Vitruvius juli 2022

Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR JAARGANG 15 | NUMMER 60 | JULI 2022 HELPENDE HANDEN VOOR KASTEEL BORGHAREN KONINKLIJK EISE EISINGAPLANETARIUM IN FRANEKER UNESCO-WERELDERFGOED? DEEL 1: OMSCHRIJVING EN PROCES
NOUVEAU IN NEDERLAND. ARCHITECTUUR ROND 1900
ART

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special

Informeer naar de vele mogelijkheden? Stuur een e-mail met uw vragen en wensen naar: info@uitgeverijeducom.nl

COLOFON

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

DIGITAAL ABONNEMENT

Digitaal abonnement (4 nrs./p.jr.)

Particulier EUR 50,- (incl. btw)

Bedrijfsabonnement EUR 60,- (excl. btw)

REDACTIE

Blijdenstijn, R. Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H.

Niemeijer, drs. A.F.J.

Verschuure-Stuip, Mw. dr. ir. G.A. Vreeze, dr. ir. N. de

FREQUENTE BIJDRAGEN

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M. en Coenen, Mw. M.

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam

Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

© Copyrights Uitgeverij Educom, Juli 2022, ISSN 1874-5008.

Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN: Uitgeverij Educom | Mathenesserlaan 347 | 3023 GB Rotterdam | Tel. 010-425 6544 | info@uitgeverijeducom.nl | www.uitgeverijeducom.nl

ART NOUVEAU IN NEDERLAND.

ARCHITECTUUR ROND 1900

DHR. BÉ LAMBERTS

HELPENDE HANDEN VOOR KASTEEL BORGHAREN

KONINKLIJK EISE EISINGAPLANETARIUM IN FRANEKER UNESCO-WERELDERFGOED?

DEEL 1: OMSCHRIJVING EN PROCES

DHR. DRS. A.F.J. NIEMEIJER

JAARGANG 15 NUM ME R 60 JULI 2022 3 4 20 12
Recent verschenen • 27
MW. DR. B. VAN HELLENBERG HUBAR & MW. M. COENEN

Art Nouveau in Nederland. Architectuur rond 1900

Al enkele decennia mogen de liefhebbers van de Art Nouveau zich verheugen in een hernieuwde belangstelling voor de architectuur en de toegepaste kunsten van het fin de siècle. De herwaardering voor alles wat ooit werd afgedaan als de niet relevante producten van de ‘krullemie- en de slaoliestijl’ begon in de jaren zestig toen in de rockmuziek de ontwerpers van affiches deze stijl omarmden. Ze maakten haar weer hip en in de kunst- en architectuurgeschiedenis kreeg de Art Nouveau uiteindelijk de plek die het verdiende. Sindsdien worden de vertegenwoordigende architecten en vormgevers terecht beschouwd als vernieuwers en wegbereiders die een brug sloegen tussen de eclectische façadearchitectuur van de neostijlen [1] en het meer zakelijke, functionalistische bouwen, dat in de eerste decennia van de twintigste eeuw tot ontwikkeling kwam. In de negentiende eeuw haalden ontwerpers en architecten een belangrijk deel van hun inspiratie uit de vergaarbak van historische bouwstijlen. Nieuwe inzichten in bouwkundige kwesties en de introductie van nieuwe bouwmaterialen leidde gaandeweg naar een

wijdverspreide omslag in de architectuur. Deze was niet alleen belangrijk voor de verdere ontwikkeling van de bouwkunst, maar ook voor de toegepaste kunsten. De Art Nouveau was aanvankelijk vooral een

avant-gardestroming, een internationale stijl van extremen met een vrij korte bloeiperiode, waarin architecten en kunstenaars zich bevrijdden van de knellende beperkingen van het traditionele, historiserende bouwen

4 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
2 - Den Haag, Prinsegracht. A.W. Meijneken, 1907-1908 1 - Groningen, Heresingel. P.M.A. Huurman, 1893 3 - Parijs, H. Guimard, Porte Dauphine, 1899 Bé Lamberts Zelfstandig kunst- en architectuurhistoricus

en volop profiteerden van een grotere artistieke vrijheid. Zo ontwikkelde de Art Nouveau zich tot een complexe vormentaal met diverse dialecten.

Art Nouveau architectuur is in feite alle bouwkunst die rond de eeuwwisseling vernieuwend is op stilistisch en vaak ook op constructief gebied, op het gebruik en de indeling van de ruimte en dikwijls ook in het materiaalgebruik. Het in de negentiende eeuw als bouwmateriaal steeds meer in zwang rakende ijzer bood architecten en constructeurs grote mogelijkheden. In combinatie met glas werd ijzer – dat zowel bouwkundige als decoratieve kwaliteiten bezit – in toenemende mate toegepast. Kenmerkend voor gebouwen waarin giet-, wel- en smeedijzer een belangrijke rol spelen zijn de open structuur en de in het zicht gelaten constructie. Slanke kolommen, brede overspanningen en grote open, met veel glas ingevulde gevels [2] leveren zodoende in de loop van de negentiende eeuw een steeds belangrijker wordende bijdrage aan de ontwikkeling van de architectuur, aan het openbreken van de binnenruimtes en het naar buiten richten van de voorgevel. Ook groeide het streven om een organische eenheid tussen exterieur, interieur en decoratie te bewerkstelligen en een bouwwerk op te vatten als een Gesamtkunstwerk.

Hoewel de Art Nouveau in Nederland uiteindelijk een eigen gezicht kreeg was

het schatplichtig aan de vernieuwingen in de bouwkunst elders in Europa. De Frans-Belgische Art Nouveau wordt gekenmerkt door een organische plasticiteit met een voornamelijk aan de natuur ontleende vormentaal die ook in de Zuid-Europese landen domineerde. In Parijs was Hector Guimard de bekendste vertegenwoordiger van de Art Nouveau. Hij kan worden beschouwd als de architect die in Frankrijk de kwijnende bouwkunst reanimeerde en een grootmeester was in de toepassing van ijzer in de architectuur. Zijn naam werd vooral gevestigd door zijn Parijse metrostations (1898-1902). De entrees hiervan waren originele combinaties van elegante gietijzeren constructies [3] met organisch uitstulpende decoraties, die hij ontwierp voor de Compagnie du Métropolitain de Paris.

In België waren Paul Hankar, Emiel van Averbeke, Victor Horta en Henry Van de Velde de grote namen. Vooral de gedreven Victor Horta bleef zoeken naar een nieuwe vormentaal en naar oplossingen voor constructieve problemen. Voor het in 1892-1893 gebouwde Hôtel Tassel in Brussel gebruikte hij de ruimte op een vrije, zeer onconventionele wijze en ruimde een belangrijke plaats in voor het trappenhuis. Het centrale trappenhuis zou een belangrijk kenmerk worden voor de ontwerpen van Horta [04], die de Europese grondlegger werd van wat Le Corbusier later ‘le plan libre’ zou gaan noemen. Het door de Weense architect Josef F.M.

Hoffmann in de jaren 1905-1911 gebouwde Palais Stoclet in Brussel markeerde het einde van de Art Nouveau in België en het begin van nieuwe tendensen in de in de architectuur. In Antwerpen was Van Averbeke zeer bedreven in het creëren van architectuur met een zowel sierlijk als dynamisch lijnenspel. Zijn bekendste creatie is het Liberaal Volkshuis ‘Help U Zelve’ [4a] uit 1898-1900.

De Spaanse variant van de Art Nouveau is het Catalaanse Modernismo, dat voor een belangrijk deel moet worden gerelateerd aan de architectuur van Antoní Gaudí i Cornet. Hij beschouwde bouwkunstige objecten als een organische eenheid, waarin de natuur, historie en symboliek nauw met elkaar zijn verweven. Gaudí’s werk, waaronder Casa Milà, Casa Batlló en de Sagrada Família [5] wordt gekenmerkt door een plastische, sculpturale vormgeving, gepaard aan structurele, constructieve innovaties, waartoe ook de toepassing van de parabolische boog behoorde.

De Britse tak van de Art Nouveau heeft zijn wortels voor een belangrijk deel in de Arts and Crafts Beweging. De strakkere, meer geometrische Jugendstil van de Duitse en Oostenrijkse Sezessionstil van Joseph M. Olbrich [6], Otto Wagner en Josef Hoffmann kan worden beschouwd als de tegenpool van de uitbundige Frans-Belgische Art Nouveau. In Praag is zowel de florale, Frans-Belgische Art Nouveau als de invloed van de Sezession te vinden.

5 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
4 - Brussel, Amerikastraat, V. Horta, Woonhuis en atelier, 1898-1901 4a - Antwerpen, Volkstraat. E. van Averbeke en J. van Asperen, 1898-1900 5 - Barcelona, A. Gaudi, Sagrada Familia

Hoewel Nederlandse architecten, ontwerpers en ambachtslieden zich graag lieten inspireren door buitenlandse voorbeelden, ontwikkelden ze rond 1900 ook een eigen, boeiende bijdrage aan de vernieuwing in de bouwkunst. De Art Nouveau manifesteerde zich vooral in de steden [7] omdat daar de betere, vooruitstrevende architecten werkten en de meeste opdrachtgevers waren te vinden. In dorpen en op het platteland was de Art Nouveau toch meer een exotisch incident, waar er met enige reserve tegenaan werd gekeken.

De eerste aanzet tot een nieuwe architectuur in Nederland begon eigenlijk al bij de in de trant van de Gotiek en de Hollandse Renaissance bouwende architect Petrus (Pierre) J.H. Cuypers, die was geïnspireerd door Eugène Viollet-le-Duc, een Franse voorloper van de moderne architectuur. Cuypers introduceerde in Nederland diverse nieuwe inzichten op het gebied van materiaaltoepassing en constructie. De lijn van Viollet-le-Duc naar Cuypers kan worden doorgetrokken naar de Amsterdamse architect Hendrik Petrus Berlage en geestverwan-

ten als Gerrit van Arkel [8], die een belangrijke stroming vertegenwoordigden in de Nederlandse bouwkunst van rond 1900. De architectuur van deze vooral in Amsterdam florerende rationalistische stroming, zou van grote invloed zijn op de ontwikkeling van de moderne Nederlandse bouwkunst in de volgende decennia.

Den Haag wordt wel gezien als de hoofdstad van de Art Nouveau in Nederland. De regeringszetel en het centrum voor diplomaten en ambassades, was internationaal georiënteerd. Daardoor waren Haagse architecten als Johannes Mutters jr., Jan Willem Bosboom, Wilhelmus B. van Liefland en Lodewijk (Louis) A.H. de Wolf [9] goed op de hoogte van de diverse bouwkunstige ontwikkelingen in Europa, die ze combineerden met aan hun eigen creativiteit ontsproten ideeën. Elders in het land kende de Art Nouveau goede vertegenwoordigers in de personen van de Groninger Antonius Th. Van Elmpt [10], Willem Diehl in Arnhem, het duo H.W. Jesse en J. Fontein in Leiden. R. Rijksen in Utrecht en Gerardus B. Broekema, die voornamelijk in Overijssel werkzaam was.

Verreweg de grootste categorie op het gebied van de architectuur is die van de woningbouw.

In de sociale woningbouw, die een vlucht nam na de inwerkingtreding van de Woningwet

6 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
6 - Darmstadt. Mathildenhöhe, Hochzeitsturm. J. M. Olbrich, 1905-1908 7 - Utrecht, Voorstraat-Neude. R. Rijksen, 1904 8 - Amsterdam, Spui. G. van Arkel 1895-1897 9 - Den Haag, Dagelijkse Groenmarkt-Nieuwstraat. L.A.H. de Wolf, 1910

in 1902, is de Art Nouveau slechts mondjesmaat toegepast. Bij de middenstandswoningen en de kleinere vrijstaande woonhuizen raakte deze nieuwe stijl al wat meer in zwang, wat vooral werd getoond in de detaillering en in het gebruik van de hoefijzerboog. Bij de bouw van villa’s en herenhuizen zien we in het fin de siècle een tweedeling. Een categorie waarin de traditie de boventoon voert en een waarin de opdrachtgevers meer geneigd zijn om te kiezen voor een pand met een bijzondere uitstraling, en dit met de Art Nouveau ook willen uitdragen.

De bouw van blokken herenhuizen en wooncomplexen voor welgestelden en de gegoede middenstand was een nog vrij nieuw, voornamelijk stedelijk gebeuren. De steden werden zo verrijkt met rijen woonhuizen en soms complete straatwanden van kleurige gevels [11] in Art Nouveau of een eraan verwante bouwtrant. Verbindingswegen, met name die tussen de binnenstad en de spoorwegstations, werden eveneens populaire locaties voor de bouw van monumentale woonhuizen voor de elite. Deze huizen verrezen op korte afstand van de verlokkingen van de binnenstad, maar buiten het rumoer en de hectiek ervan. Een eveneens betrekkelijk nieuw fenomeen aan het eind van de negentiende eeuw was de aanleg van villaparken aan de randen van de oude stadscentra, maar ook in plaatsen als Wassenaar en de dorpen in het Gooi, waar de uit de steden gevluchte kapitaalkrachtigen ruimte om te bouwen en schone lucht vonden.

Decoratief toegepast pleisterwerk, geglazuurde baksteen en de in meerdere kleuren verkrijgbare verblendsteen vormden een welkome aanvulling op de standaard baksteen. Ze pasten goed bij de vaak elegante vormgeving van de nieuwe stijl en gaven de voorheen zo ‘zware’ villa’s en herenhuizen een lichtvoetiger karakter [12].

In Nederland is de Art Nouveau ook in ruime mate toegepast in nieuwe, voor een specifieke nering gebouwde en ingerichte winkelpanden, al of niet met toonzalen, die aan het eind van de negentiende eeuw verrezen en in de stedelijke gebieden het straatbeeld verrijkten met ‘open’ vliesgevels. Winkels, toonzalen, magazijnen [13] en warenhuizen waren bij uitstek geschikt voor het toepassen van een staalconstructie. Door gebruik te maken van een skelet van geklonken stalen balken werd de ruimte niet meer opgedeeld door dragende muren

7 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
10 - Groningen, Ubbo Emmiussingel. A Th. van Elmpt, 1905 11 - Arnhem, Apeldoornseweg 12 - Bussum, Generaal de la Reylaan. F.M.J. Caron, 1906

en ontstonden grote open ruimtes, waarin volop kon worden geprofiteerd van daglicht. Achter de spiegelramen van de etalages, maar ook in de vertrekken erboven kon de koopwaar zo op een aantrekkelijke manier worden uitgestald. Gecombineerd met details van smeed- en gietijzer, zwierig houtwerk voor de raamtraceringen, reliëfs

in natuursteen, glas-in-loodramen [14] en portieken met betegelingen of stucwerk werd de winkelgevel het visitekaartje van de neringdoende.

Winkelpuien zijn altijd blootgesteld geweest aan aanpassingen en aan nieuwe trends. Na de teloorgang van de Art Nouveau werd ze nog decennialang verketterd en het slachtoffer van veranderende modes en voorkeuren. Niet alleen de winkelpui, maar ook het interieur moest het ontgelden. Dit kwam vooral door een doelmatiger indeling en inrichting van de winkelruimtes, waardoor ze beter geschikt werden voor een moderne bedrijfsvoering.

Herwaardering en ruime aandacht voor de Art Nouveau in de afgelopen decennia leidde tot pogingen, soms met succes, om panden uit- maar ook inwendig zoveel mogelijk in de ‘oorspronkelijke’ staat terug te brengen. Zo was een groot deel van de gevel van de door Luitje de Goed ontworpen bakkerswinkel [15] uit 1908 in de Hoofdstraat van het Friese Beetsterzwaag lange tijd verborgen achter een betimmering. Na herstelwerkzaamheden in 2012 kreeg de voorgevel met tegeltableaus van de Harlinger tegelfabriek Van Hulst weer het oorspronkelijke aanzien.

De ambachtelijk of seriematig versierde muurtegel groeide in de belle époque uit tot

8 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
14 - Meppel, Hoofdstraat. G. Otten, ca 1908 16 - Groningen, Brugstraat. Rozenburg, 1905 13 - Dordrecht, Voorstraat. C.J.J. Tenenti, 1902 15 - Beetsterzwaag, Hoofdstraat. L. de Goed, 1908

een belangrijk element in de Nederlandse architectuur. Nadat de vervaardiging van muurtegels met decor in West-Europa lange tijd in het slop had gezeten, kende de fabricage ervan een opleving in de tweede helft van de negentiende eeuw. De toepassing van gedecoreerde bouwtegels in Nederland had zelfs een ongekende bloeiperiode rond de eeuwwisseling en liep daarmee parallel aan de hoogtijdagen van de Art Nouveau. Tegels waren uitermate geschikt om reproduceerbare, en zodoende ruim te verspreiden decors op vast te leggen. Hoewel er ook veel verloren is gegaan, staat Nederland nog vol met handmatig [16] of industrieel versierde tegels, die gevels en portieken verfraaien en laten zien dat de Nederlandse tegelfabrieken en hun ontwerpers rond 1900 een hoogwaardig product met zeer uiteenlopende decors konden leveren.

Vooral winkelpanden en woonhuizen werden dikwijls verfraaid met kleurrijke tegeltableaus van plateelfabrieken als Holland, Rozenburg, Porceleyne Fles (Joost Thooft & Labouchere), Lotus, Distel en de Friese bedrijven Van Hulst, Tichelaar en Tjallingii. Ze waren gespecialiseerd in het vervaardigen van kleurrijk bouwkeramiek, dat dikwijls was ontworpen door befaamde kunstenaars en ontwerpers. Tegeltableaus, maar ook grote betegelde vlakken in de vorm van lambriseringen en complete wandbetegelingen [17] met zowel seriematig als unieke, ambachtelijk vervaardigde tegeldecoraties maken nog steeds deel uit van het straatbeeld. De verdiepte boogtrommels boven deuren en ramen waren bij uitstek geschikt voor tegeltableaus omdat deze plek ze vrijwaarde van diefstal en vernieling, wat veel voorkwam bij wandbetegelingen in portieken. De decors op de tegels variëren sterk, maar vooral zwierig golvende lineaire decoraties, vrouwenfiguren in klassieke gewaden en motieven uit de flora en de fauna [18] waren populair.

Voor de Art Nouveau in ons land is de hoefijzerboog [19] of moorse boog zeer belangrijk. Na 1910 wordt deze karakteristieke boogvorm vrijwel niet meer gebruikt, waardoor dit bouwfragment onlosmakelijk is verbonden met de architectuur van rond de eeuwwisseling. Ook kleur kreeg aan het eind van de negentiende eeuw een belangrijke plek in de bouwkunst. Dit kwam niet alleen door de betegelingen, maar ook door het gebruik van kalkzandsteeen en het glazuren van baksteen, in plaats van en in aanvulling op de meestal donkere baksteen en de grijze

9 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
17 - Groningen, Gedempte Zuiderdiep. Van Hulst, 1903 18 - Steenenkamer, Twelloseweg. Ontwerp E. Bokhorst 19 - Haarlem. Wilhelminapark. C. Smink jr., 1906

natuursteen. Rond de eeuwwisseling was het echter vooral door de toepassing van de in diverse kleuren verkrijgbare strengpersof verblendsteen dat het straatbeeld een ander karakter kreeg. Deze gladde, scherp gerande gevelsteen combineerde goed met de kleurige tegeltableaus [20], waardoor de achitectuur in ons land een soms on-Nederlandse lichtheid kreeg. Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden in de Wilhelminastraat in Zwolle, waar architect G.B. Broekema een buitengewoon fleurig straatbeeld creëerde door de kleurige verblendstenen gevels van de middenstandswoningen te verfraaien met een keur aan tegeltableaus van de plateelfa-

briek Van Hulst.

De (hoek)toren [21] is eveneens een veel toegepast en beeldbepalend onderdeel van vooral winkel- en woonpanden. In combinatie met de hoefijzerboog en typische Art Nouveau details ontstond zo een meestal vrij sobere, maar toch karakteristieke Nederlandse variant van de Art Nouveau. De hoektoren voorzag een gebouw van een krachtig, vertikaal accent dat echter net als de hoefijzerboog in de loop van het tweede decennium al snel verdween van de tekentafels van de architecten.

In de bloeitijd van de Art Nouveau werden veel gebouwen verfraaid met decoratieve natuurstenen details. Deze sculpturale bouwfragmenten en reliëfs werden soms ontworpen door gerenommeerde kunstenaars, maar van de meeste is zowel de ontwerper als de uitvoerende ambachtsman niet bekend. Het merendeel van de natuurstenen onderdelen en decoraties aan gebouwen is soms van zandsteen maar meesal van blauwgrijs Belgisch hardsteen [22]. De vrij poreuze zandsteen is nogal vatbaar voor verwering. Omdat het een korrelige structuur bezit houdt het tevens veel vuil vast en is moeilijk te reinigen. Belgisch hardsteen is weerbarstiger dan zandsteen, maar slijtvast en daardoor geschikter voor toepassing op plaatsen die worden blootgesteld aan allerlei weersomstandigheden en vervuiling. Rond 1900 zien we veel hardstenen details aan gebouwen die zijn vervaardigd door ambachtelijke steenhouwers en door meer artistiek onderlegde beeldhouwers. Vaak hadden dergelijk bouwsculpturen ook een praktische functie. In de vorm van consoles [23] en lateien ondersteunen ze bovenliggende bouwdelen, maar ze worden ook gebruikt als gevelbekroning of als omlijsting van een gevelopening. Trappalen, kapitelen, hoek- en kraagstenen en kroonlijsten werden ook dikwijls gemaakt van versierde hardsteen.

De decoraties konden naturalistisch zijn en een symbolische betekenis hebben, zoals de pelikaan bij bank- en verzekeringsgebouwen. Vaak was het niet meer dan een jaartalaan-

10 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
20 - Zwolle, Koningin Wilhelminastraat. G.B. Broekema, 1905-1906 21 - Alkmaar, Zilverstraat, K. Bakker, 1901 22 - Rotterdam, Schiedamsesingel. 1901 23 - Amsterdam, Raadhuisstraat

duiding, of een puur decoratieve, abstracte zweepslagdecoratie, een plastische versiering, een gestileerde bloem, of een geometrisch ornament. Net als bij de tegeltableaus kwamen de populaire motieven vaak uit de flora en de fauna [24], maar ook mensfiguren, koppen en daarvan afgeleide mascarons werden veel gebruikt. In tegenstelling tot veel decoraties op tegels en door middel van mallen en sjablonen vervaardigde ornamenten van stuc of metaal, zijn veel natuurstenen decoraties gemaakt voor een specifieke plek op een bepaald gebouw en derhalve uniek. De toepassing van glas in lood (25), geëtst

glas, marmorite, mozaïeken en sgraffito’s, sierlijke raamtraceringen [26] van hout, bricornasteentjes en fraai bewerkte deuren maakten eveneens deel uit van het programma dat een pand een buitengewone uitstraling kon geven. Art Nouveau panden waren de paradijsvogels in het straatbeeld van het fin de siècle, maar ze zijn ook nu nog van grote waarde voor de beleving van een binnenstad, dorpsstraat [27] of het platteland.

11 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
24 - Rotterdam, Heemraadsingel. L. Edema van der Tuuk 26 - Leiden, Breestraat-Maarsmansteeg. J. van der Heijden, 1904 25 - Almelo, Ootmarsumsestraat 27 - Boskoop, Gouwestraat. W. Kreling, 1908 Art Nouveau in Nederland. Architectuur rond 1900

Inleiding

Behorend tot het oudste erfgoed van een van de oudste steden van Nederland, Maastricht, vormt kasteel Borgharen een lappendeken van stijlen en ingrepen als gevolg van eeuwenlang bouwen, herbouwen, uitbreiden, herinrichten en verbouwen (afb. 1).1 Tegelijkertijd is het ook een quilt van de handen van vrijwilligers. Want dat is wat Borgharen bij alles wat het als rijksmonument met een lange geschiedenis al heeft, op dit moment zo bijzonder maakt. Het wij-gevoel in de gemeenschap. Iedere zaterdag zet een ploeg van ruim 30 vrijwilligers hun hoofd en handen in om de lasten te verlichten van de schier onbetaalbare restauratie van het complex.2 En dat wij-gevoel is sterk bepaald door de tamelijk geïsoleerde ligging van Borgharen tussen de Grensmaas en het Julianakanaal. Wat in Borgharen bovendien meetelt is dat de huidige kasteelheer, Ronny Bessems, niet aan is komen waaien, maar een dorpsgenoot is. Niet top-down, maar bottom-up: ‘Samen dromen realiseren’ is het goedgekozen motto van het project. Een stevige mentale basis is hard nodig, want bij de restauratie gaat het om een marathon –‘We noemen het een kathedraalklus’, zegt Bessems – waar je een flink uithoudingsvermogen voor nodig hebt.3

De grote kasteelhoeve waar hij en zijn vrouw Amal wonen, is al enige tijd klaar. Voor de restauratie van dit complex ontvingen ze in 2009 de prestigieuze Victor de Stuersprijs van de gemeente Maastricht. Sinds Bessems en zijn vrouw zich vanaf 2014 de eigenaar van het kasteel mogen noemen – voor de symbolische prijs van 1 euro – is ook aan

Helpende handen voor kasteel Borgharen

1 - Kasteel Borgharen bij Maastricht, waarvan de oudste bezitters in 1167 worden genoemd, gaat ver terug in de tijd. De historische foto is van de hand van Raphael de Selys Longchamps (1841-1911), die een vaardig amateurfotograaf was, en toont de situatie in mei 1893, na de restauratie die plaatsvond toen zijn vrouw Eusebie de Brigode Kemlandt (18501935) het goed geërfd had. Zie de kroniek vermeld in noot 1.

het hoofdhuis heel wat werk verzet. Voor de zijvleugels en de slotgrachten met de zwaar verwaarloosde kademuren komt het einde in zicht, maar het grote huis zelf vormt nog een hele uitdaging. Na de grootscheepse opruiming die nodig was, omdat het interieur was dichtgeslibd met tussenverdiepingen, verlaagde plafonnetjes, scheimuurtjes, keukens, sanitaire blokken en meer van dat soort bouwsels, kon een start gemaakt worden met de feitelijke restauratie. Het gaat niet alleen om bouwkundig herstel, maar ook om de uitmonstering van het interieur met zijn stucwerk, haardpartijen, vloeren en niet te vergeten ... schilderingen.4 De eerste stijlkamer is klaar, maar daaromheen moet nog veel gebeuren. Vandaar dit artikel dat tot doel heeft helpende handen te werven om de andere stijlkamers tot leven te wekken.

Stijlkamers

Stijlkamers worden ze genoemd! De verschillende ruimtes op de beletage waar het

leven van de bewoners plaatsvond. De term typeert de ambitie om het huis zoveel mogelijk terug te brengen in een toestand die bomvol verhalen zit over hoe het vroeger was. Bij dit onderdeel van de campagne is Anne van Grevenstein betrokken, emeritus hoogleraar aan de universiteit van Nijmegen (Anton van Duinkerken leerstoel) en die van Amsterdam (afb. 2). Zij heeft in Nederland het wetenschappelijk restaureren van schilderijen op doek of paneel, gepolychromeerde beelden en monumentale schilderkunst op de kaart gezet. Al in 1990 heeft ze een postdoctorale opleiding opgezet voor restauratoren van schilderijen en beschilderde objecten bij het Provinciaal instituut ‘Stichting Restauratie Atelier Limburg’ (SRAL). Deze specialisatie werd later uitgebreid met de studierichtingen ‘schilderingen in historische interieurs’ (1993) en ‘moderne en hedendaagse kunst’ (1995). In 2008 zijn ze opgegaan in de masteropleiding met Post-Initieel traject ‘Praktijk van

12 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
conservering en restauratie’ Bernadette van Hellenberg Hubar Erfgoedprofessional & schrijver vanhellenberghubar.org Marij Coenen Redacteur & fotograaf vanhellenberghubar.org Foto Raphael de Selys (1893), Rijksmuseum Rijksstudio, RP-F-00-7050.

met de schilderingen uit de late negentiende eeuw in de vestibule van het kasteel, met achter haar een van de vrijwilligers, Peter van Gerwen, die het werk met haar uitvoert. Voor het herstel van deze uitmonstering worden extra handen gezocht. Geïnteresseerd in een training on the job, meld je aan via info@kasteelborgharen.nl.

die ze tot in 2012 bij de universiteit van Amsterdam leidde.5

Borgharen valt onder de categorie ‘historische interieurs’. Hierbij gaat het om al het schilderwerk dat gebouwgebonden is en dus op muren, wandbespanningen – zoals in de eetkamer en de Chinese kamer – plafonds, gewelven en balken zit, maar ook op decoratief houtwerk en gestucte ornamenten. Het kan gaan om eenvoudige patronen, zoals de natuursteen imitatie in de vorm van schijnmetselwerk in de vestibule, of een rijke polychromie die al dan niet uit complexe patronen bestaat. Het veelkleurige stucwerk met details in bladgoud of verguldsel – wat te bewonderen valt in de Blauwe Kamer –hoort onder deze noemer. En dan heb je nog de kalligrafie – op tamelijk bescheiden wijze aanwezig in de archiefkamer (1895) – en de figuraties die vertegenwoordigd worden door de wandbespanningen en de bovendeurstukken: de cartouches boven de doorgangen van de vestibule en de bibliotheek. Om deze laatste schilderingen bloot te leg-

gen en te herstellen zijn dringend helpende handen nodig. Iedereen die over handvaardigheid en geduld beschikt is welkom.

Wie heeft nu wat toegevoegd? Met de lappendeken die Borgharen vormt is het een heel zoekwerk om te achterhalen wie nu precies wat heeft laten doen. Soms zijn er aannames die een eigen leven gaan leiden. Daar komen we hierna nog op terug in verband met de veronderstelde betrokkenheid van Pierre J.H. Cuypers. Aan de andere kant zijn er sinds de geschiedbeoefening in Limburg in de negentiende eeuw is gestart, steeds meer bronnen ontsloten die houvast bieden. Dat ontsluiten begon al vroeg, om te beginnen met Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) dat in 1863 werd opgericht. Dit gezelschap omvatte een melange van professionals en amateurs die zich met name op bronnenonderzoek concentreerden. Naast onderzoekers uit het archiefwezen, zoals Jos. Habets (die zowaar postuum zijn werkzaamheden voortzet op Facebook) en Aug. Flament, waren er bevlogen amateurs onder wie het hoofd der school in Borgharen, J.M. Heijnens, en … kasteelheer Raphael de Selys Longchamps (1841-1911). Zoals blijkt uit het artikel in de Publications van LGOG van 1907 kende hij hen allemaal persoonlijk. En dat gold ook voor kopstukken als Victor de Stuers en Louis de Crassier. In een boekbespreking van deze uitgave werd De Selys als volgt getypeerd:

Ook Baron Raph. de Selys-Longchamps geeft in een ‘Notice sur des pierres tombales de Borgharen’ blijk van zijn piëteit voor de oude overblijfselen der religieuze kunst en verdient een woord van lof voor hetgeen hij tot hun behoud en het voorkomen en bestrijden van vandalisme heeft gedaan. Naar aanleiding van nieuwe vondsten in de kelders van het kasteel, geeft hij nadere hist. bijzonderheden omtrent de heerlijkheid Borgharen. 6

Een aparte man dus, De Selys: samen met zijn vrouw, Eusebie de Brigode Kemlandt (1850-1935) ondernam hij in het laatste kwart van de negentiende eeuw de restauratie van kasteel Borgharen, waarna het voor een deel opnieuw ingericht werd. Hoever hij was op het moment van de brand in 1887 die de kasteelhoeve in de as legde, is niet duidelijk; wel dat alle prioriteit eerst naar de herbouw ging van dit complex dat onmisbaar was voor de exploitatie van Borgharen. Raphael de Selys slaagde erin

een soort modelhoeve op te zetten, state of the art wat betreft de agrarische ontwikkelingen in België in die tijd.7

Groot was de opluchting dat de brand niet was overgeslagen naar het hoofdhuis. Bekijken we de herinrichting daarvan, dan valt op dat niet alles op de schop ging; er werd een volgend hoofdstuk aan de geschiedenis van het gebouw toegevoegd. Je kunt er over twisten of dat echt de bedoeling was, of dat de middelen ontbraken na de brand van de kasteelhoeve, of Raphael te vroeg gestorven is (slechts 69 jaar oud) om zijn plannen met het kasteel af te maken, of dat Eusebie hem ervan weerhouden heeft: het ging immers om het levenswerk van haar grootvader die daar niet de minste kunstenaars bij betrokken had.

De neoclassicistische inrichting van Matthias Soiron

We hebben het dan over de neoclassicistische inrichting (Lodewijk XVI stijl) die in het laatste kwart van de achttiende eeuw tot stand kwam naar plannen van de Maastrichtse architect Matthias Soiron. Soiron die niet alleen bouwkundig architect was, maar ook interieurs en tuinen ontwierp, raakte bij Borgharen betrokken, toen de grootvader van Eusebie, Charles Servais de Rosen, van de burcht een aangenaam (zomer)verblijf wilde maken. Of hij ook bij de bouwkundige ingrepen heeft geadviseerd, staat niet vast. De Rosen besloot om een vleugel van het kasteel af te breken, zodat er een open, paleisachtige U-vorm ontstond in plaats van een gesloten carré. De centrale toren werd verlaagd en overdekt met een mansardekap. Bij de gevels werden de renaissance elementen weggehaald en aan de achterzijde kwamen nieuwe Franse vensters met grote ruiten, ontworpen door Soiron (uitgevoerd in 1790). De voorgevel kreeg een classicistisch aanzien met mergelbekleding en een breed hardstenen bordes met dubbele bordestrap (afb. 1).8

Van de herinrichting van verschillende kamers in kasteel Borgharen zijn (voor) ontwerpen van Soiron in het Regionaal Historisch Centrum Limburg behouden gebleven. Hieraan wordt onder meer aandacht besteed in de beroemde serie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, waarvoor Victor de Stuers nog het startsein heeft gegeven, De Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Het deel waarin Borgharen voorkomt is geschreven door kunsthistoricus J.F. van Agt (1962). Hij vermeldt over

13 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
2 - Anne van Grevenstein bezig Foto John Pletzers 2022, Collectie Kasteel Borgharen.

3 - De Blauwe kamer is het pronkstuk van de uitmonstering van Matthias Soiron, eind achttiende eeuw. Een van de vrijwilligers, Jan Frijns, bracht de kleuren terug na onderzoek door de SRAL (Angelique Friedrichs), Meghan Kisters & Antje Verstraten en Anne van Grevenstein.

het werk van Soiron: ‘De betimmeringen werden naar zijn ontwerpen vervaardigd door de schrijnwerker Herman e.a. De belangrijkste interieurschilderingen zijn blijkens de signaturen tussen 1781 en 1801 uitgevoerd door P.M. de Lovinfosse’ (1745-1821). Hij tekende niet alleen voor verschillende pastorale scenes in Borgharen en het huisaltaartje bij de overloop van de trap, maar schilderde ook de – verdwenen – portretten van zijn opdrachtgevers.9 In 2020 is een van de meest opvallende ruimtes van Soiron gerestaureerd: de Blauwe Kamer (afb. 3), waarvan het ontwerp met kleurenschema bewaard is gebleven. Dit herstel gebeurde na onderzoek door de SRAL, Kisters & Verstraten en Anne van Grevenstein. Kisters & Verstraten ontdekten onder meer dat de Blauwe Kamer na de totstandkoming nog tweemaal opnieuw beschilderd is in deze kleur, zij het in verschillende pigmenten.10

De aanpak van Raphael de Selys

Of het echtpaar de Selys opdrachtgever is geweest van één van de verfbeurten van de Blauwe Kamer is mogelijk, maar niet met

4 - In de zuidelijke toren liet Raphael de Selys een aparte archiefruimte inrichten in zestiende-eeuwse stijl. In dit archief vond hij historische plannen die hij gebruikte voor zijn herstelcampagne.

zekerheid te zeggen. Als we afgaan op het jaartal onder het wapen van De Selys in de archiefkamer zijn ze in 1886, na de dood van de moeder van Eusebie, op Borgharen komen wonen. Dat wonen moet trouwens in beperkte zin worden opgevat, want men was er alleen in de zomer. Het dagelijks beheer van het landgoed werd uitgevoerd door de rentmeester. Rond 1872 was dit J.W. Schepers, tevens burgemeester van Borgharen. Hij zorgde ervoor dat het eerste historisch onderzoek naar het kasteel en zijn eigenaren kon plaatsvinden. Hij gaf namelijk de latere rijksarchivaris Jos. Habets, voorzitter van LGOG, toegang tot het ‘slotarchief’ dat tot diep in de middeleeuwen terugging. Het onderzoek leidde tot het artikel, getiteld ‘De voormalige Heerlijkheid Borgharen’ in de Publications de la société historique et archéologique dans le Limburg van 1873. De Selys haalt dat aan in zijn ‘Notice’ en vertelt daarin over zijn persoonlijke contacten met Habets.11 In de schat aan informatie in het archief op Borgharen die Habets ontsloten had, vond hij de inspiratie voor het herstel van het kasteel.

Volgens het eerdergenoemde Borgharense hoofd der school, J.M. Heijnens, die tot het oudheidkundige netwerk van de kasteelheer behoorde, gebruikte De Selys daarvoor ‘een in zijn archief ontdekt plan uit het begin der 16de eeuw’. Daarnaast bestudeerde hij de oude opzet en inrichting aan de hand van bouwsporen die nog zichtbaar waren. Ook daarover schreef hij in de Publications van LGOG in 1907.12 Zijn interesse wordt gereflecteerd door de archiefkamer in zestiende-eeuwse stijl met op de schouw in kalligrafie in steen het jaartal 1895. De namen, wapens en jaartallen die op de korbelen van de moerbalken zijn aangebracht, kunnen direct herleid worden tot de families die Habets in zijn artikel noemt, op die van het echtpaar na. Sowieso was het bouwen van een aparte archiefkamer een veelzeggende daad. Niemand voor De Selys had het de moeite waard gevonden het archief op een verantwoorde manier te bewaren in speciaal daarvoor ontworpen kasten (afb. 4).

Aangezien De Selys bovendien een enthousiaste fotograaf was, heeft hij het huis van buiten en van binnen op de gevoelige plaat

14 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
Foto A. Frequin (1930-1943), Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, documentnummer OF-03112. Foto John Pletzers (2020), Collectie Kasteel Borgharen.

vastgelegd. Enkele albums zijn in handen van de huidige eigenaar Ronny Bessems, die een deel ervan online heeft geplaatst op de website van kasteel Borgharen. Daarnaast staat zijn collectie die door het Musée de la photographie in Charleroi is verworven en het album van het Rijksmuseum, online.13 Passend bij het beeld dat Heijnens en Flament van de amateuroudheidkundige schetsen, bevinden zich hiertussen foto’s van historische afbeeldingen van Borgharen die hij waarschijnlijk heeft kunnen fotograferen in het museum van LGOG dat door Habets in 1884 was opgericht. De originelen van de betreffende foto’s bevinden zich nog altijd in de collectie van LGOG, waarvan de tekeningen en prenten worden bewaard in het Regionaal Historisch Centrum Limburg.14 Mogelijk wilde hij deze raadplegen voordat hij startte met de campagne, waarbij de witte afwerklaag van de buitenmuren van Borgharen werd verwijderd en naar toenmalige opvattingen de schilderachtige natuur- en baksteen weer in het zicht kwam. Deze transformatie tussen circa 1883 en 1893 heeft De Selys gedocumenteerd in een serie foto’s in bezit van het Rijksmuseum (afb. 1).15 Overigens werd dit werk onderbroken door de brand van de kasteelhoeve in 1887. Ook de herbouw daarvan heeft De Selys gedocumenteerd door middel van foto’s, tegenwoordig in bezit van Ronny Bessems.16 De vernieuwing van de agrarische poot van het landgoed werd afgerond met de vervanging van het bestaande poortgebouw (1897), waar volgens de oral history Pierre J.H. Cuypers bij betrokken werd.

Wel of geen Cuypers?

Nu moet je oral history nooit onderschatten, maar de kans dat Cuypers op Borgharen gewerkt heeft is uitermate klein. De eerste die zijn naam laat vallen is Van Agt die de archiefkamer die inderdaad heel Cuyperiaans aandoet, aan hem toeschrijft, zonder enige bronvermelding. Doordat hij het enkele regels verder over het nieuwe poortgebouw heeft, is hier waarschijnlijk het zaadje geplant van de legende dat Cuypers ook dat ontworpen zou hebben. Vervolgens heet Cuypers nota bene in de monumentenbeschrijving van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) verantwoordelijk te zijn voor de verwijdering van de witte afwerklaag, waardoor de natuur- en baksteen weer zichtbaar werd. Op zich past dit heel goed bij zijn doctrine, maar alweer ontbreekt de bron.17 Inmiddels ontspruit het volgende

twijgje aan deze boom doordat de naam Cuypers nu ook rondwaart bij de schilderingen, waarvoor helpende handen worden gezocht.

Tot dusver is geen enkele bron gevonden die een van deze aannames bevestigt. Het archief van het architectenbureau Cuypers en de Kunstwerkplaatsen Cuypers & Co in HNI (Het Nieuwe Instituut) in Rotterdam – dat volledig online staat – geeft geen enkele treffer als je Borgharen invoert. Noch Borgharen, noch De Selys vind je terug in de briefwisseling van Cuypers op het gemeentearchief van Roermond. Hetzelfde geldt voor de Joseph Cuypers Collectie die daar ligt en het is al niet anders met het grote overzichtswerk van Cuypers dat bij gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag is gepubliceerd. Wat tenslotte tegen de betrokkenheid van Cuypers pleit, is dat hij niet genoemd wordt door tijdgenoten als Heijnens en Flament. Bij de beschrijving van de activiteiten van De Selys zou deze tot icoon van de natie uitgegroeide architect zeker niet onvermeld zijn gebleven als hij inderdaad door de kasteelheer betrokken was bij de restauratie en herinrichting.

Voor ons gevoel moet de naam van de architect/ontwerper veeleer in België gezocht worden. De families die in de negentiende eeuw op Borgharen zaten, waren immers geworteld in België en hoorden daar tot de leidende klasse. De historiserende bouwkunst in dat land kwam in de negentiende eeuw veel eerder tot ontwikkeling dan bij ons en kent grote namen. Een van de belangrijkste architecten, Jean Bethune (1821-1894), was zelf van adel en paste dus bij uitstek in het milieu van De Selys. Wie een karakteristiek werk van zijn hand wil zien, zou eens naar het kasteel van Loppem moeten gaan.19 Dat geeft op grote schaal een indruk van wat De Selys geïnspireerd kan hebben bij de opzet van zijn archiefkamer. Overigens bevat deze ruimte een detail waaruit ten overvloede blijkt dat de naam Cuypers doorgestreept moet worden: de balken en de korbelen van het plafond zijn aangekleed met gips: ze geven dus een beeld van een houtconstructie die er in werkelijkheid niet is.

Helpende handen voor de vestibule en bibliotheek

Sinds 2021 is Anne van Grevenstein met enkele vrijwilligers bezig met de uitmonstering van de vestibule en de daarboven gelegen bibliotheek (afb. 2). Dat is hoogst

arbeidsintensief werk, waarvoor nog vele handen nodig zijn, omdat de schilderingen heel voorzichtig vrijgelegd moeten worden zonder de authentieke verflaag te beschadigen. Zoals hiervoor al aangestipt, viel ook hier de naam van Cuypers, maar dat is stilistisch vrijwel onmogelijk. Zeker, ook hij maakte graag gebruik van natuursteenimitaties om een ruimte te proportioneren, zoals de Voorhal van het Rijksmuseum laat zien. Maar waar hij nu net een verklaard tegenstander van was, was de trompe l’oeil of de oogbedrieger; een manier van schilderen waarbij beelden in drie dimensies werden gesuggereerd, waar zich in werkelijkheid vlakke muur bevond. Het schilderen van een schaduw om het realistische karakter van deze geschilderde objecten te onderstrepen, was al helemaal uit den boze.20 Deze kunstgreep is in de vestibule zowel toegepast bij de bovendeurstukken als de muurdammen tussen de vensters met de consoles en de bustes van klassieke figuren, en de nissen met putti, de Amazone en Artemis (afb. 5-6). Vanwege dat realisme typeert Van Agt dit werk terecht als grisailleschilderingen (in olieverf), al delen we noch zijn datering in het eerste kwart van de negentiende eeuw, noch zijn mening dat de stijl neoclassicistisch is.21 In de tijd die hij noemt was het neoclassicistische werk van Soiron nog maar net af en als je dat vergelijkt met de uitmonstering van de vestibule dan valt meteen op hoe eclectisch en minder verfijnd de laatste is: de factuur of makelij onderscheidt zich door vrij brede streken die meer passen bij werk dat van veraf wordt bekeken, zoals in kerken, dan op dit niveau. De meeste figuren hebben een zwierige barokke beweging die zelfs in de stillevens van de bovendeurstukken doorzet. De nis met de putti wordt bekroond door een masker dat zo uit een modellenboek van grotesken had kunnen komen. Aangezien (ook) decoratieschilders met specialisaties werkten, is het niet vreemd als je verschillende handen kunt onderscheiden. Hoewel er nog een heleboel mitsen en maren aan zitten –nader materiaal technisch onderzoek is zeker nodig – houden wij het er voorlopig op dat ze tot stand zijn gekomen in het laatste kwart van die eeuw, onder Raphael en Eusebie de Selys.22

Een sterk argument voor de datering zijn de foto’s van de bibliotheek die De Selys heeft gemaakt. Hij heeft de situatie vóór de aanpak in 1888 vastgelegd (afb. 7) en het resultaat is te zien op een foto die

15 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022

5 - De vestibule van Borgharen in de periode 1930-1943 met natuursteenimitatie, de nissen met drie putti op dolfijnen (links) en de godin Artemis (rechts) bij de trapopgang naar de bibliotheek. De putti begeleiden de bezoeker naar boven, dus ze zullen een programmatische boodschap hebben, vergelijkbaar met het bovendeurstuk met Pallas Athene (zie afb. 9).

6 - Een van de consoles met de busten in de vestibule, waarvan ook de schaduwen geschilderd zijn, tijdens onderzoek en behandeling. Het thema van oorlog en vrede wordt hierin verbeeld door een man en een vrouw, waarvan de eerste als Romeinse veldheer is uitgedost.

7 - De bibliotheek vóór de beschildering met grisailles. Rechtsvoor bij de balustrade is een piano te zien, welk slag/snaarinstrument in het bovendeurstuk van Pallas Athene een equivalent kreeg in de vorm van de gitaar.

dateert van vóór 1907 (afb. 8). Daarop zien we dezelfde natuursteenimitatie als in de vestibule en bevinden zich verder nauw verwante allegorieën boven de deuren. Voor ons gevoel getuigt de aanpak van beide locaties, vestibule en antichambre, van een veelzeggende transformatie: zoals door het ontbreken van een stookplaats bevestigd wordt, hadden deze twee ruimtes oorspron-

kelijk slechts een logistieke functie als doorgangsgebied om de kamers te bereiken. Met de herinrichting kregen ze een specifiek verblijfskarakter, zoals uit het meubilair en de potkachel in de vestibule blijkt. Hoe specifiek dat was wordt vooral verteld door de voorstellingen, door Van Agt betiteld als tropeeën, in de bovendeurstukken.23

Centraal in de vestibule, bij de trap, is Pallas Athene weergegeven, godin van de (beheerste) oorlogvoering en vrede, van de wijsheid en de beschaving en beschermster van de kunstenaars en handwerkslieden (afb. 9). De helm van deze krijgshaftige godin verwijst naar de oerfunctie van Borgharen als versterkte burcht. Het palet met penselen symboliseert de schilderkunst die staat voor de eigen collectie, maar wellicht ook op het oeuvre slaat van Matthias Soiron en P.M. de Lovinfosse. De muziekinstrumenten en vooral de snaren van de gitaar herinneren aan de aloude betekenis van de kosmische harmonie der sferen en dichter in de tijd naar het zelf musiceren en feestelijkheden en dans. De wetenschap wordt vertegenwoordigd door boeken, schriftrollen en een armillarium als symbool van wijsheid en kennis. Die wetenschap wordt bij uitstek vertegenwoordigd door De Selys zelf die deze tropee ongetwijfeld bij de trap positioneerde om een vooruitblik te geven van wat men boven kon verwachten: de welgevulde bibliotheek van een veelzijdig ontwikkeld mens.24

16 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
Foto John Pletzers 2022, Collectie Kasteel Borgharen. Foto A. Frequin, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, documentnummer OF-03114. Foto Raphael de Selys (album 1888), Collectie Kasteel Borgharen.

Zowel in de vestibule als in de bibliotheek wordt dit programma gespecificeerd in de cartouches boven de doorgangen: hierbij staat de tropee van de krijgskunst tegenover die van de oogst die rijk is in tijden van vrede. Deze thema’s worden bovendien op dezelfde muur gepersonifieerd door Artemis als godin van de jacht, waartegenover de Amazone voor de strijd staat. Het derde bovendeurstuk is gewijd aan de beeldende kunsten (afb. 10). In de bibliotheek keren de krijgskunst en de wetenschap terug, de laatste zelfs tweemaal. Aan weerszijden van de boekenkast worden de mathematische (in vaktermen Vitruvianistische) ordening van de kosmos tegenover de organische met het dierenleven geplaatst (afb. 11-12). Dit past bij uitstek bij een van de andere interesses van de familie de Selys: samen met zijn broer Walter droeg Raphael de Selys bij aan de totstandkoming van een publicatie over de omvangrijke collectie zoölogie van zijn vader die zij ieder voor een deel beheerden.25

Een precieze interpretatie van dit programma kan pas gegeven worden als alle schilderingen zijn vrijgelegd. En daarvoor zijn … je raadt het al … helpende handen dringend gewenst. Meer dan vaardige handen en geduld is niet nodig. Ronny en Amal Bessems en Anne van Grevenstein nodigen je van harte uit om dit spannende avontuur aan te gaan en samen dromen te realiseren door je per mail aan te melden via info@kasteelborgharen.nl.

Naschrift

Onze dank gaat uit naar iedereen die bijgedragen heeft aan dit artikel, te weten Anne van Grevenstein, Ronny Bessems, Peter Geuijen en fotograaf John Pletzers.

Dit artikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg en Marij Coenen. “Helpende handen voor kasteel Borgharen”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 15 (2022): 12-19.

Behalve de foto’s van John Pletzers uit de Collectie Kasteel Borgharen, zijn de overige foto’s reprovrij of vallen ze onder de Creative Commons licentie (CC BY-NC-SA en in het geval van de RCE: CC BY-SA), dus onder voorbehoud van naamsvermelding (BY) en/of geen commercieel gebruik (NC).

Bronnenlijst

• ‘Anne van Grevenstein-Kruse’. In

8 - De bibliotheek na de beschildering met grisailles in de vorm van natuursteenimitatie en bovendeurstukken. De bibliotheekkast is aan weerszijden uitgebreid en gesierd met opgezette vogels. Foto van vóór 1907.

Bron: Musée de la Photographie Charleroi. ‘Photographies : Raphaël de Sélys Longchamps, MAR-MPC-RSL-Ndpt1-92-0800. Foto bvhh.nu 2022.

9 - De tropee in het centrale bovendeurstuk van de vestibule, bij de trapopgang, bevat de kern van het programma, waarin kort gezegd oorlog en vrede onder de hoede van Pallas Athene bij elkaar staan. Haar krijgskunst verwijst naar het verleden van het kasteel dat in de middeleeuwen tot tweemaal toe door oorlog verwoest is (zie noot 1). Haar patronage van de kunsten en de wetenschappen komt tot bloei in tijden van vrede, zoals Borgharen vanaf de zestiende eeuw laat zien. De tijd van Raphael de Selys vormt hierin een markant moment. Rechts van deze voorstelling is een stukje te zien van een geschilderde pilaster.

Wikipedia, 1 januari 2022. https:// nl.wikipedia.org/w/index.php?title =Anne_van_ Grevenstein-Kruse& oldid=60707842

• ‘Limburgs Geschied- en Oudheid-

kundig Genootschap’. In Wikipedia, 6 december 2021. https://nl.wikipedia. org/w/index.php?title=Limburgs_ Geschied-_en_Oudheidkundig_ Genootschap&oldid=60484764

17 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022

11 - Bovendeurstuk in de bibliotheek, aan de linkerkant van de boekenkast, met een tropee, tijdens onderzoek en behandeling. Hierin wordt de mathematische (Vitruvianistische) ordening van de kosmos door middel van de globe, het boek met berekeningen en muziekinstrumenten weergegeven. De lauwerkrans staat voor de triomf van wat het menselijk vernuft weet te doorgronden.

• 1Limburg | Nieuws en sport uit Limburg. ‘Vrijwilligers Bezig Met Monsterklus Aan Kasteel Borgharen’, 1 mei 2017. https://www.1limburg.nl/vrijwil ligers-bezig-met-monsterklus-aankasteel-borgharen

• Agt, J.F. van. Zuid-Limburg uitgezonderd Maastricht. Vol. V. De Nederlandse Monumenten van geschiedenis en Kunst. Den Haag: Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, 1962. https://www. dbnl.org/tekst/agt_001zuid02_01/agt_ 001zuid02_01_0012.php

• Cleven, Jean van, en Bijlokemuseum, red. Neogotiek in België. Tielt: Lannoo, 1994.

• De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad. ‘BOEKBEOORDEELING.’ 18 april 1908, Dag druk. https://resol ver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010548485: mpeg21:a0146

• Flament, J. A., ‘In Memoriam. M. F. R. Baron de Selys-Longcamps van Borgharen’, Publications de la societe historique et archeologique dans le Limburg 46 (1910), 1911, pp. 368-370.

• Habets, Jos. ‘De voormalige Heerlijkheid Borgharen’. Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limburg 10 (1873). https://www. delpher.nl/nl/boeken1/

• Heijnens, J.M. ‘De aloude, nog steeds fiere burcht van Borgharen’. De Nedermaas, 1928, 127–30. https:// resolver.kb.nl/resolve?urn=MMUB MA01:000242011:00001

• Heuvelmans, Kim. ‘Bouwhistorische Verkenning Kasteel Borgharen, Kasteelstraat 4-6 Maastricht’. Utrecht: Hoge School voor de Kunsten, PostHBO Bouwhistorie & Restauratie, 2020.

• Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Borgharen | Kroniek en bronnen’. VanHellenbergHubar.org (blog), 2022. VanHH.org/?p=18551

• Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘De muziek van het licht’, Cuypers’ polychromie. Erfgoed in ontwikkeling. Ohé en Laak: Res nova-VanHH.org, 2007. http://bit.ly/2yabKst

• Kasteel Borgharen. ‘Beleidsplan | Kasteel Borgharen 2020-2023’, 2020. https://www.kasteelborgharen.nl/ beleidsplan-2020-2023

• Kasteelborgharen. ‘Jaarverslag ’18 | Kasteel Borgharen’, 2019. https://www. kasteelborgharen.nl/jaarverslag2018

• Kasteelborgharen. ‘Jaarverslag ’19 | Kasteel Borgharen’, 2020. https://www. kasteelborgharen.nl/jaarverslag2019

• Kasteelborgharen. ‘Jaarverslag ’20 | Kasteel Borgharen’. 2021. https://www.kas teelborgharen.nl/copy-of-jaarverslag-18

• Kisters, Megan, en Antje Verstraten. ‘Onderzoek en Restauratie, Ronde Kamer Kasteel Borgharen, Kleurhistorische Onderzoek’. Den Haag-Amsterdam, 2019.

• Koninklijke LGOG. ‘Over LGOG’. Geraadpleegd 20 mei 2022. https://lgog. nl/over-lgog

• Le courrier de la Meuse. ‘Le courrier de la Meuse’. 10 december 1887, Dag druk. https://resolver.kb.nl/resolve?urn= MMCC01:048256059:mpeg21:a00052

• Limburger koerier. ‘Een aangenaam feest’. 5 november 1904, Dag druk. https: //resolver.kb.nl/resolve?urn=MMK B23:001150075:mpeg21:a00026.

• Martin ed., René, en e.a. Collections zoologiques du baron Edm. de Selys Longchamps, Catalogue Systématique et Descriptif, publié par les soins de ses Fils,. Bruxelles, Hayez, impr., 1906. http://archive.org/details/

18 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
10 - Bovendeurstuk in de bibliotheek met een tropee, waarin de beeldende kunsten centraal staan, tijdens onderzoek en behandeling. Foto John Pletzers 2022, Collectie Kasteel Borgharen. Foto John Pletzers 2022, Collectie Kasteel Borgharen.

collectionszoolo1719sely

• Musée de la Photographie Charleroi. ‘Photographies : Raphaël de Sélys Longchamps | Images et histoires des patrimoines numerisés’. Numeriques Be, z.d. VanHH.org/?p=18551

• Nicolai, Jean. ‘Eusébie Marie Ghislaine Silvie de BRIGODE de KEMLANDT (1850-1935) » Stamboom Nicolai-Kolb » Genealogie Online’. Genealogie Online. Geraadpleegd 21 mei 2022. https:// www.genealogieonline.nl/stamboomnicolai-kolb/I26681060.php

• Nicolai, Jean. ‘Raphael Michel Ferdinand de SELYS-LONGCHAMPS (1841-1911) » Stamboom Nicolai-Kolb » Genealogie Online’. Genealogie Online. Geraadpleegd 21 mei 2022. https:// www.genealogieonline.nl/stamboomnicolai-kolb/I72425494.php

• Nimeto, Jessica Brorens, Nathan de Keijzer, Mariken Veenhof, Leonie Wennink, en Philby Starink. ‘Bouw- en kleurhistorisch onderzoek kasteel Borgharen’. Utrecht, 2021.

• Res nova. Deel en geheel. Kasteelhoeve Borgharen. Cultuur- en bouwhistorische analyse. Ohé en Laak/Horn, 2003.

• Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. ‘529989 Kasteelstraat 6 6223 BJ te Maastricht’, 7 december 2017. https:// monumentenregister.cultureelerfgoed. nl/monumenten/529989

• Rijksmuseum. ‘Rijksstudio’. Geraadpleegd 21 mei 2022. https://www.rijks museum.nl/en/rijksstudio; zoekfrase: Raphaël baron de Selys-Longchamps.

• Selys-Longschamps, Raphael de. ‘Notice sur des pierres tombales de Borgharen’. Publication de la société historique et archéologique dans le Limburg 43 (1907).

Notes

1 Om inzicht te krijgen in deze lappendeken is op basis van onderzoek, literatuur en eerder opgestelde rapporten een tijdlijn gemaakt die geraadpleegd kan worden via VanHH.org/?p=18551: Hubar en Coenen, ‘Borgharen | Kroniek en bronnen’ (2022). De adellijke titels van de eigenaren, deels baron, deels graaf, zijn in dit artikel achterwege gelaten.

2 Kasteel Borgharen. ‘Beleidsplan | Kasteel Borgharen 2020-2023’ (2020).

3 1Limburg, ‘Vrijwilligers Bezig Met Monsterklus Aan Kasteel Borgharen’ (2017).

4 Kasteel Borgharen. ‘Beleidsplan | Kasteel Borgharen 2020-2023’ (2020).

5 ‘Anne van Grevenstein-Kruse’. In Wikipedia, 1 januari 2022.

6 Koninklijke LGOG (2022). Voor de hier genoemde personen zie de Publications met het artikel van de Selys: Selys de Longchamps, ‘Notice sur des pierres tombales de Borgharen’ (1907); Heijnens, ‘De aloude, nog steeds fiere burcht van Borgharen’ (1928), p. 130; Flament, ‘In memoriam’ (1910-1911). Het citaat komt uit: De Tijd, Boekbeoordeling (1907). Limburger koerier, ‘Een aangenaam feest’ (1904).

7 Zie daarover Res nova, Deel en geheel

(2004). Le courrier de la Meuse. ‘Le courrier de la Meuse’. 10 december 1887.

8 Van Agt, Zuid-Limburg uitgezonderd Maastricht, p. 83.

9 Van Agt, Zuid-Limburg uitgezonderd Maastricht, pp. 74, 80, 81.

10 Kasteelborgharen. ‘Jaarverslag ‘19 | Kasteel Borgharen. Kasteelborgharen. ‘Jaarverslag ‘20 | Kasteel Borgharen. Kisters & Verstraten. ‘Onderzoek en Restauratie, Ronde Kamer Kasteel Borgharen’ (2019).

11 Zie noot 6. Habets, De voormalige Heerlijkheid Borgharen (1873).

12 Zie noot 6.

13 Musée de la Photographie Charleroi. ‘Photographies : Raphaël de Sélys Longchamps.

14 Zie noot 6. ‘Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap’. In Wikipedia, 6 december 2021. Het gros van dit beeldmateriaal is opgenomen in Heuvelmans, Bouwhistorische Verkenning Kasteel Borgharen (2020), pp. 18, 22.

15 Rijksmuseum. ‘Rijksstudio’, zoekfrase: Raphaël baron de Selys-Longchamps. Res nova, Deel en geheel, pp. 22-31.

16 Van Agt, Zuid-Limburg uitgezonderd Maastricht (1962), p. 83. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. ‘529989 Kasteelstraat 6 6223 BJ te Maastricht’ (2017).

17 Hubar en Coenen, ‘Borgharen | Kroniek en bronnen’ (2022). Zie noot 6.

18 Van Cleven e.a., Neogotiek in België, pp. 200-203.

19 Hubar, De muziek van het licht (2007), zoekterm bedrieger.

20 Van Agt, Zuid-Limburg uitgezonderd Maastricht, p. 79.

21 Verder onderzoek in samenwerking met het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel zit in de planning.

22 Musée de la Photographie Charleroi. ‘Photographies : Raphaël de Sélys Longchamps, MAR-MPC-RSL-Ndpt1-92-0797. Zie noot 21.

23 Met dank aan Anne van Grevenstein die de voorzet gaf tot deze interpretatie.

24 Martin e.a., Collections zoologiques du baron Edm. de Selys Longchamps, p. 10.

19 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
12 - Bovendeurstuk in de bibliotheek aan de rechterkant van de boekenkast, tijdens onderzoek en behandeling. In dit stilleven wordt de wetenschappelijke studie van de organische, zoölogische diversiteit van Gods schepping voorgesteld. Foto John Pletzers 2022, Collectie Kasteel Borgharen.

Duinontginningen

Koninklijk Eise EisingaPlanetarium in Franeker

Van opdracht, via obsessie naar ontspanning - Deel 1

Deel 1: Omschrijving en proces

Eind september 2017 wezen de toenmalige ministers Bussemaker (OC&W) en Schulz van Haegen (I&M) de ‘Ontginningen Voornes Duin’ aan als een van de laatste van Rijkswege beschermde dorpsgezichten. De ontginningen in de duinen van Voorne passen in een lange reeks ontginningen in duingebieden en andere Nederlandse zandgronden. Cultures in de duinen, binnenduinen en op de strandwallen kennen we al van vóór het begin van de jaartelling. Zo ver gaan we hier echter niet terug. Een deel van de ontginningen waarover we hier spreken dateert van laat-middeleeuwse perioden, maar de redenen om ze in cultuur te brengen waren sinds die tijd niet altijd dezelfde. Wanneer we de processen door de oogharen heen bekijken, zien we natuurlijk altijd ‘functies’, maar deze functies verschilden in tijd en plaats en ook en vooral naar de betrokken initiatiefnemers. In deze bijdrage passeren enige typerende perioden, locaties en aanleidingen voor ingrepen de revue. En daarbij staan degenen die aan de touwtjes trokken regelmatig centraal.

Opdrachten van hogerhand

Ontginnen is van alle tijden. Al in de Bijbel (Statenvertaling; Genesis 3: 23) staat het: “Zoo verzond hem de Heere God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, […].” En dat lieten onze Nederlandse voorvaderen zich geen twee keer zeggen. Katholiek of (vanaf de 16de eeuw) protestant, de spaden gingen de grond in en de bodem werd omgewoeld en zo veel mogelijk vruchtbaar gemaakt. Ontginnen begon echter al vóórdat het christendom de Lage Landen bereikte. Dit gebeurde het eerst waar dat het gemakkelijkst was - en wat later ook op moeilijker plaatsen. Relatief simpel was het ontginnen in gebieden waar water in de buurt was. Ook als dat

In de Friese stad Franeker bevindt zich een ruim 240 jaar oud, werkend planetarium.2 Dit grootse instrument geeft sinds 1780 (vrijwel ononderbroken,) nauwkeurig de posities aan de hemel van de Zon en onze eigen Maan aan - en vooral ook de standen van de zes toen bekende planeten. En verder allerlei uit de loop en de omwentelingen van de Maan, de Aarde en de andere planeten van ons zonnestelsel voortvloeiende astronomische verschijnselen, zoals de schijngestalten van de Maan, conjuncties (= schijnbare samenstanden) en zonsverduisteringen. De ontwerper en constructeur van het planetarium was een plaatselijke fabrikant van en handelaar in textiele waren, ene Eise Eisinga, naar wie het instrument ook is genoemd. Het bestuur van de stichting die het planetarium beheert – hierin vertegenwoordigd door de Nederlandse overheid (nl. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)) - doet dit jaar (2022) een gooi naar een status van het planetarium als UNESCO-Werelderfgoed.3 Zover is het nog niet, want een aanvankelijk welwillende ontvangst geeft geen garantie.4 (Afb. 1) Er is wel gesteld dat Eise Eisinga een eenvoudige, zogeheten ‘wolkammer’ was, die er als geniale autodidact en dankzij uitzonderlijke vaardigheden toe besloot in zijn huis een planetarium te bouwen. Hij zou hiertoe gekomen zijn om zijn goedgelovige streekgenoten ervan te overtuigen dat hun vrees voor een naderend ‘einde der tijden’ als gevolg van de samenstand van de Maan met vier planeten, klinkklare nonsens was. Zo’n conjunctie was voorspeld voor 8 mei 1774 – inderdaad hetzelfde jaar waarin Eisinga zijn constructiewerk is begonnen. Opmerkelijk genoeg,

op strandwallen of zavelige stroomruggen was. Voorbeelden zijn er volop: vrijwel alle dorpen op de Hollandse en Zeeuwse strandwallen en ook die op de tegenwoordige Waddeneilanden zijn ontstaan als agrarische nederzettingen van het type ‘geestdorp’.1 Min of meer hetzelfde geldt voor de dorpen in het rivierengebied: droge fossiele takken van rivieren maakten het eenvoudig de gronden te ontginnen en er permanent te blijven wonen. Ten slotte waren ook zandgebieden in hoog Nederland van oudsher bewoonbaar door ontginning. Water was een absolute voorwaarde; voor de rest kon worden gezorgd. Er zijn dan ook veel oude ontginningen gevonden en/of voortgezet in deze gebieden. De redenen waarom onze (verre) voorouders tot ontginning van zandige gronden overgingen, moeten vooral worden gezocht in de simpele noodzaak monden te voeden. Toenemende bevolkingsdruk vroeg om steeds meer akkerland. Toen het christendom eenmaal vaste grond had gekregen in de Nederlanden, waren het verder ook monni-

zijn er weinig of geen eigentijdse feiten of gegevens overgeleverd die deze samenloop van gebeurtenissen met elkaar verbinden, maar juist hierdoor was er ruimte voor speculatie. De feiten die er wél zijn, raakten mettertijd ‘verwaterd’, waardoor Eisinga steeds meer ‘één van ons’ werd en dat zijn ‘zonneplein’ tot een uniek wereldwonder werd opgewaardeerd. Het resultaat was dat het gerucht ging dat een geniale handwerksman een even geniaal, eeuwig werkend zonnestelsel-op-huiskamerformaat zou hebben bedacht en gebouwd. En in de aanloop hiernaartoe zou hij ook nog eens enige (nooit gedrukte) boekwerken over wiskundige en astronomische onderwerpen hebben geschreven. De ingrediënten klinken als 19de-eeuwse romantiek, compleet met tegenstellingen – rationaliteit en irrationaliteit - ze kennen mythische proporties, ze leidden tot beeldvorming én ook stimuleerden ze de verbeelding. Enkele malen werd hierbij zelfs het zogenoemde ‘Faust thema’ herkenbaar.5

ken en kloosters die ontginningen ter hand namen: de Cisterciënzers zijn hiervan wel de bekendsten. Voor de kloosterlingen was het een ‘opdracht’ of levensvervulling zich te wijden aan taken als het bewerken (‘bouwen’) en ontginnen van gronden. Dit gebeurde ook in kust- en duingebieden, zoals in Zeeland (Kloosterzande) en op de Waddeneilanden (Schiermonnikoog).

Tot op zekere hoogte gold zo’n ‘opdracht van boven’ ook voor de poging van Jan van Scorel een bedijking uit te voeren in het noordwestelijk kustgebied van Noord-Holland. Nadat hij in Rome voor de paus had gewerkt, probeerde hij kort na 1550 de buitendijkse kwelder Zijpe droog te maken en te ontginnen. Het plan mislukte totaal, maar het feit dat hij de onderneming ‘Nova Roma’ had gedoopt en dat hij er zeven kerk(dorp)en wilde vesti gen, zegt veel over zijn beweegredenen. dezelfde tijd gaven – naast de hogere gees telijkheid - ook vele wereldlijke gezags dragers opdrachten of vergunningen voor

Bron: Collectie Zuiderzeemuseum

1 - Duinakkertjes en duinweiden ten noorden van het dorp Hoorn op Terschelling, begin 20ste eeuw

De leidende vraag die daarom aan het navolgende artikel ten grondslag ligt, is of een romantisch beeld en/of een (vermeende?) ontwikkeling van ‘mythen’ van invloed kan zijn (geweest) op het voornemen Eisinga’s planetarium voor te dragen voor erkenning als werelderfgoed. Vanuit deze vraag wordt in Deel I eerst ingegaan op enige fysieke kenmerken en op de (im) materiële waarden van het planetarium en zijn onderkomen. Daarna volgt een kort overzicht van de af te leggen weg naar een eventuele status van werelderfgoed. In Deel II wordt - via de uitentreuren herhaalde, maar niet vaststaande aanleiding voor de bouw van het planetarium

Bron: Frits Niemeijer

1 - Detail van het hemelplein op 9 mei 2022. In het midden de zon met links daarachter de aarde, beide hangend aan een draad die verbonden is met het plafond. De zon is hierop weergegeven als een ‘gefixeerde’zonnebloem. Het ‘aardbolletje’ is verbonden met en beweegt mee onder een in een plat vlak draaiende kleine bol.

20 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
UNESCO-Werelderfgoed?
12 VITRUVIUS NUMMER 43 APRIL 2018
VITRUVIUS_April.2018 v3.indd 12 02/03/18 13:53

- de aandacht geconcentreerd op beeld- en mythevorming, romantiek en verbeelding (= fantasieën) rond het planetarium en zijn constructeur. Daarna worden in Deel III enige barstjes in de romantische vernis zichtbaar gemaakt, waardoor demythologisering onontkoombaar lijkt. Een andere benadering – meer technisch van karakter - is hierbij doorslaggevend. Tot slot wordt bezien of beeld- en mythevorming en romantische bewondering wellicht bijdroegen aan het initiatief om tot erkenning van het planetarium als werelderfgoed te komen. In het verlengde hiervan kwam de vraag op of wel alle registers zijn opengetrokken. De conclusies en enige aanverwante gedachten spreken hierna voor zichzelf.

Het planetarium en zijn behuizing

De woning / annex bedrijfsruimte van Eise Eisinga bestond uit een vrij onopvallend, eenlaags grachtenhuisje met zoldering en een hierachter gelegen bedrijfspand. Het planetarium en het onderkomen ervan vormen sinds 1967 samen een

rijksmonument (RM 15669), dat als volgt wordt geïdentificeerd: “Planetarium in pandje onder zadeldak tegen klokgevel met aanzetkrullen, gedateerd 1768. Poortje over de steeg ernaast.” In de Appendices van de Nomination File staat onder meer dat het voorhuis dateert van ca. 1490 en dat het pand van oudsher zo’n 7 (b) x 14 (d) [x 9 (h)] m meet. De totale diepte van het perceel bedraagt thans circa 47 m en het omvat – naast het hoofdhuis – drie achterliggende bouwvolumes en de genoemde steeg met poort. In de Appendices staat verder ongeveer het volgende: Het pand omvat vele goed bewaarde elementen uit Eisinga’s tijd, maar het hoofdhuis is in de kern een laatmiddeleeuwse, houten constructie.6 Het is overigens het opmerken waard dat kadastrale gegevens van de vroege 19de eeuw laten zien dat toentertijd het rechter buurpand – dus het huisje dat aan de andere kant van de steeg lag - in eigendom was van (de erven) Eisinga en dat beide percelen zich diep naar achteren uitstrekten.7 Eise Eisinga sleet zijn laatste jaren in dit buurhuis. (Afb. 2)

Het hoofdhuis bestaat in hoofdzaak uit een voor- en een achterkamer, die van elkaar zijn gescheiden door een bedstee. Het is van oudsher een eenlaags woonhuis onder een zadeldak, met een later tot stand gebrachte, lage ‘mezzanine’ (= tussenétage, of beter: een verruimd plafond), waarbinnen het grootste deel van het (horizontale of liggende) mechaniek van het planetarium een plaats heeft gekregen. Het verticale mechaniek bevindt zich voornamelijk boven en rondom de bedstee. De achterkamer van het hoofdhuis, waar zich de toegang tot de bedstee bevindt, is de ‘hemelsblauwe en met stralend goud geaccentueerde’ ruimte die het eigenlijke te tonen zonnestelsel herbergt. Hier zijn het plafond en de hogere panelen van de wanden voorzien van de (meestal onzichtbaar traag) bewegende onderdelen, die verschillende hemellichamen, schijngestalten, de plaatselijke tijd, dierenriemposities en dergelijke voorstellen. Zes bollen van verschillend formaat, die de zes vóór 1781 bekende planeten representeren, maken er in een

21 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
Bron: P.D.; HCF, A-08-02-00372
plat vlak – elk in 2 - Als tweede van links het huis De Ooijevaar (nog zonder ‘Planetarium’) vóór 1900, met rechts ernaast het poortje naar de steeg. Het rechter buurhuis, waar Eisinga de laatste jaren van zijn leven woonde, kreeg in dat jaar een halsgevel. Het pand bestaat niet meer; op die plaats is rond 1970 nieuwbouw door de Rabobank gerealiseerd.

hun eigen tempo - rondjes om de zon. Ze worden vanuit het mechaniek in de mezzanine voortbewogen door cirkelvormige gleuven die excentrisch in het plafond zijn uitgespaard. Een fascinerend beeld, dat qua ontstaan – zoals boven al aangeduidteruggaat tot het laatste kwart van de 18de eeuw. Het is, naar algemeen is geaccepteerd, het oudste, compleet bewaarde, autonoom werkende, mechanische zonneplein ter wereld. Er zijn (en er waren!) andere en meest kleinere, werkende modellen van ons zonnestelsel, waarvan sommige met de hand bediend moesten worden, maar waarvan andere -na de uitvinding van het slingeruurwerk (1656) – door middel van een klok konden bewegen. Van de weinige planetaria die vanbinnen bezocht konden worden – net als die in Franeker - is geen andere bewaard.8 Eisinga’s mechaniek werkt op basis van een fijn bronzen slingeruurwerk met een ankersysteem. Om zijn hemelse sferen te laten draaien, paste hij hieraan parallel een samenstel van negen gewichten toe, dat naast en in de bedstee is gesitueerd en waarvan de elementen met regelmaat opgetrokken dienen te worden om het zware mechanisme in beweging te houden. Achter de schermen – of beter: op de mezzanine en boven de bedstee - speelt

zich echter nog veel meer af. Daar bevindt zich een kruip-door-sluip-door van grote en kleine houten tandwielen voorzien van zo’n 6000 ijzeren pennen, en verder en reeks katrollen, vaste en bewegende onderdelen en koorden, die er tezamen met de gewichten voor zorgen dat het planetarium ‘bij de tijd blijft’. In theorie zou het houten mechaniek vanaf 1780 ononderbroken hebben kunnen draaien, maar het hemelplein heeft meer dan eens korter of langer stilgestaan – meestal voor (gepland) onderhoud, maar soms voor restauratie of om geijkt te worden. Het laatste groot onderhoud vond plaats in 2013.

De moeilijke aanloop naar een werelderfgoedstatus

De werelderfgoedaspiraties van de beheerders van het planetarium komen onder meer voort uit de herziening van de zogenoemde ‘ Voorlopige Lijst’ Unesco Werelderfgoed Koninkrijk der Nederlanden 2010 , die tot stand kwam door advies van de Commissie Leemhuis-Stout.9 Deze lijst was de opvolger van een eerdere, waarvan er intussen een aantal inderdaad als werelderfgoed zijn erkend en waarvan er enige andere hiervoor niet (meer) in aanmerking bleken te (kunnen) komen.

De nieuwe Voorlopige Lijst werd gepubliceerd in oktober 2010, nadat er eerder dat jaar opdracht toe was gegeven door toenmalig staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart (CDA). De publicatie van de nieuwe lijst viel samen met het aantreden van een ander kabinet, waarin het staatssecretariaat van OCW was overgenomen door VVD-politicus H. Zijlstra. De kabinetswijziging had gevolgen voor het verloop van procedures, met als belangrijkste: verdere decentralisering van de taken en verantwoordelijkheden. Niet de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) was voortaan de spil in werelderfgoedzaken, maar de zogenoemde site-holder zelf. En dat was in dit geval de Stichting Koninklijk Eise Eisinga Planetarium, die hiermee plotseling in het diepe werd geduwd en haar eigen boontjes moest doppen. Het vervolg hield in dat eind 2014 een voorlopig voorstel verscheen, dat aan een groep erfgoedexperts werd voorgelegd. In maart 2015 verscheen een rapportage van deze expertgroep, waarin de stand van zaken rond alle kandidaat-nominaties werd geëvalueerd. De kritiek die hierin werd geuit, was niet mals – zeker voor wat betreft het planetarium, dat samen

22 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
3 - Staatssecretaris Halbe Zijlstra van OCW, hier bij de aanwijzing van de Grebbelinie als Rijksmonument, op 20 april 2011. Bron: P.D.; Wikimedia

met twee andere voorlopig ‘geparkeerd’ werd. Zo stelde de expertgroep vast dat een belangrijk deel van de onderbouwing in het voorlopig voorstel, criterium (i), zonder voldoende onderbouwing bleef, terwijl (ii) en (iv) in algemeenheden bleven steken. Een deel van deze kritiek is weergegeven in Kader I.10 Omdat ‘op grond van de rapportage […] de expertgroep [heeft] geconcludeerd dat [de] OUV [= Outstanding Universal Values / Uitzonderlijke Universele Waarden ; (FN)] op dit moment niet overtuigend is of kan worden aangetoond’, adviseerde ze dat het onderzoek zou worden voortgezet.11 (Afb. 3). Een bladzijde eerder uitte de expertgroep echter ook fundamentelere kritiek. Hoewel ze ‘onderschrijft dat het initiatief voor een werelderfgoednominatie zoveel mogelijk lokaal of in de regio moet liggen’ (nl. vanwege draagvlak en commitment), schrijft ze: “Dit ontslaat het Rijk evenwel niet van haar verantwoordelijkheid hierin een belangrijke ondersteunende rol te spelen.

Ook vanuit haar verantwoordelijkheid als verdragspartij bij de Werelderfgoedconventie en als indiener van de nominatie mag een grote rol voor en verantwoordelijkheid van het Rijk verwacht worden. Het Rijk beschikt hiertoe over specifieke inhoudelijke kennis en het procedurele overzicht, die nodig zijn om aan de vereisten van een succesvolle nominatie te voldoen. Door deze vorm van ondersteuning aan de initiatiefnemers wordt de kans op een afwijzing, zoals destijds bij Teylers is voorgevallen, aanzienlijk verminderd.” 12 In de praktijk is gebleken dat die grote rol niet (meer) werd gespeeld en vooral dat specifieke kennis nauwelijks werd gedeeld of ter beschikking werd gesteld.13 De site-holder was zo gedwongen het wiel opnieuw uit te vinden en met lokale spelers een internationaal speelveld te betreden. Dit laatste had zich vertaald in de kritiek van de expertgroep, die stelde: “De argumentatie zou aan kracht winnen door een meer systematische en wetenschappelijke opzet en onderbouwing. Of het planetarium uniek is in de wereld wordt niet

benoemd, evenmin door wie dat is beweerd en hoe dat wordt geadstrueerd.” Maar ze voegde hieraan toe: “Belangrijke studies met betrekking tot de waarde en betekenis van het Eise Eisinga Planetarium zijn nog gaande.”

Resultaten die meegenomen konden worden in volgende concepten waren iets eerder - herfst 2014 - boven water gekomen. Tot die feiten behoorde dat romantische mythen rond Eisinga niet of onvoldoende houdbaar bleken, of dat ze vooral aan zijn persoon kleefden en daardoor hoogstens ondersteunend waren voor een werelderfgoedstatus van het planetarium.

Met de nieuwe gegevens wist de site-holder nadere verdieping te bewerkstelligen en ze is hierin zodanig geslaagd dat de nominatie begin dit jaar een feit werd. We volgen het proces daarom hierna meer in detail.

Als vertrekpunt voor de nieuwe Voorlopige Lijst (in feite een door Unesco geëiste pre -

KADER I: Enige kritische kanttekeningen van de Expertgroep bij de eerste versie van de argumentatie door de Stichting Koninklijk Eise Eisinga Planetarium. (2015)

Hoewel er voorzichtige aanwijzingen zijn, kan nu niet overtuigend aangetoond worden dat het planetarium OUV bezit. Gegevens die beschikbaar zijn, komen nog niet overtuigend naar voren in de rapportage. De argumentatie zou aan kracht winnen door een meer systematische en wetenschappelijke opzet en onderbouwing. Of het planetarium uniek is in de wereld wordt niet benoemd, evenmin door wie dat is beweerd en hoe dat wordt geadstrueerd. Belangrijke studies met betrekking tot de waarde en betekenis van het Eise Eisinga Planetarium zijn nog gaande.

Of de juiste criteria worden gehanteerd is hierdoor ook moeilijk vast te stellen, al lijkt dit wel het geval te zijn. De Expertgroep onderschrijft het afzien van het nomineren op grond van criterium i, al zijn de redenen daarvoor niet voldoende aangegeven. De motivatie voor de andere criteria moet beter worden uitgewerkt. Er dient meer substantie aan de keuze voor criterium ii te worden toegevoegd, waardoor de OUV van de site beter naar voren komt. De uniciteit van dit iconische model kan beter worden toegelicht. Vooralsnog is niet duidelijk of Eisinga met het bouwen van het planetarium een voorbeeld is geweest voor anderen en navolging heeft gekregen.

De Expertgroep beveelt verder aan meer context te geven aan de tijd waarin Eisinga leefde en ook zijn motivatie duidelijker naar voren te laten komen. De kandidaat doet er goed aan te kijken naar het nominatiedossier van Teylers, aangezien het daar ook om de verwezenlijking van idealen van een individuele burger in de Verlichting gaat. De twee studies die nog niet zijn afgerond zullen context moeten geven aan de beweegredenen

van Eisinga en zijn tijd.

De handschriften van Eise Eisinga zijn roerend erfgoed en vallen strictu sensu niet binnen de conventie. Echter, het feit dat ze er zijn en in het Planetarium worden bewaard en getoond, is wel ondersteunend aan de nominatie. […]

De comparative analysis leidt tot op heden niet tot doorslaggevende conclusies. Zij dient zich te beperken tot een vergelijking van echte, onroerende planetaria om de OUV aan te tonen. De kandidaat kan bijvoorbeeld aantonen dat het Eise Eisinga Planetarium de eerste in zijn soort was, of de oudste die nog bestaat en authentiek is. De kandidaat kan dit doen door eerst een heldere definitie van onroerende planetaria te geven en die vervolgens met andere planetaria te vergelijken. De vergelijking dient plaats te hebben op een wereldwijde schaal, en zich niet te beperken tot enkele landen binnen Europa. De selectie die wél wordt vergeleken moet voldoende uitputtend beschreven worden, opdat werkelijk sprake is van een oordeelkundige vergelijking. Tafelmodellen van planetaria zijn roerend erfgoed en vallen formeel buiten het bestek van de Werelderfgoedconventie. Slechts uit een oogpunt van volledigheid kunnen zij kort genoemd worden. Met andere woorden, de comparative analysis dient zich te beperken tot zaken die echt vergelijkbaar zijn en de analyse dient op mondiale schaal te worden uitgevoerd. Verdergaande verbijzonderingen, zoals het wel of niet publiekstoegankelijk zijn of de setting waarin het planetarium voorkomt (een woonhuis), zijn voor de vergelijkende analyse irrelevant al is de publieksfunctie uiteraard wel voor de authenticiteit van belang.

23 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022

selectie) zijn in 2010 drie thema’s ingezet:

1. Nederland Waterland, 2. Nederland als ontworpen land en 3. Nederland als burgersamenleving. Het was dit derde thema dat ruimte bood voor een nominatie van het planetarium. De commissie hanteerde namelijk onder meer de volgende argumenten voor een eventuele nominatie: “Eise Eisinga was een autodidact en heeft zich door zelfstudie opgewerkt tot een bedreven wiskundige die het complete zonnestelsel als raderwerk zodanig doorrekende en ontwierp dat het nog steeds in uitstekende staat en werkend is. Het motief om dit raderwerk te ontwerpen was ingegeven door zijn wens om het bijgeloof op wetenschappelijke wijze aan de kaak te stellen.” En hiernaast ook: “Het Eise Eisinga Planetarium is wel een van de meest opvallende uitwerkingen van het thema

van Nederland als burgersamenleving. Het planetarium is op globale [= mondiale; (FN)] schaal uitzonderlijk, vanwege de manier waarop dit fenomeen de egalitaire trek in de Nederlandse samenleving illustreert: een amateurwetenschapper die een fantastisch wetenschappelijk construct maakt, dat bovendien de eeuwen doorstaat.” 14 Eisinga’s (vermeende) autodidactische vorming en de bestrijding van bijgeloof staan centraal in de Voorlopige Lijst - naast de invloed van de burgerlijke en egalitaire trekken van de toenmalige Nederlandse samenleving op de maker ervan. De commissie liet kennelijk de immateriële waarden en de context van Eisinga’s planetarium prevaleren boven de materiële of fysieke kenmerken, maar na deze aanloop is de koers wat bijgesteld.

De Stichting – dus de site-holder - heeft het opstellen van een nominatiedossier voor het planetarium vanaf 2010 en na de kritiek van 2015 met kracht ter hand genomen, waardoor medio januari 2022 tot het indienen van de zogenoemde Nomination File bij Unesco kon worden overgegaan. Dit is een met argumenten omklede voordracht, die bestaat uit drie (Engelstalige) bundels, nl. het 1. Nomination Document zelf, en verder een 2. Management Plan en de belangrijke 3. Appendices . Over de voordracht zal – als alles volgens plan verloopt - een oordeel worden geveld op de 46ste vergadering van het World Heritage Committee , die naar verwachting plaatsvindt in Thailand, in juni of juli 2023.15 Maar, zoals Teylers Museum in Haarlem al eerder ondervond: een voltooid en ingediend

24 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
4 - Interieur met het bewegende planetarium, zoals weergegeven in de tweede druk van Van Swindens beschrijving, uit 1824. De gravure is gemaakt door Klaas Joh. Sannes.
Bron: P.D.

nominatiedossier betekent niet automatisch een erkenning.

Het definitieve Nominatiedossier Het Nomination Document omvat – buiten een veelzijdige omschrijving - onder meer een uitvoerige verantwoording van de uitzonderlijke universele waarden (= OUV’s)16 van het planetarium. Het (verplichte) Management Plan gaat onder meer in op de manier van conservering, op de exploitatie en op gevaren die het (eventuele) werelderfgoed kunnen bedreigen. In de derde bundel, de Appendices, komt vooral achtergrondinformatie voor – in het bijzonder bestaande kennis over en aspecten van waardering van het planetarium en vooral ook resultaten van nieuw onderzoek. Op dit laatste wordt vooral in Deel III van dit artikel nader ingegaan.

In het voorliggende Nomination Document zijn drie criteria uitgewerkt, waaraan het planetarium volgens de aanvragers voldoet om de begeerde status van werelderfgoed te rechtvaardigen.17 Het betreft de door Unesco gehanteerde criteria (i), (iii) en (iv). De argumentatie bij de drie onderstaande criteria is weergegeven in Kader II.

(i) To represent a masterpiece of human creative genius;

(iii) To bear a unique or at least exceptional testimony to a cultural tradition or to a civilization which is living or which has disappeared;

(iv) To be an outstanding example of a type of building, architectural or technological ensemble or landscape which illustrates (a) significant stage(s) in

Criterion (i): Represents a masterpiece of human creative genius The Royal Eise Eisinga Planetarium is an iconic example of an 18th-century orrery, representing exceptional creativity in both its extraordinary technical design and execution, and artistic expression. It is the world’s oldest functioning planetarium where visitors can walk in to be informed about what is happening in the skies.

The Eisinga Planetarium is ingeniously built into the ceiling and the closet-bed wall of the living room of a former civilian home. That way it was possible to build a large orrery and use the underlying room as a reception and presentation area –just as in modern planetariums.

The orrery, which is in operation almost continuously since 1781, was designed and built by an ordinary citizen, with the use of ordinary materials. This opened the way for unprecedented design solutions that resulted in a very sophisticated instrument. It allows the beholder to see the current positions of the planets and the moon at one glance.

The fact that the Planetarium is still in working order, is largely due to the creative genius and foresight of its maker, the Frisian wool manufacturer Eise Eisinga, who left detailed instructions for the maintenance of his instrument.

Criterion (iii): Bears a unique testimony to a living cultural tradition

The Royal Eise Eisinga Planetarium bears a unique testimony to the cultural tradition of presenting and providing insight into celestial phenomena, using technology. This is a universal tradition, going back thousands of years, that lives on to this day. It still functions exactly as it did when it came into operation in 1781 and, according to the consecutive series

human history. 18

De in Kader II weergegeven specifieke punten uit de van toepassing geachte criteria (i, iii en iv), vormen het integrale overzicht van de argumenten die genoemd worden in het Nomination Document; ze worden alleen nog gevolgd door verdere uitleg en door een zogenoemd Statement of Integrity en een Statement of Authenticity . 19 In de drie genoemde argumenten wordt benadrukt dat de uitzonderlijke creativiteit van de gewone burger Eisinga uitdrukking vond in een buitengewoon, technisch ontwerp en in de uitvoering daarvan. Verder wordt benadrukt dat het planetarium als weergave van hemelse verschijnselen in een oeroude menselijke traditie staat. En ten slotte is benadrukt dat de bouw van het planetarium een manifestatie is

of guest books, all this time retained its inspiring educational function – receiving and educating visitors in a space where they can see the solar system and the starry sky portrayed above their heads.

Since its completion in 1781, the mechanism has been maintained according to its maker’s instructions. Thanks in part to these extensive maintenance instructions, the Eisinga Planetarium continues to present the accurate positions of the sun, the moon and the planets of our solar system.

Criterion (iv): An outstanding example of a technological ensemble which illustrates a signifcant stage in human history The Royal Eise Eisinga Planetarium illustrates a signifcant turning point in human history: the democratisation of science, which has permanently changed society. It is typical of the importance attached to the transfer of knowledge to a wider audience in 18th-century society. The intertwining of the instrument with the ceiling and the closet-bed of an existing living room symbolises, as it were, the increasing linkage of science and society.

The Planetarium was built by an ordinary citizen and was from the outset intended and used for educational purposes. Educated citizens could read the current celestial positions of the planets at a glance, and interested laymen were given insight into the ‘functioning’ of the solar system, based on the explanation provided at the instrument. This makes the Planetarium an object that bridges the gap between people of different educational levels and social classes.

As a technological ensemble, it continues to contribute to the dissemination of astronomical knowledge, and in particular the heliocentric worldview, in society.

25 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
KADER II: De argumenten die erkenning als werelderfgoed van het planetarium zouden rechtvaardigen. (2021/22)

van een periode in de geschiedenis waarin de overbrugging van verschillen in opleidingsniveau en tussen maatschappelijke klassen gestalte begon te krijgen. (Afb. 4) Deze argumenten raken de kern van het betoog dat eerder voorkwam in de Voorlopige Lijst van 2010. Het is echter opmerkelijk, dat het zwaartepunt van de argumentatie in 2021/22 is verlegd van de ‘autodidact’ Eisinga en diens motief om een planetarium te bouwen (= criterium (ii)), naar het uitzonderlijke, technische ontwerp en de feitelijke realisatie ervan. De balans is nu dus overgeheld van een primair immaterieel karakter naar een primair materieel of fysiek zwaartepunt. Om dit te verduidelijken, verdiepen we ons in Deel II van dit drieluik in de (vermeende) aanleiding voor het bouwen van het planetarium en in de mythevorming rondom Eise Eisinga en zijn hemelplein.

Notes

1 Zie ook: F. Niemeijer (2013), De hemel in huis […]. In: Monumentaal, No. 1, 18-23; Idem (2014), Plafond = planetarium […], In: [Tijdschrift] Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, No. 1, 32, 33.

2 De aanleiding voor het schrijven van dit artikel is de indiening bij UNESCO van de desbetreffende World Heritage Nomination, op 18 januari 2022. Behalve de drie samenstellende delen van dit dossier kunnen hier als belangrijke bronnen (passim) voor dit artikel worden genoemd: de twee digitale versies van J.H. van Swinden (1780 / 18242 [vermeerderd]), “Beschryving van een […] hemels-gestel, […] vervaardigd door Eise Eisinga”. Een latere, opnieuw vermeerderde uitgave hiervan, is die van W. Eekhoff (18513). Hierin is onder meer een nieuwe levensbeschrijving opgenomen. Een contemporaine auteur is voorts: J. Scheltema (1818), Eise Eisinga, De uitvinder en vervaardiger van het beroemde planetarium, te Franeker. Een iets latere levensbeschrijving is van de hand van J.W. Meuter (1838), als onderdeel van Levensschetsen van personen, […], Volume 1, 122-130. Verder zijn van het grootste belang: E. Havinga, W.E. van Wijk & J.F.M.G. d’Aumerie (1928), Planetarium-boek Eise Eisinga. (m.n. 11-72), H. Terpstra (1981), Friesche Sterrekonst […] en H.

Noordmans (1995, 1997), Binnenste buiten […], […] Hemisphaerium en Planetaruim. Tot slot is te noemen het vrij recente artikel: J. Mulder de Ridder (2002), Eise Eisinga and his planetarium. In: Journal of Astronomical History and Heritage, Vol. 5, No. 1, pp. 65-87 en A. Dijkstra (2021), De Hemelbouwer.

3 Naast de stichting Koninklijk Eise Eisinga Planetarium (K.E.E.P.) zijn verder de Provincie Friesland, de Gemeente Waadhoeke en de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) verantwoordelijk voor de indiening van de nominatie. UNESCO = United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization.

4 B.J.M. van der Aa (1974), Preserving the heritage of humanity? Obtaining world heritage status and the impacts of listing, 19-26. Er kan een negatief advies volgen; ‘zwakke broeders’ worden meestal al in eerder stadium uitgefilterd.

5 Deze suggestie is eerder gedaan door S. Sitwell ([1948?] // 1974), The Netherlands; A study of some aspects of art, costume and social life, 103. Een voorbeeld is ook: R. Blijstra (1962), Het planetarium van Otze Otzinga en andere verhalen, 11. We lezen hier: “Des te erger,’ meende zijn vrouw. ‘Dan ben je dus van het goddelijk plan afgeweken. Dan heb je je aan de duivel verkocht.’”

6 F.J. van der Waard & B.P. Tuin [2020], Building archeological research and value assesment of the Royal Eise Eisinga Planetarium. In: Moving heaven and earth; The Royal Eise Eisinga Planetarium Franeker […] Appendices (2021), 152-159.

7 Zie: RCE beeldbank, Objectnummer MIN02029A01 (OAT02029A006 = Sectie A 197, 198, 199, 200); https:// historischcentrumfraneker.nl/panden/ a200-eise-eisingastraat-4-4/ Eisinga kocht het pand in 1782 of 1786. In 1821 is het verbouwd.

8 S. Gessner ([2020] // 2021), Eisinga’s planetarium: An outstanding astronomical mechanism of the 18th c., 123. In: […] Appendices, 96-151. Over enige andere (werkende) planetaria later nog iets meer.

9 Zie: Uitzonderlijk en universeel; Voorlopige Lijst Unesco Werelderfgoed Koninkrijk der Nederlanden 2010,

33, 34. De commissie Leemhuis-Stout deed 9 voorstellen aan de toenmalige staatssecretaris, waarvan er inmiddels enkele zijn teruggetrokken. (de Noordoostpolder en Teylers Museum). Drie andere binnen het Europese deel van het Koninkrijk gelegen voorstellen uit de lijst zijn intussen erkend: de Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid (i.s.m. België), de Nieuwe Hollandse Waterlinie (als uitbreiding van de Stelling van Amsterdam) en de Van Nellefabriek in Rotterdam.

10 Bitter en Zoet; Advies van de Expertgroep beoordeling werelderfgoednominaties (maart 2015), 21-24.

11 Bitter en Zoet […], 58.

12 Bitter en Zoet […], 57.

13 Schrijver dezes was destijds werkzaam bij de RCE, bij de toenmalige afdeling Beleid, Maritiem en Internationaal (BMI). Dat de oude werkwijze geen garantie gaf, bleek bij de negatieve beoordeling door ICOMOS en de terugtrekking van de nominatie van Teylers Museum, begin 2013. Opmerkelijk was destijds overigens dat de nominatie in opgesteld zonder feedback van een expertgroep.

14 Het is niet zeker dat de opstellers met ‘construct’ een ‘constructie’ bedoelen of een ‘uitgewerkt concept’.

15 https://thailand.prd.go.th/ewt_news. php?nid=12145&filename=index

16 OUV = Outstanding Universal Values

17 Er kunnen momenteel 10 criteria voor verschillende typen onroerend erfgoed worden gehanteerd [(i)-(x)]; voor het planetarium zijn dat er maximaal vier – naast de criteria integrity en authenticity.

18 https://whc.unesco.org/en/criteria/

19 Zie verder: https://www.planetarium-friesland.nl/unesco/ (I, 112, 113) (d.d. 26-01-2022)

26 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022

Franse tirannie. Het rampjaar 1672 op school.

AUTEURS

Nicoline van der Sijs en Arthur der Weduwen UITGAVE Waanders

DETAILS

Paperback, 240 pagina’s, geïllustreerd, ISBN: 978-94-6262-400-9

PRIJS

€ 22,50

DeFranse inval in het Rampjaar 1672 maakte een onuitwisbare indruk op de Nederlandse bevolking.

Al in 1674 verscheen het anonieme leerboek Spiegel der Jeugd, ‘zodat de jongelui de gebeurtenissen nooit vergeten en kunnen leren van wat ons is overkomen’. Het uiterst anti-Franse boek werd tot diep in de achttiende eeuw tientallen keren herdrukt. Beschrijvingen van politieke verwikkelingen in Frankrijk werden afgewisseld met de wandaden

die de Fransen in Nederland verrichtten, en de heldendaden waarmee de Nederlandse bevolking die beantwoordde.

Het 350ste herdenkingsjaar van het Rampjaar biedt een uitgelezen kans om het boek opnieuw voor het voetlicht te brengen, in de vorm van een hertaling met historische, boekhistorische en taalkundige inleidingen, geschreven door specialisten. n

Nederland op zijn mooist. De achttiende-eeuwse Republiek in kaart en beeld.

AUTEURS

Everhard Korthals Altes en Bram Vannieuwenhuyze UITGAVE

THOTH i.s.m. TU-Delft en UvA

DETAILS

Gebonden, 576 pagina’s, rijk geïllustreerd met 1.000 illustraties in kleur, ISBN: 978-90-6868-850PRIJS

€ 69,50 (na 14 juli 2022 € 99,50)

‘Nederland op zijn mooist. De achttiende-eeuwse Republiek in kaart en beeld’ biedt in meer dan duizend kaarten, stadsplattegronden, stadsgezichten, dorpsgezichten, stadhuizen, kerken, kloosters en abdijen, kastelen en buitenplaatsen, poorten en marktpleinen een bijna alomvattend beeld van het Nederlandse landschap in de achttiende eeuw. Een ‘Grand Tour’ door de Republiek der Verenigde Nederlanden, van Amsterdam tot Groningen en van Middelburg tot Maastricht. Het beeld dat oprijst is deels vertrouwd en heel herkenbaar, deels onbekend en bevreemdend. Veel van wat er op de prenten is te zien, is later afgebroken, verbouwd of vervangen, maar minstens evenveel is tot op de dag van vandaag bewaard gebleven.

Centraal in deze monumentale publicatie staat de door Isaak Tirion uitgegeven 23-delige boekenreeks ‘Tegenwoor-

dige Staat der Nederlanden’, de meest omvangrijke historisch-topografische beschrijving van de Republiek die tussen 1738 en 1803 verscheen. Tirion vulde de rijk geïllustreerde ‘Tegenwoordige Staat’ aan met de 9-delige boekenreeks ‘Het Verheerlijkt Nederland’, dat nog eens honderden extra afbeeldingen bevat. Voor het eerst wordt het gehele beeld- en kaartmateriaal van Tirions uitgaveproject in één groot overzichtswerk samengebracht. Het inleidende deel beschrijft het leven en werk van uitgever Tirion en gaat nader in op de kunstenaars (tekenaars, graveurs en cartografen) die hij bij zijn project betrok. Zij reisden door het hele land om zoveel mogelijk bezienswaardigheden ‘naar het leven’ te tekenen. De ter plaatse gemaakte schetsen werkten zij later in het atelier uit. Samen schetsen de illustraties een opmerkelijk beeld van de Republiek: een vruchtbaar, vredig en uitzonderlijk welvarend land met een rijke historie. n

27 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022 recent VERSCHENEN

Paleis Het Loo - Een koninklijk huis.

AUTEUR

Anne-Dirk Renting (red.)

UITGAVE

Waanders

DETAILS

Gebonden, 688 pagina’s, rijk geïllustreerd met ca. 500 illustraties, ISBN: 978-94-6262-348-4

PRIJS € 75,00

museum in 1984. In de drie tussenliggende eeuwen werd het huis bewoond door tien opeenvolgende generaties Oranjes. Het Loo werd hun meest geliefde zomerpaleis, maar ook een reisdoel voor kijklustigen en al wie zich wilde vergapen aan de pracht en praal van dit grootste paleis van Nederland.

Paleis

Het Loo: een koninklijk huis gaat over de geschiedenis van Het Loo in Apeldoorn vanaf de aankoop van Kasteel Het Oude Loo door prins Willem III in 1684 en de bouw van het nieuwe paleis in 1685 tot en met de laatste bewoning in 1975 en de openstelling van het paleis als

Aan bod komen onder meer de keuze voor de locatie, de bouw en het gebruik van het paleis, de aanleg van de tuinen, het park en het lanenstelsel, de bijgebouwen, de veranderingen in de interieurs en de ontwikkeling van de collecties. Ook de minder fortuinlijke tijden van het paleis worden belicht. De geschiedenis wordt tot leven gebracht aan de hand van dagboekfragmenten, reisjournalen en brieven. Het boek is geïllustreerd met een groot aantal prenten, plattegronden, kaarten, schilderijen en foto’s. Paleis Het Loo: een koninklijk huis is een koninklijk boek dat staat als een huis. n

Parallelle sporen. - Een dubbelbiografie over de archeologen Jan Hendrik Holwerda (1873-1951) en Albert Egges van Giffen (1884-1973).

DETAILS

Gebonden, 1.216 pagina’s, uitgave in twee banden, ISBN: 978-90-5345-586-9

PRIJS € 75,00

Twee

mannen domineerden bijna vijftig jaar lang de Nederlandse archeologie. Ze waren meester en leerling, maar kregen al snel ruzie. Het gevolg was dat ze bijna hun hele leven elkaar zouden tegenwerken. Die fascinerende strijd, in beleidskringen de persoonlijke tegenstellingen genoemd, zou bepalend zijn voor de ontwikkeling van de Nederlandse archeologie.

Jan Hendrik Holwerda (1873-1951) werkte bij het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, de toonaangevende instelling in de Nederlandse archeologie. Hij introduceerde de moderne archeologie in ons land. Zijn leerling Albert Egges van Giffen (1884-1973) zou hem binnen dertig jaar overvleugelen met zijn eigen Biologisch-Archaeologisch Instituut in Groningen. Holwerda en Van Giffen zijn de grondleggers van de archeologie in Nederland; even samen en daarna apart.

Hun levens zijn sterk met elkaar vervlochten, al zagen ze het zelf anders. Vanuit onze tijd zijn die levens te volgen als lange parallel lopende sporen.

Deze dubbelbiografie gaat over hun bijzondere levens, hun enerverende strijd en wat dit alles heeft betekend voor de archeologie in de context van honderd jaar Nederland (1880-1980). Meer dan twintig jaar had auteur Leo Verhart nodig om al die gegevens te verzamelen. Minutieus onderzocht hij hun persoonlijke levens, hun prestaties, successen, mislukkingen, tegenstellingen en de gevolgen. In zijn speurtocht ontdekte hij vele nieuwe en onverwachte aspecten van hun levens. Die enorme hoeveelheid gegevens levert een intrigerend gelaagd verhaal op dat hij levendig, boeiend en spannend weet te vertellen. n

28 recent VERSCHENEN VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022
AUTEUR Leo Verhart UITGAVE Matrijs

Rotterdam Wederopbouw Stad.

AUTEUR

Paul Groenendijk UITGAVE

Nai 010 Publishers i.s.m. Platform Wederopbouw Rotterdam, Stichting Architectuurgids.nl

DETAILS

Paperback, 128 pagina’s, geïllustreerd met ca. 135 afbeeldingen in kleur, ISBN: 978-94-6208-722-4

PRIJS

€ 19,95

Wie Rotterdam zegt, denkt aan bouwen. Na het vernietigende bombardement van 14 mei 1940 werd de stad

Lachen is gezond. Kees van Kooten, Wim de Bie.

AUTEURS

Kees van Kooten UITGAVE

De Harmonie DETAILS

Paperback, 208 pagina’s, ISBN: 978-94-6336-144-6

PRIJS € 22,50

Utrechtse buitenplaatsen. Lusthoven van adel, geestelijkheid en burgers.

AUTEURS

Lenneke Berkhout en René W. Chr. Dessing

UITGAVE

Kantoor Verschoor

DETAILS Paperback, 240 pagina’s, kleurrijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-8258-935-1

PRIJS

€ 22,50

Kasteel de Haar, Slot Zeist, Kasteel Amerongen, Oud- en Nieuw-Amelisweerd: stuk voor stuk bekende kastelen en buitenplaatsen in de provincie Utrecht. Niet alleen de gebouwen zijn architectonische parels, ook hun omringende parken en tuinen behoren tot ons nationaal groen-historisch erfgoed. Maar welke geschiedenis en mooie verhalen gaan er

letterlijk opnieuw opgebouwd. Dat bombardement wordtpas sinds 2008! - officieel herdacht. De wederopbouw is al vier dagen na het bombardement in gang gezet, toen stadsarchitect Witteveen opdracht kreeg een wederopbouwplan te maken. Aan den slag! Daarom viert Rotterdam op 18 mei Opbouwdag. Op 18 mei 1947 was de eerste Opbouwdag, dus in 2022 viert Rotterdam 75 jaar wederopbouw.

In deze gids zijn 100 projecten uit die wederopbouw opgenomen, grofweg van 1945 tot 1970. Vele zijn inmiddels rijksmonument of gemeentelijk monument, zijn gerestaureerd en hebben vaak een nieuwe functie gekregen. Elk project heeft zijn eigen bijzondere verhaal en is de moeite van het bekijken waard. Vergelijk de historische foto’s met de huidige situatie. Van Groothandelsgebouw tot Maastorenflat, van poffertjeskraam tot Euromast, van Pendrecht tot Ommoord. n

Terwijl de Stones met een nieuwe drummer op tournee gaan en ABBA een hypermoderne show voorbereidt met avatars van henzelf, vinden Kees van Kooten en Wim de Bie het mooi geweest. Ze blijven wél samen lachen en zo kwam het plan om hun allereerste gezamenlijk geschreven boek te herdrukken. Destijds waren de heren nog nauwelijks bekend bij het grote publiek, waardoor het boek al na een eerste druk naar de achtergrond verdween; het is nooit herdrukt. Tot nu. Lachen is gezond is een verzameling verhalen, columns, sketches, waar al veel van de thema’s en types in terug te vinden zijn, die inmiddels tot ons cultureel erfgoed zijn gaan behoren. Kees van Kooten en Wim de Bie werden onlangs uitgeroepen tot het allerbeste duo uit de Nederlandse televisiegeschiedenis.. n

schuil achter al deze Utrechtse kastelen en buitenplaatsen? Wie bouwden ze en wie woonden er? En hoe zijn al die fraaie parken en tuinen rondom deze buitens ontstaan?

Dit boek, dat vooral een verleidende gids wil zijn, beschrijft ruim vijftig van deze Utrechtse lusthoven. Hun bouw, het ontstaan van de tuinen, de bewoners en wetenswaardigheden uit de vaak eeuwenoude geschiedenis passeren de revue. Elke buitenplaats heeft zijn eigen, unieke verhaal. Maar deze buitens vertellen ook een verbindend verhaal: over rijkdom, macht, grondbezit, vooraanstaande families, architectuur- en tuingeschiedenis, maar ook over ziektes, brand en oorlogsgeweld.

Voorts bevat dit boek informatie over wat er op en in de buurt van de buitenplaatsen te beleven is: sommige zijn als museum toegankelijk, bij andere kun je wandelen en weer andere organiseren activiteiten – van natuur- en tuinexcursies tot concerten en cursussen. En op een flink aantal zijn evenementen mogelijk. Daarmee is dit boek niet alleen een aantrekkelijke introductie op dit bijzondere erfgoed, maar ook een gids om mee te nemen als je een buitenplaats bezoekt. n

29 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022 recent VERSCHENEN

Architecten van Hilversum 2

AUTEUR

Arie den Dikken e.a. (red.)

UITGAVE Verloren

DETAILS

Gebonden, 272 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-8704-949-2

PRIJS € 30,00

Hilversum wordt vaak aangeduid als het mekka van de jonge Bouwkunst in Nederland. Tien jaar lang hebben zeven specialisten onderzoek gedaan naar zo’n vijftig architecten die in Hilversum hebben gewoond en gewerkt. In Hilversum 2, het tweede deel van een vierdelige reeks, komt de periode 1915-1940 aan bod.

Dit deel gaat over de periode waarin Dudok, eerst als directeur Publieke Werken en later als gemeentearchitect, leiding gaf aan de ruimtelijke ontwikkeling van Hilversum. Als een regisseur zorgde hij voor een samenhang in de uitbreidingsgebieden en heel Hilversum door een zorgvuldig opgezet en toekomstgericht stedenbouwkundig plan, dat met hoogwaardige bebouwing werd ingevuld. Hij kreeg daarbij hulp van

Rewilding in Nederland. Essays over een offensieve natuurstrategie.

AUTEURS

Koen Arts, Liesbeth Bakker en Arjen Buys (red.)

UITGAVE

KNVV

DETAILS

Paperback, 248 pagina’s, ISBN: 978-90-5011-869-9

PRIJS

€ 24,95

Klimaatverandering en de zesde golf van wereldwijd soortenverlies noodzaken tot het ontwikkelen van offensieve strategieën voor natuur- en milieubescherming. Rewilding – wat we in deze bundel voorzichtig definiëren als het ‘meer ruimte geven aan natuurlijke processen’ – kan daaraan een bijdrage leveren. Maar is rewilding wel mogelijk in Nederland, een land waarin alles gepland, gereguleerd en geordend is; waarin de mens alles bepaalt?

In deze essaybundel komen verschillende schrijvers aan bod die hun visie geven op de ecologische, bestuurlijke en maatschappelijke mogelijkheden van rewilding.

anderen, vooral van het gemeentelijk woningbedrijf en de volkswoningbouwverenigingen. Dudok werd bovendien door het college van burgemeester en wethouders nadrukkelijk gesteund in zijn visie op de ontwikkeling van Hilversum. Vooral wethouder Barend Bakker, ook een vooraanstaand Hilversums architect, was een groot bewonderaar van hem. Als lid van de in 1923 opgerichte plaatselijke schoonheidscommissie kon Dudok invloed uitoefenen op ingediende ontwerpen van particuliere architecten.

In ‘Hilversum 2’ komen achttien architecten aan de orde. Hun levens en werken worden uitgebreid beschreven. Een enorme hoeveelheid afbeeldingen, waarvan een groot deel speciaal voor dit boek is gemaakt, completeert het geheel. n

Rewilding vindt meestal plaats in grote gebieden, waarbij een heel landschap wordt verwilderd. Ook de herintroductie van cruciale maar verdwenen soorten, zoals grote grazers of predatoren is een vorm van rewilding. Dit roept vragen op of rewilding past binnen het huidige natuurbeleid, wat de gevolgen zijn voor de biodiversiteit, en hoe de maatschappij aankijkt tegen rewilding.

Rewilding heeft ook een mentale kant, het ervaren van de wildheid van de natuur. Wat zegt het over ons als mens, dat wij de natuur willen beheersen? Helpt rewilding om de verloren verbindingen tussen mens en natuur te herstellen? Kunnen wij als Nederlanders de natuur loslaten, en accepteren dat zij zich niet altijd ontwikkelt zoals we hadden verwacht? Stedelijke rewildingprojecten en -mogelijkheden, die ook in deze bundel aan bod komen, zetten deze discussies op scherp.

Deze essaybundel ziet de veelheid aan discussies als een kracht. Blijkbaar biedt de term rewilding iets – of dat nu hoop is of niet – wat veel mensen energie geeft om ermee aan de slag te gaan. Rewilding, ooit ontwikkeld als een techniek uit de gereedschapskist van ecologen, een idee voorbehouden aan ingewijden, is inmiddels een fenomeen geworden waarbij spanningen en innovaties over duurzaamheid op een breed maatschappelijk vlak uitspelen. Dit boek is een introductie van dat fenomeen. n

30 recent VERSCHENEN VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022

AUTEUR

Guido Steenmeijer, Jacqueline Heijenbrok en Katrien Timmers (red.)

UITGAVE WBooks

DETAILS

Gebonden, 660 pagina’s, circa 1.000 afbeeldingen in kleur en zw/w, 3e herziene druk, ISBN: 978-94-6258-503-4

PRIJS

€ 59,95

eeuwen Kasteel de Haar’ is een monumentale uitgave over het grootste en meest sprookjesachtige kasteel van Nederland. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog voltooide Pierre J.C. Cuypers het kasteel, na meer dan twee decennia van bouwactiviteit. Zijn zoon Joseph restaureerde, reconstrueerde en completeerde de al eeuwenoude ruïne. Het resultaat is een heus Gesamtkunstwerk met een burcht, stallencomplex, kapel, tuinen en een park. De restauratie is inmiddels voltooid. De nieuwe kennis die tijdens deze werkzaamheden is opgedaan over dit ‘kanjermonument’ is verwerkt in dit boek.

‘Tien eeuwen Kasteel de Haar’ is prachtig geïllustreerd met oude en nieuwe foto’s, tekeningen en kaarten. Het boek vertelt het complete verhaal van Kasteel de Haar, van de archeologische resten uit de Middeleeuwen tot aan de recent voltooide restauratie en de nieuwe bevindingen die daarin zijn gedaan. Over de lange geschiedenis van het landgoed en het kasteel, zijn bewoners, het park eromheen en de decoraties in het Kasteel. n

AUTEUR Ron Guleij

UITGAVE

WBooks

DETAILS

Paperback, Gebonden, 384 pagina’s, circa 500 afbeeldingen in kleur, ISBN: 978-94-6258-481-5

PRIJS € 49,95

Kaarten. We kunnen er naar blijven kijken. Van visuele kunstwerken tot weerspiegelingen van de tijdgeest. Kaarten werden en worden gebruikt bij de uitvoering van belangrijke (overheids)taken. Kaarten vertellen verhalen en geven een beeld van, soms reeds verdwenen, gebieden. Met zeker 300.000 kaarten en tekeningen is het Nationaal Archief een ware schatkamer voor historisch onderzoek. Collectiespecialist cartografie Ron Guleij van het Nationaal Archief neemt een duik in de collectie en toont in ‘Het Grote Kaartenboek’ de mooiste en meest iconische kaarten. Rondom zes thema’s plaatst Guleij unieke kaarten in chronologische volgorde in hun historische context.

Daarnaast laten acht gastauteurs, specialisten binnen het thema, hun licht schijnen op de collectie van het Nationaal Archief. Het boek bevat ook een overzicht van de meer dan 110 afzonderlijke kaartenarchieven met de verschillende kruisverbanden om ook zelf op onderzoek uit te gaan. Het boek biedt bovendien een terugblik op ruim 150 jaar kaartbeheer. Laat u meevoeren in Het Grote Kaartenboek door de verhalen achter de kaarten, die deuren openen naar bijzondere episodes uit de geschiedenis. Een prachtig boek voor de liefhebber van cartografie en eenieder met belangstelling voor historische verhalen. n

31 VITRUVIUS NUMMER 60 JULI 2022 recent VERSCHENEN
Het Grote Kaartenboek. - Vijf eeuwen cartografie.
‘Tien
Tien eeuwen Kasteel de Haar.

Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius

Steeds meer gemeenten zetten zich actief in voor hun eigen cultuurhistorie, monumenten, musea, bodemvondsten en ander erfgoed. Erfgoed spreekt inwoners aan: talloze vrijwilligers zetten zich in voor het behoud van een monument, of zijn actief in een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel van locale identiteit. Erfgoed leeft!

Steeds meer gemeenten zetten zich actief in voor hun eigen cultuurhistorie, monumenten, musea, bodemvondsten en ander erfgoed. Erfgoed spreekt inwoners aan: talloze vrijwilligers zetten zich in voor het behoud van een monument, of zijn actief in een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel van locale identiteit. Erfgoed leeft!

Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met een ‘special’. Informeer naar de plaatsingsmogelijkheden.

Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl

Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele doeleinden. Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl

Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Nog geen abonnee? STEUN DE KENNISOVERDRACHT- EN VERSPREIDING
ONS
OVER
CULTUREEL ERFGOED
www.uitgeverijeducom.nl
Word abonnee en ontvang Vitruvius 4x per jaar digitaal. Voor tarieven zie Colofon elders in dit nummer.
Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.