Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 14 | NUM M E R 5 4 | JA NU A RI 2 0 2 1

NATUURWETENSCHAP AAN HET WERK VOOR HET ERFGOED

VERDWENEN BUITENHUIZEN EEN SCHETS AAN DE HAND VAN ELSENBURG BIJ MAARSSEN - DEEL 2

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 1

DE GOUDEN EEUW VAN DE PLATENHOES

‘ARCHITECTEN VAN HILVERSUM’ EEN PUBLICATIE VAN BOVEN-LOKAAL BELANG

02/11/2020 13:42


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special Informeer naar de vele mogelijkheden? Stuur een e-mail met uw vragen en wensen naar: info@uitgeverijeducom.nl

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 2

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

02/11/2020 13:42


JAARGANG 14 NUMMER 54 JANUARI 2021

4 VERDWENEN BUITENHUIZEN (DEEL 2 EN SLOT) EEN SCHETS AAN DE HAND VAN ELSENBURG BIJ MAARSSEN DHR. DRS. A.F.J. NIEMEIJER

17

12 NATUURWETENSCHAP AAN HET WERK VOOR HET ERFGOED

DE GOUDEN EEUW VAN DE PLATENHOES DHR. B. LAMBERTS

DHR. H. VAN DEN HAUTEN

26 ‘ARCHITECTEN VAN HILVERSUM’ EEN PUBLICATIE VAN BOVEN-LOKAAL BELANG DHR. DRS. M.A. CRAMER Lezersactie

32

• Recent verschenen

34 3

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 3

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

Frits Niemeijer Historisch-geograaf

NUMMER 54 JANUARI 2021

Verdwenen buitenhuizen (Deel 2 en slot)

Bron: Omslag Versailles aan de Schelde

Bron: Beeldcollectie RCE, doc.nr.. 280.759

Een schets aan de hand van Elsenburg bij Maarssen

1 - Schilderij van het Huis Zorgvliet, door J.F. Spohler uit ca. 1850. (RCE geeft: J.J. Spohler) Het huis ging toen al getooid met uitbundige decoratieve elementen. In het tweede deel van dit artikel komen enkele buitenhuizen en buitenplaatsen langs die niet in het westen, maar die elders in het land tot ontwikkeling kwamen. Het burgerlijk buiten wonen verspreidde en verplaatste zich van het rijke Holland en de aangrenzende delen van Utrecht steeds meer naar andere, economisch opkomende landsdelen. Een belangrijk aspect hiervan was dat industriëlen en ondernemers anders dan bijvoorbeeld de in het eerste deel genoemde Haarlemse Prévinaires (en de Van de Polls) - hun bedrijven nogal eens in het oosten en zuiden stichtten. Tegelijk vestigden zij zich daar dan, breidden er hun bestaande grondbezit uit en/of richtten er fraaie zomerverblijven in. Afhankelijk van het bedrijfstype – vaak ging het om fabrikanten in de textiel- of metaalindustrie, maar ook wel om ondernemers uit de infrastructurele sfeer - lieten zij de goedkope arbeid (= lage lonen) of ook wel de lage grondprijzen op de zandgronden in het zuiden en oosten prevaleren. Voorts lieten ze hun keuze afhangen van verbeterde toe-

gankelijkheid via kanalen en later per spoor. Een hier apart te noemen categorie van stichters en bewoners van buitens, is die van de renteniers die waren teruggekeerd uit de voormalige Nederlandse koloniën. Voor alle onderkomens geldt dat woon- en leefomgeving meestal rijk en weelderig is ingericht. Als eerste gaat de aandacht hier uit naar het vanuit een Zuid-Hollandse familie van baggeraars en waterbouwers aangelegde buiten Zorgvliet in Zeeland. Daarna is er aandacht voor twee buitens in Velp, nabij Arnhem: Overbeek en Rozenhagen. Zorgvliet te Ellewoutsdijk1 Zorgvliet was een buitenissig landgoed dat in de 19de eeuw tot stand is gebracht bij het dorp Ellewoutsdijk op de uiterste zuidpunt van het Zeeuwse Zuid-Beveland. Ellewoutsdijk, aan de Westerschelde, kent een geschiedenis waarin militaire artefacten en gebeurtenissen een grote rol spelen. Vlakbij lag een zogeheten motteburcht – na ca. 1822 een ruïne – die terugging op de 13de en 14de eeuw.2 Hiernaast werd in het tweede kwart

2 - Een gedeelte van de uitbreidingen die het Huis Zorgvliet vanaf de jaren ’80 van de 19de eeuw had ondergaan. De U-vormige binnenplaats en de entree tot de overtuin zijn goed zichtbaar. Op de achtergrond ligt de Westerschelde van de 19de eeuw – kort na de Belgische afscheiding – het nog bestaande kustfort Ellewoutsdijk gebouwd, dat zowel vóór als na de Tweede Wereldoorlog nog een rol zou spelen voor de internering van NSB-ers en andere collaborateurs.3 Het fort doorstond in de tussenliggende tijd de geallieerde strijd om Walcheren en de Scheldemonding (1944), maar het nabije buitenhuis van Zorgvliet liep toen onherstelbare schade op. De geschiedenis van het huis en zijn bewoners werd in 2017 te boek gesteld door Anna van Suchtelen, een nazaat van de familie Van Hattum, die een hoofdrol speelt in het werk. De familiegeschiedenis doet hier slechts mee op de achtergrond; het huis zelf wordt op basis van haar gegevens echter ruim belicht. Er wordt overvloedig

4

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 4

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

Aan de overkant van de weg, de Langeviele, tegenover de ruïne van de motteburcht, stond een opvallend, maar naar omvang relatief bescheiden huis, bekend als Zorgvliet. Dit vrijstaande huis zou in 1822 zijn gebouwd – dus niet per se zijn ontworpen - door en voor G. van Asperen (1785-1850; geboren te Hardinxveld, overleden in Ellewoutsdijk; aannemer van publieke werken en ‘huisjesmelker’). Huis Zorgvliet viel op door witte, met overdadig sierpleisterwerk beladen gevels, die ook nog eens werden bekroond door op minaretten lijkende torentjes. Het pand had hiermee een on-Zeeuwse, ‘oosterse’ of in elke geval mediterrane uitstraling.4 De ‘echte’, hier besproken geschiedenis van het huis begon pas tientallen jaren later, nadat J.C. van Hattum uit Sliedrecht (dichtbij Hardinxveld!) en Frederika Prümers, uit Ellewoutsdijk, in het huwelijk waren getreden (1862) en zij het oog hadden laten vallen op deze plaats. Haar ouders hadden het huis al eerder bewoond. Van Hattum (1837-1909) was een telg uit een succesvol en mettertijd schatrijk geworden geslacht van baggeraars, bouwers van waterwerken en later ook van spoorwegen e.d. De Van Hattums waren onder meer betrokken bij de aanleg van de Haarlemmermeerpolder, het Noordzeekanaal, de Zuid-Oosterspoorweg en – ver weg - het Suezkanaal, het Panamakanaal en spoorwegen in Zuid-Afrika. Misschien behoren ook de grondwerken voor de spoorverbinding door het Sloe naar Walcheren in dit rijtje thuis, want Van Hattum was in 1860 in Ellewoutsdijk op zoek naar dijkwerkers. Het lijkt er overigens op dat hij daar geen uitvoerder was van de aanleg van de spoorweg zelf.5 Zeker is wel dat hij midden jaren ’60 onder meer waterbouwwerken had aangenomen in de Polder Ellewoutsdijk.6 Hoe het zij, na de voltooiing ervan, vond het gezin (gedurende de zomers) domicilie in Frederika’s geboortedorp. Haar vader had daar in 1868 het ambachtsheerschap gekocht, maar na zijn overlijden, in 1875, nam Van Hattum het huis en de ambachtsrechten over. Vanaf ± 1880 vonden meerdere vernieuwingen en uitbreidingen van het huis Zorgvliet plaats, waarbij niet alleen het pand zelf belangrijk is vergroot, maar ook de intussen nog verder verruimde, overliggende gronden onderhanden zijn genomen.7 Zo was in korte tijd rondom de heuvel met de burchtruïne een

Bron: Zeeuws Archief, NL-MdbZA-247 (digitaal)

naar haar werk verwezen en zo kan deze bijdrage bijna als een verlate recensie worden opgevat.

3 - Detail van de kadastrale detailkaart van Ellewoutsdijk A3, 1890, met hierop - door de auteur globaal aangegeven - verdwenen (= met rood kruis) en in plaats daarvan tot stand gebrachte (= zwart omlijnde) bouwwerken (op het terrein) van Huis Zorgvliet. De cirkel is een weergave van de burchtheuvel. imposante buitenplaats tot stand gebracht, die in en kort voor 1888 was voorzien van bijzondere ‘ingrediënten’ als een 45 m lang kassencomplex met galerijbogen8 en een aantal follies en hiernaast een volière met uitheemse vogelsoorten, waterpartijen met bruggetjes en bootjes alsmede een hertenkamp. Later volgden onder meer nog een theehuis, een prieeltje dat was gekocht tijdens een bezoek aan de Wereldtentoonstelling in Parijs (1889) en een 20 meter hoge uitkijktoren – ‘de slottoren’ - (1902). En ‘uiteraard’ was ook een deel van de gronden bestemd als jachtgebied. Het huis zelf is vanaf einde jaren ’80 in fasen vergroot in dezelfde ‘moorse’ of oriëntaalse trant als die van het van eerder bestaande deel. Het werd daarbij onder meer voorzien van een schilderijenzaal en een zaal bestemd voor toneel- en muziekuitvoeringen. De groeifasen laten zich globaal herkennen in de contouren van de plattegrond, die herkenbaar zijn in een aantal kadastrale opnamen en in schetsmatige globale toevoegingen daaraan op basis van foto’s. Van Suchtelen schrijft er

onder meer het volgende over: “De voordeur van Zorgvliet ligt in het oude gedeelte van het huis: […]. Je komt binnen in de vestibule, de zitkamer is links en rechts bevinden zich twee zit-slaapkamers; verderop zijn de eetkamers, de keuken en de twee bijkeukens, de jachtkamer, de knechtenkamer, de speelkamer, de biljartkamer en de serre. Het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit drie vleugels, die in een U-vorm een binnenplaats omarmen. Op die binnenplaats zal ruimte genoeg zijn voor in- en uitrijdende koetsen en paarden, voor kinderen in karren en op trapfietsjes, voor het uitleggen van het tableau aan het eind van een jacht. Aan de binnenplaats komen het koetshuis en de tuigkamer te liggen. Gas- en waterleiding worden aangelegd. Een noviteit: er komt een warmwatersysteem waarmee het hele huis centraal verwarmd kan worden. Dit systeem wordt al gebruikt in publieke ruimtes, maar nog zelden in een woning.”9 Het is jammer dat de auteur, die hierover kennelijk goed was geïnformeerd, geen poging heeft gedaan een schetsmatige plattegrond van het bouwwerk samen te stellen. In augustus 1890 werd een privé installatie 5

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 5

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

voor elektrisch licht in gebruik genomen, waarna in 1895 nog buitenverlichting door middel van acetyleengas is toegevoegd.10 Alles bij elkaar een pracht en praal die, zoals gezegd, on-Zeeuws was en die ook in het traditioneel behoudende Sliedrecht van Van Hattum vermoedelijk nogal misstaan zou hebben. Dat de Van Hattums het hart op de goede plaats hadden, kan onder meer blijken uit diverse schenkingen aan het dorp en de gemeente Ellewoutsdijk. En in het bijzonder ook uit het al bij het ingaan van de Eerste Wereldoorlog ter beschikking stellen aan de militairen in het nabije fort van ameublement, alsmede van de leeszaal (bestemd als hospitaal) en van terreinen.11 Hiernaast kwam ook een nog bestaand bijzonder ‘ritueel’ voort uit een initiatief van de Van Hattums: het door de familie gesponsorde en gefaciliteerde handboogschieten, dat jaar in jaar uit deel bleef uitmaken van het zomerseizoen. De desbetreffende Sociëteit is in 1872 opgericht. De familie Van Hattum gebruikte Zorgvliet in toenemende mate als zomerverblijf, waarbij de dagelijkse zorg voor hun bezittingen in handen was van een rentmeester. In augustus 1932 ontkwam het huis aan een grote ramp, doordat een beginnende schoorsteenbrand kon worden geblust met emmers water - vóór de brandweer was gearriveerd. Van Suchtelen steekt niet onder stoelen of banken dat er in die tijd duidelijk sprake was van flinke achteruitgang in de onderhoudstoestand.12 Dat er toen sprake was van achterstallig onderhoud - en mede hierdoor van enige wrevel tussen de Van Hattums en de gemeente Ellewoutsdijk - is ook af te leiden uit het feit dat het hek langs de Langeviele in staat van verval werd bevonden. De familie dreigde eventuele schade daaraan bij een beoogde wegverbetering toch te verhalen op de gemeente.13 Ondanks achteruitgang, moet het van oudsher schitterende complex in de jaren ’30 nog sterk tot de verbeelding hebben gesproken, zoals blijkt uit het volgende citaat: “We stevenden dan ook recht door naar Ellewoutsdijk; daar aangekomen stapten we af bij de villa “Zorgvliet”, ook wel genaamd “Klein Venetië”, omdat al de gebouwen wit zijn, […]. Nu ging het den tuin in. Wij kwamen langs een plaats, waar vroeger een hertenkamp is geweest; ook stond er nog een ruïne, heelemaal met klimop begroeid. We gingen over een een bruggetje den vijver over en kwamen in een prachtig bloemenpark. Boven op den uitkijktoren, die 25 M. hoog is, hadden we een prachtig vergezicht. […]; toen kwamen

wij bij de z.g. colonnade, een soort wandelgang; mooi was ook nog een heelemaal zinken tuinhuisje.”14 Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg het huis opnieuw een functie die in het verlengde lag van opvang – deze keer van behoeftigen. Er zijn in 1942 bejaarden uit het Gasthuis van Vlissingen gehuisvest, die echter - onder de dreiging van het naderend front - twee jaar later toch nog weer elders zijn ondergebracht.15 Een ander opmerkelijk feit is dat op 29 juli 1944 – amper twee maanden voor het begin van de Slag om de Scheldemond (tussen de Duitse bezettingstroepen op Zuid-Beveland en Walcheren en de Geallieerden bij Breskens in Zeeuws-Vlaanderen) - nog het jaarlijkse zomerconcours handboogschieten (ook wel ‘gaaischieten’) bij de Sociëteit Zorgvliet plaatsvond. Het was of er met pijl en boog op de bommenwerpers werd gemikt. Precies een jaar later was het opnieuw boogschieten geblazen – toen in een bevrijd Nederland, maar ook in de context van een totaal vernietigd buitenhuis Zorgvliet. Ellewoutsdijk en de buitenplaats waren in 1944 in de frontzone komen te liggen en ze kregen vanaf 7 oktober bijzonder hevige beschietingen en bombardementen te verduren. Naar wordt gezegd, omdat een Duitse militair met verrekijker op de kerktoren was gesignaleerd en omdat het Duitse vuur van daaruit werd gecoördineerd. Op de 19de van die maand is de toren in puin geschoten; deze actie was zeker ook bedoeld om de landing in het nabije Baarland (26 oktober) voor te bereiden. Ook andere gebouwen liepen in die periode zware oorlogsschade op.16 Foto’s laten zien dat een groot deel van het dorp is vernietigd en dat Zorgvliet vrijwel geheel is vergaan. En wel zodanig vergaan dat van restauratie geen sprake meer kon zijn. Opmerkelijk genoeg lijkt het eerder genoemde hekwerk de beschieting nog het beste te hebben doorstaan!17 De tuinen van de buitenplaats zijn bij dit alles redelijk intact gebleven en ook een flink aantal van de tuinonderdelen en follies heeft het strijdgewoel doorstaan. Er zijn twee nieuwe villa’s in een classicistich geïnspireerde wederopbouwtrant op het terrein gesticht en vandaag de dag telt het resterende deel van het park met overtuin nog een flink aantal authentieke elementen en structuren – zoals tuinornamenten, waterpartijen, voorzieningen en de aanleg - waarvan er niet minder dan 34 de status van Rijksmonument hebben gekregen. Ze zijn als complex als volgt omschreven: “Het

NUMMER 54 JANUARI 2021

parkcomplex bestaat uit drie hoofdonderdelen: het gedeelte gelegen ten oosten van de Langeviele waar zich het oorspronkelijke negentiende eeuwse huis bevond en waar na de Tweede Wereldoorlog een nieuwe woning (Langeviele 6) is gebouwd, een gedeelte ten westen van de Langeviele dat verdeeld is in een gedeelte rond de burchtheuvel, de zogenaamde overtuin, en een gedeelte dat ten noorden daarvan, in het verlengde van de Zwinweg, gelegen is. In deze drie onderdelen worden oorspronkelijke parkelementen en -decoraties aangetroffen welke voornamelijk dateren uit de 19e eeuw.” 18 (De tweede na de oorlog gebouwde woning (Langeviele 5) wordt hierin dus niet genoemd.) Hierna volgen meer en minder uitgebreide omschrijvingen van elk van de complexonderdelen. Van het oude huis Zorgvliet zelf resteert niets meer wat de monumentstatus waardig wordt geacht – zelfs niet op gemeentelijk niveau. Ook de twee naoorlogse villa’s hebben (thans) geen monumentstatus. Lang niet alles wat hierboven is vermeld is terug te vinden in Versailles aan de Schelde, maar wel veel. Van Suchtelen heeft met haar werk een interessante en leesbare toevoeging verzorgd aan de ‘kleine geschiedenis’ van een van onze grote grote, maar iets minder bekende mannen. Deze familiegeschiedenis rond J.C. van Hattum laat een klein stukje van de menselijke kant zien van een man voor wie Nederland eigenlijk te klein was, maar die toch met zijn gezin de zomers doorbracht in een piepklein plaatsje op Zuid-Beveland. Niet voor niets lukte het Anna van Suchtelen een toernee langs televisie- en radiozenders en langs zalen te maken om haar werk onder de aandacht te brengen. En niet voor niets verschenen er al meerdere drukken. Anders dan bij Elsenburg te Maarssen, hebben er op het terrein van de buitenplaats Zorgvliet na de ondergang van het huis weinig of geen dorpsuitbreidingen of andere ontwikkelingen plaatsgevonden. Wel zorgde de watersnoodramp van 1953 voor inundatie van de lagere delen van het park en schade aan bestaande bebouwing. Met de watersnood en de hierop volgende grootschalige waterbouwkundige ingrepen – de rond 1960 begonnen Deltawerken – was de cirkel voor Ellewoutsdijk rond: J.C. van Hattum kwam een eeuw eerder immers naar het dorp omdat hij op zoek was naar dijkwerkers en de latere opvolgers – Van Hattum en Blankevoort – behoorden tot de grote uitvoerders van de Deltawerken.

6

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 6

02/11/2020 13:42


NUMMER 54 JANUARI 2021

Bron: RKD, GDC007000121 (Public Domain)

Bron: Beeldbank RCE, Documentnummer 016838

VITRUVIUS

4 - Vooraanzicht van het Huis Overbeek. Eerste helft 19de eeuw? Litho, uitgave: Frans Buffa & Zonen, te Amsterdam. Links en rechts de bijbehorende dienstgebouwen. (RKD geeft: 1850-1854)

Overbeek te Velp De buitenplaats Overbeek lag iets oostelijk van het dorp Velp, noordelijk van de Hoofdstraat. Het huis dat het hart was van Overbeek, had voorgangers, maar na een grote brand werd in 1770 de eerste steen gelegd voor een nieuw buiten, naar ontwerp van de architect Anthony Viervant (1720-1775). Opdrachtgevers waren J.W. van Eck (17281789) en zijn vrouw, M. Vijgh (1736-1810). Van Eck was een van de erfgenamen van de ongehuwd gebleven, maar schatrijk geworden, L.J. van Eck (1719/20-1765). Deze L.J. was geboren en getogen in het oudere huis Overbeek en hij erfde o.m. de titel ‘Heer van Overbeek’ van zijn vader. Hij nam op jeugdige leeftijd dienst bij de Vereenigde Oostindische Compagnie, waar hij carrière maakte. Dus indirect is het na L.J.’s dood en na de brand - tot stand gekomen nieuwe huis te beschouwen als een ‘rentenierswoning’.19 Rondom het huis lag tot omstreeks 1800 nog een ‘formele’ tuin met rechthoekige aanleg, maar daarna werd begonnen met een aanpassing naar de landschapsstijl; wie de ontwerper ervan was, werd niet duidelijk. Van der Aa omschreef Overbeek als volgt: “Dit landg. beslaat, met zijne schoone aangelegde boschjes en tuinen, van veel loopend water doorsneden, en door verschillend fonteinwerk verlevendigd, eene oppervlakte van

ruim 52 bund. [?, FN] Het huis, dat met zijnen prachtigen gevel, over een ruim, door water doorsneden, terras, op den grooten weg van Arnhem naar Zutphen uitziet, is het grootste uitwendige sieraad van het welvarend dorp. […]”20 Het in 1770 gebouwde huis (± 22 x 17 m) had een volstrekt symmetrische hoofdgevel met een risalerende middentravee, geflankeerd door drie venstertraveeën. De centrale entree kon worden benaderd via een bordestrap. De met florale motieven geornamenteerde middenrisaliet werd bekroond door wapenschilden en staande leeuwen. Het gebouw had twee bouwlagen, een souterrain en een zolderverdieping, die aan de voorzijde grotendeels schuilging achter een balustrade. Ook de achtergevel kende in totaal zeven venstertraveeën, waarvan drie in een middenrisaliet. Niet alle foto’s zijn even duidelijk, maar vermoedelijk hadden de beide zijgevels vier of vijf traveeën met vensters van verschillend formaat - waarvan een aantal blind - en waarvan de middelste risalerend. De hoeken van de gevels waren voorzien van blokken of blokvormen. Het huis werd gedekt door een rondgaand schilddak - waarin enkele dakkapellen - met op de vier hoeken schoorstenen en met centraal op het dak een klokkentoren. Het interieur van het huis was rijkelijk voorzien van lambriseringen, wandschilderingen en

5 - Deel van het interieur van Huis Overbeek, met overwegend kenmerken van Lodewijk XVI-stijl (empire), maar in het stucwerk ook late sporen van rococo (= Lodewijk XV). Opname: 1906.

van sierpleisterwerk en voorts van gebeeldhouwde trappen – met in het geheel de late sporen van de inmiddels reeds aflopende rococo. Links en rechts voor Overbeek stonden twee (oudere?) dienstgebouwen, waaronder een stal met koetshuis. Rondom het huis lag een markante waterpartij, die zich ook naar achteren uitstrekte. Behalve een voorhof lagen de meeste tuinstructuren en -elementen achter het huis. De ondergang van het huis kent opmerkelijke facetten. Nadat het landgoed in de loop van de 19de eeuw een paar maal in andere handen was overgegaan, was er al in 1896 sprake van dat de toenmalige eigenaar, H.L. de Bruyn, het huis en de twee bijgebouwen zou verkopen voor de sloop, waarna drie villa’s gebouwd zouden worden.21 Een dergelijke bestemming was in de tweede helft van de 19de eeuw aantrekkelijk geworden door de opening van de spoorlijn van Amsterdam, over Utrecht en Arnhem naar Duitsland. Deze lijn had in Arnhem een aansluiting richting Zutphen met hierop een station in Velp (1865). Bovendien was er vanaf 1880 vervoer van en naar Arnhem per (paarden)tram. Het zou na dat jaar 1896 nog even duren, maar iets later is een gedeelte van het terrein alsnog verkocht aan de in 1900 opgerichte maatschappij N.V. 7

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 7

02/11/2020 13:42


NUMMER 54 JANUARI 2021

Bron: Ansicht, tre-vlp-00020-h_orig.jpg (Uitgave: Dr. Trenkler Co., Leipzig / Den Haag, (ca. 1905-1908)

VITRUVIUS

6 - Achterzijde Huis Overbeek, met een deel van de oude parkaanleg en de eerste villa’s in het kort voor 1910 begonnen Villapark Overbeek. ‘Villapark Overbeek’. Technisch directeur ervan was architect W. Honig (1855-1927) - tevens gemeenteopzichter en gemeenteraadslid. Het villapark is ontworpen door de tuin- en landschapsarchitect H.A.C. Poortman (1858-1953), terwijl ook L.A. Springer (1855-1940) bij de ontwikkeling betrokken was. Anders dan gedacht, bleef het hoofdhuis voorlopig intact en is gepoogd er een bestemming als gemeentehuis of postkantoor aan te geven. Deze opzet is niet gelukt en in 1906 is het voor 42.000 gulden aan de Amsterdamsche bouwmaatschappij N.V. ‘Westerkwartier’ verkocht, die het voor 5.250 gulden voor afbraak doorverkocht. Nadat ook een deel van de waterpartij rondom het huis was gedempt en bijna alle attributen waren verdwenen, werd het stichten van het nieuwe villapark Overbeek een feit.22 In juni 1910, toen de aanleg ervan al een stukje was gevorderd, werd het terrein getroffen door onweer met een windhoos, die niet alleen noodlottig werd voor enige parkbomen, maar die tevens flinke schade aan enkele van de eerste villa’s veroorzaakte.23 In de volgende decennia werd een stratenplan gerealiseerd en kwamen in totaal enige tientallen villa’s tot stand, terwijl het noordelijk deel van de waterpartij een bindende structuur bleef. Hier, aan de Vijverlaan, staan enkele van de oudste villa’s, waarvan er een paar Rijksmonument zijn en in de vijver bleef ook een muziektent als Rijksmonument bewaard. Aan de Overbeeklaan bevindt zich een

originele Rijksmonumentale toegangspoort met gekroonde wapenschilden, geflankeerd door twee staande leeuwen. Einde 2011 is het Villapark Overbeek ook nog eens van Rijkswege aangewezen als beschermd stadsgezicht.24 Het verlies van het 18de-eeuwse huis met de tuinen, is hiermee min of meer ‘gecompenseerd’ door een waardevol, vroeg20ste-eeuws stedelijk cultuurlandschap. Rozenhagen te Velp Terwijl het buiten Overbeek in hoofdzaak ten noordoosten van de dorpskern van Velp was gesitueerd, lag een andere, aanzienlijk kleinere buitenplaats – Rozenhage(n) – zuidwestelijk van het dorp. Het Velpse Rozenhagen is slechts één van de buitenplaatsen die in de loop der jaren met deze naam zijn betiteld. Er zijn of er waren – naast de al genoemde (maar mogelijk ten onrechte onder deze naam bekend geworden) villa in Haarlem – ook voorbeelden in onder meer Hilversum, Huizen, Tiel en Wageningen. Het buiten in Velp zou in de jaren ’80 van de 19de eeuw zijn gesticht op voormalige esgronden (akkerbouwland) tussen de spoorlijn en de straatweg van Arnhem over Velp naar Zutphen. Het ruwweg trapeziumvormige, hoog gelegen terrein lag aan het zuideinde van een stuwwal en het grensde aan de noordoostkant aan de Laarweg (nu: Rozenhagelaan). Aan de zuidzijde zag het uit over de laag gelegen gronden van Presikhaaf, rondom de splitsing van de Neder-Rijn en de IJssel. Kortom: een land-

schappelijk gevarieerde en dus aantrekkelijke streek, die sinds het midden van de 19de eeuw was ontsloten door spoor- en later ook tramwegen. Een eerste kennismaking met dit Rozenhagen kwam via een beschrijving door Kerkkamp, maar deze lijkt in zijn verhaal vader en zoon J.J. Duyvené de Wit (resp. 1836-1911 en 1870-1935) door elkaar te halen. Bovendien klinkt er bij hem een nogal negatief, vooringenomen geluid en zijn materiaal blijft hier verder grotendeels buiten beschouwing.25 Het terrein kwam in 1878 ten dele in handen van een telg uit de Amsterdamse brouwersfamilie Heineken en het geraakte vervolgens door huwelijk en vererving aan J.J. Duyvené de Wit sr. Deze was een verfent verzamelaar van met name (levende) dieren en planten en hij begon met het inrichten van een grote tentoonstellingstuin in de nabijheid van Velp. Hij zou daarvóór schatrijk zijn geworden in Indië. Hij trouwde – als weduwnaar - in 1875 met een jonge vrouw uit de Heinekenfamilie en zij vestigden zich in 1884 op het huis Rozenhagen, dat vermoedelijk uit die tijd dateert. Tot op heden is er echter geen aanvraag voor de bouw van het huis opgedoken. De tuinaanleg wordt eveneens in die periode geschat; het ontwerp zou gemaakt (kunnen) zijn door tuinarchitect H. Copijn (1842-1923), die toen vaker voor grondbezitters in deze omgeving werkte.26 Intussen is er wel een gehonoreerde aanvraag uit 1890 bekend om een koetshuis met paardenstal te bouwen op het terrein.27 Dat er

8

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 8

02/11/2020 13:42


NUMMER 54 JANUARI 2021

niettemin een groots bouwwerk tot stand was gekomen, kan niet alleen worden bewezen aan de hand van (de schaarse) foto’s, maar ook door een aantal in 1905 geplaatste verkoop- en veilingadvertenties.28 Op de foto’s is te zien dat het pand iets verhoogd in het terrein lag en dat het werd gebouwd op een samengesteld, L-vormig grondplan. (Misschien was het een T-vormig plan.) De villa telde twee volle bouwlagen met zolderverdieping en souterrain, het geheel onder een nogal steil zadeldak dat was voorzien van dakkapellen. De gevels waren geblokt gepleisterd; hout- en snijwerk waren nogal ‘prominent’ van karakter. De asymmetrie van de plattegrond was duidelijk zichtbaar door het feit dat links in de (achter?)gevel een risalerend deel voorkwam, dat zich (wellicht) spiegelde aan de andere zijde.29 Dit risalerende geveldeel was voorzien van een uitbouw (erker) met balkon. De risaliet eindigde met een tamelijk steile puntgevel met overstek en invloeden van (late) chaletstijl. Deze (achter)gevel bestond in totaal uit vier brede venstertraveeën, met als linkse die van het al genoemde risalerende geveldeel. Rechts hiervan was de gevel voorzien van een houten veranda (met een vermoedelijk niet begaanbare overkapping) en ook van een houten trap naar de tuin. De rechter zijgevel, die in feite het dwarsvolume begrensde, omvatte drie of vier venstertraveeën. (Geheel) links hierin een risalerend deel met een iets lagere daknok dan in de hoofdas, maar eveneens eindigend in een aan chaletstijl verwante puntgevel. Deze risaliet was voorzien van een uitbouw met balkon. (Links hiervan was mogelijk nog een geveldeel). De linker zijgevel telde drie venstertraveeën en eindigde eveneens met een aan chaletstijl verwante puntgevel. Aangenomen mag worden dat de hoofdgevel vergelijkbare kenmerken bezat – wellicht in een iets uitbundiger uitvoering - en dat deze rechts in een dito puntgevel eindigde. Ondanks de aanprijzingen en kwaliteiten in de advertenties werd de villa echter niet verkocht en in de volgende decennia bewoonden J.J. Duyvené de Wit jr. en diens echtgenote, G.W. Boot, het huis. In 1914 zijn er enige Belgische oorlogsvluchtelingen ondergebracht.30 Dit werd het begin van vaker en langduriger verblijf van inwonenden. Zo is vanaf de jaren ’20 een deel van het huis permanent verhuurd en werd het - blijkens advertenties - wel als familiehotel benut, waarbij gelegenheid bestond gebruik te maken van een tennisbaan, een vijver (als zwembad?) en een moestuin. In 1934 stelde

Duyvené de Wit nog een deel van de tuin van het buiten Rozenhagen beschikbaar voor een tuinbouwexpositie in het kader van de Oranjefeesten rond Koninginnedag (31-08). Het echtpaar woonde toen al niet meer op Rozenhagen en bovendien overleed mevrouw kort voor de tentoonstelling. De inboedel is enige maanden later in de verkoop gedaan en zelf stierf hij in mei 1935. Enige tijd daarna werd het perceel opgesplitst en is het in delen verkocht, waarbij het deel met de villa voor 25.000 gulden in handen kwam van ir. J.W. Boeseken (19021939). Deze liet het pand in 1938 slopen en de villa heeft dus slechts iets meer dan een halve eeuw het terrein gedomineerd. Boeseken past in de traditie van renteniers in Velp. Hij was een in goeden doen verkerende oud-Indiëganger en chemicus, die daar in Bandung naam had gemaakt bij een fabriek voor de bereiding van kinine. Hij gaf architect W.A.M. van der Ven (19101957) opdracht op dezelfde plaats een ruime, zonnige villa te bouwen. Diens creatie bestaat – in enigszins gewijzigde vorm - nog steeds en deze is een fraai voorbeeld van het zogenoemde Nieuwe Bouwen. De tuin zou zijn omgevormd door opnieuw een Copijn – dat zou dan geweest kunnen zijn een kleinzoon, L.W. Copijn (1878-1945). Boeseken heeft niet lang mogen genieten van de nieuwe woning: hij overleed, een jaar later.31 Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het huis gevorderd door de Duitse bezetter en daarna is het nog gebruikt door de Canadese bevrijders. In 1940 ontsnapte het aan vernietiging toen een granaat vlak naast het huis viel, maar niet ontplofte.32 De woning – de opvolger dus van het oude buitenhuis Rozenhagen - is thans een Rijksmonument.33 Aan de vroegere inrichting van het terrein herinneren thans nog slechts het van 1900 daterende koetshuis en een waterpartij. Een synthetiserende blik terug Na een blik geworpen te hebben op de fysieke kenmerken en geschiedenis van een aantal intussen niet meer bestaande buitenhuizen uit de periode 1600 tot 1900 is het tijd voor een kort resumé. In het bijzonder de drie opeenvolgende huizen Elsenburg langs de Vecht nabij Maarssen vormden een typerende en intrigerende sequentie van modes en modaliteiten van het buiten wonen in de 17de en 18de eeuw. Vanaf relatief bescheiden gebouwen en tuinen werd er een weg afgelegd van sloop en herbouw naar totaal verlies. Nog in

Bron: Delpher

VITRUVIUS

7 - Villa Rozenhagen, verkoopadvertentie van dit indrukwekkende huis, uit het Nieuws van de Dag, 6 februari 1905. 1795 werd een ‘alzijdig’ landhuis gebouwd, maar toen ‘Bruin het uiteindelijk niet meer kon trekken’, werd de zaak al in 1810 opgedoekt en viel het landgoed uiteen. Het groene ‘Vechtfront’ bleef hierbij tamelijk goed intact en dit deel werd opgenomen in de annexe grote buitenplaats Doornburg, zodat het onderdeel werd van het gelijknamige Rijksmonumentale complex. De drie buitenhuizen bij Maarssen hadden gemeen dat ze waren geïnspireerd op de klassieke bouwkunst, terwijl ze toch een heel verschillende (neo)classicistische uitstraling hadden. Hiernaast toonden ze een ontwikkeling van een naar het voorbeeld van stadspanden tot stand gekomen buitenhuis (met één duidelijk dominante gevel) naar veel grotere, meerzijdige en evenwichtiger bouwwerken. Het huis Overbeek in Velp markeert tot op zekere hoogte ditzelfde proces, maar doordat er betrouwbaar fotomateriaal van het tweede huis (uit 1770) 9

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 9

02/11/2020 13:42


Bron: Ansicht (Uitgave: Mevr. A.M. Amiot, ’s-Gravenhage)

VITRUVIUS

7 - De achterzijde (zuid) van Villa Rozenhagen omstreeks 1900. Duidelijk zichtbaar zijn de hoge ligging ten opzichte van de tuin, de chaletstijl van het huis en de veranda.

bewaard is gebleven, kan dit met grotere zekerheid worden vastgesteld: de zijgevels waren toen nog sterk ondergeschikt aan de hoofd- en achtergevels. Kort nadat Elsenburg III ten onder was gegaan, volgde in Haarlem een enigszins vergelijkbaar proces van aanleg, sloop en hersituering van buitens in een vrij lange zone langs de Zijlweg. Een belangrijk verschil is, dat hier van de drie grote villa’s er één weinig en een andere in het geheel niet is gedocumenteerd – d.w.z. dat er geen visuele weergave van lijkt overgeleverd. Van het eerste, Nijverlust (I), zijn alleen twee schetsmatige weergaven bekend. Het was een robuust en compact, misschien wat bombastisch, neoclassicistich gebouw dat in het exterieur weinig aan de verbeelding overliet. Het tweede - rond 1885 tot stand gekomen - buitenhuis (Nijverlust II?) was al verdwenen toen de eerste (lucht)foto’s van het gebied werden gemaakt en er is vooralsnog ook geen ansicht of enige amateuropname van bekend. Vermoedelijk ging het om een neorenaissancistische en/of eclectische villa met enige risalerende delen en met gepleisterde ornamentiek. Het zou dan een bouwwerk geweest zijn van een genre waarvan er in diezelfde tijd honderden, zo niet duizenden door heel Nederland zijn gebouwd. De exact tegelijkertijd gebouwde, derde villa – gelegen langs de tegenwoordige Hoofmanstraat - is in 1994 afgebroken en dít exemplaar is het enige dat herinneringen en betrouwbare foto’s naliet. Voor deze villa geldt met zekerheid dat het een bouwwerk betrof in neorenaissancistische en eclectische trant. Hoewel in het exterieur niet uitzonderlijk rijk gedetailleerd, was het een markante verschijning aan de Haarlemse stadsrand - vlak langs de spoorweg via Leiden naar Den Haag en Rotterdam. Het pand straalde rijkdom uit. Dit laatste gold

nog veel meer voor het Zeeuwse Zorgvliet – een markant en feeëriek gebouw op de gelijknamige buitenplaats in Ellewoutsdijk. Hiermee wordt tegelijk de makke van deze buitenplaats gekenschetst: er was amper publiek om zich aan dit bijzonder rijk gedecoreerde suikerpaleis te vergapen, al bezat Ellewoutsdijk een van de veren over de Westerschelde. Het op een vrij complexe plattegrond uitgevoerde huis was voorzien van een weelde aan balustrades, pinakels, torentjes, friezen en bogen – het geheel uitgevoerd in wit pleisterwerk. De gefaseerde totstandkoming van het bouwwerk (ca. 1822-1900) maakt het lastig er een etiket op te plakken, maar verwantschap met zgn. Willem-II-gotiek, met oriëntalisme en meer in het algemeen met het eclecticisme lijkt een veilige kenschets. Het huis vult hiermee het gat tussen het (neo)classicisme van de huizen aan de Vecht en het Haarlemse Nijverlust (I) aan de ene kant en de twee onderling verwante, neorenaissancistische villa’s in Haarlem-West. Het laatste verdwenen buiten in deze bijdrage is het vrijwel tegelijk met twee villa’s in Haarlem en ten dele ook met het suikerpaleis in Ellewoutsdijk tot stand gekomen huis Rozenhagen, in Velp. Rozenhagen vertegenwoordigt opnieuw een sterk afwijkend genre huizen, namelijk de villa’s die (vooral) gedurende het laatste kwart van de 19de eeuw zijn uitgevoerd in een aan alpine bouwkunst herinnerende trant. Deze chaletstijl vertoont uiterlijke en functionele overeenkomst met de koloniale bouwtrant door de toepassing van veranda’s en ruim overstek, maar het is nog niet - of onvoldoende - aangetoond dat er een oorzakelijk verband bestaat. Dus of er sprake was van het (wederkerig) toepassen van kenmerken van de een bij de ander.34 Ook niet in de recente uitgave Indië in Velp en Rozendaal.35 Niettemin is er een aanknopingspunt. In 2012 toonde Frank aan dat drie villa’s in Lochem (Nieuweweg 50, 52 en 54) – evenals Velp een plaats waar nogal wat oud-Indiëgangers hun retraite kozen – niet van de hand zijn van H.P. Berlage, zoals lang is aangenomen. Hij liet zien dat deze in chaletstijl ontworpen woningen werden ontworpen door J.F. Klinkhamer (1854-1928) in opdracht van ene W.O. Kerkhoven te Lochem, makelaar in ruste en telg uit een bankiers- en ‘Indisch’ theeplantersgeslacht.36 In Apeldoorn is een link tussen Indië-repatrianten en chaletstijl wel expliciet verwoord en heel opmerkelijk is ook het zogenoemde ‘Indisch Huis’ in Bloemendaal, dat in 1892 chaletstijl is gebouwd.37

NUMMER 54 JANUARI 2021

Attributen als veranda’s, ruime overstekken en (verwarmde) serres - verraden misschien toch enige (functionele) kruisbestuiving tussen beide bouwtrants. Wat in het algemeen nog gezegd kan worden is, dat de eigenaren van de buitens in de meeste gevallen relatief weinig ‘binding’ met hun bezit hadden en het even gemakkelijk van de hand deden, als lieten slopen en/ of vervingen door een ander bouwwerk. Dit zal mede een gevolg zijn geweest van hun (meestal) burgerlijk-stedelijke achtergrond: er bestond geen op familie- of feodale verhoudingen gebaseerde verbondenheid met het bezit. De meeste van hun buitens en landgoederen waren investeringen of beleggingen in vastgoed, die gewonnen of verloren konden worden en die altijd een tijdgebonden marktwaarde vertegenwoordigden. En als die waarde door kosten negatief was of dreigde te worden, dan was sloop vaak goedkoper dan wachten op betere tijden. En als een verkoop ten behoeve van een lucratiever bestemming haalbaar was, dan ging het bezit eveneens voor de bijl. Hierdoor heeft nogal eens kaalslag plaatsgevonden in op papier roemruchte gebieden. De titel van dit artikel beloofde dat het een schets was aan de hand van het boek Elsenburg, de verdwenen buitenplaats.38 Er is voor gekozen deze uitgave in een wat breder context te bezien en hiernaast het verdwijnen van een reeks andere buitens onder de loep te nemen. Hierbij zijn Elsenburg I, II en III als springplank gebruikt om te laten zien dat ondergang van buitens van alle tijden is. Wat eveneens zichtbaar werd, is dat in een opmerkelijk aantal gevallen andere invulling van het terrein vaak opnieuw cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren meebracht: er liggen nogal wat Rijksmonumenten op plaatsen waar eerder fraaie buitenhuizen stonden. Moge dit tot troost dienen, onder het besef dat het hierbij dan om een palimpsest van cultuurlagen gaat: om uitgewiste lettertekens, maar vervolgens herbeschreven oppervlakken. Noten  A. van Suchtelen (2017), Versailles aan de Schelde; Familiekroniek. Uitgave: Cossee, Amsterdam, 320 blz., geïllustreerd in zw-w, bronnen en literatuur. Prijs: €24,99; ISBN 978 90 5936 755 5  Hier en daar – onder meer in het register van Rijksmonumenten – wordt - ten onrechte - ook wel geschreven 1

10

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 10

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

‘Zorghvliet’.  https://cchin.nl/kastelenlexicon/lexobject.xql?id=lx0429#mn 3  https://www.zeeuwseankers.nl/verhaal/ fort-ellewoutsdijk 4  Van Suchtelen (2017), 18-20 en passim; Zie: Kadastrale kaart 1811-1832 en O.A.T., Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Ellewoutsdijk, Zeeland, sectie C, blad 02 (MIN09028C02), nrs. 168 e-p; Dat Zorgvliet van oudsher geïnspireerd zou zijn op J.C. van Hattums ervaringen in het latere Suezkanaalgebied lijken hiermee in tegenspraak. Er werd geen aanwijzing gevonden dat Van Asperen ooit het midden-oosten bezocht. 5  Zie: Verslag van den toestand der provincie Zeeland, […], in de Zomervergadering van 1867, 495 e.v. en passim. Van Hattums naam komt in dit verband evenmin voor in de Verslagen aan de Koning over de Openbare Werken. Het is aardig te vermelden dat hij deelnam in de aanleg van de dam van het vasteland van Friesland naar Ameland. Zie: Algemeen Handelsblad, 30-07-1888, 1; Economisch archief van Nederland en koloniën, [ca. 1939], 148. 6  Middelburgsche Courant, 02-02-1865, 2. 7  Zie ook: L.J. Moerland (2003), Inventaris van het Archief van de gemeente Ellewoutsdijk 1740-1969 (1974), passim. 8  Van Suchtelen, idem, 38 e.v. en i.h.b. 40. Soms wordt in dit verband wel gesproken van inspiratie door Romeinse aquaducten. B. Kooij et al. (2019), Kassen in Nederland 1650-1950, 276. Kooij omschrijft de kas als volgt: “In de overtuin stond aan de zuidzijde een ongekend lange muurkas uit de late negentiende eeuw. Bijzonder voor Nederlandse begrippen was dat de kas aan de tuinzijde was uitgevoerd als overdekte galerij.” 9  Van Suchtelen, idem, 62-65. 10  Ter Neuzensche Courant, 10-09-1890, 2; Het gas; Orgaan van de Vereeniging van Gasfabrikanten in Nederland, jrg 15, 1895, no 7, 240; Het Vaderland, 2de blad, 26-06-1895; Vlaardingsche Courant, 21-08-1895, 3. 11  Goessche Courant, 11-08-1914, 3. 12  Van Suchtelen, idem, 209. 13  Middelburgsche Courant, 07-07-1937, 6. 14  De jonge wacht; Weekblad voor de rk georganiseerde jeugd in Nederland, jrg. 21, 08-09-1934, 788. 15  Provinciale Zeeuwse Courant, 30-121942, 2. 2

 E. van Blankenstein (2006), Defensie- en oorlogsschade in kaart gebracht (1939-1945), 96. Volgens opgave in VROM-archief 2.17.03 inv. nr. 2131 waren er 40 panden verwoest, 45 zwaar beschadigd en 40 met geringe schade. 17  Van Suchtelen, idem, 259-270. 18  De andere woning (Langeviele 5) is niet genoemd. Zie ook: Algemeen Dagblad, 13-04-1963, 23; https://monumentenregister.cultureelerfgoed.nl/monumenten/509162 (nrs. 509162 t/m 509197, alle vermeld onder: Zorghvliet). 19  http://databases.tanap.net/ead/ html/1.10.106/pdf/1.10.106.pdf ;https://en.wikipedia.org/wiki/ Lubbert_Jan_van_Eck 20  A.J. van der Aa (1839-1851), Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (13 dln. + suppl.), dl. 8, 740; zie ook: dl. 11, 577. 21  Het Vaderland, 06-08-1896, Tweede blad. 22 H. Kerkkamp (1969), Verloren luister; Verdwenen landgoederen, 85-112; Idem (1938), Historie van Velp en Rozendaal, 409-418. 23  Hoornsche Courant, 12-06-1910, 2. 24  https://archisarchief.cultureelerfgoed. nl/Beschermde_Gezichten/BG292/ 25  H. Kerkkamp (1969), 135-139; Zowel de spelling Duyvené als Duijvené komt voor. 26  h ttps://www.rhedenopdekaart.nl/ velp/monumenten/157-gm110-tuinaanleg-buitenplaats-rozenhage/ pointofinterest/detail 27  Veel informatie is ontleend aan de website van Theo van der Hoeven en Anita Matser, met name aan: https://www. historievandaalhuizen.nl/index.php/ landgoederen/rozenhagen; Zie ook: Th. van der Hoeven (2008), Historie van het Velpsche Landgoed Rozenhagen en zijn bewoners, deel 1. In: Ambt & Heerlijkheid; De lokale geschiedenis van van de gemeenten Rheden en Rozendaal, Jrg. 54, Nr. 161, 14-19. 28  O.m. in: Het nieuws van den dag: Kleine Courant, 06-02-1905, 3de blad, 2. De inzet bij de veiling was ruim 44.000 gulden. Het lijkt erop dat het een tijd was van overaanbod: er stonden talloze grote en kleinere woningen te koop en te huur. Overigens waren ook al eerder - vanaf juni 1896 - pogingen gedaan het goed te verkopen. 29  Ondanks speurwerk, trof de auteur geen afbeelding van de (vermoedelijke) 16

hoofdgevel aan de Laarweg aan.  Zie o.m.: De Courant, 17-10-1914, 6. 31  Boeseken wordt ook wel gespeld als Böeseken. 32  Arnhemsche Courant, 20-09-1940, Tweede Blad, 3. 33  https://monumentenregister.cultureelerfgoed.nl/monumenten/519451 34  E. Crabbendam (2010), Indische invloed in de woonhuisarchitectuur van Den Haag?; De (oud)-Indiëganger en zijn woonhuis in Den Haag, 96-98. Doct. scriptie, RUL. 35  M. Raven (20192), Indië in Velp en Rozendaal; een wandeling. 36  C.J. Frank (2012), Drie villa’s aan de Nieuweweg in Lochem; Een spraakmakend bouwproject uit 1884. In: Land van Lochem, Nr. 1, 2-12; https://nl.wikipedia.org/wiki/Johannes_Kerkhoven; http://www.sitfa.nl/assets/par10.pdf 37 https://www.apeldoorn.nl/ter/fl-bkp-deparken ; https://www.onsbloemendaal.nl/ monumenten-zoeken/12-monumenten/ bloemendaal/288-busken-huetlaan-1 38  Zie de interessante uitgave: J. Simonis, J. Kottman & H. van Bemmel (red.) (2020), Elsenburg, de verdwenen buitenplaats; Het ontstaan van het buitenleven aan de Vecht. Uitgave: Verloren, Hilversum, 228 blz., rijk geïllustreerd in zw-w en kleur, literatuur, register. Prijs: € 25,--; ISBN 978 90 8704 834 1 n 30

11

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 11

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

Bé Lamberts Kunsthistoricus, graficus, publicist architectuur en muziek

De populaire muziek maakte in de tweede helft van de twintigste eeuw een snelle ontwikkeling door. Zo ook de grammofoonplaat en de platenhoes. De aanvankelijk van schellak gemaakte 78-toeren platen gingen halverwege de twintigste eeuw naar 33 1/3 toeren voor de langspeelplaten en 45 toeren voor de 7-inch singles, die vanaf die tijd van vinyl werden gemaakt. De bescherming van de oude schellak platen was niet veel meer dan een onbedrukte zak van bruin papier. Door vervolgens de verpakking aan te passen met het maken van een ronde uitsnede werd het label op de grammofoonplaat zichtbaar gemaakt. Zo konden de naam van de uitvoerende artiest en de titel van de muziek worden getoond zonder de kwetsbare plaat uit de verpakking te halen. Deze oervorm van de hoes werd door de muziekwinkels ook gebruikt om reclame voor hun bedrijf te maken.

Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam het illustreren van de hoes of het tonen van een afbeelding van de uitvoerende artiesten in zwang, wat een positieve invloed had op de verkoop van platen. In de jaren ’50 kwamen goede hoesontwerpen voornamelijk uit de hoek van de klassieke muziek en de jazz. De wegbereider van het platenhoezendesign was graficus Alex Steinweiss, die al kort voor de Tweede Wereldoorlog voor het eerst typografie en illustratie met elkaar verbond

NUMMER 54 JANUARI 2021

De Gouden Eeuw van de platenhoes

Pretty Things, SilkTorpedo. Hipgnosis, 1974 in een bijzonder ontwerp voor een platenhoes. In de jaren ’50 onderscheidden zich de expressionistische hoezen die illustrator en beeldend kunstenaar Jim Flora ontwierp voor de jazzmuziek. Zijn vooruitstrevende, speelse hoesontwerpen sloten perfect aan bij het vrije karakter van dit muziekgenre. In de populaire (pop) muziek was men nog niet zover en was de platenhoes op zijn best voorzien van een foto van de uitvoerende artiest(en). In de jaren ’60 gaat de ontwikkeling van het hoezendesign ook in de pop en rock in een rap tempo. Steeds meer ontwerpers en ontwerpbureaus gingen zich bezighouden met het maken van hoezen voor de platenindustrie, die in de sixties vooral in de popmuziek een sterk groeiende markt had. In de popmuziek was het alleen maar tonen van een oubollige artiestenfoto voor veel musici en platenmaatschappijen een gepasseerd station en wilde men dat een platenhoes onderscheidend was. Men zag commerciële mogelijkheden in het verpakken van de muziek in smaakvolle, esthetisch verantwoorde, grappige, iconische en kleurrijke ontwerpen, maar ook in exorbitante, zelfs over de grens van de goede smaak getrokken, provocerende en spraakmakende ontwerpen. In de hoezen van bijvoorbeeld The Beatles is vanaf 1964 al een kentering naar een nieuwe standaard zichtbaar.

babyboomers roerden zich nadrukkelijk en waar de non-conformistische beatnikgeneratie in de Verenigde Staten al sinds de jaren ’50 een belangrijke revolutionaire beweging was, die alle vormen van vrijheid propageerde, probeerden in Nederland de anarchistische Provo’s met ludieke acties een geweldloze revolutie te ontketenen. De hippies, die een met bloemen geplaveide, vreedzame en antimaterialistische wereld van liefde wilden creëren, namen vervolgens het stokje over. De afgedwongen vrijheden leidden naar het tijdperk van sex, drugs and rock and roll, waarin de pop en rockmuziek met alle eraan gelieerde muziekstromingen volwassen werd en radicaal veranderde. Het ontwerp voor de platenhoes evolueerde mee. De deels op marihuanawalmen en LSD drijvende psychedelische rockmuziek kwam in 1966 op in The Bay Area rond San Francisco. De ontwerpen voor de platenhoezen van

De dynamiek van de muziek vanaf halverwege de jaren ’60 was ook een afspiegeling van maatschappelijke ontwikkelingen. De

12

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 12

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

de belangrijkste vertegenwoordigers van de tegencultuur, The Grateful Dead, Quicksilver Messenger Service, Country Joe and the Fish, Steve Miller Band, Moby Grape, Jefferson Airplane en Big Brother and the Holding Company sloten naadloos aan op hun acid rock.

Aan de oostkust had de met Andy Warhol verbonden band The Velvet Underground inmiddels naam gemaakt. Het ontwerp voor hun uit 1967 daterende debuut elpee, The Velvet Underground & Nico was van Warhol, die zijn idee presenteerde als een autonoom kunstwerk en zijn eigen naam op de hoes zette in plaats van die van de band (a). Pas op latere persingen werd die alsnog vermeld. De vroegste versie van de hoes toont verder een banaan met afpelbare schil, waaronder een roze banaan zit. Dit geintje maakte de productie van de hoes extreem duur omdat er een kostbare machine voor moest worden gemaakt. Het pellen van de banaan kon niet meer bij de volgende persingen, wat van de oorspronkelijke hoes een zeer gezocht collectors item maakt. Warhol zou de platenmaatschappij enkele jaren later nog eens op kosten jagen. Voor de elpee Sticky Fingers (Rolling Stones, 1971) had hij bedacht dat de met een erectie gevulde afbeelding van een spijkerbroek moest worden voorzien van een echte rits. Het werd een van de eerste elpees waarvan zowel de hoes als delen van de inhoud in enkele landen werden verboden en daar van een afwijkende hoes werden voorzien. Dat de hoes van Country Life van Roxy Music uit 1974 in Amerika en enkele andere landen in de ban werd gedaan, was eveneens pure censuur. Omdat het oorspronkelijke, door Bryan Ferry bedachte concept voor de hoes te controversieel werd gevonden verdween de foto met de zinnenprikkelende, schaars geklede dames van de cover

en verhuisde de foto met de bomen van de achterkant van de hoes naar de voorkant. Het vervangen van een hoes betekent niet per se dat deze was afgekeurd door de ‘zedenpolitie’. Vooral in de jaren ’60 en ’70 gebeurde het regelmatig dat de officiële hoes moest wijken voor een sterk afwijkende versie. Vooral de Amerikaanse platenmaatschappijen hadden er een handje van om de oorspronkelijke hoes van Europese acts te vervangen - om soms onduidelijke redenen. De elpee Shine on Brighly (1968) van Pro-

col Harum bijvoorbeeld kent twee versies, maar hier was geen sprake van censuur. Het aanpassen van de hoes kan te maken hebben gehad met het feit dat de plaat met de door George Underwood geschilderde hoes in Europa werd uitgebracht door EMI Regal en in Amerika door A&M Records. Hetzelfde zien we ook bij de met een hoes van Hipgnosis getooide elpee Sense of Direction (b) van Climax Blues Band uit 1974. Het album kwam in Europa uit bij Polydor en had in Amerika en Canada de release onder de vlag van het Sire label, die een andere hoes prefereerde. De voor de Amerikaanse markt aangepaste hoezen waren in esthetisch opzicht meestal minder van kwaliteit dan de originele hoezen van de Europese ontwerpers. Soms waren het ook slappe aftreksels van de oorspronkelijke ontwerpen. De elpee Shpritsz van Herman Brood and The Wild Romance uit 1978 bijvoorbeeld werd in 1979 in Amerika uitgebracht in een hoes die niet kan

tippen aan het origineel van het Nederlandse duo Sylvia Wiggers/Dick van der Meyden, die voor hun ontwerp gebruik maakten van een foto van Anton Corbijn. Niet alleen de hoezen van platen van de mindere goden konden worden vervangen. Al in de jaren ’60 werden zelfs platen van grootheden als The Rolling Stones en The Beatles van een alternatieve hoes voorzien. Er werden in die periode ook nummers van de originele plaat gehaald om zo materiaal te verzamelen voor een niet als album opgenomen extra plaat. Zo moesten de kopers van de door London Records in Amerika uitgebrachte elpee Aftermath (1966) van de Stones niet alleen genoegen nemen met een andere hoes, maar ook met vier nummers minder dan de door Decca en Phonogram uitgebrachte Europese versie. Als schrale troost werd de hitsingle Paint it black toegevoegd. Amerikaanse albums waren ook goed te onderscheiden van hun Europese tegenhangers omdat ze waren gestoken in hoezen van dikker karton. Deze waren sterk, maar in tegenstelling tot de Europese hoezen waren ze niet gelamineerd en daardoor gevoelig voor slijtage, met verlies van de oorspronkelijke kracht en frisheid van het coverbeeld tot gevolg. Toch waren Amerikaanse hoezen gewild, ook omdat het vaak ging om klaphoezen, die ruimte boden voor extra foto- en tekstmateriaal. De klaphoes of gatefold sheet werd – althans bij popmuziek - voor het eerst gebruikt bij dubbelelpees. De klaphoes gaf de hoesontwerpers ook meer mogelijkheden omdat ze niet langer gebonden waren aan het traditionele vierkant. Extraatjes werden steeds meer een onderdeel van de elpeehoes, waardoor het visuele en het muzikale aspect steeds meer naar elkaar toegroeiden. Sergeant Peppers Lonely Hearts Club Band* (1967) werd door de symbiose van muziek en design een iconische plaat. Zelfs in die mate dat het Frank Zappa deed besluiten om ontwerper Cal Schenkel te bewegen om voor We’re only in it for the Money van The Mothers of Invention uit 1968 een pastiche van de door Peter Blake ontworpen Beatles hoes te maken. Dat naast vele beroemdheden ook verfoeide figuren als Lee Harvey Oswald, 13

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 13

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

te vinden. Omdat niet van alle ontwerpen evenveel exemplaren werden gedrukt zijn verzamelaars meestal tevergeefs bezig om de serie compleet te krijgen.

Nosferatu en Lyndon B. Johnson deel uitmaakten van het tableau de la troupe op het album van the Mothers droeg bij aan een controverse over deze hoes, waarover ook platenmaatschappij Capitol niet tevreden was. Het hele ontwerp verdween uiteindelijk tot ongenoegen van Zappa en Schenkel naar de binnenkant van de hoes. Achter het veranderen of op andere wijze aanpassen van een hoesontwerp kon ook een slimme marketing truc of een publiciteitsstunt zitten. Toen je in 1970 de elpee Live at Leeds van The Who (c) aanschafte wist je dat de hoes maar liefst twaalf extraa tjes behoorde te bevatten. Het ging om facsimile’s van rekeningen, contracten, een recept voor rookbommen, foto’s, teksten, etc., verpakt in een aan een bootlegplaat** referende hoes van vrijwel leeg, gevouwen bruin pakpapier. Wat je toen nog niet wist, was dat deze elpee in verschillende versies verkrijgbaar was en dat deze, afhankelijk van de nog aanwezige memorabilia en de kleur (rood, blauw of zwart) van de stempel op de voorkant een waardevol en belangrijk verzamelobject zou worden. De in punkrock en new wave gespecialiseerde Platenmaatschappij Stiff Records ging nog een stapje verder. Zo verscheen het in 1979

uitgebrachte album Do it Yourself van Ian Dury and the Blockheads in maar liefst 34 verschillende hoezen. Ontwerper Barney Bubbles gebruikte voor dit idee de behangetjes van Crown Wallpaper, die destijds nog in menige Engelse huiskamer waren

Iconische platen en hun hoezen zijn vaak onderwerp geweest van discussie. De hoes van Electric Ladyland (1968) van The Jimi Hendrix Experience (d) zou tegenwoordig niet meer kunnen, net als veel andere hoezen uit de tijd waarin kunstenaars en ontwerpers weinig beperkingen werden opgelegd, maar de opdrachtgevers en afnemers meestal andere belangen hadden. Toen Big Brother and the Holding Company in 1968 hun tweede elpee Cheap Thrills uitbracht was het de bedoeling dat de bandleden

naakt op de cover zouden komen. Toen dit idee het niet haalde, werd de achterkant van de hoes op nadrukkelijke wens van zangeres Janis Joplin tot frontcover gepromoveerd. Het betreft een ontwerp van de vermaarde cartoonist Robert Crumb die als grap het logo van de met Joplin bevriende Hells Angels in de rechter benedenhoek plaatste met de mededeling “Approved by Hell’s Angels San Francisco”. Minstens zo beroemd in Amerika was de schilder-illus-

NUMMER 54 JANUARI 2021

trator Norman Rockwell, die onder meer geliefd was als maker van de omslagillustraties voor het populaire tijdschrift The Saturday Evening Post. Rockwell ontwierp in 1972 een hoes voor de debuutelpee van de country-rock band Pure Prairie League. Hoofdpersoon op de cover van de plaat is Luke. Dit western typetje zou als een running gag steeds weer terugkomen op de elpees van de band, maar telkens geschilderd door een andere illustrator. Toen de band Chicago Transit Authority (het latere Chicago) in 1969 met hun eerste album (dubbelelpee) uitkwam,, was de op een houten plank geschilderde bandnaam gedaan in een lettertype dat op de tientallen hoezen die volgden steeds terugkeerde, in chocola, op een Amerikaanse vlag, in metaal geperst (e), op een landkaart etc.. Bijzondere hoezen konden ook opvallen door hun vorm. The Small Faces kwamen in 1968 op de markt met een meervoudig uitvouwbare ronde hoes voor Ogdens’ Nut Gone Flake (f), die door de ronde vorm en de bedrukking refereerde aan een tabaksblik. XTC gebruikte voor het stalen wiel op The Big Express (g) uit 1984 dezelfde hoesvorm. Voor de hoes van Pentangling van Pentangle (h) uit 1973 had ontwerper Chris Moore een afbeelding van een vijfhoekige elpee bedacht. De Ierse folk-rockband Horslips debuteerde in 1972 met een elpee met achthoekige, gestanste hoes. Op de hoes is de zijkant van een concertina (kleine Ierse accordeon) afgebeeld die verwijst naar de zogenaamde Celtic rock op dit Happy to Meet Sorry to Part album (i). Een wel heel curieus, maar ook onhandelbaar ontwerp voor een lp-hoes kwam van de Nederlandse kunstenaar Ger van Elk. Voor de in 1974 uitgebrachte plaat Live in Shaffy van Willem Breuker en Leo Cuypers had Van Elk een driehoekige hoes bedacht. Een waar kunstwerk, maar niet passend in de platenbakken en –kasten van de winkels en de kopers en zeer gevoelig voor beschadiging aan de hoeken. Een andere nouveauté was de in 1968 uitgebrachte eerste elpee van The Soft Machine, met een door Gotto-Allman-Epstein ontworpen platenhoes die voor het eerst beweegbare delen bevat. Het uit een collage van machineonderdelen bestaande front van de hoes is opgebouwd uit meerdere lagen, waarvan één kan roteren en de afbeelding van de bandleden zichtbaar/onzichtbaar kan worden gemaakt. Ontwerper Zacron (Richard Drew) ontwierp in 1970 voor de derde elpee van Led Zeppelin (j) een hoes die eveneens was voorzien van

14

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 14

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

A

B

C

E

D

F

I

L

B

E

G

J

L

C

H

K

M

N

15

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 15

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

en ze zetten al snel de standaard voor de kunst van het ontwerpen van platenhoezen, waarvan een groot deel werd bekroond en terug is te vinden in het in 1980 door het blad Rolling Stone opgestelde 100 Greatest Album Covers of All Time.

een roteerbare schijf. The Faces lieten op hun album Ooh La La uit 1973 een ontwerp maken door Jim Ludwig, die de hoes voorzag van een klep, waarmee de ogen en de onderkaak van ‘Gastone’ (k), een karakter uit een Italiaanse komedie, konden worden bewogen. Dergelijke speelse, maar kostbare toevoegingen aan de hoezen haalden de latere persingen van de plaat niet, waardoor ze zeer gezocht zijn. Een belangrijke rol in de geschiedenis en de ontwikkeling van de platenhoes was weggelegd voor het Engelse ontwerperscollectief Hipgnosis. Het startte de activiteiten in 1967 toen Storm Thorgerson en Aubrey Powell, later aangevuld met Peter Christopherson, hun krachten bundelden. Hun doorbraak kwam al snel met A Saucerful of Secrets van Pink Floyd, waarvoor ze nog menig gedenkwaardige hoes zouden ontwerpen. Omdat het ontwerpbureau garant stond voor producten van hoog niveau, stonden de artiesten in de rij voor Hipgnosis. Bands als The Pretty Things, Led Zeppelin, Wishbone Ash, 10CC, The Alan Parsons Project, zanger Roy Harper en vele anderen werden trouwe afnemers van de kwaliteitsontwerpen van Hipgnosis. Hun inventiviteit en creativiteit was grenzeloos

Een eenling als Roger Dean werd bekend door zijn posters en hoesontwerpen voor bands als Uriah Heep, Osibisa, Gentle Giant, Asia, Magna Carta en Yes (l). Dean, die ook architect en uitgever is verwerkt in zijn ontwerpen vaak exotische fantasie landschappen. De elpees van de band Little Feat [m] werden vrijwel altijd voorzien van hoezen met een enigszins surreëel karakter, ontsproten uit het brein van beeldend kunstenaar en illustrator Neon Park. Een andere kunstenaar die kan worden gezien als huisontwerper van een band en net als Park graag surrealistische taferelen met een komische twist creëerde was Mike McCarty, die in de jaren ’70 voor The Atlanta Rhythm Section een serie aansprekende platenhoezen

ontwierp. Uitvoerende artiesten kwamen ook zelf met hoesontwerpen voor hun platen. Joni Mitchell, Bob Dylan, Kevin Coyne (n), Miles Davis, John Entwistle (The Who), Cat Stevens, Phil May (Pretty Things), Jim McCarty (Yardbirds) en John Sebastian (Lovin´ Spoonful) hanteerden pen, potlood of kwast om hun muziek een nog persoonlijker tintje te geven. Ook in Nederland waren goede hoesontwerpers actief. Hoewel hij niet bij uitstek bekend werd door zijn ontwerpen voor de muziekindustrie slaagde illustrator en grafisch ont-

NUMMER 54 JANUARI 2021

werper Joost Swarte erin om voor Numero Uno uit 1977 en Sympatico (1978) van de Nederlandse Houseband enkele van de mooiste vaderlandse platenhoezen te ontwerpen in zijn zo karakteristieke ‘klare lijn’ stijl. Eind jaren ’80 was het gebeurd met de gouden eeuw van het vinyl, dat voorbij werd gestreefd door de compact disc. Het was ook het einde van de jaren waarin de ontwerpers op puur ambachtelijke wijze hun ideeën vastlegden en het begin van het tijdperk waarin het werk voor een belangrijk deel door de computer werd overgenomen. * “[...;] Sergeant Pepper taught the band to play” etc.. De oprichter van de betreffende, fictieve band was dus Sergeant Pepper. Maar volgens de bassdrum op de hoes heet de naar hem genoemde band Sgt: Peppers Lonely Hearts Club Band. Peppers dus, in plaats van Pepper. Op het label van de plaat en op de rug van de originele hoes staat echter ‘Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, wat ook de titels zijn van het openingsnummer en de Reprise. Kortom: de sergeant heette Pepper, de bandnaam was Sgt: Peppers Lonely Hearts Club Band en de titel van de elpee is, evenals die van de genoemde songs, Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band. **  Een bootleg of witte plaat was een elpee, die zonder medeweten en vaak tegen de wil van artiest of platenfirma op de markt werd gebracht. Ze bevatten meestal illegale opnames van live concerten, compilaties van ouder werk, niet uitgebrachte opnames of alternatieve versies van albumtracks. De benaming witte elpee stamt waarschijnlijk uit 1969 toen Bob Dylans ‘The Great White Wonder’ als eerste aansprekende bootleg in Nederland opdook. De plaat had aanvankelijk een geheel witte hoes, waarop later de titel ‘Great White Wonder’ werd gestempeld. In hetzelfde jaar verscheen een Rolling Stones bootleg, eveneens gestoken in een witte hoes met de titel ‘Live’r than you’ll ever be’ erop gestempeld. The Grateful Dead was een band die wel was gecharmeerd van het maken en uitgeven van bootlegs van concertopnamen, die gretig aftrek vonden onder de ‘Dead Heads’. De oplage van bootlegs was meestal beperkt, zodat ze zeer gewild zijn bij verzamelaars. n

16

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 16

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

Harold van den Hauten Proceschemicus met ervaring in analytische technieken voor laboratorium en procesindustrie; freelance auteur techniek en toegepaste wetenschap; redacteur vakblad Autometie/PMA; vrijwilliger (o.a. archeometrie) bij het Centrum voor Archeologie van de Gemeente Amersfoort. Cultureel erfgoed en natuurwetenschap. Dat chemische en fysische analyse een belangrijk gereedschap is in het domein van cultureel erfgoed wordt duidelijk als je de waterval aan publicaties ziet. Als aanvulling op de praktijk van archeologie, bouw- en kunsthistorie kunnen er diverse vraagstukken mee opgelost worden. Uit de samenstelling van materialen kan je informatie krijgen over de herkomst, datering, gebruik of het productieproces. Voor het laatste vinden we voorbeelden bij onderzoek aan schilderijen, waar we onder de vernislaag kunnen kijken en ontdekken hoe de schilder zijn werk gedurende de vorming veranderd heeft, en ook welke materialen gebruikt werden, zowel tijdens het ontstaan van het origineel als bij latere restauraties. Dit laatste is mede een belangrijke reden voor de ‘Operatie Nachtwacht’, het grootste onderzoek ooit dat

Natuurwetenschap aan het werk voor het Erfgoed. het Rijksmuseum uitvoert aan Rembrandts meesterwerk. Maar er zijn talloze andere voorbeelden. Jagers op de steppen van wat nu de Noordzee is; Assyriërs die contacten in klei-enveloppen opbergen; bewoners van het Amersfoortse hoge land begraven met grafgiften; schilders met verborgen geheimen. Archeologen en kunsthistorici proberen hen te begrijpen en hun daden te reconstrueren. Hierbij doen zij steeds vaker een beroep op methoden en technieken uit de natuurwetenschappen. Maar wat kom je daarmee aan de weet en wat heb je daaraan? Uit een zeer uitgebreide gereedschapskist van de natuurwetenschappen beperken we ons in dit verhaal tot de werking van elektromagnetische straling. Bij dit natuurfenomeen vinden wij golven als het zichtbare licht, radiostraling, röntgenstraling en zo meer. Het is een alledaags verschijnsel dat op veel terreinen merkbaar is. Dezelfde straling wordt in analyse-instrumenenten gebruikt, maar daar wordt het naar behoefte kunstmatig opgewekt.

Enkele Assyrische kleibrieven uit de Böhl-collectie.

Scannen voor Syrië. Leidse archeologen waren tot vlak voor het uitbreken van de oorlog in Syrië in 2011 nog drukdoende met opgravingen in Syrië rond het fort van Tell Sabi Abyad. Onder de vondsten waren vele honderden kleitabletten over het plaatselijke leven van duizenden jaren geleden. Deze kleitabletten zijn gefotografeerd en vertaald. Van een aantal kleitabletten zijn mallen gemaakt die later van unieke waarde zullen blijken. Naast de menselijke ellende bracht de oorlog in Syrië grote verwoestingen met zich mee, ook onder de kleitabletten die die destijds door de archeologen waren blootgelegd. De mallen van de kleitabletten bieden nu een unieke kans om een kopie van het origineel te reconstrueren met behulp van de nieuwste technieken. Daarnaast beheert het Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten (NINO) de Böhl Collectie die in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw verzameld is door de Leidse assyrioloog prof. De Liagre Böhl. Het zijn ongeveer 3000 kleitabletten die tot vierduizend jaar oud zijn en nu tot het

Assyrioloog prof. Caroline Waerzeggers en de Böhl-collectie. 17

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 17

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

1 - Doorsnede van enveloppe met kleitablet. Het is een schaduwbeeld in grijstinten. Hoe donkerder, hoe minder materiaal in de röntgenbundel. De donkere rand tussen het kleitablet en de enveloppe is lucht. werelderfgoed behoren. Een aantal daarvan zit nog in de originele enveloppe van klei. De verzameling wordt door het NINO veilig bewaard in de Böhl-kamer. De Böhl-verzameling. Als assyrioloog Prof. Dr. Caroline Waerzeggers (directeur van het NINO) de laden opent ontsluit zij de unieke verzameling kleitabletten. De tabletten passen in de palm van je hand en ze zijn beschreven met teksten in spijkerschrift. De enveloppen zijn ook beschreven met teksten en geven een aanwijzing voor de inhoud. Die inhoud gaat over legio onderwerpen die ons veel informatie geven over het dagelijks leven van de Assyriërs. Je leest over leveringscontracten van graan, of over het eigendom van huis of land. Maar er zijn ook persoonlijke brieven bij, zoals de brief van de Assyrische handelaar aan zijn moeder met een kritische vraag waarom zij de slaaf verkocht heeft. Bij deze brief hoort ook de enveloppe waarin de brief opgeborgen was. De enveloppe is echter niet in de oudheid geopend, maar door een onderzoeker in de nieuwe tijd. Er liggen tientallen enveloppen in de ladekast en je kan ze horen rammelen als je ze schudt. Tegenwoordig zijn we niet zo snel meer met destructief onderzoek, maar we zijn niet minder nieuwsgierig naar de inhoud van de brieven. Gelukkig zijn er nu technieken om de brief door de enveloppe heen te lezen zonder ze te beschadigen. Voor deze truc moeten we bij Dr. Dominique Ngan-Tillard zijn, onderzoeker van de afdeling Geowetenschappen van de TU Delft. Zij leest de tabletten door de enveloppe heen met behulp van microcomputertomografie.

2 - C  omputerreconstructie van de enveloppe. Andere kleuren dan grijstinten zijn in de nabewerking met de computer aangebracht. Met microcomputertomografie dwars door voorwerpen heen kijken. Computertomografie is de moderne versie van tomografie; een techniek die al lang in gebruik is, onder andere bij de patholoog-anatoom. Het woord is afgeleid van de Griekse woorden voor snede en schrijven. Bij deze techniek snijdt de patholoog ragdunne plakjes van een orgaan. Plakje voor plakje kan je bestuderen en al doende leer je het orgaan driedimensionaal kennen. Bij computertomografie (CT), zoals in het ziekenhuis, heb je geen mes nodig, maar gebruik je een elekromagnetisch veld of röntgenstraling. Dat laatste hebben wij nodig, want we gaan de röntgenstraling als tomografie-mes gebruiken. De CT maakt plakjes Röntgenbeelden, eigenlijk schaduwbeelden in grijstinten, veroorzaakt door absorptie van het voorwerp in de stralenbundel. De mate van absorptie is afhankelijk van de dichtheid, die op zijn beurt weer samenhangt met de chemische samenstelling. Voor de onderzoeken die hier aan de orde komen wordt microcomputertomografie ingezet (mCT). De mCT is vergeleken met de ziekenhuisuitvoering een compact instrument. Er kunnen kleinere voorwerpen in maar de resolutie is aanzienlijk hoger en er is dus veel detail te zien, zelfs zo klein als 200 nanometer (1 nanometer is een miljoenste meter). De mCT maakt het mogelijk om kleine details te bestuderen.

Tijdens het maakproces van een voorwerp wordt er vaak druk uitgeoefend in een bepaalde richting. Dat kan een specifiek patroon achterlaten in het voorwerp en dat kan dan weer een aanwijzing zijn van de manier waarop het voorwerp gemaakt is. Figuur 1 toont de doorsnede van enveloppe met kleitablet. Hoe donkerder, hoe minder materiaal in de röntgenbundel. De donkere rand tussen het kleitablet en de enveloppe is lucht. De beelden worden opgeslagen in een vorm die lijkt op die van digitale fotografie. Bij fotografie drukken we het oplossend vermogen uit in pixels. De CT-Röntgenbeelden zijn echter driedimensionaal, en dan spreken we van voxels. Als we al die voxels eenmaal in de computer hebben opgeslagen hebben we geen ‘Röntgen-mes’ meer nodig. We hebben als het ware een digitale virtuele tweeling van ons fysieke object dat we met software in alle richtingen kunnen doorsnijden ‘zonder schade aan te richten’; we hebben nu als het ware een software-mes tot onze beschikking. Uit de opgeslagen data kan de onderzoeker de gewenste informatie halen en presenteren. Een reconstructie van de klei-enveloppe is te zien in figuur 2, waarin ook de tekst te lezen is. Figuur 3 is een zijde van het kleitablet met de vertaalde tekst. De mCT techniek biedt nog meer krachtige mogelijkheden. We kunnen bijvoorbeeld de dichtheid van het voorwerp analyseren en in klassen indelen. Hetzelfde

18

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 18

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

Wingerden op een opzienbarende vondst op het door Rijkswaterstaat aangelegde Zandmotor-strand bij Ter Heijde, gelegen tussen Den Haag en Hoek van Holland (Niekus et al 2019). Bij nader onderzoek bleek het te gaan om een vuurstenen werktuig met een handvat van berkenpek. In reconstructies zien we soms dat het vuursteen met pek aan een houten schacht is vastgelijmd, maar in dit geval is daar geen aanwijzing voor; het berkenpek diende waarschijnlijk zelf als handvat. Datering met de C14-methode leverde een ouderdom van 50.000 jaren op, het Midden Paleolithicum (MP). Het moet dus gemaakt zijn door een neanderthaler.

3 -  Het kleitablet met de vertaalde tekst.

Het is een verrassende vondst, vooral wegens de combinatie van hoge ouderdom, maar ook wegens het gebruik van berkenpek als handvat én als lijm om een samengesteld werktuig te maken. Er zijn slechts twee andere MP-locaties in Europa met dit soort gereedschappen die door chemisch-analytische methoden zijn bevestigd: Campitello in Italië en Köningsaue in Duitsland. Het is ook een belangrijke vondst in het licht van de discussie over de ontwikkeling van de technische vaardigheden van de neanderthalers. 4 -  De natuurlijke vezels in de klei van de enveloppe; een vingerwijzing naar het maakproces. kunnen we doen met de volumes van lege ruimtes. Aan elke klasse kunnen we een kleur toekennen, wat kleurrijke plaatjes oplevert als figuren 4 en 10 d,e. mCT en de kleitabletten. mCT toegepast op de kleitabletten levert prachtige resultaten op. In figuur 1 is te zien hoe het kleitablet in de enveloppe ligt. In dit geval helemaal vrij, maar waar het tablet (deels) aan de enveloppe geplakt zit is dat ook te zien. Figuur 2 is de computerreconstructie met de goed leesbaretekst, die al de voorbode van de inhoud is. De tekst van de voorkant van het tablet is in figuur 3 te lezen. Het vervaardigen van zo’n tablet met enveloppe moet destijds een speciale vaardigheid geweest zijn. Het zal immers niet meevallen om een natte enveloppe om de tablet te vouwen zonder die te laten samenplakken en daarmee de boodschap te beschadigen.

Tijdens het scannen bleken in de enveloppe ook absorptie verschillen te zien die, mede met andere analysetechnieken, toe te schrijven zijn aan plantenvezels. In principe moet het uit te vinden zijn van welke planten die afkomstig zijn (figuur 4). Wat heeft het onderzoek aan de kleitabletten opgeleverd? -  Inzicht in leven en werken van de oude Assyriërs terwijl hun handwerk intact blijft, - kennis over het handwerk van het maken van de kleitabletten, - inzicht van de gebruikte materialen, - getrouwe 3D-kopieën voor studie en onderwijs. Prehistorisch vakmanschap uit het verdronken land van de Noordzee: lijmwerk van de neanderthaler. In 2016 stuitte amateurarcheoloog Willy van

De productie van berkenpek om als lijm te gebruiken is een complex proces, waartoe de neanderthalers blijkens deze vondsten kennelijk in staat waren. We kunnen een proces als complex beschouwen als het uit meerdere stappen bestaat, planning nodig is, kennis van materialen en het vrijmaken daarvan uit een of andere matrix zoals ijzeroer of, in dit geval, berkenbast. In het barre steppe-toendra landschap moesten kleine groepen neanderthalers in hun bestaan voorzien met verzamelen en de jacht. Het vuurstenen gereedschap was daarbij onmisbaar. Ze konden de bruikbaarheid van het vuursteengereedschap vergroten door er een handvat aan te maken. Het handvat is in dit geval een zwart goedje dat na analyse met diverse instrumentele methoden blijkt te bestaan uit berkenpek. Zo ontstaat een stevig samengesteld gereed19

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 19

02/11/2020 13:42


NUMMER 54 JANUARI 2021

Foto: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

VITRUVIUS

Gereedschap vuursteen 5 -  met berkenpek. schap. Er zijn verschillende manieren om pek te maken; van eenvoudig tot complex. Met de laatste methode wordt de pek gewonnen door berkenbast in een oventje te verhitten in een zuurstofarme omgeving. Naast ander analytische methoden is het gereedschap ook bekeken met de microröntgentomografie-scanner van de faculteit voor Civiele techniek en Aardwetenschappen van de TU Delft (Dominique Ngan-Tillard in Niekus et al. 2019). Hiermee is te zien hoe het pek om de vuursteen is gevouwen toen die nog vrij zacht was. Bij de productie van het berkenpek ontstaan onvermijdelijk ook bijproducten en blijven er ook verontreinigingen achter.

6 -  3D print (rechts boven) en Micro-CT cross-section scans (links en onder). (A) verweerd oppervlak van het teer dat door open scheuren binnen dringt. (B) Aderen van binnendringend materiaal dat het spoor van de scheuren volgt. (C) Mogelijk houtskoolfragmenten. Maximum dimensie 39x35x14 mm.

Er is zeer gedetailleerde informatie uit de scans te halen. Zo weten we bijvoorbeeld dat het totale volume van de berkenpek 1,990 mm3 groot is. In de scan is te zien dat er weinig verontreinigingen zoals houtskool en zandkorreltjes in de pek zitten. Ook zijn ijzeroxide deeltjes te zien die die in later tijden in de haarscheurtjes zijn ingetrokken.

7 -  Neanderthalergereedschap: Beelden van mCT-scans.

De verontreinigingen zijn fijn verdeeld. Deze homogeniteit wijst erop dat de deeltjes er in de gesmolten toestand al in zaten. We hebben hier te maken met een behoorlijk geavanceerd productieproces, anders hadden we grovere verdelingen gezien. Uit de opgeslagen informatie van de scans biedt zich een interessant mogelijkheid aan: de reproductie in kunststof met een 3D-printer. De kopie, op ware grootte, is een nauwkeurige afbeelding van het origineel waardoor je visueel vlakken kunt bestuderen die in het origineel niet zichtbaar zijn

8 -  3D print van de samenstellende delen; vuursteen en berkenpek (blauw).

20

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 20

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

9 - XRF-analyse van de Amersfoortse kralen. Uit de analyse blijkt uit welk materiaal de kralen bestaan. Wat eerst voor kraal werd aangezien blijkt na analyse ijzeroer te zijn. Zijn die bewust als kraal gemaakt of zijn die natuurlijk ontstaan en als kraal gebruikt of abusievelijk later voor kraal aangezien? De analyse laat ook zien met welk materiaal glaskralen gekleurd zijn.

10 - Micro-CT Scans van de Amersfoort kralen. V.l.n.r. 1) Volume rendering van de meloenkraal. 2) Driedimensionale doorsnede van de kraal. In het centrum (zwart) is de schacht te zien. 3) en 4) De schacht en de holtes. Met de software zijn de holtes ingedeeld in categorieën die door kleuren zijn onderscheiden. 5) De schacht en de vaste deeltjes (insluitsels). doordat je in de reproductie het pek van de vuursteen kan scheiden. Zowel de productiemethode van de berkenpek als het fabriceren van een samengesteld gereedschap vereisen cognitieve vaardigheden die ook latere gemeenschappen niet misstaan. Het is duidelijk dat deze neanderthalers groot vakmanschap bezaten en in staat waren tot complexe productietechnieken. Deze vondst kan ook wijzen op een zekere vorm van specialisatie onder de neanderthalers.

een bijzondere vondst want zij vertellen ons veel over de leefwijze en de gebruiken van onze voorouders. Tijdens een archeologische opgraving in 1989 werd in Amersfoort een aantal crematie graven blootgelegd. Onder de aangetroffen voorwerpen was een rijkgedecoreerde terra sigillata pot van

±200 n.Chr., gevuld met de crematieresten van een Germaan. Een van de graven bleek van een 35 tot 52-jarige vrouw en een kind van omstreeks 12 tot 16 jaar oud. Ook werd een aantal kralen gevonden met diverse vorm en van verschillende materialen, zoals glas en bot (figuur 11).

Wat heeft het onderzoek aan het vuursteenwerktuig opgeleverd? Het ondersteunt de notie dat de Noord-  zee een ware schatkist is voor de studie naar onze vroegste geschiedenis, - de meest complexe productiemethode is toegepast, - vakmanschap en cognitieve vaardigheden van de neanderthaler is op onverwacht hoog niveau. - mogelijk was er sprake van specialisatie. Grafgift: Amersfoortse kralen uit de Romeinse tijd. Vondsten uit de Romeinse tijd en de middeleeuwse kralen komen veelvuldig voor. Toch zien archeologen het telkens weer als

11 - K  ralenvondst van het Amersfoortse crematiegraf uit de Romeinse periode. 21

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 21

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

De kralen zijn in Delft onderzocht met de mCT, waarvan de resultaten besproken worden in Ngan-Tillard et.al, 2018. De aanwezigheid van luchtbellen en ingesloten deeltjes is in de scans goed te zien. Ook over de constructie van de kralen komt veel aan het licht, met name over de productiemethode en de gebruikte gereedschappen. In de publicatie worden kralenvan meerdere archeologischevondsten vergeleken, waarvan de kralen van Amersfoort de vroegste (Romeinse periode) zijn. Het verschil aan vakmanschap tijdensde diverse perioden is op de mCT scans te zien. Analyse van de chemische samenstelling. De chemische samenstelling kan ons veel leren over een object. Om daar voor onze kralen achter te komen zijn die geanalyseerd met röntgenfluorecentie analyse (zie kader ‘hoe werkt het’). Met deze analyse wordt het object ook met röntgen bestraald. Nu gaat het niet om het schaduwbeeld, maar om de gereflecteerde straling; die is namelijk heel kenmerkend voor de aard van de stof.

De hand-held XRF (pXRF) brengt de analyse van het laboratorium met groot gemak in het veld. Maar het vereist niet minder vakkennis voor wat betreft de monsterselectie en het interpreteren van de resultaten. Hier een bouwfragment waar ook goud is gebruikt bij de decoratie.

Met handheld XRF wordt dus niet aan alle eisen van een laboratoriumexperiment voldaan en daarom is de methode semi kwantitatief; dat wil zeggen dat de uitkomsten niet altijd zo nauwkeurig zijn als bij een laboratoriumanalyse. Met kleine en onregelmatige voorwerpen is het ook oppassen. Toch kan er belangrijke informatie uit de analyse gehaald worden zoals in het geval van de kralen (figuur 9). Wat heeft het onderzoek aan de kralen opgeleverd? -  kennis over de gebruikte methode voor van het maken van de kralen, - aan de hand van insluitsels en luchtbellen het niveau van het vakmanschap destijds. Uit analyses van kralen uit latere perioden blijkt daar het vakmanschap toegenomen. De Amersfoortse kralen

Foto: HvdH

Het instrument dat voor pXRF gebruikt wordt werkt in principe op dezelfde manier als het laboratorium-instrument. Er zijn echter wel beperkingen. Om te beginnen wordt bij een laboratorium procedure een uitgebreide monster voorbereiding toegepast. Eén daarvan is het grondig mengen (homogeniseren) van het monster. Het mag duidelijk zijn dat dat voor voorwerpen van kunst en archeologie vaak niet op prijs wordt gesteld.

12 - De analyseopstelling bij de Nachtwacht, een team van mens en machine. blijken ‘primitiever’; begrijpelijk gezien de vroege datering. - inzicht van de gebruikte materialen, - welk soort glas is het; dat zegt iets over het productieproces en mogelijk de herkomst. De kralen zijn van natronglas, dat ook in de oudheid werd gebruikt. Eindproducten en ‘ruw’ glas materiaal vonden vanuit productieplaatsen rond de Middellandse zee hun weg over Europa. In de Middeleeuwen kwam

lokaal geproduceerd zwang (woudglas).

kaliunglas

in

Operatie Nachtwacht: full body scan van een schilderij. Vorig jaar startte het Rijksmuseum de Operatie Nachtwacht. Het is het grootste onderzoek ooit dat naar dit schilderij is gedaan. De onderzoekers gebruiken de nieuwste en meest geavanceerde technieken. De kennis die daarbij wordt opgedaan is nodig, niet

22

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 22

02/11/2020 13:42


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

alleen om de werkwijze van de schilder te leren kennen, maar ook om toekomstige restauraties zo goed en getrouw mogelijk uit te voeren. Je kan erachter komen welke materialen oorspronkelijk zijn gebruikt, maar ook de materialen die bij voorgaande restauraties zijn toegepast.

Foto: HvdH

Nu kunnen ook de oorspronkelijke materialen die in de loop van de tijd zijn gedegradeerd (chemisch aangetast) aangetoond worden. Door de oorspronkelijke materialen te achterhalen kan je er in principe dicht bij komen hoe het schilderij er uitzag toen Rembrandt het schilderde in de oorspronkelijke kleuren, maar helemaal zeker weet je het nooit.

Beeld: Rijksmuseum

13 - De XRF-scans digtaal aan elkaar geplakt. Op deze manier is te zien welk element zich waar op het schilderij bevindt. Per element is in grijstinten te zien hoeveel er van in zit. Hoe lichter (witter), hoe hoger de concentratie van dat element.

Beeld: Rijksmuseum

14 - Overgeschilderd. Op het schilderij zijn geen veren te zien, ook niet op de Röntgenfoto uit de jaren 70 . XRF brengt de veren aan het licht door de aanwezigheid van IJzer.

15 - Het goudborduursel van luitenant Ruytenburgh. Het gebruik van giftige Arseenhoudende pigmenten voor portretkunst was vernieuwend.

Restauratoren krijgen nu kennis tot hun beschikking die hun voorgangers moesten missen. Een schilderij kunnen we nu nu met de modernste imaging-technieken bestuderen van de vernis- tot de grondlaag zonder dat we monsters uit het schilderij hoeven te nemen. Naast de besproken XRF-spectroscopie gebruiken de onderzoekers ook straling in het infrarood en in het zichtbare gebied. XRF geeft informatie over de elementaire samenstelling, waaronder de gebruikte pigmenten. Het infrarood kijkt naar de eigenschappen van moleculen; de chemische structuren worden duidelijk. De spectroscopie van het zichtbare licht geeft informatie over de kleuren. De praktijk van het onderzoek: de archeologie van een schilderij. Al deze technieken ‘kijken’ door meerdere lagen heen, en nu is de uitdaging om al deze gegevens te coördineren - dat wil zeggen dat als je een willekeurig punt in het schilderij neemt, je van dat geselecteerde punt de resultaten van alle lagen wilt zien. Dit is opgelost door het schilderij zijn eigen coördinatenstelsel te geven. Zo wordt het mogelijk om het schilderij in vlakken in te delen, zoals in figuur 13. Hier zijn de XRFscans digtaal aan elkaar geplakt. Op deze manier is te zien welk element zich waar op het schilderij bevindt. Per element is in grijstinten te zien hoeveel er van in zit. Hoe lichter (witter), hoe hoger de concentratie van dat element. Deze aanpak lijkt op de praktijk van de archeologie. De archeoloog zet in het opgravingsterrein een coördinatenstelsel uit, schaaft vervolgens laag na laag af en documenteert de blootgelegde sporen. Zo 23

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 23

02/11/2020 13:43


VITRUVIUS

Hoe werkt spectrometrie? Alle materie bestaat uit moleculen en atomen, en die kunnen elektromagnetische straling absorberen en uitzenden. Je ondervraagd materie door er straling op te laten vallen, en je krijgt een antwoord dat iets zegt over de eigenschap van een atoom of molecuul. Elektromagnetische straling (figuur 18) kunnen we kunstmatig maken, maar krijgen we ook door de natuur aangeleverd. Als je naar de radio luistert, televisie kijkt, een tekstbericht stuurt met je mobieltje of een kip opwarmt in je magnetron: je gebruikt elektromagnetische straling. Het overgrote deel van de straling komt uit ruimte tot ons, met de zon als hofleverancier. Straling doet zich voor als een golfverschijnsel van zeer hoge tot zeer lage frequentie. Bij elke frequentie hoort een vaste energie en een vaste golflengte volgens een formule uit de natuurkunde. Elektromagnetische straling kan zeer schadelijk zijn maar gelukkig worden wij beschermd door de atmosfeer. In de figuur is aan de lichtblauwe gebieden te zien waar de atmosfeer de straling in meer of mindere mate tegenhoudt (bron: NASA). In de gebieden daartussenin laat de atmosfeer straling (deels) door en zo kan het zichtbare gedeelte van het spectrum ons bereiken en ook een groot gebied van de radiogolven. Nagenoeg al deze gebieden worden wel voor spectrometrie gebruikt, maar dan wel gegenereerd

18 - Het elektromagnetisch spectrum.

NUMMER 54 JANUARI 2021

met een kunstmatige bron. In ons verhaal beperken we ons tot en met het röntgengedeelte het spectrum. In de ‘Operatie Nachtwacht’ wordt wel een groter gebied van het spectrum ingezet, vanaf het infrarood tot en met de röntgenfrequenties. De analyse van een voorwerp wordt uitgevoerd met een spectrometer. Daarvan bestaan veel uitvoeringen maar de XRF spectrometer (figuur 19) is een typisch voorbeeld dat ik bespreek aan de hand van de werking van XRF. Hoe werkt XRF Fluorescentie is een natuurkundig verschijnsel waarbij een atoom energie opneemt door bestraling en nagenoeg onmiddellijk weer energie afstaat om van de hoge energie-inhoud af te komen. Bij röntgenfluorecentie wordt röntgenstraling gebruikt; in het Engelse taalgebied bekend als X-ray, vandaar de meest gebruikte benaming van XRF (X-Ray Fluorescence). Bij bestraling van het atoom zendt het röntgenstraling uit, met een energie die heel specifiek is voor de aard van het atoom. Met deze techniek kunnen we zodoende de elementaire samenstelling van een voorwerp aan de weet komen. Ook de concentratie van een element wordt zo bekend. De XRF-spectrometer (figuur 19) heeft een bron die straling op een voorwerp werpt en een detector (met computer) die de teruggekaatste straling analyseert. Er bestaan ook spectrometers waar de detector zich onder het voorwerp bevindt en die de doorgelaten straling analyseert. Beide systemen hebben zo hun specifieke toepassingen. Voor een laboratorium analyse wordt het materiaal vergruist om een homogeen monster te krijgen. Voor toepassingen in kunst en archeologie is dit meestal niet wenselijk. Het voorwerp wordt dan rechtstreeks gemeten op het oppervlak. De kwantitatieve uitkomst kan afwijken van een laboratoriumanalyse; de interpretatie van de analyses is sowieso vakwerk. Tegenwoordig worden ook draagbare instrumenten gebruikt, waardoor het mogelijk wordt on analyses in het veld uit te voeren.

19 - De atomen in een voorwerp zenden bij bestraling door een bron secundaire straling uit die heel kenmerkend is voor elk element. Hoewel deze straling kleurloos is, is het in de tekening voorgesteld door een specifieke kleur. Blauw voor IJzer (Fe), groen voor Calcium (Ca) en rood voor Magnesium (Mg).

24

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 24

02/11/2020 13:43


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

Kijk maar eens naar de vraagstukken van het schilderijonderzoek. Het uitgangspunt is daar al dat je naar verven kijkt. Evenzo geldt deze logica voor de kralen en het vuursteen. Zou je niet van deze uitgangspunten vertrekken, de analyse zou veel ingewikkelder worden! Natuurwetenschappelijk onderzoek speelt hier de rol van de stille getuige; het brengt kennis aan het licht die anders verborgen zou blijven. Noten. Dit artikel kwam tot stand uit vele bronnen en ook met persoonlijke contacten met specialisten, die ook graag hartelijk bedank.

20 - H  et monstercompartiment van de mCT scanner.Links de bron, rechts de detector met daartussen het monster (Amersfoortse kraal). ontstaat een driedimensionaal beeld dat ons helpt het leven van onze voorouders aan het licht te brengen. De analyseopstelling bij de Nachtwacht is geautomatiseerd. Er is een speciaal voor de Nachtwacht geconstrueerde ezel opgesteld (figuur 12) waarop achtereenvolgens de diverse analyseinstrumenten worden gemonteerd. De positie in het coördinatenstelsel wordt gekoppeld aan de meting. Het levert al met al een gigantische hoeveelheid data op waar de informatietechnici van het Rijks een behoorlijke kluif aan hebben. De informatie (spectra) uit de analyse worden vergeleken met die uit een referentiedatabase die gevuld is met spectra uit andere schilderijen. Er zijn ook spectra van mengsels van verven aanwezig. Het is bekend dat Rembrandt met veel lagen werkte, wat de analyse lastig maakt. Kennelijk voelde de schilder geen behoefte om het latere onderzoekers makkelijk te maken. Resultaten Op dit moment is het onderzoek nog in volle gang, maar toch zijn er al ontdekkingen te melden. Veren op de helm. Dat schilders zich nogal eens al werkende bedenken is ook bij de Nachtwacht geldt ook voor de Nachtwacht. Op het schilderij is een van de figuren op de achtergrond te zien met een helm zonder veren. Ook de op het klassieke Röntgenbeeld (figuur 14 midden) uit de jaren 70 zijn geen veren te ontdekken.

Op het beeld dat nu met de XRF is gemaakt zijn de veren duidelijk te herkennen door de aanwezigheid van ijzer (figuur 14 Rechts; Fe is ijzer. K staat niet voor Kalium, maar voor de Röntgen-frequentie). Rembrandt heeft bij nader inzien kennelijk de veren overgeschilderd. Verven met gif. Het is altijd interessant om de samenstelling van de gebruikte verven te achterhalen. Op figuur 15 zien we luitenant Willem van Ruytenburgh. Het deftig heerschap is rijk uitgedost met goudborduursel. Uit de XRF-analyse blijkt dat Rembrandt hier Arseenhoudende pigmenten heeft gebruikt. Dit wat destijds voor de Nederlandse portretkunst een vernieuwende werkwijze omdat deze pigmenten voornamelijk voor stillevens werden gebruikt. Conclusie. De analysetechnieken die tegenwoordig in toenemende mate worden ingezet zijn al gauw kostbaar en tijdrovend. De vraag is dus gerechtvaardigd: ‘Wat word je er wijzer van?’. Het blijkt dat elke techniek zo haar specifieke beperkingen heeft. Zelden zal je uit één enkele analyse een volledig antwoord krijgen. Vaker wel dan niet moet je combineren met ander kennis gebieden zoals kunsthistorie, archeologie of bouwhistorie.

-  Het Syrië verhaal: Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten (NINO) Leiden, Prof dr Caroline Waerzeggers Microtomografie-scans: -  TU-Delft, afdeling Geowetenschappen, Dr D.J.M. Ngan-Tillard - Neolitisch werktuig: Dr Marcel Niekus. -  pXRF scans, tenzij anders vermeld: Rijksdiens Cultureel Erfgoed Amersfoort, Dr Bertil van Os -  Amersfoortse kralen: Stadsarcheoloog Drs Francien M.E.Snieder -  Operatie Nachtwacht: https://www. rijksmuseum.nl/nl/nachtwacht - Figuren 14 en 15: website Rijksmuseum Seeing through clay: Video over scan-  nen kleitabletten: https://www.youtube. com/watch?v=5RmTpMoH-1o&feature=youtu.be - Ngan-Tillard et al 2018:  D.J.M. Ngan-Tillard, D.J.Huisman, F.Corbella, A. Van Nas. Over the rainbow? Micro-CT scanning to non-destructively study Roman and early medieval glass bead Manufacture. Journal of Archaeological Science 98 (2018) 7-21. -  Niekus et al 2019:  Marcel J.L.Th.Niekus, Paul R.B.Kozowyk, Geeske H.J.Langejans, Dominique Ngan-Tillard, Henk van Keulen, Johannes van der Plicht, Kim M. Cohen, Willy van der Wingerden, Bertil van Os, BjØrn I. Smit, Luc W.S.W. Amkreutz, Lykke Johansen, Annemiek Verbaas, and Gerrit L. Dusseldorp:  Middle Paleolithic complex technology and a Neandertal tar-backed tool from the Dutch North Sea.  PNAS. www.pnas.org/cgi/doi/10.1073/ pnas.1907828116 n 25

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 25

02/11/2020 13:43


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

‘Architecten van Hilversum’ Max Cramer architectuurhistoricus en medeauteur van de publicatie Architecten van Hilversum

een publicatie van boven-lokaal belang

1 - Omslag en opmaak enkele pagina’s van de publicatie Architecten van Hilversum. Hilversum wordt vaak aangeduid als het Mekka van de jonge bouwkunst in Nederland. Het grote aantal iconen, ontworpen door befaamde Nederlandse architecten, ligt aan deze typering ten grondslag. Bouwwerken als Zonnestraal, Gooiland, de radiostudio’s en het Raadhuis mogen zich zelfs in een internationale bekendheid verheugen. Namen als Berlage, Van de Broek en Bakema, Cuypers, Duiker, Eibink en Snellebrand, Elling, De Klerk, Maas, Merkelbach, Van Wamelen en Wils doen het hart van iedere architectuurliefhebber sneller kloppen.

Naar verwachting verschijnt in 2021 bij uitgeverij Verloren in Hilversum een omvangrijke studie over het leven en werk van deze relatief onbekende architecten. Over deze publicatie, die van boven-lokaal belang geacht kan worden, hier alvast een voorbeschouwing.

Natuurlijk spelen de vele bouwwerken van gemeentearchitect Willem Marinus Dudok (1884-1974) hierbij eveneens een belangrijke rol. Bovendien had Dudok tijdens zijn veertigjarig dienstverband, juist met het opstellen van uitbreidingsplannen, grote invloed op de stedenbouwkundige ontwikkeling van Hilversum. Over deze iconen zijn de afgelopen decennia veel publicaties verschenen en zijn deze jonge monumenten ruimschoots onder de aandacht van een breed publiek gebracht.

Talloze bouwdossiers zijn geraadpleegd, in een enkel geval is een heel tekeningenarchief geordend (afb. 3) en zijn vele jaargangen van dag- en architectuurbladen minutieus doorgenomen. Vaak was genealogisch onderzoek noodzakelijk om meer over de herkomst van de bouwmeesters te weten te komen en niet te vergeten om nazaten te achterhalen die meer over deze architecten konden vertellen.

Maar er valt veel meer te vertellen en te beleven. Wie waren de architecten die op grond van de ruimtelijke plannen van Dudok voor de zo kenmerkende architectonische samenhang hebben gezorgd, waarbinnen die belangrijke iconen konden schitteren?

Aanleiding Vanaf 2012 is door een groep van zeven specialisten op het gebied van de Hilversumse architectuur en geschiedenis diepgravend archiefonderzoek verricht naar maar liefst vijftig architecten.

Het onderzoek geeft voor het eerst een goed beeld van het leven en werk van deze architecten. De studies hebben veel nieuwe gegevens en beeldmateriaal opgeleverd, waarmee de publicatie ook rijkelijk kan worden geïllustreerd.

Maar gelijktijdig geeft het onderzoek de unieke positie die Dudok in Hilversum heeft gehad nog meer kleur. Om een beeld te krijgen van de wijze waarop Dudok heeft geprobeerd grip te krijgen op het werk van zijn collega-architecten, is het nodig te weten hoe de gemeente Hilversum vóór Dudoks komst in 1915 en na zijn afscheid in 1949 bij ruimtelijke ontwikkelingen betrokken was en hoe toen de verhoudingen lagen tussen de gemeente en de particuliere architecten. Het boek begint dan ook met een beschrijving van de periode 1850-1915, waarin de eerste voorzichtige aanzetten voor planmatige stedenbouw worden

2 - Perspectieftekening van winkelwoonhuizen aan de Leeuwenstraat (1923) uit het voor deze publicatie geordende archief van B.H. Bakker en H. Bunders.

26

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 26

02/11/2020 13:43


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

3 - W.M. Dudok, Uitbreidingsplan Hilversum-Zuid, 1918.

4 - Detail invulling uitbreidingsplan 1918: samengaan van woningbouwvereniging Patrimonium en gemeentelijke woningbouw.

gegeven. Daarna komt de periode Dudok uitgebreid aan bod, waarin de samenhang in het stedelijk weefsel een hoogtepunt bereikt (afb. 3-4). In het derde deel wordt bezien hoe opvolgers met zijn erfenis zijn

omgegaan. Iedere periode wordt voorafgegaan door een algemene inleiding waarin de ontwikkelingen worden beschreven die als kader golden waarmee de particuliere architecten rekening dienden te houden.

Ook de al genoemde iconen krijgen hierin een plaats als referentie voor de werken van de Hilversumse architecten.

Deel 1| 1850-1915: aanloop De betrokkenheid van de plaatselijke overheid bij de uitbreiding van het dorp dateert vanaf de inwerkingtreding van de Gemeentewet in 1851. De gemeente kreeg toen de wettelijke taak om goedkeuring te verlenen aan plannen voor gebouwen langs de openbare weg. Dit leidde ertoe dat in 1859 een gemeentelijke opzichter werd aangesteld. Pas twintig jaar later, in 1879, werd in de persoon van Johannes Rietbergen (1836-1896) een gemeentearchitect benoemd. (afb. 5)

particuliere bouwmeesters naar Hilversum. Deze situatie gaf ook het bouwkundig tekenonderwijs een impuls; veel bouwmeesters gaven in de avonduren tekenlessen aan jonge bouwkundigen.

solitaire gebouwen, zoals het aulagebouw van de Algemene Begraafplaats aan de Bosdrift uit 1890 en de HBS aan de Jonkerweg uit 1903. (afb. 6)

Vanaf het midden van de 19de eeuw veranderde het karakter van Hilversum ingrijpend. Door betere verbindingen, de Gooische Vaart en de spoorweg, ontwikkelde het boerendorp zich geleidelijk tot een plaats waar ook ruimte was voor industrie. Daarnaast groeide het dorp gestaag met arbeiderswoningen, burgerwoonhuizen en in het laatste kwart van de eeuw ook met villabebouwing. Hilversum werd een plaats waar jonge architecten verzekerd waren van werk en hun eigen bureau konden starten. Dit verklaart de komst van het grote aantal

In het begin van dit tijdvak werd iedere uitbreiding aan het toeval overgelaten. Eigendomsgrenzen bepaalden vaak de locatie, waardoor vooral aan in- en uitvalswegen werd gebouwd. Lintbebouwing bepaalde het aanzien van het dorp. Na deze periode van ad-hoc uitbreidingen, werd door de aanleg van villaparken een voorzichtig begin gemaakt met een planmatige ontwikkeling van Hilversum op kleine schaal. Een samenhangende visie op de gewenste groei van het ‘dorp tussen de engen’ naar een gemeente met meer woon- en industriebebouwing bestond nog niet. De komst van de Woningwet in 1901 bevorderde weliswaar de planmatige aanleg, maar de toenmalige gemeentearchitect Pieter Andriessen (18441914) slaagde hierin maar zeer gedeeltelijk. Zijn uitbreidingsplan uit 1905 bleef tot een globaal stratenplan met functiezones beperkt. Hij is dan ook vooral bekend door

5 - J. Rietbergen, Raadhuis op de Kerkbrink, 1882. 27

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 27

02/11/2020 13:43


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

6 - Links het aulagebouw en rechts de HBS ontworpen door gemeentearchitect P. Andriessen. De vraag naar een grotere betrokkenheid van de gemeente bij de ruimtelijke ontwikkeling en de kwaliteit van het groeiende dorp werd echter groter en groter. In aparte

paragrafen worden in chronologische volgorde de zes bouwkundigen en architecten in gemeentedienst besproken, waarna vervolgens op alfabetische wijze aandacht

wordt besteed aan tenminste twintig particuliere bouwmeesters.

Verrassing bij genealogisch onderzoek Het onderzoek naar het leven van de villabouwer Gerard Kloppers (1870-1961) was niet eenvoudig. Stap voor stap werden de gegevens als losse puzzelstukjes verzameld. Deze architect werd op 3 oktober 1870 in Brussel geboren en had Nederlandse ouders. Uit het archief in Brussel kwamen zijn paspoortgegevens naar boven en werd duidelijk dat het gezin al in 1871 naar Nederland verhuisde. De militiearchieven gaven een beeld van zijn gestalte; hij was met 1.65 meter kort van stuk. Krantenberichten, zelfs in de vorm van een feuilleton, verhaalden dat zijn vader in tijden waar geen werk voor handen was zijn heil opnieuw in België zocht en zijn gezin alleen moest achterlaten. Op zoek naar inkomsten raakte hij bij een ontvoeringszaak in Apeldoorn betrokken en belandde daarvoor zelfs in de gevange-

nis. Kortom, geen zorgeloze jeugd voor een aankomend architect.

waar bijgeschreven stond: ‘mooie villa, van mijn overgrootvader – Janneke’. Zoekend naar Janneke, die wellicht meer kon vertellen, kwam een hit met een telefoonnummer aan het licht. Een bijzonder telefoongesprek volgde; zij was inderdaad de achterkleindochter, maar vertelde ook dat haar moeder Cramer heette. Geheel onverwacht bleek ik met een achternichtje contact te hebben gelegd en kon Gerard Kloppers aan mijn familiestamboom worden toegevoegd. Helaas waren ook bij familieleden in het buitenland geen foto’s van de architect aanwezig. Verdere naspeuringen in archieven in België leverden op dat Kloppers in Wilrijk bij Antwerpen nog een flink aantal villa’s had gebouwd, die ook daar op de monumentenlijst terecht zijn gekomen. Al met al heeft deze studie een geheel onbekende architect toch meer kleur gegeven.

Kloppers vestigde zich op 19 november 1894 in Hilversum, waar hij het meest bekend werd door de bouw van kleine villa’s. Deze liggen bij elkaar in een villaparkje, waardoor het nu lijkt alsof daar een voorbedacht plan aan ten grondslag lag. Kloppers liet van deze villa’s een ansichtenkaartenboekje maken. (afb. 7) Een groot aantal van deze villa’s staat nu op de gemeentelijke monumentenlijst. Net als veel andere architecten uit die tijd was hij een kleine projectontwikkelaar; hij kocht grond, bouwde een huis en probeerde het bebouwde perceel met winst te verkopen. Op deze wijze kon hij weer nieuwe bouwopgaven starten. Op zoek naar meer informatie stuitte ik op het internet op een prentbriefkaart

7 - Ansichtkaarten Kloppers 28

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 28

02/11/2020 13:43


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

Architecten in dienst van gemeente Hilversum Chronologisch Spijker, H. Houtman, A. Eskes, P.F. Rietbergen, J. Andriessen, P. Publieke Werken dl 1

Deel 2| 1915 – 1954: periode van de planmatige aanleg Het middendeel van het boek beslaat de periode Dudok. De behoefte aan visie op de groei van het dorp was inmiddels ook bij het gemeentebestuur sterk toegenomen. In 1915 werd Dudok eerst als directeur Publieke Werken en later, in 1928, als gemeentearchitect aangesteld. Hij kreeg bij zijn komst een groot aantal taken, waaronder de bouw van een raadhuis, de bouw van openbare gebouwen en het opstellen van een uitbreidingsplan. Er moest ‘schoonheid’ in het uitbreidingsplan worden gebracht. Dudok greep deze kans met beide handen aan en verdiepte zich in stedenbouwkundige visies van die tijd. In korte tijd groeide hij uit tot de grote regisseur van de ruimtelijke, planmatige ont-

Particuliere architecten Alfabetisch Bakker, B.H. Cuypers, P.J.J.M. Dillewijn, J. van Epen, J.C. van Geldmaker, M. Groot, A. de Groot, J. de Hanrath, J.W. Haskoning Kloppers, G.P.G. Linde, van de

wikkeling en bepaalde hij tussen 1915 en 1954 met visie en autoriteit het ruimtelijk beeld van Hilversum. Vanzelfsprekend had hij daar hulp van anderen bij nodig, vooral van het gemeentelijk woningbouwbedrijf en de plaatselijke woningbouwverenigingen die na het in werking treden van de Woningwet waren opgericht. (afb. 3-4, 8) Als voorzitter van de plaatselijke Schoonheidscommissie had hij ook invloed op de vormgeving van het werk van particuliere architecten. Soms zijn de projecten van verschillende bouwmeesters daardoor nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Dit zorgde voor de hechte samenhang die Dudok in het dorpsbeeld nastreefde. Dit tijdvak kan onmiskenbaar als bloeiperiode in de Hilversumse geschiedenis worden beschouwd, omdat in Hilversum

London, J. Molenaar, L.M. Nieuwenhuysen, H. Oosterspoorweg, bureau Salm, G.B. en A. Salm Servais, J.J. en E. Hogervorst Slot, J.H. Verschuyl, E. Vixseboxe, J.E. Wentink, D.E.

toen veel begaafde architecten werkzaam waren. Dudok werd bovendien door het college van burgemeester en wethouders nadrukkelijk gesteund. Wethouder Barend Bakker (1879-1951), ook een vooraanstaand Hilversums architect, was een groot bewonderaar van Dudok. Toen er spanningen ontstonden, was het Bakker die de gemeentearchitect voor Hilversum wist te behouden. Dit deel wordt dan ook besloten met de biografieën van circa vijftien architecten, die het tastbare gezicht van deze bloeiperiode zijn geworden. Namen die eruit springen zijn: N. Andriessen (de rooms-katholieke Dudok), Bureau Bakker, Bunders en Bakker, J. Dullaart, C. de Groot en J. van Laren.

8 - Sociale woningbouw aan de Diependaalselaan/Bosdrift, 1916-18 ontworpen door architectenbureau Vorkink en Wormser voor de woningbouwvereniging Patrimonium. De gelijksoortige architectuur versterkt de ruimtelijke samenhang in Hilversum-Zuid. 29

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 29

02/11/2020 13:43


VITRUVIUS

Hilversummers over de grenzen Hilversumse architecten deden ook buiten dit dorp van zich horen. Zij kregen herhaaldelijk opdrachten in andere steden en deden mee aan tentoonstellingen en prijsvragen, soms zelfs internationaal. Het waren Symons en Van Zanten die meedongen naar een prijs voor een wolkenkrabber in Chicago (VS). In juni 1922 besloot de Chicago Tribune het mooiste kantoorgebouw ter wereld te laten bouwen ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de krant. Een wereldwijde prijsvraag werd hiervoor uitgeschreven met als randvoorwaarden dat het gebouw maximaal 133 meter hoog mocht worden en dat de inzendingen vóór 30 november moesten zijn ontvangen. 263 architecten uit 23 landen namen deel, onder wie elf

NUMMER 54 JANUARI 2021

uit Nederland. Architect Van Zanten (1879-1945) stuurde een modernistisch ontwerp in en hing de anderhalve meter hoge tekening op in zijn tekenkamer. (afb. 9) De prijs ging naar een ontwerp van een Amerikaanse bouwmeester, maar Van Zanten was trots op dit podium te hebben geopereerd. Ook architect H.F. Symons (1881-1961) had een ontwerp ingediend omdat hij ‘met alle geweld een sky-scraper wilde bouwen’. Helaas kreeg hij de benodigde informatie te laat toegestuurd, waardoor zijn ontwerp niet het niveau kreeg wat hem voor ogen stond. Zijn plannen zijn nooit bekend geworden, omdat hij geen toestemming gaf voor publicatie in het door de Chicago Tribune uitgegeven boekwerk met alle ingediende ontwerpen. 9 - Ontwerp voor een wolkenkrabber in Chicago door D. van Zanten, 1922.

Architecten in dienst van gemeente Hilversum Chronologisch Schipper, J. Jzn Dudok, W.M. Publieke Werken dl 2

Deel III | 1954 – 1975: nieuw elan Na de Tweede Wereldoorlog was de Nederlandse samenleving sterk veranderd. Gestaag werden de open plekken in het door Dudok in 1935 opgestelde beëindigingsplan opgevuld. Het was de tijd dat er ook nieuwe woning- en winkeltypen werden ontwikkeld, zoals de duplexwoning en het overdekte winkelcentrum met bovenwoningen. Hilversumse architecten speelden hierin een toonaangevende rol. Met de komst van burgemeester J.J.G. Boot (1902-2002) in 1951 kreeg Hilversum een bevlogen bestuurder, die de ontwikkeling van de industrie stimuleerde. Hilversum ging op weg naar de 100.000ste inwoner, een feit dat in 1958 werd bereikt. Hilversummers werden weer trots op hun gemeente. Dit werd onder andere bereikt

Particuliere architecten Alfabetisch Andriessen, N. Brand, J. Bureau Bakker & Bunders Bureau Bakker & Bakker Briët, P.H.N. Dullaart, J. Groot, C. de

door de manifestatie ‘Hilversum ontvangt’ in 1953. Ruim 750.000 bezoekers uit heel het land bezochten ’s-avonds de fraai verlichte plantsoenen.

Hamdorff, W.C. Laren, J. van Middag, E.G. Symons, H.F. Trappenburg, C. Vorkink, Wormser en Wentink Zanten, D. van

Maar in het begin van de jaren vijftig veranderde ook de onaantastbare positie van Dudok. Zijn visie werd niet meer op voorhand door iedereen aanvaard en zijn auto-

 e werken van gemeentearchitect Sj, Joustra werden vaak in het huis-aan10 - D huis blad Wij in Hilversum gepubliceerd, zoals de Jan Campertschool uit 1952.

30

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 30

02/11/2020 13:43


VITRUVIUS

NUMMER 54 JANUARI 2021

riteit werd in het land geleidelijk minder. Toch kon hij ook in Hilversum nog veel projecten realiseren. Nadat Dudok in 1949 65 jaar was geworden, bleef hij nog vijf jaar als adviseur van de gemeente Hilversum werkzaam. Na zijn vertrek nam ir. J.S. Joustra (1916-2001) een deel van zijn taken over. Hij kreeg echter alleen de opdracht openbare gebouwen te ontwerpen, want

stedenbouwkundige projecten werden aan de nieuw opgerichte afdeling stedenbouw toebedeeld. (afb. 10) Vanaf dat moment was er geen ontwerper meer in dienst bij wie alle touwtjes samenkwamen. Men ging bovendien op zoek naar terreinen buiten de bebouwde kom om aan de woningbehoefte te kunnen voorzien. Kerkelanden en de Hilversumse Meent, gelegen tussen

Een nieuwe bouwtypologie: winkelcentra Hilversum breidde zich na de Tweede Wereldoorlog gestaag uit, vooral aan de randen van de gemeente. In Hilversum-Zuid werd door architectenbureau Hartman in 1955-1956 een heel nieuw bouwtype ontwikkeld: een overdekte winkelgalerij met bovenwoningen. Het bestond uit twee flatblokken van in totaal vijftien woningen met op de begane grond veertien winkels. Door overkapping van de ruimte tussen de blokken ontstond een overdekt winkelcentrum. Hierin werden de voor die tijd kenmerkende etalage-eilanden opgenomen, waarin de winkels hun producten aan de bezoekers konden tonen. (afb. 11) Oorspronkelijk waren de winkels zowel van buiten als vanuit de overdekte binnenruimte bereikbaar. Het complex viel zodanig in de smaak dat het architectenbureau zich in dit type verder kon specialiseren. Daarna volgden in Hilversum nog drie andere: Chatham aan de Admiraal de Ruyterlaan, de Riebeeckgalerij aan de Oosterengweg en tot slot een winkelcentrum aan de Langestraat.

Architecten in dienst van gemeente Hilversum Chronologisch Joustra, S.J. Publieke Werken dl 3

Hilversum en Bussum zijn daarvan een goed voorbeeld. Na het gereedkomen van deze wijk was er geen ruimte meer voor planmatige stedenbouw. Er moest gezocht worden naar locaties binnen het bestaand stedelijk gebied. Hierbij gingen steeds meer architecten van buiten Hilversum het dorpsbeeld bepalen. Een logisch eindpunt van deze studie. n

11 - Prentbriefkaart van de overdekte binnenruimte van de Heigalerij, architectenbureau Hartman, 1956, collectie auteur.

Particuliere architecten Alfabetisch Magnée, R.M.H. Rauch, C.J.H. Weerkamp, W.

Falkenburg, E.C. en J. Mulders Feberwee, A.J. Hartman, M.E. en N. Eylers

Architecten van Hilversum * U I T G E V E R I J A U T E U R S

Verloren, Hilversum Max Cramer, Arie den Dikken, Anton Groot, Annette Koenders, Ineke Marx, Rob Marx en Harry van der Voort met daarnaast ook een bijdrage van Bert Bolle.

DAT U M VA N V E R S C H I J N E N

2021*

Ineke Marx Arie den Dikken F O R M A A T 34 x 24,5 cm O M V A N G 448 pagina’s I L L U S T R A T I E S 500 O P L A G E 1.000 exemplaren W I N K E L P R I J S € 49,00 * TEKSTREDACTIE V O R M G E V I N G

* onder voorbehoud

31

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 31

02/11/2020 13:43


Doe mee... en win!

LEZERSACTIE

Historische streekatlas NL. De ware schaal van Nederland. Martin Berendse, Paul Brood i.s.m. Nederlandse Regionale Historische Centra D E T A I L S  Gebonden, 224 pagina’s, rijk geïllustreerd met 150 afbeeldingen in kleur, ISBN: 978-94-6258-388-7 PRIJS € 34,95 AUTEUR

U I T G A V E  WBooks

H

et vervolg op de succesvolle ‘Historische atlas NL, hoe Nederland zichzelf bijeen heeft geraapt’ laat zien dat onze binding met streken en regio’s een lange geschiedenis heeft en…..nog springlevend is. Nieuwe fusiegemeenten en Haagse pleidooien voor regionale samenwerkingen tonen aan dat net onder de oppervlakte van ons land een onverwoestbaar raster van eeuwenoude landstreken ligt: de ware schaal van Nederland. De ‘Historische Streekatlas NL’ gaat op zoek naar de achtergrond van onze streeknamen. Via oude kaarten en documenten ontdekken we dat de meeste hun oor-

sprong in de middeleeuwen hebben en al eeuwenlang meegaan. Dat verklaart waarom sommige Hollanders zich Waterlander en sommige Brabanders zich Kempenaar noemen. Waarom het extra mooi is om fan van De Graafschap of FC Twente te zijn en waarom er Kleifriezen en Woudfriezen zijn. En… waarom geen enkele bestuurlijke vernieuwer in Nederland om onze aloude landstreken heen kan. Samen met de eerste atlas geeft de Historische Streekatlas NL een verrassende kijk op de gelaagde en nog steeds actuele wordingsgeschiedenis van Nederland. n

LEZERSACTIES

MAAK NU KANS OP HET WINNEN VAN BEIDE DELEN! Bent u betalend abonnee van het vakblad Vitruvius? Ding dan mee naar 1 van de 3 boekpakketten bestaande uit de Historische atlas NL en de Historische Streekatlas NL. Nog geen betalend abonnee? Meldt u dan snel aan (via info@uitgeverijeducom.nl) om ook kans te maken op zo’n fantastisch boekenpakket!

*

Voor onze lezersactie stuurt u een e-mail met uw adresgegevens en als onderwerp “Atlas” vóór 20 januari 2021 naar info@uitgeverijeducom.nl *

Abonnementeninfo: zie colofon elders in dit vakblad.

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 32

02/11/2020 13:43


Historische atlas NL. Hoe Nederland zichzelf bijeen heeft geraapt. Martin Berendse, Paul Brood i.s.m. Nationaal Archief D E T A I L S  Gebonden, 208 pagina’s, rijk geïllustreerd met ca. 150 afbeeldingen, ISBN: 978-94-6258-317-7 PRIJS € 34,95 AUTEUR

U I T G A V E  WBooks

H

oe ontstond Nederland? Door de strijd tegen de Spanjaarden, het water of nog veel meer? Zijn er nu 17, 7, 10 of 12 Nederlandse provincies? Sinds wanneer komt de Rijn bij Lobith ons land binnen? Waarom wordt de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen weer onder water gezet? En waarom heet de staande leeuw die Nederland op oude kaarten verbeeldt de Leo Belgicus en is hij begin zeventiende eeuw gaan zitten?

Archief, de schatkamer van onze geschiedenis. Uiteraard zijn onze onafhankelijkheidsverklaring, het Plakkaat van Verlatinge (1581), en de oerversie van onze huidige grondwet (1848) in de atlas opgenomen. Maar ook veel onbekendere stukken, zoals het Verdrag van Londen (1839), dat ervoor zorgde dat Roermond niet in België, maar in Nederland kwam te liggen, komen aan bod.

Op deze en nog heel veel meer vragen geeft ‘Historische atlas NL’ antwoord in woord en beeld. Een rijk geïllustreerd overzichtswerk waarin oude kaarten, vredesverdragen en andere sleuteldocumenten het verhaal van de wording van Nederland vertellen. Veruit de meeste historische stukken komen uit Nationaal

De kaarten in Historische atlas NL variëren van het oudste cartografische materiaal tot nieuwe overzichtskaarten die laten zien hoe en wanneer de huidige landsgrenzen tot stand kwamen en… soms nog steeds niet helemaal duidelijk zijn. n

COLOFON Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk

REDACTIE

vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen,

Blijdenstijn, R.

inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de

Cramer, drs. M.A.

vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten,

Diederiks, R.P.H.

immaterieel erfgoed en volkscultuur.

Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. ir. G.A.

ABONNEMENTENINFO

Vreeze, dr. ir. N. de

4 nrs/p.jr.: Nederland Particulier € 50,-, incl. btw (Bedrijfsabonnementen € 60,-, ex. btw / België Particulier € 70,-

FREQUENTE BIJDRAGEN

(Bedrijfsabonnenten € 80,-, ex. btw).

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M.

© Copyrights Uitgeverij Educom, Januari 2021, ISSN 1874-5008. Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN: Uitgeverij Educom | Mathenesserlaan 347 | 3023 GB Rotterdam | Tel. 010-425 6544 | info@uitgeverijeducom.nl | www.uitgeverijeducom.nl

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 33

33

02/11/2020 13:43


recent

VITRUVIUS NUMMER 53

VERSCHENEN

Wiel en rups - Voertuigen van de landmacht 1945-2015. AUTEUR

Sander Ruys UITGAVE

Joh. Enschedé Amsterdam (JEA) Wiel en rups verschijnt in de reeks publicaties van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) D E TA I L S

Gebonden, 498 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-8247-176-2 PRIJS

€ 59,95

W

iel en rups behandelt de naoorlogse motorisering en mechanisering van de Koninklijke Landmacht. Jeeps,

OKTOBER 2020

vrachtauto’s, motorfietsen, auto bussen, pantservoertuigen, geschut, bouwmachines, opleggers en aanhang wagens: alles wat kon en kan rijden passeert de revue. Van de bekende DAF- vrachtauto’s tot de Dodge weapon carrier, van de AMX-lichte tank tot de Leopard 2. Ook is er aandacht voor veel bijzonder materieel, waar onder brandweervoer tuigen en voertuigen voor de explosievenopruiming, de Militaire Colonnes en de Cantine dienst. Ook de vordering van civiele voertuigen en de kenteken registratie komen aan bod. Het is het verhaal van de soms moeizame uitbreiding en modernisering van een wagenpark dat op zijn hoogte punt meer dan 50.000 voertuigen telde. Schema’s, tabellen en bijlagen met overzichten en honderden prachtige foto’s maken dit boek compleet. Een must-have voor iedere geïnteresseerde in het onderwerp. n

Koninklijk Blauw. AUTEURS

Suzanne Lambooy (red.) UITGAVE

Waanders & De Kunst D E TA I L S

Luxe paperback, 288 pagina’s, rijk geïllustreerd met 288 illustraties, ISBN: 978-94-6262-292-0 PRIJS

€ 32,50

D

elfts blauw: de hele wereld kent het voor ons land zo iconische aardewerk. Dit boek brengt het verhaal van bijzondere topstukken die voor de eerste keer zijn samengebracht in een tentoonstelling en in dit boek. Zo kunt u kennismaken met de tijd waarin het beroemde koningspaar Willem en Mary het mooiste Delfts blauw ooit lieten maken: Koninklijk Blauw.

Marjan van den Berg UITGAVE

Matrijs i.s.m. AWN D E TA I L S

Paperback, 128 pagina’s, rijk geïllustreerd met kleurenillustraties, ISBN: 978-94-5345-568-5 PRIJS

€ 19,95

I

n de jaren vijftig van de vorige eeuw struinen twee vrienden in Krommenie op een bouwterrein langs de vers gegraven sleuven en kaden. Ze zijn op zoek naar archeolo-

gische vondsten. Tot hun verrassing vinden ze behalve middeleeuwse scherven ook aardewerk van een merkwaardig soort: grauwzwart van kleur en zacht gebakken. Dit blijkt van ruim voor de middeleeuwen te dateren! De ontdekking verlengt de bewoningsgeschiedenis van de Zaanstreek in één klap met meer dan duizend jaar. Het bleef niet bij deze vondst. In de loop der jaren zijn talloze archeologische schatten uit allerlei perioden opgegraven en onderzocht.

ken

AUTEURS

Delfts aardewerk kent ook eigentijdse koninklijke uitingen, zoals het nieuwe staatsbanketservies ‘Blossom Panache’ uit 2017, waarvan enkele stukken in het boek worden getoond. Of bijvoorbeeld in een installatie geïnspireerd op wandbespanningen voor de Blauwe Salon van Paleis Huis ten Bosch in 2019. n

It could only be Heine

Speuren in het veen - Zestig jaar archeologie in de Zaanstreek, Waterland en omstreken.

Van metershoge bloempiramides tot tuinvazen en confiturenschalen: in de late zeventiende eeuw werd het mooiste tinglazuuraardewerk van Europa gemaakt bij de plateelbakkerijen in Delft. De bloeiperiode van Delfts aardewerk valt samen met de regeerperiode van Willem III (1650-1702) en Mary II Stuart (1662-1695). Zij verzamelden naast Chinees porselein dan ook dit fraaie, verfijnde keramiek uit Delft. Sterker nog, ze waren belangrijke pleitbezorgers. In het bijzonder Mary gold als een ware ambassadeur voor Delfts aardewerk en zij liet dit in opdracht maken bij plateelbakkerij De Grieksche A.

aan boek belandt een schat Met dit rijk geïllustreerde – of biertafel, beter gezegd. verhalen op de koffietafel indringende sappige anekdotes en Opmerkelijke weetjes, van 100 Heineken de persoonlijkheden uit portretten schetsen foto’s, films en kunstwerken Stars: voorwerpen, affiches, op initiatief van die de bierbrouwer de erfgoedcollectie vanaf de jaren 1970 bijeenbracht. Alfred (Freddy) Heineken 120.000 uitgegroeid tot ruim Die verzameling is inmiddels van het concern. aan de geschiedenis tastbare herinneringen zoektocht van een spannende Dit boek is het resultaat meedie elk object met zich verhalen historische de naar van Amsterdam tijd heen uitzoomen draagt en die door de wereld. en uiteindelijk de hele naar Nederland, Europa lees of pubquiz mee. kijk, reis, en thuis Blijf lekker

Speuren in het veen. Zestig jaar archeologie in de Zaanstreek, Waterland en omstreken vertelt over deze ontdekkingen en het rijke verleden van de streek. Het levert een prachtige tijdreis op vanaf de prehistorie tot in de twintigste eeuw. n

34

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 34

02/11/2020 13:43


VITRUVIUS

NUMMER 53

recent

OKTOBER 2020

Hitchcock Compleet - Het verhaal van de 57 films en 20 tv-films.

ontwikkelingen in de eluid, van zwartwit naar e Hollywoodstudio’s – ed: Truffaut, Scorsese,

oeuvre van de briljante n van het filmproces ie tot de ontvangst in uld met veelzeggende htergrondverhalen die mavernieuwer precies

Met onder andere: • Onuitgegeven zaken: films die niet werden afgerond of zelfs verloren zijn geraakt. • Buitengewoon beeldmateriaal: storyboards, stills, foto’s van de set, affiches en promotiemateriaal • De meester op de achtergrond: de cameo’s van Hitchcock, een van zijn handelsmerken, zijn verzameld. • Obsessies van een filmmaker: technische trademarks en terugkerende thema’s en motieven. • Achter de schermen: geheimen van de set, smakelijke anekdotes en analyses van een zelfgecreëerde mythologie.

Ber nard Benoliel Gilles Esposito Murielle Joudet Jean-François Rauger

HITCHCOCK COMPLEET HET VERHAAL VAN DE 57 FILMS EN 20 TV-FILMS

d Hitchcock is een rootmeesters in de ervalste stijl die te doek als op de Strangers on a Train, ed op de popcultuur

Ber nard Benoliel • Gilles Esposito Murielle Joudet • Jean-François Rauger

AUTEUR

Bernard Benoliel, Gilles Esposito, Murielle Joudet, Jean-Francois Rauger UITGAVE

WBooks

HITCHCOCK COMPLEET

HET VERHAAL VAN DE 57 FILMS EN 20 TV-FILMS

D E TA I L S

Gebonden, 442 pagina’s, rijk geïllustreerd met 442 afbeeldingen in kleur en zw/w, ISBN: 978-94-6258-397-9 PRIJS

€ 59,95

H

itchcock. De achternaam volstaat. Alfred Hitchcock is een van de meest productie en inventieve grootmeesters in de wereld van de film. Een geheel eigen, onvervalste stijl

VERSCHENEN

die doorsijpelde in zowel zijn werk op het witte doek als op de televisie. Psycho, Rear Window, Vertigo, Strangers on a Train, The Birds, North by Northwest. Zijn invloed op de popcultuur is onnavolgbaar. Als schakel in een tijdperk van grote ontwikkelingen in de kunstvorm – van stomme film naar film met geluid, van zwartwit naar full colour, van de studio’s in Londen naar de Hollywoodstudio’s – heeft hij generaties van regisseurs beïnvloed: Truffaut, Scorsese, De Palma, Fincher, en nog vele anderen. In Hitchcock Compleet wordt het integrale oeuvre van de briljante bolleboos vanuit de verschillende kanten van het filmproces belicht. Van productie, casting en distributie tot de ontvangst in de pers en door het grote publiek. Aangevuld met veelzeggende én meer obscure details, anekdotes en achtergrondverhalen die duidelijk maken hoe geniaal deze cinemavernieuwer precies geweest is. n

Koot & Bie Encyclopedie AUTEURS

Richard Groothuizen UITGAVE

Joh. Enschedé Amsterdam (JEA) D E TA I L S

Gebonden, 480 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN: 978-90-8305-860-3 PRIJS

€ 39,99

D

e Vieze Man, Jacobse en Van Es, Meneer Foppe. Wie kent ze niet? Tussen 1966 en 1998 creëerden Kees van Kooten en Wim de Bie op televisie een eigen universum, waarin hun typetjes een rechtstreekse afspiegeling waren van het dagelijks leven en de tijdgeest. Keek op de Week trok vijf jaar lang gemiddeld twee miljoen kijkers per uitzending.

It could only be Heine

It could only be Heineken

ken

100

VOORWE RPEN VERHALE N

aan boek belandt een schat Met dit rijk geïllustreerde – of biertafel, beter gezegd. verhalen op de koffietafel indringende sappige anekdotes en Opmerkelijke weetjes, van 100 Heineken de persoonlijkheden uit portretten schetsen foto’s, films en kunstwerken Stars: voorwerpen, affiches, op initiatief van die de bierbrouwer de erfgoedcollectie vanaf de jaren 1970 bijeenbracht. Alfred (Freddy) Heineken 120.000 uitgegroeid tot ruim Die verzameling is inmiddels van het concern. aan de geschiedenis tastbare herinneringen zoektocht van een spannende Dit boek is het resultaat meedie elk object met zich verhalen historische de naar van Amsterdam tijd heen uitzoomen draagt en die door de wereld. en uiteindelijk de hele naar Nederland, Europa lees of pubquiz mee. kijk, reis, en thuis Blijf lekker

It could only be Heineken. – 100 verhalen.

100 voorwerpen

AUTEUR

Marie Baarspul (tekst), Ronald Smits (fotografie) UITGAVE

WBooks i.s.m. Heineken Collection Foundation D E TA I L S

Gebonden, 224 pagina’s, rijk geïllustreerd met 200 afbeeldingen in kleur en zw/w, ISBN: 978-94-6258-406-8 PRIJS

€ 29,95

W

et dit rijk geïllustreerde boek belandt een schat aan verhalen op de koffietafel – of biertafel, beter gezegd. Opmerkelijke weetjes, sappige anekdotes en indringende portretten schetsen de persoonlijkheden van 100 Heineken

Dit is het ultieme eerbetoon aan het oeuvre van Van Kooten & De Bie. Een aantal bekende typetjes en sketches zit in ons collectieve geheugen verankerd, maar wat weten we nu werkelijk van ze? Zoek voortaan alles op in de Koot & Bie Encyclopedie. Op alfabet in de Wim & Kees Letterreeks en keurig per aflevering gerangschikt vanuit de 323 officiële televisie-uren die Van Kooten & De Bie maakten. Dit alles overdadig gelardeerd met toelichtingen en leuke weetjes in hun enig juiste, origineel ware historische context. Van ‘oudere jongere’ tot ‘regelneef’: de Koot & Bie Encyclopedie is hét complete naslagwerk en een feest der herkenning voor iedereen. n

Stars: voorwerpen, affiches, foto’s, films en kunstwerken uit de erfgoedcollectie die de bierbrouwer op initiatief van Alfred (Freddy) Heineken vanaf de jaren 1970 bijeenbracht. Die verzameling is inmiddels uitgegroeid tot ruim 120.000 tastbare herinneringen aan de geschiedenis van het concern. Dit boek is het resultaat van een spannende zoektocht naar de historische verhalen die elk object met zich meedraagt en die door de tijd heen uitzoomen van Amsterdam naar Nederland, Europa en uiteindelijk de hele wereld. Blijf lekker thuis en reis, kijk, lees of pubquiz mee. Benieuwd naar de briljante uitvinding waarmee stamvader Gerard Adriaan de naam Heineken vestigde? Ooit gehoord van het graanpaard of de gistpeer? Brouwerijmedewerkers die ijs rondbrengen in een pipowagen? Een oude Hollandse meester in de Heineken-collectie? En … wie gaat er schuil achter de initialen ‘HP’? n 35

VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 35

02/11/2020 13:43


Nog geen abonnee? Informeer naar onze advertentietarieven STEUN DE KENNISOVERDRACHT- EN en speciale actie-aanbiedingen VERSPREIDING OVER ONS CULTUREEL ERFGOED Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom abonnee ontvang 4x per jaar in de bus. Voor tarieven zie Colofon elders in dit nummer. tel.: 010Word - 4256544 of en mail naar:Vitruvius info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS_Apr.2019.indd VITRUVIUS_Juli2017.indd 232 32 VITRUVIUS_Jan.2021_v2.indd 36 VITRUVIUS_Apr.2020_v2.indd VITRUVIUS_Okt.2019_v2.indd

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

13/02/19 15/06/17 22:28 14:42 02/11/2020 13:43 25/02/2020 16:32 06/09/2019 18:54

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius Januari 2021  

Onafhankelijk vakblad voor Erfgoedprofessionals - Nummer 54, Jaargang 14

Vitruvius Januari 2021  

Onafhankelijk vakblad voor Erfgoedprofessionals - Nummer 54, Jaargang 14

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded