Vitruvius april 2022

Page 1

ONVERWACHT EN KLEURRIJK -

DE OUDSTE JURK VAN NEDERLAND

DE MEERWAARDE VAN ONVERWACHTE (SCHAT)

VONDSTEN BINNEN MALTA-ONDERZOEK

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR JAARGANG 15 | NUMMER 59 | APRIL 2022 75 JAAR NA HISTORISCH-GEOGRAAF BEEKMAN NEDERLAND ALS POLDERLAND TUSSEN EXPRESSIONISME EN DE BEURONER SCHOOL LAMBERT LOURIJSEN IN DE AGATHAKERK TE ZANDVOORT VAN PIERRE J.J.M. CUYPERS

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special

Informeer naar de vele mogelijkheden? Stuur een e-mail met uw vragen en wensen naar: info@uitgeverijeducom.nl

4 10

75 JAAR NA HISTORISCH-GEOGRAAF BEEKMAN

NEDERLAND ALS POLDERLAND

DHR. DRS. A.F.J. NIEMEIJER

TUSSEN EXPRESSIONISME EN DE BEURONER SCHOOL

LAMBERT LOURIJSEN IN DE AGATHAKERK TE ZANDVOORT VAN

PIERRE J.J.M. CUYPERS

DR. B. VAN HELLENBERG HUBAR & M. COENEN

20

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

ONVERWACHT EN KLEURRIJK - DE OUDSTE JURK

VAN NEDERLAND

DE MEERWAARDE VAN ONVERWACHTE (SCHAT)VONDSTEN

BINNEN MALTA-ONDERZOEK

DR. R. JANSEN, DR. S. VAN DER VAART-VERSCHOOF, DR. Y. LAMMERS-KEIJSERS, ART PROAÑO GAIBOR, DR. INEKE JOOSTEN

JAARGANG 15 NUM ME R 59 APRIL 2022 3
VITRUVIUS_Jan.2020.indd 2 12/11/2019 20:24
Recent verschenen • 25 Voor u Gelezen 29

75 jaar na historisch-geograaf Beekman

Nederland als Polderland

Auteur: A.A. Beekman

Ten minste vijf (meer en minder verschillende) drukken / edities (1884-1932) (Afb. 1)

Eerste druk: 464 blz. + Literatuur, Inleiding, Register, Kaarten, Tabellen

Uitgeverij W.J. Thieme & Cie. te Zutphen1

Herlezer / auteur: Frits Niemeijer

1 - Omslag van de tweede druk van Nederland als Polderland (z.j.; 1915). Een ontwerp van de graficus C.A. Vlaanderen (1881-1955), met daarop het bekende stoomgemaal ‘Cruquius’ van de Haarlemmermeerpolder en een typisch Hollandse poldermolen.

Op 23 mei 2022 is het 75 jaar geleden dat de geograaf Anton Albert Beekman overleed. Reden om kort stil te staan bij zijn leven en vooral bij wat (maar discutabel) zijn belangrijkste werk genoemd mag worden. Beekman was een van de bekendste Nederlandse geografen van de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. (Naast o.m. H. Blink en R. Schuiling, met wie hij haat-liefdeverhoudingen onderhield.) Beekman leefde van 1854 tot

1947 en hij kan dus met recht exclusief als geograaf van genoemd tijdvak worden gezien. In de hoedanigheid van geograaf was hij onder meer jaren redacteur van het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap (TAG). Na circa 1930 is zijn naam echter langzaamaan in de vergetelheid geraakt – uitgezonderd onder (latere) vakgenoten, natuurlijk. Beekman begon zijn productieve wetenschappelijke carrière pas in de vroege jaren 1880. Hier staat tegenover dat hij bijna tot in zijn graf doorwerkte en zijn laatste grote werk werd daardoor zelfs postuum uitgegeven. (De wateren van Nederland; Aardrijkskundig en geschiedkundig beschreven; 1948) . Beekman ging als zestienjarige naar de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda – kort voor het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog van 1870. Mede hierdoor raakte hij betrokken bij de versterking en uitbouw van de Nieuwe Hollandse Waterlinie - een taak die zijn verdere levensloop zou beïnvloeden. Hoewel een militaire loopbaan dus aanvankelijk in het verschiet leek te liggen, is hij in 1879 uit dienst getreden, waarna hij zich in Zutphen vestigde en leraar mathematica aan een middelbare school werd. De Nederlandse waterstaat en waterbeheersing hadden intussen voorgoed zijn aandacht en zo raakte hij tegen het einde van de 19de eeuw betrokken bij de plannen voor de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de toenmalige Zuiderzee. Mogelijk vanuit deze belangstelling werd hij – nog steeds in Zutphen - enige tijd later leraar aardrijkskunde, zoals geografie toen nog werd genoemd. De overlevering zegt dat hij met verve kon vertellen over het cultuurlandschap van de lage delen van ons land en dat hij zijn

leerlingen hiermee ook nog wist te boeien. Opmerkelijk is dat hij feitelijk autodidact genoemd moet worden: hij volgde geen universitaire opleiding – iets wat overigens ook voor veel anderen gegolden zal hebben: geografie was hier nog geen formele wetenschappelijke discipline. Beekman was ondertussen van mening dat in het bijzonder de lage en natte delen van Nederland – dus de op wereldschaal meest uitzonderlijke gebieden – veel te summier waren vertegenwoordigd in het aardrijkskundig curriculum van die dagen. Bovendien – zo had hij vastgesteld – werd er in

3 - Het complexe afwateringssysteem van de droogmakerij Zuidplaspolder, tussen Capelle aan de IJssel en Moordrecht, zoals weergegeven in de N.a.P.-editie van 1915. (3r) Rechtsonder de oude toestand met een zgn. lage en een hoge boezem, 22 polder- en boezemwindmolens plus twee stoomgemalen. Erboven een schema van de hierbij behorende, trapsgewijze waterafvoer. (3l) Het kaartje linksonder geeft de geactualiseerde toestand weer met daarop twee aanzienlijk grotere stoomgemalen. (De afbeelding bevindt zich tussen blz. 132 en 133.)

talrijke bestaande boeken onzin verteld en de voorbeelden die hij hiervan opsomde, zijn inderdaad overtuigend. (Afb. 2)

1884, Doel - Kennisverbreiding

2 - Beekman omstreeks 1880, toen hij was verbonden aan het gymnasium te Zutphen. Rond deze tijd verruilde hij zijn (als niet zo boeiend beoordeelde) leraarschap in de wiskunde voor dat in de aardrijkskunde.

Dit leidde ertoe dat hij zelf de pen ter hand nam en dat hij begin 1884 de eerste editie van zijn Nederland als Polderland (= ‘NaP ’) het licht deed zien. (Deze uitgave is integraal te lezen op Google Books ) Beekman poogde hiermee – dus via kennisvergroting bij het lerarencorps - het onderwijs in de aardrijkskunde op middelbare scholen naar een hoger niveau te tillen. De uitgave (meer dan 460 blz.) was zeker niet bedoeld als leerboek voor de scholieren zelf, maar diende als ‘doorgeefluik’. Beekmans ‘NaP’ (editie 1884) bestaat uit twee delen // boeken, die respectievelijk ± 1/6 en 5/6 van het totaal aantal pagina’s beslaan. In Boek 1 pakte Beekman een breed scala van watergebonden onderwerpen aan, te beginnen met een reeks definities die betrekking hebben op rivieren en waterafvoer. Daarna kwamen de grote Nederlandse rivieren en de rivierwerken zelf aan de orde en vervolgens was er ook een hoofdstuk Vorming

van den bodem . Hierin laat zich de tijdgeest herkennen, want er wordt voorzichtig gesproken van “het zoogenaamde grintdiluvium, welks hoofdbestanddeelen grint en keien zijn, in afdeelingen als: het Scandinavisch grint t. N. van de Overijsselsche Vecht, gevormd door zand, rotsgruis, enz. dat waarschijnlijk door groote gletschers en op ijsbergen uit Scandinavië hierheen is gevoerd;” (p. 69). Het noemen van zoiets als één of meerdere ijstijden was in calvinistisch Nederland kennelijk nog niet aan de orde, hoewel deze term onder (Duitse fysisch-)geografen reeds bekend was sinds 1837. Boek 2, Het land der kunstmatige afwatering, der polders, der afgesloten en stilstaande wateren, is uiteraard het belangrijkste deel . Hierin pakte Beekman breed uit over verschillende landsdelen en hun ontstaan en ontwikkeling in waterstaatkundige zin. Fysieke en ruimtelijke kenmerken, alsmede historisch materiaal waren hierin leidend. Hij beperkte het historisch feitenmateriaal in deze eerste uitgave overigens - en gelukkig - tot het minimaal noodzakelijke. De systematiek in zijn behandeling van (regionale) deelthema’s is ondertussen opval-

lend, zij het misschien niet altijd zoals we dat tegenwoordig vaak via een numerieke indeling doen. Beekman verdeelde het Nederlandse polderland als volgt:

A- Het Hollands-Utrechtse polderland;

B- De Zuid-Hollands-Brabants-Zeeuwse zeekleilanden (bedijkingen);

C- De Gelders-Brabantse rivierkleipolders; D- Het Fries-Gronings-Overijsselse polderland;

E- De Zuiderzeekusten van het Zwartewater tot Gooiland en F- De eilanden in de Noordzee en in de Zuiderzee. Van elk ervan behandelde hij daarna volgens een tamelijk vast stramien een aantal facetten van de waterstaatkundige ontwikkeling en de toestand in ruimte en tijd en voorts enige bestuurlijke aspecten, enz. In het bijzonder zette hij zich – in woord en geschrift – ook in om gegeven definities van belangrijke waterstaatkundige begrippen te doen beklijven. Zijn stokpaardje zou geweest zijn ‘erin te hameren’ wat het verschil is tussen een polder en een droogmakerij. Waarbij het er steevast op neer kwam dat iedere droogmakerij een polder is, maar dat polders lang niet altijd droogmakerijen behoeven te zijn. Beekman

4 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 5 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
Bron: P.D., Universiteit Utrecht Bron: P.D., Delpher Bron: P.D., A.A. Beekman, Delpher

4 - Op deze wat bleke kaart, zoals die in de ongedateerde editie van Nederland als Polderland [1887//>>] voorkomt (naast blz. 114), zegt het beeld zeker niet méér dan woorden. Een titel ontbreekt, maar we mogen aannemen dat Beekman onder meer de kwetsbaarheid van Holland en Utrecht bij een eventuele (nieuwe) dijkbreuk van de Beneden-Rijn wilde weergeven. Hij deed dit via diverse arceringen.

De ogenschijnlijk handmatig aangebrachte rode cijfers zijn ‘meegedrukt’. Ze tonen – zoals de legenda zegt - respectievelijk ‘Uitwateringssluizen van Rijnland’ (I t/m IV) en ‘Schutsluizen tussen Rijnlands Boezem en aangrenzende boezems’ (1 t/m 4).

illustreerde droogmakerijen aan de hand van het complexe voorbeeld van de Zuidplaspolder, het letterlijke ‘dieptepunt’ van Nederland. (Afb. 3) Curieus is dat hij in 1884 ook stelde dat niet alle droogmakerijen beneden zeeniveau (NAP) liggen. Zo noemde hij enkele voorbeelden van hooggelegen polders nabij Haule, in Friesland, met als bijzonderheid een droogmakerij nabij Hornsterzwaag. (p. 345) Het lijkt er echter op dat Beekmans verwachting van komende ontwikkelingen hier met hem aan de haal is gegaan, want hoewel vervening en ontginning van dit veendistrict tot definitief in cultuur brengen ervan heeft geleid, bleven meerdere plassen en poelen er tot op de dag van vandaag voortbestaan als natuurreservaten. (o.m. Haulerveld en Schoterlandsche Poel)2 Dit

neemt niet weg dat er in Friesland in de loop der eeuwen talloze (kleine) meren zijn drooggemalen, nl. meer dan 125! (Zie hierover o.m. publicaties van B. Schulz.)

Ondanks dit missertje (?) leek Beekmans voornaamste doel – een op feiten gestoelde en systematische behandeling van wat hij in de ondertitel van deze eerste editie van het boek noemde ‘de belangrijkste helft van ons land’ – hiermee heel aardig bereikt. De uitgave werd dan ook gunstig ontvangen, mede door enkele bijgevoegde kaarten. (Zie bv. J. Kuyper, De Gids, 1884; overigens wees Kuyper [ook] op enige onjuistheden)

(1887 en) ‘1887//>>’ : Valkuil - Te veel feiten

Hoe anders was dat enkele jaren later,

toen Nederland als Polderland (met een gewijzigde ondertitel en zonder jaar van uitgave) verscheen. Deze nieuwe editie was een (ongewijzigde?) herdruk van een wél ingrijpend gewijzigde uitgave uit 1887 (= ‘1887//>>’), getiteld: De strijd om het bestaan: Geschiedenis en tegenwoordige staat van de lage gronden van Nederland, voor niet technici.3 En in dit laatste zit het venijn: Beekman meende een veelheid historische en rechtshistorische feiten in zijn verhaal te moeten opnemen (Zie: Voorwoord) en verder tegelijkertijd de systematiek overhoop te moeten gooien. Hij groef hiermee zijn eigen graf, want hij leverde er een onleesbaar werk mee af, van het type: omgevallen boekenkast. Het werd nog enige tijd verkocht omdat de (inderhaast opnieuw gebruikte?) titel herinnerde aan

de eerste, goed ontvangen uitgave, maar het boek verdween daarna ruim 25 jaar uit beeld. Van ‘een strijd om het bestaan’ is in beide uitgaven weinig te bespeuren, maar van een worsteling met tekstworst des te meer. Beekman bombardeerde de lezer met een overvloed aan kleine ‘weetjes’ en behalve de leesbaarheid, leed ook de structuur van het werk hieronder. Ook het kaartmateriaal werd in de nieuwe uitgave niet per se beter. Zo muntte het hier weergegeven, titelloze kaartje naast blz. 114 zeker niet uit in duidelijkheid. Wel toont het Beekmans bijna obsessionele drang tot het zo omvattend mogelijk weergeven van ‘gelaagde feiten’. (Afb. 4) Opmerkelijk is dat de ‘strijd’ tegen het water waarvan Beekman in de in 1884 verschenen, eerste uitgave melding maakte (p. 225), ook de inleiding vormde tot een verhandeling over onze landsverdediging door middel van inundaties. In drie bijlagen behandelde hij hierin op bezielde wijze achtereenvolgens ‘kunstmatige onderwaterzettingen in het algemeen’, dan de ‘inundaties van Nederland in 1672’ en tot slot ‘de Nieuwe Hollandse Waterlinie’. Zo omvat de eerste alinea van de eerste van deze bijlagen een veelzeggend voorbeeld van de woorden die hij hiervoor in 1884 koos: ”Kunstmatige onderwaterzetting? En wij wenden allerlei kunstmiddelen aan, doen al het mogelijke om ons diep gelegen land van het overtollig water te bevrijden? Immers ontwoekerd aan de zee en de stroomen is het vaderland en bestaan in een onafgebroken strijd tegen de wateren: de aanhoudende oorlog met dien onverzoenlijken vijand, het water, is de hoofdvoorwaarde van het bestaan van den geboortegrond. Doch in tijden als ook andere gevaren ons bedreigen, dan wil die vijand voor een wijle onze krachtige bondgenoot zijn. In oorlogstijd nl., dan helpt het water, dat wij tijdelijk op het land kunnen brengen waar wij willen, mede, om den vreemden indringer buiten te houden; […]” (blz. 425) En juist deze welluidende bijlagen schrapte hij in de editie van 1887, die desondanks gegroeid was naar meer dan 600 bladzijden.4 Niet alleen dit schrappen is er de oorzaak van dat de twee edities van 1887 en 1887//>> naar de mening van uw ‘herlezer’ niet de meest geslaagde zijn. Ze zijn door de overdaad aan feiten en weetjes niet alleen minder toegankelijk, maar ze lijken ook geen weerslag meer te zijn van het type lessen waarmee middelbareschoolleraar Beekman eerder zijn leerlingen wist te boeien. Vanuit dit oogpunt bezien, is het bijna terecht te noemen dat

deze beide uitgaven nooit als de officiële tweede en derde druk zijn geboekstaafd.

1909 / 1912: Verbreding - Technische aspecten

Ongeveer 25 jaar later is opnieuw een variant van Nederland als Polderland verschenen, toen als onderdeel van de reeks Waterbouwkunde ’. Het boek was het eerste deel van Afdeling VI in die reeks en het heette: Polders en droogmakerijen. De uitgave bestaat – net als de eerdere uitgaven - uit een eerste en een tweede boek. In mijn exemplaar zijn beide delen in één band gebonden, die respectievelijk in 1909 en 1912 zijn verschenen bij de Haagse uitgeverij Gebr. Van Kleef. Uit het eerste boek, dat qua structuur grote verwantschap vertoont met de uitgave uit 1884, blijkt aanzienlijke ‘evolutie’ van de wetenschappelijke kennis. Zo is er hier enkele malen sprake van grond- en eindmorenen en daarmee dus ook van ijsbedekking van delen van ons land (bv. op pp. 311, 476).

Ook in andere zin was er sprake van een update : de hierboven genoemde hooggelegen droogmakerij nabij Hornsterzwaag blijkt geschrapt. Het feit dat de oude systematiek in Polders en droogmakerijen werd hersteld, was winst; mogelijk was dit (mede) te danken aan de drie eindredacteuren van de reeks, de Delftse hoogleraren H. Henket, Ch. M. Schols en J.M. Telders. Het tweede boekdeel draagt als titel ‘Technische inrichting van Polders’ en Beekman liet hierin over meer dan 300 bladzijden zijn kennis op het gebied van uiteenlopende facetten van de waterstaat en bemaling(swerktuigen) de vrije loop.

Dit deel is misschien iets minder interessant voor cultuurhistorici, maar vermoedelijk is het juist wel de moeite waard voor geïnteresseerden in de geschiedenis van de techniek en in het bijzonder voor degenen die zich met fysieke aspecten van stoommachines, windmolens, gemalen en met allerlei opwerkingswerktuigen bezighouden. De vele bijbehorende afbeeldingen – waaronder opengewerkte tekeningen en doorsneden van sluizen, gemalen en molens - spreken voor hen boekdelen. (Ook deze uitgave is integraal online raadpleegbaar).

1915: Nieuw élan – NaP met poëtisch proza Enkele jaren later, in 1915 – maar weer zonder dat dit expliciet werd vermeldverscheen een nieuwe uitgave van Neder-

land als Polderland . En toen met een fraai, blauw omslag, waarop – boven het met grote letters gestelde ‘Tweede druk’ (!) - het iconische stoomgemaal Cruquius was afgebeeld. In een eigentijdse recensie is hierover te lezen dat het werk aan betekenis en leesbaarheid heeft gewonnen.5 En er staat verder onder meer: “Ontspanningslectuur, geschikt om verloren halve uurtjes te vullen waarin men zijn hersens rust wil gunnen, is het geenzins. Maar moeilijke lectuur is het ook niet, en wie het leest zoo als het gelezen moet worden zal beloond worden met een exquis intellectueel genot. Het is een ernstig, ik zou willen zeggen een grootsch boek.” (W. de Sitter, De Gids, 1916). Schrijver dezes sluit zich hierbij aan, al moet hem van het hart dat het tekort aan literatuurverwijzingen en/of bronnen bij de tekst hem teleurstelde. De structuur van het werk is opnieuw belangrijk gewijzigd, zoals blijkt wanneer (meer voor de hand liggend) wordt geopend met een hoofdstuk De zee en de kust , gevolgd door De hoofdrivieren. Hierin bestaat ook aandacht voor rivierverbeteringen. Het eigenlijke onderwerp van het boek komt pas vanaf het derde hoofdstuk aan de orde, in Het Polderland in ’t algemeen. Dit hoofdstuk biedt een mooie gelegenheid om een ‘poëtische’ Beekman aan het woord te laten in een zinsnede uit een ode op zijn geliefde land, die niettemin is voorzien van een licht kritische toon: “Een land dat zelf slechts boven water gehouden wordt door al dat zwoegen der oude windmolens, die wij met hunne lange armen zien zwaaien door de lucht en der stoomtuigen en andere gemalen, die al meer en meer de typische windwatermolens vervangen met hun leelijke gebouwen en gebouwtjes met lange schoorsteenpijpen, welker lange zwarte rookpluimen getuigen van nog zwaarder arbeid.” (blz. 108) Deze officieel zo genoemde ‘Tweede druk’ is weer een veel leesbaarder uitgave geworden dan de voorgangers van 1887 en 1887//>>. Beekman leidde de lezer in 1915 door een waterrijk landschap met een complexe geschiedenis en een niet in één oogopslag heldere ruimtelijke structuur. Maar zelfs een beetje ontwikkelde, geïnteresseerde relatieve leek moet uit zijn verhaal de portee ruim voldoende hebben kunnen destilleren. Ook wie op regionaal of lokaal niveau geïnformeerd wilde worden, werd niet teleurgesteld –maar zoals gezegd: helaas vrijwel zonder literatuur- of bronverwijzingen. En hier eveneens het opmerken waard: de afbeeldingen zijn veel beter leesbaar – en ten

6 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 7 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
Bron: A.A. Beekman, P.D.

dele actueler - dan die in de drie eerdere uitgaven die door Thieme & Cie. werden verzorgd. (Vgl. Afb. 3lo)

1932: Nog eenmaal NaP – Slotakkoord

Tot slot wordt hier nog kort ingegaan op de laatste uitgave van Nederland als Polderland uit 1932, met ruim 500 blz. In deze versie – de antiquarisch vermoedelijk meest voorkomende – volgde Beekman in hoofdzaak de tekst van de uitgave van 1915, maar op een flink aantal punten paste hij die aan op nieuwe kennis en inzichten en ook op feitelijke veranderingen. Zo paste hij bijvoorbeeld de afwateringstoestand van de polders op het eiland

Tholen aan door te vermelden dat die ene poldermolen intussen versterking had gekregen van maar liefst drie stoom- of petroleumgemalen. (blz. 258, 259) Ook actualiseerde Beekman de juridische en de fysieke facetten van de inmiddels volop onderhanden zijnde Zuiderzeewerken. Niet vreemd natuurlijk, voor een persoon die zich tientallen jaren in woord en geschrift had beijverd voor afsluiting en gedeeltelijke droogmaking daarvan. Hiertoe is een apart hoofdstukje (XI) van 13 bladzijden ingelast, waarin hij verhaalt van de aanleg van de Afsluitdijk en waarin verder onder meer een wetswijziging (25 mei 1926) voorkomt betreffende de aanvankelijk beoogde aanlanding hiervan aan de Friese kust bij Piaam. De wetswijziging bracht een noordelijker beloop, die leidde tot een (uiteindelijk ook zo uitgevoerde) aanlanding nabij het dorp Zurich. Dit alles vanwege de benutting van een in de zeebodem aanwezige keileemlaag.6 Verder deed hij kort verslag van de droogmaking en de inrichting van de Wieringermeerpolder. Hiernaast besteedde Beekman ook in deze nieuwe uitgave weer aandacht aan enige andere grootschalige waterwerken, zoals aanleg van nieuwe kanalen (bv. de Twentekanalen) en rivierverbeteringen die de bevaarbaarheid en de waterafvoer ervan moesten verbeteren. Een typisch Nederlands onderwerp, dat in eerdere edities geen rol van betekenis speelde. (Zie ook: W.G.C. Gelinck, TAG, 1932) Hiermee staat in schril contrast dat hij in 1932 niet opnieuw ruimte inlaste voor zijn andere oude liefde: de Nieuwe Hollandse Waterlinie, die juist vanaf de jaren ‘20 weer in de actualiteit begon terug te keren. Niettemin: de uitgave is een welluidend slotakkoord van Beekmans variaties op NaP .

1885-1947: Enig ander werk – En Actualiteit?

Dat Beekman echt een roeping als leraar aardrijkskunde heeft gevoeld, kan blijken uit het feit dat hij (met zijn collega-geograaf Schuiling) vanaf 1889 een Schoolatlas van de geheele aarde samenstelde , die tot en met 1927 concurreerde met die van Bos en Niermeijer, van uitgeverij Noordhoff in Groningen.7 Van de Beekman en Schuilingatlassen zijn minimaal acht drukken verschenen en ze vertonen belangrijke thematische en grafische verschillen met die van Bos en Niermeijer. Hiernaast deed Beekman vanaf 1913 met enige regelmaat delen het licht zien van zijn Geschiedkundige atlas van Nederland (‘s-Gravenhage, 1913-1938), waaruit tot op de dag van heden kaartjes en (vaak achterhaalde) feiten worden gerecycled. Om wat Beekman betreft nog maar te zwijgen van de talrijke publicaties die hij (vanaf 1885?) wijdde aan de hierboven reeds genoemde ‘promotie’ van de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee.8 Al met al waren zijn verdiensten voor iedereen duidelijk, reden waarom hem intussen een eredoctoraat en ook twee koninklijke onderscheidingen waren verleend. In een levensbeschrijving wordt echter ook gesteld dat hij ‘zijn levensavond als weduwnaar in grote eenzaamheid [zou] doorbrengen, daarbij geplaagd door toenemende doofheid.’ Dit laatste was bovendien de directe aanleiding voor het einde van zijn onderwijsbetrekkingen – na Zutphen nog in Schiedam en Den Haag, waar hij in 1916 afscheid moest nemen. Mogelijk boden dit afscheid en de stilte hem wel de gelegenheid om zijn laatste werk samen te stellen, het boven al genoemde De wateren van Nederland; Aardrijkskundig en geschiedkundig beschreven dat het jaar na zijn overlijden verscheen. (Afb. 5)

Beekmans positie binnen Nederlandse (historisch-)geografische kringen was belangrijk, maar niet onomstreden. Blijkens omschrijvingen was hij zelf – laten we het zo zeggen – niet de gemakkelijkste in de omgang en er waren dan ook langdurige en diepgewortelde controverses tussen hem en zijn beide grote generatiegenoten, de genoemde Blink en zelfs ook Schuiling. De kern ervan lag in Beekmans starre overtuiging dat het Nederlandse laagland – het land van polders en droogmakerijen dus – de voornaamste rol vervulde in de geschiedenis, economie en vooral ruimte -

den maakte, spreekt bijna vanzelf. Dat hij daarbij van 1884 tot in 1947 bezeten bleef van het onder de aandacht brengen van deze exceptionele vorm, verdient grote bewondering. Zelfs al was hij misschien een wat moeilijke man – hij was zeker een bevlogen geograaf. En al zijn enige oudere edities van NaP [en varianten] wellicht niet gemakkelijk leesbaar – ze zijn wel het raadplegen waard. Bovendien vereist de actualiteit steeds opnieuw kennis over de zeer lage en kwetsbare ligging ten opzichte van zeeniveau van één helft van Nederland. En daarbij is zeker ook kennis van het verleden en van wat erover is geschreven onontbeerlijk. Al was het maar om het op volgende klimaatconferenties te kunnen uitleggen of om te anticiperen op een misschien wel onontkoombare verlegging van het ‘voornaamste deel des lands’.

Noten

lijke bijzonderheid ervan. Anderen waren gewoonlijk de mening toegedaan dat oud ging vóór jong en dat beschrijvingen van pleistocene (= diluviale) landschappen en gebieden vooraf dienden te gaan aan die uit het holoceen (= alluvium).

De laatste editie van Nederland als Polderland kan als de definitieve worden opgevat, maar wie de puntjes op de i’s wil zetten, moet ook oude edities raadplegen. Je komt daar de gekste kleine feiten in tegen, en de edities zijn nu relatief gemakkelijk te vinden dankzij internet. Het voornaamste bezwaar tegen de laatste versie is echter dat er – anders dan in de meeste eerdere uitgaven – geen noten, geen verwijzingen en zelfs geen literatuurlijst in voorkomen! Die vind je in elk geval wel voldoende terug in de edities van 1887 en 1887//>>. De overtuigendste ‘verhalende’ editie blijft naar de mening van schrijver dezes echter de eerste, die van 1884 – al was het maar door de alleen daarin geuite, expliciete stellingname van Beekman. In de Inleiding schreef hij - bijna verontwaardigd - over het algemene gebrek aan kennis over laag-Nederland: “Juist datgene wat het onderwijs in aardrijkskunde daartoe kan bijdragen, dat is kennis verbreiden van den exceptionelen vorm van den bodem van het voornaamste deel des lands, dat van een gesteldheid is en een voorkomen heeft als nergens elders ter wereld aan een landstreek eigen zijn, dat laat het bijna geheel achterwege.” Dat hij hiermee vanaf het begin weinig vrien-

jrg. 16, nr. 3, 164-177.

3 Er zijn dus twee (vrijwel?) identieke uitgaven, waarvan de eerste uit 1887 (De strijd om het bestaan) en een iets latere, zonder jaar van uitgave ‘1887//>>’ (Nederland als Polderland).

4 Dat was dus De strijd om het bestaan. En in het verlengde hiervan dus ook in de volgende, gelijke editie van Nederland als Polderland.

5 Er is reden aan te nemen dat De Sitter de eerdere uitgaven hier verwarde: die van 1884 en die van 1887 en 1887//>> verschillen dermate, dat het erop lijkt dat hij wat de leesbaarheid betreft, refereerde aan deze laatste.

6 Een duidelijk teken van modernisering is dat hij de termen diluvium en alluvium verving door holoceen en pleistoceen – zij het zeker niet overal en dus niet consequent.

1 Voor dit artikel is onder meer gebruik gemaakt van M.W. Heslinga (1977), A.A. Beekman en de vaderlandse aardrijkskunde in het laatst van de negentiende eeuw. In: KNAG, Geografisch Tijdschrift XI, Nr. 5, 324-338. En verder ook van het digitaal te benaderen: M. van Egmond (z.j.), ‘De kaartencatalogus van Beekman’ van de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek van Utrecht en van S.J. Fockema Andreae (1950/51), Anton Albert Beekman (Amsterdam, 5 Januari 1854 - ‘s-Gravenhage, (sic), In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 67-73; http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/ bwn3/beekman

2 Dat Beekman – ondanks zijn ongelukkige voorbeelden - gelijk had, kan onder meer blijken uit droogmakerijen in Noord-Brabant (De Oude Zoek, aan de Belgische grens beneden Rucphen, ca. 11 m + NAP; drooggemaakt in de tweede helft van de 19de eeuw) en op de Utrechtse Heuvelrug (Op landgoed Den Treek bij Leusden werd rond het midden van de 19de eeuw onder meer de natuurlijke plas Het Vogelwater drooggemaakt – het ontstaan van de zogeheten ‘De Droogmakerij’. Enige jaren geleden is deze droogmakerij (ca. 7,5 m + NAP) prijsgegeven. (Zie hiervoor o.m. H. Renes (1998), Op het water herwonnen; het droogmakerijenlandschap van de Beemster, 164: In: Historisch-Geografisch Tijdschrift,

7 Naast deze schoolatlas verschenen er niet minder dan vier andere atlastitels ten behoeve van het onderwijs.

8 A.A. Beekman (1886), De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee. In: Eigen Haard, 342-346, 356-339, 366-371.

8 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 9 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
5 - Beekman in 1924 aan het werk – vermoedelijk in Den Haag. De nog steeds prominente snor kenmerkte hem vanaf zijn Zutphense jaren. Bron: P.D., Universiteit Utrecht

Tussen expressionisme en de Beuroner school

Lambert Lourijsen in de Agathakerk te Zandvoort van Pierre J.J.M. Cuypers

In de afgelopen nummers van Vitruvius hebben we regelmatig het woord beschermd laten vallen: beschermd monument, beschermd rijksmonument, beschermd gemeentelijk monument, beschermde interieurs, noem maar op. Vrijwel iedere keer ging het om voorbeelden met een volledige protectie, zowel van binnen als van buiten. Ditmaal gaan we het hebben over een gebouw met een beperkte bescherming: de Agathakerk van Pierre J.J.M. Cuypers in Zandvoort (1927-1928) met de monumentale uitmonstering van Lambert Lourijsen (1885-1950) (afb. 1).1

Dit is namelijk als beeldbepalend pand alleen van de buitenkant beschermd. Dat betekent niet veel goeds voor het interieur dat in principe vogelvrij is, mocht de kerk in de toekomst onverhoopt buiten gebruik worden gesteld.2

De derde generatie architecten Cuypers

Naar het werk van Pierre Cuypers junior (1891-1982) moet nog veel onderzoek gedaan worden, wat niet vergemakkelijkt wordt, doordat een deel van zijn oeuvre formeel op naam staat van zijn vader en/ of van hen samen en een deel uitsluitend op zijn naam. Wat dat betreft herhaalt de geschiedenis zich, want datzelfde is het geval bij het werk van zijn vader en grootvader. Bij Pierre J.H. en Joseph Cuypers kun je eigenlijk vanaf 1883, toen de laatste afstudeerde als bouwkundig en civiel ingenieur aan de Polytechnische school van Delft, niet meer zeggen wie nu precies wat heeft gedaan.3 Dat is met name het geval in de jaren 1890, wanneer Cuypers met tussenpozen overspannen is en het werk

vrijwel volledig in handen is van Joseph Cuypers en zijn medewerkers, onder wie Karel de Bazel, Mathieu Lauweriks en Jan Stuyt.4

Ook bij de volgende generatie blijkt dat bij een aantal kerken gebeurd te zijn. In dit geval is het wat eenvoudiger afleesbaar, doordat we inmiddels weten dat het Pierre was die het expressionisme in het bureau introduceerde. Dat gebeurde overigens nog vrij vroeg in zijn carrière die na de demobilisatie na de Eerste Wereldoorlog –hij was toen 27 jaar – een aanvang nam. Bij de behandeling van de kerk van Simon en Judas in Lattrop (Overijssel, 1923-1925) in Vitruvius van verleden jaar bleek dat Pierre J.J.M. Cuypers in 1922 kennis maakte met

huisarchitect van de franciscanessen, F.B. Sturm.6 Nu beschikte niet iedereen over zo’n grote beurs en zal ook niet iedere bouwpastoor onverdeeld enthousiast zijn geweest over het expressionisme uit de benedictijner hoek. Dat vroeg telkens weer om maatwerk en verklaart ook de diversiteit van de verschillende gebouwen.

de kerkelijke variant van deze stijl toen hij op verzoek van architect en benedictijn dom Bellot betrokken raakte bij de uitbreiding van het Gymnasium Augustinianum van de paters augustijnen in Eindhoven.5 Vanaf dat moment is hij bezig met een selectieve integratie van het idioom van Bellot in de vertrouwde baksteenpolychromie van zijn vader en grootvader. Zijn vader die het bureau als netwerker naar buiten toe presenteerde, heeft zich in dit experiment goed kunnen vinden. Vrijwel zeker heeft hij zijn zoon ingeschakeld bij het meest uitbundige voorbeeld dat van de tekentafel kwam: de kapel van het Noviciaat van het Franciscanessenklooster in Roosendaal (circa 1932) die formeel op naam staat van Joseph Cuypers en de

Binnen dit krachtenveld kreeg Pierre J.J.M. Cuypers in 1927-1928 de gelegenheid om te oefenen met twee variaties voor een min of meer bescheiden publiek: de in 1975 gesloopte Schipperskerk van Delfshaven (Rotterdam), bestemd voor de doelgroep waar ze naar vernoemd was; en de Agathakerk in Zandvoort die wat ruimer werd opgezet vanwege de zomerse toestroom van badgasten (afb. 2).7 Wat nu precies van dit dubbelontwerp tot een eigen visie herleid kan worden en wat een vrije ontlening vormt van Bellot of zijn medewerker H.C. van de Leur, vraagt om nader onderzoek. Om een enkel voorbeeld te noemen: de geknikte en geschoorde keperbogen van het schip waarop de dakconstructie rust, lijken een eigen variant van de betonnen keperbogen in de – helaas ook al gesloopte – Theresiakerk van Van de Leur en Bellot in Nijmegen uit 1927. Het grote verschil is dat de ‘kokerspanten’, zoals Pierre ze in het Gildeboek noemt, met het bijbehorende beschot uit Oregon Pine (of Douglas fir) zijn gemaakt, zowel in Zandvoort als Delfshaven. Vrijwel direct hierop ligt het dak, waardoor men geen last had van overtollige en kostbare ruimte zoals bij gewelven wel het geval is. Dat deze toepassing ook vanwege de houtsoort bijzonder was, blijkt bij een eerste inventarisatie aan de hand van Reliwiki. Er worden op dit moment geen andere voorbeelden van Oregon Pine uit de jaren 1920 genoemd. De vroegste treffer dateert van 1934 en betreft de gereformeerde Brandariskerk van Hendrik Sitterland, eveneens in Delfshaven. Via Delpher zoeken in het Gildeboek leverde alleen de hiervoor aangehaalde vermeldingen op van Pierre Cuypers junior.8 Vooral nu een van de twee gebouwen al gesloopt is, is alertheid op haar plaats.

Nu zijn er meer zaken die de aandacht trekken, zoals het subtiel naar buitengeplaatste benedendeel van de muren van de zijbeuken van de Agathakerk die hiermee het verloop van de steunberen volgen. Dat ontbreekt bij de Schipperskerk die

2 - Het interieur van de Agathakerk oogt opvallend ‘modern’ voor een gebouw uit 1928. Heel bijzonder is de kapconstructie met – zoals Pierre J.J.M. Cuypers zelf noemde – ‘kokerspanten’ uit Oregon Pine. De geknikte keperbogen keren terug in de ‘triomfboog’ en de kopwand waarop de apsis aansluit: doordat ze kleiner zijn wordt een versneld perspectief veroorzaakt (zie noot 7). Apart zijn verder de robuuste apostelkoppen als kraagstenen van de spanten.genomen.

3 - Wat verder opmerkelijk is is de ruimhartige toepassing van graniet in de kerk, onder meer in de hoek van de preekstoel, of misschien correcter de ambo, omdat het klankbord ontbreekt. Mogelijk was dat akoestisch overbodig vanwege het houten dakbeschot.

10 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 11 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
Marij Coenen Redacteur & fotograaf vanhellenberghubar.org 1 - Bij de Agathakerk te Zandvoort (1927-1928) heeft Pierre J.J.M. Cuypers een gematigde vorm toegepast van het kerkelijke expressionisme dat in Nederland geïntroduceerd is door architect dom Paul Bellot.
Bron: bvhh.nu 2014. Bron: bvhh.nu 2014.
Bron: bvhh.nu 2014.

4 - Detail van een van de koppen: doordat graniet als harde steen niet eenvoudig te bewerken is, moet de onbekende beeldhouwer heel dicht bij het blok blijven, wat in dit geval leidde tot een bewust rudimentaire opzet. Bewust omdat de reliëfs van de dieren en engelen bij het priesterkoor veel verfijnder zijn uitgewerkt (zie afb. 5). Bij de kraagstenen is relatief weinig materiaal weggekapt wat leidde tot hoekige koppen en een robuuste detaillering die recht doet aan de textuur van de steen. Door de vertekening doen de apostelhoofden expressionistisch aan.

wel hetzelfde aantal traveeën heeft, maar kleiner is van opzet. Algemeen manifesteren zich in het laatste ontwerp vrij veel traditionele vormen, zoals de spitsbogen in de schiparcade. Deze arcade heeft in de Agathakerk plaats gemaakt voor een lage, robuuste colonnade waarvan de sprong van pijler naar pijler bestaat uit een afgesneden keperboog in de vorm van een halve zeshoek. Helemaal bijzonder zijn de kraagstenen met apostelkoppen uit graniet (afb.35). Met hun ruwe aanzien herinneren ze aan de schilderingen van Piet Gerrits die als model de bedoeïen nam die hij had bestudeerd in het heilige Land. Laat dit nu weer passen bij de verweerde koppen van de Zandvoortse vissers, wier boerse tegenhangers in Zeeland onder meer de modellen leverden voor de apostelserie van Jan Toorop (1909-1912).9

Er valt nog veel meer te zeggen over dit twee-eiige tweelingontwerp, maar dat moet wachten tot verder onderzoek. Hier kunnen we voorzichtig concluderen dat Pierre J.J.M. Cuypers vooral in Delfshaven het expressionisme sterk geminimaliseerd heeft, terwijl het experimentele karakter nadrukkelijker op de voorgrond treedt in de Agathakerk. Waar we in ieder geval van af moeten is een typering in termen van de Amsterdamse school van dit soort architectuur, ook wat betreft de torens van Pierre junior op de westbouw van de nieuwe Bavo/Koepelkathedraal te Haarlem. Er mogen best enkele metselverbanden overeenstemmen, maar kort en goed gaat dit toch om een type architectuur dat dom Bellot in Nederland introduceerde en we voor ons gevoel beter kunnen aanduiden als benedictijner expressionisme. Daarmee wordt de nadruk gelegd op een orde die in de late negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw ongelooflijk veel heeft betekend voor de kerkelijke architectuur en monumentale kunst (afb. 6).10 Dat wordt bevestigd door het hiernavolgende stuk over de bijdrage van monumentaal kunstenaar Lambert Lourijsen die zijn kunst entte op de esthetica van de benedictijner Beuroner school.

5 - Aanzetstuk van de triomfboog, bij de preekstoel (zie afb. 3). Het stelt de pelikaan voor die haar jongen voedt met haar bloed, symbool van de zichzelf opofferende Christus die de kruisdood stierf. De ondanks de harde steen verfijnde uitwerking bevestigt dat de apostelkoppen bewust primitief zijn gehouden. Of het hier om dezelfde beeldhouwer gaat staat niet vast.

Lambert Lourijsen en de invloed van Jan Toorop en de Beuroner school

De samenwerking van Lambert Lourijsen11 met Pierre J.J.M. Cuypers in Zandvoort was niet zo verwonderlijk, want niet lang daarvoor was hij aangezocht voor het ontwerp van de mozaïeken in de Aga-

thakerk in Beverwijk van de architecten Cuypers (1924), terwijl hij voor die tijd met de mozaïeken van de Sacramentskapel in de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal van Joseph Cuypers bezig was (1923). Op dat moment was Lourijsen in de kathedraal als rechterhand van Jan Toorop tevens bezig met de afwerking van de uitmonstering van de Aloysiuskapel.12 Hoewel dat project opnieuw mislukte, bevestigen de ontwerpen en de wel uitgevoerde sectieltableaus uit 1906 wat sinds ‘De genade van de steiger’ steeds duidelijker werd: er was geen kunstenaar die op zo’n overtuigende manier het Beuroner ideaal assimileerde als Jan Toorop. Zelf hoorde de kunstenaar tot het netwerk van oud-studenten van de Rijksacademie die vermoedelijk een eerste indruk kregen van de Beuroner school dankzij een artikel van Mathieu Lauweriks over de doctrine van Desiderius Lenz, de voorman van die school (1898). Lauweriks kwamen we eerder tegen als een van de medewerkers met wie Joseph Cuypers in de jaren 1890 het bureau in Amsterdam bestierde. De man die echter nog meer invloed had op Toorop en bevriende col-

lega’s als Antoon Derkinderen en R.N. Roland Holst was hun klasgenoot van de Rijksacademie, Jan Verkade (1868-1946). Verkade was zich als lid van de kunstenaarsgroep de Nabis gaan verdiepen in het katholicisme en trad na zijn bekering in bij de benedictijnen van Beuron (1897). Als pater Willibrord Verkade zou hij de Beuroner idealen zowel realiseren als verspreiden over Duitsland en de omringende naties.13

Toorop omarmde de Beuroner esthetica, maar deed dat – zoals verreweg de meeste kunstenaars van zijn generatie – zonder de eigen visie op kunst te verloochenen. Zo kon het gebeuren dat zulke uitersten als het oeuvre van Toorop en van de gebroeders Dunselman beide onder de noemer Beuron worden geschaard. Het leidde bij

Toorop tot een vorm van katholiek symbolisme dat hij tot zijn dood in 1928 zou beoefenen; heel persoonlijk, heel doordacht en heel rijk aan betekenislagen.14 Hoewel dit niet voor iedereen was weggelegd en zeker ook niet altijd door de clerus werd aangemoedigd, valt op dat juist in het interbel-

lum bijzondere iconografische oplossingen verschijnen in de monumentale kunst.15

Het centrale werk van Lourijsen in de Agathakerk is het mozaïek in de apsis, de locus sanctus (heilige plek) (afb. 7). Dit kunstwerk werd direct aansluitend op de bouw van de kerk in 1928 aangebracht, wat op zich al bijzonder is. Een van de dingen die ons trof bij het apsismozaïek is het grote verschil met Lourijsens werk in hetzelfde medium bij de Sacramentskapel van de nieuwe Bavo (1923-1926).16 In Haarlem een bontgekleurd ensemble van gestileerde engelen, geometrische ornamenten en teksten, ontleend aan het Verbum supernum van Thomas van Aquino, in het andere geval leegte. Op een grotendeels kaal, gouden veld staat een Calvariegroep afgebeeld, geflankeerd door twee zwevende opschriften: adoramus te – Christe – et benedicimus tibi | quia per crucem tuam redemisti mundum (wij aanbidden je, Christus, en verheerlijken je | omdat je door jouw kruis de wereld hebt gered).17 In deze antifoon wordt de eerste regel door de priester gezongen (in het mozaïek door Maria) en

12 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 13 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
Bron: bvhh.nu 2014. Bron: bvhh.nu 2014. Foto:bvhh.nu 2014.
6 - Ook de decoratieve glazen in de lage zijbeuken, vrijwel zeker ontworpen door Pierre J.J.M. Cuypers, geven een indruk van hoe de expressionistische stijl van dom Bellot is verwerkt.

7 - Lambert Lourijsen (1885-1950), Calvariegroep in de apsis van de Agathakerk van Pierre J.J.M. Cuypers (1891-1982). De kerk dateert van 1928. Het mozaïek in de apsis is direct na de bouw en nog voor de inrichting van de kerk aangebracht. Het is gemaakt door de Rheinische Mosaikwerkstätte Peter Beyer & Sohne in Venetiaans glas. Het kruis staat niet op de berg Golgotha maar vormt de bron van de ‘zeven watersprongen der h. Sakramenten’.

de tweede door het kerkvolk (hier Johannes). Dat laatste maakt de weergave op zo’n heilige plek des te meer bijzonder, want de plaats van het kerkvolk was het schip. Wat vooral treft, is het pure en uiterst sobere karakter van dit werk, alsof we zomaar een sprong in de tijd maken en direct van 1928 doorschieten naar midden jaren ’60, de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie. In dit opzicht herinnert het aan het koormozaïek van Piet Gerrits in de Gerardus Majella in Tilburg (1922-1933) (afb. 8) In beide gevallen vormt de versobering het resultaat van de invloed van de Beuroner school.18

Dat betekende onder andere een herinterpretatie van de oude symbolische tweedeling van het gebouw, van strijdende kerk in het schip en overwinnende kerk in koor en apsis. In dit laatste compartiment van het gebouw werden voorstellingen op een strenge, gestileerde manier toegepast: statische figuren met verstilde gezichten en gebaren tegen een egaal, liefst gouden fond. Of het nu Jan en Kees Dunselman, Piet Gerrits of Lambert Lourijsen is, dit hebben ze gemeen.19 Bij Lourijsen gaat

het echter niet zomaar om Beuron, maar om Beuron door het filter van Jan Toorop. De manier waarop Lourijsen van dit filter gebruik maakt, werd elders in het artistieke veld eveneens gedaan door de kunstenaars die we in ‘De genade van de steiger’ hebben gegroepeerd onder de Roomse Haagse school. Dat Toorop zich in 1922 met verschillende van hen op een groepsfoto liet vereeuwigen zegt genoeg over zijn voorbeeldfunctie.20 In hun werk worden de figuren haast tot op het bot gestileerd, omdat men meende dat dat tot een overtuigend ascetisch resultaat zou leiden. In het koor verkeerde men immers in hemelse sferen, waarin voor aardse massa’s geen plaats was. De verheven locatie vraagt ook om gesublimeerde emoties: dus geen heftige dramatiek rond de kruisdood van Christus, maar ingehouden smart.21

Er hangt dan ook een sfeer van berusting rond de twee mensen die om de stervende Christus staan. Anders dan je op grond

9 - Detail van de zeven waterstromen van de Calvariegroep van Lambert Lourijsen in de Agathakerk te Zandvoort, symbool van de ‘zeven watersprongen der h. Sakramenten’: doop, vormsel, heilige communie of eucharistie, biecht, ziekenzalving (laatste oliesel), priesterwijding en huwelijk.

8 - Mozaïek van Piet Gerrits in het priesterkoor van de Gerardus Majellakerk in Tilburg (1922). Ook dit gebouw is ontworpen in een expressionistische stijl door Joseph en Pierre J.J.M. Cuypers. De integrale uitmonstering van Piet Gerrits – schilderingen en mozaïeken – dateert van 1922 tot 1933. Noch de kerk, noch de inrichting zijn beschermd.

10 - Lambert Lourijsen, Een van de glazen in de lichtbeuk die na de oorlog vervangen moesten worden. Centraal staat Sint-Nicolaas met links de uil als symbool van een van de zeven gaven van de heilige Geest, Wijsheid (zie noot 10). Rechts worden die gaven gezamenlijk gesymboliseerd door de cirkel van Gods volmaaktheid met daaromheen zeven vlammen. De tekst is ontleend aan de vijfde strofe van het lied Veni sancti spiritus dat gezongen wordt met Pinksteren: ‘O, allerzaligst licht, vul het binnenste van het hart van uw gelovigen’.

14 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 15 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
Bron: bvhh.nu 2014. Bron: Beeldbank RCE-Sjaan van der Jagt 2011.
Bron: bvhh.nu 2014. Bron: Rob Bossink 2011.

11 - De kruiswegstaties van Lambert Lourijsen in de Agathakerk vormen zijn allerlaatste werk. Ze zijn uitgevoerd als sectieltableaus in opaalglas. Dit laatste medium kwam op in de jaren dertig met name dankzij Joep Nicolas. Het werken in sectiel herinnert aan Toorop met wie Lourijsen nauwe contacten had. Hij figureerde onder meer voor een van de figuren in de beroemde apostelserie. Zie noot 9.

van het voorgaande zou verwachten zijn ze echter niet tot enkel lijnen gestileerd, maar mensen van vlees en bloed gebleven. Want daar gaat het uiteindelijk om: Christus is mens geworden en sterft tussen de twee personen, waarvan de een hem als mens het leven heeft gegeven en de ander zijn plaats als zoon zal innemen. Op een cruciaal moment laat Lourijsen hier de archaische rechtlijnigheid achter zich en kiest hij, hoe terughoudend ook, voor figuren met aardse massa’s. Dit benadrukt hij niet alleen door de plooival van hun gewaden, maar ook door hen schoeisel te geven, waardoor ze vaste grond onder de voeten krijgen. Zo schuift hij een klein beetje op in de richting van de Beuroner stijl van de gebroeders Dunselman.22

met Toorop – over dit dier schreef:

‘Ook bekend symbool der vurige begeerte van de ziel naar de h. Kommunie, “gelijk een hert verlangt naar de waterbronnen” (des eeuwigen levens), vooral naar de zeven watersprongen der h. Sakramenten’.24

Zo vloeien de zeven stromen van de genade vanuit de bron die Christus’ kruis vormt langs de lambrisering het priesterkoor in. Je zou bijna zeggen dat in het abstracte mozaïek daaronder niet – zoals gebruikelijk – de aarde lijkt te zijn weergegeven, maar de wereld onder de waterspiegel, de zee, wat past voor een plaats als Zandvoort. We hebben het al gezegd! Het interbellum excelleerde in aparte iconografische oplossingen.

Naoorlogs werk

‘De parochiekerk van St. Agatha zal binnenkort worden verfraaid. De grote ramen hebben o.a. door de mijnontploffingen zodanig geleden, dat zij vernieuwd moeten worden. Het kerkbestuur heeft aan de bekende Haarlemse kunstenaar, de heer L. Th. C. Lourijsen, opdracht gegeven de nieuwe ramen in gebrandschilderd glas te ontwerpen’ (Nieuwe Haarlemsche courant, 22 augustus 1947).25

aansluit op de omringende architectuur van graniet en baksteen.

Toen de glazen van de Agathakerk waren voltooid zou Lourijsen zijn laatste opdracht in deze kerk uitvoeren: de kruisweg (1949), tevens zijn allerlaatste werk (afb.11-12).27

Uitgevoerd als sectieltableaus, tonen de staties hoe trouw Lourijsen is gebleven aan de stijl die hij onder invloed van Toorop en Beuron ontwikkelde. Met de mozaïekachtige structuur sluit hij aan op het glas in lood. Dat dit late oeuvre niet gedateerd oogt, geeft nogmaals aan hoe sterk de nieuwe kerkelijke kunst van de jaren twintig lijkt te anticiperen op de versobering van Vaticanum II. Was de stilering in het ene

geval het resultaat van de assimilatie van het ideaal van Beuron – al dan niet via het filter van Toorop – in het andere geval ging het om een bewuste abstrahering in de zoektocht naar een balans tussen figuratief, decoratief en abstract na de oorlog.28

In het verdomhoekje Ook al had de kunstkritiek begin jaren 1920 waardering voor de jonge generatie katholieke kunstenaars die zich aan een symbolistische interpretatie van het Beuroner ideaal zette, er gingen al snel tegenstemmen op. Dit gebeurde met name in kringen van het tijdschrift De Gemeenschap, waar Jan Engelman het voortouw nam. Als hij in 1931 de balans opmaakt

van tien jaar kunstproductie, meent hij dat katholiek Nederland doorgeschoten was, toen er eindelijk ruimte kwam voor kunstenaars ‘die zich hadden afgewend van de historische stijlen’ De ernst waarmee men had geëxperimenteerd, had geleid tot ‘veel godsdienstig bezielde kunst’, maar de nadruk lag te veel op godsdienst. De vlam was er uitgedreven, schreef Engelman:

‘Zoodat vele nieuwe kerken er nu uitzien als tempels eener gewilde monumentaliteit, met beelden en voorstellingen, waarvan de soberheid vergeefs een armoede van het hart tracht te verbergen. Men heeft op kunstmiddelen, die onder bepaalde omstandigheden goed zouden kunnen zijn [bedoeld worden die van Toorop], systemen gebouwd en verzuimd de hoogstrevende intenties vast te leggen in materie die leeft, materie die den artist gaat aankijken, biologeeren en zijn vlam doet terugslaan’ 29

Water en zee

Een apart symbolisch detail is de transformatie van de Calvarieberg, waarop het kruis staat, in een overvloedig stromende bron (afb. 9). Opnieuw komen enkele collega’s van Lourijsen langs. Het meest directe voorbeeld is het iets oudere mozaiek van Jan Loots in de nieuwe Bavo/ KoepelKathedraal (1925). Daarnaast kan gewezen worden op de Obrechtkerk te Amsterdam, waar Kees Dunselman in 1921 op een soortgelijke manier de vier paradijsstromen combineerde met een ander prominent thema dat met water te maken had, namelijk het dorstige hert.23 In feite refereert ook Lourijsen daaraan. Zoals hun tijdgenoot, de iconograaf en dominicaan Mattheaus Nieuwbarn – eveneens bevriend

Wat moet dat hebben betekend voor Lourijsen dat hij na de oorlog zomaar zijn oeuvre in de Agathakerk kon afmaken. Dat hij niet langer de kunstenaar bleef van alleen de mozaïeken, maar nu ook het hele glas in lood en de kruisweg op zich mocht nemen. Dat hij kortom net zo’n ensemble in verschillende monumentale technieken kon achterlaten, zoals hij vele decennia daarvoor in de Agathakerk van Beverwijk heeft kunnen doen. Wat het zo bijzonder maakt is dat hij de uitvoering heeft afgestemd op wat hij in de jaren twintig deed, waardoor een harmonie ontstond tussen de verschillende kunstuitingen (afb. 10). Zo laat met name het raam boven het orgel een vorm van ‘glasmozaïek’ zien dat in de jaren 1920 onder invloed van Thorn Prikker in zwang raakte. Lourijsen kende dit van veel dichterbij dankzij de engelenramen van Joseph Cuypers in de nieuwe Bavo, die al in 1898 tot stand kwamen.26 Bij de lichtbeuk komt dit glasmozaïek voor in het centrale venster met de heiligenfiguren. In de flankerende vensters met symbolen en kalligrafie proef je nog iets van de art deco uit het interbellum. Frappant is de steenachtige omlijsting in grisaille, waarmee Lourijsen

12 - De laatste statie met de graflegging is de enige die (rechtsonder) gesigneerd en gedateerd is: LL 1949. Lourijsen heeft qua stijl Toorop niet nagevolgd, maar zich gehouden aan wat hij ook gedaan heeft in het apsismozaïek: hoe archaïsch ook, de figuren zijn aards, zoals het lichaam van de gestorven Christus laat zien. Ook de plooival met schaduwen draagt hieraan bij.

Dat laatste gebeurde in de visie van Engelman pas onder de volgende lichting kunstenaars die zich richtte op een barok geïnspireerde vorm van het expressionisme. De opmars daarvan heeft de kwaliteiten onzichtbaar gemaakt van wat Engelman typeerde als het ‘ongare katholieke symbolisme’.30 Met de steeds grotere diaspora aan kerkelijk erfgoed, waarover we in de vorige Vitruvius hebben geschreven, wordt het hoog tijd voor een charmeoffensief. Juist het oeuvre van kunstenaars als Lourijsen die al enige tijd een herwaardering hebben ondergaan, zouden daarin als kompas kunnen dienen. Daarvoor dient dit werk wel beschermd te zijn, wat tot dusver in Zandvoort niet het geval is.

Naschrift

Onze dank gaat uit naar iedereen die bijgedragen heeft aan dit artikel, onder wie natuursteenspecialist Hendrik Tolboom van de RCE met betrekking tot het bijzondere karakter van de apostelkoppen in granietsteen. Voorts Zandvoorts Museum Online (Zandvoortvroeger.nl) voor de foto van het glas van Lourijsen. Lest best Stephan van Rijt die Bernadette in 2014 als koster van de nieuwe Bavo op excursie nam naar het werk van vader Joseph en zoon Pierre J.J.M. Cuypers in Heemstede, Aerdenhout en Zandvoort.

Dit artikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg en Marij Coenen. “Tussen expressionisme en de Beuroner school. Lambert Lourijsen in de

16 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 17 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
Bron: bvhh.nu 2014. Bron: bvhh.nu 2014.

Agathakerk te Zandvoort van Pierre J.J.M. Cuypers”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 15 (2022): 10-19.

De foto’s in dit artikel vallen onder de Creative Commons licentie, dus onder voorbehoud van naamsvermelding (BY) en/of geen commercieel gebruik (NC). Dit geldt niet voor de foto van Rob Bossink van Zandvoorts Museum Online (Zandvoort vroeger.nl) waarop volledig auteursrecht ligt.

Bronnenlijst

• ‘Centrum Zandvoort. Gemeente Zandvoort bestemmingsplan, deels onherroepelijk in werking (vastgesteld 2018-01-23), Regels’, 2012-2018. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/ documents/NL.IMRO.0473.BpCEN TRUM-VA01/r_NL.IMRO.0473.

BpCENTRUM-VA01.html

• ‘Rondleiding in de St. Agathakerk te Zandvoort’, t.p.q 2007. https://bit. ly/2OL1yvs

• Catharijneconvent. ‘Bedreigde religieuze interieurs’, 2021. https://www.catha rijneconvent.nl/advies-voor-kerken/ religieuze-interieurs

• Delpher | Nieuwe Haarlemsche courant. ‘De Nieuwe R.K. Kerk van St. Agatha te Zantvoort’, 25 juni 1928. https://resolver.kb.nl/resolve?

urn=MMNHA03:179079044:

mpeg21:a00103

• Delpher | Nieuwe Haarlemsche courant. ‘L.Th. C. Lourijssen’, 12 juni 1950. https://resolver.kb.nl/resol ve?urn=MMNHA03:179243059:

mpeg21:a00028

• Delpher | Nieuwe Haarlemsche courant. ‘ZANDVOORT Gebrandschilderde ramen in de St. Agathakerk’, 22 augustus 1947. https:// resolver.kb.nl/resolve?urn=MMN

HA03:179235075:mpeg21:a00047

• Delpher | Het Gildeboek. ‘Het gildeboek; tijdschrift voor kerkelijke kunst en oudheidkunde, jrg 12, 1929, Deel: Gedenkboek 1919-1929, no 3-6 (fotosegment gebouwen)’, 1929. https:// resolver.kb.nl/resolve?urn=MMUB

MA02:000660002:00001

• Dewitte, Liz. ‘Proportionality in the Architecture of Dom Bellot’. Nexus Network Journal 17, nr. 2 (juli 2015): 457–85. https://doi.org/10.1007/ s00004-015-0246-8

• Erftemeijer, A., A. J. Looyenga, en

Marike van Roon. Getooid als een bruid: de nieuwe Sint-Bavokathedraal te Haarlem. Haarlem: Gottmer, 1997.

• Hest, Joost van. Kloosterkapellen. Religieuze interieurs in Nederland. Waardevol erfgoed. Utrecht-Amersfoort: Museum Catharijneconvent | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2021. https://www.catha rijneconvent.nl/advies-voor-kerken/ religieuze-interieurs

• HNI/CUBA Bureau Cuypers. ‘CUBA.110382763 Nieuwbouw van de Nieuwe Agathakerk in Zandvoort, door P.J.J.M. Cuypers.’, 1927. https://zoeken. hetnieuweinstituut.nl/nl/archieven/ file/110382764

• HNI/CUBA Bureau Cuypers. ‘CUBA.110382788 Decoratie van de Schipperskerk in Delfshaven (Pierre J.J.M. Cuypers)’, 1928. https://zoeken. hetnieuweinstituut.nl/nl/archieven/ file/110382788

• Hubar, Bernadette van Hellenberg en Marij Coenen. “De mantel der bescherming. De Laurentiuskerk van Joseph Cuypers en Jan Stuyt als toetssteen”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 14 (2021): 22-30. http://bit.ly/2TXbZnz-VanHH2Org

• Hubar, Bernadette van Hellenberg, Angélique Friedrichs, en G. W. C. van Wezel. De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum. Amersfoort-Zutphen: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Walburg Pers, 2013.

• Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Jan en Kees Dunselman. Een kwestie van factuur (deel 2)’. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 15 (2021): 12–20.

• Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Jan en Kees Dunselman. Kerkschilders van niveau (deel 1)’. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 14 (2020): 18-25. http://bit.ly/3gZdjOq-Dunselman

• Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Nederlands Religieus Erfgoed op Facebook | Tussen data en debat | Deel 1’. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 14 (2021): 21–28. http://bit. ly/3o7UJZW-VanHH2Org

• Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Nederlands Religieus Erfgoed op Facebook | Tussen foto’s en fragmenten. Deel 2’. Vitruvius,

onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 15 (2022): 14–23. http:// bit.ly/3FRBppt-VanHH2Org

• Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’. Onder redactie van Marij Coenen. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 10 (2017): 10–15. http://bit. ly/2BI1Hgq-Vitruvius.

• Hubar, Bernadette van Hellenberg. De nieuwe Bavo te Haarlem: ad orientem - gericht op het oosten. Onder redactie van Marij Coenen. Zwolle; Haarlem: Wbooks ; Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, op initiatief van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, 2016.

• Kalf, Jan, ‘De bouwmeester Joseph Cuypers’, in: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 18 (1908), pp. 360-375.

• Niehaus, Kasper. ‘Lambert Lourysen’s Kruiswegstaties. Tafereelen uit het leven van Jezus. In de St. Agathakerk te Beverwijk’. Delpher | De Telegraaf, 24 augustus 1934. https://resolver. kb.nl/resolve?urn=ddd:110572146: mpeg21:p009

• Nieuwbarn, M.C., Ordo Praedicatorum, Sanctae Theologiae Lector. Het Roomsche kerkgebouw, leer der algemeene symboliek en ikonografie onzer Katholieke kerken. Nijmegen: J.F. Kloosterman, 1908. https://archive. org/details/Nieuwbarn1908

• R.K. ‘WIE IS DAT?’ Biografisch Lexicon van bekende Nederlandsche Roomsch-Katholieke Tijdgenooten | DBNL. Leiden, 1925. http://bit. ly/2qT4nQh

• Rackham, Don, en Bernadette van Hellenberg Hubar. De Sacramentskerk te Tilburg. Waardenstellend onderzoek. Erfgoed in ontwikkeling. Ohé en Laak: Res nova, 2005. http://bit.ly/2AsiWkc

• Reliwiki. ‘Beverwijk, Breestraat 101 - Agatha - Reliwiki’, 2021. https:// reliwiki.nl/index.php/Beverwijk,_Bree straat_101_-_Agatha

• Reliwiki. ‘Nijmegen, Waterstraat 148 - Theresia van het Kindje Jezus (1927 - 1993) - Reliwiki’, 2021. https://reli wiki.nl/index.php/Nijmegen,_Water straat_148_-_Theresia_van_het_Kind je_Jezus_(1927_-_1993)

• Reliwiki. ‘Rotterdam, Coloniastraat 25 - De Brandaris - Reliwiki’, 2019. htt ps://reliwiki.nl/index.php/Rotterdam,_ Coloniastraat_25_-_De_Brandaris

• Reliwiki. ‘Rotterdam, Schoonder-

loostraat - Petruskerk (1928 - 1974)

- Reliwiki’, 2021. https://reliwiki.nl/ index.php/Rotterdam,_Schoonder loostraat_-_Petruskerk_(1928_-_1974)

• Reliwiki. ‘Waalwijk, Pastoor van Kesselhof 18 - Maria Onbevlekt Ontvangen - Reliwiki’, 2017. https://reliwiki. nl/index.php/Waalwijk,_Pastoor_van_ Kesselhof_18_-_Maria_Onbevlekt_ Ontvangen

• Reliwiki. ‘Zandvoort, Grote Krocht 45 - Agatha - Reliwiki’, 2019. https:// reliwiki.nl/index.php/Zandvoort,_Gro te_Krocht_45_-_Agatha

• RKD | Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis. ‘Ontdek edelsmid, glasschilder, monumentaal kunstenaar Lambert Lourijsen’, 1993-2017. htt ps://rkd.nl/nl/explore/artists/51020

• Steenhuis Meurs. ‘Zandvoort CENTRUM. Herziening monumenten en Input cultuurhistorie in bestemmingsplan. Vastgesteld door de raad op 4 juli 2012. Bijlage regels bestemmingsplan, Cultuurhistorie.’ Zandvoort, 2012. https://www.planviewer. nl/imro/files/NL.IMRO.0473.BpCEN TRUM-VA01/b_NL.IMRO.0473. BpCENTRUM-VA01_rb3.pdf

• Wezel, G.W.C. van. Jan Toorop: zang der tijden. [Den Haag] : Zwolle: Gemeentemuseum Den Haag ; WBOOKS, 2016.

Noten

1 Voor Pierre J.J.M. Cuypers zie het lemma op Wikipedia. Voor Lourijsen zie noot 11. Voor de betreffende artikelen in Vitruvius zie de bronnenlijst.

2 Steenhuis Meurs. ‘Zandvoort CENTRUM (2012). Centrum Zandvoort. Gemeente Zandvoort bestemmingsplan (2012-2018).

3 Voor de studie en de studietijd zie onder meer Gemeentearchief Roermond, Joseph Cuypers Collectie, v.n. 38, v.n. 112, v.n. 129, v.n. 225.

4 Gemeentearchief Roermond, Joseph Cuypers Collectie, v.n. 129. Kalf, ‘De bouwmeester Joseph Cuypers’ (1908), pp. 368-369. Joseph Cuypers, Gedenkschrift, p. 21.

5 Hubar en Coenen, ‘Nederlands Religieus Erfgoed op Facebook | Tussen data en debat | Deel 1’, p. 24. Pierre Cuypers junior werkte later, in 1926, samen met dom Bellot in Waalwijk: Reliwiki. ‘Waalwijk, Pastoor van Kesselhof 18Maria Onbevlekt Ontvangen - Reliwi-

ki’, 2017.

6 Van Hest, Kloosterkapellen, pp. 23-25.

7 Zie de bronnenlijst onder HNI/CUBA en Reliwiki. Voorts Delpher | Nieuwe Haarlemsche courant, ‘De Nieuwe R.K. Kerk van St. Agatha te Zantvoort’. Voor het versneld perspectief bij afb. 2 zie Rackham en Hubar, De Sacramentskerk te Tilburg (2005).

8 Delpher | Het Gildeboek (fotosegment gebouwen) (1929). pp. 16-17. Voor de Brandariskerk en de Nijmeegse Theresiakerk zie de bronnenlijst onder Reliwiki.

9 Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), pp. 239-254. Van Wezel, Jan Toorop (2016), pp. 214-217.

10 Hubar, De nieuwe Bavo (2016), pp. 48-57. ‘Rondleiding in de St. Agathakerk te Zandvoort’ (na 2007).

11 Lambert Lourijsen (1885-1950) was in Amsterdam opgeleid aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid en aan de Rijksacademie van beeldende kunsten (1905-1906, 1907-1908). Tussentijds volgde hij lessen aan de Haagse Academie van Beeldende Kunsten (19061907), terwijl hij bovendien nog aan de Academie des Beaux Arts te Parijs heeft gestudeerd. Zie hiervoor de lemma’s over Lambert Lourijsen (Lourysen) op RKD, Wikipedia en R.K. ‘WIE IS DAT?’ (1925). Voorts Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid (1997), pp. 231-233, 233-235.

12 Reliwiki. ‘Beverwijk, Breestraat 101 - Agatha - Reliwiki’, 2021. Hubar, De nieuwe Bavo (2016), p. 51. Van Wezel, Jan Toorop (2016), pp. 205-211, 214, 216. Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid (1997), pp. 232-233.

13 Hubar, De nieuwe Bavo (2016), pp. 52-57. Van Wezel, Jan Toorop (2016), pp. 209-211. Voor Verkade volg het register in Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), p. 504.

14 Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), pp. 178-208 (gebroeders Jan en Kees Dunselman en Beuron); 273-306: Toorop en (onder meer) Beuron. Van Wezel, Jan Toorop (2016), pp. 205-219, 230-255. Voor de gebroeders Dunselman zie ook onze artikelen in Vitruvius in de bronnenlijst.

15 Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), pp. 266-269, 376-377, 463-467.

16 Erftemeijer e.a., Getooid als een bruid (1997), pp. 233-235. Zie noot 7.

17 Deze antifoon maakt deel uit van de

liturgie voor Goede Vrijdag en de ritus van de Kruisweg die dag. Zie https:// www.rkdocumenten.nl/rkdocs/index. php?mi=600&doc=484.

18 Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), pp. 243-244 (doorkijkje Piet Gerrits naar Vaticanum II); pp. 253-254 (Piet Gerrits in Tilburg en de evaluatie van met name de Beuroner invloed); pp. 468-469 (de Beuroner school en haar invloed).

19 Zie noot 14. Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), p. 175 (lijdende, strijdende en overwinnende kerk); pp. 239-254 Piet Gerrits.

20 Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), p. 120 afb. 82.

21 Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), pp. 121-130, 311-336.

22 Zie noot 18.

23 Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), pp. 194-195. Hubar, De nieuwe Bavo (2016), pp. 57, 132, 255.

24 Nieuwbarn, Het Roomsche kerkgebouw, p. 89.

25 Delpher | Nieuwe Haarlemsche courant. ‘ZANDVOORT Gebrandschilderde ramen in de St. Agathakerk’ (1947).

26 Hubar e.a., De genade van de steiger (2013), pp. 314-318, 319-320. Hubar, De nieuwe Bavo (2016), pp. 52-53, 268-270.

27 Delpher | Nieuwe Haarlemsche courant. ‘L.Th. C. Lourijssen’ (1950).

28 Hubar en Coenen, ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’ (2017).

29 Hubar e.a., De genade van de steiger, p. 312.

30 Hubar e.a., De genade van de steiger, p. 320.

18 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 19 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022

Onverwacht en KleurrijkDe oudste jurk van Nederland

De meerwaarde van onverwachte (schat) vondsten binnen Malta-onderzoek

Bij de opgraving van het vroege ijzertijd grafveld Slabroekse Heide op de Maashorst tussen Oss en Uden (N.-Br.) kwam in 2010 een rijk inhumatiegraf aan het licht. De persoon was bijgezet in een houten grafkamer, samen met spectaculaire bronzen en ijzeren sieraden, toiletartikelen en … enkele unieke fragmenten textiel. Na de zorgvuldige opgraving

en conservering van de textielvondsten en een uitgebreide reeks analyses weten we nu, ruim tien jaar later, dat deze afkomstig waren van een rood en blauw geblokte wollen jurk van bijna 2800 jaar oud. Een onverwachte ‘schatvondst’ binnen een regulier AMZ-onderzoek die letterlijk kleur geeft aan de Nederlandse ijzertijd.

Een ‘regulier’ grafveld uit de vroege ijzertijd

Bij aanvang van het onderzoek was de verwachting dat er sprake was van een ‘regulier’ grafveld uit de vroege ijzertijd (800-500 v. Chr.). Tijdens de opgraving kwamen we ook de gebruikelijke crematiebegravingen tegen. Een aantal maal waren de crematieresten bijgezet in een urn, in andere

2 - Het inhumatiegraf is uitvoerig en gedetailleerd opgegraven waarbij meer dan tien niveaus zijn gedocumenteerd (linksboven vlak 2; rechtsboven vlak 6; rechtsonder vlak 12; linksonder vlak 13)

gevallen vermoeden we dat de resten zijn bijgezet in een textielen doek in een kuil. Eén graf bevatte een bijgift: een onverbrande, ijzeren armband die tussen de crematieresten was ‘geplaatst’ (Jansen e.a. 2021). Het geheel sluit aan op de begravingen die Remouchamps van het Rijksmuseum van Oudheden hier in 1923 al opgroef. Hij vond 38 urnen inclusief een incidentele grafgift bestaande uit aardewerken potjes, Eierbecher en een paardenbit (Remouchamps 1924).

Bij het onderzoek in 1923 waren de heuvellichamen nog duidelijk zichtbaar; het merendeel van de sleuven doorsnijdt dan ook het centrum van een of meerdere heuvels. Daarnaast tekenden zich rondom een deel van de heuvels duidelijke kringgreppels af. Dat was in 2005 en 2010 anders. Door het egaliseren van de heuvels en het decennialang ploegen van de akker resteerde in veel gevallen nog slechts de bodem-

vorming onder de voormalige sporen. Desondanks werden meerdere kringgreppels, palenkransen en een enkelvoudige palenrij opgetekend, naast een aantal sterk verploegde grafkuilen (Jansen e.a. 2021) (figuur 1).

Eén kuil met houtskool bevatte ten slotte een inhumatiegraf, gelegen binnen een grafveld dat uiteindelijk meer dan honderd kleine heuvels omvatte.

Onverwacht: een bijzonder inhumatiegraf uit de vroege ijzertijd

Op het eerste gezicht was er sprake van een ondefinieerbare verkleuring van de grond; een langgerekte kuil met houtskool en een enkel scherfje. De keuze om de kuil handmatig te verdiepen in plaats van te couperen is achteraf de juiste gebleken.

Nauwkeurig is de kuil in lagen van enkele centimeters verdiept, voortdurend begeleid met een metaaldetector. Alle dertien vlakken zijn gefotografeerd en een groot

aantal niveaus is zorgvuldig opgetekend (figuur 2).

Op de bodem van de kuil tekende zich een lijksilhouet af, gelegen tussen twee houten balken die aan het voeten- en hoofdeinde dwars in de grafkamer lagen. De overledene, waarschijnlijk een vrouw, is gestrekt op de rug bijgezet en vervolgens afgedekt met aangekoolde, eikenhouten balken die in de lengte van de kuil zijn gelegd.

Op verschillende plaatsen ‘bij’ het lijksilhouet stuitte de metaaldetector op een reeks van metalen objecten: bronzen arm- en enkelbanden, haarringen van bronsdraad bij het hoofd, twee spelden en een set toiletgerei die ‘op’ het lichaam lag (Van der Vaart-Verschoof e.a. 2021a) (figuur 3). Ten slotte zijn, dankzij de conserverende werking van het metaal, zowel bij de arm- als bij de enkelbanden fragmenten textiel

20 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 21 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
Dr. R. Jansen Universitair Docent, Faculteit der Archeologie Universiteit Leiden Dr. S. van der Vaart-Verschoof The Overdressed Archaeologist, Rijksmuseum van Oudheden Dr. Y. Lammers-Keijsers Hoofd preHistorisch Dorp Eindhoven Art Proaño Gaibor, onderzoeker Onderzoeker, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Dr. Ineke Joosten Senior-onderzoeker, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 1 - De opgraving van het grafveld Uden-Slabroekse Heide in 2010; tussen de vele ploeg- en egalisatiesporen tekent de bodemvorming onder de kringgreppels zich duidelijk af Bron: Faculteit der Archeologie Universiteit Leiden Bron: Faculteit der Archeologie Universiteit Leiden

3 - De grafgiften uit het inhumatiegraf van Uden-Slabroekse Heide, inclusief enkele van de fragmenten textiel

bewaard gebleven; een unieke vondst voor deze periode, zeker op de zandgronden.

Opgraving en onderzoek van vroege ijzertijd textielresten

De metalen vondsten zijn als blokken uit het graf gelicht. Op basis van röntgenonderzoek zijn de objecten onder geconditioneerde omstandigheden opgegraven, gestabiliseerd en geconserveerd (figuur 4). De ‘mini’-opgravingen zijn uitvoerig gedocumenteerd en vastgelegd, inclusief het bemonsteren en conserveren van de textielresten.

Het onderzoek van de textielresten heeft tot een aantal bijzondere resultaten geleid. Als eerste is vastgesteld dat de wollen stof in een keperbinding was geweven.

Dit gebeurde vermoedelijk op een staand weefgetouw. Het gebruik van dergelijke weefgetouwen was wijdverbreid, getuige de vele vondsten van weefgewichten in ijzertijdnederzettingen. Het ruitpatroon ontstaat doordat bij het weven de ‘verticale’ draden (schering) en de daardoor heen geweven ‘horizontale’ draden (inslag) in groepjes van acht draden van 0,8 mm dikte in twee kleuren zijn afgewisseld (Van der Vaart-Verschoof e.a. 2021b).

Maar welke kleuren werden er gebruikt?

Na bijna 2800 jaar waren de oorspronkelijke kleuren verdwenen; het blokkenpatroon bestond nog slechts uit tinten bruin. Onderzoekers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben monsters van twee draden die te onderscheiden waren op ‘kleur’ onderzocht met chromatografische technieken (figuur 5). De donkere draden bleken oorspronkelijk geverfd met een rode kleurstof, gemaakt van Poolse cochenilleschildluizen. De andere draden waren blauw geverfd met kleurstof uit de wedeplant (Proaño Gaibor en Joosten 2020; Van der Vaart-Verschoof e.a. 2021b). De wedeplant kwam waarschijnlijk lokaal voor, van de schildluizen is het onduidelijk of die hier voorkwamen of dat ze uit andere delen van Europa werden geïmporteerd.

De fragmenten wollen stof uit het inhumatiegraf bestonden dus uit een geweven ruitpatroon van minimaal twee kleuren. De datering in de vroege ijzertijd is een van de oudste aanwijzingen voor het gebruik van rood en blauw in heel Europa (Hofmann-De Keijzer 2016). De grafcontext en locatie wijzen er ten slotte op dat de textielfragmenten deel uitmaakten van een kledingstuk. Maar kunnen we ook de vorm van het kledingstuk achterhalen?

Van fragmenten textiel naar de oudste jurk van Nederland!

Op basis van hun kennis over spin- en weeftechnieken en het verven van wol hebben medewerkers van het preHistorisch Dorp in Eindhoven een reconstructie gemaakt. Voor het kledingstuk is bijna 10 kilometer draad gesponnen en geverfd waarvan een lap stof is geweven van 380 bij 120 centimeter. De afmetingen komen overeen met de breedte van een rij weefgewichten in een kuil die gevonden is in de ijzertijdnederzetting Maastricht-Cannerberg (Meurkens 2016, 233), al zijn er ook vondsten bekend van bredere weefgetouwen (Grömer 2016a).

Aanwijzingen voor de vorm van het kledingstuk ontbreken. De locatie van de textielfragmenten – bij de enkels en polsen – maakt enkel duidelijk dat het kledingstuk een lange rok en lange mouwen heeft gehad. Uiteindelijk is gekozen voor een jurk met geplooide rok maar een reconstructie van een los jak en rok is niet uit te sluiten. Het kledingstuk komt overeen met zeldzame afbeeldingen op situlae uit de vroege en midden-ijzertijd. Die laten met name driehoekige rokken zien, met een smalle taille en een rok die naar de zoom toe wijd uitloopt (Rösel-Mautendorfer 2016; Grömer 2016b).

4 - De bronzen sieraden zijn inclusief de textielfragmenten als blokken gelicht (links) en onder geconditioneerde omstandigheden opgegraven bij restauratieatelier Restaura (rechts)

De reconstructie maakt de moeilijk te herkennen vondsten tastbaar. Het textiel is vanuit wetenschappelijk oogpunt uniek, maar is weinig aansprekend voor het publiek. De jurk maakt de vondsten herkenbaar en geeft een aansprekende en kleurrijke inkijk in de ‘mode’, en daarmee in het dagelijkse leven, van 2800 jaar geleden (figuur 6). Ze illustreert het verhaal dat de textielfragmenten vertellen; een betekenisvol en mogelijk persoonlijk kledingstuk dat, samen met de sieraden, bijdroeg aan de (dagelijkse) identiteit van de drager.

Onverwachte (schat)vondsten in Malta-onderzoek: kosten maar vooral baten

De jurk vormt een bijzondere vondst voor de Nederlandse prehistorie. Textiel-

vondsten uit de brons- en ijzertijd zijn in Nederland, maar ook daarbuiten, zeldzaam; het kwetsbare materiaal wordt zelden teruggevonden. Het gebruik van kleur in de prehistorie is eveneens een bijzondere vondst, als mede het feit dat we een onderbouwde reconstructie kunnen maken van een kledingstuk uit de vroege ijzertijd.

Het inhumatiegraf viel echter buiten de archeologische verwachting zoals die voorafgaand aan het onderzoek geschetst was in het Programma van Eisen. Op basis van het proefsleuvenonderzoek werden überhaupt geen graven verwacht. Inhumatiegraven vormen daarnaast een zeldzaam fenomeen in vroege ijzertijdgrafvelden en inhumatiegraven met rijke grafgiften en textielresten zijn nog zeldzamer. Er is dan ook

sprake van een niet verwachte schatvondst binnen een regulier AMZ-onderzoek.

Het onverwachte karakter zorgt er enerzijds voor dat opgraving, conservering en uitwerking niet begroot zijn, anderzijds is er sprake van een hoge wetenschappelijke (meer)waarde die juist vraagt om een gedegen en gedetailleerde opgraving en uitwerking. Juist dergelijke ‘schatvondsten’ als het inhumatiegraf van Slabroekse Heide leiden tot nieuwe kennis en inzichten in het verleden naast de bekende verhalen. In dit geval over een kledingstuk dat letterlijk kleur geeft aan het verleden. Daarnaast bestaan dergelijke onverwachte vondsten vaak uit voor het publiek aansprekende voorwerpen, wat in dit geval pas duidelijk werd na uitgebreid onderzoek en een reconstructie.

5 - In het textiel zijn de verschillend gekleurde draden van het weefsel duidelijk zichtbaar

Zonder de intensieve en nauwgezette opgraving – vier archeologen en studenten hebben een week aan het spoor gewerkt – en een uitgebreide reeks analyses door medewerkers van verschillende instituten, studenten en specialisten uit binnen- en buitenland, hadden we dit verhaal niet kunnen vertellen. Het is naar onze mening dan ook essentieel dat dergelijke onverwachte en veelal niet te prospecteren ‘schatvondsten’ uitvoering kunnen worden onderzocht tijdens en na de opgraving op basis van de nieuwste onderzoekstechnieken. Het is daarom belangrijk om binnen de huidige tendens van routinematig en gestandaardiseerd onderzoek ruimte te creëren voor verdiepend, vraaggestuurd en vernieuwend onderzoek van vondsten van (inter) nationaal belang. Dergelijk onverwacht onderzoek gaat vaak gepaard met (relatief) hoge kosten maar leidt uiteindelijk tot nog

22 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 23 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
Bron: Joella van Donkersgoed Bron: Restaura Bron: Faculteit der Archeologie Universiteit Leiden; Restaura

hogere wetenschappelijke, publieke en maatschappelijke baten. De unieke jurk van Slabroekse Heide toont dat aan!

Literatuur

- Grömer, K., 2016a. The art of prehistoric textile making, the development of craft traditions and clothing in Central Europe, Veröffentlichungen der Prähistorischen Abteilung (VPA) 5, Vienna, 279.

- Gromer, K., 2016b. Representations of clothing on situlae, in: K. Grömer (red.), The art of prehistoric textile making, the development of craft traditions and clothing in Central Europe, Veröffentlichungen der Prähistorischen Abteilung (VPA) 5, Vienna, 398-403.

- Hofmann-de Keijzer, R., 2016. Dyeing, in: K. Grömer (red.), The art of prehistoric textile making, the development of craft traditions and clothing in Central Europe, Veröffentlichungen der Prähistorischen Abteilung (VPA) 5, Vienna, 140-169.

Oudheidkundige Mededelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 5, 69-76.

- Rösel-Mautendorfer, H., 2016. Sewing and tailoring, in: K. Grömer (red.), The art of prehistoric textile making, the development of craft traditions and clothing in Central Europe, Veröffentlichungen der Prähistorischen Abteilung (VPA) 5, Vienna, 216-240.

- Van der Vaart-Verschoof, S., R. Jansen, Q. Bourgeois en W. Verschoof-Van der Vaart 2021a. Buiten de norm? Een ‘rijk’ inhumatiegraf in het vroege ijzertijdgrafveld Uden-Slabroekse Heide, in: R. Jansen en S. van der Vaart-verschoof (red.), Heuvels op de Heide. Bronstijd grafheuvels, een ijzertijd urnenveld met elite inhumatiegraf en graven uit de Romeinse tijd op de Slabroekse Heide bij Uden, Leiden, 129-152.

De kleine geschiedenis van Rotterdam.

AUTEUR

Paul van de Laar UITGAVE THOTH

DETAILS

Gebonden, 144 pagina’s, geïllustreerd, ISBN: 978-90-6868-835-1

PRIJS

€ 16,95

Rotterdam is van oorsprong een middeleeuwse stad. Maar deze associatie heeft vrijwel niemand met deze modernste skylinestad van Nederland. Rotterdam heeft niet zoveel op met zijn verre verleden, tenzij het past in het succesverhaal van de wereldhavenstad. Rotterdam transitopolis, de stad die al vóór 1914 figureerde in de ranglijst van wereldhavensteden.

in 1962 de grootste haven van de wereld, een status die het sinds 2004 niet meer heeft. Maar dat heeft er niet toe geleid dat Rotterdammers minder groot willen denken, want het is de overtreffende trap die hen drijft. Of het nu gaat om de hoogste gebouwen of de uitgestrektheid van Maasvlakte 2, veroverd op de zee.

- Jansen, R., A. Louwen, A. van den Broek en C. van der Linde, 2021. Heuvels op de Heide. Het vroege ijzertijdgrafveld Slabroekse Heide opnieuw opgegraven, in: R. Jansen en S. van der Vaart-Verschoof (red.), Heuvels op de Heide. Bronstijd grafheuvels, een ijzertijd urnenveld met elite inhumatiegraf en graven uit de Romeinse tijd op de Slabroekse Heide bij Uden, Leiden, 71-128.

- Meurkens, L., 2016. Dynamics in Iron Age Habitation, in: I.M. van Wijk (red.) Settlement dynamics on the Cannerberg. Archaeological Research of Bandkeramik and Iron Age settlements (Archol Rapport 300), Leiden, 217-240.

- Proaño Gaibor, A. en I. Joosten 2020. Princess grave Uden-Slabroekse Heide. Dyestuff and fibre analyses of Iron Age textiles, RCE Research Report No. 2019-088, Amsterdam: Cultural Heritage Agency of the Netherlands, Cultural Heritage Laboratory.

- Remouchamps, A.E., 1924. Opgravingen van een urnenveld te Uden,

- Van der Vaart-Verschoof, S., K. Grömer, A. Proaño Gaibor, I. Joosten, D. de Looff, Y. Lammers-Keijsers, J. Nientker, B. Reissland, R. Jansen, P. Schoorl en A. Reurink 2021b. Gekleurd gekleed. Textiel uit een bijzonder inhumatiegraf uit de vroege ijzertijd bij Uden-Slabroekse Heide, in: R. Jansen en S. van der Vaart-verschoof (red.), Heuvels op de Heide. Bronstijd grafheuvels, een ijzertijd urnenveld met elite inhumatiegraf en graven uit de Romeinse tijd op de Slabroekse Heide bij Uden, Leiden, 203-216.

De wetenschappelijke publicatie over het onderzoek naar dit grafveld, ‘Heuvels op de Heide. Bronstijd grafheuvels, een ijzertijd urnenveld met elite inhumatiegraf en graven uit de Romeinse tijd op de Slabroekse Heide bij Uden’ (red. Richard Jansen & Sasja van der Vaart-Verschoof) is verkrijgbaar via Sidestone Press: https://www.sidestone.com/books/heuvels-op-de-heide.

Eerder is al een publieksboek over het onderzoek verschenen, uitgegeven door Matrijs en Staatsbosbeheer. ‘Verleden van een bewogen Landschap’ is geredigeerd door Richard Jansen en Klaas van der Laan en verkrijgbaar via Matrijs:https://www.matrijs.com/ Verleden-van-een-bewogen-landschap.-Landschaps-en-bewoningsgeschiedenis-van-de-Maashorst.html

Die globale maritieme connecties voedden niet-Nederlandse aspiraties om zich tot vooruitstrevendste stad van Nederland te ontwikkelen. Het terreurbombardement van mei 1940 schiep onbedoeld licht, lucht en ruimte voor deze ambitie. De naoorlogse welvaartsstad werd nationaal en internationaal geprezen om zijn voortvarendheid, veerkracht en vitaliteit. Dankzij de petroleumindustrie werd Rotterdam

Het huidige kosmopolitische Rotterdam wordt niet gemeten in aantallen gestapelde zeecontainers, maar in de diversiteit van de Rotterdammers. Ook zonder de zuigende werking van de haven kiezen zij deze stad als permanente of tijdelijke woonplek. Met elkaar schrijven deze Rotterdammers mee aan een nieuw script van de toekomstige wereldhavenstad. n

AUTEURS

Jaap Evert Abrahamse en Reinout Rutte UITGAVE THOTH

DETAILS

Gebonden, 80 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-6868-840-5

PRIJS

€ 29,95

Deze

atlas beschrijft de ruimtelijke ontwikkeling van Amsterdam aan de hand van een reeks historische en nieuw getekende kaarten, vanaf het begin tot onze tijd, vanuit internationaal perspectief. Amsterdam wordt vergeleken met onder meer Venetië, Londen, Parijs en Wenen. Amsterdam ontstond rond 1200 als havenstadje op de plek waar de Amstel uitmondde in het IJ en groeide in de zestiende eeuw uit tot centrum van Holland. In de Gouden Eeuw ontwikkelde het zich tot een machtige handelsmetropool met wereldwijde connecties. In deze tijd verrees de beroemde grachtengordel, vonden ingrijpende veranderingen plaats in de bestaande stad en werd het landschap in de wijde omgeving naar de eisen van de stad ingericht met droogmakerijen en buiten-

plaatsen. Na een periode van stagnatie volgde op de opening van het Noordzeekanaal in 1876 hernieuwde groei, die resulteerde in grootschalige uitbreidingen en binnenstedelijke veranderingen. In de twintigste eeuw was Amsterdam een van de eerste grote steden ter wereld die werd gepland onder invloed van modernistische ideeën over licht, lucht en ruimte. In die tijd ontstond een reeks tuinsteden, culminerend in de stad van de toekomst, de Bijlmermeer. De meest recente stadsuitbreidingen vinden plaats op een reeks kunstmatige eilanden in het IJ, maar het meest opvallend zijn de succesvolle herontwikkeling van voormalige haventerreinen en de opkomst van een internationaal zakencentrum op de Zuidas, nabij de luchthaven Schiphol. n

25 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 recent VERSCHENEN 24 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022
6 - De reconstructie van de vroege ijzertijdjurk Bron: Hanna Geels Fotografie Nieuwe historische atlas van Amsterdam. Een wereldstad in zestig kaarten 1200-2025.

Queen compleet.

AUTEURS Benoît Clerc

UITGAVE

Wbooks

DETAILS

Gebonden, 528 pagina’s, 334 afbeeldingen, ISBN: 978-94-6258-432-7

PRIJS

€ 49,95

De imposante carrière vol ups en downs van gitarist Brian May, drummer Roger Taylor, bassist John Deacon en de flamboyante zanger Freddie Mercury. Beleef het hele muzikale avontuur van Queen opnieuw met zeldzame anekdotes, interviewfragmenten, songteksten en honderden iconische foto’s in kleur en zwartwit. Reis mee van de eerste single Keep Yourself Alive naar het laatste nummer dat door Freddie Mercury werd geschreven A Winter’s Tale, via het onvergetelijke Bohemian Rhapsody tot samenwerkingen met Paul Rodgers en Adam Lambert. Queen compleet is een onmisbaar naslagwerk voor de fans.

AUTEURS Bé Lamberts

UITGAVE

Noordboek

DETAILS

Hardcover, 416 pagina’s, ISBN: 978-90-5615-689-3

PRIJS

€ 49,90

WeWill Rock You, Another One Bites the Dust en I Want to Break Free. Monsterhits van de briljante en tijdloze band Queen. Queen compleet vertelt chronologisch gearrangeerd en met groot oog voor detail het verhaal van de 15 legendarische albums en 188 hits.

Het nieuwste deel in de bestsellerserie over de grootste muzikanten uit de popgeschiedenis, waaronder The Beatles, Bob Dylan en Jimi Hendrix. n

Debloeitijd van de Art Nouveau rond het fin de siècle was kort maar hevig. Na jarenlang een buitenbeentje

in de Nederlandse bouwkunst te zijn geweest, kwam in de jaren zestig de herwaardering voor de Art Nouveau op gang. Inmiddels wordt het belang van Art Nouveau voor de ontwikkeling van de bouwkunst algemeen erkend en neemt de interesse voor deze bijzondere, flamboyante stroming in de architectuur toe. In Art Nouveau in Nederland neemt Bé Lamberts u mee langs een groot aantal opmerkelijke zaken, die aansporen om bijzondere architectuur ter plekke te bekijken en die verwondering oproepen over dit waardevolle, maar zo kwetsbare erfgoed. Bé Lamberts studeerde kunst- en architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij werkte als onderzoeker en medewerker monumentenzorg bij diverse overheidsinstellingen en organisaties. n

UITGAVE

Waanders

UITGAVE Waanders

DETAILS

Paperback, 176 pagina’s, ca. 150 afbeeldingen,

ISBN: 978-94-6262-407-8

PRIJS

€ 29,95

Inde negentiende eeuw waren het de Franse kunstenaars, van de School van Barbizon tot het (post)impressionisme, die het voortouw namen om niet meer een verzonnen of geïdealiseerde natuur te schilderen, maar de echte natuur. Ze trokken met hun schilderkist naar buiten om de omringende natuur en het wisselde licht vast te leggen in een palet dat steeds lichter en helderder werd

van toon. Tegelijkertijd veranderen ook hun opvattingen over hoe die werkelijkheid het best weergegeven kan worden en zien we in hun werk geleidelijk al een vooruitwijzing ontstaan naar de abstracte kunst.

Die frisse wind in de (natuur)schilderkunst waait vanuit Frankrijk ook naar Nederland en België, en vice versa. Grote namen als Monet, Cézanne, Pissarro, Maris, en Van Gogh komen voorbij, maar ook minder bekende, zoals die van de Belgische schilder Emile Claus.

Aan de hand van een elftal artikelen en meer dan honderdvijftig afbeeldingen gaat de lezer met de kunstenaars mee op pad, de natuur in. Over vriendschappen tussen schilders, hun schildermaterialen, de lijsten die ze om hun werken kozen, de relatie tussen kunst en literatuur en nog veel meer. n

AUTEUR Sieger Vreeling

UITGAVE Verloren

DETAILS

Paperback, 228 pagina’s, rijk geïllustreerd.

ISBN: 978-90-8704-962-1

PRIJS

€ 29,00

De maatschappij veranderde vanaf circa 1850 ingrijpend en de architectuur veranderde mee. Er werden talloze nieuwe gebouwtypen gebouwd. In de overzichtswerken van de architectuurgeschiedenis worden de fundamentele veranderingen niet of nauwelijks behandeld. De architectuur wordt beschreven aan de hand van de bouwstijlen. Achter de gevel gebeurde echter veel meer. n

DETAILS

Gebonden, 160 pagina’s, geïllustreerd met 120 afbeeldingen in kleur, ISBN: 978-94-6262-411-5

PRIJS

€ 24,95

Je kon er aan het eind van de negentiende eeuw niet omheen: weelderige illustraties van feeërieke vrouwen, ritmisch gestileerde bloemen en planten, zwierige lijnen. Als een van de meest invloedrijke en gevierde kunstenaars in het fin-desiècle in Parijs, creëerde Alphonse Mucha (1860-1939) een onderscheidende stijl die synoniem is gaan staan voor de art nouveau. Zijn populaire affiches en illustraties behoren rond 1900 tot de hoogtepunten van deze internationale stijl.

In samenwerking met de Mucha Foundation toont dit boek een ruime selectie van zijn werk. n

Den Haag 1945-1970.

Mooie stad achter de duinen.

AUTEUR

Dick Brongers

UITGAVE

WBooks

DETAILS

Gebonden, 144 pagina’s, ca. 140 afbeeldingen in zw/w, ISBN: 978-94-6258-456-3

PRIJS

€ 24,95

DenHaag 1945-1970 | Mooie stad achter de duinen schetst een intrigerend beeld van het naoorlogse leven in de Hofstad. De stad ontwikkelt zich in razend tempo tot een internationale ‘wereldstad aan zee.’ Den Haag weet uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog te herrijzen.

Wederopbouw en een toenemende welvaart gaan hand in hand. Den haag is het toneel van vele fascinerende ontwikkelingen in de samenleving.

De gehavende stad krabbelt op, herbouwt en breidt uit. Zo zijn de polders Escamp en Mariahoeve jarenlang één grote bouwpunt om voor zoveel mogelijk huisvestingsmogelijkheden te zorgen. Den Haag is een stad van ambtenaren en wordt ondertussen steeds multicultureler. Ook jongeren laten van zich horen, zij eisen meer en meer hun plek op in de maatschappij. Foto’s uit die tijd zijn grotendeels bewaard gebleven in het Haags Gemeentearchief en tonen de ongekende veerkracht van die ‘mooie stad achter de duinen’. In Den Haag 1945-1970 wordt het dagelijk leven in Den Haag op herkenbare wijze in beeld gebracht en zal bij menigeen gevoelens van nostalgie oproepen.

Het zesde deel van de succesvolle reeks Nederland in de wederopbouw. n

26 recent VERSCHENEN VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 27 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 recent VERSCHENEN
Alphonse Mucha. À la campagne. Het Franse licht, van Maris tot Monet. Geen Stijl.

JR Chronicles.

UITGAVE

Wbooks i.s.m. Groninger Museum

DETAILS

Hardcover, 240 pagina’s, 165 afbeeldingen in kleur en zw/w, ISBN: 978-94-6258-470-9

PRIJS

€ 29,95

DeFranse kunstenaar JR maakt al meer dan twintig jaar grote kunstwerken in de openbare ruimte. Door (soms illegaal) gebouwen, pleinen en muren te beplakken met metershoge portretfoto’s geeft hij zichtbaarheid aan mensen die vaak genegeerd worden. Zo krijgen zij, inwoners van

arme wijken, vrouwen, ouderen, immigranten of minderheden, een podium voor hun verhaal.

JR: Chronicles brengt de meest iconische projecten van JR bijeen. Muurcollages, (portret)foto’s en registraties van het beplakken geven een beeld van zijn indrukwekkende carrière: van de vroege graffitikunst die hij als tiener in Parijs maakte, tot zijn maatschappelijke projecten en monumentale kunstwerken op gebouwen in steden verspreid over de wereld. Hoewel JR’s identiteit niet veel verder wordt onthuld dan zijn initialen, maken we kennis met zijn werkwijze, motivatie en positiviteit. Met humor, een kritisch geluid en de kracht van het beeld, zet JR mensen en media op scherp. Wie eenmaal oog in oog heeft gestaan met de street art van JR, kijkt daarna ook met een andere blik naar zijn eigen samenleving. Hét boek bij de gelijknamige tentoonstelling in Groninger Museum. n

Echte van hilversum.

AUTEURS

Max Cramer, Arie den Dikken, Anton Groot, Annette Koenders, Ineke Marx-van Daal, Rob Marx, Harry van der Voort

UITGAVE

Verloren

DETAILS

Gebonden, 272 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-8704-948-5

PRIJS € 30,00

Vanwege Vincent.

Hilversum wordt vaak aangeduid als het Mekka van de jonge bouwkunst in Nederland. Tien jaar lang hebben 7 specialisten onderzoek gedaan naar 50 architecten.

In deel 1 van de 4-delige reeks komt de periode 1850-1915 aan bod. In deze tijd oefende de overheid grote invloed uit op de ontwerpen.

Er verschijnen vier delen, die elk los €30 kosten. Wie de set van 4 delen ineens bestelt, betaalt €100 en krijgt de boeken telkens direct bij verschijnen toegezonden. Het laatste deel verschijnt in november 2022. n

De Hemelbouwer; Een biografie van Eise Eisinga

AUTEUR

A. Dijkstra

UITGAVE Noordboek RECENSENT

Rolf Wisseling

DETAILS

Gebonden (met stofomslag), 198 pagina’s, geïllustreerd met afbeeldingen

In zw/w en kleur, noten, literatuur, ISBN 978-90-5615-789-0

PRIJS

€ 22,50

AUTEUR

UITGAVE

Wbooks i.s.m. Stedelijk Museum Breda

DETAILS

Gebonden, 220 afbeeldingen in kleur, ISBN: 978-94-6258-476-1

PRIJS

€ 29,95

Vincent van Gogh werd onafgebroken geïnspireerd door zijn geboortestreek West-Brabant; door de natuur en het eenvoudige boerenleven. Het Vincent van GoghHuis heeft de afgelopen tien jaar bijna 150 kunstenaars uit verschillende windstreken, zowel jonge talenten als gevestigde namen,

uitgenodigd om een tijdlang te werken op de geboorteplek van Van Gogh om zich door de sfeer van deze plaats te laten inspireren. De uitkomsten van deze residenties zijn bijzonder divers. Iedereen vindt weer een ander aspect uit het leven en werk van Van Gogh om op te reageren.

Tot op de dag van vandaag volgen ze in zijn voetsporen en brengen ze hommage aan de kunstenaar uit Zundert. Vanwege Vincent komen zij tot nieuwe kunst.

In Vanwege Vincent wordt teruggekeken naar de tien jaar dat in Zundert dit AiR (Artist in Residence) programma loopt. De bijdragen van de kunstenaars, fotografen, filmers, schrijvers en vormgevers die deelnamen aan het programma laten zien dat Vincent van Goghs invloed op de kunsten nog altijd groot is. De tentoonstelling is van 18 december 2021 tot en met 1 mei 2022 te bezoeken in het Stedelijk Museum Breda. n

Het tweede kwart van de 18de eeuw kan worden beschouwd als de tijd waarin de strijd tussen het denken over een ondoorgrondelijke Goddelijke almacht en de door natuurwetenschappen bevestigde menselijke ratio definitief in het voordeel van het laatste zou worden beslist. De laatste bladzijden van het aloude Boek der Natuur werden omgeslagen, terwijl de ‘Inleiding’ van Newtons Principia (= Mathematical Principles of Natural Philosophy; 1686/7 // 1713) en de Verlichting zich onstuitbaar over Europa verspreidden.1 Newton zette de wereld op zijn kop met natuurwetten, wetten die theoretisch waren afgeleid van de geobserveerde natuur, maar die praktisch voorspellende betekenis bleken te hebben. Newton bereikte binnen enkele tientallen jaren de universiteiten en zijn zonnestelsel en die van Huygens en anderen werden in boeken afgedrukt en frequent als wetenschappelijke (tafel)modellen of curiosa geconstrueerd. De Friese stad Franeker was al vroeg gezegend met een kleine universiteit, die er gevestigd is geweest van 1585 tot 1811. De intellectuele infrastructuur van deze academie straalde in de 18de eeuw ook uit naar de Friese bevolking, waarvan de meest ontwikkelde amateurs en autodidacten vanaf de vroege 20ste eeuw wel ‘boerenprofessoren’ zijn genoemd. Onder hen waren instrumentmakers die zich ook verdiepten in wiskunde en astronomie en die een secundair, niet academisch netwerk onderhielden.2 Dit netwerk ging langzaamaan ten onder na het opheffen van de universiteit.

In de schaduw van de Franeker academie en de Verlichting kwam in de jaren 1774-1781 een planetarium tot stand, dat tot op de dag van vandaag (vrijwel ononderbroken) de standen van de zon, van (onze) maan en van de zes op dat moment bekende planeten van ons zonnestelsel nauwkeurig aanwijst.3 De ontwerper en constructeur van het planetarium in Franeker was zo’n niet-academische ‘professor’. Het was ene Eise Eisinga, die meestal wolkammer wordt genoemd. Van de hand van wetenschapshistoricus A. Dijkstra verscheen enkele

maanden geleden een biografische schets van Eisinga. Hieruit moet blijken dat Eisinga toch een iets andere persoon is geweest, dan twee eeuwen lang in een wat romantisch beeld - en bezien door een waas van mythen - werd gedacht. We zullen kijken of de auteur hierin in voldoende mate is geslaagd.

Het ontstaan van het planetarium wordt algemeen in verband gebracht met het begin 1774 in Friesland en elders rondgaande gerucht dat de wereld op 8 mei van dat jaar zou vergaan. Deze catastrofe zou het gevolg zijn van de (overigens correcte,) astronomische berekening dat er een optische samenstand was in het sterrenbeeld Ram van ‘onze’ Maan en de vier planeten Mercurius, Venus, Mars en Jupiter. De door velen gevreesde conjunctie verliep echter zonder gevolgen en raakte in de vergetelheid. Hoe het zij, het hemelverschijnsel zou ook Eise (Jeltes) Eisinga hebben gefascineerd en het zou hem er in datzelfde jaar toe hebben gebracht in zijn woning een planetarium te bouwen. In hoeverre deze opvatting klopt, valt – bij gebrek aan een steekhoudende bron –niet met zekerheid te achterhalen, maar de in noot 2 bedoelde Zuidervaart heeft er zijn bedenkingen bij. Verder moet op dit punt in deze recensie worden opgemerkt dat Dijkstra in zijn Inleiding meerdere mythen opsomt die het beeld van Eisinga zouden hebben beïnvloed. Ze zijn samen te vatten onder drie noemers: 1. Hij genoot weinig onderwijs, maar hij zou toch meerdere (nooit in druk verschenen) wiskundeboeken hebben geschreven, 2. Hij zou – in het verlengde van wat hiervoor is geschreven - zijn planetarium hebben geconstrueerd om de massale onrust rondom de ondergang van de wereld onder de Friese bevolking te ontzenuwen en tevens zou hij het instrument zonder hulp van buitenaf hebben gebouwd, 3. Hij zou, als wolkammer, een ‘eenvoudige ambachtsman’ zijn geweest. Dijkstra stelt dan: “Dit boek zal op meer punten het geromantiseerde beeld van Eisinga bijstellen. Uit tientallen, voorheen onbekende, brieven en andere bronnen viel een beeld te construeren van het leven

29 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 gelezen VOOR U 28 recent VERSCHENEN VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022

van Eise Eisinga, zijn opleiding, zijn financiële positie, zijn bedrijf en zijn politieke activiteiten.” [vet: R.W.] (pp. 10-13)

Hij gaat dan flink aan de slag om die geromantiseerde opvattingen over Eisinga te bestrijden, maar het lijkt er soms op dat hij het tegen zijn eigen stroman opneemt. De mythen – en ook ermee verbonden verhalen - komen namelijk voor een deel voort uit Dijktra’s eigen koker. Als die mythen al bestaan, dan zijn ze te wijten aan gepopulariseerde weergaven van contemporaine bronnen en literatuur. Maar in zulke laat-18de- en vroeg-19deeeuwse boeken, artikelen en kranten - en tot en met de latere biografische uitgaven en herdenkingsbundels – steeds wordt uitgegaan van de échte bronnen. En wie die meer of minder uitgebreide teksten tot zich heeft genomen, ziet dan ook niet zo veel ‘verrassende nieuwe inzichten in het leven van de Hemelbouwer en het ontstaan van het Planetarium’ als hij hoopte. Dijkstra zegt dit boek geschreven te hebben ‘als wetenschapper, maar met een zo breed mogelijk publiek voor ogen.’ Dat is uiteraard prima, maar dit ontslaat hem niet van de verplichting man en paard te noemen, onder het motto ‘ere wie ere toekomt’. En voldoende duidelijk maken dat een flink deel van het materiaal dat wordt gepresenteerd soms al 90 jaar of meer geleden in druk is verschenen, behoort tot dit ‘man en paard noemen’. De mogelijk grootste misser is het niet noemen van Samuel Gessner, die in 2014 uitgebreid onderzoek verichtte naar geschiedenis en techniek van het planetarium. Uw recensent is van mening dat Dijkstra’s opmerking ‘In een publicatie in voorbereiding doe ik uitgebreid verslag van mijn wetenschappelijke studie naar Eisinga’, al in de eerste alinea’s van deze biografie had moeten staan - en niet pas in de allerlaatste. (pp. 187, 188) Dit gezegd hebbend, nu over naar de feitelijke inhoud van deze uitgave: wie was die Hemelbouwer Eise Eisinga dan wel helemaal? En vooral: krijgen we hierop bevredigend zicht en heeft Dijkstra zich voldoende in de persoon en in zijn context weten te verplaatsen?

Eise Eisinga (geboren in 1744 te Dronrijp; overleden in 1828 te Franeker) was op grond van familietraditie wolkammer van professie. In weerwil van de naam, waren wolkammers echter niet in de eerste plaats handwerkslui, maar ook en vooral tamelijk welvarende handelaren en fabrikanten in (wollen) garens en textiel. Dit verklaart mede het feit dat zowel zijn vader, een broer en Eise in de gelegenheid waren zich te verdiepen en te bekwamen in het ‘buitenaardse’ – zoals in wiskunde, mechanica en astronomie. Eise Eisinga’s wereld was dan ook veel groter dan die van een kleine neringdoende, in wiens bestaan geen geld of gelegenheid kon bestaan voor escapades en ‘hobbyisme’. Eise’s vader, zelf bemiddeld meester-wolkammer, liet hem al jong kennismaken met de beginselen van astronomie en mechanica en

verder ging Eise naar de dorpsschool. Vervolgens kreeg hij vanaf 1759 in Franeker les in aritmetica, geometrie en later in astronomie van ene Willem Wytzes. (p. 44: echt blauwverver / wolkammersknecht?) Vanaf die tijd ontstonden verschillende handschriften op wiskundig en astronomisch terrein, waarvan de mythe zegt dat ze door Eisinga’s zelfstudie in de periferie van de universiteit zijn ontstaan. Dijkstra laat echter zien dat ze de directe neerslag vormden van onderwijs: ze zijn aantekeningen voor eigen gebruik van een ijverige en leergierige schooljongen. Zo toont hij met enige goedgekozen voorbeelden aan dat Eisinga’s schrijfsels en schetsen nauwgezette kopieën zijn van bladzijden uit een leerboek Natuurkunde van ene Benjamin Martin. (pp. 45-50) Hier helpt Dijkstra dus echt een mythe naar de maan. In 1768 trouwde Eise Eisinga met Pietje Jacobs en vestigde het paar zich in het door zijn ouders voor hun gekochte huis De Ooijevaar in het hart van Franeker. Hier werd een wolkammerij ingericht – vermoedelijk in het achterhuis - en enkele jaren later werd ook Eisinga’s planetarium hier gerealiseerd. Die andere mythe, namelijk dat een poging tot ontzenuwing van alom heersende paniek voor een naderend ‘Armageddon’ de directe aanleiding voor Eisinga’s bouw van een planetarium zou zijn geweest, is als sneeuw voor de zon verdwenen doordat hiervoor - ook volgens Dijkstra - nooit bewijs is gevonden. Hier staat tegenover dat de mythe dat Eisinga nooit hulp kreeg bij de constructie, gemakkelijk is te weerleggen, zo stelt Dijkstra. Hij doet dit dan op basis van bronnen, maar de eerder genoemde Van Swinden schreef al in 1780 dat Eise’s vader en een ‘uurwerkmaker’ enkele specialismen voor hun rekening namen. Dijkstra voegt eraan toe dat bronnen duidelijk maken dat ook Eise’s broer Stephanus hem bijstond. Weinig nieuws onder de zon dus, behalve dat hij nog oppert: “En het lijkt aannemelijk dat bij het ophangen van de grote tandwielen en het plaatsen van nieuwe balken in zijn huis nog meer mensen geholpen hebben.” De laatste, maar wel heel belangrijke mythe die Dijkstra noemt en ontzenuwt, is die waarin Eisinga is neergezet als een eenvoudige ambachtsman. Maar bronnen en literatuur hebben er vanaf de laatste decennia van de 18de eeuw geen twijfel over laten bestaan dat hij een vooraanstaand lid was van de Franeker samenleving was. Deze mythe – zo die al bestaat – is een vrij modern verzinsel, dat mogelijk valt te herleiden naar het tegenwoordig weinig meer begrepen bedrijf van ‘wolkammer’. In een Jaarboek der Bataafsche Republiek (1796) worden ‘Wolkammers of Fabriqueurs in Sayetten’ over één kam geschoren en wordt in één oogopslag duidelijk dat zij ondernemers zijn - en geen eenvoudige arbeiders. Fabrikeurs hielden ruwweg het midden tussen entrepreneurs en kooplieden. In de eigentijdse literatuur noemt men hem consequent ‘burger(man)’. Een ambachtsman of een handwerksman, dát was Eisinga

bepaald niet - en al helemaal niet ‘een eenvoudige’. Dat blijkt ook in het vervolg van Dijkstra’s boek. Zo speelde Eise Eisinga vanaf het midden van de jaren ‘70 een voorname rol in de armenzorg en het stedelijk bestuur van Franeker. (Hierop wordt nog teruggekomen.) En ook onderhield hij een netwerk van zakelijke contacten, waarvoor hij onder meer regelmatig naar steden als Amsterdam, Rotterdam en Leiden moet zijn gereisd. Dit laatste komt overigens niet zo goed uit de verf in Dijkstra’s betoog en het wordt ook niet geschraagd met

bewijs. Indirect bestaat zulk bewijs echter wel degelijk. Zo schreef Van Swinden in 1780 dat Eisinga jaarlijks voor zaken naar Leiden reisde.

Dijkstra verhaalt verder over het feit dat Eisinga’s planetarium vanaf de voltooiing een tijdje wereldnieuws was en dat er in de loop der jaren duizenden hooggeplaatste, ook buitenlandse bezoekers te gast waren. Al gauw volgden echter de politieke en sociale verwikkelingen van de Patriottische en de Franse tijd. Eisinga was toen, net

gelezen VOOR U VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 gelezen VOOR U 31 30
Portret van Eise Eisinga in 1827. Schilderij door W.B. van der Kooi (1768-1836) in Raadhuis Franeker
Wikimedia Commons, CC-BY-SA-4.0, Foto: Agnes Monkelbaan)

als veel andere prominente inwoners van Franeker, een overtuigd patriot (en daarmee een anti-orangist!) – wat onder meer inhield dat hij waarde hechtte aan – wat we nu zouden noemen – een ‘democratischer’ bestuur. Het patriottisme vierde midden jaren 1780 hoogtij in Franeker. Maar in 1787 keerden de kansen ten voordele van de Oranjegezinden, met als direct gevolg dat een groot aantal patriotten naar Frankrijk of naar een van de Duitse vorstendommen vluchtte. Ook Eise Eisinga, die eerst in het Duitse Steinfurt en daarna, tot medio 1790, in Gronau in ballingschap ging. Eerst toen waagde hij het terug te keren naar de Nederlanden – zij het niet naar Friesland. En terecht, zoals in april van het volgende jaar bleek, want in Visvliet, een gehucht aan de grens van Groningen met Friesland, werd hij gearresteerd en vervolgens in Leeuwarden veroordeeld tot vijf jaar verbanning uit Friesland. Dit werd het begin van een periode van drie jaar waarin hij in datzelfde Visvliet zijn activiteiten in de textiel oppakte. De zaken namen evenwel opnieuw een andere wending toen patriottische vrijkorpsen in 1795 weer in het zadel werden geholpen door Franse invasielegers en Eisinga plotseling kon terugkeren naar Franeker. Een puntje van kritiek is hier echter op zijn plaats. Het lijkt alsof Dijkstra dit deel van zijn Eisingabiografie als nieuw ontgonnen terrein presenteert, maar dat is nogal bezijden de waarheid. De meeste schetsen van zijn levensloop laten de periode 1787-1795 misschien iets minder gedetailleerd zien, maar ze gaan er bepaald niet aan voorbij. In 1928 is er zelfs uitgebreid geciteerd uit bronnen. De omwenteling van 1795 leidde intussen wel tot een nieuwe glorieuze periode in Eisinga’s leven, ook al bleven verschillende van zijn dromen en ambities onvervuld. Een beoogd, tweede, maar belangrijk groter planetarium is er bijvoorbeeld niet gekomen4 en ook de (gedeelde) aanstelling als curator van de universiteit van Franeker bleek uiteindelijk een hap gebakken lucht. Hier staat tegenover dat Eisinga direct bij het begin van deze fase van zijn leven terugkeerde in publieke ambten, zoals in de stadsregering van Franeker en in het provinciaal bestuur. En hij schopte het hierbij zelfs tot ‘Den Haag’: in de jaren 1796 en 1798 was hij afgevaardigde in de Nationale Vergadering namens Friesland! (pp. 103-147) En dan – was hij wellicht een van de vele opportunistische windvanen? - ook na de ineenstorting van het Franse gezag, in 1813, hield Eisinga zich staande. Vooral zijn ‘Broederschap van de Orde van de Nederlandsche Leeuw’ en het bezoek van Koning Willem I aan het planetarium, in 1816 resp. 1818, betekenden erkenningen van zijn uitzonderlijke kwaliteiten en verdiensten. De waardering werd uiteindelijk geformaliseerd door overname van het huis met planetarium door het Rijk – voor het destijds formidabele bedrag van 10.000 gulden! - na een Koninklijk Besluit van december 1825.5 De echte transactie vond overigens pas ruim negen maanden later plaats, op

4 oktober 1826. Kort hierna verhuisde Eise Eisinga naar het buurhuis aan de rechterzijde van de poort en steeg, waarna een volgende generatie de feitelijke zorg voor het planetarium kreeg.6 Hiermee was in één klap Eisinga’s grootste wens in vervulling gegaan: het veiligstellen van zijn instrument.7 Nadat de ontwerper en constructeur op 27 augustus 1828 was overleden, bleef zijn naam bekend dankzij het naar hem vernoemde ‘(Koninklijk) Eise Eisinga Planetarium’.

Tot slot nogmaals de vraag: krijgen we met deze uitgave een bevredigend zicht op wie Eise Eisinga was en heeft Dijkstra zich hiertoe voldoende in de persoon en in zijn context weten te verplaatsen? Wat de maatschappelijke context betreft – de Verlichting en de Patriottentijd als meest markant – wordt de lezer voldoende bediend. Hiernaast bracht Dijkstra veel historisch materiaal (opnieuw) aan het licht en weet hij een interessante en goed leesbare biografische schets van het leven van Eise Eisinga te presenteren. Met opzet – schets – want deze uitgave lijkt nog maar een summiere inkijk in ’s mans leven te bevatten. Dat komt enerzijds doordat de auteur zich niet altijd ten diepste verplaatste in het karakter van zijn onderwerp en hem meer als een ‘object’ ten tonele voert dan dat hij hem ‘subjectief waarneemt’. Eisinga komt hierdoor iets minder van het papier los dan haalbaar zou zijn geweest. Diens karakter en de ontwikkeling ervan in de loop van zijn lange leven komen maar moeizaam uit de verf. Was hij een wat in zichzelf gekeerde brombeer, een wellevende echtgenoot (en /)of een toegewijde vader – het wordt helaas niet zo duidelijk. Twee voorbeelden om dit te verduidelijken. Toen Eisinga in 1787 uit Franeker en Friesland vluchtte, liet hij zijn (eerste) vrouw en kinderen achter. Waarom? En ook: wat was de reden voor het onder voogdijschap van familie blijven van die kinderen, nadat zij was overleden (juli 1788), terwijl hijzelf, tamelijk dichtbij - in het Groningse Visvliet – een nieuw bedrijf was begonnen? Was dat usance bij verbanning? Ook als de beschikbare bronnen weinig of niets zeggen over zijn echtgenote en over het waarom hiervan, dan zou een biograaf toch moeten gaan ‘graven’ – of zelfs moeten beginnen met interpreteren of speculeren. Binnen datgene wat Dijkstra erover te berde brengt, staat centraal Eisinga’s verzuchting dat hij ‘liever arm en berooid naar Franeker [zou] terugkeren, dan als een rijk man […] in de vreemde om te swerven […]’. Maar deze verzuchting staat te midden van een technisch vertoog en ze wordt gevolgd door een zin vol zelfmedelijden, die beide geen plaats kregen bij Dijkstra.8 Het beeld dat hiermee ongewild blijft hangen, is dat Eise Eisinga wellicht een tikkeltje monomaan was – of zelfs een nerd - zoals Dijkstra wel heeft geopperd. Om die indruk te nuanceren, zou een ‘empathisch’ artikel kunnen dienen dat op naam staat van ene Maurits Goldsmid.

Deze helaas incompleet gebleven levensbeschrijving verscheen in het tijdschrift De Navorscher en betrof Eisinga’s jaren 1744-1790.9 En hiernaast moet zeker ook genoemd worden de boeiende, maar helaas niet op trefwoord doorzoekbare website http://www.eiseeisingadeverlichtinginnede.nl Samenvattend: zoals de auteur zelf al aangaf, is dit nog niet de definitieve biografie en is hij bezig met een ‘uitgebreid verslag van [zijn] wetenschappelijke studie naar Eisinga.’ Tot het verschijnen van dat verslag, is de voorliggende uitgave vooral een handzame update van grotendeels bekende feiten, die in de oorspronkelijke drukwerken echter minder gemakkelijk te vinden zijn. Te hopen valt dat in het nog te verschijnen verslag Eisinga’s zielenroerselen en beweegredenen wat meer worden uitgediept of geïnterpreteerd. Niettemin: De Hemelbouwer; Een biografie van Eise Eisinga is een fijn boek voor een breed publiek. De belangstelling zal groeien nu het planetarium in januari jl. is voorgedragen voor erkenning als Werelderfgoed.

Noten

1 Enkele relevante teksten zijn hier via een (verkorte url digitaal benaderbaar gemaakt: https://tinyurl. com/2p8t7ucy ; https://nl.wikipedia.org/wiki/ Verlichting_(stroming)

2 https://tinyurl.com/4cb9n8hm (=2012) Deze is overigens sceptisch ten aanzien van de uitzondelijke kwaliteiten van Eisinga’s planetarium.

3 Enige relevante teksten betreffende Eise Eisinga en het planetarium - waarnaar hier soms wordt verwezen - zijn te benaderen via: https://tinyurl.com/574y-

COLOFON

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

DIGITAAL ABONNEMENT

Digitaal abonnement (4 nrs./p.jr.)

Particulier EUR 50,- (incl. btw)

Bedrijfsabonnement EUR 60,- (excl. btw)

4kcc (=1780) https://tinyurl.com/449dxp37 (=1928) ; https://tinyurl.com/4yrwzrfs (=2002)

4 Er zijn wel enkele kleinere hemelmodellen van hem bekend, waarvan er één is opgesteld in Franeker.

5 De verkoop aan het Rijk had veel meer voeten in de aarde dan Dijkstra doet geloven. Mulder de Ridder (=2002) bestrijdt ook de juistheid van de elders wel genoemde datum van 28 december 1825 (van deze dag bestaan geen K.B.’s) en vermeldt als juiste datum 20 december 1825. De koopsom van 10.000 gulden werd in tien jaarlijkse termijnen voldaan en werd verhoogd met enige extra faciliteiten en bedragen.

6 E. Havinga e.a. (=1928), 55.

7 In 1859 kwamen het huis en het kunstwerk in bezit van de stad Franeker. Overigens verwierf het pas in 2006 het predicaat ‘Koninklijk’; in dat jaar werden Eise Eisinga en het planetarium ook opgenomen in de ‘Canon van Nederland’ (https://www.canonvannederland.nl/nl/eiseeisinga).

8 E. Havinga, e.a. (=1928), 174, 175, 196. Slechts op één andere plaats worden de kinderen genoemd, nl. in de brief uit Gronau, van 16 maart 1790. “[…] de Kostelijke [= kostbare] tijd die ik tans moet doorbringen Sonder ijets tot nut van mij en mijn Kinderen te kunnen doen […]”

9 M. Goldsmid (1939, 1940), ”Eise Eisinga, een zeer bequaam en aanmerckelíjk Man,” In: De Navorscher […], 88e jrg., pp. 276-288 ; 89e jrg., pp. 1-14. n

REDACTIE

Blijdenstijn, R.

Cramer, drs. M.A.

Diederiks, R.P.H.

Niemeijer, drs. A.F.J.

Verschuure-Stuip, Mw. dr. ir. G.A.

Vreeze, dr. ir. N. de

FREQUENTE BIJDRAGEN

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M. en Coenen, Mw. M.

© Copyrights Uitgeverij Educom, April 2022, ISSN 1874-5008.

Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

gelezen VOOR U VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 VITRUVIUS NUMMER 59 APRIL 2022 gelezen VOOR U 33 32
VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN: Uitgeverij Educom | Mathenesserlaan 347 | 3023 GB Rotterdam | Tel. 010-425 6544 | info@uitgeverijeducom.nl | www.uitgeverijeducom.nl

Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius

Steeds meer gemeenten zetten zich actief in voor hun eigen cultuurhistorie, monumenten, musea, bodemvondsten en ander erfgoed. Erfgoed spreekt inwoners aan: talloze vrijwilligers zetten zich in voor het behoud van een monument, of zijn actief in een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel van locale identiteit. Erfgoed leeft!

Steeds meer gemeenten zetten zich actief in voor hun eigen cultuurhistorie, monumenten, musea, bodemvondsten en ander erfgoed. Erfgoed spreekt inwoners aan: talloze vrijwilligers zetten zich in voor het behoud van een monument, of zijn actief in een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel van locale identiteit. Erfgoed leeft!

Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met een ‘special’. Informeer naar de plaatsingsmogelijkheden.

Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl

Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele doeleinden. Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl

Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Nog geen abonnee? STEUN DE KENNISOVERDRACHT- EN VERSPREIDING
ONS
OVER
CULTUREEL ERFGOED
www.uitgeverijeducom.nl
Word abonnee en ontvang Vitruvius 4x per jaar digitaal. Voor tarieven zie Colofon elders in dit nummer.
Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.