Vitruvius Oktober 2021

Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 15 | NUM M E R 57 | O KTOBER 2 0 2 1

NEDERLANDS RELIGIEUS ERFGOED OP FACEBOOK | TUSSEN DATA EN DEBAT - DEEL 1

AMERIKA’S GRID-VERSLAVING (3) HET GRID IN DE STEDEN VAN NOORD-, MIDDEN- EN ZUID-AMERIKA

RENTMEESTERSCHAP EN DUURZAAMHEID TEGENPOLEN?


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special Informeer naar de vele mogelijkheden? Stuur een e-mail met uw vragen en wensen naar: info@uitgeverijeducom.nl

VITRUVIUS_Jan.2020.indd 2

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

12/11/2019 20:24


JAARGANG 15 NUMMER 57 OKTOBER 2021

4 AMERIKA’S GRID-VERSLAVING (3) HET GRID IN DE STEDEN VAN NOORD-, MIDDEN- EN ZUID-AMERIKA DR. IR. N. DE VREEZE

12 RENTMEESTERSCHAP EN DUURZAAMHEID TEGENPOLEN? DHR. DRS. A.F.J. NIEMEIJER

21 NEDERLANDS RELIGIEUS ERFGOED OP FACEBOOK | TUSSEN DATA EN DEBAT - DEEL 1 DR. B. VAN HELLENBERG HUBAR & M. COENEN Recent verschenen

28 3


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Amerika’s grid-verslaving (3) Het grid in de steden van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika

In twee essays in Vitruvius (nr. 55 van april 2021 en nr. 56 van juli 2021) heb ik het grid beschreven als stedenbouwkundig ontwerpen ontwikkelingsprincipe. Centraal stond de constatering dat het grid al vele eeuwen is toegepast en dat er niet één historische oorsprong is aan te wijzen: het grid is op verschillende momenten op verschillende plaatsen in lokale tradities tot ontwikkeling gekomen. Kennelijk zijn er vaak goede redenen geweest om voor een gridpatroon te kiezen als uitgangspunt voor de vormgeving van steden en buurten. Maar in geen enkel ander werelddeel is de toepassing van het grid op zo grote schaal en zo consequent toegepast als in de van steden in Zuid-, Midden- en Noord-Amerika. Om hier zicht op te krijgen moeten enkele punten uit de geschiedenis van de kolonisatie van Zuid- Midden- en Noord-Amerika kort beschreven worden. Spanjaarden en Portugezen in Amerika Kennis over de bewoningsgeschiedenis en de culturele ontwikkeling van Midden-Amerika, dat vanaf 1492 door Spaanse en Portugese kolonisten in bezit is genomen, is de laatste jaren enorm toegenomen. Vanuit Europa bezien blijft de basis van het verhaal dat de in Genua geboren Christoffel Columbus, met steun van de Spaanse Ferdinand en Isabella van Castilië en Aragon, vanuit Portugal in vier reizen tussen 1492 en 1504 een nieuwe wereld ontdekte. Hij dacht dat het Indië moest zijn. De inboorlingen die hij aantrof konden niet anders dan ‘Indianen’ zijn. Maar de in zijn ogen ongecultiveerde barbaren bleken de erfgenamen te zijn van rijke culturen die in Midden-Amerika eeuwen hadden getrotseerd met een geavanceerde landbouw met uitgebreide irrigatiesystemen, een robuust wegennet, honderden grote en kleine nederzettingen, monumentale bouwwerken voor godsdienstige rituelen en paleizen voor vorsten. Uitgebreid archeologisch onderzoek heeft ons inzicht in de geschiedenis van deze gebieden inmiddels verrijkt met gedetailleerde beschrijvingen van verbazing4

wekkende beschavingen en koninkrijken. Waar in andere werelddelen, zoals in Europa, het Midden-Oosten en Azië, over de eeuwen heen altijd wel sprake is geweest van wederzijdse kruisbestuivingen heeft de culturele dynamiek in Midden-Amerika vermoedelijk heel geïsoleerd plaatsgevonden; geen intensieve uitwisseling dus van ideeën, inzichten, uitvindingen, religies, zeden en gewoontes. Maar wonderlijk genoeg waren er net als elders in de wereld uit kleine en primitieve agrarische nederzettingen wel omvangrijke steden ontstaan, met een hiërarchische sociale en ook ruimtelijke ordening die lijkt te wijzen op universele wetmatigheden. Tientallen grote stedelijke complexen zijn inmiddels geïdentificeerd. Daarbij moet benadrukt worden dat alleen belangrijke bestuurlijke en religieuze bouwwerken als ruïne konden overleven, terwijl de onderkomens van het gewone volk veelal niet tegen de tand des tijds waren bestand. Verharde straten geven soms enig inzicht in de structuur en de omvang van de stedelijk compositie. In diverse archeologische opgravingen zijn aanwijzingen te vinden dat ook in vroege beschavingen in Midden-Amerika vaak gekozen is voor rechthoekige verkavelingen en orthogonale stratenpatronen.

Een opzienbarend voorbeeld is Tenochtitlan, de hoofdstad van de Azteken, bekend geworden door het overgeleverde reisverslag van een Spaanse soldaat, Bernal Diaz del Castillo. Hij kwam woorden tekort om zijn verbazing te beschrijven over deze stad, die met ca. 200.000 inwoners groter was dan Parijs, destijds de grootste stad van Europa. De Spanjaarden vergaapten zich aan de brede kaarsrechte straten, de gestucte en overdadig versierde bouwwerken, de grote markt in het centrum met talloze producten die van honderden kilometers ver moeten zijn aangevoerd, honderden bootjes langs de kades en de drie strekdammen waarmee de stad was verbonden met het platteland, over de aquaducten waarmee schoon water uit de bergen naar de stad werd vervoerd. Ze verbaasden zich over de enorme tempels van meer dan 70m hoog, en over de rijke botanische tuinen. En dan waren er de honderden mannen die ervoor zorgden dat de drukke straten schoon bleven.1 Uitzonderlijker nog dan deze bijna toeristische beschrijvingen van een Spaanse soldaat in een vreemd land is de reconstructie van de structuur van de stad, waarvan de allereerste schets is te vinden in een document uit de 16de eeuw2, die later op basis van allerlei bronnen kon worden verfijnd.

Bron: Internet, iStock

Dr. ir. N. de Vreeze Noud de Vreeze studeerde Bouwkunde aan de TU in Delft.

1 - Chan Chan, Peru, hoofdstad van het koninkrijk van Chimú van ca. 1100 tot 1500


NUMMER 57 OKTOBER 2021

Bron: Historianet.nl

VITRUVIUS

2 - Speculatieve reconstructietekening van Tenochtitlan, hoofdstad van de Azteken (verwoerst in 1521) ter plaatse van waar nu Mexico-stad is gevestigd. Er was sprake van een eiland in de vorm van een rotsplateau, met daaromheen een web van bewoonde eilandjes en drijvende tuinen. Midden in de stad lag een vierkant plein met paleizen, een markt en religieuze bouwwerken en twee haaks op elkaar gesitueerde boulevards doorkruisten de stad. Deze structuur biedt voldoende aanknopingspunten voor een verrassende vormverwantschap met een grid: de rechthoekige kavels, de loodrecht op elkaar gesitueerde kaarsrechte boulevards en de centrale ligging van een plein voor de belangrijkste gebouwen in de stad. De euforische beschrijving van soldaat Bernal Diaz vormt een schril contrast met wat er vlak na de ontdekking van deze onbekende stad gebeurde. Nauwelijks twintig jaar na de komst van Columbus begon onder leiding van de Spaanse Admiraal Hernan Cortés de vernietiging van honderden steden en dorpen in Midden-Amerika. Daarbij werden lokale tradities en eeuwenoude beschavingen meedogenloos beëindigd en miljoenen ‘Indians’ werden slachtoffer van de hebzuchtige Spanjaarden, die daarbij gebruik konden maken van bestaande twisten tussen inheemse bevolkingsgroepen. Tenochtitlan was de eerste grote stad die door Spaanse kolonisten werd vernietigd. De symbolische betekenis van de plek is later erkend: ter plaatse van de rots in de ondiepe moerasachtige krater is uiteindelijk Mexico-stad ontstaan, de nieuwe hoofdstad van wat Nieuw-Spanje zou heten, en waar-

voor het bestaande rechthoekige raster van degelijk geplaveide wegen en het centrale plein bruikbaar bleken. De vele waterwegen in deze Azteekse hoofdstad werden met puin van de monumenten gedempt. Overal in Midden-Amerika werden steden gevonden met ongeëvenaarde rijkdommen, die het begin vormden van de lugubere kant van de koloniale geschiedenis van Amerika: onderdrukking van de lokale bevolking en slavernij. Cortés en zijn mannen beschreven de rijkdom die ze aantroffen in hun reisverslagen aan de Spaanse koning als volgt: “Alles wat barbaarse heersers in deze steden onder de hemel in hun domein aantroffen werd in goud, zilver en edelstenen nagemaakt, zo realistisch dat geen smid ter wereld dat beter gedaan zou kunnen hebben. En in sieraden zo fijn dat je je niet kunt voorstellen met welke instrumenten ze zo volmaakt gemaakt kunnen zijn. Er is niets in Spanje dat hiermee te vergelijken is.”3 Het misdadige geweld waarmee slachtpartijen hebben plaatsgevonden en steden en dorpen zijn verwoest is bekend geworden door een ontluisterend verslag van de Spaanse priester Bartelomomé de las Casas. Geen ander document geeft een vollediger en gruwelijker beeld van deze episode dan dit betoog van een ooggetuige uit 1552. De misdaden van Spaanse kolonisten in het hele gebied tussen Peru, Venezuela, Cuba, Guatemala, Mexico, Florida, Texas en Californië worden door hem in detail beschreven, in “Brevisma relacion de la destruction

de las Indias”, gepubliceerd in Sevilla in 1552, en daarna vertaald in het Latijn en in diverse Europese talen en te vinden op internet. De auteur waarschuwt zijn lezers: hij heeft voldoende materiaal verzameld “ ….om een heel boek vol te schrijven, en als dat voltooid zou zijn, zou het zo vol staan met gruwelijkheden en afschuwelijkheden, bloedbaden, slachtpartijen, misdaden en onmenselijke verwoestingen , dat daardoor het huidige en toekomstige mensengeslacht met ontzetting vervuld zou worden”. Zijn ‘Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de West-Indische landen’ geeft ook een beeld van de omstandigheden, die uiteindelijk hebben geleid tot de stichting van ca. vijfhonderd nieuwe Spaanse steden en duizenden dorpen in wat in Europa de Nieuwe Wereld werd genoemd.4 De miljoenen slachtoffers van roofovervallen en moordpartijen vormen maar een deel van het verhaal over het begin van de kolonisatiegeschiedenis van Amerika. Naarmate steeds meer Spaanse kolonisten, vermoedelijk vaak criminele avonturiers en mannen met een dubieus verleden, overtuigd raakten van de rijkdom die aan de overzijde van de Atlantische Oceaan voor het oprapen lag, en de riskante overtocht waagden, werd de autochtone bevolking op steeds grotere schaal ingezet om een handje te helpen om rijkdom te vergaren: gedwongen tewerkstelling op suikerrietplantages, zwoegen in goud- en zilvermijnen en afgebeuld worden als goedkope werkkrachten bij de bouw van nieuwe steden; dit alles leidde tot de slavernij die in dit werelddeel pas drie eeuwen later langzaam maar zeker werd beëindigd. En dan er is nog een derde factor geweest waardoor de komst van Europeanen in de Nieuwe Wereld zo’n lugubere geschiedenis vormt. Met de kolonisten reisden ook virussen en bacteriën mee de Atlantische Oceaan over, waartegen Europeanen in de loop van eeuwen een zekere immuniteit hadden ontwikkeld. Het ging om Cholera, Tuberculose, Pokken, en Mazelen en met de import van Afrikanen om als slaaf te werken op de plantages en in de mijnen van de Nieuwe Wereld werd ook op grote schaal Gele Koorts geïntroduceerd. Er zijn tot aan het eind van de 19de eeuw in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika vermoedelijk ca. 50 miljoen mensen aan de nieuwe ziekten bezweken.5 5


Eerste nederzettingen van Spaanse kolonisten Vanaf het moment dat Columbus z’n tweede reis maakte, niet met enkele tientallen avonturiers op drie schepen maar met twaalfhonderd man op zeventien schepen, moet er sprake zijn geweest van kleine nederzettingen, waarover, naarmate ze groeiden, in toenemende mate gedelibereerd moest worden door een leidinggevende gouverneur: over een ordelijk stratenplan dat vooral veiligheid zou waarborgen, en over een doelmatige inzet van schaarse bouwmaterialen. Het verhaal gaat dat de eerste nederzetting als fortificatie werd gebouwd met wrakhout van een van de drie schepen waarmee Columbus zijn eerste overtocht had gewaagd.

Noord-Amerika: metropolen in de VS Enkele decennia na de Spaanse verovering van de Nieuwe Wereld begonnen de Engelsen belangstelling te krijgen voor de rijkdommen die de Spanjaarden inmiddels over de Atlantische Oceaan hadden verscheept. De Engelsen waren ervan overtuigd dat ze in hun expansiepolitiek edeler waren dan de Spanjaarden: rechtvaardiger, wijzer, menslievender en vooral toegewijd aan de vrijheid. De Amerikaanse historica Lepore citeert de uitspraak van een Engelse Minister uit 1584: “De Spanjaarden heersen in de Indies met al hun trots en tirannie, en zoals bij alle volken die tot slaaf worden gemaakt, roepen en schreien de inlanders allemaal met één stem: liberta, liberta!”6

Na aankomst van de tweede reis van Columbus ontstond Santo Domingo, op het eiland van de huidige Dominicaanse Republiek en Haïti, ten oosten van Cuba. De oudst bekende afbeelding van deze eerste door Spanjaarden gestichte stad in Midden-Amerika laat een overzichtelijke gridverkaveling zien: een sober bouwplan met rechthoekige kavels en een groot plein, de Plaza Mayor met een kerk in het centrum. Dit schema zou in heel Midden-Amerika de standaard worden, waarschijnlijk vooral ingegeven door pragmatische overwegingen van de direct betrokkenen. Niet veel later werden deze principes vastgelegd in een wettelijk reglement, waarmee Spaanse koningen en bestuurders hun belangen in de Spaanse kolonie op afstand konden behartigen: ‘Recopilacion de Leyes de los Reynos de las Indias’, ofwel: Wetten van de Indën’. De reglementen voor de bouw van nederzettingen werden steeds vernieuwd en steeds gedetailleerder: in 1513 onder Ferdinand V, in 1521 onder Karel V en in 1573 onder Filips ll.

De eerste Engelse kolonie met een permanente nederzetting zou pas in 1585 ontstaan. Daarna, in de loop van de 17de eeuw, ontstonden langs de Oostkust van Noord-Amerika nederzettingen op basis van koloniale ambities van diverse Europese landen, Frankrijk, Nederland, Zweden, die hadden gezien hoe lucratief de Spaanse invasie in Midden-Amerika was geweest. Zo betwistten verschillende Europese landen zeggenschap over de koloniën van Noord-Amerika. Ze probeerden met oorlogen, maar ook simpelweg met de naamgeving van steden en dorpen en met ingekleurde kaarten gebieden af te bakenen, waarop ze aanspraak meenden te kunnen maken. Tussen 1600 en 1800 emigreerden meer dan een miljoen Europeanen naar gebieden aan de Oostkust van wat nu de Verenigde Staten van Amerika worden genoemd.

De eerste stadjes waren ongetwijfeld primitieve nederzettingen, maar in hun ontwerpen voor nieuwe steden waren de Spaanse en Portugese kolonisten vanaf het begin trouw aan het grid, als ontwerp- en ontwikkelingsprincipe. Binnen enkele decennia ontstond een ontzagwekkende geografische spreiding: van Buenos Aires in Zuid-Amerika tot San Francisco in Californië, en diverse steden in Texas en Florida hebben een Spaanse oorsprong. In al deze steden zijn oorspronkelijke gridstructuren terug te vinden, hoewel ze inmiddels vaak zijn uitgegroeid tot metropolen met miljoenen inwoners. 6

Pas ruim honderd jaar na de invasie van Columbus in Midden-Amerika, lukte het de Engelsen een nederzetting, Jamestown, te vestigen in het gebied dat als naam ’The Virginia Colony’ kreeg. Vanaf 1585 hadden de Engelsen pogingen gedaan om voet aan de grond te krijgen, maar die bleven lange tijd zonder succes: de kolonisten leden honger, en ze werden bedreigd door ziektes en aanvallen van de lokale bevolking. In hun eerste nederzetting, Jamestown in Virginia, was al na enkele jaren een grote brand uitgebroken, waardoor alles wat met veel moeite tot stand was gebracht verloren ging.7 Maar er kwamen nieuwe kolonisten, nieuwe voorraden en nieuwe militaire ondersteuning voor de bescherming van nieuwe nederzettingen. En zo ontstonden binnen enkele jaren in Viginia en in het ernaast gelegen Maryland Engelse nederzettingen,

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Bron: Internet, colonialzone-dr.com

VITRUVIUS

3 - Santa Domingo, eerste geplande nederzetting van de Spanjaarden op het eiland Hispaniola, waar nu de Dominicaanse Republiek en Haïti zijn gevestigd. (ca. 1500) waarvoor lokale bestuurders, onder toezicht van enkele commerciële ondernemingen en het Engelse koningshuis, het nodig vonden verordeningen op te stellen. Als motief voor een wettelijke regeling van de ontwikkeling van nederzettingen schrijft John Reps in zijn boek “The making of urban America”: “The desire to promote town life generally as the best means of stimulating the development of the two colonies and the wish to control trade and customs collections for the benefit of the mother country.” Beide motieven, de stimulansen voor lucratieve ondernemingen én het streven naar gezonde, veilige en overzichtelijke stedelijke ensembles, vormden de basis voor een ongeëvenaarde verspreiding van één model voor verstedelijking: het grid-model. Niet lang na de strijd om autonomie van verschillende staten van Noord-Amerika en de ontwikkeling van een federatief verband, de Verenigde Staten, kreeg het rechthoekige raster in de ruimtelijke ordening van Noord-Amerika en daarmee ook op de ontwikkeling van steden een wettelijk fundament in de Land-Verordening van 1785. Het is een verbazingwekkend mengsel van motieven en historische factoren geweest dat leidde tot het succes op zo grote schaal van het grid als stedenbouwkundig ontwerp- en ontwikkelingsprincipe. Er was de optimistische behoefte van kolonisten aan ordelijke en gezonde steden. Er was de aversie tegen de chaos en de ontwrichting van veel Europese steden. Er was de behoefte aan een heldere regulering van het bezit van grond met een zo groot mogelijke individuele zeggenschap daarover. En er was ongetwijfeld ook het effect van de in Europa diepgewortelde traditie van het grid als model voor de ideale stad.


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Experimenten met het grid Met de keuze voor een gridpatroon als onderlegger was het laatste woord over het ontwerp van de stad meestal nog niet gezegd. Over de maatvoering van kavels en de breedte van de routes moesten besluiten worden genomen en er moesten uitgangspunten worden vastgesteld voor de plaats van verschillende functies en de situering van bijzondere bouwwerken in het grid. En dan was er natuurlijk de kwestie van inpassing van het grid in de locatie, de randen van niet goed te bebouwen bergruggen en kustlijnen van rivieren. In de vergelijking van oorspronkelijke voorstellen met de gerealiseerde structuren zien we naast deze algemene principes ook andere ontwerpbeslissingen die appelleren aan door sommigen verwoordde kritiek: de herhaling van steeds dezelfde ruimtelijke compositie zou dodelijk saaie steden opleveren. Met stadsparken op onbebouwde kavels zou een zekere variatie in stadssferen kunnen ontstaan en het zou door een lagere bebouwingsdichtheid vooral ook bijdragen aan een gezond klimaat. Dat laatste had bij veel Europese kolonisten, met hun herinnering aan de overvolle, armoedige en vaak heel ongezonde steden in hun geboorteland, een hoge prioriteit.

In het schema voor de stad Savannah in Georgia van de Engelse architect James Oglethorpe, waren buurtparken zelfs opgenomen als vast thema in een gridpatroon. (1733) Tegenwoordig is ‘Downtown Savannah’, na de uitbreiding van het grid over een periode van meer dan honderd jaar, met vierentwintig buurtparken in het regelmatige patroon van het grid een van de grootste National Historic Landmark Districts van de Verenigde Staten. (zie ill.4) Het tweede beroemd geworden ontwerp voor een gridpatroon met een heel specifieke bewerking is van Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten. Zijn plan ging uit van het idee om, als in een schaakbord, de witte vlakken vrij te laten voor tuinen, parken en pleinen en de zwarte vakken als bouwkavels uit te geven. Het werden de Jefferson’s Checkerboard Towns genoemd. In een toelichting beschrijft Jefferson zijn ambitie kort maar krachtig: “The atmosphere of such a town would be like that of the country, insusceptible of the miasmata which produce yellow fever.”8 (zie ill.5) Het derde voorbeeld van een poging om de uniformiteit van regelmatige gridpatronen te doorbreken is de toevoeging van radialen

met monumentale pleinen voor belangrijke gebouwen op de kruispunten. Het schema voor Washington is tot stand gekomen op basis van enkele schetsen van Thomas Jefferson, uitgewerkt door de Fransman Pierre Charles l’Enfant in opdracht van de eerste president van de Verenigde Staten, George Washington (1790). Deze bemoeienis op het hoogste politieke niveau met het ontwerp voor de nieuwe hoofdstad heeft ongetwijfeld enkele kostbare en destijds ook wel bekritiseerde structurele aanpassingen aan het gebruikelijke grid mogelijk gemaakt. Daardoor is een grandeur ontstaan die ongeëvenaard was. De brede boulevards, de grootse pleinen, de maat van de Mall en het bestuurscentrum op Capitol Hill leken allemaal beter te passen bij autoritaire Franse regimes van de zeventiende en de achttiende eeuw dan bij de door de Verenigde Staten uitgedragen principes van gelijkheid en een democratische bestuurscultuur.9 (zie ill.6) Toch is de monumentale opzet van Washington invloedrijk geweest. In de loop van de negentiende eeuw begonnen steeds meer steden aandacht te besteden aan de ruimtelijke kwaliteit van stedelijke ruimtes en aan architectonische aantrekkelijkheid van afzonderlijke bouwwerken, en Washington bleef decennialang de icoon van voorbeeldige Amerikaanse stadsplanning.10

6 - Washington grid met diagonalen, (District of Columbia, 1791) 5 - Jeffersonville, Indiana, grid als schaakbordpatroon

Bron: Cohen, 2005

4 - Savanna: grid met parken

7


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

7 - Philadelphia, (ontwerp: 1681) Nu ca. 1.4 miljoen inwoners

8 - New York (ontwerp: 1814-1821) Nu ca. 8.4 miljoen inwoners

Ontwikkeling van het grid in drie steden Bijna alle grote steden van de Verenigde Staten zijn ontstaan in de 17de, 18de en 19de eeuw. Sindsdien zijn ze explosief gegroeid en uitgedijd tot metropolen en stedelijke landschappen van ongekende omvang in de 20ste eeuw.11 Fascinerend in het kader van 8

dit essay is dat het grid dominant was als ontwerpprincipe en dat het bijna overal de tand des tijds heeft doorstaan. (zie ill.7, 8 en 9) Drie voorbeelden uit: ‘American Cities. Historic, maps and views’.12

9 - Chicago, Illinois, (ontwerp:1830) Nu ca. 2.7 miljoen inwoners


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Bron: NdV, 2017

11 - Eerste ontwerptekeningen voor de verkaveling van Santiago de Chile

10 - Santiago de Chile, Chili Ontwikkeling en aanpassingen van het grid, bijvoorbeeld: Santiago de Chile, Chili. In steden die op basis van een grid zijn ontworpen is de vraag interessant of en in hoeverre gewenste en vaak noodzakelijke aanpassingen met handhaving van het grid konden worden gerealiseerd. Het antwoord is te vinden in de vergelijking van oude ontwerptekeningen met actuele stadsplattegronden. Opvallend is dat in veel steden met een grid als oorsprong dat grid nog steeds herkenbaar is en functioneert, zij het met radicaal gemoderniseerde bebouwingsvormen. Hoogbouw kwam vaak in de plaats van laagbouw en vrijstaande bouwwerken maakten plaats voor gesloten bouwblokken, maar meestal konden de lijnen van het grid gehandhaafd en dus herkenbaar blijven. Een andere kwestie waarbij de continuïteit van het grid in het geding is, is de uitbreiding ervan. Een van de zuidelijkste en ook een van de grootste steden in Zuid-Amerika met een Spaans grid als oorsprong is de hoofdstad van Chili, de Metropolitane Regio Groot Santiago de Chile, nu met meer dan 7 miljoen inwoners, gesticht in 1541. Op oude ontwerptekeningen voor deze stad aan de Rio de Mapucho is een steeds omvangrijker grid te zien, met een centraal gelegen Plaza Mayor en in de kavels daaromheen een kathedraal, een woonhuis voor de gouverneur, diverse bestuursgebouwen en kavels voor kazernes van het Spaanse leger. Er waren acht blokken van noord naar zuid en tien van oost naar west voor Spanjaarden die zich er wilden vestigen. In de eerste honderd jaar stagneerde de groei door

oorlogen met de lokale bevolking, overstromingen, epidemieën en aardbevingen. Pas met de explosieve groei van de stad in de 19de eeuw werd, tot ver over de heuvels heen die vanouds het centrum hadden begrensd, gebroken met de regelmatige uitbreiding van het oorspronkelijke grid. Iedere generatie heeft opnieuw de invulling van dat grid aangepast en vernieuwd, vanaf de oudste tekeningen tot de huidige stadsplattegrond. Ook de rafelrand van het grid langs de Rio Mapucho, die pas veel later strak gekanaliseerd werd, is ingrijpend veranderd door technische mogelijkheden die er vroeger niet waren. Nu is langs de rivier een stadspark aangelegd met een ondergrondse verkeerssnelweg, die het doorgaande verkeer dwars door de stad onzichtbaar maakt. De stad heeft aan de zuidzijde van de rivier altijd haar centrum gehad met enkele daarvoor aangewezen kavels in het grid voor bijzondere functies zoals een publieksplein met bestuursgebouwen en de kathedraal. Later konden ook musea, kantoren en grootwinkelbedrijven een plaats in het grid krijgen, zonder dat aanpassingen in de ruimtelijke structuur nodig waren. De plattegrond laat ook een buurt aan de zuidzijde van het centrum zien die in de loop van de 19de eeuw volgens een krapper patroon is verkaveld. Daar is nu een buurt met honderden kleine bedrijfjes aan smalle straten, waar hier en daar ook gewoond wordt. Langs de straten vanuit het centrum in zuidelijke richting wordt de lage bebouwing langzaam maar zeker vervangen door kolossale hoogbouw. In het overgangsgebied tussen het centrum en de randen van het oorspronkelijke grid lijken oude hoekpanden nog een waarde te vertegenwoordigen waardoor vervanging door hoogbouw wordt tegengehouden. Dat leidt op dit moment

tot een willekeurige afwisseling van nieuwe hoogbouw en oude laagbouw, maar desondanks houdt de ordening van het regelmatige stratenpatroon stand. (zie ill.14)

12 - Gronduitgiftekaart met namen van eigenaren: het grid als kasboek, 1575

13 - Afbeelding van de idylle aan de Rio Mepocha, ca.1600, het grid als reclamefolder

14 - Hoogbouw en laagbouw in de periferie ten Zuiden van het centrum, foto NdV, 2017

9


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Binnen de gelijkvormigheid van het grid in Santiago de Chile zijn interessante afwijkingen te constateren, waar met architectonische incidenten, monumentale boulevards, smalle stegen en openbare patio’s de consequente scheiding tussen grid-kavels en orthogonale straten, en het egalitaire karakter daarvan, weliswaar wordt verstoord, maar juist daardoor wordt een historische laag aan het publieke domein toegevoegd en worden betekenisvolle accenten gegeven aan bijzondere functies in de stad. Bijgaand een paar afbeeldingen van interventies die illustratief zijn voor de stedelijke ontwikkeling en identiteit verlenen aan verschillende plekken in de stad. (zie ill. 15, 16, 17 en 18) Tot slot: nogmaals Spiro Kostof In mijn eerste essay over het grid als stedenbouwkundig ontwerp- en ontwikkelingsprincipe citeerde ik Spiro Kostof: “The grid carries no inherent burden of its own. The grid is what you do with it”. Korter kan ik het essentiële karakter van het grid niet beschrijven: het waarborgt een neutrale stedelijke ontwikkeling en ruimtelijke ordening, die gemakkelijk te realiseren en te beheersen is, volgens eenvoudige regels. Veel meer dan dat is het niet. Maar tegelijkertijd biedt het grote vrijheid voor particuliere initiatieven en voor niet voorziene stedelijke ontwikkelingen, zonder dat de samenhang in het systeem als geheel wordt verstoord. Het is een uitvinding die overal ter wereld steeds efficiency en flexibiliteit heeft bewezen en tot indrukwekkende steden heeft geleid. Bronnen - Casas, Bartolomé de Las Casas, ‘Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de West-Indische landen’, Sevilla Spanje, 1552 (Vertaling: M. van Nieuwstadt, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1969 - Cohen, P.E. ‘Manhattan in maps 1527 – 1995’, Rizzoli, New York, 1997 - Cohen, P.E., e.a., ‘American Cities. Historic maps and views’, Assouline, New York, 2005 - Eaton, R., ‘De ideale stad’, Mercatorfonds Antwerpen, 2001 - Grataloup, C., ‘Atlas van de Wereldgeschiedenis. De geschiedenis van de mensheid in 515 kaarten’, Nieuw Amsterdam, 2020 - Kostof, S., ‘The city shaped, urban pat10

15 - Kaarten met ingetekende openbare gebouwen en openbare routes in de grid-kavels (grid-blokmaat = 120 x 120 m2) Bron: Germán Hidalgo e.a. in: Santiago de Chile en torno a 1850. ‘The urban floor plan as an instrument revealing the city’s general form’ in ARQ 96

16 - Diagonalen in de rooilijnen van de Beurs, Googel Earth en foto NdV terns and meanings through history’, Thames & Hudson, London 1991 - Lemaire, T., ‘De Indiaan in ons bewustzijn. De ontmoeting van de Oude met de Nieuwe Wereld’, Ambo,1986 - Lepore, J., ‘Deze waarheden. Een geschiedenis van de Verenigde Staten’, Uitgeverij De Arbeiderspers, 2018 - Mann, C.C., ‘1491. De ontdekking van precolumbiaans Amerika’, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2005 - Mann, C.C., ‘1493. Hoe de wereld zich ontwikkelde na de ontdekking van Amerika’, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2011 - Mayer, H.M. e.a., Chicago, growth of a metropolis.’ University of Chicago Press, Chicago, 1969 - Reps, J.W. , ‘Thomas Jefferson’s Chec-

kerboard Towns ‘, Journal of the Society of Architectural Historians, Vol. 20, No. 3 (Oct. 1961) download Cornell University, https: \\about.jstor.org/terms. P. 109 - Reps, J. W., ‘The making of urban America. A history of City Planning in the United States’, Princeton University Press, 1965. - R. R. Rose-Redwood e.a., ‘Gridded Worlds: An Urban Anthology’, Springer, 2018 Noten 1 Deze beschrijving is ontleend aan Charles C. Mann, “1491. De ontdekking van precolumbiaans Amerika”, p. 177 2 Verwijzing van Ruth Eaton in: H. Cortes, “Tenachtitlan en de Golf van Mexico”, 1524


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

17 - De situering van het Presidentiële Paleis op een brede as, Googel Earth en foto NdV

18 - Aangepaste maatvoering voor een bedrijventerrein, foto: NdV Bron: Charles C. Mann: 1491, etc. blz. 177 4 Internet: https://verbodengeschriften. nl/html/zeer-beknopt-relaas-van-deverwoesting-west-indische-landen.html En: T. Lemaire, ‘De indiaan in ons bewustzijn: de ontmoeting van de Oude met de Nieuwe Wereld’, Ambo, Baarn, 1986 5 Zie: C. Grataloup, ‘Atlas van de wereldgeschiedenis. De geschiedenis van de mensheid in 515 kaarten’, Nieuw Amsterdam , 2020, p.. 253. 6 Lepore, J., “Deze waarheden. Een geschiedenis van de Verenigde Staten”, blz. 50. 3

J. Reps, “The making of urban America”, blz. 90 8 J.W. Reps, ‘Thomas Jefferson’s Checkerboard Towns ‘, Cornell University, 9 J.W. Reps, (1965) p. 263 10 Zie: “City Beautiful Movement” en plannen voor diverse steden van Daniel Burnham. J.W. Reps, (1965) p. 514 e.v. 11 Enkele cijfers over de bevolkingsgroei van de Verenigde Staten. In 1776, het jaar van de Onafhankelijkheidsverklaring, hadden de oorspronkelijke staten, alle gelegen aan de oostkust, amper drie miljoen inwoners, in 1915 hadden de Verenigde Staten 100 miljoen inwoners en in 1968 meer dan

200 miljoen. Nu woont meer dan 80 % in een stedelijk gebied en ca. 65% is van Europese oorsprong.

7

12

Paul E. Cohen and Henry G. Taliaferro. New York, 2005. Ontwerptekeningen van Philadelphia, New York en Chicago, en ‘birdeye views’ uit de 19de eeuw.

11


VITRUVIUS

Frits Niemeijer Historisch-geograaf

Rentmeesterschap en duurzaamheid tegenpolen?

In deze bijdrage worden enige – al dan niet schurende – raakvlakken van rentmeesterschap en duurzaamheid betreffende ons (gebouwde) cultureel erfgoed verkend.1 Hiertoe zijn niet alleen een paar werkdefinities gehanteerd, maar worden vooral enkele recente voorbeelden van de twijfelachtige omgang met bouwwerken becommentarieerd. Bij het begrip rentmeesterschap volgen we hier Bijbelse grondslagen, terwijl duurzaamheid vooral wordt bezien vanuit het licht van fysieke waarden en eigenschappen. Duurzaamheid Omstreeks 2015 – C. van ’t Veen was nog directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed – was voormalig staatssecretaris en minister, prof. dr. W.A.F.G. (Willem) Vermeend, gastspreker bij de RCE. De kern van diens betoog was: plak overal waar je kunt het begrip ‘duurzaam’ aan vast en je hebt gehoor. Hij herhaalde het keer op keer, in diverse toonaarden. Zijn praatje was natuurlijk honderdvoudig uit te venten en - met accentverleggingen – was het zoiets als Haarlemmerolie. En die is overal goed voor: duurzame economie, duurzame land- en bosbouw, duurzaam bouwen - en bij de RCE uiteraard voor duurzame monumentenzorg en duurzame archeologie. Het klonk toentertijd als het ei van Columbus, maar als je er goed over nadenkt, was het een tautologische kronkel. Als beschermen, consolideren en conserveren al decennialang je core business vormen, dan kun je moeilijk ‘duurzaamheid’ als een nieuwe strategie inzetten om gehoor te krijgen. Duurzaam is van oudsher synoniem met ‘bestendig’. Niet voor niets begint de desbetreffende webpagina van het Gelders Genootschap met de zin: “Een monument is van nature een duurzaam gebouw. Het staat er immers al jaren of zelfs eeuwen en heeft daarom wat betreft materialen en bruikbaarheid inmiddels zijn duurzaamheid bewezen.”2 Al ruim voor Vermeends lezing verscheen bij de RCE de bundel Duurzaam erfgoed (2011), waarin een keur aan interne en 12

NUMMER 57 OKTOBER 2021

externe specialisten haar of zijn licht liet schijnen over de (vooral) fysieke duurzaamheid van erfgoed(eren). Maar dit wel voornamelijk vanuit het oogpunt van ‘verduurzamen’, wat iets heel anders inhoudt. Een monument ‘is per definitie duurzaam’, maar hiernaast kán het ook nog ‘verduurzaamd worden’. In het boek kwamen voornamelijk onderwerpen als isolatie, hergebruik van bouwmaterialen, klimaatverandering, en energiebesparing, maar ook herbestemming en zélfs sloop aan de orde. Ze werden vanuit verschillende perspectieven beschouwd. In één van de ongeveer 25 bijdragen werd evenwel gewezen op tegengestelde belangen bij energiebesparing, onverslijtbaarheid en het verlengen van de levensduur van historische gebouwen. Deze belangen hebben gemeen het streven ‘het monument zo goed mogelijk – zowel in technische als in cultuurhistorische zin – door te geven aan de volgende generaties.’ Maar deze belangen vallen niet per definie samen met duurzaamheid ‘in milieutermen’, zoals de schrijver ze noemde.3 Een andere auteur stelde klip en klaar: ‘duurzaamheid is […] een voorwaarde voor het voortbestaan van erfgoed, maar geen waarde.’4 In een derde bijdrage kwam dit nogmaals aan de orde, maar dan gericht op museale collecties: ‘Museale objecten bewaren we voor komende generaties.’5 Ten slotte was er een hoofdstuk waarin de auteurs - terecht stellen dat eigenaren ‘vanuit een historisch perspectief beschouwd […] deze bijzondere monumentale gebouwen […] slechts tijdelijk ‘in bruikleen’ hebben.’6 Met dergelijke vaststellingen kwamen ook enkele andere auteurs op terrein van de zogenoemde erfgoedfilosofie en daarmee ook op dat van het zogenoemde rentmeesterschap.

dat ook het ‘klassieke’ rentmeesterschap niet uitsluitend betrekking had op het beheer van landerijen e.d., maar meer in het algemeen, op dat van onroerend goed - dus inclusief opstallen. Zo komt ook het begrip erfgoed om de hoek. Ketelaar bracht 15 jaar geleden de relatie tussen de begrippen erfgoed en rentmeesterschap zo onder woorden: “Het erfgenaamschap is […] tevens rentmeesterschap: het erfgoed moet goed beheerd en aan de toekomstige generaties doorgegeven worden.”8 Erfgoed is niet hetzelfde als erfenis, al kunnen ze wel samenvallen of overlappen: zo kunnen een historisch (monumentaal) bouwwerk of een landgoed deel uitmaken van een erfenis. Maar dit dan wel met alle gevaren van splitsing om een en ander te gelde te maken erin opgesloten. Een punt dat weinig in de literatuur aan de orde komt, maar dat nogal eens speelt bij collecties en terreinen: noodgedwongen verkaveling om rechthebbenden tevreden te stellen. Dat gedachten over rentmeesterschap en (landschappelijk) erfgoed behoorlijk kunnen botsen, blijkt bij het kleine eiland Tiengemeten in het Haringvliet. Tiengemeten (een gemet is ca. 0,45 ha) was eeuwenlang particulier eigendom van natuurlijke personen en later van bedrijven. De boerderijen waren verpacht en in dit van oudsher streng-calvinistische gebied betekende goed rentmeesterschap zoiets als: ‘mooie aardappels verbouwen’. In 1997 kwam het eiland in bezit van Vereniging Natuurmonumenten, waarna een groot deel als natuurontwikkelingsgebied is ingericht. Vervolgens was rentmeesterschap niet langer gekoppeld aan agrarische opbrengst, maar draaide het om het ‘respecteren’ van het (natuurlijk) erfgoed.9

Rentmeesterschap Onder een rentmeester (ook wel: kastelein!) wordt verstaan ‘iemand die verantwoordelijk is voor het beheer van de (natuurlijke) omgeving die aan hem is toevertrouwd’.7 Het woord natuurlijke is hier opzettelijk tussen haakjes gezet, om te benadrukken

Bijbels rentmeesterschap Het begrip rentmeesterschap heeft jarenlang een voorname positie ingenomen in programma’s van – vooral christelijke – politieke partijen in ons land. In een in 2005 gehouden kamerdebat over milieu, duurzaamheid en rentmeesterschap kwam het


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Bron: Den Grooten Figuer-Bibel van prentmaker Harmen Jansz Muller [1646?], Rijksmuseum, RP-P-1982-306-489.jpg

Wetenschap en techniek en op Ruimtelijke ordening en volkshuisvesting – onderwerpen die raakvlakken met erfgoed (kunnen) hebben.16

1 - Gelijkenis van de talenten; de dienaar met de vijf talenten drijft handel. woord (uiteraard) heel wat keren voor.10 Zo zei Femke Halsema (GroenLinks)11 o.m.: “Groen leiderschap is rentmeesterschap in woord en daad. Dit betekent dat de groene schuld in de eeuw van onze dochters evenveel gewicht krijgt als de staatsschuld. Dit betekent ook dat de noodzaak van duurzaamheid van onze natuurlijke omgeving verdedigd wordt en niet telkens als wisselgeld wordt ingeleverd voor duurzame pensioenopbouw of duurzame financiën.” Er werd dus een relatie gelegd met economie. Maar zoals gezegd, het waren in de eerste plaats de christelijke partijen die met het rentmeesterschap schermden. Daarom hier ook een citaat van toenmalig fractievoorzitter van de SGP, Bas van der Vlies, die impliciet, maar weldoordacht verwees naar het Bijbelse Oude Testament: “Prins Claus zei ooit: wij hebben de aarde niet geërfd van onze ouders, maar geleend van onze kinderen. Een fraaie gedachte, die verwijst naar onze verantwoordelijkheid ten opzichte van komende generaties. Nog belangrijker is het besef dat de aarde eigendom is van de Heere God. De mens kreeg de opdracht om deze aarde te bebouwen en te bewaren als een loyaal rentmeester.” Met deze beide uitspraken is de toon van het totale debat gezet: aan wie is de mens van vandaag als rentmeester verantwoording schuldig? Is dat aan God (of aan een ‘andere Godheid of Almacht’), aan de mensheid (= toekomstige generaties) of aan ‘de economie’?12 Let op: verantwoording aan ‘planeet aarde’ of zelfs aan ‘het universum’ komt nog niet in het vocabulaire voor.13 Nadat rentmeesterschap een aantal jaren een belangrijke plaats innam in het den-

ken van CDA, SGP, CU en verschillende andere getuigenispartijen, raakte het begrip langzaamaan wat op de achtergrond. Zo wijdden Trouw (‘Wat is er over van het rentmeesterschap van het CDA?’) en ook het meer traditionele Reformatorisch Dagblad (‘Rentmeesterschap wordt niet serieus genomen’) er in 2011 enige artikelen aan. In het bijzonder in relatie tot het sterk regressieve agrarisch beleid van Henk Bleker, de toentertijd (dus) veel bekritiseerde staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (!) Maar – zoals gezegd - behalve op agrarisch terrein, heeft rentmeesterschap ook grote betekenis op economisch (Halsema) en cultureel (Ketelaar) gebied. Dit komt onder meer tot uiting in een van ongeveer diezelfde tijd daterend artikel dat zijn oorsprong vond in een CDA-geïnspireerde denktrant. Hierin wordt gesteld dat rentmeesterschap in Bijbelse (hier: oudtestamentische) zin ook kan worden geïnterpreteerd in relatie tot de overbekende, nieuwtestamentische ‘Gelijkenis van de Talenten’.14 En hiermee dus ook in die van ‘waarden’. De beide auteurs geven vooral aan dat goed rentmeesterschap niet is te vereenzelvigen met ‘op de winkel passen’, maar dat het hierbij gaat over ‘creëren, cultiveren en doorgeven van waarde en niet slechts over het beheren van waarde.’15 Zij grijpen bij het nader verduidelijken ervan terug op het in 1980 geformuleerde (en later herbevestigde) Program van Uitgangspunten van het CDA. Het hoofdstuk Rentmeesterschap is niet alleen gericht op economie en landbouw, maar verder onder andere op

Rentmeesterschap en de ‘Talenten’ Er is juist hier reden kort in te gaan op de Gelijkenis van de Talenten. De drie erin ten tonele gevoerde dienstknechten (de drie beheerders van het kapitaal van een landeigenaar = drie rentmeesters) worden afgerekend op hun resultaten. Dit zinnebeeldige, Bijbelse verhaal wordt gewoonlijk nogal uit zijn verband gehaald, wat ruimte heeft geboden voor een alternatieve interpretatie. De ‘voorbeeldige’ landeigenaar – bedoeld is de landheer die in de gelijkenis ten voorbeeld (!) wordt gesteld - en die dus de eigenaar en de verdeler van de talenten (= kapitaal / geld, FN) was, maakte volgens meerdere vertalingen gebruik van slaven.17 Maar vooral gaf hij onomwonden toe ‘te maaien waar hij niet gezaaid had en te oogsten waar hij niet geplant had’. In gewone taal betekent dit: de Bijbel voert een uitbuiter en een woekeraar op als een na te volgen voorbeeld! Goed rentmeesterschap kon én kan op die wijze gemakkelijk worden vereenzelvigd met kapitaalaccumulatie en gaan-voor-de-korte-termijn. Met een eeuwenlange geschiedenis van mensonterende en destructieve gevolgen van dien. Niet voor niets kent de sociologie al sinds Robert Merton (1968) het zogenoemde ‘Mattheuseffect’.18 Het is de vraag of dít was wat CDA, SGP, CU en Groenlinks bedoelden toen zij het rentmeesterschap centraal stelden. Hoe het zij, wie creatief met de tekst van Mattheüs 25:14-30 omging, kon er veel mee ‘rechtvaardigen’. Maar waar en wanneer een dergelijke vorm van rentmeeserschap aan de dag trad, volgde er felle kritiek: op Bijbelse grondslagen gevestigde (en toenemende) ongelijkheid was nergens ter wereld meer recht te praten.19 In een latere, niet gedateerde versie van het Beginselprogramma van het CDA werd – anders dan in 1980 - ook expliciet gesproken over het cultureel erfgoed, al werd geen direct verband gelegd met het rentmeesterschap. Dit was wel het geval in 2012, toen over rentmeesterschap onder meer het volgende werd gezegd: “We hebben de natuur én de cultuur geërfd van onze (voor)ouders en te leen van de generaties die na ons komen. Dat vraagt dat we ook in onze omgang ermee verder kijken dan ons eigen belang en onze eigen tijd. Beheren en beheersen zijn niet voldoende. Om een betere samenleving achter te laten zijn 13


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Bron: Wikimedia Commons, Stefan Füsers - Lichtjäger, 2006

als de ‘Hoeders van Duurzaamheid’.

2 - Zeefront van de stad Vlissingen met disproportionele, horizonvervuilende en hiermee ook karakterbedervende hoogbouw langs de kustboulevard. ook creativiteit en innovatie nodig.”21 (vet: FN) Het is duidelijk dat cultureel erfgoed hier in een continuüm is geplaatst en dat er dus sprake is van duurzaamheid in de betekenis die hierboven uit de bundel Duurzaam erfgoed is aangehaald ‘duurzaamheid is […] een voorwaarde voor het voortbestaan van erfgoed, maar geen waarde.’ Rentmeesterschap versus duurzaamheid Behalve de hierboven aangesneden, en zeker nog voorkomende gespannen verhouding tussen rentmeesterschap en maatschappelijke rechtvaardigheid, kan er nóg een ongerijmdheid tussen beide optreden. Ondanks alles wringt het namelijk ook wel eens tussen rentmeesterschap en duurzaamheid. Duurzaamheid is enerzijds een intrinsieke kwaliteit – vergelijk hierbij het al eerder aangehaalde: ‘Een monument is van nature een duurzaam gebouw’. Maar anderzijds veronderstelt duurzaamheid ook ‘een bewuste manier van omgaan met’ – en dus een ‘actieve benadering’ – of een ‘opgave’. Zie hiervoor onder andere publicaties van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (2016) en de Boekmanstichting (2019).22 Opmerkelijk genoeg komt de eerste betekenis van duurzaamheid – gebaseerd op intrinsieke kwaliteit - in de beide publicaties niet aan de orde. Zo staan via hun benadering rentmeesterschap en duurzaamheid – impliciet – op gespannen voet met elkaar. In beide wordt duurzaamheid vereenzelvigd met het voldoen aan natuur-, 14

milieu- en ‘zuinig-met-energie-vereisten’, enz., terwijl er aan fysiek behoud van de erfgoederen als zodanig geen ‘duurzaamheidskarakter’ lijkt te zijn toegekend. De rentmeester is er als het ware buitenspel gezet en de intrinsieke kwaliteiten van het erfgoed en/of het monumentale of historische gebouw lijken tussen haakjes te staan. Deze buitenspelpositie kan voor een belangrijk gedeelte worden herleid naar eerder ingezet beleid, namelijk naar de reeds tegen het eind van de 20ste eeuw begonnen decentralisatie van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Voor dit proces werd toen al vaak gewaarschuwd: ‘overheid geef de touwtjes niet uit handen, want hoe lager in de beheers- en beslisorde, hoe meer locale belangen en tegenstrijdigheden gaan opspelen.’ Gemeenten zouden als bevoegd gezag dichterbij zijn? Welnee - gemeenten zijn als belanghebbenden juist lekker ver weg van Den Haag.23 Zo herinner ik mij een al eerder gememoreerde uitspraak van de desbetreffende wethouder in Alphen aan den Rijn. Geparafraseerd zei deze in 1990/91, bij de aanvang van het Monumenten Inventarisate Project (MIP) aldaar ‘blij te zijn met de Monumentenwet van 1988, want daarmee kunnen we zélf bepalen wat we slopen.’ Deze opmerking gaf hopelijk geen algemeen heersende opvatting weer, maar ze liet wel de ruimte zien die de nieuwe wet bood: er kon frictie bestaan tussen ‘(economisch) belang en (cultuurhistorisch) behoud’. En dus tussen rentmeesters als ‘Woekeraars met Talenten’ en rentmeesters

Overheden ‘rentmeesters-af’ De wet van 1988 liet – ondanks alle goede en goedbedoelde ingrediënten – ruimte aan locale overheden om eigen invulling te geven aan Haags beleid. Reparatiewetgeving bleef uit en in de volgende 25 jaar grepen talloze gemeenten hun kans bovenop oudere ‘saneringsregelingen’ flink huis te houden (!) in hun historische kernen en structuren.24 Eerder toch al bekritiseerde opknapbeurten en bouwprojecten (Vredenburg – Utrecht; Nieuwmarktbuurt – Amsterdam) kregen vooral na 2010 een vervolg in de vorm van nieuwbouw op een schaal die alle perken te buiten ging. Woeker in stadsharten leek niet meer te stuiten. We herkennen dit vooral in de megalomane bouwactiviteiten binnen beschermde gezichten in historische binnensteden (o.m. in Haarlem en Groningen). Maar we zien het ook in zogeheten ‘verwezing’ (bv. die zielige historische boerderij in een nieuwe woonwijk) of in sloop en ‘Ausradierung’ van (gebouwde) waarden binnen of rondom jongere groeiende plaatsen - en zelfs in plattelandskernen.25 Het ‘van nature duurzame gebouw’ moest het daar meer dan eens afleggen tegen tijdelijke - en gewoonlijk van elementaire architectonische kwaliteit gespeende - dozen (bedrijfshallen) of schreeuwerige kantoor- en/of woontorens. Deze torens zijn vaak ook nog eens van veel verder zichtbaar dan nodig is (ze moeten opvallen) en dus ‘vervuilen’ ze terreinen, authentieke, soms indrukwekkende skylines (Utrecht, Amsterdam) en/of de landelijke, bosrijke horizon van de stuwwallen (met als vroege voorbeelden Wageningen en Arnhem).26 Latere te uitbundige en ook ‘onnodige’ voorbeelden zijn: Leeuwarden, Tilburg, Vlissingen, Amersfoort (vanaf de Eemvlakte) en Apeldoorn (vanaf de noordelijke Veluwe). Intussen kennen verschillende steden / gemeenten zogenoemde ‘hoogbouwvisies’, maar die zijn lang niet altijd bedoeld om extreme hoogbouw tégen te gaan, maar juist om die in te weven in bestaande ruimtelijke structuren. En daarmee komen we op het terrein van de lagere overheden als belanghebbenden in ontwikkeling van hun (economische) functies en voorzieningen. Wonen, werken, recreëren en concurreren zijn vaak primair en dankzij belangen van derden - en hun investeringen – verkopen gemeenten hun ‘ziel’ (= hun identiteit, hun erfgoed en/of hun historisch-ruimtelijk kapitaal) maar al te graag aan de hoogstbiedende. Het gemeen-


NUMMER 57 OKTOBER 2021

telijk of particulier rentmeesterschap kon hiermee ‘terugvallen’ in ‘Limburgse’ woeker- en speculatiepraktijken, die in essentie weinig – maar in schaal flink - afwijken van het klassieke huisjesmelken.27 Bezien vanuit erfgoedperspectief konden lagere overheden en ook eigenaren hiermee snel ‘rentmeesters-af ’ raken. Modernisering zonder rentmeesterschap Zoals we eerder al zagen, was de ambtsperiode van Bleker, wat het ‘CDA-rentmeesterschap’ betreft – op zijn zachtst gezegd - niet onomstreden. Dit werd nog verergerd doordat parallel met hem ook een andere ‘destructor’ aan het roer stond: Halbe Zijl-

stra, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VVD). Naast diens generieke monumentenbezuiniging van 5%, was zijn in de zogenoemde Geefwet ‘verstopte’ korting op de tegemoetkoming in de lasten van eigenaren van Rijksmonumenten een dolkstoot die velen onaangenaam verraste.28 Dat cultuur en erfgoed – laat staan cultureel erfgoed – niet bijzonder aan hem besteed waren, werd in korte tijd reden hem als betrokken belangenbehartiger van de sector níet serieus te nemen. Vooral het hanteren van schaaf, snoeischaar en hakbijl ging hem wél prima af. Toch was Zijlstra natuurlijk niet als enige verantwoordelijk voor verdergaande beperking van de regelgeving. Maar het is wel zíjn handtekening

Aan de Glipperweg 68/70, resp. 72 in Heemstede, stonden tot voor kort twee in 1973 als Rijksmonument ingescheven panden. De twee van topgevels voorziene huizen met achterhuis dateerden uit het midden van de 17de-eeuw en waren de oudste van de resterende bebouwing in het dorp. Het ging in feite om vier volumes op een beeldbepalende hoeklocatie, die tevens een belangrijke rol hebben gespeeld in de plaatselijke economie. Details over de historie en de percelering buiten beschouwing latend, moet wel worden opgemerkt dat de identificerende omschrijvingen die de RCE en haar voorgangers hanteerden amper overeenstemden met de werkelijkheid. Sinds enige jaren verkeerden de panden in (opzettelijk) verwaarloosde staat en er groeiden plannen ze te slopen. Er is van meerdere kanten op hun risicotoestand gewezen (o.m. door Bond Heemschut, door Historische Vereniging Heemstede Bennebroek (HVHB) en door ondergetekende). De restauratie-architect van de Bond Heemschut achtte herstel zeer wel mogelijk. Monumentenwacht Noord-Holland oordeelde echter anders en adviseerde tot ‘sloop’, zeggend: “Dit advies sluit aan bij de wensen van de huidige eigenaar.”41 En hiermee was beider lot bezegeld en moesten en zouden ze van de Monumentenlijst worden verwijderd. Inmiddels zijn ze gesloopt.42 Een lot waaraan de RCE heeft meegewerkt, onder het mom van ‘herstel betekent in feite dat er nieuwbouw moet worden gepleegd’.43 Van enige vorm van rentmeesterschap over dit Heemsteeds cultureel erfgoed - in de betekenis die het CDA er graag aan geeft - was hier duidelijk geen sprake. Rentmeesterschap en ‘Behouden van het dorpse karakter van Heemstede’ worden niettemin uitdrukkelijk genoemd in gemeentelijke CDA-stukken, maar deze partij speelde hoogstens een bijrol in deze Burger Belangen- en VVD-gemeente.44 Met desastreuze gevolgen voor deze oudste pandjes in het dorp. Helaas.

4 - De voorzijden van de panden aan de Glipperweg 6872 in Heemstede, met goed herkenbaar één van de grote achterhuizen.. De huizen waren tot kort voor de opname bewoond / in gebruik.

die prijkt onder het Besluit van 17 juni 2011 dat de deregulering van de (archeologische) monumentenzorg een verdergaande impuls gaf. Pleitbezorgers uit de monumentenwereld lieten kritisch van zich horen, maar wat er verder ook werd gemopperd bij de RCE – zowel via persoonlijke tegenwerpingen als door enige inhoudelijke bedenkingen – de door Den Haag beoogde verdere deregulering móest en zóu doorgaan.29 De al in 2009 – dus vóór Zijlstra – ingezette, zogeheten ‘Modernisering Monumentenzorg’ (MoMo) had vereenvoudiging van procedures geïnitieerd, maar hiernáást óók integratie van monumentenzorg in de ruimtelijke ordening én aandacht voor herbestemming van gebouwd erfgoed. Het

Foto’s: A.F.J. Niemeijer

VITRUVIUS

3 - De vlakte die in 2021 overbleef na integrale sloop van de beide – eigenlijk vier – midden-17de-eeuwse panden in Heemstede De Glip

5 - De achterzijde van dezelfde Heemsteedse panden tijdens het ‘voorgenomen’ herstel’, dat al gauw tot sloop leidde.

15


VITRUVIUS

daarvóór in christelijke kringen opgang makende begrip rentmeesterschap was echter buiten de Beleidsbrief MoMo gebleven, wat vermoedelijk mede kan worden verklaard uit de samenstelling van het verantwoordelijke kabinet, Balkenende IV, waarin - naast het CDA en de CU – de seculiere PvdA zitting had.30 Zoiets als verantwoording afleggen aan (een) God(heid) was aan de PvdA uiteraard totaal niet besteed, terwijl verantwoording aan de mensheid (povertjes) werd verwoord via (Vermeends!?) ‘duurzaamheid’: “Inmiddels heeft de keuze voor transformeren in plaats van slopen en nieuw bouwen gelukkig al een bredere maatschappelijke basis dan in het verleden. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid biedt herbestemmen immers een antwoord op de wegwerpcultuur. De bestaande voorraad krijgt een nieuw leven, en de milieubelasting wordt geminimaliseerd. Dat past in de huidige tijdgeest.”31 Er kan dus worden gesteld dat het begrip ‘rentmeesterschap’ voor wat betreft het gebouwde erfgoed omstreeks 2010 ‘in een

Een tamelijk recent geval van sloop van inwendige constructieve elementen deed zich voor in de Beukerstraat te Zutphen, waar een door dikke eiken balken (ca. 30 x 30 cm) gedragen vloer en een dito trap zijn gesloopt. Dankzij de opmerkzaamheid van een toevallige passant zijn de reeds tot hapbare blokken verzaagde balken bewaard gebleven en zijn de fragmenten daarop ‘herplaatst’ door ze op te hangen aan een stalen juk. Wellicht realiseerden de slopers zich niet eens dat ze een misdrijf pleegden en dat ze door deze ingreep in de constructie met hun leven speelden. De opdrachtgever – een vastgoedonderneming uit Amsterdam zag intussen alleen maar €-tekens en deze hoopte vermoedelijk het op een ‘courante locatie’ gelegen winkelpand op lucratieve wijze te kunnen gaan exploiteren dan wel het te verkopen. Toen dit speelde, in begin 2017, bestond er eindelijk zoiets als een onderhoudsplicht. De Monumentenwetten van 1961 en 1988 kenden die nog niet.45 Er zijn vóór die tijd meerdere processen over gevoerd, maar de voorlopers van de huidige RCE trokken hierbij gewoonlijk aan het kortste eind. Een zogenoemde instandhoudingsplicht kwam er pas rond 2015, toen de huidige Erfgoedwet op stapel stond.46

16

baan om de aarde was geschoten’. Herbestemmen was het toverwoord geworden. Maar een probleem dat van oudsher ieder monumentenbeheer parten speelde, was hiermee niet opgelost. De eigenaar was namelijk steeds de spil die besliste welke kant het op zou gaan met zijn of haar onroerend goed. ‘Binnen de grenzen van de wet’ kon hij onder meer kiezen voor investeren in onderhoud van een bouwwerk (= monument!), voor de exploitatie ervan, of voor modernisering – maar ook voor het laten vervallen en/of het slopen daarvan.32 En dit laatste – slopen - vooronderstelde meestal het hieraan voorafgaand (hebben) laten verpauperen van het monument. Rentmeesterschap waarbij verantwoording aan (een) God(heid) verschuldigd zou zijn, speelt daarbij uiteraard geen rol. Verantwoording aan (de beurs van – lees: het rendement voor) de ‘voorbeeldige landeigenaar’ echter des te meer. En dit is gewoonlijk de woekerende eigenaar van het/de betrokken bouwwerk(en) zelf. Her-

NUMMER 57 OKTOBER 2021

bestemmen kon ‘binnen de grenzen van de wet’ nogal wat interpretaties met zich meebrengen – in ieder geval voor diezelfde eigenaar. Vooral in winkelstraten in de historische binnensteden zijn hiervan ernstige voorbeelden te vinden. Zoals in middeleeuwse en 16e- t/m 18e-eeuwse bouwwerken die tot (verder dan) casco zijn uitgehold om ruimte te gaan bieden aan verkoop- en/of opslagruimte. Soms vond volledige kaalslag plaats en het is mede hierdoor geen wonder dat vele burgers (en ook eigenaren van monumenten) ervan overtuigd zijn geraakt dat bescherming van (Rijks)monumenten beperkt blijft tot het uitwendige (of zelfs alleen maar de straatgevel) ervan. (Afb. 6, 7) Herbestemmen en doorontwikkelen Het volgende kabinet (Rutte I) – dus mét Zijlstra – zou voortgaan op de onder Balkenende IV ingeslagen weg. Het liet het ‘rentmeesterschap’ eveneens buiten het cultuurbeleid: deze term werd, behoudens één enkel geval, niet aangetroffen in de desbe-

6 - Gesloopte vloer en trapconstructie Beukerstraat 30 in Zutphen (uitsnede).

7 - Een stapel tot handelbare blokken verzaagde moerbalken, klaar voor transport. (Uitsnede) In het huidige winkelinterieur zijn deze blokken (zichtbaar en functieloos) herplaatst door ze te met metalen spanten ‘op te hangen’. Bron: Monumentenzorg Gemeente Zutphen, F. Jansen, eind 2016


NUMMER 57 OKTOBER 2021

Bron: P.D., Flickr, 2020

VITRUVIUS

8 - Museum De Fundatie in het neoclassicistische, voormalige Gerechtsgebouw te Zwolle. Op het dak de in 2013 geopende eivormige uitbreiding waarover rond 2010 veel te doen was. Het van rond 1840 daterende en op een uitzonderlijke zichtlocatie gelegen gerechtsgebouw van Zwolle kreeg in 2005 een bestemming als museum. Het is een streng neoclassicistisch pand, met aan de stadszijde een iets vooruitstekend, door zes kolommem gedragen fronton en aan de kant van een parkaanleg langs singelgracht een aanzienlijk dieper, maar vergelijkbaar risalerend deel. Het gebroken witte bouwwerk had tot 2013 een voornaam en reresentatief voorkomen als Museum De Fundatie. In dat jaar werd het – de opvattingen erover verschillen sterk – echter geweld aangedaan door een uitbreiding op het bestaande dak. En niet zomaar een vergroting: er kwam een kolossaal eivormig lichaam – een disproportionele, afgeplatte waterdruppel – op het dak te liggen in een tint die het midden houdt tussen die van een kwal en een aluminium vliegtuig. De RCE is ermee akkoord gegaan onder druk van ‘reversibiliteit’ (d.w.z. de ingreep kan worden teruggedraaid) – maar hoe maak je jezelf ongeloofwaardig?47

treffende kamerverslagen over de jaren 20102012. In die tijd werd onder meer teruggegrepen op de uit 1999 daterende en in 2010 expirerende Nota Belvedere. Door deze Nota kon datgene wat in feite soms aantasting van het (gebouwde) erfgoed was, voortaan onder de noemer ‘behoud door ontwikkeling’, als vooruitgang worden bestempeld. Ondanks alle goede bedoelingen van de Nota Belvedere was hiermee echter in feite het Paard van Troje binnengehaald. Door dit ‘vooruitgangsdenken’ kon na de figuurlijke inname van een stad (of een dorp, of een structuur) iets waardevols of iets moois zomaar in zijn tegendeel verkeren. Godzijdank kreeg dit denken lang niet overal de overhand en werden doorontwikkeling (!) en herbestem-

ming geen voorgebakken panacees voor het oplossen van (gebruiks)problemen rond gebouwd, stedenbouwkundig, archeologisch en cultuurlandschappelijk erfgoed. Terwijl het begrip rentmeesterschap intussen nogal op de achtergrond was geraakt, bleef de betekenis ervan wel een toontje meeblazen. Maar dit neemt niet weg dat de jaren ca. 2010-2020 veel gekkigheid hebben laten zien die in voorafgaande decennia tot fronsen zou hebben geleid. Gekkigheid die uiteenloopt van – soms door Rijk of gemeente gedoogd – moedwillig, naar sloop leidend verval, tot integrale metamorfosen die iedere vorm van monumentwaardigheid tot een farce maakten. Maar smaken verschillen wat dit betreft.

Voorbeelden zijn er te over en de dagbladen staan er dan ook vol mee. Een kleine greep uit het recente verleden. Als eerste het complex van de Villa Kortonjo (1907) in Eindhoven (Rijksmonument 518786), waar een nieuwe, toch al met een twijfelachtige reputatie behepte eigenaar intern sloopwerkzaamheden uitvoerde.33 Dat het nog erger kan, toont de intussen als Krottenkoning bekende speculant die sinds 2000 de buitenplaats Ivicke (1913) in Wassenaar (RM 524523) onveilig maakt.34 (Afb. 8) Als derde is daar de voorgenomen sloop van de door J. Stuyt tussen 1913 en 1922 gebouwde mijnwerkerskolonie Slak-Horst, in Hoensbroek, in de gemeente Heerlen. Hier is het nog maar twee jaar geleden dat eigenaar corpo17


NUMMER 57 OKTOBER 2021

Bron: P.DD, Wikipedia, Vysotsky

VITRUVIUS

9 - Het landhuis Ivicke in Wassenaar, dat enkele jaren geleden is gekraakt nadat de eigenaar het in verval had laten raken. ratie Woonpunt het volgende schreef: “De verwachte daling van het aantal huishoudens leidt ertoe dat uitbreiding van het totale aantal woningen nauwelijks nog aan de orde is. [?? FN] Dat betekent dat nieuwe woonvragen vooral in de bestaande voorraad geaccommodeerd dienen te worden. […] De ervaring leert dat te doelgroep-specifiek bouwen leidt tot incourant vastgoed, met leegstand en kapitaalvernietiging tot gevolg. En ook kapitaal is vanuit duurzaamheid bezien een schaars goed dat als een goed rentmeester moet worden ingezet! Bovendien is sloop ook een vorm van materiaal-vernietiging, die uit oogpunt van duurzaamheid voorkomen zou moeten worden. Feit is [! FN] dat een deel van onze huidige bestaande woningvoorraad, met redelijke investeringen, geschikt te maken is voor meerdere doelgroepen.”35 Het is op zijn minst een wonderlijke argumentatie. Ten slotte in dit rijtje het in 1933 door W. Dudok ontworpen monument annex de pleisterplaats bij het sluitgat van de Afsluitdijk (het Vlietermonument – (RM 510384). Zie de link en huiver.36 Herbestemmen en doorontwikkelen – met of zonder gedogen. Helaas zijn het maar al te vaak ‘derden’ 18

die de vinger op de zere plek leggen en die gemeenten en/of eigenaren op hun taak als rentmeester wijzen. Rentmeesterschap ‘nieuwe stijl’? Hierboven werd duidelijk gemaakt dat het begrip rentmeesterschap waar het betrekking had op monumenten en archeologie in de landelijke politiek vanaf ongeveer 2010 langzamerhand uit beeld raakte. Niet alleen werd het amper meer gevonden in officiële stukken, maar ook bij de uitgangspunten van het landelijk CDA vervaagde het meer en meer. Zelfs verwijzing naar het namens God in beheer en exploitatie hebben van de aarde ontbreekt in het partijprogramma. Er staat nu: “De aarde is niet van ons, maar we hebben wel de taak er goed voor te zorgen. Dat is rentmeesterschap en daarom is klimaatverandering een van de grootste opgaven van deze tijd. Voor onszelf, maar zeker voor de generaties die na ons komen.” Verder lezen we tegenwoordig: “We zijn zuinig op de natuur en het cultuurlandschap in ons land. Behoud en versterking van de nationale parken en kwetsbare natuurgebieden vragen om een doordachte lan-

getermijnvisie, gerichte investeringen in natuurverbetering en de versterking van het ‘groen’ onderwijs en onderzoek.” En ten slotte staat er nog: “Wij houden de uitgaven voor beheer en behoud van het cultureel erfgoed op peil, van waardevolle monumenten en kerken tot publieke en particuliere kunstcollecties, archieven en documenten.”37 Het wordt duidelijk dat het huidige CDA voor een meer ‘seculiere’ formuling koos dan eerder – misschien om aansluiting te vinden bij gangbare opvattingen over eigen verantwoordelijkheid, in plaats van verantwoording jegens God en zijn Schepping. Merk op dat rentmeesterschap is verengd naar zorg voor de aarde en zorgen over klimaatverandering en dat hierbij geen verband met het cultureel erfgoed wordt gelegd. In het programma van de Christenunie bleef de relatie tussen rentmeesterschap en Schepping wel duidelijk herkenbaar. Zo lezen we over boeren, tuinders en vissers: “Ze dragen bij aan ons prachtige Nederlandse landschap en geven als rentmeesters invulling aan Gods opdracht om de schepping te bewerken en te bewaren.” Dit sluit duidelijk aan bij de


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Bijbelse opdracht uit het Oude Testament. Maar verder staat er ook: “Onze opdracht is om als rentmeesters de rijkdom die de aarde biedt te gebruiken voor een goed leven, maar binnen de grenzen van onze planeet, zodat ook onze kinderen zich kunnen blijven verwonderen over de prachtige diversiteit van Gods schepping.”38 Deze formulering is van een tamelijk ‘eigentijdse snit’. Maar net als bij het CDA, bevat de cultuurparagraaf van de CU geen enkele verwijzing naar rentmeesterschap over ons culturele – dus door mensen zélf gemaakt – erfgoed. En dit zelfs niet impliciet. Wanneer we beide paragrafen tegen het licht houden, dan is er dus weinig van (intrinsieke) duurzaamheid of ‘continuïteit’ rond archeologische en gebouwde monumenten te vinden. Ook niet wanneer de twee begrippen duurzaamheid en rentmeesterschap binnen één alinea worden genoemd, zoals in het CDA-programma: “Met ondernemers bouwen wij aan een duurzaam, concurrerend en innovatief Nederland. Als goede rentmeesters schuiven we geen problemen door naar volgende generaties, maar nemen we onze verantwoordelijkheid voor hun toekomst.” Wat een aantal jaren geleden nog vanzelfsprekend leek, is in het huidige tijdsgewricht vrijwel verdampt: de betekenis van rentmeesterschap in het nationaal cultureel erfgoedbeleid is – in het kielzog van die bij het CDA – in feite uitgedoofd. Locale hoop voor rentmeesterschap in cultureel erfgoed Dat in Haagse contreien rentmeesterschap inmiddels gereserveerd lijkt voor het agrarisch beleid en voor natuurwaarden (vergelijk: het Eiland Tiengemeten), staat in scherp contrast met het gebruik van het begrip in provincies en gemeenten. Wellicht is dit toch nog als een gunstige spin off te beschouwen van het decentralisatiebeleid van de jaren 1988 tot heden. Zoiets is echter niet gemakkelijk vast te stellen. Datgene wat op landelijk niveau zo goed als verdwenen lijkt – zoiets als formeel bevestigd (= in wet- en regelgeving gecondenseerd) rentmeesterschap in de omgang met archeologisch, gebouwd en cultuurlandschappelijk erfgoed – blijkt op locale en regionale schaal (nog) volop aanwezig en soms is het er zelfs springlevend. Toenemende betrokkenheid van de burger bij zijn leefomgeving, gegroeide democratisering en (politieke) mondigheid zullen hierin een rol hebben gespeeld. Om maar te zwijgen van de invloed van (cultuur) historische tijdschriften en verenigingen.

In vele programma’s van locale politieke partijen én afdelingen van landelijke partijen komen paragrafen en alinea’s voor waarin rentmeesterschap en duurzaamheid in het materieel erfgoed worden benadrukt en gekoesterd. En met duurzaamheid wordt daarbij níet bedoeld het aanbrengen van zonnepanelen, dubbel glas en isolatievoorzieningen, maar wél het zich inspannen voor het voortbestaan van historisch waarde- en/of betekenisvolle objecten, structuren of terreinen. Ook in publicaties is het begrip rentmeesterschap in verband met het beheer van cultureel erfgoed regelmatig te vinden. Het is gemakkelijk hiervan voorbeelden aan het internet te ontfutselen en willekeurig kunnen worden genoemd kleinere gemeenten als Voorschoten, Lochem of Rheden.39 Hiernaast kennen ook steden als Groningen, Haarlem en Gouda een cultuurprogramma waarin rentmeesterschap over hun fysieke erfgoed als opdracht wordt genoemd. Hetzelfde geldt voor provincies (bv. Drenthe), historische vereningen, zoals die in de gemeente Zuidplas en gespecialiseerde bedrijven als RAAP-archeologie.40 Er is dus nog hoop voor een erfgoedbeleid waarin het begrip rentmeesterschap de plaats herneemt die het gedurende relatief korte tijd heeft gehad. Wat hierbij echter ontbreekt is een eenduidig gecommuniceerde operationalisering van het begrip rentmeesterschap en van de functies hiervan binnen het erfgoedbeheer. Verantwoording aan God vanwege diens Schepping? Aan de toekomstige mensheid? Prima – maar kom met concrete handvatten in plaats van met ‘vaagtaal’. Zorgen vóór cultuurhistorische waarden is iets anders dan je zorgen maken óver cultuurhistorische waarden. Men noemt het begrip rentmeesterschap weleens oubollig, maar misschien koesteren we beschermde stadsgezichten, monumenten en archeologie wel vanwege een behoefte aan een geur van oubolligheid en willen we die waarde(n) juist dáárom in stand houden. So what? Noten Hier wordt met cultureel erfgoed bedoeld: het geheel van door de mens in het verleden tot stand gebrachte gebouwde bronnen die uitdrukking geven aan zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities en die een referentiekader bieden aan de huidige en toekomstige generaties. Deze definitie is gebaseerd op de MvT van de Erfgoedwet.

1

https://www.geldersgenootschap.nl R. Rodenburg (2011), De gemeente als schakel; Monumentale waarden én duurzaamheid afstemmen, 45, 46. In: H. van de Ven (Eindred.), Duurzaam erfgoed; Duurzaamheid, energiebesparing en monumenten, 44-53. 4 J. van ’t Hof (2011), Duurzaamheid en decadentie; Column186. In: H. van de Ven (Eindred.), Duurzaam erfgoed; Duurzaamheid, energiebesparing en monumenten, 184-187. 5 J. Ottens (2011), Het duurzame museum; Veel meer dan alleen een gebouw, 188. In: H. van de Ven (Eindred.), Duurzaam erfgoed; Duurzaamheid, energiebesparing en monumenten, 188-195. 6 A. van Hal & B. Dulski (2011), Win-win-winsituaties, 218. In: H. van de Ven (Eindred.), Duurzaam erfgoed; Duurzaamheid, energiebesparing en monumenten, 216-225. 7 https://nl.linkfang.org/wiki/ Rentmeesterschap 8 F.C.J. Ketelaar (2007), Archieven; munimenta en monumenta, 104. In: F. Grijzenhout (Red.), Erfgoed; De geschiedenis van een begrip, 85-107. 9 J. van der Lans & H. Vuysje (2003), Lage landen, hoge sprongen; Nederland in de twintigste eeuw, 21. 10 Citaten: Handelingen Tweede Kamer, 2004-2005, pag. 6263-6283. 11 GroenLinks kwam in 1990 mede voort uit de Evangelische Volkspartij, EVP. 12 Met de laatste zou je zelfs bij Adam Smiths ‘Invisible Hand’ kunnen uitkomen. Zie hiervoor: https://en.wikipedia. org/wiki/Invisible_hand 13 De term ‘planeet aarde’ speelde – naast rentmeesterschap - wel een (ondergeschikte) rol in een CU-artikel: R.A. Nijhoff (2008), Een groene bijbel?; Duurzaamheid als voorraadbeheer en herwijding. Een oefening in morele meertaligheid. 14 Zie: Nieuwe Testament, Mattheüs 25:14-30. De bewoording loopt in verschillende Bijbelvertalingen en -uitgaven nogal uiteen. 15 H. Knops & P. Schenderling (2012), Modern rentmeesterschap vraagt om ‘creatief doorgeven’, 115, 116. In: Christen Democratische Verkenningen, 115-121. 16 h ttps://dnpprepo.ub.rug.nl/9871/7/ CDA%20Beginselprogramma%201980. pdf, 10, 11, 31-35. 2 3

19


VITRUVIUS

In talrijke vertalingen worden de dienstknechten of dienaren van de landeigenaar als slaven bestempeld. Opmerkelijk: hoewel in dit verband vaak gerefereerd wordt aan ‘rentmeesterschap’, komt deze term – voor zover bekend - niet in de vertalingen voor. In interpretaties ervan echter des te meer. 18 https://nl.wikipedia.org/wiki/Mattheuseffect: Het rijker worden van de rijken en het armer worden van de armen. 19 De Gelijkenis van de Talenten werd eeuwenlang gebruikt als ‘argument’ om kolonisatie, slavernij en ongebreidelde verrijking te ‘rechtvaardigen’. (“Want aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden […] Maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden”); Vgl.: ‘De laatste man’ in: Trouw, 02-06-2011. 20 https://tinyurl.com/bct9az6y 21 Nieuwe woorden, nieuwe beelden, Commissie Hertaling Uitgangspunten (2012), 28. 22 https://tinyurl.com/2cczrpzc; https:// tinyurl.com/25m2mp99. 23 Zie o.m.: https://tinyurl.com/6m4m79p2 24 Het waren de jaren van stadsvernieuwing, krotopruiming, sanering, enz.; Zie o.m.: https://tinyurl.com/y8456n 25 Bv.: B. Lamberts & A.F.J. Niemeijer (2002), Architectuur en stedenbouw in Dordrecht 1850-1940, 60; AD/ Algemeen Dagblad, 21-11-2018, 28-112018: Wieldrecht, nabij Dordrecht. Het betreft o.m. de uit 1801 daterende, maar vreemd genoeg niet beschermde Smitshoeve. De kapitale Smitshoeve kwam in dat jaar niet meer voor in het bestemmingsplan. Anno nu lijkt burgerinitiatief het complex voor ondergang behoed te hebben. De nabije, eveneens kapitale boerderij Overkerk (Jugendstil, 1904/05) had toen al het loodje gelegd; De Erfgoedstem, 30-12-2013: Een curieus voorbeeld was de aanbieding: ‘Gratis af te halen: monumentale boerderij in Echteld’, vanwege uitbreiding van bedrijventerrein Medel. 26 Bovendien is er niet veel saaiers te bedenken dan altijd hetzelfde, door een raamkozijn ‘geframede’ uitzicht, met heel af en toe een ‘hoogvlieger’. 27 Zie o.m.: J. Dohmen (1996 / 2007), De Vriendenrepubliek, Limburgse kringen; NRC, 04-06-2021, 9. 28 S.J.C. Hemels (2012) De Geefwet een keerpunt? (https://tinyurl.com/ccdcufre) De M.v.T. zegt hierover o.m.: “Dit wordt gerealiseerd door voortaan nog slechts 17

20

80% van de onderhoudskosten aftrekbaar te laten zijn. Verder vervalt de mogelijkheid tot aftrek van de eigenaarslasten en afschrijvingen in het geheel.” 29 O.m. K. Steehouwer, Monumentaal gebouw gaat straks de puincontainer in. In: NRC, 24-01-2011. Zie ook reacties: NRC, 29-01-2011, O & D, 5. 30 Beleidsbrief Momo; Modernisering Monumentenzorg (2009). De brief is tot stand gekomen onder de ministers R.H.A. Plasterk (OCW) en J.M. Cramer (VROM), beiden PvdA. 31 Beleidsbrief Momo; Modernisering Monumentenzorg (2009), 65. 32 Beleidsbrief Momo; Modernisering Monumentenzorg (2009), 50: Zo staat het ongeveer in Momo. 33 Eindhovens Dagblad 26-03-21; De Volkskrant, 7 april 2021, 9; https:// tinyurl.com/2z399em8; https://tinyurl. com/24ma74ba 34 DHC/Den Haag Centraal, 30-102020; https://en.wikipedia.org/wiki/ Huize_Ivicke 35 Visitatierapport Stichting Woonpunt 2015-2018 (2019), 21. Hoe je kapitaal als rentmeester inzet, is overigens niet duidelijk. 36 De Volkskrant, 12-04-2021, 9; https:// tinyurl.com/s6vs4r5n 37 Nu doorpakken, CDA Verkiezingsprogramma 2021- 2025. 38 Kiezen voor wat echt telt, ChristenUnie Verkiezingsprogramma 2021-2025. 39 [Voorschoten], Kadernota Erfgoed 2013–2017, Cultureel Erfgoed loont, leeft en inspireert, 15; Herijking erfgoedbeleid gemeente Lochem (2016), 11; Verbindend verleden, Erfgoednota Rheden 2017-2021, 27-29.. 40 Zie o.m.: Ontwerp-Cultuurnota 20172020: ‘De verbeelding van Drenthe’; Enige plaatselijke historische verenigingen verzorgden de uitgave: Zuidplas & Cultureel erfgoed, Tien adviezen, 3; RAAP-rappert 3155, Erfgoed in de polder, Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Noordoostpolder (2018), 30. 41 Correspondentie auteur en J. van Wanum (HVHB), maart 2017. 42 https://tinyurl.com/ej5wvpj4; Zie hiervoor ook de desbetreffende Google Earthfoto’s, zowel tijdens als na de sloop. De gehele hoek is kaalgeslagen en de panden 64 t/m 72 zijn gesloopt! Er is daarom ook nog eens sprake geweest van illegale sloop!

NUMMER 57 OKTOBER 2021

De twee intussen niet meer bestaande panden staan nog steeds als Rijksmonument vermeld, resp. als nr. 21092 en 21093! Het plan bestaat de ruimte opnieuw in te richten met lookalikes van de verdwenen gevels / gebouwen; iets waar de RCE zich gewoonlijk behoorlijk tegen verzette. 44 Een planconcept namens de projectontwikkelaars (waarin Disneyficatie van deze historische locatie lijkt te worden beoogd) is in te zien via: https://tinyurl. com/umh6d2ww 45 De Stentor, 20-01-2017. Het pand, no. 30, is nu in gebruik bij een winkel in luxe cosmetica. 46 Hierover in een latere bijdrage meer. 47 Ik herinner mij hierover destijds – in functie - gezegd te hebben: ‘Als dít kan, kan alles.’ 43


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Nederlands religieus erfgoed Bernadette van Hellenberg Hubar Erfgoedprofessional & schrijver vanhellenberghubar.org

op Facebook | Tussen data en debat | Deel 1

Hoe het begon Hoe vaak wordt iets een succes, omdat je bij de gangbare organisaties niet terecht kunt? Sterker nog, door bestaande groepen wordt afgewezen? Dat lijkt een paradox, maar voor iemand met een missie is dat meestal een drijfveer om zelf iets te beginnen. Dit is kort samengevat wat Rob Kreukniet overkwam, toen hij besloot om de Facebookgroep Nederlands religieus erfgoed op te richten. Hoewel hij opgroeide tegenover de Elandstraatkerk in Den Haag – een juweel van Nicolaas Molenaar uit 1892 – is zijn belangstelling voor kerkgebouwen pas na zijn pensioen ontstaan; via een flinke omweg nog wel. In de tijd dat hij in dienst was van het Waterschap Noordoostpolder, was Kreukniet namelijk betrokken bij het omzetten van kadastergegevens naar een database van het vastgoed in de Noordoostpolder: ‘Hier komt mijn kennis over databases met gebouwen vandaan, alle valkuilen die maar mogelijk waren heb ik destijds al gehad’. Na zijn pensioen was het eerst Wikipedia waar hij zijn energie op richtte, maar nadat hij iets had opgezocht op Reliwiki, was hij verkocht. Al ruim twaalf jaar lang is hij actief om deze grootste nationale encyclopedische database voor kerkelijk erfgoed toegankelijk te houden. En met succes: het aantal unieke bezoekers per maand ligt al jaren op ca. 50.000, terwijl zo’n 2000 mensen zich hebben geregistreerd om bij te dragen aan de content, hoofdzakelijk in de vorm van foto’s. In de content lag de volgende uitdaging. Kreukniet werd al snel geconfronteerd met nogal wat kennisleemtes en een behoorlijk grote hoeveelheid historische foto’s van niet

Foto Diana Nieuwold van Kerkfotografie, 2016.

Marij Coenen Redacteur & fotograaf vanhellenberghubar.org

1 - ‘Wie herkent deze kerk?’ is de wekelijkse rubriek van Diana Nieuwold van Kerkfotografie. Het bleek het vertrekpunt van een mooi draadje op Facebook. nader benoemde kerken: ‘Ik ontdekte dat als informatie over een bepaald kerkgebouw ontbrak, of er was een foto van een onbekende kerk, dat je via Facebook die informatie razendsnel boven water kreeg. Maar dat werd niet altijd in dank afgenomen, zo erg zelfs dat ik bij bepaalde groepen geblokkeerd werd of dringend verzocht werd te stoppen met uploaden van zoekfoto’s of het stellen van vragen’. De oplossing was een eigen platform oprichten en zo ontstond de (besloten) Facebookgroep Nederlands religieus erfgoed die onder leiding van de moderatoren Rob Kreukniet en Rob den Boer geleidelijk uitgroeide tot zo’n 1500 leden. Het is een gemengd gezelschap van diverse pluimage: van kerkelijke en niet-kerkelijke signatuur, van leken en clerus, van liefhebbers, vrijwilligers, kenners en specialisten. Bij iets dat zo actueel is als het gebruik van kerkgebouwen, schuurt dat van tijd tot tijd. Dat gebeurt vooral als de waardigheid van de kerk in het geding is – wat mag wel en niet in een sacrale ambiance

– of het kerkelijk beleid ter discussie staat met betrekking tot de herbestemming van leegstaande gebouwen. Kennisuitwisseling Het gros van de dagelijkse berichten betreft het wel en wee rond de sluiting van kerken, gevolgd door nieuws over tentoonstellingen en andere evenementen in kerkgebouwen of over kerkelijke kunst in musea. Daarnaast komt de rubriek kruisen en kapellen aan de orde en overige categorale onderwerpen, zoals glas in lood, schilderingen, textilia et cetera. De juweeltjes bestaan wat mij betreft uit kennisuitwisseling naar aanleiding van een actuele casus of een oproep om informatie.1 Zelf heb ik hiervan in hoge mate geprofiteerd toen we bezig waren met het project #KunstinBreda. Het resultaat van de draadjes (threads)2 leverde enkele artikelen op in Vitruvius, zoals het veel gelezen item over het expressionistische wegkruis van Leen Douwes, waarbij ik als auteur 21


NUMMER 57 OKTOBER 2021

Foto Marjanne Statema, 2016.

Foto Diana Nieuwold van Kerkfotografie, 2016.

VITRUVIUS

2 - Een van de meest bijzondere draadjes op de Facebookpagina van Nederlands religieus erfgoed werd na drie jaar afgesloten met de vondst van Door Jelsma van de kunstenaar van dit liturgisch centrum in de kerk van Prinsenbeek (Breda). Het bleek Gerrit de Morée te zijn. Het woord uniek is versleten, maar dit werk is echt zonder weerga. een van mijn vooroordelen in de prullenbak kon stoppen.3 Of het fenomeen van de pyrofotografie, waar Sander van Daal zijn expertise bij inbracht.4 Het meest indrukwekkende voorbeeld is als casus te groot om hier te bespreken, dus dat volgt misschien een keer apart. Het betreft de toeschrijving van het liturgisch centrum met in het midden een hoogst bijzondere schildering in de O.L.V. ten Hemelopneming te Prinsenbeek; een zeldzaam voorbeeld van kerkelijke kunst uit de tijd van het tweede Vaticaans Concilie (1963). Het draadje over de onbekende kunstenaar die dit op zijn naam had staan, besloeg met de nodige pauzes drie jaar, toen Door Jelsma de handschoen opnam (afb. 2). Zij ontdekte dat de veelzijdige kunstenaar Gerrit de Morée de maker was en kwam zelfs in 22

3 - De kerk van Simon en Judas in Lattrop (Overijssel) blijkt op naam te staan van de architecten Joseph Th.J. Cuypers en zijn zoon Pierre J.J.M. Cuypers (1925). Gelet op de expressionistische vormentaal heeft Pierre Cuypers de kerk ontworpen.

contact met mensen die bij de uitvoering hebben meegeholpen.5 Het resultaat benadrukt hoe ambachtelijk archiefonderzoek en moderne media elkaar op een fantastische manier versterken. Maar daar kun je alleen echt iets mee als je bereid bent om trial-and-error een volwaardige plaats te geven in je modus operandi: dankzij de vondsten van Jelsma kon ik mijn aanvankelijke bevindingen vrijwel volledig herzien.6 Ook op dit punt kan nauwelijks langer gewacht worden op de digitale infrastructuur, waarover we in het vorige nummer van Vitruvius schreven. Alleen door kennis centraal te vergaren en toetsbaar te maken kunnen we zorgen voor voortschrijdend inzicht dat een basis biedt voor restauraties en herbestemmingen.

Maar ook het verzamelen van controversen en polemieken rond erfgoedbeheer draagt in belangrijke mate bij aan hoe je met een kerkgebouw om kunt gaan. Casussen Het schrijven over een onderwerp, waar de meningen van mensen bij betrokken zijn vraagt om een andere aanpak dan een kunsthistorisch verhaal, temeer omdat de privacy hierbij een factor van belang is. Ik ga daarom uit van drie casussen, waarbij ik zelf nauw betrokken was en mijn kennis en inzichten heb ingebracht. Dat heeft aan de ene kant het gevaar van eenzijdigheid, maar toont aan de andere kant wel hoe je als actieve deelnemer rijker wordt van zowel het formuleren van je standpunten als de feedback die je daarop krijgt.


VITRUVIUS

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Kerkfotografie | Lattrop (2019) Bepaalde oproepen lokken vaak mooie draadjes uit. Dat geldt onder meer voor het wekelijkse item van Diana Nieuwold van Kerkfotografie met de vraag wie de kerk op de geposte foto herkent. Dat leidt van tijd tot tijd tot een draadje dat het meer-dande-som-der-delen toont. Ik moet toegeven dat ik de protestantse kerken meestal laat passeren; daar ligt mijn kracht niet. Maar toen de kerk van Simon en Judas in Lattrop (Overijssel) langskwam (afb. 1, 3 en 4), werd ik direct gegrepen: Geen idee welke kerk dit is, dus dat wordt wachten op vrijdag (afb. 1). Intussen wordt onze blik gevangen door de speelse baksteenpolychromie en de uitgemetselde baldakijnen boven de heiligenbeelden, die tegelijkertijd de aanzetten tot de gewelven vormen. Een oogstrelende expressionistische oplossing die mooi past binnen een

Foto Diana Nieuwold van Kerkfotografie, 2016.

Waar gaan we op in: • De kerk van Simon en Judas te Lattrop, van de architecten Joseph Th.J. en Pierre J.J.M. Cuypers. Hoewel het item ook op Nederlands religieus erfgoed stond, heeft het draadje met de leden van die groep zich ontsponnen op mijn eigen pagina.7 • De kwestie van het rode raam in de Oude Kerk van Amsterdam: de cause célèbre in erfgoedland van de afgelopen jaren. • En om terug te keren naar waar het Rob Kreukniet om begonnen was: de identificatie van een historische foto van een kerkgebouw die vanzelf leidde tot het probleem van de spolia. Waar blijven de onderdelen van het gebouw en zijn inventaris na uitgebruikstelling en erger nog … sloop. Dat bespreken we in deel 2 van dit artikel.

4 - De toren van de kerk Simon en Judas in Lattrop (Overijssel, 1925) heeft een bijzondere opzet die de fase van experiment verraadt van Pierre J.J.M. Cuypers: hij streefde naar een eigen stijl, waarin hij zich van zijn vader en grootvader kon onderscheiden.

rationele opzet à la Cuypers, waarin vorm en functie uit elkaar voortvloeien. De aankleding van de apsis oogt eveneens fascinerend met het decoratieve metselverband en de monochrome schilderingen (?). Over de duim zou ik zeggen een kerk uit de jaren 1920, vanwege de parabool van de triomfboog en de expressionistische toets. Eens zien wat er van onze vermoedens klopt aanstaande vrijdag.8 Al heel snel bleek het een kerk te zijn van Joseph Cuypers en zijn zoon Pierre J.J.M. Cuypers. Johannes de Vreeze herkende het gebouw en postte ter onderbouwing het toenmalige item uit Reliwiki.9 Daarop volgde een discussie over de datering van 1936 die volgens mij veel te laat was. Bovendien klopte die niet met het dossier uit het Cuypersarchief, waarin zich onder meer stukken bevinden met betrekking tot de aanbesteding uit 1925.10 HNI geeft als datering van de bouw 1923-1925. Mijn vermoeden dat de kerk zeer waarschijnlijk later was ingewijd, bracht Rob Kreukniet op het spoor van zowaar twee verschillende wijdingsdata: een plechtigheid uit 1926, verricht door de deken van Oldenzaal, die in het Registrum Memoriale van de parochie staat. Hierin tekende de pastoor de memorabele gebeurtenissen door het jaar heen op.11 Een tweede datum vond hij via Delpher in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant van 19 augustus 1936: ‘Maandagavond hield de aartsbisschop van Utrecht mgr. De Jong zijn intocht in de buurtschap Lattrop, voor de inwijding der voor enkele jaren nieuw gebouwde kerk aldaar’.12 Op dat moment was dat nogal verwarrend, maar achteraf kun je de data als volgt interpreteren. De eerste datum betrof zeer waarschijnlijk de inzegening die nodig was, omdat de kerk anders niet in gebruik genomen kon worden voor de liturgie. De tweede was de officiële kerkwijding door de (aarts)bisschop. Dit was een ritueel dat uren duurde, waarbij de bisschop via een oeroude choreografie langs en door de hele kerk van binnen en buiten trok.13 Johannes de Vreeze kwam met wel een heel extreem voorbeeld van een latere kerkwijding: De Jozefkerk in Heeg uit 1876 zou pas een paar jaar geleden door bisschop de Korte zijn ingewijd.14 Tot slot kwam Herman Wesselink met een heel ander argument om het bouwjaar te motiveren: ‘omstreeks 1935 werd mede als gevolg van de crisisjaren aanzienlijk soberder gebouwd dan in Lattrop het geval was. Het baksteenexpressionisme uit de jaren ’20 was (te) duur geworden. 23


VITRUVIUS

Herkomst Pierre M. Cuypers, stichting Cuyperiana.

Kenniswinst en voortschrijdend inzicht De uitwisseling leidde tot een mooi stukje kenniswinst: • Het jaar van de officiële kerkwijding valt niet altijd samen met het bouwjaar van een kerk. • Let op het verschil tussen het inzegenen van een kerk en het wijden van een kerk. • Veelkleurig gemetselde kerkgebouwen komen na de wereldcrisis (1929) niet of nauwelijks meer voor.

Na dit uitstapje met dom Bellot weet Pierre junior in zijn werken een mooie mix te bereiken tussen de vertrouwde Cuyperiaanse baksteenpolychromie en de expressionistische vorm die het visitekaartje was van Bellot. Geleidelijk aan wordt ook de derde architect Cuypers steeds zichtbaarder. Het rode raam in de Oude Kerk (2018-2021) Er is weinig wat de gemoederen in erfgoedland de afgelopen jaren zo bezig heeft gehouden als het rode raam in de Oude Kerk. Dit glas is bedoeld als blijvende herinnering aan de tijdelijke installatie Anastasis | Ανάσταση van Giorgio Andreotta Calò, waarbij de ramen in het gebouw werden afgedekt met 1600 m2 rood folie (afb. 7).17 Terwijl zich in de Facebookgroep naar aanleiding van de installatie Poems for earthlings een pittig, maar hoffelijk en mooi draadje ontspon over het beleid van de stichting Oude Kerk, bleef het wat betreft het rode raam tamelijk rustig.18 Het gesprek in de groep kreeg meer vaart dankzij de foto die Elza Kuyk plaatste: Dit is het raam waar de ophef over is, van binnen uit. Mondgeblazen glas. Het is nog niet helemaal af. Heilig Graf kapel in de Oude Kerk in Amsterdam, getoond op 23 september 2018) (afb. 9).19 Na enkele blijken van verontwaardiging uit de groep – eigenlijk weinig als je het vergelijkt met de installatie van Eveline van der

Foto Erik de Haan, 2018.

Herkomst Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Documentnummer 8206.

5 - Pierre J.J.M. Cuypers (18911982) vertegenwoordigt de derde generatie van de architecten Cuypers

Ten slotte nog enig voortschrijdend inzicht van de afgelopen jaren: anders dan ik in 2019 meende, kan de kerk vrijwel helemaal toegeschreven worden aan Pierre J.J.M. Cuypers (afb. 5) vanwege het expressionistische idioom dat hij zich meester had gemaakt, toen hij begin jaren 1920 met de Franse benedictijner monnik en architect dom Bellot samenwerkte.15 Hier kan een nauwkeurig jaartal aan gekoppeld worden: Liz Dewitte die zich in Bellot gespecialiseerd heeft, ontdekte dat de benedictijn vanaf 1922 bezig was met de ontwerpen voor de uitbreiding van het Gymnasium Augustinianum van de paters augustijnen in Eindhoven (afb. 6). Kort daarvoor had Bellot van zijn orde toestemming gekregen om een architectenbureau op te richten in de – door hem ontworpen – abdij van Oosterhout. Als medewerker trok hij H.C. van de Leur aan. Volgens Dewitte zagen verschillende Nederlandse architecten hem niet graag komen. Een signaal daarvoor zou een brief zijn van de Algemene Katholieke Kunstenaars Vereeniging uit 1922, ondertekend door voorzitter Joseph Cuypers. Deze gaat echter alleen over de algemeen geldende loon- en tariefregels. Niettemin zou deze ertoe geleid hebben dat dom Bellot op 8 mei 1922 aan Pierre Cuypers junior vraagt of hij de uitvoerder van het werk in Eindhoven wil zijn. Dom Bellot ontwierp de nieuwe schoolvleugel, Van de Leur verzorgde het tekenwerk en Pierre J.J.M. Cuypers was de uitvoerend architect. Vandaar dat de vergunningspapieren zijn naam dragen.16

NUMMER 57 OKTOBER 2021

6 - Pierre J.J.M. leerde het expressionistische idioom als uitvoerend architect van de uitbreiding van het Gymnasium Augustinianum van de augustijnen in Eindhoven, ontworpen door dom Paul Bellot (1922). Deze historische foto van de beeldbank van de RCE heeft als vermelding: ‘Nieuwe kapel, Archief Dom. Paul Bellot’. 24

7 - Bij de tijdelijke installatie Anastasis | Ανάσταση van Giorgio Andreotta Caló (2018) werden de ramen in de Oude Kerk van Amsterdam afgedekt met 1600 m2 rood folie.


Foto Elza Kuyk, 2018.

NUMMER 57 OKTOBER 2021

Foto Elza Kuyk, 2018.

VITRUVIUS

8 - Bij wijze van contrast de Oude Kerk in natuurlijk daglicht. We zien de installatie NA van Christian Boltanski (2017-2018). Met de lege jassen op de zerkenvloer accentueert de kunstenaar de situatie NA de dood in de beste tradities van Memento mori. Pas in de Domkerk van Utrecht (2021)20 – was mijn reactie als volgt: Ik aarzel ... ik ben er als een van de weinigen van deze groep, denk ik, geweest om te kijken wat dat rode licht met het interieur deed. Als tentoonstelling vond ik het fantastisch. Als ik het in context zou willen plaatsen, dan denk ik aan Verfremdungseffecten, Dada en zelfs Pop Art. Want we kunnen willen wat we willen, maar als je een tijdlang een vertrouwd gebouw in een andere kleurenschaal ziet, ga je het ook opnieuw bekijken. Ik wil het allemaal niet eens zozeer de sterke kant van de directie noemen, als wel de sterke kant van de hedendaagse kunst. Maar dan dat ‘tijdelijke’, meer permanente rode raam.21 De RCE, te laat betrokken, vreest voor het effect. Ik vraag me af waarom, want wat doet een rood raam. Er zijn meer bontgekleurde glazen in de Oude Kerk en die zijn volledig geaccepteerd in de beleving. De vraag is meer of dat ene rode raam zijn zeggings-

9 - Met dit bericht van Elza Kuyk die een promotieonderzoek doet naar meervoudig gebruikte kerkgebouwen, startten de draadjes over het rode raam op de Facebookpagina van Nederlands religieus erfgoed. Het flitslicht dempte het effect op de muren.

kracht net zo lang houdt als die andere glazen die voor een deel van net voor de reformatie zijn. Het komt namelijk los te staan van zijn oorspronkelijke inbedding in de spraakmakende tentoonstelling. De kans dat het op den duur een zeggingsloos raam wordt is behoorlijk groot. Het verhaal ervan als herinnering aan een tentoonstelling lijkt me lang zo spannend niet als dat van de ramen die de reformatie overleefden (afb. 12).22 Terwijl Harrie-Jan Metselaars wees op het kleurige effect van de hedendaagse ramen van Jan Dibbets in de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal van Haarlem, werd volgens Elza Kuyk onvoldoende duidelijk gemaakt dat het niet om de grote cyclus in de Oude kerk zelf gaat; het betreft een enkel raam in een kleine kapel: de kleine heilig Grafkapel, waar vóór de reformatie de opstanding – Anastasis – van Christus werd herdacht (afb. 9, 10, 11). Roel Sikkema voegde toe: ‘Bij dit raam hoort nog een spiegel die op een

dak tegenover de kerk wordt geplaatst. Die zal tussen Pasen en Pinksteren het licht van de avondzon weerkaatsen op een stuk muur in de kapel waar tot de Reformatie een beeltenis te zien was van Jezus Christus. Het Rode raam is dus ook een herinnering aan de religieuze functie van de kapel’.23 Hiermee werden de omissies in mijn reactie gecorrigeerd. De betekenis die Calò op deze manier in zijn installatie legt laat zien dat de Oude Kerk voor hem niet willekeurig welke kunsthal is. Hij speelt in op een specifieke locatie met een even specifieke betekenis die terug te voeren valt tot een oeroude christelijke traditie. Juist in Amsterdam werd deze in de negentiende eeuw herontdekt door de kunstcriticus en katholiek emancipator J.A. Alberdingk Thijm die hierover zijn standaardwerk De Heilige Linie (1858) schreef. Juist de fysieke werking van het licht, gebonden aan tijd en plaats én leegte, speelt daarin een toonaangevende rol.24

25


NUMMER 57 OKTOBER 2021

Foto Elza Kuyk, 2020.

Foto Marleen Hengelaar van Artway.eu, 2019.

VITRUVIUS

10 - Hoe de bezoekers in de heilig Grafkapel van de Oude Kerk te Amsterdam door het invallende daglicht ondergedompeld worden in rood. Doordat het raam op het noordwesten ligt, bereikt de zon de kapel alleen rond de zomerzonnewende (zie noot 23). Procedure Intussen was dit raam de inzet geworden van een procedure in beroep bij de rechtbank van Amsterdam en later in hoger beroep bij de Raad van State.25 Hierbij tekende zich een strijd af die zich vaak ook voordoet bij de Facebookgroep Nederlands religieus erfgoed: de ene partij gaat principieel voor het onveranderbare monument, de andere vindt dat – zeker tijdelijke – interventies in een geklasseerd gebouw mogelijk moeten zijn. Dit is geen verhaal van gelijk of ongelijk, maar een permanent krachtenspel tussen principiële standpunten over de omgang met erfgoed dat we moeten koesteren. Dat de Oude Kerk een monument als geen ander is, zoals architectuurhistoricus Walther Schoonenberg van de VVAB – Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad – keer op keer stelt, kan alleen maar beaamd worden. Maar verliest het gebouw als hoogwaardig erfgoed zijn essentie als het tevens toneel wordt van eigentijdse kunstmanifestaties? Voor de een boet het 26

11 - Ook aan de buitenzijde laat het rode raam in de heilig Grafkapel van de Oude Kerk te Amsterdam zich gelden. Bij het overige glas-in-lood worden de kleuren gedempt door voorzetramen en gaas tegen duivenpoep.

dan in aan waarden, voor de ander is het een verrijking. Wie nagaat wat er de afgelopen jaren aan manifestaties in de Oude Kerk heeft plaatsgevonden, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de erfgoedorganisaties een ongelukkige casus hebben gekozen om hun punt te maken. De VVAB voerde na de negatieve uitslag van hoger beroep aan dat de toetsing marginaal was. Materieel (inhoudelijk) toetsen is sinds de Crisis- en herstelwet van 2010 ernstig ingeperkt, dus er wordt eigenlijk alleen maar gecontroleerd of formeel de juiste stappen zijn gevolgd en de overheid op basis van de ingewonnen en voorgelegde informatie in redelijkheid tot het aangevochte besluit had kunnen komen. Dat heet marginale toetsing. Toch krijg je de indruk dat de Raad van State dat marginale min of meer opgerekt heeft in de richting van het materiële door de inhoudelijke stukken serieus te bespreken. Die gaven te weinig ruimte om de vergunning voor het raam te vernietigen, temeer omdat

het vooral om botsende visies ging die ieder op zich recht van spreken hadden. Dat het gemeentebestuur zich ook na heroverweging achter een van die twee schaarde, was meende de Raad van State, zijn goed recht.26 Het is wat Guus van den Hout, oud-directeur van museum Amstelkring ‘Ons’ Lieve Heer op Solder’, opmerkte: ‘Elke tijd mag, moet zelfs iets toevoegen om een dergelijk monument levend te houden. Maar respect voor het bestaande is essentieel’. Beschadiging van het bestaande kon bij het rode raam niet hard gemaakt worden. Door Jelsma merkte terecht in een van haar commentaren op dat de reversibiliteit van de ingreep de directie had gered.27 Kenniswinst Los van de correctie van mijn inbreng, ligt de kenniswinst bij deze uitwisseling van standpunten op een heel ander niveau dan bij de vorige casus. Binnen de groep blijkt vriend en vijand – voor een deel impliciet – waardering te hebben voor het optreden van


NUMMER 57 OKTOBER 2021

de VVAB en de stichting tot Behoud van de Oude Kerk die hun verantwoordelijkheid hebben genomen voor de erfgoeddimensie van het gebouw. En dat is terecht, ook al was de uitslag niet positief. Door jurisprudentie uit te lokken kan de volgende zaak heel anders lopen en dat is winst. Wat verder vooral bij de meningsuitingen opvalt, is de breed gedragen afkeer van de expositie van installaties in kerkgebouwen. Die weerzin kleurt met enige regelmaat de toon van de draadjes van de Facebookgroep Nederlands religieus erfgoed en over het algemeen niet in de meest objectieve noch respectvolle zin. Meestal gaat het dan ook nog om actuele werken die men niet uit eigen waarneming kent.28 Mij verrast het dat een kunstvorm die al ruim een eeuw aanwezig is in onze West-Europese cultuur zo weinig vertrouwd is bij het grote publiek. En dat is jammer, omdat het nu net om een genre gaat dat zich bij uitstek richt op kunst die te denken geeft.29 Hoe dat in de praktijk kan werken, blijkt uit wat dominee Jessa van der Vaart van de Oudekerkgemeente vertelt in een artikel in de Groene Amsterdammer dat op Nederlands religieus erfgoed als zeer afgewogen werd getypeerd.30 Wat haar fascineert is hoe kunst en religie elkaar bevragen en prikkelen, kritisch, schurend, ongemakkelijk, maar o zo zinvol. Zo maakte ze dat mee met installatie NA van de Franse kunstenaar Christian Boltanski in de Oude Kerk (afb. 8, 13). ‘Daar dacht de kunstenaar na over de dood, maar radicaal anders dan in het christelijke geloof. Door zijn suggestie van een ‘hiernamaals’ voelde Van der Vaart zich uitgedaagd als theoloog om daar een ander verhaal tegenover te zetten en ze organiseerde toen een dienst rond de kunstwerken’.31

Foto bvhh.nu, 2018.

VITRUVIUS

12 - Bij mijn reactie op het rode raam heb ik deze foto gepost van het hoogst bijzondere glas in lood van vóór de reformatie in de Mariakapel, getransformeerd tot onderdeel van de tijdelijke installatie Anastasis | Ανάσταση van Giorgio Andreotta Calò (2018). De twee linker glazen zijn van Lambert van Noort (1520-1571) en Digman Meynaert (ca.1525-1575); dat aan de kopse kant van de Goudse glazenier Dirck Crabeth (1501-1574) (zie noot 22).

Onze dank gaat uit naar alle mensen van de Facebookgroep Nederlands religieus erfgoed die bijgedragen hebben aan dit artikel, en wel in het bijzonder naar de volgende mensen: allereerst beheerder Rob Kreukniet

Foto Elza Kuyk, 2018.

Naschrift Dit artikel wordt opgedragen aan HarrieJan Metselaars, Limburger, Amsterdammer, lid van ‘Nederlands religieus erfgoed’ en gesprekspartner bij menig thema op het gebied van kerkelijke kunst. Als auteur van het boek over de Jodenvervolging in Gennep (zie bronnenlijst) heeft hij heel wat jassen neergelegd op de zerkenvloer van de historiografie.

13 - De installatie NA van Christian Boltanski (2017-2018) rond de avondmaalstafel van de Oudekerkgemeente op het voormalige priesterkoor. Ook hier suggereren de lege jassen de aanwezigheid van hen die er eens waren 27


VITRUVIUS

die het artikel samen met co-beheerder Rob den Boer en Elza Kuyk getoetst heeft. Daarnaast Diana Nieuwold van kerkfotografie.nl die me opnieuw geholpen heeft aan prachtige foto’s. Verder Walther Schoonenberg van de VVAB voor stukken met betrekking tot de Oude Kerk. En tot slot Elza Kuyk die als buitenpromovenda aan de Universiteit van Utrecht onderzoek doet naar de Oude Kerk als meervoudig gebruikte kerk, naast drie andere meervoudig gebruikte kerkgebouwen in Amersfoort, Zwolle en Utrecht (zie de bronnenlijst). Buiten de groep willen we Erik de Haan en Marleen Hengelaar bedanken voor het ter beschikking stellen van hun foto’s van de Oude Kerk. Met uitzondering van de foto’s van Kerkfotografie, Elza Kuyk en Marleen Hengelaar, vallen de afbeeldingen in dit artikel onder de Creative Commons licentie: CC BY-NCSA voor bvhh.nu, CC BY-SA, voor de RCE en CC BY-NC voor Erik de Haan), dus onder voorbehoud van naamsvermelding (BY) en/of geen commercieel gebruik (NC). Dit artikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg en Marij Coenen. “Nederlands Religieus Erfgoed op Facebook | Tussen data en debat”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 14 (2021): 21-28. De verkorte titels in de noten verwijzen naar de bronnenlijst in deel 2 van dit artikel. Noten 1 Omdat van ons collectief met name Hubar actief is op de Facebookpagina van Nederlands religieus erfgoed, is dit artikel grotendeels geschreven in de ik-vorm. 2 Tussen het Engels jargon dat met de opmars van internet 2.0 ingeburgerd raakte, weet de Nederlandse term ‘draadje’ als vertaling van ‘thread’ zich goed te handhaven. Draadje slaat op de reeks commentaren die op een bericht op Facebook, Twitter of een ander sociaal medium of forum worden geplaatst. De ene keer gaat het om een collectie losse opmerkingen, de volgende maal om een lopende gedachtewisseling. 3 Hubar, ‘Leen Douwes’ (2018). 4 Hubar en Coenen, ‘Pyrofotografie’ (2020). 5 Hubar, ‘Liturgisch centrum’ (2016). Jelsma, ‘Het blijkt de beroemde illustrator, graficus en beeldhouwer Gerrit de 28

Morée’ (2019). Jelsma, ‘De tachtigjare kunstenares Elly Smulders-Lamers’ (2019). Jelsma, Bijzondere kerkkunst van Gerrit de Morée (2019). 6 Voor de aanvankelijke bevindingen en het vervolg zie Hubar, ‘Voor en na Vaticanum II in Prinsenbeek’ (2016). 7 Hubar, ‘Geen idee welke kerk dit is’ (2019). 8 Hubar, ‘Geen idee welke kerk dit is’ (2019). 9 Reliwiki. “Lattrop, Dorpsstraat 66 – Simon en Judas. 10 HNI/CUBA Bureau Cuypers. ‘CUBA.110382591 (Lattrop). 11 Heemkunde Lattrop Breklenkamp. ‘Registrum Memoriale’ (z.j.). 12 Reliwiki. “Lattrop, Dorpsstraat 66 – Simon en Judas. 13 Dit wordt beschreven in Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem (2016), pp. 204-205. 14 Hubar, ‘Geen idee welke kerk dit is’ (2019): deze mededeling vraagt om nader onderzoek. 15 Dewitte, Liz. ‘Proportionality in the Architecture of dom Bellot’ (2015). 16 ‘Dom Bellot en Pierre J.J.M. Cuypers’ (2016). 17 Grandjean, ‘Anastasis | Ανάσταση’ (2018). 18 Jelsma, ‘De installatie “Poems for Earthlings”’ (2020). Kroesen, ‘Naar aanleiding van de recente commotie over het kunstbeleid van de Oude Kerk’ (2020). Kreukniet, ‘Rechtszaak om permanent rood raam in Oude Kerk Amsterdam’ (2018). 19 Kuyk, ‘Dit is het raam waar de ophef over is’ (2018). Het raam is gemaakt door Glasatelier Hagemeier in Tilburg: Grandjean, ‘Anastasis | Ανάσταση’ (2018). 20 Kreukniet, ‘De glas-in-loodramen vind ik mooier’ (2021). 21 Aanvankelijk ging het om een tijdelijk raam dat lopende de vergunningprocedure permanent werd. Zie noot 26. 22 Zie noot 19. Hoogewoud, ‘Dirck Crabeths Sterfbed van Maria in de Mariakapel van de Oude Kerk’ (2019). 23 Zie noot 19. Grandjean, ‘Anastasis | Ανάσταση’ (2018) over de spiegel; dat bovendien geprofiteerd zou kunnen worden van de middeleeuwse constructie van het venster dat het wegstervende licht van de dag leidt naar de plek waar ooit het beeld met de graflegging van Christus stond, blijkt niet juist. Gelet op

NUMMER 57 OKTOBER 2021

de ligging van het raam op het noordwesten is dat onmogelijk. Zie daarvoor Oldenburger, ‘Een nieuw raam voor de Heilig grafkapel van de Oude kerk?’ (2018). 24 Deze aspecten heb ik uitvoerig behandeld in Hubar, De nieuwe Bavo (2016), pp. 71-87, 125-138. Voor de ‘leegte’ bij Calò zie Grandjean, ‘Anastasis | Ανάσταση’ (2018). 25 De erfgoedorganisaties Heemschut, stichting Behoud Oude Kerk en de VVAB (Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad) ging in beroep, terwijl alleen de laatste in hoger beroep ging. 26 Schoonenberg (WS), ‘Stelt de monumentenbescherming in ons land nog iets voor? (2021). Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak. ‘ECLI:NL:RVS:2021:562 - ABRvS, 17-03-2021, nr. 202002440/1/R1’. 27 Jelsma. ‘De rechtbank in Amsterdam heeft bepaald dat het rode raam in de Heilig Grafkapel van De Oude Kerk “een gepaste kunstuiting” is’ (2020). 28 Kreukniet, ‘De glas-in-loodramen vind ik mooier’ (2021). 29 Een eerste kennismaking bieden de lemma’s ‘Installatie (kunstwerk)’ en ‘Readymade’ op Wikipedia. 30 Kuyk, ‘Als er een gebouw is waarvoor wij moeten opkomen, dan is het de Oude Kerk’ (2021). Het artikel is van de hand van kunstredacteur Rosa van der Lint, ‘Controverse in de Amsterdamse Oude Kerk’ (2020). 31 Geciteerd naar Van der Lint, ‘Controverse in de Amsterdamse Oude Kerk’ (2020). Kuyk, ‘Living in an Exhibition in a Church’ (2018). Oude Kerk, ‘Christian Boltanski – Na’ (november 2017april 2018).


VITRUVIUS NUMMER 57

Ditrijk rijkgeïllustreerde geïllustreerdeboek boekvertelt verteltop optoegankelijke toegankelijkewijze wijze Dit belangrijkeen enverrassende verrassendeverhalen verhalenover overde deGouden GoudenKoets. Koets. belangrijke Hoeontstond ontstondhij, hij,wat watwilde wildemen menermee ermeebereiken? bereiken?Hoe Hoeisishet het Hoe vorstelijkevoertuig voertuigsindsdien sindsdiengebruikt? gebruikt?Welke Welkesymboliek symboliekisis vorstelijke erinverwerkt? verwerkt?En Enwaarom waaromisishij, hij,sinds sindshet heteerste eersteidee ideeinin1896, 1896, erin herhaaldelijkonderwerp onderwerpvan vandiscussie discussieen enprotest? protest? herhaaldelijk

VERSCHENEN

De Gouden Koets

DE GOUDEN KOETS

GOUDENKOETS KOETSISISNANAVIJF VIJFJAAR JAARRESTAURATIE RESTAURATIE DEDEGOUDEN KLAAROM OMWEER WEERDEDEWEG WEGOPOPTETEGAAN. GAAN.BLIJFT BLIJFTHIJ HIJ KLAAR BLIKVANGEROPOPPRINSJESDAG? PRINSJESDAG?OFOFHOORT HOORTHIJ HIJ DÉDÉBLIKVANGER THUISININEEN EENMUSEUM? MUSEUM? THUIS

recent

OKTOBER 2021

AUTEUR

Karwan Fatah-Black e.a.

Gerenommeerdeauteurs auteursen enjonge jongetalenten talentendeden dedennieuw nieuw Gerenommeerde onderzoeknaar naarde dezorgvuldige zorgvuldigerestauratie, restauratie,het hetceremoniceremonionderzoek eel,de deuiteenlopende uiteenlopendebetekenissen betekenissenvan vande deGouden GoudenKoets Koets eel, enhet hetveelbesproken veelbesprokenpaneel paneelHulde Huldeder derKoloniën. Koloniën.Pronkstuk, Pronkstuk, en nationaalicoon, icoon,symbool symboolvan vanhet hetkolonialisme: kolonialisme:het hetkoninkkoninknationaal lijkerijtuig rijtuigwordt wordtvan vanalle allekanten kantenbekeken. bekeken. lijke

UITGAVE

WBooks i.s.m. het Amsterdam Museum

Ditboek boekverschijnt verschijntbij bijde detentoonstelling tentoonstellingDe DeGouden GoudenKoets Koets Dit hetAmsterdam AmsterdamMuseum Museum(18 (18juni juni2021 2021- -27 27februari februari2022) 2022) ininhet waarde dekoets koetsvoor voorhet heteerst eerstsinds sindsde derestauratie restauratieweer weertete waar zienis.is. zien Metbijdragen bijdragenvan vanonder onderanderen anderenJudikje JudikjeKiers, Kiers,Margriet Margriet Met Schavemaker,Annemarie Annemariede deWildt, Wildt,Lise LiseHavermans-Steyn, Havermans-Steyn, Schavemaker, MariaRey-Lamslag, Rey-Lamslag,Irene IreneStengs, Stengs,Karwan KarwanFatah-Black Fatah-Blacken en Maria GhanimaKowsoleea. Kowsoleea. Ghanima

D E TA I L S

Gebonden, 160 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur en zw/w, ISBN: 978-94-6258-441-9 WWW.WBOOKS.COM WWW.WBOOKS.COM

PRIJS

€ 24,95

D

e Gouden Koets is na vijf jaar restauratie weer te zien voor het publiek. Vanaf het allereerste moment dat de koets het toneel betrad, gaan bewondering en protest hand in hand. Het boek De Gouden Koets biedt ruimte voor historische context en actueel debat.

De Gouden Koets is veelbesproken erfgoed en roept bij velen vragen op. Is het wenselijk dat de koets na de restauratie blijft rijden op Prinsjesdagen tijdens Oranjehuwelijken en inhuldigingen? Verdient het rijtuig aanpassingen, of hoort hij in een museum thuis? Steeds meer Nederlanders nemen aanstoot aan de schilderingen op de koets, die verwijzen naar het koloniale verleden. Anderen

Het rijk geïllustreerde boek vertelt op toegankelijke wijze belangrijke en verrassende verhalen over de Gouden Koets. Hoe is de koets ontstaan en wat was het doel ervan? Hoe is de koets sindsdien gebruikt? Welke symboliek is er precies in verwerkt? En waarom is ze al sinds het eerste idee, in 1896, onderwerp van discussie en protest? Gerenommeerde auteurs en jonge talenten buigen zich over deze en andere vraagstukken. Zo biedt De Gouden Koets uiteenlopende perspectieven op dit controversiële rijdende erfgoed. n

Atlas van de trekvaarten in Zuid-Holland AUTEURS

Marloes Wellenberg en Ad van der Zee (samenstelling) UITGAVE

THOTH i.s.m. Erfgoedhuis Zuid-Holland D E TA I L S

Gebonden, 192 pagina’s, rijk geïllustreerd met 200 illustraties in kleur, ISBN: 978-90-6868-817-7 PRIJS

€ 34,95

D

e trekschuit was ruim 200 jaar het voornaamste openbare vervoermiddel in de laaggelegen delen van Nederland. Dagelijks vervoerden trekschuiten volgens een vaste dienstregeling duizenden passagiers tussen de Hollandse steden. Om hun economie te versterken en bereikbaarheid te vergroten investeerden steden als Leiden, Den Haag, Delft, Gouda, Rotterdam, Schiedam, Amsterdam en andere fors in de aanleg van vaarten en het inrichten van de benodigde infrastructuur: verstevigde jaagpaden, bruggetjes, tolpoorten en wachthuisjes. Lange tijd was een reis per trekschuit een must voor buitenlandse reizigers, nergens anders was openbaar vervoer zo goed georganiseerd.

Hoe kwam het netwerk van trekvaarten tot stand en hoe zag een reis per trekschuit er in de praktijk uit? Welke sporen zijn er nog te vinden van dit ooit zo innovatieve vervoermiddel? In de Atlas van de Trekvaarten staan de trekvaarten in de provincie Zuid-Holland centraal, maar worden ook uitstapjes gemaakt naar Haarlem, Amsterdam en Utrecht. Aan de hand van uitgebreide beschrijvingen, gedetailleerde kaarten en prachtige afbeeldingen geeft de atlas een beeld van een bijzonder vervoersnetwerk dat door de komst van de trein halverwege de 19de eeuw definitief geschiedenis werd. n

29


recent

VITRUVIUS NUMMER 57

VERSCHENEN

OKTOBER 2021

Uit beton gegoten - Groepsschuilplaatsen Type P. AUTEURS

Hendrik Dijk en Rob Hoekstra (red.) Munnig Schmidt UITGAVE

Matrijs i.s.m. Stichting Piramides in de Polder D E TA I L S

Gebonden, 224 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-5345-567-8 PRIJS

€ 29,95

V

erspreid door de polder liggen grauwe betonblokken die nog het meest aan betonnen huisjes doen denken. Uit de afgeschuinde daken steken contrasterende ijzeren staken de lucht in. Ze roepen vooral op tot verwondering. Wat doen deze betonblokken in het landschap? Nederland bereidde zich voor op een Duitse inval. Tussen november 1939 en april 1940 werden honderden groepsschuilplaatsen Type P gebouwd. Karakteristiek voor deze Type P’s is de rechthoekige vorm met drie afgeschuinde zijden en een rechte frontmuur. De schuine zijden waren aanleiding voor de bijnaam ‘piramide’. De Type P’s staan in een meanderend gebied van circa 3 bij 160 kilometer van Muiderberg, via Utrecht, Gorinchem en Dordrecht, tot Goudswaard. Ze waren bedoeld als groepsschuilplaats, om

Het nieuws verbeeld - Oorlog en vrede in de titelprenten van de Europische Mercurius (1690-1750). AUTEUR

Joop W. Koopmans

tot twaalf Nederlandse infanteristen tijdens de verwachte aanval vanuit Duitsland te laten schuilen. De lange linie betonnen groepsschuilplaatsen is echter nooit gebruikt. Ruim 250 Type P’s zijn in de loop der jaren verdwenen of gesloopt, totdat in 2009 besloten werd de schuilplaatsen tot rijksmonument te verklaren. Voor deze publicatie zijn alle 580 bekende nog zichtbare Type P’s bezocht en nauwkeurig in kaart gebracht. De betonblokken zijn een bron van inspiratie voor kunstenaars en architecten, die de groepsschuilplaatsen doorzagen, inpakken en zelfs in hun geheel verplaatsen. Ook flora en fauna weten de Type P’s te vinden. Ze bieden woonruimte aan vleermuizen, overwinterende vlinders en bijzondere korstmossen. Het veelzijdige betonblok blijft fascineren! n

verbeeld, vooral allegorisch. Zo is de klassieke godenbode Mercurius op de prenten de verspreider van berichten. Prinses Europa en Zeus, vermomd als witte stier, symboliseren het Europese continent. Mars en Pax zijn vaak aanwezig, omdat zaken van oorlog en vrede de Europese politiek domineerden tijdens de zeventiende en achttiende eeuw.

UITGAVE

Uitgeverij Verloren D E TA I L S

Gebonden, 344 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-8704-938-6 PRIJS

€ 35,-

T

egenwoordig hebben veel publicaties opvallende omslagen. Deze fungeren als blikvangers die de verkoop moeten stimuleren. In vroegmodern Europa vervulden titelprenten deze functie. Een bijzondere variant zijn de titelprenten van nieuwsperiodieken zoals de Europische Mercurius. Dit toonaangevende tijdschrift bevat zulke prenten over de periode 1690-1750. Daarop zijn vele onderwerpen uit het nieuws

30

De eerste helft van dit boek begint met de mediahistorische context van de Europische Mercurius. Daarna komt de ontwikkeling van dit nieuwsmedium zelf aan bod. Wie waren de makers en welke kenmerken en bijzonderheden vallen op? De tweede helft van dit boek gaat over de verbeelde nieuwsonderwerpen op de titelprenten van de Europische Mercurius. Na een overkoepelende verkenning worden alle 61 exemplaren uitgelegd. Een deel van de titelprenten gaat in het tijdschrift vergezeld van verklaringen op rijm. Ook deze zogeheten titelgedichten worden in de toelichting betrokken. Kortom, dit boek is een unieke bijdrage aan onze kennis over het functioneren van de vroegmoderne Europese nieuwsvoorziening, vooral ten aanzien van haar visuele component. n


e Spoorwegen

S voor een ware

vorm van dit mate-

derland bepalen.

eëxperimenteerd

uigen een

recent

OKTOBER 2021

Atlas van de wereldgeschiedenis - De geschiedenis van de mensheid in 515 kaarten. AUTEUR

Christian Grataloup (vertaler Asterisk) UITGAVE

Nieuw Amsterdam D E TA I L S

Paperback, 640 pagina’s, geïllustreerd, ISBN: 978-90-4682-732-1 PRIJS

VERSCHENEN

D

e Atlas van de wereldgeschiedenis brengt de geschiedenis van de mensheid chronologisch en op ongeëvenaarde wijze in beeld. Van de Mesopotamiërs en de Oude Egyptenaren tot de Koude Oorlog en de Arabische Lente: met verhelderende tekst en adembenemend beeld plaatst Christian Grataloup iedere kaart in de context van de wereldgeschiedenis. De atlas combineert de nieuwste historische inzichten met de meest creatieve cartografie. Op fenomenale wijze wordt zo duidelijk welke gebeurtenissen uit het verleden hebben geleid tot de wereld van vandaag. n

€ 34,99

Reuzenarbeid - De bouw van het moderne Nederland in beeld 1861-1918. AUTEUR

Willem van der Ham UITGAVE

Nai010 i.s.m. TU Delft, KIVI en Rijkswaterstaat D E TA I L S

Gebonden, 256 pagina’s, rijk geïllustreerd met 300 illustraties in kleur, ISBN: 978-94-6208-622-7 PRIJS

€ 49,95

R

euzenarbeid brengt op unieke wijze de geschiedenis van de bouw van het moderne Nederland in de periode 1861 – 1918 in beeld. Door grote investeringen in waterbouw en infrastructuur brak een periode van economische bloei aan.

Stroomlijn op het spoor - Het eerste gestroomlijnde materieel van de Nederlandse Spoorwegen. Stroomlijn op het spoor

mlijn poor

VITRUVIUS NUMMER 57

Stroomlijn op het spoor Het eerste gestroomlijnde materieel van de Nederlandse Spoorwegen

AUTEUR

Carel van Gestel UITGAVE

WBooks

an het Nederlandse

D E TA I L S

in tot eind, in voor-

Carel van Gestel

Gebonden, 192 pagina’s, rijk geïllustreerd met 340 afbeeldingen, ISBN: 978-94-6258-424-2 PRIJS

Carel van Gestel

S

€ 34,95

poorwegkenner Carel van Gestel geeft de lezer een uniek beeld van het Nederlandse spoorwegmaterieel uit de jaren ’30 en het begin van de jaren ’40 van de twintigste

Nederland werd klaar gemaakt voor een nieuwe tijd. Overal in het land gonsde het van de bouwactiviteiten. Er kwamen nieuwe kanalen, spoorwegen, sluizen en bruggen tot stand. De aanleg van het Noordzeekanaal verbond Amsterdam rechtstreeks met de zee. Ook Rotterdam kreeg een Nieuwe Waterweg. In Nederland lag ’s-wereld grootste sluis en Europa’s grootste spoorbrug. Er werd ‘reuzenarbeid’ verricht. De Nederlandse aannemerij werd een volwassen bedrijfstak. Op het moment dat de fotografie nog in de kinderschoenen stond, nam de minister het besluit de bouw van rijks openbare werken vast te leggen. De beste fotografen van die tijd werden ingeschakeld. Willem van der Ham heeft deze bijzondere collectie eerste Nederlandse landschapsfoto’s herontdekt en voor vertelt daarbij het verhaal van het ontluikende land. Het boek toont Nederland zoals u het nog nooit eerder heeft gezien. n

eeuw. Vanaf de bouw tot de buitendienststelling en tenslotte de sloop. Stroomlijn op het spoor bevat ca. 340 afbeeldingen in kleur en zwart-wit. Bekende spoorwegfotografen hebben hun medewerking verleend aan het boek door spectaculaire, vaak nog onbekende foto’s beschikbaar te stellen. In de jaren ’20 en ’30 staat bij het ontwerpen van vervoersmiddelen een zo laag mogelijke luchtweerstand voorop. Zo doet behalve bij het weg- en vliegverkeer ook bij de spoorwegen de stroomlijnvorm zijn intrede. In Nederland zorgt in 1934 de introductie van het driedelige dieseltreinstel voor een ware sensatie. Zoiets futuristisch is nog nooit vertoond! De stroomlijnvorm van deze zogenoemde diesel-drie zal gedurende enkele decennia het beeld van de spoorwegen in Nederland bepalen. Al snel verschijnen ook elektrische treinstellen met deze vorm en wordt in navolging van het buitenland geëxperimenteerd met een stroomlijnbeplating voor stoomlocomotieven. n

31


Nog geen abonnee? Informeer naar onze advertentietarieven STEUN DE KENNISOVERDRACHT- EN en speciale actie-aanbiedingen VERSPREIDING OVER ONS CULTUREEL ERFGOED Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom abonnee ontvang 4x per jaar in de bus. Voor tarieven zie Colofon elders in dit nummer. tel.: 010Word - 4256544 of en mail naar:Vitruvius info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.