Vitruvius Juli 2021

Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 14 | NUM M E R 56 | JU L I 2 0 2 1

DE MANTEL DER BESCHERMING | DE LAURENTIUSKERK VAN JOSEPH CUYPERS EN JAN STUYT ALS TOETSSTEEN

HET STEDELIJK GRID (2) NEDERLANDSE TRADITIE IN EUROPESE CONTEXT

EEN MONITOR VOOR ONS LANDSCHAP


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special Informeer naar de vele mogelijkheden? Stuur een e-mail met uw vragen en wensen naar: info@uitgeverijeducom.nl

VITRUVIUS_Jan.2020.indd 2

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

12/11/2019 20:24


JAARGANG 14 NUMMER 56 JULI 2021

6 HET STEDELIJK GRID (2) NEDERLANDSE TRADITIE IN EUROPESE CONTEXT DR. IR. N. DE VREEZE

15 DE MANTEL DER BESCHERMING | DE LAURENTIUSKERK VAN JOSEPH CUYPERS EN JAN STUYT ALS TOETSSTEEN DR. B. VAN HELLENBERG HUBAR & M. COENEN Kort

4

• Voor u gelezen

24

• Recent verschenen

26

3


kort

VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

Een monitor voor ons landschap

T

ijdens de landelijke NOVI-Conferentie is de Monitor Landschap gepresenteerd. In de Nationale Omgevingsvisie is vastgelegd dat bij ontwikkelingen de kwaliteiten van een gebied centraal moeten staan. Op die manier werken we aan een landschapsinclusief omgevingsbeleid. De Monitor Landschap is een van de instrumenten die hier aan bij gaat dragen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Het Kadaster, LandschappenNL en Wageningen University & Research ontwikkelden deze monitor in opdracht van de ministeries van BZK (Binnenlandse Zaken), OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en LNV (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). De afgelopen jaren is er steeds meer maatschappelijke en politieke aandacht voor landschappelijke kwaliteit. Het in onze samenleving zo gewaardeerde gevarieerde Nederlandse landschap staat onder druk. De zorgen over teloorgang en verschraling van ons landschap nemen toe, terwijl de waardering voor ons landschap alleen maar groter wordt. Het bevat zichtbare sporen van ons verleden en geeft ons een gevoel van verbondenheid. De vraag hoe we ons landschap herkenbaar en aantrekkelijk houden wordt steeds evidenter.

4

Ruimtelijke transities en opgaven De urgentie om te werken aan een leefomgeving waarin landschappelijke kwaliteiten centraal staan wordt versterkt door de grote ruimtelijke transities en opgaven waar we de komende jaren voor staan. Zoals de bouw van mogelijk een miljoen woningen en het grootschalig opwekken van nieuwe energie. Maar ook het versterken van de natuur en circulair maken van de landbouw. Er wordt meer en meer gebouwd in landelijk gebied, van zonneparken tot megastallen terwijl karakteristieke landschapselementen zoals houtwallen verdwijnen. Wat gaat de Monitor Landschap bijdragen? Met de monitor worden de veranderingen van ons landschap in beeld gebracht. Dit gebeurt aan de hand van zes indicatoren: bebouwing, landgebruik, openheid, opgaand groen, historische lijnelementen en reliëf. In de Monitor Landschap is nu de nul-situatie vastgelegd van alle indicatoren. Door jaarlijks de nieuwe metingen te vergelijken met het jaar ervoor, kunnen we de veranderingen volgen. Zo beschikken we de komende jaren over objectieve en telkens actuele informatie over de veranderingen van het landschap. Hiermee kunnen betrokkenen en beslissers het inhoudelijke gesprek voeren: hoe ontwikkelt het land-

schap zich? En hoe maken we de juiste keuzes? Ook kan achteraf worden teruggekeken wat de effecten in het landschap zijn geweest van genomen besluiten en kan het beleid eventueel worden aangepast. Duiding en advisering Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gaat de gegevens vanuit de Monitor Landschap duiden. Elke twee jaar verwerkt het PBL dit in de NOVI rapportage, waarin de ‘staat van het landschap’ wordt opgenomen. In het tussenliggende jaar geeft het PBL een uitgebreidere landschapsrapportage uit, waarin wordt ingegaan op een specifiek ruimtelijk thema. Bouwen aan een duurzame leefomgeving Tijdens de eerste NOVI-Conferentie, georganiseerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken en partners, zijn deelnemers bij elkaar gekomen die betrokken zijn bij de inrichting van de schaarse ruimte in Nederland. Naast de Monitor Landschap komen meerdere voorbeelden aan bod uit de uitvoeringspraktijk en worden ook andere instrumenten gepresenteerd, zoals de landschappelijke structuurdragers en de monitor voor het kustpact. De Monitor Landschap is te vinden op http://www.monitorlandschap.nl n

2021


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

kort

2021

Nieuwe app met excursie-fietsroutes door Nederlands landschap

V

erschillende organisaties zetten dit jaar het Nederlandse landschap in de schijnwerpers. Zo ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Staatsbosbeheer en het Nationale Parken Bureau. Gezamenlijk ontwikkelden ze de app Meesterwerk Nederlands Landschap. Het gaat om zes bijzondere fietsroutes die aan de hand van kunst een link leggen tussen heden, verleden en toekomst van het landschap.

Exposure van Antony Gormley Bijzonder: Op basis van de GPS op zijn mobiele telefoon krijgt de fietser in zijn oortje routeaanwijzingen en informatie over het gebied waar hij dan fietst, zon-

der steeds de telefoon erbij te hoeven pakken. Onderweg zijn een aantal stops waar op de telefoon historische kaarten en schilderijen van oude meesters én hedendaagse kunstenaars verschijnen. De fietser beleeft zo hoe de oude meesters eeuwen geleden datzelfde landschap voor zich zagen en vastlegden, maar ook hoe jonge kunstenaars dit landschap nu ervaren. De fietser wordt uitgenodigd om letterlijk bij het landschap stil te staan en met een andere, nieuwe blik naar het landschap te kijken. Primeur: een afwisselende fietstocht Nationaal Park Nieuw Land in Flevoland heeft vandaag de primeur. Het gaat om een afwisselende fietstocht van ongeveer 35 kilometer met acht stops, die langs het Markermeer, de groenzones van Lelystad en de Oostvaardersplassen voert over vrij liggende fietspaden, waarbij de verhalen en geschiedenis van het landschap centraal staan. De route start bij het buitencentrum Oostvaardersplassen van Staatsbosbeheer in Lelystad.

Naast Nieuw Land verschijnen de komende maanden in nog vijf gebieden die kenmerkend zijn voor de identiteit van Nederland fietsroutes met audiotour: de duinen van Schoorl en de nationale parken Weerribben Wieden, Lauwersmeer, NL Delta en het Dwingelderveld. De app Meesterwerk is te downloaden via de Google Play store of de Apple store. Meer informatie is te vinden op beleefdenationaleparken.nl. De app is één van de projecten van ‘Ode aan het Landschap’. Het is de eerste in een nieuwe opzet van themajaren van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC), in samenwerking met meerdere, wisselende, partners. Was tot nu toe vooral het doel van de themajaren het aantrekken en spreiden van zoveel mogelijk (inter) nationale toeristen, vanaf dit jaar ligt de nadruk, naast spreiding van bezoek, op een maatschappelijke opgave - in 2021 meer kennis, aandacht en waardering genereren voor het Nederlandse landschap. n

Het Nationale Landschap Het Groene Woud, Doc.nr. 550.747 – Beeldbank RCE 5


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

2021

Het stedelijk grid (2) Dr. ir. N. de Vreeze Noud de Vreeze studeerde Bouwkunde aan de TU in Delft.

Nederlandse traditie in Europese context

”There is no one and only source of the orthogonal town plan. Much as, on world scale, the orthogonal plan was ‘invented’ independently in the ancient Near East, China and Central America, it seems to have been ‘invented’ on different occasions in post-Roman Europe as well. After all it is a fact that when the human mind seeks to impose order on a two dimensional plane, the orthogonal grid is just the most obvious solution”. - dr. W. Boerefijn, in: ‘New towns of the twelfth to fourteenth centuries. and the Gridplan.”, Rome, januari 2020

In mijn inleidende artikel (Vitruvius April 2021) heb ik het grid een stedenbouwkundig ontwerp- en ontwikkelingsprincipe genoemd: een dambord-patroon dat door de eeuwen heen overal in de wereld is gebruikt als schema voor gronduitgifte, regulering van grondgebruik en grondeigendom en als onderlegger voor het ontwerp van steden en buurten. In heel Europa werd vanaf de Middeleeuwen het stratenpatroon volgens een grid-patroon populair. Als inspiratie voor het grid als model voor stadsplattegronden in West-Europa worden vaak de steden genoemd uit bloeitijd van de Griekse stadstaten en de Romeinse nederzettingen in de door Rome gekoloniseerde gebieden rond de Middellandse Zee en in de Noordelijke provincies langs de Rijn en de Donau. Maar het is onzeker of er eenn directe relatie is geweest tussen ontwerpprincipes van de klassieken en de ontstaansgeschiedenis van Europese steden.1 Vermoedelijk is het grid óók steeds opnieuw uitgevonden als handig en efficiënt patroon voor de ruimtelijke ordening van steden. 6

Met voorbeelden uit de Europese stedengeschiedenis zal ik verkennen onder welke omstandigheden een grid in het verleden succesvol is ingezet als basis voor stedenbouwkundige plannen. Ik zal ook voorbeelden beschrijven waar die condities ontbraken, waardoor enkele prestigieuze, op een grid gebaseerde plannen uiteindelijk niet werden gerealiseerd. Het grid, een Romeinse nalatenschap? Iedere stad heeft z´n eigen ontstaansgeschiedenis en ver terug in de tijd wordt veel onduidelijk en onzeker. Maar dat er tientallen Romeinse nederzettingen in Europa en het Middellandse Zee gebied zijn geweest, dat bijna al die nederzettingen gebaseerd waren op een grid, èn dat sommige van die op een grid gebaseerde nederzettingen zijn uitgegroeid tot steden staat vast. Een mooi overzicht van het netwerk van nederzettingen langs de noordgrenzen van het Romeinse Rijk is te vinden in de Limes-Atlas van B. Colenbrander e.a., waarin ook enkele reconstructies zijn opgenomen van de vermoedelijke ruimtelijke structuur volgens een grid van deze veelal militaire nederzettingen.2 Er zijn heel wat Europese steden ontstaan op of nabij de plaatsen waar de Romeinen in de door hen bezette gebieden nederzettingen vestigden, maar in weinig van die steden is het oorspronkelijke Romeinse grid nog te herkennen. In Nederlandse steden met een Romeinse oorsprong, zoals Maastricht, Nijmegen, Utrecht, Leiden en Voorburg, is geen directe fysieke relatie terug te vinden met de oorspronkelijke Romeinse bebouwingsstructuur. Keulen is een overtuigend voorbeeld van een stad waarvan de huidige ruimtelijke structuur van het centrum met grote zekerheid kan worden herleid tot de ruimtelijke structuur van een oorspronkelijke Romeinse nederzetting. Vanaf de jaren negentig van de 20ste eeuw is daar archeologisch onderzoek gedaan naar de historische morfologie van de binnenstad.

1 - Structuur van de Romeinse nederzetting als basis voor morfologie van de huidige binnenstad van Keulen. Bron: Stadt Köln, “Kölner Ringstrasse”, en: “Via Culturalis”, Uit: “Städtebauliche Masterplan Innerstadt Köln” (2008)


NUMMER

56

JULI

2021

Bron: Stadt Köln, “Köln – die Rheinmetropole und alte Römerstadt”.(2008)

VITRUVIUS

2 - Voorstelling van de Romeinse nederzetting ter plaatse van het stadscentrum van Keulen. Dat onderzoek werd uitgangspunt voor het herstel van enkele belangrijke routes door het huidige stadscentrum. Die zouden passen in de ruimtelijke structuur van de Romeinse nederzetting en ze vormden daarmee een richtinggevend model van cultuur-historisch belang voor de toekomstige ontwikkeling van de binnenstad van Keulen.3

Bron: Reps, blz.11)

De meeste Romeinse nederzettingen hadden zeven eeuwen na het verval van het Romeinse Rijk, toen in Noord- en Midden-Europa op grote schaal nieuwe steden ontstonden en bestaande oude

3 - Willemstad, 1647

nederzettingen als stedelijke centra betekenis begonnen te krijgen, weinig sporen nagelaten. Archeologische vondsten hebben wel reconstructies mogelijk gemaakt van het netwerk van Romeinse legerplaatsen langs de Rijn, de Donau en in ZuidEuropa, maar van een rechtstreekse fysieke doorontwikkeling tot steden is meestal geen sprake geweest. Wat wel blijvend is geweest is de waardering voor het grid als onderlegger voor nieuwe steden en voor de uitbreiding van bestaande nederzettingen in heel Europa vanaf de 11de en 12de eeuw en daarna, toen een proces van verstedelijking op gang kwam.

Het grid in Nederland en in Europa. De vraag hoe het grid in de aanleg van zoveel Europese steden terecht is gekomen is voor stadshistorici een interessante en relevante vraag. Het lijkt aannemelijk dat in verschillende situaties diverse invloeden een rol hebben gespeeld.4 Voorbeelden van steden uit de klassieke oudheid en publicaties van theoretici over militaire nederzettingen en fortificaties, konden door het ontstaan van de boekdrukkunst op grote schaal worden verspreid. Taverne veronderstelde in zijn proefschrift uit 1978 een zekere invloed van de in 1600 opgerichte Leidse Academie met een specialistische opleiding voor vestingbouwkundig ingenieurs en landmeters. “Het blijkt dat via deze specifieke opleiding de modellen en ontwerpen van de ideale stad, zoals die in Italië waren ontwikkeld, in Nederland zijn verspreid en bekend geworden.”5 Het stadsontwerp was destijds in heel Europa vaak nauw verbonden aan het ontwerp van een militaire vesting. We zien overal stadsplannen die zijn gebaseerd op de militaire discipline en logica van het ontwerp van verdedigingswerken: een rationele, rechthoekige bebouwingsstructuur, aangepast aan de optimale vorm van de vesting.6 Maar je hoefde de klassieken niet te kennen of een academische opleiding te hebben gevolgd om op grond van praktische overwegingen en lokale tradities te kiezen voor het rechthoekige schema als uitgangspunt voor het ontwerp van een nieuwe stad of een stadsuitbreiding. Contemporaine voorbeelden van nieuwe steden kunnen bekend zijn geweest. En er waren altijd ook eigen ervaringen en inzichten die ingezet konden worden bij het ontwerpen van stadsplattegronden. In de Lage Landen heeft de praktijk van waterbeheer en agrarische ontginningen een rol gespeeld: kennisoverdracht door landmeters en vestingbouwkundig ingenieurs zullen een waarborg gevormd hebben voor het voortbestaan van diepgewortelde tradities, waarin rechthoekige patronen al lang hun praktisch nut hadden bewezen.7 In de Middeleeuwse stedenontwikkeling in Europa worden veelal twee periodes onderscheiden: vanaf de 11de en de 12de eeuw zijn honderden nieuwe steden ontstaan en in de periode na 1500 zijn voor diverse steden uitbreidingsplannen 7


Bron: R. Rutte e.a., “Stedenatlas Jacob van Deventer”, blz. 30

VITRUVIUS

4 - Vianen, 1320-1340

5 - Uitbreiding Enkhuizen 1590-1600. Bron: Blaeu’s “Toonneel der Steden van de Vereenighde Nederlanden”, 1652

NUMMER

56

JULI

Het grid in de negentiende eeuw Waren in de Middeleeuwen honderden nieuwe steden ontstaan, de negentiende eeuw werd een periode van onstuimige groei van bestaande steden, tot vaak meer dan een miljoen inwoners. Enkele elkaar versterkende factoren hebben de nooit eerder vertoonde groei van steden in deze periode veroorzaakt. Aanvankelijk werd de bevolkingstoename opgevangen door verdichting van bestaande steden, met dramatische gevolgen voor huisvestingssituaties en voor de stedelijke hygiëne.10 Pas toen in de tweede helft van de 19de eeuw militaire verdedigingswerken over-

voorbereid en soms gerealiseerd. In beide periodes werd het grid vaak gebruikt als schema voor de stedelijke verkaveling. De Stedenatlas van Jacob van Deventer laat stadjes en dorpen zien in de Noordelijke Nederlanden, inclusief het huidige België en Luxemburg, waar het grid uitgangspunt is geweest.8 Het rechthoekige patroon van straten en bouwblokken werd meestal omsloten door een vesting met poorten en torens, en soms sloot het ontwerp voor de vesting aan bij natuurlijke barrières of bij de rooilijnen van bestaande bebouwing. De grenzen van het grid werden zodoende bepaald door bestaande of nieuwe waterlopen, door nieuwe muren voor de verdediging van een nieuwe stad of door oude muren rondom een bestaande stad, zoals bijvoorbeeld bij de uitbreiding van Leiden en Enkhuizen. Nieuwe nederzettingen ontstonden vaak in de nabijheid van een kasteel of klooster, waarbij het initiatief tot een rationeel rechthoekig verkavelingsplan en de eerste gronduitgifte uitging van lokale grondbezitters, adellijke families of kerkelijke autoriteiten. De persoon of instelling die een nieuwe nederzetting of een stadsuitbreiding kon initiëren moest over de macht beschikken om een groot stuk grond naar eigen inzicht en volgens een samenhangende structuur te verkavelen en misschien zelfs deels in te richten, om vervolgens kavels te verpachten, te verkopen of voor bepaalde functies om-niet beschikbaar te stellen. Daarmee werd dan de basis gelegd voor verdere ontwikkeling tot dorp of stad. Een gunstige locatie voor een markt vormde vaak de waarborg voor lucratieve gronduitgifte en was zodoende ook aanleiding en stimulans voor verdere lokale en regionale ontwikkeling.9 8

2021

6 - Berlijn, (1) Bebauungsplan Hobrecht, 1850 (2) Uitsnede Friedrichshein, 1700 (3) Verkaveling Berliner Mietkaserne, Prenslauer Berg. Bron: B. Hentschel, blz. 43 en: D. Mehlhorn, blz. 284)


NUMMER

56

JULI

2021

Bron: B. Hentschel, blz. 70

Bron: J. Busquets, (2005) blz. 127

VITRUVIUS

7 - Wenen, Ringfstrasze, Uitbreidingsplan 1860. bodig werden geacht werd planmatige uitbreiding van steden eenvoudiger. In diverse Europese steden, en ook in Nederland, zijn toen grootse plannen voor stadsuitbreidingen gemaakt.11 Sommige van deze stadsuitbreidingen zijn wereldberoemd geworden, zoals de uitbreidingen van Berlijn, Barcelona en Wenen. Het grid is daar gebruikt om een moderne stedelijke schaal, prestige en samenhang te waarborgen, en tegelijkertijd om een zo groot mogelijke vrijheid mogelijk te maken voor de inrichting en architectonische vormgeving van afzonderlijke kavels. Door ze hier na elkaar te presenteren wordt duidelijk hoe verschillend de signatuur van een grid al kon zijn in de ontwerpfase. In de verdere ontwikkeling blijken die verschillen alleen maar groter te zijn geworden. In Berlijn waren vanaf de 18de eeuw grote ongeplande stadsuitbreidingen ontstaan, zonder een samenhangende structuur van wegen en gebouwen. Het stadsplan van Hobrecht uit 1850, dat stap voor stap werd ontwikkeld en gerealiseerd, bleef gebaseerd op deze chaotische maar niet dicht bebouwde stadsuitbreidingen. Hobrecht baseerde zijn plan op gridpatronen voor een samenhangend stelsel van doorgaande routes, maar met handhaving van bestaande stadsuitbreidingen. Daarbinnen ontstonden volgens de regie van het plan van Hobrecht buurten met een voor Berlijn karakteristieke bebouwingswijze. Hier is de morfologische basis te vinden voor de wereldberoemde buurten met ‘Berliner Mietkaserne’. Vanwege de maatvoering en het strakke grid is binnen het Hobrechtplan voor de hele stad eigenlijk alleen Friedrichshain, dat rond 1700

8 - De uitbreiding van Barcelona, Eixample, 1859-1863

ten westen van het oude stadscentrum was gerealiseerd, goed te onderscheiden. Een monumentale as en het grid van die stadsuitleg is nog steeds, of eigenlijk nu weer opnieuw, het historische centrum van de stad: Unter den Linden, die zich vanaf het oude stadscentrum uitstrekt van oost naar west, tussen het onlangs weer opgebouwde stadspaleis en het zogenaamde Museum Insel tot aan de entree van Tiergarten met de Brandenburger Tor. Het Hobrechtplan heeft veel kenmerken van een gridplan, maar het heeft uiteindelijk niet bijgedragen aan een herkenbare structuur voor de stad als geheel. Daarvoor was de stadsstructuur al te veel vastgelegd in willekeurige routes en eigendomsgrenzen. In het revolutie-jaar 1848 had het leger van de Habsburgse keizer zich nog moeten terugtrekken achter de muren van de binnenstad van Wenen. Maar tien jaar later durfde Keizer Franz Joseph het aan om, tegen het advies van zijn militaire adviseurs in, het besluit te nemen om de verdedigingswerken rond de stad te laten slopen. Daardoor zou eindelijk ruimte ontstaan voor moderne militaire faciliteiten, maar vooral ook voor aantrekkelijke woonbuurten voor de rijke inwoners en voor stedelijke voorzieningen, die de Keizerlijke allure van Wenen zouden waarborgen. Met een geraffineerde compositie van gridpatronen kon een ring rondom de stad gevormd worden met doorgaande routes, ruimte voor parken, royale boulevards, grote kavels voor chique woongebouwen voor de elite van de stad en weloverwogen locaties voor monumentale gebouwen voor bestuur, cultuur en handel. Er kwam een interna-

tionale wedstrijd voor een integraal plan en uiteindelijk stelde een door de Keizer benoemde ‘Stadterweiterungskommission’ een definitief plan vast, dat gebaseerd was op de beste ideeën van de meer dan vijfentachtig deelnemende architecten. Gridpatronen waarborgden de beoogde samenhang en ruimtelijke allure van het hele Ringstrasse-project, met veel vrijheid voor latere invullingen. En tegelijkertijd ontstonden doelmatige radiale verbindingen tussen het oude stadscentrum en de buurten van de voorstad.12 Net als in Wenen werd het ontwerp voor de uitbreiding van Barcelona in de tweede helft van de 19de eeuw mogelijk gemaakt door de sloop van vestingmuren rondom de middeleeuwse stad: er moest een plan komen voor de modernisering van de haven en voor de uitbreiding van de stad om ruimte te scheppen voor de bevolking en de bedrijven in de overvolle binnenstad. In 1859 schreef het stadsbestuur een prijsvraag uit voor een stedenbouwkundig ontwerp. Na een interventie van de centrale regering in Madrid werd gekozen voor het radicale plan van Ildefonso Cerdà, waarin de oude stad excentrisch kwam te liggen en een nieuw, in de toekomst verder uit te breiden, havenfront zou ontstaan. Geen enkele stad in Europa heeft op zo grote schaal en zo consequent een stadsuitbreiding gerealiseerd met de toepassing van één uniform gridpatroon. Cerdà stelde voor dat zijn grid met uniforme routes en bouwvlakken uitgewerkt moest worden volgens door hem opgestelde bebouwingsvoorschriften, regels voor de sociale samenstelling van de bouwblokken en ontwerpprincipes voor de vormgeving en het gebruik van de diagonale boulevards, de 9


VITRUVIUS

parallelle straten, kruispunten, pleinen en de deels openbare binnenterreinen van de bouwblokken. Maar zo is het niet gegaan. Het grid van Cerdà bleef als ruimtelijk stramien overeind, maar voor de regulering van de invulling volgens zijn principes ontbrak het de gemeentelijke overheid aan doortastendheid en politiek draagvlak om meer te doen dan het handhaven van het plan als rooilijnenplan.13 Uit oogpunt van planning is dat wellicht te kenschetsen als gemakzuchtig pragmatisme, maar dit pragmatisme maakt juist de potentiële kwaliteit van een grid zichtbaar: binnen een ruimtelijk kader dat een logische en aantrekkelijke samenhang voor een groot stedelijk gebied waarborgt blijkt een grote vrijheid voor bouwinitiatieven te kunnen bestaan en zo kunnen verschillende karakteristieken voor buurten, die alleen maar langzaam tot ontwikkeling kunnen komen, naast elkaar bestaan. Idealen en de weerbarstige werkelijkheid Maar lang niet altijd was er voor grootse en ambitieuze plannen op basis van een grid voldoende politiek en bestuurlijk draagvlak en voldoende centraal gezag om allerlei praktische bezwaren te overwinnen. En dat was voor de toepassing van een grid als basis voor een stadsplan wel noodzakelijk.

NUMMER

56

JULI

2021

De geschiedenis van London laat een uniek voorbeeld zien van hoe de ambitie om een bestaande stad te ordenen volgens een rationeel grid kon vastlopen in de weerbarstigheid van politieke besluitvorming over grondeigendommen. Door de dramatische brand van 1666 was bijna de hele binnenstad van London in de as gelegd. Die binnenstad was chaotisch geweest, overvol, gevaarlijk en ernstig vervuild. Door de brand leken ideale condities te ontstaan voor een nieuw ontwerp voor het centrum van London. Binnen een jaar tekenden maar liefst acht vooraanstaande architecten, waaronder Christopher Wren, nieuwe schema’s voor de herbouw van London, waarin tot uitdrukking kwam dat een nieuw stadscentrum vooral een samenhangende structuur van brede boulevards en monumentale pleinen zou kunnen zijn, anders dan het dicht bebouwde en chaotische stadscentrum dat bijna geheel was afgebrand. Een radicaal plan, wat anders had London nodig?

removing the debris, surveying the land, apportioning property and rebuilding on the basic level would absorb all the City’s energies. To override existing streets lines and property-bounderies would have required political powers that simply did not exist in Restoration England.”14 Wat er wel kwam was Wren’s nieuwe Kathedraal, die medebepalend werd voor de breedte van enkele straten in de directe omgeving. Nog steeds houdt het stadsbestuur van London vast aan zichtlijnen en hoogtebeperkingen voor nieuwbouw in straten met zicht op dit belangrijke bouwwerk uit de geschiedenis van London. Maar een samenhangend stadsplan voor het hele centrum met een heldere structuur, zoals architecten dat hadden voorgesteld, kwam er niet. De rooilijnen van de oude kavel- en eigendomsgrenzen werden uitgangspunt voor nieuwe bebouwing. Nog steeds vormt de binnenstad van London een moeilijk te begrijpen compositie van schijnbaar willekeurige straten, pleinen en bouwblokken.

Maar zo is het niet gegaan. Whitfield schrijft daarover: “To carry out such a plan, however, two things were essential – finance on a huge scale, and the will of an autocratic ruler. Sadly for Wren and perhaps for London, neither of these existed. The immediate, practical problems of accomodating the homeless,

Een voorbeeld dichtbij huis van een plan met een gridstructuur dat nooit tot uitvoering is gekomen: de uitbreidingsplannen voor Utrecht in de 17de eeuw. Die plannen pasten weliswaar in filosofische argumentaties over de ideale stad om het grid toe te passen als basis voor een stadsontwerp, maar ze bleken in de politieke en maat-

9 - Binnenstad van London voor de brand van 1666 en drie reconstructieplannen van achtereenvolgens: Chr. Wren, J. Evelyn, R.Hooke. Bron: J. Reps, 16-18. 10


NUMMER

56

JULI

2021

Bron: K. Jakobs (1988) en H. Renes (2005)

VITRUVIUS

10 - Utrecht, volgens H. Moreelse, 1662-1664 en volgens E. Meyster, 1670

schappelijke realiteit vaak te ambitieus en dus onuitvoerbaar.

tot malkanders ongemack, ongesontheyt, ende benautheyt“. In dit citaat, dat herinnert aan beschouwingen over de veilige en hygiënische stad van Leonardo da Vinci, Thomas More en Simon Stevin, toonde burgemeester Moreelse zich een kenner van theorieën over de ideale stad.16 Maar tussen droom en daad staan praktische bezwaren: slepende conflicten over de financiering en onzekerheid over de opbrengsten van nieuwe kavels voor welgestelde burgers belemmerden zelfs maar een begin van uitvoering van de plannen. Ook de ambitieuze grid-plannen voor de uitbreiding van Amsterdam en Rotterdam van rond 1860 stuitten op praktische èn politieke bezwaren. In “Amsterdam in de tweede Gouden Eeuw” citeert M. Wagenaar de destijds toonaangevende Amsterdamse wethouder J. Boissevain: “Onteigenen is een zwichten van het

Bron: BM. Hameleers, omslag

Bron: H. Berens, (2001) blz. 122)

Utrecht had een verouderde vesting rondom de stad met een vanuit militair oogpunt onoverzichtelijke vorm. En steeds was er de dreiging geweest van Engelse en Franse vorsten om samen met de bisschop van Münster de succesvolle Republiek der Nederlanden aan te vallen. Deze dreigende oorlog veroorzaakte een jarenlang debat over de toekomstige stadsontwikkeling. Tegelijkertijd met de noodzaak van een moderne verdediging was er ook behoefte aan nieuwe kavels voor welgestelde burgers, zodat binnen een veilige nieuwe omwalling ruimte kon worden gereserveerd “voor eenige heerlycke en bequame gelegentheden om meer aensienelycke ende vermogende inwoondere te inviteren.”15 Onder leiding van bur-

gemeester Hendrik Moreelse zijn vanaf 1661 visionaire plannen getekend voor nieuwe vestingwerken rondom Utrecht, met daarbinnen de gewenste ruimte voor woonwijken en tuinbouwkavels. Een verleidelijk toekomstperspectief, als reactie op verontrustende toestanden in de bestaande stad. Met name rondom de Oude Gracht zag Moreelse volgebouwde donkere stegen en sloppen als mierennesten, waarin bewoners nauwelijks konden ademhalen. Dit zou ziekte en stank veroorzaken, terwijl de doolhof van straatjes en stegen ook ideale schuilplaatsen waren voor dieven, moordenaars en hoeren, “synde immers ’t selvegeheel buyten het ooghmerck vant houwen van steden, ’t welcke is dat de mensen daerinne in een borgerlycke consociatie tesamen wonen tot malkanders bystand, gezelsachap, securiteyt ende defensie, ende geenszins

11 - Uitbreidingsplan voor Amsterdam van Van Niftrik (1860), kopie uit de periode 1915-1930

12 - Uitbreidingsplan voor Rotterdam van W.N. Rose, (1858-1864) 11


VITRUVIUS

privaatrecht voor publiekrecht”, en grootschalige onteigening was voor het plan voor de uitbreiding van Amsterdam van de stadsarchitect Van Niftrik onvermijdelijk. Daar was men in Nederland nog uitermate terughoudend mee. De vigerende wetgeving gaf gemeentebesturen weinig instrumenten voor een effectieve stedenbouwkundige regie, zoals die bijvoorbeeld wel bestond voor de ‘grands travaux’ van Haussmann in Parijs.17 Velen vonden het plan van Van Niftrik een mooi plan: de rommelige bouwsels aan de stadsrand zouden worden opgeruimd en in plaats daarvan zouden goed gestructureerde ruime woonwijken met een strikte scheiding voor verschillende bevolkingsgroepen ontstaan, met veel groen en in een logisch samenhangende ruimtelijke structuur gesitueerd. Buurten en parken vormden volgens heldere grid-patronen een fraaie ‘collier’ rond de stad.18 Maar het plan was veel te duur en de opbrengsten waren onzeker. Zelfs tegemoetkomen aan sommige punten van kritiek werd niet overwogen.

Bron: P. Elenbaas en L. Berends, (2004) blz. 155

In dezelfde periode tekende de Rotterdamse stadsarchitect W.N. Rose enkele uitbreidingsplannen voor zijn stad, voor woonwijken in de Coolpolder aan de westzijde van Rotterdam (1858) en voor woonwijken op Zuid in de bocht van de Maas. (1864) In beide plannen valt het grid op als kader voor gesloten bouwblokken, in combinatie met een parallelle structuur voor waterwegen. De waardering van

13 - Venserpolder, Amsterdam. 12

NUMMER

56

JULI

2021

tijdgenoten voor zijn plannen en de positieve beoordeling door het Rotterdamse Gemeentebestuur wogen niet op tegen de weigering van de Rijksoverheid om steun te geven aan de grootschalige en kostbare onteigening van gronden die nodig zou zijn. De regering zou onder druk gezet zijn door Rotterdamse grondeigenaren die de gemeente van speculatie beschuldigden.19

jaren zeventig. Sindsdien is zonder veel theoretische beschouwingen de rechthoekige verkaveling volgens een grid herontdekt, als efficiënt en ook esthetisch goed te verdedigen ontwerpstrategie, die veel vrijheden biedt aan afzonderlijke particuliere initiatieven, binnen een ruimtelijk kader dat samenhang en civieltechnische efficiency waarborgt.

Recente Nederlandse projecten. In recente stedenbouwkundig ontwerpen kan een herwaardering worden geconstateerd voor de rechthoekige verkaveling met gesloten bouwblokken. Dat is ongetwijfeld een reactie op de speelse, maar vaak ook chaotische verkavelingen, die in de jaren zeventig gangbaar werden en waarvoor de term ‘bloemkoolwijken’ gangbaar werd. Begin jaren tachtig maakte Carel Weeber met een streng, rechthoekig verkavelingsplan voor Venserpolder in Amsterdam-Zuid korte metten met deze mode. Zijn project (1980-1982) vormde een spraakmakend pleidooi voor een zogenaamd objectieve stedenbouw: strakke, rechtlijnige verkavelingen met gesloten bouwblokken, als basis voor een exact en eenduidig onderscheid tussen het openbare karakter van doorgaande routes en buurtstraten enerzijds en binnenterreinen met een privaat karakter anderzijds. Dat onderscheid was in stedenbouwkundige plannen uit beeld geraakt, eerst door de open verkavelingen van de wederopbouwperiode en daarna door de woonerven en experimentele bouwblokvormen van de

Twee voorbeelden: het Haveneiland van IJburg in Amsterdam en Nieuw-Leyden op het Slachthuisterrein in Leiden. Voor beide projecten deden de stedenbouwkundig ontwerpers suggesties aan opdrachtgevers en architecten die illustreren welke vrijheid bij de invulling van het gridpatroon mogelijk was zonder dat de samenhang verloren gaat. Het is dus nog steeds zoals Spriro Kostof schreef, ik citeerde hem in mijn inleidende artikel over het grid: “The grid carries no inherent burden of its own. The grid is what you make of it.”20 Bronnen - Berens, H., “W.N. Rose, 1801-1877, Stedenbouw, civiele techniek en architectuur”, NAi Uitgevers, 2001 Blijstra, R., “2000 jaar Utrecht”, Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1969 - Boerefijn, W., “Geometry and medieval town planning: a contribution to the discussion” in: Urban Morphology (2000 -4(1) - Boerefijn, W. “Designing the medieval new town”, Urban Morphology, (20004(2) 49-62 - Boerefijn, W. in: ‘New towns of the twelfth to fourteenth centuries and the Gridplan.”, Rome, januari 2020 - Busquets, J., “Barcelona, the urban evolution of a compact city”, Harvard University, Nicolodi, 2005 - Colenbrander, B., “Limes Atlas”, Uitg. 010, Rotterdam, 2005 - Elenbaas, P. en L. Berends, “Amsterdam onbewolkt”, Uitg. Bas Lubberhuis/Het Parool, Amsterdam,2004 - Feddes, F., “1000 jaar Amsterdam. Ruimtelijke geschiedenis van een wonderbaarlijke stad”. Uitg. THOTH, Bussum, 2012 - Finaly, I., “Doorbroken barrièrs”, Uitg. THOTH, Bussum, 1996 - Hamelaars, M., “Kaarten van Amsterdam van 1866/2012, deel ll, Uitg.: THOTH en Stadsarchief Amsterdam. 2013


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

2021

14 - Haveneiland, Amsterdam IJburg, Structuurontwerp dRO Amsterdam (19962004) Ontwerpers: F. van Dongen, F. Palmboom, F. Claus en T. Schaap. Met suggesties voor invulling van de kavels. Bron: J. Heeling, H. Meyer e.a. blz. 131. Zie ook: Oase JOURNAL 53, blz.90

15 - Nieuw Leyden, Slachthuisterrein Leiden, Ontwerp: MVRDV, Rotterdam. Bron: “Landschapsarchitectuur en stedenboiuw in Nederland, 2007/2008”, Uitg. Blauwdruk, Wageningen 2009, blz. 56-57

- Hentschel, B., e.a., “Recoding the city. Thinking, Planning, and Building the City of the Nineteenth Centurry”, Jovis Verlag, Berlin, 2019 - Jacobs, K., en L. Smit, “De ideale stad, ideaalplannen voor de stad Utrecht”, Centraal Museum Utrecht, Utrecht, 1988 - Kostof, S., “The city shaped, Urban Patterns and Meanings Through History”, Thames & Hudson, London, 1991

- Magrinya, F., “Cerdà 150 Years of Modernity”, Fundacio, Barcelona. Actar Publishers, 2009 - Mehlhorn, D.J., “Stadtbaugeschichte Deutschlands”, Reimer,Berlin, 2012 - Meurer, F. “Der mittelalterliche Stadtgrundrisz im Nördlichen Deutschland in seiner Entwicklung zur Regelmäszigkeit auf der Grundlage der Marktgestaltung”, Paul Franke, Berlin, 1912 - Meyer, H., “De stad en de haven. Ste-

debouw als culturele opgave, London, Barcelona, New York, Rotterdam”, Uitg. Jan van Arkel, Rotterdam 1996 - Olsen, D., “De stad als kunstwerk. Londen, Parijs, Wenen”, Uitg. Agon, 1986 - 1991 - RFeps, J. W., “The making of urban America”, Princeton, New Jersey, 1965 - Renes, H., “Historische atlas van de stad Utrecht”, Uitg. SUN, Amsterdam 2005 - Rose-Redwood, R., “Gridded Worlds: 13


VITRUVIUS

An Urban Antholgy”, Uitg. Springer, Cham, Zwitserland, 2018 - Rutte, R., e.a. “Stadswording in de Nederlanden. Op zoek naar een overzicht”. Uitg. Verloren, Hilversum, 2008 - Rutte, R., “Stedenatlas Jacob van Deventer”, THOTH/LANNOO, Bussum 2018 - Stadt Köln, “Köln – die Rheinmetropole und alte Römeerstadt” (ongedateerd document) - Taverne, E., “In ’t land van belofte: in de nieue stadt. Ideaal en werkelijkheid van stadsuitleg in de Republiek 1580 1680”, Uitg. Gary Schwartz, Maarssen 1978 - Wagenaar, M., “De stad ontwerpen. Stadsontwerp tussen wens en werkelijkheid.”, in: “Amsterdam in de tweede Gouden Eeuw”, onder redactie van M. Bakker, e.a. Uitg.: THOTH, Bussum. (2000) - Woud, A. van der, “Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw”, Uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 2010 - Willems, R., “De Weense Ringstrasse. Een typisch negentiende-eeuws urbaan moderniseringsplan.” In: TOPOS /03/2007 - Whitfield, P., “London, a life in maps”, British Library, London 2006/2017 Noten 1 Boerefijn, dr. W. ”Designing the medieval new towns” 2 B. Colenbrander, e.a., Limes Atlas, Rotterdam 2005. 3 Zie Stadt Köln. 4 Zie: W. Boerefijn, “Geometry and mdieval town planning: a contribution tot he discussion” in: Urban Morphology (2000 -4(1) Blz. 25-43 5 Taverne (1978) blz. 51. En: R. RoseRedwood en L. Bigon, “Grided Worlds: An Urban Anthology”, (2018) blz. 37 e.v. 6 Zie; J.W. Reps, “The making of Urban America”, 1965, blz. 11 En: I. Warmous (2007) 7 Boerefijn, W. (2010) “The foundation, planning and building of new towns in the 13th and 14th centuries in Europe: an architectural -historical research into urban form and its creation”, UvA, DARE, blz. 397 “Several scholars believe that the model of Roman colonial towns or military forts 14

was revived, whereas others think that the model of orthogonal settlementt plan may well have been newly ‘invented’ independently in different places and different periods, by planners who were searching for solutions to simular problems”. 8 Rutte, R., e.a., “Stedenatlas Jacob van Deventer”, THOTH/Lannoo, Bussum 2018 9 Zie bijvoorbeeld: Ontstaansgeschiedenis van Vianen, blz. 308 en Montfoort, blz. 386, in: R. Rutte, “Stedenatlas Jacob van Deventer”, blz. 308. En zie ook: Fr. Meurer, “Der Mittelaltyerische Staddtgrindrisz im nördlichen Deutschalnd, in seiner Entwicklung zuir Regelmäszigkeit auf der Grundlage der Marktgestaltung”, Berlijn 1912. 10 Zie: A. van der Woud, “Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw.” (2010) 11 Zie voor een overzicht van enkele Nederlandse steden, waarvoor architect F.W. van Gendt in de 19de eeuw uitbreidingsplannen tekende ter plaatse van gesloopte verdedigingswerken: I. Finaly, “Doorbroken barrières”, (1996) 12 R . Willems, Topos – 03 – 2007 (blz. 30 e.v.) en: D. Olsen, 1991, blz. 85 e.v. 13 H. Meyer, “De stad en de haven. Stedebouw als culturele opgave. London, Barcelona, New York, Rotterdam”, (1996) blz. 137 14 Zie: Whitfield (2006/2017, blz.75) 15 Deze en de volgende alinea zijn geheel ontleend aan Roding, J., “Utrecht op zijn schoonst en sterkst. Ideaalplannen uit de 17de eeuw””, in: K. Jaobs (1988) blz. 13 e.v. Zie ook: E. Taverne, (1978) blz. 238 e.v. 16 Diverse steden in Nederland kenden in deze periode gelijkvormige plannen voor stadsuitbreidingen, zoals Leiden en Enkhuizen. Zie: R. Rutte e.a. “Atlas van de verstedelijking in Nederland”, blz. 203 e.v. 17 M. Wagenaar, in: “Amsterdam in de tweede Gouden Eeuw”, onder redactie van M. Bakker, e.a. (2000) blz. 21 18 Citaat. F. Feddes, “1000 jaar Amsterdam. Ruimtelijke geschiedenis van een wonderbaarlijke stad”, (2012) blz. 190 19 H. Berens, (2001) blz. 116 20 S. Kostof (1991) blz. 157

NUMMER

56

JULI

2021


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

2021

De mantel der bescherming | Bernadette van Hellenberg Hubar Erfgoedprofessional & schrijver vanhellenberghubar.org

De Laurentiuskerk van Joseph Cuypers en Jan Stuyt als toetssteen

De (vermeende) rol van de redengevende omschrijving Als voor een fenomeen geldt dat we te maken hebben met de wet van de remmende voorsprong, is het wel de redengevende beschrijving van (rijks)monumenten. Een mooie casus vormt de Laurentiuskerk van Joseph Cuypers en Jan Stuyt in ’t Ginneken (Breda, 1901-1902) (afb. 1). Dit gebouw werd ingeschreven in het monumentenregister in 1984, nog voor een nieuw type meer uitgebreide en afgewogen beschrijvingen zijn entree maakte in het kader van het Monumenten Selectie Project voor Bouwkunst en Stedenbouw 1850-1940; kortweg MSP. Dat betekent dat de aanwijzing plaatsvond op basis van een staccato opsomming van – in dit geval – niet meer dan vijf zinnen. En hoewel dat met het MSP aanmerkelijk verbeterde werd het elementaire probleem niet opgelost; toen niet en vandaag de dag nog altijd niet: namelijk dat dit systeem geen ruimte biedt voor voortschrijdend inzicht. Dat geldt overigens niet alleen voor rijksmonumenten, maar ook voor gemeentelijk beschermde monumenten.1

Herkomst Beeldbank RCE, 145.169-G.J. Dukker, 1971-05.

Marij Coenen Redacteur & fotograaf vanhellenberghubar.org

1 - Panorama met de Laurentiuskerk van Joseph Cuypers en Jan Stuyt in ’t Ginneken te Breda (1900-1902). Nu lijkt dat op een academisch probleem, maar nee … dat is het niet. Als motivering van de bescherming wordt de redengevende beschrijving tevens ingezet als toetsingskader bij vergunningen voor ingrepen in een (rijks)monument. En dat heeft tot het ontstaan van allerlei broodjes aap geleid.

Monumentnummer 10146. St. Laurentius. 1901-1902, door Jos. Cuypers en Jan Stuyt. Driebeukige kruisbasiliek in neogotische trant, met ten dele vijfbeukig schip, koor geflankeerd door diagonaal geplaatste driezijdig gesloten kapellen, hoge vierkante kruisingstoren met hoektorens en achtkantige spits, vierkante traptorens aan weerszijden van de voorgevel (afb. 2). Inwendig natuurstenen zuilen met kapiteelloos teniet lopende schiebogen, metselwerk met natuurstenen banden en houten tongewelven met trekbalken over de hoofdbeuken (afb. 5). Belangrijk werk uit de overgangsperiode tussen de neo-gotiek en de nieuwe kerkelijke bouwkunst. Mechanisch torenuurwerk, C. van Dorst, is buiten gebruik gesteld.2

De meest fnuikende is dat de bescherming beperkt zou zijn tot alleen die zaken en aspecten die in de redengevende omschrijving benoemd staan. Zelfs van de kant van de overheid wordt dat vaak nog altijd beweerd. Bedenk hierbij dat in de oudere beschrijvingen het interieur vrijwel altijd ontbreekt – zoals bij de Laurentiuskerk – en de omvang van de potentiële schade is duidelijk. Waarom vindt er dan geen actualisering plaats, zul je je afvragen. Heel simpel, omdat dat onbetaalbaar is. Voor iedere aanpassing moet een nieuwe procedure gestart worden met tijdrovende en dus kostbare hoorzittingen met eigenaren en overige belanghebbenden. En dan hebben we het niet eens gehad over de nieuwe tekst, het invoeren in het systeem et cetera. Tegen de tijd dat deze klus is geklaard – vaak is het een kwestie van jaren – is alles alweer gedateerd en is de voorsprong weer verdwenen. 15


VITRUVIUS

NUMMER

Dertien jaar na de oprichting van Reliwiki kunnen we constateren dat de ‘digitale infrastructuur’ van de RCE – al dan niet in de vorm van een wiki – er nog steeds niet is. Sterker nog, bij de enige erfgoedwiki die zich effectief ontwikkelde, Reliwiki, draaide de RCE in 2011 zonder redelijk vooruitzicht op voortbestaan de subsidiekraan dicht. Dat de database nog steeds in de lucht is, is te danken aan de sponsoren onder wie BOEi, Restaureren en Herbestemmen van Cultureel Erfgoed, Donatus (kerken- en monumentenverzekeraar) en de BankGiroLoterij. Het feitelijke werk wordt verricht door vrijwilligers met Rob Kreukniet als webmaster en een van de beheerders van de database. Hun decennialange ervaring maakt Reliwiki een ideaal vertrekpunt van hoe je een parallel monumentenregister in stand zou kunnen houden. Wil je dat echter inhoudelijk met een meer volledige dekking doen, dan Reliwiki nu op vrijwillige basis aankan, dan moet er een flinke post op de begroting gereserveerd worden. Hoe beschermd zijn interieurs? 16

JULI

2021

Herkomst Beeldbank RCE, 347.962, 1996.

Is hier dan geen oplossing voor? Natuurlijk wel. Men praat al jaren over een digitaal systeem dat parallel loopt met het register en waarin alle actuele gegevens worden opgeslagen. Voor kerkelijk erfgoed bestaat die in feite officieus al in de vorm van Reliwiki dat in het Jaar van het Religieus Erfgoed 2008 werd opgericht.3 Ruim een decennium geleden diende deze site als ‘startpunt voor het ontwikkelen van een generieke ‘erfgoedwiki’ (voor gebruik door andere thematische plekgebonden erfgoedgroepen zoals molens, kastelen, archeologie e.d.m.) door de RCE’.4 Bij de inwerkingtreding van de Erfgoedwet in 2016 (waarin de monumentenwet is opgegaan), is inmiddels sprake van een ‘digitale infrastructuur’ die alle inhoudelijke informatie bevat (lees: in de toekomst moet bevatten). In die wet wordt overigens de omschrijving in het rijksmonumentenregister ingeperkt tot ‘gegevens over de inschrijving en ter identificatie van de rijksmonumenten’.5 Het redengevende deel staat er niet langer in. Dit maakt een parallelle database dus meer dan ooit noodzakelijk. Het laatste bericht hierover op de site van de RCE dateert van 2019.6 In de praktijk hebben we dus nog steeds te maken met de redengevende omschrijving oude stijl. Niemand heeft haast, want er worden immers nauwelijks nieuwe rijksmonumenten aangewezen.

56

2 - Frontaanzicht van de Laurentiuskerk van ’t Ginneken te Breda (1900-1902). Een dergelijk parallel register heeft alleen zin als de informatie ook ingezet kan worden bij beheer en behoud van monumenten. Dat brengt ons bij het volgende broodje aap: dat alleen die onderdelen die in de redengevende omschrijving staan formeel beschermd zijn. Zo meende de RCE in 2012 bij het herstel van de fundering van de Lambertuskerk in Maastricht dat de schilderingen van Jan Grégoire en François (Jaap) Mes niet afgedekt hoefden te worden, omdat ze niet vermeld stonden in de redengevende omschrijving. Het resultaat was ernaar.7 Op dat broodje kwam nog eens een dikke lading beleg toen ook nog het gerucht werd verspreid dat bescherming van het interieur überhaupt niet mogelijk was door de veranderingen in het Nieuw Burgerlijk Wetboek (1992). Hoewel de RCE dit gerucht zelf in 1997 impliciet ontkrachtte door middel van een kort, maar helder artikel in zijn nieuwsbrief, bleef en blijft dat maar nazingen.8

Was het niet op rijksniveau, dan wel op gemeentelijk niveau, waar men verantwoordelijk is voor de vergunningverlening voor rijksmonumenten. Hoe zit het nu eigenlijk? Bij een beschermd monument – of het nu op gemeentelijk, provinciaal of rijksniveau is – vallen in principe alle elementen en aspecten van het interieur die ‘onroerend door bestemming’ zijn, onder de bescherming. Dat geldt bijvoorbeeld voor orgels, altaren, beelden, kerkbanken, preekstoel en kandelaars in religieuze gebouwen, of schoorsteenmantels, stucwerk, tegeltableaus, de kleurafwerking, betengeling en lambriseringen in woonhuizen. Deze zijn ‘aard- en nagelvast’ en door hun aard en functie verbonden met de onroerende zaak; ze maken op historisch-organische wijze deel uit van het betreffende erfgoed. Deze formulering ‘aard- en nagelvast’ was ontleend aan het Oud Burgerlijk Wetboek, waar ook de aan-


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

2021

Herkomst Thompson, De nieuwe kathedrale kerk ‘St. Bavo’ te Haarlem.

duiding van roerende zaken als ‘onroerend door bestemming’ vandaan komt.9 In het Nieuw Burgerlijk Wetboek (1992) zijn deze begrippen verder uitgewerkt. Tegenwoordig geldt dat ‘al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel van die zaak’ is (boek 3, artikel 4 lid 1). De wetgever stelt voorts dat een zaak ‘die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt, dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, […] bestanddeel van de hoofdzaak’ wordt (boek 3, artikel 4 lid 2). Hiermee staat wel vast dat schilderingen, glas in lood en andere delen van een uitmonstering integraal deel uitmaken van de bescherming.

Herkomst Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, p. 245.

3 - Joseph Cuypers en Jan Stuyt, getekend door Theo Molkenboer (1898). Collage bvhh.nu 2016.

4 - Joseph Cuypers en Jan Stuyt, Laurentiuskerk ’t Ginneken Breda (1900-1902) met de oorspronkelijke inrichting die tijdens de tweede beeldenstorm, na het Tweede Vaticaans Concilie (19631965) verwijderd is.

Dat er voldoende jurisprudentie over deze kwestie is heeft Vincent Stavleu nog eens kort op een rij gezet in een webartikel uit 2016. Zijn uitleg is daarom zo helder, omdat hij in feite de enige formele rol van de redengevende omschrijving specificeert: op basis van rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State kan geconcludeerd worden dat ‘het beschermd monument hetgeen is dat in de redengevende omschrijving als zelfstandige eenheid wordt genoemd’. Toegespitst op monumentnummer 10146 betekent dat dus dat de aanduiding ‘St. Laurentius. 1901-1902, door Jos. Cuypers en Jan Stuyt. Driebeukige kruisbasiliek in neogotische trant’ de formele aanduiding vormt van de zelfstandige eenheid die onder de bescherming valt. Die entiteit wordt nader bepaald door wat ‘bouwkundig en functioneel een onlosmakelijk geheel’ vormt. Dat functioneel kan herleid worden tot het ‘onroerend door bestemming’, waardoor ook de verschillende onderdelen van het interieur de status van onroerend hebben. Niet zomaar stelt de Raad van State dat de specificatie van roerende en onroerende zaken uit het burgerlijk wetboek ook van toepassing is in het monumentenrecht.10 De conclusies op een rij: • Het belangrijkste onderdeel van de redengevende omschrijving is de passage over het gebouw of complex als ‘zelfstandige eenheid’. In de Erfgoedwet 2016 is dit zelfs de exclusieve functie van het monumentenregister. • Ook al staan zaken niet benoemd in de redengevende omschrijving, ze vallen evengoed onder de bescherming als ze ‘bouwkundig en functioneel een onlosmakelijk geheel’ zijn. 17


VITRUVIUS

56

JULI

2021

Herkomst Beeldbank RCE, 197.368–P. van Galen (1976).

• Hiertoe behoren ook de onderdelen van het interieur dat onroerend door bestemming is. • Door middel van een database – de ‘digitale infrastructuur’ van de RCE – die parallel aan het monumentenregister gekoppeld wordt, zouden die laatste zaken geleidelijk in beeld gebracht kunnen worden. Hierdoor kan men van voortschrijdend inzicht profiteren bij behoud en beheer. Met de onderstaande analyse van het interieur van de Laurentiuskerk in ’t Ginneken, gebaseerd op het project #KunstinBreda (2016-2017)11, willen we graag een voorzet geven. Vooral omdat hieruit de sturende rol blijkt van de iconografie: letterlijk een zaak ‘van betekenis’ die in de gemiddelde redengevende omschrijving nauwelijks voorkomt. Enkele aanvullende waarden voor bescherming en vergunningverlening

Foto Diana Nieuwold van Kerkfotografie.

5 - Joseph Cuypers en Jan Stuyt, Laurentiuskerk ’t Ginneken Breda (1900-1902) na de verwijdering van de uitmonstering in de transept- en koorkapellen en op het priesterkoor in 1965, na het Tweede Vaticaans Concilie.

6 - De lucida van de apsis van de Laurentiuskerk van ‘t Ginneken met glazen van Pierre J.H. Cuypers (figuraties) en Joseph Cuypers (ornamenten). Hierin is het systeem van de Biblia pauperum verwerkt. Heel bijzonder is de beeldengalerij in de apsis die evenmin in de redengevende omschrijving staat. 18

NUMMER

Architectenduo Het ontwerp van de Laurentiuskerk dateert uit de beginjaren van de vennootschap van Joseph Cuypers (1861-1949) – inderdaad, de zoon van de bouwmeester van het Rijksmuseum en het Centraal Station te Amsterdam – en Jan Stuyt (1868-1934) (afb. 3). Hoewel ze in 1910 om nog altijd onduidelijke redenen zakelijk uit elkaar gingen, zijn ze hun hele leven bevriend gebleven.12 Hun samenwerking dateert van de jaren ’90 van de negentiende eeuw, toen Joseph Cuypers op het bureau van zijn vader werkte, waar Jan Stuyt op de tekenkamer begonnen was. Het grootste en meest prestigieuze project waar ze in die tijd aan hebben gewerkt, was de nieuwe Bavokathedraal in Haarlem, de een als architect en de ander als opzichter. Dit oeuvre heeft zo’n invloed gehad op allebei de kunstenaars dat ze de inspiratie daarvan op een opvallende manier hebben verwerkt in hun eerste kerkgebouwen. We hebben altijd gedacht dat het er te dik bovenop lag om te stellen dat we hier met twee vernieuwers te maken hebben die er bewust op inzetten om de neogotiek achter zich te laten. Als je hun vroegste gezamenlijke ontwerpen (van na 1900) ziet, blijkt die observatie toch terecht. Hun overtuiging op dit gebied verklaart voor een deel de synergie in het gebouw in ’t Ginneken dat ondanks de kaalslag na het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren zestig vol boeiende items zit.13


NUMMER

56

JULI

2021

Herkomst (links) Hulshof, Laurentiuskerk Ginneken, p. 24; (rechts) bvhh.nu 2014.

VITRUVIUS

7 - De glazen van Pierre en Joseph Cuypers in de apsis van de Laurentiuskerk van ‘t Ginneken (links) en van de nieuwe Bavo te Haarlem (rechts). Stedenbouwkundige symboliek De kerk is vrijwel georiënteerd. Dat wil zeggen dat de entree in het westen ligt en het liturgisch centrum – het priesterkoor met de halfronde afsluiting (apsis) – in het oosten. Het kerkgebouw staat dus op de zogenaamde ‘heilige Linie’, gericht op het heilige Land, het land waar Christus geboren was, gepreekt had, gekruisigd en herrezen was. Zeker zo belangrijk hierbij was de symboliek van de dageraad: iedere dag weer verschijnt en verrijst Christus als ‘licht der wereld’. Deze symboliek was de architecten zeer vertrouwd dankzij het boek dat de peetoom van Joseph Cuypers – J.A. Alberdingk Thijm – had geschreven over de heilige Linie (1858).14 Een dergelijke oriëntatie was niet altijd mogelijk, zeker niet als de kerk moest worden ingepast in een bestaande stedenbouwkundige structuur, zoals bij ’t Ginneken. Hier ging het met een beetje wringen, maar lukte het niet, dan werd gesproken van een symbolische oriëntatie. De glazen in de lucida van de apsis Achter de glazen in de lucida of de licht-

beuk van de apsis – de meest heilige plek van de kerk – gaat een apart verhaal schuil (afb. 6). Ze heten ontworpen te zijn door Pierre Cuypers, de vader van Joseph, maar dat klopt waarschijnlijk niet. Aangezien ze zo sterk lijken op die van de lucida in de nieuwe Bavo te Haarlem, staat wel vast dat ook de zoon een aandeel heeft gehad. Pierre Cuypers ontwierp de figuraties, Joseph Cuypers de ornamenten (afb. 7). In Haarlem vervullen ze iconografisch een rol als Biblia pauperum (armenbijbel) en in die positie maken ze deel uit van de ‘catechismus van steen’. Nu gaat het in de Laurentiuskerk niet om een kopie, want de opbouw van de ramen in horizontale lagen (registers) wijkt sterk af. Waarschijnlijk is voor een andere indeling gekozen om nog beter aan te sluiten bij de middeleeuwse platenbijbel, die Joseph Cuypers net als zijn vader goed kende. In de vijftiende-eeuwse Biblia pauperum zijn bij de indeling van de pagina’s onder de taferelen telkens twee vertellers of commentatoren geplaatst met een tekstband (afb. 8). Die zie je ook in het laagste register van de ramen in Breda.15 De architect sloeg

hiermee twee vliegen in één klap, want hierdoor kwam tegelijkertijd meer ruimte voor minder verzadigde kleurpartijen. En dat was een stokpaardje van Joseph Cuypers: meer licht in de kerk.16 In de vakliteratuur wordt soms gesuggereerd dat het ontwerp van Pierre Cuypers voor de figuraties in de lucida van de Haarlemse kathedraal aan Joseph was opgedrongen. Het vervolg in Breda geeft aan dat dat vrij onwaarschijnlijk is. Wel heeft Joseph in beide gevallen de wat ouderwetse figuraties door middel van eigentijdse ornamenten aan laten sluiten op de architectuur. In het boek over de nieuwe Bavo hebben we die samenhang als volgt toegelicht: ‘Hij [de oude Cuypers] hanteerde hiervoor een stijl, die in compactheid van figuren en achtergronden aansluit op die van de middeleeuwse glazen en net zo illustratief en onpersoonlijk was als de afbeeldingen in de Hollandse uitgave van de Biblia pauperum, die zijn zwager Thijm had bestudeerd. In een strakke lijnvoering met gestileerde koppen zonder emoties zet hij de perso19


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

2021

nages in schematisch weergegeven decors. De heldere, verzadigde kleuren herinneren aan die van het hemels Jeruzalem, zoals Johannes dit beschreef in de Apocalyps. Joseph Cuypers versterkte dit effect nog eens door de stralende mozaïekachtige patronen waarmee hij de figuraties omgaf. Zoals we zullen zien week hij alleen op deze locatie – in de apsis die vanouds de hemelse stad symboliseert, bevolkt door heiligen en engelen – af van zijn visie op de lichtinval van de kerk. De symboliek bepaalde hier de uitvoering’.17

Foto Wikimedia Commons - ManiacParisien 2014.

Zeker gelet op de beeldengalerij onder de lucida en de prachtige uitmonstering van de apsis voor de kaalslag in 1965, is de kans groot dat dit hier ook het geval was (afb. 4 en afb. 5). Overigens zullen we bij het volgende item zien dat er nog een andere plaats is waar het hemels Jeruzalem werd verbeeld. Het hemels Jeruzalem in de viering In het Bijbelboek van de Apocalyps beschrijft Johannes hoe een engel hem bij de hand neemt en hem het hemels Jeruzalem laat zien, de stad van God waar de mens na zijn dood ontvangen wordt. Een geestverwant en goede bekende van de twee architecten, Mattheus Nieuwbarn, zag hierin de invloed van ‘de Middeleeuwers’. Hij beschreef dit in zijn boekje over kerksymboliek als volgt: ‘De tempel is hun geworden tot een stoffelijk beeld der bouwing van “het hemelsche Jeruzalem”, uit “levensvolle steenen” opgericht. Want die hemelstad heeft, naar het boek der Openbaringen, hare vier muren, ieder met drie poorten, naar de vier windstreken der wereld gericht, om allen in haar te doen toetreden in den naam der h. Drievuldigheid. En die twaalf poorten zijn weer gegrondvest op twaalf edelsteenen: de twaalf Apostelen, op wie de Kerk rust’.18 Als je deze symboliek toepast op een kerkgebouw, dan heb je drie varianten: allereerst is ieder kerkgebouw een verkleinde, aardse kopie van het hemelse Jeruzalem. Maar in de kerk wordt dit op twee plaatsen nog eens apart uitgebeeld: vrijwel zonder uitzondering in de apsis, maar een enkele keer ook in de vieringtoren, of de -koepel. In de Catharinakerk van Den Bosch (1917-1918) vroeg Jan Stuyt de schilder Jan Oosterman zelfs een hemels Jeruzalem te schilderen in de koepel boven het schip (1918-1919).19 20

8 - Pagina uit de Biblia pauperum met centraal de verrijzenis van Christus en rechts Jonas in de walvis als voorafbeelding van de verrijzenis. Dit thema was bedoeld voor het zesde glas van de lucida van de Laurentiuskerk. Ontleend aan de Biblia pauperum van de kathedraal van Esztergom (Hongarije). De schildering van de hemelse stad in de vieringtoren van de Laurentiuskerk is een vroeg, zo niet het vroegste voorbeeld van dit type (afb. 9-10). Daarna pas komt die in de nieuwe Bavo (tweede bouwfase 1902-1906), uitgevoerd in verglaasde terracotta en veel later die in de Catharinakerk (1918-1919).20 In de Laurentiuskerk volgen de architecten de middeleeuwse gewoonte om de stad van God schematisch weer te geven. We zien hoe het vierkant onderverdeeld is in vier segmenten die gezamenlijk weer een achthoek vormen met in het midden in elkaar overgaande vierkanten. De achthoek is heel toepasselijk gedetailleerd als een stadsmuur onder een blauwe sterrenhemel. Bij de viermaal drie stadspoorten staan de namen van

de apostelen aangegeven. De entree wordt benadrukt door palmen als symbool van het paradijs, maar ook van de rechtvaardige gelovige die hier zijn entree maakt. Centraal wordt heel schematisch God afgebeeld. Dat hoort bij de tekst van Johannes dat in de stad geen tempel staat, want God zelf is hier aanwezig. De drie ringen wijzen op de ene God in drie gedaanten, die in het middelste vierkant omgeven wordt door de vier evangelisten en in het tweede vierkant door verschillende symbolen. We zien de tiara van de Paus als zijn vertegenwoordiger op aarde met daartegenover de lege zetel als symbool van de onzichtbare God; verder het vlammende zwaard met de initialen


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

2021

Foto Wikimedia Commons - Johan Bakker, CC BY-SA 4.0.

IHS (Jezus) en de lelie van zuiverheid met het monogram XP (Christus), waarbij de een staat voor Gods rechtvaardigheid en de ander voor zijn barmhartigheid bij het laatste oordeel. De omtrekken van dit centrum worden afgezoomd door de vier Paradijsstromen die het vierkant van de aarde – in rood aangeduid – omspoelen. Zo worden hemel en aarde met elkaar verbonden.21 Wie dit werk heeft uitgevoerd, is niet bekend. Het kan gedaan zijn door het Roermondse atelier, maar het is evengoed denkbaar dat lokale schilders hierbij betrokken zijn geweest. Zij zullen ook het dakbeschot en het gebint hebben gepolychromeerd (afb. 11).

9 - Joseph Cuypers en Jan Stuyt, Het hemels Jeruzalem in de vieringtoren van de Laurentiuskerk in ’t Ginneken (circa 1902). Tot dusver is geen vergelijkbare weergave bekend.

De kruisweg De ‘kruisweg bidden’ was een van de weinige liturgische onderdelen, waarin niet de geestelijkheid, maar het kerkvolk centraal stond (afb. 12). De veertien lijdensvoorstellingen (staties) vormen een verplicht onderdeel van de kerk, omdat hiervoor als het ware een re-enactment van de lijdensweg van Christus plaatsvond, niet fysiek, maar mentaal. De gelovigen bevonden zich bij wijze van spreken in het heilige Land, in Jeruzalem, waar ze in de voetsporen van Christus liepen op de via dolorosa.22

Foto Wikimedia Commons - Johan Bakker, CC BY-SA 4.0.

In de Laurentiuskerk bevindt zich een kruisweg van Wijnand Geraedts, een schilder uit het interbellum die hiervan een bijzondere specialiteit had gemaakt. Om de mensen zo sterk mogelijk bij de passie te betrekken, zette hij bewust in op haast verwrongen gezichten waaruit het leed en de wreedheid moesten spreken. Opvallend zijn de kwartcirkels die je in de belijning van mantels en schouders tegenkomt. Hierin liet hij zich inspireren door de beroemde kruisweg van Jan Toorop in Oosterbeek.23

10 - Joseph Cuypers en Jan Stuyt, Laurentiuskerk in ’t Ginneken (circa 1902). De hoofdstructuur van het hemels Jeruzalem met zijn doordachte symboliek. De sterk geprofileerde uitkragende hoekstukken lopen parallel met de vlak getekende ‘stadsmuur’ erboven, waardoor het vierkant overgaat in een achthoek.

En verder ... De bovenstaande items vormen een greep uit de rijkdom van deze kerk. Maar er is meer! Er zijn verschillende beelden, vermoedelijk voor een groot deel afkomstig van de Kunstwerkplaatsen Cuypers & Co te Roermond, maar ook gewijde voorwerpen en kerkmeubels van na Vaticanum II.24 Ook deze verdienen een plaats in het parallelle monumentenregister. Naschrift Het deel over de Laurentiuskerk in ’t Ginneken kwam oorspronkelijk tot stand als 21


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

Foto Marjanne Statema 2016.

onderdeel van het project #KunstinBreda dat plaatsvond in samenwerking met Marjanne Statema. Een eerdere versie is gepubliceerd op ifthenisnow.eu (Hubar, ‘Sint Laurentius’), waar het toegevoegd is aan de redengevende omschrijving van dit rijksmonument. Onze dank gaat uit naar Diana Nieuwold van kerkfotografie.nl die afbeelding nummer 6 leverde. Op het beeldmateriaal van Kerkfotografie en Marjanne Statema zijn alle rechten voorbehouden. De overige afbeeldingen zijn vrij van reprorechten (CC BY-NC-SA en in het geval van de RCE: CC BY-SA), dus onder voorbehoud van naamsvermelding (BY) en/ of geen commercieel gebruik (NC).

Noten 1 Anders dan vaak wordt gedacht biedt een gemeentelijk beschermd monument evenveel bescherming als een rijksmonument. 2 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ‘10146 Sint Laurentius Ginnekenweg’. Afbeeldingnummers zijn door de auteurs ingevoegd. 3 ‘Over Reliwiki (verder) - Reliwiki’. 4 ‘Nieuwsarchief - Reliwiki’, 2010-2012. 5 Overheid.nl Wettenbank. ‘Erfgoedwet’, 2016, artikel 3.3, lid 4. Van Draeckeburgh. ‘De nieuwe Erfgoedwet’. 6 ‘Rijksmonumenten en de Erfgoedwet - Erfgoedwet - Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’. 7 Dit gebeurde tijdens het schrijven van het naslagwerk in opdracht van diezelfde rijksdienst: Hubar, Friedrichs en Van Wezel, De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum (2013); voor de Lambertuskerk, Grégoire en Mes zie hoofdstuk 3, pp. 372-373 en pp. 460-463. 8 Zie Hubar, ‘Planologisch erfgoedregime voor een Quartier vivant’, zoekterm: Nieuw Burgerlijk Wetboek. Daarin wordt verwezen naar het artikel in de nieuwsbrief van de – toen nog – Rijksdienst voor de Monumentenzorg: ‘Monumentenzorg en interieurafwerkingen’. 22

11 - Joseph Cuypers en Jan Stuyt, Laurentiuskerk ’t Ginneken Breda (19001902). De polychromie op het dakbeschot toont een gestileerde arcade en bloemmotieven terwijl de trekbalken voorzien zijn van kalligrafie.

Foto Marjanne Statema 2016.

Dit artikel kan geciteerd worden als: Hubar, Bernadette van Hellenberg en Marij Coenen. “De mantel der bescherming. De Laurentiuskerk van Joseph Cuypers en Jan Stuyt als toetssteen”. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 14 (2021): 15-23.

2021

12 - De Laurentiuskerk van ’t Ginneken met de kruisweg van Wijnand Geraedts (1924) die in dit genre in het interbellum een heel eigen positie innam. 9 Zie de uitleg van P.J. van der Planck op Navigator, opgenomen in de bronnenlijst. 10 Stavleu, ‘Wat is nu precies de omvang van de bescherming van een monument?’; onder verwijzing naar de volgende uitspraken van de Raad van State: ECLI:NL:RVS:2016:2555, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7541 en ECLI:NL:RVS:2005:AU0396. 11 Hubar, #KunstinBreda. Hubar, ‘Sint Laurentius’. 12 Ook de inventarisatie van de Joseph Cuypers Collectie op het gemeente-

archief van Roermond – zie Hubar, ‘Joseph Cuypers Collectie’ – heeft daar geen verandering in gebracht. 13 Zie hierover in vakblad Vitruvius: Hubar, ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’. 14 Zie onze uitgebreide analyse van ‘De Heilige Linie’ in Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 71-120. 15 Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 85-86; 182-193. Hulshof, Laurentiuskerk Ginneken, pp. 23-25, citeert een notitie van Joseph Cuypers over de iconografie.


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

2021

16 Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 268-276. 17 Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 182-183. 18 Nieuwbarn, Het Roomsche kerkgebouw, p. 19. 19 Hubar, De genade van de steiger, pp. 208-212. 20 Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 126-131; 285. Zie de vorige noot. 21 Voor een vergelijkbare weergave zie de omslag van Jan Toorop van het genoemde werk van Nieuwbarn: Hubar, De genade van de steiger, pp. 276-278. 22 Zie hierover in Vakblad Vitruvius: Hubar en Coenen, Jan en Kees Dunselman, ‘Kerkschilders van niveau’, pp. 22-23. 23 Hubar, De genade van de steiger, pp. 287-298 (Toorop); 116, 128, 133, 166, 373 (Wijnand Geraedts). 24 Zie hiervoor ook Catharijneconvent, ‘Kerkcollectie digitaal’. Bronnenlijst • ‘Monumentenzorg en interieurafwerkingen’, in: M. van de Sluys (red.), Nieuwsbrief van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg 9 (1997), nr 3, p.6. http://bit.ly/3aKTSqM-RCE • ‘Nieuwsarchief - Reliwiki’, 2010-2012. http://reliwiki.nl/index.php/Nieuwsar chief#Actie_Donaties_voor_Reliwiki • ‘Over Reliwiki (verder) - Reliwiki’, 2019. http://reliwiki.nl/index.php/ Over_Reliwiki_(verder) • ‘Rijksmonumenten en de Erfgoedwet - Erfgoedwet - Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 12 februari 2019. https://www.cultureel erfgoed.nl/onderwerpen/erfgoedwet/ rijksmonumenten-en-de-erfgoedwet • Catharijneconvent. ‘Kerkcollectie digitaal’, 2015-2021. http://bit. ly/3nN9IGx-kerkelijkerfgoed • Hubar, Bernadette van Hellenberg. De nieuwe Bavo te Haarlem: ad orientem - gericht op het oosten. Onder redactie van Marij Coenen. Zwolle; Haarlem: Wbooks ; Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, op initiatief van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, 2016. • Hubar, Bernadette van Hellenberg, Angélique Friedrichs, en G. W. C. van Wezel. De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum. Amersfoort-Zutphen: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Walburg

Pers, 2013. • Hubar, Bernadette van Hellenberg, en Marij Coenen. ‘Jan en Kees Dunselman. Kerkschilders van niveau (deel 1)’. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 14 (2020): 18-25. http://bit.ly/3gZdjOq-Dunselman • Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘Balanceren tussen figuratief, decoratief en abstract’. Onder redactie van Marij Coenen. Vitruvius, onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals 10 (2017): 10–15. http://bit.ly/2BI1Hgq-Vitruvius • Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘Joseph Cuypers Collectie’. Onder redactie van Marij Coenen. VanHellenbergHubar.org, 2018-2021. http://bit.ly/ JCC-VanHH2Org • Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘Planologisch erfgoedregime voor een Quartier vivant. Bestemmingsplan De Bergen in Eindhoven. Advies & achtergronddocument met modelbestemmingsplanvoorschriften.’ Ohé en Laak: Res nova-VanHH.org, 2009. http://bit. ly/2M5IVRB-VanHH2Org • Hubar, Bernadette van Hellenberg. ‘Sint Laurentius’. if then is now, 2016. http://bit.ly/25qDCR7 • Hubar, Bernadette van Hellenberg. #KunstinBreda | Religieuze kunst, Waardestellingen van uitmonsteringen en clusters. Onder redactie van Marjanne Statema en Marij Coenen. Ohé en Laak/Breda: VanHH.org i.o. gemeente Breda, 2017. • Hulshof o.p., Ben. Laurentiuskerk Ginneken, Een iconografie, Breda 2012. • Nieuwbarn, M.C., Ordo Praedicatorum, Sanctae Theologiae Lector. Het Roomsche kerkgebouw, leer der algemeene symboliek en ikonografie onzer Katholieke kerken. Nijmegen: J.F. Kloosterman, 1908. http://bit.ly/ Nieuwbarn-bouwsymboliek • Overheid.nl Wettenbank. ‘Erfgoedwet’, 2016. https://wetten.overheid.nl/ BWBR0037521/2020-04-01 • Plank, P.J. van der. ‘Natrekking door onroerende zaken (Onderneming en recht nr. 94), 1.1.1 De grond | Navigator’, 2016. http://bit. ly/2PH8AHM-erfgoedwet • Plank, P.J. van der. ‘Natrekking door onroerende zaken (Onderneming en recht nr. 94), 1.1.3 Gebouwen en werken | Navigator’, 2016. http://bit. ly/3vvY7hE-erfgoedwet • Plank, P.J. van der. ‘Natrekking door

onroerende zaken (Onderneming en recht nr. 94), 4.1 De verhouding tussen art. 3:4 en 5:3 BW | Navigator’, 2016. http://bit.ly/3xHQmHy-erfgoedwet • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. ‘10146 Sint Laurentius Ginnekenweg 333 4835 ND te Breda’, 6 december 2017. https://monumentenregister. cultureelerfgoed.nl/monumenten/10146 • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. ‘519055 Bij Ginnekenweg 333 4835 ND te Breda’, 7 december 2017. https:// monumentenregister.cultureelerfgoed. nl/monumenten/519055 • Stavleu, advocaat monumentenrecht, Vincent. ‘Wat is nu precies de omvang van de bescherming van een monument? | Monument en Recht’, 26 maart 2019. https://www.monumentenrecht. com/kennisblog/wat-is-nu-precies-deomvang-van-de-bescherming-van-eenmonument • Thompson, M.A. De nieuwe kathedrale kerk ‘St. Bavo’ te Haarlem. Bouwgeschiedenis, constructie en symboliek. Haarlem: Henri Coebergh, 1898 (download via http://bit.ly/33jq7ZI-JCC-Bavo). • Timmers, J.J.M. Symboliek en iconographie der Christelijke kunst. Roermond-Maaseik: J.J. Romen & Zonen, 1947. • Van Draeckeburgh. ‘De nieuwe Erfgoedwet’, 27 oktober 2016. https://vdsf. nl/de-nieuwe-erfgoedwet

23


VOOR U

gelezen

VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

2021

Het landschap beschreven; Historisch-geografische opstellen voor Hans Renes AUTEURS

J.E. Abrahamse, H. Baas, S. Barends e.a. (red.) UITGAVE

Verloren RECENSENT

Frits Niemeijer D E TA I L S

Paperback, 336 pagina’s, talrijke afbeeldingen en kaarten in zwart-wit en kleur, literatuur, lijst van publicaties van H. (=J.) Renes. ISBN: 9 789087 048730 PRIJS

€ 29,00

E

én van de pakweg 35 auteurs die een bijdrage hebben geleverd aan de afscheidsbundel voor prof. dr. Hans Renes (1954), is archeoloog J. van Doesburg gespecialiseerd in middeleeuws gebouwd erfgoed. Aan het slot van zijn artikel ‘Decorstuk of landschapsicoon?’ werpt hij de vraag op “Misschien moeten we streven naar een meer integrale, landschapsgerichte vorm van bescherming of, in navolging van de bescherming van historische windmolens, het instellen van ‘kasteelbiotopen’. Deze ‘biotopen’ zouden moeten worden gevrijwaard van omvangrijke bebouwing. Een andere weg is om meer op planologische bescherming in te zetten en deze voor grotere gebieden te realiseren.” Zoals vaker, geldt ook hier: de vraag stellen, is hem beantwoorden. Van Doesburg geeft in zijn bijdrage een reeks voorbeelden van geslaagde en faliekant mislukte vormen van bescherming van middeleeuwse versterkte gebouwen en/of hun al dan niet meer als zodanig herkenbare terreinen. Dat in vroegere ‘beschermingsrondes’ verschillende omgangsvormen bestonden met kastelen, ruïnes, archeologische kasteelresten en ‘lege’ kasteelterreinen, kan verbazing wekken, maar moeten we maar opvatten als een fait accompli. Al is het niet altijd zeker dat er hierbij sprake was van voortschrijdend inzicht. Ook ‘voortschrijdend gebrek aan inzicht’ is nogal eens pijnlijk zichtbaar. Of de (gelukkig) steeds vaker bekritiseerde decentralisatie van het ruimtelijk beleid – en van de monumentenzorg in het bijzonder (Mw 1988) – hieraan debet is, verhaalt Van Doesburg niet expliciet, maar kan wel uit zijn betoog worden gedestilleerd (p. 86). Bij kenners onomstreden waarden zijn vanaf die tijd in rap tempo geofferd aan de landhonger en geldingsdrift van projectontwikkelaars en gemeenten en zo kon het gebeuren dat kasteelterreinen zijn overbouwd en kastelen werden en worden ingekapseld. Zoals sommige historische boerderijen verdwaald en misplaatst lijken te zijn in de nieuwbouw, zo zijn er diverse voorbeelden van middeleeuwse kastelen tussen hoge kantoorgebouwen of overbouwde terreinen. Van Doesburg noemt vooral voorbeelden 24

rond Utrecht, maar hij had ook kasteel De Binckhorst in hart Den Haag kunnen noemen (waarvoor intussen het tij ten goede lijkt te zijn gekeerd) of de in de jaren ’70 gesloopte en overbouwde fundamenten en muurresten van kasteel West-Souburg / Aldegonde in gemeente Vlissingen. In het bijzonder maakt Van Doesburg zich zorgen over de context van de kastelen en over de kasteelterreinen zonder zichtbare resten – vooral als zulke terreinen tabula rasa een nieuwe toekomst krijgen, dus ontdaan van hun historisch-functionele, ruimtelijke en stratigrafische verleden. En dus zonder verkaveling, grachten, contouren, reliëf, enz. (in de woorden van uw recensent) Er wordt hier relatief veel aandacht aan deze bijdrage besteed omdat de raakvlakken en de grensoverschrijdingen van Renes’ historische geografie vanwege diens brede belangstelling en spectrum van publicaties er zo mooi in tot uiting komen. In vrijwel elke bijgevoegde lijst van geraadpleegde literatuur komt Hans Renes wel voor, maar op dit onderwerp zijn het er vier, waarvan de eerste uit 1996 en de laatste uit 2018. Uw recensent herkent er ook iets in: zodra je je ergens in verdiept, blijkt het al gauw interessant. Renes lijdt hier vermoedelijk in sterke mate aan – of hij beleeft er veel plezier aan. Dit komt in elk geval zo tot uiting in het inleidende hoofdstuk, waar – en dit is een puntje van kritiek – de tekstcorrectie te vaak een steekje liet vallen. De bundel is ingedeeld naar zes thema’s, die ieder zijn ingevuld met vier of meer bijdragen – in totaal 32, vrijwel elke ervan geschreven door één auteur. Dat betekent in de praktijk dat er net zo’n breed spectrum als dat van Renes’ belangstellingssferen voor het voetlicht komt. De bijdrage van Van Doesburg is de laatste van een serie onder de vlag ‘Landschap als erfgoed’. Twee andere hier nader te becommentariëren thema’s zijn ‘Dorpen en steden’ en ‘Landschap en verbeelding’, maar minstens zo aardig zijn bijdragen onder de noemers ‘Cultuurlandschap van Hoog-Nederland’,


VITRUVIUS

gelezen

NUMMER 56

VOOR U

JULI 2021

VOOR U

respectievelijk van ‘Laag-Nederland’ en ‘Landschap internationaal’. A. de Kraker zorgde voor een artikel genaamd ‘Schuttershoven in Noord-Vlaanderen 14001600; Symbolen van stedelijke identiteit’. Het besproken gebied blijft beperkt tot het huidige Zeeuws-Vlaanderen, met steden als Aardenburg, Hulst en Sluis. De kraker beschrijft gilden van voet- of kruisboogschutters (St.-Jorisgilden) en handboogschutters (St-Sebastiaangilden) en laat hun betekenis in ruimte en tijd zien. Aardig om te weten is dat het de schutterijen niet alleen om ‘militaire’ functies ging, maar zeker ook om ceremoniële en sportieve aspecten. Zo werden (interstedelijke) toernooien georganiseerd, die soms honderden deelnemers kenden. Ook bestond er soms een culturele component, die geaccentueerd kon zijn door deelname van rederijkers aan de evenementen. Toen boogschieten zijn militaire betekenis had verloren, werden de ceremoniële en sportieve functies belangrijker en kwamen het schieten op doelen (horizontaal) en op ‘gaaien’ (verticaal) een wijdverbreid volksvermaak. Een vermaak dat ook naar dorpen overging en dat tot op de dag van vandaag een vorm van vertier is in Vlaanderen en het aangrenzende zuidwesten van ons land. In het bijzonder in samenhang met kermissen. Een andere bijzonder interessante bijdrage is die van R. Rutte, die ‘Een schilderij met een verhaal’ (= ondertitel) op de kop tikte. Zijn artikel heet: ‘Stad en land op een paneeltje van Harm Kamerlingh Onnes.’ Rutte wist bij een veiling een uit 1929 daterend schilderijtje in de wacht te slepen dat een duinlandschapje bij Scheveningen weergeeft, met als grote blikvanger de uit 1884 daterende watertoren. De bekende Leidse schilder H. Kamerlingh Onnes (1893-1985) vervaardigde op de achterkant van

gelezen

het werk verder een voorstudie van een schilderij voor de Gevangenis van Scheveningen – een schilderij dat in Museum De Lakenhal in Leiden is te vinden. Rutte, die bekend is van zijn studies rond 16de- en 17de-eeuwse stadsgezichten en stadsplattegronden (o.m. Anthonie van Wijngaerde, Jacob van Deventer) deed ook hier zijn best op basis van de weergaven en bijkomend bronnenmateriaal de raadsels van tijd en ruimte op te lossen. Definitief is zijn antwoord evenwel niet; hij eindigt met het volgende citaat van Kamerlingh Onnes: “Ik maakte wat ik aardig vond.” Wat nu is de betekenis van deze zeer rijke bundel: door het caleidoscopische karakter ervan worden vele facetten van (historische) geografie en van verwante terreinen in de archeologie en geologie, waterstaatsgeschiedenis, ontwikkeling van de (verkeers)infrastructuur, militaire geschiedenis, historische stedenbouw en (tuin)architectuur en ook ruimtelijke kunst, enz. voor het voetlicht gebracht. Recht doen aan allen die een bijdrage leverden, is onmogelijk. Daarom zijn slechts enkelen van hen genoemd, maar veruit de meeste artikelen zijn door compactheid prettig te lezen. Met deze afscheidsbundel is het historisch cultuurlandschap in ‘cinemascope’ verbeeld. Dit brengt mee dat het boek niet alleen de uitstraling kent van ruime schermbreedte, maar dat het veelkleurige beeld ook instroming vanuit verschillende disciplines als gevolg kan hebben. Is het misschien niet als instromer in een ‘hoofdrichting’, dan wellicht toch als ‘bij- of keuzevakker’. De historische geografie werd in enkele decennia een bezielde wetenschap met een bezielde en aimabele pleitbezorger in de persoon van Hans Renes. Ook namens de recensent: bedankt Hans. n

COLOFON Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk

REDACTIE

vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen,

Blijdenstijn, R.

inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de

Cramer, drs. M.A.

vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten,

Diederiks, R.P.H.

immaterieel erfgoed en volkscultuur.

Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. dr. ir. G.A.

ABONNEMENTENINFO

Vreeze, dr. ir. N. de

4 nrs/p.jr.: Nederland Particulier € 50,-, incl. btw (Bedrijfs-

© Copyrights Uitgeverij Educom, Juli 2021, ISSN 1874-5008. Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

abonnementen € 60,-, ex. btw / België Particulier € 70,-

FREQUENTE BIJDRAGEN

(Bedrijfsabonnenten € 80,-, ex. btw).

Mw. dr. B.C.M. van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M. en Mw. M. Coenen VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN:

Uitgeverij Educom | Mathenesserlaan 347 | 3023 GB Rotterdam | Tel. 010-425 6544 | info@uitgeverijeducom.nl | www.uitgeverijeducom.nl

25


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

NUMMER 56

JULI 2021

De eeuw van de Volkskrant AUTEUR

Hans Wansink (tekst) en Theo Audenaerd (beeldredactie) UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 208 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur en zw-w, met ca. 150 afbeeldingen, ISBN: 978-94-6258-407-5 PRIJS

€ 29,95

D

e eeuw van de Volkskrant gaat over de wereld van toen door de ogen van toen. Hoe heeft de krant de gebeurtenissen van de afgelopen honderd jaar beschreven op het moment dat ze zich voordeden? Dit boek geeft antwoord op die vraag door de krant zelf aan het woord te laten. Aan de hand van ruim 60 originele artikelen ervaart de lezer het voltooide verleden als de dag van gisteren. Ter afwisseling van de gekozen fragmenten geven columnisten hun persoonlijke visie op episodes uit de historie van de

Volkskrant: Hans Aarsman over fotografie, Sheila Sitalsing over smaakmakers in de jaren negentig, Martin Sommer over zes hoofdredacteuren, Peter de Waard over de worstelingen van de krant met het Songfestival, Bert Wagendorp over de relatie tussen lezers en krant en Sylvia Witteman over de jaren zestig van Godfried Bomans en Saartje Burgerhart. Een selectie van covers van katernen en magazines illustreert de professionalisering van de vormgeving van de krant. n

Consensus en conflict. Waterbeheer in de Nederlanden 1200-1800. AUTEURS

Milja van Tielhof UITGAVE

Uitgeverij Verloren D E TA I L S

Gebonden, 296 pagina’s, met een extra hoofdstuk van Piet van Cruyningen, ISBN: 978-90-8704-890-7 PRIJS

€ 39,-

W

aterbeheersing speelt sinds de middeleeuwen een grote rol in de Nederlandse geschiedenis. Er lijkt een succesvolle en typisch Nederlandse aanpak te bestaan, die de nadruk legt op goede samenwerking en een evenwichtige afweging van belangen. Maar is dat waar? Klopt deze beeldvorming? Dit boek biedt een veel realistischer beeld. Het toont veel samenwerking en streven naar consensus, maar ook vaak belangenstrijd en moeizame conflicten. Milja van Tielhof biedt een nieuw perspectief op het Nederlandse waterbeheer door het in zijn historische context te plaatsen en de bestuurscultuur centraal te stellen. Zij kijkt 26

vooral naar vormen van participatie en manieren waarop belanghebbenden invloed konden uitoefenen. Wie gaven het waterbeheer vorm? Welke regels golden daarbij? En wat was de invloed van bredere historische ontwikkelingen? De geschiedenis van waterstaat en waterschappen wordt verbonden aan grote thema’s in de Nederlandse geschiedschrijving, zoals de vroege verstedelijking, de welvaart van de Gouden Eeuw, de ingrijpende transformatie van het boerenbedrijf en de merkwaardige staatsinrichting van de Republiek. Door deze benadering stelt Consensus en conflict een genuanceerd en overtuigend verhaal tegenover de populaire beeldvorming over Nederlanders en water. n


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

recent

2021

Brueghel en tijdgenoten. Kunst als verborgen verzet? AUTEURS

Lars Hendrikman en Dorien Tamis UITGAVE

Waanders D E TA I L S

Gebonden, 232 pagina’s, rijk geïllustreerd met 175 illustraties, ISBN: 978-94-6262-315-6 PRIJS

€ 32,50

D

e woelige zestiende eeuw trok niet alleen diepe voren door de Nederlandse samenleving, maar liet ook

VERSCHENEN

duidelijk zijn sporen na in de kunst. De beeldenstorm, de Spaanse bezetting, de opstand, soms zien we er bewijs van. Waarom dragen die Romeinse legionairs op Brueghels Kruisdraging Spaanse helmen? En wat doet die opvallende Habsburgse adelaar op hun vlag? Die staat toch voor het juk dat we willen afwerpen? En die halve maantjes en hangsnorren op Brueghels Bekering van Saulus? Het kan niet anders dan dat er een diepe betekenis achter zit. Waren de kunstenaars van de Nederlandse renaissance stiekem verzetshelden? Of toch pragmatici die zich voegden naar hun opdrachtgevers? We volgen hun spoor vanaf het einde van de middeleeuwen in luxe getijdenboeken, via vele werken van Pieter Brueghel II (‘de jonge’) tot de grote kunstenaars van de Vlaamse Barok in de zeventiende eeuw. n

Historische Atlas van Zeeland AUTEURS

Aad de Klerk UITGAVE

WBooks i.s.m. Erfgoed Zeeland, Zeeuws Archief D E TA I L S

Gebonden, 128 pagina’s, rijk geïllustreerd met 60 afbeeldingen in kleur, ISBN: 978-94-6258-435-8

Vaak prachtige staaltjes van vakmanschap van landmeters en kaartmakers, maar bovenal heel informatief en mooi om naar te kijken. Ze getuigen van de intensieve omgang met het water, ze tonen en verklaren de lijnen die in stad en dorp werden getrokken en ze brengen ons op het spoor van alles wat eigen is aan het Zeeuwse landschap: burgen en forten, boerderijen en buitenplaatsen, maar ook een vergeten rond vliegveldje en een verdwenen sluis.

PRIJS

€ 29,95

M

eer dan van enig ander gewest, is de kaart van Zeeland er een van vele en ingrijpende veranderingen. Veel historie is uit het landschap van vandaag verdwenen. Maar gelukkig hebben we de oude kaarten nog.

Zilver met Schwung AUTEURS

Lars Hendrikman, Paul Kerckhoffs en Jan Jaap Luijt UITGAVE

Waanders

In Historische atlas van Zeeland brengen 48 oude kaarten en begeleidende teksten het landschap van toen dichterbij de kijker van nu. Dit boek verscheen eerder als De oude kaarten van Zeeland, dat hiermee op veler verzoek opnieuw beschikbaar is. n

inspireert. Binnen de Nederlandse zilversmeedkunst neemt Maastrichts zilver een bijzondere positie in, die zich vertaalt in een vormgeving met ‘schwung’. Een term die de Maastrichtse volksaard beschrijft, maar ook in letterlijke zin tot uiting komt in het achttiende-eeuwse zilverwerk en in de zilveropstelling in het Bonnefanten museum.

D E TA I L S

Paperback, 96 pagina’s, rijk geïllustreerd met 100 illustraties, ISBN: 978-94-6262-319-4 PRIJS

€ 22,50

M

et een frisse blik op Maastrichts zilver zet dit boek het prachtige design uit vroeger tijden in de schijnwerpers. Veelal tijdloos design dat ook nu jonge ontwerpers

Aan de hand van circa 20 topstukken legt Zilver met Schwung op luchtige wijze verbindingen naar andere voorwerpen en thema’s, zoals gebruik en techniek, stedelijke trots en familierelaties, Maastricht tegenover andere steden, religie en familiewapens. Daarnaast vertellen verzamelaars in dit boek hoe hun passie voor zilver is ontstaan en hoe hun samenwerking met het Bonnefanten heeft geleid tot een nieuwe kijk op het Maastrichts zilver. Door zijn onberispelijke kwaliteit is Maastrichts zilver tot op de dag van vandaag een geliefd verzamelgebied. n

27


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

NUMMER 56

JULI 2021

Historische Atlas van Eindhoven. Van Brabants marktstadje tot centrum van de Brainport-regio. AUTEUR

Jaap Evert Abrahamse, Giel van Hooff en Wilfried Uitterhoeve UITGAVE

THOTH i.s.m. de Technische Universiteit Eindhoven D E TA I L S

Gebonden, 96 pagina’s, rijk geïllustreerd met 175 kleurenillustraties, ISBN: 978-94-6868-829-0 PRIJS

€ 29,95

E

indhoven ontstond in de dertiende eeuw aan de Dommel, waar handelsroutes vanuit Antwerpen, Luik en ‘s-Hertogenbosch bij elkaar kwamen. In 1232 kreeg Eindhoven stadsrechten, maar het bleef een klein stadje met grote stukken land- en tuinbouwgrond binnen de omwalling. Pas in de loop van de negentiende eeuw werd Eindhoven een aantrekkelijke vestigingsplaats voor industriële bedrijven. Grond en arbeid waren goedkoop, en de bereikbaarheid werd verbeterd door de aanleg van een kanaal en spoorverbindingen. Met de komst van de gloeilampenfabriek Philips in 1891 kwam de stedelijke ontwikkeling in een stroomversnelling. Eindhoven en omgeving veranderden in een lappendeken van industriële complexen, aan elkaar gegroeide dorpskernen en arbeiderswijken. Na de Tweede

Wereldoorlog groeide de stad door. In het kielzog van Philips werd in 1957 de Technische Hogeschool geopend. In de jaren 1990 vertrokken veel industriële bedrijven, waaronder Philips. Hightech werd de belangrijkste economische sector. Nieuwe woon- en werkgebieden verrezen op verlaten fabrieksterreinen, zoals Strijp s. Op het NatLab-terrein verrees de High Tech Campus. De Historische atlas van Eindhoven vertelt in 35 hoofdstukken de ruimtelijke geschiedenis van stad en omgeving aan de hand van oude en nieuwe kaarten, tekeningen, prenten, schilderijen en foto’s. Een speciaal katern is gewijd aan de ontwikkeling van de universiteitscampus. n

Amsterdam in aquarel en pastel 1860-1925 AUTEUR

J.F. Heijbroek UITGAVE

THOTH i.s.m. het Stadsarchief Amsterdam D E TA I L S

Gebonden met stofomslag, 176 pagina’s, rijk geïllustreerd met 200 kleurenillustraties, ISBN: 978-90-6868-824-5 PRIJS

€ 32,50

R

ond 1900 maakt Amsterdam een snelle groei door. Handel en stadsuitbreidingen geven de stad na lange tijd weer dynamiek. De bedrijvigheid trekt bekende kunstenaars aan, onder wie George Hendrik Breitner, Isaac Israels, Leo Gestel, Piet Mondriaan en Willem Witsen. Hun werken en die van onder meer Johan Conrad Greive, Maurits van der Valk, Félicien Bobeldijk en Nicolaas van der Waay geven een prachtig beeld van de stad die met nieuw elan de moderne tijd omarmt.

28

Amsterdam in aquarel en pastel 1860-1925 toont de bouwputten voor nieuwe winkels en woonwijken, het woelige uitgaansleven en het werk in fabrieken en ateliers, de randen van de stad en de landelijke gebieden ten noorden van het IJ. Het bevat daarnaast verstilde stadsgezichten die de tijdloze schoonheid van Amsterdam laten zien. Kleurrijke beelden die met sprankelende kleurschakeringen van waterverf en pastelkrijt de stad in al zijn facetten tot leven brengen. n


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

recent

2021

VERSCHENEN

De schilders van de Duin- en Bollenstreek AUTEUR

Werner van den Belt en Bob Hardus UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 240 pagina’s, rijk geïllustreerd met ca. 200 kleurenillustraties, ISBN: 978-94-6258-426-6 PRIJS

€ 22,95

Z

er zelfs zijn specialiteit van en werd door zijn vrienden Anton Tulp genoemd.

e hebben een bijna magische aantrekkingskracht: de bloembollen. Jaarlijks bezoeken meer dan een miljoen toeristen de Keukenhof in Lisse, het landschapspark waar sinds 1950 op initiatief van kwekers en exporteurs voorjaarsbloeiende bloembollen worden getoond. De bloembollenvelden behoren tot de meest karakteristieke landschappen van Nederland.

Waar komen de bollenvelden vandaan? Hoe hebben ze zich ontwikkeld en waarom juist in de Duin- en Bollenstreek? En vanwaar de fascinatie van juist buitenlandse kunstenaars om de jaarlijkse explosie van kleuren in de lente met verf of fotocamera te verbeelden? Dit boek beschrijft voor het eerst de geschiedenis van het bollenveld in de kunst tot aan de dag van vandaag. Recent werk van Daniel Buren en Andreas Gursky laat zien dat de belangstelling voor het bollenlandschap nog steeds springlevend is. n

Claude Monet was er dol op. Hij beklaagde zich erover dat zijn palet niet toereikend was om de bollen goed te kunnen schilderen. Vincent van Gogh ging hem voor, Ferdinand Hart Nibbrig en de Amerikaanse kunstenaar George Hitchcock volgden snel daarna. De Nederlandse kunstschilder Anton Koster maakte

Crossbill Guide Veluwe AUTEUR

Dirk Hilbers UITGAVE

KNNV D E TA I L S

Paperback, 176 pagina’s, ISBN: 978-94-9164-819-9 PRIJS

€ 25,95

D

e Veluwe is een uniek Nederlands natuurgebied. 22 mooie fiets- en wandelroutes voeren je langs de meest bijzondere plekken. Van de Randmeren in het noorden, over de stuwwallen en zandgronden van het Veluweplateau tot het coulisselandschap en de rivieren in de vallei, alle aspecten van de Veluwe komen aan bod.

• De beste plekken voor bloeiende heide, herfstkleuren, wild kijken en nog veel meer • Uitgebreide informatie over landschap, geschiedenis, geologie, flora en fauna • De beste plekken in ieder jaargetijde • Extra! Met route-app

Uitgebreide achtergrondinformatie en tips om wild, flora en fauna te vinden maken deze gids compleet. • De 22 beste wandel- en fietsroutes • Tips om wild, vogels, vlinders, libellen, reptielen en amfibieën te vinden • Natuur beleven met kinderen

Deze derde druk is volledig geactualiseerd. De routes zijn gecontroleerd in samenspraak met de beheerders en in de algemene hoofdstukken zijn de recente ontwikkelingen toegevoegd rondom stikstofuitstoot, coronadrukte en de wolvenpopulatie. n

29


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

NUMMER 56

JULI 2021

‘Thuis heb ik nog een ansichtkaart’. Prentbriefkaarten van de Vechtstreek uit de collectie Lisman, 1900-1925. AUTEUR

Juliette Jonker-Duynstee en Edward Munnig Schmidt UITGAVE

Stokerkade D E TA I L S

Gebonden, 256 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-7915-651-1 PRIJS

€ 24,95

‘T

huis heb ik nog een ansichtkaart, daarop een kerk, een kar met paard…’: het begin van het onvergetelijke lied ‘Het dorp’, gezongen door Wim Sonneveld. Het lied ademt de sfeer van nostalgie naar en transitie van het begin van de twintigste eeuw, de periode die in dit boek belicht wordt met zo’n 400 prentbriefkaarten uit de collectie Lisman. Het was, nu honderd jaar geleden, een stille wereld waarin men zich hoofdzakelijk te voet verplaatste en de petroleumboer met zijn hondenkar langs de huizen ging. Maar tegelijk begon de overgang naar een nieuwe wereld, de wereld van nu. De eerste auto’s, de komst van elektriciteit en telefonie en het toegenomen gebruik van trein en fiets vergrootten de actieradius en de kennis van de mensen.

Het IJ Rond - De geschiedenis van de oude zeedijken rond het IJ tot de opening van het Noordzeekanaal in 1876

De verhalen en prentbriefkaarten in dit boek doen verslag van het leven en de veranderingen in de Vechtstreek tussen 1900 en 1925, aan de hand van thema’s als horeca, toerisme, middenstand en transport. Bijzonder was de rol van de prentbriefkaarten zelf, die in grote aantallen werden verzonden en vaak functioneerden als de sociale media in onze tijd. Daarnaast wordt de lezer meegenomen op een geografische reis over de Vecht tussen Utrecht en Muiden, langs buitenplaatsen, dorpsgezichten, terrassen en kastelen. Een reis die vandaag de dag soms nog hetzelfde beeld oplevert, maar tegelijk een andere, verstilde wereld toont waar wij in onze drukke tijd extra van kunnen genieten. En misschien wel soms naar terug kunnen verlangen…. n

Spaarndammerdijk het niet en kwam het water tot Leiden. In 1717 was de overkant aan de beurt. Nota bene op Eerste Kerstdag brak de zeedijk van Assendelft.

AUTEURS

Diederik Aten en Paul Schevenhoven UITGAVE

Uitgeverij Noord-Holland i.s.m. Vrienden van de Hondsbossche D E TA I L S

Paperback, 176 pagina’s, ISBN: 978-94-9233-525-8 PRIJS

€ 19,95

H

et oude IJ was een breed water dat in open verbinding met de Zuiderzee stond. Het kronkelde tot voorbij Beverwijk door Noord-Holland. Normaal gesproken ging van het IJ geen gevaar uit, maar bij noordwesterstorm veranderde dat razendsnel. Dan joeg de wind vanuit de Noordzee veel water de ondiepe Zuiderzee en het IJ in en schoot de waterstand in korte tijd meters omhoog. In 1675 hield de

30

Daarna liepen zelfs in Alkmaar nog kelders vol. Er stond dus veel op het spel bij veilige dijken rond het IJ. Niet voor niets behoedde Hansje Brinker juist de Spaarndammerdijk met zijn duim voor een doorbraak. Diederik Aten en Paul Schevenhoven deden uitgebreid onderzoek naar de geschiedenis van de hele lus van dijken rond het IJ van Amsterdam tot en met Oostzaan. Dat levert een boeiend verhaal op van geruzie over en weer het IJ, stormen en doorbraken, paalwormen en keistenen, falend toezicht en mislukte reorganisaties. Eindpunt van het boek vormt de aanleg van het Noordzeekanaal in combinatie met de inpoldering van het IJ in 1870-1876. Toen waren de dijken rond het IJ zeedijk af. Het IJ Rond is uitvoerig geïllustreerd. De ruim 100 prenten, tekeningen en kaarten geven een prachtig beeld van de verdwenen wereld rond het oude IJ. Bovendien zorgde landschapsfotograaf Chris Schaatsbergen voor een serie foto’s van de situatie anno 2020. n


VITRUVIUS

NUMMER

56

JULI

recent

2021

Een lust voor het oog. 25 Haagse kerken AUTEUR

Botine Koopmans, Dick Valentijn (fotografie) UITGAVE

Verloren D E TA I L S

Gebonden, 372 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN: 978-90-8704-908-9 PRIJS

€ 39,95

K

erken bepalen als geen ander bouwwerk het beeld van een stad of een dorp. In Den Haag is dat niet anders. Zeker de grote kerken met hun hoge torens vormen belangrijke bakens en oriëntatiepunten in de wijk. Minder zicht-

ROCK Een revolutie in de muziek van de 20e eeuw. AUTEURS

Flip Vuijsje UITGAVE

Nieuw Amsterdam D E TA I L S

Paperback, 288 pagina’s, ISBN: 978-90-4682-319-4 PRIJS

€ 24,99

R

ock is de grootste culturele verworvenheid van de twintigste eeuw, vindt muziekkenner Flip Vuijsje. Vanaf begin

Een Nieuwe wereld - Het ontstaan van het moderne Nederland AUTEUR

Auke van der Woud UITGAVE

Prometheus D E TA I L S

Paperback, 464 pagina’s, ISBN: 978-90-3514-532-0 PRIJS

€ 25,99

H

et huidige China toont wat Europa na 1850 meemaakte: de razendsnelle wording van een economische grootmacht. Deze economische omwenteling was en is tegelijk

VERSCHENEN

baar maar net zo belangrijk is de binnenkant. Kosten noch moeite werden gespaard om de interieurs zo mooi mogelijk in te richten en zij vormen vaak een hoogtepunt in het oeuvre van een architect of kunstenaar. Dat maken de 25 kerken in dit boek meer dan duidelijk. Auteur Botine Koopmans beschrijft op aansprekende wijze hun geschiedenis in chronologische volgorde. Leidend voor de keuze van de kerken was de gaafheid van het interieur. De lezer maakt zo kennis met een wereld vol onvermoede pracht en praal, vol verborgen juweeltjes, of ontdekt de koele eenvoud van stenen vloeren en houten banken. De sfeervolle beelden van fotograaf Dick Valentijn laten prachtig zien hoe zeer de katholieke, protestantse, joodse en islamitische interieurs van elkaar verschillen en hoe de architecten en kunstenaars de ideeën en religieuze gevoelens steeds weer op een andere wijze hebben vertaald. n

jaren zestig ontstond in nog geen twee decennia een nieuwe, gitaar gedreven muziek die de harten van een complete generatie veroverde. Van vroege pioniers als The Beatles, The Rolling Stones en The Who tot The Eagles, AC/DC en Bruce Springsteen werd rockmuziek een blijvende verrijking van onze cultuur. Maar hoe kon in zo’n korte tijd zo veel en zulke goede muziek gemaakt worden? Wat zijn de eigenschappen die rockmuziek zo bijzonder maken? Dit unieke boek, vol aansprekende feiten, anekdotes en verhalen, geeft voor het eerst antwoord op deze vragen. rock is een fascinerende zoektocht naar de oorsprong, essentie en betekenis van rock; naar wat rock eigenlijk is. n

een sociale en culturele revolutie. Een nieuwe wereld laat zien dat de aanleg van nieuwe infrastructuur en nieuwe netwerken hiervoor cruciaal zijn. Kort na 1850 werden door de westerse mogendheden wereldwijde netwerken met totaal nieuwe, zeer krachtige technologie opgebouwd: spoorwegen, de telegraaf en intercontinentale scheepvaartlijnen met snelle stoomboten. Later in de negentiende eeuw volgde het stormachtige succes van de telefonie. De globalisering van de economie begon, het Westen koloniseerde de nietwesterse wereld, een zondvloed van technische innovaties vaagden eeuwenoude overtuigingen en beperkingen weg. Auke van der Woud beschrijft hoe de splinternieuwe infrastructuur het armoedige, slapende Nederland wakker schudde en in de machtige westerse netwerken integreerde: het ontstaan van het moderne Nederland. n

31


Nog geen abonnee? Informeer naar onze advertentietarieven STEUN DE KENNISOVERDRACHT- EN en speciale actie-aanbiedingen VERSPREIDING OVER ONS CULTUREEL ERFGOED Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom abonnee ontvang 4x per jaar in de bus. Voor tarieven zie Colofon elders in dit nummer. tel.: 010Word - 4256544 of en mail naar:Vitruvius info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.