Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 12 | NUM M E R 45 | O KTOBER 2 0 1 8

ERFGOED IN NIEUW LAND

EEN NIEUWE KOERS VOOR ERFGOEDBELEID IN FLEVOLAND

DUINONTGINNINGEN

VAN OPDRACHT, VIA OBSESSIE NAAR ONTSPANNING - DEEL 3

VAN AUGUSTANAKERK NAAR AUGUSTANAHOF

CIRKELS KUNST EN REGELMAAT DE ARCHITECTEN CUYPERS EN HET VITRUVIANISME


colofon

VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland € 45.- /België € 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het factuurnummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn.

2

REDACTIE

Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H. Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. ir. G.A. Vreeze, ir. N. de FREQUENTE BIJDRAGEN

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M.

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom Oktober 2018 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

2018


JAARGANG 12 NUMMER 45 OKTOBER 2018

4 ERFGOED IN NIEUW LAND EEN NIEUWE KOERS VOOR ERFGOEDBELEID IN FLEVOLAND

8

14 DUINONTGINNINGEN VAN OPDRACHT, VIA OBSESSIE NAAR ONTSPANNING - DEEL 3

VAN AUGUSTANAKERK NAAR AUGUSTANAHOF

CIRKELS KUNST EN REGELMAAT

18

DE ARCHITECTEN CUYPERS EN HET VITRUVIANISME EN VERDER: Een unieke plek tussen land en water:voormalig eiland in NO-polder 13 | Voor u gelezen 28 | Recent 30 | Klassiekers met ezelsoren 33

3


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

Erfgoed in nieuw land1 Abigail Rousseau Beleidsadviseur cultureel erfgoed en archeologie, Provincie Flevoland

Een nieuwe koers voor erfgoedbeleid in Flevoland De provincie Flevoland kenmerkt zich door de gedachte van maakbaarheid, grootschaligheid en vooruitstrevendheid. Het huidig erfgoedbeleid van de provincie

De provincie Flevoland moet nog inzichtelijk krijgen wat zij onder haar erfgoed schaart en hoe ze hiermee om zal gaan. Het navolgen van erfgoedbeleid zoals dat elders in Nederland vorm heeft gekregen, kan simpelweg niet in deze provincie die zo’n andere ontstaansgeschiedenis heeft dan de andere provincies. Volgens de recent opgestelde Omgevingsvisie van de provincie2 is Flevoland de meest herkenbare provincie in Nederland. De lange lijnen, de openheid, de uitgemeten inrichting van het landschap, de grote schaal, maken Flevoland uniek. Dit alles reflecteert de wijze waarop Flevoland op de tekentafel is ontworpen, de vooruitstrevendheid, de enorme ambitie en voor4

sluit niet aan bij deze karaktereigenschappen van Flevoland en wordt dan ook maar weinig aangegrepen als inspiratie voor ontwikkelopgaven. Met de nieuwe Omgevingsvisie is er de kans om het erfgoedbeleid anders te benaderen met meer ruimte voor de verschillende verhalen van de diverse groepen inwoners door middel van participatie. Op deze wijze kan invulling gegeven worden aan de ambitie om bewoners blijvend te binden aan Flevoland en aan elkaar.

Foto: Klaas Eissens

De provincie Flevoland is een jonge provincie. Pas in 1986 kwam zij als bestuurlijke eenheid tot stand. Het is een provincie die door mensenhanden is gemaakt, door de afsluiting en de drooglegging van de Zuiderzee. Flevoland is een provincie die nu nog steeds gericht is op ontwikkeling, op de opbouw van een nieuwe samenleving, infrastructuur, huisvesting en werkgelegenheid. Het is voor deze provincie nog geen gewoonte om terug te kijken naar waar ze vandaan komt, om de objecten en structuren uit het verleden te beschouwen als onlosmakelijk onderdeel van de eigenheid van de provincie, als haar erfgoed. De andere provincies hebben een eeuwenoude geschiedenis, historische binnensteden, buitenplaatsen en een rijk gelaagde archeologie, die de provincie Flevoland in een zekere mate mist. Waar bij de andere provincies de relatie met het verleden gemeengoed is, en er vele decennia nagedacht is over het erfgoed en de omgang ermee, is dat voor de jonge provincie Flevoland geen vanzelfsprekendheid.

1 - Een luchtfoto van het voormalige eiland Schokland dat nu ligt ingebed in de rechte lijnen van het ontworpen landschap van de Noordoostpolder. Schokland is benoemd tot werelderfgoed, niet alleen vanwege de cultuurhistorische waarden van het voormalige eiland en de archeologische resten in de grond, maar ook vanwege het moderne inpolderingslandschap eromheen. Het is een plek waar oude en nieuwe erfgoedwaarden samenkomen. al het geloof in de maakbaarheid van dit nieuwe land. Deze kenmerken vind je niet alleen terug in het landschap maar in alle elementen die Flevoland tot Flevoland maken: in de opbouw van de samenleving, in de architectuur en de stedenbouw, en in het denken en handelen. Langs deze redenatie zou het niet meer dan logisch

zijn dat de gedachte van maakbaarheid, de grootschaligheid en de vooruitstrevendheid ook in het erfgoed van Flevoland worden gereflecteerd, het zijn de waarden waaruit Flevoland is voortgekomen. Dat zou het erfgoed van Flevoland een eigen karakter geven dat zelfstandig en onmiskenbaar Flevolands is. Maar in het huidig


NUMMER 45 OKTOBER 2018

Foto: Allen Schaap

VITRUVIUS

2 - Het landschapskunstwerk Exposure van Anthony Gormley aan de kust van Lelystad. De enorme complexiteit van de constructie, de vooruitstrevendheid en ambitie die dit kunstwerk uitspreekt, herken ik terug in het karakter van de provincie waar het kunstwerk staat. erfgoedbeleid van de provincie Flevoland komt dit op maar mondjesmaat tot uitdrukking. Hoe komt dit en hoe kan het beter?

Sectorale erfgoedbenadering schiet tekort Het huidig erfgoedbeleid van de provincie Flevoland gaat uit van een beschermingsbenadering waarbij de traditionele erfgoedcategorieĂŤn (archeologisch, gebouwd

en landschappelijk erfgoed) wordt gewaardeerd door een kleine groep experts, waardoor het naar mijn mening maar weinig bewoners van Flevoland aanspreekt. Het erfgoed wordt ook maar weinig aangegrepen als inspiratie voor de ontwikkelopgaven in Flevoland, misschien juist omdat het niet aansluit bij het ware karakter van Flevoland. Het huidig erfgoedbeleid van de provincie omvat bovendien uitsluitend materieel erfgoed en richt zich met name op archeologisch en gebouwd erfgoed

en, in mindere mate, op landschappelijk erfgoed en geheel niet op immaterieel erfgoed. Dit beleid is in vier thema’s ondergebracht: Sporen van het oude land, Flevoland WaterLand, Iconen van de Wederopbouw en Flevoland als Kunstwerk. Het gaat bij de archeologie, aan de ene kant om het zeer oude verleden van de allereerste bewoners van het tegenwoordige grondgebied van Flevoland. Dat zijn voornamelijk de sporen uit de prehistorie, Sporen van het oude land. Aan de andere 5


NUMMER 45 OKTOBER 2018

Foto: Allen Schaap

VITRUVIUS

3-D  e vele windturbines die in Flevoland zijn verrezen maken tegenwoordig onlosmakelijk deel uit van de beleving van het Flevolandse landschap kant om de vele scheepswrakken uit latere perioden die Flevoland rijk is en om andere getuigen van de voormalige Zuiderzee in het thema Flevoland WaterLand. Bij het beleid rond het gebouwde erfgoed staat de Wederopbouwperiode centraal, waarbij het dorp Nagele een prominente rol vervult. Het laatste thema, Flevoland als Kunstwerk, verwijst naar het land dat gemaakt is en ontworpen op de tekentafel. Daaronder valt zowel de inrichting van het landschap als alles dat samenhangt met het ontstaan van de polders: de dijken, de gemalen, de vaarten enzovoorts. Dit laatste thema heeft veel potentieel om aan te sluiten bij het karakter van Flevoland maar is het minst uitgewerkte thema in het huidig erfgoedbeleid. 6

In het algemeen kan worden gesteld dat het huidig provinciaal erfgoedbeleid is bepaald door een kleine groep hoogopgeleide autochtone experts. Het erfgoedbeleid betreft het behoud van objecten en structuren die vanuit de geschiedenis van monumentenzorg en vanuit de wetgeving als cultuurhistorisch waardevol zijn benoemd. Het zijn echter niet categorieën of waarden die de gemiddelde inwoner van Flevoland herkent als zijnde het erfgoed waarbij hij/zij zich betrokken voelt of dat een emotie bij hem/haar teweeg brengt. Het is bovendien een sectorale benadering van erfgoed waarbij objecten onttrokken worden aan de maatschappelijke dynamiek en waardoor de afstand met de bewoners wordt vergroot. De vergelijking wordt vaak gemaakt van de stolp

die over een object of gebied wordt gezet. Huidig erfgoedbeleid tegenover nieuwe Omgevingsvisie Met de nieuwe Omgevingsvisie is de ambitie uitgesproken door de provincie om met erfgoed, met het Verhaal van Flevoland, de bewoners blijvend te binden aan Flevoland en aan elkaar. Dat betekent een kans om het erfgoed van Flevoland anders te benaderen. Maar op welke manier dan? En wat is dan wel het erfgoed van de Flevolanders? Met welk erfgoed voelen de bewoners van Flevoland zich wel verbonden? Dat is natuurlijk geen gemakkelijke vraag om antwoord op te geven. Temeer omdat dé Flevolander, net als dé Nederlander, zoals Máxima zei, niet bestaat. De bevolking in Flevoland is heel


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

divers. Wat wel gezegd kan worden over Flevolanders, is dat het overgrote deel van buiten Flevoland is gekomen, het zijn van oorsprong immigranten3. Dit feit en de relatief korte bestaansgeschiedenis van Flevoland is een interessant gegeven voor de zoektocht naar het Flevolands erfgoed.4 Veelal gaat erfgoed over de oorsprong van een gebied, van een volk. De ‘ontstaansmythe’ van Flevoland ligt echter niet in een ver vervlogen tijd en kan daardoor met behulp van oral history worden vastgelegd. De mensen die Flevoland letterlijk hebben gebouwd kunnen nu nog aan de jongere generatie vertellen hoe Flevoland is ontstaan en gemaakt. Het is niet alleen het verhaal van de eerste pioniers in de Noordoostpolder maar ook van de meest recente initiatiefnemers in Oosterwold. Dit is een gebied in de gemeenten Almere en Zeewolde waar organische gebiedsontwikkeling wordt gepraktiseerd en de gebiedsinrichting geheel aan de initiatiefnemers wordt overgelaten.5 Dit is ook het Verhaal van Flevoland. En dit verhaal wordt elke dag opnieuw door de bewoners gevormd en verteld, ook door de jongere generatie die hun eigen Flevoland vormgeven. Erfgoed in Flevoland is daarmee een dynamisch en voortdurend proces. Om tot een erfgoedbenadering te komen die recht doet aan deze verhalen en aan de unieke eigenschappen van Flevoland is participatie essentieel. Iedereen kan participeren in het creëren van erfgoed en de waarden benoemen die daaraan worden gehecht.6 Het zal dan misschien minder gaan over de traditionele erfgoedzaken zoals gebouwde monumenten en archeologie waar het huidig provinciaal erfgoedbeleid op is gestoeld. Het gaat meer over belevingswaarden van het landschap en over immateriële waarden van het pionieren, het experimenteren en het zelf maken. Het gaat dan over erfgoedverhalen over het opbouwen van een nieuw bestaan in een nieuw land. In feite pleit ik hier voor een erfgoedbeleid dat meer ruimte creëert voor de ‘meerstemmigheid’ van erfgoed.7 Want de uitkomst van een dergelijke participatieve benadering is een veelheid aan verhalen die weleens met elkaar kunnen schuren maar elkaar niet hoeven uit te sluiten. Het samen in gesprek gaan over erfgoed zou de maatschappelijke relevantie van erfgoed kunnen terugbren-

gen doordat het groepen kan helpen zich te emanciperen en gevestigde beelden bij te stellen.8 Bovendien kan zo werk worden gemaakt van de ambitie van de provincie om bewoners blijvend te verbinden met hun plek en met elkaar. Het erfgoed wordt daarmee iets dynamisch dat op ieder moment door iedere groep in Flevoland opnieuw kan worden vormgegeven. Een dergelijke benadering van erfgoed moet wel gefaciliteerd worden en hierin zie ik een rol voor de provinciale overheid. Het betekent namelijk dat de participatie van de bewoners niet alleen gestimuleerd moet worden tijdens het opstellen van de Omgevingsvisie en het daaropvolgend beleid, maar ook dat er een meer permanente basis wordt gelegd voor het co-creëren van erfgoed. Er zou bijvoorbeeld een organisatie zoals Imagine IC9 in Flevoland kunnen worden opgericht. Imagine IC is actief in de Bijlmer en documenteert het dagelijks leven in de buurt om in stad en land erfgoedcollecties aan te vullen. Ook in Flevoland moet het mogelijk worden gemaakt voor inwoners om zelf hun erfgoed te duiden en hen een gevoel van eigenaarschap daarover te geven. Tegelijk moeten zij ook de instrumenten krijgen waarmee zij dat erfgoed kunnen onderhouden, opbouwen, tonen en doorgeven. Erfgoed in Flevoland kan op deze wijze een geïntegreerd onderdeel van de samenleving worden zoals in de vectorbenadering, waarbij erfgoed “wordt gezien als een eigen kracht, met grote publieke waarde in een breder veld, die zich op allerlei manieren kan verbinden met andere krachten en machten.”10 Zo wordt de relevantie van erfgoed vergroot en is de kans ook groter dat erfgoed inspiratie en oplossingsrichtingen biedt voor de maatschappelijke en ruimtelijke opgaven waar Flevoland voor staat.11 Noten 1  Dit essay is geschreven als afsluitend ‘Meesterwerk’ van de Leergang Erfgoedfilosofie van de Erfgoedacademie. Voor meer informatie over de leergang zie www.erfgoedacademie.nl. 2  https://www.omgevingsvisieflevoland. nl (de publieksvriendelijke website) of https://www.omgevingsvisieflevoland.nl/wp-content/uploads/2017/11/ Omgevingsvisie-FlevolandStraks-8-11-17.pdf. 3  Met als uitzondering natuurlijk het

voormalige eiland Urk, daar wonen voornamelijk geboren en getogen Urkers. Maar ook elders in Flevoland neemt het aantal in Flevoland geboren inwoners toe. In 2016 werden er 4.706 kinderen geboren in Flevoland volgens de CBS. 4  De Noordoostpolder viel in 1942 droog, Oostelijk Flevoland in 1957 en Zuidelijk Flevoland in 1968. 5 http://maakoosterwold.nl/ 6  In het rapport Identificatie met Nederland wordt een dergelijke benadering door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in Nederland een zelf gestuurd identificatieproces genoemd. 7  Zie ook https://www.unesco.nl/ node/3682#meerstemmige- samenleving. “De samenleving wordt meerstemmiger als gevolg van globalisering, immigratie, emancipatie van minderheden en nieuwe media. Dit leidt tot een grotere variatie aan perspectieven, die soms lijnrecht ingaan tegen het verhaal van de dominante meerderheid. … Erfgoedbeleid dat dit traditionele [nationale] verhaal als leidraad neemt, miskent het historische perspectief van een deel van de bevolking en sluit mensen uit.” 8  Kees Ribbens, lezing tijdens de leergang erfgoedfilosofie 29 september 2017. 9  http://www.imagineic.nl/. 10  Riemer Knoop, 2017, Het Straatwaarden-project. in: Riemer Knoop, Michiel Schwarz, e.a. Straatwaarden: in het nieuwe speelveld van maatschappelijke erfgoedpraktijken, p. 14. 11  Dit gezegd hebbende wil ik toch ook een pleidooi houden om de sectorale erfgoedbenadering niet volledig los te laten, maar deze naast de vectorbenadering in overheidsbeleid een plek te geven. De meer traditionele erfgoedcategorieën verdienen ook bescherming en bekendheid want het zijn veelal zaken die vanuit wetenschappelijk en historisch oogpunt waarde hebben, kwetsbaar zijn en verloren kunnen gaat bij de doorgaande ontwikkeling van Flevoland.

7


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

Duinontginningen Frits Niemeijer Historisch-geograaf

In het eerste deel (april 2018) was te lezen dat ontginningen in de Nederlandse duingebieden aanvankelijk vooral voortkwamen uit opdrachten van hogerhand – hetzij vanuit religieuze ‘roeping’, maar veel vaker vanwege wereldlijke machthebbers - waaronder vooral de hoge en de lagere adel. Als resultaat ervan overwoog relatief kleinschalig agrarisch gebruik van duingronden. In een latere periode – globaal vanaf het begin van de 17de eeuw – raakte het gebruik van delen van de duingebieden voorbehouden aan het stedelijk patriciaat en aan ‘regenten’. Zij staken hun geld in grond en lieten op hun landgoederen huizen bouwen, tuinen aanleggen en/of gebruikten ze als jachtgronden. Vanaf het einde van de 18de eeuw volgde een nieuwe hausse van ontginningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf: sinds die tijd werd gepoogd op grotere schaal duingronden te exploiteren, waarbij een wetenschappelijke aanpak niet werd geschuwd: zo zijn er prijsvragen uitgeschreven en werden er heuse experimenten uitgevoerd. Aan het einde van de 19de eeuw kwam de grootschalige bloembollenteelt op in het gebied tussen Haarlem en Leiden, terwijl op enige andere plaatsen diverse andere vormen van tuinbouw ruimte gingen opeisen. Afzandingen en verbeteringen van de waterstaatkundige en verkeerstechnische toestand behoorden hierbij zowel tot de aanleidingen, als tot de gevolgen. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de aanleg van spoorwegen: “Ons Departement Sassenheim merkt aan, dat, tot het aanleggen van den ijzeren spoorweg van Haarlem naar Rotterdam, alsmede wegens het droogmaken van het Haarlemmermeer, veel specie [hier: door uitgraven verkregen grond, zand, FN] gebruikt moetende worden, vele duingronden in goede teel- en houtlanden herschapen zullen worden.”1 Cijfers uit het midden van de 19de eeuw laten zien dat in Noord- en Zuid-Holland in de jaren 1841-1856 totaal ca. 125 resp. 160 ha duingrond is ontgonnen voor bosaanleg en wei- en bouwland.2 Een snelle en sterke verdere toename van ontginningen begon pas 15 à 20 jaar daarna; dit duurde tot halverwege de 20ste eeuw. 8

Van opdracht, via obsessie naar ontspanning - Deel 3 In het derde deel van dit artikel zal de aandacht onder meer uitgaan naar de inrichting van duingebieden in het kader van hun gebruik voor recreatieve doeleinden. Dit begon, zoals eerder beschreven, al de 17de eeuw met de aanleg en de inrichting van buitenplaatsen en landgoederen. Maar op nog veel uitgebreider schaal was dit het geval vanaf de laatste decennia van de 19de eeuw, met de opkomst vam massatoerisme. Sinds die tijd kwamen ook diverse andere functies van de duingebieden op die belangrijke ruimtelijke consequenties hadden. Daarom wordt ook kort aandacht geschonken aan militaire en economische functies, alsmede aan stedenbouwkundige ontwikkelingen. Duinontginningen omvatten namelijk niet alleen datgene wat ‘traditioneel’ als zodanig wordt opgevat (exploitatie als agrarisch land, afzanding, waterwinning, enz.), maar ook recreatie, defensie en wonen.

Ontspanning en verkeer als drijfveren voor duinontginning Het als aangenaam en ontspannend te ervaren landschap van de Hollandse en Zeeuwse duinen en kusten, en ook dat van de Waddeneilanden, nodigde vanaf de tweede helft van de 19de eeuw nieuwe categorieën vaste bewoners en bezoekers uit. De van oudsher dominante adel, patriciërs en regenten maakten langzaamaan plaats voor een klasse van grond bezittende reders, ondernemers en industriëlen. Een voorbeeld is landgoed Duin en Kruidberg (bij Santpoort), dat in 1895 in handen kwam van Jacob Theodoor Cremer (1847-1923), een grootondernemer die zijn loopbaan begon bij de Deli-Maatschappij in Nederlands-Indië en die het later tot minister schopte. Hij liet er in het begin van de 20ste eeuw een enorm landhuis bouwen.3 Ook op verschillende andere plaatsen verrezen in de decennia rond 1900 landhuizen en langs een groot deel van het binnenduingebied vond hierdoor gedeeltelijke vervanging en herinrichting van de oude buitenplaatsen en landgoederen plaats. Zo omvatte het vanaf de jaren 1880 in verschillende fasen en stijlen ingerichte Clingendael bij Wassenaar een nieuwe, zogenoemde Oud-Hollandse tuin, een dito in Engelse trant aangelegd landschapspark, een kort na 1900 tot stand gebrachte, Japanse tuin – en dit alles naast de ten dele gehandhaafde resten van een aanzienlijk oudere, formele tuinaanleg. Uiteindelijk ontwikkelde zich in en rondom

Wassenaar een ‘landgoederenzone’ die vooral gekenmerkt wordt door ontwikkelingen in de jaren 1850-1940. Deze zone, die het welgestelde aspect van de ontginningen in de (binnen)duinen representeert, is in 2007 als Rijks beschermd dorpsgezicht aangewezen.4 De belangrijkste visuele kwaliteiten en waarden van de inrichting kwamen hierbij voort uit het bewuste gebruik van het natuurlijke én van het eventueel ook kunstmatig geaccentueerde duin- en strandwallenreliëf. Precies zoals eerder de aanwezigheid van waterwegen (zowel natuurlijk water als trekvaarten) de ontsluiting van de duinen en de duinvoetzone vereenvoudigde, zo vormden spoorwegen - en vanaf ca. 1880 ook (stoom) tramlijnen – ideale vervoersmodaliteiten. In het bijzonder de sporen van de drie grote steden naar en achter de zeekust waren van grote betekenis voor verdere ontsluitingen, ontginning en voor exploitatie van de (binnen)duinzone. Zo vormde de opening van een paardentramlijn (1864), gevolgd door een stoomtram (1879) naar Scheveningen een belangrijke stap in de reeds driekwart eeuw daarvoor aangevangen groei van het oude vissersdorp naar de huidige mondaine badplaats - met het Kurhaus (1885) als blikvanger. Een belangrijke uitbreiding van het netwerk was de opening van een directe spoorlijn van Rotterdam, langs Wassenaar naar Scheveningen (1907). Ook op andere plaatsen in het kustgebied vonden onder invloed van de aanleg van spoor- en tramwe-


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

1 - Een waterpartij als onderdeel van landgoed Clingendael. Duidelijk herkenbaar het reliëf van de strandwallen.

Foto: Gem. Arch. A’dam

Elite en massa ontdekken kust en duinen Met de opkomst van de fiets als massavervoermiddel werden ontspanning en recreatie aan de stranden en in duingebieden voor steeds meer mensen aantrekkelijk en betaalbaar. En hoewel het aanvankelijk misschien nog vooral om dagtripjes ging, werd op den duur voor velen ook verblijfsrecreatie mogelijk. Dat betekende dat er in de duin- en kustzones steeds meer ontsluitingswegen en voorzieningen moesten worden gerealiseerd. Er vond verdere toename van het aantal railverbindingen plaats, waarbij opvalt dat de meeste lijnen additioneel zijn ten opzichte van het al bestaande spoorwegnet, dat nergens een echte kustplaats aandoet. De extra lijnen staan in hoofdzaak haaks op de kust. Ze lopen meestal vanaf grote treinstations naar kustplaatsen als Bergen aan Zee (tram, 1909), Zandvoort (trein, 1881 en tram, 1899), Noordwijk aan Zee (tram, 1885), Oostvoorne-Strand (tram, 1906) en Domburg (tram, 1906). Een ‘kustlijn’, die badplaatsen onderling verbindt, is – anders dan in België - nergens ontstaan. Na en naast de railverbindingen kwamen er ook steeds betere en ruimere wegen, met als fraaiste voorbeeld de al genoemde weg van Overveen naar Bloemendaal aan Zee. Deze door tuinarchitect L. Springer ontworpen weg kreeg gescheiden autorijbanen en aparte fietspaden en was hiermee de eerste ‘parkway’ in Europa (1921). Enkele wegen kregen bijzondere betekenis vanwege fusillades in de jaren 1940-1945 en de aanleg van begraafplaatsen voor oorlogsslachtoffers, zoals de weg naar Scheveningen (Waalsdorpervlakte). Ook de aanleg van boulevards in de badplaatsen was van groot belang. De ruimtelijke gevolgen daarvan waren minder ingrijpend dan die van een eventueel kustspoor (lintbebouwing), maar ze ontsloten toch steeds meer duingebieden en gaven ruimte voor bebouwing en mogelijkheden voor vertier. Deze gang van zaken droeg er desondanks aan bij dat er aan de zeezijde steeds meer beslag op de ruimte van het duingebied werd gelegd en dat er ontginningen ‘in de diepte’ gingen plaatsvinden. En deze ontwikkelingen beperkten zich niet tot het vasteland of de Zuid-Hollandse eilanden. Ook op Texel kwam in het begin van de 20ste eeuw het toerisme in het duin- en kustgebied op – met een eerste badhotel in De Koog (1907). Iets dergelijks was eerder een feit in Cadzand (Zeeuws-Vlaanderen), waar in 1900 een badhuis tot stand kwam en waarheen in 1912 en 1929 tramverbindingen werden

Foto: RCE

gen zulke ontwikkelingen plaats.

2 - De ‘parkway’ van Bloemendaal naar zee, met gescheiden rijbanen en fietsstroken tijdens de bijzetting op de Erebegraafplaats voor verzetsslachtoffers, in november 1945. Het massale eerbetoon vult de noordelijke van de beide rijbanen. aangelegd. Zo raakte de gehele duinkust dus binnen enkele decennia bezaaid met tamelijk goed ontsloten (elitaire) badplaatsen. Hiernaast waren er duindorpen waar zich concentraties van kunstenaars ophielden, met als gevolg dat ook zulke dorpen zich gingen uitstrekken over de duinen en over al bestaande duinontginningen. Bekende centra van kunstenaars werden Bergen (N-H) en Domburg. In het kielzog van tijdelijke en vooral verblijfsontspanning verbreedde het scala aan ruimte vragende voorzieningen zich. Zo kwamen er onder meer paardenrenbanen (‘Woestduin’ in Bloemendaal; 1901 en ‘Duindigt’ in Wassenaar; 1906), golfbanen (Santpoort; 1910; Domburg; 1914), (sport)

vliegterreinen (‘Ockenburg’ bij Den Haag; en 1919 en Haamstede op Schouwen-Duiveland; 1930), vele speeltuinen (‘Kraantje Lek’ bij Overveen; begin 19de eeuw(!), ‘Duinvermaak’ in Bergen; 1933 en ‘Duinrell’ in Wassenaar; 1935), sportterreinen, campings en huisjesterreinen, alsmede een autoracebaan (Circuit van Zandvoort; 1939/1948). Er kan nauwelijks anders worden geconcludeerd dan dat het opbouwen van een lucratief bestaan in het duingebied in de 20ste eeuw geen probleem meer hoefde te zijn: toerisme verdrong het ploeteren op duinakkertjes. Deels als reactie op deze aan het duingebied knagende voorzieningen kwamen er ook steeds meer ‘beschermde terreinen’, 9


NUMMER 45 OKTOBER 2018

Foto: RCE, 1940/50

VITRUVIUS

3 - Bloembollenvelden langs een zanderijvaart in De Zilk, bij Hillegom. Op de achtergrond links duidelijk waarneembaar de nog niet afgezande binnenduinen. die in handen kwamen van organisaties als ‘Natuurmonumenten’ (opgericht 1906) en de ‘Provinciale Landschappen’ (jaren ’30). De duingebieden die door dergelijke organisaties werden beheerd kregen in veel gevallen ook bestemmingen in de recreatieve sfeer (inclusief campings en diverse uitspanningen), maar het behoud van de waarden was primair. Het voorgaande omvat slechts een kleine greep uit de tientallen voorzieningen met een recreatief karakter die effening en/of (her)inrichting van duingebieden vergden. In het algemeen kan worden gesteld dat ontsluiting vanaf ca. 1850 voorafging aan sterke toename van de bebouwing en dat besteding van vrijetijd van vaste bewoners en tijdelijke bezoekers van de kust- en duingebieden vanaf ongeveer 1900 steeds meer recreatieve druk op de ruimte gingen uitoefenen. De ‘natuurlijke’ kenmerken en kwaliteiten van de duin- en kustgebieden nodigden velen uit alle rangen en standen uit er ontspanning te zoeken. Afzanding - maatschappelijke en economische aspecten Naast recreatieve functies kwamen vanaf het begin, maar vooral vanaf het midden van de 19de eeuw ook andere ruimte vragende bestemmingen voor de duinen op, waarvan er enkele waren die in meer of mindere mate belemmerend konden zijn voor ande10

re functies. Tot deze nieuwe bestemmingen behoorden waterwinning, militaire oefening (schietbanen), gezondheidszorg (afzondering en/of behandeling besmettelijke ziekten, psychiatrische ziekenhuizen, e.d.), religieuze functies (kloosters en seminaria), ontwikkeling en scholing (kweekterreinen en proefvelden), begraafplaatsen, enz. Bovendien vond vanaf het begin van de 19de eeuw op enorme schaal beplanting van duingebieden plaats met loofbomen en vooral naaldhout, waarvoor aanvankelijk met allerlei (uitheemse) soorten werd geëxperimenteerd. Een van de eersten die hiernaar onderzoek deden, was de al genoemde D.T. Gevers van Endegeest, van wiens hand hierover in 1828 een rapport verscheen.5 In zijn voetsporen trad de landbouwkundige W.C.H. Staring (18081877), maar ondanks alle adviezen en proeven bleef het stuivende zand een probleem, dat verder ook met helmbeplanting werd bestreden. Staatsbosbeheer (opgericht 1899) werd een van de voornaamste beheerders van duinbossen, met een vrijwel monopolie op enkele Waddeneilanden (vooral Terschelling) en hiernaast ook grote bezittingen in de Schoorlse Duinen en bij Wassenaar.6 De bebossing vond sinds het einde van de 19de eeuw lang voortgang en tegenwoordig is ongeveer de helft van de ca. 40.000 ha duinen in ons land bedekt met bos en struweel. Anders dan eerder verwacht en beoogd, is

de functie van de duinbossen voor productiehout niet bijzonder groot. Dankzij diverse beschermende maatregelen neemt het areaal duingronden tegenwoordig nauwelijks meer af.7 Dit was eerder wel anders, omdat er (naast de al genoemde wegen en spoorwegen) talrijke andere ruimte vragende voorzieningen en infrastructurele werken tot stand werden gebracht. Hieronder vielen onder meer het sluizencomplex van het Noordzeekanaal (vanaf 1872), met de Hoogovens (vanaf 1918), de Katwijkse Uitwatering (vanaf 1807), vissershavens (IJmuiden, 1896; Scheveningen, 1904), de Nieuwe-Waterweg en Rijnmond (vanaf 1872). Tevens was er de reeks waterleidingduinen tussen Haarlem en Den Haag (en elders) en, ten slotte - als voorlopig veruit meest ruimte opslorpende functie: de tuinbouw. Het aloude proces van afgraven van strandwallen en binnenduinen kwam in de tweede helft van de 19de eeuw (behalve door grote zandbehoeften elders) in een stroomversnelling vanwege de behoefte aan zand voor het ophogen van veen en klei bij tuingronden en/of het vermengen hiervan met zand. De tuinbouwgebieden op afgegraven strandwallen en (binnen) duinen omvatten van oudsher delen van het Westland (groente- en fruitteelt) en de Bloembollenstreek, met als kern het gebied tussen Leiden en Haarlem. Het afgezande gedeelte van de Bollenstreek mat rond 1950


NUMMER 45 OKTOBER 2018

zo’n 4000 ha en de teelt van tulpenbollen was er het voornaamste grondgebruik. Ook nu is hier nog zo’n 2200 ha met bloembollen bedekt.8 De streek is al lang niet meer het belangrijkste teeltgebied voor bloembollen, maar de belangrijke toeristische functie van het gebied bleef. Sinds het einde van de 19de eeuw stromen jaarlijks honderdduizenden naar de Bollenstreek om de kleurenpracht te bewonderen. Dat de bloembedden vaak nog de verkaveling weerspiegelen die ontstond bij de afzanding van de duingronden is nauwelijks bekend en dat het oorspronkelijk terreinoppervlak meters hoger lag, nog veel minder. Voor de afzanding in het Westland geldt dat die rond het midden van de 19de eeuw op haar einde liep. Net als bij de bollenvelden vormt het patroon van de huidige kassen en warenhuizen in het Westland een afspiegeling van de ontginning en verkaveling; behalve op macroniveau is schoonheid hierbij echter amper te ervaren. Afgegraven duinzand werd ook op grote schaal benut voor het ballasten van leeg uitvarende schepen, en verder voor de fabricage van kalkzandsteen (vooral in de in 1904 opgerichte fabriek Arnoud, bij Hillegom) en voor het dempen van grachten en terreinophoging in de grote steden.9 Alles bij elkaar bracht de zandbehoefte vanaf het midden van de 19de eeuw enorme veranderingen in het landschap teweeg: op veel plaatsen werden de duinen integraal afgegraven, waardoor het terrein onherkenbaar werd gewijzigd. Civiele en militaire bebouwing van de kustzone Dit alles gold echter slechts voor een deel van het duin- en binnenduingebied. We zagen al dat grote delen van de kustzone in handen kwamen van natuurbeschermingsorganisaties en (semi-)overheden als Staatsbosbeheer en de ‘Provinciale Landschappen’. Deze gebieden werden in belangrijke mate intact gelaten – al was het maar om hun ‘natuurlijke’ functie van zeewering te kunnen blijven vervullen. Maar naast ruimtelijke bestemmingen die meer of minder direct voortkwamen uit de fysieke kenmerken, kwaliteiten en waarden van de duinen zelf, was ook het feit dat er ‘ruimte’ was of kon worden gemaakt een aanleiding om het terrein te gaan benutten. Het bouwen aan de kust was nog op te vatten als het begin van of de verruiming van recreatieve bestemmingen - en de vestiging van (nieuwe) landgoederen en villawijken in de binnenduinen als een vorm van ‘buiten wonen’. Maar met de (beoogde) egalisering

en annexatie van (binnen)duingebieden voor uitbreiding van stedelijke bebouwing, kwam een heel andere dimensie van ruimtegebruik in beeld. Steden en agglomeraties als IJmond, Leiden-Katwijk en vooral Den Haag gingen op enorme schaal beslag leggen op voormalige en/of afgezande duingebieden, waarbij zowel civiele als militaire functies in het oog springen of sprongen. Bij IJmuiden en Velsen werden eerst grote sluis- en kanaalwerken gerealiseerd en daarna onder meer een tot de Stelling van Amsterdam behorend forteiland, de Hoogovens c.a. (+/750 ha) en een vissershaven. In het kielzog van een en ander kwamen in de (afgezande) duinen vanaf de jaren ‘90 van de 19de eeuw op ruime schaal woonwijken in de ‘IJmond’ tot stand. De meeste ervan was echter geen lang bestaan vergund: de Duitse bezetter sloopte in de Tweede Wereldoorlog een groot deel ervan en richtte rond de monding van het Noordzeekanaal ‘Festung IJmuiden’ in. Het werd een van de belangrijkste schakels in de Atlantikwall in Nederland, met enige honderden betonnen werken, waaronder twee kolossale ‘Schnellboot- en Räumbootbunker’, kilometers (bedekte) ontsluitingsroutes en gepantserde muurwerken e.d. Dergelijke militaire werken zijn langs en in de gehele duinenkust aangelegd, met in de kop van Noord-Holland een zwaartepunt bij Den Helder-Huisduinen.10 In de naoor-

logse wederopbouw, toen een groot deel van Festung IJmuiden ontmanteld was, zijn ten zuiden van het havengebied woonblokken opgetrokken in een vergraven deel van de Heerenduinen. Vergelijkbare Duitse militaire ontwikkelingen deden zich voor in en om Den Haag, in het Rijnmondgebied en in de duinen rond de zeegaten in het zuidwesten en op de Waddeneilanden. Ze kunnen worden gezien als een vorm van ontginning, maar met het doel de duinen zo veel mogelijk als camouflage en dekking te benutten. De Haagse kustzone: stad en ‘Stützpunktgruppe Scheveningen’ Zoals in het tweede deel (juli 2018) van dit artikel al aan de orde kwam, kenden de duinen ten zuidwesten van Wassenaar en ten oosten en noorden van Scheveningen interessante mogelijkheden voor exploitatie. Deze duingronden, die deels behoorden tot de buitenplaats Zorgvliet, en die verder in de late 18de en de vroege 19de eeuw werden benut voor agrarische doeleinden, werden een eeuw later verder geëgaliseerd en op den duur zelfs ten dele bebouwd. Meest ambitieus waren plannen (1905/08) voor aanleg in dit duingebied van een voor internationale, juridische organisaties bedoelde stadswijk - de zogenoemde ‘Wereldhoofdstad’ - met een ‘ideale, 8-zijdige plattegrond’. Dit uit de koker van de pacifistische röntgenoloog

Foto: Jacob Olie, 1897, Wikimedia

VITRUVIUS

4 - Links nog net zichtbaar een grote wip bij de uitspanning en speeltuin Kraantje Lek aan de voet van de duinen bij Overveen; centraal de bekende Holle Boom. 11


P.H. Eijkman en de architecten K.P.C. de Bazel en H.P. Berlage voortgekomen plan, dat op een militair oefenterrein (!) in het duingebied tussen Meijendel en de Waalsdorpervlakte zou moeten worden gerealiseerd, is echter niet tot uitvoering gekomen.11 Het bedreigde gebied bleef zo aanvankelijk grotendeels gespaard. Maar nadat nabij al eerder duingronden voor waterwinning waren bestemd en er ‘spranken en kanalen’ waren aangelegd, werd het duingebied na de Tweede Wereldoorlog als infiltratiegebied ingericht. Vanwege het van elders aangevoerde water zijn er zoetwaterplassen ontstaan, die het karakter van deze duinen nogal veranderden. Iets verder naar het zuidwesten zijn vóór de oorlog op ruime schaal stadsuitbreidingen gerealiseerd, in het bijzonder op een strandwal die van oudsher verdeeld was in het ‘Oost Blok’, het ‘Middel Blok’ (of de ‘Beek Tiend’) en het ‘West Blok’. Deze blokken zijn eerst afgezand en daarna – vanaf ongeveer 1895 - van noordoost naar zuidwest (richting Kijkduin) bebouwd. De hoofdas op de afgegraven strandwal is de bekende Laan van Meerdervoort.12 In de loop van de Tweede Wereldoorlog zetten de Duitsers ook hier echter de bijl in het jonge stadsdeel. Ze lieten (binnen het gedeelte dat was gelegen in de strandvlakte Polder Segbroek en verder vooral in de kustzone) grote delen van de bebouwing en van de overige inrichting met de grond gelijk maken om er de ‘Stützpunktgruppe Scheveningen’ aan te leggen, als schakel van de Atlantikwall. De Beek werd vergraven tot een zigzag lopende natte stelling, terwijl bij Den Haag honderden betonnen werken in de duinen en op de strandwallen zijn gebouwd. Wat eeuwen daarvoor was begonnen met ontginning van het duingebied nabij ‘s-Gravenhage, eindigde met rücksichtslose kaalslag van een deel ervan.13 De militaire sporen van de oorlog in en om Den Haag zijn lang niet allemaal uitgewist, maar de dynamiek en de ruimtebehoefte van de stad hebben de sporen voor een deel wel verzacht.14 Al met al kan Den Haag worden beschouwd als een voorbeeld van stedelijke nederzetting en uitbreiding in een gebied dat van oudsher werd gekenmerkt door duinontginning en van een stad die er zelfs zijn naam aan ontleent.15 In het vierde en laatste deel van dit artikel wordt vooral aandacht besteed aan het in de ‘beschermingsrondes’ van cultuurlandschappen nogal genegeerde type van de agrarische duinontginningen en in het bijzonder aan de vrijwel zeker meest omvangrijke en 12

NUMMER 45 OKTOBER 2018

Foto: Foto RAF, 1944 / Wikimedia

VITRUVIUS

5 - Kort voor de oorlog gebouwde woningen in Den Haag-Zuidwest werden zonder pardon gesloopt voor de aanleg van een deel van de Atlantikwall; hier de zigzaggende tankgracht ter plaatse van De Beek in Polder Segbroek. Het noorden is links. kenmerkende ervan: de ontginningen in het duingebied van Oostvoorne en Rockanje. Sinds een jaar is een belangrijk deel van dit gebied erkend als Beschermd dorpsgezicht ‘Ontginningen Voornes Duin’. Referenties 1  Staat van den Landbouw (1841), 113. 2  Verslag van den toestand der provincie Noord-Holland […] (1856), 456, 457 (de eilanden niet meegerekend); Verslag gedaan door de Gedeputeerde Staten […] der provincie Zuid-Holland (1857), Bijl. 43. (100 ha is 1 km2) 3  Zie bv.: https://www.duin-kruidberg.nl/ nl/over-ons/historie . 4  h ttps://cultureelerfgoed.nl/dossiers/ stads-en-dorpsgezichten/kaartinformatie (doorklikken voor documenten) 5  Zie: Beekman, F. en R. Guleij (2011), 109-117. 6  Buis, J. & J-P. Verkaik (1999), 6, 40, 41. 7  h t t p : / / w w w. c l o . n l / i n d i c a t o r e n / nl1535-vegetatie-duinen 8  Meer, K. van der (1952), 17-34. Naast deze afgezande gronden maakten ook strandvlaktezandgronden deel uit van het teeltgebied. Na 1950 werd nog slechts op relatief beperkte schaal afgezand en het totaalcijfer afgezande gronden zal

niet (ver) boven 5500 ha zijn gekomen; Timmer, M. (2009), 228. Voor 1950 noemt deze voor geheel Noord- en Zuid-Holland resp. 3536 en 2862 ha beteeld met bloembollen; samen zou dat toen nog 98 % van het areaal bloembollen in Nederland zijn geweest. 9  Zie o.m.: http://www.waterambachtleiden.nl/Minnebroersgracht.html ; Gans, W. de (2011), 47. 10  Rolf, R. (1982), 40-149; Pols, R. & L. de Vries (z.j. [2000]), passim. 11  Zie o.m.: https://ifthenisnow.eu/nl/ artikelen/den-haag-als-wereld-hoofdstad. 12  Noordwestelijk hiervan de strandvlakte Polder Segbroek, met de oorsprong van ‘De Haagse Beek’. Meer naar zuidoosten ligt een lage strandwal, met hierop Eikenduinen en Loosduinen. 13  Zie o.m.: Ambachtsheer, H.F., m.m.v. C.J. van Harmelen (1995), passim. 14  Een deel kent nu gemeentelijke of Rijksbescherming. 15  De tramlijn (1866/1880) langs de uit de 17de eeuw daterende Scheveningseweg / Zeestraat kwam recent in het nieuws vanwege het om veiligheidsredenen (voorgenomen) kappen van ruim 120 beeldbepalende bomen.


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

Een unieke plek tussen land en water: voormalig eiland in NO-polder Jos Stöver Adviseur archeologie RCE

Marcella Marinelli Gemeeente Noordoostpolder

Schokland is een voormalig eiland in de toenmalige Zuiderzee. Tot circa 1450 was er geen sprake van een eiland, maar van een nat veengebied met hier en daar wat hogere en daardoor drogere plekken. Vanaf de late middeleeuwen werd steeds meer veen weggeslagen, waardoor Schokland uiteindelijk vrij in het water van de Zuiderzee kwam te liggen. En de afslag ging door. Het eiland werd steeds kleiner. En de Schokker bevolking leidde daardoor een steeds kariger bestaan. In 1859 werd de situatie als onhoudbaar geacht. Het eiland werd op last van koning Willem III ontruimd. Op 1 maart 1859 sommeerde de burgemeester van Schokland de 650 bewoners te vertrekken. De 19e-eeuwse Schokkers waren niet de eersten die geconfronteerd werden met de gevolgen van wassend water. De geschiedenis van het gebied staat bol van het leven met en geregeld ook het gevecht tegen het water. Niet voor niets staat Schokland symbool voor de strijd tegen het water en heeft het gebied in 1995 daarvoor de status van UNESCO Werelderfgoed Schokland gekregen. Die strijd tegen het water werd in 1859 dan wel verloren, maar uiteindelijk met de aanleg van de Noordoostpolder toch gewonnen, al kwam het eiland toen wel op het droge te liggen.

In de zelfde periode begint de omgeving door de stijgende grondwaterspiegel te vernatten. Dat had voor- en nadelen. Door de vernatting was dit dynamische gebied rijk aan (voedsel) bronnen en dus aantrekkelijk voor de mens om zich te vestigen en de volle breedte van deze rijke omgeving te benutten. De omgang door de mens met dit veranderlijke landschap is bij uitstek karakteristiek voor de Lage Landen.

In het werelderfgoed ligt - deels onder dikke lagen klei en veen – een reeks rivierduinen. Voor de zeespiegelstijging na de laatste ijstijd, kon op deze duinen worden gewoond. Een van de duintoppen is zo hoog dat hij door de dikke lagen klei heen steekt. Op deze duintop is in het verleden een rijke vindplaats van de Swifterbantcultuur aangetroffen. Ook op de dieper gelegen flanken van de rivierduinen kan men resten uit deze periode aantreffen. De Swifterbantcultuur is interessant omdat juist in deze periode - zo’n 6000 tot 8000 jaar geleden - de overgang plaatsvond van een gemeenschap van jager-verzamelaars naar een meer agrarisch ingerichte samenleving.

Met het ontstaan van de Noordoostpolder verdween de zee en ook de conserverende werking van water. De archeologische vindplaatsen op het nieuwe land raakten aangetast door ploegen en zuurstof. In de Noordoostpolder is sprake van inklinking van veen en kleipakketten, waardoor de duintoppen langzaam boven het grondwaterpeil komen te liggen. Met name voor organische resten als hout en been ligt erosie op de loer. Het grondwater sluit de vindplaats nu nog voor het grootste deel min of meer luchtdicht af. Als de bodem verder inklinkt komen echter steeds meer resten in een zuurstofrijkere omgeving te liggen, waardoor deze zullen vergaan. Voor de duintop die door het klei-

dek heen steekt is ook reguliere agrarische bewerking schadelijk. Door ploegen komen vondsten aan het oppervlak te liggen en wordt de vindplaats aangetast. Om de aantasting tegen te gaan is de afgelopen jaren een plan ontwikkeld om de duinenrij zodanig te vernatten, dat de duintoppen weer onder water staan. Provincie Flevoland, gemeente Noordoostpolder, Het Flevo-landschap en Waterschap Zuiderzeeland verbonden het behoud van het werelderfgoed slim aan de ambities natuur en recreatie in Flevoland flink te versterken. Akkerbouwbedrijven worden verplaatst, de grondwaterstand verhoogd en er ontstaat er een groot natuurgebied. De archeologische resten worden op de beste manier, en geheel in lijn met de uitgangspunten van de UNESCO, bewaard en beschermd: in de bodem! De Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap stelde op 19 maart een bedrag van 12 miljoen euro om dit plan te verwezenlijken. Provincie, gemeente, Het Flevo-landschap en het waterschap dragen samen 14,6 miljoen euro bij. 13


VITRUVIUS

Hanne Wilzing Algemeen secretaris Lutherse Diaconie Amsterdam

Van Augustanakerk naar Augustanahof

De in 1957 gebouwde Augustanakerk in het Amsterdamse Bos & Lommer werd in opdracht van de Lutherse Diaconie getransformeerd en in 2017 geopend als hof. In het kerkgebouw werden 16 woningen gebouwd, grotendeels sociale huur. De bewoners, een mix van ouderen en jongeren, wonen er met een ‘commitment’ nl: omzien naar elkaar en de buurt. De ontmoetingsruimte en de grote keuken zijn om deze reden behouden, evenals het liturgisch centrum dat omgevormd werd tot stiltekapel. Met het hofwonen -een beproefd concept in de geschiedenis van het diaconaat- wil de Diaconie een vorm aanbieden, om in een tijd waarin ouderen langer zelfstandig moeten wonen en er sprake is verindividualisering, te wonen met ‘nabuurschap’. Het karakter van het gebouw is bewaard en veel originele onderdelen -zoals bv. de drie klokken- behielden hun functie.

Een verkleuring De verkleuring van de Augustanakerk naar Augustanahof, geeft ruimte (in de breedste zin van het woord) aan woongemeenschap en buurt, komt voort uit eeuwenlange ervaring, past in de huidige maatschappij mét aanpassend vermogen voor de toekomst. Korte historie In 1955 ging de eerste paal van de Lutherse Augustanakerk in de grond. De Kerkenraad van de Lutherse Gemeente gaf in 1950 aan architect F.B. Jantzen, die eerder de Maarten Luther Kerk (1937) in de Rivierenbuurt ontwierp, de opdracht om een ontwerp te maken. Er werden inzichten verwerkt die toekomstig bouwpastor ds. C. Pel tijdens een studiereis naar de VS had opgedaan. Zo ontstond de, op de entree aansluitende, ontmoetingsruimte met een glazen tussenwand als doorgang naar de liturgische vierruimte en een grote keuken. Idee hierachter: kerk start bij ontmoeting. Naast de kerkruimten werden er ook een kosterij en een pastorie ingetekend. 14

Het duurde even voordat met de bouw kon worden gestart omdat de eerste ontwerpen te duur uitvielen. Er is in die jaren fiks actie gevoerd in Luthers Amsterdam om de ontbrekende fl. 181.000 van de totale bouwkosten (fl. 591.000) bij elkaar te krijgen. Maar het lukte en de kerkgemeenschap slaagde er zelfs in om ook nog de fl. 120.000 voor het orgel (Van Vulpen) en de klokken bij elkaar te krijgen. De door Concordia in Midwolda gegoten klokken dragen de namen Sola Gratia, Sola Fide en Sola Scriptura. De bekende drieslag van de Reformatie: alleen door genade, alleen door geloof en alleen door de Schrift (Bijbel). De naam van de kerk is ontleend aan de

Augsburgse geloofsbelijdenis (1530), de Confessio Augustana. De kerk werd gebouwd door aannemersbedrijf Harm Fokkens uit Naarden, kwam begin 1957 gereed en werd op 10 februari onder grote belangstelling (1000 mensen) ingewijd. Herbestemming Tot begin 2014 deed de Augustanakerk dienst als kerkgebouw van de Lutherse gemeente in West en de Protestantse Pniëlgemeente. Deze laatste was tot 2000 gehuisvest in de Pniëlkerk, bijgenaamd ‘Het Theelichtje’ -nu Podium Mozaïek- aan de Bos & Lommerweg. De gemeenschap werd echter klein en de kerkrentmeesters van luthers Amsterdam moesten ingrijpend bezuinigen: er moesten predikantsplaatsen worden opgeheven en kerkgebouwen afgestoten. De Lutherse Diaconie besloot het kerkgebouw te kopen en er een hof van te maken. Dit past in het beleid van de Diaconie: investeren in gemeenschappen als duurzame dragers van diaconaal werk. Het hofwonen ziet de Diaconie als een prima model om antwoord te geven de behoefte aan nieuwe verbanden in een verindividualiserende samenleving. Een beproefde vorm ook, want de diaconie zet hiermee de lange kerkelijke sociale traditie van hofjes voort.

Foto: Nora Pruim

In september 2017 werd de tot hof verbouwde Augustanakerk in het Amsterdamse Bos & Lommer feestelijk geopend door wethouder Laurens Ivens. Ivens noemde de nieuwe Augustanahof een ‘traktatie’ -in Lutherjaar 2017- van de lutherse gemeenschap aan de stad.

NUMMER 45 OKTOBER 2018

1 - De steen werd bij de bouw in 1957 door de dochter Guusje van bouwpastor ds C. Pel ingemetseld. Tekst: ‘Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis’ uit Jesaja 56:7.


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

2 - Foto van de Augustanahof bij de oplevering, vanaf zijde Erasmuspark. Foto: Lutherse Diaconie Deze begon in 1670 met het Konijnenhofje, later het Zwaardvegershofje (1739), het Van Brants Rus Hof (1733), Anna Maria Stichting (1894) en de in 1909 gebouwde Lutherhof aan het Staringplein. In dit hof gingen enkele oudere hofjes op, wat nog terug te vinden is in de gevelstenen op de binnenplaats. Omzien naar elkaar Het centrale idee voor de transformatie van de Augustanakerk naar Augustanahof was: omzien naar elkaar en buurt. De Diaconie bouwde in de Augustana zestien (grotendeels sociale) huurwoningen. Een belangrijk deel bestemd voor ouderen. De

Diaconie wil hiermee inspelen op ontwikkelingen in de zorg waarbij ouderen langer zelfstandig zullen blijven wonen, maar wel vormen van ‘nabuur’-schap nodig hebben. Naast ouderen zouden er ook jongeren komen wonen die zich uitgedaagd voelen om zich – samen met alle andere hofbewoners – een deel van hun vrije tijd in te zetten voor hof en buurt. Eén van de woningen kreeg een gasthuisfunctie voor tijdelijke opvang van een jonge vluchteling. De huidige ontmoetingsruimte blijft ingezet worden voor activiteiten van kerk en buurt, zoals maaltijden, themabijeenkomsten en inloopactiviteiten. Hofbewoners, kerk en buurt dragen deze activiteiten met onder-

steuning van een diaconaal werker. Ofschoon er in het grootste deel van de huidige kerkzaal woningen kwamen, bleef het liturgisch centrum bewaard als kapel. Een plek voor kleinschalige vieringen en plek voor mensen die stilte willen zoeken of een kaarsje branden bij de ikoon. Ook de aan de kapel grenzende stiltetuin bleef voluit onderdeel van de Augustana, waar bezoekers en voorbijgangers welkom zijn. Vier toekomstige bewoners dachten als kwartiermakers mee over het concept en alle bewoners -jong en oud- onderschrijven de Regel van de Augustana, een commitment voor de inzet voor hof en buurt. Ook buurt15


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

Foto: Lutherse Diaconie

grondwoorden: • samen wonen • omzien naar elkaar in hof en buurt • gastvrijheid • stilte en inspiratie

3 - De toren in de steigers.

Bouw BIND, een samenwerking van Ponec de Winter en Wolters Vastgoed, schoof met schetsrol en rekenmachine aan tafel bij de Diaconie. BIND combineert expertise op het gebied van ruimtelijk ontwerp, vastgoed advies en strategie, procesmanagement en bouwtechniek. De integraliteit is bij BIND belangrijk. De leefomgeving is tenslotte het meest complexe samenspel van belangen is dat we kennen. Veranderingen in de leefomgeving vragen om collectieve wijsheid. Werken aan een daadwerkelijk duurzame leefomgeving gaat over mensen, over gemeenschappen, over cultuur, over verbindingen en relaties. Sociaal, ruimtelijk, economisch en ecologisch. Via een aantal scenario’s (sloop/nieuwbouw, optoppen, uitbreiden, verbouwen) werd duidelijk dat het zo dicht mogelijk blijven bij de oorspronkelijke structuur van de kerk en meebewegen met wat het gebouw te bieden heeft, het meest optimale antwoord opleverde op de droom van de Diaconie, het beste recht deed aan de plek, paste binnen de bestaande bestemmingsfuncties van ‘kerk, maatschappelijk en wonen’ en financieel haalbaar was. 16

De bestaande structuur bepaalde de woningtypologieën, de overmaat in hallen en gangen gaf ruimte aan collectiviteit. Waar mogelijk zijn de liefdevolle details bewaard en ingrediënten hergebruikt. Aanvullingen (voor buitenruimte, voor meer daglicht) zijn bescheiden en doelmatig ingezet, geheel in de geest van het frisse optimisme van het oorspronkelijke gebouw. Het bouwen aan het collectief van de toekomstige bewoners ging gelijk op met het ontwerpen en bouwen van de fysieke ruimte. Mensen en ruimte vonden en beïnvloedden elkaar.

De lutherse gemeenschap is zich bewust dat ze in een lange traditie staat. De gemeente is in 1588 voortgekomen uit Antwerpse vluchtelingen die de stad na Parma’s inname in 1585 moesten verlaten. Het is niet voor niks dat er op dit moment door de lutherse gemeenschap met enthousiasme gewerkt wordt aan de voorbereidingen van het Luthermuseum in de voormalige regentenkamers van het v/m Oude Mannen en Vrouwen Huis (de Wittenberg) aan de Nieuwe Keizersgracht. Zo vertellen en delen we onze geschiedenis en laten we tevens zien dat we springlevend zijn.

De entreehal, keuken en stiltetuin zijn gebleven en bieden nog steeds plek aan buurtactiviteiten. Het oorspronkelijke Liturgische centrum is getransformeerd naar een intieme kapel, een plek voor bezinning, voor bewoners en buurt. Onderzoek alles en bewaar het goede Het motto van Luthers Amsterdam is ‘Onderzoek alles en bewaar het goede’. Ontleend aan de apostel Paulus (1 Thessalonicenzen 5:21). Met de herbestemming van de Augustana wil de diaconie -figuurlijk en letterlijk- het ‘toevertrouwde pand’ bewaren. Figuurlijk. De drie oorspronkelijke functies van de Augustana, namelijk kerk, maatschappelijk en wonen blijven bewaard, maar krijgen een nieuwe invulling met als

Foto: Lutherse Diaconie

bewoners werden bij de plannen betrokken via klankbordbijeenkomsten.

Letterlijk. Naast de inhoudelijke doelstelling is het voor de diaconie ook belangrijk om het erfgoed te bewaren. Bij de verbouw werd het karakter van het gebouw zoveel mogelijk in tact gelaten. De glasinloodramen in de kapel -ontworpen door architect F.B. Jantzen- werden bewaard en van een nieuwe beschermmantel voorzien. De glas in lood ramen van de wand tussen de bewaarde ontmoetingsruimte en de voormalige kerkzaal werden herplaatst. Deze door ds. P.H.G.C. Kok gemaakte ramen waren oorspronkelijk afkomstig uit het Maarten Lutherhuis in Osdorp. Ook de ingemetselde Lutherroos en de (glas in lood) Zwaan -oorspronkelijk afkomstig uit het voormalig luthers wijkgebouw aan de Van Boetzelaerstraat- kwamen terug. De vloerdelen uit de kerkzaal werden verwerkt in vloer en meubilair van de kapel en in de nieuwe kitchenette.

4 - De ontmoetingsruimte is bewaard en wordt gebruikt voor activiteiten van hof, kerk en buurt. Hier maken kinderen uit de buurt palmpaasstokken samen met ouderen uit de hof.


NUMMER 45 OKTOBER 2018

Foto: Lutherse Diaconie

VITRUVIUS

Stand van zaken Intussen is de Augustanahof bewoond en voluit tot leven gekomen. In de 16 woningen wonen nu 17 vaste bewoners. Tien ouderen (60+) en zeven jongere mensen. De oudste bewoonster is 95, zij woont nu in de kerkzaal waar ze vroeger de kerkdiensten bijwoonde. De jongste is 22. In het gasthuis woont een 18-jarige Eritrese vluchteling. In juni beviel ze van een dochter. De bewoners zetten zich volop in voor de hof -en buurtactiviteiten, de tuincommissie en dragen de wekelijkse vespers in de kapel. En er is natuurlijk het spontane omzien naar elkaar. Toen in december een oudere bewoner overleed, werd hij opgebaard in de stiltekapel en begeleidden de bewoners zelf de afscheidsdienst in de ontmoetingsruimte. En toen de uitvaartondernemer kwam voorrijden luidden de bewoners de klokken en vormden ze een haag. Elke donderdag is er de door kok Leo en zijn team bereidde burenmaaltijd voor zo’n 40 buurt- en hofbewoners.

Foto: Lutherse Diaconie

5 - Een groep predikanten uit Augsburg (!) wordt rondgeleid door bewoner en (vrijwillig) huismeester Durk de Jong.

6 - Het voormalig liturgisch centrum, nu kapel met de door architect F.B. Jantzen ontworpen glasinloodramen. Hierin verwerkt zijn o.a. symbolen van de duif (Heilige Geest), het Avondmaal nl. kelk (wijn) en koren-aren (brood) en -iets verborgen- de lutherse zwaan. Ook is er een appel in verwerkt als verwijzing naar de aan Maarten Luther toegeschreven uitspraak: ‘Als ik wist dat morgen de wereld verging zou ik toch vandaag nog mijn appelboompje planten’. Zo blijft het gebouw de verhalen vertellen.

Foto: Lutherse Diaconie

Zo heeft de Augustana een herbestemming gekregen in de geest van de oorspronkelijke functies: kerk, maatschappelijk en wonen. En is het karakter van het gebouw als landmark in de buurt behouden. Meer informatie vindt u op www.diaconie.com. Met dank aan de inbreng van Dana Ponec van BIND

7 - De bewoners op de foto tijdens de opening op 23 september 2017 17


VITRUVIUS

Zirckels Kunst und Gerechtigkeit Ohn Gott Niemand uslait Cirkels kunst en regelmaat Zonder God geen mens verstaat.1

Inleiding De ontsluiting van de Joseph Cuypers Collectie op het gemeentearchief van Roermond, waarmee dit jaar een aanvang is gemaakt, brengt veel informatie aan het licht over de zoon van Pierre J.H. Cuypers, de architect van het Rijksmuseum en Centraal Station te Amsterdam.2 Het gaat daarbij niet alleen om nieuwe zaken, maar ook om de uitbreiding en nuancering van wat al bekend was. Daartoe behoort onder meer het ontwerpen op basis van geometrische uitgangspunten of het nu om een grafisch concept ging of een compleet gebouw. Want Joseph Cuypers was niet alleen architect, maar ook stedenbouwkundige, beoefenaar van toegepaste kunsten en grafisch ontwerper. De eerste die hem met deze methode vertrouwd maakte, was zijn vader die dit al vroeg in zijn eigen werk toepaste. Pierre senior laat zich daarmee zien als een ‘vitruvianist’ die er op vertrouwt dat een afleesbaar en helder systeem tot doelmatige en fraai geproportioneerde bouwwerken leidt (afb. 1). Dit kon niet los worden gezien van een rijke symbolische lading waarbij architectuur als betekenisdrager functioneerde.3 De generatie van zijn zoon borduurt hierop voort en werkt dit verder uit: architecten als H.P. Berlage, J.L.M. Lauweriks en K.P.C. de Bazel (de twee laatsten opgeleid aan het Amsterdamse bureau van Cuypers), en vooral niet te vergeten Joseph zelf, waren er intensief mee bezig. Hoe zag de kennis eruit die Cuypers senior op zijn bureau en als docent van de Rijksmuseumscholen doorgaf en wat gebeurde daarmee? 18

Cirkels kunst en regelmaat

De architecten Cuypers en het vitruvianisme Thijm revisited Wie de lijst van Cuypers’ artikelen doorneemt, merkt dat hij redelijk wat geschreven heeft. Over het algemeen bediende hij zich hierbij van ghostwriters, onder wie vrijwel zeker zijn vriend en Roermondse huisgenoot Willem Everts en – vooral niet te vergeten – zijn zoon Joseph. De

beheersing van de Nederlandse schrijftaal was niet Cuypers’ sterke punt. Daar leed de architect niet echt onder, integendeel; hij had sterke argumenten om zich bij zijn leest te houden. Illustratief is een interview met de Volkskrant, toen hij negentig werd. Toen hem gevraagd werd of zijn zwager, J.A. Alberdingk Thijm (1820-1889) –

Collectie: Cuypershuis Roermond.

Bernadette van Hellenberg Hubar Erfgoedprofessional & schrijver vanhellenberghubar.org

NUMMER 45 OKTOBER 2018

1 - Frans Cuypers, Portret van Pierre Cuypers (circa 1850). Cuypers is hier afgebeeld als geleerde architect conform de beschrijving van Vitruvius, met tekendoos, gelijkzijdige driehoek en een middeleeuws kapiteel. Typerend is ook de rijk gevulde boekenkast op de achtergrond. Het portret van zijn eerste vrouw met overleden dochtertje is waarschijnlijk postuum in 1855 toegevoegd. De lijst correspondeert met de Tudorboog als omlijsting van de hoofdingang van zijn woonhuis en architectenbureau uit 1853.


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

kunstcriticus en hoogleraar esthetica aan de Amsterdamse Rijksacademie – voor de moderne bouwkunst ‘dood’ was, antwoordde hij: ‘Geen sprake van. Hij heeft heel wat verheldering gebracht. De modernen van thans zijn voor ‘t goede van zijn school en moeten, voor ‘t leelijke nog bij hem in de leer. Ja met die ‘modernen’ is ‘t eigenaardig gesteld. Hun beginselen zijn veelal goed, maar in de praktijk schort ‘t vaak. Daar hebt ge een van de allerbesten, Berlage. In zijn beurs is veel te waarderen. Maar waarom plaatste hij in dit groot systeem van baksteen zoo zware natuursteenen onlogisch boven de ramen. Natuursteen moet geheel volgens den aard worden aangebracht. Een kwaal van de modernen is ook hun filosofeeren. Gratama was er zoo eene; thans hoor ik, gaat hij ook werken en arbeiderswoningen neerzetten. Er werd door sommigen teveel gefilosofeerd en te weinig gedaan. Daarbij: voor filosofie is toch een grondige, gezette studie noodig. Waarom moet dan een architect dilettant spelen in een ander vak; laat hij bouwen en juiste beginselen in toepassing brengen’.4 Zo werd Thijm bijna 30 jaar na zijn dood nog door zijn zwager geëerd vanwege zijn visie op de juiste beginselen van de bouwkunst. Hoe die er meer concreet uit zagen, geeft Cuypers zelf aan met termen als ‘onlogisch’ en natuursteen die je ‘volgens den aard’ van het materiaal moet gebruiken. Dit jargon past helemaal bij zijn visie op het rationele bouwen, waarbij vorm, functie en materiaalgebruik op een logische manier interfereerden. Hierbij gold als belangrijkste vormgevende principe dat architectuur ‘op de vaste regelen der geometrie, op de heele schepping gebaseerd’ was.5 Cuypers’ proportiesysteem maakte dus deel uit van die logica en daarom doet het vreemd aan dat hij daar nooit over gepubliceerd heeft. Dat het om een vakgeheim ging – zoals wel wordt verondersteld – is hoogst onwaarschijnlijk, omdat hij dit systeem onder meer op het lesprogramma had staan als docent van de scholen op de zolders van het Rijksmuseum.6 Wat het antwoord ook mag zijn, zijn zoon Joseph Cuypers, had die schroom niet. Zijn generatie vulde de kolommen van het blad Architectura in de jaren tussen globaal 1890 en 1905 met betogen over ontwerpen op systeem, waarbij vooral de oriëntaalse voorbeelden op het podium werden geplaatst.7

Deze accentverschuiving daargelaten, deelde Joseph de visie van zijn vader op de betekenis van Thijm. In de late negentiende en vroege twintigste eeuw was er sprake van een herleefde interesse in zijn peetoom. Die kwam niet alleen van roomse huize, maar ook van andersgezinden. Ik noem hier Berlage, met wie Joseph Cuypers actief was binnen ‘Architectura et Amicitia’. In zijn artikel ‘Iets over Gothiek’ in Architectura (1895) haalde Berlage hele passages aan uit het naslagwerk van Thijm over kerkbouwsymboliek, De Heilige Linie (1858), overigens zonder de bron te vermelden. Ook al constateerde Berlage dat men in de middeleeuwen de symbolen er af en toe ‘met de haren bijgesleept’ had, zijn kennis hiervan heeft de iconografie van zijn Beursgebouw diepgaand beïnvloed.8 Nauw verbonden met de bouwsymboliek figureerde dat andere thema, waar de generatie van Berlage en Joseph Cuypers intensief mee bezig was, en dat was de ontwerpmethodiek. Thijm, die volgens Cuypers in 1917 nog altijd rolmodel kon zijn voor de ‘modernen’, ging in De Heilige Linie onder meer in op het proportiesysteem. Natuurlijk kon hij het wiskundige grondpatroon van middeleeuwse kerken niet loskoppelen van de oeroude symboliek die daarin besloten lag: ‘de Gothiek, namelijk’, aldus Thijm, ‘komt tot hare hoogste bevruchting en ontwikkeling door de vereeniging van den geometrischen Drie- en Vierhoek. ‘t Is hier de plaats niet, om daar dieper in te treden, maar dit staat vast, dat met den vierkanten typus, waarin men de stoffelijke orde besloten rekende, over-een-komt de vorm, dien men aan de arke van Noë toeschreef, namelijk een verlengde kubus of parallelopipedum’.9 Tegelijkertijd staat dat vierkant voor het beeld van de aarde als ‘den grooten tempel Gods’ en vormt de gelijkzijdige driehoek het symbool van de Drie-eenheid. Het valt op dat de enige afbeeldingen in Thijms werk zeer eenvoudige, geometrische schema’s zijn, die hij zelf heeft afgeleid uit bestaande gebouwen. Ter toelichting van de compositie van een kerk uit hele en halve vierkanten en driehoeken beeldt hij twee figuren af, waarvan respectievelijk de ‘proportie is genomen van het middenschip der Bossche St Jan’ en ‘de kapel der L.-Vr.-Broederschap aan de St Jan. De apsis is de halve zeshoek’. Op soortgelijke wijze wordt de verhouding tussen vierkant

en driehoek in een gotisch venster geïllustreerd aan de hand van de ramen van de Sainte Chapelle te Parijs. De geijkte vorm van een kerkgebouw met zijn halfrond koor is dan ook te herleiden tot de combinatie van het vierkant als symbool van de tijdelijke, aardse orde en de driehoek – net als de cirkel waar hij uit geboren wordt – als symbool van de eeuwige orde. Daarnaast kunnen de achthoekige en ronde heiligdommen volgens Thijm herleid worden tot ‘kruislings over elkaar gelegde lankwerpige vierkanten, en nadere aanduiding der vier hemelstreken’. De gestalte van het kruis werd hierdoor in de christelijke traditie geïdentificeerd met ‘het vierkant der waereld’.10 Hiermee kwam de oeroude parallel tussen de wereldschepping en de schepping van architectuur weer om de hoek kijken. Kort gezegd, wie een tempel bouwde, bouwde de wereld na! In tegenstelling tot de Dictionnaire van Viollet-le-Duc (1864), geeft Thijm geen uitvoerige reken- en ontwerpmodellen van het middeleeuwse proportiesysteem. Wel spreidt hij zijn kennis ten toon in 1858 bij de bespreking van de nieuwe kerk te Schiedam in zijn tijdschrift de Dietsche Warande: ‘Er is daarin geen spoor eener genetieschgeometrische wording, en de vergelijking aller verhoudingen aan deze kerk bewijst, dat de maker zoo min ooit een oog heeft gehad in de beredeneerde praktijken der meesters Steinmetzen, Matthias Roriczer of Larenz Lacher als in de minder of meer praktische leeringen van Solvyns, Heinrich Leibnits of Viollet-le-Duc’.11 Thijm noemt hier het werk van zijn tijdgenoten, onder wie Viollet-le-Duc, in één adem met de kort daarvoor herontdekte geschriften van de middeleeuwse meesters Roriczer en Lacher. Joseph Cuypers zou de propaganda van Thijm voor het geometrische ontwerpsysteem vertalen in een allegorische gedenkplaat, die hij in 1889 na de dood van zijn oom en naamgever maakte (afb. 2). In de lengteas van de afbeelding is onder Thijms portret een diagramachtige tekening geplaatst, die een reeks driehoeken en vierkanten, een veelhoek en een enkele cirkel toont, waarin zowel de plattegrond als de opstand van een kerk gelezen kunnen worden.12 Dit diagram, dat wordt toegelicht met de volledige titel van De Heilige Linie, kan geïnterpreteerd worden 19


NUMMER 45 OKTOBER 2018

Herkomst: Architectura (zie noot 13).

Herkomst: Rijksmuseum, nr RP-P-2016-659.

VITRUVIUS

2 - Gedenkplaat voor J.A. Alberdingk Thijm (18201889), ontworpen door zijn peetzoon Joseph Cuypers en uitgevoerd door A.R. van de Pavert. Als symbool van De Heilige Linie heeft Joseph onder het portret van Thijm de plattegrond met de gewelven en een opstand van een kerk in elkaar geschoven die bestaan uit een reeks driehoeken en vierkanten, een veelhoek en een enkele cirkel. als een compact samengeperste bouwtekening, die een tipje oplicht van de sluier over het ontwerpsysteem van Cuypers. Je kunt dit onder meer toetsen aan de hand van het plan van de kerk van Neerbosch (1874), gereproduceerd in het aan Cuypers gewijde jubileumnummer van Architectura uit 1897 (afb. 3). Hierin wordt, naar verluidt door Joseph Cuypers, beschreven dat op grond van het aantal plaatsen eerst de breedte en de lengte van het middenschip zijn vastgesteld: ‘Op geometralen grondslag is de zijbeuk daarbij opgezet, onmiddelijk wordt nu op eene enkele travé in plan, de dwarsdoorsnede opgehaald, een vak der lengtedoorsnede volgt dan onmiddelijk, met een enkele oogopslag vormt men zich een beeld van den geheelen bouw’.13 20

3 - Pierre Cuypers had een soort steno ontwikkeld waarin de gelijkzijdige driehoek centraal stond. Zo kon hij in enkele lijnen de basis van een ontwerp neerzetten, in dit geval van de kerk van Neerbosch. Zijn tekenaars wisten hoe zij dit concept moesten uitwerken in concrete bouwtekeningen.

Een dergelijke op het oog wat verwarrende calque, waarbij op die van Neerbosch verschillende malen de gelijkzijdige driehoek als module ingeschreven staat, fungeerde volgens de auteur als een soort codificatie. De geroutineerde tekenaar op het bouwbureau wist uit een dergelijk gecomprimeerd ontwerp een complete set tekeningen te produceren. Het Europese debat Het geometrische diagram in de gedenkplaat van Joseph Cuypers vormt een eerbetoon aan de betekenis die Thijm ook op dit punt voor Cuypers heeft gehad. Thijm heeft namelijk De Heilige Linie op instigatie van zijn zwager geschreven. Dat komt naar voren uit de inleiding, die Cuypers bij de tweede druk van dit werk in 1910 verzorgde. Daarin vertelt hij dat het hem aan

het begin van zijn carrière niet lukte om de clerus van het belang van de oriëntatie te overtuigen: ‘Of ik al beweerde, dat reeds in de eerste eeuwen werd voorgeschreven iedere kerk oostwaarts te richten, dat reeds de ‘Constitutiones Apostolicae’ dit voorschrift behelsden, dat Durandus, Bisschop van Manden in zijn `Rationale Episcoporum’ verklaart, hoe de geheele liturgie op de Heilige Linie, d.i. op de oostwaarts gerichte as der kerk gebaseerd is, het baatte alles niet’.14 Alleen bij Thijm vond hij begrip voor zijn frustraties. De vele gesprekken tussen de twee zwagers leidden dan ook tot een grondige studie met als resultaat De Heilige Linie waarin ontwerpmethode en symbo-


4-D  e Dom van Keulen tijdens de voltooiingscampagne (1823-1863) in 1858. liek nauw aan elkaar verknoopt worden. Wanneer we dit in Europees verband plaatsen, dan zien we dat Cuypers en Thijm hiermee stelling hebben genomen in het debat over het driehoeksstelsel tussen het Franse en Duitse/Engelse kamp van oudheidkundigen en architecten. Namen die de geschiedenis in zijn gegaan als geestverwanten raakten met elkaar slaags over de spirituele kant van de triangulatuur, zoals dit systeem in vakkringen genoemd werd. De Fransen vonden de mystiek getinte visie op de triangulatuur van de Duitsers en de Engelsen – die Thijm en Cuypers deelden – simpelweg flauwekul en lieten dan ook niet na dit te pas en te onpas te verkondigen. Daarmee had men een sterke tegenpartij gekozen, want met name de groep rond de voltooiing van de Dom van Keulen was overtuigd van die spiritualiteit (afb. 4). Onzin, meende men in het Franse kamp, in de techniek moest je nuchter blijven en niet teveel symbolische poespas verzinnen: ‘Het traject met de meetlat en de passer was een absolute voorwaarde voor de uitvoering (van het werk) door de bouwvakker. Ook de duizenden grillige ornamenten uit de vijftiende eeuw waren slechts het resultaat van geometrische combinaties waarvoor wiskundige regels bestonden. Die regels waren alleen maar het middel dat de werkman voor de uitvoering ter beschikking stond, maar daar bleef het bij; en het is dan ook een vergissing om hun een grotere rol toe te bedelen en overal op toe te passen (dus ook buiten de techniek), zoals Boisserée en Cesariano doen, de laatste in zijn uitgave van Vitruvius’.15

Dat hier Sulpiz Boisserée, een van de grote voormannen van de voltooiing van de Dom van Keulen, wordt bekritiseerd, valt te begrijpen, maar Cesariano! Cesariano was namelijk geen tijdgenoot, maar een zestiende-eeuwse theoreticus. Hij is de geschiedenis ingegaan als de man die het beroemde naslagwerk van de Romeinse bouwmeester Vitruvius Libri decem de architectura (Tien boeken over architectuur) had aangepast voor de toenmalige (renaissance) bouwkunst (1521). Het bijzondere hiervan was dat Cesariano de klassieke canons van Vitruvius had uitgebreid met de gelijkzijdige driehoek ‘germanico more’ (=op zijn Duits). In dit renaissance traktaat stonden dus de klassieke modellen broederlijk naast de voorbeelden die volgens de triangulatuur waren ontworpen (afb. 5).16 De voltooiing van de Dom van Keulen trok internationaal belangstelling, ook in Nederland. Een van Thijms strijdbare geestverwanten, de publicist Jan Wap, schreef er een prachtig artikel over in zijn tijdschrift De Christelijke Kunstspiegel. Dat was trouwens in dezelfde jaargang waarin het gedicht ‘Bouwkunst’ van Thijm gepubliceerd werd. Hierin brak de toen nog jonge kunstcriticus een lans voor de toepassing van inheemse, renaissancistische en gotische vormen in plaats van een idioom dat een hoogtepunt vond in de ‘dorre blaadren eener uitgebloeide akanth’. Weg met die ‘bastaart-Grieksche teelt’, schreef Thijm, die door ‘bouwers zonder ziel’ aan de Nederlandse huizen opgedrongen werd.17 Maar dan de Dom van Keulen!

Herkomst: Witkower, Gothic versus Classic (zie noot 16).

NUMMER 45 OKTOBER 2018

Herkomst: Rijksmuseum, nr RP-F-1997-90.

VITRUVIUS

5-C  esare Cesariano (1521) toont het ontwerpen op systeem op de wijze van Vitruvius en de (gotische) aanpak van de Duitsers: het systeem van cirkel en vierkant werd verenigd met dat van de gelijkzijdige driehoek. Cesariano illustreert dit aan de hand van de kathedraal van Milaan. Wat een inspiratie! Wat een geestdrift lag aan dit grootse project ten grondslag. Ook Wap kwam er niet over uit. Hij is diep onder de indruk van het ‘mathematisch streng-bearbeid’ karakter van de Dom, waarover hij in een noot opmerkt: ‘Bij ieder waar kunstwerk ligt, wanneer men het geheel en al ontleedt, eene wezenlijk mathematische natuur ten grondslag; zijne hoogste wetten zijn de wetten der Mathesis. De verhoudingen der vormen en getallen zijn onsterfelijke waarheden, afstammende en afhankelijk van die eeuwige Waarheid, waarin zij bestaan – van God. – (God heeft alles verordend in zwaarte, tal en maat. – Boek der Wijsh. IX, 21.)’.18 Deze laatste spreuk uit het boek Wijsheid van Jezus Sirach werd door Thijm verwerkt in een gedicht op Cuypers en later gekalligrafeerd in de onderdoorgang van het Rijksmuseum.19 Wap verklaart met grote stelligheid dat ‘de typus’ die alle bouwmeesters voor ogen zweefde bij het opstellen van hun plannen en het aanbrengen van de details besloten lag in de hymne Caelestis urbs Jerusalem, de volmaakt geproportioneerde hemelstad, die 21


VITRUVIUS

Foto: Jan Strauss Roermond.

Johannes in zijn Apocalyps op aarde zag nederdalen. Bij het Keulse ‘symbolum der Oneindigheid’ is het vooral het koor dat de ‘sleutel van het geheele bouwplan des Doms’ levert, waarin het grote wereldraadsel van de Drie-eenheid verzinnebeeld is.20 Tien jaar vóór De Heilige Linie laat Wap al zien dat de boodschap van Boisserée aangekomen is. Ook hij belijdt de door de Fransen afgewezen ‘réligion du triangle équilateral’.21 Niet alleen de katholieken raakten geïnspireerd door de Dom van Keulen, want ook uit de vrijmetselaarshoek komt een pleidooi voor de triangulatuur. Het staat op naam van Servaas de Jong, wiens boek Bijdrage tot de kennis der Gothische Bouwkunst of Spitsbogenstijl in Nederland in 1851 verscheen. De Jong is daarvoor zelf op

Herkomst: Rijksmuseum, Amsterdam.

6 - Een van de tegeltableaus van de Roermondse Teeken- en Ambachtsschool van Pierre en Joseph Cuypers en Nicolaas van der Schuit (1904-1908). Hierop staan de belangrijkste instrumenten van de architect: passer, winkelhaak en driehoek.

7 - Georg Sturm naar een concept van Pierre Cuypers, Karton van de schildering in de Voorhal van het Rijksmuseum met de allegorie op het bouwvak (circa 1885).

bezoek gegaan bij de Dombaumeister E.F. Zwirner die hem vol trots de oorspronkelijke, middeleeuwse bouwtekeningen heeft laten zien: ‘Deze teekening, van welke ik in de werkplaatsen van den Dombau een fac simile zag, is ongetwijfeld door een der grondleggers der kerk vervaardigd. Dat is ook het gevoelen van den heer ZWIRNER en andere bekwame mannen, met wie ik mij er over onderhield. Van het basement tot de ornamenten in den top der spits, is de type van den gelijkzijdige driehoek overal heerschende; terwijl in alle hetzij geheel of gedeeltelijk voltooide Gothische torens, zoo als b.v. te Straatsburg en te Antwerpen, die type zich meer en meer verliest, naar mate de bouw hooger wordt’.22 Vitruvianisme Het werk van Servaas de Jong is symptomatisch voor de interesse van zijn tijd. Eind jaren veertig en begin jaren vijftig van de vorige eeuw gonsde het dan ook van de deels mystieke, deels op de praktijk afgestemde theorieën over getallen- en proportieleer. Zo apart was het dus niet dat Cuypers al vroeg in zijn carrière zijn gebouwen volgens de gelijkzijdige driehoek componeerde. Deze ontwerpmethode zou hij op consistente wijze zowel in zijn architectuur als in het onderwijs uitdragen. Bij zijn afscheid van de Rijksmuseumscholen in 1895 zou J.H. de Groot, oud-leerling van de Rijksnormaalschool en leraar aan de Quellinusschool, dit als voorzitter van de huldigingscommissie als volgt memoreren: ‘Denk ik aan Uwe lessen, dan springt altijd eene zaak sterk naar voren, dat is ‘t gebruik wat gij maaktet van passer en driehoek bij de schetsen op bord ter illustratie. Ik heb sinds dien tijd een onbepaalden eerbied voor passer en driehoek, vooral voor den driehoek. Ze vertegenwoordigen voor mij: maat, systeem; dat waart Gij zoo geheel en al en nog iets, wat men U zoo vaak heeft ontzegd: Verhouding, vermoedelijk omdat gij niet rondliept met een zakboekje [sic] van Vitruvius of een van zijn navolgers. Immers de driehoek zegt voor ons Verhouding’.23

Foto: Jan-Jaap Kuyt 1995. 22

NUMMER 45 OKTOBER 2018

8 - Frans Vermeylen naar een concept van Pierre Cuypers, Reliëf met de Griekse architect of ‘meester van het werk’ in de voorgevel van het Rijksmuseum (1881-1885). Op de banderol staat het klassieke kwadratuurschema van cirkel, driehoek en vierkant.

Maat, systeem en verhouding maakten kortom de ontwerptheorie van Cuypers tot het ‘middeleeuws-moderne’ alternatief van het classicisme. Paradoxaal genoeg,


NUMMER 45 OKTOBER 2018

Foto Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed– Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2015.

VITRUVIUS

9 - De archiefkast van Joseph Cuypers voor kasteel De Haar, naar een concept van Pierre Cuypers, met de vrije, theoretische kunsten boven en de mechanische, toegepaste kunsten onder (1893). Verblijfplaats: Museum Cuypershuis te Roermond.

ging dit niet gepaard met een algehele verguizing van de klassieke canons, zoals zijn leerling De Groot hierboven suggereert. Integendeel, het prachtige reliëf met De Bouw- en Beeldhouwkunst boven de onderdoorgang van het Rijksmuseum laat zien dat Cuypers het Griekse grondpatroon van zijn ‘ontwerpen op systeem’ erkende (afb. 8). Toch zou niet hij, maar zijn leerling De Groot naam maken als degene die, volgens Berlage (1934), een codificatie of ‘schema voor den modernen tijd’ had gemaakt van de triangulaire ontwerpmethode.24 Al verzuimde Berlage daarbij naar de inmiddels overleden grand old man Cuypers te verwijzen, Cuypers had in zijn favoriete taal, die van het beeld, zijn ideeën uitgedragen. Zo toont de Oefenschool bij het Rijksmuseum uit 1892 in tegeltableaus onder meer geometrische symbolen en instrumenten die benodigd zijn voor het ontwerpen. Ook de Roermondse Teekenen Ambachtsschool (1904-1908) laat naast een in elkaar geschoven diagram met meetkundige driehoeken (afb. 12), een schild

10 - De vrije kunst van de geometrie op de archiefkast voor kasteel De Haar. Een docent legt de wet van Pythagoras uit die boven zijn hoofd staat afgebeeld. In de boeken die gebruikt worden staan cirkel, driehoek en vierkant. Verblijfplaats: Museum Cuypershuis te Roermond.

zien met de instrumenten driehoek, passer en winkelhaak (afb. 6). Verder liet Cuypers zich zeer vroeg al, circa 1850, door zijn broer portretteren als de geleerde architect, de architectus doctus met de tekendoos en de gelijkzijdige driehoek. Inmiddels is gebleken dat Cuypers zich op dit portret laat afbeelden volgens de beschrijving die Vitruvius van de ideaal opgeleide architect geeft (afb. 1). We laten een klein stukje volgen: ‘Vervolgens moet hij met de tekenstift kunnen omgaan, om met uitgewerkte schetsen beter te kunnen uitbeelden hoe hij wil dat het werk eruit gaat zien. Wat de meetkunde betreft: die biedt diverse hulpmiddelen voor de bouwkunde. Na de rechte lijnen leert hij allereerst de passer te gebruiken; dat vergemakkelijkt in hoge mate het uitzetten van bouwwerken op de bouwplaats en het zuiver stellen van rechte hoeken, oppervlakken en rechte lijnen. Verder wordt met optische kennis de lichtinval in gebouwen uit de gewenste hemelrich-

tingen nauwkeurig geregeld. Met behulp van de rekenkunde worden de bouwkosten opgeteld en de verschillende afmetingen becijferd, terwijl lastige problemen die zich voordoen bij de evenwichtige verhoudingen volgens meetkundige principes en methoden worden opgelost. Van geschiedenis moet hij uiteraard vrij veel weten, omdat bouwmeesters voor hun werken vaak kwistig ornamenten ontwerpen. Als iemand vraagt waarom ze die hebben aangebracht, moeten ze daarvan de betekenis kunnen uitleggen’.25 We hebben het hier over een bouwmeester die onder Julius Caesar werkte! Hoe sterk Cuypers als een vitruvianist kan gelden, blijkt onder meer uit de herbouw van de torenbekroning van de gotische Petruskerk te Sittard uit 1859. Tijdens de restauratie in 1985 werd duidelijk dat Cuypers zijn torenspits – één van de mooiste uit zijn oeuvre – geconstrueerd had op basis van de ‘gulden snede’. Cuypers had namelijk ontdekt dat de middeleeuwse 23


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

Foto: bvhh.nu 2013.

zijdige driehoek tezamen de proporties van de deels gotische, deels neogotische toren in een hecht systeem verankeren. Middeleeuws en klassiek zouden dus bij Cuypers’ ontwerpmethode al vrij vroeg samengaan.26

11 - Embleem van Joseph Cuypers als architect van de nieuwe Bavokathedraal te Haarlem in het triforium van de apsis.

12 - Een van de tegeltableaus van de Roermondse Teeken- en Ambachtsschool van Pierre en Joseph Cuypers en Nicolaas van der Schuit (1904-1908). Hierin zijn de drie primaire schema’s van het driehoekssysteem van Viollet-le-Duc gecombineerd tot één afbeelding, waaronder de drie sleutelwoorden uit de bijbehorende tekst in de Dictionnaire staan: Geometrie, Stabiliteit en Proportie (zie noot 11). bouwmeester deze toegepast had op de oorspronkelijke opbouw van de toren. Reden te meer om gebruik te maken van de triangulaire wisselwerking tussen passer, driehoek en duimstok. Met de gulden snede, de pythagoreïsche driehoek waaruit de 24

Egyptische driehoek afgeleid kon worden, en de gelijkzijdige driehoek die uit de cirkel geconstrueerd werd, beschikte Cuypers over goed gereedschap om harmoniërende afmetingen te bepalen. Onderzoek gaf dan ook aan dat de gulden snede en de gelijk-

Cirkel, vierkant, driehoek Op verschillende manieren hebben Pierre en Joseph Cuypers zich geprofileerd als vitruvianistische architecten. Ik noemde al het portret van Cuypers’ broer circa 1850 en de symbolen in de gevels van de Oefenschool bij het Rijksmuseum en de Teeken- en Ambachtsschool te Roermond. Maar dat waren niet de enige uitingsvormen. Het belang van het klassieke proportiesysteem voor de eigentijdse bouwkunst werd ook in de uitmonstering van het Rijksmuseum (1885) uitgedrukt; onder meer door de schildering van Georg Sturm met de allegorie op het bouwvak in de Voorhal, waarin een directe relatie tussen de passer en de Dorische tempel wordt gelegd (afb. 7). Aan de buitenkant werd aan de voorgevel bovendien een Griekse architect afgebeeld met over zijn arm een banderol waarop de basale geometrische vormen cirkel, vierkant en driehoek zijn te zien (afb. 8). Het Rijksmuseum werd zo gepositioneerd als een directe afgeleide van de klassieke cultuur. ‘Wij moeten dus onze aandacht wijden aan de bouwwerken der Grieken en der Middeneeuwen’, zou Cuypers hebben gezegd.27 Dat wordt op een bijzondere manier geïllustreerd door de archiefkast in het Cuypershuis te Roermond. Hierop zijn voorstellingen te zien van de vrije en mechanische kunsten uit de middeleeuwen (afb. 9). Het boeiende hiervan is dat deze kast niet door Pierre, maar door Joseph ontworpen blijkt te zijn. Op de bestektekening staat het monogram van Joseph Cuypers en het opschrift: ‘Kasteel Haarzuylen. Archiefkast v.d. Leeszaal in den westhoek’ (1893).28 Op een van de panelen wordt de vrije kunst van de geometrie geïllustreerd door een docent die de stelling van Pythagoras uitlegt aan de hand van een schema dat achter hem staat afgebeeld. In de boeken in dit tafereel zien we cirkel, vierkant en driehoek (afb. 10). Hoe sterk Joseph de visie van zijn vader op dit punt deelde blijkt daarnaast uit de symbolen van het bouwvak die hij heeft verwerkt in het triforium van de apsis van zijn opus magnum, de nieuwe Bavo te Haarlem (afb. 11). Hier wordt zijn rol als architect gesymboliseerd


13 - Bij gelegenheid van de 90ste verjaardag van Pierre senior in 1917 werd deze portretfoto gemaakt, waarop hij vergezeld wordt door zijn zoon Joseph die toen 56 jaar was. Het was waarschijnlijk een goed moment om het architectenbureau onder de aandacht te brengen door de naam en het imago van de oudeheer te verzilveren.


VITRUVIUS

door: ‘de cirkel, als symbool der eeuwige orde. het vierkant, als symbool der tijdelijke orde. de driehoek, als symbool der stabiliteit en harmonie.’29 Is het niet frappant dat, terwijl bij de cirkel en het vierkant hun symbolische lading wordt benadrukt, dat bij de driehoek niet het geval is. Dit essentiële onderdeel van de ‘réligion du triangle équilateral’ krijgt een betekenisverschuiving in de richting van het constructiesysteem van Viollet-le-Duc, zoals een van de emblemen van de Roermondse Teeken-en Ambachtsschool illustreert (afb. 12). Ze waren het met elkaar eens, vader en zoon Cuypers, maar dat betekende niet dat er geen verschillen waren. Ik noemde al het Arabische idioom dat in de jaren 1890 furore maakte bij de jonge architecten van ‘Architectura et Amicitia’. Niet dat Cuypers daar pertinent op tegen was – zijn vriend Viollet-le-Duc had het Moorse compositiesysteem al tot domein van de hedendaagse architect verklaard – maar hij heeft zich er zelf niet meer in verdiept.30 Daarnaast valt op dat hij bij zijn ontwerpen bij voorkeur de gelijkzijdige driehoek als hoofdmodule aanhoudt. De 45-graden driehoek lijkt vooral gereserveerd te worden voor de detaillering en doet zich verder voor bij dakhellingen (afb. 3). Dat laatste geldt ook voor de Egyptische driehoek die onder meer bij de kappen van de kerken van Oeffelt en Doetinchem zou zijn gebruikt.31 Joseph Cuypers slaat een andere weg in door deze module bij de nieuwe Bavo een leidende positie in het ontwerp te geven; hij doet dit in combinatie met de reeks van Fibonacci die weer uitgaat van de gulden snede (1893-1898; 1902-1906).32 Hoe nieuw dit op dat moment was, vergt nader onderzoek, want de interactie tussen de actieve leden van ‘Architectura et Amicitia’ was groot. In ieder geval was er iets in beweging gezet: nauwelijks later dan Joseph Cuypers zou Berlage de Egyptische driehoek als hoofdmodule toepassen in zijn ontwerp voor het nieuwe Beursgebouw aan het Rokin (1896-1903).33 Geraadpleegde literatuur •  Berens, Hetty, Jan Bank, Wilfred van Leeuwen e.a. P.J.H. Cuypers (18271921): het complete werk. Rotterdam: NAi Publishers, 2007. •  Berlage, H.P. “Iets over Gothiek”. 26

Architectura, Orgaan van het Genootschap Architectura et Amicitia 3 (1895): 70–71, 72–73, 74–75, 76, 86-87. •  Broeke, van den, Leonardus (L.v.d.B.). “Bij dr P.J.H. Cuypers”. De Tijd, Godsdienstig-Staatkundig Dagblad, 15 mei 1917. http://bit.ly/2O9nBMT. •  Cuypers, Joseph (toeschrijving), ‘Petrus Josephus Hubertus Cuypers’, in: Architectura, Orgaan van het Genootschap Architectura et Amicitia 5 (1897), pp. 1-4. http://bit.ly/Architectura-Tresor •  Cuypers, Joseph Th.J., en A. van de Pavert. “Portret van Josephus Albertus Alberdingk Thijm, anonymous, Joseph Theodorus Johannes Cuypers, after A. v.d. Pavert, 1889”. Stichting Het Rijksmuseum, 1889. http://bit. ly/2NPamQC-Rijksmuseum. •  Cuypers, Pierre J.H. “De Heilige Linie”. In De Heilige Linie, proeve over de oostwaardsche richting van kerk en autaer als hoofdbeginsel der kerkelijke bouwkunst, xiv–xvi. Sterck, J.F.M., red., J.A. Alberdingk Thijm, werken IV, kunst en oudheidkunde I. Amsterdam/Den Haag: C.L. van Langenhuysen, Martinus Nijhof, 1909. http://bit. ly/Thijm-HeiligeLinie-Kompozitie. •  Erftemeijer, A., A. J. Looyenga, en Marike van Roon. Getooid als een bruid: de nieuwe Sint-Bavokathedraal te Haarlem. Haarlem: Gottmer, 1997. •  Germann, Georg. Neugotik: Geschichte ihrer Architekturtheorie. Stuttgart: Deutsche Verlags-Anstalt, 1974. •  Geurts, Hub, en B.G.C. Janssen. De trots van Sittard in de steigers. (Overdruk gelijknamige reeks artikelen in het parochieblad H. Petrus en H. Michael 1984-85). Sittard: VVV Sittard, 1986. •  Groot, J.H. de. “Toespraak gehouden den 12 mei j.l. bij de aanbieding eener oorkonde aan dr. P.J.H. Cuypers, in den grooten voorhal van ’s Rijks-Museum”. Architectura, Orgaan van het Genootschap Architectura et Amicitia 3 (1895): 87–88. http://bit.ly/Architectura-Tresor •  Hubar, Bernadette van Hellenberg. “‘Dispereert niet...’, de Beurs van Berlage als project in het no-nonsense beleid.” Bulletin KNOB, Tijdschrift van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 87 (1988): 35–43. http://bit.ly/2HUV7mH-Hubar. •  Hubar, Bernadette van Hellenberg. “De sortering van het verleden. De archiefcollectie van Joseph Cuypers bij

NUMMER 45 OKTOBER 2018

het gemeentearchief van Roermond”. Spiegel van Roermond 25 (2017): 100–107. •  Hubar, Bernadette van Hellenberg. Arbeid en Bezieling: de esthetica van P.J.H. Cuypers, J.A. Alberdingk Thijm en V.E.L. de Stuers, en de voorgevel van het Rijksmuseum. Nijmeegse kunsthistorische studies, d. 3. Nijmegen: Nijmegen University Press, 1997. •  Hubar, Bernadette van Hellenberg. De nieuwe Bavo te Haarlem: ad orientem - gericht op het oosten. Zwolle; Haarlem: Wbooks ; Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, 2016. •  Jong, Servaas de. Bijdrage tot de kennis der gothische bouwkunst of spitsbogenstijl in Nederland. Amsterdam, 1851. •  Leeuwen, A. J. C. van. Pierre Cuypers, architect (1827-1921). Cultuurhistorische studies. Zwolle : Amersfoort/ Zeist: Waanders  ; Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, 2007. •  Oxenaar, Aart. P.J.H. Cuypers en het gotisch rationalisme: architectonisch denken, ontwerpen en uitgevoerde gebouwen 1845-1878. Rotterdam: NAi Uitgevers, 2009. •  Vitruvius en Ton Peters (vertaling). Handboek bouwkunde. Amsterdam: Athenaeum-Polak en Van Gennep, 1997. •  Stuers, Victor de. “Dr P.J.H. Cuypers”. Elseviers geïllustreerd maandschrift 10 (1900): 193–205. •  Thijm, J.A. Alberdingk. “Nieuwe bouwwerken, voltooyingen en -herstellingen in Nederland III, Kerken (II), V Parochiekerk van Onz’-Liever-Vrouwen-Vizitatie, te Schiedam”. Dietsche Warande 4 (1858): 51–88. •  Thijm, J.A. Alberdingk. De Heilige Linie, proeve over de oostwaardsche richting van kerk en autaer als hoofdbeginsel der kerkelijke bouwkunst. Sterck, J.F.M., red., J.A. Alberdingk Thijm, werken IV, kunst en oudheidkunde I. Amsterdam/ Den Haag: C.L. van Langenhuysen, Martinus Nijhof, 1909. http://bit.ly/ Thijm-HeiligeLinie-Kompozitie. •  Thompson, M.A. De nieuwe kathedrale kerk ‘St. Bavo’ te Haarlem. Bouwgeschiedenis, constructie en symboliek. Haarlem: Henri Coebergh, 1898. http://bit.ly/2nm8qUz-Thompson •  Timmers, Katrien. “Cuypers, Van


VITRUVIUS

NUMMER 45 OKTOBER 2018

Zuylen et ‘le goût Rothschild’: interieur en collectie”. In Tien eeuwen Kasteel de Haar: wat een weelde, 1ste dr., 304–33. Zwolle: WBOOKS, 2013. •  Viollet-le-Duc, Eugène. Dictionnaire raisonné de l’architecture française du XIe au XVIe siècle. 10 vols. Parijs, 1854. http://bit.ly/ Viollet-le-Duc-Dictionnaire. •  Wap, Jan. “De christelijke kunst”. De Nederlandsche kunstspiegel 3 (18471848): 37–45. •  Wittkower, Rudolf. Gothic versus Classic: Architectural Projects in Seventeenth Century Italy. London: Thames and Hudson, 1974. Referenties 1  Spreuk toegeschreven aan de oude ‘Steinmetzen’ bij de Dom van Keulen, in 1848 vertaald door Jan Wap, ‘De Christelijke Kunst’, pp. 40, 44. Zie Hubar, Arbeid & Bezieling, p. 331. Dit artikel vormt een bewerking van een hoofdstuk uit mijn proefschrift Arbeid en Bezieling (1997) die in eerste instantie diende als achtergrondverhaal bij het erfgoedspel De Cuyperscode (20072008). Bij de voorliggende bewerking zijn tevens de bevindingen betrokken van het slothoofdstuk van mijn boek over de nieuwe Bavo te Haarlem (2016). 2  Zie voor deze collectie Hubar, ‘De sortering van het verleden’. 3  Hubar, Arbeid & Bezieling, p. 231. 4  Van den Broeke (L.v.d.B.), ‘Bij P.J.H. Cuypers’. 5  Zie noot 4. Voor de ontwerpmethodiek zie Oxenaar, P.J.H. Cuypers en het gotisch rationalisme, pp. 72-96. 6 Zie hierna noot 23. 7  Hubar, De nieuwe Bavo te Haarlem, pp. 292-295. 8  Berlage, ‘Iets over Gothiek’, pp. 74-75. Hubar, ‘Dispereert niet’. Zie noot 7. 9  Thijm, De Heilige Linie, p. 37. 10  Thijm, De Heilige Linie, pp. 36-37, 73-74, 94,133, 137, 144-145. 11  Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 332, verwijst naar Thijm, ‘Nieuwe Bouwwerken’ (1858), p. 68 (cursief van Thijm). Viollet-le-Duc, Dictonnaire raisonné, deel 7 ‘Proportion, pp. 532-561. 12  Joseph Cuypers e.a., ‘Portret van Josephus Albertus Alberdingk Thijm’. 13  Joseph Cuypers (toeschrijving), ‘Petrus Josephus Hubert Cuypers’, p. 2. 14  Pierre Cuypers, ‘De Heilige Linie’, p. xv.

 Vertaald op basis van het citaat in Hubar, Arbeid en Bezieling, pp. 336337, waarin verwezen wordt naar Lassus, J.B.A., A. Darcel. Album de Villard de Honnecourt, architecte du XIIIe siècle, manuscrit publié en fac-simile. Parijs 1858, pp. 8-9. 16  Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 339, verwijst naar Witkower, Gothic versus classic, pp. 24-25; afb. 25. 17  Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 337. 18  Wap, ‘De Christelijke Kunst’, pp. 40, 42, 45 noot 29. 19  Hubar, Arbeid & Bezieling, pp. 247, 272. 20  Zie noot 18. Voor de betekenis van de hemelse stad uit de Apocalyps voor de architectuur zie het register van Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 498 onder stad (stad Gods, hemelse Stad). Voorts, Hubar, De nieuwe Bavo, register online op VanHH.org, bit. ly/2KEfBAz-register. 21  Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 337. Het begrip ‘réligion du triangle équilateral’ (godsdienst van de gelijkzijdige driehoek) is ontleend aan F. de Verneilh (1847) en hier geciteerd naar Germann, Neogotik, p. 135. 22  De Jong, Bijdrage tot de kennis der gothische bouwkunst, p. 7, noot 1. 23  Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 338, verwijst naar De Groot, ‘Toespraak gehouden den 12 mei jl. bij de aanbieding eener oorkonde aan dr. P.J.H. Cuypers’, p. 87. 24  Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 338. 25  Vitruvius en Ton Peters (vertaling). Handboek bouwkunde, p. 29. 26  Vergelijk de reconstructie in Geurts en Janssen, De trots van Sittard in de steigers, pp. 22-24. Van Leeuwen, Pierre Cuypers, architect, p. 284. 27  Hubar, Arbeid en Bezieling, p. 340, verwijst naar De Stuers, ‘Dr. P.J.H. Cuypers’, p. 196. 28  Van Leeuwen, Pierre Cuypers, architect, p. 181. HNI/Nai, De Haar, archief, nrs T101, T101.1. Voor het ontwerp zie onder meer Timmer, ‘Cuypers, Van Zuylen et “le goût Rothschild”’, pp. 309-310. Joseph verzorgt ook de beschrijving in: Cuypers, Joseph Th.J., en redactie van het genootschap A et A. Gids voor het kasteel van Haarzuylens en omstreken uitgegeven op de 25ste juni 1898 bij gelegenheid van het bezoek aan het kasteel door het genootschap Architectura et Amicitia, 15

de Vereeniging Bouwkunst en Vriendschap te Rotterdam en eenige leden der afdeling Arnhem der Maatschappij ter bevordering der Bouwkunst. Haarlem, 1898, pp. 77-78. 29  Thompson, De nieuwe kathedrale kerk ‘St. Bavo’ te Haarlem, pp. 94-95. 30  Hubar, De nieuwe Bavo, pp. 294-295. 31  Van Leeuwen, Pierre Cuypers, architect, pp. 93, 174, 204-207, en Oxenaar, P.J.H. Cuypers en het gotisch rationalisme, p. 194, noemen respectievelijk de kerken van Oeffelt en Doetinchem; hier kan het ook gaan om de 30-graden of de 45-graden driehoek, zoals ook elders bij meer gedrukte dakhellingen. Zie Berends e.a., P.J.H. Cuypers (18271921): het complete werk. 32  Zie hiervoor de analyse van Arjen Looyenga in Erftemeijer, Looyenga en Van Roon, Getooid als een bruid, pp. 85-87: Looyenga concentreert zich op schip en zijbeuken uit 1902-1906, maar deze zetten de verhoudingen voort van de oostpartij uit 1893-1898. Hubar, De nieuwe Bavo, p. 52. 33  Hubar, ‘Dispereert niet’, pp. 38, 42 noot 18. n

27


VOOR U

gelezen

VITRUVIUS NUMMER 45 OKTOBER 2018

Van Amsterdams Peil tot Europees referentievlak: De geschiedenis van het NAP tot 2018. AUTEUR

Petra J.E.M. van Dam UITGAVE

Verloren RECENSENT

Frits Niemeijer D E TA I L S

Ingenaaid, 95 pagina’s, geïllustreerd, noten en literatuur. ISBN 978-90-8704-697-2 PRIJS

€ 10.-

I

n minder dan 100 bladzijden vertelt hoogleraar waterstaatsgeschiedenis Petra van Dam de geïnteresseerde Nederlander uit wat toch dat overal opduikende NAP betekent en vooral waar het vandaan komt. Boven of beneden NAP, het wordt zo gemakkelijk gezegd, maar relatief weinig mensen zullen het naadje van de kous weten. Iets met zeeniveau en met Amsterdam, zover komen velen nog wel, maar daarna wordt het vaak stil. Dat ligt niet alleen aan het al dan niet ingewikkeld zijn van het begrip, maar ook en vooral aan de veranderingen die er in de loop van eeuwen in zijn opgetreden. Zo komt het NAP (Normaal Amsterdams Peil) voort uit het aanzienlijk oudere AP (Amsterdams Peil), dat tegen het einde van de 17de eeuw werd vastgesteld op initiatief van één van de toenmalige burgemeesters van de stad: ene Johannes Hudde. Van Dam schrijft op blz. 26 dat het gemiddelde vloedpeil in het toen nog open IJ te Amsterdam in de periode 1 september 1683 tot 1 september 1684 (uitgezonderd januari en februari, vanwege ijs) hiervoor bij afspraak als uitgangspunt werd genomen en dat er op vijf plaatsen merkstenen van dit peil zijn aangebracht. Helaas vermeldt ze niet waar het peil precies werd gemeten, terwijl op andere plaatsen in het boek ook over het gemiddelde zomervloedpeil wordt gesproken, wat écht iets anders is. Aanvankelijk werd het vastgestelde peil Stadspeil genoemd, maar al snel werd dat Amsterdams Peil. (Voor degenen die een rondvaart willen maken door de grachten: alleen het peilmerk in de Eenhoornsluis aan de IJ-zijde in de Korte Prinsengracht zit nog op de originele plaats) De overbrenging van zo’n peil naar een andere

28

plaats gebeurde met behulp van ‘waterpassen’. Dat was toenemend nodig omdat er in ons toenmalige land een veelheid van lokale waterpeilen werd gehanteerd, die niet alleen een eigen niveau hadden, maar vaak ook een eigen functie. Zo kenden de rivieren afzonderlijke waterpeilnotaties, maar ook de afzonderlijke polders en waterschappen en soms ook gehele gewesten. Dit had onder meer te maken met dijkbewaking, met de maalpeilen van polders en in sommige gebieden zelfs met verdediging door middel van waterlinies. Het Amsterdams Peil werd zeker in de 18de eeuw maar mondjesmaat over het toenmalige Nederland verbreid en bleef in hoofdzaak gebruikt in delen van Holland en Utrecht. Maar bijvoorbeeld Rijnlands Peil (RP) heeft eeuwenlang naast (het equivalent van) NAP – 0,60 bestaan. Pas met de komst van de eenheidsstaat kwam hierin een blijvende verandering: de grootschalige uniformering en het tientallig maken van maten en gewichten in de Franse Tijd, vond volop voortgang onder Koning Willem I. Hiertoe behoorde ook de overgang naar een nationaal referentiepeil voor de grote rivieren: het Amsterdams Peil, bij Koninklijk Beluit van 18 februari 1818. De verspreiding over de rest van Nederland was daarmee echter nog lang geen feit en het duurde dan ook nog tientallen jaren voor dat zover was. Niet voor niets wordt de aanduiding Frieslands Zomer Peil (FZP) ook nu nog wel gebruikt. Met de geleidelijk acceptatie van het AP in Nederland kwam aan het licht dat zowel het AP zelf, als de lokale peilen niet geheel ‘waterpas’ lagen of zelfs aan geleidelijke verandering onderhevig waren. Dit resulteerde vanaf 1875/1885 in een


VITRUVIUS NUMMER 45 OKTOBER 2018

reeks zogenoemde Nauwkeurigheidspassingen, die op hun beurt in 1891 het Normaal Amsterdams Peil (NAP) opleverden, waarbij Normaal betekent: genormaliseerd of gestandaardiseerd. Het zou trouwens aardig zijn geweest in de literatuurlijst te verwijzen naar de (ook via het internet te raadplegen) Verslagen van de Rijkscommissie voor Graadmeting en Waterpassing, omdat die een goed inzicht geven in de werkzaamheden. Dat – ten onrechte - ook wel gesproken wordt van Nieuw Amsterdams Peil zou te wijten zijn aan toenmalig gebruik van die term bij de gemeente Amsterdam. Toch valt te constateren dat het zelfs op enige actuele websites van Rijkswaterstaat wordt gebruikt, dus dat raken we nooit meer kwijt. Bovendien: anders dan vaak wordt gesteld, is NAP inderdaad een nieuw peil of beter nog: het peil wordt met enige regelmaat gecorrigeerd. Van Dam geeft het zelf aan: het officiële merkteken, dat zich onder het ‘maaiveld’ van de Dam in Amsterdam bevindt, wijkt door permanente geotektonische bodemdaling in het westen en noorden van ons land iets af van het referentieniveau. Het merkteken moest op basis van de resultaten van de Vijfde Nauwkeurigheidsmeting (1995-1996 of 1996-1998 – er zijn meer van dit soort redactiefoutjes) in 2004 worden bijgesteld van NAP + 1,4278 m naar NAP + 1,408 m, ofwel met bijna 2 mm. Ogenschijnlijk niet veel, maar de toevallig in datzelfde jaar geconstateerde verzakking van een van de pijlers van de HSL-brug over het Hollandsch Diep bij Moerdijk met 7 mm betekende dat de treinen er niet met volle snelheid overheen zouden kunnen rijden. Hier staat tegenover dat het zuiden en het oosten van ons land permanent stijgen, waarbij uit de metingen blijkt dat alleen de omgeving van Amersfoort als geodetisch stabiel kan gelden. De Nederlandse ‘bodembeweging’ is – anders dan van de Groninger wel kan worden gezegd – dan ook een zaak van permanente, Haagse zorg. Wat beter uit de verf had kunnen komen is dat NAP niet hetzelfde is als ‘zeeniveau’ (hoe dan ook gedefinieerd) en ook dat het gezegde dat een flink deel van Nederland beneden zeeniveau ligt hierdoor enige nuance verdient, al was het maar door de stijgende zeespiegel en het deels dalende land. Hoe belangrijk het NAP nationaal en tevens internationaal desondanks is, moge blijken uit het feit dat het Normaal Amsterdams Peil in verschillende Europese en niet-Europese landen als referentie in gebruik is en ook uit het sinds de 19de eeuw inschakelen van Nederlandse ingenieurs en geodeten bij de waterpassingen. Van Dam noemt als voorbeeld Japan, waar tussen 1870 en 1900 onder meer ir. C.J. van Doorn werd ingeschakeld en voor wie daar een standbeeld is opgericht. Een

VOOR U

gelezen

voor uw recensent verrassend feit was dat moderne GPS-techniek het qua nauwkeurigheid (nog?) moet afleggen tegen de ouderwetse waterpassing; een geruststellende gedachte, dat er tot op heden tenminste nog enig handwerk kwalitatief beter is dan digitale en ultrafrequente techniek. Juist hierom is het jammer dat in Van Amsterdams Peil tot Europees referentievlak niet wat meer ruimte is gegund aan verduidelijking van dat handwerk. Want wat die mensen doen, die je in het veld met enige regelmaat tegenkomt met waterpassen, peilstokken en hoekmeetinstrumenten, blijft nogal onderbelicht, terwijl de achterflap belooft dat ook uit de doeken wordt gedaan ‘hoe de metingen precies plaatsvonden.’ Afbeelding van een aantal van die instrumenten is dan onvoldoende. In dit kader bleef ook de vraag hangen hoe de toch voor ieder herkenbare bolling van het aardoppervlak verwerkt wordt in de metingen. Onthutsend zijn details uit een gesprek met een employé: ‘NAP, dat is iets van vroeger. Ik kom fouten tegen tot wel 10 cm. Geen idee wát ik doe - en waarom; ik weet wel hoe het moet. Ik lees er nooit over. Ik kan de vele terechte vragen van het publiek niet beantwoorden.’ [FN: Slik...] Samenvattend kan gezegd worden dat het boekje soms wel iets te raden overlaat, maar dat het vooral veel wetenswaardigs bevat en dat het kan bijdragen aan een beter begrip van het belang van óns NAP op Europees en mondiaal peil. Kortom: wees blij met wat erin staat en voor wie meer wil weten: er staan volop tips in de literatuurlijst. n

29


recent

VITRUVIUS NUMMER 45 OKTOBER 2018

VERSCHENEN

Modern wereldwonder De Deltawerken, toen en nu. AUTEUR

Boom uitgevers (red.) UITGAVE

Boom uitgevers D E TA I L S

Gebonden, 400 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-2442-373-6 PRIJS

€ 39,90

E

en modern wereldwonder, schoolvoorbeeld van extreme engineering: de Deltawerken spreken nog steeds natio-

Kraijenhoff keert terug - Verhalen over de Stelling van Amsterdam. AUTEUR

Agnes de Boer UITGAVE

Uitgeverij Noord-Holland D E TA I L S

Gebonden, 224 pagina’s, geïllustreerd, met literatuuropgave, ISBN 978-94-9233-504-3 PRIJS

€ 24,95

D

e Stelling van Amsterdam is een 135 kilometer lange verdedigingslinie rond de hoofdstad met 46 forten en batterijen en twee vestingsteden. Vanuit de forten is nooit

Van woning naar woning Radicale transformaties van woongebouwen. AUTEUR

TU-Delft (red.) UITGAVE

NAI 010 Publishers

DASH thematisch tijdschrift, 160 pagina’s, geïllustreerd met 200 illustraties in kleur, in Nederlands/Engels, ISBN 978-94-6208-311-0

D E TA I L S

PRIJS

€ 29,95

N

a de enorme nieuwbouwproductie in de tweede helft van de vorige eeuw en de stilte van de economische

30

naal en internationaal tot de verbeelding. Zo’n zestig jaar na het begin heeft dit legendarische mammoetproject zich een status verworven die veel groter is dan die van andere grote twintigste-eeuwse ingenieurswerken in ons land. Modern wereldwonder is een rijk geïllustreerd en veelzijdig boek. De auteurs blikken niet alleen terug op de geschiedenis van de Deltawerken, maar verbinden die ook met actuele problemen, zoals klimaatverandering en het zoeken naar de juiste balans tussen veiligheid, zoetwatervoorziening en ecologische kwaliteit. Dat zijn uitdagingen waarop ook veel andere deltaregio’s in de wereld een antwoord moeten vinden - uitermate relevant voor de internationale waterpartners van Nederland. n

gevochten, maar de stelling had zeker een afschrikkende werking. Soldaten lagen er paraat tijdens de Eerste Wereldoorlog en sommigen leerden hun vrouw kennen in het dorp ernaast. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bivakkeerden Duitsers in het fort en lieten het land onder water lopen. In 1946 werden politieke delinquenten en Indiëweigeraars in forten opgesloten. Tijdens de Koude Oorlog lag er munitie en waren de forten omgeven door een zweem van geheimzinnigheid. Tegenwoordig krijgen veel forten een nieuwe bestemming, bijvoorbeeld als bezoekerscentrum, oefenlocatie voor de brandweer, sauna of restaurant. In dit rijk geïllustreerde boek vertellen mensen hun persoonlijke verhaal over leven en werk op de Stelling van Amsterdam in het gebied vanaf Markenbinnen via de Beemster en Edam tot Pampus. De uitgave ‘Kraijenhoff keert terug’, is het derde deel in de serie Stellingverhalen en omvat het Noord- en Zuiderzeefront. n

crisis tekent zich een nieuwe praktijk af. Een belangrijk onderdeel daarvan is hoe we manieren kunnen vinden om de bestaande gebouwenvoorraad opnieuw te gebruiken. Vanuit het streven duurzamer om te gaan met grondstoffen en sociaal kapitaal is de transformatie van de bestaande woningvoorraad een zinvolle opgave voor ontwikkelaars en architecten. In Nederland is de aandacht daarbij vooral gericht op de naoorlogse woningbouw uit de wederopbouwperiode, die alleen al om technische redenen aan een onderhoudsbeurt toe is. Deze opgave is niet nieuw. Al eeuwenlang gaat maatschappelijke verandering gepaard met aanpassing van de woningvoorraad. Deze DASH zet de huidige opgave in historisch en internationaal perspectief, met essays die het onderwerp vanuit diverse gezichtspunten belichten. De voorbeelden in de projectdocumentatie variëren van het paleis van Diocletianus in Split en The Albany in Londen tot recente projecten als de U.J. Klarenstraat in Amsterdam. n


VITRUVIUS

NUMMER 45

recent

OKTOBER 2018

40 Cities

VERSCHENEN

The Potato Plan Collection. through the lens of Patrick Abercrombie. AUTEURS

Mirjam Züger, Kees Christiaanse UITGAVE

NAI 010 Publishers D E TA I L S

Paperback, 240 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-94-6208-433-9 PRIJS

€ 39,95

D

it boek is een eerbetoon aan Patrick Abercrombies befaamde ‘Potato Plan’ en onthult het potentieel ervan als instrument voor de analyse van stedelijke gebieden. Abercrombies kaart met een sociale en functionele analyse van Londen, oorspronkelijk getekend in 1943 in het kader van het County of London Plan, is een poëtische illustratie van de stad als agglomeratie van allerlei buurten, karakteristieke gebieden en centra.

Plans’ van uiteenlopende grote steden over de hele wereld die door plaatselijke architecten, stedenbouwkundigen en architectuuropleidingen zijn getekend en geïnterpreteerd. Doel is het onderzoeken van het karakter van buurten en centra en hun rol in steden met uiteenlopende ruimtelijke ordening en eigenschappen. Daarmee geeft het boek een geactualiseerd beeld van de hedendaagse stadsanalyse, geïnspireerd door de grote Patrick Abercrombie. n

Het boek is een verzameling van veertig specifieke ‘Potato

Escher op reis. AUTEUR

Federico Giudiceandrea UITGAVE

WBooks i.s.m. Fries Museum D E TA I L S

Hardcover, 186 pagina’s, ca. 100 afbeeldingen in kleur, ISBN 978-94-6258-275-0 PRIJS

€ 29,95

M

.C. Escher is een van de meest bekende kunstenaars van Nederland, maar wat niet veel mensen weten is dat hij uit Leeuwarden komt. Het Fries Museum brengt in 2018 een grootschalige tentoonstelling van zijn werk (die nog t/m 20 oktober te bezichtigen is). Aan de hand van circa tachtig vroege en late originele prenten wordt zijn artistieke ontwikkeling van een technisch bekwame graficus tot een wereldberoemd kunstenaar zichtbaar. In dit boek volg je Escher op zijn fysieke en mentale reizen. De reis begint in 1898 als Maurtis Cornelis wordt geboren in het stadspaleis aan de Leeuwarder Grote Kerkstraat. De

locaties waar hij later verblijft zijn van grote invloed op zijn kunstenaarschap. Van het grauwe platte Nederland van de jaren 1910 tot de zon en de bergen van de Méditerranée. In Italië brengt Escher zijn gelukkigste jaren door. Onder invloed van de prachtige steden en landschappen begint hij te experimenteren met opvallende perspectieven en beeldcompilaties. Terug in Nederland verwerkte Escher zijn ervaringen en indrukken tot complexe mathematische beelden en onmogelijke werelden. De iconische werken die Escher zo bekend en geliefd maken, vormen het hoogtepunt en het eindpunt van de reis. n

31


eer

n

elde

VITRUVIUS NUMMER 45 OKTOBER 2018

VERSCHENEN

De zaak Vermaning - Over een markant amateurarcheoloog in Drenthe. AUTEURS

Wijnand van der Sanden en Anja Schuring UITGAVE

DE ZA AK VERMANING

. n.

recent

WBooks i.s.m. Drents Museum D E TA I L S

Gebonden, 128 pagina’s, ISBN 978-94-6258-272-9

DE ZAAK VERMANING

PRIJS

€ 24,95

OVER EEN MARKANT AMATEURARCHEOLOOG IN DRENTHE

I

n 1965 ontdekte de amateurarcheoloog Tjerk Vermaning (1929-1987) vlakbij zijn woonplaats Smilde twee kampementen

DRENTS MUSEUM

Lonely Planet Cultuurroutes. AUTEURS

Lonely Planet UITGAVE

Kosmos D E TA I L S

Hardcover, 320 pagina’s, ISBN 978-90-2156-947-5 PRIJS

€ 25,00

Omwille van de vrijheid - Het ware verhaal van beleg en ontzet van Leiden. AUTEUR

Hans Marks UITGAVE

Primavera Pers D E TA I L S

Paperback, 344 pagina’s, ISBN 978-90-5997-270-4 PRIJS

€ 19,50

S

paanse troepen belegeren Leiden. Commandant Valdez laat schansen bouwen om de toegang tot de stad te blokkeren. Het is de tweede keer binnen een jaar dat Leiden door de Spanjaarden wordt belegerd. Er dreigen voedseltekorten en de pest breekt uit. Een zware last rust op de schouders van de bestuurders van de stad. Terwijl de nood in Leiden stijgt,

32

uit de tijd van Neanderthalers. In de jaren daarna vond hij er nog enkele, in Hijken en Eemster. De wetenschap reageerde enthousiast. Vermaning kreeg de Culturele Prijs van Drenthe en een jaarlijkse toelage om te kunnen blijven zoeken. De vinder wilde echter meer: een eredoctoraat en een baan bij het Drents Museum. De verhouding met de officiële wetenschap verslechterde gaandeweg. Nader onderzoek van zijn vondsten leidde tot de conclusie dat ze recent vervaardigd waren. In 1977 werd Vermaning door de rechtbank in Assen veroordeeld wegens oplichting, maar een jaar later sprak het Hof in Leeuwarden hem vrij omdat het niet bewezen werd geacht dat hij de stenen zelf had vervaardigd. Medestanders van Vermaning zetten zich decennialang in voor rehabilitatie. Steentijddeskundigen echter zijn ervan overtuigd dat de stenen vervalst zijn. n

V

Verken de mooiste culturele bestemmingen ter wereld. In Lonely Planet Cultuurroutes vind je 52 routes naar ‘s werelds mooiste culturele bestemmingen: van het Barcelona van Gaudí tot de zentuinen van Kyoto en Havana’s muziekscene. Plaatsen in en om steden waar je met volle teugen kunt genieten van het mooiste cultuurgoed ter wereld: eeuwenoude Romeinse tempels, kathedralen, burchten en complete binnensteden. Waar oude tradities in ere worden gehouden en nieuwe worden gesmeed, en verleden en heden op fascinerende wijze zijn samengesmolten. Met aanbevelingen van experts, fraaie foto’s, kaarten en praktische informatie over reis en verblijf. n

begeeft de Prins van Oranje zich in een race tegen de klok: de organisatie van het waanzinnige maar lumineuze idee om de polders onder water te zetten en een Geuzenvloot naar de stad te sturen. De gebeurtenissen rond deze belegering spelen zich af tussen 25 mei en 3 oktober 1574. Het zijn vijf maanden van actie, avontuur, politieke intriges, angst en twijfel, liefde, ziekte en dood – en dat alles tegen het prachtige decor van Leiden in de zestiende eeuw: haar muren en vestingwerken, haar vaarwegen, haar prachtige gebouwen en haar pittoreske stegen. Voor het verloop van de Tachtigjarige Oorlog hebben de cruciale gebeurtenissen in deze periode werkelijk verschil gemaakt: “Leiden ontzet, Holland gered!” Het beleg en ontzet van Leiden vormt een van de mooiste verhalen van onze vaderlandse geschiedenis. In deze fascinerende historische roman maakt de lezer kennis met de heftigste emoties en diepste beweegredenen van alle hoofdrolspelers. n


VITRUVIUS NUMMER 45 OKTOBER 2018

KLASSIEKERS MET

In deze aflevering van Vitruvius beginnen we met een nieuwe rubriek over oude boeken. Er is geen serieus muziektijdschrift meer dat niet terugluistert en juweeltjes uit de voorbij jaren van de klassieke, jazz en popmuziek weer oppoetst. Rubrieken als Vinylzucht (Oor) en een blad als Record Collector laten zien dat hier vraag naar is. ‘Oude boeken?’, zult u zeggen. ‘Kennis en informatie halen we nu toch van internet?’ Ja – er is veel op internet te vinden, maar er is veel meer niét te vinden. De ‘Wikipeed’ is al snel tevreden en denkt dat Wiki- en al die andere Pedia’s en Media’s alle kennis van toen en nu beslaan. Ammehoela – of beter: was het maar waar. Bekijk het verschil tussen de versies van één lemma maar eens in verschillende talen: het levert vaak een wereld van verschil op. En dan hebben we het hier nog niet eens over het fenomeen van het nepnieuws en de ‘nepfeiten’. Begonnen als grap, maar intussen ontaard in een wereldwijd systeem van elkaar belazeren tot feiten en verzinsels amper meer van elkaar te onderscheiden zijn. Alle reden om terug te kijken naar een periode waarin feiten nog feiten waren. En soms misschien ook naar een periode waarin feiten nog geen feiten waren of als ‘non-feiten’ werden ontmaskerd. Herlezen van oude boeken kan verrassende vergezichten opleveren en soms ook tonen dat de auteur knap ‘bijziend’ was. In de vakgebieden waarop Vitruvius zich in het bijzonder richt, hebben dit soort gedrukte uitingen van kennis en soms ook van onzin een bijzondere betekenis. Ze behoren grotendeels tot de humaniora en ze zijn bijna per definitie doorspekt met meningen. Mooi en lelijk, groot en klein en zelfs kleuren zijn subjectieve waarden. Talloze van zulke in het verleden op schrift gestelde subjectieve waarden vertegenwoordigen echter een te

EZELSOREN

raadplegen bron van contemporaine kennis of opvattingen. Bijna iedere dissertatie bevat een globaal overzicht van wat vakgenoten in het verleden over het onderwerp hebben geschreven. Maar je hoeft geen proefschrift te schrijven om je te verdiepen in het verleden van je vak. Soms is oude literatuur interessant om zichzelfs wille: bijvoorbeeld als verzamelobject. Verder kun je met oude literatuur een spoor ontdekken in de (cultuur)wetenschappelijke theorievorming. Maar ook kan het puur om de inhoud gaan. Vele honderdduizenden zelden of nooit geraadpleegde boeken doen op alle continenten planken doorbuigen. Ze bevatten schatten aan contemporaine feiten - en helaas ook non-feiten – die ons nog steeds ‘aan het denken kunnen zetten.’ Zo bevatten talloze 19de-eeuwse uitgaven rijk geordend, statistisch en tabellarisch materiaal over uiteenlopende onderwerpen in tijd, ruimte en cultuur. Een mooi voorbeeld is de onvolprezen reeks ‘Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden’ van A.J. van de Aa, uitgegeven in de jaren 1839 tot 1851. We beginnen de nieuwe rubriek ‘Klassiekers met ezelsoren’ met een bespreking van dit standaardwerk. De niet zo vele platen die erin voorkomen worden opgepoetst en niet-aardrijkskundigen zullen zich verbazen over de veelheid van cultuurhistorische klanken die Van der Aa destijds liet horen. De redactie roept lezers en belangstellenden van Vitruvius op bijdragen in te zenden over betekenisvolle historische uitgaven op het gebied van erfgoed en cultuurhistorie in ruime zin. U kunt zich richten tot: info@uitgeverijeducom.nl

Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden AUTEUR

A.J. van der Aa HERLEZER

Frits Niemeijer UITGAVE

Uitgeverij Jacobus Noorduyn, (Zaltbommelse Herdrukken) Gorinchem, 1839-1851 / Zaltbommel, 1976-1980 D E TA I L S

13 delen + Supplement Integraal digitaal te raadplegen via doorklikken vanaf: https://nl.wikipedia.org/wiki/Aardrijkskundig_ Woordenboek_der_Nederlanden

“H

eerenveen, vlek, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, arr. en kant. Heerenveen, ruim 5 u. Z.O. van Leeuwarden. Het is eene uitgestrekte en fraai gebouwde plaats, met verschillende deftige huizen, en heeft in het geheel een vrolijk, luchtig en welvarend aanzien. De kruisbuurten zijn in drie verschillende grietenijen gelegen, als: het noordwestelijke gedeelte, of de Heerenwal, in de griet. Haskerland; het noordelijke gedeelte in AEngwirden,

en het zuidelijke, doch verreweg het grootste gedeelte, in de griet. Schoterland.” Aldus de typisch 19de-eeuwse openingsalinea van het lemma Heerenveen in deel 5 van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden van A.J. van der Aa. De beschrijving vervolgt met onder meer een korte historische schets en geeft dan in enkele bladzijden een overzicht van de toestand en de kenmerken van het dorp omstreeks de tijd van

33


KLASSIEKERS MET

EZELSOREN

verschijnen van de reeks en van facetten van de toenmalige economie. Zo zijn er compacte gegevens over de stichting van de nederzetting - waarvan de geschiedenis slechts terug zou gaan tot 1551 - over het graven van waterwegen om turf af te voeren, over bevolkingsgroei, over kerkgenootschappen, over de stichting van voorzieningen voor onderwijs en rechtspraak, over waterstaatszaken, enz. Niet onbelangrijk zijn Van der Aa’s gegevens over agrarisch bedrijf, handel en nijverheid, met onder meer (exacte) aantallen en typen bedrijven. Zo geeft hij dat in Heerenveen zijn gevestigd: “2 houtzaagmolens; 2 korenmolens; 1 oliemolen; 2 groote en 2 kleine leerlooijerijen; 1 kalkbranderij; 2 scheepstimmerwerven; 1 boekdrukkerij, en 1 steendrukkerij.” Hiernaast wordt er gewag gemaakt van een langzame teloorgang van de fabricage van horloges en uurwerken. Het is zomaar een greep uit de vele aangesneden onderwerpen in de beschrijving van Heerenveen. Het had overigens net zo goed Hoogeveen, Vriezenveen of Waddinxveen kunnen zijn. Of Helenaveen? Nee – die Peelse turfgraverskolonie kwam pas tot ontwikkeling vanaf 1853/54, kort nadat Van der Aa’s 14-delige serie voltooid was. In het vijfde decennium van de 19de eeuw verscheen een uitgebreid overzichtswerk van de Nederlandse topografie en van de lokale geschiedenis, dat tot op de dag van vandaag een waardevolle verzameling feiten en vermoedens bevat. Feiten, voor zover ze door destijds bekende bronnen werden gesteund, en vermoedens waar de toenmalige wetenschappelijke kennis de beweringen niet tegensprak. En verder bevat ‘Van der Aa’ veel fictie, die nogal eens wordt ingeluid met een variatie op ‘naar wel wordt gezegd’. Sommige tegenwoordige amateuronderzoekers zijn fervente gebruikers van deze handboeken en zij zijn geneigd de informatie uit de 14 banden kritiekloos over te nemen. Zoals Van der Aa zelf ook weinig kritisch was. Dit laatste droeg er misschien aan bij dat het raadplegen van Van der Aa in moderne academische kringen van geografen, historici en historisch-geografen wat op de achtergrond is geraakt. Ten onrechte, naar de stellige overtuiging van auteur dezes. Zo is het opmerkelijk dat een Wilfried Uitterhoeve in zijn voortreffelijke biografie van de ingenieur C.R.T. Kraijenhoff (1748-1840) totaal voorbijgaat aan Van der Aa, die een jongere tijdgenoot van Kraijenhoff was en die zijn werk goed zal hebben gekend. (Van der Aa leefde van 1792 tot 1857) Kraijenhoff was onder meer de man van de eerste Rijksdriehoeksmeting in ons land, die hiermee aan de basis stond van het kadastrale netwerk. Als er in de eerste decennia van de 19de eeuw iéts ‘aardrijkskundig’ was in ons land, dan was het wel de topografische plaats- en oppervlaktebepaling: Kraijenhoffs kaart was een begrip. Ook Ruud Filarski was kennelijk niet geïnteresseerd in het materiaal dat Van der Aa verzamelde, terwijl er toch schatten aan (bron)gegevens over vaarwegen, verkeer en transport in de 14-delige reeks voorkomen. En zo zijn er talloze anderen. Ervan uitgaande dat ze toch op zijn minst van het bestaan van Van der Aa op de hoogte zijn, betekent dat zij hierdoor in 34

VITRUVIUS NUMMER 45 OKTOBER 2018

een aantal gevallen op zijn minst ‘anekdotische’ informatie misten. Dit speelde kennelijk geen rol van betekenis bij de totstandkoming van hun uitgaven. Wie wel dankbaar gebruik maakte van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, was Auke van der Woud, in zijn onvolprezen ‘Het lege land’. Hetzelfde geldt voor Anneke Driessen in haar ‘Watersnood tussen Maas en Waal’ en voor Michiel Gerding met ‘Vier eeuwen turfwinning’. Er blijkt een hoge mate van onvoorspelbaarheid in het niet of wel hebben geraadpleegd van Van der Aa in dissertaties en andere wetenschappelijke publicaties met een historisch-ruimtelijke dimensie. Van der Aa was zelf een gemankeerd academicus doordat hij zijn studie medicijnen moest afbreken door familiaire omstandigheden. Hij nam deel aan een veldtocht tegen Napoleon en daarna woonde en werkte hij zowel in de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden. Na 1830 is hij definitief naar het Noorden gegaan, waar hij verschillende handboeken het licht deed zien. Het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (1839-1851) en het (na Van der Aa’s dood door G.D.J. Schotel voortgezette) Biographisch Woordenboek. der Nederlanden (1852-1878) zijn hiervan veruit de bekendste. Gemankeerd academicus of niet, Van der Aa nam zich voor een bijdrage te leveren aan het Nederlandse openbare leven door van zich te laten horen via geschriften en door zich te richten tot de hoogste kringen. Zo lukte het hem vergunning te verkrijgen zijn aardrijkskundig woordenboek in 1839 op te dragen aan de toenmalige Erfprins van Oranje - de toekomstige Koning Willem III - en aan twee andere prinsen, waaronder de latere Groothertog van Luxemburg. Een niet geringe prestatie, die de betekenis van zijn werk onderstreept. Van der Aa stelde zijn woordenboek samen in nauw overleg met een flink aantal, met name genoemde medewerkers. Deel 1 – dat in principe de aardrijkskundige namen omvat beginnende met letter A – telt hiernaast meer dan 130 bladzijden ‘Algemeen Overzigt’. Hierin komen, behalve een beknopte geschiedenis van het land, onder meer ook inleidingen voor op de verschillende departementen en dus op de terreinen waarover hun bemoeienissen zich uitstrekken. Handig om inzicht te krijgen in de ook toen al wisselende speelvelden en de verantwoordelijkheden van de ministeries. De grootste betekenis van Van der Aa’s Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden ligt echter in de (met historische informatie doorspekte) beschrijvingen van provincies, regio’s, gemeenten, steden, dorpen, gehuchten en buurten, van wateren en landschappen, van handel en bedrijf en wat al niet. De periode van samenstellen en verschijnen van de serie valt - al dan niet toevallig – vrijwel samen met die van de verkenning en de eerste editie van de TMK, de Topographische en Militaire Kaart van het Koningrijk der Nederlanden. Zoals deze op een schaal van 1:50.000 uitgebrachte, en met uniforme legenda weergegeven verkleining van ons land de ruimtelijke toestand aan de vooravond van de Industriële Revolutie weergeeft, zo is


VITRUVIUS NUMMER 45 OKTOBER 2018

Van der Aa’s woordenboek een geschreven portret uit die tijd. De Haarlemmermeerpolder was nog niet drooggevallen en de eerste spoorwegen zijn net aangelegd. Stoomkracht was nog verre van oppermachtig in de industrie en de scheepvaart - in tegendeel. De waterhuishouding en de Nederlandse economie dreven vooral op wind en veel steden lagen nog binnen hun wallen en muren. Hoe dan ook: het beeld dat Van der Aa schetste, mag dan doordrenkt zijn van achterhaalde feiten en vermoedens, zeker is dat ze een consistent beeld laten zien van het Nederland van de eerste decennia van de 19de eeuw. Hierbij is het opvallend dat tientallen kernen in die tijd nog niet bestonden – in het bijzonder in gebieden waar ontginningen nog niet op gang waren gekomen. Ook het ontbreken van een plaats als IJmuiden is een ‘teken des tijds’. Het Noordzeekanaal en dus ook de monding ervan, bestonden nog niet. Het kanaal is vanaf 1865 aangelegd binnen het voormalige IJ en het Wijkermeer, waarbij het door de duinen is gegraven ter plaatse van ‘Holland op zijn smalst’. Van der Aa noemt hierbij een eerder plan van een zekere D. Mentz, hoofdingenieur van Waterstaat, de duinen te doorgraven en langs deze weg een uitwatering te maken. Minstens zo interessant als de in Van der Aa ontbrekende plaatsnamen, zijn de wél beschreven ambachten, buurten, dorpen en gehuchten die we inmiddels tevergeefs op de kaart zoeken. Ook dat zijn er vele, zoals: Schooten, Oterdum en Emmeloord. Emmeloord was één van de dorpen op het voormalige Zuiderzee-eiland Schokland. Het eiland is bij Koninklijk Besluit van 1859 ontruimd, nadat het voor de zoveelste keer was overstroomd en vanwege hoge kosten zo goed als onhoudbaar bleek. De naam Emmeloord leeft enkele kilometers verderop voort in de in 1942 drooggevallen Noordoostpolder. Van der Aa merkt over het dorp onder meer op: “Emmeloord was vroeger, gelijk geheel Schokland, rondom bedijkt, doch niet zwaar, zijnde voorts buitendijks met riet bezet, thans echter heeft men, in plaats van dezen dijk, een laag steenen oeverwerk, hetwelk vrij veel tot het behoud van Emmeloord toebrengt. Bij de minste verheffing van zeewinden staat het land echter onder water.” Opmerkelijk is dan dat Van der Aa stelt dat er nauwelijks land is om koeien en schapen te laten grazen. In de hierop volgende zin merkt hij echter op: “De huizen staan er op werven van koemist [= koemest, FN] opgehoogd, die met planken en palen wel moeten voorzien worden, om bij overstrooming het water te keeren, dat echter dikwijls in de huizen vloeit.” Kun je ‘werven’ ophogen op basis van de mest van koeien waarvoor amper weiland bestaat? Blijkt hier Van der Aa’s weinig kritisch optekenen van informatie? Oterdum is pas een eeuw later van de kaart verdwenen: het lag ten oosten van Delfzijl en viel ten slachtoffer aan de vestiging van de aluminiumfabriek aldaar. Van der Aa schreef er onder meer over: “Men telt er in de kern van het d. 28 h. en ruim 170 inw., […], die meest in den landbouw en ook in de scheepvaart hun bestaan vinden. […] De Eems is hier geweldig op den dijk ingedrongen, zoodanig zelfs, dat een aanzienlijk gedeelte dezer plaats thans door de golven overdekt is en de kerk aan den voet des dijks staat, wordende de sporen van de voormalige bewo-

KLASSIEKERS MET

EZELSOREN

ning meermalen buitendijks gezien.” Waren de kosten voor het behoud van Oterdum intussen zo hoog geworden dat het – net als Schokland eerder – werd prijsgegeven? Schooten, ten slotte, was nog weer een ander lot beschoren: het werd in 1927 door de stad Haarlem geannexeerd en het is in de volgende decennia als ‘Haarlem-Noord’ grotendeels volgebouwd. Haarlem was onder meer gebrand op uitbreiding met Schooten omdat daar verschillende bedrijven waren gevestigd, waaronder met name de in 1880 uit de stad vertrokken Werf Conrad, een scheepswerf en machinefabriek van internationale allure. Er werden vooral baggerschepen gebouwd, waarvan ook een flink aantal voor de toenmalige Nederlandse koloniën. Van der Aa heeft hierover uiteraard niet meer kunnen schrijven, maar het is wel het vermelden waard dat zijn Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden ook vele ingangen bevat die betrekking hebben op die gebieden. Dit betekent dat niet alleen onze eigen topografie rijkelijk wordt tentoongespreid, maar dat ook Indië, Suriname, de Antillen en enige al eerder van het Koninkrijk losgeraakte gebieden aan bod komen. Het voert te ver hier op deze plaats op in te gaan, maar voor onderzoekers die zich op die streken richten, loont het zeker de moeite deze minder voor de hand liggende bron te verkennen. Resumerend kan worden gezegd dat Van der Aa een veelzijdig, zij het soms weinig kritisch beeld van Nederland en de koloniën schetst, zoals die er tegen het midden van de 19de eeuw uitzagen. Bij gebrek aan ander bronmateriaal en voor een snelle oriëntatie kan zijn werk een welkome ingang zijn – juist daar waar de ‘grote geschiedenis’ het laat afweten. Van steden en een aantal belangrijks dorpen weten we intussen zo veel, dat Van der Aa er amper nog aan zal kunnen toevoegen. Waar het om de ‘petite histoire’ en de ‘petite géographie’ gaat, valt er bij hem echter veel te halen. Het is hierbij van belang te bedenken dat historiografie en geografie – het geschrevene dus - als zodanig nooit meer veranderen, maar dat kennis en de interpretatie van feiten wel kunnen wijzigen. Zo bleek bij het lezen van het lemma over de Beemster dat Van der Aa tientallen betrokkenen en talrijke ontwikkelingen noemt, maar niet Jan Adriaansz. Leeghwater. Zijn naam komt alleen voor in deel 9 onder het lemma Rijp (De), namelijk als uitvinder van de ‘moddermolen’. Was Van der Aa iemand die diens - deels door Leeghwater zelf - tot mythische proporties opgeblazen inbreng in de vaderlandse geschiedenis en ruimte relativeerde en was Van der Aa toch kritischer was dan wel wordt aangenomen? Raadpleeg zijn werk – digitaal een fluitje van een cent - en neem zelf je beslissingen. Noten  Evenmin noemt Uitterhoeve in zijn literatuurlijst G.D.J. Schotel, die Van der Aa’s biografische werk voortzette. 2 Merk op: de letter I staat onder de J. Het lijkt er overigens op dat Mentz de enige was die dit voorstel van Koning Willem I (!) serieus heeft overwogen. 1

35


Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius Oktober 2018  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius Oktober 2018  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement