__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 13 | NUM MER 5 2 | JU L I 2 0 2 0

SUMMERTIME

HOUTEN BOUWWERKEN ALS WERELDERFGOED MEELIFTEN MET DE NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 1

POST 65 NAAR EEN ERFGOEDBELEID VOOR DE PERIODE 1965 - 1990

DE ARK VAN HET VERBOND EN DE ‘SPOLIA ÆGYPTIORUM’

27/05/2020 16:57


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special Informeer naar de vele mogelijkheden? Stuur een e-mail met uw vragen en wensen naar: info@uitgeverijeducom.nl

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 2

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

27/05/2020 16:57


JAARGANG 13 NUMMER 52 JULI 2020

4 SUMMERTIME EEN VERZAMELING VOOR IEDER SEIZOEN DHR. PAUL GROENENDIJK

10

17

HOUTEN BOUWWERKEN ALS WERELDERFGOED MEELIFTEN MET DE NIEUWE HOL-

POST 65 NAAR EEN ERFGOEDBELEID VOOR

LANDSE WATERLINIE

DE PERIODE 1965 - 1990

DHR. DRS. A.F.J. NIEMEIJER

DHR. DR. IR. N. DE VREEZE

20 DE ARK VAN HET VERBOND EN DE ‘SPOLIA ÆGYPTIORUM’ MW. DR. B.C.M. VAN HEKLLENBERG HUBAR EN MW. M. COENEN Klassiekers met ezelsoren

24

• Recent verschenen

27

• Lezersactie

30 3

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 3

27/05/2020 16:57


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

Summertime Paul Groenendijk Publicist architectuur en muziek

Summertime, and the living is easy. Deze beginregel van dit lied van George Gershwin (1898-1937) is bij velen bekend. Wie de tekst niet kent, is mogelijk wel bekend met het bijbehorende instrumentale loopje. Dit werd onder andere gebruikt als introductie van het programma Zomergasten van de VPRO en in reclames voor Grolsch en Mitsubishi. Zelf leerde ik, muzikaal opgegroeid eind jaren zestig, het nummer kennen in de stevige uitvoering van Brainbox uit 1969, een Nederlandse popgroep met o.m. Kaz Lux (zang), Jan Akkerman (gitaar) en Pierre van der Linden (drums). Of was het die meer zoetgevooisde versie van de Britse Zombies uit 1964, met zang van Colin Blunstone. In 1972 waren beide versies regelmatig op de radio te horen toen ze als track van de toen populaire maxisingles waren heruitgebracht. De Zombies haalden er zelfs weer de Top 40 mee. Volgens een bevriende jazzkenner hadden de Zombies het origineel verkracht. Wat het origineel was, wist hij - hiernaar gevraagd - overigens niet. In de volgende bijdrage wordt verslag gedaan van het ontstaan van een tastbare verzameling opnamen van Summertime, uitgevoerd door artiesten uit sterk verschillende muziekgenres. Het artikel is tevens de geschreven weergave van immaterieel erfgoed. Het vormt immers ook de neerslag van de ontwikkeling van een liedje uit een 20e-eeuwse opera tot een standard of een evergreen in het populaire genre. En om hier ook een filosofisch getinte vraag aan te koppelen: laat een grammofoonplaat muziek horen, wanneer er niemand is die er naar luistert? Het begin Het was in de zomer van 1988 dat ik bij toeval een elpee van de Amerikaanse Walker Brothers kocht, met daarop een bijzondere, 4.30 minuten lange versie van Summertime. Gecombineerd met singles van Brainbox, Zombies en de Britse Fun Boy Three, een K-Tel verzamelelpee met zomerhits (uitgebracht in 1977) - waaronder een uit-

Een verzameling voor ieder seizoen

voering uit 1966 door de Amerikaan Billy Stewart - en een cassettebandje met Janis Joplin, begon zich iets af te tekenen: maar liefst zes uitvoeringen van één liedje, en allemaal heel verschillend. Het fascineerde en intrigeerde mij. Begin juni 1989 vierde ik mijn verjaardag in kleine kring en om de bezoekers te verrassen besloot ik een cassettebandje te maken met de hele tijd ditzelfde liedje. Ik leende wat elpees uit de Centrale Discotheek en vulde één kant van een C-90 cassette met verschillende uitvoeringen van Summertime. Ik hoopte op een geërgerde reactie van mijn gasten. Ik had weinig zin in die verjaardag, dus misschien was dit een middel om de visite snel te doen vertrekken. Uiteindelijk luisterde bijna niemand naar de muziek. En de enige die wel luisterde (Jimmy Tigges), was razend enthousiast. “Kun je niet een kopietje maken van die cassette?” Zo geschiedde. Zelf was ik eigenlijk klaar met dit project, maar mijn muzikale compagnon besloot verder te gaan en ook kant twee te vullen. Het was het begin van de Summertime-verzameling en van een jarenlange obsessie met dit liedje. Opera als oorsprong Het eerste onderzoekje dat ik deed naar versies van Summertime was in een catalogus van jazzplaten. Ik wist wel dat Summertime een jazz-standard was en ook dat het eigenlijk uit een opera stamt. Dat werd ik in het pre-Summertime-verzameltijdperk op een merkwaardige manier gewaar. Ik draaide een elpee van Brainbox op mijn tienerkamer en mijn moeder kwam toevallig binnen toen Summertime voorbijkwam. Zij merkte op dat het een liedje uit Porgy and Bess was. Ik was niet erg gecharmeerd van deze informatie over ‘mijn’ muziek, maar ze had natuurlijk gelijk. Oorspronkelijk is Summertime een aria uit de opera Porgy and Bess uit 1935. De aria wordt bij opvoeringen in de regel gezongen door een zwarte sopraan, strikt volgens de voorschriften in het testament van componist George Gershwin. De songteksten zijn

van diens jongere broer Ira Gershwin en het libretto (draaiboek) van Edwin DuBose Heyward. De opera speelt in een arme, Afro-Amerikaanse vissersgemeenschap en ook nog eens in een crimineel milieu. Verschillende mannen dingen naar de gunsten van Bess. Het is niet Bess, de vrouwelijke hoofdrolspeelster, die Summertime zingt, maar Clara. Het is een liedje om haar kind in slaap te zingen: “So hush little baby, don’t you cry.” De eerste versie werd bij de première gezongen door Abbie Mitchell (1884-1960). Verderop in de opera keert Summertime nog een paar keer terug, als een soort leitmotiv, dan echter wél gezongen door hoofdpersoon Bess. Anne Brown (1912-2009) was de eerste Bess; zij vertolkte Summertime op diverse plaatopnamen.1 De eerste grammofoonplaat van Summertime kwam al drie weken na de première in Boston (30 september 1935) op de markt. Op 23 oktober 1935 verscheen een selectie Porgy & Bess-nummers van de blanke zangers Helen Jepson en Lawrence Tibbett. De opera was drie uur lang en verscheen pas in de jaren vijftig integraal op plaat.2 Uiteindelijk dook er in 1973 een repetitie-opname van Abbie Mitchell op, van 19 juli 1935. Ere wie ere toekomt, het ‘origineel’ van Summertime, dat mijn jazzminnende vriend dus niet kende, is van Abbie Mitchell. Maar dat wisten wij niet toen we begonnen met het verzamelen van uitvoeringen van het nummer Summertime. Eind jaren tachtig begon een vruchtbare tijd voor platenverzamelaars. Veel mensen deden hun vinyl weg en gingen over op de toen nog peperdure cd. Vanwege de superieure geluidskwaliteit, de fysieke onverslijtbaarheid of het bedieningsgemak. Daardoor kwamen er veel platen tweedehands beschikbaar. Voor een zacht prijsje – op het dieptepunt zelfs voor ‘kiloprijzen’ - kon je allerlei moois aanschaffen. Al gauw begonnen we versies van Summertime te kopen van artiesten waarvan we nog nooit hadden gehoord en uit genres waar we eigenlijk totaal niet van hielden.

4

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 4

27/05/2020 16:57


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

5

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 5

27/05/2020 16:57


VITRUVIUS

Versies Wie op Spotify of YouTube <Summertime> intikt, krijgt een onwaarschijnlijke hoeveelheid hits. In de zeer grondige database van de website Discogs levert <Summertime + Gershwin> meer dan 10.000 hits op. Veel dubbelingen, maar toch. Het is onduidelijk hoeveel versies van Summertime er bestaan. Alleen al de afbakening van het verzamelgebied is een ingewikkelde kwestie. Zelf verzamelen we in principe alleen officieel op geluidsdrager vastgelegde versies, dus op plaat of cd. Maar hoe lang verschijnt nog alles op plaat of cd? Worden de digitale bestanden van Spotify, iTunes of Apple niet de nieuwe norm? Als je het verzamelgebied uitbreidt tot digitale bestanden, lijkt het eind echter zoek. Dan is elk YouTube-filmpje van een twaalfjarige blokfluitspeler, van een live-opname van een coverband, alle huisvlijt van amateurs op het wereldwijde web ook het verzamelen waardig. Als we de strikte definitie van officiële opnames hanteren, moeten er rond de 10.000 versies bestaan. In ons databestand staan gegevens van bijna 8000 versies. En er komen er nog elke week bij. Min of meer officieel uitgegeven geluidsdragers vormen dus het verzamelobject van het ‘Summertime Genootschap’, zoals dat ooit door ons is opgericht.3 Inmiddels bestaat er ook een ‘Summertime Connection’, die wel alles meetelt, en zij zijn inmiddels de 100.000 public performances gepasseerd. Voor beide benaderingen is wat te zeggen. Zelf koesteren we natuurlijk ook nog enkele cassettebandjes met live-opnames of via-via verkregen opnames. En waarom tellen al de bootlegs van Janis Joplin of The Doors wel mee? Dat zijn toch ook vaak slechte bandopnames die illegaal uitgebracht zijn. Om vaak jaren later toch officieel te verschijnen en zo nog een graantje mee te pikken van het succes van de artiesten. Om over de vrijwel integraal op plaat uitgebrachte radioshows van Bob Crosby, de broer van Bing, nog maar te zwijgen. Die had Summer-

time als themesong en speelde het dus aan het begin en eind van elke radio-uitzending. Radio-uitzendingen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden opgenomen voor Amerikaanse soldaten overzee. Goed voor 40 versies… Cassettebandjes – ‘verzamelbandjes’, mixtapes Wat is nu precies een Summertime-verzameling? Of: hoe ziet een muziekverzameling eruit? De meest logische opzet voor een muziekverzameling is een indeling naar geluidsdrager. Pas sinds muziek kon worden vastgelegd op een geluidsdrager, werd het mogelijk muziek te ‘bezitten’ en te verzamelen. Daarvóór had men zich moeten behelpen met opgeschreven teksten, met het notenschrift en de orale traditie, waarbij melodieën van generatie op generatie werden doorgegeven.4 De eerste fase van de Summertime-verzameling bestond zoals gezegd uit een cassettebandje. Tegenwoordig worden cassettebandjes gezien als een inferieur medium met een matige geluidskwaliteit en een beperkte levensduur. Bovendien was er een groot risico op vastlopen of bandbreuk, vooral in goedkope cassettedecks. Voor velen was het cassettebandje echter méér dan een medium om geleende platen op te nemen en op relatief goedkope wijze een muziekcollectie op te bouwen. Op een cassettebandje kon je als het ware een eigen play list, een eigen programma, samenstellen. Je kon bijzondere nummers van allerlei platen samenvoegen tot een nieuw geheel. Je kon je eigen mixtapes maken. Vooral toen ik een heel duur dubbel cassettedeck had gekocht, kon ik eindeloos compileren; zelfs van andere cassettebandjes of van de radio opgenomen tracks kon je inpassen in het concept. Je kreeg zo speciale tapes voor lange autoreizen, feestjes of bandjes als verjaardagscadeau. De eerste Summertime-cassette besloeg slechts één kant en was tamelijk willekeurig samengesteld, waarbij ik wel voor een afwisseling tussen

NUMMER

52

JULI

2020

pop, jazz en opera zorgde. Toen ik op de b-kant verder ging met twee uit de Centrale Discotheek geleende, lang uitgesponnen jazz-versies van tenorsaxofonisten John Coltrane (11:31) en Dexter Gordon (12:51), ging de vaart er echter uit. Ik kapte de versie van Dexter Gordon af na het gesproken intro, waarin hij de eerste tekstregels declameerde: de opmaat voor ellenlang gesoleer. Inmiddels had ik muziekvriend Jimmy Tigges aangestoken en die maakte de cassette verder af. Ondertussen doken af en toe Summertime-versies op tussen de tweedehands platen die we doorsnuffelden. Of die we na tips van bekenden uit de discotheek leenden: Booker T & MGs, Ten Years After, Dave Edmunds. Klaus Wunderlich - verzamelschaamte In het begin beperkte ik me bij de tweedehandsplaten tot de aanschaf van de zogenaamde ‘betere popmuziek’. Maar bij het doorsnuffelen van allerlei bakken met platen kwam je van alles tegen. Pop, jazz, klassiek, easy listening. Exotische platen, bijzondere hoezen, merkwaardige artiesten. Platen van de Franse arrangeur Franck Pourcel, het Johnny Gilbert Trio (Amerikaans entertainer), de Nederlandse topsopraan Cristina Deutekom, Brass Band ’t Heidebloempje, allemaal met Summertime en voor een habbekrats te koop. In het begin schaamde ik me wel als ik zo’n plaat afrekende. De Centrale Discotheek en de gewone bibliotheek fuseerden en alle dubbele platen werden verkocht voor een gulden per stuk. Tussen een stapel ‘verantwoorde’ platen van Captain Beefheart en Wire moffelde ik een elpee van Klaus Wunderlich mee. Hopelijk zag niemand dat ik dergelijke troep kocht. Al gauw waren we er juist op uit om dat soort rariteiten aan de uitdijende collectie toe te voegen. Artiesten en ensembles met prachtige namen als de Franse accordeonist Marcel Azzola, de Belgische v.z.w. René Beckers Big Band5, het Zwitserse Brasszination, het Britse Magic of the Musicals

6

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 6

27/05/2020 16:57


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

(Orchestra), Rob McConnell van de Canadese big band Boss Brass, the No Gap Generation Jazz Band with Paul Quinichette, Henri Pélissier en Jean-Claude Pelletier. En verder vonden we een reeks van ‘Browns’, zoals Anne, Clarence ‘Gatemouth’, Georgia, James, Jeri, Les, Ray, Ruth en Sandy Brown. En natuurlijk niet te vergeten de Amerikaanse mondfluitist Ron McCroby. Kortom Summertime leidde ons bij een unieke ontdekkingstocht door de hele Amerikaanse en Europese muziekgeschiedenis van de laatste 85 jaar. Heruitgaves en golddiggers Omdat cd’s zo goed verkochten, begonnen de platenmaatschappijen de back catalogue uit te melken. Allerlei reeds lang vergeten platen werden op cd heruitgebracht. Vooral de inmiddels grotendeels auteursrechtenvrije jazzmuziek, maar al gauw ook andere genres. Op cd’s was meer plaats dan op een elpee en soms werden er extra nummers, out takes of alternatieve versies van nummers aan toegevoegd. In imposante verzamelboxen kwamen zeldzame opnames beschikbaar. Van bepaalde artiesten met een beperkt repertoire werden live-opnames opgepoetst. Een Janis Joplin maakte bijvoorbeeld maar vier officiële elpees, maar naast bootlegs, verschenen er diverse live-opnames op reguliere uitgaven.6 Met uiteraard een net weer iets andere versie van Summertime. Van de eerder genoemde Billy Stewart kwam naast de bekende versie (4:13), die ook als ingekorte single-edit bestaat (2:40) op een verzamelelpee een versie met langer uitgesponnen intro uit (4:54). Er is overigens later nog een live-versie uit 1967 opgedoken, nog extremer dan de studioversie. Origineel – maar wel steeds opnieuw Het is natuurlijk leuk, een verzamelelpee of -cd waar tussen de zomerhits Billy Stewart opduikt met Summertime. Of Late Night Jazz met Miles Davis of Ella & Louis.7 Het gaat immers om de muziek. Maar voor de collector is het natuurlijk leuker om de originele elpee of - nog mooier – de single te vinden; dat geeft de verzameling meer cachet. Mét de originele hoes natuurlijk. Uiteindelijk wil je van elke versie de originele, de authentieke uitgave. Lastig – en vaak ook prijzig - als het een jazz-artiest op Verve, Blue Note, Impulse! of een ‘obscuur’ platenlabel betreft. En wat te doen met 78-toerenplaten? Die kan ik niet eens draaien. Het officiële origineel van Summertime betreft een bandopname

van een repetitie, die pas in 1973 op plaat uitkwam. De bandopname zit waarschijnlijk veilig in een archief, de plaat uit 1973 heb ik uiteraard wel. En ook de heruitgave op cd. Een aparte categorie is die van de in een medley of in een improvisatie voorkomende quotes van Summerrtime. Vaak overduidelijk, maar ook wel eens verpakt in een turbulente muzikale expressie. Soms wordt ernaar verwezen in de hoestekst – dit is echter een uitzondering. Een niet zo moeilijk te duiden voorbeeld is te vinden op Giora Feidmans cd The Magic of the Klezmer, in het nummer Gershwin Suite. Complete lijst – een punt achter de horizon Toen het verzamelen serieuze vormen had aangenomen kregen we behoefte aan een duidelijke lijst met alle artiesten, met alle platen die ieder van ons in bezit had en alle verder bekende versies die we inmiddels in naslagwerken hadden gevonden. Ik begon met het aanleggen van een lijst in mijn eerste Atari-computer in een eenvoudig databaseprogramma. Al gauw had ik meer dan honderd versies getraceerd. Let op: Internet bestond nog niet en afgezien van de hitparade-overzichten van Nederland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten waren er nauwelijks naslagwerken. Wel bestond er al de zogeheten Bielefelder Katalog Jazz, een jaarlijkse uitgave met wortels in de vroege jaren ’60. Al gauw bleek de opzet te beperkt, vooral waar het meerdere versies van één artiest betrof. Het vinden van het oorspronkelijke jaar van opname bleek vaak lastig, vooral bij versies op verzamelplaten. Ook het easy listening- / muzakgenre blonk niet uit in exacte gegevens. Opnames van Franck Pourcel, Max Greger, Eddie Calvert bleken ‘oneindig’ heruitgebracht en moeilijk te dateren. Maar toch kwam er een mooie lijst van circa 200 versies uit. Via een oproep van een luisteraar in het radioprogramma van Jack Spijkerman kwamen we in contact met enkele andere verzamelaars van Summertime. Er werden cassettebandjes en gegevens uitgewisseld. Vooral de jazzliefhebber in het clubje verzamelaars - inmiddels enigszins pretentieus het Summertime Genootschap gedoopt - had behoefte aan andere en meer uitgebreide gegevens. Vooral de opnamedatum en wie er meespeelden, ofwel ‘de bezetting’. Iets wat ons aanvankelijk nauwelijks interesseerde. Met dat al werden de lijsten steeds grondiger en complexer. Maar we realiseren ons wel dat het aantal opnamen

permanent blijft groeien en dat we nooit compleet zullen zijn: het is een eeuwig work in progress. Uniek – dankzij kwaliteit Hoe meer we ons verdiepten in Summertime, hoe meer we tot de overtuiging kwamen met een bijzonder fenomeen te maken te hebben. Het coveren van andermans nummers is natuurlijk dagelijkse praktijk. Ook verschijnt er van vrijwel elk succesvol liedje vroeger of later een muzakversie, daar ontsnappen zelfs Black Sabbath en Nirvana niet aan. Maar Summertime is uniek. Geschreven als opera-aria, al snel opgepakt door jazz- en bluesartiesten, maar ook met een geheel eigen leven in de popmuziek. En een compositie, waarin elke muzikant zijn ziel en zaligheid kan leggen om het een eigen interpretatie te geven. Veel gecoverde songs als Hey Joe en Louie Louie in de popmuziek en ‘Round (about) Midnight en Caravan in de jazz zijn meestal genre gebonden. Bij Summertime gaat het daarentegen van kamermuziek tot trashmetal, van dixieland tot free jazz, van zoetgevooisde violen tot scheurende saxofoons, van gospel tot house, van surfinstrumental tot reggae. En bijna altijd goed en bovendien met inbreng van ideeën en variaties. Luister bijvoorbeeld naar de twee sterk verschillende versies die Sam Cooke eind jaren vijftig uitbracht: een meeslepende ballad in de gospeltraditie en een slow swingende uitvoering.8 Negen van de tien covers van Yesterday van The Beatles voegen weinig toe aan het origineel – of zijn er een slap aftreksel van. Bij Summertime word je echter bijna elke keer weer verrast. Zelfs James Last en Mantovani maakten prima versies. Boek – Summertime van platenboer naar boekenstal Jimmy en ik vonden dat we onze bevindingen moesten vastleggen in een boek. Want de verschillende levens van Summertime waren waarschijnlijk nauwelijks bekend. Welke liefhebber van opera en klassieke muziek was bekend met Brainbox, Billy Stewart of The Shake Spears. Welke popliefhebber luisterde naar Mahalia Jackson, Bing Crosby of Roberta Alexander? Welke jazzliefhebber kende Al Green, Gene Vincent of Doc Watson? Wie kende überhaupt Fritz Schulz-Reichel, Gino Marinello of Richard Romance and his Famous New California Dreamlight Orchestra? Achter de namen Gino Marinello en Richard Romance bleek overigens één en dezelfde persoon schuil te 7

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 7

27/05/2020 16:57


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

8

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 8

27/05/2020 16:57


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

gaan, namelijk de Leidse multi-instrumentalist en synthesizertovenaar Raoul (Roel) Zaadnoordijk. In de Volkskrant van 23 maart 1990 stond als kop bij een recensie van weer een stapel jazzcd’s met standaardrepertoire: “Moed gevraagd bij de 834-ste versie van Summertime.” Dit werd later de ondertitel van onze uitgave. Met circa 300 bekende versies gingen we in naslagwerken en discografieën op zoek naar die 834ste versie. Al gauw was die ‘mijlpaal’ in zicht en begonnen we alle gegevens en teksten om te vormen tot een serieus boek. Begin juni 1994 werd het eerste exemplaar gepresenteerd bij Atheneum Nieuwscentrum in Amsterdam.9 Een geweldig publicitair succes van ons als twee amateurs: optredens bij vrijwel alle radiozenders, recensies in de Volkskrant en NRC-Handelsblad en tevens een televisieoptreden bij ‘Reiziger in Muziek’.10 Qua verkoop was het boek weinig succesvol, maar het is nog steeds bij ons te koop.11 We bleven hierin - ondanks samenwerking met een professionele uitgever - amateurs. Downloads en digitaal winkelen Het verzamelen van uitvoeringen van Summertime stopte natuurlijk niet toen het boek klaar was. Dat gaat eigenlijk altijd door. Met ups en downs wordt ook het databestand, dat inmiddels al aardig professioneel is, bijgehouden. Steeds duiken er oude en nieuwe versies op. Elk bezoekje aan een tweedehandszaak, elke platenbeurs, elke buitenlandse reis levert wel weer iets op. Vrienden en bekenden blijven ons bestoken. De komst van het internet opende een baaierd - ofwel een beerput - aan informatie. Ook werd het eenvoudig mogelijk uit alle delen van de wereld platen of cd’s te bestellen. Het is al lang duidelijk dat we nooit compleet raken. Er heeft zich ook een revolutie in de muziekwereld voltrokken: niet langer staat de geluidsdrager centraal. Veel mensen hebben alleen nog digitale bestanden in hun computer, of betrekken hun muziek van streamingdiensten als Spotify. Soms komt muziek niet meer op geluidsdragers uit maar alleen als digitale download. Hoe verzamel je dan nog? Is je collectie dan een reeks ‘nullen en enen’ op je harde schijf of een hoeveelheid data ver weg in de cloud? Zelf blijven we trouw cd’s en platen kopen. Er gaat toch niets boven een rond(e) schijf(je) in je handen en een hoes of een compact doosje met informatie. Door de digitalisering en vanwege Spotify worden sinds enkele jaren nu cd’s en dvd’s – net

als eerder met vinyl gebeurde - massaal gedumpt. Goed nieuws voor ons als verzamelaars. Ik heb inmiddels rond de 1700 versies op plaat of cd; Jimmy rond de 1100 en gezamenlijk kunnen we, inclusief alle cassettebandjes, 2379 verschillende versies van Summertime beluisteren. Met een gemiddelde lengte van circa 4 minuten goed voor een marathonsessie van 158 uur! Databestand – immaterieel erfgoed? Soms denk ik wel eens, zal ik ermee stoppen. Bij de 1000 versies, bij 1250 en binnenkort bij de 1750 versies bekruipt me de gedachte dat het misschien wel voldoende is zo. Nieuwe versies worden in de regel minimaal één keer gedraaid. Soms draai ik de rest van een elpee of cd, maar meestal haak ik vrij snel af. Daarna verdwijnen de platen en cd’s, nadat de gegevens in het databestand zijn genoteerd, netjes alfabetisch in de kast. Is er muziek wanneer niemand er naar luistert? Vraag dat maar eens aan een artiest die het nooit ‘gemaakt heeft’, maar die er niettemin op kan bogen ooit een singletje opgenomen te hebben. Of vraag iets dergelijks aan de auteurs van een nauwelijks verkocht boek. Ik heb niet de illusie dat mijn verzameling ooit compleet zal raken. In de regel besteed ik niet meer dan 5 à 10 euro voor een plaat of cd die ik eigenlijk voor maar één nummer aanschaf. Als ik zou willen, kon ik het halve internet leeg kopen aan Summertimes, maar dan is de lol er wel vanaf. Het is toch leuker om af en toe een 12” met de meest vreselijke heavy metal van Weed Priest in Almere te kopen, of een gospelelpee van een Jongerenkoor uit Wognum uit de bakken van de kringloopwinkel te trekken. Ik betrap me er soms op dat ik eigenlijk al tevreden ben als ik alle gegevens kan noteren in mijn databestand en een afbeelding van de hoes kan downloaden. Dat is al bijna voldoende. Zo bezien is het verzamelen van kennis over Summertime en het vastleggen daarvan een vorm van schatgraven en/of audio-archeologie die in wezen niet afwijkt van het documenteren van historisch materiaal en het op grond hiervan (her) interpreteren van kennis en opvattingen. Na 2379 versies beluisterd te hebben, word je zelden nog verrast. Hoewel, elke nieuwe versie is toch net weer anders, iedere variant of improvisatie kan toch weer een nieuw aha opleveren en het blijft leuk de plaat of cd uiteindelijk daadwerkelijk te vinden en voor een zacht prijsje aan te schaffen.

Noten 1  Bij testament (1937) is vastgelegd dat de hoofdrollen in de opera voortaan uitsluitend door zwarte zangers en spelers mochten worden uitgevoerd. Juist bij de vroegste uitvoeringen is steeds sprake geweest van gemengde casts. In de loop der tijd zijn hier nogal wat controverses over geweest. Vooral vanuit de Afro-Amerikaanse gemeenschap was er kritiek: er zouden teveel stereotype karakters zijn uitgebeeld. Zie hiervoor o.m.: https://en.wikipedia.org/wiki/ Porgy_and_Bess 2  De eerste versie was zelfs nog een uur langer. 3  De oorspronkelijke leden: PG, JT, Frits Baarda (†), Ronald Bookelman, Marius Knip, Willem van Zijl (†). 4  Nog in de jaren ’60 zei jazzmusicus Eric Dolphy: “When you hear music, after it’s over, it’s gone in the air; you can never recapture it again.” 5 ‘v.z.w.’ staat in België voor: ‘Vereniging zonder winstoogmerk’. Deze rechtsvorm is te vergelijken met onze ‘Stichting’. 6 Een goed overzicht biedt: https://en.wikipedia.org/wiki/Janis_Joplin 7  Van Ella Fitzgerald en Louis Armstong verscheen in 1958 op Verve een lp met uitsluitend liedjes uit Porgy and Bess. Het jaar daarop kwam Miles Davis met een instrumentale versie, opgenomen met het orkest van Gil Evans. In de jaren ‘90 is hiervan een alternatieve take uitgebracht in een verzamelbox van CBS. 8  De twee versies worden op reissues vaak – ten onrechte – van elkaar onderscheiden als part 1 en part 2. De balladversie komt onder meer voor op de lp ‘The wonderful world of Sam Cooke’. De veel snellere uitvoering komt op veel heruitgaven voor als part 1 én als part 2. 9  Titel: Summertime; moed gevraagd bij de 834ste versie, Uitgever: Panta Rhei, 144 blz.; ISBN 9073207452 10  Het veelzijdige VPRO-programma ‘Reiziger in Muziek’ werd van 1989 tot circa 2001 gepresenteerd door Han Reiziger. 11 Www.jimmytigges.nl

Summertime forever! 9

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 9

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

Houten bouwwerken als Werelderfgoed Frits Niemeijer Historisch-geograaf

Als alles goed gaat wordt de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) deze zomer op de Lijst van het Werelderfgoed in Nederland geplaatst als uitbreiding van de Stelling van Amsterdam (SvA). De door forten, inundatievelden en waterwerken gekenmerkte Stelling is in 1996 door Unesco erkend als Werelderfgoed. De NHW kan worden beschouwd als een vóórstelling van de SvA – eventueel ook als een later onderdeel van het verdedigingssysteem van Amsterdam en het waterstaatkundig en economisch belangrijkste deel van Nederland anno ca. 1900. In het bijzonder de kwetsbaarheid van het beneden zeeniveau gelegen westen en de grote zeehavens vormden de achilleshiel van de ‘houdbaarheid’ van het land. Zo bezien is het vreemd dat het onder water zetten van grote delen van het land ertoe diende bij te dragen aan het boven water houden van de nationale zelfstandigheid. Maar het heeft geholpen – of althans: men denkt dat het heeft geholpen. Vermoedelijk voor het eerst, werd er doelbewust geïnundeerd in de loop van de 16de eeuw en vervolgens gebeurde dit vanaf 1672 (o.m. Oude Hollandse Waterlinie) tot voorbij het midden van de 20ste eeuw (zoals Zuiderfrontier, IJssellinie). Of er werd mee geoefend. Tot de niet militaire, maar wel kenmerkende attributen van meerdere waterlinies behoren houten bouwwerken – vaak boerderijen en schuren, maar ook talrijke woningen en andere bouwsels. Dergelijke gebouwen staan centraal in deze bijdrage. ‘Het veld in’ In de jaren 2008 tot 2016 was ik (mede) verantwoordelijk voor het nader inventariseren, selecteren en beschrijven van objecten van de NHW om deze verdedigingslinie (integraal) voor bescherming in het kader van de Monumentenwet 1988 in aanmerking te doen komen. Integrale bescherming – dat wil zeggen: inclusief inundatievelden e.d. – was niet aan de orde omdat de beperkingen die gebruikers en eigenaren van vele terreinen zouden (kunnen) ervaren,

Meeliften met de Nieuwe Hollandse Waterlinie

niet onderdeden voor de cultuurhistorische waarden die in het geding waren. Het beschermingsprogramma zou zich in principe gaan uitstrekken over de militaire objecten – namelijk over werken die een (primaire of een toegevoegde) bestemming hadden voor de landsverdediging.1 De aanwijzing als Rijksmonument van enige tientallen (complexen) van verdedigingswerken voltrok zich aansluitend en intussen zijn ruim over de 1000 objecten van de NHW als zodanig ingeschreven.2 Hun betekenis kan gebaseerd zijn op afzonderlijke waarden (zoals bij forten en sluizen), maar ook in complexwaarden (zoals bij zwermen groepsschuilplaatsen en kazematten). Het veruit grootste deel van de objecten was al vóór de nadere inventarisatie in beeld, maar veldwerk en een intussen op gang gekomen proces van restauraties leverden nog vele tientallen nieuwe vondsten op. Zo kwamen (resten van) bedolven bunkers en meerdere munitiedepots en kleine waterwerken tevoorschijn. Met het groeiende inzicht in de relicten van de NHW, nam ook de waardering voor de randverschijnselen ervan sterk toe. Tot deze ‘parafernalia’ behoren vooral de niet uit militair oogpunt tot stand gebrachte houten bouwwerken in de nabijheid van verdedigingswerken: boerderijen, schuren, woningen, enz. ‘In het veld’ en in en om dorpen en steden zijn nog vele tientallen van dergelijke panden te vinden en al spoedig kwam de gedachte op ook met deze typerende objecten ‘iets’ te doen. In het Aanwijzingsprogramma was hiervoor enige ruimte gelaten, zoals uit het volgende blijkt: “Hoewel de houten huizen géén militaire functie hebben gehad, kunnen ze wel kenmerkend zijn voor het waterlinielandschap. Om die reden zal separaat worden geformuleerd in hoeverre het wenselijk is om de houten huizen op enige wijze aanvullend te beschermen. Hierbij zal betrokken worden dat verschillende houten huizen al zijn aangewezen als rijks- of, gemeentelijk monument, of liggen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht en op die manier al bescherming genieten. Tevens zal het ‘houten-huizen-project’,

dat geïnitieerd is door het projectbureau Nieuwe Hollandse Waterlinie, hierbij betrokken worden. Het belang van gebiedsbescherming wordt onderkend.”3 Namens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) deed ondergetekende in de periode 2014 tot 2016 een aanvullende veldverkenning en verslaglegging betreffende de houten huizen. Hierbij zijn verschillende ‘onbekende’ objecten gesignaleerd, terwijl er ook meerdere ‘door de mand vielen’. Een onverwachte vaststelling bij het veldwerk was, dat de houten huizen rond de NHW sterk zijn geconcentreerd in het noordelijk deel - tussen Muiden en Utrecht. Voor dit artikel voerde de auteur medio maart 2020 een eendaagse ‘opfrissing en actualisering’ uit. (afb.1) Verboden Kringen4 In de nabijheid van vesting- en verdedigingswerken golden van oudsher allerlei beperkingen en risico’s. Zo was het optrekken van woningen rond een stadsmuur al in de middeleeuwen een hachelijke of zelfs verboden zaak: beboeting, sloop en verbranden lagen op de loer omdat de verdediging erdoor kon worden belemmerd. Dit was één van de redenen waarom de steden hun invloedssferen zo ver mogelijk wilden (laten) oprekken. In latere perioden konden zulke (lokale) rechten een meer gecentraliseerd karakter krijgen en in feite was dat wat er vanaf de late 18de eeuw gebeurde. Het ontstaan van vele houten gebouwen in de nabijheid van forten en andere verdedigingswerken was namelijk een gevolg van inwerkingtreding van de zogeheten ‘Kringenwetten’ van respectievelijk 1814 en 1853 - en hun voorlopers uit 1792 en 1810. In de wet van 1814 werden beperkingen gesteld aan het bouwen binnen 100 en 300 roeden (1 roede is 3,76 m), dus binnen circa 375 m en binnen circa 1125 m van vestingen van de 1ste en 2de klasse. De wet van 1853 – de meest bekende van de twee – formuleert beperkingen binnen de kleine (tot 300 el = m), de middelste (tot 600 el = m) en de grote (tot 1000 el = m) kring. De kringen

10

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 10

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

1 - Een kaart van de Nieuwe Hollandse Waterlinie omstreeks 1852. De begrenzing van de mogelijk te inunderen gebieden is nogal eens gewijzigd â&#x20AC;&#x201C; in de praktijk betekende dat meestal een verruiming. Bron: Wikimedia Commons; Anoniem.

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 11

11

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

tingwerken van 1ste en 2de klasse vanaf de middelste kring eventuele vervanging van bestaande (stenen) bebouwing was toegestaan, mits er niet zwaarder werd gebouwd dan in 26 cm muurdikte. Dit verklaart (mede) waardoor er – ondanks de geldende beperkingen - talrijke 19de- en begin-20steeeuwse stenen bouwwerken in de verboden kringen voorkomen. Dat uitsluitend in hout of met beperkte muurdikten mocht worden gebouwd, betekende niet alleen dat gemakkelijk tot vernietiging kon worden overgegaan om een vrij schootsveld te verkrijgen en om een eventuele vijand ongezien naderen te bemoeilijken. Maar tevens om eventuele herstelkosten ten laste van de overheid te beperken. De wet van 1853 is – behalve enkele eerdere uitzonderingen - van kracht gebleven tot 1951. In dat jaar is de wet opgeschort, waarna hij in 1963 buiten werking is gesteld. De Inundatiewet van 1896 geldt nog steeds. (afb. 2) Voorbescherming en bescherming Tijdens de periode van inventarisatie en beschrijving van de objecten en structuren van de NHW gold zogenoemde ‘voorbescherming’ van – in principe – alle elemen-

Bron: Wikimedia Commons. Origineel: Utrechts Archief

zijn overigens niet per definitie rond – in tegendeel: de maten zijn geteld vanaf de buitengrens van een verdedigingswerk en zijn soms aangepast aan terreinomstandigheden. Ze kunnen dan ook een onregelmatig beloop hebben. Binnen de kleine kring mocht (met toestemming) alleen in brandbare materialen (met pannen dakbedekking) worden gebouwd, met een stenen opstand tot 25 cm boven het maaiveld; in de middelste kring mocht (zonder verdere toestemming) daarnaast ook een stenen stookplaats worden gebouwd. Binnen de grote kring waren (zonder enige toestemming) alle bouwwerken geoorloofd, maar ze moesten wel worden geregistreerd.5 Het voor betrokkenen meest ingrijpende artikel van de Kringenwet luidde als volgt: “Alle gebouwen of getimmerten, alle afsluitingen, alle houtgewassen en alle hoopen en stapels, welke binnen de middelbare kringen van vestingwerken van eene der klassen gesteld, geplant of gelegd zijn of zullen worden, kunnen, zoodra het vestingwerk in staat van oorlog of van beleg is verklaard, zonder vorm van proces, op last van den militairen kommandant weggeruimd worden. […].”6 Andere interessante bepalingen (art. 30, 31) waren, dat nabij ves-

2 - Fort Hinderdam, ten zuiden van Weesp, met drie cirkels die de verboden kringen aanduiden op 300, 600 en 1000 m van het verdedigingswerk. Toestand 1893.

NUMMER

52

JULI

2020

ten en ensembles. Dit wil in de praktijk zeggen dat beperkingen die een monumentenstatus eraan verbindt tot nader order reeds van kracht zijn, maar dat hieraan geen (nog) geen rechten kunnen worden ontleend. Dus geen subsidies, gunstige leningen of andere voordelen. In het geval van grote militaire objecten – vaak in handen van (semi-)overheden of andere formele organisaties - was dat gewoonlijk geen groot probleem. Al was het maar omdat er bij zulke instituties genoeg kennis en ervaring bestond om de ‘watertemperatuur’ te peilen. Dat lag anders bij eigenaren en gebruikers van houten huizen, boerderijen e.d. Velen zijn lang in het ongewisse gebleven over de toekomst van hun zakelijke rechten en plichten sinds ze (in 2011) het beperkende predikaat ‘voorbeschermd’ op hun perceel gestempeld kregen. Uiteraard heeft dit nogal eens tot boze reacties geleid: niet alleen omdat noodzakelijke aanpassingen en herstel niet onder het helpende regime van de Monumentenwet vielen, maar wel onder het tamelijk restrictieve ervan. Sommigen hebben zich hiervan uiteindelijk weinig of niets aangetrokken en deden buiten medeweten (of met oogluikende of zelfs expliciete toestemming) van het bevoegde gezag (de gemeente) wat nodig of wenselijk was. Enige betonnen werken zijn zo in het afgelopen decennium van de kaart verdwenen; of dit eveneens geldt voor voorbeschermde houten huizen, is schrijver dezes onbekend.7 Zoals gezegd hoopt onze regering dat de NHW deze zomer als uitbreiding van de SvA wordt toegevoegd aan de Lijst van het Werelderfgoed in Nederland. In het kader hiervan zal de beschermingsronde van de houten huizen eindelijk worden opgepakt, want in het Nominatiedossier voor Unesco worden ze – naast onder meer Accesses en Prohibited Circles - uitdrukkelijk genoemd onder de Attributes belonging to the Strategically Deployed Landscape: the so-called ‘kringenwetwoningen’ (‘prohibited circles act dwellings’) or Wooden Houses.8 Het Nominatiedossier laat er geen twijfel over bestaan dat een deel van de houten huizen als voorbeelden van de invulling van de ruimte nabij de verdedigingswerken van de NHW zal worden beschermd als Rijksmonument.9 Recent – einde februari – is in het hieruit voortgekomen document Aanwijzingsprogramma houten huizen de aankondiging gedaan dat nu spoedig een begin zal worden gemaakt met effectuering van dit voornemen. In feite betreft

12

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 12

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

Kort samengevat komt het er dan op neer dat er sprake moet zijn van: 1. Een representatieve en voldoende gave ruimtelijke context, 2. Voldoende intrinsieke waarden van het bouwwerk zelf, en 3. Typologische verscheidenheid. In het bijzonder het eer-

Foto: G. Dukker, 1993; RCE

het de afronding van een reeds ongeveer een decennium geleden ingezet proces. In het Aanwijzingsprogramma wordt een ‘specifieke set waarderingscriteria’ gehanteerd, die als voorwaarden zullen gelden voor definitieve plaatsing op de Rijkslijst.

Foto: F. Niemeijer, 2020

3 - Een deel van het villacomplex Sandtmannlaan (1909-1912) in het toen nog open gebied van de ‘middelbare kring’ aan de zuidrand van de gemeente Naarden. Onderdeel van Rijksmonument 524795.

4 - De ‘consumptietent’, het koffiehuisje of het paviljoentje van dhr. Th. Iesberts, caféhouder te Muiden. Omstreeks 1930 gebouwd onder de restricties van de Kringenwet. Op de achtergrond rechts de nog steeds grotendeels met aarde bedekte VIS-kazemat uit 1931/32.

ste criterium omvat enkele aspecten die tot een scherpe selectie hebben geleid. Zo moet er voldoende openheid bestaan, waardoor een (blijvende) zichtrelatie tussen het eventueel te selecteren houten bouwwerk en het desbetreffende verdedigingswerk is gegarandeerd. Ook dienen meerdere houten bouwsels binnen de bedoelde verboden kring voor te komen.10 Uit een groslijst van 211 houten panden is uiteindelijk toevallig exact 10 % (21 stuks) geselecteerd om in aanmerking te komen voor nadere analyse. Van deze 21 vielen er na veldbezoek (2016) enkele af, onder meer doordat de ruimtelijke context intussen dusdanig was gewijzigd, dat de visuele relatie tussen vestingwerk en houten huis was verbroken of omdat de intrinsieke waarden inmiddels - of bij nader inzien - onvoldoende waren (geworden). Tevens werd hier en daar stuivertje gewisseld en kwam een shortlist tot stand van 14 objecten.11 Ten overvloede zij hier vermeld dat er tientallen houten huizen die destijds in verboden kringen zijn gebouwd al eerder van gemeente- of Rijkswege zijn beschermd – hetzij door toepassing van toentertijd geldende selectiecriteria of inzichten, hetzij als onderdeel van een complex. Hun gemeenschappelijk kenmerk is dat de relatie met de NHW onderbelicht of onvermeld is gebleven. Tevens zijn er exemplaren waarbij die relatie wel wordt gelegd, maar waar deze intussen niet meer ‘beleefbaar’ is. (afb. 3) Voorbeelden vanuit het veld: horeca, brugwachtershuis en baarhuisje. Er zijn enige tientallen houten huizen en boerderijen en enkele andere functietypen beschermd als Rijksmonument – vaak zonder dat wordt gezegd dat ze hun verschijningsvorm te danken hebben aan hun ligging nabij een vestingstad, fort, kazemat of een andere aanleg of bij een ander object van strategisch belang. Te noemen zijn een sportaccommodatie (roeien), een school en ook nogal wat villa’s. Hiernaast zijn er ook nog veel bouwwerken die lang aan de aandacht van cultuurhistorici zijn ontsnapt. Dat bleek wel tijdens het veldwerk van ondergetekende. Dit betekent niet dat er veel objecten aan de shortlist konden worden toegevoegd – wel dat de groslijst groeide. Een koffiehuisje Wel kwam een bijzonder, maar eerder niet geïnventariseerd pand langs de Zuidpolderweg buiten Muiden op de shortlist. Het eenvoudige pandje, huisnummer 4, dateert 13

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 13

27/05/2020 16:58


Bron: Topotijdreis, 1949, 1961

VITRUVIUS

Foto: F. Niemeijer, 2020

5 - De omstreeks 1930 zuidelijk om Muiden aangelegde Rijksweg in twee verschillende fasen: oude toestand met aansluiting op huidige Zuidpolderweg en toestand vanaf ca. 1960. Het koffiehuisje en de kazemat liggen links in de wig tussen Zuidpolderweg en (voormalige) Rijksweg. De locatie is gemarkeerd met een zeshoekje.

6 - Het houten baarhuisje (ca. 1901) op de r.k. begraafplaats langs de Vecht ten zuiden van Muiden. Sinds de Rijksweg ‘ondergronds’ is gegaan, is de rust er weergekeerd.

NUMMER

52

JULI

2020

vermoedelijk uit 1930 of van kort daarvoor. Behalve het schootsveld van Vesting Muiden bepaalt de ligging in de directe nabijheid van een in de jaren 1931-1932 gebouwde VIS-kanonkazemat het karakter van het kleine huis. De kazemat (Rijksmonument i.h.k.v. de NHW) bestreek het acces van de nieuw aan te leggen Rijksweg naar Amsterdam c.q. de Zuidpolderweg. De Rijksweg liep na circa 1930 namelijk zuidelijk om Muiden heen en sloot oostelijk van de stad aan op de weg langs de Naarder Trekvaart, die hiermee de status kreeg van een Rijksweg.12 Verderop langs deze weg liggen in verband hiermee nog restanten van een gewapend betonnen versperring. De oorspronkelijke bestemming van dit huisje moet worden gezocht in de horecasfeer: rond 1930 wordt het omschreven als het ‘Paviljoentje van dhr. Iesberts’ en tegenwoordig komt het soms nog voor onder de naam ‘Paviljoen het Nieuwe Amsterdamse Koffiehuis’. Theodorus Hendrikus Iesberts was caféhouder te Muiden. Vanaf omstreeks 1930 exploiteerde hij onder meer een uitspanning / koffiehuis naast de uit commercieel oogpunt interessante plaats van driesprong van de Zuidpolderweg (vanuit Muiden), de Rijksweg en het gemeenschappelijke, opgewaardeerde beloop hiervan als Rijksweg.13 Na de oorlog is de voorganger van de huidige Mariahoeveweg opgeruimd en is de Rijksweg ‘rechtgetrokken’. Op kaarten tot circa 1968 is nog te zien dat het paviljoentje aan het punt van samenkomst van twee wegen lag. Het is zeker dat het houten horecapandje ouder is dan de belendende kazemat. Dat de intrinsieke architectuurwaarden ervan geen hoge ogen gooien, is met één blik duidelijk. Dat het – samen met de kazemat - een uitzonderlijk verhaal in de geschiedenis van de verboden kringen te vertellen heeft, is echter eveneens een feit. (afb. 4, 5) Een baarhuisje Een tweede voorbeeld van een binnen de verboden kringen van Muiden gelegen, uitzonderlijk functietype is een houten huisje op de rooms-katholieke begraafplaats aldaar. Het pandje ligt ten zuiden van de vesting, nabij de westoever van de Vecht. In de nabije aarden vestingwallen zijn verschillende gemetselde en gewapend betonnen werken opgenomen. Het baarhuisje is vermoedelijk in 1901 tot stand gekomen, nadat de grond voor de begraafplaats in 1899 was aangekocht en vervolgens was opgehoogd. Vanwege die ophoging kon het

14

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 14

27/05/2020 16:58


NUMMER

52

JULI

2020

Foto: Beeldbank RWS, 3632/544813

VITRUVIUS

Bron: Topotijdreis, 1949

7 - De r.k. begraafplaats met baarhuisje (midden rechts), tijdens de verbreding en zuidwaartse verlegging van de oude Rijksweg, in 1965. Muiden (noord) is links. Het is een wonder dat de ruim 100 jaar oude begraafplaats deze metamorfose van het terrein doorstond. Thans is de omgeving ingrijpend ‘geschoond’ door de aanleg van een zeer brede verkeerstunnel.

bouwsel uiteraard het zicht en het schootsveld van de vesting belemmeren en was er geen sprake van dat het in steen gebouwd zou kunnen worden. Het meest opmerkelijk in de geschiedenis van het pandje is echter dat de fysieke context ervan in de loop van bijna 120 jaar een aantal keren drastisch is veranderd. Zoals al opgemerkt is de Rijksweg (no. 1) omstreeks 1930 zuidelijk om Muiden geleid. Dit betekende in de praktijk dat de weg tussen de stadswallen en de begraafplaats was getraceerd en dat de relatie tussen beide flink was verstoord. Zo’n 35 jaar later werd hier nog een schepje bovenop gedaan, toen de weg nogmaals werd verlegd en ook ingrijpend verbreed. Gewoonlijk betekent zoiets ‘einde verhaal’, maar in het geval van deze begraafplaats en het baarhuisje liepen de zaken totaal anders. Er was inmiddels besloten RW A 1 via een tunnel onder de Vecht door te leiden en enkele jaren terug is het ervan gekomen dat hierdoor de visuele relatie tussen de vesting en de begraafplaats met baarhuisje is hersteld. (afb. 6, 7)

8 - De brugwachterswoning bij Weesp (zie groene ster) lag eerst noordoostelijk van het spoor, maar kwam door spoorverleggingen, later zuidwestelijk van de hoofdspoorweg te liggen. Merk op dat houten bebouwing gewoonlijk in zwart is aangeduid. 15

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 15

27/05/2020 16:58


Foto: F. Niemeijer, 2020

VITRUVIUS

9 - De brugwachtersoning uit 1873 bleef stabiel liggen, terwijl de bruggen over de Vecht en dus ook het spoor meerdere malen zijn verlegd en/ of vernieuwd. Het spoor lage voorheen links. Hier de rechter kopgevel (zuidoost), met op de achtergrond de huidige ophaalbruggen. Een brugwachterswoning Een laatste voorbeeld van een houten huis (1873) met een markante geschiedenis ligt even buiten de wallen van Weesp en op een steenworp afstand van de spoorbrug over de Vecht. De spoorweg is geopend in 1874. De oude (draai)brug, uit 1872, is in 1939 vervangen door een andere, die vervolgens ook weer door een nieuwe is opgevolgd. Het spoor is in samenhang hiermee in 1939 iets naar het noordoosten verlegd. Dit had overigens ook te maken met een gewenste wijziging van de boogstraal van het spoor en met een grondeigendomskwestie.14 Nadat de brugwachterswoning aanvankelijk noordoostelijk van het spoor was gesitueerd, kwam het pand door de spoorverlegging aan de zuidwestzijde ervan te liggen – met de rug naar het spoor! Of het de oorspronkelijke functie behield, valt dan ook te betwijfelen. Er kan worden gesteld dat via de vensters in de kopse gevels ruim zicht bleef bestaan op het spoor, maar was er ook voldoende zicht op het vaarwater van de Vecht? Op topografische kaarten is de spoorverlegging pas na de Tweede Wereldoorlog ingetekend; mogelijk bleef de nieuwe toestand uit militair-strategisch oogpunt buiten beeld. Al met al vormt de wachterswoning, die hoog op de spoordijk staat en die een belemmering zou kunnen vormen voor het geschut van en het zicht vanuit de vesting Weesp een mooie illustratie bij een ruimtelijk verhaal. (afb. 8, 9)

Tot slot Te hopen valt dat elk van de in de shortlist genoemde houten panden uiteindelijk zal worden beschermd als Rijksmonument of eventueel als gemeentelijk monument. Een aantal hier niet genoemde houten huizen, boerderijen of andere functietypen maakt (reeds) deel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht (zoals in Weesp, Naarden en Nieuwersluis). Tezamen zijn ze onderdelen van wat in het nominatiedossier voor de Werelderfgoedstatus is gaan heten: the Strategically Deployed Landscape – het strategisch ingezet of benut landschap. De houten bebouwing is een karakteristieke, maar ook uiterst kwetsbare categorie bouwwerken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het behouden meer dan waard. In een later artikel zal worden ingegaan op een van de ‘monumentaalste’ voorbeelden van zo’n houten huis, de ‘Vechthoeve’ bij Muiden. Noten 1  De specifieke te hanteren criteria zijn opgenomen in: Aanwijzingsprogramma Nieuwe Hollandse Waterlinie, d.d. 23-92009. Zie m.n. pp. 20, 21. 2  Er zijn zowel puntobjecten (zoals forten, gebouwen en sluizen), als lijnstructuren (zoals inundatiekanalen en dijken) beschermd. 3  Aanwijzingsprogramma Nieuwe Hollandse Waterlinie (2009), pp. 25, 26. 4  Van de hand van D. Koen verscheen hierover het heldere artikel: Verbo-

NUMMER

52

JULI

2020

den Kringen; De beheersing van het schootsveld. In: Het Nederlands Landschap, jrg. 37, 2019, nr. 3, pp. 23-33. 5  Een deel van voorgaande tekst heeft ten grondslag gelegen aan het in februari 2020 bij de RCE verschenen Aanwijzingsprogramma houten huizen. Zie m.n. p. 5. Meerdere andere wetten hadden eveneens betekenis voor de bouwbeperkingen en hun gevolgen, waaronder de Vestingwet van 1874 en de Inundatiewet van 1896. (Stbl. No. 71) Deze laatste ook vanwege schadeafwikkeling (art. 4, 5, 6). 6  Stbl. No. 128: [Kringenwet], 21 december 1853, Art. 29. 7  Zie b.v.: Gemeente Stichtse Vecht: Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Vreeland Oost met wijzigingen bij vaststelling als vastgesteld bestemmingsplan (2012), pp. 10-13, 29, 30. 8  Dutch Water Defence Lines; Significant Boundary Modifcation Defence Line of Amsterdam (2019), pp. 94 e.v. 9  Dutch Water Defence Lines; Appendices, Part I (2018), p. 330: “To preserve this precious type of attribute, the Cultural Heritage Agency has decided to select a number of representative examples of these wooden houses and nominate them as National monuments. Within the New Dutch Waterline, over 200 wooden houses are still present. As a result of spatial developments, 15 of them currently serve as a representative example.” Het totale dossier is te vinden via: https://www.programmanieuwehollandsewaterlinie.nl/bibliotheek/ documenten/documenten-unesco/ 10  Voor een meer gedetailleerd overzicht van de criteria, zie: Aanwijzingsprogramma houten huizen (2020), p. 7. (https://www.cultureelerfgoed.nl/ publicaties/publicaties/2020/01/01/ aanwijzingsprogramma-houten-huizen) 11  Aanwijzingsprogramma houten huizen (2020), pp. 9, 10. 12  Verslag aan de Koningin over de Openbare Werken in het jaar 1930, p. 73. 13  Deze vroegere bestemming verklaart het brede, nu grotendeels ongebruikte wegprofiel. 14  Verslag aan de Koning (Koningin) over de Openbare Werken in het jaar 1873, p. 70; Idem (1872), p. 72; Idem (1939), 59; De Gooi- en Eemlander: nieuwsen advertentieblad, 28-05-1937, I, p. 1; Idem, 11-09-1939, II, p. 3.

16

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 16

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

Post 65 Dr. Ir. N. de Vreeze Noud de Vreeze studeerde Bouwkunde aan de TU in Delft. In zijn dissertatie (1993) analyseerde hij de kwalitatieve grondslagen van de sociale woningbouw in Nederland. Van 2008 tot 2012 was hij stadsarchitect in Amersfoort. Daarover schreef hij het boek “Lange lijnen in de stadsontwikkeling, Amersfoort 1945-2010“ waarin de invloed van landelijk beleid op lokale politieke besluitvorming wordt geanalyseerd. Van 2012 tot 2018 was hij voorzitter van het Van Eesterenmuseum in Amsterdam. In kringen rond het erfgoedbeleid is het begrip “Post 65” inmiddels wel bekend. Voor wie het nog niet weet: het begrip staat voor een cultuurhistorische afbakening in de tijd van 1965 tot grofweg 1990. In die jaren was sprake van een achteraf herkenbare cultuurhistorische ‘identiteit’ met grote gevolgen voor de ruimtelijke ordening, de stadsontwikkeling en de bouwnijverheid. Ons gebouwde erfgoed is voor meer dan een kwart het resultaat van inspanningen uit die periode. Halverwege de jaren zestig kwam een einde aan de sfeer van wederopbouw die de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog kenmerkte. Sociaaleconomische en demografische ontwikkelingen veroorzaakten radicale veranderingen in het culturele en politieke klimaat. Nieuwe prioriteiten dienden zich aan in het overheidsbeleid rond ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling en woningbouw. Daarbij werden heel gedetailleerde en centralistische overheidsinterventies in ruimtelijke processen vrijwel door iedereen noodzakelijk en wenselijk gevonden. Vanaf eind jaren tachtig ging juist een politiek van deregulering en decentralisatie de agenda voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland bepalen. Opnieuw werd een koerswijziging in de ruimtelijke planning en de bouwnijverheid zichtbaar. Met de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening en de VINEX (1988-1991) was weliswaar nog sprake van een landelijk gecoördineerd verstedelijkingsbeleid, maar voor de uitvoering van centraal vastgestelde beleidsprincipes krijgen lokale besturen en

Naar een erfgoedbeleid voor de periode 1965 - 1990

marktpartijen steeds meer ruimte en een eigen verantwoordelijkheid. De verbouwing van Nederland De periode Post 65 moet gekarakteriseerd worden als een periode met een nooit eerder vertoond expansief, pluriform en centralistisch overheidsbeleid voor woningbouw en ruimtelijke ordening, een omvangrijke bouwproductie, indrukwekkende inspanningen om oude stadskernen en versleten woonwijken te vernieuwen, radicale experimenten met nieuwe woonvormen en stedenbouwkundige concepten, infrastructuurprojecten en een lange lijst van grote bouwopgaven, zoals Schiphol, academische ziekenhuizen en onderwijscomplexen. Alles bij elkaar vond tussen 1965 en 1990 een ingrijpende verbouwing van Nederland plaats. Na de succesvolle programma’s om de cultuurhistorische aandacht voor wederopbouwgebieden te bevorderen, zowel vanuit het erfgoedbeleid van de Rijksoverheid als door betrokkenen op lokaal niveau, ligt het voor de hand nu een nieuw hoofdstuk toe te voegen. In 2016 zegde de Minister die verantwoordelijk is voor het erfgoedbeleid aan de Tweede Kamer een onderzoek toe naar het gebouwde en ruimtelijke erfgoed van na 1965.1 Dat leidde tot de ‘Verkenning Post 65, Nieuwe perspectieven tussen welvaart en weerstand’ van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, dd. oktober 2019. In het advies aan de Minister blijven ‘waardering en selectie’ op basis van goed gede-

finieerde overwegingen en criteria de kern vormen van het instrumentarium, waarmee een zorgvuldige omgang met waardevol erfgoed kan worden gewaarborgd. Daarbij lijkt te worden uitgegaan van de noodzaak en de wenselijkheid van drie ‘bronnen’ voor de waardering en de selectie die elkaar kunnen versterken: (1) de kennis over de maatschappelijke en sociaal-culturele context waarbinnen het erfgoed tot stand kwam (2) de waardering van gebruikers, bewoners en maatschappelijke organisaties en (3) inzicht in de mogelijkheden van behoud door ontwikkeling en bescheiden transformaties. Het behoeft niet te verbazen dat achter deze rubricering van overwegingen drie betrokkenen schuilgaan: (1) specialisten met een specifieke historische kennis, (2) ongeschoolde belangstellenden en belanghebbenden en (3) ontwerpers, planologen en vastgoed-specialisten met kennis van aanpassingen, die verantwoorde strategieën kunnen genereren voor verschillende vormen van instandhouding. Kennis ontwikkelen en kennis delen vormen de focus van wat de Minister volgens het advies zou moeten bevorderen.2 17

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 17

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

1 - Voorbeelden van grote projecten van na 1965: (1) Ruimtelijke Structuurschets voor Nederland, Tweede Nota Ruimtelijke Ordening 1966, (2) Campus TU Eindhoven (foto Gemeente Eindhoven.) (3) Nieuw Stationsgebouw voor Schiphol aanbouw 1960-1965, foto: ANP Historisch Archief). (4) Kantoor Centraal Beheer Apeldoorn, architect Herman Hertzberger, 1972 (foto, RCE, drs. A. Blom). Een nieuw ‘kennisdomein’. Het advies aan de Minister spreekt van een nieuw kennisdomein voor de periode 1965-1990’. Om de planologische geschiedenis van deze periode te beschrijven, de maatschappelijke, economische en politieke dynamiek ervan te doorgronden en een begin te maken met een of andere vorm van waardering en selectie is een stimulerend en initiërend beleid van de Rijksoverheid (via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) gewenst. En een coördinerende rol is, gezien de complexiteit en veelzijdigheid van de opgave, gewenst. Er is door de RCE een begin gemaakt met enkele verkennende studies, zoals een studie over de stadsvernieuwing onder het regime van de Interim Saldoregeling, over de projecten met het predicaat Experimentele Woningbouw, over de stedenbouwkundige principes van de zogenaamde groeisteden en groeikernen, over metropolitane recreatiegebieden en

over de Groene Hoofdstructuur van de Oostelijke en Zuidelijke Flevopolder. Deze opsomming, die nogal willekeurig oogt, geeft aan hoe gecompliceerd en veelzijdig het onderzoek naar het erfgoed van na 1965 zal moeten zijn. Alleen al het wetgevingstraject van de Wet Ruimtelijke Ordening, vanaf de Tweede Nota in 1965 en de Derde Nota 1974 tot de Vierde Nota in 1988, kan een omvangrijk onderzoeksprogramma opleveren, vooral als de ruimtelijke implicaties ervan ook in kaart worden gebracht. Hetzelfde geldt voor de woningbouw die zich ontwikkelde vanuit de nu nauwelijks meer voor te stellen Rijksfinancieringen en subsidieregelingen, via het ‘Actieprogramma Goedkoper Bouwen” en het “Normkosten Budget Systeem” naar een geheel verzelfstandigde corporatiesector voor de sociale woningbouw en een subsidievrije particuliere sector.

Maar er is natuurlijk veel meer. Je zou bijvoorbeeld ook aandacht moeten besteden aan de kantorenbouw, industriële complexen en havens, de onderwijssector en de universitaire complexen, de ziekenhuizen en de gezondheidszorg. En wat te denken van de inrichting en herinrichting van het publieke domein in steden en dorpen, de parken, recreatiegebieden, sportcomplexen, winkelcentra, stations, gevangenissen en rechtbanken. Voor al deze erfgoed-rubrieken geldt dat in de periode van 1965 tot 1990 de verhoudingen tussen partijen die eraan werkten, veranderden. De maatschappelijke en ideologische opgaven die het uitgangspunt van een project zouden zijn kregen een andere inhoud. En de ontwerpprincipes moesten opnieuw gedefinieerd worden. Wenselijkheid van een centrale regie Laat ik één karakteristiek van de periode Post 65 toevoegen aan het Advies van de

18

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 18

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

2 - (1) Groeikernen en Groeisteden, bijvoorbeeld Zoetermeer, 1983 Start Uitvoeringsfase 2, Stadscentrum, ontvangst met Prins Bernhard. (2) Stadsvernieuwing onder invloed van de Interim Saldo Regeling, Bijvoorbeeld: Bergstraat Deventer, 1964 (Foto: Entoen.nu) (3) Recreatiegebieden in de Zuidelijke Flevopolder, ir. E. Vermeer (Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders) (foto: Ruben Ferwerda) (4) Experimentele Woningbouw, Centraal Wonen, Hilversumse Meent (foto: Ruben Ferwerda) RCE aan de Minister. Net als in de periode van de wederopbouw speelde na 1965 de Rijksoverheid een sturende rol in de volkshuisvesting en de ruimtelijke ordening. Jaarlijkse contingenten voor de sociale woningbouw en subsidies voor de particuliere sector leverden op lokaal niveau zekerheid voor de planning van bouwactiviteiten en stadsuitbreidingen. Vanaf de jaren zestig konden de woningcorporaties zich door de expliciete steun van de Rijksoverheid voor hun landelijke centrales ontwikkelen tot professionele woningbeheerders en opdrachtgevers met duidelijke doelstellingen, regels voor de bedrijfsvoering en gedragscodes voor hun bestuurders. En ze werden op lokaal niveau een betrouwbare en solide partij voor lastige opgaven, met een heel breed werkterrein. Maar vanaf de jaren zestig bleek de Rijksoverheid ook in te kunnen spelen op nieuwe maatschappelijke en sociaal-culturele thema’s, waarvoor een politieke inbedding noodzakelijk en nuttig bleek. Enkele thema’s die destijds hoog op de politieke agenda van de Rijksoverheid stonden: de ruimtelijke planning van de verstedelijking, steeds

hogere kwaliteitsnormen voor de woningbouw, stadsvernieuwing en renovatie van oude woonbuurten, regulering en transformatie van de particuliere huursector, experimenten met nieuwe woonvormen, maatregelen om het energieverbruik van woningen te beperken, en ten slotte stimulansen voor vernieuwing van de ontwerpcultuur via een architectuurbeleidsnota, waaraan we een nationaal architectuurinstituut, een stimuleringsfonds voor ontwerpprestaties en een adviesbureau voor lokaal architectuurbeleid te danken hebben. Er is door sommigen wel beweerd dat het Nederlandse overheidsbeleid met betrekking tot de bouw- en ruimtelijke planningscultuur destijds star en dogmatisch was en weinig ruimte liet voor creativiteit en variatie. Maar Post 65 laat juist zien hoe subtiel en wendbaar, maar vooral ook hoe snel en adequaat de Rijksoverheid kon inspelen op nieuwe maatschappelijke fenomenen, zonder alle verantwoordelijkheden af te schuiven op lokale overheden en lokale betrokkenen. Dat gebeurde op grond van de vrijwel algemeen ondersteunde wenselijkheid van

een centrale planning van de bouwnijverheid en van de ruimtelijke ordening. Erfgoedbeleid dat bij het ontwikkelen en delen van kennis over historische periodes deze moderne geschiedenis durft te agenderen zal allereerst moeten erkennen dat het bij de beschrijving en analyse als achtergrond voor een waardering en eventuele selectie van Post 65 – projecten om een belangrijke, leerzame en zeer omvangrijke opgave gaat. Met hoogst actuele maatschappelijke en politieke thema’s. Noten 1  Zie: ‘Beleidsregel Aanwijzing rijksmonumenten en wijziging rijksmonumentenregister Erfgoedwet van 30 juni 2016’ 2  Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, A. Blom, e.a., “Post 65. Nieuwe perspectieven tussen welvaart en weerstand”, Amersfoort 2019 3 NdV 4  Beleidsreactie van de Minister: www.rijijksoverheid.nl (Kamerstukken 2020-04-28, Beleidsreactie Verkenningen Erfgoed van na 1965)

19

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 19

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

Bernadette van Hellenberg Hubar Erfgoedprofessional & schrijver vanhellenberghubar.org

NUMMER

52

JULI

2020

De Ark van het Verbond en de ‘spolia Ægyptiorum’

Bron: Rijkscollectie Rijksmuseum Amsterdam.

Marij Coenen Redacteur & fotograaf vanhellenberghubar.org

1 - Mozes voert de directie over de bouw van het tabernakel waarbij hij gebruik maakt van de schatten van Egypte, de ‘spolia Ægyptiorum’. Op de voorgrond liggen of allerlei schatten die nog omgesmolten moeten worden, of ‘de schotels, de schalen, de kannen en kommen die nodig zijn voor de plengoffers, van zuiver goud’. Vrijwel zeker zijn de figuren links Bezaleël en zijn assistent Oholiab die hun werk laten keuren. De man achter Mozes is zijn broer Aaron, herkenbaar aan het borstschild of de orakeltas die voorbehouden was aan de hogepriester. Prent van Jacob de Later naar Gerard Hoet (1696 - 1709). Spolia? Waar hebben we het dan over? Over buit, meestal roofbuit die meegenomen werd na een oorlog. Het is bepaald geen alledaags woord dus we waren verrast dat er zowaar een lemma op Wikipedia was te vinden, een heel aardig lemma zelfs.1 Waar we hier de aandacht op willen vestigen is de

betekenisverschuiving van buit naar hergebruikte onderdelen, sculptuur en bouwfragmenten in een later bouwwerk. Spoliatie heet dat in jargon. Het is de vraag of die verschuiving mogelijk was geweest, zonder een van de oudste, best gedocumenteerde en meest invloedrijke voorbeelden van spo-

liatie, namelijk de ‘spolia Ægyptiorum’, de schatten van Egypte (afb. 1).2 Exodus De episode waar we het over gaan hebben, is vrijwel bij iedereen bekend, alleen niet onder deze naam. Het gaat om de bouw

20

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 20

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

Bron: Rijkscollectie Rijksmuseum Amsterdam.

den. Er is geen ontwerp – of combinatie van ontwerpen – bekend waarover in de heilige boeken zo gedetailleerd is geschreven als over de ark en de heilige omheining met de tent die daarbinnen lag.3 Je zou bijna kunnen zeggen dat het dé bijbelse sleutelscène is, waarop architecten zich later hebben beroepen. In het Rijksmuseum was tussen de decoraties een oud-Hollandse versie van deze tekst gekalligrafeerd: ‘De heer sprak tot Mozes: Ik heb mijn keuze laten vallen op Besaleël, zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. Ik heb hem een uitzonderlijke begaafdheid geschonken, vaardigheid, kennis en veelzijdige bekwaamheid. Hij kan ontwerpen maken, goud, zilver en brons smeden, stenen snijden en zetten en hout bewerken: in alle technieken is hij bedreven’.4

Bron: Rijkscollectie Rijksmuseum Amsterdam.

2 - Het interieur van het tabernakel, c.q. de tent over het tabernakel met de menorah, het reukofferaltaar en de toonbroden. In deze interpretatie is dit ‘bouwwerk’ een soort voorfase van de Griekse tempel in steen. Kennelijk wist men toen nog niet dat er aparte Egyptische bladkapitelen bestaan, waarmee we inmiddels onder meer dankzij het werk van de historieschilder Laurens Alma-Tadema vertrouwd zijn geraakt. Van de basementen wordt in Exodus verteld dat ze uit zilver en brons waren gegoten en de pijlers waren uit hout, bekleed met goud. De kapitelen zijn mogelijk het vroegste voorbeeld van spoliatie. Zij worden namelijk in Exodus niet genoemd. Prent van Jan Luyken, 1683.

3 - De samenstelling van het tabernakel, c.q. de tent over het tabernakel. Prent van Jan Luyken, 1683. van de Ark van het Verbond en de oprichting van de tent boven dit tabernakel, die – om het verwarrend te maken – zelf ook weer tabernakel genoemd werd. Nu

slaat tabernakel of tabernaculum niet eens op het tentdoek, maar op het hout van de constructie en van de ark, waarin de stenen tafelen met de Tien Geboden bewaard wer-

De architect van het Rijksmuseum, Pierre J.H. Cuypers, werd dan ook door een van zijn tijdgenoten betiteld als ‘dezen Bezeleël’, een tweede Bezaleël. Daarmee was hij in goed gezelschap, want deze eretitel ging nog terug op de architect van Karel de Grote, Einhard.5 Maar hoeveel talent en vakmanschap Bezaleël ook had, er was nog een actor nodig. Het was Mozes die van God een minutieus programma van eisen had gekregen hoe dit mobiele heiligdom moest worden samengesteld en uitgemonsterd (zie afb. 2-3). Van de tentdoeken tot de liturgische gewaden van de hogepriester, alles staat nauwkeurig beschreven in Exodus: de verven die zijn gebruikt, de bloemmotieven, de kleuren, noem maar op. De houten onderdelen, het vele goud, de cherubs ... er lijkt geen einde aan te komen. Het was een indrukwekkend bouwbedrijf daar midden in de woestijn.6 Bouw- en siermaterialen En daarmee komen we aan een cruciaal punt, want waar haalden de Joden daar in ‘the middle of nowhere’ de grondstoffen vandaan om dit allemaal te maken? Het antwoord ligt besloten in de woorden ‘spolia Ægyptiorum’, de buit van de Egyptenaren. Iedereen kent het verhaal over de uittocht uit Egypte die de Joden hadden moeten bevechten, niet te vuur en te zwaard, maar met de hulp van God die de tien plagen over Egypte afriep en het leger van de farao liet verdrinken in de Rode Zee. Een wat minder bekend onderdeel van het verhaal is dat Mozes ook opdracht kreeg ervoor te zorgen 21

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 21

27/05/2020 16:58


Foto bvhh.nu 2016.

VITRUVIUS

Foto bvhh.nu 2016.

4 - In Museumpark Orientalis staat een nomadentent die een beeld geeft van het verblijf van de zwervende volkeren in het Midden-Oosten.

5 - J.H. Tonnaer laat het heilige vaatwerk zien van de Joodse liturgie, dat bestaat uit omgesmede ‘spolia Ægyptiorum’: de toonbroden, menorah en het reukaltaar geven aan dat men in het Heilige staat, vlak voor de voorhang dat de entree vormt naar het Heilige der Heilige. Ook dit wordt gemarkeerd door een klassieke zuilenorde. In dit tafereel betreedt de hogepriester het Heilige der Heilige wat alleen gebeurt op Grote Verzoendag, Jom Kipoer. Altaar van het heilig Bloedwonder in de Laurentiuskerk te Alkmaar (1906). dat Gods volk gecompenseerd werd voor alle slavenarbeid met goud en andere waardevolle materialen en voorwerpen.7 Het was geen volk van armoedzaaiers dat op weg ging naar het beloofde land. En zoals nog steeds bij vluchtelingen gebeurt, droeg men

de kostbaarheden op het lichaam. Toch zal er ook materiaal op last- en trekdieren meegenomen zijn. Aan wat voor een omvang we moeten denken staat niet vast, maar het was voldoende om er een heiligdom van te bouwen. En dat was niet gering als

NUMMER

52

JULI

2020

we de interpretatie van kunstenaars als Jan Luyken (1649-1712) en Gerard Hoet (16481733) mogen geloven. De tabernakeltent vormt niet zomaar een opbouw van palen en stokken, waarover heen een tentdoek is gespannen, zoals te zien is bij de nomadentent in Museumpark Orientalis (afb. 4). Het is een mobiele tempel die opgebouwd is uit pijlers met – aardig detail – Griekse kapitelen, waarvan de ‘muren’ en de overdekking bekleed zijn met zwaar afhangende tapijten. Hierin stonden kostbare voorwerpen die uit het gesmolten goud uit Egypte waren gesmeed, zoals de menorah (zevenarmige kandelaar) en de Ark van het Verbond met de cherubijnen (afb 5). Zo voldeed Mozes door de inzet van Bezaleël aan de opdracht van God: ‘Dan kan men voor Mij een heiligdom bouwen en zal Ik in hun midden wonen’.8 Figuurlijk Je kunt er niet precies de vinger opleggen, maar in de dertiende eeuw al is de gedachte gemeengoed dat de ‘spolia Ægyptiorum’ niet alleen een letterlijke betekenis hebben, maar ook een symbolische. Zoals de Joden uit het heidense, Egyptische goud dat voor een verwerpelijke eredienst van afgoden was gebruikt, de oudste christelijke gewijde voorwerpen maakten, zo mochten kerkelijke denkers het gedachtegoed van heidense geleerden inzetten voor de constructie van een christelijke filosofie. God zelf maakte geen onderscheid in de boodschappers om zijn openbaring de wereld in te sturen. Deze visie kreeg in de negentiende eeuw onder paus Leo XIII een centrale positie in de katholieke wetenschapsbeoefening. Om te laten zien dat het hem ernst was, plaatste Leo XIII de middeleeuwse denker Thomas van Aquino op de voorgrond. Hij had immers de filosofie van Aristoteles in de christelijke wijsbegeerte en theologie kunnen integreren, dankzij het voorwerk van de Arabische scholen. Waar dit voorbeeld in Nederland toe leidde, wordt in de kerkbouw hoogstwaarschijnlijk tot uitdrukking gebracht door de oriëntaalse koepel van de nieuwe Bavo/KoepelKathedraal Haarlem van Joseph Cuypers (afb. 6).9 Schadeclaim Wat is nu nog de actualiteitswaarde van dit gebruik van de eerste spolia in een heiligdom? Niets zou je toch zeggen? De Egyptische politicoloog Ammar Ali Hassan dacht daar anders over, want in 2014 hield hij een serieus pleidooi om de Joden te dwingen

22

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 22

27/05/2020 16:58


NUMMER

52

JULI

2020

Foto Marij Coenen 2015.

VITRUVIUS

6 - Een van de meest bijzondere voorbeelden – zo niet het enige voorbeeld – van de ‘spolia Ægyptiorum’ in de bouwkunst is vrijwel zeker de oriëntaals geïnspireerde koepel van de KoepelKathedraal (nieuwe Bavo) te Haarlem naar ontwerp van Joseph Cuypers (de koepel dateert van de tweede bouwfase: 1902-1906). een schadevergoeding te betalen voor al de schatten en het goud dat ze bij hun vertrek uit Egypte hadden gestolen, ver voor de jaartelling.10 Alleen al theoretisch zou dat een razend interessante casus zijn. Iemand nog een onderwerp nodig voor een filmscript? Laat het weten! Noten 1 ‘Spolia’. In Wikipedia, 13 juni 2016. https://nl.wikipedia.org/wiki/Spolia. 2  De ‘spolia Ægyptiorum’ vormen een belangrijk thema in: Hubar, Bernadette van Hellenberg, De nieuwe Bavo te Haarlem, Ad orientem | Gericht op het oosten, WBOOKS-Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, op initiatief van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Zwolle-Haarlem 2016, pp. 24, 58-59, 81-82, 141, 153, 154, 296-301. 3  Sijs, van der (samensteller), Nicoline. ‘Tabernakel - (kastje op altaar met hosties, tent van de Ark des Verbonds)’. Etymologiebank.nl, z.j. https://bit. ly/3bqxtwd.

 Het citaat over Bezaleël is ontleend aan rkbijbel.nl: Exodus 31, 1-11. Hubar, Bernadette van Hellenberg, Arbeid en Bezieling; de esthetica van P.J.H. Cuypers, J.A. Alberdingk Thijm en V.E.L. de Stuers, en de voorgevel van het Rijksmuseum, Nijmegen 1997, pp. 42, 195, 221, 236, 346, 384, 387 (Beseleël). 5  Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, p. 89. Zie de vorige noot. 6  Zie rkbijbel.nl, Exodus hoofdstuk 25-31. 7  De ‘spolia Ægyptiorum’ zijn direct gebaseerd op Exodus 3: 21-22: ‘En Ik zal de Egyptenaren gunstig stemmen tegenover dit volk, zodat, als u dan weggaat, u niet met lege handen gaat. Laten alle vrouwen aan hun buren en huisgenoten vragen om gouden en zilveren sieraden en om kleding. Die moet u uw zonen en dochters aandoen, en er Egypte van beroven.’ Zo ook Exodus 11: 2 en 12: 35. 8  Ogtrop, H.J. van, Hij wil bij ons wonen, Kerkenbouw en bijbelse verbeelding in het bisdom Haarlem-Amsterdam, Haar4

lem 2009, p. 172. De opdracht van God aan Mozes is ontleend aan rkbijbel.nl: Exodus 25:8. 9  Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, p. 296-301. De bouwfasering is als volgt: (1893-1898; 1902-1906 (koepel); 1925-1930). 10 ‘Egyptische wetenschapper: Joden moeten het goud teruggeven dat ze meenamen tijdens de Exodus’, op: middenoostenandersbekeken.nl (2014). Voorts: Likoed Nederland. ‘De Joden moeten het goud terug geven dat ze bij de uittocht uit Egypte hebben gestolen’, 23 september 2014. https://bit. ly/2WqcQvQ. Dit artikel werd eerder geplaatst op ifthen-isnow.eu. Het kan geciteerd worden als Hubar, Bernadette van Hellenberg en Marij Coenen, Ark van het Verbond, ‘spolia Ægyptiorum’. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 13 (2020):20-23.

23

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 23

27/05/2020 16:58


KLASSIEKERS MET

EZELSOREN

VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

ZOMERSE WANDELINGEN MET JACOBUS CRAANDIJK Wandelingen door Nederland met pen en potlood. 7 (+ 1) delen AUTEURS

J. Craandijk (tekst) & P.A. Schipperus (afbeeldingen) HERLEZER

Rolf Wisseling UITGAVE

H.D. Tjeenk Willink, Haarlem, 1875-1888 D E TA I L S

Ca. 400+ blz. per deel; elk deel rijkelijk voorzien van illustraties in zwart-wit en/of kleur Digitaal te raadplegen via: https://www.jacobuscraandijk.nl/wandelingen-1874-1888/

Waarschuwing: het hiernavolgende kan worden ervaren als een oubollig stukje.

D

e naam Craandijk klinkt binnen kringen van amateurhistorici, curiosaverzamelaars en dilettantisten tot op de dag van vandaag als een klok. Tal van lokale wetenswaardigheden en anekdotische verhalen uit een verleden dat eindigde omstreeks 1880 doen bij hen nog steeds de ronde alsof het feiten van eergisteren zijn. Dit is misschien een beetje gechargeerd gesteld, maar Jacobus Craandijk is niet voor niets een begrip gebleven. Zijn naam wordt misschien niet in één adem genoemd met die van Baedeker, maar in ieder geval zijn de eerste drukken van zijn gidsjes verzamelaarsitems, waarvoor behoorlijk betaald wordt - mits in perfecte staat natuurlijk. Jacobus Craandijk (1834-1912) was een doopsgezind predikant die onder meer in Rotterdam en Haarlem werd beroepen. Hij en zijn iets jongere kompaan, de schilder en tekenaar Piet Schipperus (1840–1929), trokken grotendeels te voet door Nederland en legden in tekst en beeld vast wat ze zagen en hoorden. Het net van hoofdspoorwegen dat zich net in hun tijd over het land had ontrold, bewees ook zijn diensten en bracht ze letterlijk van Noord-Friesland (Dokkum, deel 2) tot Zuid-Limburg (Maastricht e.o., delen. 2, 3 en 6) en Zeeuws-Vlaanderen (Sluis, deel 7). Natuurlijk reikten de stoomtreinen niet tot al die plaatsen, maar ze vormden – samen met de opkomende trams wel de ontsluiting van eerder nauwelijks te bereiken landsdelen. Een ‘weekendje eropuit’ was er niet bij – ook niet voor een predikant. Maar wandelen van station A naar halte B of C was in een paar dagen nog wel te doen. Vergelijk het maar met de tientallen NS-wandelingen die we nu kunnen maken. Craandijk maakte zijn tochten – zoals uiteraard te verwachten is - voor het overgrote deel gedurende de zomermaanden. Hoewel ik wat dit betreft geen gedetailleerde tekstanalyse uitvoerde, zijn de volgende cijfers vermoedelijk voldoende overtuigend: in de 8

verschenen deeltjes komt het woord ‘zomer’ meer dan 400 keer voor en het woord ‘zon’ bijna 200 maal. ‘Winter’ komt een kleine 125 keer voor en ‘sneeuw’ en ‘ijs’ respectievelijk 19 en 15 maal. Hiernaast worden de woorden ‘lente’ en/of ‘voorjaar’ en ‘herfst’ en/of ‘najaar’ nog omstreeks 75 maal genoemd. In dit ‘Ezelsoor’ richten we onze aandacht op enkele afwisselende Nederlandse landschappen in Zuid-Kennemerland, langs de zuidrand van de Veluwe en in de Graafschap. Zuid-Kennemerland is globaal genomen het kustgebied tussen Beverwijk en de grens tussen Noord- en Zuid-Holland bij Bennebroek. Dus de duinen met de landzone daarachter, tot aan de in de jaren ’70 van de 19de eeuw drooggemaakte Wijkermeerpolders en de zuidelijk hiervan gelegen, in 1852 tot stand gekomen Haarlemmermeerpolder. Deel 1 van Craandijks wandelingen begint met: “Wie Kennemerland niet kent, die kent een der schoonste en een der belangrijkste streken van ons Vaderland niet.” Na hun wandeling bij Beverwijk, richtten Craandijk en Schipperus zich in het derde deel zuidwaarts vanaf station Santpoort, waar gezegd wordt. “In zomer en herfst beiden is ‘t een paradijs voor den wandelaar. Wij gaan genieten in de bosschen, op de duinen, ‘t Is een uitgezochte dag er voor!” In juli 1876 ‘bezagen’ circa 2.400 mensen de ruïne van Brederode en hiernaast kwamen vanuit de hoofdstad grote aantallen mensen naar de annexe uitspanning Velserend. Na uitweidingen over de geschiedenis van het huis Brederode geeft Craandijk impressies van vergezichten vanaf de duintoppen boven Bloemendaal en schrijft dan onder meer: “Wenden wij ons om, dan weidt ons oog over woester tafereel, over de golvende zandheuvels met hun witte toppen. Daar ginds steekt het eenzame torenspitsje van Zandvoort even boven een der heuvelen uit, en daar blinkt, als een metalen spiegel, de zee.” Iets verder kijkt hij achterom en noteert: “Het kanaal snijdt daar ginds door den breeden duingordel heen, het kanaal door Holland op zijn smalst, waarop de fiere hoofdstad haar hoop voor de

24

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 24

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER 52

JULI 2020

toekomst bouwt.” Het derde deel verscheen in 1878 en het Noordzeekanaal was kort daarvóór, in november 1876, geopend door Koning Willem III. Het dorp Bloemendaal (eerder bekend als Aelbrechtsberg) krijgt een klinkende beschrijving, die wordt gevolgd door een korte lofzang op de weg naar Overveen (van oudsher bekend als Tetrode): “De prachtige straatweg van Bloemendaal naar Overveen loopt langs den duinzoom voort en is daardoor vol afwisseling. Een reeks van buitenverblijven is deels langs de hellingen aangelegd, deels in de vlakte geschaard, en telkens openen zich ter regterzijde paden en wegen, die naar de duinen voeren, ter linkerhand de ruime vergezigten over de uitgestrekte, bloeijende vlakte.” Overveen is zowel het einde als het begin van een wandeling in deel 3 en in beide wordt dit dorp het centrum genoemd van de bloembollenteelt. Dit is iets wat we ons thans nauwelijks meer kunnen voorstellen al liggen er nog wel bollenvelden aan de voet van de duinen; dat Haarlem de bloemenstad heet, is hiermee echter wel verklaard. De schrijver zegt het als volgt: “Immers, wij gaan naar Overveen en Heemstede, en vooral Overveen is het land der voorjaarsbloemen bij uitnemendheid. Dan zien wij uitgestrekte tuinen en velden, voor de teelt van hyacinthen en tulpen bestemd, in hun’ vollen luister en hun schitterende pracht.” Een Craandijk die op toeren was, stroomde steeds over van de loftuitingen – voor ons nu soms een beetje te uitbundig. Dat gold te meer toen hij en zijn metgezel de zuidelijke Veluwe en het aangrenzende Neder-Rijngebied bezochten. “Fraai gevormde en sierlijk begroeide hoogten, in vergelijking met de vlakke velden, die het grootste deel van ons vaderland aanbiedt, wel ‘bergen’ te noemen, verheffen zich aan den oever der rivier. Heerlijke vergezigten zijn er te genieten, zoowel over de woeste Veluwe als over de vruchtbare Betuwe en den schoonen stroom, die zich daar beneden slingert.” - zo introduceert hij het bezoek in deel 5. Vanaf het Wageningse omnibusstation verplaatsten ze zich te voet naar de ‘Wageningsche Berg’, dat toen een ‘ruim en goed ingericht hôtel, in Zwitserschen stijl’ was. ’s Avonds op het hoge terras, raakte Craandijk kennelijk in vervoering en schreef hij: “Blanke zeilen van zachtkens voortdrijvende schepen weerspiegelen hier en daar en brengen leven in het landschap, waarover allengs de schemering daalt. De heerlijkheid der volle maan vervangt den glans der zomerzon. Een fijn zilvergrijs verspreidt zich over den omtrek. Enkele torens en boomen teekenen zich als donkere schaduwen af. Op de golfjes der rivier danst het maanlicht en in de plassen straalt het als in spiegels van metaal.” De beide wandelaars lijken nog weer een iets andere toon aan te slaan wanneer ze de Graafschap schetsen. Net als eerder Overveen, vormde ook Vorden tot twee keer toe een uitvalsbasis voor een verhalende tocht. Toen het dorp voor de eerste keer werd bezocht, was het eerst het eindpunt van een wandeling vanuit Zutphen. In deel 2 (1876) werd deze wandeling als volgt geïntroduceerd: “Daar wij derhalve eene zandstreek te bezoeken hebben, is het laatst der Julijmaand voor onzen togt het verkieslijkst. Dan staat de rogge nog te velde, dan bloeit de boekweit, dan prijkt het landschap in zijn’ rijken zomerdosch.”

KLASSIEKERS MET

EZELSOREN

Nadat de dagbestemming eenmaal is bereikt, schrijft de reisleider onder meer: “Maar in de vorige eeuw [dus in de 18de] was Vorden nog niet zulk een ‘braaf’ dorp als tegenwoordig. Het heeft bij den aanleg van den straatweg [nl. ca. 1840] veel gewonnen, en het draagt de teekenen van zijn welvaart in zijn vrij groote uitgestrektheid, in de goed onderhouden woningen en in het niet onbelangrijk getal buitengoederen, die het omringen. In den zomer is het logement vol vreemdelingen, en niet weinig landschapschilders kiezen Vorden in dien tijd tot hun hoofdkwartier.” Een nogal nuchtere positionering dus, die wordt gevolgd door historische en anekdotische verhalen en beschrijvingen van bouwwerken en in het bijzonder van de kastelen en kerken. Eén van die kerken kwam kort voor Craandijks bezoek gereed: de r.-k. Antonius in het buurtschapje ‘Kranenberg’, een vroeg ontwerp van P.J.H. Cuypers. Na een bezoek schrijft Craandijk: “Te midden van het eenvoudig landschap met de kalme schoonheid zijner rustige velden en stille, ernstige bosschen treft ons dit schitterend menschenwerk.” In het laatste deel van de reeks (deel 8, Nieuwe Wandelingen; 1888) doen Craandijk en Schipperus nogmaals Vorden aan, dat intussen ook per spoor bereikbaar was geworden. De landweg van het spoorwegstation naar het dorp was intussen nog wat achtergebleven: “De zandweg tusschen het station en het dorp, die ons niet ver van het logement en de kerk aan ‘t begin der dorpsstraat brengt, is spoedig afgelegd en door een paar welvarende zijstraten bereiken wij den ouden Zutphenschen weg, een breed, zeer zwaar zandspoor, aanvankelijk zonder eenig lommer, tusschen uitgestrekte, door boschjes begrensde akkers. Dit open gedeelte is in den zomer lang genoeg en moeijelijk genoeg te betreden, om met verlangen te doen uitzien naar wat koele schaduw en een hard voetpad. Met groote blijdschap begroeten wij dan ook de lange eikenlaan, wier bladerendak de zonnestralen afweert en die ons tot in de nabijheid van het huis Hackfort haar verkwikking kan blijven aanbieden, tenzij wij door een landhek den smallen eiken- en elzensingel willen opgaan, om langs de beek met haar ruigbewassen oevers meer regtstreeks op het kasteel aan te komen.” Het bedoelde logement – mogelijk een nog bestaande horecavestiging - genoot daar de voordelen van en in het verlengde van hun eerdere bezoek wordt opgemerkt: “Dat het logement vergroot en eenigszins vernieuwd is, bewijst, dat het zijn’ ouden, welverdienden roem nog in geenen deele heeft verloren. ‘t Is nog altijd in den zomer vol gasten en de landschapschilders zijn Vorden nog niet ontrouw geworden.” Verder voert Craandijk de lezer in deel 8 opnieuw door de omstreken van het dorp en verhaalt hij van adellijke geslachten en hun huizen. Uitweidingen over een adembenemend landschap zijn vreemd genoeg tamelijk schaars – en dat terwijl deze omgeving tegenwoordig juist zeer gewild is voor het midweek- en buiten-seizoentoerisme. Het lijkt erop dat Jacobus Craandijk vooral gecharmeerd was van vergezichten, want die spelen vaak een hoofdrol in zijn beschrijvingen. Zo vinden we onder Vorden nog de volgende ontboezeming betreffende de omgeving van het uit 1832 daterende herenhuis de Dekanij, toen woning van de burgemeester: “De wandeling is er vrij

25

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 25

27/05/2020 16:58


KLASSIEKERS MET

EZELSOREN

en al is het terrein niet zeer uitgestrekt, de ingezetenen en gasten van Vorden hebben reden, om de welwillendheid des burgemeesters hoog te waardeeren, waardoor hun mede een deel van ‘t genot wordt vergund, ruimschoots te smaken te midden van het smaakvolle plantsoen, met zijn schoon geboomte, zijn rijke bloembedden, zijn fraaije waterpartij en zijn verscheidenheid van uitzigten op de weiden voor en achter het huis, op de boschjes, die hen omringen en het dorp met zijn hooge torenspits. Het houtgewas vooral is er schoon van vorm en vertoont de rijkste afwisseling van tinten. Wij zien er hooge, slanke abeelen met hun prachtige, regte grijswitte stammen, donkere bruine beuken, accasia’s, eiken, eschdoorns, platanen, kastanjes, fijne sparren van allerlei soort; een schoone treurbeuk, velerlei heester- en siergewas, en blanke waterleliën bloeijen in den vijver, terwijl alles getuigt van een zorgvuldig onderhoud, gelijk het voegt aan de bewoonde huizinge in de onmiddellijke nabijheid van het welvarende dorp.” Tot zover enkele zomerse wandelingen in het laatste kwart van de 19de eeuw, beschreven en getekend door Craandijk en Schipperus. Vergeef hun en de herlezer het gezwollen taalgebruik en neem – ondanks dat nieuwsgierig geworden - desgewenst eens een kijkje in één of meer van de wandelgidsen.

VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

2020

Veruit het mooist zijn natuurlijk de geïllustreerde originele exemplaren, die elk meerdere drukken beleefden. Misschien zijn ze wel iets voor op een terras, met een koel biertje binnen handbereik en dit dan onder de verzuchting: “Ik houd erg van een mooi uitzicht buiten, maar ik moet er iets bij te drinken hebben.” Zoals gezegd: het zijn bundeltjes die voor verzamelaars van curiosa ware hebbedingetjes zijn, maar die ook fraaie ‘doorkijkjes’ bieden in laat-19de-eeuwse landschapservaring en niet het minst ook in de toen opkomende toeristenbranche. Een mooie zomer gewenst. Noten  Al op blz. 4 van het eerste deel spreekt Craandijk van “… toen wij aan ‘t station Beverwijk den trein verlieten.” 2  De tellingen zijn digitaal uitgevoerd en omvatten – behalve waar dat overduidelijk geen betrekking heeft op weer of seizoenen (bv. Winterswijk) – alle vermeldingen. Dus ook die in gedichten, citaten, historische feiten, enz. ‘Regen’ (ca. 80 keer) is van alle seizoenen en bleef buiten beschouwing. 3  De vermoedelijk betrouwbaarste toewijzing van deze kwinkslag, nl. aan dichter Willem Kloos, is die in Tim’s herinneringen van Aeg. W. Timmerman, (1938), p. 265. n 1

Klassiekers met ezelsoren Er is geen serieus muziektijdschrift meer dat niet terugluistert en juweeltjes uit de voorbij jaren van de klassieke, jazz en popmuziek weer oppoetst. Rubrieken als Vinylzucht (Oor) en een blad als Record Collector laten zien dat hier vraag naar is. ‘Oude boeken?’, zult u zeggen. ‘Kennis en informatie halen we nu toch van internet?’ Ja – er is veel op internet te vinden, maar er is veel meer niét te vinden. De ‘Wikipeed’ is al snel tevreden en denkt dat Wiki- en al die andere Pedia’s en Media’s alle kennis van toen en nu beslaan. Ammehoela – of beter: was het maar waar. Bekijk het verschil tussen de versies van één lemma maar eens in verschillende talen: het levert vaak een wereld van verschil op. En dan hebben we het hier nog niet eens over het fenomeen van het nepnieuws en de ‘nepfeiten’. Begonnen als grap, maar intussen ontaard in een wereldwijd systeem van elkaar belazeren tot feiten en verzinsels amper meer van elkaar te onderscheiden zijn. Alle reden om terug te kijken naar een periode waarin feiten nog feiten waren. En soms misschien ook naar een periode waarin feiten nog geen feiten waren of als ‘non-feiten’ werden ontmaskerd. Herlezen van oude boeken kan verrassende vergezichten opleveren en soms ook tonen dat de auteur knap ‘bijziend’ was. In de vakgebieden waarop Vitruvius zich in het bijzonder richt, hebben dit soort gedrukte uitingen van kennis en soms ook van onzin een bijzondere betekenis. Ze behoren grotendeels tot de humaniora en ze zijn bijna per definitie doorspekt met

meningen. Mooi en lelijk, groot en klein en zelfs kleuren zijn subjectieve waarden. Talloze van zulke in het verleden op schrift gestelde subjectieve waarden vertegenwoordigen echter een te raadplegen bron van contemporaine kennis of opvattingen. Bijna iedere dissertatie bevat een globaal overzicht van wat vakgenoten in het verleden over het onderwerp hebben geschreven. Maar je hoeft geen proefschrift te schrijven om je te verdiepen in het verleden van je vak. Soms is oude literatuur interessant om zichzelfs wille: bijvoorbeeld als verzamelobject. Verder kun je met oude literatuur een spoor ontdekken in de (cultuur) wetenschappelijke theorievorming. Maar ook kan het puur om de inhoud gaan. Vele honderdduizenden zelden of nooit geraadpleegde boeken doen op alle continenten planken doorbuigen. Ze bevatten schatten aan contemporaine feiten - en helaas ook non-feiten – die ons nog steeds ‘aan het denken kunnen zetten.’ Zo bevatten talloze 19de-eeuwse uitgaven rijk geordend, statistisch en tabellarisch materiaal over uiteenlopende onderwerpen in tijd, ruimte en cultuur. De redactie roept lezers en belangstellenden van Vitruvius op bijdragen in te zenden over betekenisvolle historische uitgaven op het gebied van erfgoed en cultuurhistorie in ruime zin. U kunt zich richten tot: info@uitgeverijeducom.nl

26

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 26

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

recent

2020

VERSCHENEN

De toekomst van Nederland. De kunst van richting te veranderen. AUTEUR

Floris Alkemade (Rijksbouwmeester) UITGAVE

THOTH i.s.m. Atelier Rijksbouwmeester

Paperback, 144 pagina’s, met 45 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-807-8

D E TA I L S

PRIJS

€ 16,95

N

ederland staat voor een aantal complexe vraagstukken. De klimaatverandering, de vergrijzende samenleving, de overstap naar hernieuwbare energie, het nijpende tekort aan woningen en de verduurzaming van de landbouw. Als rijksbouwmeester is Floris Alkemade direct betrokken bij studies die zich richten op de toekomst van Nederland. In dit boek beschouwt hij in het licht van de grote vragen die op ons afkomen het belang en de aard van de achterliggende culturele thema’s. Nederland neemt ten opzichte van de globale vragen een

unieke positie in, waarbij de noodzaak om te veranderen in essentie een sociaal-maatschappelijke vraag is. De auteur betoogt dat onze hedendaagse welvaart zo’n onvoorstelbare vlucht heeft genomen dat iedere verandering allereerst als een bedreiging wordt ervaren. Juist nu het vermogen om van richting te veranderen aangesproken moeten worden. De krachtigste motor voor verandering is het oproepen van verlangen naar verandering. Verbeeldingskracht is daarbij essentieel. Niet de wereld bepaalt wie we zijn, maar omgekeerd, met onze verhalen vormen we de wereld. n

Irenestraten – Alledaags erfgoed van de wederopbouw. AUTEURS

Leo van den Berg, Madeleine Steigenga UITGAVE

Blauwdruk D E TA I L S

Hardcover, 168 pagina’s, geïllustreerd in kleur, ISBN 978-94-9247-400-1 PRIJS

€ 24,50

I

n de periode kort na de oorlog moest worden voldaan aan een enorme vraag naar nieuwe en betaalbare woningen. In sneltreinvaart werden ze gebouwd: de rijtjeswoningen, de twee-onder-een-kappers en de portiekflats. Overwegend eenvoudig, soms smaakvol, allemaal naar de middelen en de geest van de tijd. Ze vonden een plek in straten en lanen die vaak de naam kregen van één van de prinsesjes. Sociaalgeograaf Leo van den Berg bezocht alle 392 Irenestraten die Nederland telt, legde de hedendaagse kwaliteiten vast in simpele maar veelzeggende foto’s en noteerde het wat, waar en hoe.

gen en maar al te vaak wordt gekozen voor sloop en nieuwbouw. Wordt die keuze niet te makkelijk gemaakt, vraagt Van den Berg zich af? Gaan we wel zorgvuldig genoeg om met dit alledaagse erfgoed van de wederopbouw?

Nog steeds vormen ze een vertrouwd beeld in Nederlandse woonwijken. Maar de huidige tijd vraagt ook om aanpassin-

Irenestraten is een pleidooi voor een zorgvuldige omgang met het alledaagse erfgoed van de wederopbouw. n

Zijn beeldverhaal is aangevuld met portretten van bewoners en met intermezzo’s over thema’s als sociale woningbouw, de kunst in de openbare ruimte, de kerkarchitectuur en het groen. In een uitvoerige inleiding schetst architecte Madeleine Steigenga de geschiedenis van de naoorlogse volkshuisvesting en zijn architectuur.

27

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 27

27/05/2020 16:58


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

Makeable Land; Backgrounds and Progress of Land Consolidation, Making of New Land and Land Reclamation in the Dutch Post-War Reconstruction Period (1940-1965). AUTEUR

Frits (A.F.J.) Niemeijer UITGAVE

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) D E TA I L S

PDF-document, 308 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd in zwart-wit en kleur, tabellen, kaarten. ISBN/EAN: 978-90-5799-325-1 Download: https://english.cultureelerfgoed.nl/ publications/2020/01/01/makeable-land (28,7 MB) PRIJS

Gratis te downloaden

D

e in 2016 verschenen (digitale) uitgave ‘Het maakbare land; Ruilverkaveling, nieuw land en landontginning in de wederopbouwperiode (1940-1965)’ is nu ook in het Engels verkrijgbaar. De omvang van beide versies is vrijwel gelijk, maar het sinds april jl. online raadpleegbare ‘Makeable land’ verschilt toch aanzienlijk van de eerdere versie. Niet alleen is het werk geactualiseerd, maar ook de indeling is belangrijk aangepast, waardoor de interne

De Koninklijke Nederlandsche Glasfabriek J.J.B.J. Bouvy. - Dordrecht 1854-1926 Leverancier van vensterglas. AUTEUR

Laura Roscam Abbing UITGAVE

Het dochterhuis D E TA I L S

Hardcover, 368 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-90-8196-202-5 PRIJS

€ 30,-

O

ver het vensterglas uit de periode 1850- 1930 is zeer weinig bekend. Door onderzoek te doen naar een in die tijd zeer bekende fabriek heeft Laura Roscam Abbing kennis bijeengebracht over het vlakglas en de vlakglasindustrie in die periode. De Koninklijke Nederlandsche Glasfabriek J.J.B.J. Bouvy (1854-1926) in Dordrecht was een goedlopend familiebedrijf met internationaal aanzien, een brede klantenkring, een breed assortiment met alle mogelijke soorten vensterglas (functioneel en decoratief), een glasatelier, kantoren in

NUMMER

52

JULI

2020

consistentie en de evenwichtigheid zijn vergroot. De auteur leidt de lezer eerst door een intro waarin achtergronden van het onderzoek dat tot deze publicatie leidde, worden belicht. Vervolgens passeren verschillende aanleidingen de revue die de motieven vormden voor de snelle en ingrijpende veranderingen die het Nederlandse platteland onderging in de periode 1940-1965. In het bijzonder wordt hierbij aandacht geschonken aan oorlogsschade, aan de watersnoodramp van 1953 en tevens aan verschillende ‘achterstandsfactoren’. De uitvoering van de vernieuwingen staat centraal in het derde gedeelte, waarbij een aantal concrete maatregelen, ingrepen en betrokkenen voor het voetlicht worden gebracht. Hier valt onder meer te denken aan verbetering van ontsluiting, waterhuishouding en verkavelingstoestand en ook aan maatschappelijke verhoudingen. Beide uitgaven zijn verlevendigd door middel van 14 kaderteksten die typerende gebieden en ontwikkelingen belichten. Van de 14 kaderteksten vallen er acht samen met de zogenoemde ‘Landelijke gebieden uit de wederopbouwjaren’ zoals die voorkomen in de uit 2010/2011 daterende Rijksnota ‘Kiezen voor karakter; Visie erfgoed en ruimte (VER). (De Nederlandse versie is o.m. benaderbaar via: https:// www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2016/01/01/ het-maakbare-land-ruilverkaveling-nieuw-land-en-landontginning-in-de-wederopbouwperiode-1940-1965) n

onder meer Amsterdam, Rotterdam en Utrecht en agentschappen verspreid over Nederland. Zo beroemd als de fabriek in zijn tijd was, zo onbekend is hij nu; zijn naam is vergeten en zijn erfgoed verstopt. De rode draad door het onderzoek is het erfgoed dat Bouvy heeft nagelaten in de vorm van allerlei soorten glas, zoals gebogen glas, glas in lood, etsglas en gebrandschilderd glas. Dat glas is door Laura Roscam Abbing opgespoord door oproepen te plaatsen in tijdschriften. Door veel bezitters van gesigneerd Bouvy-glas is gereageerd door het melden van vindplaatsen en het opsturen van foto’s. De vele foto’s van Bouvy-glas in het boek laten de hoge kwaliteit en het brede assortiment zien, dat de fabriek kon leveren. Het onderzoek leidt tot de conclusie dat onze huidige, gebouwde omgeving zonder de firma J.J.B.J. Bouvy – en zonder zijn Nederlandse glascollega’s – niet hetzelfde zou zijn geweest. De stormachtige ontwikkelingen in de bouw en de wisselwerking met innovatieve bedrijven als Bouvy zijn in onze omgeving nu nog terug te zien. De invloed van Bouvy en het glas dat de firma naliet, is al generaties meegegaan. Deze erfenis verdient het om meer in de aandacht te komen en te worden gewaardeerd als wezenlijk onderdeel van het Nederlandse culturele erfgoed. n

28

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 28

27/05/2020 16:58


VITRUVIUS

NUMMER

52

JULI

recent

2020

Per imperatief plakkaat. Overheid en pestbestrijding in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

zuiveren en bad tot God. In de veertiende eeuw kwam men op de gedachte dat pest werd veroorzaakt door een smetstof die van mens op mens werd overgebracht. De besturen van Italiaanse stadstaten waren de eersten die hiertegen gerichte maatregelen namen: cordons en quarantaines. De Staten-Generaal en de gewestelijke besturen in de Republiek keken bij pestepidemieën lang weg en probeerden uitbraken te verzwijgen. Pas vanaf 1665 ging men geleidelijk over op een centrale, primair-preventief gerichte aanpak.

AUTEUR

A.H.M. Kerkhoff UITGAVE

Verloren D E TA I L S

Paperback, 298 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-8704-810-5 PRIJS

€ 35,-

I

n de Oudheid en de Middeleeuwen dacht men dat pest werd veroorzaakt door kometen en hemellichamen die de lucht bezoedelden. Men probeerde lucht en bodem te

De Bosatlas van de Tweede Wereldoorlog vertelt hiermee op de eigen kenmerkende wijze het verhaal over 75 jaar vrijheid en strijd tegen onvrijheid. In compacte (beeld)verhalen laat de atlas de Tweede Wereldoorlog in een uniek breed perspectief zien: • Botsing van ideologieën in het interbellum • Inval, collaboratie, verzet, holocaust, oorlog in Nederlands-Indië, bevrijding • Dekolonisatie, Koude Oorlog, vredesmissies, Srebrenica, herdenken en vieren

AUTEURS

Nationaal Comité 4 en 5 mei UITGAVE

Noordhoff D E TA I L S

Gebonden, 256 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-0112-251-5 PRIJS

€ 39,95

H

eldere kaarten, gedetailleerde infographics en authentiek fotomateriaal laten de Tweede Wereldoorlog op een nieuwe manier zien. Niet alleen de aanloop en de oorlogsperiode komen aan bod, maar ook de doorwerking in

1 15500 DE GES CH

IS

DE BIJE NK

ORF 15 0 JAAR

In het jaar waarin we vieren dat Nederland al 75 jaar in vrijheid leeft zijn de effecten nog steeds waarneembaar. De Bosatlas sluit af met een overzicht van vrijheid en onvrijheid in de huidige wereld en toont daarmee aan hoe bijzonder 75 jaar leven in vrijheid in Nederland is. n

I

De Bijenkorf 150 jaar. IEDENIS VAN EE ICONIS CH WARE N NHU

Op basis van archiefonderzoek laat A.H.M. Kerkhoff zien, dat politieke en economische overwegingen hierbij veel invloedrijker waren dan medisch-theoretische inzichten. Het gevoerde beleid was hard, sober en zuinig, maar effectief. Anders dan in andere Europese landen hebben zich in de Republiek geen pestepidemieën meer voorgedaan. n

politiek en maatschappij tot op de dag van vandaag.

De Bosatlas van de Tweede Wereldoorlog.

VERSCHENEN

AUTEUR

John F.C.M. van Nuenen UITGAVE

Scriptum D E TA I L S

Paperback, 816 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-90-8816-035-6 PRIJS

€ 34,95

n deze uitgave ter gelegenheid van het honderdvijftig jarig bestaan van de Bijenkorf wordt de geschiedenis beschreven van het inmiddels als iconisch bestempelde warenhuis. Het vertelt het verhaal van de mensen die aan zijn wieg hebben gestaan en de mannen en vrouwen die het groot maakten. Een instituut waar tal van belangrijke cultuurdragers hun naam aan verbonden: van Karel Appel, Constant en Corneille, tot Benno Premsela, Friso Kramer, Anthon Beeke, Paul Huf en Simon Carmiggelt. Een warenhuis dat altijd voorop heeft gelopen als het om mode en vormgeving ging en dat in moeilijke tijden half Nederland op de been wist te krijgen met de slogan de Bijenkorf moet blijven! n

29

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 29

27/05/2020 16:58


Doe mee... en win!

LEZERSACTIE

Mag dit weg. Methodiek voor herbestemming. Karianne Vandenbroucke NAI 010 D E TA I L S Paperback (met flappen), 128 pagina’s, geïllustreerd (82 kleur), Met voorwoord van Joks Janssen (RCE en bestuur Erfgoedacademie), ISBN: 978-94-6208-557-2 PRIJS € 29,95 AUTEUR

UITGAVE

H

erbestemming van erfgoed is niet langer voorbehouden aan restauratiespecialisten, maar behoort tegenwoordig tot de dagelijkse praktijk van menig architectenbureau. Waar het in die praktijk aan ontbreekt, is een werkbare methodiek. Hoe breng je de vakinhoudelijke invalshoek (cultuur- en bouwhistorie) en de operationele aanpak (bouwprogramma en gebiedsontwikkeling) samen? Hoe zorg je dat de kernkwaliteiten van een pand en de beoogde functie elkaar aanvullen en versterken – en knelpunten intelligent worden opgelost? Karianne Vandenbroucke werkt sinds 2016 als erfgoed-

30

specialist bij Rijnboutt. Wat begon als het aanreiken van ontbrekende kennis, mondde uit in een persoonlijke zoektocht om haar wetenschappelijke oriëntatie en jarenlange ervaring in traditionele restauratieprocessen aan te laten sluiten op de pragmatiek en het tempo van een commerciële bouwpraktijk. De methodiek voor herbestemmen van erfgoed die in dit boek beschreven wordt, is ontwikkeld in een dialoog tussen de auteur en haar collega’s. Aan de hand van drie casussen wordt het belang van de relatie tussen erfgoed en de directe omgeving geïllustreerd. n

Met drie actuele herbestemmingen van jonge monumenten in een veranderde stedelijke context: Post Utrecht – het voormalige Hoofdkantoor voor PTT aan de Neude te Utrecht, The Garage - de voormalige Citroëngarage aan het Stadionplein te Amsterdam en het hoofdkantoor De Telegraaf, Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 30

27/05/2020 16:58


De Tweede Wereldoorlog in honderd foto’s. Erik Somers en Lauren Vastenhout i.s.m. NIOD Instituut voor oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies; Platform WO2; 75 jaar vrijheid D E T A I L S  Gebonden, 144 pagina’s, geïllustreerd (100 afbeeldingen in zw/w), ISBN: 978-94-6258-367-2 PRIJS € 22,95 AUTEUR

U I T G A V E  WBooks

D

e oorlogsjaren komen steeds verder van ons af te staan. Althans, chronologisch. Emotioneel gezien is de oorlog nog steeds dichtbij. Dan zijn het vooral de beelden die het verleden zichtbaar en voorstelbaar maken. De Tweede Wereldoorlog in honderd foto’s is een nationaal project in het kader van 75 Jaar Vrijheid. Inwoners van Nederland zijn uitgenodigd om op uiteenlopende wijze te participeren. In eerste instantie per provincie en daarna op landelijk niveau, zijn de meest aansprekende foto’s van Nederland, Nederlands-Indië, Suriname en de Nederlandse Antillen tijdens de Tweede Wereldoorlog bijeengebracht.

Vertegenwoordigers uit alle geledingen van de samenleving hebben vervolgens De Tweede Wereldoorlog in foto’s samengesteld. Een verzameling die visueel aantrekkelijk is, maar vooral bestaat uit foto’s die hun zeggingskracht ontlenen aan de indringende verhalen die erachter schuil gaan. De Tweede Wereldoorlog in honderd foto’s geeft een veelzijdig en verrassend beeld van hoe de Nederlandse samenleving terugkijkt op de jaren van oorlog, bezetting en onderdrukking. n

LEZERSACTIES Wordt nu abonnee op het vakblad en kennisplatform Vitruvius en ontvang GRATIS één van de bovenstaande publicaties (t.w.v. € 29,95 & € 22,95). Meldt u als abonnee aan via info@uitgeverijeducom.nl Ontvangt u ons vakblad nog als promo en bent u nog geen abonnee? Abonneer u dan nu op het vakblad en kennisplatform Vitruvius en maak kans op 1 van de 5 exemplaren die wij verloten (per publicatie)! Deze actie-aanbieding is geldig tot 17 juli 2020. Geef in uw e-mail duidelijk aan op welk boek u kans wilt maken!

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. ABONNEMENTENINFO 4 nrs/p.jr.: Nederland Particulier € 50,-, incl. btw (Bedrijfsabonnementen € 60,-, ex. btw / België Particulier € 70,(Bedrijfsabonnenten € 80,-, ex. btw).

REDACTIE Blijdenstijn, R. Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H. Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. ir. G.A. Vreeze, dr. ir. N. de FREQUENTE BIJDRAGEN Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M.

© Copyrights Uitgeverij Educom, April 2020, ISSN 1874-5008. Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN: Uitgeverij Educom | Mathenesserlaan 347 | 3023 GB Rotterdam | Tel. 010-425 6544 | info@uitgeverijeducom.nl | www.uitgeverijeducom.nl

VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd 31

31

27/05/2020 16:58


Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS_Apr.2019.indd VITRUVIUS_Juli2017.indd 232 32 VITRUVIUS_Jun.2020_v2.indd VITRUVIUS_Apr.2020_v2.indd VITRUVIUS_Okt.2019_v2.indd

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

13/02/19 15/06/17 22:28 14:42 27/05/2020 16:59 25/02/2020 16:32 06/09/2019 18:54

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius Juli 2020  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur.

Vitruvius Juli 2020  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur.

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded