__MAIN_TEXT__

Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 13 | NUM M E R 49 | O KTOBER 2 0 1 9

BEGRAAFPLAATS KERKVELD; EEN LEVEND MONUMENT ONDERZOEK NAAR DE MIDDELEEUWSE KERK EN BEGRAAFPLAATS VAN JUTPHAAS, GEMEENTE NIEUWEGEIN.

VERKEERS- EN TRANSPORTINFRASTRUCTUUR IN HET INTERBELLUM EN DE WEDEROPBOUW (1920-1965), DEEL 3 SPOORWEGEN IN TIJDEN VAN KOMEN EN GAAN (1)

VERSLAGEN AAN DEN KONING EN DE KONINGIN OVER DE OPENBARE WERKEN

DOOR HET OOG VAN DE KUNSTENAAR CLEMENS MERKELBACH VAN ENKHUIZEN


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special Informeer naar de vele mogelijkheden? Stuur een e-mail met uw vragen en wensen naar: info@uitgeverijeducom.nl

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl


JAARGANG 13 NUMMER 49 OKTOBER 2019

4 VERKEERS- EN TRANSPORTINFRASTRUCTUUR IN HET INTERBELLUM EN DE WEDEROPBOUW (1920-1965), DEEL 3 SPOORWEGEN IN TIJDEN VAN KOMEN EN GAAN (1)

10

BEGRAAFPLAATS KERKVELD; EEN LEVEND MONUMENT ONDERZOEK NAAR DE MIDDELEEUWSE KERK EN BEGRAAFPLAATS VAN JUTPHAAS, GEMEENTE NIEUWEGEIN.

VERSLAGEN AAN DEN KONING EN DE KONINGIN OVER DE OPENBARE WERKEN

21

22 DOOR HET OOG VAN DE KUNSTENAAR CLEMENS MERKELBACH VAN ENKHUIZEN

3


VITRUVIUS

Frits Niemeijer Historisch-geograaf

NUMMER 49 OKTOBER 2019

Verkeers- en transportinfrastructuur in het Interbellum en de Wederopbouw (1920-1965), Deel 3 Spoorwegen in tijden van komen en gaan (1)

Deel 1 van deze serie (april 2019) omvatte een korte introductie op de ontwikkeling van de verkeersinfrastructuur in Nederland en op de rol die de Tweede Wereldoorlog hierin heeft gespeeld. In de twee eerste delen van deze reeks werd verder vooral aandacht geschonken aan de aanleg van een aantal typerende vaarwegen uit de periode ca. 1920-1965. Dit betekent dat het einde van de Eerste Wereldoorlog en het einde van de jaren van de Wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog als begrenzingen in tijd van de ontwikkelingen golden. In het volgende richten we ons op het spoorwegennetwerk in ons land in globaal genomen diezelfde periode. Er is echter een belangrijk verschil tussen beide ontwikkelingsprocessen: terwijl vaarwegen (en meer in het algemeen wateren) een zeer hoge mate van inertie vertonen en dus nauwelijks meer hun functie en ruimtelijke situering verliezen, kunnen spoorwegen van de ene dag op de andere gesloten worden, waarna ze soms (vrijwel) zonder sporen na te laten, verdwijnen. Dat dit lot vooral de wat jongere spoorlijnen placht te treffen, komt hierna nog aan de orde. Er zijn liefhebbers die er een sport van hebben gemaakt verdwenen spoorwegen te traceren en enkele jaren terug verscheen er een interessant boek waarin tientallen van zulke oude verbindingen - soms letterlijk – zijn blootgelegd.1 In deze bijdrage aan Vitruvius zal het zover niet komen, maar er wordt wel dankbaar gebruik gemaakt van gegevens die de auteurs hebben opgediept uit archieven en andere bronnen. Een introductie op de spoorwegen Vanaf de opening van het eerste Nederlandse spoortraject – van Amsterdam naar Haarlem – in 1839, nam de omvang van het netwerk gestaag toe: verschillende maatschappijen deden hun best de krenten uit de pap te halen door concessies te bemachtigen voor de aanleg van spoorwegen op 4

1 - Schematische weergave van het spoorwegennetwerk omstreeks 1934. Het net bezat rond die tijd zijn grootste lengte.


NUMMER 49 OKTOBER 2019

Bron: RStukken Tweede Kamer, 1975-1976, nr. 13711

VITRUVIUS

2 - Het spoorwegennetwerk omstreeks 1975, met hierop toekomstige aanpassingen. de meest lucratief geachte verkeersverbindingen voor personen en/of goederen. In het westen van het land betekende dit dat een ononderbroken stoomtreinlijn Amsterdam-Haarlem-Leiden-Den Haag einde 1843 gereed was en dat Rotterdam hierop in 1847 was aangesloten. Een tweede lijn verbond Amsterdam en Utrecht, in 1843, waarna dit spoor in 1845 reikte tot Arnhem. Vervolgens werd de westelijke spoorring gesloten met een verbinding tussen Rotterdam en Utrecht (1855). Dat de lijnen door respectievelijk de H.S.M. of H.IJ.S.M. (Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij) en de N.R.S. (Nederlandsche Rhijnspoorweg Maatschappij) werden aangelegd en geëxploiteerd, was aanvankelijk niet zo’n probleem, al werden door hen niet

dezelfde stationsgebouwen benut. Maar toen ook andere bestemmingen en vooral de oversteek van de grote rivieren tot hoge uitgaven en tot onzekere inkomsten zouden gaan leiden, kon het niet uitblijven dat de Nederlandse Staat de handschoen zou oppakken. Als derde grote maatschappij ontstond daarop in 1860 de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, beter bekend als Staatsspoor (S.S.).2 Veel zogenoemde hoofdspoorwegen naar en in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland zijn dan ook van oudsher geëxploiteerd door S.S. Of de aanleg van dergelijke lijnen oorzaak of gevolg was van een toename van het economische belang van een aantal van deze gebieden, is geen uitgemaakte zaak en er zijn internationaal bibliotheken volgeschre-

ven over dit kip- en ei-vraagstuk. Zeker lijkt wel dat een secundair net van spoorwegen – vaak aangelegd door regionale opererende maatschappijen – een antwoord was op een intussen sowieso op gang gekomen economisch groeiproces. De realisatie van veel van deze lijnen was te danken aan de inwerkingtreding van de Locaalspoorwet van 1878 en enige opvolgers hiervan.3 Maar ook voor dié lijnen gold dat ze lang niet altijd brachten wat de initiatiefnemers ervan verwachtten. Lokaalspoorlijnen waren goedkoper doordat ze lichter werden uitgevoerd,maar de keerzijde hiervan was dat ze beperkingen kenden in de belastbaarheid. Zoals al opgemerkt: juist vele later aangelegde (lokaal)spoorverbindingen bleken het meest kwetsbaar. Dit kan vermoedelijk het best worden geïllustreerd door vergelijking van de dichtheid van het spoorwegnetwerk in de Achterhoek en Twente midden jaren ‘30 met die van midden jaren ‘70. Op deze plaats rest de opmerking dat een eerste (verplichte) samenwerking tussen de maatschappijen vanaf 1890 plaatsvond op initiatief van de nationale overheid en dat dit daarna verder feitelijk werd afgedwongen door de vervoersmalaise tijdens de Eerste Wereldoorlog. Uiteindelijk was het weer de overheid die de spoormaatschappijen in 1938 in het keurslijf van het staatsbedrijf der Nederlandsche Spoorwegen (N.S.) dwong.4 In het hierna volgende – het eerste deel van een tweeluik - zijn enkele karakteristieke voorbeelden uitgewerkt van de aanleg, exploitatie, modernisering en/of de vernieuwing en soms ook van de opheffing van spoorlijnen sinds ongeveer 1920 en tot het midden van de jaren ’60. De aanleg van één markant ‘netwerkje’ valt ruim voor 1920, maar hieraan moeten hier toch enkele woorden worden gewijd. Het betreft de iconisch geworden, eerste geëlektrificeerde spoorlijn in Nederland: die van Rotterdam Hofplein naar Den Haag en Scheveningen. Een tweede bijzonder voorbeeld van een spoortracé is de verbindingsboog bij Fort Blauwkapel (1921), die aansluiting geeft op de lijn Utrecht-Hilversum, met hierin de bekende ‘gotische bogen’ (elektrificatie 1942). Als derde verbinding passeert de lijn Gouda-Boskoop-Alphen aan den Rijn de revue. Deze ontstond in 1934 als enkelspoorlijn en was een van de eerste met dieselmotortractie in plaats van stoom of elektriciteit. Het lijntje bleef in bedrijf tot de dag vandaag. Ten slotte volgen in dit deel enkele opmerkingen over spoorwegen die door de Duitse bezetter tot stand kwamen of 5


VITRUVIUS

Bron: Nederlands Instituut voor Militaire Historie/Wikimedia Commons

ringen voorziene viaduct is van ir. A.C.C.G. van Hemert (1857-1926). Het oorspronkelijke station Hofplein, een markant, halfrond kopstation, ontworpen door J.P. Stok, is op 14 mei 1940 tijdens het Duitse bombardement van Rotterdam verwoest. Een opvolger uit 1956, van architect S. van Ravesteijn, is verminkt achtergebleven. Nadat het ‘luchtspoor’ nog tot 2010 een functie behield (als onderdeel van de Randstad Spoorweg), zijn de rails op het bovengrondse tracé intussen opgebroken en wordt een nieuwe, stedelijke bestemming gezocht voor het in 2002 als Rijksmonument ingeschreven viaduct, waarvan meerdere overspanningen al vanaf het begin ruimte bieden aan winkels, opslagfuncties en allerlei bedrijfjes.6

Bron: Wikimedia Commons.

3 - Station Rotterdam Hofplein met linksboven de Hofpleinlijn richting Den Haag en Scheveningen, ca. 1930.

4 - Station Voorburg-Leidschendam in de Hofpleinlijn, ca. 1908. werden benut. In het vervolg op deze bijdrage komen vooral naoorlogse ontwikkelingen aan de orde. Spoorweg Rotterdam-Den HaagScheveningen De eerste geëlektrificeerde spoorverbinding in Nederland werd gevormd door de hoofdlijn Rotterdam (Hofplein)-Den Haag (Hollands Spoor)-Scheveningen (Kurhaus), die in oktober 1908 in gebruik is genomen.5 Aanleg en exploitatie waren in handen van de ZHESM (Zuid-Hollandsche Electrische Spoorweg-Maatschappij), die in 1923 werd overgenomen door de (moedermaatschappij) H.S.M. De spoorlijn verbond niet alleen twee van de belangrijkste bevolkingscentra met de badplaats Scheveningen, maar vormde tevens een ontsluiting voor dorpen als Pijnacker en Nootdorp, die hun tuinbouw6

NUMMER 49 OKTOBER 2019

producten met stoomtractie vervoerd zagen worden. Bovendien kon de lijn fungeren als alternatief voor de oude H.S.M.-verbinding tussen Den Haag en Rotterdam. Elektrische voortbeweging was ook op mondiale schaal anno 1908 nog een noviteit; er werd toen nog gebruik gemaakt van een door Siemens geleverde éénfasige inductiemotor en een spanning van 10.000 volt. De luxe rijtuigen werden geleverd door Beijnes in Haarlem. Behalve de elektrische tractie kende de verbinding nog een tweede primeur: het Rotterdamse deel van het spoor voerde over een lengte van ca. 1950 m over het zogenoemde Hofpleinlijnviaduct, een nog vrijwel compleet bestaande, gewapend betonnen constructie, die destijds niet minder dan 189 overspanningen telde; het was toen het grootste betonnen bouwwerk van Europa. Het ontwerp van het van Jugendstil versie-

‘Gotische bogen’ tussen Utrecht en Hilversum Een vermoedelijk niet minder bekende spoorweg in ons land is de monumentale verbinding Utrecht-Hilversum, die wordt gekenmerkt door betonnen bovenleidingportalen in markante gedrukte spitsboogvorm. De spoorverbinding van Utrecht en Hilversum werd gerealiseerd in 1874 en maakte toen deel uit van een breder pakket van spoorconcessies aan de H.IJ.S.M., nl. de doorgaande hoofdverbinding Amsterdam-Hilversum-Amersfoort-Apeldoorn-Zutp hen-Winterswijk-Borken (D). De totale spoorlijn – de Oosterspoorweg - die een concurrerend alternatief moest vormen voor de verbinding Amsterdam-Utrecht-Arnhem-Emmerich (D), kwam gereed in 1880. De zijtak van Hilversum naar het toenmalig Station Utrecht Maliebaan was niet bedoeld om de twee hoofdlijnen naar Duitsland te verbinden. Het traject omvatte wel een gelijkvloerse kruising met de lijn Utrecht Centraal-Amersfoort-Nijkerk-Zwolle (1864) van de in 1858 opgerichte Nederlandsche Centraal Spoorweg Maatschappij (N.C.S.), dichtbij het Fort Blauwkapel. Bij deze kruising is in 1905 een oostelijke verbindingsbaan tussen de twee spoorwegen aangelegd, die verkeer van Amersfoort naar Station Maliebaan (nu huisvesting van het Spoorwegmuseum) mogelijk maakte. In 1921 volgde een tweede verbindingsbaan; deze was bestemd om treinen van Hilversum naar Utrecht Centraal te leiden. Terwijl het belang van de verbinding Utrecht-Hilversum hiermee toenam, daalde de betekenis van Station Maliebaan. De gelijkvloerse kruising bij Blauwkapel en de beide spoorverbindingsbogen vormden een vrij schaars voorkomend fenomeen op Nederlandse bodem, dat echter


NUMMER 49 OKTOBER 2019

Bron: Wikimedia Commons.

VITRUVIUS

5 - Een omgeleide ICE naar Frankfurt a. M. (D) op de in 1941/1942 onder de Duitse bezetter geëlektrificeerde spoorlijn Utrecht-Hilversum, bekend om de ‘gotische portalen’. een bijna logisch gevolg was van een te weinig gereguleerd, naast elkaar bestaan van een aanzienlijk aantal, elkaar beconcurrerende maatschappijen. Beide bogen én de kruising bestaan intussen nog steeds, al wordt de hoofdverbinding richting Amersfoort inmiddels over een viaduct geleid.7 De westelijke verbindingsbaan, die bijzonder dicht langs de oostelijke begrenzingsgracht van het fort loopt, is voorzien van conventionele stalen bedradingsportalen met H-profiel. Echter, minder dan 1 km noordelijk van het Fort Blauwkapel – eigenlijk een gehucht dat in de 19de eeuw is opgeslorpt door militaire versterkingen – verandert het aanzien van de spoorlijn drastisch. De verderop toegepaste portalen zijn uitgevoerd in geprefabriceerd, gewapend beton. Ze kennen een opstand die herinnert aan gotische boogvormen - en wel in het bijzonder aan de stompe spitsboog. Toen de spoorlijn geëlektrificeerd zou gaan worden – we spreken van het einde van de jaren ’30 – bestond er schaarste aan staal, waardoor gekozen werd voor experimenten met beton. De spitsboogvorm leek één van de manieren om krachten op het draagsysteem af te leiden, terwijl puntscharnieren aan de voeten en in de top van de portalen de rest moesten doen. Het systeem werd in 1938 ontworpen door ir. J.L.A. Cuperus en is vervolgens verder uitgewerkt door ir. J.

van Zutphen, van N.S. De plaatsing van de portalen en de elektrificatie zijn uitgevoerd in de jaren 1941-1942 – dus tijdens de Duitse bezetting. Niet alle portalen zijn destijds in beton uitgevoerd; van de 188 wel uit beton samengestelde exemplaren, hebben er 166 een open constructie en zijn er 22 massief gesloten. De portaalarmen zijn vervaardigd door de Leidse betonmaatschappij Wernink.8 Dankzij het feit dat de spoorweg ten dele parallel loopt met autosnelweg A27 en doordat er meerdere bruggen over het spoor zijn, is de monumentaliteit van de lijn goed te ervaren. De portalen zijn in 2002 opgenomen op de lijst van Nederlandse Rijksmonumenten. Het construeren van betonnen bovenleidingportalen bleef als zodanig overigens niet uniek: andere, nog bestaande typen zijn vanaf de late jaren ’40 o.m. toegepast op het Eiland van Dordrecht en in de reeds genoemde Oosterspoorweg, nabij Nunspeet. Maar hun sierlijkheid en de relatief vroege plaatsing van de exemplaren op het baanvak tussen Utrecht en Hilversum, maken deze portalen uniek. De lijn Gouda-Boskoop-Alphen aan den Rijn In de brede wig in het toentertijd dunbevolkte midden van Holland en tussen de spoorlijnen rondom wat we nu de Randstad

Holland noemen, lagen omstreeks 1900 weinig spoorwegen. Pas in 1878 was een spoorlijn van Leiden via Alphen aan den Rijn en Bodegraven naar Woerden geopend (N.R.S.), die in 1890 zodanig werd aangepast dat er zonder overstappen op Utrecht kon worden gereden (na overdracht aan S.S.) Maar meer dan een enkelspoorweg was het traject tussen Leiden en Woerden niet. Sinds ± 1890 gingen stemmen op vanuit Alphen een aftakking naar Gouda aan te leggen – onder meer ten behoeve van de boomkwekerijen in Boskoop, die in toenemende mate hun product gingen afzetten buiten de regio en zelfs in grote delen van Europa. Het besluit tot aanleg viel al in 1916, maar de uitvoering kwam pas echt op gang nadat alle benodigde terreinen waren verworven, in 1925, en nadat de regering – tegen de zin van het spoorbedrijf - de zaak doordrukte. De slappe veengrond leverde nogal wat problemen met de fundering, het ballastbed, op – net als bij de aanleg van de verkeersweg langs de oostzijde van de Gouwe. Mede hierdoor kwam de lijn, die als lokaalspoorweg werd uitgevoerd, pas in begin oktober 1934 in bedrijf.9 Veenendaal schrijft dat de kosten van de 17 km lange lijn in 1924 werden becijferd op ruim 4 miljoen gulden, maar dat het uiteindelijke bedrag meer dan de helft hoger uitkwam: dus 366.000 gulden per kilometer. 7


VITRUVIUS

de brug werden de sporen samengevoegd. In dezelfde tijd kwam ook een nieuwe uitmonding van de Gouwe in de Hollandsche IJssel tot stand – het Gouwe Kanaal; ook dit water vergde uiteraard een spoorbrug. Opmerkelijk genoeg is rond 1995 het oude tracé van de spoorweg – dus dat van vóór 1911 - weer in gebruik genomen en is dit tracé voorzien van een hefbrug (de Derde Gouwebrug), terwijl de spoorlijn naar Alphen over de in 1911 aangelegde spoordijk bleef lopen. De brug in deze hoofdspoorweg is in 1996 vernieuwd en is nu bekend als de Vierde Gouwebrug.11 Toch is misschien wel het meest opmerkelijke aspect rond de lijn Alphen aan den Rijn-Gouda dat de opening plaatsvond in hetzelfde jaar waarin de eerste grote opheffingen van spoorverbindingen een feit werden. Tot in 1929 waren de totale inkomsten vanuit spoorwegen nog gunstig te noemen, maar toen de economische crisis begon toe te slaan, was het direct mis. Nadat nog in 1928 definitief was besloten de lijn Alphen-Gouda te voltooien, werd het dus al spoedig na de opening een schip van bijleggen. Dit werd nog verhevigd door de concurrentie van de parallelle, goed geoutilleerde autoverbinding op de oostelijke kade van de intussen als vaarweg eveneens sterk opgewaardeerde Gouwe.12 De concurrentie van vrachtauto, autobus, binnenvaartschip en uiteraard vooral de ineenstorting van de vraag naar industriële, agrarische en tuinbouwproducten (deze laatste m.n. vanuit Boskoop) betekenden dat de lijn al spoedig in exploitatieproblemen geraakte.13 Anders dan veel andere spoorlijnen van vergelijkbare orde, hield Alphen aan den Rijn-Bos-

Bron: [5584], Spoorwegen in Beeld, Spoorwegmuseum.

Inmiddels waren enorme hoeveelheden zand ‘weggezakt’ in het veen.10 Opmerkelijk is dat de spoorweg pas vanaf de vroege jaren ’40 op topografische kaarten van Leiden en omgeving is weergegeven en dan alleen nog op de 1:50.000 en kleinere. Op de 1:25.000 verscheen de lijn pas in 1950. De kaart van Gouda en omgeving is wel eerder bijgewerkt en laat het spoor al zien vanaf circa 1937. Toch laten deze kaarten een aantal aardige bijzonderheden zien. Allereerst blijkt dat het beoogde tracé ten zuidoosten van Alphen in een vroeg stadium is aangepast: het ballastbed is daar kennelijk iets naar het noordoosten verlegd, waardoor er nabij de huidige Aziëweg nog steeds een stukje loze spoordijk te zien is. Ook aan de Goudse kant van de spoorweg is een opmerkelijk fenomeen herkenbaar. Toen het besluit voor de lijn naar Alphen aan den Rijn nog niet was genomen en de voorbereidingen dus nog niet waren begonnen, werd een deel van de bestaande N.R.M.-spoorweg van Rotterdam (1855) resp. Den Haag (1870) naar Gouda zo’n 150 m naar het noorden verlegd. De nieuwe brug over de Gouwe (1911) was ten behoeve van de scheepvaart hoger, maar de boogstraal van het spoor ter plaatse werd kleiner, waardoor de snelheid van het treinverkeer iets moest worden getemperd. Hetgeen met de nabijheid van het station overigens vermoedelijk geen bezwaar was. Toen de spoorweg naar Alphen aan den Rijn in 1934 werd aangesloten, was een ongebruikelijk scherpe bocht noodzakelijk, waarbij de nieuwe lijn een separate, dus parallelle brug over de Ringvaart van de Zuidplaspolder kreeg. Pas voorbij

6 - Station Boskoop met motorwagen, in of kort na 1934. De strakke, zakelijke lijn van het gebouw is kenmerkend voor die tijd. 8

NUMMER 49 OKTOBER 2019

koop-Gouda het hoofd op den duur echter boven water; de verbinding bestaat nog steeds. Spoortjes uit de jaren 1940-1945 Omdat de Wederopbouw formeel in mei 1940 begint – dus terwijl de ‘afbraak’ van Nederland nog niet eens in volle gang is – is er reden om op zijn minst enige aandacht te schenken aan de werken die op initiatief van de bezetter tot stand kwamen. Allereerst zijn hier te noemen de spoortjes die zijn aangelegd om militaire objecten en structuren van materieel te voorzien. Net zoals meerdere tram- en lokaalspoorlijntjes eerder bijnamen als Bello of Moordenaar kregen, zo werden spoortjes die naar (Duitse) militaire vliegvelden leidden, al snel ‘bommenlijntjes’ genoemd. Dat er ook bouwmateriaal, personeel en (dwang)arbeiders enz. via die spoorwegen werden vervoerd, leek van ondergeschikt belang. (Relicten van) Duitse militaire spoorwegen zijn onder meer te herkennen bij de Vliegvelden Leeuwarden, Havelte, Soesterberg, Schiphol, Gilze-Rijen en Welschap. Het meest bekend is vermoedelijk echter het raccordement dat de spoorlijn Arnhem-Utrecht verbond met Vliegveld Deelen en dat van de hoofdlijn aftakte bij Wolfheze. Het vroegere tracé is nog goed herkenbaar en ook een tunneltje onder de huidige A12 legt nog getuigenis af van deze bommenlijn. De meeste van de enkelspoorlijntjes – sommige voorzien van vertakkingen - zijn tot stand gebracht in de eerste oorlogsjaren en ze werden bereden met dieseltractie. Dit laatste gold mogelijk niet voor een spoorlijn langs de kust boven Hoek van Holland, die aansloot op de lijn vanuit Rotterdam en die reikte tot bij Kijkduin. Dit lijntje was in vanaf 1907 al door ingenieurs van het Hoogheemraadschap van Delfland aangelegd om de kwetsbare Noordzeekust ter plaatse van de zogeheten Delflandse Hoofden gemakkelijker te kunnen versterken met palen, rijsmatten, basaltblokken e.d. Een vooroorlogse foto laat een stoomlocomotiefje zien dat vermoedelijk dienstdeed op dit tracé. De Duitse bezetter benutte het spoor voor militaire kustversterking in het kader van de aanleg van de Atlantik Wall. Dit voor ons land unieke kustspoor had na de oorlog de basis kunnen zijn van een verbinding met Scheveningen en zo verder naar Den Haag en Rotterdam, nl. als voortzetting van de Hofpleinlijn. Het spoortje is echter – net als de meeste andere met een ‘besmet verleden’ - opgedoekt.14 Aan het eind van de oorlog legden


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

7 - De korte boogstraal in de lijn Alphen a/d Rijn-Gouda en de relicten van de in 1911 uitgevoerde spoorverlegging, die later zijn herbenut. (Topografische kaart 1:25.000, ca. 1965). de Geallieerden enkele noodspoorwegen aan, in het bijzonder nabij Nijmegen. Deze dienden vooral om sporen en bruggen die beschadigd waren te omzeilen.15 Op Google Earth is een flink aantal spoorwegen uit de jaren 1940-1945 te zien, waarvan er enkele meer dan tien of twintig kilometer lang waren.16 Eén van de macaberste hiervan diende met de beste wil van de wereld geen enkel ‘wederopbouwdoel’. Integendeel: het spoortje naar het doorgangskamp te Westerbork in Drenthe leidde - na een vaak snelle ‘overstap’ - naar het eindstation van meer dan 100.000 Joden en van Roma en Sinti. Het spoor naar Westerbork diende voor de aan- en afvoer (het woord reizigersvervoer is hier niet van toepassing) van mensen die een vrijwel zekere, ‘industrieel voorbereide en uitgevoerde’ dood te wachten stond in een van de vele Duitse vernietigings- of werkkampen. Deze Duitse moordmachine kwam echter op stoom op basis van het op dat moment voorhanden zijnde rollend materieel van N.S. Het lokaalspoortje Hooghalen-Westerbork was een aftakking van de hoofdspoorlijn Meppel-Groningen. De aftakking werd in 1942 speciaal voor dit lugubere doel aangelegd en is na de oorlog direct opgebroken. Slechts twee verbogen railfragmenten en een stootblok zijn nu de resten die de plaats te markeren waar de treinen hun reis beëindigden om korte tijd later in omgekeerde rijrichting hun reis richting de dood te vervolgen. Op dit spoorrelict raakt het besmette Duitse verleden het Nederlandse mededaderschap.17

Besluit Tot hier het deel over de aanleg en het verdwijnen van spoorwegen in het Interbellum en de Wederopbouw. In het volgende, en laatste, deel zal het zwaartepunt nog meer op sluiting komen te liggen. De literatuurlijst is opgenomen bij het volgende deel. Noten 1  Lansink & Ten Broek, 2016. 2  Jonckers Nieboer, 19382, 69-131, 337. We laten hier enkele kleinere, vooral in het zuiden van het land opererende maatschappijen buiten beschouwing. Zo was er onder meer een maatschappij die een verbinding van Antwerpen naar Moerdijk onderhield (1855). 3  Een gemakkelijk toegankelijke gepubliceerde bron is: https://spoorwegwet-1875.nl/wp/; Hier m.n.: https:// spoorwegwet-1875.nl/wp/147-2 4  Zie o.m. Jonckers Nieboer, 19382, 185 e.v., 316 e.v. 5  Het traject Den Haag-Scheveningen was al ruim een jaar in bedrijf met stoomtractie; Verslag, 1906, 95: Aanvankelijk was het de bedoeling de verbinding als lokaalspoorlijn uit te voeren. 6  Zie o.m.: https://docplayer. nl/4185772-De-hofbogen-cultuurhistorische-verkenning-crimson-architectural-historians-juni-2007.html ; https:// issuu.com/daf-architecten/docs/hofpleinlijn ; Veenendaal, 2008, passim. 7  Op sommige fora wordt gesteld dat er voorheen veel meer gelijkvloerse kruisingen waren, maar behalve westelijk

van Station Haarlem zijn ze – voor zover ze tot in de vroege 20ste eeuw al bestonden (bv. te Beugen) – later ongelijkvloers gemaakt. Industriesporen en raccordementen kruis(t)en elkaar natuurlijk wel regelmatig. 8  http://www.gotischeboog.com/historiegrootspoor-en-70-jaar-bogen.html 9  http://martijnvanvulpen.nl/ s p o o r g e s c h i e d e n i s / s t a a t- d e r - n e derlanden/89-latere-van- staatswege-aangelegde-lijnen/63-spoorlijn-gouda-alphen-aan-den-rijn ; Verslag, 1930, 51; 1931, 51, 52; 1933, 55; 1934, 49. 10  Veenendaal, 2008, 370, 371. 11  https://nl.wikipedia.org/wiki/ Gouwespoorbruggen 12  De autoweg was vanwege de slappe bodem gefundeerd op betonnen palen, die tevens de oostoever van de Gouwevaarweg stabiliseerden. 13  Zie o.m.: Jonckers Nieboer, 19382, 292 e.v. 14  h t t p s : / / w w w. l a y o u t . n l / p o r t f o l i o / dhc/2009_10_02/DHCEN30_09_09_12_ strandlijn.pdf 15  Zie: Lansink, z.j. 16  www.hiddenplaces.nl/googleearth/files/ Oorlogsspoorlijnen.kmz 17  h ttps://nl.wikipedia.org/wiki/Spoorlijn_Hooghalen_-_Kamp_Westerbork ; https://www.trouw.nl/nieuws/ de-ns-gaan-tientallen-miljoenen-compensatie-betalen-aan-slachtoffers-van-de-holocaust~b93b782d/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google. com%2F 9


VITRUVIUS

Tot 1820 was op het Kerkveld van Jutphaas (thans Nieuwegein) de middeleeuwse Nicolaaskerk gelegen. De kerk werd toen op een deel van de toren na gesloopt. Bijzonder is dat een aantal historische grafkelders, die voor een deel nog uit de middeleeuwen dateren, na de sloop van de kerk zijn blijven bestaan. Dit heeft er mede toe geleid dat de begraafplaats als enige monument in Nieuwegein als gebouwd en als archeologisch monument is beschermd. In dit artikel zal op basis van recent onderzoek het ontstaan en de ontwikkeling van de kerk en de begraafplaats worden behandeld. Dit heeft tot nieuwe inzichten geleid van het beeld dat geschetst wordt in de bestaande literatuur. Inleiding Verscholen in de nieuwe stad Nieuwegein ligt een bijzonder monument, de begraafplaats Kerkveld. De begraafplaats is gelegen op het nog steeds zo geheten Kerkveld, dat gedurende de middeleeuwen de kern vormde van het voormalige dorp Jutphaas. Op de begraafplaats staat tot 1820 de middeleeuwse Nicolaaskerk van Jutphaas. De kerk wordt dan, op een deel van de toren (thans baarhuisje) na, gesloopt. De kerk is gelegen op een eertijds mogelijk met een gracht omgeven verhoging, die thans nog te herkennen is op de begraafplaats. Bijzonder is dat een aantal historische grafkelders uit de kerk na de sloop zijn blijven bestaan. Dit heeft er mede toe geleid dat de begraafplaats zowel een gebouwd Rijksmonument (monumentnr. 30403) als archeologisch monument (monumentnr. 45829) en een AMK-terrein (924) is. Op de locatie wordt vanaf de middeleeuwen tot op de dag van vandaag nog begraven, in die zin is het ‘een levend 10

Begraafplaats Kerkveld; een levend monument. Onderzoek naar de middeleeuwse kerk en begraafplaats van Jutphaas, gemeente Nieuwegein.

Bron: Open Topo.

Drs. R. van der Mark Senior KNA-Archeoloog BAAC, lid Werkgroep Cultuurhistorie, Historische Kring Nieuwegein.

NUMMER 49 OKTOBER 2019

1 - Ligging van de begraafplaats. monument’. Daarnaast heeft de gemeente Nieuwegein het voornemen om de begraafplaats opnieuw open te stellen voor begravingen. Hiertoe zullen graven, waarvan de grafrechten zijn verlopen en die geen cultuurhistorische waarde hebben, worden geruimd. In dit artikel zal op basis van recent onderzoek het ontstaan en de ontwikkeling van de kerk en de begraafplaats worden behandeld. Hierbij is gebruik gemaakt van historische, archeologische en bouwhistorische gegevens. Bij het historisch onderzoek is gebruik gemaakt van bestaande literatuur en archiefonderzoek in het Utrechts Archief en Nationaal Archief in Den Haag. Vooral het archiefonderzoek heeft veel nieuwe gegevens opgeleverd.1 Voor de archeologische data is gebruik gemaakt van gegevens van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis 3), de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart en het archief van de Werkgroep Cultuurhistorie van de Historische Kring Nieuwegein. Het bouwhistorische onderzoek is gebaseerd op historische gegevens, onderzoek aan het

nog bestaande torenrestant en parallellen met nog bestaande kerkgebouwen. Het onderzoek heeft tot nieuwe inzichten geleid omtrent de aard en ontwikkeling van dit bijzondere terrein. De historische graven, die een belangrijk bestanddeel vormen van het Rijksmonument, blijven grotendeels buiten beschouwing in deze bijdrage en zijn ten dele in een eerder uitgevoerde inventarisatie behandeld.2 Archeologie Zoals gezegd, maakt de begraafplaats deel uit van een beschermd archeologisch monument, waar zich volgens de redengevende omschrijving de overblijfselen van een vroegmiddeleeuwse kerk bevinden.3 De (tufstenen) kerk dateert volgens de toelichting van het monument uit de 9e eeuw en lag op een zichtbare verhoging, die vroeger omgracht was. De vroegmiddeleeuwse datering is gebaseerd op de vondst van munten van Lodewijk de Vrome (778-840), die geïnterpreteerd worden als strooimunten uit de tijd van de wijding van de kerk. De munten zijn in de 19e eeuw gevonden en


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

slecht beschreven.4 Thans zijn de bedoelde munten helaas niet meer traceerbaar. Mogelijk zijn ze destijds onjuist gedetermineerd. Daarnaast hoeven de munten geen betrekking te hebben op de kerk en kunnen zij gewoonweg verloren zijn. Een gegeven is dat er binnen Nieuwegein nooit archeologische vondsten zijn gedaan uit de vroege middeleeuwen. Voorlopige conclusie: een vroeg-middeleeuwse datering van de kerk lijkt hierdoor vooralsnog niet te onderbouwen. Dit wordt mogelijk ondersteund door het volgende. Op de begraafplaats zelf is in 1847 een tufstenen steenkist uit de middeleeuwen gevonden nabij het voormalige koor van de kerk (zie afbeelding 2).5 Soortgelijke kisten zijn ook in Utrecht gevonden en worden daar gedateerd in de 11e en 12e eeuw.6 Deze kisten hadden een lengte van 2 meter en een breedte van 0,60 meter. Ze waren opgebouwd uit tufsteenbroden met lengtes, die varieerden tussen de 30 en 40 cm. De opbouw bestond uit liggende stenen, die de contour van het graf volgden. Deze liggende stenen werden afgedekt door schuin tegen elkaar geplaatste stenen. Naast de vondst uit 1847 zijn er in 1965 en 2015 dekstenen van steenkisten gevonden bij het ruimen van graven.

cum, de bronstijd, ijzertijd, de Romeinse tijd, de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Alleen de vondsten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd zijn te relateren aan de oude dorpskern van Jutphaas, waar ook de kerk was gelegen. Uitgebreid archeologisch onderzoek heeft tot op heden niet plaatsgevonden op de begraafplaats. Terp De begraafplaats maakt deel uit van een terp (zie afbeelding 3), waarvan de huidige hoogte varieert van 3,2 à 3,3 meter +NAP in het oostelijke deel van de terp, tot 0,9 meter +NAP ter hoogte van de sloot langs de westelijke rand. De oude dorpskern op het Kerkveld ligt iets lager dan de kerkterp, nl. op circa 1,8 à 1,9 meter +NAP. De hoogte van de omringende nieuwbouwwijk varieert tussen circa 1,35 en 1,75 meter +NAP.7 Processen van bodemdaling zijn niet van invloed geweest op de hoogte van het huidige maaiveld aangezien de terp op een stroomrug ligt. De diepere ondergrond bestaat hier uit geulafzettingen van siltige klei, die naar beneden toe zandiger wordt. Deze geulafzettingen behoren tot de Jutphase stroomgordel, die tussen ca. 2250 v. Chr. en ca. 850 v. Chr. actief was. Onder deze afzettingen bevindt zich geen veen dat in wisselende grondwaterstanden gevoelig is voor inklinking.8

De huidige terphoogte is niet de oorspronkelijke hoogte. Zo is uit archiefonderzoek gebleken dat de begraafplaats in de 19e eeuw diverse malen is opgehoogd en uitgebreid. In 1829 is sprake van het verhogen en gelijkmaken van de begraafplaats met 11 kubieke meter grofzand.9 In 1875 wordt de begraafplaats een tweede maal opgehoogd, als de begraafplaats aan de zuidzijde over een lengte van zeven meter wordt uitgebreid (zie afbeelding 7).10 De omgrachting In de redengevende omschrijving van het archeologische rijksmonument is ook sprake van een omgrachting rond de terp. Het is hierbij echter niet duidelijk of het om een gracht of een sloot gaat.11 Over de ouderdom en de oorspronkelijke breedte en diepte van de vermeende omgrachting was tot voor kort niets bekend. Geopperd werd dat de grond van de terp mogelijk afkomstig was uit de gracht. Recent (archief)onderzoek heeft echter uitgewezen dat het gaat om een sloot van relatief recente datum. In 1829 wordt namelijk door het kerkbestuur van de NH kerk opdracht gegeven tot het graven van een sloot rond de begraafplaats en het planten van iepen.12 De aanleg van de sloot is mogelijk een reactie op het koninklijk besluit betreffende begravingen uit 1827. In dit

Op en rond het Kerkveld zijn in de jaren ‘70 en ‘80 van de twintigste eeuw bij graafwerkzaamheden diverse archeologische vondsten gedaan daterend uit het neolithi-

2 - Tekening van de steenkist van J.J. de Geer van Rijnhuizen uit de Algemeene Konst- en Letterbode van 1847 (particuliere collectie).

3 - Ligging van de terp op gedetailleerde uitsnede van de kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3 2018). Hierop is duidelijk te zien dat de kerkterp in relatie tot het omringende gebied een hogere ligging heeft (naar Van der Mark en de Boer 2018). 11


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

besluit wordt het verboden om vanaf 1 januari 1829 te begraven in kerken en werd het verplicht om begraafplaatsen aan te leggen buiten de bebouwde kom. Een uitzondering werd gemaakt op begraafplaatsen, die al binnen de bebouwde kom lagen. Door de aanleg van de sloot kwam zo de begraafplaats buiten de dorpskom van Jutphaas te liggen. Deze sloot is voor het eerst te zien op de kadastrale minuut van 1832, waar deze als perceelsgrens wordt aangegeven (zie afbeelding 4) en komt op oudere kaarten niet voor. Dat deze sloot ook daadwerkelijk is aangelegd, wordt bevestigd door het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de sloot in 1834.13 Op een bestektekening uit 1875 (zie afbeelding 7) is te zien dat de begraafplaats (terp) voor driekwart wordt omgeven door een sloot. Op topografische kaarten is deze voor een deel nog tot op de dag van vandaag te herkennen als sloot aan de west en zuidwestzijde van het terrein. Het zuidwestelijke deel van deze sloot is eind jaren zestig vergraven tot singel. Uit opmetingen van de gemeente, in 1966, blijkt dat de sloot aan de oostzijde dan nog als depressie aanwezig is.14 Voorlopige conclusie; uit archiefstukken is gebleken dat er pas tussen 1829 en 1834 een sloot rond de begraafplaats is gegraven en dat van een omgrachting van middeleeuwse oorsprong geen sprake is. De stelling dat de grond van de terp afkomstig is uit de sloot/gracht lijkt dan ook niet meer houdbaar. Het ontstaan van een kerk in Jutphaas Jutphaas is ontstaan uit de ontginningen van het Overeind en het Nedereind, waarvan de eerste delen tussen 1060 en 1076 zijn ontgonnen.15 De basis van de ontginning wordt gevormd door een oost-west georiënteerde ontginningsas, die bestaat uit een wetering en een dijk (de latere Nedereindseweg). Halverwege de ontginningsas wordt de kerk gesticht. Nabij de kerk ontstaat het centrum van het dorp, met verder het rechthuis, de pastorie en het huis van de schout. Dit is het latere Kerkveld, dat zijn grootste lengte nog steeds haaks op de Nedereindseweg heeft. De structuur van het kerkveld en van de kerkterp, die het zuidelijk uiteinde van het Kerkveld vormt - is nog goed te herkennen op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (afbeelding 4). Ook in de hui12

4 - Het Kerkveld op een uitsnede van de kadastrale kaart uit het begin van de 19e eeuw (Kadasterkaart 1811-1832), perceel nr. 393 markeert de kerkterp. dige topografie is het vroegere, grotendeels rechthoekige kerkveld nog goed waar te nemen en wordt het nog steeds als Kerkveld aangeduid.

In 1165 is er voor het eerst sprake van het kerspel Jutphaas. Het betreft een akte van Dirk van Jutphaes waarin melding gemaakt wordt van het kerspel Judefax.19

In het ontginningsgebied wordt meestal een hoeve gereserveerd voor de te bouwen kerk.16 Het totale grondoppervlak dat aan de kerk was toegewezen had een oppervlakte van 16 morgen (1 Utrechtse morgen is ±0,85 hectare), hetgeen neerkomt op een hoeve van ca. 13,6 ha. Deze oppervlakte werd in de middeleeuwen voldoende geacht voor het onderhoud van de kerk (4 morgen) en de pastoor (12 morgen).17 Het totale ‘kerkveld’, dat dus veel groter was dan het huidige Kerkveld (ca. 2,5 ha) gaat gedurende de middeleeuwen het centrum vormen van het gerecht Jutphaas.

De kerk is vanaf 1217 gewijd aan de Heilige Nicolaas.20 De Heilige Nicolaas wordt vanaf 1087 steeds populairder als heilige. In deze tijd worden de relieken van deze heilige door Venetiaanse kooplieden vanuit het Turkse Myra overgebracht naar het Italiaanse Bari. Met name aan het eind van de 11e en 12e eeuw zien we in het bisdom Utrecht veel kerken verschijnen die aan de Heilige Nicolaas zijn gewijd.

Er zijn geen concrete aanwijzingen dat er vóór de 12e eeuw sprake was van een kerk. Het patronaatsrecht (het benoemen van de pastoor) van het kerspel (= parochie) Jutphaas, dat aanvankelijk onder het aartsdiaconaat van de koorbisschop viel, was tot de 12e eeuw in handen van de bisschop van Utrecht. Op grond hiervan en vanwege het feit dat de eerste ontginningen tussen 1060-1076 aanvingen, veronderstelt de historicus Dekker een stichting van de kerk in de late 11e of eerste helft 12e eeuw.18 Bij de kerkstichting werd door de aartsdiaken de grens van de nieuwe parochie afgebakend. Deze viel in Jutphaas samen met de ontginningsblokken van het Over- en Nedereind.

Het patronaatsrecht over de kerk van Jutphaas kwam sinds de tweede helft van de 13e eeuw toe aan het kapittel van Oudmunster te Utrecht. Later kwam dit in handen van de ambachtsheer van het Overeind en Nedereind. Zij waren ook verantwoordelijk voor de bouw en het onderhoud van de kerk. Bouwgeschiedenis Geschreven bronnen Over de vroegste verschijningsvorm van de kerk zijn geen directe schriftelijke bronnen bewaard gebleven. De vroegste vermelding van het gebouw dateert uit 1407, wanneer de kerk wordt uitgebreid met twee transeptarmen en het schip wordt verlaagd. De transeptarmen zijn (vermoedelijk al bij hun ontstaan) uitgevoerd in gotische trant.21


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

gestoelte (schip) 96 voet (25,44 meter) lang en 31 voet (8,21 meter) breed. Het koor is 28 voet lang (7,42 meter) en 26¼ voet breed (6,95 meter). In totaal bedraagt de lengte volgens deze opgave dus 32,86 meter (nl. 25,44 meter + 7,42 meter). De zijbeuken zijn volgens opgave 23,50 voet lang (6,23 meter) en 23 voet (6,10 meter) breed.

Bron: Het Utrechts Archief.

De begraafplaats In het begin van de 19e eeuw is de kerk wederom in verval, waarna men in 1819 een nieuwe kerk laat bouwen aan de Nedereindseweg en het middeleeuwse gebouw in 1820 laat slopen. Na de sloop van de kerk is het terrein alleen nog in gebruik als begraafplaats van de kerkgemeente. Sinds 1829 is de begraafplaats in eigendom van de burgerlijke gemeente Jutphaas en is het terrein een algemene begraafplaats.32 5-O  pmetingstekening van de kerk uit 1706.

Wanneer we een verder beeld willen krijgen van de bouwgeschiedenis van de kerk, zijn we aangewezen op geschreven bronnen en tekeningen uit de 16e tot de 19e eeuw. Vanaf 1583 blijkt uit de kerkrekeningen dat er herhaaldelijk sprake is van onderhoud aan de kerk, die toen in die (roerige) tijd kennelijk in slechte staat was.22 In 1593 (kort na de reformatie in 1590) blijkt uit een visitatierapport echter dat de kerk weer in goede staat is en dat de spits van de toren is herbouwd.23 In 1606 is de kerk nog steeds in goede staat, maar in 1674 is dit niet meer het geval. In dat jaar raakt de toren ernstig beschadigd na een zware zomerstorm, die onder andere ook het schip van de Utrechtse Domkerk heeft doen instorten. Het kerkbestuur spreekt in 1679 zijn zorgen uit over de klokkenstoel en het dak van de kerk, dat lekt. Een jaar later stort de klokkentoren in. Gedurende de 17e en 18e eeuw komen herhaaldelijk berichten naar buiten over het verval van de kerk en pogingen deze te herstellen. Het visitatierapport uit 1706 In 1706 wordt in opdracht van Carel de Geer van Rijnhuizen en Pieter de Malapert 25 een visitatierapport opgesteld over de staat van de kerk, die dan zeer slecht is.26 Interessant is dat dit document ook een tekening bevat van de plattegrond en een doorsnede van het gebouw in zijn toenmalige toestand (zie afbeelding 5).27 Dit is tevens het oudste bekende document waarin inzicht wordt gegeven in de platte-

grond van het gebouw. Op basis van deze tekening is er sprake van een schip van 98,5 voet (26,10 meter) lang en 31,2 voet breed (8,26 meter), een koor van 28 voet (7,42 meter) lang en 27 voet (7,15 meter) breed en transeptarmen met een breedte van 23,5 voet (6,23 meter) en een 24,4 voet (6,46 meter) lang.28 De totale lengte is volgens deze opgave dus 33,52 meter. Tussen 1706 en 1708 wordt de kerk grondig opgeknapt. Zo wordt het schip nogmaals verlaagd, wordt de kap vernieuwd en is bovendien een deel van het tufsteenwerk van het schip vervangen. Ook wordt dan een consistoriekamer tegen de kerk aangebouwd. In 1733 wordt de toren op kosten van Jan Jacob de Geer van Rijnhuizen (1714-1781), die toen de patroon van de kerk was, hersteld.29 In hetzelfde jaar volgt nog een reparatie van de kap van de toren.30 Hierna zijn geen reparaties aan de kerk meer bekend. De kerkelijke notulen van 1810 Uit de kerkelijke notulen van 1810 is bekend dat het koor van de kerk is overdekt met een stenen tongewelf en dat het schip en de transeptarmen voorzien zijn van een eikenhouten, platte zoldering.31 Uit deze beschrijving blijkt ook dat de kerkvloer is verhoogd en geëgaliseerd. Voorts wordt opgemerkt dat de kerk zeer oud is en veel onderhoud vergt. De afmetingen van het gebouw worden beschreven als zijnde van toren tot preek-

De vroegst bekende afbeelding van de begraafplaats dateert uit 1860 (afbeelding 6 boven).33 De tekening geeft inzicht hoe de plattegrond van de kerk kan worden geprojecteerd op de huidige begraafplaats.34 Het gaat om een schetsmatige weergave van de begraafplaats. Opvallend is dat de graven dan nog grotendeels binnen de contour van de gesloopte kerk zijn gesitueerd. Ook is op deze tekening een aantal elementen te zien, die op de huidige begraafplaats nog aanwezig zijn, zoals het baarhuisje (restant toren) en een aantal graven, die nog dateren van vóór de sloop van de kerk. Opvallend is dat deze graven een andere oriëntering hebben dan de latere, namelijk oost-west zoals gebruikelijk is in een (oorspronkelijk rooms-katholieke) kerk (paars op afbeelding 6 onder). Het is hiermee aannemelijk dat de graven na de sloop van de kerk op hun oorspronkelijke plaats zijn blijven liggen en ook dat bij latere bijzettingen het van oudsher bestaande patroon is gehandhaafd (blauw op afbeelding 6 onder). Daarnaast corresponderen een aantal grafnummers in het koor en schip met een rij nog bestaande naamloze, genummerde stenen in het oosten en zuidoosten van de begraafplaats (rood op afbeelding 6 onder).35 Met behulp van deze referentiepunten is de voormalige plattegrond te projecteren op de huidige begraafplaats (afbeelding 6 onder). Opvallend is dat delen van het koor, de transeptarmen en het schip niet worden doorsneden door jongere graven. Mogelijk dat hier nog muurresten of fundamenten in de bodem aanwezig zijn, die bijzettingen eerst praktisch onmogelijk maakte en die nu worden 13


VITRUVIUS

verhinderd door de monumentale status van de begraafplaats. Het resultaat van de projectie beziend (voor de maten zie de tabel hieronder) kan worden vastgesteld dat de lengtemaat van schip en

koor rond de 33 meter ligt en dat dit cijfer redelijk correspondeert met de opgaven uit 1706 en 1810. Deze maat komt ook overeen met de afstand van het nog bestaande torenrestant en de nog bestaande graven in het voormalige koor. Echter de breedten van

NUMMER 49 OKTOBER 2019

het schip en koor wijken aanzienlijk af van die in de beide oudere opgaven: de breedte van het schip bedraagt 12,50 meter en de breedte van het koor 10,59 meter. Kennelijk heeft men bij de inrichting van de begraafplaats weliswaar de contour van de kerk gebruikt, maar het aantal uit te geven graven in koor en schip vergroot door uit te breiden in de breedte. Zo is bij het koor het graf van Isaack Schalij uit 1844 (nr. 3 op afbeelding 6 onder) bij het koor gevoegd, terwijl dit oorspronkelijk buiten het koor lag; in deze strook van ca. 0,66 meter zijn dan ook nog muurresten van de kerk te verwachten. De nu nog aanwezige graven van Nicolaas de Malapert uit 1615 en Adriaan de Waal van Vronestein uit ca. 156236 (nummers 1 en 2 op afbeelding 6 onder) vallen binnen de contour van het koor en hebben tegen de noord- en zuidzijde van de gevels gelegen.37 Gesteld kan worden, dat na de sloop van de kerk aanvankelijk werd begraven binnen de contour van het intussen verdwenen gebouw en dat een aantal graven uit de kerk tot op de dag van vandaag op hun oorspronkelijk plaats zijn blijven liggen. Zeer waarschijnlijk heeft men na de sloop de funderingen van het gebouw grotendeels laten zitten. In 1875 wordt de begraafplaats aan de zuidzijde uitgebreid (zie afbeelding 7). Uit het bestek blijkt dat hiertoe eerst 30 cm van de bovengrond wordt ontgraven en opzijgezet, waarna het terrein vanaf de top van de terp 7 meter in zuidelijke richting wordt opgehoogd met Lekzand. Hierna zijn de verwijderde grond en graszoden teruggeplaatst. Daarnaast zijn een structuur van grindpaden aangelegd, een knekelput gegraven, het baarhuisje uitgebreid met knekelhuis en asputten ĂŠn wordt het huidige toegangshek geplaatst.38 De nieuwe aanleg is naar ontwerp van de architect D. van de Werf. Door de uitbreiding verdwijnt de enigszins ovale vorm van de kerkplaats en wordt het talud aan de zuidzijde steiler (zie afbeelding 7). De opzet van de huidige begraafplaats is hierop in grote lijnen al te herkennen.

6 - De schets van 1860 en de projectie hiervan op de huidige ondergrond. Op de huidige situatie zijn de grafstenen van Nicolaas de Malapert (1), van Adriaan de Waal van Vronestein (2) en het graf van Isaack Schalij (3) aangegeven. 14

In 1956 wordt het baarhuisje opgeknapt, waarbij het knekelhuis uit 1875 wordt afgebroken, het metselwerk wordt hersteld en de toegang aan de oostzijde wordt gewijzigd.39 In 1965 worden er plannen gemaakt om de begraafplaats in zuidelijke richting uit


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

getracht worden een reconstructie en fasering van de kerk te maken. Hierbij zullen eerst de maatvoering en de verschillende bouwdelen beschreven worden.

Bron: HUA, oud archief Jutphaas

De maatvoering van de plattegrond van de kerk Ten aanzien van de verschijningsvorm van de voormalige kerk bestaan veel onduidelijkheden. In de bestaande literatuur is meestal sprake van een kerk (schip en koor) met een lengte van 20 meter en een breedte van 8 meter.40 Deze maten zijn gebaseerd op een beschrijving van de kerk in 1947 door Rientjes en Böcker.41 Zij gaan hierbij waarschijnlijk uit van de Rijnlandse voet van 0,314 meter. In 1810 werd in Jutphaas echter de Utrechtse voet gehanteerd, die aanzienlijk kleiner was dan de Rijnlandse, namelijk slechts 0,265 meter. Daarnaast lijkt het erop dat zij alleen de maten van schip weergeven in plaats van de in de tekst genoemde maat van schip en koor.

7-D  e bestektekening uit 1875. Tabel van de opmeting uit 2018 in vergelijking met eerdere opmetingen. lengte schip

breedte schip

lengte koor

breedte koor

schip en koor (lengte)

lengte breedte transept- transeptarm (zijde arm koor)

1706 voet

98,5

31,2

28

27

meter

26,1

8,26

7,42

7,15

33,52

24,4

23,5

6,46

6,23

1810 voet

96

31

28

26¼

meter

25,44

8,21

7,42

6,95

32,86

25,70

12,50

8,50

10,59

33

6,40

6,30

25,23

8,2

7,7

7

33

6,4

6,23

23,5 6,23

23 6,1

1860 meter 2018 meter

te breiden. De plannen gaan uiteindelijk niet door. Wel wordt de padenstructuur in het centrale deel gewijzigd. Op de kaart is ook te zien dat de begraafplaats na 1875 uitgebreid is in westelijke en noordwestelijke richting (zie afbeelding 6 onder).

Een poging tot reconstructie Aan de hand van geschreven bronnen, de genoemde afbeeldingen en mede op basis van de nog aanwezige graftekens in het voormalige koor en het nog bestaande torenrestant, zal in het onderstaande

In een publicatie van Schut uit 1995 is sprake van een (éénschepige) kerkzaal met een lengte van 30 meter en 9,50 meter breedte en een koor van 9 bij 8,50 meter, de totale lengte bedraagt dan 39 meter.42 De kerkbeschrijving uit 1947 en later is gebaseerd op notulen van de kerkenraad van de Nederlandse Hervormde Kerk van Jutphaas uit 1810.43 In alle gevallen is sprake van een onjuiste omrekening van voeten naar meters. Na raadpleging van de notulen uit 1810, en de opmeting uit 1706 blijkt er sprake te zijn van een andere maatvoering (zie tabel). Dit blijkt eveneens het geval te zijn als we beide bronnen met elkaar vergelijken. Zo zit er 0,66 meter verschil in lengte van het schip en 0,23 meter in de lengte van de transeptarmen. Een verklaring voor dit verschil is dat bij de opmeting van het gebouw in 1706 mogelijk is uitgegaan van de binnenmaten en in 1810 de buitenmaten. De muurdiktes van het gebouw zouden dan ca. 0,66 meter zijn geweest. Uit de literatuur is op te maken dat dergelijke kerken muurdiktes hadden tussen de 0,60 en 0,80 meter, hetgeen de veronderstelling onderbouwt.44 Het blijft echter vreemd dat bij beide opmetingen de lengtematen van het koor overeenkomen. De schets uit 1860 geeft echter genoeg referenties tot nameting in het veld en voor een betrouwbaardere reconstructie van de 15


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

stompe spits. Op al deze kaarten wordt het gebouw pictografisch weergegeven en is er geen accurate weergave van de kerk. Een tweede groep afbeeldingen vormen prenten en tekeningen; ook hierbij wordt het gebouw niet altijd betrouwbaar weergegeven. Dit verandert met een kopergravure van Hendrik Spilman uit 1744 (naar een tekening van Jan de Beijer), een anonieme tekening eveneens uit 1744 en een tekening van J.J. de Geer van Rijnhuizen uit 1777 (zie afbeelding 9).

8 - Reconstructie van de plattegrond van de kerk op de huidige begraafplaats. plattegrond op de bestaande begraafplaats (afbeelding 8). Uit de nameting blijkt dat een deel van de kerkcontour, met name die van het koor, nog intact is. Dit op basis van de ligging van een aantal grafzerken uit de oorspronkelijke kerk. Mogelijk zijn hier nog resten van het verder sinds 1820 verdwenen gebouw in de bodem aanwezig.

werk van de kerk is destijds tot onder het maaiveld gesloopt. Toekomstig archeologisch onderzoek kan meer uitsluitsel bieden over de opbouw van de fundering.

Bij de opmeting, die in 2018 is uitgevoerd door de auteur, is uitgegaan van muurdiktes van het opgaand werk (0,66 meter). De resultaten zijn verwerkt in bovenstaande tabel. Over de opbouw van de fundering zijn geen gegevens voorhanden. Het muur-

Vanaf 1626 wordt de kerk van Jutphaas afgebeeld op landmeetkaarten. Hierop wordt de kerk schematisch weergegeven als een oost-west georiĂŤnteerd gebouw met een spitse toren en transeptarmen. Op andere kaarten heeft de toren weer een

Het gebouw Naast geschreven bronnen bestaan er vanaf het 2e kwart van de 17e eeuw de nodige afbeeldingen van de kerk.

Op deze afbeeldingen zijn een in kern Romaanse kerk te zien (schip en priesterkoor), met de in 1407 toegevoegde gotische transeptarmen en een bakstenen toren met dichtgezette vensters. Tevens zijn tussen 1706 en 1708 het verlaagde schip en de toen gebouwde consistoriekamer te zien. Op de tekening van De Geer van Rijnhuizen is rechts van de kerk ook nog een huis te zien dat in de jaren zeventig van de 20e eeuw is gesloopt, maar dat nog voorkomt op oude foto`s. De drie afbeeldingen kunnen op verschillende gronden als tamelijk betrouwbaar worden beschouwd. Schip en koor Het oudste element dat op de afbeeldingen te herkennen is, is het priesterkoor, dat ten opzichte van het schip iets versmald is. Het koor heeft hierop een rechte sluiting met een rondvenster en is afgedekt met een stenen tongewelf. Of het koor altijd een rechte sluiting heeft gehad of een absidale sluiting heeft gehad, is onduidelijk, maar beide komen voor bij Romaanse dorpskerken in Nederland.45 De gevelvlakken bestaan uit twee traveeĂŤn met lisenen, die met elkaar zijn verbonden door een rondboogfries. Dergelijke rondboogfriezen zien we ook bij

9a, 9b, 9c - V  an links naar rechts. De kopergravure van Hendrik Spilman (particuliere collectie), een anonieme tekening uit 1744 (bron: Rijksmuseum het Catharijneconvent) en de tekening van J.J. de Geer van Rijnhuizen uit 1777 (bron: Het Utrechts Archief). 16


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

de kerk van Doorn, die in de 12e eeuw wordt gedateerd.46

10a, 10b - Het Romaanse priesterkoor; links op de kopergravure van Spilman en rechts in een doorsnede op de opmeting uit 1706.

11a, 11b - Links het koor van de kerk in Doorn (foto: auteur); de vensters zijn in de jaren ‘30 verdubbeld; rechts het koor van de kerk van Jutphaas op de kopergravure van Spilman (1744).

12a, 12b - Links het restant van de toren in de jaren vijftig van de 20e eeuw; rechts de toren op de kopergravure van Spilman uit 1744.

Het schip is voorzien van een houten, vlakke zoldering en het koor van een stenen tongewelf.47 De gevelvlakken van het schip bestaan van oorsprong uit vijf traveeën, in 1407 worden twee traveeën benut voor de bouw van de gotische transeptarmen. In de traveeën zaten van oorsprong vijf rondboogvensters. In de noordgevel bevindt zich in de tweede travee vanuit het westen een kleine doorgang onder één van de rondboogvensters. Een dergelijke ingang zien we vaker bij kerken uit de 12e eeuw, zoals bij de dorpskerken van Wadenoijen, Oosterland en Doorn. De doorgang wordt dan ook gezien als de Romaanse toegang, voor de bouw van de toren. Uit geschreven bronnen is bekend dat zowel het priesterkoor als het schip was opgebouwd uit tufsteen.48 Op de afbeeldingen 9 en 11 is een verlaagd schip te zien, waarvan het tufsteenwerk tussen 1706 en 1708 is vervangen door baksteen.49 Analoog aan nog bestaande gebouwen zoals de Maartenskerk in Doorn en de afwerking van het priesterkoor mag aangenomen worden dat de muurvlakken van oorsprong ook afgewerkt waren met lisenen en rondboogfriezen. De toren Uit historische bronnen is bekend dat de toren een hoogte had van 22 meter.50 Uit tekeningen van Spilman en De Geer van Rijnhuizen (zie afbeeldingen 9 en 12b) is af te leiden dat de toren drie geledingen heeft, met op de eerste verdieping blindnissen en op de tweede verdieping galmgaten. Aan de zijde van het koor is op de verdieping een dichtzetting te zien: de voormalige toegang tot de kerkzolder boven het schip, die in 1407 - en opnieuw tussen 1706 en 1708 - is verlaagd. Zowel de nissen als de galmgaten hebben een afgeronde sluiting. Uit historische bronnen blijkt dat de spits van de toren meerdere malen vernieuwd is, over de oorspronkelijke vorm vallen dan ook geen uitspraken te doen. Het nu nog bestaande torenrestant (thans baarhuisje) heeft afmetingen van 5,2 bij 5,65 meter en is opgetrokken uit baksteen met formaten van 29/31 bij 13/14 bij 6,5/7 cm, heeft een tienlagenmaat van 81 cm en is gemetseld in wildverband. Op basis van de baksteenformaten en het metselverband 17


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

tweede pastorie gebouwd. Dit is de huidige Oude Pastorie, die nog bouwdelen uit deze periode bevat. Consistoriekamer Voor zover bekend wordt als laatste onderdeel tussen 1706 en 1708 tegen de noordgevel van het koor een consistoriekamer gebouwd. Het gaat om een kleine rechthoekige, eenlaagse aanbouw met lezenaarsdak, waarvan de maten bij benadering 3,50 bij 4 meter zijn. Aan de oostzijde bevond zich een klein raam.

13a, 13b - D  e noordelijke transeptarm op de afbeeldingen van Spilman (l) en de Geer van Rijnhuizen (r).

14 - Gereconstrueerde fasekaart van het kerkgebouw met in zwart het 12e-eeuwse deel, in blauw de toren uit het einde van de 13e of vroege 14e eeuw, in rood de 15e-eeuwse transeptarmen en in geel de 18e-eeuwse consistoriekamer (R. van der Mark). is het torenrestant te dateren in de 13e of vroege 14e eeuw.51 Op de begane grond bevindt zich aan de westzijde van oudsher de toegang, die thans nog aanwezig is. De toegang bestaat uit een rondboog met drie naar binnen toe verspringende bogen. Dit is een laatromans kenmerk, dat te dateren is in het einde van de 13e of vroege 14e eeuw. In het interieur bevindt zich aan de aan noordzijde een kaarsnis. De transeptarmen 18

In de 1407 krijgt Jutphaas een tweede pastoor. Naast ene Albert Coper is dat Arent van Rijn. Onder leiding van beide pastoors wordt het schip van de kerk met twee transeptarmen in gotische stijl uitgebreid.52 Hierdoor ontstaat een kruisvormige plattegrond met transeptarmen van 6,46 meter lang en 6,23 meter breed. Om deze nieuwe bouwdelen te laten aansluiten op de rest van de kerk wordt het muurwerk van het schip aangepast en krijgt het schip een vlakke zoldering en wordt het schilddak vervangen. Tevens wordt voor Arent van Rijn, aan de noordzijde van het Kerkveld een

Fasering Op grond van het bovenstaande kunnen vier hoofdbouwfasen in het kerkgebouw worden onderscheiden (zie afbeelding 14): •  Fase 1 bestaat uit een Romaans zaalkerkje, bestaande uit schip en oostelijk hiervan gelegen priesterkoor, beide vermoedelijk daterend uit de late 11e of eerste helft van de 12e eeuw. •  Fase 2 bestaat uit de toevoeging van de toren aan het einde van de 13e of in de vroege 14e eeuw. Deze eveneens in Romaanse trant gebouwde toren is aangebouwd aan het westeinde van het schip. •  Fase 3 dateert uit 1407, als de in gotische trant uitgevoerde transeptarmen worden toegevoegd en het schip wordt verlaagd. •  Fase 4 dateert tussen 1706 en 1708, wanneer het tufsteenwerk van het schip wordt vervangen door baksteen, de kerkzolder van het schip wederom wordt verlaagd en een consistoriekamer wordt gebouwd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat deze fasen vooraf zijn gegaan aan een houtbouwfase, maar toekomstig archeologisch onderzoek zou hierin mogelijk uitsluitsel kunnen geven. Conclusie en besluit Bovenstaand onderzoek geeft de bouwstenen voor een reconstructie van de kerk waarbij een ander beeld ontstaat van de kerk en begraafplaats dan bekend is uit de bestaande literatuur. Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat het niet aannemelijk is dat de kerk van Jutphaas is gesticht in de vroege middeleeuwen. Zowel archeologische als historische data maken het aannemelijk dat de kerk zeer waarschijnlijk is gesticht in


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

zichtbaarder wordt en zo een hogere belevingswaarde krijgt. Het is wenselijk dat bij het ruimen van graven en de herinrichting archeologische begeleiding plaatsvindt om zo de archeologische waarden van de begraafplaats nader de preciseren.

15 - Een deel van de begraafplaats vanuit het oosten (voormalig koor) gezien, met op de achtergrond het torenrestant (foto: Hulsman en Hulsman). de late 11e of eerste helft van de 12e eeuw. De eerder veronderstelde middeleeuwse omgrachting blijkt in de 19e eeuw te zijn aangelegd. Er kan dan ook gesteld worden dat de redengevende omschrijving van het archeologische monument niet correct is en dat aanvullend archeologisch onderzoek wenselijk is om de aard te bepalen van wat nu als monument beschermd wordt. Ook is de ligging van de kerk ten opzichte van de huidige begraafplaats te bepalen (zie afbeelding 8). De oudste grafstenen bevinden zich hoofdzakelijk in het oosten en zuidoosten van de begraafplaats. Het is hierbij aannemelijk gemaakt dat een deel van de graven nog dateert uit de tijd dat het kerk-

gebouw nog bestond en als zodanig functioneerde. Deze graven hebben een oost-west oriëntering en zijn in meerderheid gelegen in het voormalige koor; één van die oude graven is gelegen in het schip en één ligt buiten de contour van de voormalige kerk. Hieruit blijkt dat in het bijzonder delen van het koor, de transeptarmen en een klein deel van het schip niet zijn vergraven door jongere graven. Hier kunnen derhalve nog delen van de kerk aanwezig zijn. Het verdient aanbeveling dat bij de voorgenomen herinrichting van de begraafplaats, delen van de plattegrond van de kerk in enige vorm te visualiseren, zodat het historische karakter van dit Rijksmonument

Gebruikte literatuur -  Rientjes, A.E. & J.G. Böcker, J. G. 1947; Het Kerspel Jutfaas, Utrecht. -  Boer, E.A.M. de & R. van der Mark 2018; Gemeente Nieuwegein. Begraafplaats Kerkveld te Jutphaas Archeologisch bureauonderzoek, ’s-Hertogenbosch (BAAC Rapport V-17.0291). -  Boer, E.A.M. de, 2017; Gemeente Nieuwegein. Plangebied Kerkveld 63 te Jutphaas. Archeologisch bureauonderzoek, `s-Hertogenbosch (BAAC rapport V-17.0056). -  Dekker, C. 1985; Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen. Een institutioneel-geografische studie, Utrecht -  Dekker, C. P. Maarschalkerweerd, Philip en J. M. van Winter, 1997; Geschiedenis van de provincie Utrecht tot 1528 Utrecht. -  Fafianie, A.M., R.E.T.M. Rijntjes & M.P. van der Wiel, 2002; Nieuwegein. Geschiedenis en architectuur. Monumenten-inventarisatie provincie Utrecht, Zeist. -  Geer van Rijnhuizen, J.J. de, 1847; Over eene tufsteenen doodkist in 1846 te Jutphaas gevonden. In: Algemeene Konsten Letterbode voor het jaar 1847, deel I (pp. 274-278). -  Haren, M. van, 2011; Toekomstvisie begraafplaats Kerkveld gemeente Nieuwegein. Genius Loci Begraafplaatsadviseurs, z.p. -  Hartog, den E., 2002; De oudste kerken van Holland - Van kerstening tot 1300. Utrecht. -  Historische Kring Nieuwegein, 1983; Jutphaas … Verleden Tijd, , Nieuwegein. -  Hulsman en Hulsman 2011. Algemene begraafplaats Jutphaas. Gemeente Nieuwegein inventarisatierapport. Nieuwerkerk a/d IJssel. -  Mark, R. van der, 1998; Utrecht HOV tracé binnenstad. In: Archeologische kroniek provincie Utrecht 1998-1999 p. 111-115. -  Mark, R. van der, 2017; Onderzoeksvoorstel - Plan van Aanpak. Archeologisch Bureauonderzoek. Begraafplaats Kerkveld te Nieuwegein. s`Hertogenbosch. 19


VITRUVIUS

-  Numan, A.M., 2005; Noord-Hollandse kerken en kapellen in de Middeleeuwen, ca. 720-1200. Zutphen. -  Schut, J. 1995; Vier eeuwen geschiedenis van de ‘Dorpskerk’ in Jutphaas, Nieuwegein -  Wezel, G. van, (red) 2015; De Sint-Maartenskerk te Doorn. Vroeg renaissancemonument, bouwsculptuur en bouwgeschiedenis, Amsterdam Geraadpleegde websites -  AHN2, Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Te raadplegen via ArcGIS Online, http://www.arcgis.com, april 2017. -  ARCHISIII, het archeologisch registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, http://zoeken.cultureelerfgoed.nl, april 2017. -  Kadasterkaart (minuutplan en OAT), 1811-1832, te raadplegen via Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl. Geraadpleegde Archieven: -  HUA, oud archief Jutphaas inv 2776. -  HUA, archief Jutphaas 1930-1970, Inv 755. -  HUA, archief van de Hervormde gemeente van Jutphaas. -  HUA, archief 0068 familie de Geer van Jutphaas 769. -  HUA, archief 442 Rooms-katholieke parochie Jutphaas Invnr.43. -  HUA, Arnoldus Buchelius, Monumenta passim in templis ac monasteriis Trajectinae urbis atque agri inventa. -  ARA, archief 4 HZF archief van kaarten van de familie Heereman van Zuydtwijck. -  ARA, archief 125 Hervormde gemeente van Jutphaas. Noten 1  Met dank aan B.J. Damstra, Werkgroep Cultuurhistorie Historische Kring Nieuwegein. 2  Hulsman en Hulsman 2011. 3  (monumentnr. 924). 4  Algemene Konst en Letterbode 1820 en Rientjes en Böcker 1947, 8. 5  A R C H I S - z a a k i d e n t i f i c a t i e n r. 2905554100, 2905587100, 2893753100, 2905562100 en 3264984100. 6  van der Mark 1998, 111. 7  AHN2 2018. 20

 De Boer en van der Mark 2018, 27.  NA Archief van de Hervormde gemeente van Jutphaas invnr.125. 10  HUA, oud archief Jutphaas Invnr.2776. 11  De Boer en van der Mark 2018, 27. 12  ARA, archief van de Hervormde gemeente van Jutphaas invnr.125. 13  ARA, archief van de Hervormde gemeente van Jutphaas invnr.125. 14  HUA, archief 1603 Gemeente Jutphaas 1930-1970, Invnr.755a. 15  Dit betreft het Overeind en Oost Nedereind Dekker 1985, 257. 16  Fafiani, Rijntjes en van der Wiel 2002,46. 17  Schut 1995, 30. 18 Dekker 1997, 302. 19  Rientjes en Böcker 1947, 3. 20  Dekker 1997, 302. 21  Rientjes en Böcker 1947, 5. 22  HUA, archief 442 Rooms-katholieke parochie Jutphaas Invnr.43. 23  HUA, Archief 0068 familie de Geer van Jutphaas invnr.769. 24  Deze was gevolmachtigd door zijn broer Willem die als heer van Rijnhuizen het patronaatsrecht van de kerk van Jutphaas in handen had en hierdoor mede verantwoordelijk was voor het onderhoud van de kerk. 25  Pieter de Malapert (1655-1734) was ambachtsheer van het Overeind en Nedereind van Jutphaas. 26  HUA Archief 1601 Gemeente Jutphaas Dorpsbestuur invnr.490. 27  HUA Archief 1601 Gemeente Jutphaas Dorpsbestuur invnr.496. 28  HUA Archief 0068 familie de Geer van Jutphaas invnr.769. 29  HUA Archief 1601 Gemeente Jutphaas Dorpsbestuur invnr.496. 30  HUA Archief 0068 familie de Geer van Jutphaas invnr.769. 31  HUA Archief van de Hervormde gemeente van Jutphaas invnr.500, ongenummerd. 32  NA Archief van de Hervormde gemeente van Jutphaas invnr.107. 33  HUA, Archief 1602 Gemeente Jutphaas Dorpsbestuur Invnr.3900. 34  HUA, Archief 1602 Gemeente Jutphaas Dorpsbestuur invnr.3900. 35  De noord-zuid georiënteerde stenen (rood op afbeelding 6 onder) betreffen toegangsstenen van oost-west georiënteerde grafkelders. 36  Dit graf is in 1610 overgebracht vanuit de Buurkerk in Utrecht naar de Kerk in Jutphaas. 8 9

NUMMER 49 OKTOBER 2019

 HUA, Arnoldus Buchelius, Monumenta passim in templis ac monasteriis Trajectinae urbis atque agri inventa. Fol.150-271. 38  HUA, oud archief Jutphaas Invnr.2776. 39  HUA, archief Jutphaas 1930-1970, Invnr.755. 40  Rientjes en Böcker 1947, 10, Historische Kring Nieuwegein 1983, 79 en Fafianie, Rijntjes en van der Wiel, 2002. 41  Rientjes en Böcker 1947, 10. 42  Schut 1995, 41. Uitgaande van een Utrechtse stadvoet uit 1629 hier is één voet 0,265 meter bij een Utrechtse landmaat (0,376 meter) zou de kerk voor een deel in het talud van de terp vallen. De verwarring is zeer waarschijnlijk ontstaan doordat bij het omrekenen van voeten naar meters is uitgegaan van een Rijnlandse voet, die ongeveer gelijkstaat aan de Utrechtse landmaat. 43  Er wordt abusievelijk het jaar 1809 genoemd, terwijl het in werkelijkheid om de notulen van 1810 gaat. 44  Numan 2006, 64-70 Den Hartog 2002, 57, 179. 45  Numan 2006, 90, Den Hartog 2002. 46  Van Wezel 2002.119-142. 47  Dit blijkt uit de opmeting uit 1706 en de kerknotulen van 1810. 48  Rientjes en Böcker 1947, 10, Schut 1995, 40. 49  HUA Archief 0068 familie de Geer van Jutphaas invnr.769 50  HUA Archief 1601 Gemeente Jutphaas Dorpsbestuur invnr.496. 51  Gebaseerd op de baksteenchronologie, die J. van de Hoeve en H. Hundertmark hebben ontwikkeld voor de gemeente Utrecht. 52  Rientjes en Böcker 1947, 5. 37


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

Frits Niemeijer Historisch-geograaf

Het moet zo’n vijfentwintig jaar geleden zijn dat een grote schoonmaak plaatsvond op de zolders en in de kelders en magazijnen van verschillende (semi-) overheidsgebouwen. Gesteund door de in 1995 van kracht geworden Archiefwet, zagen het Rijk, de provincies, universiteiten, waterschappen, enz. een kans van vele tientallen kilometers zelden of nooit geraadpleegde materialen af te komen. Er was geen bewaarplicht voor verschillende typen documenten en waar die impliciet wél bestond, moest onderling overleg tussen beheerders van archiefbewaarplaatsen leiden tot zodanige selectie dat op verantwoorde manier werd omgegaan met het materiaal. In de praktijk ging het anders en is veel – al dan niet uniek - materiaal in de papiervernietiging terechtgekomen. Waaronder, naar verluidt, de originele bouwtekeningen van de poldermolens van Werelderfgoed Kinderdijk. Die lagen in de kelders van het Provinciehuis van Zuid-Holland en zijn vermoedelijk - tegelijk met duizenden andere documenten en boeken – in rolcontainers naar verbrandingsovens afgevoerd. Plank na plank, stelling na stelling. De opschoning is grotendeels uitgevoerd door mensen die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig waren en de cultuur niet kenden. Het valt hen niet te verwijten dat ze hun opdracht blindelings hebben uitgevoerd: ‘leegmaken die kelder’. Bij verschillende ministeries ging het korte tijd daarna niet veel anders: behalve archieven verdwenen er hele magazijnen van hun bibliotheken in de containers. Alleen enkele ‘sneupers’ wisten er nog wel eens iets van hun gading uit te halen. De actuele ‘bibliotheken’ van verschillende ministeries bevatten nu alleen wat kranten en onbenullige tijdschriften voor tijdens de lunch. Een ander voorbeeld: de bibliotheek van T.U.

Verslagen aan den Koning en de Koningin over de Openbare Werken

Delft schiftte het materiaal dat ze de studenten en het wetenschappelijk personeel wilde voorzetten. Ze deed hierbij toen onder meer een vrijwel complete reeks ‘Verslagen aan den Koning over de Openbare Werken’ van de hand: d.w.z. een serie gedrukte, soms uiterst gedetailleerde overzichten van verrichtingen die in ons land hadden plaatsgevonden in het voorafgaande jaar. De reeks begint in 1850 en loopt door tot ver na de Tweede Wereldoorlog. De weggegooide exemplaren omvatten bijna alle jaren van de periode 1850-1940. Ik heb ze twee jaar mogen lenen; wat ermee is gebeurd nadat ik ze heb geretourneerd naar degene die ze ooit uit de container haalde en heeft veiliggesteld, is mij niet bekend. Ik hoop dat hij of zij ze heeft bewaard of er een goed huis voor heeft gevonden. En anders houd ik me aanbevolen. Aanleiding voor dit korte artikeltje is het feit dat een klein gedeelte van de reeks inmiddels systematisch openbaar is gemaakt. Het gaat om de jaren 1930 t/m 1949, die door ons eigen ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) zijn gedigitaliseerd. Kennelijk hebben ze ergens nog wat exemplaren gevonden of boven water gekregen. Dat is in elk geval een mooi begin, maar het schreeuwt om meer – om niet te zeggen om completering. Een aantal oudere delen is eveneens digitaal beschikbaar, maar dit is meestal via andere (soms buitenlandse) kanalen. Alle banden bevatten schatten aan bronmateriaal, dat helaas slechts spaarzaam wordt benut. Onder meer architectuur- en economisch-historici, historisch-geografen en uiteraard allen die zich bezig houden met het cultuurlandschap van de laatste anderhalve eeuw – en dit in de breedste betekenis – zouden kennis moe-

1 -  Het allereerste Verslag over de Openbare Werken, met de jaren 1850 tot 1853 ten nemen van de mogelijkheden die de boeken bieden. Incomplete reeksen zijn hier en daar beschikbaar; helaas zijn de mogelijkheden om ze te completeren na 1995 niet of onvoldoende benut.

In het volgende nummer van Vitruvius zal meer uitgebreid worden ingegaan op de reeks ‘Verslagen aan den Koning [en de Koningin] over de Openbare Werken’.

21


VITRUVIUS

Naar aanleiding van de schenking van het Bredase deel van Clemens’ oeuvre heeft het museum een tentoonstelling gemaakt over zijn werk, die loopt tot en met 8 december 2019.1 Je staat hier oog in oog met de ingrijpende afbraakprocessen die de kunstenaar heeft vastgelegd van kerken van de architecten Cuypers2 en hun leerlingen, zowel in Breda als in zijn latere woonplaats Amsterdam. Maar ook het verdwenen landschap van Gageldonk bij Prinsenbeek (Breda) komt in beeld (afbeelding 5). Tijdens de voorbereiding zijn verrassende inzichten naar voren gekomen, die je onder meer kunt ontdekken via de tekstbordjes bij de tentoongestelde werken en in onderstaand stuk. Met bijdragen van Dingeman Kuilman, Linda Eversteijn en Peter van Dael maakt dit deel uit van de publicatie Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Verstilling en verandering | Stillness and change, die in de museumwinkel verkrijgbaar is.3

22

Clemens Merkelbach van Enkhuizen

Foto: Peter Cox.

In een periodiek als Vitruvius zijn we eraan gewend dat kenners aan het woord zijn als het gaat om verdwijnende landschappen en gebouwen. Maar soms zit je in een situatie waarin geen kenner te bespeuren was, omdat wat verdween buiten het blikveld van de waardering viel. En met hoeveel lawaai de sloop van gebouwen of het bouwrijp maken van een landschap op dat moment zelf ook gepaard ging, terugblikkend word je geconfronteerd met een geruisloze verdwijning. Als je geluk hebt zijn er anderen die zich wel realiseerden dat veranderingsprocessen ook verlies betekenen en soms zoveel verlies dat het proces in zijn tegendeel gaat verkeren. Van dat laatste was Clemens Merkelbach van Enkhuizen overtuigd, toen hij als aankomende kunstenaar observeerde wat er in zíjn Breda plaatsvond. Waar dat toe leidde kun je zien in Stedelijk Museum Breda.

Door het oog van de kunstenaar

1 - Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Sloop van de Barbarakathedraal van Pierre J.H. Cuypers, Contékrijt op papier – gewassen pentekening (1970). De Barbarakathedraal in stadium van ‘ontwording’: wat Monet doet in zijn reeks lichtimpressies van de kathedraal van Rouen, doet Clemens hier omgekeerd. Hij legt de instantanéité (‘ogenblikkelijkheid’) vast, terwijl het beeld steeds verder aftakelt, om uiteindelijk te verdwijnen. Clemens tekent de auto’s op de voorgrond als protest tegen een nietsontziende tijdsgeest met te veel haast om zich organisch te vernieuwen vanuit het verleden. Herkomst Stedelijk Museum Breda.

Foto: Peter Cox.

Bernadette van Hellenberg Hubar Erfgoedprofessional & schrijver vanhellenberghubar.org

NUMMER 49 OKTOBER 2019

2 - Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Kerkhof Prinsenbeek, Aquarel – Gewassen pentekening (1958). ‘Ik zag Van Goghs Cipressen en wilde zijn gevoel van Frankrijk overbrengen in mijn tekeningen en aquarellen van Gageldonk.’ Talloze keren heeft hij dit inmiddels verdwenen landschap vastgelegd, à la Monet vanuit één positie. Opnieuw zien we kleurtransposities en zelfs Cézanne komt even langs. Door een lage horizon geeft Clemens ‘zijn’ Mont Sainte Victoire weer. De hoog oprijzende kerk van Prinsenbeek is de eerste die hij tekent vanwege dreigende sloop. Herkomst Stedelijk Museum Breda.


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

Foto’s: Peter Cox.

3 - Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Priesterkoor van de Barbarakathedraal van Pierre J.H. Cuypers, Gewassen pentekening (1958). Een expressionistisch werkende kunstenaar drukt zijn gevoelens uit in het beeld dat hij weergeeft. Dat beeld werd betiteld als ‘stemmingsdrager’. Typerend zijn de bewust toegepaste vervormingen en vertekeningen in een zeer persoonlijk handschrift. Schots en scheef, in scherpe halen, anticipeert Clemens op het definitieve verdwijnen van het neogotische interieur van de Barbarakathedraal. Herkomst Stedelijk Museum Breda. Clemens in het licht Licht speelt in de wereld van Clemens Merkelbach van Enkhuizen een grote rol. Als kind al was hij gefascineerd door wat het licht met de kleuren deed van de glazen in de neogotische Barbarakathedraal, tegenover zijn ouderlijk huis: wisselende tinten, projecties van kleurbanen op de muren, de verdonkering als er een wolk voorschoof … licht. Zo jong als hij was, hoorde hij tot de weinige mensen die een kerk van Cuypers niet somber vond, maar ervoer als een verrassende caleidoscoop; een ‘droomwereld’ in de naoorlogse tijd (afbeelding 8).4 Toch waren er niet zoveel van die neogoten binnen de actieradius van de jonge Clemens. In het hart van de stad binnen de singels had je er drie: de kathedraal van Pierre J.H. Cuypers, en de Maria-Hemelvaart en de Josephkerk van zijn leerling J.J. van Langelaar; inmiddels

4 - Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Interieur Barbarakathedraal van Pierre J.H. Cuypers met het zicht vanuit de zijbeuk op de preekstoel (1958). Gewassen pentekening. Hier toont Clemens hoe je een kleurrijk en decoratief Cuypers-interieur - en zelfs de lichtinval door gebrandschilderde ramen - in zwart-wit kunt vangen. Het doorkijkje onder de spitse gewelfboog laat zien hoe het licht uit de hoge transeptvensters zich concentreert op de suggestief overbelichte preekstoel, en zich subtiel voortzet in de diagonale arcering van de pijler erachter. Het doorkijkje onder de bogen omlijst het beeld. Herkomst Stedelijk Museum Breda.

zijn ze allemaal verdwenen.5 De eerste twee gebouwen werden tijdens de sloop door de kunstenaar vastgelegd (afbeelding 1). Een van de andere kerken in afbraak die zijn schetsboek haalden, lag verder uit de buurt. Dat was de neogotische Lieve-Vrouw ten Hemelopneming van architect Pierre Stoffers in Prinsenbeek (afbeelding 2). De ‘schoenendoos’, zoals Clemens de vervangende nieuwbouw betitelde, blijkt mede door zijn uitmonstering achteraf een van de meest interessante wederopbouwkerken te zijn.6 Deze dialectiek geeft al aan dat Breda een breed scala aan kerkgebouwen kent en kende, waarin ook de experimenten van na 1900 - de christocentrische kerken uit het interbellum en de functionalistische ontwerpen uit de wederopbouw - vertegenwoordigd zijn.7 Maar die boeiden de aankomende

kunstenaar niet, ook niet toen hij inmiddels studeerde aan de Academie Sint-Joost. Bij hem lijkt de esthetische ervaring zo exclusief verbonden met die van de roomse liturgie in zang, gebed, beweging en gebaren in die ene kerk in Breda – zíjn kathedraal – dat alleen verwante gebouwen entree kregen (afbeelding 3 en 4). Het klinkt een beetje als een roman, de student aan de kunstacademie die gepokt en gemazeld was in de laatste vloedgolf van het ‘Rijke Roomse Leven’, daar zijn hart aan verpandde en dan mee moet maken hoe de getuigenissen ervan verdwijnen. La cathedrale engloutie (De verdronken kathedraal)8, maar dan niet slechts voor een etmaal, bij vloed, maar definitief … dat wil zeggen, als er niet de tekeningen van Clemens waren geweest! Gaat het hierbij om objectieve 23


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

Foto: Peter Cox.

die zin als de figuratieve tegenhanger van het minimalisme kunnen betitelen.

Foto: Peter van Dael.

5 - Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Gageldonk, Aquarel (1957). Op een bewolkte dag geeft de kunstenaar het agrarische landschap net voor de ‘ontwording’ met brede toetsen weer. De boerderij op de achtergrond krijgt een accent door de waslijn die volhangt met witgoed. Een apart detail zijn de blauw wapperende lakens die de vraag oproepen waar kleurtransposities beginnen en eindigen. Dat geldt ook voor het rood in de top van de bomen. Herkomst Stedelijk Museum Breda.

6 - Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Sloop van de Willibrordus buiten de Veste in Amsterdam, Gewassen pentekening (1970). De kerk was ontworpen door drie generaties architecten Cuypers. Sloop van dit soort gebouwen werd door katholieke kopstukken als Godfried Bomans onvermijdelijk, ja zelfs wenselijk geacht, omdat deze tijd van het katholicisme voorbij was (zie noot 16). De ‘ontwording’ startte bij de vieringtoren, waarvan de doorzichtige kegel is ontstaan door verwijdering van de dakbedekking. Collectie Clemens Merkelbach van Enkhuizen. registraties, zoals een bouwhistoricus vandaag de dag zou doen? Zeker niet. Er is al het nodige geschreven over het topografische werk van Clemens, waarbij als invloeden Breitner, Van Gogh en Canaletto worden genoemd.9 Door hen laat de kunstenaar zich 24

tot bepaalde technieken en kunstgrepen verleiden, want ook al was hij van jongs af aan wars van de moderne experimentele stromingen, Clemens stond open voor verwante geesten; hij vernieuwde zich binnen de vierkante meter van zijn metier. Je zou hem in

Geen objectieve registratie dus en dus wél subjectief? Het is ja en nee tegelijkertijd. Willen we het topografische oeuvre van Clemens positioneren, dan komen als vanzelf twee grote kunststromingen langs die op de tijdbalk normaal tussen 1875 en 1940 worden geplaatst: het impressionisme en het expressionisme. Ik zeg normaal, omdat er veel voor te zeggen valt dat de vlam van die stromingen nooit uitgedoofd is. Kijk maar naar het werk van Clemens. Het expressionisme krijgt al vroeg vat op de kunstenaar: twintig jaar oud raakt hij als rondleider betrokken bij de expositie van Van Goghs werk in Breda (1957), waar hij wordt geraakt door de kracht en felheid van deze man. Zijn invloed verraadt zich onder meer in de voorzichtige kleurtransposities die Clemens kort daarna in het landschap van Gageldonk en Prinsenbeek toepast (afbeelding 2 en 5).10 Wie weet had de Van Gogh-tentoonstelling daar voorbeelden van, zoals de beroemde blauwe wilgen, populieren of dennen. In de tekeningen van Clemens zien we het expressionisme verschijnen met even bewuste als gevoelsmatige vervormingen en vertekeningen, en een veelheid van verdwijnpunten van het perspectief; maar ook selectieve weglatingen die de toeschouwer zelf kan invullen. Vooral in de serie kerkgebouwen van voor en tijdens de sloop past hij deze kunstmiddelen toe, zoals bij Cuypers’ Maria Magdalenakerk in Amsterdam. Zonder het expressionisme op zich te benoemen, omschrijft Peter van Dael, die Clemens goed kent, hoe de kunstenaar tijdens het sloopproces ‘de gewijde ruimte’ meer en meer tot ‘een spookachtig hol’ zag degraderen: zo werd een ‘unheimisch aftakelingsproces vastgelegd in een aantal aangrijpende, soms angstaanjagende tekeningen’ (afbeelding 7).11 De objectieve registratie van de afbraak was daarin ver te zoeken, de uitdrukking van verdriet, woede en onmacht des te meer. Zoals Clemens zelf vertelde, brachten zijn levendige herinneringen een diepere gevoelslaag aan in zijn werk.12 Dwars door zijn boosheid heen zien we de kerk beetje bij beetje verdwijnen: engloutie in vergetelheid. Wat hij tekende, ging onherroepelijk voorbij, was nooit meer te beleven zoals voorheen en juist dat brengt ons bij het impressionisme. De vele, vele tekeningen en schilderijen van gebouwen, stadsgezichten, landschap-


VITRUVIUS

NUMMER 49 OKTOBER 2019

Een groter contrast met de slooptaferelen van Clemens lijkt haast niet denkbaar. Toch heb je hier te maken met twee kanten van dezelfde medaille: gaat het in het ene geval om een wordingsproces, in het andere geval gaat het om het tegenovergestelde. Wat Clemens doet, is in feite een variant van het hiervoor geschetste concept van de instantanéité van Monet. Ook hij tekent tijdens de sloop verschillende gebouwen, maar dan allemaal in een ander stadium van ‘ontwording’. Opvallend genoeg speelt in beide gevallen de kwestie van potentie: bij het vastleggen van telkens hetzelfde object gaat het vooral door de lichtval om iets wat nog niet bestond en ieder moment weer kan verdwijnen. En dat verdwijnen krijgt bij sloop het effect van het slinken van potentie. Iedere keer weer doet zich een pauze voor, want zodra Clemens het volgende stadium tekent, is er opnieuw potentie: idealiter kan het resterende gebouw op dat moment nog van alles worden.15 Maar dat wordt weer ingehaald door de volgende klap met de sloopkogel. Zo zet het ontworden door, totdat niets meer overblijft; hooguit nog de potentie van door Clemens geredde objecten of materialen die op een werf wachten op hergebruik. Nu hebben we het hier niet over een postmodern concept, maar over iets dat na 1879 onder invloed van het neothomisme binnen de rooms-katholieke kerk actueel was. Het gedachtegoed van de middeleeuwse theoloog Thomas van Aquino kreeg opnieuw een lei-

Foto: Peter van Dael.

pen, Clemens’ eigen tuin in Amsterdam, laten talloze herhalingen zien, waardoor de indruk ontstaat van seriematig werk. Clemens was daarin echter niet anders dan een van zijn andere grote voorbeelden: Monet, wiens haast bezeten fascinatie met licht hij deelde. Het licht dat altijd anders is, het licht dat zich nauwelijks vangen laat. In zijn tuin concentreert hij zich nauwgezet op de seizoenen en de lichtval en gaat telkens op dezelfde tijdstippen terug om het juiste licht te schilderen.13 Juist doordat dit voortdurend verandert, krijg je een kwantumachtig multiplicatie-effect: je schildert niet één gebouw, maar een hele serie gebouwen die ieder moment van aanzien veranderen. Monet verbond hieraan het begrip instantanéité (‘ogenblikkelijkheid’), dat hij op weergaloze wijze demonstreerde met de beroemde reeks van de kathedraal van Rouen. Die laat prachtig zien hoeveel verschillende gebouwen één kathedraal vormt op de verschillende momenten van de dag.14

7 - Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Sloop van de Maria Magdalenakerk in Amsterdam, 1966, Gewassen pentekening, 24 x 16 cm. Een eenzame figuur bij de pijler links beklimt de ladder, verloren tussen de nauwelijks identificeerbare debris. Met spaarzame, felle lijnen en donkere vlakken drukt de kunstenaar zijn woede en onmacht uit. Collectie Clemens Merkelbach van Enkhuizen. dende positie in de katholieke wetenschap en cultuur: de relatie tussen het zijn en het worden (potentie) heeft daarin een hoofdrol. Met name van Cuypers’ zoon, Joseph, weten we dat hij daarmee bezig was. Juist een van de kerken die Clemens op een uitgesproken manier in ontwording getekend heeft, de Willibrordus buiten de Veste (afbeelding 6) – ook wel de kathedraal van Amsterdam genoemd – droeg daar als een soort Unvollendete sporen van; onder meer in de vorm van rudimentaire en half afgemaakte kapitelen, vol potentie van voltooiing. Vrijwel iedereen denkt dat dit een werk van Cuypers senior is, maar het grootste deel is onder architectuur van diens zoon gebouwd, terwijl

de indrukwekkende vieringtoren weer van Josephs zoon is, eveneens Pierre geheten.16 Clemens was hiervan niet op de hoogte, niet alleen omdat het om recente inzichten gaat, maar ook omdat boekenwijsheid hem weinig boeit. Hij is ook geen theoreticus die op zijn kunstenaarschap reflecteert in woorden. Clemens is een beelddenker, wars van verbale constructies. Zoals ik vaker heb meegemaakt, weten beelddenkers kunst op andere manieren te vatten: noem het intuïtie, noem het herkenning, noem het de razendsnelle analyse van de samenstellende onderdelen van een kunstwerk, ze doorgronden dingen in vormen, zonder woorden. En vooral het 25


VITRUVIUS

tekenen, waarbij je niet níet kunt analyseren, bevordert zo’n proces. De context heeft daar in dit geval bij geholpen, omdat het kennen van Monet iemand al vatbaar maakt voor de meervoudige verschijningsvorm van een object. Bij de verdwenen kerken van de architecten Cuypers en hun school, of die nu in Breda lagen of Amsterdam, zou dit wel eens dat ene punt kunnen zijn waardoor Clemens het ontworden van een gebouw als geen ander vastlegt. Dat hij in zijn latere registraties de heftige gevoelsuitingen van voorheen sublimeert, doet daar niet aan af. Dan komen andere uitdrukkingsmiddelen naar voren, die in hun subtiliteit zeker zo sterk zijn, zoals Peter van Dael uitlegt bij de sloop van de Vincentiuskerk (1989).17 Als kunsthistorici zijn we nog maar net begonnen met het positioneren van oeuvres die niet tot die van de avant-garde behoren.18 Ook wij leren hierdoor opnieuw te kijken en ons gereedschap te ijken. Wat Clemens betreft, hebben Peter van Dael en Guus van den Hout zich al uitgesproken. Graag voeg ik met het bovenstaande verhaal het mijne daaraan toe door kunststromingen zoals het impressionisme en expressionisme te verlossen van het odium van gedateerdheid, de specifieke symbiose tussen die twee bij Clemens te benoemen en het type van de beelddenker onder de aandacht te brengen. Wie volgt! __________ Met dank aan Linda Eversteijn van DichtbijKunst.nl die mij betrok bij dit project. In dit verband heb ik zowel bovenstaand artikel geschreven als de tekstbordjes bij de tentoongestelde werken die geredigeerd zijn door Linda Eversteijn en Marie Baarspul. Onmisbare hulp daarbij kwam als altijd van mijn vennoot Marij Coenen die mijn teksten onder meer op leesbaarheid toetst. Mijn dank gaat verder uit naar Linda Eversteijn, Peter van Dael en Stedelijk Museum Breda voor het beeldmateriaal; en naar Wolthera.info voor de beeldbewerking. Bibliografie -  Dael, Peter van, ‘Amsterdamse negentiende-eeuwse kerken getekend door Clemens Merkelbach van Enkhuizen’, Bulletin van de Stichting Oude Hollandse Kerken 11, herfst 1980, pp. 3-19. -  Dael, Peter van, ‘Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Kunstenaar en verzamelaar’, Clemens Merkelbach van Enkhuizen. Verstilling en verandering | Stillness and change, CollectieLab, 19.2. 26

Breda: Stedelijk Museum Breda, 2019, pp. 21–27. -  Dael, Peter van, ‘Getekend afscheid van de St. Vincentiuskerk. Recent werk van Clemens Merkelbach van Enkhuizen’, Bulletin Stichting Museum Amstelkring/Ons’ Lieve Heer op Solder, 1989. -  Eversteijn, Linda, ‘Inleiding’, Clemens Merkelbach van Enkhuizen. Verstilling en verandering | Stillness and change, CollectieLab, 19.2. Breda: Stedelijk Museum Breda, 2019, pp. 5–17. -  Hout, Guus van den, ‘Clemens Merkelbach van Enkhuizen, portretschilder en topograaf ’, Bulletin Stichting Museum Amstelkring/Ons’ Lieve Heer op Solder 14, 1997, pp. 3–32. -  Hubar, Bernadette van Hellenberg, De nieuwe Bavo te Haarlem: Ad orientem - gericht op het oosten. Onder redactie van Marij Coenen. Zwolle: WBOOKS; Haarlem: Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, 2016. -  Hubar, Bernadette van Hellenberg, Angélique Friedrichs en G. W. C. van Wezel, De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum, Amersfoort-Zutphen: Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Walburg Pers, 2013. -  Hubar, Bernadette van Hellenberg, ‘Voor en na Vaticanum II in Prinsenbeek (1963)’, VanHellenbergHubar.org (blog), 2016: http://bit.ly/2fVUrAz. -  Leeuwen, A. J. C. (Wies) van, Pierre Cuypers, architect (1827-1921). Cultuurhistorische studies, Zwolle-Amersfoort/Zeist: Waanders, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, 2007. -  Wal, Joost de, Bernadette van Hellenberg Hubar en Wessel Stoker, Annemiek Punt: Monumentale glaskunst 19802017, Utrecht: Gebr. de Wal, 2017. -  Wagner, Anna, Clemens Merkelbach van Enkhuizen, Laren: Singer Museum, 1997. -  Wesselink, Herman, ‘Geoplaza Kerkenkaart (1800-1970)’, 2019: http://geoplaza. vu.nl/projects/kerken/. Noten 1  Zie de informatie op de site van het museum: http://bit.ly/2M4dUSq 2  Tegenwoordig spreken we van de architecten Cuypers, omdat inmiddels gebleken is dat zowel Pierre J.H. Cuypers en zijn zoon Joseph Th.J. Cuypers, als Joseph Th.J. Cuypers en diens zoon Pier-

NUMMER 49 OKTOBER 2019

re J.J.M. Cuypers op zo’n manier hebben samengewerkt dat van een dubbel of zelfs drievoudig auteurschap gesproken kan worden (zie noot 16). 3  Kuilman, Dingeman, Linda Eversteijn, Peter van Dael en Bernadette van Hellenberg Hubar. Clemens Merkelbach van Enkhuizen. Verstilling en verandering | Stillness and change. CollectieLab, 19.2. Breda: Stedelijk Museum Breda, 2019. 4  Door Linda Eversteijn opgetekend tijdens het gesprek met Clemens Merkelbach van Enkhuizen d.d. 31 mei 2019. 5  Voor een overzicht van (verdwenen) kerken in Breda zie Wesselink 2019 en het Wikipedia-lemma ‘Religieuze gebouwen in Breda’. 6  Hubar, ‘Voor en na Vaticanum II’ 2016. 7 Zie noot 3. 8  La cathédrale engloutie (De verdronken kathedraal), prelude van Claude Debussy op basis van de Bretonse legende van Ys (zie het gelijknamige Wikipedia-lemma). Tevens metafoor voor het lot van de Kerk, het verdwenen ‘Rijke Roomse Leven’ na de oorlog, zoals onder meer uitgedrukt door priester-kunstenaar Jean Adams; zie Hubar e.a. 2013, p. 444. 9  Zie de bijdrage van Peter van Dael in deze publicatie. 10  Bij kleurtransposities worden objecten in niet-realistische kleuren weergegeven, een typisch expressionistisch aspect: Hubar e.a. 2013, p. 401. 11  Zie Van Dael 1980 en Van Dael 2019. 12  Zie Linda Eversteijn 2019. 13  Door Linda Eversteijn opgetekend tijdens het gesprek met Clemens Merkelbach van Enkhuizen d.d. 31 mei 2019. 14  Voor – de invloed van – het concept van de instantanéité van Monet zie Hubar, De nieuwe Bavo 2016, p. 276. 15  Dit proces is prachtig te volgen in Van Dael 1989. 16  Voor de Sint-Willibrordus buiten de Veste en de Unvollendete: Hubar, De nieuwe Bavo 2016, pp. 46, 138-141, 147-149. Niemand treurde om het verlies van dit soort kerken: zie Van Leeuwen 2007, pp. 270-274, die onder meer de instemming aanhaalt van Godfried Bomans met het verdwijnen van Cuypers’ Barbarakathedraal in Breda. 17  Zie Van Dael 1989 aan het slot van zijn artikel. 18  Zie ook mijn bijdrage over glazenier Annemiek Punt in De Wal e.a. 2017.


VITRUVIUS

NUMMER 49

recent

OKTOBER 2019

Het logboek van de zeevaarder. AUTEUR

Huw Lewis-Jones UITGAVE

Omniboek D E TA I L S

Gebonden, 304 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-94-0191-592-2 PRIJS

€ 35,00

Kasteel Keukenhof: cultureel erfgoed in en om het kasteel. AUTEUR

Ignus Maes, Gerard Jaspers, Marten Hofstede UITGAVE

Uitgeverij Verloren D E TA I L S

Gebonden, 125 pagina’s, geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-8704-762-7 PRIJS

€ 15,00

D

it negende Jaarboek Kasteel Keukenhof belicht enkele aspecten van het cultureel erfgoed. Er zijn bijdragen over de historische behangsels in de salons, kamers en andere

Vernuftelingen en kooplieden in een bijzonder landschap - 450 jaar Zaanse industrie. AUTEURS

Jur Kingma UITGAVE

Uitgeverij Noord-Holland i.s.m. Vereniging Zaans Erfgoed D E TA I L S

Gebonden, 300 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-94-9233-513-5 PRIJS

€ 39,95

D

e Zaanstreek is een uniek gebied waar heden en verleden moeiteloos in elkaar overgaan.De streek is al 450 jaar een bonte mengelmoes van wonen en werken in een middeleeuws ontginningslandschap. Er is geen streek in

VERSCHENEN

I

n het prachtige vierkleurenboek “Het logboek van de zeevaarder’ neemt poolreiziger Huw Lewis-Jones ons mee op ontdekkingsreis. Aan de hand van originele logboeken, brieven en dagboeken volgen we de reizen van bekende kapiteins, maar ook van matrozen, scheepskoks, chirurgijns, kunstenaars en avonturiers. Kijk mee over de schouders van nautische ontdekkingsreizigers als Sir Francis Drake, Susan Veeder, Kumataro Ito en Willem de Velde. Met prachtige schetsen en tekeningen, essays van hedendaagse zeevaarders en een origineel voorwoord van zeezeiler Henk de Velde, die zes keer alleen de wereldzeeën bevoer. “Het logboek van de zeevaarder’ geeft inzicht in het genot en gevaar van een leven op zee.. n

ruimten van het kasteel en over de evacuatievan de schilderijencollectie tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Museum De Lakenhal te Leiden. Merkwaardigerwijze duurde het tot 2016 alvorens een fraai schilderij van Adriaen van der Werff (16591722) naar het kasteel terugkeerde. Voorts bevat dit Jaarboek een artikel over een dagboek van een tour die mogelijk Johan Steengracht maakte, de latere eigenaar van Keukenhof, in 1805 door Zwitserland. Het wordt bewaard in het huisarchief. De betovergrootvader van de laatste graaf schreef in een in de bibliotheek bewaarde statenbijbel een gezinskroniek, die in 1815 eindigt met de dood van zijn vrouw in het kraambed. Het Jaarboek bevat tevens een gedetailleerd verslag van de restauratie in 2017 van bouwdelen van de Hofboerderij uit 1643. n

de wereld waar je op zo weinig vierkante kilometers ruim vier eeuwen industriegeschiedenis kunt zien en beleven. Dit boek geeft antwoorden op de vragen hoe in een gebied met als enige natuurlijke hulpbronnen wind en water, het eerste plattelandsindustriegebied in Europa heeft kunnen ontstaan. Drie factoren zijn bij deze ontwikkeling van enorm belang geweest: de vernuftelingen - de molenmakers, de uitvinders, de ingenieurs en de technici - ; de kooplieden - die zich tot fabrikant en ondernemer ontwikkelen - ; en het landschap - de basis voor een verkeersinfrastructuur die steeds is aangepast. Deze factoren komen steeds terug in het boek. In de loop der jaren is industrieel erfgoed zelf een belangrijke economische factor geworden. De Zaanse industrie weet zich sinds de zestiende eeuw steeds te transformeren, waardoor zij levensvatbaar blijft en nog steeds bestaat. Industrie en industrieel erfgoed hebben tot op heden bijgedragen aan een nieuw bloei van de Zaanstreek. n

27


recent

VITRUVIUS NUMMER 49 OKTOBER 2019

VERSCHENEN

Kaartboeken van Amsterdam 1559-1703 AUTEUR

Marc Hameleers, Anne van Noord UITGAVE

THOTH D E TA I L S

Gebonden, 224 pagina’s, rijk geïllustreerd met ca. 225 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-773-6 PRIJS

€ 29,90 (na 19 oktober 2019: € 39,90)

N

a de in 2013 gepubliceerde boeken Kaarten van Amsterdam 1538-1865 en Kaarten van Amsterdam 1866-2012, verscheen in 2015 Gedetailleerde Kaarten van Amsterdam. Deze drie delen toonden een fraai topografisch overzicht van de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam door de eeuwen heen. In dit vierde deel, Kaartboeken van Amsterdam 15591703, staan de achttien kaartboeken centraal die het Stadsarchief Amsterdam bewaart. Ze tonen het landbezit van vijf instellingen in vroeger eeuwen en behoren tot de topstukken van het Amsterdamse culturele erfgoed. Samen omvatten

De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten. AUTEURS

Marieke van Delft, Reinder Storm, Peter van der Krogt, Marleen Smit, Bram Vannieuwenhuyze, Huibert Crijns UITGAVE

Lannoo

ze ruim zevenhonderd fraaie handgetekende en ingekleurde kaarten en tekeningen. Tussen 1559 en 1703 werden ze door onder andere het Burgerweeshuis, het Sint-Pietersgasthuis en het Leprozenhuis samengesteld. De landerijen die zij in bezit hadden werden verhuurd en met de pacht die dit opleverde, konden wezen en zieken worden verzorgd. Omdat de huur afhankelijk was van de oppervlakte, werden de percelen gemeten en getekend. Ze waren echter niet afdoende voor de rentmeester omdat niet ieder stuk land op zijn inningstochten te vinden was; sommige lagen wel vijftig kilometer buiten Amsterdam. Daarom werden de percelen op kaarten in hun omgeving gelokaliseerd. Juist die topografische informatie is voor de geschiedenis van het grootste belang. Vaak tonen ze de oudst bewaarde afbeeldingen die we kennen. Op de getekende kaarten staan buitenplaatsen, bastions, herbergen, molens, lakenramen, overtomen, begraafplaatsen, etc. Ook zien we tientallen dorpskerken buiten de hoofdstad. Enkele honderden kaarten en details worden in full colour afgebeeld en de geschiedenis ervan beschreven. n

en steden, de voormalige overzeese gebiedsdelen of het eeuwige gevecht van de Nederlanders met water. Er zijn kaarten die gaan over transport, economie, onderwijs, religie, vrije tijd of sport. Van het intrigerende verhaal van de haringvisserij in de zestiende eeuw, naar de ambitieuze uitbreiding van de Amsterdamse grachtengordel in de tweede helft van de zeventiende eeuw tot een kaart over het aantal kinderen tussen zes en twaalf dat in 1887 geen lager onderwijs genoot in Nederland.

D E TA I L S

Gebonden, 400 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-94-0145-907-5 PRIJS

€ 59,00

D

it boek vertelt de geschiedenis van Nederland aan de hand van honderd bijzondere historische kaarten. Van het oudste bekende Nederlandse kaartje uit 1307 over de bouw van een kerk in de Aardenburgse moer tot een van de eerste fietskaarten uit 1896 en een kaart van de stormvloed in 1953. De kaarten laten zien wat er in de loop der eeuwen is veranderd, maar tegelijk wat ongewijzigd is gebleven. Daardoor krijgt dit verhaal een heel bijzondere actualiteit: wij maken deel uit van die geschiedenis, elke dag. Uiteraard komen politieke omwentelingen en bestuurlijke ontwikkelingen aan bod, maar ook bijzondere gebouwen 28

Natuurlijk gaat dit boek ook over de cartografie zelf: befaamde kaartenmakers als Ortelius, Mercator en Blaeu komen aan bod, evenals P.R. Bos, de geestelijke vader van de befaamde Bosatlas. Al eeuwenlang maken zij kaarten om de wereld te verkennen, overzichtelijker te maken en beter te begrijpen. Het boek toont bovendien de grote rijkdom aan soorten kaarten: getekend met de hand, gedrukt op papier, perkament of textiel, in kleur of zwart-wit. Er zijn topografische kaarten, nieuwskaarten, gelegenheidskaarten, kaarten in atlassen, wandkaarten en infographics. Met hun soms uitbundige decoraties zijn ze bovendien een lust voor het oog. Het samenspel van prachtige illustraties en informatieve teksten maakt De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten verrassend en onweerstaanbaar boeiend. n


VITRUVIUS

NUMMER 49

recent

OKTOBER 2019

Oh ja! Alfabet van onze jeugd.

VERSCHENEN

vindingrijkheid. Met weinig middelen wisten mensen zich te redden en kinderen zich te vermaken. En hoewel vroeger lang niet altijd alles beter was, is praten en vertellen over vroeger vaak wel leuk. Zeker met leeftijdsgenoten onder elkaar. Spreek het toverwoord ‘Snoepje van de week’ uit of ‘King Corn’ en bij iedereen borrelt een stroom aan herinneringen op.

AUTEURS

Rob Krabben UITGAVE

WalburgPers D E TA I L S

Paperback, 192 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-94-6249-435-0 PRIJS

€ 19,99

W

ie werd geboren in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw weet wat het is om op zaterdag in de teil te gaan, om de kleren van oudere broers en zussen te moeten afdragen. Die weet wat ‘bussie-trap’ is of ‘slierten’. En dat je je fiets (als je die al had) of je step met een luciferdoosje, een knijper en een elastiekje kon laten klinken als een brommer. Of dat je door trouw drie bekers melk per dag te drinken lid kon worden van de Melkbrigade, wat je zelfs een insigne op de mouw van je jas bezorgde. Het was een tijd van schaarste en zuinigheid, maar ook van

Oh ja! is een verzameling (alfabetisch gerangschikte) herinneringen aan spelletjes, belevenissen, voorwerpen, levensmiddelen en nog veel meer zaken die het leven bepaalden in de jaren vijftig tot zeventig van de vorige eeuw. Een bron van inspiratie ook voor het eigen geheugen van de lezer: de ene herinnering roept de andere op. En dat levert gespreksstof op, want wat in de buurt van Rotterdam ‘bokkiespringen’ heette en elders ‘haasje-over’, hoe werd dat in Groningen of Limburg genoemd? En waren de regels van bordjebal overal hetzelfde? Met Oh ja! herbeleef je als lezer je jeugd, maar heb je ook een mooi hulpmiddel om kinderen en kleinkinderen te vertellen of te laten lezen over die moeilijke maar mooie jaren waarin een televisietoestel een bijzonderheid was en een telefoon nog gewoon in een hokje op straat stond. n

Kroniek van de Koninklijke Luchtmacht. AUTEUR

Jan Janssen, Rogier Koedijk UITGAVE

JEA D E TA I L S

Gebonden, 520 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-7002-498-7 PRIJS

€ 59,95

M

et de oprichting van de Luchtvaartafdeeling, als onderdeel van de Koninklijke Landmacht, wordt op 1 juli 1913 de kiem gelegd voor de Nederlandse militaire luchtvaart. De “aviatiek’ staat dan nog in de kinderschoenen, maar al snel is het luchtwapen niet meer weg te denken uit het krijgsbedrijf. Binnen enkele decennia ontwikkelt de legervliegdienst zich van een bescheiden hulpwapen tot een modern zelfstandig krijgsmachtdeel. Tegenwoordig geldt de Koninklijke Luchtmacht als een hoogtechnologische organisatie. Inmiddels is de introductie van een gevechtsvliegtuig van de zogenaamde vijfde generatie in volle gang: de F-35 Lightning II. Ook krijgt de luchtmacht onbemande vliegtuigen. En met de ontwikkeling van een

luchtmachtsatelliet is zelfs de ruimte als operatiedomein in het vizier. De mens in de luchtmacht blijft echter onmisbaar. De geschiedenis van de militaire luchtvaart is het verhaal van pioniers, van steeds weer nieuwe technologische innovaties, van een eigen cultuur en niet te vergeten van militaire operaties. De rijk geïllustreerde Kroniek van de Koninklijke Luchtmacht geeft – van dag tot dag – aan de hand van memorabele gebeurtenissen, zowel hoogtepunten als dieptepunten, een prikkelend en toegankelijk overzicht van de Nederlandse militaire luchtvaarthistorie. De luchtmacht en haar voorgangers in Nederland en Nederlands-Indië komen daarbij in de volle breedte aan bod. n

29


recent

VITRUVIUS NUMMER 49 OKTOBER 2019

VERSCHENEN

Pastoors, Kasteelheren, Maasboeren. parochieleven in Bokhoven.

650 Jaar

AUTEUR

Jac. Biemans, Frans van Gaal, Wies van Leeuwen, Kees van den Oord UITGAVE

Berneboek D E TA I L S

Gebonden, 256 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-90-8972-334-5 PRIJS

€ 35,00

O

p 23 maart 1369 gaf de prinsbisschop van Luik toestemming om de kapel van Bokhoven in een zelfstandige parochiekerk te veranderen. De 650-jarige kerk is onderwerp

Het Amsterdamse Bos - Een geschiedenis. AUTEUR

Sofia Dupon, Jouke van der Werf UITGAVE

THOTH D E TA I L S

Paperback met flappen, 112 pagina’s, 100 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-781-1

van een nieuw boek over deze uitzonderlijke parochie aan de Maas. Pastoors, Kasteelheren en Maasboeren spelen in de geschiedenis van dit dijkdorp eeuwenlang de hoofdrol. Vandaag zoeken stedelingen de rust op in het kerkdorp van circa 300 inwoners, zo’n zeven kilometer noordwestelijk van ‘s-Hertogenbosch. De rijke archieven bevatten een overvloed aan materiaal over de pastoor, het kerkbestuur, de broederschappen, het dorpsbestuur en de schepenbank. Het fraai vormgegeven boek is meer dan een kroniek. Het vertelt in beeldende taal over het verleden en geeft een beeld van de kracht en aantrekkelijkheid van Bokhoven nu. Het beantwoordt vragen: wat wordt de toekomst? Vluchtheuvel, buurthuis of buitenwijkje van ‘s-Hertogenbosch? n

van Cornelis van Eesteren en Jakoba Mulder baarde opzien in binnen- en buitenland. Uniek waren ook de omstandigheden waaronder het Bos tot stand kwam. In de moeilijke crisisjaren maakten de duizenden tewerkgestelde Amsterdammers de aanleg mogelijk. Vooral met de hand en tegen minimale vergoeding groeven zij de waterlopen, legden de drainage aan en wierpen oevers, heuvels en paden op.

PRIJS

€ 15,00

H

et is voorjaar 1934. In een modderige polder ten zuiden van Amsterdam gaat de eerste schep de grond in voor wat het grootste stadsbos ter wereld zou worden: het Amsterdamse Bos. In de decennia hierna groeide het Bosplan uit tot een uniek project. Het aanleggen van een bos in de polder was een technologisch hoogstandje en het moderne ontwerp

Het menselijk getij - Hoe demografie de moderne wereld heeft vormgegeven. AUTEURS

Paul Morland UITGAVE

Atlas D E TA I L S

Paperback, 440 pagina’s, ISBN 978-90-4503-707-3 PRIJS

€ 29,99

‘H

et menselijk getij’ van Paul Morland is het eerste populairwetenschappelijke

30

Het Amsterdamse Bos diende een sociaal doel: het moest ontspanning en natuurgenot bieden aan alle lagen van de Amsterdamse bevolking. Hiermee werd het Bos het eerste, grote recreatielandschap van Nederland. Hoe kwam dit megaproject tot stand? Welke ideeën lagen aan het ontwerp ten grondslag? En hoe ontwikkelde het zich van pril bosje tot volwaardig natuurgebied met ijsvogels, ringslangen, geiten en talloze andere plant- en diersoorten? Dit boek vertelt de verrassend rijke geschiedenis van 85 jaar Amsterdamse Bos. n

boek dat laat zien dat bevolkingsgroei en -krimp een cruciale factor zijn in bijna alle grote wereldwijde verschuivingen van de moderne tijd. Wat hebben de opkomst van het Britse Rijk, de machtsgreep van Hitler en de Arabische Lente met elkaar gemeen? In alle gevallen was er sprake van een bevolkingsexplosie die het mogelijk maakte een leger op te richten en nieuw land te veroveren en te bewonen, en van een interne markt die groeide als kool. Het belang van demografie kan moeilijk worden overschat. Elke ontwikkeling sinds de opkomst van de Industriële Revolutie kan erdoor worden verklaard. De originele geschiedenis van ‘Het menselijk getij’ biedt een eenvoudige doch briljante theorie om de politieke ontwikkelingen van de afgelopen tweehonderd jaar te verklaren: de macht van het getal. n


VITRUVIUS

NUMMER 49

recent

OKTOBER 2019

Atlas van het OER-IJ gebied.

kundigen op het terrein van aardkunde, archeologie, geologie, geschiedenis en natuur heeft meegewerkt aan deze uitgave. Prettig leesbare verhalen, geïllustreerd met uitzonderlijk mooie fotografie en historische landkaarten, waarop je niet raakt uitgekeken.

AUTEUR

Bert Buizer, Hans van Weenen, Piet Veel UITGAVE

Uitgeverij Noord-Holland

Er wordt in het boek uitgebreid ingegaan op alle facetten van de ontstaans- en bewoningsgeschiedenis. Ook de flora en fauna komen aan bod, want nergens in Nederland is de variatie aan landschappen in een regio zo groot als hier; kust, duinen, geestgronden, strandwallen, veenweides en polders. Allemaal dicht bij elkaar. Elk met een eigen karakter. De dynamiek van natuurgeweld heeft het landschap getekend, maar ook de mens heeft door de eeuwen heen zijn sporen nagelaten. Met het aanleggen van dijken, het in cultuur brengen van grond, het graven van kanalen, het aanleggen van buitenplaatsen, de bouw van militaire verdedigingswerken, het vestigen van bedrijven en het bouwen van huizen, veranderden zij het Oer-IJ-gebied blijvend van karakter. Dit boek brengt al die zaken voor het eerst bij elkaar. Samen vertellen ze een boeiend verhaal. Overzichtelijk en toegankelijk. Bedoeld voor iedereen die er woont, werkt of belangstelling heeft voor zijn omgeving. Wie deze Atlas van het Oer-IJ-gebied leest, zal voortaan met andere ogen om zich heen kijken en begrijpen waarom dit gebied serieuze aandacht, meer waardering, betere bescherming en een duurzaam beheer verdient. n

D E TA I L S

Genaaid gebonden in papieren band, 224 pagina’s, geheel in 4 kleuren, ISBN 978-94-9233-510-4 PRIJS

€ 39,95

I

n de uitgestrekte groene driehoek tussen Haarlem, Alkmaar en Zaanstad bevindt zich een bijzonder stuk Noord-Holland. Hier stroomde duizenden jaren geleden het Oer-IJ, een noordelijke tak van de Rijn die bij Castricum in zee uitmondde. Wind, water, getijdestromingen en opstuivend zand gaven het gebied vorm. Spontane plantengroei maakte het toegankelijk. Zodra er stukken land droogvielen, zijn de eerste bewoners er een bestaan gaan opbouwen. Voor wie dat weet, is ook vandaag de dag nog veel van die vroege geschiedenis in het landschap terug te zien. Door deze Atlas kan een breed publiek nu kennis nemen van de bijzondere kenmerken en unieke kwaliteiten van het Oer-IJ gebied. Een keur aan des-

De Tweede Wereldoorlog in infographics. AUTEURS

Jean Lopez, Nicolas Aubin, Nicolas Guillerat, Vincent Bernard Uitgeverij Boom / Nieuw Amsterdam

Paperback, 192 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-90-4682-494-8

D E TA I L S

PRIJS

€ 32,99

D

e hoeveelheid informatie over de Tweede Wereldoorlog is nog nooit zo groot geweest. Maar hoe documenteer

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. ABONNEMENTENINFO 4 nrs/p.jr.: Nederland Particulier € 50,-, incl. btw (Bedrijfsabonnementen € 60,-, ex. btw / België Particulier € 70,(Bedrijfsabonnenten € 80,-, ex. btw).

en interpreteer je al die gegevens? En: hoe maak je die toegankelijk voor een algemeen publiek? Een Frans team, bestaande uit een hoofdredacteur van een militair tijdschrift, een militair specialist, een hoogleraar geschiedenis en een vormgever van data, maakte dit volstrekt unieke boek. In meer dan 250 infographics met begeleidende teksten laten zij zien wat een infanteriedivisie is, hoe Operatie Barbarossa verliep, welke wapens door welke landen werden gebruikt, hoe de concentratiekampen functioneerden, welke verliezen Duitsland leed, en belichten ze nog zestig andere thema’s.

UITGAVE

VERSCHENEN

De Tweede Wereldoorlog in infographics geeft nieuwe informatie, legt verrassende verbanden en frist onze kennis op. Een overrompelend boek. n

REDACTIE Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H. Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. ir. G.A. Vreeze, dr. ir. N. de FREQUENTE BIJDRAGEN Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M.

© Copyrights Uitgeverij Educom Oktober 2019 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN: Uitgeverij Educom | Mathenesserlaan 347 | 3023 GB Rotterdam | Tel. 010-425 6544 | info@uitgeverijeducom.nl | www.uitgeverijeducom.nl


Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel eniging. Cultuurhistorie draagt bovendien sterk bij aan een gevoel van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius Oktober 2019  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur.

Vitruvius Oktober 2019  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur.