__MAIN_TEXT__

Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 12 | NUM MER 4 8 | JU L I 2 0 1 9

BOEKENSPECIAL

VERKEERS- EN TRANSPORTINFRASTRUCTUUR IN HET INTERBELLUM EN DE WEDEROPBOUW (1920-1965) DEEL 2 WATERWEGEN IN DE VAART DER VOLKEREN (VERVOLG)

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 1

BELADEN ERFGOED IN EUROPA UMSTRITTEN, GECONTESTEERD, CONTROVERSÉ, EN CONFLICTO, SENSITIVE

23/05/19 18:31


colofon

VITRUVIUS

NUMMER 47

APRIL 2019

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland € 50.- /België € 60.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het factuurnummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn.

REDACTIE

Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H. Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. ir. G.A. Vreeze, ir. N. de FREQUENTE BIJDRAGEN

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M.

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom Juli 2019 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

2

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 2

23/05/19 18:31


JAARGANG 12 NUMMER 48 JULI 2019

4 VERKEERS- EN TRANSPORTINFRASTRUCTUUR IN HET INTERBELLUM EN DE WEDEROPBOUW (1920-1965) DEEL 2 WATERWEGEN IN DE VAART DER VOLKEREN (VERVOLG)

10 BELADEN ERFGOED IN EUROPA UMSTRITTEN, GECONTESTEERD, CONTROVERSÉ, EN CONFLICTO, SENSITIVE

17 BOEKENSPECIAL

3

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 3

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

Frits Niemeijer Historisch-geograaf

NUMMER

48

JULI

2019

Verkeers- en transportinfrastructuur in het Interbellum en de Wederopbouw (1920-1965) Deel 2 Waterwegen in de vaart der volkeren (vervolg)

In het inleidende gedeelte van deze reeks zagen we al dat er in de jaren ’20 van de 20ste eeuw een grote verdere opwaardering van de verkeersinfrastructuur in ons land plaatsvond op basis van de behoeften van het toenemende (goederen)transport en de navenant snelle opkomst van gemotoriseerde verkeersmiddelen: auto, trein en binnenvaartschip. De eerste twee bijdragen hebben vooral waterwegen als onderwerp, waarbij het in dit tweede deel over kanalen gaat over het Amsterdam-Rijnkanaal en het Lekkanaal en over de Vaarweg Groningen-Lemmer. Deze laatste

hoofdvaarweg is samengesteld uit het Van Starkenborghkanaal in de provincie Groningen en het Prinses Margrietkanaal in Friesland. Bij de aanleg van de vaarweg maakte men gebruik van enkele van oudsher bestaande meren. De realisatie van de kanalen begon in de jaren ’30 maar het werk stagneerde als gevolg van de Duitse bezetting; de voltooiing van beide projecten liet op zich wachten tot medio jaren ’50. Amsterdam-Rijnkanaal en Lekkanaal De wens van verdere verbetering en ver-

ruiming van de verbinding van Amsterdam met het (Duitse) achterland leefde al kort na de voltooiing van het Merwedekanaal, in 1892/93. Dit kanaal leidde van Amsterdam naar de Lek ten westen van Vreeswijk en van daar verder van Vianen naar de Boven-Merwede westelijk van Gorinchem. Het was zeker niet de kortste weg naar het achterland, want Gorinchem ligt pal zuidelijk van Amsterdam. En ook was het kanaal al snel te krap voor de grootste schepen en sleepcombinaties. Daarom werd de discussie van de 19de eeuw weer opgerakeld en werden opnieuw

1-H  et Amsterdam-Rijnkanaal met de Loenerslootsebrug in 1938. De sporen van de verbreding van het kanaal zijn links nog zichtbaar. Rechts het spoor Amsterdam-Utrecht. 4

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 4

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

2 - De in 1936 gebouwde brug bij Loenersloot in de huidige N 201 kwam pas in 1948 op de Topografische kaart 1:25.000 te staan. mogelijkheden doorgenomen. Naast een dozijn andere, kwam in 1917 ook een van de varianten die ter tafel waren geweest de in 1879 verworpen Kanalenwet nogmaals om de hoek: een grootscheepvaartkanaal door de Gelderse Vallei.1 Maar enkele maanden later kwamen er van Rijkswege ook nieuwe varianten, nu met aansluiting op de Waal bij Tiel. Het Rijk beoogde namelijk een éénpandige vaarweg (dus zonder sluizen onderweg) vanaf Amsterdam, die zo hoog mogelijk stroomopwaarts tot aan de Lek / Neder-Rijn zou reiken: het eindpunt zou dan komen te liggen bij Wijk bij Duurstede. Een tweede pand zou van de Lek / Neder-Rijn verder lopen tot iets voorbij Tiel.2 Een in 1921 ingestelde Staatscommissie deed in 1925 verslag en kwam tot de conclusie dat deze variant inderdaad de beste zou zijn. Tot de redenen die tot dit advies leidden, behoorde de militaire rol die deze variant zou (kunnen) spelen bij eventuele inundaties van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.3 Verdere onderzoekingen leidden ertoe dat een kleine 10 jaar voor de Tweede Wereldoorlog (nl. in 1931) was besloten het laat19de-eeuwse Merwedekanaal ten dele te verruimen, het gedeeltelijk te verleggen

en de vaarweg verder ook nog te verlengen naar de Waal. In 1934/1935 waren hiertoe alle wettelijke facetten geregeld. Curieus is het feit dat A.A. Mussert - inmiddels leider van de N.S.B. en als zodanig ontslagen bij de provincie Utrecht - de ontwerper van het gekozen kanaalplan was. Mussert dus als medeontwerper van de voeding van de waterlinie. De werken in het noordelijk deel van het kanaal waren al in volle gang toen de oorlog uitbrak, maar voorbij Jutphaas (zuidelijk van Utrecht) moest het tracé in 1945 nog vrijwel geheel worden uitgevoerd. Met uitzondering van een zijtak (het Lekkanaal) van Jutphaas naar Vreeswijk. Deze kanaalaftakking was vooral bedoeld voor het scheepvaartverkeer tussen de twee grote Nederlandse zeehavengebieden; de tak, met hierin de Prinses Beatrixsluizen, was al gereed in de zomer van 1939. De additionele bestemming van het hoofdkanaal binnen het inundatiestelsel van de waterlinie kon in mei 1940 nog geen rol van betekenis spelen omdat nog niet alle militaire onderdelen gereed waren. Het kanaal en de kanaalwerken hebben relatief weinig oorlogsschade geleden, hoewel er wel bruggen zijn vernield en er ook meerdere schepen tot zinken

zijn gebracht. Men verwachtte aanvankelijk dat het noordelijk deel van het nieuwe Amsterdam-Rijnkanaal in 1943 gereed zou zijn. De oorlog gooide echter roet in het eten en uiteindelijk duurde het tot 1952 eer het totale kanaal – van Amsterdam, via Jutphaas en Wijk bij Duurstede (aan de Lek / Neder-Rijn) tot aan Tiel (aan de Waal) voldoende bevaarbaar was.4 In 1953 moesten alleen nog een aantal kleine en grote kunstwerken en een profielverbreding nabij Breukelen worden gerealiseerd. De laatste werken lieten zelfs nog op zich wachten tot 1959: het opruimen van de oude Zeeburgsluis in Amsterdam zelf! Vreemd overigens dat de totale vaarweg niet bekend is geworden onder de naam Amsterdam-Waalkanaal, maar misschien heeft dit te maken met ‘Europees denken’. Bijzonder was dat proefnemingen in het overdekte Waterloopkundig Laboratorium te Delft ertoe leidden dat de beide mondingen van het kanaal in de Lek / Neder-Rijn nabij Wijk bij Duurstede zijn voorzien van een komvormige verruiming om verondieping door slib van die uiteinden tegen te gaan.5 Bij de aanleg is - vooral voor wat betreft de vormgeving van de kunstwerken – gekozen voor architecten 5

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 5

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

ens

* ericht nthult n het er de

3-D  e Prins Bernhardsluis bij Tiel is een wespennest van schepen in de vaart op Duitsland. De sluis, uit 1952, is voorzien van puntdeuren en een hefdeur (niet op foto). en ingenieurs met oog voor esthetische waarden. Landschappelijke inpassing was enigszins problematisch vanwege de benutting van bestaande vaarwegen en door het extreem vlakke en open karakter van het de doorsneden gebieden. Hier staat tegenover dat het tracé – tussen Amsterdam en Utrecht (bovendien) deels gebundeld met de hoofdspoorweg - juist hierom zo was gekozen. Het kanaal – met toentertijd de grootste binnenscheepvaartsluizen van Europa (ca. 360 m lang, 18 m wijd) bracht een verkorting van de vaarweg van Amsterdam naar het Ruhrgebied

van 160 naar 120 km. En omdat er amper meer hoefde te worden gewacht en enkele sluizen meestal open stonden, kon gemiddeld een halvering van de reistijd worden geboekt: van 40 naar 20 uur. Anno 1952 was Amsterdam (en natuurlijk vooral ook het door de Duitse Luftwaffe gebombardeerde Rotterdam) hiermee weer voldoende op sterkte om te helpen het Ruhrgebied te bevoorraden. Het noordelijk gedeelte van het ‘vlaggenschip’ van de Nederlandse binnenscheepvaartkanalen had toen tot Jutphaas een bodembreedte van 50 m en verderop tot Wijk bij Duurstede van 33,50

m. Daarna, in het zogenoemde Betuwepand, bedroeg de bodembreedte 41 m. De doorgaande diepte was 4 m. Bij de aanleg was toen rekening gehouden met toekomstige verruiming – de onteigening van gronden aan de oostzijde van het kanaal liet bodemverbreding naar 74 resp. 52 m toe. Omdat de hoogte van enige bruggen nog niet naar de wens van de stad Amsterdam was, bleef er dan ook werk aan de winkel.6 Verdere verruiming kwam direct na de jaren van de Wederopbouw, namelijk in de periode 1965-1981. Boven de NederRijn kwam de breedte op de waterspiegel

6

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 6

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

4-K  aart uit 1958 met het Van Starkenborghkanaal in Groningen. Het kanaal snijdt dwars door bestaande structuren, maar er wordt voor de vaarweg ook gebruik gemaakt van aanwezige waterlopen en van een meer.

5-H  et Prinses Margrietkanaal, het Friese deel van de Vaarweg Groningen-Lemmer. De loop van de vaarweg verraadt zich nauwelijks door oeverbeplanting in het open Friese landschap. toen op 100 à 120 m (verderop op 70 m), terwijl de doorgaande diepte op 5.00 à 6.00 m werd gebracht. Hiermee was het Amsterdam-Rijnkanaal geschikt voor de grootste internationale duwvaart.7 Een en ander hing onder meer samen met de snelle opkomst van de zeecontainer: de eerste arriveerde in Rotterdam in 1966; concurreren kon uiteraard alleen maar door zulke vervoerseenheden voor stukgoederen ook in Amsterdam te introduceren – dacht men - maar een groot succes is dit nooit geworden. Een deel van Amsterdamse containerterminal moest in 2012 zelfs worden gesloten. Vaarweg Groningen-Lemmer Hoewel verbetering van de doorgaande

vaarroute Groningen-Lemmer al in het begin van de jaren ’20 de aandacht had, bleef deze nog lange tijd een stiefkindje, waarbij de overheid de schuld van de impasse legde bij de belanghebbenden. De vaarwegen in het noorden waren in particuliere handen of in die van provincies en gemeenten, die alle bij bruggen en sluizen de schipper een ‘klompje voorhielden’.8 Diverse Kamerleden drongen er vanaf de tweede helft van de jaren ‘20 herhaaldelijk op aan dat de centrale overheid zich hier zou doen gelden en ingrepen diende te plegen.9 Een van de eerste echte resultaten hiervan was de toezegging van een Rijksbijdrage aan het naar het noorden verleggen en verruimen van de vaarweg bij en westelijk van de stad Groningen.10 De

werkzaamheden namen een aanvang in het begin van de jaren ’30 en al in 1938 kon het Groningse deel (het Van Starkenborghkanaal) worden geopend. Het nieuwe kanaal en ook andere delen van de toenmalige vaarweg naar Lemmer liepen relatief weinig oorlogsschade op. Voor wat betreft de aanleg van het gedeelte in Friesland lagen de zaken vanaf het begin gecompliceerder: men kon het daar moeilijk eens worden over de keuze tussen Harlingen, Stavoren of Lemmer als eindpunt.11 Uiteindelijk zou aanpassing van de plannen voor aanleg van de Noordoostpolder mede van invloed zijn; de vaart via Lemmer naar het IJsselmeer werd hierdoor gunstiger dan die langs Stavoren. Een definitief ministerieel besluit viel pas in april 1938.12 De voltooiing van het Friese deel liet echter door besluiteloosheid – onder meer vanwege de voorziene sterke vermindering van kanaalopbrengsten voor de Friese Staten – uiteindelijk op zich wachten tot na de oorlog. Nadat alle grondwerken in 1944 waren stilgevallen, werden ze pas weer in 1946 opgepakt. Toen werd aanvankelijk uitgegaan van een verdere aanlegtijd van 11 jaar, maar al gauw werd dat gereduceerd naar 4 jaar.13 Het vooral in zuidwestelijk Friesland in belangrijke mate nieuw getraceerde (of door een meer lopende) kanaal werd uiteindelijk in 1951 in gebruik genomen en het was toen een van de eerste grote, naoorlogse vaarwegen. Het kreeg een capaciteit voor vaartuigen tot 2000 ton, dankzij kunstwerken met een doorvaartbreedte van 16 m. Hoe sterk de lobby voor Harlingen als eindpunt van het netwerk was, moge blijken uit het feit dat de openingsceremonie van het vernieuwde Friese kanalenstelsel in dié stad plaatsvond en niet in het veel belangrijker Lemmer! 7

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 7

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

Toen in 1955 de naam Prinses Margrietkanaal voor het Friese gedeelte van de vaarweg van Groningen naar Lemmer werd voorgesteld, leverde dat opnieuw gesteggel op: er gingen stemmen op gedeelten van het kanaal historische namen te geven.14 Pas per 1 januari 1957 was de verbinding echt volwaardig: toen werden de lucratieve Friese tollen afgeschaft, ten koste van een hoge Rijksafkoopsom: Friesland en Groningen ontvingen samen ruim 2 miljoen gulden, nadat het Rijk toch al zo’n 75 % in de totale kosten (van meer dan 45 miljoen) had bijgedragen.15 De vaarweg voert door een aantal fraaie cultuur- en natuurlandschappen, maar contrasteert daarmee nogal – mogelijk vanwege het doorsnijden van ruimtelijke eenheden. Het grotendeels ontbreken van of de zeer ijle oeverbegroeiing verzacht het gekozen kanaaltracé echter. In 2014 nam Rijkswaterstaat de vaarweg (Delfzijl-)Groningen-Lemmer alsnog over van de beide provincies. De vaarweg wordt in de huidige tijd (opnieuw) opgewaardeerd, om in de toekomst vaartuigen van de zogeheten CEMT-klasse Va te kunnen ontvangen.16 Een conclusie op basis van weinige voorbeelden. De aanleg van de in de beide delen van deze bijdrage genoemde kanalen kwam voort uit een bestaande behoefte aan vervoer en niet uit overwegingen van nieuwe gebiedsontsluiting en om nauwelijks ontgonnen of economisch onbelangrijke streken te gaan exploiteren. Dit laatste was in de 19de eeuw meer dan eens de aanleiding geweest om tot het graven van een vaarweg over te gaan. Hierbij valt onder meer te denken aan het Apeldoorns Kanaal en ook aan een aantal kanalen in de veenkoloniën. Deze laatste werden aangelegd of verlengd voorafgaand aan hun toekomstige benutting voor de afvoer van turf. Koning Willem I - de ‘Kanalen-Koning’ – maar ook anderen verkeerden in de verwachting dat aanleg van een infrastructureel werk ‘automatisch’ tot economische ontwikkeling langs de oevers en aan de uiteinden ervan zou leiden. Dit is nogal eens een te optimistische visie gebleken, ook bij de uit het midden van de 19de eeuw daterende zogeheten Overijsselsche Kanalen. Wat we uit de ontwikkeling van de genoemde vaarwegen kunnen destilleren is dat benodigde en optimale capaciteit moeilijk vooraf zijn te bepalen. Verder is vast te stellen dat de inpassing van kanalen in het landschap in

een halve eeuw niet is verbeterd door er groenstroken aan toe te voegen, maar wel door ze in het veld relatief onzichtbaar te maken. Een open landschap vraagt niet om groenlinten die abrupte doorsnijdingen accentueren, terwijl omgekeerd een relatief besloten terrein er niet bij gebaat is dat er uitgestrekte gaten in vallen. Kanalenaanleg vroeg dus om maatwerk en in een aantal gevallen is dat in het Interbellum en de Wederopbouwjaren goed gelukt. De esthetische aspecten en waarden van de noodzakelijke grote kunstwerken voegden daar kwaliteit toe bij de totaalconcepten en dit vrijwel onafhankelijk van hun omvang. Het feit dat afzonderlijke wetten en onteigeningsprocedures gevolgd moesten worden, maakte de aanleg van vaarwegen zonder twijfel flexibel, maar dat grootscheepvaartkanalen niet (per definitie) in handen waren of kwamen van de centrale overheid, had als nadeel dat het netwerk soms moeizaam tot stand kwam en ook niet altijd overeenstemmende capaciteiten omvatte. In het bijzonder het lobbyen door provincies, gemeenten en anders economisch belanghebbenden, maar ook in toenemende mate door organisaties die zich inzetten voor cultuur- en natuurwaarden, bracht mee dat tracering van infrastructurele werken geen sinecure was. Een hier te vermelden aspect is dat door lokale verruimingen elders stremmingen of ‘files’ konden optreden – iets wat we ook kennen van de huidige autosnelwegen. Juist vanwege dit laatste punt is het verbazingwekkend dat vaarwegen relatief weinig worden benut voor het binnen- en buitenlandse goederenvervoer: container- en bulktransporten gaan veel over grootscheepvaartwegen, maar veruit het meeste vrachtverkeer (rond 70 %) gaat over de weg – ook waar het zogenoemd logistiek verkeer betreft, waarbij de ‘voorraad’ onderweg is. En precies daarvoor is het binnenvaartschip, dat tientallen malen grotere ladingen kan transporteren dan een vrachtauto, zeer geschikt. We komen hierop later in deze serie nog terug. Het volgende deel van deze reeks over verkeersinfrastructuur uit de periode ca. 1920-1965 zal gaan over spoor- en tramwegen. Noten  Arnhemsche Courant, 01-11-1917, 2de blad; Algemeen Handelsblad, 01-111917, 2de blad, 7; De Telegraaf, 01-111917, 2de blad, 5; W.J. van Haren

1

NUMMER

48

JULI

2019

Noman, (1917), 237 e.v., 241: Het vervoerde tonnage was tussen 1893 en 1913 meer dan verzevenvoudigd, van 200.000 naar 15.000.000 ton. 2  Algemeen Handelsblad, 26-02-1918, 3de blad, 9. 3  De Maasbode, 09-01-1925, 2de blad. 4  Zie o.m.: C. de Groot, (1967), 42-49; Het Parool, 16-05-1952, 5; Algemeen Handelsblad, 19-05-1952, 5. 5  C. de Groot, (1967), 47, 48. Vergelijk hiervoor de monding van de Twenthekanalen in de IJssel bij Zutphen. 6  De Tijd De Maasbode, 09-02-1962, 3; Zie ook: Gedenkboek, (z.j.), 161169; https://nl.wikipedia.org/wiki/ Amsterdam-Rijnkanaal 7  Zierikzeesche Nieuwsbode, 13-101981, 5; https://www.rijkswaterstaat. nl/water/vaarwegenoverzicht/amsterdam-rijnkanaal/index.aspx 8  Handelingen Tweede Kamer 19231924, 06 maart 1924. Het kamerlid Boon merkte op: “Waar het Rijk in beginsel besloten heeft tot aanleg van het scheepvaartkanaal Lemmer-Groningen, kan daarin verbetering komen, mits het kanaal Harlingen-Foonejacht aan het eerstgenoemde gelijkwaardig wordt.”; Kamerstuk Tweede Kamer 1926-1927, kamerstuknummer 2 IX ondernummer 12. 9  Handelingen Tweede Kamer 19271928, 08 december 1927; Kamerstuk Tweede Kamer 1930-1931, kamerstuknummer 2 IX, ondernummer 13; Handelingen Tweede Kamer 1929-1930, 01 juli 1930; Handelingen Tweede Kamer 1932-1933, 13 december 1932; Handelingen Tweede Kamer 1934-1935, 11 december 1934. 10  Zie bv.: De Maasbode, 19-09-1928; Zie ook: Kamerstuk Tweede Kamer 19301931, kamerstuknummer 2 IX, ondernummer 15. 11  Zie bv.: Leeuwarder nieuwsblad, 16-01-1931, 2, 3; Nieuwsblad van Friesland, 11-12-1931, 2de blad; Algemeen Handelsblad, 09-12-1932, 4. 12  Nieuwsblad van Friesland, 28-10-1932, 4de blad; Leeuwarder courant, 15-041938, 2de blad. 13  De Heerenveensche koerier, 26-061946, 2; De Heerenveensche koerier, 12-12-1946, 2. 14  Nieuwsblad van het Noorden, 30-051951, 2; Leeuwarder courant, 03-081955, 7: De namen Kolonelsdiep en Caspar de Roblesdiep circuleerden.

8

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 8

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

6-H  et Julianakanaal (zie ook deel 1) ten zuiden van het Limburgse Stein. Het kanaal is hier fraai in het landschap ingebed en lijkt sterk op dat rondom de evenwijdig eraan lopende rivier de Maas. 15 16

Algemeen Handelsblad, 08-12-1956, 7.  h t t p s : / / w w w. r i j k s w a t e r s t a a t . n l / nieuws/2018/11/rijk- en-regio -mak e n - w e r k- v a n - s t e v i g e - o p w a a r d e ring-hoofdvaarweg-lemmer-delfzijl. aspx ; https://nl.wikipedia.org/wiki/ CEMT-klasse

Literatuur (deel 1 en 2) -  Ehrardt, H. (1967), Vaarwegen in Friesland. In: J. van der Kley, (red.), z.a., 147-160. -  Gedenkboek Twee eeuwen Waterstaatswerken, (z.j.) [1959], 161-169. Amstelveen. -  Groot, C. de (1967), Het Amsterdam-Rijnkanaal. In: J. van der Kley, (red.), z.a., 41-51. -  Haren Noman, W.J. van, Jr., (1917), Rijnvaart en binnenvaart op het Merwedekanaal. In: Onze Eeuw. Jaargang 17, 237-249.

-  Heitling W. H. & L. Lensen (1984), De Twenthekanalen; Succes van een mislukking. Zutphen. -  Jongh, A.A. de (1967), De Zuid-Willemsvaart en het Kanaal Wessem-Nederweert. In: J. van der Kley, (red.), z.a., 91-102. -  Keijzer, T.P. (1919>>), Gids voor de kanaalvaart in Nederland: voor de binnenscheepvaart bewerkt. Assen. -  Keijzer, T.P. (1940>>) Gids voor de binnenscheepvaart: beschrijving van alle bevaarbare rivieren en kanalen in Nederland. Assen. -  Kley, J. van der (red.) (1967), Vaarwegen in Nederland; Een beschrijving van de Nederlandse binnenvaartwegen. Assen. -  Lodder, G. Chr. (1967), De Twenthekanalen. In: J. van der Kley, (red.), z.a., 112-124. -  Schuursma, R.L. (1975), Het onaanne-

melijk tractaat; het verdrag met België van 3 april 1925 in de Nederlandse publieke opinie. Groningen. -  Smook, C. (1994), ‘Een monument van Nederlandschen Ingenieursarbeid’; De Twentekanalen 1930-1936. In: Y. Attema, G. Berends, M.C. Kuipers, e.a. (red.), Monumenten van een nieuwe tijd. Jaarboek Monumentenzorg 1994, 64-73. -  Stadhouders, P.A.J. (1963), De gids van Nederland voor de binnenvaart. Assen / Amsterdam. -  Veen, J. van der (1967), Kanalen in Groningen. In: J. van der Kley, (red.), z.a. ,161-172. -  Wegwijzer voor de Binnenscheepvaart. (Meerdere delen en edities, 1922>>, uitgegeven door het Ministerie van Waterstaat). Den Haag. - Website: http://kanaleninnederland.nl/

9

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 9

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

Ben de Vries Historicus en projectleider bij de afdeling Strategie en Internationaal van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, b.de.vries@cultureelerfgoed.nl.

NUMMER

48

JULI

Beladen erfgoed in Europa

1

Umstritten, gecontesteerd, controversé, en conflicto, sensitive

Foto: RCE, Jos Stöver

In Nederland staan tal van oude bouwwerken en standbeelden die met slavernij, kolonialisme en collaboratie te maken hebben. Deze roepen tegenwoordig vaak sterke emoties op. Het is verhelderend om te zien hoe andere Europese landen met zulk beladen cultureel erfgoed omgaan. Behalve Nederland passeren Duitsland, België, Frankrijk, Spanje en Engeland de revue. Er zijn opvallend meer overeenkomsten dan gedacht. Daarom is het goed om eens een ander licht op onze geschiedenissen te laten schijnen en het gesprek te voeren over denkbare omgangsvormen met beladen cultureel erfgoed. Wanneer is cultureel erfgoed eigenlijk beladen? In eerste instantie als het mensen verdeelt in plaats van verbindt. Of als een groep zich niet herkent in een bepaalde weergave van het verleden. Of als er sprake is van oud zeer, van slepende kwesties. Geschiedenis wordt meestal geschreven door de overwinnaar en door de meerderheid. Vandaag de dag laat ook de minderheid van zich horen en zit de toenmalige overwinnaar vaker in het beklaagdenbankje. En waarom is juist nu iets beladen? Dat lijkt samen te vallen met onze tijdgeest, met verharding van de samenleving, met toegenomen populisme en polarisatie. Dit alles in een snel veranderende wereld. Natuurlijk leidt het verstrijken van de tijd tot andere inzichten en laten nieuwe generaties, soms met een migrantenachtergrond, een ander licht op onze geschiedenis schijnen.2 Dit geldt met name bij geweldsconflicten, zoals Jan Pieterszoon Coen die in de zeventiende eeuw uitvocht op de Banda-eilanden en generaal Joannes Benedictus van Heutsz rond 1900 in de opstandige provincie Atjeh van Nederlands-Indië. Of wat er in 1977 gebeurde bij het beëindigen van de Molukse treinkaping bij De Punt.

2019

1 - De openluchtvergaderplaats is ontworpen in de jaren ’30 door de vaste NSB-architect Martinus Jansen. Er was ook een kantoor voor Mussert, maar het ondergrondse ‘mausoleum voor gevallen kameraden’ is nooit afgebouwd. En hoe gaan we daar dan mee om? Het standbeeld van Coen in Hoorn, vaak in het nieuws nadat het was beklad of omvergetrokken, kreeg in 2012 een nieuw bordje op zijn sokkel: ‘(…) geroemd als krachtdadig en visionair bestuurder.3 Maar evenzeer bekritiseerd om zijn gewelddadige optreden bij het verwerven van handelsmonopolies in Indië’. En Van Heutsz? Zijn kolossale praalgraf - een rijksmonument - op de Amsterdamse begraafplaats De Nieuwe Ooster is tien jaar geleden naar een minder prominente plek aldaar verplaatst en toen voorzien van een kritisch informatiebordje. Zijn monument aan het Olympiaplein in Amsterdam, als ereteken al beklad midden jaren zestig, werd in 2007 hernoemd tot Monument Indië-Nederland. En voor de plek van de Molukse kaping kreeg de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onlangs een suggestie voor bescherming als rijksmonument.

Ons koloniale verleden heeft ook zijn sporen nagelaten in instituties en in particuliere en publieke collecties. Onlangs publiceerde het Nationaal Museum van Wereldculturen een restitutieleidraad met criteria, waaraan verzoeken om teruggave van roofkunst moeten voldoen. Als reactie liet minister Ingrid van Engelshoven van Cultuur in een brief aan de Tweede Kamer weten, dat zij een nationaal beleidskader wil ontwikkelen voor een zorgvuldige omgang met koloniale collecties.4 De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is al begonnen met onderzoek naar sporen van slavernij en de koloniale periode in de eigen collectie. Het gaat dan vooral om uitleg en titels die we nu als kwetsend ervaren. De Muur van Mussert Behalve aan koloniale twisten denken velen bij beladen erfgoed in Nederland vooral ook aan de Muur van Mussert.5

10

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 10

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

SS-sporthal kreeg in 1999 de gemeentelijke monumentenstatus, ontving een ruime instandhoudingssubsidie van de provincie en werd vorig jaar opgekocht door een vastgoedbedrijf.

Foto: RCE, Jos Stöver

Germaanse cultusplaatsen De vraag is: wat kun je en mag je met zo’n beladen bouwwerk bij Wassenaar of Ellecom? Of bij Lunteren, waar de Muur nu onderdeel is van een bungalowpark? Eenduidige antwoorden zijn niet te geven.9 De Muur van Mussert is zeker uniek in Nederland, maar in Duitsland werden bijna zestig van deze Germaanse cultusplaatsen, oftewel Thingstätten, vaak middenin de natuur gebouwd, bijvoorbeeld bij Heidelberg. Deze propagandaplekken waren geïnspireerd op het Reichsparteitagsgelände in Neurenberg, waar Adolf Hitler militaire parades en partijbijeenkomsten hield. Onlangs stelde de Duitse regering tachtig miljoen euro beschikbaar om dit immense bouwwerk, inclusief de Zeppelintribune, voor verder verval te behoeden.

2 - De sporthal op landgoed Avegoor bij Ellecom is gebouwd voor Nederlandse SS’ers. Logisch. Deze openluchtvergaderplaats met een 150 meter lange, licht gebogen muur werd speciaal gebouwd voor de Nationaal-Socialistische Beweging, de NSB, geleid door Anton Mussert. In dit zogenoemde Nationaal Tehuis op de Goudsberg bij Lunteren werden tussen 1936 en 1940 massabijeenkomsten gehouden ofwel Hagespraken. Zulke toogdagen met veel zang en vlagvertoon waren niet typisch NSB.6 Andere politieke partijen deden dat net zo goed, zoals de socialistische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Denk maar aan De Paasheuvel in Vierhouten. De Muur kwam eind 2017 in het nieuws toen de eigenaar hem wilde slopen. Inmiddels heeft de minister van Cultuur de Muur aangewezen als rijksmonument, omdat hij herinnert aan een donkere tijd die nadrukkelijk deel uitmaakt van onze geschiedenis.7 Niet iedereen was verheugd over dit besluit. Immers, de NSB collaboreerde actief met de Duitse bezetter en dat lijkt dan niet te passen bij zo’n eervolle status.

Eenzelfde commotie ontstond toen in 2005 het grafmonument van de NSB-voorman Leendert Willem de Leeuw op het Verloren(e) Kerkhof in Roermond een rijksmonument werd, vanwege de cultuurhistorische waarde, ensemblewaarde en typologische zeldzaamheid. Ook de aangekondigde verkoop van de monumentale commandobunker van nazi-kopstuk Arthur Seyss-Inquart op Landgoed Clingendael bij Wassenaar doet veel stof opwaaien. Een ander voorbeeld van beladen erfgoed is de SS-Schule, een voormalig opleidingskamp op landgoed Avegoor bij Ellecom in de gemeente Rheden, speciaal gebouwd voor de opleiding van Nederlandse SS’ers. Voor de grondwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van sportvelden en de bouw van een sporthal in 1942 werden 140 Joodse dwangarbeiders ingezet.8 De hal met rieten kap ziet eruit als een boerderij. Zeker vanuit de lucht was hij moeilijk herkenbaar voor geallieerde vliegtuigen. De bijbehorende atletiekbaan, tribune en exercitieplaatsen zijn allang gesloopt. De

De NSB was politiek gezien niet uniek in Europa. Overal vond collaboratie plaats: op ideologische, militaire, economische en niet te vergeten cultuur-intellectuele wijze. Fascisme en nationaalsocialisme waren in de jaren dertig onlosmakelijk verbonden met het Europese politieke landschap. Behalve collaboratie zijn in dit verband ook slavernij en kolonialisme veelbesproken.10 Eigenlijk vinden op dit moment in alle landen in Europa die overzeese kolonies bezaten of bezet waren door nazi-Duitsland maatschappelijke debatten rond deze gevoelige thema’s plaats. Hoe gaan de ons omringende landen met beladen erfgoed om? Eerst maar eens gluren bij onze oosterburen. Duitsland Voor de Christuskirche in de Namibische hoofdstad Windhoek stond een eeuw lang het Reiterdenkmal. Dat herinnerde aan de Duitse koloniale Schutztruppe, die daar de Herero- en Nama-bevolking had uitgemoord of afgevoerd naar concentratiekampen. Generaal Lothar von Trotha, die ruim honderd jaar geleden in toenmalig Duits-Zuidwest-Afrika de leiding had, is te vergelijken met onze hardhandig optredende generaal Van Heutsz. Sinds er onlangs rellen rond het omstreden ruiterstandbeeld ontstonden, 11

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 11

23/05/19 18:31


NUMMER

48

JULI

2019

Foto: Barbara Mensink

VITRUVIUS

3 - Het Duitse, koloniale ‘Reiterdenkmal’ in de Namibische stad Windhoek staat nu in de opslag. staat het opgeslagen in het depot van het Nationale Museum van Namibië. Volgens de toenmalige president Pohamba belemmerde het standbeeld ‘de genezing van het land van de koloniale onderdrukking door de Duitsers’ en hij liet het daarom verwijderen. Recent zijn straatnamen in de Berlijnse Afrikanerwijk die herinneren aan de eerste Duitse kolonisatoren Adolf Lüderitz, Carl Peters en Gustav Nachtigal hernoemd, sommige in die van Afrikaanse vrijheidsstrijders. Het wekt geen verbazing dat Duitsland nog meer dan andere Europese landen kritisch naar zijn eigen oorlogsverleden kijkt. Onlangs was er in Frankfurt een expositie getiteld Gekauft, gesammelt, geraubt?, over de omgang met besmette, umstritten voorwerpen in musea.11 Vlakbij hing een plaquette aan een gebouw ter nagedachtenis aan Roma- en Sinti-slachtoffers, met de treffende slotregel ‘als Erinnerung, Mahnung und Verpflichtung’. In Duitsland kennen ze een toepasselijk woord

voor dit soort ‘schuldige’ plekken: een Mahnmal. Een waarschuwend gedenkteken, zou je kunnen zeggen. Ook plaatsen ze soms een nieuw ‘goed’ monument naast een ‘fout’ monument en noemen dat een Gegendenkmal. Misschien is het woord ‘verzoeningsmonument’ voor ons wel op zijn plek, al kan dat niet losstaan van een verzoeningsdialoog. Tot slot heeft bondskanselier Angela Merkel laatst aangegeven dat wat haar betreft het geboortehuis van Hitler op de grens met Oostenrijk afgebroken mag worden. Zij wil ‘duister toerisme’ ontmoedigen. België Niet alleen in Nederland en Duitsland, maar ook bij onze zuiderburen ligt het koloniale verleden gevoelig. ‘Aangebrand’ noemen ze het ook wel. Dit komt doordat het onderwerp een-op-een verbonden is met de Belgische koning Leopold II. Hij zag de kroonkolonie Kongo-Vrijstaat als zijn persoonlijke wingewest. Dat gebeurde nadat hij in 1885 het immense grond-

gebied toegewezen had gekregen tijdens de Conferentie van Berlijn, waar het Afrikaanse continent verder werd opgedeeld onder de Europese mogendheden. Vandaag de dag worden zijn standbeelden in Brussel en Gent soms met bloedrode verf besmeurd, en werd dat in Oostende opzettelijk beschadigd. Maar de beelden staan er nog steeds en zijn sinds kort voorzien van een ‘aangepaste duiding’. Ook het standbeeld op de strandboulevard van Blankenberge ter herinnering aan twee vermoorde koloniale soldaten in de Kongo-Vrijstaat, Joseph Lippens en Henri De Bruyne, is beladen, gecontesteerd. Op de sokkel staat dat zij ‘de heldendood voor de beschaving’ stierven. Het beeld is gewoon een Vlaams monument, maar hun straatnamen zijn inmiddels verwijderd. Verder heeft de uitgeverij van Kuifje in Afrika op het nippertje een rechtszaak gewonnen, die was aangespannen vanwege vermeend racisme in dit stripverhaal. Het AfricaMuseum in Tervuren bij Brussel, het meest politiek beladen museum van

12

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 12

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

Zowel Kester als Kwatrecht, nu een internaat, is geen monument en er ontbreken informatiebordjes. Frankrijk Kijken we naar de collaboratie in Frankrijk, dan komt meteen maarschalk Philippe Pétain in beeld, de held van Verdun uit de Eerste Wereldoorlog. Vanaf het balkon van het deftige Hôtel du Parc in Vichy sprak hij elke zondag de menigte toe en legde steeds weer uit waarom hij ervoor had gekozen om in het zuiden van Frankrijk te heulen met nazi-Duitsland. Hij dacht dat door de oprichting van dit Vichy-regime de minste schade zou worden toegebracht aan zijn motto Travail, famille, patrie. Ondertussen waren zijn ambtenaren drukdoende Joden op te pakken en via kamp Drancy bij Parijs te deporteren naar vernietigingskampen. Kamp Drancy is sinds de jaren zeventig een nationaal monument, er vindt jaarlijks een herdenking plaats en er is sinds 2012 een uitgebreid educatiecentrum. Pétain

werd na de oorlog ter dood veroordeeld - maar die straf werd direct omgezet in levenslang - en zijn standbeelden en straatnamen zijn nu allemaal verwijderd. Interessant is dat de tachtig parlementsleden die destijds tegen de plannen van Pétain stemden, sinds vorig jaar in Vichy publiekelijk worden geëerd. President Emmanuel Macron bezocht eind 2017 diverse voormalige Afrikaanse koloniën en sprak schande over de roof van cultureel erfgoed en beloofde teruggave, ook van menselijke resten. Hij veroordeelde de slavernij, maar voegde er gelijk aan toe dat ‘Afrikaanse slavenhandelaren er eerder waren dan de Europese’. Ondertussen vinden er in Parijs verhitte discussies plaats over twee afbeeldingen op gevels van huizen genaamd Au Planteur en Au Nègre Joyeux. Voorlopig resultaat: het ene tableau controversé mag blijven hangen, want het is een monument classé, het andere is inmiddels weggehaald en naar Musée

Foto: Ben de Vries

België, heropende in december, na vijf jaar gesloten te zijn geweest, zijn deuren, met een nieuwe, eigentijdsere koloniale presentatie.12 Opvallend is het ‘schaamtedepot’, dat twintig sculpturen toont die nu uit de collectie zijn verbannen. Actieve collaboratie is, net als bij ons, in België een pijnlijk dossier. Juist omdat het zo nauw verbonden is met het Vlaamse nationalisme. Bewegingen als het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), de Waalse Rex en DeVlag vierden in de Tweede Wereldoorlog hoogtij en velen werden lid van het Vlaams Legioen, onderdeel van de Waffen-SS. Meerdere plekken in Vlaanderen herinneren aan collaboratie, waaronder een heuvel bij Kester. Daar hield de VNV landdagen, net als de NSB. En hun leider Staf De Clercq sprak, net als Mussert, vanaf een spreekgestoelte de enthousiaste menigte toe. Een ander voorbeeld is de SS-Reichsschule Flandern in Kwatrecht, een kweekvijver voor de collaborerende jonge Vlaamse elite.

4 - Dit beeld in Blankenberge herinnert aan twee in 1892 vermoorde soldaten in de Kongo-Vrijstaat. 13

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 13

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

Carnavalet verhuisd, waar het tevens wordt gerestaureerd.

Foto: JLPC

Spanje Als er één land is in Europa dat al decennialang worstelt met zijn onverwerkte verleden, dan is dat wel Spanje. Zeer beladen is vooral de erfenis van Francisco Franco, de fascistische dictator die Spanje bijna veertig jaar lang met harde hand regeerde. Hij kwam aan de macht tijdens de bloedige Spaanse Burgeroorlog (1936-1939), daarbij militair en ideologisch gesteund door Duitsland en Italië. Vervolgens wist Franco het land handig buiten de Tweede Wereldoorlog te houden. Hij stuurde slechts zijn Blauwe Divisie naar het Oostfront. Jodenvervolging en collaboratie, zoals in andere Europese landen, speelden geen rol.

Foto: Prosthetic head.

5 - In Parijs vinden er verhitte discussies plaats over de afbeelding ‘Au Planteur’ op een huis.

6 - Van dit standbeeld in Kaapstad van de omstreden Cecil Rhodes is de neus afgezaagd.

Eind jaren vijftig liet el Generalísimo Franco buiten Madrid door dwangarbeiders een basiliek in de rotsen uithouwen ter ere van alle gevallenen in de burgeroorlog. Ruim dertigduizend Franquisten (overwinnaars) liggen er begraven. Maar om het mausoleum te vullen werden elders anonieme massagraven en persoonlijke graven van duizenden republikeinen (verliezers) leeggehaald en hier opnieuw begraven, zonder toestemming van de familieleden. Tot op de dag van vandaag strijden zij ervoor om de resten van hun familieleden er weg te krijgen, want voor hen is deze plek een verheerlijking van het fascisme, en daarmee patrimonio en conflicto. In dit imponerende herdenkingsmonument, genaamd Monumento Nacional de Santa Cruz del Valle de los Caídos (Het Heilige Kruis van de Vallei der Gevallenen), werd na zijn dood in 1975 ook Franco zelf bijgezet. Na het herstel van de democratie besloten zowel linkse als rechtse politieke leiders een streep onder het getroebleerde verleden te zetten. Ze wilden vooruit kijken en niemand vervolgen voor de gepleegde misdaden tijdens de burgeroorlog. De Amnestiewet die hierop van toepassing was, werd El Pacto del Olvido genoemd: het pact van de vergetelheid. Maar een nationaal trauma laat zich niet zo eenvoudig wegmoffelen. Pas met de invoering van de ‘Wet op de Historische Herinnering’ in 2007 durfde de regering de waarheid over het fascistische schrikbewind onder ogen te zien.13 Namen van straten

14

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 14

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

Foto: Ben de Vries

geen koloniale mogendheid van betekenis meer was, leverde de dekolonisatie niet al teveel problemen op. Sporadisch zijn er verzoeken om teruggave van betwiste koloniale objecten, maar Spanje houdt alle claims af. Eerder dit jaar stuurde de Mexicaanse president een brief aan de Spaanse koning waarin hij excuses vroeg voor de misdaden tegen de inheemse volkeren tijdens de verovering en onderwerping van Mexico. De Spaanse premier reageerde direct en gaf aan dat de conquista van vijfhonderd jaar geleden ‘niet in het licht van de huidige tijd kan worden bezien’.

7 - Omstreden beelden die uit de collectie van het AfricaMuseum in Tervuren zijn verwijderd, staan nu publiekelijk opgesteld in het ’schaamtedepot’.

8 - Standbeeld van Franco wordt opgetakeld. en pleinen die herinneren aan Franco en andere kopstukken uit de militaire dictatuur zijn vervangen en standbeelden van Franco uit het straatbeeld verwijderd. De Vallei der Gevallenen is ooit bedacht als nationaal verzoeningsmonument, maar door Franco’s aanwezigheid bleef deze plek de Spanjaarden juist verdelen. Daarom maakte de sociaaldemocratische regering bekend dat de stoffelijke resten

van Franco zouden worden opgegraven en verplaatst. Dit zeer tegen de zin van conservatieve partijen en Franco’s nabestaanden die het besluit tot aan het Hooggerechtshof aanvochten. Tevergeefs. Vorige maand is zijn lichaam alsnog verplaatst naar een grafkapel in El Pardo, waar zijn vrouw al ligt begraven. Anders ligt het met het koloniale verleden van Spanje. Doordat het land al rond 1900

Engeland In Engeland staan sensitive standbeelden van omstreden personen als diamantenkoning, politicus en aanhanger van de white supremacy Cecil Rhodes te wankelen. Dat gebeurde nadat studenten in zowel Oxford als de Zuid-Afrikaanse plaats Kaapstad een Rhodes Must Fall-campagne tegen hem waren gestart.14 De recente publicatie Inglorious Empire, what the British did to India door Shashi Tharoor sloeg in als een bom en leidde tot een nationaal debat. Weinigen wisten dat het Britse bewind in de kroonkolonie India tot 1947 zo ingrijpend en onderdrukkend was geweest. Teruggave van roofkunst ligt in Engeland tamelijk ingewikkeld. Al decennia houdt het British Museum Griekse aanspraken over de aldaar tentoongestelde Parthenon-friezen af. Wel leent het stukken uit aan het nieuw te bouwen museum in de Nigeriaanse stad Benin City, waar Britse troepen tijdens een strafexpeditie in 1897 duizenden metalen en ivoren objecten van koning Oba van het Beninrijk buitmaakten. De schatten staan bekend als de Benin Bronzes. Het Victoria & Albert Museum maakte in 2018 met Ethiopië afspraken over de permanente uitleen van de zogeheten Magdala Treasures, bestaande uit honderden objecten die het Brits-Indisch leger onder leiding van generaal Robert Napier in 1868 bij een strafexpeditie uit het paleis van Tewodros II roofde. Wel gingen twee haarlokken van deze keizer uit het National Army Museum retour. Daarnaast erkennen Liverpool en Bristol met exposities, monumenten, debatten en vooral musea de hoofdrol die ze als havensteden speelden in de trans-Atlan15

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 15

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

sert-wordt-rijksmonument  w w w. o m r o e p g e l d e r l a n d . n l / nieuws/2148651/De-hel-van-Ellecom. Zie ook de inventarisatie van ‘fout’ erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog in de provincie Gelderland. En Gelderse plekken van herinnering aan WO2: http://erfgoedgelderland.nl/wp-content/uploads/2016/02/Nota-Herinnering-Gelderland-1940-1944-1945.pdf 9  Zie bijvoorbeeld de publicatie uit februari 2019 van de Wageningen Universiteit over toekomstperspectieven voor de Muur van Mussert: https://edepot.wur.nl/468891 10  Deze drie onderwerpen komen ook terug in de resultaten van een enquête naar herinneringserfgoed die de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in 2018 uitvoerde, zie: www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/ herinneringserfgoed 11  w w w. f a z . n e t / a k t u e l l / f e u i l l e t o n / debatten/kulturminister-einigen-sich-auf-kunst-rueckgabe 12  w ww.archined.nl/2019/02/bij-de-arc h i t e c t u u r - v a n - h e t- a f r i c a - m u s e um-een-twijfelend-herkaderingsproject/ 13  Zie de veelgeprezen documentaire The Silence of Others (2018) van Almudena Carracedo en Robert Bahar 14  w ww.theguardian.com/cities/2018/ sep/26/statue-wars-what-should-wedo-with-troublesome-monuments

Foto: Ben de Vries

8

9 - De Vallei der Gevallenen was ooit bedoeld als nationaal verzoeningsmonument. tische slavenhandel. In dat opzicht zijn in Bristol vooral het British Empire and Commonwealth Museum en de Slavery Trail illustratief. Aangezien Engeland niet is bezet tijdens de oorlog, speelt collaboratie daar nagenoeg geen rol. Al waren er tot 1940 wel degelijk Blackshirts, aanhangers van de British Union of Fascists, die de straten in Londen met militante marsen onveilig maakten. Zoals deze kleine selectie van Europese voorbeelden van beladen erfgoed laat zien, zijn er veel overeenkomsten met zaken waar wij in Nederland mee worstelen. Een palet aan instrumenten en omgangsvormen biedt zich aan: beschermen, erkennen, accepteren, transformeren, toe-eigenen, infobordjes toevoegen, hernoemen, musealiseren, debatteren, exposeren, ontkennen, verwijderen, teruggeven, herinneren, herdenken et cetera. Keuze genoeg. De eerste les voor nu is dat wegkijken in deze schurende kwesties geen zin heeft. Ze vereisen een open vizier. We moeten vaker context bieden en met elkaar in gesprek gaan. En vooral verhalen vertellen om zo ook netelige kwesties van meerdere kanten te belichten en recht te doen aan meerstemmigheid en diversiteit.

Noten 1  Dit artikel verscheen eerder in een kortere versie in het Tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (1-2019, p. 4-7), zie: www.cultureelerfgoed.nl/publicaties 2  w ww.cultureelerfgoed.nl/actueel/ nieuws/2018/12/14/eerste-training‘sharing-stories-on-contestedhistories’-afgesloten-in-amsterdam 3  Oostindie, G. (2018), Postkoloniale beeldenstormen. Zie ook zijn Daendelslezing 2018 en de reactie daarop: www.historici.nl/wp-content/uploads/2018/08/Henkes-Eickhoff-20-08-postkoloniale-beeldenstormen_.pdf 4  w ww.rijksoverheid.nl/ministeries/ ministerie-van-onderwijs-cultuur- en-wetenschap/documenten/ kamerstukken/2019/04/10/kamerbrief-met-reactie-op-artikel-over-roofkunst 5  Vlasblom, M. (2018), ‘Beladen erfgoed vertelt een verhaal’, in: Kleio6, p. 48-51 6  Heijningen, R, van (2015), De muur van Mussert; www.niod.nl/nl/nieuws/ de-muur-van-mussert-wordt-rijksmonument 7  w w w. r i j k s o v e r h e i d . n l / a c t u e e l / nieuws/2018/02/27/muur-van-mus-

16

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 16

23/05/19 18:31


BOEKENSPECIAL recent

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 17

VERSCHENEN

23/05/19 18:31


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

De Midden-Steentijd in Fryslan. Jager-verzamelaars aan de oevers van het Burgumer Mar AUTEURS

Marcel Niekus, Yuri van Koeveringe UITGAVE

Uniepers D E TA I L S

Paperback, 112 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-8741-036-0 PRIJS

€ 15,90

F

ryslân en vooral de omgeving van het Burgumer Mar (Bergumermeer), neemt een bijzondere plaats in in het

NUMMER

48

JULI

2019

onderzoek naar de Midden-Steentijd in Nederland. Al bijna 100 jaar zoeken zowel universitaire als amateurarcheologen (stientjessikers) naar de sporen van deze jagers, en vinden ze die hier ook. Honderden vindplaatsen en duizenden en duizenden vondsten geven aan dat deze omgeving een grote aantrekkingskracht had op de mens. In dit boek kijken we hoe deze jager-verzamelaars leefden en hoe hun omgeving er uit zag. Dit doen we aan de hand van vele archeologische onderzoeken, waarbij een grote opgraving uit de jaren ‘70 aan de oevers van het Burgumer Mar centraal staat. Maar ook de vondsten van de stientjessikers spelen een onmisbare rol in het onderzoek naar de Midden-Steentijd. n

Pure nostalgie AUTEUR

GT Rovers UITGAVE

Karakter D E TA I L S

Gebonden, 148 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-4521-520-4 PRIJS

€ 17,99

W

eet u nog dat brood op de bon ging en dat trouwjurken van parachutestof werden gemaakt? En dat warm water

De mens - Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups AUTEUR

Tom Phillips UITGAVE

Thomas Rap / De Bezige Bij D E TA I L S

Paperback, 368 pagina’s, ISBN 978-94-0040-263-8 PRIJS

€ 22,50

A

l zevenduizend jaar loopt de mens rond op deze planeet en wees eerlijk, we timmeren enorm aan de weg. Kunst, wetenschap, cultuur en handel, we maken de mooiste

voor de was bij de waterstoker werd gekocht? We luisterden naar hoorspelen op de radio en telefoneerden met een bakelieten telefoon in de gang. Herinnert u zich de nozems, de Solex en de SRV-wagen nog? Of de zitkuil met oranje ribfluwelen kussens? In Pure nostalgie van GT Rovers (bekend van haar columns voor TrosKompas) worden tal van dit soort mooie herinneringen opgehaald rijkelijk geïllustreerd met prachtige unieke foto’s uit de archieven van Het Nationaal Archief. Pure nostalgie is daarmee hét cadeauboek voor iedere generatie! Leuk om te lezen en te bekijken met ouders en grootouders. n

dingen en planten ons voort als gekken - op deze aardbol zijn wij duidelijk de winnaars. Maar we zo tof zijn, waarom maken we er dan telkens zo’n teringzooi van? Was het wel zo’n goed idee van de Engelsman Thomas Austin om in 1859 vierentwintig schattige konijntjes mee te nemen naar Australië? Hoe gek was Mao eigenlijk toen hij besloot om alle mussen uit China te verjagen? En hoe maf waren de Sovjet-ingenieurs toen ze hun mouwen opstroopten om, als spelende kinderen aan het strand een paar rivieren om te leggen, waardoor complete meren opdroogden? In De mens neemt Tom Philips ons mee op een wervelende reis langs de meest geweldige en catastrofale fuck-ups van onze geschiedenis. Een frisse en tamelijk relativerende kijk ope het meest succesvolle wezen op onze aarde. n

18

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 18

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

recent

2019

VERSCHENEN

De Hongerwinter AUTEUR

Ingrid de Zwarte UITGAVE

Prometheus D E TA I L S

Gebonden, 448 pagina’s, ISBN 978-90-3514-492-7 PRIJS

€ 19,99

D

e Hongerwinter van 1944-1945 is een van de meest beruchte episodes in de Nederlandse geschiedenis. Hoewel de hongersnood al sinds de bevrijding centraal staat in de collectieve herinnering aan de Duitse bezetting, is hier nog weinig systematisch onderzoek naar verricht. Op basis van uitgebreid onderzoek in binnen- en buitenland vertelt Ingrid de Zwarte in dit boek het verhaal van de Hongerwinter. Hoe is de hongersnood precies ontstaan? Wat was de rol van de Duitse bezetter? Wie stierven, wie bleven leven? En hoe bonden overheidsinstanties, geallieerden en burgers de strijd aan met de honger?

Dit boek weerlegt het gangbare beeld van de Hongerwinter: het was geen periode van passief lijden, maar eerder van ongekende veerkracht. Terwijl geallieerde noodhulp maanden op zich liet wachten en de staat hongerrantsoenen uitdeelde, zetten burgers overal in het land particuliere hulpacties op. Opmerkelijk is dat de Duitse bezetter deze inspanningen om strategische redenen vaak ondersteunde. ‘De Hongerwinter’ vertelt het verhaal achter de vele mythes over hongertochten, Duitse leegroof en de geallieerde voedseldroppings. 75 jaar na dato legt dit boek uit hoe een modern land als Nederland in hongersnood terecht kwam – en hoe het de crisis uiteindelijk weer te boven wist te komen. n

dit huis van ruim een eeuw oud een veel oudere voorgeschiedenis heeft met roemrijke bewoners. Het huidige huis werd honderd jaar geleden gebouwd en kwam in de plaats van de eeuwenoude Martenastate, die in 1900 werd afgebroken vanwege de bouwvallige staat.

Martenastate. Proeftuin van het paradijs? AUTEURS

Tsjitte Kamminga, Henk Popma

In ‘Martenastate. Proeftuin van het paradijs’ is de rijke geschiedenis van deze state nu zeer leesbaar vastgelegd. In de opeenvolgende hoofdstukken komen verschillende facetten aan bod. Zo is er een hoofdstuk over het eens machtige adellijke geslacht Martena en zijn er bv. hoofdstukken over de beheerproblemen in meer recente tijden en het groene verleden van de state, maar ook over de aanwezige stinzeflora, die er nu nog ruim te vinden is.

UITGAVE

Uitgeverij Wijdemeer D E TA I L S

Gebonden, 160 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-94-9205-252-0 PRIJS

€ 24,95

W

ie in het Friese Koarnjum het huidige huis Martenastate ziet met zijn ranke torentje, zal niet vermoeden dat

In het rijkgeïllustreerde boek is veel interessante informatie over aan Martenastate gerelateerde onderwerpen in afzonderlijke kaders opgenomen. Zo is er het verhaal over de admiraal-staf van Duco van Martena en het verhaal over de familiegrafheuvel op het landgoed, maar ook kleinere verhalen als dat over zwanehalsbanden en het tafeltje van voornoemde Duco. Een uitgebreide genealogie achterin brengt de vererving van Martenastate op de opeenvolgende geslachten Van Martena, Van Burmania en Vegelin van Claerbergen overzichtelijk in beeld. n

19

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 19

23/05/19 18:31


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

NUMMER

48

JULI

2019

De verloren kunst van de heilige geschriften AUTEUR

Karen Armstrong UITGAVE

De Bezige Bij D E TA I L S

Luxe paperback, 496 pagina’s, ISBN 978-94-0316-630-8 PRIJS

€ 29,99

D

e heilige geschriften waren altijd een middel voor mensen om hun materiële bestaan te ontstijgen en in aanraking te komen met het goddelijke. In onze seculiere samenleving hebben de teksten deze unieke functie verloren om een meer

Melk. Een 10.000-jarige haat-liefdeverhouding AUTEUR

Mark Kurlansky UITGAVE

Spectrum D E TA I L S

Paperback, 400 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-0036-663-7 PRIJS

€ 29,99

E

en geweldig geschreven geschiedenis van de verhouding tussen mensen en melkproducten, geheel in lijn met Kurlansky’s eerdere bestsellers als Kabeljauw, Zout en Papier.

Tussen politiek & publiek - Politieke prenten uit een opstandige tijd, 1880-1919 AUTEURS

Eveline Koolhaas-Grosfeld, Marij Leenders UITGAVE

Scriptum D E TA I L S

Paperback, 136 pagina’s, ISBN 978-94-6319-166-1 PRIJS

€ 24,99

P

olitieke tekenaars zijn opiniemakers, net als de schrijvende pers. Het nieuws ‘knedend’ tot satire beïnvloeden zij de politieke opvattingen van het publiek. Beelden – direct als zij zijn – zijn vaak effectiever dan teksten, zo blijkt. Teke-

praktische toepassing te krijgen: de Bijbel wordt gebruikt om homoseksualiteit en anticonceptie te veroordelen, de Koran dient om oorlog en terrorisme te rechtvaardigen en met behulp van de Thora wordt beslag gelegd op leefgebieden. Karen Armstrong signaleert ten opzichte van de heilige geschriften een groot onbegrip, wat volgens haar de hoofdoorzaak is van de huidige religieuze geschillen in de wereld. Weloverwogen en deskundig pleit ze voor een terugkeer naar de oude interpretatie van de religieuze teksten als basis van een betekenisvol en empathisch wereldbeeld. Armstrong wijst ons de weg bij het beteugelen van de arrogantie, de intolerantie en het geweld die het gevolg zijn van de gebrekkige hedendaagse uitleg van de heilige geschriften. n

Moedermelk is het belangrijkste voedingsmiddel voor baby’s, maar het was de melk van andere zoogdieren die de mens meer dan 10.000 jaar geleden ging cultiveren. Oorspronkelijk werd melk verwerkt tot kaas, yoghurt, kefir en allerlei andere vernieuwingen die lactose voor de volwassen mens verteerbaar maakten. We gingen de melk zelf pas drinken toen we door een genetische mutatie lactosetolerant waren geworden. Vroeger hielden veel families een of meerdere melkkoeien en dronken hun eigen melk. Na de Industriële Revolutie, toen steeds meer mensen in de stad gingen wonen – ver weg van de koe – leidde het drinken van melk nogal eens tot ernstige ziektes. Pas toen het pasteuriseren was uitgevonden, en verplicht werd gesteld, kon melk op grote schaal worden geproduceerd en gedronken. In onze tijd wordt er weer volop over melk gediscussieerd, gaan er stemmen op voor rauwe melk en zijn er zorgen over het dierenwelzijn. n

naars geven, kortom, mede vorm aan het openbare politieke debat. In dit boek zijn ruim tachtig (spot)prenten uit de jaren 1880– 1919 bijeengebracht. De auteurs laten hiermee op een nieuwe manier de relatie tussen politiek en publiek zien. Het was een tijd van grote veranderingen in de Nederlandse politiek. Nieuwe groeperingen als de confessionelen en socialisten sloegen een bres in het liberale bolwerk en brachten het buitenparlementaire politieke debat op gang. En terwijl op straat de roep om algemeen kiesrecht steeds luider klonk, werd binnen het parlement fel gedebatteerd over de onafwendbare grondwetsherziening. Al dit rumoer is te volgen op de afbeeldingen in dit boek. Omdat het publiek gedurende deze periode steeds meer betrokken raakte bij de politiek werd het voor parlementariërs belangrijk gekend te worden. Prenten waren hiervoor het medium bij uitstek, ook als zij de spot met je dreven. Want wie niet in beeld komt, bestaat niet. n

20

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 20

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

recent

2019

111 Plekken in Nijmegen die je gezien moet hebben AUTEURS

Andrew Groeneveld, Bart Speleers UITGAVE

THOTH D E TA I L S

Paperback, 240 pagina’s, rijk geïllustreerd met ca. 120 afbeeldingen, ISBN 978-90-6868-777-4 PRIJS

€ 16,95

Vier eeuwen dagelijks leven in Nederland AUTEUR

Pepijn Reeser UITGAVE

WBooks (i.s.m. Nederlands Openluchtmuseum) D E TA I L S

Gebonden, 176 pagina’s, rijk geïllustreerd met ca. 200 afbeeldingen, ISBN 978-94-6258-319-1 PRIJS

€ 24,95

V

ier eeuwen geleden. Het ontluikende Nederland bestond uit regio’s met eigen tradities en gebruiken, talen en kledij. Religie en standsbesef droegen bij aan de verschillende manieren waarop gewone mensen hun dagelijks brood verdienden. Waarin ze woonden, hoe ze de dag door kwamen, wat

Ja, ik wil! - Verliefd, verloofd, getrouwd in Amsterdam 1600-1800 AUTEURS

René van Weeren, Tine De Moor UITGAVE

Prometheus D E TA I L S

Paperback, 256 pagina’s, ISBN 978-90-4464-033-5 PRIJS

€ 27,50

‘H

andtasten’, letterlijk naar de hand tasten, was in vroegere eeuwen een verantwoorde en nette manier om een huwelijksaanzoek te doen, daar waar we tegenwoordig iets heel anders onder handtastelijkheden verstaan. Terwijl het aanzoek en vele andere gewoontes rond het huwelijk

VERSCHENEN

N

ijmegen kent vele verborgen schatten. Ontdek het Anatomisch Museum, waar je baby’s op sterk water kunt bekijken, het winkeltje dat vergeten kantoorplanten verkoopt of het slingerende kabouterpad. Daal af naar de oergronden van de stad of wandel je ‘Walk of Wisdom’ door de uitgestrekte uiterwaarden. Breng een bezoek aan het verdwenen kinderdorp in Neerbosch, maak een fietstocht langs de wijngaarden in Groesbeek of ga hoelahoepen aan de Waal. Bart Speleers en Andrew Groeneveld wijzen de weg naar 111 bijzondere en onvermoede plekken. Ze bieden de beste insidertips en tonen Nijmegen op haar veelzijdigst. n

ze aten, hoe warm of koud ze het hadden. Intussen zijn de verschillen een stuk kleiner geworden. Werken? Een salaris en voldoening. Wonen? Veilig, geklimatiseerd en fraai ingericht. Eten? Voedzaam en lekker. Slapen? Comfortabel en onder gedecoreerde dekbedden. Toch is het dagelijks leven voor iedereen anders, want het alledaagse laat nog steeds zien wie men is of wil zijn. ‘Vier eeuwen dagelijks leven’ toont in woord en beeld hoe er in Nederland werd geleefd, gewerkt en gewoond. Hoe Nederlanders zich verhielden tot hun partners, familieleden en buren. Welke behoeften ze hadden en hoe die in het dagelijks leven werden vervuld. Kortom, hoe Nederland veranderde van een kleinschalig en collectief georganiseerd land in een moderne welvaartsstaat. De collectie alledaagse voorwerpen van het Nederlands Openluchtmuseum biedt een uniek inzicht in deze ontwikkelingen; van blokschaaf tot ijszeiler, van kraplap tot haute couture, van beddenpan tot knottekist. n

behoorlijk veranderd zijn, is het huwelijkspatroon zelf door de tijd heen eigenlijk weinig gewijzigd: ook vroeger trouwden mannen en vrouwen in Amsterdam relatief ‘laat’ en verschilden ze onderling gemiddeld weinig in leeftijd. Net zoals vandaag zorgde de grote diversiteit aan culturen, geloofsovertuigingen, en sociale achtergronden ook in het Amsterdam van de vroegmoderne tijd voor de nodige variaties in het huwelijksgedrag. In ‘Ja, ik wil!’ worden de huidige wetenschappelijke inzichten over de invloed van huwelijkspatronen op de vorming van de samenleving gecombineerd met intrigerende verhalen en bijzonderheden rond het huwelijk in vroeger eeuwen. Dankzij het rijke bronnenmateriaal, bewaard in het Amsterdamse Stadsarchief en door Van Weeren en De Moor samen met vele enthousiaste vrijwilligers ontsloten, krijgen we een unieke inkijk in wat voor vele Amsterdammers een van de belangrijkste momenten in hun leven was. n

21

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 21

23/05/19 18:31


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

NDSM toen & nu / past & present AUTEURS

Elisabeth Spits, Bas Kok, Marlies Hummelen UITGAVE

Boekschap D E TA I L S

Gebonden, 240 pagina’s, rijk geïllustreerd met ca. 200 afbeeldingen, ISBN 978-94-9035-725-2 PRIJS

€ 29,95

I

n dit boek trekt de bijzondere levensloop van de NDSM aan je voorbij in bijna 200 prachtige foto’s. Ooit was de NDSMwerf de grootste van Nederland. In 1984 ging deze trots van Amsterdam-Noord failliet. Van de hellingen waar nu spetterende concerten gegeven worden, gleden destijds kolossale

AUTEUR

Pieter de Groot UITGAVE

Bornmeer D E TA I L S

Gebonden, 224 pagina’s, ISBN 978-90-5615-494-3 PRIJS

€ 39,90

Geen dag zonder Maria AUTEUR

Desirée Krikhaar UITGAVE

WBooks (i.s.m. Museum Catharijneconvent) D E TA I L S

Gebonden, 384 pagina’s, rijk geïllustreerd met ca. 350 afbeeldingen, ISBN 978-94-6258-179-1 PRIJS

€ 24,95

M

48

JULI

2019

schepen het IJ in. Waar nu ateliers en kantoren staan, werkten duizenden arbeiders aan oceaanstomers en mammoettankers. En nog steeds is er scheepsbouw te vinden. Voor fotografen was en ís het NDSM-terrein een dankbaar onderwerp. Velen van hen zijn in dit boek bijeengebracht. Grote namen uit het verleden als Cas Oorthuys en Frits Rotgans, naast hedendaagse fotografen als Marc Faasse en Jaap Scheeren. Maar er is ook prachtig beeldmateriaal van anonieme (NDSM-)fotografen. Elisabeth Spits en Bas Kok schreven artikelen over respectievelijk het Toen en het Nu van de NDSM. Fascinerende verhalen over opkomst, bloei, neergang en een tweede leven. Daarnaast bevat het boek plattegronden, een tijdlijn en een eenvoudig schema van het bouwproces. En in het midden vindt u de complete bouwlijst – onontbeerlijk in een boek over een voormalig scheepsbouwbedrijf. n

I

IJzer

NUMMER

aria. Een naam met vele verschillende connotaties. Mens, mythe, moeder. Voor sommigen een symbool, voor anderen zo echt als vlees en bloed. Maria is van ons allemaal. In de religieuze geschriften is zij de moeder van Jezus, maar haar betekenis reikt verder. Zij is een wereldomvattend icoon

Jzer wordt al minstens drieduizend jaar door de mens bewerkt. In de twintigste eeuw is het klassieke handwerk steeds meer vervangen door industriële productie. In dit boek worden 21 bedrijven geportretteerd waar ijzer nog klassiek wordt bewerkt, het handwerk nog zichtbaar is en het gereedschap wordt gekoesterd. De fascinatie voor ijzer en vuur vormde de aanleiding voor dit boek. Reyer Boxem (Hollandse Hoogte) fotografeerde de smederijen, gieterijen, slijperijen én de vakmensen. Journalist Pieter de Groot interviewde de smeden over de liefde voor hun vak. IJZER is een hommage aan het ambacht, de mensen en het materiaal. n

voor vrouw-zijn, gezin- en moederliefde, vreugde en verdriet, troost en bescherming. Niet voor niets steken zoveel mensen, ongeacht hun cultuur of religie, een kaarsje op voor Maria als zij tijdens hun vakantie een kerk bezoeken. Er zijn ongetwijfeld veel mensen voor wie geldt: geen dag zonder Maria. Het boek ‘Geen dag zonder Maria’ is een reis door het hele jaar, waarbij de lezer elke dag wordt verrast door Maria: met een feest of een legende, een mooi gedicht of gebed, een opmerkelijk weetje, een Maria-verschijning, een lach en een traan, een bijzonder recept. Het boek laat zien waar de wereldwijde verering van Maria vandaag komt en hoe Maria mensen tot op de dag van vandaag inspireert. De korte teksten, per kalenderdag ingedeeld, gaan vergezeld van prachtige illustraties, die reiken van oermoeders en godinnen via middeleeuwse beelden en manuscripten tot hedendaagse kunst en zelfs tatoeages. Juist die diversiteit maakt ‘Geen dag zonder Maria’ bijzonder aantrekkelijk. n

22

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 22

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

recent

2019

De Meester van Elsloo Van eenling tot verzameling AUTEURS

Lars Hendrikman UITGAVE

Waanders & De Kunst D E TA I L S

Gebonden, 192 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-94-6262-218-0 PRIJS

€ 29,95

Groene parels in Overijssel - Wandelen door lommerrijke landschapsparken 1780-1830 AUTEURS

Willemieke Ottens, Els van der Laan, Karin Bevaart UITGAVE

Waanders & De Kunst

VERSCHENEN

A

an het einde van de middeleeuwen bestond in het huidige Maas-Rijngebied een levendige productie van houtsculptuur. Helaas is meestal onbekend wie deze beelden besteld of gemaakt heeft. Om toch enig houvast te krijgen werden deze beeldhouwers van een ‘noodnaam’ voorzien, en veruit de bekendste daarvan is de zogenaamde ‘Meester van Elsloo’. De afgelopen jaren zijn diverse onderzoeken verricht naar de aan deze meester toegeschreven beelden. Ondanks dat blijft zijn identiteit in nevelen gehuld. Dit boek schetst een representatief beeld van de ‘Meester van Elsloo’ en brengt meer dan vijftig eenlingen samen tot een nieuwe verzameling houtsculpturen. n

G

roene Parels in Overijssel brengt de rijke collectie in beeld van landschapsparken die in de periode 1780 tot 1830 in Overijssel werden aangelegd. In deze collectie schuilen bijzondere verhalen van prachtige locaties in een gevarieerd landschap, van toonaangevende tuinarchitecten en bijzondere opdrachtgevers, van stadsparken en buitenplaatsen en van diverse ontwerptekeningen en gedetailleerde oude kaarten.

D E TA I L S

Paperback, 240 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd in kleur en zw/w, ISBN 978-94-6262-225-8 PRIJS

€ 24,95

Het grote Nederlandse kunstboek AUTEUR

Din Pieters UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 384 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd in kleur met ca. 350 afbeeldingen, ISBN 978-94-6258-278-1 PRIJS

€ 49,95

Z

es eeuwen kunstgeschiedenis. Dat is zeshonderd jaar van kleur en traditie, vernieuwing en lef. Van verf en canvas, glas en steen. Zes eeuwen van lichamen en hoofden, landschappen en steden – zes eeuwen van dat typerende

Het boek biedt een breed overzicht van de verrassende groene rijkdom die Overijssel al omstreeks 1830 bezat. Deze romantische wereld wordt rijk geïllustreerd aan de hand van oude en nieuwe beelden, waaronder vele nieuwe kaarten waarin de historische situatie gecombineerd wordt met het reliëf van het huidige landschap. n

Hollandse licht. Natuurlijk zijn er de usual suspects: Rembrandt, Jan Toorop, Marlene Dumas. Het grote Nederlandse kunst boek is dan in de eerste plaats ook een feest der herkenning voor iedereen die ook maar íets met kunst heeft. Maar er zijn ook verrassingen: kunstwerken die misschien nog onbekend zijn en die buiten de geijkte paden treden. Denk aan John Körmelings Draaiende Huis op een Tilburgse rotonde. Zo is er om de zoveel bladzijden een herinnering, en dan om de zoveel bladzijden weer een verrassing. Het grote Nederlandse kunst boek is een flexibel boek. Het is een overzichtswerk. Maar ook een gids, een staalkaart om bijvoorbeeld mee langs de Nederlandse musea te gaan. Een boek om bij te mijmeren, een boek om actief mee op reis te gaan door de kunstgeschiedenis of ter kennismaking met Nederland. Het grote Nederlandse kunst boek is er voor iedereen. n

23

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 23

23/05/19 18:31


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

NUMMER

48

JULI

2019

Lotharingia AUTEUR

Simon Winder UITGAVE

UNIEBOEK / Het SPECTRUM D E TA I L S

Paperback, 504 pagina’s, ISBN 978-90-0034-845-9 PRIJS

€ 34,99

L

otharingia is de brede strook land die van de Noordzee tot aan het Juragebergte loopt. Een gebied dat ontstond na de opdeling van het rijk van Karel de Grote in 843 tussen zijn drie zonen. West-Francië ging naar Karel de Kale, Oost-Francië naar Lodewijk de Duitser en het middenstuk, Midden-Francië, naar Lotharius. Deze verdeling ligt aan de basis van de het huidige Europa, inclusief de eeuwenlange Frans-Duitse rivaliteit.

Simon Winders verbazing en blijdschap over wat hij ontdekt en ziet zijn op iedere bladzijde voelbaar. Lotharingia is een complex en verwarrend gebied. Het strekt zich uit over vijf landen – Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland – en heeft dan ook een grote diversiteit aan landschappen: van de sombere chaos van het Zwarte Woud tot de weidse Hollandse polders. Het is ook een gebied dat dicht bezaaid is met ommuurde steden en de verweerde restanten van kastelen, en waar keer op keer de veldslagen plaatsvonden die bepalend waren voor de toekomst van Europa. De complexiteit van dit Westelijke Front gaf Simon Winder een gevoel van plezierige verwarring. Enthousiast leidt hij ons langs de steden en dorpen van Lotharingia en vertelt de geschiedenis van deze strook land, van de Frankische oorsprong in de 9e eeuw tot onze tijd. n

De Germanen en het christendom AUTEUR

Pierre Trouillez UITGAVE

Omniboek D E TA I L S

Paperback, 352 pagina’s, ISBN 978-94-0191-473-4 PRIJS

€ 24,99

I

n deze heruitgave van ‘De Germanen het christendom’ geeft Pierre Trouillez een

Rotterdam de allereerste kleurenfoto’s 1937 – 1945 AUTEURS

Joop de Jong, René Spork UITGAVE

Diafragma

inkijk in de vroege historie van christelijk Europa. Tijdens de volksverhuizingen van de 5e tot 7e eeuw trekken de Germanen op strooptocht en nemen gebieden in het zuiden van Europa en het noorden van Afrika in bezit. Daar maken de Germaanse wereld en het christendom voor het eerst contact. Aan de hand van historische figuren zoals de kerkvaders Wulfila, Leo de Grote, Theodorik, Boëthius en Gregorius van Tours schetst Pierre Trouillez de politieke en historische gevolgen van de strijd om de kerstening. ‘De Germanen en het christendom’ geeft op pakkende en academisch verantwoorde wijze deze kantelperiode in de geschiedenis weer. n

I

n Rotterdam, de allereerste kleurenfoto’s, 1937-1945 is een ruime en diverse verzameling van onbekend fotomateriaal van Rotterdamse amateurfotografen. Aangevuld met de oudst bekende kleurendia’s van Alphons Hustinx, Van Dam en Hugo Jaeger is deze selectie van uitmuntende documentaire en cultuurhistorische waarde.

D E TA I L S

Paperback, 120 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-94-9063-121-5 PRIJS

€ 20,-

Uit die periode zijn in Nederland maar weinig kleuropnamen bekend. Het Stadsarchief Rotterdam ontdekte kleurendia’s, restaureerde deze en legde zo een bijzondere collectie aan van kleurenbeelden van de vooroorlogse en van de verwoeste stad. n

24

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 24

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER 48

JULI 2019

VOOR U

gelezen

Wederopbouwboerderijen; Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955 AUTEUR(S)

Sophie Elpers UITGAVE

NAI010 RECENSENT

Frits Niemeijer D E TA I L S

Gebonden, 328 pagina’s, met foto’s (z/w), plattegronden, doorsneden, kaarten, noten, literatuur, register en summary. ISBN: 978-94-6208-461-2, ook verkrijgbaar als E-book: 978-94-6208-501-5 PRIJS

€ 39,95

B

oerderijen in de Noordoostpolder zijn tientallen jaren synoniem geweest met de naoorlogse wederopbouw van het Nederlandse platteland. Honderden boerenbedrijven van verschillende omvang en verschillende typen verrezen in dit in het najaar van 1942 drooggevallen nieuwe agrarische land. Midden in de oorlog en - naar spoedig bleek – hierdoor ook van economisch belang in de Duitse oorlogsstrategie. Er werd niet alleen al snel gekoerst op een begin van de agrarische productie, maar de jonge Noordoostpolder moest ook een proeftuin worden voor de zogenoemde ‘Ostkolonization’ – de Duitse (her)kolonisatie van Midden- en Oost-Europa. (zie hiervoor ook: G. von Frijtag Drabbe Künzel: Hitlers broedervolk: de Nederlandse bijdrage aan de kolonisatiepolitiek van de Nazi’s in Oost-Europa; 2016). De Westkolonization zoals die in de IJsselmeerpolders vorm had moeten krijgen, is onder Duitse bezetting echter maar op relatieve kleine schaal gerealiseerd en bovendien was het zodanig ‘haastwerk’ dat er in de oorlogsjaren alleen een aantal bedrijfsgebouwen (schuren) tot stand is gebracht, maar geen enkele complete boerderij. De formele aanvang van de Wederopbouw van ons land kwam al een week na de capitulatie van het Nederlandse leger, op 15 mei 1940. Hoewel de reeds in 1942 op handen zijnde inrichting van de Noordoostpolder dus onmiskenbaar deel uitmaakt van de wederopbouwperiode, besteedt Elpers er weinig aandacht aan: zij motiveert dat door erop te wijzen dat er zonder oorlogs- of defensieschade geen sprake kan zijn van herstel en dus ook niet van een wederopbouwproces. (p. 11). Dit anders dan bij de Wieringermeer, die vlak voor de bevrijding is geïnundeerd, met als resultaat honderden verwoeste boerderijen. Een van de doelen van de vroege wederopbouw was het veiligstellen van de Nederlandse voedselvoorziening en mede hierom werd herbouw en herstel van vernielde en beschadigde

boerderijen zo snel mogelijk ter hand genomen. Dit gold in het bijzonder voor gebieden waar het Nederlandse leger in de laatste dagen voor de Duitse inval had getracht vrij schootsveld te realiseren door boerderijen en beplanting in brand te steken of neer te halen. Meest berucht in dit verband zijn (delen van) de Grebbelinie en van de Peel-Raamstelling. In totaal ging het in het eerste oorlogsjaar om zo’n 575 verwoeste boerenbedrijven – een cijfer dat tot einde 1943 nog zou oplopen tot boven de 800. Deze toename werd vooral veroorzaakt door ‘strafacties’ en door aanleg van vliegvelden en andere militaire voorzieningen. In de omgeving van de Grebbelinie (m.n. nabij Amersfoort en Veenendaal) en rond Mill (in het noordoosten van Noord-Brabant) werden vanaf de nazomer van 1940 tot in 1943 veruit de meeste boerderijen en andere agrarische gebouwen tot stand gebracht en hersteld onder leiding van het in juli 1940 opgerichte Bureau Wederopbouw Boerderijen. Dit BWB werd bestuurd door ir. A.D. van Eck, die eerder ook al leiding gaf aan de Bouwkundige Afdeling van de Directie van de Wieringermeer. Terwijl de typische Wieringermeerboerderij meest tot stand kwam vanuit een min of meer centralistische invalshoek (d.w.z. vanuit Den Haag) en op basis van eigen nieuwe (deels gestandaardiseerde) bouwmethoden en materiaalgebruik, zijn veel boerderijen uit de vroege jaren van de wederopbouw in de verschillende getroffen delen van het land duidelijker gedecentraliseerd tot ontwikkeling gekomen. Er zijn vaak lokale architecten ingeschakeld en bovendien golden er (financiële) beperkingen bij de tegemoetkomingen: de vervangende bedrijven werden geacht enigszins in lijn te zijn met hun verwoeste voorgangers, tenzij de eigenaren zelf ook een flinke duit in het zakje deden. Hiernaast speelde vanuit meerdere hoeken een hang naar traditionalisme een rol bij de herbouw. Dit was met name het geval in gebieden waar streekeigen

25

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 25

23/05/19 18:31


gelezen

VOOR U

kenmerken en waarden van betekenis werden geacht. En dit ging vaak boven de aanbevolen of gestimuleerde modernisering die o.m. vanuit de Nederlandsche Heidemaatschappij werd gepropageerd. Het bewaren van het ‘volkseigene’ dat met name vanuit de koker van het nationaalsocialistische gedachtegoed werd gevoed, vond dus ook zonder stimulering vanwege een ‘Blut und Boden-ideologie’ weerklank. Zo vormden Bond Heemschut en plaatselijke schoonheidscommissies in de oorlogsjaren ankerpunten in het bewaken van traditie en esthetiek bij herbouw van boerenbedrijven. Elpers doet hiervan op heldere en overtuigende wijze verslag in het hoofdstuk: ‘Het gevecht om traditie’. De auteur onderscheidt een eerste en een tweede wederopbouw op basis van de chronologie van het ontstaan van de oorlogsschade: de eerste was die welke het antwoord was op de schade die in de eerste oorlogsjaren was ontstaan en die nog onder het Duitse bewind werd aangepakt. De tweede wederopbouw omvat het schadeherstel dat vanaf het einde van de oorlog een aanvang nam en dat onder het wettige Nederlandse gezag plaatsvond. In beide gevallen was BWB (naast andere organen) verantwoordelijk voor de afhandeling. Terwijl de eerste wederopbouw betrekking had op enkele honderden boerderijen en/ of agrarische bedrijfsgebouwen (eind 1942 waren er ruim 400 hersteld), ging het bij de tweede om een veel groter aantal. Cijfers in de verschillende bronnen zijn niet helemaal gelijk, maar Elpers gaat uit van 8.554 verwoeste gebouwen, exclusief nog enige honderden in de Wieringermeerpolder. Uiteraard waren er hiernaast duizenden zware en lichte schadegevallen bij boerenbedrijven: respectievelijk ca. 5.700 en 33.000. Enkele kaartjes (pp. 91-93) laten zien dat de meeste (herstelde) schade aan agrarische gebouwen in het zuiden en oosten van ons land was. Gevechtshandelingen langs een maandenlang stagnerend front, (moedwillige) inundaties en ook opzettelijke vernieling waren belangrijke oorzaken. In sommige gebieden betekende dit dat aanzienlijke aantallen gebouwen opnieuw moesten worden opgetrokken en dat het betrokkenen de moeite waard was inspanningen te doen het desbetreffende beleid richting te geven. Zowel de hierboven al genoemde Heidemaatschappij, als boeren- en landbouworganisaties en tevens individuele of collectief opererende architecten (BNA) lieten van zich horen. Nog steeds – of opnieuw? – kwam met regelmaat de vraag naar voren of traditionalistische en/of bouw met streekeigen kenmerken de voorkeur verdiende boven moderne boerderijvormen. En hiernaast was er ook de vraag of de constructiewijzen, de bedrijfsvorm en de plattegronden van boerderijen niet alleen efficiënter,

VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

maar ook goedkoper konden worden. In ‘Het pleidooi voor modernisering’ beschrijft Elpers uitgebreid hoe de controverses werden uitgevochten, waarbij ze onder meer een tegenstelling tussen de boerderij als ‘object met symboolwerking’ en de boerderij als ‘gebruiksobject’ noemt. Het laat zich raden dat het eerste traditionalistisch georiënteerd was en dat het tweede sterk op effectiviteit was gericht. Diverse (maar niet alle) zogenoemde standsorganisaties (belangen behartigende organisaties) van boeren en tuinders koesterden een behoudend standpunt ten aanzien van de nieuw- en herbouw van boerderijen, met name daar waar ze hun aanhang hadden in zandgebieden met kleinschalig boerende eigenaren. Dit was niet alleen en overal een gevolg van verzet tegen vernieuwing – zeker niet – maar het was meestal wel een teken van kritiek op de traagheid en de bureaucratie bij de overheid (BWB en vanaf 1949 Afdeling Boerderijenbouw […]). De Heidemaatschappij paste meer binnen de tweede stroming: modernisering, vergroting van de efficiency en hygiëne en – begrijpelijk bij een bedrijf dat intussen al decennia actief was op gebied van ontginning en ruilverkaveling – ook schaalvergroting. (zie ook: Ezelsoren, elders in dit nummer) Het komt niet heel duidelijk uit de verf, maar Elpers stelt dat het jaar 1949 een belangrijke wending in het denken over de boerderijbouw inluidde. De toen van BWB tot ‘Afdeling Boerderijenbouw van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting’ omgevormde organisatie koos voor het propageren van de niet-streekgebonden, zogenoemde ‘gelede boerderij’. In de praktijk betekende dit dat vanaf die tijd relatief veel boerenbedrijven hun activiteiten gesplitst zien in bouwkundig en functioneel gescheiden volumes, die fysiek al dan niet aan elkaar gekoppeld zijn. De gelede boerderij is daarop in feite de standaard geworden - en dan vaak met een vrijstaande woning. Wederopbouwboerderijen […] 1940-1955 geeft een helder beeld van de gedachten over de vormgeving van boerderijen in de eerste 15 jaar na de Duitse inval en hiermee indirect ook van de functionele koers die de Nederlandse agrarische productie- en exportexplosie van de jaren ’70 en ’80 inleidde. Elpers is er – net als de meeste andere moderne onderzoekers – van overtuigd dat de Tweede Wereldoorlog niet als breekpunt moet worden geïnterpreteerd; de oorlog en de oorlogsschade maakten ‘boerderijbouw en daarmee de kwesties van traditie en modernisering echter wel tot een urgent onderwerp.’ De boerderijen in de Noordoostpolder, waarmee deze bespreking begon, waren dan ook zeker urgent, maar ze vielen terecht buiten het schadeherstel. Wat anders is of ze ook buiten de discussie vielen: kijk er rond en je ziet heel wat voorbeelden

26

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 26

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER 48

JULI 2019

VOOR U

van traditioneel en regionaal-karakteristiek vormgegeven bedrijven – naast de iconisch geworden montagebouwschuren van de firma Schokbeton. Hiermee laat ook de Noordoostpolder zien dat de oorlog geen breuk, maar eerder een hik in de continuïteit was. Het afgelopen decennium stond de Nederlandse wederopbouwperiode in de belangstelling van stedenbouwkundigen, architectuurhistorici en andere kenners van cultuurgeschiedenis.. Elpers benaderde het thema vanuit haar disciplines volkskunde, kunstgeschiedenis en Nederlandse taal- en letterkunde en

gelezen

ze voegde hiermee een dimensie toe aan de kennis over dit deel van ons verleden. Goed om te weten: ‘Wederopbouwboerderijen’ is de handelseditie van haar dissertatie uit 2014: ‘Erfenis van het verlies: De strijd om de wederopbouw van boerderijen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog’. Vanzelfsprekend telt het boek meerdere hier niet besproken onderwerpen en anekdotes, waaronder een verrassend verhaal rond de bekende rood gebakken gevelstenen met leeuw, vlammen en jaartal. n

Het landschap bewaard; Natuur en erfgoed bij Natuurmonumenten AUTEUR(S)

M. Purmer UITGAVE

Verloren RECENSENT

Rolf Wisseling D E TA I L S

Gebonden, 472 pagina’s, met foto’s (z/w en kleur), (top.) kaarten, schema’s, voetnoten, literatuur, registers en summary. ISBN: 978-90-8704-751-1 PRIJS

€ 39,00

G

rote kans, wanneer u dit leest, dat u, of een van uw gezinsleden behoort tot de begunstigers van Natuurmonumenten. Op dit moment telt de vereniging omstreeks 700.000 leden en dat is niet eens het hoogste cijfer dat ooit werd bereikt. Het maximum was in 2001, toen het er zo’n 975.000 waren. Niet alleen de economische crisis van de jaren ’10 van deze eeuw bracht een daling teweeg, maar er moeten in het eraan voorafgaande decennium duizenden opzeggingen zijn geweest die niet werden gecompenseerd door nieuwe aanwas. De zeldzame Nederlandse natuurwaarden lijken bij velen niet meer voldoende betekenisvol te zijn om er enkele tientjes per jaar tegenaan te smijten en er voor dat geld ook eens een kijkje te gaan nemen. Worden die tientjes

sindsdien besteed aan weekendvluchten naar Barcelona of Venetië, of - erger nog - naar subtropische ‘natuurresorts’ op Malta en in Kroatië? Het enkele maanden geleden verschenen proefschrift van economisch en historisch geograaf Michiel Purmer mag zich verheugen in een luxe uitgave die onder meer is mogelijk gemaakt door de Vereniging Natuurmonumenten, waar hij sinds 2000 werkzaam is. En dat is goed te zien: Purmer lijkt van zijn hobby zijn beroep te hebben kunnen maken, want in een reeks van jaren heeft hij de prachtigste foto-opnamen kunnen maken, die nu bij tientallen zijn prachtig uitgegeven boek sieren. Een pluim! Purmer ontkomt in deze uitgave natuurlijk niet aan een korte schets van

27

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 27

23/05/19 18:31


VOOR U

gelezen

het (overbekende) verleden van Natuurmonumenten, maar door te putten uit het archief brengt hij toch nog wel enkele aardigheidjes boven water die de weg richting zijn probleemstelling en de beantwoording ervan wijzen. De dissertatie is dan ook doorspekt met soms onthullende citaten van de vaandeldragers van de vereniging. Gewoonlijk steken zij de loftrompet, maar af en toe klinkt er toch ook een valse noot: “Overal in de ‘cultuurwereld’ ontmoet met [sic; met moet vermoedelijk zijn: men] klaprozen en korenbloemen: in de poëzie, kinderlectuur en kunstnijverheid; maar niet in de werkelijkheid, de natuur: daar zijn ze nagenoeg verdwenen. […]” (p. 296, cit. V. Westhoff, 1955). Michiel Purmer stelde zich ten doel de variaties in samenhang tussen cultureel erfgoed en natuurlijk erfgoed te analyseren via de algemeen leidende probleemstelling: “Hoe verhouden natuurlijk en cultureel erfgoed zich tot elkaar in het beheer van Nederlandse natuurgebieden en in het bijzonder in de terreinen van Natuurmonumenten?” Door middel van vier deelvragen hoopte hij hierop antwoord te kunnen geven en in deze uitgave is hiervan in het bijzonder de derde deelvraag ‘bladvullend’. Purmer richt zich namelijk op vier voorbeeldgebieden en hij tracht naar aanleiding daarvan eventuele veranderingen in de houding van Natuurmonumenten tegenover (landschappelijk) erfgoed bloot te leggen, in het bijzonder na 1945. Hij gebruikt de landschapsbiografie om de ontwikkeling van de vier geselecteerde gebieden in beeld te brengen en om specifieke actoren daarin te kunnen aanwijzen. Het moet gezegd dat het uw recensent niet op voorhand duidelijk is geworden op grond van welke argumenten of criteria de vier terreinen of terreincomplexen in het onderzoek zijn betrokken, maar misschien lette hij even onvoldoende op. In elk geval riep de selectie de vraag op: als er gekozen is voor onderling (sterk) verschillende gebieden (en dat is zo), kun je ze dan goed met elkaar vergelijken voor wat betreft de omgang ermee door Natuurmonumenten en kun je hierin dan ook nog een trend signaleren? De vier gebieden en gebiedscomplexen die Purmer analyseerde zijn het Eerder Achterbroek bij Ommen, (Ov.), enkele Duingebieden (i.h.b. op Voorne, Z-H en bij Bloemendaal, N-H), het Geuldal in Zuid-Limburg en het Mantingerveld (bij Westerbork, Dr.). In deze recensie gaat de aandacht eerst uit naar het duingebied en dan naar het Mantingerveld, omdat uw recensent zich daar het best thuis acht. De confrontatie van cultuur en natuur in het Hollandse duingebied spitst zich bij Purmer toe op de talrijke relicten van de Duitse kustverdediging uit WO II, de Atlantikwall, en op de onbetwiste natuurwaarden van duinen en binnenduinen. Toen Natuurmonumenten in maart 1927 delen van Voornes

VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

Duin in de schoot geworpen had gekregen, kon de vereniging niet vermoeden dat in de jaren 1940-1945 een flink aantal enorme klompen gewapend beton – en dit letterlijk en figuurlijk - in het zand gebouwd zou gaan worden. De omgang hiermee na de oorlog was aanvankelijk zoals met veel ander ‘omstreden of besmet erfgoed’: weg ermee, tenzij er nog enig nuttig gebruik van kan worden gemaakt. Dit was onder meer het geval in de Kennemer Duinen, waar zelfs een vakantiekolonie in bunkers ingericht is geweest, en verder op meerdere andere plaatsen, waar vleermuizen er een onderkomen konden vinden. Sloop of onder het zand werken, was echter decennialang de eerste optie, vooral omdat natuurwaarden van de duinen op die manier het best gewaarborgd leken. Alleen enige ‘avonturiers’ bleken horzels te zijn in het grote plan de verdedigingslinie zo veel mogelijk onzichtbaar te maken. Ondergetekende was één van die gekken die in de jaren ’60 als mollen bunkers en loopgraven weer zichtbaar en toegankelijk maakten. Dat de bunkers en andere delen van de Atlantikwall vanaf het einde van de jaren ’80 een snel toenemend gunstig onthaal zouden krijgen bij vele cultuurhistorici betekende een draai in het denken – zij het toen nog niet in de eerste plaats bij Natuurmonumenten. Net als in sommige buitenlanden kwamen musealisering en waardering voor dit foute erfgoed op gang en intussen zijn verschillende gedeelten van de Atlantikwall als Rijksmonument aangewezen. Ook binnen terreinen van Natuurmonumenten, dat er zo een taak als hoeder van die betonkolossen bijkreeg. Purmer geeft de ontwikkeling in de omgang (van Natuurmonumenten) met de verdedigingswerken in de duinen schematisch weer en het wordt duidelijk dat er – hoewel er nog steeds sprake is van een conflictueuze verhouding – nu toch serieuze aandacht is voor de werken. (p. 256) Van geheel andere orde is de ontwikkeling van het complex Mantingerveld in Drenthe, dat vanaf de vroege jaren ’20 in fasen in handen kwam van Natuurmonumenten. Het gebied was van oudsher een heideveld, waarvan door omliggende dorpen gemeenschappelijk, extensief gebruik werd gemaakt. Op (helaas niet door Purmer opgenomen) kaarten van vóór het begin van de ontginningen in dit gebied, zijn uitgestrekte heiden te zien, waaronder het Mantinger Binnenveld en ten zuiden hiervan het Groote Veld. Ten oosten en zuidoosten van beide ligt een gebied dat rond 1900 als Witte Veen en Meersche Veen wordt aangeduid. In dit gebied is omstreeks die tijd een aanvang gemaakt met ontginning door de aanleg van een van noordoost naar zuidwest lopende vaart, met evenwijdig hieraan een weg. Haaks hierop, maar ten dele nog enigszins

28

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 28

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER 48

JULI 2019

onregelmatig verdeeld, zijn wijken ingetekend; kennelijk was het de bedoeling daar tot vervening over te gaan. Maar, zoals Purmer beschrijft, zijn vervolgens in dit gebied ook resultaten zichtbaar geworden van de in 1918 tot stand gekomen zgn. Landarbeiderswet, waarmee tegen een annuïteit kleine lapjes grond en een woning in handen kwamen van – ja - landarbeiders en hun gezinnen. Een uitzonderlijk regelmatige en fijnmazige versnippering van het grondbezit was het resultaat, zoals wél opgenomen, aanzienlijk latere kaarten laten zien. Verdere ontginningen én ruilverkaveling – dat lag voor de hand met de van overheidswege ‘gestimuleerde versnippering’ – brachten mee dat het gebied nogal van karakter veranderde. Het Groote Veld, dat als een eiland te midden van agrarisch land was komen te liggen, bleef intussen echter grotendeels intact en kwam – zoals al gezegd - gefaseerd in handen van de Vereniging Natuurmonumenten. Een nieuwe ommekeer kwam in 1991/92, toen de vereniging juist in dit gebied een natuurontwikkelingsprogramma wilde starten en te kennen gaf een deel van de landbouwgronden te willen overnemen om ze om te zetten in ‘gemaakte natuur’. In het huidige tijdsgewricht wordt wel gesproken van ‘rewilding’. Dit zogeheten ‘Plan Goudplevier’ sloeg in als een bom, maar hierover wordt nu niet verder uitgeweid. Voor Purmers betoog is vooral van belang dat cultuurlandschappelijke waarden uit de recente ontginningsperiode een rol in de ontwikkeling gingen spelen en dat ook een aantal munitiedepots uit de Koude Oorlog (inmiddels Rijksmonumenten) er een plaats in zou krijgen. Purmer beschouwt beide – net als de reconstructieve ingrepen door de Vereniging Natuurmonumenten – als een ‘illustratie van de historische gelaagdheid van het gebied’. En de vereniging zelf is wat hem betreft dan ook de tot nu toe laatste biograaf van dit landschap.

VOOR U

gelezen

terug dat de vereniging een boekje het licht deed zien dat als titel heeft: Verborgen schatten; gebouwen van Natuurmonumenten. In de tweede alinea staat: “Voor Natuurmonumenten begint de zorg voor het erfgoed met het besef, dat het historisch gegroeide, karakteristieke Nederlandse landschap naast natuur- ook hoge cultuurwaarden kent. […] Daarom zijn in elk natuurgebied van Natuurmonumenten wel sporen te vinden uit het verleden. Bijvoorbeeld lanen, houtwallen en grafheuvels. Maar ook veel gebouwen, die meestal nu net zo onlosmakelijk horen bij het omringende landschap als de planten en dieren.” (2de herz. dr., 2014, p. 8) Michiel Purmer was een van de auteurs van het boekje, dus het kan hem niet zijn ontgaan dat in elk geval voor wat betreft het gebouwde erfgoed er nauwelijks een punt van discussie (meer) is: Natuurmonumenten beschermde anno 2015 meer dan 350 terreinen met daarop zo’n 3500 bouwwerken, waarvan ruim 500 met een beschermde status. Voor het landschappelijk erfgoed ligt dat mogelijk iets anders en is er nog werk aan de winkel. Misschien is vaker een kopje koffie drinken met vertegenwoordigers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed – sinds enkele jaren in Amersfoort onder één dak met Staatsbosbeheer – wel een goed idee. Wellicht is er via overleg over de desbetreffende aandachtsgebieden dan ook weer enige groei van het ledenbestand van Natuurmonumenten tegemoet te zien; kruisbestuiving wordt dit wel genoemd. De door de vereniging gesponsorde uitgave Het landschap bewaard is een fraaie, maar net niet helemaal tot het gaatje gaande uitgave, waarin de auteur frequent in eigen persoon aanwezig is. Maar is wellicht ook His Master’s Voice hier en daar op de achtergrond te horen? Hoe het zij – het boek kan en zal een (nieuw) publiek van natuur- en cultuurminnaars aanspreken, zeker indien het via de normale verenigingsmedia onder de aandacht wordt gebracht. n

Heeft Purmer in zijn onderzoek laten zien dat de houding van Natuurmonumenten tegenover (landschappelijk) erfgoed is veranderd? Uw recensent is er niet helemaal uitgekomen en de auteur zelf lijkt ook zijn twijfels te hebben: “De verhouding tussen cultuur en natuur is tot op de dag van vandaag een punt van discussie gebleven bij Natuurmonumenten.” (p. 408) Wel laat hij zien dat er continuïteit bestaat in de ‘mate waarin cultureel erfgoed leidend was in het beheer van de voorbeeldgebieden’, met in elk geval de hoogste aantallen ‘plussen’ in de jaren 2000-2015 – maar met als achterblijver de Atlantikwall in de duinen, met een schamele ±. (p. 412) Het feit dat (landschappelijk) in Purmers vraagstelling tussen haakjes is geplaatst, maakt de zaak ook niet duidelijker. Het is nog maar enkele jaren

29

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 29

23/05/19 18:31


KLASSIEKERS MET

EZELSOREN

VITRUVIUS

NUMMER

48

JULI

2019

Boerderijen in Nederland o.r.v. de Nederlandsche Heidemaatschappij, met vele foto’s, plattegronden en teekeningen. SAMENSTELLING

H.J. van Leusen, W. Vroom, G. Markerink (en J. van de Mortel) HERLEZER

Frits Niemeijer UITGAVE

N.V. Wed. J. Ahrend & Zoon, Amsterdam / [Arnhem], juni 19443. D E TA I L S

120 blz., incl. foto’s, kaarten, plattegronden, doorsneden, enz.

I

n de gangbare geschiedopvatting waren de jaren ’20, ’30 en de eerste helft van de jaren ’40 in economisch en maatschappelijk opzicht een periode van crisis, oorlog, stagnatie en ook van agrarische misère. Dat klopt voor een belangrijk deel, maar naast stilstand en malaise was er ook een begin van opbouw van een nieuw Nederland gaande. Modernisering van industrie, (verkeers)infrastructuur, verkeers- en transportmiddelen en in het bijzonder ook van enkele facetten van het agrarisch bedrijf brachten welkome impulsen voor een sterke doorstart van de economie. Mechanisering van bedrijfstakken, aanleg van wegen, kanalen en bruggen, de snelle veralgemenisering van (vracht)auto’s en de opkomst van het autobusvervoer - en zeker niet te vergeten die van de fiets! – zorgden voor vergroting van de actieradius van de werkenden. Ze hielpen ook voor verruiming van de benutting en de afzet van grondstoffen en producten en voor het verlenen en het gebruik maken van diensten. Voor het platteland en het boerenbedrijf was de periode ca. 1925-1945 de tijd van introductie van ruilverkaveling, van mechanisering en van modernisering van de bedrijfsprocessen. Het was voor het platteland eveneens de tijd waarin de ‘Nederlandsche Heidemaatschappij’ (Heidemij, nu Arcadis) en een reeks van andere ondernemingen als de ‘Grontmij’, ‘De Drie Provinciën’ en eveneens een ‘Stichting Werkverschaffing en Ontginning in Noord-Brabant’ hun heilzaam bedoelde werken gingen uitvoeren. Vooral dankzij de inwerkingtreding van de ruilverkavelingswetten van 1924 en 1938, gevolgd door een wijziging onder de Duitse bezetter, in 1941, begon de herstructurering van het platteland op verschillende plaatsen vorm te krijgen. Maar kwantitatief stonden de meeste moderniseringen op de rol door landaanwinning en ontginning. Zo bedroeg tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog de totale oppervlakte aan voltooide ruilverkavelingen niet meer dan zo’n 24.000 ha, terwijl er in de jaren 1925-1945 ca. 165.000 ha aan zogenoemde woeste gronden werd ontgonnen en er zo’n 80.000 ha nieuw land tot stand

kwam (inclusief de Noordoostpolder – 1942 – groot: 48.000 ha). In de meeste van deze gebieden was Heidemij direct of indirect actief. De in 1888 opgerichte Heidemij stelde zich onder meer ten doel advisering en stimulering bij de ontginning van woeste gronden en bij grondverbeteringswerken. In de praktijk speelde Heidemij een centrale, leidende rol in deze processen en zorgde ze ook voor kennis en advies op het gebied van boerderijbouw. Het is op grond van deze adviserende rol dat Heidemij een uitgave het licht deed zien waarin niet alleen de bedrijfstechnische kanten van de verbetering van cultuurgronden centraal staan, maar waarin de bouw van boerderijen hiermee in verband wordt gebracht. Boerderijen in Nederland bestaat hierom uit twee gedeelten. Het bevat een eerste hoofdstuk waarin ‘De boerderij in het landschap’ centraal staat en vervolgens ook een hoofdstuk dat gewijd is aan ‘Bouw en inrichting van boerderijen’. In het eerste deel passeren onder meer de verschillende boerderijtypen in ons land de revue en worden ontginningsplan en boerderijbouw met elkaar in verband gebracht. Weinig verrassend is, dat vier hoofdtypen worden onderscheiden, die naar hun verspreiding zijn verbonden met ‘oude stamgebieden’. Het gaat om: 1. het Friese type, met een vak of vierkant als geraamte voor de kapconstructie, 2. het Saksische of halletype, met een driebeukig grondplan voor de kapconstructie, 3. het Frankische of langgeveltype, waarin verschillende functies, naast elkaar onder één kap zijn gegroepeerd en 4. het Romeinse villa- of binnenhoftype, waarin bedrijfsdelen en woonhuis om een gesloten binnenhof zijn gegroepeerd. Het gaat er op deze plaats natuurlijk niet om af te dingen op deze simpele (en achterhaalde) kenschets, maar om recht te doen aan de uitgave van Heidemij. Het is vanuit dit oogpunt van belang te wijzen op de op A2-formaat in het boek opgenomen ‘Overzichtskaart van de Boerderijtypen in Nederland’, waarop niet alleen de vier genoemde hoofdtypen, maar ook hun varianten (in totaal 17), met bij-

30

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 30

23/05/19 18:31


VITRUVIUS

NUMMER 48

JULI 2019

behorende plattegronden en de verspreiding van elk zijn aangegeven. (De kaart is vervaardigd door de ingenieurs W. Vroom en S.F. Steeneken). Het meest interessante deel van het boek is het tweede gedeelte van het eerste hoofdstuk (pp. 20-43), waarin het boerenbedrijf in verband wordt gebracht met het ontginningsplan. In dit deel staan het uitgangspunt en de doelstelling van de activiteiten van de Heidemij centraal. Er wordt onder meer aandacht besteed aan “wat voor de structuur van een ontginningsplan van het meeste belang is, door in het bijzonder aandacht te besteden aan de factoren, welke primair met de nieuw te winnen cultuurgronden uit waterstaatkundig en landschappelijk oogpunt samenhangen.” Voor verbetering van gronden is het allereerst nodig de waterafvoer te regelen, waarbij doelmatigheid zowel afstroming als toegankelijkheid over water kan betreffen. Ontsluiting van agrarische gebieden vond tot ver in de 20ste eeuw in veel gevallen immers over water en/of over de weg plaats en ook in jonge droogmakerijen als de Wieringermeerpolder (1930) en de Noordoostpolder werd dus ‘op beide paarden gewed’. Een ander punt waaraan de Heidemij aandacht schenkt, is de (volks) huisvesting, waarbij aan de ene kant de locatie van boerderijen (‘vooral het verkeerselement maatgevend’) en aan de andere kant de situering van woningen van landarbeiders (‘bij hun huis […] een klein stukje land ter bewerking …’) een rol speelt. Het vernieuwendste aandachtspunt was echter het ‘landschappelijk oogpunt’: in een ontginningsplan “wil men aan het nieuwe land ook een eigen karakter geven, dat met de omringende streek in overeenstemming is.” (p. 26). Hiermee krijgt hoofdstuk 1 een betekenis die onder meer kon meebrengen dat streekeigen boerderijen, verkavelingstypen en landschapskenmerken zouden worden weerspiegeld in de nieuw tot ontwikkeling te brengen landschappen. In de verdere uitwerking van het beschreven concept komt nergens het kort voor de oorlog al geïntroduceerde begrip ‘landschapsplan’ voor, maar het lijkt dat er wel mee werd gespeeld. Landschapsbeeld, landschapszorg, landschapskarakter, landschapsschoon, streekplan en ontginningsplan worden menig maal in samenhang met elkaar genoemd, maar de hierbij voor de hand liggende ‘contaminatie’ – landschapsplan - ontbreekt. Toch is dit pas formeel in de nieuwe Ruilverkavelingswet (van 1954) opgenomen begrip in deze uitgave van een inhoudelijk stevige basis voorzien. Beplanting van wegen en waterlopen om de ruimte op streekeigen wijze te compartimenteren wordt benadrukt. Lijnen, diepten, contrasten, reliëf, plastiek, openheid (wijdschheid [sic]) en geslotenheid en in het bijzonder ook harmonie vormden samen bouwstenen van de nieuw ontgonnen of gewonnen landschappen. (pp. 25-32). De Heidemij legde zichzelf dus reeds vóór en tijdens de oorlog een streven op naar inpassing van jonge landschappen binnen bestaande structuren. Een ander te noemen uitgangspunt was – wat genoemd werd – het ‘organisatorisch oogpunt’. Dit toch wat vaag klinkende

KLASSIEKERS MET

EZELSOREN

begrip betrof de vraag “of het verkavelingssysteem voor de ontginning geheel nieuw zal worden bepaald, of dat wordt uitgegaan van de z.g. ruilverkaveling.” Zo’n toen nog ‘essentiëel’ [sic] onderscheid is later niet vaak meer gemaakt, maar het hield in of er sprake was van een a. van tevoren gemaakt indelingsplan, danwel b. van het ruilen of samenvoegen van verspreide percelen om tot betere vorm en exploitatie te komen. (p. 34). Als voorbeeld van het eerste noemen de samenstellers de ontginning het Zwindersche Veld (Drenthe) en als typerend voorbeeld van het tweede de ruilverkaveling Nieuwleusen (Overijssel), beide van omstreeks 1925. Een belangrijk laatste onderdeel van het eerste hoofdstuk heeft als titel: Het Boerenerf. Ook in dit deel is er volop aandacht voor de inrichting van de ruimte van nieuw land en in het bijzonder voor indeling, beplanting en ontsluiting. Met een aantal fraaie foto’s wordt onderstreept wat er wordt bedoeld met eigentijdse erfinrichting en moderne toepassing van windsingels en erfbeplanting met respect voor traditie. Het hoofdstuk eindigt met de opmerking dat “allerminst algemeene regelen voor de bepaling der indeeling van het boerenerf zijn te geven. […], dan zou dit zeker ten koste van het landschapsbeeld gaan.” Het tweede hoofdstuk van Boerderijen in Nederland (pp. 44-120) is vrijwel geheel gewijd aan specifieke onderdelen en functies van boerderijen en het toont tientallen van tekst, foto’s en plattegronden voorziene voorbeelden van bedrijven die in de laatste twee decennia voor het verschijnen van het boek tot stand zijn gebracht. De voorbeelden zijn naar van toepassing zijnde thema’s gerubriceerd, waardoor niet alleen moderne boerenwoningen, maar vooral bedrijfsfuncties worden besproken. De gewenste stallingen voor verschillende veesoorten en de opslagvarianten voor oogsten passeren de revue en ook hun relatieve situeringen. Tevens wordt aandacht besteed aan de bouw en de betekenis van landarbeiderswoningen als (toen nog) noodzakelijke voorwaarde voor de bewerking van het land. Aan mechanisering wordt weinig aandacht besteed en vanuit het oogpunt van een - absoluut, niet relatief - nog steeds groeiende agrarische bevolking, was dat niet zo vreemd. (1900: 170.000; 1920: 220.000; 1930: 234.000; afvlakking naar 230.000 kwam pas rond 1945). De getoonde bedrijven liggen verspreid over het land, maar met zwaartepunten in noord, oost en zuid; geen van de jonge droogmakerijen kreeg nog een plaats in de uitgave, evenmin als moderne betonsysteembouw. Boerderijen in Nederland is desondanks op te vatten als een belangrijke inspiratiebron voor de moderne boerderijbouw in ons land en in het bijzonder ook voor de ontwikkeling van het concept van het vanaf de oorlogsjaren in toenemende mate toegepaste, en enkele jaren later ook in de wet verankerde landschapsplan. Hiermee kan het worden beschouwd als een boek dat een niet te onderschatten bijdrage leverde aan het naoorlogse platteland. n

31

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd 31

23/05/19 18:31


Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS_Jul.2019_v3.indd VITRUVIUS_Juli2017.indd 2 32

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

23/05/19 15/06/17 18:31 14:42

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius Juli 2019  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur.

Vitruvius Juli 2019  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur.