Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 11 | NUM M E R 44 | JU L I 2 0 1 8

VLIEGBASIS SOESTERBERG

OORD VAN ONTHOUDING EN VERBORGEN WERELDGESCHIEDENIS

SPEURWERK NAAR SCHELLAK FONOGRAFISCH ERFGOED

DUINONTGINNINGEN

VAN OPDRACHT, VIA OBSESSIE NAAR ONTSPANNING - DEEL 2

INTERIEURENSEMBLES


colofon

VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland € 45.- /België € 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

2

REDACTIE

Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H. Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. ir. G.A. Vreeze, ir. N. de FREQUENTE BIJDRAGEN

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M.

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom Juli 2018 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

2018


JAARGANG 11 NUMMER 44 JULI 2018

4 SPEURWERK NAAR SCHELLAK FONOGRAFISCH ERFGOED

8

12

VLIEGBASIS SOESTERBERG OORD VAN ONTHOUDING

DUINONTGINNINGEN

EN VERBORGEN

VAN OPDRACHT, VIA OBSESSIE

WERELDGESCHIEDENIS

NAAR ONTSPANNING - DEEL 2

18 INTERIEURENSEMBLES

3


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

2018

Speurwerk naar schellak1 Tim de Wolf

Fonografisch erfgoed

Tim de Wolf (1960) studeerde economische- en sociale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Zijn belangstelling voor grammofoonplaten en technische achtergronden van het medium leidde ertoe dat hij enige tijd als snij-technicus werkte in een ‘mastering studio’. Ongeveer twintig jaar geleden zette hij een eigen bedrijf op voor conservering, digitalisering en documentatie van geluidsdragers. Een combinatie van liefhebberij en de onderzoeksvaardigheid opgedaan tijdens de studie. Met dit Bureau voor Audio Archeologie voert hij opdrachten uit voor musea, archieven en particulieren. Ook worden in eigen beheer collecties geconserveerd. Hiervoor worden zelfstandig fondsen geworven. De Wolf heeft ook museale technische verzamelingen (apparatuur) opgeschoond en hij was enige tijd conservator van het voormalig Fonografisch Museum te Hilversum. Website www.audioarcheologie.nl Tot fonografisch erfgoed kan, naast de historische opname- en afspeelapparatuur, alles worden gerekend dat is vastgelegd op een geluidsdrager. Deze drager is in veel gevallen een grammofoonplaat of geluidsband. In het verleden zijn echter meer media voor de opslag van geluid gebruikt. De meest bekende van de nagenoeg vergeten formaten zijn de cilinder en de draadspoel. Materieel en immaterieel erfgoed zijn verenigd.2 Lange tijd is fonografisch erfgoed het terrein van amateurs gebleven. Alleen ten aanzien van klassieke producties – en dan met name naar bepaalde zangers – werd serieus onderzoek gedaan. De opnamen van populaire muziek en zeker de etnische klanken bleven onontgonnen terrein. Direct moet worden opgemerkt dat enkele instituten wel enige collectievorming hebben betracht. De Universiteit van Amsterdam, het Koninklijk Instituut voor de Tropen en de Wereldomroep bouwden, weinig gestructureerd, een kleine collectie op. Bij de Wereldomroep was dit in feite louter consumptief, de platen werden gebruikt in radio-uitzendingen naar bepaalde gebieden. Onderzoek naar het materiaal vond niet plaats. Er is een zekere kentering waarneembaar. Een paar voorbeelden: Het Gesellschaft für 4

Historische Tonträger jaarlijks een congres met Diskographentag. In goed verzorgde katernen worden artikelen gepresenteerd. Hierbij richt de belangstelling zich vooral op de platenmaatschappijen. Het perspectief is minder gericht op het repertoire maar meer op de geschiedenis van de onderneming en de activiteiten – organisatie van opnamen, productie, innovatie – in verschillende landen. Het Joods Historisch Museum te Amsterdam organiseerde onlangs de tentoonstelling The Jewish Jukebox, geflankeerd met een boek over het Joodse lied op grammofoonplaat. De Universiteit van Sta. Barbara heeft onlangs haar collectie cilinders (ook wel eens pars pro toto aangeduid als ‘wasrollen’) gedigitaliseerd en ‘online’ geplaatst. Het Nederlandse Muziekweb (vroeger bekend als de Centrale Discotheek Rotterdam) plaatst al jaren materiaal ‘online’ voor gebruik via plaatselijke bibliotheken. Het streven is om ook meer historisch materiaal digitaal beschikbaar te maken. Toch is fonografisch erfgoed nog altijd een stiefkindje, temeer wanneer men bedenkt dat al meer dan 125 jaar onze cultuuruitingen zijn vastgelegd op cilinders, grammofoonplaat, later op geluidsband en digitale dragers. Kennis van restauratietechnieken en het bezit van de juiste apparatuur voor

afspelen is slechts in handen van enkele specialisten. Archieven, musea en zeker particulieren definiëren de probleemgevallen al snel als hopeloos. Vaak consulteert men alleen een geluidsstudio. Dat is vreemd. Voor de restauratie van een schilderij ga je ook niet naar een (kunst)schilder. Onzorgvuldig beheer, ontbreken van de juiste kennis en daarbij het gemis van oog voor het detail torpederen soms de kans het materiaal goed te digitaliseren en te determineren. Zo zorgvuldig als papier en perkament worden gekoesterd, zo schrijnend is het gebrek aan aandacht voor deze belangrijke tijdsdocumenten. Dat moet veranderen. Twee ontluikende liefdes Als jongetje van een jaar of tien raak ik in de greep van oude grammofoonplaten. Het heeft iets mysterieus, die klanken uit het verleden. Wie zijn die musici? Wie heeft dit opgenomen? Wanneer en waarmee en waarom? Ik vind er geen antwoord op. Midden jaren zeventig: de buurman van mijn grootvader, Jan Koopman, verzorgt

1 - Omslag van de in 1999 door De Wolf gepubliceerde discografie


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

2018

diverse programma’s met oude platen. Van Toppers van Toen via Voorzichtig Breekbaar naar Attent op Jeugdsentiment. Ik luister er graag naar en koester zelf mijn platen van voor-oorlogse dansorkesten. Koopman draait deze muziek vaak in zijn uitzendingen doorregen met allerlei achtergrondinformatie. Hij reikt me een belangrijk boek aan. Een discografie van Engelse dansmuziek, 1912-1939. Hierin zijn zoveel mogelijk gegevens verzameld betreffende de platen in dit genre. Nauwgezet zijn deelnemende musici, plaats en datum van opname vermeld, met de nodige matrijs- en catalogusnummers. Er gaat een wereld voor mij open. De anonieme zwarte schijven krijgen een plaats in de geschiedenis. Intrigerend zijn de spaarzaam en in zakelijke stijl toegevoegde opmerkingen. Een paar voorbeelden betreffende twee toen zeer beroemde orkesten: bij Jack Payne: ‘On june 21, 1931, Tommy Smith committed suicide under a train entering Victoria Station, London, and was replaced by Tommy Anderson-t soon afterwards’; bij Jack Hylton: 11 februari 1927: ‘Chappie d’Amato directs the next session, as Jack Hylton was injured in a car smash on the way to Hayes’, 10 september 1931: ‘These are the first sides by Jack Hylton to be recorded in the new studios in Abbey Road’.3 De afstand smelt weg. Wat evident is leek vergeten. De platen zijn mensenwerk. Mensen met namen, met geluk, zorgen en pech. Levend in een andere tijd met andere hypes en hits, een andere waan van de dag.

2 - Tim de Wolf, circa 2006

Het leert me hoe belangrijk het is de schijven te bezien in een breder kader. De platen verenigen diverse aspecten van de geschiedenis; technisch, commercieel, artistiek en die van personen. Het inspireert me om vat te krijgen op de achtergronden … en dan kruist een Antilliaanse schone mijn pad; zij wordt een tweede liefde, naast de grammofoonplaten. Een eigen ervaring Het is november 1982. Ik dwaal over een Hilversumse rommelmarkt. De hal is – naast verkoopwaar – gevuld met een dikke lucht van doorbakken hamburgers en zware shag. Ik haal maar niet te diep adem. Mijn zoektocht richt zich op oude geluidsapparatuur en grammofoonplaten. Op een tafeltje ligt een stapeltje van tien 78-toerenplaten. Het is een eigenaardig allegaartje, allemaal onbekende labels. De titels zijn intrigerend. Caribische dansmu-

3 - Label van een van de eerste Musika platen (1950) ziek met – vreemd genoeg – ook een orgelopname van Anthon van der Horst. Wat zullen we nu beleven? In kleine letters lees ik op het label ‘grabado en Curaçao’. Een ander exemplaar draagt het predicaat ‘grabado en Aruba’. Opgenomen op Curaçao en Aruba dus … In triomf toon ik mijn buit aan de moeder van mijn Antilliaanse vriendin. Kort tevo-

ren had ze mij verzekerd dat er geen oude Antilliaanse platen bestonden. Geconfronteerd met de fonografische verrassing wordt haar geheugen aangeslingerd. Opeens kan ze me allerlei anekdotes over de musici vertellen en weet ze zelfs iets te zeggen over de studio’s. Een gordijn wordt weggetrokken en een boeiend verleden presenteert zich. De matrijs- en catalogusnummers op de 5


VITRUVIUS

Het stapeltje platen van de Hilversumse rommelmarkt wordt de start van een grote collectie en een omvangrijk project. In Nederland speur ik naar Curaçaose en Arubaanse platen. Rondom 1990 bezoek ik beide eilanden voor het eerst. Ik zoek contact met betrokken artiesten, producers en technici en leg zoveel mogelijk vast. Ik speur bij verzamelaars, in bibliotheken en archieven, overal waar ik maar platen kan zien en kan inventariseren. Curaçao kent tussen 1949 en 1955 twee labels; Hoyco van Horacio Hoyer en Musika van Thomas Henriquez. Het ontdekken van Henriquez’ handelsvoorraad, 40 jaar na het beëindigen van de opnameactiviteiten, was zoiets als het ontsluiten van Tout-AnkAmon’s tombe. Tijdens mijn onderzoek op genoemd eiland bereiken mij geruchten over een oude schuur vol platen. Na veel rondvragen, afwerende praatjes en doordrammen van mijn kant komt de gouden tip. Ik word geleid naar een wrak kot in Otrabanda, Willemstad. Meteen realiseer ik me dat dit het oude magazijn van Thomas Henriquez is. Ooit stond hier zijn ‘Music and Sports Store’. Tot zijn dood in 1955 neemt hij er zijn Musika platen op. Daarna wordt de winkel voortgezet, tot tijdens de rellen op 30 mei 1969 het pand ten prooi valt aan plundering en vlammen.4 De schuur met magazijn, los staand van het huis, overleeft het inferno. Het gebouwtje heeft 25 jaar onbeheerd gestaan, midden in Willemstad. Generaties passeren en langzaam verwordt het magazijn tot woonplaats van kakkerlakken en w.c. voor daklozen. Duizenden platen komen tevoorschijn. Nieuwe exemplaren en vooral ook de meest zeldzame (want slecht verkochte) titels! Prins Claus Fonds Het onderzoek loopt, ik krijg meer en meer een beeld van het aantal schellak schijven dat is gemaakt, de studio’s, het repertoire, de mensen achter de platen. Ik merk ook: het schiet niet voldoende op en haast is geboden. De betrokkenen zijn op leeftijd. Wil ik al die mensen nog spreken dan moet ik voortmaken. In 1997 komt de doorbraak. Bij zijn 70ste verjaardag krijgt Prins Claus een fonds aangeboden dat zijn naam draagt. Dit Prins Claus Fonds ondersteunt het herontdekken van de eigen cultuur in voormalig gekoloniseerde samenlevingen. Dit is 6

mijn kans om full time te werken aan het in kaart brengen van deze vergeten grammofoonplaten. De culturele waarde is evident. Mijn subsidie-aanvraag bij genoemd fonds wordt gehonoreerd en ik kan aan de slag. Ik verblijf langere tijd op Curaçao en Aruba. Archieven van de platenmaatschappijen zijn er niet. De informatie komt ‘uit ’t veld’. Ik ontmoet meer betrokkenen, interview deze mensen en kopieer bij bibliotheken, archieven en verzamelaars de platen die ik zelf niet bezit, of die in betere conditie zijn. Integraal, want elke persoonlijke selectie is subjectief. De subsidie stelt me in staat goede apparatuur aan te schaffen voor de restauratie van het geluid. 1997, het jaar van de doorbraak in mijn onderzoek, is tevens het jaar waarin Willemstad op Curaçao op de Lijst van het Werelderfgoed wordt geplaatst: zowel de oude nederzetting Punda, als de aan de andere kant van de St. Annabaai gelegen wijk Otrabanda maakt er deel van uit. Het materiële en het immateriële erfgoed van De West staat opeens in de belangstelling. Eind 1999 verschijnt mijn boek: Discography of Music from the Netherlands Antilles & Aruba, including a history of the local recording studios. Het is een discografie en geschiedschrijving van 78-toerenplaten, opgenomen op de Nederlandse Antillen en Aruba. De platen zelf – ik heb ze vrijwel allemaal teruggevonden – zijn gedigitaliseerd en vormen zo een serie van 30 cd’s die kosteloos aan bibliotheken en archieven ter beschikking

44

JULI

2018

is gesteld. Een bloemlezing verschijnt in 2003 als handelseditie onder de naam Riba Dempel bij Otrabanda Records.5 Bekroning Een bijzonder moment volgt in 2007. Door het Prins Bernhard Cultuurfonds wordt mij de Muziekprijs toegekend voor, aldus het juryrapport, ‘uitstekende prestaties bij het in kaart brengen, catalogiseren en digitaal vastleggen van historische Antilliaanse en Arubaanse muziekopnamen’. Het nut van de plaat Hierboven heb ik gepleit voor beter en meer diepgravend onderzoek naar fonografisch erfgoed. Het is – tenminste als aanvullende bron – belangrijk in het krijgen van een juist beeld van het verleden. Ik wil dit ten slotte illustreren aan de hand van twee voorbeelden betreffende Antilliaans/Arubaans materiaal: In ‘De Kleur van mijn Eiland’ behandelen Aart Broek en Lucille Berry-Haseth de tambú Eleccion. Deze tambú (een sterk op Afrikaanse tradities geënte Curaçaose muziekvorm) is in 1954 geschreven in het kader van de verkiezingen. In de tekst wordt beweerd dat Curaçao communistisch zal worden als de Democratische Partij (Partido Democraat) de meerderheid zal verwerven. De blanke protestanten zullen het dan voor het zeggen krijgen. Broek en Berry-Haseth kwalificeren deze tambú als sterk antiDemocratische Partij.6 Begrijpelijk, wanneer men louter uitgaat van de tekst. Het

Fotograaf: H. van der Wal.

platen geven aan dat er veel meer moet zijn … en de muziek is heerlijk.

NUMMER

4 - De Breedestraat, Otrabanda, Willemstad circa 1954. De Music and Sports Store van Thomas Henriquez. Collectie RCE, TGGR-443, Amersfoort.


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

2018

verhaal wordt echter anders wanneer men weet dat deze tambú is uitgebracht op grammofoonplaat … op een label van de Democratische Partij! Dan blijkt het nummer pure ironie te zijn. Men bespot de groteske roddels die rondgaan over de agenda van de Partido Democraat. In de literatuurgeschiedenis van het Papiamento wordt een driemanschap, opererend onder de naam Julio Perrenal, een belangrijke rol toegedicht. In 1943 publiceert het drietal een zangbundel. Doel is het Papiamento te verheffen van straatgebrabbel tot cultuurtaal. Een bundel met vriendelijke liedjes, waarin actualiteiten worden bezongen, ziet het drietal als een goede start.7 Perrenal wordt nog immer geëerd om deze belangrijke pioniersdaad. Vergeten is de grammofoonplaat die al eerder, op Aruba in 1941, door Juan ‘Padú’ Lampe wordt uitgegeven met behulp van enige vrienden en familieleden. De eerste plaat met zang in het Papiamento! Aan beide zijden een lied dat zich – in kwaliteit en thema – naadloos zou voegen in de Cancionero Papiamento van Perrenal en dat hen zelfs als inspiratie zou kunnen hebben gediend. Zonder het driemanschap haar lauweren te ontnemen mag geconcludeerd worden dat ook Lampe c.s. een plaats op het erepodium verdienen. Deze voorbeelden maken duidelijk dat historische geluidsdragers bronnen kunnen zijn die gevestigde opvattingen of beelden kunnen doen kantelen of op zijn minst discussie kunnen uitlokken. Besluit Het is fascinerend te zien hoezeer geluidsdragers een spiegel van een samenleving vormen en wat er vanuit musicologisch, sociaal, politiek-historisch, taalkundig, antropologisch en economisch-historisch perspectief uit valt te halen. Documenteren is noodzaak, achtergrondinformatie essentieel. Professionele conservering, digitalisering en documentatie maken de voor veel mensen aanvankelijk weerbarstige materie tot een prachtige bron die ook, in audiotours en op websites, verhelderend kan werken. Eén geluidsfragment zegt meer dan duizend woorden! Op dit moment werk ik aan de afronding van een vervolgproject. Dit omvat alle opnamen die zijn gemaakt in het Nederlands deel van het Caribisch gebied of betrekking hebben op dit deel van de wereld, gemaakt in de periode 1925-1971.

5 - Tim de Wolf met de voormalige voorraad van Henriquez uitgestald op de ‘porch’ van het logeeradres op Curacao om een en ander uit te zoeken (1992) Wezenlijk onderdeel bij het tot leven wekken van historisch fonografisch materiaal is deskundige reiniging van de geluidsdragers en optimale afspeeltechniek. Vervolgens kan geluidsrestauratie worden toegepast om de onvermijdelijke ruis en tikken te verwijderen of te verminderen. Over die aspecten kunt u lezen in een volgend artikel. Noten 1  Schellak is het materiaal waarin tussen circa 1898 en 1958 het merendeel van de grammofoonplaten is gesperst. Hoewel aangeduid als schellak is de naam voor het persmateriaal van grammofoonplaten ongelukkig gekozen. Het hoofdbestand bestaat namelijk uit gemalen leisteen waarbij de schellak als bindmiddel is toegevoegd. Daarnaast wordt kleurstof (voor een mooi egaal zwarte plaat) en vezels (ter versteviging, katoen of asbest) toegevoegd. Tegenwoordig wordt ook wel gesproken van bakelieten platen maar dit is onjuist. Schellak is zeer gevoelig voor temperatuur en breekbaar. Pure schellak is een afscheidingsproduct van een Aziatische luizensoort. Het heeft ook toepassing gevonden als politoermiddel in de meubelindustrie. Eind jaren veertig doet vinyl op grote schaal de intrede als persmateriaal. Het is ruisvrij i.t.t. de betrekkelijk grofkorrelige schellak en nagenoeg onbreekbaar. 2  Tot fonografisch erfgoed moet uiteraard ook de apparatuur en parafernalia worden gerekend die is gebruikt bij het

opnemen en/of weergeven van geluid.  Rust, Brain en Edward S. Walker. British Dance Bands 1912-1939. Londen: Storyville Publication & Co., 1973: 300, 164, 181. 4  Engels, Chris J. en J. van de Walle. Klein Venetië, Curaçao in vroeger dagen. ’s-Hertogenbosch: Aldus Uitgevers, 1990: 288-293. 5  Wolf, Tim de. Discography of music from the Netherlands Antilles & Aruba, including a history of the local recording studios. Zutphen: Walburg Pers, 1999. Meer informatie is te vinden op http://otrabandarecords.com/ 6  Broek, Aart G., Sidney M. Joubert, Lucille Berry-Haseth, red. De kleur van mijn eiland II: 41-44. 7  Broek, Aart G., Sidney M. Joubert, Lucille Berry-Haseth, red. De kleur van mijn eiland I: 99-103; Palm, Jules de, Julian Coco. Julio Perrenal – dichters van het Papiamentse lied. Amsterdam: De Bezige Bij, 1979, passim; Wolf, Tim de. ‘Julio Perrenal: miskende musici of wegbereiders?’ Nieuw Letterkundig Magazijn, jrg. 35, nr. 1 (mei 2017): 37-42. n 3

7


VITRUVIUS

Paul Vesters Medewerker Utrechts Landschap

NUMMER

44

JULI

2018

Vliegbasis Soesterberg1 Oord van onthouding2 en verborgen wereldgeschiedenis

1-G  lienicker Brücke In 2017 is Utrechts Landschap eigenaar geworden van de voormalige Vliegbasis Soesterberg. De Vliegbasis is o.a. de bakermat van de Nederlandse luchtvaart maar heeft ook en vooral een grote rol gespeeld in de periode van de Koude Oorlog (1945-1989). Op de Vliegbasis liggen diverse structuren en staan veel gebouwen die direct of indirect een relatie hebben met de Koude Oorlog. Utrechts Landschap staat voor de opgave om naast de natuurwaarden van de Vliegbasis ook het verleden levend te houden. Hoe gaan we dat doen? Voor welke strategie kiezen we? Behoud door onthouding lijkt heel goed te passen bij de weerbarstigheid van de verschillende objecten. Een jaar of vijf geleden was ik in Potsdam om een aantal landgoederen en paleizen te bezoeken. Op het programma stond o.a. een bezoek aan het park van Slot Babelsberg. Het fraaie park ligt aan de oever van de Havel. De brug over de Havel die vanuit het park te zien was bleek de Glienicker Brücke te zijn. Op mijn netvlies staan nog steeds de grofkorrelige beelden van uitwisselingen van spionnen tussen Oost en West, halverwege de jaren tachtig van 8

de vorige eeuw. Midden op de brug vond de spionnenuitwisseling plaats. De Koude Oorlog (KO) was bijna ten einde, maar dat wisten we toen nog niet. In diezelfde tijd ben ik een paar keer in Berlijn geweest en ben toen via Checkpoint Charlie overgestoken naar de overkant. De beklemming was voelbaar. Wat me ook nog goed bijstaat en wat zeker een dreiging vormde, was de kernwapen-

wedloop tussen Oost en West. Het was de tijd van de grote demonstraties tegen de plaatsing van kruisraketten in Nederland. Honderdduizenden liepen in Den Haag en Amsterdam in protestmarsen mee. ‘Liever rood dan dood’ was een van de leuzen. De Koude Oorlog (1945-1989) heeft niet mijn leven bepaald, maar terugdenkend was er wel altijd een zekere dreiging die op bepaalde momenten via radio of televisie binnenkwam. Na 1989 was het snel gedaan met de tegenstelling. Het einde van de geschiedenis en de overwinning van het kapitalisme.3 De afgelopen jaren dringt echter meer en meer het besef door dat het zo simpel niet is. Ook de kernwapens zijn terug van weggeweest –als ze ooit al zijn weggeweest. De levensgevaarlijke schermutselingen tussen Donald Trump (Verenigde Staten) en Kim Jongun (Noord Korea) bewijzen dat. Het Rusland van Poetin laat zich niet onbetuigd en de Chinezen zitten eveneens niet stil. Ook het kruitvat in het Midden-Oosten wordt met het jaar explosiever. Tegen die achtergrond is Utrechts Landschap in 2017 eigenaar geworden van de Vliegbasis Soesterberg die tijdens de KO een essentiële rol heeft gespeeld in het steekspel tussen Oost en West. Op de vliegbasis, tevens de bakermat van de Nederlandse luchtvaart, is een grote verzameling aan gebouwen, objecten en structuren uit verschillende perioden vanaf 1910 aanwezig. Daarnaast kent de Vliegbasis fraaie natuur, die voor een deel in de loop der tijd door het specifieke (maai)beheer en de ontoegankelijkheid voor publiek, is ontstaan. Geen van de gebouwen heeft een beschermde monumentale status. Dat wil niet zeggen dat dit militaire erfgoed geen waarde heeft. Utrechts Landschap heeft de poorten van


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

2018

de Vliegbasis voor het publiek geopend en staat voor de taak om dit bijzondere gebied te beheren en een eigentijdse invulling te geven aan dit bijzondere erfgoed. Hoe gaan we dat doen? Interesse militair erfgoed groeit De afgelopen 25 jaar is de belangstelling voor militair erfgoed sterk gegroeid. Vooral structuren zoals de Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, staan in de belangstelling. Voormalige vestingsteden hebben zich verenigd en werken aan de restauratie van hun erfgoed maar bovenal aan de toeristische promotie daarvan. Erfgoed als beleving, decor en ontspanning. Maar wat weet de gemiddelde bezoeker van de achtergrond van dat erfgoed? Waarom zijn de waterlinies aangelegd en wat was de functie van de verschillende forten? Is het noodzakelijk te weten wat de functie was? Een kenmerk van militair erfgoed is dat in de tijd dat de structuren en gebouwen nog operationeel waren, er een sterke sfeer van geheimhouding en geheimzinnigheid bestond. Sterker, een kenmerk was de ontoegankelijkheid voor de gemiddelde burger. De hele waterlinie was dusdanig aangelegd om juist op te gaan in het landschap. Deze logische geheimhouding ging zelfs zo ver, dat ook op topografische kaarten de forten lang niet altijd werden ingetekend. Na zo’n 150 jaar splendid isolation zijn de meeste forten van de verschillende waterlinies tegenwoordig opengesteld c.q. zijn er nieuwe (publieks)functies ingekomen. Bovendien zijn de meeste gebouwen keurig gerestaureerd. Maar waar is het verhaal gebleven? Welke ideeën schuilden achter de waterlinies? Tegen wie moest het land worden verdedigd? Niet alleen de belangstelling voor de waterlinies is groot, de Tweede Wereldoorlog en sinds kort ook de Eerste Wereldoorlog mogen zich in een grote, blijvende en zelfs toenemende belangstelling van zowel de ‘deskundigen’ als ook van het publiek verheugen. Jaarlijks verschijnen vele publicaties en het einde lijkt nog niet in zicht. Ook in het buitenland lijkt een toenemende belangstelling voor ‘oorlog’ te bestaan. De belangstelling voor de Eerste en Tweede Wereldoorlog is in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en België nooit weggeweest. Het aantal museumpjes, bezoekerscentra en sites rondom de landingsstranden in Norman-

dië is de afgelopen 25 jaar enorm toegenomen. Drommen bezoekers gaan van museum naar strand en nemen kennis van de persoonlijke verhalen van Amerikaanse en Duitse soldaten en van Franse burgers die midden in de vuurlinie lagen. Hoe komt dat? Vanwaar die toenemende belangstelling? Heeft dat te maken met meer vrije tijd, een hoger besteedbaar inkomen en een hogere opleiding? Is het publiek zich er meer van bewust dat de vrijheid is bevochten en dat het toeval kan beschikken of een grens links of rechts wordt getrokken? Waarschijnlijk een combinatie hiervan. En hoe zit het met belangstelling voor de Koude Oorlog? Een groot deel van het aanwezig erfgoed op de Vliegbasis dateert uit de periode van de Koude Oorlog (1945-1989). Deze voor Nederland, Europa en de wereld in het algemeen belangrijke periode heeft tegenwoordig relatief weinig aandacht. Zeker waar het gaat om de tastbare overblijfselen uit deze periode. Dat is opmerkelijk omdat de maatschappelijke impact destijds zeer groot was. Angst voor ‘de bom’ was reëel aanwezig en het IJzeren Gordijn met aan de andere kant het Oostblok was een niet te ontkennen werkelijkheid. Sluiten we ons bewust of onbewust af voor die vervelende periode waarin de dienstplicht nog bestond? Verkeren we nog steeds in een overwin-

ningsroes? Het lijkt er echter wel op dat aan die onbekendheid langzaam een eind komt. Zo is recent de publicatie Schuilen in Den Haag-Erfgoed van de Koude Oorlog verschenen. Verder is in 2017 de Facebookgroep Koude Oorlog Erfgoed in het leven geroepen en in hetzelfde jaar heeft Provincie Utrecht een cultuurhistorische inventarisatie laten opstellen over de Koude Oorlog in de provincie Utrecht. Zowel voor wat de militaire verdediging betreft als voor de civiele verdediging. In 2007 is reeds een dergelijke inventarisatie voor de Vliegbasis Soesterberg verschenen. Hierin stellen de auteurs dat de KO periode op de Vliegbasis de belangrijkste is in de bijna 100 jarige geschiedenis. De auteurs van de inventarisatie uit 2017 stellen dat Soesterberg door de komst van de 32nd Fighter Group van de Amerikanen een van de belangrijkste en historisch gezien meest interessante vliegvelden van de Koude oorlog in West-Europa was. In de samenvatting van deze inventarisatie wordt verzucht dat onbekendheid tot onbemindheid leidt maar dat het ook aan een landelijke en internationale context ontbreekt. Wat is belangrijk om te bewaren voor het nageslacht en welk verhaal vertellen we daarbij? De auteurs pleiten voor een regierol op rijksniveau maar beseffen dat die er waarschijnlijk niet meer in zit en hopen dat provincie en gemeenten die kaders kunnen maken.

2 - De start- en landingsbaan biedt een verrassende openheid op de beboste Utrechtse Heuvelrug. 9


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

2018

Onbekend maakt onbemind? De bij velen nog steeds heersende onbemindheid van objecten uit de Koude Oorlog, heeft wellicht te maken met het feit dat het in het algemeen om weinig aansprekende gebouwen gaat. Sterker, het was waarschijnlijk helemaal niet de bedoeling om aansprekende gebouwen neer te zetten. De vijand had overal spionnen en onzichtbaarheid was daarom waarschijnlijk een eerste voorwaarde. Zo blijken veel KO-objecten in bijvoorbeeld viaducten verstopt te zijn. Een anoniem deurtje doet meestal niet vermoeden dat zich hier achter een heel bunkerstelsel bevindt. Het bijzondere van de KO is dat er een nadrukkelijk verschil is tussen militaire en civiele verdediging. Een dreigende nucleaire aanval noopte tot specifieke maatregelen voor zowel de bescherming van bijvoorbeeld de Regering en vitale commandocentra als ook voor de bevolking. Her en der zijn bunkers gebouwd die in tijden van nood de overlevingskans moesten vergroten. In 1980 is zelfs nog een bunker gebouwd voor de Koninklijke Familie onder de tennisbaan en het zwembad van Huis ten Bosch. Een kwaliteit van het KO-erfgoed is dus onzichtbaarheid maar zeer zeker ook geheimzinnigheid en mystiek. Ook het erfgoed op de Vliegbasis heeft deze kenmerken waarbij het wel zo is dat een aantal objecten juist wel aansprekend is. Te denken valt daarbij aan de betonnen vliegtuigshelters, die na de Zesdaagse Oorlog in 1967 tussen Israël en een aantal Arabische landen werden gebouwd. De Israëlische luchtmacht vernietigde destijds in één klap de volledige Egyptische luchtmacht door de vliegtuigen die keurig in gelid stonden opgesteld op een vliegveld, bij verrassing aan te vallen. Verder liggen er anonieme en in het veld bijna onzichtbare objecten zoals een commandobunker en een ondergrondse legering die ABC-proof waren (bescherming tegen atomaire, biologische en chemische aanvallen). Eenmaal binnen blijken deze echter een wereld apart te bevatten. Als de dikke stalen deuren in het slot vielen kon men hier zo’n drie weken verblijven, om uiteindelijk toch de weg naar buiten weer te moeten zoeken. De bezoeker ervaart in deze gebouwen met ontsmettingsruimten, luchtverversing en beperkte leefruimte nog steeds een sterk gevoel van beklemming. Nog erger wordt de beklemming 10

3 - De ondergrondse legering met ophangsysteem voor bedden. als je je probeert voor te stellen dat buiten zich een atomaire of een biologische dan wel chemische aanval heeft voorgedaan. Wat treffen we na drie weken aan? Met het gevaar van overdrijving: de bezoeker kan een ervaring krijgen van bijna apocalyptische omvang. James Bond Dat de Koude Oorlog zich nog niet echt in een publieke belangstelling mag verheugen heeft ook te maken met de zeer beperkte zichtbaarheid en toegankelijkheid van fysieke objecten uit deze periode. Anders dan de Tweede Wereldoorlog, die relatief kort duurde, maar wel zeer heftig was met een grote impact op het dagelijks

leven van alle Nederlanders, is de Koude Oorlog meer een verstikkende deken die het dagelijks leven niet ontwrichtte, maar wel degelijk aanwezig was. Hoe hebben Nederlanders deze periode ervaren? Was men er dagelijks mee bezig of waren het vooral de diverse crises (Hongaarse Opstand, Cuba crisis, Praagse Lente) die ons met de neus op de feiten drukten? De diverse initiatieven in den lande tonen dat een langzame kentering voor de KO is te verwachten. Het verhaal van de Koude Oorlog in combinatie met bijvoorbeeld commandobunkers of schuilplaatsen is een spannend verhaal met in zekere zin een hoog James Bond gehalte. Nu de spanningen tussen Oost (of: de rest van de


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

2018

wereld) en West weer toenemen vermoed ik dat de periode van de KO snel aan de vergetelheid zal worden ontrukt. Zeker gezien het nucleaire wapengekletter dat terug is van weggeweest. Wat waren de maatschappelijke implicaties van de Koude Oorlog? Zijn er parallellen te trekken tussen de huidige tijd en de periode 19451989? Kunnen we op Soesterberg iets van die sfeer laten proeven en hoe doen we dat? Daar ligt een uitdaging waarbij het tastbare erfgoed een mooi aanknopingspunt voor verhalen is. Nationaal Militair Museum Op de Vliegbasis staat sinds 2015 het Nationaal Militair Museum (NMM). Het NMM grenst direct aan het deel dat eigendom van Utrechts Landschap is. In een spectaculair gebouw wordt de geschiedenis van de landmacht en luchtmacht getoond en verteld. De periode van de Koude Oorlog komt uiteraard ook voorbij, maar is slechts een beperkt deel van het verhaal dat het NMM vertelt. En de real stuff is bij Utrechts Landschap in het veld te zien. De aandacht voor het erfgoed van de Vliegbasis is momenteel vooral gericht op objecten. Inmiddels is al veel gesloopt en verdwenen. Veel kleine voorwerpen zoals de lampen langs de start- en landingsbaan zijn door ‘verzamelaars’ meegenomen. Daarnaast speelt de discussie dat de natuurwaarden niet aangetast mogen worden. Wat betekent dat voor het gebruik van de verschillende objecten? Het is in ieder geval de bijzondere sfeer die momenteel aanwezig is op de Vliegbasis, die behouden zou moeten blijven. Het is een sfeer van een Vliegbasis die al enige tijd buiten gebruik is en als het ware een oord van onthouding is geworden. De tand des tijds heeft bescheiden haar werk gedaan, maar gezien de robuustheid van de meeste gebouwen is er nog heel wat werk aan de winkel voor Vadertje Tijd, totdat onomkeerbaar verval optreedt. In Nederland hebben we nogal eens de neiging om alles spic en span op te knappen of te restaureren. Vaak hangt dat samen met de ‘noodzaak’ van herbestemming. Onlanden of ruïnes zijn dus dun gezaaid in ons land. Alles is bestemd. Vaak dubbel of driedubbel. En als er al eens een ruïne is, dan jeuken de handen om die aan te pakken, zoals de herbouwplannen van de ruïne van kasteel Schaesberg bewij-

zen, of het gereconstrueerde kasteel de Keverberg in Kessel. Het Waterloopbos in Marknesse is een gebied waar zo’n 20 jaar geleden de deur op slot is gegaan omdat de functie werd opgeheven. Van 1951 tot 1996 hebben de ingenieurs van het voormalige Waterloopkundig Laboratorium hier zo’n 200 schaalmodellen van havens e.d. gebouwd. Tientallen daarvan zijn bewaard gebleven en worden langzaam door de natuur overgenomen. Dat heeft geleid tot een fascinerend gebied waar gecontroleerd verval in combinatie met beperkte restauratie en consolidatie staand beleid is. Behoud door onthouding? In haar briefadvies aan de Minister van OC&W getiteld “Brede blik op erfgoed; over de wisselwerking tussen erfgoed en transities in de leefomgeving” van november 2017 pleit de Raad voor Cultuur in sommige gevallen voor ‘behoud door onthouding’4. Bijvoorbeeld herbestemming van panden tot ecoruïne. Ik bepleit deze strategie ook voor de Vliegbasis Soesterberg. De verschillende gebouwen, objecten en structuren zijn dermate robuust dat het nog tientallen jaren, zo niet honderden jaren zal duren voordat het geheel als Vliegbasis niet meer herkenbaar is. Bovendien zal door het geleidelijke verval de sfeer van ontoegankelijkheid, spanning, geheimzinnigheid en mystiek in zekere zin blijven bestaan. En juist dat is een essentieel kenmerk van de Koude Oorlog, waarvan de Vliegbasis Soesterberg een belangrijke exponent is. Tegelijkertijd bieden de verschillende gebouwen, objecten en structuren van de Vliegbasis meer dan voldoende aanknopingspunten om het verhaal van de Koude Oorlog te vertellen aan het publiek en linken naar het heden te leggen. En daar is het hoog tijd voor!

a.u.b.-Behoud door onthouding, 2017 Literatuur -  Colette Cramer e.a., Schuilen in Den Haag-Erfgoed van de Koude Oorlog, Gemeente Den Haag i.s.m. Uitgeverij De Nieuwe Haagsche en Stichting Militair Erfgoed, 2017 -  Dik Top, Een eeuw vliegkamp en dorp Soesterberg, uitgave in eigen beheer, 2013 -  Rolf de Winter, Een eeuw militaire luchtvaart in Nederland 1913-2013-Bakermat Soesterberg, Uitgeverij Boom, 2013 -  Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis v.o.f., Vliegbasis Soesterberg-Cultuurhistorische inventarisatie met waardestelling, Provincie Utrecht, 2007 -  Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis v.o.f., De Koude Oorlog in de provincie Utrechtcultuurhistorische inventarisatie, provincie Utrecht, 2017 n

Noten 1  Dit essay is geschreven als afsluitend ‘Meesterwerk’ van de Leergang Erfgoedfilosofie van de Erfgoedacademie. Voor meer informatie over de leergang zie www.erfgoedacademie.nl 2  Titel is geïnspireerd op de publicatie Oorden van Onthouding-Nieuwe natuur in verstedelijkt Nederland, NAi Uitgevers, 1998 3  Vrij naar Francis Fukuyama, The end of History?, 1989 4  Zie ook Renate Pekaar, Even geduld 11


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

2018

Duinontginningen

In het eerste deel van dit artikel was te lezen dat ontginningen in duingebieden eeuwenlang voortkwamen uit ‘Goddelijke’, geestelijke of adellijke opdrachten of bevelen om de aarde van ‘doornen en distelen’ te ontdoen en te bewerken. Het leven behoorde geen pretje te zijn – en al helemaal niet voor ‘bouwers’ of boeren en voor arbeiders. Voor de adellijke landbezittende klasse en de vanuit de burgerij opgeklommen handelaren en fabrikanten kwam dat vanaf de late 16de eeuw anders te liggen. Velen van hen waren obsessioneel op zoek naar een manier om hun rijkdom te tonen en hun status te verhogen. De (binnen)duinen werden een jacht- en lustgebied waar tuinen en parken tot stand werden gebracht. En vooral de ‘nouveau riche’ zag geen bezwaar in het grootschalig exploiteren of het weer vervreemden van zijn eigendom wanneer de maatschappelijke of politieke wind uit een andere richting ging waaien of als het economisch tij tegenzat. Deze factoren speelden vanaf het midden van de 18de eeuw. In dit tweede deel van het artikel wordt op de gevolgen hiervan op de duinontginningen ingegaan. Blijvende obsessie met duinontginning Talrijke gefortuneerde stedelingen kochten vanaf de 17de eeuw terreinen en goederen in de Hollandse en Zeeuwse kustgebieden. Deze nieuwe stedelijke klasse – ze worden regenten genoemd – kwam vooral voort uit kooplieden (graan, specerijen, hout, wapens, slaven) en fabrikanten (dranken, wapens, textiel, scheepsbenodigdheden) - deed voortdurend goede zaken. Binnen de steden hadden zij zich verzekerd van bestuurlijke posities, maar ook buiten zochten ze aanzien. Lijfelijke aanwezigheid bij hun ondernemingen was lang niet altijd nodig en er was dus alle gelegenheid zich in rustiger perioden terug te trekken op buitenverblijven. Onder meer de naar de omstandigheden van de tijd goed bereikbare delen van de Hollandse binnenduinen behoorden tot de favoriete locaties. Zoals al gezegd, waren de binnenduinen en strandwallen van het voormalige Wijkermeer tot voorbij Den Haag bezet met vele tiental12

In het tweede deel van dit artikel zal nog iets verder worden ingegaan op de ingrepen in het duingebied vanwege de aanleg van landgoederen en de later veel voorkomende bestemming en inrichting ervan voor andere doeleinden. Het zwaartepunt zal echter liggen op de vanaf de tweede helft van de 18de eeuw beoogde grootschalige ontginning van (binnen)duinen om er rendabele agrarische gronden van te maken. Die ontginningen waren onder meer een vervolg op en verbreding van de al genoemde ingrepen op en rond de Breesaap bij Velsen-Noord. len buitenplaatsen en landgoederen. Maar er waren uitlopers tot Heiloo en Westvoorne en ook op Walcheren lagen buitenplaatsen. Vanaf het einde van de 16de eeuw werden ongeveer 150 jaar lang goederen geveild die na de stichting van de Republiek in handen waren gekomen de Staten van Holland. Vele ervan – waaronder voormalige grafelijke en leenheerlijke gronden - kwamen in handen van stedelijke patriciërs, die er buitenverblijven lieten bouwen.1 Door de gronden af te zanden en/of te egaliseren konden fraaie tuinen in Franse stijl worden aangelegd en zijn tientallen grotere en kleinere lusthoven tot stand gekomen.

maar in wat mindere perioden kon het nodig zijn inkomen te genereren uit de bezittingen of zelfs tot (al dan niet gedwongen) verkoop over te gaan. Ook de langzame loskoppeling van grondbezit aan de juridische kant van het ambachtsheerschap speelde hier een rol: het bezit van de grond als zodanig werd meer en meer de drager van de betekenis, in plaats van de eraan gekoppelde juridische status en het vaak problematische innen van de opbrengsten ervan.2 Vanwege teruglopende inkomsten uit handel en nijverheid groeide in de 18de eeuw bovendien een verlangen de opbrengsten van het agrarisch bedrijf uit tot dan toe onnutte gronden te doen toenemen.

In goede tijden betekende het zich terugtrekken op een buitenplaats of een landgoed dat van rust en verpozing kon worden genoten,

Van particuliere naar ‘maatschappelijke’ obsessie Naast het groeiend optimisme dat het mee-

Bron: Daniel Stopendaal & Nicolaas Visser, verm. begin 18e eeuw

Frits Niemeijer Historisch-geograaf

Van opdracht, via obsessie naar ontspanning - Deel 2

1 - De in Franse stijl aangelegde buitenplaats Clingendaal bij Den Haag, met goed herkenbaar de geëgaliseerde binnenduinen. Er is een beplante dijk aangelegd ter bescherming tegen het stuiven.


NUMMER

44

JULI

2018

bracht, was dit laatste een aanleiding voor oprichting van verschillende ‘maatschappijen’ (of afdelingen daarvan), die ten doel hadden de landbouw te bevorderen. Ze kwamen op in het hele land, maar voor het duingebied waren het in het bijzonder de in 1752 in het leven geroepen – en nog steeds bestaande - Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen en de in 1776 gestichte Maatschappij ter Bevordering van den Landbouw. Zulke organisaties stelden zich onder andere ten doel de exploitatie van het grootgrondbezit rendabeler te maken. Hiertoe werden prijsvragen uitgeschreven en tevens werden experimenten met grote belangstelling gevolgd. Meerdere eigenaren van gronden in (binnen)duingebieden lieten zich al spoedig in met de maatschappijen en vanaf het midden van de 18de eeuw gaven zij in de gehele kustzone gehoor aan oproepen woeste (zand)gronden in cultuur te brengen en ze profijtelijk te maken. Men realiseerde zich hierbij terdege dat alleen duingebieden waar het zand voldoende vermengd was met ‘aard, klay, veen of andere mestdeelen, het zy door de natuur, het zy door de bebouwing’[, vruchtbaar zijn].3 Ofwel: men geloofde niet in wonderen en zocht naar plaatsen in de duinen waar toch al voldoende vocht en vegetatie voorkwamen. Een voorbeeld van de stichting van een duinboerderij is ‘De Brabantsche Landbouw’ bij Castricum, die volgens sommigen omstreeks 1763 tot stand kwam. Het initiatief zou echter zijn gekomen van de in Amsterdam wonende Andries A. Deutz van Assendelft (1764-1833), die tevens de eigenaar was van kasteel Assumburg. Jan Kops, die we later nog tegenkomen, schreef in 1796 dat de boerderij pas werd gesticht in 1782, wat dan waarschijnlijker is. Ook op andere punten zijn er trouwens verschillen in de informatie.4 Zo wordt soms gesteld dat er omstreeks 1796 zo’n 30 koeien waren, rond 300 schapen en verder dat er zo’n 13 ha bouwland was, maar Kops is meestal terughoudender. Wel bestaat er overeenstemming over wat er werd verbouwd: tarwe, rogge, haver en gerst, als mede bonen en aardappelen. Ook over de toepassing van stalmest is men het eens, namelijk volgens de zogenoemde Brabantse methode: vermengd met stro – vandaar ook de naam van het bedrijf. De akkertjes van De Brabantsche Landbouw waren omheind met wallen van gestapelde zoden.5 In de directe nabijheid van de Brabantsche Landbouw kwamen nog verschillende andere ontginningen tot stand, waaronder die van Koningsduin, waarover verderop meer.

Bron: Wikimedia

VITRUVIUS

2 - De duinboerderij Zeeveld te Castricum, uit 1829, oorspronkelijk deel uitmakend van de ontginning Koningsduin, die grensde aan De Brabantsche Landbouw. Typerend voor Noord-Holland is het stolpdak. Nu in gebruik als Monastiek Centrum Stichting Jan XVII. Prijsvragen De duingronden werden tot de onvruchtbaarste van ons land gerekend, maar in 1761 deed de genoemde Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem een prijsvraag uitgaan om een methode te bedenken zulke gronden ten nutte te maken. Er kwamen verschillende reacties, waarvan aan die van J. le Francq van Berkhey op 24 mei 1763 de gouden medaille werd verleend. Hij geeft in zijn verhandeling aan dat op diverse plaatsen, zoals Oegstgeest, Voorhout, Noordwijk en Bloemendaal, de bevolking de geestgronden – ondanks schraalheid - benut voor landbouw en veeteelt.6 Verderop beveelt hij het planten van dennen of sparren aan, vermengd met bramen. Hij kent hiervan een voorbeeld op het landgoed de Hartekamp te Bennebroek. Tevens adviseert hij onder meer het planten van zonnebloemen, foelie, tabak en mosterdzaad, maar zonder hierbij enig voorbeeld van succes te noemen. Le Francq geeft verder aan dat geestgronden geschikt te maken zijn voor gerst, haver en boekweit en voor de aanplant van diverse soorten hakhout. En uiteraard voor veeteelt. Bij dit alles beveelt hij meer dan eens aan de geestlanden goed te bemesten.7 Overigens een steeds terugkerend punt in de prijsvragen, met een veelheid aan oplossingen. Een decennium later volgde een prijsvraag waarin de vraag werd gesteld welke beplanting benut kan worden om het zand in de duinen vast te houden. Opnieuw ging de eerste prijs naar le Francq van Berkhey, maar noch in zijn antwoord, noch in enige andere inzending een begin voor van het verder in

cultuur brengen van duingronden. De ideeën behelsden niet veel meer dan het oproepen tot bebossing of tot het beteugelen van stuiven.8 Intussen waren pogingen tot het in cultuur brengen toch al ondernomen. Zo kwam vanaf 1768 een ontginning tot ontwikkeling op duingronden die toen behoorden tot de buitenplaats Zorgvliet bij Scheveningen. Zorgvliet was destijds in handen van Jonkheer Willem, graaf van Bentinck, heer van Rhoon en Pendrecht, die de functie had van luitenant-houtvester van Holland. De uitvoerders in het veld waren ene Leendert van der Harst en zijn zoon Cornelis. Een eerdere onderzoeker, Boerboom, citeert op dit punt een in 1785 opgesteld document, waaruit hierna de volgende zinsneden worden overgenomen: “[…] zoo dat hy thans bezitter is van een schoon bouwhuis, benevens ver in de twintig morgen allerbest zoo Wei- als Hooi-Land, waardig om door des kundigen bezien te worden. […]. Behalven dit Weiland, heeft hy thans nog eene tamelyke quantiteit Teelland, daar hy de schoonste en zwaarste rogge, garst en haver op teelt, die men met oogen zien kan. […].”9 Met hun onderneming oogstten de Van der Harsten veel lof en ook verdienden ze er prijzen mee, onder meer van de Maatschappij ter Bevordering van den Landbouw. Jan Kops – inspirator en functionaris De landbouwprijsvragen die in de late 18de en vroege 19de eeuw zijn uitgeschreven, leidden op verschillende plaatsen tot experimenten en activiteiten. Tot de bekendste hiervan behoren de stichtingen van Koloniën van 13


Bron: Wagner & Debes, Leipzig

VITRUVIUS

3-D  e ontginning van Van der Harst laat zich bovenin deze kaart van 1905 nog herkennen bij Harsten Hoek, tussen Scheveningen en het Pompstation der Waterleiding. Weldadigheid in het Fries-Drents-Overijssels grensgebied10, die vanaf 1818 systematische ontginningen in het veen en op het zand inhielden. Maar al eerder kwamen nieuwe initiatieven op gang in het westen. Oproepen hiertoe van de eerder genoemde Jan Kops leidden op diverse locaties in Holland tot duinontginningen.11 Kops stelde in 1799 dat noch houtteelt, noch het houden van schapen voldoende opleverde om er de plaatselijke bevolking een bestaan van te verschaffen. Dat andere vormen van bodemgebruik amper van de grond kwamen, was volgens hem mede een gevolg van de jachtrechten op de gronden en van de zware lasten die gebruikers moesten opbrengen. Hierbij kwam dat de duingronden flinke bemesting vergden, wat kostenverhogend werkte. Dit alles was een reden waarom hij pleitte voor langdurige vrijstelling of verlaging van de grondlasten voor zogeheten ‘Colonisten’.12 Een belangrijk deel van Kops’ ‘Ontwerp tot vruchtbaarmaking der duinen […]’ is gewijd aan de bestrijding van het stuiven van zand door helmbeplanting – kennelijk iets wat toen (opnieuw) actueel was. Kops adviseerde ten slotte een groot aantal regels voor de omgang met de duingronden – zowel de particuliere als de domeingronden. Het is hier niet de plaats om daar diep op in te gaan, maar opvallend is dat hij nauwelijks concrete handvatten gaf voor inrichting van het terrein, noch voor het soort agrarische producten dat erop voortgebracht zou kunnen worden.13 Wel is het duidelijk dat veeteelt, akkerbouw en bebossing gelijkwaardig worden behandeld en dat wat hem 14

betreft particuliere eigenaren door het heffen van boetes zouden moeten worden gestimuleerd hun door de overheid als ‘Bruikbaare Gronden’ bestempelde duingebieden te laten ontginnen. Dit zou in het bijzonder moeten gelden voor duingebieden die onder het voormalige gewest Holland vielen, inclusief de eilanden.14 Het beboeten van eigenaren is er nooit van gekomen, maar dat Kops kort na het verschijnen van zijn twee werken over de duinen de eerste ‘commissaris van de landbouw’ in Nederland werd, droeg niettemin sterk bij aan het uiteindelijke belang van zijn adviezen.15 Waarbij in elk geval de mede door hem in 1809 in de wet verankerde, langdurige vrijstellingen van grondlasten op ontgonnen gronden belangrijk bijdroegen aan de bereidheid erin te investeren of een gokje te wagen. Er is – ondanks het tekort aan concrete vingerwijzingen – dan ook op tal van plaatsen gehoor gegeven aan Kops’ stimulering tot ontginnen. We moeten ons hierbij realiseren dat de late 18de en de vroege 19de eeuw niet alleen een periode was van economische stagnatie, maar dat het ook de tijd was waarin Franse - en meer in het algemeen de continentale - en de Britse politieke en economische belangen lijnrecht tegenover elkaar stonden, met wederzijdse blokkades tot gevolg. In de eerste decennia van de 19de eeuw zijn mede hierom dan ook op uitgebreide schaal onderzoekingen gedaan om te komen tot een overzicht van mogelijk bruikbare duinen, strandwallen en strandvlakten. Men concentreerde zich op de zogenoemde

NUMMER

44

JULI

2018

4-D  e landbouwkundige en hoogleraar landhuishoudkunde en de plantkunde Jan Kops (1765-1849), hier geportretteerd toen hij al op leeftijd was. ‘duinvalleien’, de relatief vlakke en laag gelegen delen, waarvan er langs de hele kust enige tientallen werden geïdentificeerd. De meeste van die gebieden liggen op een zodanige manier geconcentreerd en maken ook deel uit van dusdanig samenhangende eigendommen, dat ze door de constructie van een aantal waterwerken nuttig gemaakt konden worden. De oorsprong van de gedachte de duinen grootschalig onderhanden te nemen lag in Frankrijk. Daar werd vanaf 1787 beplanting met dennen uitgevoerd in het duingebied de Landes, bij Bordeaux. In navolging daarvan en mede als antwoord op de economische toestand, werd voor ons land vooral gedacht aan ontginning ten behoeve van landbouw. Gevers van Endegeest Deze gedachtesprong werd onder meer gemaakt door de toen jonge, veelbelovende Daniel Theodoor Gevers van Endegeest (1793-1877), die in de eerste jaren van de 19de eeuw een deel van zijn opleiding in Zuid-Frankrijk kreeg. Waterstaat en landbouw behoorden vanaf die tijd tot zijn grootste interesses. Dit is vermoedelijk de voornaamste reden waarom hij – op dat moment nog niet eens 20 jaar oud - de handschoen oppakte deel te nemen aan een in 1816 uitgeschreven prijsvraag van de eerder genoemde Maatschappij ter Bevordering van den Landbouw. Hierin werd de vraag gesteld hoe te komen tot de beste waterlozing van en toegang tot de Hollandse duinvlakten. Na bijna 300 bladzijden was Gevers’ eindconclusie: “Dat de mogelijkheid, om aan de Valleijen,


NUMMER

44

JULI

2018

door Vaarten, Afwatering en toegang tevens te bezorgen, niet alleen op zich zelve in allen deele bestaat; maar ook dat de kosten zoodanig zijn dat zij verre worden overtroffen worden, door het voordeel, hetwelk daarvan te wachten is.”16 Hij beschouwde de kosten dus als hoog, maar niet als onoverkomelijk. Hiernaast kwam als één van de resultaten uit zijn onderzoekingen naar voren dat kleine ontginningen – de zogeheten ‘kleine Cultuur’ – de voorkeur zouden moeten hebben boven grote, onder meer omdat ze meer producten opleveren, meer mensen kunnen voeden en meer winst opleveren. Op basis hiervan suggereert hij keuterboeren uit het oosten van het land te interesseren in het duingebied een bedrijfje te stichten.17 Gevers liet verder zien in hoeverre inmiddels gehoor was gegeven aan Kops’ oproep duingebieden te exploiteren en te gaan ontginnen. Het volstaat hier een aantal van de gebieden te noemen waarover Gevers nadere informatie verstrekte: het Vogelenveld bij Noordwijk (woning, schuren, teelland), het Zegveld bij Vogelenzang (plan voor een tweede woning, weiden), het Pietjes Zwartveld te Zandvoort (weiland, aardappelen) en de Lage Kroften bij Wijk aan Zee (aardappelveld, ‘houtplantingen’).18 Dat aardappelen nogal eens worden genoemd, sluit aan bij vaststellingen van Jan Kops, die dit gewas als zeer geschikt beschouwde voor de verbouw in het duingebied.19 Hoe groot het vertrouwen in het betelen van duingronden was, kan worden onderstreept door de persoonlijke deelname van Koning Willem I in een aantal projecten, zoals in de ontginning Koningsduin, ten noorden van de Brabantsche Landbouw. Hij kocht het bijna 1050 ha beslaande gebied in 1829 uit een veiling en liet onder meer de afwatering verbeteren. Het weide- en bouwland omvatte rond 1845 zo’n 330 ha.20 Middenduin bij Overveen – inmiddels van de kaart verdwenen Een vrij goed beschreven initiatief van omstreeks 1800 betreft de ontginning ‘Middenduin’, ten westen van Overveen, bij Haarlem. De Haarlemse stadsregering slaagde er in 1795 in vergunning te krijgen voor het daar in cultuur brengen van een stuk duingrond. Voorlopig mocht dit plan voor 10 jaren onder vrijstelling van grondlasten worden uitgevoerd. Er werden woningen, stallen en een schaapskooi gebouwd, voertuigen en paarden aangeschaft en al spoedig was 30 morgen grond ‘bebouwd’, waren er jonge runderen en kwamen er Spaanse schapen. De 30 morgen werd beteeld met aardappelen en

Bron: Top. Dienst/Kadaster; fragment uit meerdere bladen 1:25.000

VITRUVIUS

5 - De vroeg-19de-eeuwse ontginning Middenduin stond in 1926 nog op de kaart. Inmiddels waren al een waterleidingsysteem, een spoorweg, schietbanen en een ‘parkway’ in het gebied aangelegd. hiernaast waren rogge en hakhout de voornaamste beoogde voortbrengselen van deze duingronden. De Koning schreef hierover dat het de bedoeling was ‘ledige handen werk te verschaffen en nutteloze gronden vruchtbaar te maken’ en aanvankelijk schenen de plannen goed te slagen. Maar uiteindelijk bleken toch alleen de schapen enig voordeel op te leveren.21 Formeel werd het project in 1807 beëindigd, maar toch is de ontginning vanaf het midden van de 19de eeuw goed herkenbaar gebleven op kaarten: er tekent zich dan een aantal van noordwest naar zuidoost gerichte akkers af, die gescheiden zijn door walletjes die als wind- en stuifzandvangers zullen zijn opgeworpen of gehandhaafd.22 Opmerkelijk is dat in deze zelfde omgeving vanaf ongeveer 1900 de eerste voorzieningen voor de Haarlemse duinwaterleiding tot stand zijn gekomen en ook dat de eerste ‘parkway’ in Nederland (tevens de eerste autoweg met gescheiden rijbanen) – de Bloemendaalse Zeeweg - er begin jaren ’20 dwars doorheen is geleid. Jongere cultuurhistorie in een bedding van oudere cultuurhistorie dus, hoewel er vandaag de dag nauwelijks meer iets herkenbaar is van de ontginningen uit het begin van de 19de eeuw – zelfs niet op het Actueel Hoogtebestand. Niet uitgevoerd ontwerp voor Meijendel bij Wassenaar Dat is heel anders in de omgeving van Wassenaar, waar 19de-eeuwse ontginningen in het duin in 2007 het hoofdbestanddeel zijn geworden van het gemeentelijk beschermde dorpsgezicht ‘Meijendel, Bierlap en Kijfhoek’. Dit zijn drie duinvlakten of duinvalleien ten zuidwesten van het oude dorp Wassenaar, dat zelf pakweg 1000 jaar daarvoor als agrarische nederzetting op een strandwal was ontstaan. In het verlengde van de prijsvragen

en stimulansen die ten doel hadden zand- en duingebieden in cultuur te brengen, deed de grootgrondbezitter en Commies bij de Raad van State, Jonkheer Mr. D.T. Gevers van Endegeest, in 1823 ook een duit in het zakje. We kwamen hem in dit verband eerder al tegen als winnaar van de prijsvraag uit 1816 van de Maatschappij ter bevordering van den Landbouw.23 Zijn plan voor ontginning van de duinen bij Wassenaar – onder de titel de Waalsdorpsche Afwatering – maakte deel uit van het winnende ontwerp. Het plan is weliswaar niet in uitvoering genomen, maar het geeft wel aan hoe ambitieus zijn ideeën waren. Zo stelde hij voor een waterweg en een drietal schutsluisjes te laten bouwen om zowel afwatering als schuitenverkeer tussen de Waalsdorpervlakte en de drie genoemde duinvalleien mogelijk te maken. Aanvoer van mest en afvoer van gewassen behoorden volgens hem namelijk tot de financiële achilleshielen van alle duinontginningen. De jonge Gevers van Endegeest deed op diverse plaatsen in de Hollandse duinen onderzoek of had er gegevens van verzameld en beschreef de resultaten daarvan in zijn Verhandeling.24 Exploitatie van Meijendel - nog steeds te zien Al dan niet toevallig, deed een naamgenoot van ‘D.T.’, die Agent van Domeinen was te ’s-Gravenhage, Jonkheer A.L. van Heteren Gevers, vanaf 1829 een poging het desbetreffende duingebied in cultuur te brengen. Het aanleggen van sluisjes en een waterweg was toen niet meer aan de orde. Boerboom citeert Van Heteren Gevers meerdere malen uitvoerig, maar voor ons is zijn verhalend verslag van de ontwikkelingen in Meijendel en de beide andere duinvalleien het interessantst. Het nieuwe ontginningsproject werd gesub15


VITRUVIUS

6 - Detail van de overzichtskaart van het prijswinnende, maar niet uitgevoerde project van D.T. Gevers van Endegeest: de zogenoemde Waalsdorpsche Afwatering. Het ontwerp (1826) omvat een reeks van detailkaarten, waaronder sluizen. sidieerd vanuit het Amortisatiesyndicaat25 en het ontwikkelde zich tamelijk voorspoedig. Nadat al eerder een begin was gemaakt met de exploitatie van Meijendel, zorgde Van Heteren Gevers in 1830 voor aanbesteding van een eerste woning. Deze werd voor 1275 gulden gebouwd door de Wassenaarse aannemer J. Wensveen; als eerste bewoner noemt Boerboom ene C. van Ginkel. Al snel werden er wat aardappelen en groente geteeld, terwijl ook grove dennen zijn geplant. Spoedig volgden rogge, boekweit, wortelen en erwten. In 1831 werd de exploitatie uitgebreid naar de iets noordelijker gelegen Kijfhoek, waar eveneens een woning is gebouwd en vanaf 1832 werd ook de Bierlap in ontginning genomen. Naast de diverse vormen van akkerbouw en tuinbouw, moest beweiding van gronden plaatsvinden om voor de nodige mest te zorgen. Vooral de 130 schapen - en hiernaast een aantal (jonge) runderen - vormden in 1833 de kern van de veestapel. Dat jaar leidde echter een ernstig tegenvallende periode in, hoewel er nog steeds voortgang van de ontginningen plaatsvond. Niet alleen de fysieke omstandigheden, maar ook de economie speelde een grote rol bij de stagnatie: de ontginning had namelijk amper op een slechter moment kunnen beginnen. De Belgische opstand van 1830 en de erop volgende afscheiding van de zuiderburen kostten het land een vermogen en het is een wonder dat het Van Heteren Gevers bleef lukken geld voor de experimentele ontginningen los te weken. In 1838 waren er vooral dankzij zijn inspanningen 13 woningen en vijf schuren en woonden er zo’n 70 mensen in het duingebied van Wassenaar. Vanaf 1840 – het jaar waarin Van Heteren Gevers werd opgevolgd door H. baron Collot d’Escury - werd de subsidiekraan echter langzaamaan dichtge16

draaid. Desondanks bleef men nog tot het midden van de eeuw duingronden in exploitatie nemen. Maar ondanks alle optimisme, werd in 1850 tot verkoop besloten. Meijendel werd (buiten ‘een wel doortimmerde en goed onderhouden Bouwhoeve’ en een arbeiderswoning) toen omschreven als: “[…] Eindelijk 13½ bunder goed weiland, 5 bunders best bouwland, meerendeels omgeven door hooge wallen, beplant met welig groeijend Dennen-, Eiken- en ander houtgewas; ruim 31 bunders Bosch, ruim 159 bunders Duingrond.” Voor Kijfhoek en Bierlap stelde men vergelijkbare, maar wel wat soberder omschrijvingen op – alles uiteraard om ze aantrekkelijk te maken voor een verkoop. De teksten gaven echter vermoedelijk een flink aangedikt beeld en de verkoop liet misschien mede daardoor op zich wachten tot 1855. Uiteindelijk ging veruit het grootste deel van de bebouwing ten onder en is het agrarisch bedrijf marginaal geworden, intensieve bemesting met menselijke ‘beer’ (= poep) ten spijt.26 Overigens liet de inrichting van het gebied in het midden van de 19de eeuw grote overeenkomsten zien met de eerder genoemde ontginning Middenduin bij Overveen: duinakkertjes, gescheiden door van zuidoost naar noordwest gerichte walletjes en windsingels, die het stuiven moesten beperken. Het gebied kwam pas weer in de belangstelling te staan toen de Haagsche Duinwaterleiding er omstreeks 1875 een zogenoemd spranken- en buizennetwerk begon aan te leggen om schoon water te winnen en naar de stad te brengen. Den Haag was hiermee een kwarteeuw eerder dan Haarlem, maar de overeenkomsten tussen de ontwikkelingen in deze beide duingebieden zijn duidelijk.

NUMMER

44

JULI

2018

Wat Boerboom niet wist – en ook nauwelijks kon weten – was dat D.T. Gevers van Endegeest op de achtergrond steeds betrokken bleef bij de duinontginningen en bebossingen. Niet alleen via de Permanente Commissie uit het reeds genoemde Amortisatiesyndicaat, maar ook door directe betrokkenheid bij duinbebossing. Vanuit deze hoedanigheden vertrok hij al kort na de publicatie van zijn Verhandeling (1826) opnieuw naar Frankrijk. En toen expliciet om de al genoemde duinbebossing bij Bordeaux te onderzoeken en in kaart te (laten) brengen. Enkele jaren terug is een groot deel van het Franse en Nederlandse kaartmateriaal uit die tijd in enige archieven teruggevonden. Nog in 1827 adviseerde Gevers van Endegeest proefnemingen met duinbebossing bij Wassenaar of Schoorl, maar dat kwam - behalve een kleinschalig project nabij Schoorl - niet van de grond.27 Opmerkelijk, hoe twee ruimtelijke programma’s zich vlak na en naast elkaar konden voordoen, beide met het Amortisatiesyndicaat als subsidiënt of als motor. Gevers van Endegeest liet onder meer een reeks kaarten van het Hollands, Zeeuws en Vlaams (toen nog Zuid-Nederlands) kustgebied samenstellen. De weergave van de Voornse duinen, net als alle andere gemaakt rond 1828, laat een landschap zien waar toen op beperkte schaal ontginningen hadden plaatsgevonden in het binnenduin. Meest opvallend zijn die op de Geest bij Oostvoorne, die in het Windgat en in de Polder Stuifakker. Hiernaast zijn meerdere ‘kampen’ te herkennen - kleine, particuliere ontginningen - maar het gebied ‘De Heveringen’, tussen het dorp Oostvoorne en Windgat is hier als zodanig onbenoemd gebleven.28 Het derde deel van deze korte serie wordt de draad opgepakt bij de adviezen van Gevers van Endegeest tot het verder bebossen van de duinen. De groeiende betekenis van de duinen in de sfeer van ontspanning komt uitvoerig aan de orde en uiteraard wordt vooral stilgestaan bij de ontwikkelingen in het duingebied dat in 2017 werd bestempeld tot beschermd dorpsgezicht ‘Ontginningen Voornes Duin’ en dat de aanleiding was voor deze bijdrage. Noten 1  Zie bv.: Verschuure-Stuip, G. (2015), m.n. 57 e.v. en 73 e.v.; Broeke, M. van den (2016), passim. 2  Broeke, M. van den (2016), 397; Nobel,


NUMMER

44

JULI

2018

Foto: RCE, G.J. Dukker, 1969

VITRUVIUS

7 - De grootste overgebleven boerderij op de ontginning 8 - Overzicht van de ontginning Meijendel, met twee Meijendel: het bedrijfsdeel (vooraan) en het woonboerderijen en resten van windsingels. gedeelte onder één langgerekt, afgewolfd zadeldak. A. (2017), 24-27, 45-52. Ondanks de ten van het huis, niet ver van de latere 1:50.000 en CTK 1:25.000 23 enorme toename van het aantal in hanwatertoren.  https://www.parlement.com/id/vg09llden van het patriciaat gekomen heerlijk- 10  Tevens zijn koloniën gesticht in de 10qp49/d_th_gevers_van_endegeest heden, stelt de auteur dat hun actieve (nu Belgische) provincie Brabant. Vijf 24  Gevers, D.T. (1826), 174 e.v, 333 e.v., betrokkenheid bij het lokaal bestuur en Nederlandse en twee Belgische kolopassim. juridische zaken in de 18de eeuw sterk niën zijn tezamen voorgedragen voor 25  https://nl.wikipedia.org/wiki/ afnam. de Lijst van het Werelderfgoed. https:// Amortisatiesyndicaat 3  Verhandelingen der maatschappij tot www.kolonienvanweldadigheid.eu/sites/ 26  Boerboom, J.H.A. (1958), 49-76; Verslag bevordering van den landbouw, Volume default/files/Publieksbrochure%20Kolo(1850), 157. 27 1, 202. nien%20lr.pdf  Zie hiervoor o.m.: http://duinenen4  In 1812 schreef hij zelfs ‘Dans la plaine 11  Zie bv.: http://duinenenmensen.nl/ mensen.nl/verloren-gewaande-kaartde Heemskerk une ferme est établie il y a wp-content/uploads/2014/05/Duinlandvan-de-nederlandse-duinen-uit-1828-te20 ans par M. Deutz bouw.pdf ruggevonden/ ; Steyn, J.A. van (1933), 37  d’Assendelft, […]. (zie: Colenbrander, 12  Kops, J. (1799), 53-83. Bv. vrijstelling e.v. H.T. (1905-1922), Gedenkstukken der voor 40 jaar en halve vrijstelling voor nog 28  De herkomst van de naam De HeveAlgemeene Geschiedenis van Nederland eens 20 jaar. ringen is nogal onduidelijk. W.J. Bleau van 1795 tot 1840, VI, Band 2, GS 16, 13  Steijn, J.A. van (1933), Duinbebossching. omschreef in zijn Zeespiegel […] een 1408.) Deze geeft een veel uitgebreider over(Zweedse) hevering in 1623 als een 5  http://duinenenmensen.nl/wp-content/ zicht dan hier gegeven kan worden van ‘roodachtige kale klip’ (p. 43). Volgens J. uploads/2015/01/De-Brabantse-Landplannen en initatieven in de late 18de en Verdams Middelnederlandsch Woordenbouw-Jaarboek-Oud-Castricum-nr-35(vroege) 19de eeuw. boek (19813) wordt het begrip hevening 14 2012-pag-92-en-93.pdf ; Kops, J. (1796),  Kops, J. (1799), 179 (art. 2), 210, 211 (art. ook wel gebruikt als landmaat van 200 77-79. Dat het bedrijf ooit 250 ha duinge75), 227, 228 (art. 115, 116), 242 (art. 157). gemeten (vooral in Zeeland) en in de bied omvat zou hebben, zoals soms wordt 15  Voor zover de auteur bekend moet Kops betekenis van belastingaanslag. (vgl. gesteld, zal wel overdreven zijn; Kops het tot op de dag van vandaag doen zonheffing) Eerder schreef A.A. Beekman spreekt van 4 koeien, 30 stuks jongvee, der fatsoenlijke biografie; http://resourin Het dijk- en waterschapsrecht in 40 schapen en 40 morgen beteelde grond. ces.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/ Nederland vóór 1795, Deel 1 (1906, 811 6  Francq van Berkhey, J. le (1765), 67 e.v. lemmata/bwn1/kops e.v.) iets vergelijkbaars – speciaaal ook 7  Francq van Berkhey, J. le, (1765), 110 e.v., 16  Zie m.n.: Gevers, D.T. (1826), V e.v., in relatie tot dit gebied. A.J. van der Aa 125 e.v., 146, 147. passim, 287. (X, 1846, 293, 294) spreekt eveneens van 8  Zie ook: Boerboom, J.H.A. (1958), 17 Gevers, D.T. (1826), 249-255. belastingaanslagen – in het bijzonder 22-26.; Jelles, J.G.G. (1968), 24-30. Deze 18 Gevers, D.T. (1826), o.m.: 259-263. i.v.m. dijkonderhoud. Dit komt o.m. noemt in het duingebied ten noord- 19  Colenbrander, H.T. (1905-1922), VI, voor op Voorne, in de nabijheid van westen van het voormalige Wijkermeer Band 2, GS 16, 1401-1409. Brielle. Maar ook wordt wel geschreven enkele bouwlanden (waaronder zeven 20  Aa, A.J. van der (1839-1851), Deel 6, 560, dat het duinen uit de periode 800-1200 bedrijfjes op de duinvlakte Breesaap bij 561. zijn, met als kenmerk hun ronde toppen, Beverwijk) en verder het weiden van vee, 21  Koning, C. de, (III, 1808), 332-336; Allan, of over duinen uit de periode 1200-1600, hetgeen werd toegestaan sinds 1441. F., (IV, 1874/19732), 624-625; Schoorl, H. enz. In W. Plokker, P.J. Jonkers (1851), 9  Boerboom, J.H.A. (1958), 27-30. De bui(19902), 112, 113. Geschied- en aardrijkskundige beschrijtenplaats Zorgvliet omvat onder meer 22  https://duinenenmensen.nl/wp-content/ ving van het eiland Voorne en Putten het Catshuis, de ambtswoning van de uploads/2014/05/Duinlandbouw.pdf ; […], 17, 18) wordt het gebied de ‘Hoge minister-president. Het terrein waar Aa, A.J. van der (1839-1851), Deel 7, Heverings’ genoemd. n Van der Harst werkte lag ten noordwes940; Zie opeenvolgende reeksen TMK 17


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

2018

Interieurensembles

Het huis doet denken aan een klassieke villa in zijn symmetrische opzet, zandkleurige gevels en sobere geledingen. Het bestaat uit een hoog, blokvormig middendeel en twee lagere zijdelen met dwars geplaatste vleugels aan de achterzijde. Huis en tuin (Hortus conclusus) zijn aan elkaar gerelateerd door een assenstelsel met op de hoofdas de toegangspoort tot het terrein, de hoofdingang van het huis met daarachter een ruime ontvangsthal, de binnenplaats aan de achterzijde met in het verlengde een vijver die als een ‘grand canal’ leidt naar een tuinpaviljoen waarin een vlam lijkt te branden (het is de schittering van het licht op het water dat opwelt uit een bron). De as waarop het huis zelf is georiënteerd staat dwars op de hoofdas en vormt een enfilade van vertrekken die vanwege een viertal openstaande porte-brisées een zichtas door 18

1 - Adelheid en Huub Kortekaas in de keuken van De Tempelhof in Winssen.

2 - Enfilade in De Tempelhof vanuit de eetkamer, via de ontvangsthal naar de bibliotheek, de beeldengalerij en het atelier.

Foto: Pepeyn

Levend interieurensemble Wat is er inspirerender dan een bezoek aan een gebouw waarin alles klopt: van de ligging in het landschap tot de architectuur zelf en de plaats en vorm van elk afzonderlijk voorwerp in het interieur en niet te vergeten een gastvrije ontvangst! Een van de meest bijzondere ervaringen in het kader van het interieur-ensembleproject, waar ik als auteur en hoofdredacteur bij betrokken ben geweest, was het bezoek aan de atelierwoning De Tempelhof in het Gelderse Winssen. De Tempelhof is gelegen in een royale tuin aan de rand van het dorp omgeven door weilanden en is een levend totaalkunstwerk dat zijn gelijke niet kent. Het ontwerp van de tuin, en de gebouwen, een groot deel van de inrichting en de kunstobjecten die erin staan zijn allemaal het werk van de bewoners, de idealistische kunstenaars Adelheid en Huub Kortekaas. Het is hun levenswerk geworden; zij wonen en werken er nog steeds met plezier en ontvangen er geregeld geïnteresseerde gasten.

Foto’s: S. Technau

Drs. Barbara Laan Zelfstandig interieurhistoricus en projectleider van de Stichting Historische Interieurs in Amsterdam.

3 - De eetkamer van De Tempelhof met twee Engelhart-stoelen van polyester uit de jaren 1970, de eettafel met inlegwerk van rvs kiemplantjes en bloemknoppen en het ‘Alfabet van de bouwkunst’ aan de wand. het hele huis vormt. De woonvertrekken bevinden zich rechts van de hal (eetkamer en keuken), de werkvertrekken liggen aan de linker kant (bibliotheek en atelier). De

maatverhoudingen gebaseerd op het getal 3,33 en op de maten en verhoudingen van het menselijk lichaam zorgen voor harmonie en rust.


NUMMER

44

JULI

2018

Foto: Pepeyn

VITRUVIUS

4-D  e Tempelhof in Winssen, gezien vanuit de lucht De kamers zijn gevuld met grote, zelf ontworpen tafels en de kunstwerken van het duo zijn alomtegenwoordig. De motieven van ‘kiemplantje’ en ‘bloemknop’ die de basis vormen van hun universele, organische beeldtaal komen terug in de vloeren en de tafelbladen, de gordijnhaken, de kroonluchters, het fornuis, de bedden en de deurklinken: ze binden alles samen: de buitenruimte, het interieur en de inrichting. Overal staan de kunstwerken o.a. de ‘Engelhart-stoel’ uit de jaren 1970 die zorgde voor de internationale doorbraak, de sculpturen uit het ‘Alfabet van de bouwkunst’, de maquettes van allerlei opdrachten, de beelden in de beeldengalerij en ook de beelden in de tuin, zoals een model van het project van de vijf wereldreligies, enorme beelden van mensen op grote zetels, enzovoorts. Een wandeling door huis en tuin is als een wandeling door het oeuvre dat in ruim vijftig jaar is opgebouwd. Een oeuvre dat een dermate grote consistentie vertoont in beeldtaal en betekenis dat een bezoeker zich opgenomen voelt in een harmonieuze, betekenisvolle wereld.

Toonbeeldenkaart interieurensembles Het huis is een van de paradepaardjes van de toonbeelden van 72 interieurensembles die begin dit jaar zijn geplaatst op de digitale kaart van de RCE (zie www.monumentaleinterieurs.nl). Op die kaart zijn foto’s en beschrijvingen te vinden van interieurensembles verspreid over heel Nederland. Het zijn toonbeelden van interieurs waarin zich naast monumentale interieurafwerkingen zoals vloeren, wanden en plafonds ook roerende voorwerpen bevinden die een betekenisvolle samenhang hebben met de plaats waar ze zich bevinden. De aanleiding voor dit project was de Memorie van toelichting bij de Erfgoedwet waarin het interieur van rijksmonumenten in het algemeen en interieurensembles in het bijzonder zijn benoemd als aandachtsgebied. De roerende onderdelen van een interieur horen in de volksmond en in de wetenschap gewoon bij het begrip ‘interieur’, maar er bestaat geen wettelijke bescherming in situ of subsidie voor de instandhouding ervan. Als we bij rijksmonumenten spreken over

een interieur, gaat het dan ook alleen om wat zodanig hecht verbonden is met het gebouw dat het er ‘bestanddeel’ van is: de ruimtelijke structuur en de afwerking van wanden, vloeren en plafonds. Spreken we over interieurensembles, dan zijn er ook roerende zaken bij betrokken. Bij roerend erfgoed gaat het vaak over museale collecties, maar het kan ook gaan om objecten buiten musea, zoals in kerken, kastelen en buitenplaatsen, bestuursgebouwen, bibliotheken, archieven, zorghuizen en bedrijven. Het kunnen natuurhistorische collecties zijn, railgebonden erfgoed, medisch-academische verzamelingen, boeken- en fotocollecties enzovoorts. Het kan gaan om een collectie – een verzameling objecten die een persoon of instelling vanuit een verzamelmotief bij elkaar heeft gebracht – maar ook om de inrichting van een gebouw zoals meubelen, lampen, gebruiksvoorwerpen, stofferingen, liturgische inventarisstukken, winkelinventarissen, machines en gereedschappen. 19


NUMMER

44

JULI

2018

Foto’s: R. Tilleman

VITRUVIUS

5 - Drogisterij A.J. van der Pigge in Haarlem waar het negentiende-eeuwse winkelconcept met stopflessen en puntzakken tot op de dag van vandaag wordt hooggehouden. Omslagpunt In de monumentenzorg en in de zorg voor het roerend erfgoed is de aandacht voor de onderlinge samenhang tussen los en vast betrekkelijk nieuw. Wel is de waardering voor de interieurafwerking en ruimtelijke indeling van monumenten de laatste twintig jaar enorm toegenomen. De manifestatie Jaar van het Nederlandse Interieur (2001) is een belangrijk omslagpunt geweest. Monumentenzorgers en medewerkers verantwoordelijk voor de rijkscollectie hebben goed werk verricht en de manifestatie kreeg een vervolg in de vorm van inventarisaties, publicaties en nieuwe waarderingskaders. Het rapport Van object naar samenhang (2004) staat aan de wieg van het interieurensembleproject en behandelt de problematiek van instandhouding van ‘ensembles van roerend en onroerend cultureel erfgoed’. Dit rapport geeft aan in welke gevallen er sprake kan zijn van een betekenisvolle samenhang van het interieur en de daarin aanwezige objecten. Daarbij zijn vier ensemblevormen onderscheiden. Er kan sprake zijn van: •  samenhang door historische continuïteit in bezit en gebruik (type A) •  samenhang door samenstelling of vervaardiging in één periode (type B) •  samenhang door het totaalontwerp volgens een integraal architectonisch concept (type C) •  samenhang door herkomst (type D). Deze laatste vorm betreft een ensemble dat tot een van de voorgaande drie ensemblevormen behoorde en uit elkaar is geraakt en 20

ensembles van een gebouw en door vervanging daarvan losgeraakte en elders ondergebrachte bouwfragmenten. De term ‘interieurensemble’ onderscheidt zich van ensembles van gebouwen, bijvoorbeeld een boerderij met bijbehorend bakhuis, hooiberg en schuren. Het begrip ensemble in de zin van een complex van gebouwen of grote ruimtelijke structuren bestond immers al eerder. Overigens vallen de bouwfragmenten van type D strikt genomen niet onder het begrip interieurensemble: ensemble is in dat geval een betere term. Bij de RCE heeft de integrale benadering van cultureel erfgoed de laatste jaren aan belang gewonnen. De publicatie Hulpmiddel bij de waardering van historische interieurs (2010), is gericht op museale situaties waarin sprake is van samenhang tussen roerend en onroerend. In 2014 verscheen de uitgave Eenheid in verscheidenheid. Een zoektocht naar een integrale cultuurhistorische waardestelling van het materiële erfgoed. Naast een kennisuitwisseling tussen diverse erfgoedsectoren, waaronder gebouwd erfgoed en roerend erfgoed bevat deze studie een verkenning naar de raakvlakken tussen erfgoedwaarden: de cultuurhistorische waarden, maar ook de economische en de belevingswaarden. De gewone burger is daarmee in het proces betrokken van het benoemen van de waarden van cultureel erfgoed. Belevingswaarden kunnen ook door niet-ingewijden in de historische disciplines

worden herkend en benoemd. Binnen het verhaal over de toonbeelden van interieurensembles is dit een belangrijk criterium gebleken. Grote en kleine interieurensembles Interieurensembles zijn er alle soorten en maten, van scheepswerf tot winkelinterieur. Het begrip interieur heeft soms betrekking op de binnenkant van één vertrek of één ruimte en in andere gevallen op het totaal van alle ruimtes binnen een gebouw of een complex van gebouwen. Bij sommige voorbeelden gaat het om één kamer met bijbehorende voorwerpen, bij andere om honderden kamers. Ook het aantal objecten dat een betekenisvolle relatie heeft met het vaste interieur en het gebouw als geheel, kan enorm verschillen. In enkele gebouwen zijn we blij dat er nog iets van de inrichting behouden bleef. In andere gevallen zijn er zo veel voorwerpen dat we ze niet eens kunnen tellen. De gebouwtypologie van de interieurensembles is een weerspiegeling van de soorten gebouwen die in de loop der tijd monument zijn geworden. Bij interieurensembles gaat het dus zeker niet alleen om woonhuisinterieurs. Met de aandacht voor de periode van de industrialisatie en de wederopbouw, groeide ook de belangstelling voor andere dan de traditionele gebouwtypen (zoals woon- en raadhuizen, kerken en kastelen). Het industrieel en agrarisch erfgoed, kantoorgebouwen, winkels en warenhuizen en de volkswo-


NUMMER

44

JULI

2018

Foto: W. van der Sar

VITRUVIUS

6 - Stoomhoutzagerij Nahuis in Groenlo waar de belevingswaarde bestaat uit de beweging van de raspende zagen, de stoom en de snerpende stoomfluit, het geurende zaagsel, de sissende machines met hun vette olie en de noeste inspanning van de vrijwillige werklui. ningbouw zijn relatief nieuwe categorieĂŤn monumenten die kunnen beschikken over bijzondere historische interieurs en belangrijke, soms zelfs unieke collecties en inrichtingen die daarmee samenhangen. Bij voorbeeld de werktuigen in het (boeren)bedrijf, de grootgrutterswaren in een winkel en de verzamelingen van zorg- en onderwijsinstellingen. Het betreft roerend erfgoed dat zijn meerwaarde ontleent aan

de locatie waar het (nog steeds) aanwezig is. Het omgekeerde kan natuurlijk ook: de gebouwde context verliest aan waarde als de losse objecten uit die context worden gehaald. Soorten interieurensembles Bij een scheepswerf zoals die in het Zeeuwse Arnemuiden denk je niet direct aan een interieurensemble. Toch is het er wel een:

een complex van werf met loods, kanthelling, scheepsonderdelen en machines dat samen met de aanwezige mallen, gereedschappen en andere hulpmiddelen door zeven generaties van de familie Meerman intensief is gebruikt. Het is een ensemble van het type A, waarin de samenhang bestaat uit een aaneengesloten periode van bezit en gebruik van de locatie en de aanwezige voorwerpen. De werf met de 21


VITRUVIUS

gebouwen, de machines en de werktuigen geven samen een omvattend beeld van de bedrijfsgeschiedenis van deze familie van scheepsbouwers. De belevingswaarde van zowel gebouwen als voorwerpen zou afnemen als deze samenhang wordt verbroken. Op het allerkleinste niveau bestaat een interieurensemble uit één ruimte zoals het boerderijwinkeltje in Staverden op de Veluwe, ook een ensemble van het type A. Het oppervlak beslaat ongeveer twee bij vijf meter, maar voorwerpen zijn er des te meer: snoepgoed, pakjes soep, pudding, hondenbrokken, wasmiddel, Wilhelminapepermunt, tandpasta, conserven en andere levensmiddelen zoals babypoeder, en ook naaigerei, pleisters en gloeilampen. Op zichzelf hebben deze voorwerpen geringe waarde, maar bij elkaar en op die plaats is het een tijdscapsule, waarin je de historie van het winkeltje beleeft. De slaapkamer van de barones in Kasteel de Haar in Haarzuilens is een interieurensemble van het type B: de afwerkingen van het interieur zoals de betimmeringen en wandbespanning zijn uit dezelfde periode als de inrichting en stoffering van de kamer. De meubelen en interieurafwerkingen blijken nog aanwezig te zijn op de plaats waarvoor ze omstreeks 1900 zijn gemaakt. De vaste afwerking van de slaapkamer van de barones is van het Britse Maple & co, de inrichting van het Parijse Maison Jansen. Bedlinnen werd besteld bij de Winkel van Sinkel. Slechts in een aantal gevallen is een ‘Gesamtkunstwerk’ in zijn totaliteit bewaard gebleven, zoals de Beurs van Berlage in Amsterdam. In een aantal kamers, waaronder de Vergaderzaal van de Kamer van Koophandel, heeft Hendrik Petrus Berlage de interieurafwerkingen, de stofferingen, de meubels van de vergaderopstelling en de lichtarmaturen ontworpen én zijn deze nog bij elkaar. De materialen, kleuren, vormen, versieringsmotieven en profileringen van de vaste en losse onderdelen vormen een harmonisch geheel. Deze ruimte is een gaaf voorbeeld van een interieurensemble dat van waarde is vanwege de samenhang in het ontwerp, type C. Andere ruimtes in de Beurs hebben een afwijkende functie gekregen. Weliswaar zijn ook daarvan de roerende zaken behouden en veilig gesteld in de depots van het Amsterdam Museum, maar het ensemble is in die gevallen uit elkaar 22

gehaald (type D). De vier ensemblevormen kunnen naast elkaar bestaan in één gebouw, maar kunnen elkaar ook overlappen. Sommige interieurensembles vallen onder meer dan één vorm, andere zijn grensgevallen. De definitie, de ensemblevorm, zegt niets over de waarde van de ene categorie ten opzichte van de andere, en ook niet over de onderlinge waarde van de ensembles in dezelfde categorie. Voor de waardering bestaan meerdere motieven; de belevingswaarde is al genoemd. Belevingswaarde De belevingswaarde een belangrijke reden waarom mensen hechten aan interieurensembles. Voorwerpen die verwijzen naar een bepaalde locatie spreken tot de verbeelding. Daarbij gaat het vaak over bezittingen van gewone mensen en herinneringen aan alledaagse gebruiken en gewoonten: bedrijfscultuur, wooncultuur, geloofscultuur enzovoorts. In dit opzicht ligt de betekenis van de samenhang dicht bij die van het immaterieel erfgoed, waarin we niet de objecten zelf, maar de tradities, rituelen, voorstellingen, gebruiken en vaardigheden als cultureel erfgoed bestempelen. De interieur-ensembles in de categorie winkelpanden tonen de samenhang tussen het winkelpand en het winkelinterieur, met toonbank(en), vaste kasten, lampen en eventueel decoratieve objecten die vaak verwijzen naar het soort koopwaar (tabakspotten in een sigarenwinkel) in combinatie met de koopwaar zelf (tabak, pijpen, sigaren) en meestal ook de specifieke verpakking (sigarenkistjes). De samenhang tussen de plaats van verkoop en de aangeboden waar kan van cultuurhistorische betekenis zijn als de oorspronkelijke inboedel nog aanwezig is, en wordt nog versterkt wanneer ook het winkelconcept overeind is gehouden: als de koekjes nog worden afgewogen, de zalfjes, pillen en middeltjes ter plaatse worden gemaakt en de drop- en kruidenzolder nog een onvergetelijke geur verspreidt van zoethout en gedroogde kruiden. Wanneer de geur een rol gaat spelen bij de waardering van een interieur als van sigarenwinkel Hajenius in Amsterdam en dat van de drogist Van der Pigge in Haarlem, kunnen we met recht spreken van een grote belevingswaarde. Ook bij andere bedrijven zoals een stoomhoutzagerij, baksteenfabriek, kantfabriek

NUMMER

44

JULI

2018

en scheepswerf is de bedrijvigheid zelf, met de specifieke geluiden, geuren en werkprocessen, een deel van de attractiewaarde. De bedrijfsgeschiedenis wordt tastbaar door het industriële complex en de oude machines, én door het gebruik, zoals bij Stoomhoutzagerij Nahuis. Je ervaart de beweging van de raspende zagen, de stoom en de snerpende stoomfluit, het geurende zaagsel, de sissende machines met hun vette olie en de noeste inspanning van de vrijwillige werklui. Musealisering Op de toonbeeldenkaart is een aantal voorbeelden te vinden van interieurensembles die nog in functie zijn, dus levend in de zin van niet gemusealiseerd. De meeste ensembles zijn op de een of andere manier opengesteld voor publiek. In een enkel geval wordt het gebouw of complex al of niet inclusief de ‘museale’ ruimtes nog gewoon gebruikt. Dit komt vaker voor bij kerken en bedrijfsgebouwen, dan bij woonhuizen die in de regel zijn omgevormd tot museum. Hoewel het leven door bewoning in gemusealiseerde woonhuizen verloren is gegaan, kun je het op enkele plaatsen nog volop ervaren. Maar nergens is het zo bruisend aanwezig als in De Tempelhof waarin de samenhang wordt bepaald door de kunstenaarswoning met functionerend atelier en de overal aanwezige kunstobjecten en toegepaste kunst waar de bewoners op aanstekelijk wijze en uit de eerste hand over kunnen vertellen. Een humanistische filosofie die focust op menselijke relaties ligt ten grondslag aan het ensemble en de manier van werken en denken, en maakt het geheel tot een inspirerende ontmoetingsplaats. De instandhoudingsproblematiek van dit bijzondere ensemble raakt aan de paradox van de monumentenzorg die bij uitstek geldt voor interieurensembles: het leven is essentieel voor het behoud van de materie. De Tempelhof in Winssen is dit jaar geopend voor publiek op alle weekenden in juni en in het Open Monumentenweekend op 15 en 16 september.

NB: dit artikel is een bewerking van de hoofdstukken 1 en 2 van het theoretisch kader van de toonbeelden interieurensembles: https://cultureelerfgoed.nl/dossiers/interieurs/ interieurensembles


VITRUVIUS

NUMMER 44

JULI 2018

VOOR U

gelezen

Droogmakerij de Beemster. Polder van wereldformaat. AUTEURS

H. van Eerten, I. van Meer, J. Oostland, I. Paz Soldan en J. Vredenberg UITGAVE

Matrijs RECENSENT

Frits Niemeijer D E TA I L S

Genaaid gebonden met stofomslag, 192 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, literatuurlijst, verklarende woordenlijst, registers van geografische en persoonsnamen en instellingen. ISBN 978-90-5345-521-0 PRIJS

€ 24.95

D

e Beemster is vrijwel zeker de bekendste droogmakerij van Nederland – hoewel de polder van oudsher niet als eerste werd opgedreund in het rijtje Purmer, Wormer, enz. Het rijtje van vier dat werd gecompleteerd door de Schermer. De Beemster was echter wel de eerste van dit kwartet die gereed kwam. Na enkele mislukte pogingen viel de polder definitief droog op 19 mei 1612. Overigens is niet iedere polder een droogmakerij, het omgekeerde is wel het geval. De droogmakerij is vooral bekend geworden door de tot in details doorgevoerde geometrie, met (zo veel als de grillige vorm van het droog gelegde meer dat toeliet) uniformiteit in het raster van exact vierkante kavelblokken. De soms geuite opvatting dat de ‘gulden snede’ hierbij leidraad geweest zou zijn, wordt in dit boek gelukkig niet echt nieuw leven ingeblazen, maar de auteurs houden wel een slag om de arm, wanneer ze schrijven: ‘Het gebruik van de gulden snede is echter niet bewezen.’ Kletskoek: verschillende rekenende auteurs hebben laten zien dat deze opvatting niet veel meer is dan ijlen als symptoom van polderkoorts. Een verhouding van 2:3 heeft niets te maken met de gulden snede – ook niet in de Beemster. Bij de aanleg zijn wel andere rekenmodules gebruikt, zoals onder meer blijkt uit het toepassen van 250 Rijnlandse roeden als maat voor elk van de zijden van de vierkante kavelblokken, wat resulteerde in 100 morgen als standaardmaat voor een kavelblok. In principe werd elk blok onderverdeeld in vijf kavels van 20 morgen – althans voor zover het geen onregelmatig gevormd ‘dijkblok’ betrof . (1 Rijnlandse roede is ± 3,77 m; 1 morgen is ± 0,85 ha). De zijden van de blokken meten – afhankelijk van de afronding vanwege weg- en slootbreedten – zo’n 942 m, iets wat de auteurs, noch de beeldredactie de lezer laten

zien. Zowel Google Earth als het onvolprezen Globespotter/Cyclomedia was kennelijk aan hen niet besteed. Jammer, want als je anno 2018 het best de waarden van de planmatig aangelegde Beemster wilt tonen, moet je toch zeker van dit ‘loodrechte’ beeldmateriaal en de erbij behorende hulpmiddelen gebruik maken. De publieksreeks Matrijsuitgaven over de Unesco Werelderfgoederen in Nederland nadert zijn voorlopige voltooiing. Nadert, omdat bv. het deel over de Van Nellefabriek in Rotterdam nog moet verschijnen en voorlopig, omdat meer erkenningen als Werelderfgoed in ons land te verwachten zijn. De delen kennen in hoofdzaken een vergelijkbare opbouw, maar afhankelijk van het onderwerp zijn er natuurlijk verschillen in het niveau van inzoomen. Een bouwwerk als het Rietveld Schröderhuis te Utrecht vraagt een andere benadering dan het Molencomplex van Kinderdijk-Elshout en dat weer een andere aanpak dan het natuurlijk erfgoed Waddenzee. Het boek over de Beemster bevat zes hoofdstukken van vergelijkbare lengte, geschreven door een vijftal auteurs; kunsthistoricus J. Vredenberg nam er twee voor zijn rekening. Hij schrijft onder meer over de inhoudelijke achtergronden van de in 1999 aan de Beemster verleende status van Werelderfgoed. Uiteraard gaat hij daarbij ook in op de criteria die hiervoor golden. Kort weergegeven zijn dat: 1. De Beemster is een meesterwerk van scheppend ontwerpen, 2. de Beemster kent een innovatief en tot de verbeelding sprekend landschap dat tot voorbeeld strekte en 3. de Beemster markeert een belangrijke stap voorwaarts in de relatie tussen mens en water. Verder richt hij zich op een aantal economische en functionele aspecten van deze belangrijke

23


VOOR U

gelezen

17de-eeuwse droogmakerij. Zijn opgave dat er in het tweede kwart van diezelfde eeuw zo’n 800.000 kg kaas per jaar op de boerderijen in de Beemster werd gemaakt, neemt uw recensent voor waar aan, maar dat ruim een eeuw later 1 (één) kilo kaas op de markt in Purmerend gemiddeld 27 gulden opbracht, lijkt hem een ‘broodje-kaas-verhaal’. Hoewel de prijs toen hoog lag, maakte een korte exercitie op het internet duidelijk dat dit toch al te gortig moet zijn: kaas was geen nazaat van de tulpenbol van 1635-1637. (zie bv.: ‘Mathematische liefhebberye, met het nieuws der Fransche en Duytsche schoolen in Nederland, Achtste deel’). Bij een van de andere auteurs is te lezen dat de totale aanlegkosten van de Beemster ongeveer 1.656.000 gulden bedroegen, wat in huidige munt ongeveer 54 miljoen euro zou zijn. Onzin. Even de genoemde bron nagetrokken (IISG): daar staat dat het laatste cijfer guldens betreft en dat er dus ruwweg nog door twee gedeeld moet worden om het bedrag in euro’s te krijgen. Het zijn slechts minor points, maar ze vertegenwoordigen voorbeelden van een tekort dat in deze overigens best interessante uitgave vaker op te merken valt. Het lijkt er namelijk op dat de redactie onder hoge tijdsdruk heeft gewerkt, waardoor niet alleen slordigheden, maar ook evidente doublures en meerdere feitelijke manco’s niet uit de ruwe tekst gefilterd zijn. Dat vijf verschillende auteurs binnen één boek soms overlap vertonen, valt niet te voorkomen bij de opbouw van hun betoog. Maar wanneer je op één bladzijde of binnen één hoofdstuk meerdere malen hetzelfde feit opgedist krijgt, gaat dat op zeker moment storen. Een opkomend gevoel van ongemak liet zich het meest gelden in het derde hoofdstuk, dat – zoals uw recensent het heeft ervaren – in feite het hart van de uitgave is: de totstandkoming van de droogmakerij Beemster. Maar helaas, uitleggen hoe molenbemaling in zijn werk gaat, lukt niet – of in elk geval niet op overtuigende wijze. Er worden zoveel omwegen bewandeld dat een in wezen simpel verhaal verzandt in niet ter zake doende uitweidingen over handmolens in het Midden-Oosten, rosmolens en beltmolens, op de wind zetten, rouwstanden, enz. Aardig voor in een kadertekst, maar ballast in een lopend verhaal. Het omgekeerde doet zich voor wanneer er wordt gesteld dat er dankzij twee 19de-eeuwers, J. Bouman en W. Sluis, veel bekend is over de Beemster. Maar helaas valt er op die plaats niets over te lezen en evenmin wordt er naar een ander hoofdstuk doorverwezen. Een ander punt is dat het verdwijnen van molenbemaling van de Beemster wordt geweten aan ‘industrialisatie’ – bedoeld wordt natuurlijk toepassing van stoommachines - en zo zijn er in 24

VITRUVIUS

NUMMER

44

dit hoofdstuk nog wel meer ongerijmdheden. Het zou kunnen zijn dat het tegen bedtijd liep op het moment dat het hoofdstuk bij de redactie ter tafel kwam. Hier staat tegenover dat in de bijdrage over erfgoed in de droogmakerij heel wat wetenswaardigs te vinden is, waarbij de auteur de structuur keurig afpelt. Dit vooral omdat de Beemster een ten dele als zodanig beoogde, gelaagde opbouw kent: de Beemster als ui. De auteur, J. Oostland, die ook afkomstig is uit de kunsthistorische hoek, deed een docentenopleiding – en dat merk je: scheiding van hoofd- en bijzaken en steeds een sprekend voorbeeld. Een aardig hoofdstuk is ook het laatste, waarin bezoek aan de Beemster en een aantal markante bijzonderheden hiervan in het zonnetje worden gezet. Helaas wordt hierbij niet ingegaan op de nabijgelegen droogmakerij de Schermer, uit 1635, die nog steeds wordt gekenmerkt door een flink aantal authentieke poldermolens en die dus minstens zo goed als de Beemster kan tonen hoe in die tijd het polderlandschap tot stand kwam. Maar wel komt het elkaar gedeeltelijk overlappen van twee Werelderfgoederen (de Beemster en de Stelling van Amsterdam) aan de orde, net als de nog steeds grote rol van Beemsterkaas in onze economie. Het is overigens een raadsel waarom de fabrikant Beemsterkaas niet profileert als Werelderfgoedkaas, maar dat heeft misschien te maken met beperkte gebruiksrechten van naam en logo. Alles overziend moet uw recensent constateren dat Droogmakerij de Beemster wat onevenwichtig is en daarmee helaas geen wereldboek, maar wellicht zijn er voor een tweede oplage mogelijkheden ter verbetering van de smaak. De Beemster verdient het. n

JULI

2018


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

recent

2018

VERSCHENEN

Een kabinet vol kleur. De collectie schildersmaterialen van de Amsterdamse verfhandelaar Michiel Hafkenscheid (1772-1846). AUTEURS

Ineke Pey en Ernst Homburg UITGAVE

Vantilt D E TA I L S

Gebonden, 288 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-94-6004-375-8 PRIJS

€ 29,95

K

ennis van oude schildersmaterialen is onontbeerlijk voor kunsthistorisch onderzoek van schilderijen en voor de restauratiepraktijk. Maar ze is ook boeiend voor een breder publiek, geïnteresseerd in de geschiedenis van kleurrijke materialen om ons heen. Een in Teylers Museum aanwezig kabinet met een unieke en indrukwekkende collectie neemt daarbij een belangrijke plaats in: het ‘stalenboek’ van Michiel Hafkenscheid (17721846), handelaar in ‘verfwaren, terpentijn en gommen’. Hij zette de Amsterdamse zaken voort van de firma Tollens uit

Rotterdam, waartoe ook tijdgenoot en dichter Hendrik Tollens behoorde. De Collectie Hafkenscheid, die stamt uit de periode 1800-1835, bevat onder andere pigmenten, harsen, materialen voor de textiel- en papierververij. ‘Een kabinet vol kleur’ beschrijft de geschiedenis van de firma Hafkenscheid en haar collectie. Het boek geeft een compleet overzicht van de aanwezige stoffen, waarbij aandacht wordt besteed aan de samenstelling, toepassing, herkomst en nomenclatuur, en vormt een belangrijk naslagwerk voor iedereen met interesse in historische schildersmaterialen. n

Revolutionaire ideeën. AUTEUR

Jonathan Israel UITGAVE

Van Wijnen D E TA I L S

Hardcover, 1006 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-94-5194-535-5 PRIJS

€ 69,50

W

at was de Franse Revolutie nu precies. Na dit boek weet je het voor altijd.

Na vele jaren is er eindelijk weer een echt publieksboek van Jonathan Israel. Een grote geïllustreerde geschiedenis van de Franse Revolutie. Israels intrigerende stelling is dat de Franse Revolutie er niet was gekomen zonder de ideeën van de Radicale Verlichting. Een stelling die niet onomstreden is. Maar in dit boek laat hij op spectaculaire wijze zien hoe de dramatische gebeurtenissen in Frankrijk voortdurend werden gestuurd

door de overtuigingen van de hoofdpersonen, over democratie, over revolutie, over geloof, over wetenschap. En ook: hoe die gebeurtenissen de westerse wereld beslissend hebben veranderd. En tegelijk: wat een verhaal! Israel zet je voortdurend op het puntje van je stoel en zwerft met je door de wijken van Parijs, neemt je mee naar de uithoeken van Frankrijk en zijn koloniën. Hij schildert al die drama’s zo dat je ze nooit meer zult vergeten. Honderden afbeeldingen, waarvan vele in kleur, maken dit boek ook nog eens een feest voor het oog. n

25


stenaars besluit d wordt om het

activiteiten van rsnelling als Jan s, met financi-

n gaat kuren in Duitse expres-

enaars als H.N.

jkstra en Jan n door Wiegers’ uwende archindigen en de

man worden lid an contacten De garde in. op De Ploeg

g, met lokale al succes, en aast vruchtbare

VITRUVIUS

VERSCHENEN

De Ploeg. Avant-garde in Groningen 1918-1928. AUTEURS

Anneke de Vries, Doeke Sijens, Egge Knol, Han Steenbruggen, Henk van Os, Jikke van der Spek, Kees van der Ploeg, Mariëtta Jansen, Mieke van der Wal en Peter Vroege UITGAVE AVANT-GARDE IN GRONINGEN DE PLOEG 1918-1928

Ploeg 1918-1928

tleven vruchtdie ze oprichten ling en verbaast kwaliteit van de

recent

WBooks i.s.m. Groninger Museum & Stichting 100 jaar De Ploeg D E TA I L S

Gebonden, 272 pagina’s, geïllustreerd met ca. 350 afbeeldingen, ISBN 978-94-6258-248-4 AVANT-GARDE

DE PLOEG IN GRONINGEN 1918-1928

PRIJS

€ 29,95

D

e Ploeg. Een groep jonge kunstenaars besluit in de zomer van 1918 dat het tijd wordt om het braakliggende Groningse

Nieuwe historische atlas van Nijmegen. 2000 jaar stad aan de Waal. AUTEURS

Wilfried Uitterhoeve, Billy Gunterman en Ruud Abma UITGAVE

Vantilt D E TA I L S

Gebonden, ca. 80 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-94-6004-344-4 PRIJS

€ 24,50

N

ijmegen heeft als oudste stad van Nederland een zeer markante geschiedenis: stedelijke nederzetting voor

Van kamer tot kamer. 500 jaar wonen in Nederland. AUTEUR

Ruud Spruit UITGAVE

Waanders & De Kunst D E TA I L S

P aperback, 160 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur en zw/w, ISBN 978-94-6262-177-0 PRIJS

€ 24,95

26

NUMMER

44

JULI

2018

kunstleven vruchtbaar te maken. De kunstkring die ze oprichten stimuleert onderlinge uitwisseling en verbaast het Groningse publiek met de kwaliteit van de eerste expositie. Dan raken de activiteiten van de vereniging in een stroomversnelling als Jan Wiegers, een van de oprichters, met financiële steun van zijn kunstvrienden gaat kuren in Davos en kennismaakt met de Duitse expressionist Ernst Ludwig Kirchner. Kleurrijke en veelzijdige kunstenaars als H.N. Werkman, Jan Altink, Johan Dijkstra en Jan van der Zee raken aangestoken door Wiegers’ experimenteerdrift. Ook vernieuwende architecten, beeldhouwers, letterkundigen en de toonkunstenaar Daniël Ruyneman worden lid en trekken met hun netwerk aan contacten De Ploeg de internationale avant-garde in. De Ploeg. Avant-garde in Groningen 1918-1928 richt de schijnwerpers op De Ploeg in de stormachtige jaren twintig, met lokale miskenning naast internationaal succes, en scherpe meningsverschillen naast vruchtbare samenwerking. n

Romeinen en Bataven; grensstad tussen verschillende machtsgebieden; vrije Rijksstad; vele malen frontstad, tot in de Tweede Wereldoorlog; rivierstad; burchtstad; vestingstad; machtigste stad van Gelre; industriestad. De stad was een vestigingsplaats voor militairen, van Romeinse legioenen tot de Koloniale Reserve. Vanaf het einde van de negentiende eeuw was er een toestroom van welgestelden, in de twintigste eeuw van tientallen kloosteroorden. De stad werd een hoofdplaats van het katholiek hoger onderwijs. Dit alles heeft zijn stempel gedrukt op de ruimtelijke ontwikkeling van de tweeduizend jaar oude stad Nijmegen. Dat wordt in deze Nieuwe historische atlas van Nijmegen uiteengezet in 35 korte hoofdstukken en ruim 200 illustraties; een selectie van het mooiste en meest verhelderende materiaal aan reconstructietekeningen, oude kaarten, pentekeningen, luchtopnamen en andere foto’s. n

E

en woning bevat meerdere vertrekken met ieder een eigen functie, die in de loop van de eeuwen nogal veranderde. Dit boek laat de grote veranderingen zien; hoe die kamers er in de afgelopen eeuwen uitzagen en hoe erin werd gewoond. Dit rijk geïllustreerde boek leidt de lezer langs zestien verschillende kamers, van kelder tot zolder en van bibliotheek tot eetkamer. Per vertrek wordt ingegaan op het gebruik en wordt het interieur beschreven. Het geeft antwoord op vragen als: hoe werd door de jaren heen het huis verwarmd? Hoe kwam men aan water in huis? Wanneer en hoe deden gas en elektriciteit hun intrede? n


VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

recent

2018

VERSCHENEN

Kampen als betwist bezit. AUTEUR

Iris van Ooijen UITGAVE

Aspekt D E TA I L S

Paperback, 366 pagina’s, ISBN 978-94-6338-286-1

PRIJS

€ 24,95

W

at zien bezoekers van voormalige kampen uit de Tweede Wereldoorlog? Wier herinneringen en welke geschiedenissen worden daar afgebeeld? Wat wordt er niet verteld? En wie bepaalt dit, oftewel wie zijn de ‘dirigenten van de herinnering’?

Art Nouveau in Nederland. AUTEURS

Jan de Bruijn, Frouke van Dijke en Madelief Hohé UITGAVE

WBooks i.s.m. Gemeentemuseum Den Haag D E TA I L S

Gebonden, 240 pagina’s, ca. 200 illustraties, ISBN 978-94-6258-266-8 PRIJS

€ 24,95

‘W

e zijn kinderen van de eeuw der stoommachine, der telegraaf en der elektriciteit. We hebben ons afgewend van het schoone en daarom begrijpen we het niet meer’, stelt ontwerper en sierkunstenaar Johannes Ros in 1904. Zijn houding typeert de toegepas-

Tuinen van Paleis Het Loo. Traditie en vakmanschap. AUTEURS

Karlien Dijkstra, Renske Ek en Willem Zieleman UITGAVE

Waanders & De Kunst i.s.m. Paleis Het Loo D E TA I L S

Gebonden, 128 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur en zw/w, ISBN 978-94-6262-173-2 PRIJS

€ 22,50

P

aleis Het Loo, gelegen aan de rand van Apeldoorn, is aan het eind van de 17de eeuw gebouwd als jacht- en zomer-

Centraal in dit boek staan de verschillende betekenissen en functies van de voormalige kampen, waar plaats wordt gemaakt voor steeds meer slachtoffergroepen, voor het erfgoed van de daders, voor herinneringen van kinderen van ‘foute’ Nederlanders en voor de naoorlogse bewoners van de kampen. Onder invloed van de Holocaust Memory Boom, de herontdekking de Oost-Europese kampen na de Val van de Muur in 1989 en een groeiende stroom bezoekers zonder levende herinnering aan de oorlog, veranderen de verstilde herinneringsplaatsen steeds meer in toeristische trekpleisters. Ook zijn de kampen sinds kort ‘ontdekt’ als archeologische vindplaats. Deze nieuwe omgangsvormen met het verleden van de kampen vragen om een zeer verschillende inrichting en enscenering van de voormalige kampterreinen, hetgeen niet zelden gepaard gaat met heftige emoties en debatten. n

te kunsten in Nederland rond de eeuwwisseling. Art Nouveau in Nederlandpresenteert drie fascinerende decennia (18841914) waarin ontwerpers en kunstenaars een antwoord proberen te vinden op de moderne tijd. Terwijl Europa rond 1900 in een stroomversnelling raakt, vinden in de Nederlandse toegepaste kunsten juist reactionaire bewegingen plaats. Er ontstaat een herwaardering voor het ambacht, een grote interesse in het volmaakte en ongerepte van de natuur, een zoektocht naar de nationale identiteit en tegelijkertijd een fascinatie voor exotische, ‘onbedorven’ culturen: de Art Nouveau sprankelt van vernieuwingsdrift en idealisme, maar is net zozeer een zoektocht naar het authentieke in een veranderende wereld. Met werken van o.a. Gerrit Willem Dijsselhof, Theo Nieuwenhuis, George Hendrik Breitner, Johan Thorn Prikker en Jan Toorop. n

paleis voor de Oranjes. De barokke tuinen zijn het symbool voor vorstelijke pracht en praal; ze speelden daarom een belangrijke rol in het sociale en maatschappelijke leven van vroegere bewoners. De aanleg en de veranderingen in de tuinen en de bijzondere bloemen, waterwerken en tuinbeelden komen in het boek aan de orde. Ook geven de auteurs een kijkje achter de schermen: het onderhoud door de seizoenen heen én de mensen die in de tuinen werken. Met prachtige foto’s, die speciaal voor dit boek zijn gemaakt, is dit complete overzicht van de tuinen van Paleis Het Loo een lust voor het oog voor zowel de tuinliefhebber als de geïnteresseerde in de geschiedenis van Paleis Het Loo. Het boek is voorzien van een Engelse samenvatting. De fotobijschriften zijn tweetalig. n

27


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

NUMMER

44

JULI

2018

De Prins. Willem van Oranje, 1533-1584. AUTEUR

Ronald de Graaf UITGAVE

Karmijn D E TA I L S

Gebonden, 256 pagina’s, met illustraties in zw/w en een kleurkatern, ISBN 978-94-9216-819-1 PRIJS

€ 29,95

W

ie was Willem van Oranje?

Tijdgenoten beschreven hem als charmant, vrolijk en zeer diplomatiek. Hij was iemand die graag de leiding nam, maar uit later onderzoek kwam naar voren dat hij daarbij fouten maakte. Hij kon berekenend zijn en zelfzuchtig. Was hij dan toch een opportunist, zoals de laatste jaren regelmatig in het nieuws is geweest? Voor De prins. Willem van Oranje, 1533-1584 werden nooit eerder gebruikte bronnen onderzocht: in Duitse archieven vond dr. Ronald de Graaf de persoonlijke corresponden-

tie tussen Willem van Oranje en zijn boezemvriend, graaf Günther van Schwarzburg. Deze Günther was niet alleen zijn belangrijkste vertrouweling, maar ook Willems zwager, de man die zijn leven redde en zijn partner in crime. De briefwisseling tussen Willem en Günther staat vol over oorlog en staatkunde, over vrouwen en het society-leven. Maar de heren correspondeerden ook uitgebreid over Hausmacht en religie. In deze studie wordt een persoonlijk en intiem licht geworpen op het leven van de prins en zijn betekenis voor de Nederlanden. n

Menselijke voorwaarden. AUTEUR

Junpei Gomikawa (vertaling door Jacques Westerhoven) UITGAVE

G.A. van Oorschot D E TA I L S

Gebonden, 1440 pagina’s, ISBN 978-90-2828-030-4 PRIJS

€ 69,99

‘M

enselijke voorwaarden’ is in alle opzichten een buitengewoon boek. Het is voor het eerst dat van dit unieke oorlogsverhaal een vertaling verschijnt in ruim zestig jaar, hoewel het in Japan onmiddellijk een bestseller werd. Menselijke voorwaarden gaat over een deel van de Tweede Wereldoorlog waarmee we in Nederland nauwelijks bekend zijn: de strijd tussen Japan en de Sovjet-Unie in Mantsjoerije. Kaji werkt daar op het kantoor van een grote Japanse onderneming. Hij laat zich op zijn werk afwijzend over de 28

Tweede Wereldoorlog uit. Zijn pacifisme wordt aangezien voor een gebrek aan vaderlandsliefde. Om zich het vege lijf te redden accepteert hij een baan als personeelschef bij de Laohulingmijn, in ruil voor vrijstelling van dienstplicht. Met zijn geliefde Michiko, met wie hij dankzij deze garantie eindelijk zou kunnen trouwen, vertrekt hij naar de mijn. Er werken Chinese dwangarbeiders onder erbarmelijke omstandigheden: zij worden uitgebuit en mishandeld. De mijnbouwonderneming zelf blijkt tot in de haarvaten corrupt. De idealistisch Kaji probeert deze misstanden van binnenuit aan te pakken, maar zijn goede bedoelingen worden keer op keer gedwarsboomd. Wanneer hij ondanks eerdere toezegging toch in het leger terechtkomt en ook daar voor de zwakkeren opkomt maakt hij juist promotie vanwege durf en moed. Hij probeert desondanks vast te houden aan zijn morele overtuiging, maar de omstandigheden maken dat hij steeds minder mens wordt en zich gaandeweg ontwikkelt tot een brute killer. n


NUMMER

44

JULI

recent

2018

Onder de toonbank – Pornografie en erotica in de Nederlanden onder de toonbank pornografie en erotica

AUTEUR

Bert Sliggers en Jos van Waterschoot UITGAVE

in de nederlanden

G.A. van Oorschot D E TA I L S

Hardcover, 290 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-2828-035-9 PRIJS

€ 49,99

I

n 1677 moet uitgever en boekverkoper Timotheus ten Hoorn zich bij de schout melden om zich te verantwoorden voor de illustraties in het boek De dwaalende hoer. Driehonderd jaar later verschijnen tijdschriften als Big Boobs en Cocky in oplages van meer dan 100.000 exem-

De laatste stoomlocomotief. Hoe de stoomtractie van het Nederlandse spoor verdween. AUTEUR

Eelco Storm UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 168 pagina’s, rijk geïllustreerd met ca. 200 illustraties, ISBN 978-94-6258-246-0 PRIJS

€ 29,95

I

n januari 2018 is het precies zestig jaar geleden dat de Nederlandse Spoorwegen de stoomtractie afschaften. Dit

Zuid-Nederlandse miniatuurkunst. AUTEUR

Anne Margreet W. As-Vijvers en Anne S. Korteweg UITGAVE

WBooks i.s.m. Museum Catharijneconvent en Koninklijke Bibliotheek

en

handschriften die in de huidige België, zijn vervaardigd in Nederlandse collecties terecht

goed wordt hier getoond in een het midden van de zestiende ze handgeschreven boeken

D E TA I L S

Paperback, 384 pagina’s, geïllustreerd met ca. 240 afbeeldingen, ISBN 978-94-6258-249-1

Z U I D -­ N E D E R­LA N D S E­ M I N I AT U U R­ KUNST

KUNST

en, elk bestaande uit een d door besprekingen van ukken zijn geschreven door in van het middeleeuwse boekverluchting . Daarnaast op de handschriften in e analyse van een aantal ontstaan van de Zuidelijke beschrijvingen van de oedig geïllustreerd met

LA N D S E M I N I AT U U R

te, maar bieden ook een rijk­ ven. De nadruk wordt gelegd wse maatschappij vervulde: ijkversierd tekst boek voor d voorwerp dat wel gestelde Ook wordt aandacht besteed ige en literaire werken op cenaat van de Bourgondische erpen als het Gulden Vlies, pelgrimsinsignes en de

Z U I D -N E D E R

an de negentig mooiste uwse

VITRUVIUS

PRIJS

€ 39,95

I

n Zuid-Nederlandse miniatuurkunst. De mooiste verluchte handschriften in Nederlands bezit wordt een rijkdom

VERSCHENEN

plaren. Wat ooit begon met een stel vieze boekjes die alleen onder de toonbank verkocht werden, groeide uit tot een ware industrie van seksblaadjes die open en bloot bij de sigarenboer verkrijgbaar waren. Maar hoe veranderde De dwaalende hoer (1677) in Chick (1968-2009) of Candy (1968-2016)? Aan de hand van prachtige, opruiende en prikkelende illustraties vertelt Onder de toonbank de geschiedenis van de Nederlandse erotica en pornografie. Experts als Inger Leemans, Marita Mathijsen en Bert Sliggers nemen de belangrijkste bloeiperiodes van de Nederlandse porno onder de loep; tegelijk is er aandacht voor thema’s als pornografische strips, homo-erotica en kolonialisme in de pornografie. Nooit eerder verscheen er zo’n compleet en rijk geïllustreerd overzichtswerk van de Nederlandse pornografie. n

gebeurde met een korte afscheidsrit met locomotief NS 3737, die daarna werd bijgezet in het Spoorwegmuseum. Zo’n museale toekomst was echter maar weinig locomotieven toebedacht. Het standaard eindstation van de Nederlandse stoomlocomotieven was een van de vele sloperijen in Nederland, die enkele dagen tijd de trots van menig machinist terugbrachten tot een berg oud metaal. Dit nieuwe boek over het einde van de stoomtractie brengt de laatste jaren, de afvoer en de sloop van de Nederlandse stoomlocomotieven in de jaren vijftig in beeld. Van de locomotieven die onherstelbaar beschadigd waren in de oorlog, tot de laatste exemplaren die het tot in 1958 (en soms zelfs nog iets langer) volhielden. Het boek toont echter niet alleen de sloop. Ook de locomotieven die de slopershamer bespaard bleven, komen aan bod. n

ontsloten aan verluchte handschriften die gedurende de Middeleeuwen in de Zuidelijke Nederlanden zijn gemaakt en die in de loop der eeuwen in Nederlandse openbare collecties terecht zijn gekomen. Dit onbekende culturele erfgoed wordt hier getoond in een breed panorama dat reikt van de tiende tot het begin van de zestiende eeuw. Aandacht wordt besteed aan de rijkversierde gebedenboeken voor privédevotie en de prachtige geïllustreerde teksthandschriften van groot formaat die ontstonden tijdens het mecenaat van de Bourgondische hertogen en de navolging daarvan door adel, hovelingen en burgers. De nadruk ligt op cultuurhistorische en kunsthistorische aspecten. Aan de orde komen onderwerpen als het Gulden Vlies, contacten tussen Noord- en Zuid-Nederland, pelgrimstekens en de overgang van handschrift naar druk. n

29


VOOR U

gelezen

VITRUVIUS

NUMMER

44

JULI

2018

Stedenatlas Jacob van Deventer. 226 stadsplattegronden uit 1545-1575 - Schakels tussen verleden en heden AUTEURS

Reinout Rutte, Bram Vannieuwenhuyze (tekst); Yvonne van Mil (additionele cartografie) UITGAVE

THOTH RECENSENT

Frits Niemeijer D E TA I L S

Gebonden, 516 pagina’s met ca. 1.500 illustraties in kleur, registers, literatuur, ISBN: 978-90-7769-917-1 PRIJS

€ 99,50 (na 4 juli 2018: € 119,50)

N

eem nou de kaart en beschrijving van Haarlem, op bladzijden 340 en 341 van deze eerste uitgave van de stadsplattegronden van Jacob van Deventer. De stad flonkert als een dieprode, gefacetteerde robijn op een geschakeerd groene achtergrond. Een juweeltje. Het sinds het midden van de 13de eeuw in fasen gegroeide Haarlem is door Van Deventer voor het eerst betrouwbaar en goed herkenbaar op een kaart gezet – inclusief een deel van de omgeving en enige kenmerken van het terrein. Zo is de Haarlemse strandwal herkenbaar weergegeven, met ten zuiden van de stad daarop de Haarlemmerhout, terwijl links ook de bebouwing langs de voet van de duinen bij Tetrode is weergegeven. Links is bij Van Deventer altijd west – iets wat bij andere cartografen (ook na hem) lang niet altijd het geval was. Behalve op het toen middelgrote Haarlem en evenknieën als Groningen, ’s-Hertogenbosch en Dordrecht, richtte hij zijn aandacht op grotere, Zuid-Nederlandse steden als Gent en Antwerpen. En verder op kleintjes, waaronder het langgerekte, Friese IJlst, het Drentse Coevorden, het Overijsselse landstadje Delden, de vesting Hulst in Zeeuws-Vlaanderen, het nietige Montfort in Limburg en ook op het tegenwoordig niet meer als kleine middeleeuwse stad herkenbare Eindhoven. Van het grote Antwerpen bleef de plattegrond overigens niet bewaard – noch in een atlas, noch als losse kaart. De 16de-eeuwse Nederlands/Vlaamse landmeter en cartograaf Jacob van Deventer is talloze malen overtroffen, maar nooit geëvenaard. Zijn weergavetechniek is nog binnen zijn eigen levensjaren verre overtroffen dankzij de vaardigheden van gespecialiseerde kunstenaars en graveurs. Maar zijn kwaliteiten als observant en landmeter hebben nog steeds de status van een onovertroffen stap voorwaarts in de 30

cartografische ontwikkeling. Van Deventers in hoge mate betrouwbare, systematische, verticale weergave van de grondplannen van de steden in de toenmalige, onder de Habsburgse vorsten verenigde Nederlanden kan tot op de dag van vandaag niet anders dan als fenomenaal en baanbrekend worden bestempeld. Een aantal tijd- en vakgenoten, zoals Lodovico Guicciardini en Georg Braun, zag dat in, maar omdat Van Deventer ‘geen school maakte’, raakte zijn werk daarna tot in het midden van de 19de eeuw in vergetelheid. Toch was hij de eerste vervaardiger van het type stadsplattegronden dat we nog steeds bij voorkeur gebruiken. Dus niet de zogenoemde ‘vogelvluchtkaarten’, die in moderne toeristische uitgaven nogal eens voor onoverzichtelijkheid zorgen, maar uniforme, loodrechte weergaven. Met bij Van Deventer als gemeenschappelijk, extra kenmerk dat ze tevens en deel van het omringend platteland en van de waterlopen (schematisch) in beeld brengen. Over Van Deventer zelf komen we in deze uitgave weinig concreets aan de weet: er zijn wel wat nieuwe levensfeiten aan het licht gekomen, maar in hoofdzaak gaat het hier toch om een aaneenrijgen van speculatieve invullingen van zijn biografie. Dat is geen tekortkoming van deze uitgave, maar het is simpelweg een constatering van de auteurs. Zij zijn ervan overtuigd dat er nog sporen in archieven te vinden zijn. Het is dan ook niet onterecht wanneer op deze plaats wordt gevraagd: ‘wil de ware Jacob nu eens opstaan?’ Wat als vaststaand wordt aangenomen is dat Van Deventer zijn stedenkaarten vervaardigde in opdracht van de Spaanse koning, Philips II, tevens landsheer der Nederlanden. Dit is voor een deel een verklaring voor het feit dat sommige nu Nederlandse of Belgische steden niet zijn opgenomen en omge-


VITRUVIUS

NUMMER 44

JULI 2018

keerd: de grenzen van de onder het Habsburgse gezag vallende gewesten vielen niet exact samen met de huidige landsgrenzen. Daarom wel een flink aantal nu in Frankrijk (Lille, Lens) en enkele in Duitsland (Lingen) gelegen plaatsen, maar niet Luik, in België. Een tweede verklaring is van ernstiger aard: van de drie volumes waarin de kaarten destijds zijn gebonden, is het eerste al eeuwen zoek. Het is overigens allerminst zeker dat Philips II de bundels ooit heeft mogen aanschouwen. Evenmin is zeker waarom hij de opdracht aan Van Deventer heeft verleend. De meeste onderzoekers zijn uitgegaan van een militair doel, maar het vrijwel gaaf overgeleverd zijn van beide bundels impliceert dat ze nauwelijks zijn gebruikt. Sporen van een glas rode wijn op de kaart van Roermond duiden in elk geval niet op een slagveld. Ook dat wel diverse typen gebouwde versterkingen zijn ingetekend (zoals de ‘ideale’ vestingstad Mariembourg, gesticht in 1546) – maar, naar het schijnt, niet éénmaal bewapening geeft reden voor twijfel. Te meer daar zijn iets jongere tijdgenoot Antoon van den Wijngaerde – van wie een aantal vogelvluchtkaarten in deze uitgave is opgenomen - dit wel deed. (Zie bv. Vlissingen, Utrecht en Amsterdam) De uitgave Stedenatlas Jacob van Deventer voldoet in hoge mate aan de eisen die bestuderen en genieten van een belangrijk historisch kaartboek stellen. De reproducties zijn uitstekend en goed gedetailleerd, waardoor de kleinste objecten en figuurtjes – desnoods met loep - leesbaar zijn. Het feit dat complete dubbele kaartbladen van de oorspronkelijke atlassen in topresolutie zijn gefotografeerd, draagt hieraan natuurlijk belangrijk bij. De parallelle teksten zijn nergens wijdlopig, steeds informatief en dienen zeker niet als ‘bladvulling’. Compacte beschrijvingen van wat er op de kaart te zien is (met afzonderlijke minikaartjes) worden gevolgd door korte stadsontwikkelingen en eindigen met het tonen van wat er nog herkenbaar is met behulp van een bijgevoegde Google Earth-luchtfoto. In het geval van het hierboven genoemde Dordrecht (Thuredreht) zijn het ontstaan en de herkomst van de naam overigens opvallend stellig onder woorden gebracht, terwijl de discussie erover al jaren voortduurt. (Zie bv.: J. van Herwaarden, e.a., 1996; W. van Osta, 1996). Een punt van kritiek bij de uitgave is dat de samenstellers een deel van de tientallen losse manuscriptkaarten niet opnamen. Waarom zijn deze in onze eigen Nederlandse en Belgische archiefbewaarplaatsen (Bv. Arnhem, Brussel) berustende kaarten niet afgedrukt? Ze stonden mede aan de basis van de drie atlassen en 36 hiervan hielpen het hoofdstuk rond het zoekgeraakte of verloren gegane ‘Atlasvolume I’ samen te stellen. Maar dat de andere losse

VOOR U

gelezen

kaarten niet, of anders slechts in microformaat zijn afgedrukt is jammer – vooral omdat nader topografisch onderzoek hierdoor onnodig wordt bemoeilijkt. En in de tekst wordt er bovendien vaak naar verwezen. Het betreft ± 75 steden en stadjes, waarvan de losse kaarten zoveel extra informatie bevatten, dat afdrukken alleszins te rechtvaardigen zou zijn geweest. (Zie bv.: Lille, Brugge, Tiel, Franeker) Dit blijkt duidelijk uit een exemplaar dat op iets ruimer formaat dan andere is afgedrukt. Het al genoemde Haarlem (met omstreken) wordt in het inleidende hoofdstuk namelijk op twee (eigenlijk op drie) verschillende kaarten weergegeven, wat onder meer te danken is aan de afwijkende kaartuitsneden. Wat buiten de stad op de atlaskaart niet voorkomt, staat op de losse kaart en omgekeerd. Om het tekort uit de wereld te helpen zou een additioneel, los in te voegen katern met (verkleinde) weeergaven van de ontbrekende losse bladen welkom zijn. Het voorbeeld ligt er al, want de uitgever gaf voor de boekhandel een 12 pagina’s tellende promotiebrochure op ware grootte uit! Een alternatief zou kunnen zijn digitale beschikbaarstelling via de website van de uitgevers. (Van een aantal losse bladen is het origineel relatief recent verloren gegaan, maar er bestaan gelukkig litho’s of foto’s). Buiten dit puntje van kritiek is deze verbluffend fraaie boekuitgave van Jacob van Deventers 16de-eeuwse monsterproject een aanrader voor iedere liefhebber van historisch kaartmateriaal en natuurlijk voor iedereen die zich met onderzoek op dit terrein bezighoudt. Een apart woord van lof voor de auteurs en voor de redactie is hier op zijn plaats: bijna geen foutjes aangetroffen in zoveel goed leesbare tekst! Dus alles bijeen: een schitterend juweel!. n

Doe mee...en win! Onder onze abonnees verloten wij Stedenatlas Jacob van Deventer!

2x de

Alles wat u hoeft te doen is vóór 20 augustus 2018 een e-mail te sturen met uw naam en adres naar: info@uitgeverijeducom.nl met als onderwerp ‘Deventer’. Heeft u nog geen abonnement? Wordt dan snel abonnee om ook kans te maken op een gratis exemplaar van deze fraaie uitgave. * Een abonnement op het vakblad Vitruvius bedraagt € 45,per jaar/per 4-edities. * Alle prijswinnaars krijgen persoonlijk bericht voor 31 augustus 2018.

31


Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius Juli 2018  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius Juli 2018  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement