatale’ 8e mei werd aangekondigd, maar dat dit boekwerkje pas achteraf mocht verschijnen.5 Het anonieme drukwerkje werd uitgegeven door ene A. Ferwerda. In later tijd is gebleken dat de ‘uiterst vooruitstrevende en verlichte predikant’ Eelco Alta, de schrijver ervan was.6 Over hem wordt gezegd dat hij een man was ‘met een grote belangstelling voor de wetenschap.’ Omdat er veelvuldig reclame voor werd gemaakt, wordt wel vermoed dat voor beide heren financiële belangen van invloed waren op de publicatie van het boekje. Hiernaast wordt aangenomen dat bij Eelco Alta fysico-theologische invloeden een rol speelden.7 (Afb. 1)

Vermoedelijk is de conjunctie in 1774 mede door het reilen en zeilen van Alta en Ferwerda traditioneel in oorzakelijk verband

gebracht met de aanvang van Eisinga’s constructie van het planetarium. Want vrijwel vanaf het begin is hierbij in één adem ook het bij velen optreden van ‘angst en verslagenheid’ genoemd. De allereerste ‘geleerde’ die over het planetarium publiceerde, hoogleraar Van Swinden, schreef in 1780 namelijk: “Er werd in het Voorjaar 1774 een boekje in ’t licht gegeeven over de gewaande ongelukkige uitwerkzelen, die eene Conjunctie van Planeeten, den 8 Mey daar aan volgenden, voorvallende, op onzen aardkloot zeer waarschynlyk zoude te weeg brengen: ’t geen by veelen eene groote verslagenheid en angst te weeg bragt.”8 Toch legde hij toen een wezenlijk andere relatie tussen die ‘groote verslagenheid en angst’ en de constructie van het planetarium dan vrijwel iedereen ná hem zou doen. Van Swindens originele tekst gaat namelijk als volgt verder: “Dit noopte den Vroedsman [= Eisinga; (FN)] om, door middel van zyne jaarlyks bereekende Tafel, naar te gaan wat ‘er op den gemelden dag stond te gebeuren; en hy bemerkte ligt dat ‘er voor ons niets te vreezen was. Deeze bereekening deed hem invallen, dat het aangenaam zoude zyn een Werktuig te hebben waar in men, ten allen tyde, den waaren stand der Hemelsche Lichaamen zoude kunnen gewaar worden: dat men daar door eensklaps van alle bereekening in het toekomende bevryd zoude zyn. Deeze gedachte werd aanstonds gevolgd door het besluit van zodanig een Werktuig te vervaardigen.”9

We kunnen hieruit vijf zaken concluderen: 1. Dat Eise Eisinga zijn planetarium kon bouwen op basis van reeds eerder (nl. jaarlijks) verzamelde en/of berekende gegevens, 2. Dat zijn gegevens hem al vóór 8 mei leerden dat er niets te vrezen viel, 3. Dat het handig zou zijn een apparaat te bezitten dat de actuele stand van de hemellichamen zichtbaar

9 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
12 VITRUVIUS NUMMER 43 APRIL 2018
VITRUVIUS_April.2018 v3.indd 12 02/03/18 13:53
1 - Duinakkertjes en duinweiden ten noorden van het dorp Hoorn op Terschelling, begin 20ste eeuw
Bron: Collectie Zuiderzeemuseum

maakte, 4. Dat hiermee berekeningen in de toekomst overbodig zouden worden, en 5. Dat hij direct het besluit nam zo’n werktuig te maken. Maar, zeer opmerkelijk, Van Swinden noemde op déze plaats – en ook nergens anders in zijn beschrijving uit 1780 - het tegengaan van bijgeloof of angst voor de conjunctie van 8 mei 1774 als motief! Het lijkt er dus op dat dit punt geen aanleiding was voor de constructie van het planetarium, of dat hij het niet als zodanig heeft opgevat. Er mag wel uit worden afgeleid dat Eisinga hem dat niet als zodanig heeft gezegd. Was het planetarium bedoeld om bijgeloof te bestrijden, dan had spoedige openstelling voor publiek voor de hand gelegen.10 We komen hierop nog terug.

In 1824 noteerde de (voormalige) doopsgezinde dominee Jan Brouwer, uit Leeuwarden, in zijn voorrede van een nieuwe, uitgebreidere druk van Van Swindens boekje echter: “[…] en bovendien was het zijn loffelijk oogmerk, om eene bijgeloovige vrees, uit den zamenstand (conjunctie) van vijf planeten, in 1774, bij het volk ontrezen, door zinnelijke [= zintuiglijke; (FN)] blijkbaarheid, voor altijd te mogen tegengaan en verbannen [2 x vet FN] met dit zijn konstwerk.”11 Vanzelfsprekend wist toen iedereen dat er op 8 mei 1774 niets bijzonders was gebeurd en vanuit

dit oogpunt is het nogal vreemd dat 50 jaar (!) na dato de bestrijding van ‘bijgeloovige vrees’ alsnog nadrukkelijk voor het voetlicht kwam. Het was (vermoedelijk) de eerste keer dat in een drukwerk het tegengaan van bijgeloof als (een) doel van het bouwen van het planetarium werd genoemd.12 Vanaf 1824 kwam deze (vermeende?) doelstelling echter steeds vaker op de voorgrond - zoals bij J.W. Meuter, in 1838.13 Het is mogelijk geen toeval dat kort daarvóór ‘bijgeloof’ onder invloed van het natuurwetenschappelijk onderzoek in de Verlichting een wat andere betekenis had gekregen: in korte tijd waren er talrijke drukwerken verschenen waarin uiteenlopende vormen van kletskoek en bakerpraat alsmede spookverhalen aan de kaak werden gesteld.14 Voor wat betreft het planetarium was het hek helemaal van de dam toen in een volgende uitgave van Van Swindens boek, uit 1851, opnieuw - maar weer op een iets andere manier - verband werd gelegd met het terugdringen van bijgeloof.15 En daarna, in 1865, ging ene Van Reyn nog aanzienlijk verder op dit pad en bestempelde hij als nut van het planetarium: “Vooral dit, dat het stelsel van Copernicus door deze aanschouwelijke voorstelling gereeder [= eerder (FN)] ingang bij het volk heeft gevonden en het vroegere verkeerde begrip aangaande de onderlinge verhouding der hemelligchamen verdrongen is.”16

[vet FN] Met zulke uitspraken werd alsnog een prima voedingsbodem verschaft aan de opvatting dat bestrijding van bijgeloof Eisinga’s doel geweest zou zijn. In het volgende zullen we echter zien dat ook andere ideeën over Eisinga en zijn planetarium een rol gingen spelen in de kijk op zijn leven en werk. Hetgeen leidde tot het ontstaan van verschillende mythen.

Het begin van mythevorming

De thema’s ‘eindtijd’ en ‘bijgeloof’ raakten mettertijd onlosmakelijk met Eisinga verbonden. De ‘verlichte’ Eisinga is met tamelijk grote zekerheid pas vanaf de tweede uitgave van Van Swindens boek in de hoek van bestrijders van ‘primitief’, bijgelovig denken terechtgekomen – een proces dat met horten en stoten op gang kwam, maar dat nu nog steeds voortgaat. Het is nauwelijks betwistbaar dat pas vanaf Jan Brouwers voorrede uit 1824 Eisinga vaker in verband werd gebracht met bestrijding van bijgeloof en dat dit vanaf die tijd gedurende enige decennia een prominente plaats ging innemen in de ‘planetarium- en Eisingaliteratuur’. Maar naarmate de feitenkennis over het universum (= het heelal) in de tweede helft van de 19de eeuw werd verbreed en verspreid, nam de betekenis die aan Eisinga en zijn planetarium werd toegekend in de bestrijding van

10 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Bron: P.D., Wikimedia
1 - De stand der planeten kort voor zonsopkomst op 8 mei 1774, zoals weergegeven door Pieter [Idserts] Portier, 1774.

bijgeloof allengs geringer.17 Om in de tientallen jaren rond de vorige eeuwwisseling zelfs vrijwel uit te doven. Daarmee leek de mythevorming uitgebannen, maar dat was slechts voor kort. Vanaf de jaren ’30 van 20ste eeuw veranderde dit namelijk weer en werden hij en zijn zonneplein op een almaar hoger voetstuk geplaatst. Dus: terwijl er aanvankelijk geen (bewezen) doelstelling bestond dat hij bijgeloof wilde bestrijden, is dit vanaf 1824 als een vaststaand feit aangenomen.18 Vervolgens werd die opvatting minder vaak naar buiten gebracht, maar ongeveer een eeuw na de eerste uitingen ervan, stak het verhaal opnieuw de kop op, om niet meer te verdwijnen: het bleef bij die eenmalige golfbeweging in de mythologisering van Eisinga en zijn planetarium. Zowel in serieus werk, als in alle andere teksten wordt tot op de dag van vandaag opnieuw gerefereerd aan de angst voor het einde van de wereld, in 1774, en aan Eisinga’s (vermeende) reactie. Zo

werd de onbewezen stelling van Eisinga als vechter tegen bijgeloof in het leven geroepen om vervolgens - als eerste en uiterst hardnekkige mythe - in stand te worden gehouden.19 Een fraai voorbeeld hiervan is te vinden bij Goldsmid, die in 1939 als een van de eersten van een nieuwe generatie deze mythe weer van stal haalde.20 De mythevorming zal –onbedoeld – mede in de hand gewerkt zijn door een portret van Eisinga in de uitgaven van Van Swindens boek van 1824, 1831 en 1851. De plaat laat de buste van een breekbare, oude man zien in een wat onbeholpen, schuchtere – om niet te zeggen schlemieligepose. Eisinga’s portret, dat wordt omkranst door parafernalia die zijn verdiensten benadrukken, is via meerdere (boek)uitgaven verspreid en was lange tijd het enige dat aanzienlijke bekendheid genoot. (Afb. 2)

Het beeld ondersteunde zijn vermeende eenvoudige afkomst uit een gezin van wol-

kammers, terwijl hiernaast zijn ‘zelfstudie’ mettertijd sterk tot de verbeelding is gaan spelen. Meerdere van de genoemde – soms slechts ten dele juiste - punten droegen sedert de vroege 19de eeuw belangrijk bij aan mythevorming rond Eisinga. Hiermee zijn er dus al drie ingrediënten voor een verhaal dat tot de verbeelding kan spreken: eenvoudige afkomst, zelfstudie en bestrijding van bijgeloof. Een bij velen minder bekend facet van Eisinga’s levensloop, wordt gevormd door diens politiek-bestuurlijke activiteiten en dan vooral door de consequenties van zijn patriottische sympathieën. Dit deel van zijn leven ‘paste’ minder goed in het verhaal van de eenvoudige (apolitieke) wolkammer en handwerksman en dit kwam er (dus?) nogal eens gecomprimeerd af in geschiedenissen.21 Inmiddels is dat echter hersteld en wordt hierover meer uit de doeken gedaan en is zelfs dié realiteit deel gaan uitmaken van de mythologie. Zo is het feit dat Eisinga eerst vanwege gewijzigde politieke redenen is gevlucht naar het Duitse Gronau en dat hij daarna ook nog eens uit Friesland werd verbannen, onderdeel geworden van een ‘adembenemend’ levensverhaal. Hoewel de mythologie rondom Eisinga behoort tot het ‘immateriële erfgoed’ - met hoogstens een ondersteunende betekenis voor zijn planetarium – kunnen dergelijke verhalen wel bijdragen aan de positionering van de materiële waarden. De mythen kunnen soms als manifestaties of als indicatoren van criteria en/of waarden worden gekwalificeerd, zonder dat ze als zodanig tot werelderfgoed (kunnen) worden bestempeld.

Het is dan ook opmerkelijk dat van zulke ingrediënten van de mythologie rond Eise Eisinga’s hemelplein, weinig of niets concreets is opgenomen in de Nomination File. De bibliografie bevat uiteraard serieuze en wetenschappelijke boeken en artikelen waarin de mythologie een plaats kreeg, maar de ‘verbeelding’ rond Eisinga en zijn planetarium bleef onderbelicht. Zo zijn er slechts enkele (jeugd)boeken in opgenomen die weerspiegelen dat er gedurende twee eeuwen met succes publieke belangstelling voor Eisinga en zijn planetarium werd gewekt. En dit zijn ook nog uitsluitend recente boeken, waarnaar in de tekst van de Nomination File nauwelijks wordt verwezen. De nominatie mist hier mijns inziens dus een bruikbaar bewijs – een indicator - van de unique or at least exceptional testimony to a cultural tradition. Dát het planetarium zo lang tot de verbeelding bleef spreken, is mede – en vermoede-

11 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
2 - Lithografie ‘naar het leven’ van Eise Eisinga, vervaardigd door K. Joh. Sannes, in 1823. De koopman Sannes was een vriend van Eisinga. Er zijn meerdere versies van bekend. Bron: P.D.

lijk zelfs voorál – te danken aan de mythologie en de romantiek rondom de maker ervan.

Het is in dit verband vreemd dat Dijkstra in zijn De Hemelbouwer geen concrete voorbeelden noemt van ‘hardnekkige’ mythen rond Eisinga, die hij zegt te zullen ontzenuwen. Precies die mythen verklaren immers de blijvende aandacht voor het object. Ook moet worden opgemerkt dat Dijkstra hier nogal in gebreke bleef door in zijn bibliografie Friesche Sterrekonst van H. Terpstra (1981), niet te noemen. In díe uitgave zijn Wahrheit und Dichtung goed gescheiden – en Terpstra zou er vele feiten aan ontleend (kunnen) hebben. In de volgende paragrafen wordt ingezoomd op een aantal van deze - mijns inziensonterecht verborgen gebleven ingrediënten van het erfgoed en worden ze als ‘indicatie voor een culturele traditie’ zichtbaar gemaakt door ze ruwweg twee eeuwen te volgen.

Romantiek en mythevorming in de 19de eeuw

Dat een rol van Eisinga als bestrijder van bijgeloof in de vroege 19de eeuw in vruchtbare aarde viel, was vooral te danken aan de tijdgeest. De kennis over het heelal én over de maatschappij namen in de 18de eeuw snel toe22, maar dat ging niet zonder slag of stoot. De rationalistische verlichtingsdenkers zochten en vonden wetenschappelijke verklaringen voor een brede waaier aan natuurverschijnselen (Wahrheit). Verder stelden ze kritische vragen over vele brandende maatschappelijke kwesties en gaven ze ook daarop antwoorden – met als bekendste: de Franse Revolutie, die het oude feodale bouwwerk ondermijnde. Hun rationele en radicale benadering van natuur en samenleving riep echter al gauw ook reactionaire reflexen op – waaronder een zucht naar behoud en traditie. Van Zonneveld legde hierbij verbanden met de (stijl)begrippen Biedermeier en Romantiek – die allebei reacties waren op de Verlichting. De biedermeiertijd kenmerkte zich door een harmonisch samengaan van verstand én gevoel binnen een herstelde standenmaatschappij, waarin de eigen positie geaccepteerd was. Het eigen gezin en knusse huiselijkheid waren hierbij kernwaarden. In de Romantiek stonden onder meer de verbeelding (= fantasie; fictie; Dichtung) en het gevoel centraal en bovendien ook het verleden en het gemoedsleven van ieder mens als een uniek wezen.23 Contrasten tussen de drie genoemde cultuurperioden laten zich in enkele tekstvoorbeelden rondom Eisinga vrij goed herkennen.

We kunnen wat dit betreft allereerst verwijzen naar de hierboven reeds weergegeven rationele omschrijving die de hoogleraar wis- en natuurkunde Van Swinden in 1780 gaf van Eisinga’s planetarium. Er kan veilig worden gesteld dat Eisinga een kind was van de Verlichting: zijn rekenwerk aán en de modellering ván ons zonnestelsel - en hiernaast zeker ook zijn politiek-patriottische activiteiten - waren onmiskenbaar onderdeel van die tijdgeest. Dit kan eveneens worden gezegd over Eisinga’s ‘ontdekker’ zelf, die trouwens ook politiek actief was.

De tweede bekende beschrijver van het planetarium (1818), J. Scheltema, kan beter worden beschouwd als een overgangsfiguur, omdat hij zich niet heeft gemengd in de mathematische facetten van het instrument en omdat hij zich ook niet uitte over een terugdringen van angst of bijgeloof, enz. Daarentegen schreef hij in de laatste alinea van zijn publicatie als volgt over Eisinga: “Hij leeft verders met zijn gezin geliefd en geacht bij zijne medeburgers; indien ik de grond voor deze liefde en achting wilde doen kennen door de ontwikkeling van des mans braafheid, eerlijkheid, reine zeden en godsvrucht, dan zoude ik zijne nederigheid schijnen te miskennen en zeker zijne zedigheid kwetsen.”24 In deze ‘zalvende woorden’ valt gemakkelijk iets van de huiselijke biedermeiertijd te herkennen.25

De tweede druk van Van Swindens boekje verscheen in 1824, zoals eerder al werd aangestipt. In zijn voorrede preludeerde Brouwers hierin in een alinea vol romantische symboliek op een komende, ongelukkige periode in Eisinga’s leven.26 Nog concreter was de romanticus Jacob van Lennep na zijn bezoek aan het planetarium, in 1823. Hij noteerde in zijn dagboek de tegenwoordig regelmatig (en ook gretig) aangehaalde woorden: “Eenige grachten verder, traden wij de eenvoudige woning van den wolkammer Eise Eisinga* in. Deze kwam met een schortkleed voor en leidde ons in een klein kamertje, waar wij boven ons hoofd het gansche planetenstelsel zagen. Alle planeten hier afgebeeld bewegen zich werkelijk als in de natuur en volbrengen hun loop in denzelfden tijd, alsook al hunne manen. […] Dit alles wordt door een slinger in werking gebracht. De raderen en pennen zijn slechts van hout en beslaan geen meer plaats dan het platfond [sic] boven het kamertje tegen I½ voet hoogte. De maker toonde mij alles als was hij in een kermisspel, zonder dat hij er iets van scheen af te weten. Wij wisten niet wat meer te bewonderen, de trotschheid der onderneming,

de voortreffelijke juistheid der uitvoering of de onbegrijpelijke eenvoud van den vervaardiger; jammer dat dit kunstgewrocht niet te verplaatsen is en met het huis vergaan moet.”27 Deze woorden stralen enerzijds bewondering uit, maar ze laten aan de andere kant een houding zien van superieure meewarigheid en sentimentaliteit, waarmee Eise Eisinga eigenlijk als een ‘stumperd’ werd neergezet. Van Lenneps tekort aan ‘verbeeldingsvermogen’ – en dit ondanks de ‘belevenis’ zich in een mechanisch planetenstelsel te bevinden – was in de knoop geraakt met de aardse werkelijkheid, waarin een in een schort gestoken, onbegrijpelijk eenvoudige wolkammer als onwetende kermisklant figureerde. Mogelijk kende hij de eerste uitgave van Van Swindens beschrijving van het planetarium en ‘spoorde’ zijn bevinding niet met zijn verwachting. Van Lenneps romantische inborst botste hier met zijn van origine rationele, academische status. We zouden nu zeggen: hier was sprake van cognitieve dissonantie. (Afb. 3)

Eisinga’s romantische mythe compleet Teksten als de bovenstaande, waren vanuit 19de-eeuws perspectief ideale ingrediënten voor mythevorming rond een man van relatief eenvoudige komaf, die het op de maatschappelijke ladder bracht tot een gerespecteerde positie en die hiermee voorbeeldig kon figureren in een pre-industrieel, romantisch samenlevingsmodel. Nu zijn de lijnen van verlichting(sdenken) naar Eisinga’s planetarium er in overvloed en beide termen komen dan ook vaak voor in voorbeelden of binnen kruisverwijzingen. (Planetarium <=> Verlichting) Verbanden tussen Biedermeier en Romantiek en een mythische status van Eisinga zijn echter voornamelijk indirect te vinden. Zo is er in de 19de eeuw wel enig verhalend proza aan hem gewijd, maar relatief weinig poëzie - buiten enige loftuitingen bij ‘gedenkmomenten’.28 Tot de vertellende, romantische literatuur behoort een in 1839 verschenen boek met ‘portretten en platen’, waarin een aardige passage aan Eisinga’s planetarium is gewijd. Belangrijk hieraan is met name dat het onderdeel is van een reeks vertellingen over ‘gewone mensen’ die een onvergetelijke bijdrage leverden aan de Nederlandse samenleving.29

Een andere typisch romantische insteek voor een vertelling rond Eisinga’s hemelplein is het compleet verzonnen verhaal over een bruiloft tussen twee eveneens verzonnen burgerlieden, die zou plaatsvinden op 8 mei 1774. De slechts bij diens initialen bekende

12 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022

auteur, schreef in 1853 onder meer:’“Ik houd u aan uw woord, ik ben de bruidegom van uwe dochter en den 8 Mei vieren wij ons huwelijk.” “Spotter!” riep de oude [= haar vader, die tegen het huwelijk was; (FN)], “gij meent toch niet, gij weet zo goed als ik, dat dan de wereld vergaat; maar wilt mij door deze handeling van mijne vrees genezen. Nu, het is goed. Ik houd mijn woord! Ha! het bruidsgewaad zal u beter staan dan een lijkkleed!” Met deze laatste woorden zag hij met een onbeschrijfelijk weemoedig oog zijne dochter aan.”’30 Een laatste voorbeeld van zo’n romantische verbeelding betreft een fantasie rond de jeugdjaren van Eisinga. De schrijfster vertelt dat een zekere jonge Eise, lopend op weg naar Franeker, een gerucht vernam over een conjunctie van twee planeten en over vrees voor ondergang van de aarde. Dus: net als later - in 1774. Deze jeugdige Eise leerde van zijn leermeester, genaamd De Vries, hoe de vork echt in de steel stak en hij droomde daarop van het bouwen van een model van het zonnestelsel.31 Het ging in deze fantasie, uit 1864, dus eigenlijk om een soort raamvertelling rondom de alom bekende Eise Eisingageschiedenis.

Zo zijn er nog wat meer van dergelijke verhalen, waarin als gemene deler kan gelden dat ze (vooral) voor jeugdige lezers bestemd waren en dat ze een wat ‘fantastisch’ karakter hebben waarin sterrenkunde en (algemeen-menselijke) gebeurtenissen aan elkaar raken. Hierdoor vertonen ze dus enkele typisch romantische kenmerken: tijd en plaats van handeling vergden (voor die tijd) nogal wat ‘verbeeldingskracht’ of inlevingsvermogen. Hoewel het absolute aantal publicaties misschien niet eens groot was, zou je zonder overdrijving kunnen spreken van een korte, midden-19de-eeuwse ‘Eisingacultus’, waarin hij als persoon centraal stond.

Anders dan je wellicht zou verwachten, lijkt het erop dat vermelding van het planetarium in toeristengidsen, geografische en schoolboeken, encyclopedieën en dergelijke niet bijdroeg aan productie van verhalend proza. Een duidelijke verklaring hiervoor is er niet, maar zeker is dat de kennis van het heelal in de tweede helft van de 19de eeuw snel toenam. En in het verlengde hiervan, leverde het onderwijs een bijdrage aan de verbreiding van die kennis. Dit betekende dat bijgeloof – een voedingsbodem voor fantasie en verbeelding – wel werd teruggedrongen - maar niet geheel is geëlimineerd. Dit zou kunnen verklaren waarom er tegen het eind van de 19de eeuw nog maar weinig

13 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
3 - Vitrine in het planetarium te Franeker met verschillende zaken betreffende Eisinga, zoals het portret van 1823 als onderdeel van een van de boekuitgaven. Erboven hangt een kopie van het geschilderde portret van 1827. Bron: Frits Niemeijer

over hem in relatie tot bijgeloof is te vinden. Tot de zeer weinige voorbeelden van verwijzingen naar Eise Eisinga en het bijgeloof van een naderend einde der tijden, behoren enige berichten in de toenmalige dagbladpers. Zo schreef de Franeker (!) Courant in 1881: “Maar wat is de oorzaak geweest, dat een eenvoudig handwerksman op de gedachte kwam, tot de samenstelling van dit kunststuk over te gaan? De wereld zou vergaan!” […] De 30jarige Eisinga evenwel had niet behoord tot de vreesachtigen: hij wist het, meende hij, dat de botsing niet plaats kon hebben en om dit èn voor zijne tijdgenooten èn voor het nageslacht zichtbaar te maken, besloot hij tot het vervaardigen van een werk […] dat het wereldberoemde planetarium geworden is.”32 Mogelijk brachten kennis en wetenschap mee dat de inspiratie – of misschien ook wel de lezersmarkt - opdroogde voor het publiceren over een in principe toch tot de verbeelding sprekend onderwerp als de constructie van een planetarium in een woonkamer. Maar wellicht was er ook ‘concurrentie’ vanuit andere hoek. Intussen was namelijk de tijd aangebroken waarin een Jules Verne zijn toekomstfantasieën op papier zette. ‘Zijn ruimte’ voegde nóg onvoorstelbaarder dimensies toe aan het universum van de (vooral jeugdige) lezers – waaronder een reis naar de maan: sciencefiction was geboren.33

Terwijl het verschijnen van serieuze en jeugdboeken over het planetarium tegen het eind van de 19de eeuw terugliep, of zelfs helemaal stilviel, bleef de promotie ervan als reisdoel op volle toeren draaien. Vooral de vermelding hiervan – reeds vanaf de eerste druk - in de ‘Baedeker’, was uiteraard een goede stimulans voor buitenlanders om een bezoek aan het planetarium te brengen.34 Het was ‘marketing’ avant la lettre, uitmondend in - wat nu heet - het planetarium als lieu de mémoire 35 Dijkstra stelt dat er tijdens Eisinga’s leven – dus tot halverwege 1828in totaal zo’n 10.000 bezoekers kunnen zijn geweest – wat betekent dat er ruwweg 225 à 250 per jaar kwamen. Een attractie voor mensen met een zekere ontwikkeling zal het vanaf het begin wel zijn geweest, maar daarmee was het nog geen publiekstrekker.36 Het liep toen dus niet echt storm, met gemiddeld ongeveer ¾ bezoeker per dag en zonder externe promotie zou dat vermoedelijk ook niet snel anders zijn geworden. Omstreeks 1850 moet het totaal aantal bezoekers echter al zo’n 60 à 70.000 hebben bedragen. Dat zou betekenen dat er vanaf 1828 circa 2300 per jaar kwamen – dus ongeveer tienmaal zoveel.37 Er kan dus gesproken worden van

succesvolle reclame.

Opmerkelijk is ondertussen dat de Baedeker met geen woord repte van bijgeloof en/of vrees voor de ondergang van de aarde. We kunnen hieruit afleiden dat voor velen het zwaartepunt van de bewondering voor, of de beleving van het planetarium al in de eerste helft van de 19de eeuw op de vervaardiging ervan door de eenvoudige burger (‘schlichter Bürger’) Eise Eisinga was komen te liggen en dat de vermeende aanleiding hiervoor buiten beeld bleef. (Bij een bezoek aan het planetarium zal dit natuurlijk wel verteld zijn). Die (vermeende) aanleiding voor Eisinga’s bouwen van het zonneplein werd in de tweede helft van de 19de eeuw nog slechts sporadisch opgetekend, zoals zoekvragen op internet laten zien.38 Het lijkt erop dat de mythologie zich toen vooral ontwikkelde rondom de schilderachtige figuur van Eisinga zelf en minder rond de groteske conjunctie van 1774 en enkele bijgelovige Friezen. En hiernaast vormden (bewondering voor) het schilderachtige planetarium zelf en het daarboven gelegen mechaniek vanzelfsprekend de hoofdschotels. (Afb. 4)

De 20ste eeuw – dezelfde mythen Doordat Eise Eisinga en zijn planetarium vanaf het midden van de 19de eeuw vermeld werden in een breed scala aan (internationale) hand- en reisboeken, was Franeker op de toeristische kaart van Nederland komen te staan. De stad was vanaf 1863 goed bereikbaar per spoor en duizenden jonge en volwassen reizigers bezochten vanaf die tijd de ruimte met de blauwe-en-gouden hemisfeer. Ondanks een afname van de belangstelling in de decennia rond 1900 was het ondenkbaar dat het planetarium uit de boeken zou verdwijnen en nadat het kunstwerk en zijn maker het enige tijd met korte vermeldingen

moesten doen, kwam Franeker al snel weer terug op de kaart. In schoolboekjes werd het steevast genoemd en hoewel veel kinderen van eenvoudige komaf en/of uit verre landsdelen het niet in werkelijkheid zullen hebben gezien, zullen ze ervan hebben gehoord.39 De opkomst van massatoerisme en ook van schoolreisjes per fiets, trein, tram of autobus brachten echter nieuwe belangstellenden en mogelijk deed Eisinga’s wondere mechaniek vervolgens weer een beroep op veler verbeelding. De aandacht voor Eisinga kreeg in 1928 een duw in de rug vanwege de herdenking van zijn 100ste sterfdag. Dit feit werd mede ondersteund doordat een tweede portret van Eisinga, een fraai schilderij uit 1827, vanaf die tijd landelijke bekendheid zou krijgen, dankzij fotografische reproductie. Dit ‘representatieve’ werk, van de veelgevraagde meesterschilder W.B. van der Kooi, laat Eisinga zien, zittend aan een tafel in zijn planetarium. (Afb. 5) Hierdoor leefde ook de verbeelding rond het planetarium en zijn maker weer op en kwamen er vanaf de late jaren ‘30 opnieuw verschillende geromantiseerde verhalen op de markt. We citeerden in deel 1 van deze drie artikelen al uit Goldsmid (1939), maar vooral na de Tweede Wereldoorlog verschenen er vertellingen van auteurs voor wie Eisinga’s planetarium als inspiratiebron diende. Ze haalden vermoedelijk geen grote oplagecijfers, maar ze gaven er wel blijk van dat het instrument niet vergeten was.

Een iets later voorbeeld is van de ‘late romanticus’ Albert Helman40, die in 1947 het boekje Kleine kosmologie het licht deed zien, waarin een hoofdstuk voorkomt dat is gewijd aan Eise Jeltes Eisinga. In dat hoofdstuk, ’t Heelal in huis, verhaalt Helman - levendig en doorspekt met metaforen en analogieën – eerst over Eisinga’s jeugd, werk en ambities. Daarna komt hij bij de markantste en

14 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
-
4
De vermelding van het planetarium in K. Baedeker, 18452, Holland; Handbüchlein für Reisende, detail van blz. 176. Bron: P.D.
15 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Bron: P.D.
5 - Geschilderd portret van Eise Eisinga, in 1827 vervaardigd door Willem Bartel van der Kooi. Anders dan de iets oudere litho laat dit schilderij een ‘representatieve’ Eisinga zien

belangrijkste fase in Eisinga’s leven: de constructie van het planetarium. Enige voorbeelden van de stijl die hij hierbij toepast zijn: “Wol van ganse kudden kamt hij, denkend aan de hemel waar de wolkenkudden grazen en van de maanbloem vreten; waar sneeuw als wol vandaan vlokt en het sterren regent.” En verderop: “Als de Heer, zegt hij, zijn wereld slechts in zeven dagen schiep, zal ik mijn heelal in huis wel over zeven jaar klaar zien.” Van bijzondere betekenis is hiernaast ook Helmans opmerking: “Midden in het oude stadje staat nog altijd Eise’s huis, het is nederig en half verloren, wrak geworden in de woeste tijd. Zelden treedt er iemand binnen om ‘t heelal van heel nabij te zien, al droomt nog iedereen van sterren en van licht in het verschiet.”40 Behalve een romantische verbeelding van het historisch fenomeen van Franeker, kan uit Helmans woorden worden opgemaakt: het planetarium werd in het begin van de jaren ‘40 kennelijk weinig meer bezocht, waardoor het alsnog in de vergetelheid dreigde te raken. Wat hij hier echter niet bij vertelde, was dat het oorlog was, dat het planetarium in april 1942 door een bombardement schade had opgelopen en dat het pas in mei 1946 was hersteld.42 Van vijftien jaar later (1962) dateert een vertelling die ook reeds in deel 1 van dit artikel is genoemd, namelijk Rein Blijstra’s Het planetarium van Otze Otzinga en andere verhalen 43

In die tijd waren er jaarlijks enkele duizenden bezoekers, maar vanaf het ogenblik dat er ruchtbaarheid was gegeven aan het tweehonderdjarig bestaansjubileum van het planetarium namen de cijfers snel toe, van zo’n 30.000 in de periode ca. 1980 tot 2000, naar 60.000 en meer, in de recentere jaren.44 Onder meer de maanlandingen die vanaf 1969 plaatsvonden en de interplanetaire ruimtereizen die tot op de dag van vandaag regelmatig in het nieuws zijn, hebben mogelijk de belangstelling voor astronomie en voor het mysterieuze universum weer doen groeien.45 Het bestuderen van het planetarium en zijn geschiedenis en techniek kwam vanaf die tijd ook weer meer op de voorgrond, met als resultaat (gedeelten uit) boektitels als Friesche sterrekonst […], (H. Terpstra, 1981)46 en Binnenste buiten […], […] Hemisphaerium en Planetarium (H. Noordmans, 1995, 1997).

Zoals we verderop zullen zien, droogde ook de stroom aan verbeeldingsliteratuur of fictie niet op en bleven de aloude mythen steeds opnieuw de ronde doen – soms in een nieuw jasje, maar zelden vanuit een echt ander gezichtspunt. Zo zag in 1994 de Friestalige,

biografische roman Wolken en stjerren van P. Terpstra het licht en volgden later nog verschillende jeugdboeken en ook diverse vertellingen via andere media. Hierop wordt in deel 3 van dit artikel nog nader ingegaan.

Terug naar de vraagstellingen

Op dit punt in de tijd – bij de overgang van de 20ste naar de 21ste eeuw – komen we terug bij de vragen die we aan het begin van dit artikel stelden. Deze concentreerden zich rond de kwestie of een romantisch beeld en/of een (vermeende?) ontwikkeling van ‘mythen’ van invloed kan zijn (geweest) op het voornemen Eisinga’s planetarium voor te dragen voor erkenning als werelderfgoed. Het is hierboven vermoedelijk wel duidelijk geworden dat zich – vooral vanaf het midden van de 20ste eeuw - een tamelijk consistent beeld rond Eisinga en diens planetarium heeft vastgezet in het ‘collectief geheugen’ van Nederland. Een groeiend aantal verhalen, boeken, afbeeldingen – dus toenemende publiciteit rond een romantische historische omgeving – deed talrijke bezoekers de weg naar Franeker vinden. Een dergelijk romantisch beeld doemde eerst al op in de eerste helft van de 19de eeuw, maar vervaagde later onder invloed van astronomie en wetenschap en vermoedelijk ook door nóg rijkere fantasieën in de opkomende sciencefiction. Dit was echter maar tijdelijk, want – zoals we zagen – vanaf de jaren ’30 en ’40 werd Eisinga weer hoofdpersonage in verhalen. Deels door de gebleven promotie van Eisinga’s planetarium in (internationale) toeristengidsen en handboeken, maar vooral door deze hernieuwde aandacht ervoor in (jeugd)literatuur en via schoolreisjes, enz. is het hemelplein ons vanaf die tijd als het ware ‘met de paplepel ingegeven’.47 Het feit dat Eise Eisinga en zijn planetarium het in 2006 brachten tot de zogenoemde Canon van Nederland - een (grotendeels digitale) kennisbank ten dienste van het onderwijswas hiervan de ultieme bevestiging. Hiermee werd echter mogelijk ook een paard van Troje binnengehaald: iedere kritische beschouwing van het object en van zijn maker kon erdoor worden belemmerd. Het huisje met planetarium in Franeker werd binnen een halve eeuw weer een must see, net als het in de eerste helft van de 19de eeuw was geweest. Alleen nu voor een veel breder publiek. En hierin schuilt een gevaar: het beargumenteren van de kwaliteiten van het planetarium voor een erfgoedstatus zou te licht kunnen worden opgevat: het ‘te bewijzen’ zou dan kunnen worden beschouwd als ‘het gegeven’.

Daarom hier de vraag: zijn we ons ervan bewust dat in het jarenlang herhalen van dezelfde – soms discutabele of dubieuze verhalen – het gevaar schuilt van het overnemen en aannemen ervan, zonder kritische distantie in acht te nemen? Toen de hiervoor al genoemde Commissie Leemhuis-Stout haar ‘Voorlopige Lijst’ Unesco Werelderfgoed Koninkrijk der Nederlanden 2010 uitbracht, werd daarin niet aannemelijk gemaakt dat ze zich baseerde op eigen kennis, op ingewonnen expertise of gedegen literatuurverkenning. Integendeel: geen van de talrijke vrij gemakkelijk toegankelijke en/of verifieerbare bronnen, boeken en artikelen liet serieuze sporen na in de ‘Geraadpleegde documenten, gerelateerd aan kandidaten’. Alleen de aardige, maar op bestaande verhalen voortbordurende publieksuitgave Tijdloos zonnestelsel, 225 jaar Eise Eisinga Planetarium, van A. Warmenhoven en E. Echternach (2007), bereikte de literatuurlijst. Maar díe kan toch niet als een begin van een voldoende onderbouwing van een status van werelderfgoed dienen; het zou daaruit een voortvloeisel kunnen zijn, maar zeker geen motivering hiervoor. De vijfhoofdige commissie, noch de zes met naam genoemde, geraadpleegde experts hadden op dat moment aantoonbare affiniteit met planetaria of met verwant cultureel erfgoed.48 Het is dus niet ondenkbaar – om niet te zeggen, waarschijnlijk - dat opname van Eise Eisinga en zijn planetarium als venster in de Canon van Nederland de opmaat is geweest voor het onderbrengen hiervan in ons werelderfgoedthema ‘Nederland als burgersamenleving’. Is het gewaagd ons af te vragen of sommige leden en adviseurs van de commissie wellicht van oudsher zijn ‘gevoed’ met romantische vertellingen over een simpele Friese wolkammerszoon die dankzij leergierigheid en doorzettingsvermogen velen in zijn omgeving liet zien dat ze domme, bijgelovige angsthazen waren?49 Verhalen dus als die van Albert Helman en Rein Blijstra. Verschillende commissieleden zijn geboren in de jaren ’40 en de kans dat ze in hun (lagere) schooltijd behoorden tot de tienduizenden die een bezoek brachten aan Franeker en haar planetarium en dat ze daarbij een romantische uitleg kregen van Harke Terpstra (conservator van 1941 tot 1983), is ook vrij groot. Het was immers de tijd van de schoolreisjes en voor vele Nederlanders ook die van de eerste autotochtjes en (binnenlandse) autovakanties. Een bezoek aan zo’n planetarium moet blijvende indruk gemaakt hebben. Is het – deze gedachtegang volgend - denkbaar dat zij later, in 2010

16 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022

– voor de Voorlopige Lijst - (meer of minder) bewust, hun in de loop van hun latere studie verworven kennis betreffende de Verlichting hebben ingezet om het tamelijk ‘zoetsappige sausje’ over de Romantiek nog een beetje te verdunnen en Eisinga en zijn planetarium het thema van de ‘burgersamenleving’ in te manoeuvreren? Bewijzen hiervoor hebben we natuurlijk niet, maar aannemelijk is het wel. En het mag hierbij opgemerkt: zowel de bewoording, als de verantwoording waarmee het planetarium op de Voorlopige Lijst werd gepresenteerd, ligt in het verlengde hiervan. (zie deel 1, kader II) (Afb. 6)

Tot hier deel 2 van dit drieluik betreffende de nominatie als UNESCO-werelderfgoed van

het Koninklijk Eise Eisinga Planetarium in Franeker. De belangrijkste constatering die we tot nu toe kunnen doen, is dat er in de eerste twee eeuwen van het bestaan ervan sprake is geweest van een lichte golfbeweging in de waardering voor het object en zijn maker. Het dieptepunt hiervan lag ruwweg in de 60 jaren rondom 1900, toen de moderne samenleving en moderne fantasieën over het universum de overhand kregen. Het oude romantische beeld van een tot geaccepteerd amateurastronoom opgeklommen wolkammer raakte toen verbleekt. Pas vanaf ongeveer 1930 was er weer groeiende belangstelling – zeker toen vanaf de jaren ’60 raketten, ‘kunstmanen’, maanlandingen en vervolgens ook bezoeken

aan andere planeten en satellieten voor talrijke doeleinden het nieuws frequent gingen beheersen. Met dit alles hebben we nog maar weinig aandacht besteed aan ontwikkelingen in de twee laatste decennia: ook in onze tijd komen aspecten van de mythologie weer aan de orde. Hierop richten we ons in de eerste paragraaf van deel 3 van dit artikel. We besluiten de reeks met een poging een deel van de romantiek en de Dichtung rondom Eisinga naar de achtergrond te laten verdwijnen door te proberen de route van de Wahrheit te bewegwijzeren.

Noten

1 Voor sommige literatuurverwijzingen:

17 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
2 - Foto gemaakt in 1957 tijdens de excursie naar het planetarium van klas III van het Stedelijk Gymnasium van Leeuwarden, o.l.v. dhr. Dijkstra. Bron: Foto voor eenmalig gebruik beschikbaar gesteld door dhr. S. van der Schaaf, een van de toenmalige deelnemers. Waarvoor mijn dank

zie deel 1.

2 Naar J.W. von Goethe. Zie ook: https://en.wikipedia.org/wiki/ Dichtung_und_Wahrheit

3 Op 12 maart 1774 plaatste de Leeuwarder Courant een vrij nuchter stuk over de samenstand, dat zijn oorsprong had bij de amateur-astronoom Wytse Foppes. Hij stelde dat de aantrekkingskrachten van Venus, Mars, Mercurius en Maan enerzijds van de aarde en die van de veel grotere planeet Saturnus anderzijds, elkaar grotendeels zouden opheffen. In de Middelburgsche Courant van 5 mei 1774 wordt gesproken van ‘dwaas Bygeloof […] in deze verligtere Dagen’ en wordt tevens de ‘Belaggelykheid van zulke dwaze Vrees en Voorspellingen’ genoemd. Ook opmerkelijk: In diezelfde Middelburgsche Courant, van 14 mei 1774 – dus van na de conjunctie – werd ook een van 28 april daterend bericht uit een Brits tijdschrift genoemd, waarin werd gewezen op het (toen nog) aanstaande astronomische verschijnsel. Maar ook zonder de minste verwijzing naar (Britse) paniek.

4 Fysico-theologie kan kort worden omschreven als een wisselwerking of een koppeling tussen wetenschap en bijgeloof.

5 H. Terpstra (1981), (a.w.), 222-228; Ph.H. Breuker (1984), Acht maaie 1774: Panyk en Ferljochting, 27-31. In: De vrije Fries […], Deel 64, 26-46. De oplage van het boekje, dat voor 9 april was aangekondigd, werd vrijwel direct in beslag genomen in opdracht van Gedeputeerde Staten van Friesland. Het kwam pas weer op de markt ná 8 mei.

6 Zie: https://tinyurl.com/38wj8wa3 Het geschrift is overigens vooral een oproep aan ‘ongelovigen’ zich te bekeren tot God.

7 Zie hiervoor o.m.: C. van Engelen (1774), De Profeetsien nuttig voor de Kerk. Dwaas uitstrooisel in Friesland, dat de Waereld op den 8 May vergaan zal. In: De Denker, 23 mei 1774, 161-168; E. de Haan (2012), ‘Ligtgeloovigheid’ en ‘Verschynzelen in de lugt’; Aspecten van wetenschap, religie en het publiek bij de planetenvrees van 1774 in Friesland. In: De Achttiende Eeuw, Jrg. 44, 3-27; R.H. Kielman (2017), In het laatste der dagen; Eindtijdverwachting in Nederland op de drempel van de moderne tijd (17901880), 95-97.

8 J.H. van Swinden (1780), (a.w.), 9. Merk

op dat Van Swinden hier stelt dat het boekje van Alta al vóór 8 mei verscheen. De (totale?) oplage was echter op 12 april in beslag genomen.

9 J.H. van Swinden (1780), (a.w.), 9. Het is nogal opmerkelijk dat de hierboven genoemde Breuker (p. 29) stelt dat het bouwen van het planetarium het best te verklaren zou zijn als Eisinga zelf twijfelde en hij zekerheid wilde.

10 Ook het extract van een Engelstalige brief van Van Swinden van 1 mei 1780 bevat geen aanwijzing voor bestrijding van bijgeloof. Integendeel, er staat letterlijk: “This modest man seems to have had no ambitious desire of being known, either to the public, or to the professors of this University.” Zie: The Monthly Review, or, Literary Journal, LXV (1781), 150-153.

11 J.H. van Swinden (18242), “Beschryving van een […]hemels-gestel, […] vervaardigd door Eise Eisinga”, Voorrede door J. Brouwer, ix. (Tevens: Bijvoegsels en Aanhangsel van Eisinga zelf.) Een minder bekende, volgende uitgave (1831) wordt ‘Tweede vermeerderde Druk, ‘nieuwe uitgave’’ genoemd. Zie hiervoor: https://tinyurl.com/2955ymsx

12 Ook J. Scheltema (1818), (a.w.) noemde dit doel toen niet. Later, in 1830, bracht hij angst en bijgeloof wél in verband met de bouw van het planetarium. Zie: J. Scheltema (1830), Overzigt van […] dwaalbegrippen […] welke […] meerendeels verdwenen zijn, 168-172. In: Geschied- en letterkundig mengelwerk, Deel 4, II, 127-184.

13 J.W. Meuter (1838), (a.w.), 124, 125.

14 Zie bv.: W. de Vos & J. Buijs (1802), Dat noch comeeten, noch planeeten, op de lotgevallen der menschen eenigen onmiddelijken invloed hebben; W. Goede (1824), Het bijgeloof ontmaskerd […]. Van oudsher werden ketterij, afgoderij, godsontkenners of atheïsten en bijgeloof e.d. gemakkelijk op één hoop geveegd, maar met de Verlichting kwam ook de kennis over natuurverschijnselen die eerder aan ‘Gods Almacht’ werden toegeschreven of die desnoods als bovennatuurlijk werden geïnterpreteerd. Vanaf de Verlichting werden voorspellingen en doembeelden zoals die voorkomen in de Bijbel steeds minder serieus genomen.

15 Deze derde (dus eigenlijk vierde) uitgave wordt voorafgegaan door: W. Eekhoff (1851), Het leven van Eise Eisinga, […] en beknopte geschiedenis van het planetarium, […], 15, 16, 36. Eekhoff gaf ove-

rigens wel aan dat “[…] nu het vroegere bijgeloof aangaande de betrekking der aarde tot zon en planeten geweken is, […]”

16 J. van Reyn (1865), Eise Eisinga, 10. In: Bato; Tijdschrift voor jongens, Deel I, 2-15; Zie ook: H.V.B. ([1853]/ 1861), De 8 mei 1774 te Leeuwarden. In: Mengelingen in proza en poezij: Nederduitsch en Friesch, 18-30.

17 Snelle verbetering van de kwaliteit van telescopen en het onderzoek van sterren en sterrenstelsels – en in het kielzog hiervan de popularisering van en het schoolonderwijs over de verworven kennis - brachten totaal nieuwe theorieen, denkbeelden en fantasieën. Hierbij bleek ons eigen zonnestelsel plotseling een nietig speldenknopje in een (vrijwel) oneindig geacht universum. Zie bv.: H. Frijlink (1865), Handboek der aardrijkskunde met geschiedkundige aanteekeningen, 11-25 en i.h.b. 25; Zutphensche courant, 26-05-1869, 2.

18 Overigens heeft Eisinga, die in 1824 nog leefde, Brouwer niet weersproken.

19 Zie - gespreid in de tijd bv.: W. Eekhoff (1851), (a.w.), 15, 16; E. Havinga, e.a. (1928) (a.w.), 27; Voorlopige Lijst […] (2010), 33: “Het motief om dit raderwerk te ontwerpen was ingegeven door zijn wens om het bijgeloof op wetenschappelijke wijze aan de kaak te stellen.”

20 M. Goldsmid (1939), ”Eise Eisinga, een zeer bequaam en aanmerckelíjk Man,” 283, 284. In: De Navorscher […], 88e jrg., 276-288. Goldsmid schreef o.m.: “Reeds bij de eerste ongeregeldheden had hij er met zijn “huisvrouw” over gesproken, en treurig het hoofd geschud over zoveel onwetendheid, zelfs bij mensen, waarvan hij nooit had durven vermoeden, dat ook zij niet het flauwste begrip hadden van de stand en de loop der hemellichamen. […] Behalve het genoegen, dat een huiselijke bezigheid in zijn liefhebberij-vak hem zou verschaffen – was de voornaamste drijfveer wel, dat hij, in het bijzonder, wanneer het nog eens nodig zou blijken, zijn werk bij wijze van voorlichting ter beschikking kon stellen van de gemeenschap, waardoor een herhaling van hetgeen was geschied, nooit meer plaats zou kunnen vinden….” [Tekstcorrecties FN].

21 Patriotten zijn door vele ‘goede Nederlanders’ anderhalve eeuw lang beschouwd als landverraders en daarmee wilde men Eisinga liever niet associëren. In 1793 werd een ‘dans van patriotten’ (zgn. Keezen, of keeshonden) met de duivel in druk uitgegeven. Zie: https://

18 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022

www.rijksmuseum.nl/en/collection/ RP-P-OB-77.557

22 Toevallig werd in het jaar waarin Eisinga’s planetarium gereedkwam de planeet Uranus als zodanig ‘erkend’.

23 P. van Zonneveld (1983), Verlichting, Biedermeier en Romantiek 741-742. In: De Gids, Jrg. 146, 738-747.

24 J. Scheltema (1818), 235, 236.

25 Zie ook: M. Spies (1997), Van ‘vaderlandsch gevoel’ tot Europees perspectief; De studie van de 17de- en 18de-eeuwse literatuur in de 19de en 20ste eeuw. En hoe verder?, 57. In: [tijdschrift] Handelingen Colloquium Neerlandicum, Nr. 13, 53-72.

26 J.H. van Swinden (18242), Voorrede door J. Brouwer, xvii. Brouwer schrijft onder meer: “Maar, als de storm der driften woedt, velt deze, met onbesuisde kracht, meermalen den gaven vruchtboom, terwijl wederom tegen dat onstuimig geweld het buigzame riet en menige kankerige stronk bestand is, in de luwte van bosch of duinen.”

27 J. van Lennep ([1823/1909]//1942) Nederland in den goeden ouden tijd […], 52. * Eerste integrale uitgave van het dagboek pas in 1942; de naam Eise Eisinga is dan in kapitalen gedrukt. Overigens werd ook door Brouwer rekening gehouden met sloop van het huis en/of het planetarium. (zie: xxxii)

28 Bv. het gedicht bij gelegenheid van Eisinga’s overlijden, in 1828:‘Op de Dood van den Achtbaren Heer Eize Eizinga’ ; Een ander voorbeeld is een fragment uit De Lof der Nederlandsche Nijverheid door turfschipper W. Kraan: “[…] Hier toont een Eisinga het prachtig firmament, // Door eigen hand gewrocht: waar elk gestarnte rent, // Om, in den juisten tijd, zijn loopkring te volenden; […]” In: P. van Genabeth (1828), Zede- en letterkundige lessen, of Bloemlezing uit Nederlandsche dichters en prozaschrijvers, viii, 594.

29 Ch.P.E. Robidé van der Aa [1839], Vaderlandsliefde de bron der schoonste deugden: een leesboek voor de Nederlandsche jeugd, 96-103.

30 H.V.B. ([1853] / 1861), (a.w.), 26, 27.

31 Agatha [pseud. van Reinoudina de Goeje] [1864], De jeugd van beroemde mannen, 161-173.

32 Franeker Courant, 23-06-1881, 2, 3: Eisinga werd van stal gehaald omdat de ondergang van de aarde toch weer eens werd voorspeld - die keer op 12 november van dat jaar. Maar laten we niet vergeten: onze tijd kent haar de-aarde-is-

plat-denkers, homeopaten en antivaxers.

33 https://fr.wikipedia.org/wiki/Jules_Verne . Vanaf 1870 verschenen talloze Nederlandstalige edities van onder meer zijn

De reis naar de maan in 28 dagen en 12 uren.

34 C. Baedeker (1839), Holland. Handbüchlein für Reisende, […], 180, 181. In Engelstalige uitgaven wordt het ‘astronomical model […] the greatest curiosity of the place’ genoemd. Een minder bekende, relatief uitgebreide, Duitse beschrijving van het planetarium, inclusief portret van Eisinga op het schutblad (!) komt voor in: Th. Fliedner (1831), Collektenreise nach Holland und England […], Vol. 2, 82-87.

35 S. Gessner ([2020] // 2021), (a.w.), 135-139.

36 A. Dijkstra (2021), (a.w.), 95, 96. Het planetarium was enkele jaren gesloten.

37 W. Eekhoff (1851), (a.w.), 23.

38 Een van de schaarse vermeldingen ervan komt voor in: J. van der Veen (Azn) (1878), Douwe Osinga en zijn gezelschap […]; Een romantisch verhaal, 147-151.

39 Zie bv.: L.A.E. van der Ley (19025), Hoe ons land er uitziet; Aardrijkskundig leerboekje voor de lagere school, 72.

40 Pseudoniem van Lodewijk (Lou) Alphonsus Maria Lichtveld.

41 A. Helman (1947), ’t Heelal in huis, 196, 200, 203. In: Kleine kosmologie, 193-204.

42 Leeuwarder koerier, 14-05-1946, 2.

43 In het verhaal bouwde Otze Otzinga zijn eigen planetarium. Op p. 11 zegt Otzinga over Franeker: “Er is daar ook een vent die een planetarium gemaakt heeft, heel primitief. Dat wordt nu aan toeristen getoond. Eyse Eysinga heette de man. Hij is daar al eeuwenlang dood.”

44 Hetzelfde kan worden geconcludeerd uit twee opeenvolgende drukken van de Grote Winkler Prins Encyclopedie. In de zesde druk (dl. 8, 1950) is driekwart kolom gewijd aan Eise Eisinga, inclusief een afbeelding. In de zevende (dl. 7, 1972) is het lemma echter gekrompen tot een krappe zes tekstregels; S. Plas (1981), 200 jaar Planetarium Franeker; Eise Eisinga wordt herdacht. In: De Kampioen, 484-485.

45 Leeuwarder courant, 26-08-1970, 11. Deze krant opperde dit verband destijds al en gaf tevens aan dat in dat jaar een nieuw recordaantal bezoekers werd verwacht van boven 20.000.

46 Door K. van Berkel (1984), - m.i. zeer ten onrechte - bestempeld als een ‘met liefde

samengestelde compilatie van een goedwillende amateur.’ (In: BMGN, 79, 80). De uitgave bevat ruim 70 aan Eisinga gewijde pagina’s, met hierin talrijke niet elders gepubliceerde tekstfragmenten. Wat er wel op valt aan te merken is het ontbreken van een notenapparaat.

47 Met enig digitaal zoeken zijn vele eigentijdse verslagen van of herinneringen aan bezoeken aan het Eisinga’s planetarium te vinden, waaronder van (leerlingen van) lagere scholen en van technisch onderwijs t/m gymnasia.

48 Voorlopige Lijst Unesco Werelderfgoed Koninkrijk der Nederlanden 2010, 69, 85.

49 Vb.: Voorzitter mevr. J.M. Leemhuis-Stout (1946) is opgegroeid in Sneek (Ze is dochter van een leraar óf van het hoofd van het belastingkantoor Leeuwarden?) en R.P.M. Bak (1942) is geboren en opgegroeid in Den Helder als zoon van een onderwijzer. D.F. Sijmons (1949) is geboren en opgegroeid in Amsterdam als zoon van een architect. Zij zijn van oorsprong dus geen ‘doorsnee-Nederlanders’. H. Goedkoop (1963), V.V. Stissi (1970).

50 https://www.schoolreis.nl/archief/ geschiedenis-schoolreisjes/ Zie bv.: Delpher, ANP Nieuwsbericht - 28-061950 – 8; https://hennepe.jouwweb. nl/glanerbrug-verhalen-over-vroeger/ schoolreisje-ameland-1950: “Op de terugreis hebben we in Franeker het Planetarium van Eise Eisinga aangedaan.”; Zutphens dagblad, 05-06-1953, II, 3; https://rachelroelie.wordpress.com/category/lagere-school/ (1974);

19 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022

Wat de archieven kunnen vertellen!

De Catharinakerk te Eindhoven, deel 1

Inleiding

Saai, denkt men over het algemeen, heel saai, want archiefonderzoek roept bij de meeste mensen nu niet direct de spannendste associaties op. En als het verhaal daarover dan ook nog eens gecombineerd wordt met een methodologische uiteenzetting, dan lijk je een geeuw nauwelijks te kunnen onderdrukken. Met zo’n opmaat kan het niet anders, of wij gaan hieronder het tegengestelde beweren. Laten we het er niet over hebben dat je van geduldwerk – en dat is archiefonderzoek – heel zen wordt. Laten we ook maar overslaan dat methodologie vaak een hersenkraker van formaat is. Echt iets waar je nu eens lekker je tanden in kunt zetten om alles kloppend te krijgen. Zullen we gewoon maar het verhaal zichzelf laten vertellen; een verhaal dat begon met een zeer concrete vraag, namelijk welke leien er oorspronkelijk op het dak van de Catharinakerk in Eindhoven hadden gelegen.

Deze kerk, ontworpen door Pierre J.H. Cuypers en gebouwd onder leiding van zijn opzichter A.C. Bolsius, in de periode 1858-1867,1 staat aan de vooravond van een herstelcampagne, waarbij het dak als eerste aangepakt wordt (afb. 1). Om de vraag over de oorspronkelijke bedekking van de kant van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te kunnen beantwoorden gaf de gemeente Eindhoven ons opdracht om na te gaan of hierover uitsluitsel te vinden was in de archieven.

Om nu alleen op zoek te gaan naar leien in een archief, leek wel erg mager. Vooral omdat de vraag naar materialen en werk-

1 - De Catharinakerk te Eindhoven (1858-1867) is ontworpen door en onder leiding van architect Pierre J.H. Cuypers. Dat weten we, maar wat weten we van het legioen aan geestelijken, bestuurders en vakmensen, die nodig waren om de kerk te bouwen en in stand te houden? Daarover gaat dit verhaal. Herkomst: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/ Documentnummer 139728.

20 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Foto G.J. Dukker (1971).

2

In het archief van de Catharinakerk bevinden zich verschillende van dit soort staatjes, met specificaties van de gebruikte materialen. In dit geval betreft het onder meer de ‘Blaauwen steen’, ook bekend als ‘petit-granit’ of ‘arduin’ uit de Ardennen (i.n. 398). Wat betreft deze harde kalksteen staat in het contract met aannemer Blanchemanche in de notulen van het kerkbestuur van 3 juli 1861: ‘al de blauwe hardsteen bij art. 6 van bestek beschreven moeten felui (= folluse) of Escaussene (= Escaussinse) steen zijn, in zoo verre hetzelve voor buitenwerk moet dienen’. De namen van deze natuursteen verwijzen naar de groeves van Feluy in Henegouwen (België) en Écaussinnes in de Ardennen. Herkomst zie Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm: blauwe.

zaamheden zich vast nog vaker voor zou doen. Dus hebben we voorgesteld om meteen de relevante informatie te noteren over de andere aspecten van het bouwen, verbouwen, herstellen, restaureren, inrichten et cetera die in de stukken langskwamen

(afb. 2). Dat zou leiden tot een duurzaam document, waar telkens uit geput zou kunnen worden bij de volgende fase van de restauratie. Afgesproken werd om het onderzoek te eindigen na de bemoeienissen van de architect van de wederopbouw, Kees

(C.H.) de Bever (1963) (afb. 3). Dat betekent niet dat we specifiek bij januari 1964 zijn opgehouden: juist in latere stukken wordt licht geworpen op wat er eerder is gebeurd of niet is gebeurd. Waar opportuun hebben we die meegenomen.2

Zo startte een bijzonder onderzoek.

Een kerk waarover alles al bekend was Wat maakte dit onderzoek nu zo bijzonder? Daar is een heel eenvoudig antwoord op: primair dat het überhaupt uitgevoerd kon worden. Uitzonderingen niet te na gesproken, wordt archiefonderzoek vaak beperkt tot het laaghangend fruit: zaken die via projectdossiers vrij snel te vinden zijn. Om niet ontsloten bronnen, zoals notulen, kasboeken, kopieboeken en noem maar op, door te nemen kost veel te veel tijd en dat gaat gepaard met voor de opdrachtgever onevenredige kosten. In dit geval was het ontsluiten van archiefbestanddelen de enige manier om het eigenlijke doel van de opdracht te realiseren, namelijk feitelijke gegevens over materialen en werkzaamheden te achterhalen.

Subsidiair was dit een uitgelezen kans om de meerwaarde van dit onderzoek te objectiveren. Nog geen jaar ervoor hebben we samen met Don Rackham van Res nova Monumenten een waardenstellend onderzoek naar de Catharinakerk uitgevoerd.3 Toen bleek al snel dat het gangbare beeld van de Catharinakerk sterk vertekend was door de meme dat alles over dit gebouw al bekend was. Waarom zou je dan nog extra archiefonderzoek doen? Iedere zichzelf respecterende Cuyperskenner had er al over geschreven, dus er lag voldoende basis om een waardestelling te schrijven.

Het tegendeel bleek waar!

Het begon er al mee dat het gebouw in al zijn samenstellende onderdelen nog nooit beschreven was. We hebben er al vaker op gewezen hier in Vitruvius; zodra je met een verouderde redengevende omschrijving van een rijksmonument te maken hebt, is de informatie naadje pet. Bij de Catharinakerk gaat het om nog geen 50 woorden, waarvan er slechts 15 zijn gewijd aan het gebouw! Deze kennisleemte wegwerken was het eerste wat op het programma stond: Don Rackham heeft gezorgd voor een zo volledig mogelijk beschrijving van binnen en buiten met een zo compleet mogelijke fotodocu-

21 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
-
Foto Marij Coenen 2021; bewerking Wolthera.info.

3 - Tijdens het Sinterklaasbombardement van 1942 raakte de zuidwestelijke hoek van de Catharinakerk met kooromgang rond het priesterkoor zwaar beschadigd. Architect Kees (C.H.) de Bever was belast met de molestschade regeling en leidde de herbouw- en restauratiecampagne die in 1949 afgesloten werd. De herinrichting liep door tot 1963. Op deze foto uit 1971 is ook de gevlinderde betonvloer van De Bever nog zichtbaar. Herkomst: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort/Documentnummer 149663.

mentatie (de pictografie).4 Daarmee kan men dus nu vooruit.

Verassend genoeg was het gebouw zelf nog nooit onderworpen geweest aan specialistisch onderzoek. In de vakliteratuur wordt de Catharinakerk voortdurend genoemd, maar het belang van dit gebouw met zijn beeldbepalende torenfront ligt kennelijk zo voor de hand dat niemand behoefte heeft aan een monografische studie. Er is weinig toegevoegd sinds de zoon van Cuypers over het ontwerp schreef dat het ‘strijdt met die te Veghel om den voorrang, welke de schoonste schepping zou zijn uit de eerste 25 jaren van ’s bouwmeesters loopbaan!’.5 De door de gemeente gevraagde waardestelling maakte het nodig om hier verandering in te brengen. Een echte wetenschappelijke inhaalslag

kon dit niet zijn, maar er ligt nu wel voor het eerst een meer diepgaand geanalyseerde en beargumenteerde positionering van het gebouw binnen de ambities en het oeuvre van Cuypers.6

De meerwaarde van het archiefonderzoek een jaar later werd duidelijk, toen bleek dat ook deze waardestelling bijgesteld kon worden.7 Het meest verrassende was wel dat de dynamiek achter de schermen zichtbaar werd. Niet alleen kregen we een beeld van al die doorgaans anonieme vakmensen uit de stad zelf (afb. 4), maar ook kwamen onbekende werkzaamheden tevoorschijn. Een kerk ontwerpen is een ding, de bouwplannen realiseren een ander; maar wat vaak vergeten wordt, is wat erbij komt kijken om een kerk in stand te houden. Dat kwam nu

optima forma naar voren dankzij de ontsluiting van de stukken waar men normaal niet aan toekomt, zoals de tijdlijn van het project laat zien.8 En dat historische onderhoud vraagt erom verdisconteerd te worden in de restauratieplannen.

Nu het woord tijdlijn is gevallen, is het een goed moment om uit te leggen wat we methodologisch hebben gedaan om greep te krijgen op de bulk aan informatie die tevoorschijn kwam.

Tijdlijn (1858-1963) en onderliggende archiefstukken

Op zich heeft een tijdlijn of kroniek niets revolutionairs, maar omdat het zo’n tijdrovend werk is – dat wil zeggen als je ook de bronnen vermeldt en kritisch controleert

22 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Foto G.J. Dukker (1971).

– is het een pittige klus. En wat voor archiefonderzoek geldt, geldt ook voor de tijdlijn: alles wat arbeidsintensief is, is eigenlijk onbetaalbaar. In dit geval heeft de tijdlijn geen bijrol, maar staat hij centraal. Het laat zich echter raden dat ruim 350 ingevoerde dataregels wat veel van het goede zou zijn voor een artikel in een vakblad, dus dat hebben we opgelost door dit elementaire stukje gereedschap online te zetten via deze link: VanHH.org/?p=18946. Daar staat ook de instructie voor het downloaden.9

Hoe hebben we de ontsluiting eigenlijk aangepakt? Ook dat is niet zo revolutionair. De meeste inventarissen staan tegenwoordig online. Dat geldt ook voor het parochiearchief van de Catharinakerk en voor de archieven van de gemeente zelf, die te vinden zijn via Archieven.nl en fysiek bewaard worden in het Regionaal Historisch Centrum in Eindhoven (RHCe). De

belangrijkste bron die we doorgevlooid hebben, kan vaak in het onderzoek niet meegenomen worden, omdat – het woord zal niet voor de laatste keer vallen – dit werk te arbeidsintensief is. Het betreft de notulen van het kerkbestuur, waar we hierna nog op terugkomen (afb. 5). Hiervan zijn foto’s en – dankzij een genereus aanbod van het RHCe – scans gemaakt, evenals van de overige relevante stukken.

Nu is het een ding om gegevens over te brengen naar een spreadsheet en een ander ding om de herleidbaarheid te bewaken. De notulen vormen zo’n bulk aan materiaal dat alleen het vermelden van de datum van de bewuste vergadering onvoldoende was voor een effectieve bronverwijzing. Dat hebben we opgelost door de foto’s in pdf-bestanden om te zetten en deze door middel van de commentaarfunctie in Adobe toegankelijk te maken. Kort gezegd komt het erop neer

dat het item in de tijdlijn een kopie is van de tekst in het commentaar, waarbij door middel van de aanduiding PDFp. naar de vindplaats in het bestand verwezen wordt. Dit was niet alleen nodig omdat de notulen geen paginanummering hebben, maar ook omdat we verschillende inventarisnummers met losse stukken gebundeld hebben in een pdf. Een mooi voorbeeld is nummer 398 in het parochiearchief met stukken inzake de bouw en de inrichting (1868/1863-1869) (zie afb. 2, 6 en 10).10 In de bronnenlijst worden deze bestanden gekenmerkt met het woord ‘ontsloten’. Overigens moet met nadruk vermeld worden dat het bij dit werk niet gaat om professionele reproducties. De foto’s zijn in een hoog tempo met de hand gemaakt, waardoor – zeker als de inkt vervaagd was – de kwaliteit hier en daar minder is.

Om zo dicht mogelijk bij de bron te blij-

23 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
4 - Register van de betrokken ambachtslieden bij de bouw en het eerste onderhoud van de Catharinakerk. Aan de hand hiervan konden verschillende werkzaamheden thuisgebracht worden. Herkomst zie Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm: i.n. 402. Foto Marij Coenen 2021; bewerking Wolthera.info.

van bouw-, herstel en onderhoudsactiviteiten bleken de notulen van het kerkbestuur te zijn! Intussen bood ook het kasboekje van de kosten van het nieuwe kerkgebouw een schat aan informatie. Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoektermen: i.n. 102(a) en i.n. 403.

verouderde spelling, interpunctie, verschrijvingen en hoofdlettergebruik. Het staat je vrij om de citaten over te nemen, maar wel onder dit voorbehoud. Wil je ze gebruiken in publicaties, dan zal het nodig zijn om ze te vergelijken met de originele teksten in de pdf’s.

Uiteraard zijn er ook stukken van na de opmars van de typemachine in het administratieve verkeer. Hoewel dat in Nederland eind negentiende eeuw gebeurde, komen getypte stukken pas vrij laat in het interbellum voor. Deze zijn met de app van Acrobat vanuit de foto’s in OCR omgezet. Ze zijn dus redelijk doorzoekbaar, tenzij er sprake is van doorslagen of een te vage tekst als gevolg van een bijna kaal typelint. Deze bestanden worden in de bronnenlijst aangeduid met ‘OCR’.

Het voorliggende onderzoek is niet uitputtend, ook al zou je dat gezien de omvang van de tijdlijn in het spreadsheet wel verwachten. Er liggen dozen vol archivalia op het RHCe en bij de architecten De Bever die vanaf het begin van de twintigste eeuw bij de kerk betrokken zijn. Toen maakte de schoonvader van Kees de Bever, Louis Kooken, zijn entree. Noodzakelijkerwijs moest een selectie gemaakt worden om te voorkomen dat dit project een never ending story zou worden. Wat dat betreft spreekt de tijdlijn boekdelen. Veel lezers zullen verbaasd zijn dat er zoveel meldingen te vinden zijn over de Catharinakerk; en vooral niet te vergeten over de actoren die de kerk door de eeuwen heen hebben gemaakt tot wat zij nu is: variërend van de pastoor-deken en zijn kerkbestuur, de architecten, aannemers, ateliers, ambachtslieden en bouwvakkers tot de individuele kerkmeesters die belast waren met het toezicht op het gebouw (afb. 6 en 7).

6 - Het tekent de actieve betrokkenheid van de kerkmeesters H. Van Mierlo en W.T. Hermans bij de bouw van de Catharinakerk dat opzichter en architect Bolsius samen van hen het meerwerk van het metselwerk berekende. In dit archiefnummer (i.n. 398) bevinden zich meer interessante rekeningen en notities. Herkomst zie Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm: meerwerk.

ven – zodat het toenmalige jargon met betrekking tot materialen en toepassingen zichtbaar wordt – is zeer regelmatig gebruik

gemaakt van citaten uit de originele teksten. Bij de weergave daarvan kunnen fouten ingeslopen zijn, onder meer op het gebied van

De tijdlijn geeft dan ook een mooi beeld van hoe zorgzaam er omgegaan is met de Catharinakerk. Bij het onderhoud waren vaste architecten betrokken, waardoor tijdig werd gehandeld als de staat van het gebouw daarom vroeg. Met name de torens zijn prominent aanwezig in de notulen van het kerkbestuur.

Surfen aan de hand van trefwoorden Laten we eens afvinken wat we tot dusver hebben gehad:

• De pdf’s van de stukken die ontsloten zijn met de commentaarfunctie.

• De pdf’s van de getypte stukken die via

24 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
5 - De belangrijkste bron voor het achterhalen
Foto’s Marij Coenen 2021; bewerking Wolthera.info.
Foto’s Marij Coenen 2021; bewerking Wolthera.info.

7 - Koperen gedenkplaat tegen de achterzijde van het hoogaltaar met de leidende actoren van de nieuwbouw. Wat verraste is de grote mate aan professionaliteit: het is niet bekend of dit vaak gebeurde, maar uit het kerkbestuur werd een bouwcommissie gevormd die beslissingsbevoegdheid had. De commissie hield de architect kort, soms ook te kort, zoals blijkt bij het afwijken van het oorspronkelijke bestek (zie deel 2 van dit artikel).

OCR redelijk toegankelijk zijn.

• De tijdlijn met ruim 350 regels aan ingevoerde data.

Hebben we nu alles gehad? Nee, want met alleen het doorzoekbaar maken van archivalia ben je er nog niet. Natuurlijk kun je op eigen houtje door de tijdlijn surfen, maar wil je uitkomen bij het doel van dit onderzoek, namelijk inzicht in materialen en werkzaamheden, dan is een lijstje van zoektermen onmisbaar.

Voor het traceren van de informatie kan gezocht worden met de volgende zoektermen:

• lei, leij, leien, leijen, dak, dakbedekking, torens;

• koper, lood, loden, ijzer;

• steen (omvat alle soorten natuur- en metselsteen), blauwe steen, witte steen, hardsteen, steenhouwerswerk, vloer, tegels, orn > (ornament, ornement), beeld > (beeld, beeldhouwwerk, beeldhouwerk, beelden), altaar, altaren;

• hout (vrijwel geen specifieke treffers);

• gla > (glas, glazen, gebrandschilderd glas, glas in lood). Waar ramen of raam staat is #glas toegevoegd;

• schilderwerk, verf, verw, waterglas, glaswater, poly > (polychromie, polychromeren, polychromeeren), poli > (polichromeeren, poligrammeren et cetera), buitenpolychromie.

Niet alleen moet je weten waar je specifiek op kunt zoeken, maar ook wat buiten beschouwing is gelaten. Dat laatste geldt voor de volgende zaken, behalve:

• indien het gaat om bijzondere of zeldzame dingen;

• als het betreffende item deel uitmaakt van een groter geheel;

• zaken die bij het waardenstellend onderzoek11 uit 2020 vragen opriepen (met name de functie van wat nu de Catharinakapel heet en de catechismusruimte (-kamer));

• om de context van de zorg voor het onroerend goed aan te geven (zoals bijvoorbeeld de opdrachten van het kerkbestuur aan Louis Kooken en Kees de Bever).

Deze uitzonderingen daargelaten, bevat de tijdlijn géén informatie over de volgende onderdelen:

• orgel, klokken, uurwerk, carillon;

• liturgische voorwerpen, edelsmeedkunst;

• begraafplaats;

• kerkbanken;

• pastorie, kerkplein, Bondsgebouw (R.K. Volksbond), Jongenspatronaat, hekwerk, muren.

Betrokken architecten, pastoor-dekens, kerkmeesters, aannemers en enkele ambachtslieden

Ontsluiten betekent in onze ogen ook dat je frequent voorkomende personen en bedrijven introduceert. Met namedropping alleen beperk je de toegankelijkheid, terwijl het om dat laatste nu net te doen was.

• Baijens | Volgens het register voor werkzaamheden (1867-1888) is J.L. Baijens vanaf 1857 – dus nog ten tijde van de oude kerk – stelselmatig bij de Catharinakerk betrokken als schilder.

25 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Foto Don Rackham, 2021.

8 - Gelukkig zijn er nog een paar mooie trifolias over van beeldhouwer H.B. Barette, die ontworpen waren door opzichter/architect A.C. Bolsius. In het triforium van schip, transept en kooromgang werden deze gecombineerd met in zandsteen uitgekapte gordijnen (zie afb. 9). Opvallend is de terughoudende polychromie met rood en zeer bescheiden groen.

Het bedrijf wordt tenminste vanaf 1873 (na zijn dood?) door zijn vrouw voortgezet onder de naam van Wed. J. Baijens.12 In het register wordt verder een L. Baijens vermeld (1879-1886) die vooral werkzaam is op het kerkhof en Theod. Baijens (1885), met achter zijn naam L. zo (zoon van L. Baijens?). Bij de rekeningen van Baijens (en de Haan) staat ook de post ‘verfstof’.13 De firma Baijens heeft een belangrijke rol gehad in de polychromie van de kerk en had een niveau dat zich kon meten met Cuypers & Stoltzenberg.14 Juist over dit type actoren is in de vakliteratuur nog veel te weinig bekend, zoals we hebben ervaren bij het schrijven van De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke kunst in het interbellum 15

• Barette, Hubert Joseph (1826-1868).16 | Beeldhouwer (afb. 8). Na zijn dood werd het bedrijf voortgezet als Kever-Barette. Hij werkte van 1852 tot 1860 voor Cuypers & Stoltzenberg, onder meer aan de Laurentiuskerk in Alkmaar, en vestigde zich vervolgens in Eindhoven. Hier raakte hij, vermoedelijk door zijn relatie met opzichter A.C. Bolsius, betrokken bij de Catharinakerk. Hij zorgde met name voor de bouwsculptuur, zoals fleurons, crochets op de ezelsruggen, kapitelen aan de portalen en de gargouilles. Ook voor de binnenkant maakte hij de kapitelen. Het meest bijzonder waren de ajour reliëfs in de blindraamharnassen, vergelijkbaar met die in Veghel en Alkmaar: in 1864 vond een speciale vergadering plaats ‘om te beraadslagen over digtzetten der triforiums […]’. De voorzitter geeft aan dat ‘De Heer Barette die wil vullen met Zandsteen, bekapt met figuur volgens teekening van den Opzigter Bolsius’. Het gaat om 69 panelen die ajour uitgevoerd worden en in de notulen van het kerkbestuur ook wel betiteld worden als trifolias. Bolsius staat hierbij als opzichter vermeld, maar in de marge staat in potlood architect. Voor zover bekend is de Catharinakerk het enige voorbeeld, waar de trifolias gecombineerd worden met ‘zandstenen gordijnen’ (afb. 9).17

9 - Detail van een historische foto met het triforium van de Catharinakerk. De blindnissen zijn gevuld met trifolias en zandstenen gordijntjes (zie afb. 8). Voor zover tot nu toe bekend is dit een eenmalige exercitie in de gebouwen van Cuypers. Hoewel ze waarschijnlijk voor het gros nog intact waren is deze sculptuur onder Kees de Bever na de oorlog verwijderd. Herkomst: Joseph Cuypers, Het werk van dr. P.J.H. Cuypers, 1827-1917.

• Bever, Kees (C.H.) de (1897-1965).18 | Architect voor de gedeeltelijke herbouw en restauratie na 1945 en voorts voor onderhoud en restauratie (en nieuwbouw) van de overige opstallen van de Catharinaparochie.

• Bolsius, Antoon Cornelius (1839-1874).19

26 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Foto Don Rackham, 2021. Fotograaf onbekend, circa 1917.

| Medewerker van Cuypers en opzichter van de nieuwbouw van de Catharinakerk. Delen van de ornamenten zijn door hem ontworpen, waaronder de trifolias. Zie hierboven het gestelde onder Barette.

• Booms, Jan senior, Willem (afb. 10), Jan junior en Henri | Van de familie Booms zijn liefst drie generaties en vier leden actief betrokken geweest bij de nieuwbouw en het onderhoud van de Catharinakerk en de aanpalende/bijhorende gebouwen van de parochie:

• Joannes of Jan Booms senior (1789-circa 1868) was van beroep metselaar, maar ontwikkelde zich tot aannemer.

• Zijn zoon Willem (Wilhelmus Hendrikus, 1847-1897) was zowel architect als aannemer, geen ongebruikelijke combinatie tot ver in de twintigste eeuw. Als aannemer profileerde hij zich als vertegenwoordiger van de firma J. Booms & Zoon, tenminste vanaf 1868 . Hij wordt na zijn dood in 1897 door het kerkbestuur vermeld als ‘vroeger architect der kerk’.20

• Jan (Jozef Pieter) Booms (junior) (*1880), heeft waarschijnlijk samen met een broer of neef, Henri (+1915), de aannemerij voortgezet. De betrokkenheid bij de Catharinakerk eindigt met de dood van de laatste in 1915. In dat jaar is Jan Booms junior naast de aannemerij met een handel in bouwmaterialen gestart. Dit leidt in 1919 tot de “Hanze-Inkoop Vereniging voor Aannemers” (HIVA) die hij samen met enkele andere ondernemers in Eindhoven oprichtte.21

• Cuypers, Pierre J.H. (1827-1921) | Architect van de kerk. Na de voltooiing van de bouw en de inrichting werd hij in een aantal gevallen nog om advies gevraagd.22

• Damen, Andreas | 6 jun. 1902 is Andreas Damen benoemd tot pastoor-deken van de Catharinakerk. Hij overleed op 5 juni 1922, vermoedelijk na een ziekbed dat het hem onmogelijk maakte om nog te functioneren, want een paar dagen eerder werd zijn opvolger benoemd.23

• Groof, Henri de| De Groof was penningmeester vanaf 1916 tot 1951. Hij speelt een rol in de financiële afhandeling van de molest/oorlogsschade en de herbouw van de Catharinakerk, ook na 1951.24

• Heezemans, Hubertis Franciscus | Heezemans maakt als pastoor-deken van de Catharinakerk zijn entree op 6 april

10 - Contractuele verklaring van architect-aannemer Willem H. Booms die in 1868, nadat de kerk nog maar net in gebruik is genomen, als aannemer tekent namens de firma Jan Booms & Zoon voor het plaatsen van nieuwe fleurons of kruisbloemen op de torens en gevels (i.n. 398). Van dit Eindhovense familiebedrijf was niet bekend dat ze bij de Catharinakerk betrokken was. Herkomst zie Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekfrase: fleurons met W.H. Booms.

1945. Hij gaat met emeritaat in januari 1960 en overlijdt 26 januari 1964. Net als zijn verre voorganger Van Someren bemoeit hij zich actief met het herstel en de herinrichting van de Catharinakerk, waardoor deze een monument is geworden van hoogwaardige naoorlogse kerkelijke kunst.25

• Hermans, A.P. (Toon) | Edelsmid en kerkmeester (1822-1897). Toon Hermans ontwikkelde zich tot een persoonlijke vriend van de architecten Pierre en Joseph Cuypers en woonde vanaf 1880 in een pand ontworpen door Cuypers aan de Keizersgracht te Eindhoven. Ook hij heeft een groot aantal schenkingen gedaan ten behoeve van de aankleding van de Catharinakerk.26 Toon Hermans zou als kerkmeester tot zijn dood de zorg op zich nemen voor het kerkgebouw en zijn inrichting.27

• Hermans, Willem T. | Willem T. Her-

mans was samen met zijn broer A.P. (Toon) Hermans edelsmid. Willem Hermans was lid van de bouwcommissie die namens het kerkbestuur de leiding had over de nieuwbouw van de kerk. Hermans heeft een groot aantal schenkingen gedaan ten behoeve van de inrichting van de nieuwe kerk.28

• Iersel, pastoor-deken Joannes van | Van Iersel is op 29 juni 1877 benoemd tot pastoor en was vanaf 1888 deken van Eindhoven. Voor die tijd was hij enige jaren als kapelaan bij de Catharinakerk betrokken. Hij overleed op 20 mei 1902.29

• Kaal, Wim J.H. | Kaal (1909-2006) is de eerste pastoor-deken die niet meer vermeld staat in het Registrum pastorale. Hij was pastoor van 1961 tot 1968 en deken van 1961 tot 1970. Kaal is van niet te onderschatten betekenis geweest voor de plannen ter implementatie van

27 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Foto Marij Coenen 2021; bewerking Wolthera.info.

Foto

11 - Item uit de notulen van het kerkbestuur van 15 mei 1862 (i.n. 102a). In deze vergadering wordt door en met de bouwcommissie van de Catharinakerk het volgende vastgesteld: ‘3. Dat zij [de bouwcommissie] met den aannemer is overeengekomen om de maasleijen thans niet verkrijgbaar, [in het bestek] te vervangen door Engelsche leijen, waarvan hij zal genieten de nog van vroeger voorhanden zijnde nieuwe leijen ad f 108.- en eene bezuiniging op het lood ad 150.-, te zamen f 258.-’. Vervanging moet hier niet gezien worden als letterlijke vervanging (zover was men nog niet met de bouw); het slaat waarschijnlijk op de omschrijving in het bestek. Het tweede deel van de zin lijkt aan te geven dat er al een partij leien lag. Voor de herkomst van de gegevens zie Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekfrase: Engelsche leijen.

nieuwe liturgische inzichten in de kerk, waarmee hij samen met De Bever vooruitliep op Vaticanum II.30

• Kol, Henri van | Schoonzoon van Toon (A.P.) Hermans en als kerkmeester net als Hermans belast met het toezicht op het onderhoud van het gebouw.31

• Kooken, Lodewijk Joseph Petrus ‘Louis’ (1867-1940) | Architect voor onderhoud en restauratie (en nieuwbouw) van de opstallen van de Catharinaparochie. Vanaf 1924 is Kooken tevens kerkmeester.

• Maas, dr. Josephus Michael Maria | Maas treedt op 2 juni 1922 aan als pastoor-deken van de Catharinakerk en neemt afscheid op 1 april 1945. Hij overlijdt kort na het einde van de oorlog op 11 augustus 1946.32

• Someren, pastoor-deken Gerardus Waltherus van | De bouwpastoor van de Catharinakerk is van grote betekenis geweest voor de symboliek, typologie en iconografie van zowel het gebouw als zijn inrichting. Hij ging op 30 juni 1877 met emeritaat. Hij was in 1842 benoemd bij de Catharinakerk. Hij overleed 15 oktober 1888.33

Ga eens in de tijdlijn surfen op de naam van de bovengenoemde personen en laat je verrassen over wat er tevoorschijn komt.

Indeling tijdlijn

De tijdlijn is ingedeeld aan de hand van de betrokken architecten. De enige bij wie we geen precies beginjaar konden vaststellen is Willem Booms, doordat hij zowel als architect en als aannemer werkzaam was voor de parochie. Net zoals bij zijn opvolgers bleef

dat niet beperkt tot de kerk, maar strekte dit zich uit tot de nieuwbouw van panden en bijgebouwen waaronder zeer waarschijnlijk de kaarsenmakerij en de kosterswoning. Onder Kooken en De Bever zou dit een nog hogere vlucht nemen. De Catharinaparochie vulde een substantieel deel van hun orderportefeuille.34

Bij de architecten zijn ook de namen van de pastoor-dekens geplaatst. Niet alleen als hoogste vertegenwoordiger van de kerk in de parochie en het dekenaat, maar ook als voorzitter van het kerkbestuur hadden zij een beslissende rol bij de totstandkoming en het beheer van het kerkgebouw en zijn inrichting. In het geval van Van Someren en Heezemans was die invloed heel groot, omdat zij zich actief bezighielden met het liturgisch en iconografisch programma van kerk en uitmonstering. Daarnaast heeft Kaal met De Bever gewerkt aan een modern liturgisch centrum waarmee hij anticipeerde op de richtlijnen van Vaticanum II (1962-1965).

De indeling van de tijdlijn is dus als volgt:

1. Pierre J.H. Cuypers en Anton C. Bolsius | Pastoor-dekens G.W van Someren (tot 1877) en J. van Iersel.

2. Willem H. Booms/Pierre J.H. Cuypers | Pastoor-dekens J. van Iersel (tot 1902) en A. Damen.

3. Louis J.P. Kooken/Pierre J.H. Cuypers | Pastoor-dekens A. Damen (tot 1922) en Jos M.M. Maas.

4. Kees (C.H.) de Bever | Pastoor-dekens

Jos M.M. Maas (tot 1945), H.F. Heezemans (tot 1960) en W.J.H. Kaal.

Evaluatie en vooruitblik

De voorgaande indeling suggereert dat Cuypers lang betrokken is geweest bij de Catharinakerk. Als architect is zijn werk echter grotendeels gedaan op het moment dat Willem Booms voor het onderhoud van het gebouw aangetrokken wordt (circa 1870). Samen met zijn vader Jan die de sloop van de oude Catharinakerk uitvoerde, vormt deze Eindhovense ondernemer een exponent van een lange traditie in ons land, waarbij het vak van aannemer gecombineerd werd met dat van architect. Dit betekent niet dat de rol van Cuypers na die tijd helemaal uitgespeeld was. Bij een aantal ingrijpende werkzaamheden – waarop we in deel 2 ingaan – trad hij op als adviseur. Het tekent de situatie dat Willem Booms hem daar niet in alle gevallen in volgde.

Daarnaast zou Cuypers nog jaren aan de kerk verdienen dankzij de inrichting die in de kunstwerkplaatsen in Roermond tot stand kwam. Het is fascinerend om door de tijdlijn te scrollen en het ene na het andere object langs te zien komen. Ook hierop komen we in deel 2 van dit artikel terug, waarin enkele markante items en voortschrijdend inzicht centraal staan.

O ja, die leien! Hebben we die nog gevonden? Ja zeker! Kijk maar eens bij afb. 11.

Naschrift

Onze dank gaat uit naar het RHCe voor de hulp bij dit project. Er werd proactief meegedacht en meegewerkt om de juiste informatie naar boven te halen en de stukken toegankelijk te maken. Voorts bedanken we Don Rackham van Res nova Monumenten

28 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
Marij Coenen, 2021.

voor de samenwerking en het ter beschikking stellen van zijn foto’s. Behalve zijn werk en het beeldmateriaal van de gemeente Eindhoven/HNI, vallen de foto’s onder de Creative Commons licentie CC BY-NC-SA en in het geval van de RCE, CC BY-SA; dus onder voorbehoud van naamsvermelding (BY) en/of geen commercieel gebruik (NC).

Dit artikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Wat de archieven kunnen vertellen! De Catharinakerk te Eindhoven, deel 1’. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 16 (2022): 20-29.

De bronnenlijst van deel 1 staat in deel 2.

Noten

1 1867 wordt in de vakliteratuur als einddatum aangehouden, omdat de kerk toen officieel ingewijd werd. Het werk van Cuypers & Stoltzenberg voor de uitmonstering was toen nog lang niet af, zoals gebruikelijk bij kerken. Zie Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm Cuypers.

2 Bronnenlijst, zoekterm Archivalia.

3 Bronnenlijst, zoekterm Rackham.

4 Rackham en Hubar, Catharinakerk Eindhoven, Verklarende beschrijving, deel 2a Tekst; deel 2b Pictografie.

5 Cuypers (pseudoniem TH), Tentoonstelling der werken van Dr. P.J.H. Cuypers (1907), pp. 25-26.

6 Hubar en Rackham, Catharinakerk Eindhoven, Waardenstellend onderzoek, deel 1a Tekst; deel 1b Beeldmateriaal.

7 Tot dusver heeft de gemeente Eindhoven nog geen opdracht gegeven die herziening uit te voeren.

8 Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), www.VanHH.org/?p=18946.

9 Zie de vorige noot.

10 Bronnenlijst, paragraaf: pdf’s van de foto’s van de archiefstukken.

11 Hubar en Rackham, Catharinakerk Eindhoven, Waardenstellend onderzoek, deel 1a Tekst, zoektermen: schatkamer, Sacramentskapel, Catharinakapel, catechismuskamer. Bij dit project was archiefonderzoek uitgesloten vanwege corona.

12 Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm Baijens. In 10068 Par. Cat., i.n. 403 kasboek ‘Uitgaven voor het nieuwe kerkgebouw ([1861] 18631888)’, staat onder 1873: ‘Wed. J. Baij-

ens polychromie der kolommen’. Dit staat in 10068 Par. Cat., i.n. 402 Register voor werkzaamheden door vaklieden en onderhoudsfirma’s, ([1857] 1863-1889) onder de naam van J. Baijens: hij staat op p. 24, waarna onder aan de pagina voor het transport verwezen wordt naar p. 30, Wed. J. Baijens.

13 10068 Par. Cat., i.n. 402 Register voor werkzaamheden door vaklieden en onderhoudsfirma’s, ([1857] 1863-1889), p. 31. 10068 Par. Cat., i.n. 403 kasboek ‘Uitgaven voor het nieuwe kerkgebouw ([1861] 1863-1888)’, p. 5.

14 Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm Baijens, i.h.b. onder 1866.

15 Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), paragraaf 2.5. ‘Het onzichtbare leger van vakschilders’, pp. 72-80.

16 Thoben en Erven, Trotse burgers, Cuypers en de Sint-Catharinakerk, p. 11. Schiphorst, Een toevloed van werk, pp. 129-131; 295.

17 Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm Barette, trifolias. Voor de vergelijking met Veghel en Alkmaar zie: Schiphorst, Een toevloed van werk, pp. 129-131; 295. Ibidem, pp. 229-232: Schiphorst heeft het over ‘trifolia’, maar in Eindhoven wordt heel duidelijk gesproken van ‘trifolias’.

18 Hüsken, ‘Lijst van namen van architecten en architectenbureaus van gebouwen uit de oude stad (binnenstad) Eindhoven’.

19 Thoben en Erven, Trotse burgers, Cuypers en de Sint-Catharinakerk, p. 10. Schiphorst, Een toevloed van werk, pp. 72, 75, 184, 188, 217, 254, 296.

20 Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), 22 juni 1898, i.n. 103(a) Notulen kerkbestuur (1894-1968), PDFp. 25. Voor het oeuvre van Willem Booms zie Hüsken, ‘Lijst van namen van architecten en architectenbureaus van gebouwen uit de oude stad (binnenstad) Eindhoven’.

21 Hüsken, ‘NV HIVA, Booms Bouwmaterialenhandel’. Delpher | Eindhovensch dagblad. ‘Jan Booms Eindhoven’ (1915). Delpher | Eindhovensch dagblad. ‘NIEUWS UIT EINDHOVEN Hanze-inkoopvereeniging voor aannemers’ (1919).

22 Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm Cuypers.

23 10068 Par. Cat., i.n. 1 (a-d) Registrum pastorale, p. 131.

24 10068 Par. Cat., in het bijzonder i.n 107. Voorts ibidem, i.n. 405-406!

25 10068 Par. Cat., i.n. 1 (a-d) Registrum pastorale, p. 131. Zie voorts ‘Dekens St. Catharinakerk’; enkele jaartallen in dit lemma stemmen niet overeen met die in het Registrum memoriale. Hubar en Rackham, Catharinakerk Eindhoven, Waardenstellend onderzoek, deel 1a Tekst, zoekterm Van Someren.

26 Thoben en Erven, Trotse burgers, Cuypers en de Sint-Catharinakerk, pp. 5, 7, 10, 11, 15, 17, 18, 19, 21, 24, 63. Van Leeuwen, Pierre Cuypers, architect, pp. 54, 208, 295.

27 Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm Hermans.

28 Zie de vorige noot. Thoben en Erven, Trotse burgers, Cuypers en de Sint-Catharinakerk, pp. 5, 7, 10, 15, 21, 63.

29 10068 Par. Cat., i.n. 1 (a-d) Registrum pastorale, p. 131.

30 ‘Dekens St. Catharinakerk’. Voorts Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm Kaal. Voor Vaticanum II zie het informatieve lemma op Wikipedia (zie bronnenlijst onder #Vaticanum).

31 Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoekterm Kol. Thoben en Erven, Trotse burgers, Cuypers en de Sint-Catharinakerk, p. 18.

32 10068 Par. Cat., i.n. 1 (a-d) Registrum pastorale, p. 131. Zie voorts ‘Dekens St. Catharinakerk’; enkele jaartallen in dit lemma stemmen niet overeen met die in het Registrum memoriale.

33 Zie de vorige noot. Hubar en Rackham, Catharinakerk Eindhoven, Waardenstellend onderzoek, deel 1a Tekst, zoekterm Van Someren.

34 Hubar en Coenen, ‘Spreadsheet tijdlijn’ (2022), zoektermen Booms (tussen 1870 en 1897), Kooken en De Bever.

29 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022

100 jaar Adventskerk. Vast ankerpunt in een veranderd Alphen aan den Rijn.

AUTEURS

Ria Langeveld-Turkenburg, Hans Lefeber, Arjan van ’t Riet, Marina Kapteyn UITGAVE

Matrijs i.s.m. Stichting Vrienden van de Aventskerk

DETAILS

Gebonden, 128 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-5345-593-7

PRIJS € 24,95

In1916 schrok Alphen aan den Rijn op door een grote brand die in minder dan een uur tijd de kerk van de Hervormde Gemeente volledig verwoestte. Het kerkgebouw was onbruikbaar geworden en de muren die gevaar opleverden werden nog diezelfde middag omgehaald. De brand viel midden in de Eerste Wereldoorlog, wat ook in het neutrale Nederland tot materiaalschaarste en hoge prijzen leidde. De herbouw van de kerk kwam dan ook pas na de oorlog op gang. In 1922 vond de kerkelijke gemeente haar thuis in de nieuwe Adventskerk.

De kerk van de Hervormde Gemeente van Alphen aan den Rijn heeft een rijke geschiedenis, één van vernieuwing en modernisering in een constant veranderende samenleving. De kerk werd geconfronteerd met oorlog en vervolgens de wederopbouw. Tijdens de wederopbouw breidde de stad fors uit, waardoor het moderne kerkgebouw met zijn 40 meter hoge toren steeds meer ingeklemd werd in de snel groeiende omgeving. In de decennia daarna kreeg de kerk te maken met ontzuiling, ontkerkelijking en verstedelijking. Rond 2007 besloot de kerkenraad van de Adventskerk om meer naar buiten te treden, om zo de inwoners van Alphen aan den Rijn meer bij de Adventskerk te betrekken. Sindsdien is de kerk regelmatig opengesteld en worden er concerten en andere activiteiten georganiseerd. Hierdoor is de Adventskerk niet alleen het middelpunt van de nog altijd bloeiende kerkelijke gemeente, maar vervult deze ook een belangrijke rol als middelpunt van Alphen aan den Rijn.

‘100 jaar Adventskerk. Vast ankerpunt in een veranderend Alphen aan den Rijn’ vertelt over de geschiedenis, het gebouw en de gemeenschap van de Adventskerk, van de ingebruikname van het gebouw in 1922 tot nu. n

Historische atlas van Antwerpen –Stad van droom en daad.

AUTEURS

Ilja van Damme, Hilde Greefs, Iason Jongepier, Tim Soens

UITGAVE

THOTH m.m.v. GIStorical Antwerp

DETAILS

Gebonden, 80 pagina’s, rijk geïllustreerd met 150 afbeeldingen in kleur, ISBN: 978-90-6868-834-4

PRIJS € 24,95

Antwerpen

ontwikkelde zich in de vijftiende en zestiende eeuw tot draaischijf van de Europese handel. Dat ging gepaard met grote stedenbouwkundige ambities die echter maar gedeeltelijk konden worden waargemaakt. Rond 1700 kromp de stad zelfs binnen haar omwalling. In de negentiende en twintigste eeuw leefde de haven op en zorgde industrialisatie voor nieuwe groei. Er kwamen nieuwe havendokken, de binnenstad werd gemoderniseerd en de voorsteden werden geïntegreerd in het stedelijke weefsel. Opnieuw bleken de plannen, zoals die voor de Linkeroever, grootser dan de eigenlijke uitvoering.

Aan de hand van kaarten, prenten en foto’s biedt de ‘Historische Atlas van Antwerpen’ inzicht in de ontwikkeling van de

stedelijke ruimte zoals deze werd uitgetekend door overheden, kunstenaars, plannenmakers en bewoners. Via innovatieve digitale GIS-analyses worden onvermoede ruimtelijk verbanden en patronen aan het licht gebracht.

De lezer wordt meegenomen vanaf het ontstaan van de burcht, het oude hart van de stad, via de zestiende-eeuwse hoogtijdagen, wordt de lezer meegenomen tot aan de steeds snellere transformaties in de naoorlogse periode. De bouw van kerken, kades en dokken, handelshuizen, pleinen en stadspaleizen, wordt ontleed in verhalen die evenveel vertellen over de gewenste als over de verwezenlijkte stad, en die bepalend zijn voor de verdere uitbouw van Antwerpen in de eenentwintigste eeuw. n

30 recent VERSCHENEN VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022

Nederland Blijvend in Verandering.

AUTEUR Jolanda Bos UITGAVE

Blikveld Uitgevers i.s.m. RCE DETAILS

Gebonden, 364 pagina’s, ISBN: 978-94-9294-025-4

PRIJS € 24,95

Nederland is blijvend in verandering. Ons land dankt haar huidige vorm aan grote Europese rivieren die vanuit het achterland ons land bereiken, aan de zeeën die ons omgeven, aan het landijs dat het land opstuwde en aan de ondergrond van ons land. Het huidige Nederland is een stapeling van verleden landschappen die onze omgeving hebben gemaakt tot wat die nu is. De aanblik van het landschap nu heeft ook alles te maken met wat mensen er in het verleden mee gedaan hebben. Je kunt zeggen dat het land en de mensen die er woonden in hun samenspel een geheel eigen karakter en identiteit hebben ontwikkeld, alsof hun lot verbonden was. Inventief, met hun gebruikelijk pragmatisme en ondernemerszin, grepen de inwoners van ons land in het verleden al naar hun gereedschap en wierpen dijken op, ontgonnen natte

gebieden en creëerden nieuw land. Op die manier onderhandelden ze met het land en het water, waar de grenzen zouden liggen van hun leefwereld.

In dit boek geven we een brede kijk op het diverse en contrastrijke Nederlandse landschap door de eeuwen heen. We beschrijven in detail de ontstaansgeschiedenis en de karakterisering van de verschillende landschappen die Nederland rijk is. Het boek begeleidt je door de veranderingen heen en geeft een perspectief op de toekomst. Want Nederland is nooit af en we moeten nog heel wat ondernemen willen we, opnieuw, aan alle behoeften van Nederlanders in de 21e eeuw tegemoetkomen. n

AUTEUR

Sigrid van Roode UITGAVE

Blikveld Uitgevers i.s.m. Gemeente Apeldoorn, Provincie Gelderland en CODA

DETAILS

Paperback, 96 pagina’s, ISBN: 978-94-9294-011-7

PRIJS € 9,95

Sieraden zijn van alle tijden. Halskettingen, armbanden en kledingspelden laten zien wat mensen in het verleden mooi vonden en hoe ze zich graag presenteerden. Sieraden vertellen ook verhalen: over handelsnetwerken, culturele contacten, sociale status en (bij)geloof. Modetrends, designerstukken en goedkopere namaak komen ook al eeuwen voor. Dit boek gaat over die verhalen. Aan de hand van sieraden die in Gelderland zijn opgegraven, laten we zien wat een sieraad aan betekenissen had, voor de drager én voor de archeologen die er nu onderzoek naar doen. Van een 10.000 jaar oud stenen hangertje uit Zutphen

tot een geluksbedeltje van een neergestorte Duitse piloot uit Apeldoorn, van de schitterende bronzen halsringen uit Uddel tot een ingetogen rouwcollier uit Arnhem, verloren, weggegooid of begraven: ieder sieraad voegt weer iets toe aan de manier waarop we naar het verleden kijken. Daarbij komen niet alleen sieraden zelf aan bod, maar ook de manier waarop archeologen onderzoek doen en aan al die stukken uiteindelijk hun geheimen ontfutselen. n

31 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022 recent VERSCHENEN
Geheimen uit Gelderse bodem.

De schilders van de Vechtstreek.

AUTEUR Jaap Versteegh UITGAVE

WBooks i.s.m. Vechtstreekmuseum

DETAILS

Gebonden, 240 pagina’s, rijk geïllustreerd met 200 afbeeldingen in kleur, ISBN: 978-94-6258-495-2

PRIJS € 24,95

Derivier de Vecht, die loopt van Utrecht naar Muiden, weerspiegelt al eeuwen zowel de schoonheid van de natuur als de rijkdom van de Hollandse cultuur uit het verleden. Vooral in de zeventiende en achttiende eeuw vestigden zich hier meerdere rijke families uit Amsterdam en Utrecht. Zij lieten langs de Vecht grote, indrukwekkende buitenplaatsen bouwen, vaak voorzien van lommerrijke tuinen. Dit rijkgeschakeerde landschap trok veel kunstenaars aan die de schoonheid van de Vechtstreek vastlegden in schilderijen, boeken, tekeningen en prenten.

‘De schilders van de Vechtstreek’ geeft een uitgebreid overzicht van deze kunstwerken en plaatst ze in een brede kunsthistorische context, waarbij allerlei wetenswaardigheden over zowel de kunstenaars als de locaties aan de orde komen. n

AUTEURS

Maurits de Hoog, Anouk de Wit

UITGAVE

THOTH i.s.m. Van Eesterenmuseum

DETAILS

Paperback, 288 pagina’s, rijk geïllustreerd met 350 afbeeldingen in kleur, ISBN: 978-90-6868-849-8

PRIJS € 24,95

De reis van de mensheid. Wat onze genen zeggen over ons verleden en onze

AUTEUR

Johannes Krause, Thomas Trappe

UITGAVE

Nieuw Amsterdam

DETAILS

Gebonden, 336 pagina’s, ISBN: 978-90-4682-999-8

PRIJS € 24,99

In evolutionaire termen heeft de moderne mens binnen no time een stormachtige opkomst gemaakt. In slechts een paar millennia hebben wij continenten veroverd, de Noord-

Inde Westelijke Tuinsteden in Amsterdam is een onwaarschijnlijke vernieuwingsoperatie uitgevoerd. Tussen 2000 en 2021 zijn meer dan 25.000 woningen nieuwgebouwd, gerenoveerd of getransformeerd.

Dat is vergelijkbaar met wat in dezelfde periode in Leidsche Rijn in Utrecht gebouwd is – de grootste vinex-locatie van Nederland. Nieuwe scholen, broedplaatsen, hotels, winkels en horeca maakten de tuinsteden bovendien tot een completere, gemengde stad. Dat zie je ook in de superdiverse bevolking naar culturele achtergrond, inkomen en opleiding.

‘SuperWest 2000-2021’ documenteert de 297 bouwprojecten, met een accent op de 22 prijswinnaars, en reflecteert op het resultaat. n

pool en de woestijn doorkruist, flora en fauna onderworpen en grenzen beslecht. De laatste jaren worden we geconfronteerd met de gevolgen van onze expansiedrift, nu natuurlijke grondstoffen uitgeput raken en klimaatverandering ons bedreigt. Komen we ook deze crisis weer te boven?

Johannes Krause en Thomas Trappe vertellen over de ongelofelijke reis van de mensheid, over fatale tegenslagen en de triomfen van een paar bevolkingsgroepen. De bestsellerauteurs laten op basis van de nieuwste wetenschappelijke inzichten zien hoe wij in het verleden het hoofd wisten te bieden aan oorlogen, pandemieën en migratie, en welke gevaren schuilgaan achter de ongebreidelde macht van de mens.

‘De meest inspirerende antwoorden op de grote vragen van deze tijd worden gegeven door archeogenetici zoals Johannes Krause ’Neue Zürcher Zeitung’ n

32 recent VERSCHENEN VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022
SuperWest 2000-2021 – Vernieuwing van de Amsterdamse tuinsteden. toekomst.

Breuken in het land van Peel en Maas.

AUTEURS

Ronald van Balen e.a.

UITGAVE

Matrijs i.s.m. Geopark Peelhorst en Maasvallei

DETAILS

Gebonden, 176 pagina’s, geïllustreerd, ISBN: 978-90-5345-579-1

PRIJS

€ 29,95

Opde grens van de provincies Noord- Brabant en Limburg ligt de Peel. Deze landstreek was ooit een omvangrijk hoogveengebied dat zich uitstrekte van Weert in het zuiden tot het vestingstadje Grave aan de Maas in het noorden. Aan de westkant van de Peel ligt de Peelrandbreuk, een geologische breuklijn die van zuidoost naar noordwest loopt. Dit voor Nederland unieke geologische fenomeen heeft grote invloed gehad op de waterhuishouding, de natuur en het cultuurlandschap in de grensstreek van Noord-Brabant en Limburg.

Breuken in het land van Peel en Maas. Veldgids.

AUTEUR

Nico Ettema UITGAVE

Matrijs i.s.m. Geopark Peelhorst en Maasvallei DETAILS

Gebonden, 152 pagina’s, geïllustreerd, ISBN: 978-90-5345-588-3

PRIJS € 19,95

Inde provincies Noord-Brabant en Limburg vindt men een voor Nederland uniek geologisch fenomeen: de Peelrandbreuk en Tegelenbreuk. Deze breuklijnen lopen, min of meer parallel aan elkaar, van zuidoost naar noordwest. De breuklijnen, die in feite meer uit breukzones met parallelle breuken

De breukzone in de aardkorst veroorzaakt hoogteverschillen in het landschap, natuurlijke aardbevingen, ijzerrijk kwelwater en moerassige omstandigheden in hooggelegen terreinen, de zogenoemde wijst. De geologie van de Peelrandbreukzone is in grote mate bepalend geweest voor het ontstaan van het unieke landschap. In deze smalle strook is een grote diversiteit aan planten en bomen te vinden. Het landschap en de bijzondere plantenwereld van de wijstgronden trekken ook veel diersoorten aan, variërend van libellen en vlinders tot zoogdieren zoals de woelmuis en waterrat.

Tot het begin van de vorige eeuw had niemand echt kennis van de oorzaak van de verschijnselen van de breuken, maar toch werd er door de mens op allerlei manieren gebruik van gemaakt. Het kwelwater werd benut voor watermolens en beschermende grachten rond hoeves en kastelen en veen, zand, grind, leem en ijzeroer werden gewonnen. Ook was de Peel eeuwenlang een grensgebied, waar de breuk ook door streektaal en volksgebruiken liep. In deze landschapsbiografie wordt de invloed van de breuken tot de bodem uitgezocht om het onzichtbare zichtbaar te maken. n

en vertakkingen bestaan, hebben grote invloed gehad op de waterhuishouding, de natuur en het cultuurlandschap in deze streek.

De breuken zorgen voor hoogteverschillen in het landschap, natuurlijke aardbevingen, ijzerrijk kwelwater en moerassige omstandigheden in hooggelegen terreinen, de zogenoemde wijst. Deze voor Nederland unieke omstandigheden zorgen voor een grote diversiteit aan planten en dieren, van dotterbloem tot glanshaver en van heikikker tot hermelijn. Wanneer de breuken zich op het eerste gezicht niet laten zien, wijzen deze planten en dieren vaak toch op hun ondergrondse aanwezigheid.

Deze veldgids neemt de lezer mee langs de bijzondere landschappen, flora en fauna van de ‘wijstgronden’ van NoordBrabant en Limburg. Aan de hand van vele foto’s en kaarten kunnen bewoners en bezoekers deze unieke streek, die zo gevormd is door de breuken, uitgebreid ontdekken. n

Architecten van Hilversum 3: Wederopbouw en ruimtelijke ordening (1940-1975)

AUTEUR

Arie den Dikken, Max Cramer e.a. (red.)

UITGAVE

Verloren

DETAILS

Gebonden, 272 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN: 978-90-8704-966-9

PRIJS € 30,-

Hilversum wordt vaak aangeduid als het mekka van de jonge Bouwkunst in Nederland. Tien jaar lang hebben zeven specialisten onderzoek gedaan naar zo’n vijftig architecten die in Hilversum hebben gewoond en gewerkt.

In deel 3 van de 4-delige reeks komt de periode 1940-1975 aan bod. De naoorlogse wederopbouw bracht ruimtelijke ordening op een niet eerder vertoonde schaal voort. n

33 VITRUVIUS NUMMER 61 OKTOBER 2022 recent VERSCHENEN

Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius

Steeds meer gemeenten zetten zich actief in voor hun eigen cultuurhistorie, monumenten, musea, bodemvondsten en ander erfgoed. Erfgoed spreekt inwoners aan: talloze vrijwilligers zetten zich in voor het behoud van een monument, of zijn actief in een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel van locale identiteit. Erfgoed leeft!

Steeds meer gemeenten zetten zich actief in voor hun eigen cultuurhistorie, monumenten, musea, bodemvondsten en ander erfgoed. Erfgoed spreekt inwoners aan: talloze vrijwilligers zetten zich in voor het behoud van een monument, of zijn actief in een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel van locale identiteit. Erfgoed leeft!

Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met een ‘special’. Informeer naar de plaatsingsmogelijkheden.

Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl

Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele doeleinden. Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl

Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Nog geen abonnee? STEUN DE KENNISOVERDRACHT- EN VERSPREIDING OVER ONS CULTUREEL ERFGOED
www.uitgeverijeducom.nl
Word abonnee en ontvang Vitruvius 4x per jaar digitaal. Voor tarieven zie Colofon elders in dit nummer.
Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.