Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 12 | NUM M ER 4 7 | A PRIL 2 0 1 9

DE MAAKBAARHEID VAN HET VERLEDEN IN VALKENBURG AAN DE GEUL

VERKEERS- EN TRANSPORTINFRASTRUCTUUR IN HET INTERBELLUM EN DE WEDEROPBOUW

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 1

ERFGOED, WATER EN RUIMTE (DEEL 2) DE CASUS LITH

WAT ERFGOED KAN DOEN DE OOGST VAN ZEVEN JAAR PROGRAMMA ERFGOED EN RUIMTE

13/02/19 22:28


colofon

VITRUVIUS

NUMMER 47

APRIL 2019

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland € 45.- /België € 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het factuurnummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn.

REDACTIE

Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H. Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. ir. G.A. Vreeze, ir. N. de FREQUENTE BIJDRAGEN

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M.

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom April 2019 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

2

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 2

13/02/19 22:28


JAARGANG 12 NUMMER 47 APRIL 2019

4 VERKEERS- EN TRANSPORTINFRASTRUCTUUR IN HET INTERBELLUM EN DE WEDEROPBOUW (1920-1965) DEEL 1 WATERWEGEN IN DE VAART DER VOLKEREN

10

16 DE MAAKBAARHEID VAN HET VERLEDEN IN VALKENBURG AAN DE GEUL

ERFGOED, WATER EN RUIMTE (DEEL 2) DE CASUS LITH

25 WAT ERFGOED KAN DOEN DE OOGST VAN ZEVEN JAAR PROGRAMMA ERFGOED EN RUIMTE EN VERDER: Lezersactie 21 | Recent 22 | Voor u gelezen 30

3

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 3

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

Vanaf de jaren ’20 van de vorige eeuw vond een grote opwaardering van de Nederlandse verkeersinfrastructuur plaats, die vooral zichtbaar is in de waterwegen en autowegen. Nadat vanaf het midden van de 19de eeuw de stoomtrein het land had opengelegd, volgde zo’n 75 jaar daarna een tweede transportrevolutie dankzij het snel algemeen worden van de auto. Er kwam een verdichting van het net van verkeerswegen op gang en hetzelfde gold – zij het in veel minder vertakte vorm – voor dat van grote vaarwegen. De netwerken van spoor- en tramwegen bereikten in de jaren ’30 hun hoogste dichtheid: voor deze transportmodaliteiten begon toen de concurrentie van vaartuigen en auto’s al te knellen. Het totale netwerk van hoofdverkeerswegen en tram-, spoor- en vaarwegen liep tijdens de Tweede Wereldoorlog kolossale schade op. Niet alleen schade als collateral damage, maar vooral moedwillige vernietiging en het bewust langdurig onklaar maken waren de voornaamste oorzaken. Drie partijen hadden elk hun eigen redenen om vernielingen aan de netwerken toe te brengen. De Nederlandse verdediging (mei 1940) en het verzet trachtten zo veel mogelijk het verkeer en transport van de aanvaller / bezetter te dwarsbomen door het opblazen van bruggen en door het lokaal saboteren en onklaar of onbruikbaar maken van transportroutes. Hetzelfde gold voor de Geallieerden, die de zaak echter veel grootschaliger aanpakten en vanuit de lucht bombardementen uitvoerden. De Duitse bezetter was in eerste instantie conserverend en/of reconstruerend bezig, maar tegen het einde van de oorlog liet hij letterlijk een spoor van vernieling na: talrijke spoorlijnen, bruggen, wegen en kanalen waren na mei 1945 onklaar, vernietigd of gestremd of op zijn best provisorisch hersteld. Wederopbouw van het netwerk en gelijktijdige modernisering ervan waren de opdrachten die de Nederlandse regering zich stelde. Herstel hield in dat bestaande (d.w.z. vooroorlogse) kwaliteiten minimaal overeind zouden blijven; aanpassing aan

47

APRIL

2019

Verkeers- en transportinfrastructuur in het Interbellum en de Wederopbouw (1920-1965) Deel 1 Waterwegen in de vaart der volkeren

Bron: Wikipedia Commons

Frits Niemeijer Historisch-geograaf

NUMMER

1 - Ontwerptracé (1908) voor het Wilhelminakanaal en het erop aansluitende Markkanaal. Uit de M.v.T. bij de desbetreffende wet (1905). De aanleg begon in 1910; het kanaal is geopend in 1923. eisen van een nieuwe tijd betekende dat alvast rekening zou worden gehouden met prognoses en verwachtingen. Bij dit alles bestond er – meer dan wel eens werd gedacht – continuïteit. Hoe dit in hoofdlijnen uitpakte voor enkele meer en minder bekende waterwegen, is onderwerp van het volgende artikel, dat het eerste is van een korte reeks. Er wordt in enkele artikelen onder meer naar antwoorden gezocht rond kwesties bij (nogal eens conflicterende) belangen en verwachtingen in de toenmalige ontwikkeling van de verkeersinfrastructuur. Tevens zijn er hier en daar lijnen naar het hedendaagse verkeer. Een korte introductie Van oudsher waren grote delen van ons land het best ontsloten over water. Dit hing niet alleen samen met de lage ligging van

het westen en noorden en de natuurlijke waterrijkdom, maar ook met de doorsnijding van het land door een aanzienlijk aantal bevaarbare en/of bevaarbaar gemaakte meren, rivieren, riviermonden en zeegaten. Tientallen kanalen en vaarten vormden additionele vaarwegen en de meeste hiervan hadden ten doel stroomgebieden van rivieren – en dus vaargebieden – met elkaar in verbinding te brengen. De gegraven waterwegen kwamen vaak fasegewijze tot stand en vormden een spiegel van het economische getij en daarmee ook van ontwikkelingen en behoeften. Zo ontstonden de meeste trekvaarten in het westen van het huidige Nederland als antwoord op toenemend personenverkeer tussen de steden (en dorpen) die drie eeuwen later samen de Randstad Holland genoemd zouden gaan worden. In het noorden ontstond – naast

4

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 4

13/02/19 22:28


NUMMER

47

APRIL

2019

Bron: https://beeldbank.rws.nl, Rijkswaterstaat / Afdeling Multimedia Rijkswaterstaat , Inventaris nr.: 1347-083

VITRUVIUS

2 - Kanaal Wessem-Nederweert nabij Santfort tijdens het begin van de verruiming in de jaren ‘80. het typisch Friese systeem van regionale en lokale (op)vaarten – een netwerk van turfvaarten. Deze vormden op hun beurt een antwoord op een vanaf de 17de eeuw sterk toenemende behoefte aan brandstoffen voor de industrie in het westen. De groei van dit netwerk, dat hoofdzakelijk via de toenmalige Zuiderzee in verbinding stond met de Hollandse steden, vond voortgang tot in de 20ste eeuw. Een laatste voorbeeld van het (beter) met elkaar in verbinding brengen van vaargebieden betreft de kanalenaanleg in het tweede en derde kwart van de 19de eeuw: de noord-zuidverbinding van Holland met Zuid-Limburg en de oost-westvaarwegen in Overijssel. Het noemen waard is nog de in 1879 door de Tweede Kamer verworpen ‘Kanalenwet’, die onder meer ten doel had het netwerk verder te integreren en (financiële) ruimte voor Rijksbemoeienis hiermee te creëren. Een beoogde nieuwe, ruime en directe Amsterdam-Rijnvaarweg (die het hart van de Kanalenwet was) kwam er kort daarna toch: het Merwedekanaal; 1892). Gedeeltelijk los hiervan staan ook andere kanalen en rivierwerken die internationale vaarverbindingen moesten bevorderen, zoals de vaarwegen in het Scheldegebied en de voortdurende Waalverbeteringen. In het begin van de 20ste eeuw zijn nog verschillende andere integrerende werken uitgevoerd, zoals een bijna 70 km lang

oost-westkanaal in Noord-Brabant (het Wilhelminakanaal) en een kanaal voor de ontsluiting van Twente, beide vanwege industriële behoeften aan brandstof en voor de aan- en afvoer van grondstoffen en producten. Geen algemene kanalenwet Dat het de Rijksoverheid menens was de inlandse scheepvaartwegen op hoger plan te brengen kan blijken uit het feit dat vanaf de jaren ’70 van de 19de eeuw boekuitgaven zijn verschenen waarin statistisch materiaal was verzameld. Eerder waren die gegevens verspreid gepubliceerd door provincies en/of gemeenten. De reeks ‘Overzicht der Scheepvaartwegen in Nederland’ is eveneens van start gegaan in de late jaren ’70. Het afstemmen van de Kanalenwet, waarin niet minder dan 14 plannen voor aanleg en verbetering waren gepresenteerd, leidde ertoe dat in het vervolg afzonderlijke vaarwegplannen werden gepresenteerd. Anders dan spoorwegwetten en wegenwetten, kwam(en) er tot op heden dan ook geen algemeen geldende vaarwegenwet(ten) tot stand.1 De kanalen die vanaf ongeveer 1880 zijn aangelegd of verbeterd kwamen tot stand door speciale wetgeving, op initiatief en onder beheer van lagere overheden (provincies) of van particulieren. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de vaarweg Amsterdam-Rotterdam langs Gouda en

bij het Kanaal Alkmaar-Kolhorn, beide uit de jaren ’30. Dit geldt ook voor enige naoorlogse kanaalwerken - zeker daar waar het Rijk (eerder) reeds voor een alternatief had gezorgd en er slechts sprake was van regionaal belang. Het gevolg van een en ander was dat het lang heeft geduurd eer er betrouwbare afstemming in grootteklassen in de Nederlandse binnenvaart was en het resultaat daarvan was weer dat er tot op de dag van vandaag boeken en tabellen (moeten) worden gebruikt om bestemmingen en vaarroutes te concorderen. Naast particulieren nam ook het Rijk hierin een verantwoordelijkheid door het netwerk van wateren te ‘bewegwijzeren’.2 Vaarwegen vanaf de jaren ‘20 van de 20ste eeuw Het feit dat er voor de oorlog geen samenhangend ‘Rijksvaarwegenplan’ bestond – dus niet zoiets als een Rijkswegenplan – bracht mee dat er ook weinig visie op het systeem was. Er kan wel worden gesteld dat er ad hoc werd beslist over aanleg en/ of verbetering (en afstoting of sluiting) van vaarverbindingen. Economische en waterstaatkundige overwegingen stonden in het overheidsbeleid centraal en ontsluiting voor (bulk)transport op maat was hierbij leidend. Het gevolg was dat er een van oudsher wijdvertakt netwerk in stand werd gehouden en nog verder werd ontwikkeld, 5

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 5

13/02/19 22:28


* ericht nthult n het er de

dat additioneel was aan het net van tramen spoorwegen maar vooral aan dat van (autosnel)wegen. Dit laatste zou zowel de kracht als de zwakte van het systeem blijken te zijn: de vrachtauto en het binnenschip gingen de concurrentie aan met aan de ene kant snelheid, flexibiliteit en precisie als sterke punten en aan de andere kant volume, prijs en capaciteit. Autotransportbedrijven en -koeriersondernemingen als Van Gend & Loos (1809-2003; in 1928 overgenomen door NS) en De Snelle Visser (1912-1982) zijn bekende voorbeelden van het eerste; de duizenden – grotendeels zelfstandige en voor eigen rekening varende – binnenschippers van het tweede. Van deze laatsten kregen vooral de schippers in de ‘wilde vaart’ veel te maken met de vaarwegenproblematiek: hoe van A naar B te komen met zo min mogelijk tijdverlies door te nauwe vaarwegen, te krappe sluizen en/of te lage bruggen. Dit probleem speelde op de Nederlandse vaarwegen al veel eerder, maar door regulering van de binnenvaart en een meestal relatief beperkte actieradius van de meeste schippers viel ermee te leven: de regionale regelgeving was meestal net voldoende om de ‘bloedsomloop’ gaande te houden. Alleen de vaarweg van Amsterdam naar Vianen, via de zogenoemde Keulse Vaart (een aaneenschakeling van deels bestaande, in het begin van de 19de eeuw opgewaardeerde wateren), was een voortdurend punt van zorg. Vooral de groei van de vaartuigen op de Rijn en de opkomst van de stoomvaart lag hieraan ten grondslag. Vervolgens kwam door opkomst van industriecentra in het oosten en zuiden (textiel, metaal, voeding) en vanaf het begin van de 20ste eeuw vanwege de Limburgse mijnbouw omwille van bulktransporten de behoefte aan een verbeterd en verruimd net van vaarwegen op. Aanleg van vaarwegen en/ of verruiming van de maten waren de antwoorden op die vraag. Toen kanaalplannen eenmaal in uitvoering waren genomen, bleek dat de inzet van werklozen hierbij een tweesnijdend zwaard kon zijn: verruiming van het netwerk van vaarwegen kon gepaard gaan met wat ‘werkverruiming’ werd genoemd. Hoe dan ook, het leek er aan het eind van crisisjaren op dat een opgewaardeerd net van vaarwegen gereed was, danwel voldoende was uitgekristalliseerd om de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien. Eigentijdse foto’s tonen door ingenieurs schitterend ontworpen, gestroomlijnde kanalen, voorzien van

NUMMER

47

APRIL

2019

Bron: Topotijdreis

ens

VITRUVIUS

3 - Kanaal Wessem-Nederweert (rechtsonder) bij het knooppunt Zuid-Willemsvaart en Noordervaart omstreeks 1955. kunstwerken waaraan toparchitecten hun medewerking hebben verleend. De ontwerpers en uitvoerders hadden echter buiten de waard gerekend: dat een groot deel van hun werk binnen twee decennia grondig verwoest zou zijn als gevolg van oorlogshandelingen, maakte geen deel uit van hun voorstellingsvermogen. Het netwerk van waterwegen zoals dat er na 14 mei 1940 bij lag, was een door het opblazen van bruggen en het tot zinken brengen van vaartuigen versnipperd en grotendeels onbruikbaar systeem. Aanvankelijk hadden vooral de Nederlandse troepen zelf de hand in vernietiging van werken om de vijand een snel oprukken te bemoeilijken. Gedurende het verdere verloop van de oorlog vond eerst provisorisch herstel plaats, maar vooral vanaf medio 1944 raakten weer vele kunstwerken zwaar beschadigd. Niet alleen de (Duitse) verdedigers, maar ook geallieerde aanvallers zorgden toen voor grondige vernielingen.

Bruggen, sluizen, dijken, oeverwerken, stuwen en waterkeringen – om maar te zwijgen van vaartuigen - moesten het toen ontgelden. Na de Duitse capitulatie bleken alleen al een kleine 1000 bruggen vernield, terwijl op talrijke plaatsen gaten in dijken en vernielde sluizen hadden gezorgd voor totale onbevaarbaarheid van wateren. Dit was de globale uitgangssituatie voor een wederopbouwprogramma van de waterwegen. Een op deze plaats te benadrukken punt is dat niet de indruk mag ontstaan dat de naoorlogse ontwikkeling van de (verkeers)infrastructuur een breuk met het verleden inhield. Integendeel: vele plannen waren al gerealiseerd of in enig stadium van ontwikkeling, maar verdere uitvoering kon door het intermezzo van de jaren ’40-’45 niet alleen zijn vertraagd, maar ook een verdere ‘opschaling’ hebben gekregen. Een goed voorbeeld hiervan is de kanaalverbinding van Antwerpen met het Hollandsch Diep, waarover al in de jaren ’20 werd gedelibereerd en getwist, maar

6

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 6

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

NUMMER

47

APRIL

2019

Kanaal Wessem-Nederweert In onze het minst door gegraven, bevaarbare wateren doorsneden provincie, Limburg, liggen twee Rijkskanalen die sedert het Interbellum belangrijk aan de nationale welvaart bijdroegen.5 Ten oosten van de Maas strekt zich tussen Maastricht en Maasbracht het in 1934 opgeleverde Julianakanaal uit. Het kanaal ligt parallel aan de Maas, omdat die door onvoorspelbaarheid van de waterrijkdom veelvuldig onbevaarbaar was. Om dezelfde reden was ruim een eeuw eerder westelijk van de Maas, van Maastricht naar ’s-Hertogenbosch, de Zuid-Willemsvaart gegraven. Maar die vaarweg liep – sinds de Belgische afscheiding van Nederland, in 1830 – over buitenlands grondgebied en de verhoudingen tussen beide landen lieten tientallen jaren veel te wensen over. In het bijzonder waar het handel en scheepvaartverkeer, waterstaatszaken en defensie betrof, waren er tot ver na de Eerste Wereldoorlog moeilijke relaties. Eén van de gevolgen was dat van Nederlandse kant al vóór 1914 verkenningen werden uitgevoerd om te komen tot een verbinding van de Maas bij Wessem met de Zuid-Willemsvaart bij Nederweert. Een voornemen gezamenlijk een gedeeltelijke Maaskanalisatie ter hand te nemen (ontwerp M.C.E. Bongaerts), werd door WO I doorkruist. Om de vaarweg vanaf omstreeks 1900 in exploitatie genomen Limburgse steenkolenmijnen naar de Hollandse en Noord-Brabantse industriesteden

Foto: Kaartenverzameling Rijksarchief in Gelderland, no. 479.

die pas in de wederopbouw weer actueel was.3 Ook andere vaarwegverbeteringen, waaronder die van de Maas, kwamen gedurende het Interbellum aan de orde, met in enkele gevallen een uitdrukkelijke relatie met handmatig graafwerk binnen de werkverschaffing. In het bijzonder ging de aandacht verder ook uit naar het noorden van het land, waar geen Rijksvaarwegen voorkwamen en waar private tollen en doorvaartrechten van lagere overheden zwaar op het verkeer drukten.4 In het volgende komen enkele van de grote vaarwegen in ons land die gerealiseerd werden in de periode ca. 1920-1965 voorbij en wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de rol van overheden en van belanghebbenden bij hun totstandkoming. In chronologische volgorde van ingebruikneming passeren de revue: het Kanaal Wessem-Nederweert, de Twentekanalen, het Amsterdam-Rijnkanaal / Lekkanaal en de Vaarweg Groningen-Lemmer. 4 - Eén van de ontwerpen (1915) voor de uiteindelijk nooit gerealiseerde Twente-Rijnverbinding. en de Zeeuwse havens te bekorten, werden in de tweede helft van het jaar 1915 voorbereidingen voor de aanleg van het Kanaal Wessem-Nederweert getroffen, waarna de hiertoe noodzakelijke onteigeningswet in december 1917 is uitgevaardigd.6 Het kanaal maakt deel uit van een belangrijk knooppunt van waterverkeersegen. Terwijl de aanleg (o.l.v. C. Heyning) in volle gang was, werd er fundamentele kritiek geuit op het ontwerp, in het bijzonder op de hoogteligging en op het talud van de kades. Zo stelde een criticus dat het kanaal te hoog boven het terreinoppervlak kwam te liggen en tevens dat de belendende kades (mede hierom) veel te steil waren. Verder meende hij dat gevreesd moest worden voor kwel. Hij was van mening dat de bodem van het kanaal beter een meter dieper in het terrein ingegraven had kunnen worden.7 Een ander punt van kritiek was dat de capaciteit mogelijk al gauw te klein zou zijn; hierin werd tegemoetgekomen door al bij de onteigeningen rekening te houden met een mogelijke latere verruiming. Ondanks zulke bezwaren werd er flink aangepakt en zo was het kanaal begin 1927 vrijwel voltooid; alleen de sluisdeuren te Panheel (bij Wessem) moesten nog worden ingehangen. Deze deuren waren erop berekend een verval van 8,10 m te keren in een sluiskolk van 153 m lengte en 7,50 m breedte – op dat

moment het grootste verval in een Nederlandse sluis voor de binnenvaart. De sluis was ertoe bestemd twee vaartuigen van 60 m lengte met hun motorsleepboten tegelijk te schutten; het ging om schepen met een maximaal laadvermogen van 600 ton. Om te veel waterverlies in dit niet waterrijke gebied tegen te gaan was het werk voorzien van zogenoemde spaarkommen, waarin een deel van het schutwater in tijdelijke opslag ging om bij een volgende schutting hergebruikt te worden. Op 2 april 1928 werd het Kanaal Wessem-Nederweert met een sobere plechtigheid geopend. Na zware oorlogsschade, zowel in 1940 als in 1944, waarbij de meeste bruggen over het kanaal zijn verwoest, is de vaarweg vrij snel hersteld en opnieuw in gebruik genomen: de nationale economie schreeuwde in 1945 om inheemse steenkool, terwijl het kanaal verder van enorme betekenis was voor zand- en grindtransport vanuit de wingebieden in de almaar groeiende ‘Maasplassen’, rond Roermond. Het Kanaal Wessem-Nederweert is in de traditie van de 19de-eeuwse kanalen ter weerszijden beplant en is hiermee op ‘traditionele wijze’ geïntegreerd in het regionale Limburgse en Noord-Brabantse landschap. In 1982 werd verruiming naar een capaciteit van vaartuigen van 1350 ton voorgesteld. Mede als uitvloeisel hiervan is in 1992 parallel 7

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 7

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

Twentekanalen Rond 1910 werd de roep om nieuwe, ruime vaarwegen naar het industrialiserende Twente snel luider. Er kwamen verschillende plannen ter tafel, waarvan sommige voortborduurden op de bestaande Overijsselsche Kanalen uit het midden van de 19de eeuw en andere de weg van geheel nieuwe aanleg insloegen.9 Bij Heitling en Lensen passeren acht plannen de revue, met kaartjes waarop de voorgestelde tracés zijn weergegeven. Een variant waarin ook Aalten en Winterswijk zijn aangetakt, blijft bij hen echter buiten beeld.10 Zowel de provincie als het Rijk boog zich over het vraagstuk en al vrij snel werd bepaald dat van alle voorstellen er twee nader zouden worden bestudeerd. Het ene zou een vaarweg van Enschede naar Hengelo en Almelo inhouden, met van daar twee aansluitingen op de IJssel: een bij Deventer en een nabij Zwolle via de te verruimen Overijsselsche Kanalen. Het andere te bestuderen voorstel betrof de mogelijke aanleg van een Twente-Rijnkanaal van Enschede naar Lobith. Beide varianten zouden een noordwaartse aftakking naar Oldenzaal krijgen.11 Minister C. Lely koerste op het tweede plan; zijn opvolger, A.A.H.W. König, voor het eerste. Uiteindelijk werd een voorkeur uitgesproken voor de tweede variant, maar om een lang kanaal kort te maken: geen van beide voorstellen is uiteindelijk gerealiseerd. Lodder stelde dat eind 1919 onder König een nog veel breder plan voor aanleg van een netwerk wettelijk werd vastgelegd: ruw gesteld kwam König met een nieuwe variant op een combinatie van beide plannen. Iets afwijkend van wat Lodder suggereert, gaat het in diens kanaalwet namelijk om 1. ‘een scheepvaartkanaal van Twente naar den Boven-Rijn met eene scheepvaartverbinding naar den IJssel bij Zutphen’, om 2. ‘eene scheepvaartverbinding van het Zwarte Water bij Zwolle met den IJssel’ en 3. om een zijkanaal (vanuit no. 1.) van ‘nabij Hengelo naar Borne.’ Een kaartje bij Lodder laat een hoofdkanaal zien met drie aftakkingen, naar achtereenvolgens Almelo, Hengelo / Borne en Oldenzaal, maar Zwolle noemt hij niet. Evenmin vermeldt hij de voorwaarde die erbij gesteld werd: aanleg en onderhoud van de vaarwegen door het Rijk zou afhankelijk zijn van bijdragen

van ‘belanghebbenden’ ten bedrage van in totaal zeven miljoen gulden, waarvan veruit het grootste deel voor het kanaal van Twente naar de Boven-Rijn.12 En precies dit laatste punt werd aanleiding voor aanzienlijke vertraging: de gelden kwamen er niet, of pas laat. Midden 1927 was het werk nog steeds niet aangevangen, mede omdat er intussen bezwaren waren gerezen vanuit agrarische hoek.13 Einde maart 1928 werd in Den Haag echter het groene licht gegeven. Ondertussen hadden onderzoekingen van de ingestelde Rijkscommissie voortgang gevonden en uiteindelijk is het plan flink versoberd: men vroeg zich af of de kosten van een kanaal tussen de Boven-Rijn en Twente wel terugverdiend zouden (kunnen) worden. Dit is de reden dat ervoor gekozen werd te beginnen met een vaarweg Zutphen (Eefde)-Enschede.14 De benodigde onteigeningswet werd in oktober 1929 ingediend, waarbij men er rekening mee hield dat de eerder voorgenomen doorvaartbreedte van de kunstwerken intussen was verruimd van 10 naar 12 m en dat de capaciteit van het kanaal in de toekomst nog zou kunnen worden vergroot om schepen 1350 in plaats van 800 ton te kunnen ontvangen - en mogelijk zelfs van 2000 ton.15 De eerste aanbestedingen vonden plaats en nog in datzelfde jaar, al in augustus, gingen de eerste spaden de grond in en werden ook mechanische hulpmiddelen ingezet.16 De toenmalige Werkverschaffing verzorgde voor een klein

47

APRIL

2019

leger arbeiders een inkomen, al was men er bepaald niet zeker van dat dit goedkoper was dan machinale arbeid. Het hoofdkanaal, waarin opgenomen drie schutsluizen met hefdeuren, was gereed in 1935; het enige zijkanaal – een vaarweg naar Almelo – in 1938. Tot het fraaie sluizencomplex bij Eefde behoort ook een gemaal – een gemaal dat met elektromotoren water vanuit de IJssel oppompt om het kanaal, en in geval van droogte ook het land in de omgeving ervan - van voldoende water te voorzien. In 1938 was de ontwikkeling van het kanaal en van de bijbehorende kunstwerken gereed, maar nog niet definitief voltooid. De Tweede Wereldoorlog bracht in mei 1940 namelijk vernietiging door de Nederlandse verdedigers van de meeste van de kort tevoren opgeleverde betonnen boogbruggen. Vijf jaar later, in 1945, was het opnieuw prijs en vond vernieling van alle toen aanwezige bruggen plaats door de zich terugtrekkende Duitsers. Bovendien waren de sluizen beschadigd of vernield, wat betekende dat het kanaal toen grotendeels droog kwam te staan.17 Bij het herstel zijn de meeste werken in hun oorspronkelijke vorm teruggekeerd, maar enkele bruggen zijn niet meer in identieke betonconstructie herbouwd. Curieus is dat in de jaren 1964/1965 in het Waterloopkundig Laboratorium De Voorst, in de Noordoostpolder, proefnemingen zijn gedaan betreffende de monding van het kanaal in de IJssel: die monding voldeed

Bron: https://beeldbank.rws.nl, Rijkswaterstaat / Afdeling Multimedia Rijkswaterstaat , Inventaris nr.: RWS-1547

met de oude sluis te Panheel een tweede exemplaar opgeleverd, dat ca. 154,50 x 12,50 m meet.8

NUMMER

5 - De Twentekanalen tijdens de aanleg in de jaren ’30, met hier zware mechanische hulpmiddelen.

8

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 8

13/02/19 22:28


NUMMER

47

APRIL

2019

Foto: https://beeldbank.rws.nl, Rijkswaterstaat , Inventaris nr.: WOvk-06

VITRUVIUS

6-T  wentekanaal met opgeblazen gewapend betonnen boogbrug, 1945. namelijk niet, werd in zuidelijke richting verlegd en is toen komvormig uitgevoerd om verzanding tegen te gaan.18 Bijzonder is dat bij de aanleg van het kanaal veel aandacht is besteed aan landschappelijke inpassing ervan: er is een zogenoemd Landschapsplan avant la lettre ten uitvoer gebracht, waarin plaats was voor oeverbegroeiing – ook op plaatsen waar het kanaal niet door bosrijk gebied voert. Meest opmerkelijk is wat dit betreft het gedeelte tussen Lochem en Diepenheim, waar aan de noordzijde (lijzijde) een beboste strook is gerealiseerd. Over het kanaalpand dat de Boven-Rijn met Twente had moeten gaan verbinden – en dat expliciet in de wet van 1919 wordt genoemd - werd in de jaren ’30 niet meer gesproken: het verdween in de meest letterlijke zin van de kaart. Het vervolg van dit eerste deel over kanalen uit de periode 1920-1965 zal handelen over het Amsterdam-Rijnkanaal en het Lekkanaal en de Vaarweg Groningen-Lemmer (d.w.z. het Van Starkenborghkanaal en het Prinses Margrietkanaal). De gebruikte literatuur wordt bij het vervolgdeel genoemd. Noten 1  Wel zijn in 1899 op de Rijksvaarwegen de tollen afgeschaft, wat concentratie van het scheepvaartverkeer op die vaarwegen ten gevolge had. 2  Zie o.m.: T.P. Keijzer, (z.a.); Wegwijzer voor de Binnenscheepvaart (z.a.);

P.A.J. Stadhouders, 1963; Vaarwegen in Nederland - Fairway Information Services www.vaarweginformatie.nl/fdd/ main/download?fileId=1942534 3  Handelingen Tweede Kamer 19261927, 29 oktober 1926; Zie ook: Schuursma, 1975, 19 e.v. 4  Zie hiervoor o.m.: H. Ehrardt (1967) en J. van der Veen (1967). 5  A.A. de Jongh, (1967), 95-102. 6  De Zuid-Willemsvaart, 24-12-1913, 1; Algemeen Handelsblad, 16-06-1914, 6. De wet dienaangaande dateert van 16 juni 1915; Nieuwe Venlosche courant, 18-11-1915, 4; Nederlandsche Staatscourant, 15-12-1917; Idem, 24-08-1922: Alles bij elkaar betrof de onteigening honderden percelen. 7 Limburger koerier, 01-08-1923, 2de blad. 8  Limburger koerier, 11-03-1927, 2de blad, 5; De Tijd, 03-04-1928, 3de blad, 9; https://www.binnenvaartinbeeld. com/nl/kanaal_wessem_nederweert/ sluis_panheel; Database ‘Vaarwegen in Nederland’ (ViN) van Rijkswaterstaat Adviesdienst Verkeer en Vervoer (AVV), 172, 173. 9  Zie o.m.: Algemeen Handelsblad, 28-06-1913, 1; Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 14-04-1914, 2; Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 14-04-1914, 2de blad, 01; C. Smook, (1994), 65, 66. 10  W. H. Heitling & L. Lensen, (1984), 7-73.

 G. Chr. Lodder, (1967), 112 e.v.  G. Chr. Lodder, (1967), 113, 114; Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, d.d. 04-11-1919, no. 645. De raming van de totale kosten was 25 miljoen gulden. Een motie waarin werd aangedrongen op ontsluiting via een additionele vaarweg door de Achterhoek, van Lochem naar Winterswijk, werd op 2 juli 1919 wel door de Tweede Kamer aangenomen, maar dit onderdeel is niet in de wet opgenomen. (De Graafschap-bode, 04-07-1919, 2de blad, 1). Inhoudelijk werd de motie op 18 juli 1923 naar een onbestemde toekomst verwezen. 13  Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 18-07-1927, 2de blad; Algemeen Handelsblad, 17-11-1927, 2de blad, 6. 14  Twentsch dagblad Tubantia en Enschedesche courant, 02-06-1928, 2de blad, 2, 3. 15  Het Vaderland, 11-10-1929, 1; zie ook: W. H Heitling & L. Lensen (1984), 80-85, 112 e.v. 16  W. H. Heitling & L. Lensen (1984), 89 e.v. 17  W. H. Heitling & L. Lensen (1984), 132-147. 18  W. H. Heitling & L. Lensen (1984), 94, 95. 11 12

9

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 9

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

Lou Heynens Publicist

NUMMER

47

APRIL

2019

De maakbaarheid van het verleden in Valkenburg aan de Geul

Jacquo Silvertant Historicus

Deze parabel symboliseert ondubbelzinnig de diagnose van hoe men in de Gemeente Valkenburg aan de Geul met kritische burgers omspringt. Niet in het minst wanneer die kritiek zich richt op de omgang met het rijke verleden van de Parel van het Mergelland. Die kritiek is onlangs sterk gegroeid door een aantal herbouwprojecten van delen van de middeleeuwse vestingstad, waarvan de bewoners zich inmiddels openlijk en en masse afvragen welk doel de gemeente voor ogen had toen het de realisatie van deze bouwhistorische gedrochten er bestuurlijk op bedenkelijke wijze doorheen drukte. Onder het bestuur van de vorige burgemeester van Valkenburg aan de Geul Martin Eurlings werd één stadspoort herbouwd (Geulpoort) en twee andere (Grendelpoort en Berkelpoort) werden met dichterlijke vrijheid gerestaureerd. Nog geen vier jaar na de afronding van dat project dreigt een nieuw project, dat reeds onder Eurlings werd voorbereid en nu blijkbaar door hem via achterkamertjes het huidige College is binnengedrongen; een herbouwproject voor de voormalige Wolftoren van het kasteel van Valkenburg naar het voorbeeld van Guédelon in Frankrijk. Een gebrek aan authenticiteit, zoals het geval is bij de Valkenburgse stadspoorten, reduceert het nagebouwde

Foto: Jac Diederen 2014

“Komt een man bij de dokter, zo geel alsof hij alleen maar uit mergel bestaat. Hij schreeuwt om een woord van verlossing, om hulp. De huisarts, die ziet dat de lever kapot is, geeft de man buiten een placebo de goede raad mee om niet te lang in de zon te blijven zitten.”

1 - 17e eeuws schilderij van het kasteel van Valkenburg vóór de verwoesting van 1672. Schilder onbekend. gebouw uitsluitend tot het domein van het massatoerisme of het niveau van een attractiepark. De historisch-wetenschappelijke wereld walgt daarvan en heeft het dan ook al snel over geschiedvervalsing. Deze professionele afkeer zorgt er doorgaans voor, dat in de praktijk dit soort herbouwplannen geen plaats hebben in de tegenwoordige bouwwereld en al helemaal niet bij de praktijk van de erfgoedbescherming. In de praktijk van de toeristische attractie omwille van de gekunstelde historische beleving heiligt het doel uiteraard de middelen. Op Facebook wordt door de Valkenburgers al druk gespeculeerd en gediscussieerd over de verkwanseling aan de commercie van hun jeugdherinneringen aan een ruïneus Valkenburg, waar het moment van de ont-manteling van het kasteel en de vesting in de tijd bevroren was. “Ruïnes belichamen de beperkte houdbaarheid van gebouwen. Tegelijkertijd ontlenen zij bestaansrecht aan de omstandigheid, dat zij zichtbaar de tand des tijds hebben weerstaan. Zo tijdelijk als architectuur kan zijn, zo duurzaam kan

een ruïne blijken te zijn. Niet in de laatste plaats vanwege de menselijke inspanning om de ruïne voor verder verval te behoeden, die voortkomt uit de adoptie van de ruïne in het collectief geheugen als zijnde onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van de lokale gemeenschap. Ruïnes krijgen hierdoor een zekere eeuwigheidswaarde, die de status van het vroegere gebouw als een belangrijk monument vergroot” (Charlotte van Emstede in Bulletin KNOB 2010-2/3). Efteling aan de Geul Valkenburg, voor wie het toch nog niet kent, ligt in het hart van Zuid-Limburg op gelijke afstand van de steden Maastricht en Heerlen. Het was de eerste plaats in Nederland waar vanaf het midden van de 19e eeuw het massatoerisme ontstond. De middeleeuwse vestingstad in een betoverende natuurlijke omgeving werkte als een magneet op eerst de welgestelden uit de grote steden in het westen van Nederland en vanaf de 2e Wereldoorlog ook op de ‘gewone’ man. Het toerisme ter plaatse ontwikkelde zich uiteindelijk tot een soort van frikadel-

10

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 10

13/02/19 22:28


NUMMER

47

APRIL

2019

Foto: Jacquo Silvertant 2013

Foto: Jacquo Silvertant 2013

VITRUVIUS

2 - De ruïne van hoogteburcht van Valkenburg. Op 6 december 1672 werd de burcht door Staatse troepen ingenomen en in opdracht van Stadhouder Willem van Oranje in de lucht gejaagd. Omdat het kasteel regelmatig in vijandelijke handen viel, vormde het een voortdurende bedreiging voor de vesting Maastricht. lentoerisme dat zich tot ver in de jaren ’80 concentreerde op een paar weken bouwvakvakantie gedurende de zomermaanden. Uiteindelijk leidde deze vorm van toerisme ook tot een teloorgang van de toeristenattracties die het zo lang zo goed hadden gedaan. De teloorgang werd ingezet door de seizoenverlenging die vanaf het einde van de jaren ’80 werd ingezet en die ervoor zorgde dat het toeristische bedrijf het gehele jaar door moest zien te overleven. Gevolg was het verdwijnen van talloze kleine ondernemingen, zoals souvenirwinkels en tweekamerpensions. Het was tijd voor iets nieuws en er werd ingezet op cultuurtoerisme. Er werd daarom flink geïnvesteerd in kwaliteitstoerisme, dat zich moest gaan bewegen rondom het rijke cultuurhistorische verleden van Valkenburg en de omringende regio. Kortom: schaalvergroting en conceptmarketing ten behoeve van het aanspreken van een ander consumentensegment dan voorheen. Het toerisme werd omgevormd van een lokale economie naar een regionale en tegenwoordig zelfs grensoverschrijdende en internationale markt. Het Verdrag van Maastricht in 1992 waar het kader van de toekomstige Europese Unie werd vastgelegd, vormde hiervoor de katalysator. Vele Interreg-subsidies later wordt duidelijk dat we inmiddels in een periode zijn beland

waarin kan worden vastgesteld, dat men in de toeristische exploitatie van het verleden het punt bereikt heeft van een historische weergave van dat verleden, dat zó nooit heeft bestaan. De deksel op de neus onlangs door Dré van Marrewijk, verantwoordelijk voor de Unesco Werelderfgoederen in Nederland, spreekt boekdelen. Op de plannen om het Zuid-Limburgse Heuvelland te nomineren voor een UNESCO-status vroeg Van Marrewijk zich af hoe uitzonderlijk het Heuvelland is op wereldschaal? Het draait bij Unesco namelijk met name om uniciteit. Probleempunt vormt volgens hem het toekomstig beheer, dat na een eventuele toekenning van de status volgens Unesconormen moet verlopen. Het Limburgse Heuvelland is op regionaal niveau wel bijzonder, maar is dit op mondiaal niveau zeker niet. Stadjes als Valkenburg staan er al veel te veel op de werelderfgoedlijst en het is inmiddels Unesco-beleid om er niet nóg meer op die lijst te plaatsen. De sneer richting Valkenburg, “Aan zo’n nagebouwde mergelpoort als in Valkenburg heeft de Unesco een hekel”, maakte pijnlijk duidelijk, dat men op werelderfgoed niveau blijkbaar vindt dat Valkenburg is doorgeschoten in de omgang met zijn bouwhistorisch erfgoed. In Val-

3 - In het Franse Guédelon wordt al jaren op ambachtelijke wijze gewerkt aan de nieuwbouw van een middeleeuws kasteel. Het project vormt de inspiratie voor de recente herbouwplannen in Valkenburg. Verschil met Valkenburg is, dat het in Guédelon gaat om experimentele archeologie op een “schone” site. In Valkenburg wil men het project vestigen middenin een perceel met een hoge archeologische waarde kenburg zelf spreken tegenstanders zelfs van een verregaande Disneyficering van het historisch centrum. Beeldvorming van de middeleeuwse burcht Jens Friedhoff, historicus aan het Europäischen Burgeninstitut in Rheinland-Pfalz, is niet de minste als hij kritiek levert op het romantisch gewauwel over burchten en kastelen. Hij geeft ons in Der Spiegel van 5 januari 2019 omwille van de feiten nog even een korte opfrisbeurt: “Het beeld van de burcht wordt in sterke mate vormgegeven door clichématige voorstellingen, die met name in het 19e-eeuwse idealistische beeld van de Middeleeuwen zijn oorsprong heeft. Daarnaast hebben films en stripboeken dat beeld in ons collectief geheugen geprent. Daarin wemelt het immers van ridders en minnezangers, die de kasteelvrouwen het hof maken.” De eerste in Valkenburg die plannen ontwikkelde voor een geheel of gedeeltelijke herbouw van het middeleeuwse Valkenburg was zijn illustere inwoner, de latere Rijksbouwmeester, Pierre Cuypers. De meeste 11

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 11

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

Foto: Jacquo Silvertant 2015

moet worden gerestaureerd, men uiterst terughoudend omgaat met historiserende herbouw. Al te historiserende herbouw is in westerse ogen ‘niet authentiek’ en daarmee ook ‘geschiedvervalsing’.”

4 - Het fantasieontwerp van de Geulpoort in Valkenburg op de plaats waar ooit een middeleeuwse stadspoort stond. Een bouwhistorisch gedrocht volgens velen, enkel en alleen neergezet voor de “vestingstadbeleving” van het dagjesvolk Nederlanders kennen in ieder geval zijn meest bekende projecten; de nieuwbouw van het Rijksmuseum en het Centraal Station van Amsterdam en de herbouw van het kasteel de Haar in Haarzuilens. Als vingeroefening voor zijn latere successen nam Cuypers eerst een aantal monumenten in Limburg onder handen, waaronder ook een aantal in Valkenburg. De burchtruïne van Valkenburg was aan het einde van de 19e eeuw zijn eigendom. Hij had het goed aangekocht met het oogmerk om de muurresten van de middeleeuwse hoogteburcht, die in 1672 tot ruïne werd, te herbouwen in de voor hem zo typische neogotische stijl die aansloot bij de mode en beeldvorming van die tijd. Cuypers kreeg echter nooit de toestemming noch de financiering om zijn plannen te verwezenlijken. Cuypers’ herbouwproject in Valkenburg strandde omdat voor Monumentenzorg destijds de wilde plannen van Cuypers met de kasteelruïne van Valkenburg niet zag zitten vanuit een optiek die eigenlijk in de westerse wereld nog steeds geldt. In De Erfgoedstem (2016) werd deze westerse mentaliteit ten aanzien van historische herbouw door Sebas Baggelaar treffend omschreven: “In de westerse perceptie van monumentenzorg ligt er een sterke nadruk op het behoud van historisch materiaal. Het is bijna een vanzelfsprekendheid dat wanneer een historisch gebouw

NUMMER

47

APRIL

2019

toeristen aantrekt. Gefundenes Fressen dus voor een plaats als Valkenburg waar goed rentmeesterschap over het cultureel erfgoed gelijk staat aan het aantal koppen koffie dat kan worden verkocht. Dit laatste blijkt ook wel uit de samenstelling van de geformeerde adviescommissie waar toch sterk de indruk wordt gewekt van de slager die zijn eigen vlees keurt.

Gebrek aan academische kennis, negeren van de feiten en navelstaren; een aanklacht De vesting van Valkenburg werd voor het eerst grondig onderzocht bij de aanleg van het stamriool in 1991, waarvan het tracé deels door de voormalige verdedigingsgracht van de stad gelegd moest worden. In het verlengde van dit onderzoek lanceerde de lokale heemkundige Henk Kwakkernaat een plan om in de toekomst te komen tot een gehele of gedeeltelijke herbouw van de kasteelruïne ter plaatse. Wat in 1991 een proefballonnetje leek, dat uiteindelijk niet tot grote hoogte kwam, werd weer actueel toen Martin Eurlings tijdens de Nieuwjaarsreceptie van 2017 het oude idee van zijn boezemvriend en overbuurman Kwakkernaat opnieuw ter sprake bracht. Kwakkernaat, die het onder auspiciën van het gemeentebestuur (inmiddels in de pensioengerechtigde leeftijd) heeft geschopt tot officieus stadsarcheoloog en in die hoedanigheid ook bij tijd en wijlen ongediplomeerd opgravingen verrichtte, had er immers eerder ook voor gezorgd dat Eurlings enthousiast werd over de herbouw van de stadspoorten; hét stokpaardje van Kwakkernaat.

Erfgoed aanvaarden en onderhouden als een goed rentmeester (één van de taken van de gemeente) is op de eerste plaats weten waarover je spreekt. Het betekent in sommige gevallen ook de pijnlijke aspecten uit het verleden aanvaarden en benoemen. We krijgen het intrigerende verleden om niet, de foute of niet geweten kant van dat verleden inbegrepen. In Valkenburg aan de Geul staat de omgang met het historisch erfgoed in dienst van city-marketing. Een “neppoort”, de “middeleeuwse” bestrating van het oude centrum in Chinese natuursteen, kolderieke straatbenamingen, boomloze lanen, een kasteel dat in 1672 bij het naderen van Napoleontische (!) troepen in de lucht werd geblazen, de Via Belgica die door Valkenburg gelopen zou hebben, V2-lanceerinstallaties enzovoorts, enzovoorts… Van historische correctheid heeft men in Valkenburg overduidelijk geen kaas gegeten. De mentaliteit om alles groter te maken dan het is (Valkenburg heeft 18.000 inwoners!) is echter geen hoogmoed, maar Calimero-gedrag.

Toen Eurlings na een lange carrière als lid van Gedeputeerde Staten van Limburg op 1 juni 2007 waarnemend burgemeester van de Gemeente Valkenburg aan de Geul werd en vanaf 29 februari 2008 volwaardig burgemeester van deze gemeente, zag hij zijn kans schoon om samen met Kwakkernaat hun gezamenlijke droom eindelijk te kunnen verwezenlijken. In 2016 ging Eurlings met pensioen, maar bleef vervolgens aan als waarnemend burgemeester om ‘zijn’ Valkenburg Vestingstadproject ook zelf te kunnen voltooien. Na beëindiging van het project vertrok Eurlings alsnog voortijdig onder druk van de Valkenburgse gemeente-raad en de publieke opinie. Achter de schermen werd er na het vertrek van Eurlings blijkbaar verder gewerkt aan het idee dat Kwakkernaat in 1991 had geopperd; de gedeeltelijke herbouw van het kasteel. Nu echter met als schijnbare inspiratiebron het Guédelon-project, dat in Frankrijk voor zo veel werkgelegenheid zorgt en massa’s

Valkenburgse “geschiedenis” als karikatuur van een falend erfgoedbeleid Een ander goed voorbeeld waar de academische tekortkomingen van de gemeente blijken, is de op handen zijnde viering van 75 jaar Bevrijding. Bij het verdelen van de subsidiepot in december 2018 bleek al vooraf een verdeling te zijn gemaakt waarbij de gebruikelijke evenementenpartners van de gemeente het overgrote deel van de koek kregen toebedeeld. Herdenken is leuk, maar de kassa moet rinkelen… Over historische correctheid van de bedachte evenementen heeft men geen moment nagedacht en de kleinere lokale initiatieven die dat doorgaans wél doen, werden zonder meer afgeserveerd. Gevolg: onzinprojecten en bij elkaar gefantaseerde verhalen die als doel hebben de consument te laten beleven, want dat is het huidige toverwoord in de erfgoedexploitatie. Het belangrijkste aspect van de ophanden zijnde herdenking is wel het gegeven, dat men in Valkenburg niet

12

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 12

13/02/19 22:28


NUMMER

47

APRIL

2019

goed weet wat men nou eigenlijk herdenkt. Ambtenaren die in hun communicatie er steeds naast zitten als zij het over de precieze datum van de bevrijding hebben. Zo erg zelfs dat publicaties in de regionale kranten over de ophanden zijnde evenementen steevast historische onwaarheden bevatten; niet eens onnauwkeurigheden, maar onwaarheden! Het voorstel om allereerst eens aandacht te besteden aan de vastlegging van het juiste historische verhaal, dus het doen van een gedegen studie naar de gebeurtenissen in Valkenburg in september 1944 werd door de city-manager al op voorhand afgeschoten met het argument, dat boeken niet meer gelezen worden. Met de gevoeligheden ten aanzien van de gebeurtenissen uit de oorlog, zoals die er nog steeds liggen in een dorp als Valkenburg, liggen pijnlijke blunders in het verschiet wanneer men de historische feitelijkheden niet glashelder voor ogen heeft. Het belevingskader van de bevrijding wordt geminimaliseerd tot de beeldvorming van de re-enactmentgroepen die voor veel geld hun kunstje komen doen. Net zoals dat het geval is bij het laten herleven van de Middeleeuwen of de Bokkenrijderstijd wordt terug gegrepen op een romantische historische beeldvorming die niets van doen heeft met de vaak dramatische werkelijkheid van het uitgebeelde tijdperk. Dat men nadenkt over aansprekende activiteiten om een gebeurtenis als de bevrijding te herdenken is prima, maar dan wel vanuit de onaantast-baarheid van de integriteit van die gebeurtenis. Valkenburg is decennia lang in een bestuurlijk confectiepak genaaid Wat in Valkenburg in ieder geval een lokale herdenking had moeten zijn waarbij mensen plaatselijk en op gepaste wijze hĂşn bevrijding van de tirannie hadden kunnen vieren, wordt overgeleverd aan de agressieve verkooptechnieken van de city-manager. Net zoals het geval is bij de drijfveren om delen van de kasteelruĂŻne te herbouwen. Dat is geen rentmeesterschap, maar souteneursgedrag. De integriteit van het historisch erfgoed wordt als het ware verkwanseld omwille van ordinair winstbejag. De doorsnee Valkenburger is de politiek van Gemeenteraad en College in toenemende mate zat. Het ontbreekt hen echter aan een doeltreffend tegengif en zij voelen zich in het algemeen machteloos tegenover besluiten die al in de achterkamertjes zijn

Foto: Jacquo Silvertant 2015

VITRUVIUS

5 - Klassieke souvenirwinkels en de naar een fantasieontwerp gerestaureerde Grendelpoort in Valkenburg. De toenmalige (2015) wethouder Remy Meyers beloofde bij voltooiing van het project de educatieve ontsluiting van de nieuwe vestingwerken. Tot op heden (2018) is op dit gebied nog niet veel gebeurd. Ook is men er niet in geslaagd de poorten van Valkenburg een economische- of sociaal-culturele functie te geven met als gevolg dat alle poorten leeg staan en niet worden gebruikt. Het zijn decorstukken geworden van een idealistisch stadsontwikkelingplan dat heeft gefaald. De belevingswaarde van de historische gebouwen in de Efteling is voor de gemiddelde toerist waarschijnlijk groter dan die in Valkenburg vastgelegd. De burger voelt zich, afgezien van de belangengroep, de edelfiguranten en de onafscheidelijke lobbyisten, voor dom gehouden en ziet met lede ogen toe hoe de unique selling points, die Valkenburg altijd al had, worden vernacheld tot selling points zonder authenticiteit. Hapklare brokken naar de vooronderstelde smaak van de dagjestoerist. Oud-burgemeester Martin Eurlings had het in 1982 al begrepen toen men hem als nieuwbakken raadslid vroeg wat hij vond van de Valkenburgse Raad. In een interview in het tijdschrift Geulrand zei hij toen: “Wat mij in de eerste acht maanden

als raadslid het meest gefrappeerd heeft, is het gegeven dat de raad, die op papier als het hoogste gezagsorgaan in de gemeente wordt aangemerkt, in werkelijkheid maar al te vaak tot een groepering van ja-knikkers gedegradeerd wordt. Zo worden de raadsleden veelal geconfronteerd met panklare plannen, die niet of nauwelijks meer kunnen worden bijgesteld. Om niet met onverwachte kritiek vanuit de raad te maken te krijgen, legt men de plannen in eerste instantie voor aan de bestaande raadscommissies. Bij deze gelegenheid kan het college eveneens nagaan of er een meer13

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 13

13/02/19 22:28


Foto: Jacquo Silvertant 2019. Tekening: collectie Jacquo Silvertant, detail uit origineel berustende bij RCE

VITRUVIUS

47

APRIL

2019

beleidsuitvoerende taak kent.” Sociale media als waakhond

6 - De Berkelpoort is een rijksmonument en vanuit de monumentenzorg had men liever een restauratie gezien waarmee de bestaande toestand geconsolideerd werd, overeenkomstig een tegenwoordig gangbare visie op monumentenbeheer. Een andere opvatting werd uitgedragen door plaatselijk amateurhistoricus Henk Kwakkernaat en de afdeling Bouwhistorie van de Technische Universiteit Delft. Toen de restauratie al begonnen was, stelden zij voor om terug te grijpen op een plan dat in 1905 vanuit de monumentenzorg was voorgesteld: een steil schilddak met een korte nok (inzet rechts). Om neerslag weg te leiden van de muur was een uitkragende zeeg in het dak voorzien, maar geen dakgoot, zodat het water van het dak zou druipen. Dit daktype was gebruikelijk in Zuid-Limburg, maar de gemeente wilde een goot en wenste voort te maken met de restauratie derheid voor een bepaald voorstel in de raad valt te verwachten. Worden er desondanks in de raad kritische opmerkingen gemaakt, of zakelijke argumenten aangevoerd om een bepaald voorstel wezenlijk te veranderen, dan is het opvallend hoe gemakkelijk deze Foto: Jacquo Silvertant 2014.

NUMMER

terzijde worden geschoven ter wille van de gemaakte coalitieafspraken. Als gevolg van deze procedure komt de hele beleidsbepaling voornamelijk in handen van het college van burgemeester en wethouders, dat op papier slechts een beleidsvoorbereidende en

In 2018 werd de nieuwe raad van Valkenburg geïnstalleerd en bovenstaande schets lijkt nog steeds te gelden. Eurlings was pienter genoeg om hier jarenlang garen bij te spinnen en zelfs nu nog, geruime tijd na zijn vertrek als burgemeester, via diezelfde weg zijn plannen via gemeentelijke stromannen er doorheen te drukken onder het mom van “stadsvernieuwing” en “city-branding”. Thema’s waarop het gemiddelde raadslid (de samenstelling van de raad was nog nooit zo jong) zich vanuit zijn of haar eigen carrièreontwikkeling blind staart. Dit laatste blijkt wel uit de lange epistels op Facebook over het investeren in de toekomst van de stad en de concurrentie van naburige steden die voorkomen moet worden, wanneer men de daar geuite kritiek probeert te pareren. De hevige kritiek van de Valkenburgers zelf leidde ertoe dat de presentatie van het herbouwproject aan de Valkenburgse raad, die begin januari van dit jaar gepland stond, op het laatste moment werd afgelast nadat aansluitend op de hevige discussies op Facebook en op de website van de loka-le televisiezender, bezorgde burgers spreekrecht hadden gevraagd om hun bezwaren voorafgaand aan de presentatie aan de raad toe te lichten. Blijkbaar had de herbouwcommissie erop gehoopt om zonder al te veel tegengas goedkeuring voor het plan te krijgen en gooide het onverwachte tegengas roet in het eten. Nijmegen als lichtend voorbeeld voor de tegenstanders van het Valkenburgse

7 - Van de zes meter diepe 12e eeuwse steengroeve die in 2012 werd opgegraven, werden uiteindelijk de bovenste drie meter opgeofferd aan de nieuwbouw van het restaurant annex kassagebouw. Delen van de unieke groevewand werden uitgezaagd met de belofte dat ze educatief zouden worden tentoongesteld. Deze foto toont hoe men daaraan invulling heeft gegeven. Op de achtergrond het nieuwe restaurant met terras. De blokken met werksporen zijn willekeurig neergezet en uitleg over wat het zijn ontbreekt. Het publiek kan er gewoon bij en omdat ze in de open lucht staan, verweert de mergel in hoog tempo. De werksporen zijn inmiddels ernstig beschadigd doordat iedereen zijn naam in de zachte steen wil krassen. Ze moeten dan ook als verloren worden beschouwd. Net als de steengroeve zelf die door afgraving van het bovenste deel geen enkele informatieve waarde meer heeft

14

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 14

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

NUMMER

47

APRIL

2019

erfgoedbeleid Valkenburg bezint eer ge begint, zou hier het devies kunnen zijn. Een soortgelijk idee als dat in Valkenburg werd al eerder ontwikkeld in Nijmegen, waar een projectgroep de Valkhof-donjon wilde gaan herbouwen. Plannen kregen vorm voor een beleveniscentrum met restaurant en skybar, een terras met uitzicht, expositieruimtes, informatiecentrum en een luxe bed & breakfast. Huurders als Heineken, Sligro en vastgoedontwikkelaar Haystack Corp waren in beeld om de kar definitief te trekken. Naarmate de daadwerkelijke uitvoering van het project waarschijnlijker werd, groeide ook het verzet ertegen, hoewel aanvankelijk tijdens een referendum onder de bevolking een meerderheid zich had uitsproken vóór realisatie van het plan. Er ontstond echter gestaag en uiteindelijk fel verzet tegen de veronderstelde commercialisering van het historische Valkhofpark. Ook werd duidelijk dat in de loop der jaren de archeologische eisen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed steeds verder werden opgeschroefd waardoor om verschillende redenen een herbouw steeds onwaarschijnlijker werd en tenslotte onmogelijk. Conclusie De maakbaarheid van het verleden in de Gemeente Valkenburg aan de Geul is getuige de recente herbouw- en restauratieprojecten evident gebleken. Onder de noemer van stadsontwikkeling is het verantwoord beheer en behoud van het historisch erfgoed naar het tweede plan geschoven. Als Lucebert’s “Alles van waarde is weerloos” ergens geldt, dan is dat momenteel wel in Valkenburg aan de Geul. De waarde van het historisch erfgoed wordt namelijk zonder uitzondering afgemeten aan zijn toeristische, lees commerciële, potentieel. Dit is een verontrustende tendens, die al langer speelt maar waarvan de onuitwisbare schade nu pas de kop op steekt. “Het volk gaat verloren door gebrek aan kennis” (Hosea 4:6) en met hen de nalatenschap van ons voorgeslacht in de vorm van het historisch erfgoed.

Handhaving en toezicht binnen het kader van de wet is ook wegkijken; RCE steekt uw hand in eigen boe-zem en toont ruggengraat! Dit artikel is een opiniestuk. Het zijn de bevindingen van en de beschouwingen daarop van de auteurs. In dit alles zou men verwachten dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ook een standpunt inneemt ten aanzien van de ontwikkelingen in Valkenburg aan de Geul. Ondanks de tumult die de nieuwe herbouwplannen in Valkenburg hebben veroorzaakt, heeft namens de Rijksdienst zich ten tijde van het schrijven van dit artikel nog niemand uitgesproken. Ook bij eerdere projecten in Valkenburg heeft de dienst zich relatief afzijdig gehouden van de discussie en zich beperkt tot de toezicht en handhaving van de wet. In andere gevallen heeft de Rijksdienst zich laten verleiden tot het toestaan van de vernietiging van een unieke archeologische site omwille van economische belangen. Het beste voorbeeld speelde in 2012 toen op de kasteelheuvel van Valkenburg een nieuw kassagebouw met restaurant moest worden gebouwd. Omdat de kasteelruïne een Rijksmonument is, moest onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologie op de plaats waar het gebouw was gepland. Uiteindelijk werd de vroeg 12e eeuwse dagbouw steengroeve van het kasteel aangetroffen. Een voor Nederland unieke vondst, die ook nog eens in een perfecte staat van conservering verkeerde. Vanuit dit aspect was de groeve ook Europees gezien enig in zijn soort en zou na consolidering een absolute aanwinst voor de geschiedenis van het kasteel en na educatieve ontsluiting een prachtige en unieke bezienswaardigheid voor Valkenburg geweest kunnen zijn. Hoewel de Rijksdienst eerst zijn poot stijf hield voor behoud, werd na een aantal vergaderingen met de particuliere eigenaar (stichting het Kasteel van Valkenburg) de vondst opgeofferd, terwijl een relatief kleine wijziging in het ontwerp van het fundament van het gebouw de vondst had kunnen sparen. De motieven voor de keuze tot gedeeltelijke afgraving (50%) waren economisch en prevaleerden boven de uniciteit en authenticiteit van de site. Het voorbeeld van de steengroeve op de kasteelheuvel van Valkenburg en zijn opoffering aan het schijnbare belang van horecaomzet is voor de auteurs tekenend voor de houding van de Rijksdienst tegenover de manier waarop men in Valkenburg al decennia lang omgaat met zijn historisch erfgoed. Juist omdat men in Valkenburg zó bedreven is in het zoeken naar mogelijkheden en mazen in de wetgeving betreffende monumentenzorg en cultureel erfgoed, staat de Rijksdienst vaak al met 1-0 achter. Onderbezetting van de dienst en een gebrek aan onafhankelijke lokale correspondenten, lees: plaatselijke expertise, zorgt er dan ook nog eens voor dat men meestal te laat is in het geval van toevallige vondsten. Daarbij zijn de budgetten van gemeenten of opdrachtgevers voor archeologisch onderzoek doorgaans beperkt. Een situatie die de kwaliteit en de volledigheid van zo een onderzoek niet ten goede komt. De in dit artikel beschreven mentaliteit ten aanzien van de omgang met het cultureel erfgoed in Valkenburg en de schijnbare maakbaarheid van het verleden ten koste van dit erfgoed, heeft ervoor gezorgd dat de klok in Valkenburg ten aanzien hiervan op vijf voor twaalf staat. Alleen een ingrijpend bewustwordingsproces bij bevolking en bestuurders, maar ook bij de RCE, kunnen het tij keren. Zonder die bewustwording zijn de schatten uit het rijke verleden van Valkenburg overgeleverd aan willekeur en onverschilligheid.

15

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 15

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

Jos Cuijpers stedenbouwkundige en erfgoeddeskundige, werkzaam bij Cuijpers Advies te ‘s-Hertogenbosch

NUMMER

47

APRIL

2019

Erfgoed, water en ruimte (deel 2) De casus Lith

In het januarinummer van Vitruvius hebben we uiteen gezet hoe en waarom het Historisch Waterplan van de voormalige gemeente Lith tot stand is gekomen en waarom de gehanteerde benadering van belang kan zijn voor andere gebieden. We hebben de waterbiografie van deze omgeving besproken en de vijf grootschalige ingrepen in het watersysteem die de mens in de loop van de geschiedenis daar heeft aangebracht. In het navolgende gaan we in op de specifieke benadering van het dijkenlandschap en op de beleving van het watersysteem bij de bewoners van het gebied. Tenslotte gaan we nog in op de wijze waarop de resultaten van het onderzoek zijn vertaald in een toekomstvisie voor de gemeente. Dynamiek van de rivierdijken, het dijkenlandschap In het volgende zoomen we nog iets verder in op de geschiedenis van de rivierdijken rond Lith en op enkele facetten van de omgang met onderdelen van het ‘dijkenlandschap’. Dat het gebied van de gemeente Lith omstreeks 1250 à 1300 voorzien is van een doorgaande rivierdijk is uit de literatuur bekend1. Vaak wordt verondersteld dat de dijken vanaf toen op een vaste plaats hebben gelegen. Dat blijkt echter beslist niet overal het geval te zijn geweest. Integendeel: de waterkeringen in dit gebied hebben in de loop der eeuwen een enorme dynamiek gekend. Aantoonbaar is, dat van de vele kilometers Maasdijk in de gemeente Lith, zeker 60 % niet meer op de oorspronkelijke plaats ligt2. Maar

Ondergrond: kadastraal minuutplan gemeente Lith, sectie A, blad 2, 1829

John Mulder Bodem- en waterspecialist, historisch geograaf, werkzaam bij John Mulder bodem en landschap.

1-D  ijken bij Lith zelfs daar waar een hoge ouderdom van het tracé van de Maasdijk wordt vermoed, blijkt uit de historische bronnen, dat er sprake is van een belangrijke dynamiek. De dijken in de kern Lith zijn daar een voorbeeld van. Zo is op het kadastraal minuutplan te zien dat er vlak vóór de kern oude Maasstrangen3 liepen. Een daarvan staat aangegeven als het “Oude Maasje”. Al in 1457 wordt er in de archiefstukken gesproken over de Kleine Maas bij Lith4. Uit opgravingen blijkt, dat de kerkheuvel van Lith in de zeventiende eeuw sterk werd aangetast door de Maas. In die tijd is de kerk gedeeltelijk ingestort (de toren en een groot deel van het schip) en werd een keermuur aan de noordzijde van de heuvel gebouwd. Bij diezelfde

opgravingen werden restanten van een vroegmiddeleeuwse voorganger van de kerk aangetroffen. De heuvel moet dan ook ouder zijn dan de aansluitende dijkvakken. Een ander verhaal is de omgeving van de Kapelse Wiel. Deze wiel wordt al in 1519 genoemd. Op het kadastrale minuutplan is duidelijk te zien dat hier een dijkvak in noordelijke richting is verlegd. Dit dijkvak moet ouder zijn dan 1686, omdat er een huis uit dat jaar op staat. Een derde voorbeeld is het volgende: Verder naar het westen treffen we een dijkvak aan, dat al in 1451 ‘nieuwe dijk’ wordt genoemd. Ter plaatse is de percelering duidelijk afgesneden. Ook dit dijkvak is blijkbaar dus nieuw ten opzichte van het oorspronkelijke beloop.

16

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 16

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

NUMMER

47

APRIL

2019

Buiten de constatering dat de rivierdijken (in Lith) een veel dynamischer verleden hebben gehad dan eerder gedacht, is er nóg een overweging die ook voor andere locaties van belang kan zijn. Rivierdijken zouden naar onze mening niet moeten worden gezien als geïsoleerde objecten of structuren, maar moeten worden beschouwd als de belangrijkste en voorwaardelijke onderdelen – en dus de dragers - van het ‘dijkenlandschap’5. Tot het dijkenlandschap behoren volgens het Historisch Waterplan van de gemeente Lith: -  het dijklichaam met daarbij behorende dijkwegen, op- en afritten; -  dijkwoningen (deze zijn in het algemeen wezenlijk anders van opbouw en constructie dan woningen op het maaiveld); - dijkbeplanting; - kleiputten, al dan niet met grienden; - wielen; -  kwelgebieden, al dan niet met kwelsloten, kwelkaden6 etc.; - visuele relaties, vooral met de rivier. Kleiputten zijn in vroeger eeuwen gemaakt ten behoeve van het winnen van klei voor de reparatie of de ophoging van de dijk. Tot in de negentiende eeuw moest de klei zo dicht mogelijk bij de dijk worden gewonnen, omdat alles met de hand of met paarden vervoerd moest worden. Daarom werd er soms tot vlak naast de dijk ‘kleispecie’ gedolven. Zo ontstonden natte plekken (vaak ‘onland’ genoemd). Iets later werden er rabatten (hogere rillen, afgewisseld met sloten) aangelegd waarop grienden werden aangelegd. Nog weer later (onder meer in de tijd van de Maaswerken, bij de naoorlogse ruilverkavelingen en nogmaals bij de dorpsuitbreidingen) werden veel van deze lage plekken geëgaliseerd en zijn sloten gedempt. De weinige kleiputten die nu nog herkenbaar zijn, worden tegenwoordig gewaardeerd als waardevolle onderdelen van het dijkenlandschap. Er was echter ook een keerzijde7.

Bron: Waterplan gemeente Lith, 2005

Zelfs als er op detailniveau gekeken wordt, dan blijkt zo’n beperkt stukje rivierdijk als dat ter hoogte van de kern Lith, dus een hele geschiedenis van verleggingen, aantastingen en versterkingen te kennen. Dat zal op andere plekken in het rivierengebied niet anders zijn en geeft een ruimere betekenis aan het Historisch Waterplan gemeente Lith.

2 - Dijkdoorbraak te Lith (locatie Kapelse Wiel), 1855

3 - Schema ontstaan hoogwaterkwel

4 - Geheel overwoekerde kwelsloot bij Kessel. De sloot staat droog omdat het buitenwater laag staat. Blijkbaar krijgt het onderhoud van kwelsloten pas prioriteit als het buitenwater weer hoog staat. Bij de rivierdijken ontstaat namelijk soms kwel. Bij hoogwater dringt door de druk water via de ondergrond door tot het binnendijks gebied. Daardoor ontstaan natte plekken en wateroverlast. In het verleden werd deze overlast bestreden door het kwelwater via apart daarvoor gegraven sloten af te voeren. Deze kwelsloten voeren onder normale omstandigheden geen

of weinig water. Alleen als het buitenwater hoog staat en er kwel ontstaat, wordt er water afgevoerd. Door de ingrijpende veranderingen in het rivierenlandschap – en dan vooral de stroombedverleggingen en de ruilverkavelingen – is ook de overlast van kwel anders van karakter geworden en openbaarde een wijziging in de grondwaterstromen zich pas na vele jaren op onverwachte of ongewenste plaatsen. Een 17

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 17

13/02/19 22:28


NUMMER

47

APRIL

2019

Bron: van Diepen, 1952

VITRUVIUS

5-D  e Beerse Overlaat; bij Cuijk (rechts op de kaart) was een verlaging in de dijk gemaakt, waardoor bij hoog water het overtollige rivierwater kon afstromen en de druk op de dijken werd verminderd. De polders van Lith behoorden niet tot het directe strookgebied, maar doordat het gebied niet meer kon ontwateren of als er een tussendijk brak, liep het gebied toch steeds onder water als “De Beers om was”. andere verandering is de andere houding die tegenwoordig wordt aangenomen ten opzichte van hoogwaterkwel: waar deze in het verleden werd ervaren als een natuurlijk gegeven, waarmee men maar moest leven, worden op onregelmatige tijden onder water staande tuinen tegenwoordig nauwelijks meer geaccepteerd. Dit kon aanleiding zijn voor een knelpuntenanalyse als onderdeel van het Historisch Waterplan. Beleving van het water: ooggetuigen van de Beerse Overlaat Ook het opheffen van de Beerse Overlaat was een ingrijpende verandering. In het kader van de opstelling van het Historisch

Waterplan zijn vele bewoners geïnterviewd. Daaronder bevonden zich ook de laatst levende personen die aan den lijve de overstromingen van de Beerse Overlaat hebben meegemaakt. ‘s Winters stonden de polders in dit gebied regelmatig blank. Als ‘de Maas om was’ en ‘de Beers liep’, stroomde het poldergebied in enkele dagen (sommigen zeggen 14 dagen) geleidelijk aan vol. Het huidige buitengebied was vroeger opgedeeld in allemaal kleine poldertjes met dammen, kades en schutten en met een eigen bestuur. Als de overlaat in werking was, liep telkens een vak vol waardoor de waterlijn sprongsgewijs steeds verder naar

het westen vooruitschoof. Daardoor kwam het water dus niet als een vloedgolf, maar min of meer geleidelijk. Het waterpeil in de sloten in de poldertjes kwam steeds hoger. Het veld kwam geleidelijk aan dras en later blank te staan. Het duurde dagen of soms zelfs weken voordat het gebied helemaal onder water stond. Mensen en vee hadden genoeg tijd om te vertrekken. Ook het wild in de polder had tijd om hogere gronden op te zoeken. Er zijn verhalen opgetekend van hordes veldmuizen, konijnen en andere dieren die naar het hoogste punt (dat waren de dorpen!) vluchtten. De oude boerderijen lagen op terpachtige verhogingen of hadden een bakstenen borstwering met kerende deu-

18

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 18

13/02/19 22:28


NUMMER

47

APRIL

2019

Bron: Heemkundekring Maasdorpen in de gemeente Lith

VITRUVIUS

Bron: Heemkundekring Maasdorpen in de gemeente Lith

6-O  verstroming Beerse Overlaat bij Lithoijen, ca. 1925

7-W  ateroverlast Lith (Lithergraaf), mei 1979 ren en ‘zandzakken‘, zodat de koeien niet in het water stonden. Uiteindelijk kwam het water tot aan de rivierdijk. Lang niet alle jaren stond het water hoog genoeg om met een bootje te kunnen varen. De hoogte van het water was tussen de 10 en de 50 cm boven maaiveld. In 1929 was er bijvoorbeeld veel wateroverlast. Het water kwam toen tot aan de kerk bij Oss. De Meerdijk ten zuiden van Oijen richting Oss ging net niet onder water. Bij Oijen stond in het veld achteraf een noodschuur, voor als het water te hoog kwam en het vee niet meer naar huis kon. Helaas is de noodschuur, die een typerend onderdeel van het toenmalig dijkenlandschap was, in 1945 afgebroken. De Beerse Overlaat werd in 1942 gesloten. Voor die tijd kon er als de polder volliep geen wintergraan gezaaid worden

en als het vroeg in de herfst gebeurde ging de oogst verloren. De boeren hadden meestal maar een halve oogst voordat de Maas gekanaliseerd werd. Terwijl het sluiten van de overlaat allerwegen is beschouwd als een enorme waterstaatkundige en maatschappelijke vooruitgang, is er nu toch ook enige scepsis - of in ieder geval wordt er nagedacht over een nieuwe functie voor de historische overloopzone: de polders in dit gebied zouden opnieuw kunnen dienen voor waterberging en ook als natuurreservaat8. Toekomstvisie In de toekomstvisie van het Historisch Waterplan gemeente Lith is het watersysteem in de voormalige gemeente in zijn totaliteit benaderd, waarbij extra aandacht is gevraagd voor de historische waarden en mogelijkheden. Een groot

aantal knelpunten moet opgelost worden. De historische benadering van de knelpunten (in tegenstelling tot de louter technische benadering) levert veelal een bredere kijk op de problematiek. Bij ruimtelijke projecten aan of nabij de dijk, betrekt men het gehele dijklandschap, zoals dat voor het Historisch Waterplan in kaart is gebracht. Er wordt daarbij niet alleen naar de afzonderlijke elementen en structuren van het dijklandschap gekeken, maar ook naar de onderlinge (historische) samenhang. De benutting en het uitdragen van de kennis uit de waterbiografie en de beleving van de betrokkenen en hun voorouders zijn hierbij van groot belang om voldoende draagvlak te genereren – ook in de huidige gemeente Oss. Dit laatste raakt onder meer de voorgestelde omgang met het kwelwater: in de afgelopen decennia zijn bij de dorpsuitbreidingen vele kwelsloten gedempt, waardoor kwelwater van onder de dijk niet meer afgevoerd kan worden. Bij een hoge waterstand in de rivier levert dat soms bizarre taferelen op van tuinen en straten in nieuwbouwwijken die dras of blank staan, zonder dat er extreem veel regen gevallen is en dit terwijl de andere gebieden nergens last van hebben. De resterende kwelsloten in de gemeente zullen daarom in de toekomst zonder meer gehandhaafd blijven en waar mogelijk zullen gedempte kwelsloten worden hersteld. Verder is ervoor gekozen in de nieuw te ontwikkelen woonuitbreidingen een extra wateropgave te stellen, namelijk het realiseren van een robuust watersysteem dat niet alleen zorgt voor hemelwaterretentie, maar ook voor opvang van kwelwater voor de omliggende relatief recente woongebieden. Resumerend kan worden gezegd dat het Historisch Waterplan van de voormalige gemeente Lith een scala aan voorstellen en oplossingen bevat om het watersysteem op een historisch verantwoorde wijze duurzaam en toekomstbestendig te maken. Het waterplan heeft niet alleen betekenis voor de huidige gemeente Oss, maar verdient analyse door en eventueel toepassing in andere gemeenten en gebieden die thans met een vergelijkbare problematiek geconfronteerd worden en die met de kennis van nu de fouten en tekortkomingen uit het verleden te lijf willen gaan. 19

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 19

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

8-F  ragment plankaart Historisch Waterplan gemeente Lith (2005)

Referenties 1 Buijks, 1996. 2 Cuijpers, 1994. 3  Een strang is een nevengeul van een rivier binnen een uiterwaard. Strangen komen voornamelijk voor langs de Rijn en de Maas. 4  ORA Lith, 1457: “van den dijck totten cleynen Maesen toe” 5  Hierbij kan verder nog gedacht worden aan resten of sporen van verdwenen of afgegraven dijklichamen e.d. 6  Kwel is een verzamelnaam voor verschillende typen en oorsprongen van doorsijpelend en aan de oppervlakte komend (grond)water: rivierkwel, polderkwel, zoute kwel. Zo mogelijk wordt kwelwater gekeerd door kwelkaden en/of verzameld in kwelsloten Zie ook https://nl.wikipedia.org/wiki/ Kwel 7  Dit had onder meer te maken met het verplaatsen van de rivierbedding, waardoor sommige oorspronkelijk buitendijkse gronden, binnendijks kwamen te liggen - en andersom. De onderliggende bodemstructuren en ook de natuurlijke grondwaterstromen raakten hierdoor verstoord, met onder meer kwel als gevolg. 8  Zie ook http://onsbeers.nl/ beerse-overlaat/geschiedenis/

Bronnen -  Adviesbureau Cuijpers/Gemeente Lith (1999): Historisch padenplan gemeente Lith, ‘s-Hertogenbosch/ Lith. -  Adviesbureau Cuijpers/Gemeente Lith (2001): Erfgoedplan gemeente Lith, ‘s-Hertogenbosch/Lith. -  Adviesbureau Cuijpers en Alterra (2005): Waterplan gemeente Lith, ‘s-Hertogenbosch/Wageningen. -  Buijks, H.G.J. (1984): 675 jaar waterschappen in de Maaskant 1309-1984, Oss. -  Buijks, H.G.J. (1996): “Van den Grave aff totter Diezen toe” - Bijna 700 jaar waterschappen in het Maasland 13071996, Oss. -  Cuijpers, J. (1994-1): Dijken in Brabant, in: Brabants Heem 46 (1994), p. 3 - 6. -  Cuijpers, J. (1994-2): Dijken in Lith, in: De Maaskroniek 17 (1994), p. 36 - 43. -  Diepen, D. van (1952): De bodemgesteldheid van de Maaskant, proefschrift Wageningen. -  Kolen, J.C.A. (2005): De biografie van het landschap. Drie Essays over Landschap, Geschiedenis en Erfgoed (Amsterdam, 2005). -  Kolen, J.C.A. (2006): A biographical

NUMMER

47

APRIL

2019

approach to regions and its value for spatial planning, in: A. van der Valk & W. van der Knaap (red.): Multiple landscape (Wageningen). -  Leenders, K.A.H.W. (2017): Gemeyntenkaart voor het Maas-Demer-Scheldegebied, www.academia.edu/26430748/..... -  Mulder, J.R., A.E. Gazenbeek en E. van der Linden (2001): In de ban van de Betuwse dijken, deel 1 Loenen, Wageningen. -  Mulder, J.R., F. Spaan en J.G.C. de Wolf (2002): In de ban van de Betuwse dijken, deel 2 Oosterhout, Wageningen. -  Mulder, J.R. (2002): In de ban van de Betuwse dijken, deel 3 Doornenburg (Roswaard), Wageningen. -  Mulder, J.R., P.F.J. Franzen, L.J. Keunen en A.J.M. Zwart (2003): In de ban van de Betuwse dijken, deel 4 Angeren, Wageningen. -  Mulder, J.R., L.J. Keunen en A.J.M. Zwart (2004): In de ban van de Betuwse dijken, deel 5 Malburgen, Wageningen. -  Reuvers, L.A (1872).: De Maasdijken in Gelderland en Noord-Brabant en de werken tot verbetering dier Rivier (23 bladen). -  Rooij, H.J.M. van (1963): Het oud-archief van het Groot-Ziekengasthuis te ‘s-Hertogenbosch, eerste deel inventaris, ’s-Hertogenbosch. -  Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: (2016): Handreiking Water, erfgoed en ruimte (https://cultureelerfgoed.nl/.../handreiking-water-erfgoed-en-ruimte). -  Salverda, I.E. en J.R. Mulder (2003): Het verhaal achter de boerderij – een zoektocht van boerderijeigenaren uit de Over-Betuwe naar het verleden van hun boerderij als inspiratiebron voor de toekomst, Wageningen.

20

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 20

13/02/19 22:28

D


Doe mee...en win!

Co Brandes - Bouwmeester van de Nieuwe Haagse School AUTEUR Kees Rouw UITGAVE NAI010 Publishers DETAILS Hardcover, 208 pagina’s, rijk

PRIJS

geïllustreerd (300 beelden in kleur en zw/w), ISBN 978-94-6208-463-6 € 39,95

G

een enkele architect heeft tijdens het Interbellum het aangezicht van Den Haag en Wassenaar zo bepaald als Co Brandes (1884-1955). Hij was de belangrijkste exponent en meest productieve architect van de Nieuwe Haagse School, de derde stroming binnen de vooroorlogse moderne Nederlandse architectuur, tussen het Nieuwe Bouwen en de Amsterdamse School in. Zijn omvangrijke oeuvre, dat tot stand kwam tussen 1902 en 1955, omvat ruim 400 projecten. Het architectonische en stedenbouwkundige beeld van zowel het dorp Wassenaar als de uitdijende stad Den Haag is in belangrijke mate bepaald door zijn werk. Met het villapark Marlot als voortreffelijk voorbeeld van synthese tussen architectuur en stedenbouw. Brandes is de vormgever bij uitstek van het ultieme ‘jarendertighuis’, met zijn gewilde combinatie van ambachtelijkheid, moderniteit en wooncomfort. Het rijk geïllustreerde boek Co Brandes. Bouwmeester van de Nieuwe Haagse School omvat niet alleen het allereerste volledige overzicht in tekst en beeld van het leven en oeuvre van deze veelzijdige Haagse architect, maar omvat ook een verassende biografie van zijn stad. Onder onze abonnees verloten wij 5x een exemplaar van dit boek. Alles wat u hoeft te doen is vóór 22 april 2019 een e-mail te sturen met uw naam en adres naar info@uitgeverijeducom.nl met als onderwerp ‘Brandes’. n

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 21

RECENT / LEZERSACTIE

Wederopbouwboerderijen. Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955. AUTEUR Sophie Elpers UITGAVE NAI010 Publishers

i.s.m. Meertens Instituut DETAILS  Hardcover, 328 pagina’s,

PRIJS

T

geïllustreerd, ISBN 978-94-6208-461-2 € 39,95

ijdens de Tweede Wereldoorlog werden in Nederland meer dan 9000 boerderijen verwoest. Gedurende de wederopbouwperiode werd er een spanningsveld voelbaar tussen behoud en innovatie. Hieraan ten grondslag lag de gedachte dat boerderijen twee functies hadden te vervullen. Ze symboliseerden bepaalde traditionele waarden en moesten bijdragen aan de versterking en de vorming van een nationale identiteit. Anderzijds bleven het agrarische gebruiksobjecten die van centraal belang waren voor de modernisering van de Nederlandse landbouw. Veel plattelandsgebieden worden nog steeds bepaald door wederopbouwboerderijen uit de jaren 1940–1955. Dit boek gaat in op het verhaal achter deze wederopbouwboerderijen. Het belicht de verschillende standpunten en geeft door middel van prachtig beeldmateriaal een beeld van de dynamiek en complexiteit van de wederopbouw. Bovendien zijn er spannende overeenkomsten te vinden in het verhaal over de wederopbouw en discussies rond hedendaagse traditionalistische plattelandsarchitectuur. Onder onze abonnees verloten wij 5x een exemplaar van dit boek. Alles wat u hoeft te doen is vóór 22 april 2019 een e-mail te sturen met uw naam en adres naar info@uitgeverijeducom.nl met als onderwerp ‘Wederopbouwboerderijen’. n

De Dam

AUTEUR Fred Feddes UITGAVE Bas Lubberhuizen DETAILS  Gebonden, 256 pagina’s,

rijk geïllustreerd (230 afbeeldingen), ISBN 978-90-5937-532-1 PRIJS € 49,99

D

e navel van Nederland, het hart van Amsterdam: de Dam is het nationale plein van Nederland. Hier staan het Koninklijk Paleis, het Nationaal Monument en de Nieuwe Kerk. Sinds mensenheugenis is dit plein de uitverkoren locatie voor officiële gebeurtenissen, feesten, protesten en herdenkingen. Tegelijk is de Dam een heel ongewoon plein, zoals de ontstaansgeschiedenis aantoont. In feite zijn het twee pleinen, ofwel een mislukt plein. Het veranderde ook vele malen van uiterlijk, zoals de vele schilderijen en foto’s laten zien, enkele malen in 360°-graden perspectief. In het boek De Dam legt auteur Fred Feddes – aan de hand van heel veel beeldmateriaal – uit hoe het plein sinds de dertiende eeuw wordt gebruikt, hoe het zijn huidige uiterlijk heeft gekregen, en welke opmerkelijke gebeurtenissen zich hier (toen en nu) afspeelden. Onder onze abonnees verloten wij 3x een exemplaar van dit boek. Alles wat u hoeft te doen is vóór 22 april 2019 een e-mail te sturen met uw naam en adres naar info@uitgeverijeducom.nl met als onderwerp ‘Dam’. n Heeft u nog geen abonnement? Wordt dan snel abonnee* om ook kans te maken op een van de gratis exemplaren. * Een abonnement op het vakblad Vitruvius bedraagt € 45,- per jaar/per 4 edities.

13/02/19 22:28


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

Glans & Geluk. Kunst uit de wereld van de Islam. AUTEURS

Charlotte Huijgens, Luitgard Mols e.a. UITGAVE

Waanders & De Kunst D E TA I L S

Paperback, 280 pagina’s, geïllustreerd met 265 illustraties in kleur, ISBN 978-94-6262-194-7 PRIJS

€ 27,50

V

NUMMER 47

APRIL 2019

en levensechte vogels en vissen. Dit boek presenteert de verbluffende ornamentiek van islamitische kunst in de periode 900-1900 aan de hand van bijna 300 voorwerpen uit de collectie van het Gemeentemuseum Den Haag. De rijke details van de versieringen zijn zowel religieus als wereldlijk van aard. Ze herinneren aan het moois dat in het hiernamaals te wachten staat. Maar geven ook uitdrukking aan een liefde voor het goede leven. Naast een ode aan het ornament in tekst en beeld brengen 18 schrijvers, koks en musici individuele objecten uit Glans en Geluk tot leven. In verhalen, gedichten en recepten onthullen zij de verzameling als een collectie vol geluk en zetten zij de zintuigen op scherp. n

an vloeiende kalligrafie tot weelderige bloemenpracht, van geometrische sterpatronen tot oneindige arabesken

Interieurs van herrijzend Nederland 1940-1965.

thematische hoofdstukken over kleur, materialen, comfort en techniek en honderden afbeeldingen.

AUTEUR

Marieke Kuipers (red.) UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 320 pagina’s, geïllustreerd met ca. 450 afbeeldingen, ISBN 978-94-6258-217-0 PRIJS

€ 49,95

I

nterieurs van herrijzend Nederland 1940-1965. Binnenruimten van een opkomende welvaartsstaat biedt een overzicht van de monumentale binnenhuiskunst tot de toevallig ontstane interieurs uit de wederopbouwperiode. Het boek bevat beknopte essays over de voornaamste ontwikkelingen,

In korte tijd wist Nederland te herstellen van de enorme oorlogsschade. Na een moeilijke start van schaarste kwamen er tussen 1945 en 1965 meer dan 2,5 miljoen nieuwe bouwwerken bij. De bijbehorende binnenruimten waren veelzijdig in vormgeving voor wonen en werken, leren en kerken, winkelen en ontspannen. Dankzij overheidssteun voor standaardisatie en mechanisatie werd snelle en massale productie mogelijk van gebouwen, meubels en materialen voor de aankleding van de interieurs. Goed Wonen werd een begrip. Intussen wordt het steeds moeilijker om nog volledig originele interieurs uit het midden van de twintigste eeuw te vinden. Deels door slijtage, deels door verandering in smaak en techniek, maar ook door onbekendheid en onderwaardering. n

De kerk als tijdmachine. AUTEURS

Martin Hillenga, Stefan de Keijser (tekeningen) UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 48 pagina’s, geïllustreerd (12 afbeeldingen in kleur), ISBN 978-94-6258-274-3 PRIJS

€ 14,95

O

ude kerkgebouwen zijn gestolde geschiedenis. Je kunt er eeuwenoude sporen vinden! Maar spoorzoeken valt

nog niet mee… voor een kind, en voor menig volwassen bezoeker, is het een lasagna van tijdlagen. Stefan de Keijser toont in De kerk als tijdmachine laag voor laag, tijdvak voor tijdvak, hoe het allemaal zo gekomen is. Van de lege plaats in het land tot aan de multifunctionele hedendaagse kerk. In minutieuze tekeningen, met verf ingekleurd, wordt de geschiedenis ontrafeld. Als kijker ontdek je hoe kerken ooit zijn gebouwd, en hoe de gebouwen door de eeuwen heen voortdurend veranderen. En… zou het allemaal echt zo zijn geweest? Dit boek toont een kleurig palet aan mogelijkheden. Het is de verbeelding van de tijd door de makers. Sommige dingen weten we, naar andere zaken kunnen we slechts gissen. Of het echt zo was, of toch anders… wat denk je? n

22

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 22

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

NUMMER 47

recent

APRIL 2019

VERSCHENEN

5 eeuwen Nederland. Op weg naar vrijheid en gelijkheid. AUTEURS

Arjan Poelwijk, Paul Brood en Ron Guleij UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 176 pagina’s, geïllustreerd (ca. 200 afbeeldingen in kleur), ISBN 978-94-6258-279-8 PRIJS

€ 29,95

‘A

lle mensen worden met gelijke rechten geboren,’ aldus de Verklaring van de rechten van de mens en van de burger uit 1795. Het manifest was bijzonder, want van gelijke rechten was in de samenleving van toen geen enkele sprake. De gereformeerde religie was de heersende godsdienst. Homoseksuelen werden vervolgd en gedood. Vrouwen waren ondergeschikt aan hun man. Op Nederlands grondgebied waren weliswaar geen slaven, maar in de bezittingen overzee waren ze een normaal verschijnsel. Welke rechten hadden de Nederlanders toen? En hoe was Nederland georganiseerd? Het zijn vragen over tijden en situaties die wij ons nauwelijks kunnen voorstellen. Van een

‘Nederlands gevoel’ was vijf eeuwen geen sprake, simpelweg omdat de inwoners van al die straatjes niets gemeenschappelijks hadden. Maar dat veranderde in de tweede helft van de vijftiende eeuw. Het was het voorzichtige begin van een nieuwe staat waaruit het huidige Nederland voortkwam. In een voortdurende wisselwerking hebben staat en inwoners elkaar sindsdien beïnvloed en is de democratische samenleving van nu gegroeid. In Vijf eeuwen Nederland wordt de ontwikkeling van vijf eeuwen burgerschap verteld aan de hand van documenten uit het Nationaal Archief en persoonlijke verhalen die uit de archieven opgedolven zijn. n

I

n 1974 legde Reinjan Mulder (1949) een grof raster over de kaart van Nederland en trok eropuit om op de 52 kruispunten te gaan fotograferen. Doel was de objectieve werkelijkheid van Nederland vast te leggen, ongekleurd door tradities, bereikbaarheid en schoonheidsidealen.

Objectief Nederland. Veranderend landschap 1974-2017. AUTEUR

Reinjan Mulder en Cleo Wächter UITGAVE

nai010 D E TA I L S

Paperback, 224 pagina’s, geïllustreerd (508 kleur), ISBN 978-94-6208-464-3

Het project werd 42 jaar later tentoongesteld in het Rijksmuseum in Amsterdam, en op aanraden van Rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving Berno Strootman geherfotografeerd door fotografe Cleo Wächter (1993). Met ongeëvenaarde precisie, maar niet zonder eigen artistieke inbreng, voltooide Wächter in 2017 het herfotografieproject Objectief Nederland 1974-2017. De twee fotoseries worden nu gebundeld in Objectief Nederland. Veranderend landschap 1974–2017, een historisch document dat de vele veranderingen van het Nederlandse landschap in de afgelopen halve eeuw op een vernieuwende manier in kaart brengt en tegelijk fotografie als kunstvorm en bron van wetenschap bevraagt. Is fotografie ooit écht objectief te noemen? En leent iets wat begon als kunstproject zich wel voor wetenschappelijke doeleinden? n

PRIJS

€ 34,95

23

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 23

13/02/19 22:28


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

Oale groond. Geschiedenis van het Twentse landschap. AUTEUR

John van Zuidam UITGAVE

Matrijs i.s.m. Netwerk voor Landschap & Geschiedenis D E TA I L S

Gebonden, 168 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-5345-538-8 PRIJS

€ 24,95

D

e streek Twente in het oosten van Nederland is vooral bekend vanwege de voormalige textielindustrie en om de technische universiteit, gevestigd in Enschede. Maar ook om het unieke Twentse landschap dat al van oudsher vele toeristen trekt. Het is een gebied met een uitzonderlijke combinatie van glooiende landschappen, havezaten en landgoederen, fabrieksschoorstenen en boerenerven. Het Twentse landschap is in de loop van de eeuwen gevormd door natuurlijke processen en menselijke invloeden. In een natuurlandschap van hoogtes en laagtes probeerde de mens een agrarisch bestaan op te bouwen. De omvangrijke land-

NUMMER 47

APRIL 2019

goederen, zoals Singraven, Weldam en Twickel, zijn veelal voortgekomen uit middeleeuwse kastelen en havezaten (versterkte huizen) en zijn kenmerkend voor Oost-Nederland. Er waren uitgestrekte markengronden, beheerd door collectieven van boeren die gezamenlijk het gebruik van de gemeenschappelijke gronden regelden. De verkaveling en ontginning van deze grond in de negentiende eeuw had grote invloed op de ontwikkeling van het landschap. De oude heidevelden verdwenen en een modern, jong agrarisch landschap ontstond, naast landgoederen van fabrikanten. Ook de opkomst van de textielindustrie heeft zijn sporen nagelaten. De textielnijverheid groeide in de negentiende en twintigste eeuw uit tot een omvangrijke bedrijfstak met fabrieken in onder meer Almelo, Enschede, Hengelo en Nijverdal. Nog altijd is dit verleden zichtbaar in de stad en op het land, in de vorm van oude fabrieksgebouwen, arbeiderswijken en de genoemde fabrikantenbuitens. In Oale groond is de dynamische ontwikkeling van het Twentse landschap op de voet te volgen. De toegankelijke tekst en talrijke foto’s en illustraties in het boek laten zien hoe deze streek is geworden zoals ze nu is: een uniek landschap in Nederland. n

Interieurs van het Binnenhof. Verscholen erfgoed in beeld. AUTEURS

Paula van der Heiden UITGAVE

Stokerkade D E TA I L S

Gebonden, 240 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-7915-645-0 PRIJS

€ 29,50

H

et Binnenhof is het icoon van de Nederlandse democratie. Zo’n acht eeuwen geleden bouwen de graven van Holland er hun woning met paleisachtige allure: de Grafelijke Zalen met als eyecatcher de Ridderzaal. Zij combineren wonen met werken en zo wordt het Binnenhof het bestuurscentrum van hun Hollandse bezittingen. In later eeuwen blijft het landsbestuur hier gevestigd, tot op de dag van vandaag. Het Binnenhof is vrij toegankelijk. Het is bijzonder dat iedereen door de poorten naar ‘binnen’ kan om de gevels te bekijken. Enkele ruimten daarachter, zoals de Ridderzaal en de vergaderzalen van de Eerste en Tweede Kamer, zijn

overbekend. Maar er is meer. Zalen en kamers, galerijen en trappen, kabinetten en kelders ademen de geest van historische personen en gebeurtenissen. Een museum is het echter niet: hier werken de Staten-Generaal, de Raad van State en de minister-president aan de geschiedenis van de toekomst. Dit prachtig geïllustreerde boek opent in woord en beeld deuren die anders gesloten blijven. Het geeft een unieke inkijk in de rijke verscheidenheid aan interieurs achter de bekende gevels. Deze interieurs vertellen niet alleen historische verhalen, maar tonen bovenal de rijkdom van ons cultureel erfgoed, verscholen in het hart van Den Haag. n

24

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 24

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

NUMMER

47

APRIL

2019

Wat erfgoed kan doen Eva Stegmeijer Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

de oogst van zeven jaar Programma Erfgoed en Ruimte Gedurende zeven jaar heeft het Ministerie van OCW ingezet op Erfgoed en Ruimte,

Onderzoek naar resultaten Programma Erfgoed en Ruimte Sinds 2011 heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) het omvangrijke programma Erfgoed en Ruimte gedraaid. Aan het eind van dit jaar komt deze uitvoering van de beleidsnota van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Kiezen voor Karakter¸ Visie Erfgoed en Ruimte, tot zijn einde. Een goed moment dus om de balans op te maken. Welk doel had het Rijk met dit beleidsprogramma voor ogen? Hoe past dit in de traditie van het ruimtelijk erfgoedbeleid in Nederland? Wat is er in die zeven jaar bereikt en (hoe) kunnen we de impact vergroten? En hoe nu verder, qua rijksbeleid en ‘in het land’? Dit soort vragen liggen ten grondslag aan een onderzoek naar de Oogst van het programma. Een onderzoek dat nog in volle uitvoering is, en waarvoor naast documentstudie ook 75 interviews zijn gehouden,1. Het merendeel daarvan was op locatie en met externe partners. Binnen het programma zijn namelijk ruim 200 samenwerkingsprojecten gerealiseerd, vrijwel allemaal met twee of meer partners in het land. Van waterschappen tot universiteiten, van provincies tot ontwerpbureaus, van koepelorganisaties tot gemeenten. De Visie Erfgoed en Ruimte In de Visie Erfgoed en Ruimte (Ministerie van OCW, 2011) is geschetst “hoe het rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening, welke prioriteiten het kabinet daarbij stelt en hoe het wil samenwerken met publieke en private partijen. Vanuit een brede erfgoedvisie wordt ingezoomd op de meest actuele en urgente opgaven van nationaal belang” (p.5). Naast enkele erfgoed-gedreven prioriteiten wordt een aantal grote ruimtelijke opgaven gesignaleerd. Voor beide ziet het

in een beleidsprogramma wat tot eind 2018 is uitgevoerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De impact op erfgoed van grote ruimtelijke opgaven, zoals de energietransitie, waterveiligheid, bodemdaling en druk op de steden, is geagendeerd en in ruim 200 samenwerkingsprojecten zijn concrete antwoorden op oplossingsrichtingen vanuit dat erfgoed gezocht. In dit artikel wordt het beleidsprogramma gepositioneerd in een langere traditie en worden de eerste resultaten van een onderzoek naar de impact ervan geïllustreerd.

1 - Argumenten om op erfgoed in te zetten in ruimtelijke transities. rijk, in tijden van doorgaande decentralisatie, een rol voor zichzelf weggelegd. Het gaat enerzijds om grote ruimtelijke transities die een enorme impact op het gebouwde erfgoed en cultuurlandschap (gaan) hebben. Het zijn opgaven van nationaal belang; denk aan waterveiligheid, de agrarische- en energietransitie, demografische krimp en druk op de stad (verdichting, herbestemming), aard-

schokken en bodemdaling. Daarnaast is een actieve inzet vanuit het ministerie in de erfgoedsfeer plausibel daar waar het gaat om internationale afspraken zoals bij de Nederlandse werelderfgoederen. Dat geldt ook voor het agenderen van meer recent erfgoed, zoals de gebieden uit de wederopbouwperiode, die bovendien voor een omvangrijke verduurzamingsopgave staan. 25

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 25

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

en draagvlak voor de voorgenomen ingreep te bevorderen, met het verhaal van de plek als katalysator voor gesprek en samenwerking tussen belanghebbenden. Tot slot kan erfgoed innovatieve oplossingen en ontwerp inspireren die bijdragen aan de omgevingskwaliteit (waardecreatie). Erfgoed in ruimtelijke ordening, niets nieuws Het behoud en de ontwikkeling van erfgoed staat dus midden in het ruimtelijke domein, en dat is niet iets van de laatste jaren. Al met de invoering van de Monumentenwet in 1961, en daarmee de introductie van het instrument van de beschermde (stads- en dorps)gezichten, is monumentenzorg gekoppeld aan het ruimtelijk instrumentarium. Immers, de ministers van Cultuur en van Ruimtelijke Ordening kenden samen de status toe en bescherming werd geregeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Prins et al, 2014). Die koppeling is steeds sterker geworden met de herziening van die wet in 1988, de Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo: Ministerie van OCW, 2009) en daarop aangepaste Monumentenwet en Besluit Ruimtelijke Ordening (beide in 2012). De verantwoordelijkheid voor de

47

APRIL

2019

bescherming van (rijks)monumenten is geleidelijk aan steeds meer gedecentraliseerd en gemeenten kregen de plicht om cultuurhistorische waarden integraal mee te nemen in bestemmingsplannen. Qua nationaal beleid vormden de stadsvernieuwingsbudgetten en het Belvedere-beleid (Ministerie van OCW, 1999) daarbij een belangrijke impuls. Behoud door ontwikkeling werd het credo. Herbestemming en herontwikkeling van industriële gebieden werden in relatie tot (woningbouw)opgaven op de kaart gezet (Janssen et al., 2014b). De Visie Erfgoed en Ruimte kan worden gezien als de volgende stap in het ontwikkelings- en gebiedsgerichte erfgoedbeleid. Een uitbreidend repertoire aan erfgoedbenaderingen Je kunt vaststellen dat erfgoed zo niet alleen steeds verder geïntegreerd is geraakt in ruimtelijke planning, maar ook dat het erfgoeddomein steeds breder is geworden. Van het uitzonderlijke steeds meer naar het alledaagse. Denk aan industrieel- maar ook aan jong erfgoed zoals de wederopbouwgebieden. Van objecten naar gebieden en zelfs landschappen. Van het tastbare naar het immateriële, zoals het verhaal van erfgoed. Het erfgoed wordt

Bron: Janssen et al., 2014a, p.12.

Vertaalslag naar een programma De rijksinzet op deze prioriteiten van €24 miljoen, menskracht, kennis en andere middelen, is door het ministerie van OCW bij de RCE belegd. Het beleidsprogramma bestaat uit samenwerkingsprojecten om gezamenlijk te komen tot agendering, oplossingen, instrumenten, kennis en ontwerp. Soms is een project locatie-specifiek, soms op landelijk niveau en soms is de insteek wat abstracter. Voorbeelden van dat laatste zijn de thematische tijdslijnen, die de historische omgang met, en weerslag op het landschap van wat nu nieuwe opgaven lijken, in kaart brengen. Zodoende worden de ruimtelijke opgaven in een breder perspectief geplaatst, wat een basis voor discussie en draagvlak biedt. De tijdlijn Nederland Energieland laat bijvoorbeeld zien hoe Nederland al eeuwen lang verschillende energietransities heeft ervaren, van turfwinning tot windenergie, en hoe het Nederlandse landschap hierdoor (mede) is gevormd. Figuur 1 laat drie concrete argumenten zien voor de inzet van erfgoed in ruimtelijke projecten: Je voorkomt procesvertraging wanneer de randvoorwaarden vanuit erfgoed dat wettelijk beschermd is in beeld zijn. Erfgoed kan bovendien ingezet worden om begrip

NUMMER

2 - Erfgoed als sector, factor en vector. 26

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 26

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

NUMMER

47

APRIL

2019

mate de uitkomst van een maatschappelijk debat. De auteurs benadrukken dat de benaderingen complementair zijn, en dus naast elkaar en in mengvormen bestaan én dat de jongste aanpak niet persé beter is. Sterker nog, de complexe realiteit waarin erfgoedzorg zich bevindt, vraagt om het flexibel kunnen inzetten van bescherming, beheer en transformatie. Overigens, ook internationaal wordt de verbreding gesignaleerd van wat als erfgoed gezien wordt, wat we ervan verwachten, en hoe dit tot uiting komt in ruimtelijk beleid (vb. Pickard, 2002; Pendlebury, 2009). Ook in de praktijk blijken de benaderingen complementair De analyse van het programma Erfgoed en Ruimte laat zien dat de drie benaderingen inderdaad alle voorkomen en veelal gecombineerd ingezet worden. De ruimtelijke opgaven die op ons afkomen worden namelijk niet zo zeer (alleen) als een bedreiging voor het erfgoed gezien, maar zeker ook als een kans. Om het erfgoed te versterken en om het erfgoed een

bijdrage te laten leveren aan een kansrijke omgang met deze uitdagingen. Via het opnieuw inzetten van technieken en kennis uit het verleden, via het achterhalen en inzetten van de (historische) kwaliteiten in het gebied, en om het gesprek aan te gaan met alle betrokkenen over wat van (van oudsher) de gebiedseigen kwaliteiten zijn en hoe deze verder te ontwikkelen met het oog op de toekomst. Denk bijvoorbeeld aan de klimaatstresstesten die steden en waterschappen in het kader van ruimtelijke adaptatie (klimaatbestendigheid; opvang van droogte en piekaanvoer van water) de komende jaren maken. Het combineren van gegevens over historische en huidige watersystemen op basis van gedigitaliseerd historisch kaartmateriaal dat vrij beschikbaar is in GIS, levert beter inzicht in de ontwikkeling die heeft plaatsgevonden op locaties waar overlast kan optreden en veelal ook in een concrete oplossing, bijvoorbeeld door het opnieuw gebruiken van historische waterlopen2. Dat bescherming hand in hand kan gaan met vernieuwing, laat ook de herontwik-

Foto: Eva Stegmeijer

niet langer slechts gezien als een kwetsbare, eindige voorraad die gevrijwaard moet worden van ruimtelijke dynamiek, maar als een eindeloze bron van inspiratie en (lokale) karakteristieken en uniciteit. Kortom, van kostenpost naar bron van waarde-creatie. Janssen et al. (2017) beschrijven het opeenvolgende ontstaan van drie benaderingen van erfgoed in de ruimtelijke ordening: erfgoed als ruimtelijke sector - bescherming door het vrijwaren van ruimtelijke dynamiek -, als ruimtelijke factor - erfgoed als asset, een bron voor stedelijke en regionale revitalisatie - en als ruimtelijke vector - erfgoed geeft richting aan ruimtelijke projecten en plannen (zie figuur 2). Zo is erfgoed niet langer het exclusieve domein van kunst- en architectuurhistorici, maar ook van politici, economen, planologen, en zo hebben- in toenemende mate – bewoners en andere enthousiastelingen een plek naast de experts in het bepalen van de waarde en inzet van erfgoed. Van min of meer objectief gegeven dat door experts wordt bepaald, is erfgoed in toenemende

3 - Herinrichting van de IJsselkade Zutphen, van parkeerterrein tot verblijfsruimte met flexibele wateropvang. 27

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 27

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

NUMMER

47

APRIL

2019

Naam Enzo

Foto’s: Eva Stegmeijer

rcillutpa n

4 - Dankzij diverse HIA’s kunnen de kernwaarden van Kinderdijk in stand blijven, terwijl ook een bezoekersontvangst wordt gerealiseerd die past bij werelderfgoed van dit formaat. keling van de IJsselkade in Zutphen zien. Cultuurhistorische structuren uit de rijke geschiedenis van de Hanzestad vanaf het jaar 900 die in een gelijknamige verkenning beknopt inzichtelijk zijn gemaakt, vormden een welkome inspiratiebron voor de ontwerper die de herinrichting van de kade vormgaf3 (zie figuur 3). De vestingwerken worden nu ingezet voor de waterveiligheidsopgave, terwijl ook de verblijfskwaliteit een impuls krijgt4. Onze gesprekken met de gemeente Zutphen, het waterschap en de ontwerper laten een grote tevredenheid zien met het resultaat, maar er komen ook diverse lessen boven tafel. Of liever, boven water. Dat is niet alleen een kerndoel in het onderzoek maar ook in de oorspronkelijke opzet van het programma; een project mag experimenteel zijn en desnoods mislukken, maar het elders bruikbaar maken van de resultaten (voorbeeldwerking) is altijd de inzet.

Wat maakt erfgoedinzet succesvol? Om erfgoedinformatie voedend te laten zijn aan huidige opgaven en toekomstvisies is een vorm van duiding, vaak op basis van (cultuurhistorisch) onderzoek nodig. Dit kan de vorm hebben van cultuurhistorische verkenningen, gebiedsbeschrijvingen, gebiedsbiografieën of archeologische verwachtingskaarten. Soms gaat het daarbij om uitgebreide en wetenschappelijk verantwoorde studies of (vak)technische rapporten. Dan is het voor ontwerpers en andere ruimtelijke professionals behulpzaam als er een vertaalslag en liefst ook selectie plaatsvindt. Dus geen zwaar jargon in dikke boekwerken, maar structurerende concepten en principes, bij voorkeur ook visueel. Dit valt niet altijd in de comfortzone of het mandaat van erfgoedmensen. Soms is samenwerking met bijvoorbeeld een landschapsontwerper of historisch geograaf behulpzaam. Wat zeker is, is dat

die vertaalslag de doorwerking - het werkelijk gebruik en toepassing in ruimtelijke ingrepen - vergroot. Het helpt wanneer er een duidelijke vraag vanuit het ruimtelijke domein ligt. Logischerwijs slagen projecten eerder wanneer er een gedeelde urgentie is, een duidelijke eigenaar/opdrachtgever en steun van de bestuurder. In complexe planvormingsprocessen met veel, vaak harde sectorale claims blijkt erfgoed dan verbindend te kunnen werken. ‘Laten we even een stap terug doen, wat is zo bijzonder aan dit gebied?’. Een instrument als de biografie wordt dan als vriendelijk en laagdrempelig ervaren. Een kanttekening is wel dat de inzet vanuit erfgoed ook voldoende scherp moet zijn om niet ondergesneeuwd te raken. Wat mag niet aangetast worden, wat is de bottom line? Ruimtelijke partijen waarderen die helderheid en duidelijke randvoorwaarden. Zoals bij werelderfgoed wanneer Outstanding Universal

28

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 28

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

NUMMER

47

APRIL

2019

Values geconcretiseerd worden via een Heritage Impact Assessment (HIA). Ook de timing is van groot belang. Of het nu gaat om een HIA in Kinderdijk (zie figuur 4), om de biografie van het IJsselmeergebied, of de cultuurhistorische verkenning in Zutphen; degenen die er ruimtelijk mee aan de slag gaan, geven allen aan dat deze input niet te vroeg moet komen (de opgave moet voldoende duidelijk zijn) maar zeker ook niet te laat (zodat er nog ruimte is het ontwerp te verrijken of de ingreep aan te passen zonder onoverkomelijke kosten). Het is een kleine greep uit de succesfactoren én faaloorzaken die in het onderzoek naar voren komen. Ontwikkelingsgericht instrumentarium Het is juist het faciliteren van die vertaalslag van verleden naar toekomst die het programma kenmerkt. Waar klassieke bescherming van monumenten op een lange (intellectuele en beroepsmatige) traditie kan rekenen met daarbij horende professionele gemeenschap, competenties en instrumentarium gericht op waardestelling, wettelijke bescherming en restauratie, is de ontwikkelingsgerichte en participatieve aanpak een nog grotendeels onontgonnen terrein. Wellicht is het meest waardevolle resultaat van het programma dat gaandeweg een rijk assortiment aan instrumenten is getest en ontwikkeld op dat vlak: gebiedsgericht, ontwikkelingsgericht en gebruiksgericht. Dat vraagt om andere attitude, vaardigheden en kennis van (de belangen en het jargon van) die andere domeinen. Naast het karakteriseren van historische kwaliteiten gaat het om procesinstrumenten waarin belanghebbenden de richtinggevende keuzes maken, geïnspireerd door die gebiedskwaliteiten. Of waarin die duiding interactief en gezamenlijk plaatsvindt. Zo kunnen ook de eerder genoemde concepten van erfgoed als factor en vector verder geconcretiseerd en geoperationaliseerd worden. Beklijven Bovendien toont het onderzoek dat er andere effecten zijn. We zien geregeld dat lokaal een sterkere basis voor samenwerking is ontstaan en dat de gebieds- en ontwikkelingsgerichte werkwijze geregeld ook elders in de gemeente of regio toegepast wordt, ook nadat het project is afgerond. Bij de wat recentere transities is agendering en bewustwording een belangrijk resultaat, bijvoorbeeld het betrekken van

leefbaarheid/krimp in de aardbevings(herstel)opgave. Sommige transities zijn nog verre van afgerond en er komen ook telkens nieuwe op. Om duurzaam effect te bereiken, blijft het van belang om ook nationaal in te zetten op de verbinding tussen erfgoed en deze opgaven. Denk aan de prioriteiten uit het recente Kabinetsperspectief op de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zoals klimaatverandering, energietransitie en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Een van de drie inrichtingsprincipes is dat de kenmerken en identiteit van een gebied centraal staan (Ministerie van BZK, 2018). In de recente beleidsbrief Erfgoed Telt (Ministerie van OCW, 2018) worden vergelijkbare ruimtelijke opgaven in relatie tot erfgoed onderstreept. Met name krimp, woningbouw in de steden, klimaatadaptatie en, opnieuw, energietransitie zijn benoemd. Met de in Erfgoed Telt aangekondigde Erfgoed Deal krijgt het gebiedsgerichte erfgoedbeleid ook weer een nieuwe impuls; rijk en andere overheden gaan in dit kader samen met concrete opgaven aan de slag. Immers, minstens zo belangrijk als de rijksinzet is de borging in het hele land. Zo kan erfgoed de onderlegger vormen voor provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies en het ontwikkelde instrumentarium biedt daarvoor concrete handvatten. Referenties 1  Dankzij de werkelijk onmisbare hulp van stagiairs Sander de Groot en Wim Sprengers. 2  h ttps://erfgoedenruimte.nl/stresstestbehoeft-onderbouwing-vanuit-cultuurhistorie-om-tot-oplossingen-te-komen 3  http://romagazine.nl/zutphenversterkt-zijn-historische-band-metde-ijssel/6785 4  h ttps://praktijkvoorbeelden.cultureelerfgoed.nl/praktijkvoorbeelden/ zutphen-blijft-trouw-aan-rivier/aanpak-en-resultaat-stevig-historisch-fundament Literatuur -  Janssen, J., E. Luiten, H. Renes, J. Rouwendal, O. Faber, C.-J. Pen & E. Stegmeijer (red. P.P. Witsen) (2014), Karakterschetsen; Nationale Onderzoeksagenda Erfgoed en Ruimte; deel 1 Kennisagenda. Netwerk Erfgoed & Ruimte / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. http://www. netwerkerfgoedenruimte.nl/system/

files/Karakterschetsen_060214_0.pdf. -  Janssen, J., E. Luiten, H. Renes & J. Rouwendal (2014b), ‘Heritage planning and spatial development in the Netherlands: changing policies and perspectives’. In: International Journal of Heritage Studies, pp. 1-21. -  Janssen, J., E. Luiten, H. Renes & E. Stegmeijer (2017), Heritage as sector, factor and vector: conceptualizing the shifting relationship between heritage management and spatial planning, European Planning Studies, DOI: 10.1080/09654313.2017.1329410. -  Ministerie van OCW (1999), Nota Belvedere. Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. Den Haag: Ministerie van OCW. -  Ministerie van OCW (2009), Beleidsbrief Momo Modernisering Monumentenzorg. Den Haag: Ministerie van OCW. -  Ministerie van OCW (2011), Kiezen voor Karakter. Visie erfgoed en ruimte. Den Haag: https://cultureelerfgoed.nl/ sites/default/files/downloads/dossiers/ publicatie_kiezen_voor_karakter.pdf. -  Ministerie van OCW (2018) Erfgoed Telt, de betekenis van Erfgoed voor de samenleving. Den Haag: https://publicaties.cultureelerfgoed.nl/publicaties/ erfgoed-telt-de-betekenis-van-erfgoed-voor-de-samenleving. -  Ministerie van BZK (2018), Kabinetsperspectief NOVI. Den Haag: h t t p s : / / w w w. r i j k s o v e r h e i d . n l / documenten/rapporten/2018/10/05/ kabinetsperspectief-novi. -  Pendlebury, J. (2009). Conservation in the age of consensus. New York, NY: Routledge. -  Pickard, R. (2002). Area-based protection mechanisms for heritage conservation: A European comparison. Journal of Architectural Conservation, 8(2), 69–88. doi:10.1080/13556207.2002.107 85320 -  Prins, L., A.C. Habets & P.J. Timmer (2014), Bekende gezichten, gemengde gevoelens. Beschermde stads- en dorpsgezichten in historisch perspectief. Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

29

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 29

13/02/19 22:28


VOOR U

gelezen

VITRUVIUS

NUMMER 47

APRIL 2019

Cornelis Lely. Ingenieur van het nieuwe Nederland. AUTEUR(S)

C. Banning (m.m.v. E. Voigt) UITGAVE

Pharos, Beilen, 2018. RECENSENT

Frits Niemeijer D E TA I L S

Gebonden, 288 pagina’s, met foto’s (z/w en kleur), kaarten, noten en literatuur, personenregister, enz. ISBN: 978-90-79399-99-4 PRIJS

€ 29,90

H

et is nog niet zo lang geleden dat de term ‘inbreiden’ in Nederland in zwang kwam om het opvullen van ruimte binnen de bestaande gebouwde omgeving te kenschetsen. Het begrip is vanaf einde jaren ’60 in toenemende mate gebruikt als een stedenbouwkundige tegenhanger van uitbreiden en aanbreien. In de meeste gevallen wordt hierbij gedacht aan het opvullen van lege (= braakliggende) of vrijgekomen ruimten binnen de stedelijke omgeving, zoals niet meer in exploitatie zijnde bedrijfsterreinen of spoorwegemplacementen. Inbreiding moest een van de antwoorden worden op het om zich heen grijpende groeikernenbeleid, dat met zich meebracht dat rond bestaande kernen op het platteland nieuwe woonarealen groeiden en dat uitgestrekte buitengebieden zouden verstedelijken. Bovendien zou de bevolkingsspreiding die hiervan het gevolg was extra verkeersstromen op gang brengen. Voorbeelden van dorpen die vanaf het midden van de jaren ’60 door deze zogenoemde suburbanisatie sterke ruimtelijke groei op gang zagen komen, zijn bestaande plaatsen als Purmerend, Zoetermeer, Spijkenisse, Capelle aan den IJssel en Houten. Hiernaast zijn ook enige nieuwe groeikernen ‘uit de grond gestampt’, zoals Almere en Lelystad. De beide laatste kwamen tot stand op het nog jonge land van de IJsselmeerpolders, respectievelijk in Zuidelijk- en Oostelijk-Flevoland. In de oudere IJsselmeerpolders – Wieringermeerpolder en Noordoostpolder, respectievelijk drooggevallen in 1930 en 1942 – zijn van overheidswege geen groeikernen aangewezen. De naam Lelystad is uiteraard direct verbonden aan de belangrijkste ruimtelijk vormgever van het vroegere natte hart van Nederland. Nadat vanaf de tweede helft

van de 17de eeuw (Hendrik Stevin) diverse ontwerpen voor afsluiting van en landaanwinning in de voormalige Zuiderzee het licht hadden gezien, was het uiteindelijk ingenieur en later minister van waterstaat, Cornelis Lely, die de plannen en de geesten rijp maakte voor verwezenlijking ervan. Zonder twijfel is dit Lely’s grootste verdienste voor ons land geweest en tot op de dag van vandaag gebleven. Lely (1854-1929) werd geboren in Amsterdam en woonde daar ook enige tijd, maar zijn naam is minstens even sterk verbonden met Den Haag, waar hij in de loop der decennia verschillende adressen bewoonde. Lely’s vroegste jaren als aan de Polytechnische School in Delft (nu: TU Delft) afgestudeerd (1875) civiel ingenieur waren niet de meest veelbelovende: een reeks van korte contracten bij verschillende particuliere en (semi)overheidswerkgevers hield hem van de straat, maar hij moest meer dan eens bij zijn bemiddelde vader aankloppen om het door hem gewenste peil van leven te kunnen bekostigen. Voor de huidige jonge generaties academici niets nieuws dus! Zelfs het huwelijk met zijn oogappeltje, Mies van Rinsum, eindelijk in december 1881, moest wachten op een stabiele betrekking. Die was er gekomen, toen hij een functie kreeg bij de Rijkscommissie voor Graadmeting en Waterpassing, die verantwoordelijk was voor de vaststelling en verspreiding van het (Normaal) Amsterdams Peil (NAP). (zie: Vitruvius, 12e jrg., no. 45, 2018, pp. 28,29). Een van de tijdelijke aanstellingen die hieraan voorafgingen, bracht hem in Zwolle, waar hij in 1878 een kamer had bij de familie Van Diggelen. Vader (Benjamin, ingenieur bij Rijkswaterstaat) en zoon (Pieter, rechter en gemeenteraadslid in Zwolle), publiceerden in 1849, respectievelijk

30

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 30

13/02/19 22:28


VITRUVIUS

NUMMER 47

APRIL 2019

1877, een plan en een brochure over eventuele droogmaking van de Zuiderzee en als Cornelis Lely al niet wás geïnfecteerd met het ‘poldervirus’, dan is hij toen wel aangestoken. Samen met Age Buma (een autodidact die het tot Tweede Kamerlid schopte) en Pieter Van Diggelen, die in 1886 de Zuiderzeevereeniging oprichtten, zou Lely zich vanaf die tijd intensief gaan inzetten voor de verwezenlijking van plannen voor afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van het natte hart van Nederland. In de volgende jaren deed hij niet minder dan acht technische nota’s voor de realisatie van de plannen het licht zien, waarvan het laatste, uit 1892, het meest lijkt op de uiteindelijk tot stand gekomen werken. Terwijl de Zuiderzeevereeniging via Buma in de volksvertegenwoordiging wel stevige tentakels in de nationale politiek kon laten kronkelen, was het echter vooral het feit dat Lely aan de andere kant van de tafel kon plaats nemen: in 1891 werd hij voor het eerst benoemd tot minister van Waterstaat en kon hij helpen zijn eigen plannen naar het centrum van de maatschappelijke interessesfeer te brengen. In 1894 meende men het pleit te hebben gewonnen, omdat de desbetreffende Staatscommissie in haar rapport overwegend positief had geoordeeld. Het einde van Lely’s ministerschap gooide echter roet in het eten en uiteindelijk duurde het tot 14 juni 1918, tijdens een derde ambtstermijn, dat de Wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee (de Zuiderzeewet) in het Staatsblad werd geplaatst. De werken begonnen twee jaar later en al in 1932 was de Afsluitdijk – symbool en icoon van de Zuiderzeewerken - gereed. Lely heeft de voltooiing hiervan dus niet meer mogen meemaken, maar de voldoening van het oversteken van de kleine voorloper ervan – de dijk die het eiland Wieringen met het vasteland verbindt – heeft hij, in 1925, nog wel gesmaakt. Curieus: Lely kreeg op zijn 70ste verjaardag een schilderij waarop de aanleg van deze dijk is weergegeven. Het werd vervaardigd door Han van Meegeren, die later vooral bekend werd vanwege zijn vervalsingen in de trant van Johannes Vermeer. Terwijl Lely’s beroemdheid vooral berust op zijn Zuiderzeeproject, zijn er talloze andere functies en bemoeienissen die hem in de geschiedenisboekjes hadden kunnen brengen. Zo was hij kort voor1879 betrokken bij de voorbereidingen van de (uiteindelijk in de Tweede Kamer gesneuvelde) Kanalenwet, bij voorbereidingen van het Amsterdam-Rijnkanaal, de exploitatie van het steenkolengebied van Zuid-Limburg, enz., enz. en bij verschillende facetten van sociale wetgeving. Meest opmerkelijk is dat hij drie jaar lang (1902-1905) Gouverneur was van de toenmalige kolonie Suriname, waar hij eveneens een aantal grote infrastructurele werken optuigde, maar waarvandaan

VOOR U

gelezen

hij uiteindelijk nogal gedesillusioneerd terugkeerde. Het bekendste project was een spoorweg naar de binnenlanden die ten doel had veronderstelde goudreserves bereikbaar en exploitabel te maken. Het bleek hierbij op den duur niet om klatergoud te gaan, hoewel de lijn als zodanig weggegooid geld was. (zie: Vitruvius, 9e jrg., no. 35, 2016, pp. 25,26). De auteur van deze uitgave roert nog verschillende andere zaken en taken aan waarin Lely een rol van betekenis speelde, maar helaas dringt hij niet altijd tot de kern door. Tenzij die kern bestaat uit Lely’s vrijzinnig Doopsgezinde levensovertuiging: er is geen hoofdstuk waarin de locatie van de Doopsgezinde kerk die hij bezocht, wordt vergeten. En zo zijn er wel meer herhaaldelijk gememoreerde feitjes die tot leesirritatie kunnen leiden. Wel komt expliciet én impliciet uit de verf dat Cornelis Lely een zachtaardige, bescheiden en zelfs enigszins gedeukte man was, die – met zijn 1,75 m (niet klein voor die tijd) – een reus was in de nationale politiek. Een politiek die niet zijn keuze, maar zijn lot was: eigenlijk was hij ingenieur in hart en nieren en politiek bedreef hij door een ‘stille, ingetogen bestuursstijl’ om zijn doelen te bereiken. Lely zat in het politieke spectrum in links-liberale hoek en mede hierdoor valt te verklaren dat Banning diens streven naar overheidsstimuleringen in diverse publieke en infrastructurele werken als een vroege vorm van keynesianisme kenschetst. Dit was de praktische uitwerking van Lely’s Doopsgezinde achtergrond. Waarvan acte. Cornelis Lely; Ingenieur van het nieuwe Nederland is weliswaar niet diens definitieve biografie, maar het is wel een op moderne leest geschoeide toegang tot zijn leven en werk - mede dankzij ruime aandacht voor de context van de hoofdpersoon. Nader archiefonderzoek zou vast nog een verdubbeling of een verdrievoudiging van de huidige boekomvang kunnen opleveren – vooral wanneer Lely zelf nog wat meer op de voorgrond geschilderd zou worden en enkele andere meesterwerken nader werden uitgelicht. Lely’s bekendste werk, het ‘inbreiden’ van het natte hart van ons land, is – nu eens bezien vanuit zijn eigen perspectief - in ieder geval goed geslaagd geportretteerd. n

31

VITRUVIUS_Apr.2019.indd 31

13/02/19 22:28


Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS_Apr.2019.indd VITRUVIUS_Juli2017.indd 232

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

13/02/19 15/06/17 22:28 14:42

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius April 2019  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius April 2019  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement