Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 11 | NUM M E R 43 | A PRIL 2 0 1 8

EEN TWEEDE SALOMON IN ROTTERDAM

DE CONTEXT VAN DE SCHILDERINGEN VAN KEES DUNSELMAN IN DE LAURENTIUS & ELISABETH KATHEDRAAL TE ROTTERDAM

DE CULTUURHISTORISCHE BIOGRAFIE VAN HET IJSSELMEER

DUINONTGINNINGEN VAN OPDRACHT, VIA OBSESSIE NAAR ONTSPANNING - DEEL 1

EVEN GEDULD A.U.B. OVER LEEGSTAAND AGRARISCH ERFGOED EN ‘BEHOUD DOOR ONTHOUDING’


colofon

VITRUVIUS

NUMMER 43

APRIL 2018

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Volg het vakblad Vitruvius nu ook op Twitter! Ga naar: https://twitter.com/VAKBL_VITRUVIUS

VAKBLAD VITRUVIUS IS EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland € 45.- /België € 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

2

REDACTIE

Cramer, drs. M.A. Diederiks, R.P.H. Niemeijer, drs. A.F.J. Verschuure-Stuip, Mw. ir. G.A. Vreeze, ir. N. de FREQUENTE BIJDRAGEN

Van Hellenberg Hubar, Mw. dr. B.C.M.

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom April 2018 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.


JAARGANG 11 NUMMER 43 APRIL 2018

2018: Eu het Cult Thema a

4

18

26

DE CULTUURHISTORISCHE BIOGRAFIE VAN HET IJSSELMEER HISTORISCH-RUIMTELIJKE KARAKTERISTIEKEN ALS BOUWSTENEN VOOR ONTWIKKELING

EVEN GEDULD A.U.B. OVER LEEGSTAAND AGRARISCH ERFGOED EN ‘BEHOUD DOOR ONTHOUDING’

EEN TWEEDE SALOMON IN ROTTERDAM DE CONTEXT VAN DE SCHILDERINGEN VAN KEES DUNSELMAN IN DE LAURENTIUS & ELISABETH KATHEDRAAL TE ROTTERDAM

ropees ja

ureel Er

pril: ‘Ge

landsch

ar v an

fgoed.

maakt

ap’

12 DUINONTGINNINGEN VAN OPDRACHT, VIA OBSESSIE NAAR ONTSPANNING - DEEL 1

21 NEARCH-ONDERZOEK LEGT HET DRAAGVLAK VOOR DE ARCHEOLOGIE BLOOT

klo ost ers in lim bur g Frans Q. Hoebens

33

RECENT

3


VITRUVIUS

Jan Neefjes Bureau Overland

Hans Bleumink2,3 Bureau Overland

Het IJsselmeer is het grootste aaneengesloten zoetwatergebied van West-Europa en één van de belangrijkste ruimtelijke structuren en identiteitsdragers van Nederland. De komende decennia staat het gebied voor grote ruimtelijke opgaven, onder meer op het gebied van duurzame energie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, natuur en recreatie. Overheden en maatschappelijke partijen werken aan een gezamenlijke, samenhangende toekomstagenda. Om het bijzondere verleden van het IJsselmeer een plek op die toekomstagenda te geven, heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie laten maken, bestaande uit drie regionale deelbiografieën en een synthesedocument. Voor de auteurs van het synthesedocument was de grote vraag: hoe sla je de brug tussen de wereld van erfgoed en landschap enerzijds en die van ontwerp en beleid anderzijds? Of hoe vertaal je historische verhaallijnen naar de werkpraktijk van planologen, ontwerpers en waterbeheerders? Door expliciet te maken wat de ruimtelijke weerslag is van die geschiedenis. Daarom kregen historisch-ruimtelijke karakteristieken een centrale plaats in het synthesedocument. Het IJsselmeergebied is een ruimtelijke icoon van onze identiteit. Het vertelt bij uitstek het verhaal van onze – soms gewonnen, soms verloren – strijd tegen het water, van dijken, spuien en gemalen, van de bloei en de rijkdom van de Hanzehandel en de Oost- en Westindische Compagnieën, en 4

NUMMER

43

APRIL

2018

De cultuurhistorische biografie van het IJsselmeer1

Historisch-ruimtelijke karakteristieken als bouwstenen voor ontwikkeling van het harde vissers- en zeemansbestaan. Lange tijd vormden de Zuiderzeesteden, Amsterdam voorop, het hart van onze economie, en was het gebied een van de belangrijkste centra van de wereldeconomie. Met de aanleg van de Afsluitdijk – in 1932 - en de inpoldering van een aanzienlijk deel van de voormalige binnenzee, veranderde het karakter ingrijpend en werd het opnieuw een icoon voor onze nationale identiteit, waarin nu waterbouw, maakbaarheid en rationele landbouw centraal stonden. Agenda IJsselmeergebied 2050 Het IJsselmeergebied staat opnieuw voor grote ruimtelijke inrichtingsvraagstukken, onder meer op het vlak van duurzame

energieproductie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, ecologische revitalisatie, recreatie en woningbouw. Al die ontwikkelingen moeten gepaard gaan met behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Een aantrekkelijk IJsselmeergebied – met zijn weidsheid, natuur en rijke historie draagt immers bij aan het vestigingsklimaat en de leefbaarheid in de aangrenzende metropolitane regio’s. Daarom heeft het Rijk het initiatief genomen om een richtinggevende Gebiedsagenda IJsselmeergebied voor 2050 te maken. Om het verleden van het IJsselmeer een plek op die toekomstagenda te geven, heeft

Landschapsbiografie Een ‘landschapsbiografie’ is een vernieuwende, integrale en aansprekende manier om het verhaal van de ontstaansgeschiedenis van het landschap van een bepaald gebied voor een breed publiek toegankelijk te maken (zie bijvoorbeeld Hiddink, Kolen & Spek (2001) en Kolen (2007)). Een landschapsbiografie is interdisciplinair van opzet. In een landschapsbiografie wordt de kennis van de aardwetenschappen, archeologie, historische geografie, architectuurgeschiedenis en ecologie in samenhang met elkaar gepresenteerd. Ook andere kenmerkende aspecten van de streekcultuur en -identiteit kunnen in een landschapsbiografie worden opgenomen. Zo ontstaat een scherper inzicht in de wisselwerking tussen mens, natuur, water en landschap. In een landschapsbiografie is wetenschappelijk onderzoek vertaald in aansprekende kaarten, reconstructies, foto’s en beelden die het verleden tot leven brengen. De Cultuurhistorische Atlas van de Vecht (2011) en de landschapsbiografie van de Drentsche Aa (2015) zijn recente voorbeelden van dit genre. Vaak gaat het om uitgebreide situdies van honderden pagina’s. De Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie is met 80 pagina’s een beknopte verkenning.


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

1-U  itgerekend in het jongste agrarische landschap van Nederland, in Flevoland, stuitte men bij inrichtingswerkzaamheden op resten van een van de vroegste landbouwculturen van Nederland. Hun leefgebied verdween onder zich uitbreidende moerassen. De skeletten, de dierenbotten en het aardewerk zijn 6000 jaar lang goed geconserveerd onder een metersdikke laag klei en veen. De oude cultuur is genoemd naar de vindplaats: de Swifterbantcultuur (Nieuw Land Lelystad). de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie laten maken (zie kader Landschapsbiografieën), bestaande uit drie regionale biografieën en een synthese. In het synthesedeel hebben we, naast de geschiedenis, veel aandacht besteed aan de ruimtelijke weerslag van die geschiedenis, door historisch-ruimtelijke karakteristieken te formuleren. Die zijn bepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit die we nu in het gebied ervaren. Dat kan professionals helpen om bij inrichtingsopgaven voort te bouwen op de ruimtelijke identiteit van het gebied. Voor provincies en gemeenten rond het IJsselmeer kan het input leveren voor hun omgevingsvisies. De geschiedenis in vogelvlucht Centraal in het levensverhaal van de Zuiderzee en het omringende landschap staat de strijd tegen en het leven met het water. Die strijd begon al in de prehistorie,

2 - De Zuiderzee was geen diepe zee of onafgebroken watervlakte. Zeker in het noordelijke deel had de Zuiderzee een wad-achtig karakter, met eilanden, (droogvallende) zandplaten, stroomgeulen en rond Wieringen ook slikken, zoals duidelijk te zien is op deze kaart van Christiaan ’s Grooten uit 1573. De Gelderse Zuiderzeekust was op veel plaatsen ondiep (www.archieven.nl). toen het leefgebied van de vroege bewoners verdronk in de zich uitbreidende moerassen – een gevolg van de stijgende zeespiegel. In de middeleeuwen begon de strijd opnieuw, toen de mens deze moerassen ging ontginnen en bewonen, maar daarmee ook de aanzet gaf tot inklinking en bodemdaling, waardoor uiteindelijk talloze dorpen, kastelen en kloosters moesten worden prijs gegeven aan de zich uitbreidende binnenmeer, het Almere. Zo ontstond uiteindelijk de Zuiderzee, die in directe verbinding stond met de Noordzee. Uitgerekend in het jongste agrarische landschap van Nederland, in Flevoland, stuitte men bij inrichtingswerkzaamheden op resten van een van de vroegste landbouwculturen van Nederland. Hun leefgebied verdween onder zich uitbreidende moerassen. De skeletten, de dierenbotten en het aardewerk zijn 6000 jaar lang goed geconserveerd onder een metersdikke laag klei en veen. De oude cultuur is genoemd naar de vindplaats: de Swifterbantcultuur.

Strijd tegen het water en leven met het water Vanaf de twaalfde eeuw begonnen de bewoners van het Zuiderzeegebied zich te beschermen tegen het water door dijken op te werpen. Hoewel de dijken het achterland beschermden, bleven er tot de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 geregeld dijkdoorbraken plaatsvinden en verdwenen er gronden en gebouwen in de golven. Hoewel het water vaak een bedreiging vormde, was het ook een zegen. Door zijn gunstige ligging kon het Zuiderzeegebied zich al vroeg ontwikkelen tot een welvarende handelsregio. Al in de vroege middeleeuwen waren Medenblik en Stavoren belangrijke Friese handelssteden. In de late middeleeuwen lag het economisch accent op de Hanzesteden in het oosten van het Zuiderzeegebied, zoals Kampen, Hattem, Elburg, Harderwijk en Hasselt. In de zestiende en zeventiende eeuw werd de Zuiderzee – als de thuishaven van de Oost- en Westindische Compagnieën – het centrum van de wereldhandel en verschoof het economische zwaartepunt naar het westen. Na 5


VITRUVIUS

3-A  l in de zeventiende eeuw waren er plannen om de Zuiderzee af te dammen en in te polderen. Technisch was dat lange tijd onmogelijk. In 1891 presenteerde Cornelis Lely bovenstaand ontwerp, dat uiteindelijk na de watersnoodramp van 1916 aangenomen werd. De Zuiderzeewerken werden op hoofdlijnen volgens dit plan uitgevoerd, al zijn er in de loop van de tijd ook de nodige aanpassingen geweest. Zo koos men voor de Afsluitdijk een iets ander tracé en kreeg Flevoland een randmeer, dat de polder scheidde van het oude vasteland. Alleen de Markerwaard is nooit gerealiseerd (Stichting Het Zuiderzeemuseum). de Gouden Eeuw kreeg het gebied te maken met economisch verval en sterke krimp. In de negentiende eeuw kwam de visserij, die altijd al een belangrijke economische bedrijfstak vormde, sterk op. De Zuiderzee was geen diepe zee of onafgebroken watervlakte. Zeker in het noordelijke deel had de Zuiderzee een wad-achtig karakter, met eilanden, (droogvallende) zandplaten, stroomgeulen en rond Wieringen ook slikken, zoals duidelijk te zien is op deze kaart van Christiaan ’s Grooten uit 1573. De Gelderse Zuiderzeekust was op veel plaatsen ondiep. Zuiderzeewerken De watersnoodramp van 1916, waarbij 6

NUMMER

43

APRIL

2018

4 - Palmboom (2017) formuleerde gouden regels voor de ontwikkeling van het IJsselmeergebied. Hij karakteriseerde de IJsselmeerkust als een kust van kapen en baaien. In de IJsselmeerbiografie konden we deze karakteristiek verklaren uit een samenspel van zeespiegelstijging, menselijke activiteit en geologische ondergrond (Overland / Studio Tint) grote delen van het Zuiderzeegebied overstroomden, was de directe aanleiding voor een volkomen nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van het IJsselmeergebied, met een totaal andere ruimtelijke weerslag: de Zuiderzeewerken. Hoewel de aanleg van de Afsluitdijk en de IJsselmeerpolders voortbouwde op een lange Nederlandse traditie van waterbeheersing, waren het ambitieniveau, de schaal en de aanpak van de Zuiderzeewerken ook internationaal uniek. De rationeel ingerichte IJsselmeerpolders en de harde

rechte dijken werden het icoon van de maakbare samenleving, ontworpen door ingenieurs. Na 1932 maakten de oorspronkelijke economische motoren van het Zuiderzeegebied – handel, visserij en aanpalende industrieën –vrijwel overal plaats voor dienstverlening en toerisme. Terwijl in het nieuwe polderland vooruitgang en moderniteit het adagium vormden, greep de nieuwe economische motor van het Zuiderzeegebied – het toerisme – juist terug op de verdwenen Zuiderzeecultuur.


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

meergebied, en ruimtelijke kwaliteit willen integreren in ruimtelijke ontwikkeling. a. Archeologische en aardkundige schatkamer Het IJsselmeer is meer dan een waterplas. In de bodem gaan verdronken (pre)historische landschappen schuil, compleet met resten van dorpen, burchten, skeletten en aardewerk, slotenpatronen en waterwerken. Ook bevat het talloze scheeps- en vliegtuigwrakken. Daarnaast biedt het zicht op aardkundige resten, zoals geulen, zandplaten en keilieemopduikingen, die het verhaal van de vorming van de Zuiderzee vertellen.

5-D  e oude Zuiderzeekust kent kronkelige dijken in talloze verschijningsvormen, zoals deze bewoonde dijk bij Uitdam, die tevens een afdamming is van de Uitdammer Die (Overland). Al in de zeventiende eeuw waren er plannen om de Zuiderzee af te dammen en in te polderen. Technisch was dat lange tijd onmogelijk. In 1891 presenteerde Cornelis Lely bovenstaand ontwerp, dat uiteindelijk na de watersnoodramp van 1916 aangenomen werd. De Zuiderzeewerken werden op hoofdlijnen volgens dit plan uitgevoerd, al zijn er in de loop van de tijd ook de nodige aanpassingen geweest. Zo koos men voor de Afsluitdijk een iets ander tracé en kreeg Flevoland een randmeer, dat de polder scheidde van het oude vasteland. Alleen de Markerwaard is nooit gerealiseerd.   Ruimtelijke karakteristieken Bij het schrijven van de IJsselmeerbiografie stond de vraag centraal hoe de maatschappelijke, economische en landschappelijke verhaallijnen van het IJsselmeergebied vertaald konden worden naar de werkpraktijk van planologen, ontwerpers, waterbeheerders en beleidsmakers. Dat hebben we gedaan door historisch-landschappelijke karakteristieken te formuleren. Daarbij gaat het niet om de kartering en documentatie van individuele monumenten of elementen, maar om het formuleren van samenhangende ruimtelijke karakteristieken, die nog steeds voor een groot deel de landschappe-

lijke eigenheid en de ruimtelijke kwaliteit van het IJsselmeergebied bepalen. Een deel van de karakteristieken is dan ook terug te vinden in eerdere, meer landschappelijke studies, zoals Ruimtelijke Kwaliteit IJsselmeergebied (Bosch & Slabbers 2008), Kwaliteitskader IJsselmeergebied (Strootman Landschapsarchitecten 2013) en 10 Gouden regels voor het IJsselmeergebied (Palmboom 2017). Met de IJsselmeerbiografie konden we deze karakteristieken historisch verklaren en er een historische diepte aan meegeven. Ook heeft de IJsselmeerbiografie karakteristieken blootgelegd die in eerdere studies minder expliciet waren belicht, zoals het veelvuldig voorkomen van vooroevers aan de IJsselmeerzijde van de dijken. In de biografie hebben we vier groepen karakteristieken onderscheiden, die we hieronder kort bespreken. De karakteristieken dragen bij aan de hoge ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van het IJsselmeergebied en aan de leesbaarheid van het landschap. De karakteristieken kunnen gebruikt worden als kwalitatieve ‘bouwstenen’ voor professionals en planvormers die werken aan de toekomst van het IJssel-

b. De oude kustlandschappen van de Zuiderzee De roerige Zuiderzeegeschiedenis heeft zeer fraaie landschappen opgeleverd, die hun bijzondere aanzien te danken hebben aan vele eeuwen van de strijd tegen en het leven met het water. Het gaat daarbij om veel meer dan alleen de dijken. Door overstroming, klei-afzetting en verzilting beïnvloedde de Zuiderzee het landschap op kilometers afstand van wat nu het IJsselmeer is. Kustlijn met kapen en baaien De kustlijn van de Zuiderzee kwam tot stand in een eeuwenlange geschiedenis van landverlies, uitbreiding van het water en beteugeling door de mens. De oude Zuiderzeekustlijn met kapen en baaien is mede gevormd door de geologische ondergrond. Waar de ondergrond bestond uit slappe veengronden, kon de Zuiderzee gebieden wegslaan en ontstonden baaien. Waar de bodem bestond uit resistentere ondergronden, bleef het gebied behouden, en ontstonden kapen. Waar oude keileembulten en stuwwallen aan het water raakten, ontstonden landschappelijk bijzondere overgangen van hoge gronden naar open water. Elk kusttype heeft zijn eigen, specifieke landschappelijk-historische karakter. Palmboom (2017) formuleerde gouden regels voor de ontwikkeling van het IJsselmeergebied. Hij karakteriseerde de IJsselmeerkust als een kust van kapen en baaien. In de IJsselmeerbiografie konden we deze karakteristiek verklaren uit een samenspel van zeespiegelstijging, menselijke activiteit en geologische ondergrond. Kronkelige dijken in vele verschijningsvormen Veel van de oude Zuiderzeedijken stammen uit de Middeleeuwen. Hun kronkelige verloop hangt niet alleen samen met de 7


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

toenmalige kustlijn, maar ook met de vele doorbraken die zich daarna hebben voorgedaan. Er zijn groene dijken, dijken met wegen, bewoonde dijken of dijken in steden, herkenbaar als hoger liggende straat. Op en langs de dijken zijn, vaak ook buiten steden en dorpen, monumenten te zien, die verbonden zijn met de geschiedenis van de Zuiderzee, zoals sluizen en gemalen, vuurtorens en lichtbakens, (resten van) kazematten en fortificaties, en recreatieve gebouwen.

6-M  eestal denkt men dat IJsselmeerdijken de overgang vormen van land naar water. Dat is niet altijd zo. Oranje op deze kaart zijn de buitendijkse gronden te zien, die buiten de primaire waterkering liggen en tot 1932 konden overstromen (Overland / Studio Tint).

7-D  e Zuiderzee-eilanden ontstonden doordat ze ooit bij stormvloeden los zijn geslagen van het vasteland. Inmiddels zijn ze weer met het vaste land verbonden, maar ze spreken nog altijd tot de verbeelding, ook door de contrasten met de nieuwe polders, zoals hier in Schokland (Beeldbank RCE). 8

Brede dijkzone met binnenwateren en buitendijkse gronden Dijken vormen per definitie een landschapscontrast. Dat contrast doet zich voor in een brede zone langs de dijk. Het gaat niet alleen om het contrast tussen land binnendijks en water buitendijks. Kenmerkend aan de dijkzone’s van de Zuiderzee is dat er ook binnendijks vaak open water te vinden is en buitendijks vaak land. Bij binnendijkse wateren gaat het om overstromingskolken, binnengedijkte wateren, kleiputten voor dijkonderhout of dijkvaarten. Langs misschien wel het grootste deel van de oude Zuiderzeedijk liggen daarnaast buitendijkse gronden. Ze deden dienst als voorland, om de branding op afstand van de dijk te houden, en waren vooral als hooiland in gebruik. Veel buitendijkse gronden zijn ontstaan doordat binnendijks land achter bedreigde dijken werd ‘buitengedijkt’. De buitendijkse gronden konden beschermd zijn door zomerkaden, zanddijken of oeverbeschoeiingen. Ook de bewoonde eilanden van de IJsseldelta lagen buiten de primaire waterkering. Ze overstroomden jaarlijks. De boerderijen staan er nog steeds op terpen. Waardevolle binnendijkse landschappen Direct buiten de oude Zuiderzeedijken liggen landschappen die, net als de Zuiderzee zelf, hun ontstaan danken aan bodemdaling, overstromingen, ontvolking en landafslag. Veel van deze gebieden, zoals Eemland, zijn nog altijd nagenoeg onbebouwd en boomloos. Andere gebieden zijn uitgesproken waterrijk, zoals Waterland of het gebied van de Friese Meren. Deze gebieden, vaak met de status van Nationaal Landschap, zijn door hun openheid en verre horizon landschappelijk gevoelig voor ontwikkelingen in het IJsselmeergebied. Voormalige eilanden met nog eigen landschappelijke en culturele sferen De eilanden Marken, Wieringen, Urk en


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

Schokland ontstonden doordat ze ooit bij stormvloeden los zijn geslagen van het vasteland. Ze zijn inmiddels zijn weer met het vaste land verbonden, maar spreken nog altijd tot de verbeelding vanwege de eigen cultuur, het Zuiderzeeverleden, de vaak verloren strijd tegen het water, maar ook door de contrasten met de nieuwe polders, zoals in Schokland, nu werelderfgoed, zo treffend is te zien. In Urk, waar de visserij pas na de afsluiting van de Zuiderzee ging floreren, is nu de grootste visafslag van Nederland. Ontmoetingen tussen binnen- en buitenwater De IJsselmeerdijken zijn voorzien van sluizen, molens of gemalen, die vaak zijn aangewezen als rijksmonument of zelfs als werelderfgoed (Woudagemaal). Ze hebben een sterke relatie met het landschap en de organisatie van de waterstaat in het binnendijkse gebied. Aan de Veluwerand lag geen dijk maar een strandwal, die nog steeds wordt doorsneden door beekmondingen. Tot 1932 gedroegen deze beken zich als getijdenkreken en zetten ze bij hoogwater het achterliggende polderland onder water. 8 - De IJsselmeerdijken zijn voorzien van sluizen, molens of gemalen, zoals het Woudagemaal bij Lemmer. Ze hebben een sterke relatie met het landschap en de organisatie van de waterstaat in het binnendijkse gebied (Beeldbank RCE).

c. Het samengebald erfgoed van de Zuiderzeesteden Door het rijke handels- en visserijverleden heeft het IJsselmeergebied een concentratie aan historische havenplaatsen die elders in Europa zijn weerga niet kent. Bijzonder aan bijna alle havenplaatsen is dat de ruimtelijke opbouw van de stad en zijn omgeving nog goed de ontstaanswijze rond een dam of sluis weerspiegelt. De ligging aan het water is zowel van belang voor het zicht vanuit de havenplaats op de weidsheid en de horizon van het IJsselmeer, als voor het zicht vanaf het water op het stadssilhouet. De meeste havenplaatsen liggen nog steeds aan open water, al is het zicht daarop soms teniet gedaan door buitendijkse ontwikkelingen.

9 - Hoorn met op de achtergrond het open water van het Markermeer (Overland).

De Zuiderzeesteden en -dorpen zijn een samenballing van gebouwd erfgoed, die de verschillende historische functies weerspiegelen. Het gaat daarbij om onder meer scheepswerven, visafslagen en rokerijen waaggebouwen, VOC- kamers, pakhuizen of koopmanswoningen, resten van oude burchten en vestingwerken. In de historische havens gaat het om sluizen, gemalen of aanlegbolders. Daar is ook vaak het varend erfgoed te vinden, waaronder de bruine 9


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

10 - D  e hoge, rechte dijken van de IJsselmeerpolders en de rationele, grootschalige inrichting van het nieuwe land, staan in contrast met de kronkelige dijken van de oude Zuiderzeekust (Beeldbank RCE). vloot. Watergerelateerde bedrijvigheid als scheepswerven, rokerijen, zeilmakerijen geven deze plaatsen een levendige sfeer. In enkele plaatsen, zoals in Volendam, leeft de oude Zuiderzeecultuur nog voort, die in de negentiende eeuw werd ontdekt door schilders en schrijvers. d. De Zuiderzeewerken: Ingenieurskunst en maakbaar land De Zuiderzeewerken vormen zowel wat betreft ontstaanswijze als wat betreft landschappelijke weerslag een groot contrast met het oude land. Ze vormen een schoolvoorbeeld van waar Nederland groot in is: gemaakt land en ingenieurskunst. De hoge, rechte en stenige dijken die vaak zonder voorland oprijzen uit het water, staan in contrast met de kronkelige dijken van de oude Zuiderzeekust. De IJsselmeerpolders zijn rationeel, grootschalig en planmatig ingericht, met rechte lijnen, en regelmaat. Deze optimale ruimtelijke inrichting is de fysieke uitdrukking van het maakbaarheidsideaal van de twintigste eeuw. Verschillen tussen de polders hangen samen met de stand van de techniek, de maatschappelijke denkbeelden 10

en de mate van overheidssturing. Steeds hebben de IJsselmeerpolders ruimte geboden aan nieuwe denkbeelden, van rationele landbouwproductie tot recreatie, stadsontwikkeling en nieuwe natuur. Het opmerkelijke landschappelijke contrast met het oude land is vooral beleefbaar op de verbindingen over de Randmeren, maar zijn door ruimtelijke ontwikkelingen soms vervaagd. Net zo opmerkelijk is het contrast op de oude Zuiderzeedijk tussen Lemmer en Vollenhove, met aan de ene kant het waterrijke oude land met overstromingskolken, en aan de ander kant de grootschalige Noordoostpolder. Ontwikkelprincipes In de biografie zijn voor elke ruimtelijke karakteristiek globale ontwikkelprincipes geformuleerd: hoe kan je de karakteristieken benutten bij de vormgeving van nieuwe ruimtelijk opgaven? Daarbij is voortgebouwd op de ‘ontwikkeldrieslag’ uit de Visie Erfgoed en Ruimte (RCE 2011): in stand houden, inpassen en transformeren. De ontwikkelprincipes zijn algemeen geformuleerd, en laten vooral zien dat de ruimtelijke karakteristieken en het verhaal van het

IJsselmeer ruimte en inspiratie bieden voor ontwikkeling. Iedere keer opnieuw moet bekeken worden hoe dat het beste kan. De biografie is uiteindelijk vooral bedoeld als uitnodiging om het landschap zelf te leren lezen, om de bijzondere karakteristieken zelf te leren zien, om zelf onderzoek te doen, en om in het historische landschap zelf aanknopingspunten te vinden voor actuele ruimtelijke opgaven. Literatuur -  Bergh, M. van den, G. van Damme, M. Derks, E. van Hellemondt, E. StormsSmeets & M. Terpstra. 2017. Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie Utrecht, Gelderland, Overijssel en Flevoland. RCE, Amersfoort 2017 -  Bosch & Slabbers. 2008. Ruimtelijke Kwaliteit IJsselmeergebied. -  Hidding, M., J. Kolen en Th. Spek, 2001: De biografie van het landschap. Ontwerp voor een inter- en multidisciplinaire benadering van de landschapsgeschiedenis en het cultuurhistorisch erfgoed, in J.H.F. Bloemers & M.-H. Wijnen (red.), Bodemarchief in Behoud en Ontwikkeling: de conceptuele


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

grondslagen, Den Haag, 7-109. -  Kolen, J. 2007. De biografie van het landschap. Naar een nieuwe benadering van het erfgoed van stad en land. In: Vitruvius nr. 1, oktober 2007, pp. 14-18. -  Neefjes, J. & H. Bleumink. 2017. De Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie. Synthese met ruimtelijke karakteristieken als bouwstenen voor ontwikkeling. RCE, Amersfoort 2017. -  Neefjes, J. et al. (red). 2011. Cultuurhistorische Atlas van de Vecht. Biografie van Nederlands grootste kleine rivier. Provincie Overijssel en Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. W-books. -  Palmboom, F. 2017. 10 Gouden regels voor het IJsselmeergebied. Te verschijnen in: F. Palmboom. 2018. Atlas van het IJsselmeergebied. Uitgeverij Vantilt. Van Eesteren leerstoel, TU Delft. -  Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 2011. Kiezen voor karakter - Visie erfgoed en ruimte. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Den Haag, 2011. -  Schroor, M., A. Mennens & P. Boer. 2017. Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie Friesland. RCE, Amersfoort 2017. -  Spek, T. et. al. (red.). 2015. Landschapsbiografie van de Drentsche Aa. Provincie Drente, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. -  Strootman Landschapsarchitecten. 2013. Kwaliteitskader IJsselmeergebied. In opdracht van het College van Rijksadviseurs. -  Zomer, J. 2017. Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie Noord-Holland. RCE, Amersfoort 2017. Noten 1  Dit artikel is gebaseerd op het rapport De Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie (Neefjes & Bleumink 2017), dat is geschreven in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is de synthese van drie regionale deelbiografieën, die onderdeel waren van het project (zie Van den Bergh et al 2017, Schroor et al 2017 en Zomer 2017). Voor het samenstellen van de IJsselmeerbiografie is daarnaast aanvullend literatuur- en kaartonderzoek en veldwerk verricht, wat de basis vormde voor het formuleren van de historisch-landschappelijke gebiedskarakteristieken. De biografie is niet het resultaat van uitvoerig wetenschappelijk onderzoek;

het geeft geen compleet en uitputtend beeld van alle landschappelijke en ruimtelijke cultuurhistorische waarden in het IJsselmeergebied. Wél biedt het een handzaam overzicht waarin voor het eerst voor het hele gebied de waardevolle historisch-ruimtelijke karakteristieken vastgelegd.

 Bureau Overland, www.overland.nl; bleumink@overland.nl; j.neefjes@ overland.nl 3  Namens de RCE hebben Lammert Prins, Berthe Jongejan, Ellen Vreenegoor, Gábor Kozijn en Menne Kosian bijgedragen aan de totstandkoming van de biografie.

2

De IJsselmeerbiografie in de praktijk De Cultuurhistorische IJsselmeerbiografie is op 2 november 2017 gepresenteerd, tijdens het Nationale Deltacongres. Naast het syntheserapport en de drie regionale biografieën, heeft de RCE een posterkaart met cultuurhistorische karakteristieken, een tijdlijn en een film gemaakt, die elk op hun eigen manier het verhaal van het IJsselmeergebied vertellen. Volgens Gerda de Bruijn, die namens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed lid is van het kernteam van Agenda IJsselmeergebied 2050, is de biografie goed ontvangen. In de voorlopige gebiedsagenda zijn drie hoofdambities geformuleerd: ‘vitale economie’, ‘water- en ecosysteem’, en ‘landschap van wereldklasse’. In die laatste ambitie spelen de IJsselmeerbiografie en de studie van Frits Palmboom een centrale rol. De Bruijn: “Veel betrokkenen vinden dat de biografieën hebben geholpen om te beseffen hoe bijzonder het IJsselmeergebied is. We staan niet meer met de rug naar het water, maar met het gezicht er naar toe. Dat is winst. Zelfs voor kenners bevatte de biografie nieuwe inzichten, zoals het feit dat er op veel plaatsen voor de dijken nog voorlanden lagen. Dat inzicht plaatst discussies over huidige inrichtingsopgaven in een nieuw perspectief. Ook in het proces, waarin allerlei opgaven een rol spelen - van water en energie tot natuur en recreatie - merk je dat de landschapsbiografie verbindend werkt.” Voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zijn landschapsbiografieën een aansprekende manier om te laten zien dat erfgoed een rol kan spelen bij ruimtelijke opgaven. De Bruijn: “Het mooie van de biografie is dat het karakteristieken en ontwikkelprincipes formuleert, voor de manier waarop je met historisch landschap en erfgoed om kunt gaan. Vaak denken mensen dat aandacht voor erfgoed betekent dat je alles moet beschermen en dat het gebied op slot gaat. De ontwikkelprincipes laten zien dat dat niet nodig is.” De biografie is niet het eindpunt van het project. De Bruijn: “We staan nu voor de vraag hoe je de karakteristieken omzet in concrete ontwerpoplossingen voor een specifieke locatie. Waar doe je wat? En welke methode gebruik je dan? Daar willen we de komende tijd mee aan de slag.” Meer informatie Meer informatie over de Agenda IJsselmeergebied 2050 is te vinden op https://www.agendaijsselmeergebied2050.nl. Informatie over de IJsselmeerbiografieën is te vinden op https://erfgoedenruimte.nl/water/themadossier-ijsselmeergebied. Daar zijn ook alle producten te downloaden en is de film over het IJsselmeergebied te vinden. Voor vragen over de Agenda IJsselmeergebied 2050 en de rol van de RCE daarin kun je contact opnemen met Gerda de Bruijn, g.de.bruijn@cultureelerfgoed.nl

11


VITRUVIUS

Eind september 2017 wezen de toenmalige ministers Bussemaker (OC&W) en Schulz van Haegen (I&M) de ‘Ontginningen Voornes Duin’ aan als een van de laatste van Rijkswege beschermde dorpsgezichten. De ontginningen in de duinen van Voorne passen in een lange reeks ontginningen in duingebieden en andere Nederlandse zandgronden. Cultures in de duinen, binnenduinen en op de strandwallen kennen we al van vóór het begin van de jaartelling. Zo ver gaan we hier echter niet terug. Een deel van de ontginningen waarover we hier spreken dateert van laat-middeleeuwse perioden, maar de redenen om ze in cultuur te brengen waren sinds die tijd niet altijd dezelfde. Wanneer we de processen door de oogharen heen bekijken, zien we natuurlijk altijd ‘functies’, maar deze functies verschilden in tijd en plaats en ook en vooral naar de betrokken initiatiefnemers. In deze bijdrage passeren enige typerende perioden, locaties en aanleidingen voor ingrepen de revue. En daarbij staan degenen die aan de touwtjes trokken regelmatig centraal. Opdrachten van hogerhand Ontginnen is van alle tijden. Al in de Bijbel (Statenvertaling; Genesis 3: 23) staat het: “Zoo verzond hem de Heere God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, […].” En dat lieten onze Nederlandse voorvaderen zich geen twee keer zeggen. Katholiek of (vanaf de 16de eeuw) protestant, de spaden gingen de grond in en de bodem werd omgewoeld en zo veel mogelijk vruchtbaar gemaakt. Ontginnen begon echter al vóórdat het christendom de Lage Landen bereikte. Dit gebeurde het eerst waar dat het gemakkelijkst was - en wat later ook op moeilijker plaatsen. Relatief simpel was het ontginnen in gebieden waar water in de buurt was. Ook als dat 12

43

APRIL

2018

Duinontginningen

Van opdracht, via obsessie naar ontspanning - Deel 1 op strandwallen of zavelige stroomruggen was. Voorbeelden zijn er volop: vrijwel alle dorpen op de Hollandse en Zeeuwse strandwallen en ook die op de tegenwoordige Waddeneilanden zijn ontstaan als agrarische nederzettingen van het type ‘geestdorp’.1 Min of meer hetzelfde geldt voor de dorpen in het rivierengebied: droge fossiele takken van rivieren maakten het eenvoudig de gronden te ontginnen en er permanent te blijven wonen. Ten slotte waren ook zandgebieden in hoog Nederland van oudsher bewoonbaar door ontginning. Water was een absolute voorwaarde; voor de rest kon worden gezorgd. Er zijn dan ook veel oude ontginningen gevonden en/of voortgezet in deze gebieden. De redenen waarom onze (verre) voorouders tot ontginning van zandige gronden overgingen, moeten vooral worden gezocht in de simpele noodzaak monden te voeden. Toenemende bevolkingsdruk vroeg om steeds meer akkerland. Toen het christendom eenmaal vaste grond had gekregen in de Nederlanden, waren het verder ook monni-

ken en kloosters die ontginningen ter hand namen: de Cisterciënzers zijn hiervan wel de bekendsten. Voor de kloosterlingen was het een ‘opdracht’ of levensvervulling zich te wijden aan taken als het bewerken (‘bouwen’) en ontginnen van gronden. Dit gebeurde ook in kust- en duingebieden, zoals in Zeeland (Kloosterzande) en op de Waddeneilanden (Schiermonnikoog). Tot op zekere hoogte gold zo’n ‘opdracht van boven’ ook voor de poging van Jan van Scorel een bedijking uit te voeren in het noordwestelijk kustgebied van Noord-Holland. Nadat hij in Rome voor de paus had gewerkt, probeerde hij kort na 1550 de buitendijkse kwelder Zijpe droog te maken en te ontginnen. Het plan mislukte totaal, maar het feit dat hij de onderneming ‘Nova Roma’ had gedoopt en dat hij er zeven kerk(dorp)en wilde vestigen, zegt veel over zijn beweegredenen.2 In dezelfde tijd gaven – naast de hogere geestelijkheid - ook vele wereldlijke gezagsdragers opdrachten of vergunningen voor

Bron: Collectie Zuiderzeemuseum

Frits Niemeijer Historisch-geograaf

NUMMER

1 - Duinakkertjes en duinweiden ten noorden van het dorp Hoorn op Terschelling, begin 20ste eeuw


NUMMER

43

APRIL

2018

Bron: Collectie Zuiderzeemuseum

VITRUVIUS

2 - Duinontginningen, zanderijen en bleekvelden onder Overveen en Aelbertsberg (Bloemendaal). Rechtsboven is kasteel Brederode aangeduid. Linksonder (buiten beeld) ligt Haarlem. Detail van een kopie uit 1870 door A.J. Enschedé van een kaart uit 1599, van Pieter Bruynsz. Het noorden is rechts

3 - De duinvlakte Breesaap bij Velsen-Noord / IJmuiden en Wijk aan zee op een kadastraal verzamelblad uit de periode 1811-1832. Het ontwerptracé voor het Noordzeekanaal is hierop later ingetekend (na ca. 1860). ontginningen. Zo zijn de binnenduinen rond Haarlem vanaf de 12de en 13de eeuw op de schop genomen en zijn ontginningen als Tetrode, Brederode en ook Rolland (= rodeland) ontstaan.3 Deze namen kunnen nog verwijzen naar ontginningen door het rooien van bossen en kaalslag, zoals dat ook in de aangrenzende strandvlakten gebeurde. Maar het suffix ‘geest’ is meestal verbonden met ontginning van hoger gelegen strandwalgronden. Oegstgeest en Uitgeest zijn voorbeelden van plaatsnamen waarin de betekenis van ‘bouwland in de zanden duinstreek’ van oudsher voorkomt.4

Zo dateren oude bewoningssporen van Oegstgeest vooral uit de 7de tot de 13de eeuw; het dorp ontleent zijn naam aan het 9de-eeuwse Osgeresgest, de geest van ene Osger. Archeologische gegevens wijzen erop dat er een tamelijk uitgestrekte nederzetting moet zijn geweest aan de flank van de strandwal, maar dat deze in de 11de eeuw is ‘gekrompen’ naar een beperkt aantal boerderijen. De gronden op de strandwallen van dorpen als Oegstgeest, Uitgeest en Limmen (N-H) werden in principe als gemeenschappelijke bouwlanden geëxploiteerd en ze waren als essen dan wel als individuele kampen ontgonnen in smalle, individuele strookjes.5 Maar hoe

de ontginningen in de binnenduinen en op de strandwallen er in werkelijkheid uitzagen, is nauwelijks bekend. Er is weinig onderzoek naar gedaan en bovendien zijn de conclusies niet eensluidend. Vermoed wordt dat bewoners vóór de 10de eeuw ‘zwervende erven’ kenden: dat betekent dat ze van tijd tot tijd hun boeltje oppakten en zich verderop opnieuw vestigden. Hun kampontginninkjes zijn per definitie moeilijk traceerbaar, ook door de huidige bewoning. Pas na die tijd fixeerden de nederzettingen zich, met als grootste gemene delers een globale verschuiving van het centrum van de strandwallen naar de lange flanken ervan en het begin van komvorming nabij de kerkjes.6 De ontginningen in de binnenduinen kwamen tot stand onder invloed van politieke en economische machtsfactoren: het in gebruik nemen van nieuw land vergrootte niet alleen de effectieve reikwijdte van het gezag van de betrokken adellijke en dus land bezittende families, maar uiteraard nam ook de (zelf)voorzienende productiekracht ervan sterk toe. Honger en honger naar macht – we zouden in beide gevallen kunnen spreken van onderbuikgevoelens - gingen hand bij het streven naar ontginning van wat in de Lage Landen wel de ‘wildernis’ werd genoemd.7 Lokale boeren en soms kolonisten zorgden voor de ontginning en primaire exploitatie van binnenduingebieden.8 De Breesaap; een verdwenen voorbeeld Een bekende, maar inmiddels nauwelijks meer als zodanig te herkennen ontginning was die van de Breesaap: het gebied is in het begin van de 20ste eeuw benut voor de vestiging van de Hoogovens (Velsen-Noord). De Breesaap was onderdeel van een achterleen van de graven van Holland aan opeenvolgende leden en generaties van de families Van Brederode, Van Assendelft en Van Adrichem. Dit is ook de reden waarom de ontwikkelingen in dit gebied op deze plaats kort worden gevolgd. Het leen is uiteindelijk teruggevallen aan de Staten van Holland, die rechtsopvolgers waren van de grafelijkheid, en het werd pas in de 18de of 19de eeuw particulier eigendom in moderne zin.9 Een deel van de duinvlakte Breesaap is vanaf het begin van de 15de eeuw ontgonnen. Van ene Nikolaas van Adrichem weten we bijvoorbeeld dat hij in 1447 20 morgen land met een huis aan Pieter Pietersz. verpachtte. Dat was maar een klein stukje van de Breesaap, want latere verpachtingen hebben gezamenlijk betrek13


NUMMER

43

APRIL

2018

Bron: NL-HlmNHA_53003890_K

VITRUVIUS

4 - De zanderij bij Kraantje Lek te Overveen, bij Haarlem (1773). Het duinzand werd met schuiten naar de stad vervoerd. Aquarel van Cornelis van Noorde (1731-1795). king op enkele honderden morgens: het ontginningsproces strekte zich uit tot na het midden van de 17de eeuw. Aan het eind van die eeuw waren er ongeveer 10 boerderijen – een cijfer dat tot het begin van de 20ste eeuw min of meer constant zou blijven. Pacht en eigendom van de boerderijen wisselen elkaar af, maar in de loop der tijd komen de huizen toch voornamelijk in handen van de houders van het leen - en vervolgens van de grondeigenaren. De ontgonnen Breesaap moet in de 18de eeuw een kleine 1000 morgen hebben omvat, waarvan 400 morgen bouwlanden. Er werd in hoofdzaak gemengd bedrijf uitgeoefend, waarbij – het kon ook amper anders – de veeteelt (via de mest) in dienst stond van de akkerbouw. Zolang kunstmest, in de betekenis die er in de 19de eeuw aan werd gegeven, niet bestond, was natuurlijke mest – poep – het enige serieuze en welkome alternatief. Mest (‘stadsmest’) werd soms zelfs van verre aangevoerd. Het is van belang hier op te merken dat er op de Breesaap kort voor 1850 een herverkaveling (ruilverkaveling avant la lettre?) en dat er nog verdere ontginning plaatsvond, waarbij de tot dan toe wat rommelige blokkaveltjes werden herschikt tot strook14

kavels. Deze herinrichting vond plaats op gezag van twee nieuwe eigenaren, die het gebied in 1845 hadden gekocht. De ene partij bestond uit het duo Jacobus Stuart en Eliza Harmanus van de Meulen en de andere was een zekere mr. A.A. Del Court van Krimpen. In de volgende tientallen jaren ging het eigendom van de gronden enkele malen over, om te eindigen bij de Amsterdamsche Kanaalmaatschappij en de Hoogovens.10 De zanderij als burgerlijke opdracht Enkele eeuwen nadat vooral het winnen van cultuurgrond als hoofdreden voor ontginning zijn invloed had doen gelden, kwam een nieuwe vorm van benutting van de binnenduinen en de strandwallen op: de zandwinning of zanderij. Opnieuw is de omgeving van Haarlem een goed voorbeeld. Nadat al in 1461 vergunning was verleend af te zanden in de Haarlemse strandwal zelf, kwam er vanaf het einde van de 15de eeuw een reeks van keuren (= regels) betreffende de zanderij in Tetrode, Aelbertsberg (Bloemendaal), Santpoort, enz. Daar zijn in de volgende eeuwen grote hoeveelheden zand uit de duinvoet weggegraven. Het werd eerst

met karren (o.m. genoemd in 1505), maar later vooral via zandvaarten - zoals Moulins Zandvaart en Jan Gijzens Zandvaart (1537) - per schuit naar de steden getransporteerd. Daar diende het onder meer als ophogingsmateriaal. Vanaf de 16de eeuw waren er verder zanderijen bij onder meer Heemstede, Hillegom, Lisse, Voorhout en Rijswijk.11 Het duinzand was toen ‘handel’ geworden en de opdracht tot het afgraven en in cultuur brengen van duingronden kwam niet meer van God, van geestelijke of wereldlijke gezagsdragers, maar gewoon van medeburgers. Na of soms al halverwege hun afzanding kregen de afgevlakte gronden voortaan opnieuw zulke bestemmingen als teelland en weidegronden en in een aantal gevallen vermoedelijk ook die van tuinbouwgrond. Maar daarnaast ook functies als vinkenbaan of bleekvelden. In het bijzonder de bleekvelden waren rond Haarlem eeuwenlang beroemd: de ‘Haarlemse bleek’ was niet alleen te danken aan het heldere water uit de duinvoet dat daarvoor werd benut, maar ook aan het in de zon en de wind bleken van stoffen op de afgezande binnenduinen.12 Er zijn talloze afbeeldingen bekend


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

Een andere tak van bedrijvigheid die te danken was aan de helderheid van het Haarlemse duinwater was de bierbrouwerij; geen groter aantal brouwerijen in laatmiddeleeuwse Nederlandse steden dan in Haarlem. Het water dat zich in de duinpannen verzamelde en/of in duinrellen afstroomde, was van een unieke kwaliteit voor het bereiden van de toenmalige volksdrank nummer één.13 Het mag bij het voorgaande niet onvermeld blijven dat – vermoedelijk al vanaf de 8ste of 9de eeuw - mede onder invloed van menselijke activiteiten - het stuiven toenam. Grote hoeveelheden zand waaiden het land in, waardoor op een aantal plaatsen de zogenoemde ‘oude duinen’, inclusief een deel van de strandwallen en de aangrenzende strandvlakten, bedolven raakten onder nieuwe duinzandafzettingen. Dit is de tot wel 6 km brede zone van ‘jonge duinen’, die bleef aanzwellen tot in de 17de eeuw.14 Een en ander betekende dat sommige ontginningen mettertijd onder het zand zijn verdwenen en dat ze - behalve in het geval van een toevallig terugvinden ervan – ‘zijn zoek geraakt’. Ook de zanderijen leidden uiteraard tot verlies van resten van oude cultuurlagen en juist in gebieden waar die het meest te verwachten zouden zijn, is hun (mogelijke) vroegere aanwezigheid niet of nauwelijks meer aantoonbaar. Dit geldt natuurlijk eveneens voor gebieden die later werden ‘bedolven onder het stuifzand’ van stads- en dorpsuitbreidingen. Grote delen van onder meer Haarlem-West, Bloemendaal en Overveen zijn vanaf het begin van de 20ste eeuw tot stand gebracht in de strandvlakten en op de aangrenzende afgegraven duinen. Het waren vlakke en relatief stabiele gronden die soms zelfs zonder heien bebouwd konden worden. Straatnamen als de Dompvloedslaan (Overveen) en de Blekersvaart(weg)

Bron: Rijksmuseum

van bleekvelden rond Haarlem, waarvan enkele landschapsschilderingen van J. van Ruysdael tot de beroemdste behoren. De Haarlemse bleek werd voortgezet tot in de 19de eeuw, toen het bedrijf langzaamaan ten onder ging en werd opgevolgd door chemische en stoomwasserij. Dat bleef wel een typisch Haarlemse bedrijfstak, maar uiteindelijk kreeg iedere plaats van enige betekenis een eigen ‘wasserijniche’ en vanaf de Tweede Wereldoorlog verdampte de ene na de andere; auteur dezes zag ze als sneeuw voor de zon uit Haarlem verdwijnen.

5 - Gezicht op Haarlem vanuit het noordwesten (Bloemendaal), met de blekerijen en bleekvelden op de ten dele afgegraven duingronden (ca. derde kwart 17de eeuw). Jacob Isaacksz van Ruisdael (ca. 1628–1682).

6 - De Brouwerskolk te Overveen was van oudsher een waterrijk gebied aan de duinvoet. Het afzanden van de omgeving gaf meer ruimte voor agrarisch bedrijf. Kopergravure uit 1792 door Leendert Overbeek. 15


NUMMER

43

APRIL

2018

Bron: Rijksmuseum

VITRUVIUS

7 - Vanaf de Late Middeleeuwen fungeerden de duinen onder meer als jachtgronden. Hier een afbeelding van een hazenjacht in de nabijheid van een burcht (1610/12). Ets van Claes Jansz Visscher (1586/1587-1652). (Heemstede) herinneren nog aan het blekerijverleden van de omgeving van Haarlem, net zoals de Blinkert (bij de uitspanning Kraantje Lek te Overveen) bekend is als voorbeeld van een ver landinwaarts opgerukt stuifduin. Dergelijke stuifduinen boden de mogelijkheid relatief dichtbij de stad Haarlem zanderijen te exploiteren. De Brouwerskolk te Overveen en de niet ver daarvandaan gelegen buitenplaats Elswout ontstonden als ‘zandgaten’ of omvatten uitgestrekte zanderijen. Obsessie met cultuurgrond Het afgraven van duingronden en strandwallen vanwege de profijtelijke bestemming van het zand in de grote Hollandse steden was gedurende ten minste 250 jaar een voorname reden om rigoureus in het landschap in te grijpen. Hiernaast verschafte het verwerven van adellijk bezit status aan een opkomende elite uit de burgerij. Als uitvloeisel hiervan was de vestiging van buitenplaatsen in de afgevlakte duingebieden een voor de 17de en 18de eeuw kenmerkend fenomeen. Zowel in de bijna aan het voormalige Wijkermeer grenzende duinstrook nabij Beverwijk, als verder zuidwaarts - van Santpoort tot voorbij Den Haag - kwamen tientallen buitenplaatsen en landgoederen tot ontwikkeling. Bij de tuin- en/of parkaanleg en ook bij de voorziening in gebieden waar men zich kon verpozen met jagen en flaneren, werd gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de omgeving bood en anders werd de ruimte daartoe wel naar eigen wensen ingericht. De modegrillen van de tijd waren richting gevend: functionele tuinen, 16

tuinen in Franse of in Engelse stijl – iedere generatie had een eigen voorkeur. Elk drukte in die eeuwen een eigen stempel op de ruimte: het ging van hofstede met moestuin en boomgaard, via ‘parterres de broderie’ met classicistische beelden, tot parklandschappen met reliëf, bosschages en waterpartijen. De ontwikkelingen in de binnenduinen weken niet sterk af van die langs de Vecht, langs de Vliet bij Den Haag of in de Beemster: grondbezit en het tonen van rijkdom werden doelen op zich. Hierbij heerste een sterke vormwil over het landschap en zeker ook over de Hollandse binnenduinen. Tot op de dag van vandaag zijn huizen met tuinen als Beeckestijn (Velsen), Duin en Daal (Bloemendaal), Leyduin en Vinkenduin (Aerdenhout), Oostergeest (Warmond) en Oud-Clingendael (Wassenaar) voorbeelden van buitenplaatsen waarmee de stichters en de latere eigenaren ervan hun stempel op het land drukten. In een niet gering aantal gevallen waren de nieuwe, burgerlijke eigenaren van de duingronden in de juridische voetsporen getreden van hun adellijke voorgangers, waardoor zij de toekomstige bestemmingen ervan konden bepalen. Die konden liggen in continuering van het agrarisch gebruik ervan en anders in omzetting in een weelderige tuinaanleg. Maar allereerst waren velen geïnteresseerd in de historisch aan de grond verbonden status van het landheerschap. Hiermee verwierven ze weliswaar geen (of in elk geval niet automatisch een erfelijke) adellijke titel, maar wel de juridische componenten ervan. Ze kregen de (meestal lage) jurisdictie en waren daarmee in feite landheer op kleine

schaal. En door het stapelen - of liever het verbreden van hun bezit (ook door erven of huwelijk) – konden bepaalde families respectabele oppervlakten van laag-Holland en van de naburige duingebieden verwerven. Zo bezat één van de bekendste families met uitgestrekte duingronden – het geslacht Gevers – van oudsher geen adellijke titel: voordat de familie snel ging stijgen op de sociale ladder, was ene Jan Hendricxz Gevers als kaarsenmaker gevestigd in Rotterdam.15 Later (ca. 1830) kwam de familie onder meer in het bezit van het huis Endegeest in Oegstgeest, waar in de loop der eeuwen diverse typen landschappen omheen waren aangelegd. Anders dan echte oude adel zagen dergelijke families er in sommige gevallen geen bezwaar in zich te bewegen in en daarmee deelgenoot te zijn van kringen van handelaren, ondernemers, fabrikanten, enz. In tegendeel: juist deze rijke stadsburgers verwierven de van oudsher door de adel uitgebate gronden en de bijbehorende privileges en maten zich mettertijd vergelijkbare voorrechten aan. De huizen verloren in veel gevallen hun defensieve functies en er werden tientallen modieuze huizen bijgebouwd. Passend bij tuin en landschap of zelfs dat niet eens. Mogelijk verklaart dit een deel van de teloorgang van de oude duinontginningen: de 18de-, 19de- en 20ste-eeuwse door koop en verkoop rijk geworden grootgrondbezitters hadden weinig of geen historische ‘grondbinding’ en deden de terreinen gemakkelijk van de hand om er bv. woonwijken, attractieparken of bedrijventerreinen te vestigen. Huis Endegeest bleef wat dit betreft tamelijk ongeschonden, al raak-


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

te het ten dele omgeven door woonwijken en de gelijknamige psychiatrische kliniek. In het tweede deel van dit artikel zal nog iets verder worden ingegaan op de ingrepen in het duingebied vanwege de aanleg van landgoederen en de later veel voorkomende bestemming en inrichting ervan voor andere doeleinden. Het zwaartepunt zal echter liggen op de vanaf de tweede helft van de 18de eeuw beoogde grootschalige ontginning van (binnen)duinen om er rendabele agrarische gronden van te maken. Die ontginningen waren onder meer een vervolg op en verbreding van de al genoemde ingrepen in en rond de Breesaap.

context blijkt dat dit een vergissing is. Hij noemt 10 andere namen, die echter niet per se boeren van de Breesaap zijn. 11  Zie o.m.: Keuren ende ordonnantien van het Hoog-heemraedschap van Rhijnland, […]. Eerste Stuk. (1769). 12  Zie: Regtdoorzee Greup-Roldanus, S.C. (1936). 13  https://nl.wikipedia.org/wiki/ Duinrel_(watergang) 14  Zie hiervoor m.n.: Jelgersma, S., e.a. (1970). 15  https://nl.wikipedia.org/wiki/Gevers n

Bron: Beeldbank RCE

Noten 1  Einde 2013 vond op initiatief van het Netwerk Historisch Cultuurlandschap een themadag plaats rond ‘De geesten van Holland’. Een globaal verslag is opgenomen in Historisch-Geografisch Tijdschrift, 2014. 2 Ham, W. van der (2009), 19, 20. 3  Rentenaar, R. (1977), 368 e.v. 4  Vgl.: Blink, H. (1897), 411. 5 Dijkstra, M.F.P. (2011), 109 e.v., 134140, 183-190, passim. De vroeg-middeleeuwse naam van Oegstgeest luidt

Kerkwerve. Het statische karakter van veel vroeg-middeleeuwse nederzettingen is aan herziening toe. 6  Baas, H., e.a. (2014), 136-139. 7  Tys, D. (2004), 31 e.v. Binnen de wildernis had de zogeheten ‘grafelijke wildernisse’ een aparte status. Het voert hier te ver op zaken als ontginningstienden (‘novale tienden’) enz. in te gaan. Zeker is wel dat de graven, hun leenmannen en de rechtsopvolgers directe inkomstenbelangen hadden bij ontginningen. Zie o.m.: Schelling, P. van der (1727), 454 e.v. 8  Het is opmerkelijk dat er in de literatuur relatief weinig verband wordt gelegd tussen zogenoemde kroften of krochten (duinakkers) en duinontginningen. Vgl. o.m.: http://duinenenmensen.nl/ wp-content/uploads/2015/02/Nollenkrochten-blinken-door-Frits-DavidZeiler-1995rr.pdf ; http://www.hgmk. nl/wp-content/uploads/2015/06/LB16Kroft-of-Krocht.pdf 9  Kops, J. (1798), 42-60. Er bestond aan het einde van de 18de eeuw onduidelijkheid over de eigendomsstatus. 10  Pruissers, A.P. e.a. (1991), 132; Morren, J. (2007), 36-38; (2008), 17-24. Een morgen is ongeveer 0,85 ha. In (2008) schrijft Morren: ‘1647’, maar uit de

8 - Het Huis Endegeest bij Oegstgeest met tuinen en weiden op voormalige geest- en binnenduingronden. (eerste kwart 18de eeuw) Ets van J. Lamsvelt (1674-na 1743). 17


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

Even geduld a.u.b. ir. R.S. Pekaar Senior adviseur bouwkunde Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

‘Zo, nu kun je het zelf zien’, zegt de boer als we zijn oude schuur bekijken. ‘Allemaal oude troep, daar kunnen we toch niks meer mee.’ Maar dat is niet wat ik zie. Ik sta in een imponerende ruimte, met een prachtige historische houtconstructie. Driehonderd jaar geschiedenis is haast voelbaar, maar de boer, wiens familie hier al tijden woont en werkt, lijkt er weinig mee te hebben. Hij wil er van af.

Over leegstaand agrarisch erfgoed en ‘behoud door onthouding’ niet door de deur past of tussen de spanten kan keren. Maar hoe komt het (afgezien van de financiële kwestie) dat functieverlies ook bij historisch waardevolle boerderijen zo vaak tot sloop leidt? Als de eigenaar er niets meer

om geeft en verder ook niemand zich er om lijkt te bekommeren, zijn het dan slechts monumenten die worden gewaardeerd door experts in plaats van breed gedragen erfgoed dat mensen zich toe-eigenen? Moeten er juist een aantal verdwijnen om -door het gemis- de waardering te doen groeien?

Hoe komt het dat functieverlies bij historisch waardevolle boerderijen zo vaak tot sloop leidt? Heeft het soms te maken met de Nederlandse ‘opgeruimd staat

Functieverlies Het is één van de 2.000 rijksmonumentale boerderijen die nu nog in agrarisch bedrijf zijn. Binnen nu en vijftien jaar verliezen zo’n 700 daarvan hun functie, als onderdeel van de 24.000 boerenbedrijven die er in die periode naar verwachting mee zullen stoppen.

netjes-mentaliteit’? Renate Pekaar zocht naar het antwoord op deze vraag en naar een nieuwe strategie om met leegstaand agrarisch erfgoed om te gaan. Voor die gevallen waar herbestemming niet lukt en sloop dreigt, pleit zij voor ‘behoud door onthouding’: een actief afwachtende aanpak waarin (tijdelijke) leegstand wordt geaccepteerd en die ruimte biedt voor verschillende scenario’s als alternatief voor sloop.

Het zijn ontwikkelingen waar ik als eenvoudige erfgoedzorger geen grip op heb. Maar ik kom wel in aanraking met de individuele gevallen van leegstaand agrarisch erfgoed. En dat betreft helaas regelmatig sloopaanvragen voor monumentale boerderijen. Dit gaat dan zowel om boerderijen die hun agrarische functie verliezen als om schuren die voor het tegenwoordige agrarische gebruik niet meer voldoende functioneel zijn, omdat de grote tractor simpelweg 18

Bron: Sergé Technau, Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, objectnummer 517.075

Dit kan vergaande consequenties hebben, niet alleen voor de objecten zelf, maar ook voor het omringende landschap. De boerderijen en met name de grote schuren (die het grootste risico lopen gesloopt te worden) zijn beeldbepalende elementen in het veelal vlakke land. Denkend aan het traditionele Hollandse platteland, zien we niet alleen ‘breede rivieren traag door oneindig laagland gaan’, maar - als we de blik van Hendrik Marsman verder volgen - ook ‘in de geweldige ruimte verzonken, de boerderijen verspreid door het land’.1 Welke gevolgen hebben schaalvergroting in de landbouw, leegstand en krimp voor dit ‘grootsch verband’?

1 - Interieur historische schuur.


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

2 - Verwaarloosde historische schuur naast een nieuwe functionele loods. Waarom kunnen we niet wat meer geduld opbrengen in afwachting van een nieuwe eigenaar of een nieuwe functie? Opruimdrift De neiging tot sloop wordt wel in verband gebracht met de Nederlandse ‘opgeruimd staat netjes-mentaliteit’.2 De Engelse historicus Simon Schama meende dat de al eeuwenlang internationaal vermaarde Hollandse properheid en schoonmaakwoede3 voortkwamen uit onze Calvinistische volksaard.4 Uit recenter economisch historisch onderzoek weten we echter inmiddels dat de deze hun oorsprong vinden in het grote belang van hygiëne in de grootschalige zuivelproductie op het Hollandse platteland sinds de veertiende eeuw.5 Het is kennelijk inherent aan de boerenpraktijk zelf om alles aan kant te houden. Maar zouden we niet kunnen proberen onze opruimtraditie wat los te laten en een voorbeeld te nemen aan de meer ‘laissez faire’-aanpak van zuidelijke landen?6 Dit hoeft niet meteen te betekenen dat we waardevol erfgoed laten vervallen, ook niet als het leegstaat. Ik denk dat het mogelijkheden biedt als we de problematiek bena-

deren vanuit de ‘ethiek van de onthouding’ zoals dat door Auke van der Woud is gedaan in relatie tot restauraties en zoals deze meer recent door Joks Janssen en Eric Luiten ook in verband is gebracht met leegstaand erfgoed.7

aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In de adviesbrief ‘Brede blik op erfgoed; over de wisselwerking tussen erfgoed en transities in de leefomgeving’ wordt ‘behoud door onthouding’ als strategie in overweging gegeven.8

Actief afwachten Onthouding in de zin van ‘de beoefening van het niet-doen’ impliceert een tegelijkertijd actieve en afwachtende houding. De taoïstische leer gebruikt hiervoor de term Wu wei. Dit is het niet-doen (niet te verwarren met niets doen) of loslaten. Je niet verzetten tegen de loop der dingen, maar daar spontaan doch bewust in meegaan. Ik zou dat naar de erfgoedpraktijk willen vertalen als het accepteren van (tijdelijke) leegstand en ondertussen ‘het minimale doen’ dat nodig is voor behoud. Vanuit die insteek zou ik -als tegenhanger van het jarenlang gehanteerde adagium ‘behoud door ontwikkeling’ willen pleiten voor ‘behoud door onthouding’ bij leegstaand (agrarisch) erfgoed. Dat dit pleidooi breder wordt ondersteund, blijkt bijvoorbeeld uit het advies dat de Raad voor Cultuur en de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur onlangs hebben uitgebracht

De actief afwachtende aanpak kan bijvoorbeeld bestaan uit het zorgen dat het erfgoed niet te snel degradeert en dat er geen onprettige, vandalismegevoelige leefomgeving ontstaat. Of de minimale maatregelen treffen om te voldoen aan de Instandhoudingsplicht die in de nieuwe Erfgoedwet is opgenomen. Instrumenten die hierbij kunnen helpen, zijn subsidies voor het wind- en waterdicht houden van (tijdelijk) leegstaande gebouwen zoals we in Nederland al kennen9, of een fonds waarmee de overheid zich tijdelijk over het beheer van vrijgekomen vastgoed ontfermt zoals het Franse Etablissement Public Foncier.10 Het accepteren van (tijdelijk) ‘bestemmingsloze’ gebouwen past ook bij de trend om flexibel met bestemmingsplannen om te gaan en sluit aan bij het gedachtegoed van de nieuwe Omgevingswet: plannen niet dichttimmeren maar ruimte bieden voor ontwikkelingen, benutten van kan19


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

Ruïnevorming en verplaatsing Een verdergaand voorbeeld van ‘nietdoen’ is het alternatief voor sloop dat door drie ondernemers in oost-Groningen is bedacht: boerderijen laten vergaan tot overwoekerde ruïnes. Dit project Ecoruïnes laat de mogelijkheden van vervallen boerderijen op een positieve manier zien: niet kamperen bij de boer, maar bij de ruïne.11 Dus niet verloedering die overheerst, maar juist de kwaliteit van de ruïne, ook in ecologisch en natuurlijk opzicht. Een ander alternatief voor sloop is het verplaatsen van schuren. Dit werd vroeger ook al gedaan en is technisch goed mogelijk bij houten schuren. De documentaire De verhuizende schuur toont hoe een gepassioneerd particulier eigenhandig een Zeeuws-Vlaamse schuur demonteert en verplaatst naar de overkant van Westerschelde.12 Iets verderop doet de Stichting Brabantse Boerderij ongeveer hetzelfde; schuren worden ontmanteld, opgeslagen en op een andere locatie weer opgebouwd. Geen tijdelijke leegstand, maar tijdelijke opslag.13 Maar goed, dit zijn vergaande oplossingen die vanuit het oogpunt van monumentenzorg alleen als alternatief voor sloop denkbaar zijn. En we kunnen niet alle historisch waardevolle objecten laten verwaarlozen, opslaan of eindeloos met subsidies winden waterdichthouden. Nee, we moeten natuurlijk doorgaan met het zoeken naar nieuwe functies, verhalen vertellen, ambities formuleren, verbindingen leggen en meewerken aan (burger-)initiatieven. Maar daarnaast kunnen we ons er misschien wat vaker bewust van zijn dat (tijdelijk) nietdoen ook een optie is. We weten immers niet wat de toekomst brengt. Misschien liggen er kansen in het verschiet, ook voor de eigenaar die de mogelijkheden nu (nog) niet ziet. Laten we krimp, in navolging van Rijksbouwmeester Floris Alkemade, zien als ‘een natuurlijke golfbeweging waarop ingespeeld moet worden’ (en niet als indicatie van een failliet) en het ‘duidelijk legere platteland als een belangrijke motor die voor vernieuwende ontwikkelingen ingezet kan worden’.14 Wie weet welke nu nog onvermoede functies zich in de toekomst voor het agrarisch erfgoed aandienen. 20

Bron: Mark Sekuur – www.ecoruine.

sen, denken vanuit de initiatiefnemer en de burger, uitnodigen en faciliteren met een open en nader in te vullen eindbeeld in plaats van een blauwdruk.

3 - Impressie Ecoruïne. Kortom, geduld lijkt mij een schone zaak. In de evolutionaire psychologie en cognitieve neurowetenschap wordt geduld beschouwd als besluitvormingsprobleem. Dit klinkt misschien als besluiteloosheid, maar het gaat juist om de neiging van mensen om te kiezen voor klein voordeel op korte termijn boven een uiteindelijk meer aantrekkelijke optie op lange termijn. Misschien is de sloop van historisch waardevolle boerderijen ook zo’n korte termijn keuze en ontnemen we de toekomst onnodig mogelijkheden tot behoud. Noten 1  Gedicht Herinnering aan Holland door Hendrik Marsman 2  De Nederlandse opruimwoede wordt aangedragen als één van de redenen dat er in Nederland zo weinig ruïnes zijn, bijv. in A.G. Schulte (red.), 1997, Ruïnes in Nederland. Zwolle: Waanders 3  Zie voorbeelden in Thimo de Nijs en Eelco Beukers (red.), 2002, Geschiedenis van Holland (deel III). Hilversum: Verloren, p. 632-638 4  Simon Schama, 1987, The embarrassment of riches, New York: Fontana Press, H6.1 5  Van Bavel, B.J.P. en O. Gelderblom, 2009, ‘The economic origins of cleanliness in the Dutch Golden Age’, Past & Present, issue 205, pp. 41 - 69 6  Hans Renes e.a., 2014, Krimp en erfgoed in Noordwest-Europa. Verkenning van een uitdagend probleem. Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, p.108

‘Ethiek van de onthouding’, o.a.in ’10 suggesties voor de nieuwe rol van de erfgoedprofessional’ dat onlangs is gepubliceerd en geïnitieerd door Joks Janssen en Platform VOER, Joks Janssen, De toekomst van het verleden en interview Joks Janssen en Eric Luiten http://www.omgevingsweb.nl/nieuws/ experimenteren-met-erfgoed 8  h ttps://www.cultuur.nl/upload/documents/tinymce/171215-briefadviesBrede-blik-op-erfgoed-DEF.pdf 9  Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 10  Hans Renes e.a., 2014, Krimp en erfgoed in Noordwest-Europa. Verkenning van een uitdagend probleem. Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, p.108 11  h ttp://www.primafocus.nl/geografie/ ecoruine-oost-groningen/ 12  Documentaire De Verhuizende Schuur via internet te zien: http:// netzeeuws.nl/category/filmsopdesite/ documentaires/ 13  h ttp://www.debrabantseboerderij.nl/ projecten/verplaatsing-schuren 14  Floris Alkemade, 2016, De emancipatie van de periferie. Den Haag: Atelier Rijksbouwmeester 7

Renate Pekaar schreef dit essay als afsluiting van de leergang Erfgoedfilosofie die zij volgde bij de ErfgoedAcademie. Het werd eerder gepubliceerd op het digitale platform VOER n


NUMMER

43

APRIL

2018

Monique van den Dries Hoofddocent archeologisch erfgoedmanagement, Faculteit Archeologie, Universiteit Leiden.

Krijn Boom Promovendus Faculteit Archeologie, Universiteit Leiden en Projectleider Blended Learning, Universiteit van Amsterdam.

Uit een grootschalig onderzoek onder 500 Nederlanders (18+) blijkt veel sympathie voor de archeologie. Zo vindt 89% het nuttig en 76% dat archeologische resten een meerwaarde zijn voor hun leefomgeving. Er is dan ook veel draagvlak voor archeologisch onderzoek: twee derde vindt dat bouwwerkzaamheden moeten worden opgeschort als er archeologische vondsten worden gedaan. Voor de archeologische sector is dat goed nieuws, aangezien er de laatste jaren ook wel wat negatieve berichtgeving is geweest, zoals over de kosten waarmee ‘bodemverstoorders’ worden geconfronteerd en de dalende werkgelegenheid als gevolg van de economische crisis. Alhoewel de uitkomsten vrij positief zijn, blijken er ook wat addertjes onder het gras te zitten, bijvoorbeeld als we de uitkomsten vergelijken met het NIPO/AIC-bevolkingsonderzoek van ruim twintig jaar geleden. Vooral veel sympathie Uit het onderzoek naar het imago van de archeologie, dat is uitgevoerd als onderdeel van het NEARCH-project1, komt een vrij positief beeld naar voren. Het publiek blijkt een sympathieke houding te hebben; het merendeel vindt archeologie het spannend en ook nuttig. In vergelijking met het bevolkingsonderzoek van het NIPO en het Archeologisch Informatie Centrum uit 1996 zijn zelfs meer mensen archeologie ‘waardevol’ gaan vinden (van 56% naar 89%). Ook de belangstelling om opgravin-

NEARCH-onderzoek legt het draagvlak voor de archeologie bloot

gen te bezoeken is toegenomen, van 35% naar 43%. Hoewel de daadwerkelijke participatie eveneens licht is toegenomen - in 1996 zei 19% ooit een opgraving te hebben bezocht, nu is dat 23% - blijft die in verhouding nog steeds achter bij de interesse die men zegt te hebben. Er zijn ook grote verschillen tussen de aantallen mensen die bekend zijn met diverse musea en vindplaatsen in Nederland en de aantallen die ze daadwerkelijk hebben bezocht; soms is het verschil wel een factor vijf.

Kennis als meerwaarde Voor 54% van de deelnemers aan het onderzoek betaalt de meerwaarde van de archeologie zich vooral uit in (wetenschappelijke) kennisvermeerdering. Slechts 5% denkt bij de archeologie spontaan aan vrijetijdsbesteding of ander vertier. Een nog kleiner aantal (4%) koppelt de aanwezigheid van archeologisch erfgoed in hun leefomgeving aan het eigen welzijn of aan een duurzame gebiedsontwikkeling. In die zin staat de archeologie kennelijk op

Bron: M. van den Dries.

VITRUVIUS

1 - Heel weinig deelnemers aan het onderzoek associeerden de archeologie met vrijetijdsbesteding, toch heeft een kwart het Archeon (Alphen aan de Rijn) of een archeologisch museum bezocht. 21


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

afstand van de gemiddelde burger. Dat lijkt ook terug te lezen in het percentage mensen dat zich persoonlijk aangetrokken voelt tot de archeologie, dat was 53% in 1996 en is nu 44% (18% onder de jongeren van 18-24 jaar). Dergelijke bevindingen zou je met enige zorg kunnen bekijken, want wanneer men er zelf weinig aan denkt te hebben, zou de bodem onder het draagvlak wel eens dun kunnen zijn. Het feit dat slechts 8% van de respondenten aangeeft dat archeologisch onderzoek door de burger zou kunnen worden betaald via speciale belastingen, is hiervoor wellicht een extra aanwijzing.

Weinig accurate kennis Het publiek heeft verder een enigszins beperkt beeld van de rol van archeologen en is niet goed op de hoogte van het hedendaagse bestel en de verdeling van de taken en verantwoordelijkheden. Wat als eerste opkomt als mensen aan archeologie denken, is ‘de studie van het verleden’ (51%) en ‘opgraven’ (43%). Dat is op zich logisch, maar opmerkelijk is dat geen van de respondenten uit zichzelf op ‘het behoud van historische resten’ kwam, terwijl dit tegenwoordig een hoofdtaak is van de meeste archeologen die in dienst zijn van gemeenten, regio-organisaties, bedrijven en de rijksoverheid. Alleen als men specifiek op de optie wordt gewezen denkt 94% dat archeologen ook een rol hebben in het beschermen van het cultureel erfgoed. Driekwart van alle respondenten 22

Bron: M. van den Dries.

Gelukkig weten we dat het niet zo is dat men er niets aan heeft. Uit andere studies van onder andere de auteurs blijkt bijvoorbeeld dat mensen die meedoen aan archeologische activiteiten als vrijetijdsbesteding of als vrijwilliger, er wel degelijk de fysieke en mentale vruchten van plukken (o.a. Van den Dries, Boom en Van der Linde 2015; Boom in voorbereiding). Bovendien doet de sector zeker wel stevige duiten in het amusementszakje: het archeologisch park Archeon, bijvoorbeeld, trekt jaarlijks rond de 300.000 bezoekers. Dat het publiek de archeologie vooral associeert met kennis(vergaring) en nauwelijks met andere sociale en economische waarden, geeft aan dat men zich niet bewust is zijn van het feit dat meedoen aan een archeologische publieksactiviteit een sociaal/ economische meerwaarde heeft. Er ligt dan ook een schone taak voor de sector om aan die bewustwording bij te dragen. 2 - Van de jongeren zegt 12% ooit te hebben overwogen archeologie te studeren. De meesten weten echter niet goed hoe de dagelijkse praktijk van een archeoloog in Nederland er uitziet. weet dan weer niet dat in ons land bijna uitsluitend aan bouwprojecten opgeofferde vindplaatsen worden opgegraven. Op de vraag wie in Nederland verantwoordelijkheid is voor de archeologie denkt slechts 30% aan de gemeentelijke overheid. Vooral veel jongeren (37%) zeggen het niet te weten. Als het gaat om de financiering van archeologisch onderzoek vindt driekwart van alle deelnemers dat dit de taak is van de overheid, slechts 20% vindt dat ‘verstoorders’ dat zouden moeten doen. Weinigen weten waarschijnlijk dat

het merendeel van al het veldonderzoek tegenwoordig door ontwikkelaars wordt betaald. Van de ouderen denkt 77% dat archeologisch onderzoek vooral door amateurverenigingen wordt verricht, van de jongeren denkt 34% door musea en slechts 23% door bedrijven. Op zich is dit natuurlijk allemaal geen probleem, de beperkte kennis onder jongeren sluit wel aan bij de observatie van de auteurs dat menig nieuwe archeologiestudent geen reëel beeld heeft van het beroep waar ze voor kiezen. Mogelijk draagt dit bij aan de relatief hoge uitval onder Bachelor-studenten.


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

Liefhebbers in het vizier Opmerkelijk is ook dat de sector dezelfde categorie mensen blijft aanspreken. De grootste archeologieliefhebbers waren in 1996 vooral mannen van boven de 45 met een hogere opleiding en hoger welstandsniveau, en dat beeld is niet veranderd. Maar liefst 81% van de huidige 45-plussers zegt archeologische vindplaatsen te willen bezoeken. Dat ligt ruim boven het gemiddelde van 72%: voor mannen ligt het percentage op 75%, voor vrouwen op 69%, voor jongeren (18-24 jaar) op 54%.

Jongeren (18-24 jaar) hebben het minst positieve beeld van de archeologie: 33% vindt het nutteloos (tegen 7% van de 60-plussers), 36% toont een honger naar meer informatie over archeologisch onderzoek (tegen 54% van de 60-plussers) en slechts 18% voelt zich persoonlijk tot de archeologie aangetrokken. In deze leeftijdscategorie heeft 12% wel eens overwogen archeologie te studeren, van de 35-plussers is dat 26%. Het blijft eveneens lastig jongeren (18-24 jaar) te verleiden om te participeren. Zo heeft in de leeftijdscategorie 45-59 76% ooit een documentaire over de archeologie gekeken, 64% een tentoonstelling bezocht en 49% een boek of tijdschrift gelezen over een archeologisch onderwerp, terwijl van de jongeren (18-24) 39% zegt een documentaire te hebben gezien en 33% een tentoonstelling. Een groter aantal jongeren (44%) zegt een boek of tijdschrift erover te hebben gelezen. Dit laatste lijkt een wat hoog percentage aangezien jongeren steeds minder schijnen te lezen. Ook uit andere studies blijkt dat boeken over archeologie niet altijd gewild zijn. Toch is het goed mogelijk, omdat ze wellicht hun schoolboeken in gedachten hadden of een van de vele mooie tijdschriften over de archeologie

Bron: M. van den Dries.

De grootste liefhebbers van twintig jaar geleden lijken echter niet allemaal meer te willen participeren. De 45-plussers van 1996 - de 65-plussers van nu - zijn weliswaar nog uitermate positief, maar op de vraag of ze belangstelling hebben om archeologische sites te bezoeken en dergelijke, scoren ze op 5 van de 7 voorgestelde activiteiten ruim onder het gemiddelde. Wellicht is er bij deze groep verzadiging opgetreden of past het aanbod niet (meer) bij hun levensfase.

3 - Het blijkt lastig ouderen (60-plus) te verleiden om actief te blijven participeren. Twee derde wil best wel een archeologische site bezoeken, maar of ze dat ook doen is de vraag. Zij laten zich vooral informeren via de televisie. die tegenwoordig op veel plaatsen in de schappen liggen. Kansen en mogelijkheden Op zich zijn dit natuurlijk helemaal geen slechte cijfers, integendeel. En wie weet groeit de belangstelling bij jongeren ook met de jaren. Ze tonen in elk geval waar er eventueel groeimogelijkheden zijn. Opvallend is bijvoorbeeld dat 52% van de jongeren (18-24) zegt te willen deelnemen aan een opgraving. Biedt ze de kans zou je zeggen. Vooral jongvolwassenen lijken de doelgroep te zijn om in te investeren met publieksactiviteiten; zo zegt 34% van de mensen tussen de 25-34 jaar bereid te zijn bij te dragen aan het financieren van een opgraving, tegen 22% van de 45-plussers en 17% van de 60-plussers. Ook ligt de belangstelling om mee te graven onder de 25-34-jarigen (63%) ver boven het gemiddelde van 43%. Bovendien zou in

deze categorie maar liefst 46% belangstelling hebben om betrokken te zijn in de besluitvorming rond een archeologisch project in hun directe woonomgeving (tegen 28% van de 45-plussers). Er lijken dus uitgelezen kansen te liggen voor citizen science of participatory governance bij deze leeftijdscategorie, of voor crowd funding met betekenisvolle participatie als tegenprestatie. Steekproefsamenstelling In het onderzoek zitten ook een paar minder waarschijnlijke uitkomsten. Zo zegt maar liefst 72% het Hunebeddencentrum in Borger te hebben bezocht. Weliswaar komen de meeste van die bezoekers uit Noord-Nederland, maar doorrekenend zou het wel om een heel groot percentage van de Nederlandse bevolking (boven de 18 jaar) gaan. Te meer daar het centrum in 2017 zelf pas de ĂŠĂŠn miljoenste betalende 23


VITRUVIUS

naar onze mening een iets te rooskleurig beeld lijken te scheppen, en andere wellicht iets te negatief. Een gezonde dosis scepsis bij de interpretatie van de antwoorden lijkt dus op z’n plaats. Beeld voor Europa De werkwijze van Harris Interactive levert echter wel weer uniek vergelijkingsmateriaal voor een groot deel van Europa (zie ook Kajda e.a. 2017). En daaruit blijkt dat onze respondenten op verschillende fronten juist weer iets minder positief scoren dan die in andere landen; de Nederlanders hebben bijvoorbeeld minder accurate kennis van de sector en ze tonen minder belangstelling en betrokkenheid dan gemiddeld voor Europa. Ook is er in Nederland minder draagvlak en minder participatie dan in andere landen. Vooral in Italië en Griekenland zijn mensen veel meer met de archeologie begaan. Daar zien ze ook sterker de sociale en economische waarde ervan, mogelijk omdat archeologische erfgoed daar een belangrijker bron van toerisme is dan in ons land. Het is gissen wat precies de redenen zijn voor dergelijke verschillen; heeft het te maken met onze volksaard, met de samen-

Bron: M. van den Dries.

bezoeker sinds 2005 heeft geteld2, lijkt dit raar. Het kan zijn dat in dit geval de vraag niet goed is geïnterpreteerd, dat deze mensen bijvoorbeeld allemaal wel eens een hunebed hebben gezien en dachten dat ze dan ook vast het hunebeddencentrum hebben bezocht. Het kan ook zijn dat de wijze van enquêteren geen honderd procent representatieve steekproef van de inwoners van Nederland heeft opgeleverd.3 Voor het verzamelen van de gegevens is een onderzoeksbureau (Harris Interactive) ingeschakeld dat in negen Europese landen tegelijkertijd data kon verzamelen en dit bureau maakt gebruik van eigen vaste ‘belpanels’. In zulke panels zitten mensen die op voorhand bereid zijn aan dergelijke onderzoeken mee te doen. Wellicht hebben zij dus ook al enige belangstelling of sympathie voor het onderwerp. Het zijn ook allemaal mensen die de Nederlandse taal voldoende beheersen. Mensen die een hekel aan het onderwerp hebben bereik je dus niet met zo’n onderzoek, noch de mensen die minder op de hoogte zijn van de Nederlandse archeologie, zoals bijvoorbeeld mensen met een migratieachtergrond. Mogelijk is het panel dus geen volledige afspiegeling van de gehele Nederlandse bevolking. Dit kan de reden zijn dat sommige metingen

4 - Meer dan de helft van de jongeren (18-24) zegt graag eens mee te willen doen aan een echte opgraving. 24

NUMMER

43

APRIL

2018

stelling van de bevolking, ons onderwijssysteem, de berichtgeving over de archeologie in de media, of met de manier waarop de sector het publiek bedient? Of is het een beetje van alles en wellicht nog meer? Als we hier enig inzicht in willen krijgen, omdat we aan verbetering zouden willen werken, is meer van dergelijk onderzoek nodig. Zonde van het geld? Er zijn altijd mensen die in reactie op berichtgeving over dit soort studies hoognodig moeten melden met “zonde van het geld” te vinden, ook dit keer weer. Het zou echter constructiever zijn om je af te vragen waarom de politiek (in Europa) geld over heeft voor dergelijke effectmetingen. Feit is dat men zit te springen om evidence based beleidsevaluaties, bijvoorbeeld om de millenniumdoelen te kunnen bereiken. Eigenlijk zouden we niet moeten hoeven uitleggen dat het voor de sector uiteraard van belang is het imago te peilen en te managen. Zeker een sector die sterk afhankelijk is van draagvlak in de samenleving doet er verstandig aan de vinger aan de pols houden, en zich iets aan te trekken van de wereld om zich heen. Menigeen waant zich misschien veilig in zijn ivoren toren, maar de basale economische wetten van het neoliberalisme knagen altijd aan het fundament. Als de belangstelling voor je product afneemt, eroderen de pijlers onder je bouwwerk. Dan kun je heel hard gaan roepen dat je belangrijke dingen doet, maar dan zakt toch je toren langzaam maar zeker in de modder. Draagvlakverbreding is dus het devies. De meest tastbare meerwaarde van dit soort studies is dat ze een schat aan concrete aanwijzingen bieden die we direct kunnen kapitaliseren, zoals omtrent de wensen van het publiek en hoe de sector dus de samenleving kan bedienen. Eén zo’n aanwijzing is dat hét ‘publiek’ niet bestaat; lang niet iedereen heeft namelijk dezelfde voorkeuren. Zo blijken vrouwen niet dezelfde belangstelling te hebben als mannen, jongeren niet als ouderen, hoogopgeleiden niet als minder hoog opgeleiden, etc. Zo hoeft voor oudere mensen (45-plus) het deelnemen aan een opgraving niet zo nodig en hebben vrouwen minder met tentoonstellingen over de middeleeuwen dan mannen. De grote verscheidenheid in antwoorden en de verschillen tussen leeftijds-


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

categorieën en andere sociale subgroepen laat zien dat we er verstandig aan doen te differentiëren en te variëren in activiteiten en onderwerpen; meer maatwerk dus in plaats van confectieoplossingen. Dit alles ligt voor de hand en dat weten de meeste mensen die met disseminatie bezig zijn ook eigenlijk wel. Toch zou dat inzicht zich vaker kunnen laten vertalen in een doelbewuste aanpak en strategie om meer doelgroepen aan te trekken. Vaak ontbreekt die strategie of kiest men voor de makkelijkste weg om de vaste klanten te bedienen, zo blijkt ook uit studies van studenten erfgoedmanagement. Recente bezoekersevaluaties van bijvoorbeeld de Tijdtrap in Rotterdam (Van den Dries e.a. 2017) en van een tuinevenement in Duitsland (Boom e.a. in druk) laten echter zien dat de wat lastiger te bereiken doelgroepen toch best te betrekken zijn. Als je archeologie aanbiedt op plaatsen waar mensen voor andere redenen komen, doen ze wel degelijk spontaan mee (zie ook Van den Dries in druk). Ook bij de Nationale Archeologiedagen zien we dat mensen spontaan meedoen als ze met archeologische activiteiten worden verrast (Van den Dries, Boom en Kramer 2016). Het publiek wil dus wel. Dat komt ook uit het NEARCH-onderzoek naar voren. Hoe de sector verder wil zal blijken. Sommigen zien in de huidige bevindingen een bevestiging dat we het goed doen, anderen hebben beduidend meer ambitie voor de toekomst en zien mooie kansen om de archeologie nog meer ‘van ons allemaal’ te maken. Wat de sector ook met de uitkomsten en handreikingen doet, de auteurs brengen over een aantal jaar de stand van zaken rond het imago van de archeologie graag weer in kaart. Referenties -  Boom, K.H.J, in voorbereiding. Imprint of Action. The Sociocultural Impact of Public Activities in Archaeology. Leiden (Dissertatie Faculteit Archeologie, Universiteit Leiden). -  Boom, K.H.J, M.H. van den Dries, A. Gramsch en A. van Rhijn, in druk. A tale of the unexpected: a heritage encounter with a new target audience and the sociocultural effects experienced by this community of participants. In: J.H. Jameson en S. Musteata (eds.), Transforming Heritage Practice, Contributions from Community Archaeo-

logy, One World Archaeology Series. -  Dries, M.H. van den, in druk. Bring it on! Increasing heritage participation through engagement opportunities at unconventional places. In: J.H. Jameson (ed.), Increasing Heritage Awareness through Community Participation: Comparative Approaches. University Press Florida. -  Dries, M.H. van den en K.H.J. Boom, 2017. The image of archaeology: consistencies and deflections through time among the Dutch, concurrences and deviations across Europe. In: H. Kamermans en C.C. Bakels (eds.), Excerpta Archaeologica Leidensia II, Analecta Praehistorica Leidensia 47. Leiden: Faculteit Archeologie, 289-305. [https://www.academia.edu/35346705/ The_image_of_archaeology_consistencies_and_deflections_through_ time_among_the_Dutch_concurrences_and_deviations_across_Europe] -  Dries, M.H. van den, K.H.J. Boom en R. Kramer, 2016. ‘Wij willen meer!’. Een bezoekersevaluatie van de nationale archeologiedagen, Vitruvius 37, 4-9. -  Dries, M.H. van den, K.H.J. Boom en S.J. van der Linde, 2015. Exploring archaeology’s social values for present day society. In: C.C. Bakels en H. Kamermans (eds.), Analecta Prehistorica Leidensia 45, 221-234. -  Dries, M.H. van den, A. van Rhijn, A. Willems, M. Hoogduin en C.-C. Lam, 2017. Bezoekersonderzoek De Tijdtrap (Markthal, Rotterdam). Leiden (onderzoeksrapport Faculteit Archeologie, Universiteit Leiden). -  Kajda, K., A. Marx, H. Wright, J. Richards, A. Marciniak, K. Salas Rossenbach, M. Pawleta, M.H. van den Dries, K. Boom, M. Guermandi, F. Criado-Boado, D. Barreiro, A. Synnestvedt, K. Kotsakis, K. Kasvikis, E. Theodoroudi, F. Lueth, M. Issa en I. Frase, 2017. Archaeology, heritage and social values. The panorama of European archaeology from the public perspective. European Journal of Archaeology. (Doi:10.1017/eaa.2017.19). [https://www.cambridge.org/core/journals/european-journal-of-archaeology/ article/archaeology-heritage-and-social-value-public-perspectives-on-european-archaeology/2BCF320928BF478120CDA6A9B58249B0] -  NIPO/Archeologisch Informatie

Centrum, 1996. Samenvatting Bevolkingsonderzoek ‘archeologie’. Leiden: Archeologisch Informatie Centrum (Archeologisch Informatie Cahier 10). Noten 1  Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van het Europese NEARCH-project (New scenarios for a community involved archaeology, 2013-2018) dat door het Cultuurprogramma van de Europese Commissie wordt gefinancierd (zie www.nearch.eu). Voor Nederland participeert de Faculteit Archeologie van de Universiteit Leiden in het project. Alle data is beschikbaar op:  http://archaeologydataservice. ac.uk/archiveDS/archiveDownload?t=arch-2749-1/dissemination/ pdf/NEARCH_Image_of_archaeology_ Netherlands_OK.pdf 2  h t t p s : / / w w w. e m m e n . n u / n i e u w s / regio/502476/hunebedcentrum-verwelkomt-miljoenste-bezoeker.html 3  Er deden 500 mensen mee: 245 mannen, 255 vrouwen. Ze waren verdeeld over vier windstreken (uit Noord-, Oost-, Zuid- en West-Nederland respectievelijk 52, 105, 109 en 236 mensen), vijf leeftijdscategorieën (18-24, 25-34, 35-44, 45-59, 60 en ouder: 282 mensen vielen in de categorie 45 jaar of ouder, 217 waren jonger dan 45) en drie sociale klassen (44% bestond uit de hogere inkomensklasse, 56% bestond uit de lagere inkomensklasse en niet-werkenden). n

25


VITRUVIUS

Bernadette van Hellenberg Hubar Erfgoedprofessional & schrijver vanhellenberghubar.org

NUMMER

43

APRIL

2018

Een tweede Salomon in Rotterdam

De context van de schilderingen van Kees Dunselman in de Laurentius & Elisabeth Kathedraal te Rotterdam

‘Als Koning Salomon trok hij de in zijn dagen meest bekende kunstenaars aan om de schoonheid van zijn tempel te vieren en te markeren. Edelsmeden als Jan Brom en zonen en Van Roosmalen, beeldhouwers als Jan Wolf, Jacq. Sprenkels, Timmermans en Kroon, glazeniers als Van Straten, Asperslag en Duchateau. Maar naar de gevierde wandschilder Jan Dunselman gingen al dadelijk wel de voornaamste opdrachten uit’.1 Een mooiere typering van Alphons Wreesman (1864–1930) valt in de bronnen niet te vinden. Toen bisschop Callier van Haarlem hem in 1904 benoemde tot bouwpastoor van een nieuwe kerk in Rotterdam, werd de stad – zo gaat het verhaal – een energieke man rijker. En dat was wel nodig, want de nieuwe Elisabethkerk – vanaf 1968 de Laurentius & Elisabeth Kathedraal van het bisdom – moest een baken worden in de nieuwe prestigieuze Rotterdamse woonwijk rond de Mathenesserlaan (afb. 4 en 5).2 Een baken voor de parochie, maar niet minder voor de rest van Rotterdam die met een zelfbewuste katholieke gemeenschap te maken had; en dat wilde men weten. Afgelopen jaar kreeg ik de kans om me verder te verdiepen in dit bijzondere gebouw dat ik eerder had bestudeerd toen ik bezig was met ‘De genade van de steiger’, het boek over monumentale schilderkunst in het interbellum. Daarin heb ik onder meer aandacht besteed aan het werk van de gebroeders Dunselman en dat was dan ook de reden dat me gevraagd werd om een onderzoek te doen naar de verdwenen kalotschilderingen in de apsis. Directe aanleiding was het initiatief van een mecenas dat na raadpleging van de parochie leidde tot het plan om de verdwenen schilderingen van – naar men toen meende – Jan Dunselman terug te brengen. Achteraf bleek het een werk van zijn jongere broer Kees Dunselman te zijn, dat in 1929–1930 werd aangebracht en in 26

1 - De kalotschildering van Jojanneke Post, geïnspireerd door het ontwerp van Kees Dunselman in de Laurentius & Elisabeth Kathedraal te Rotterdam. Foto: Léontine van Geffen-Lamers, Monumentenfotograaf.nl 2017. 2 - De schildering van Jojanneke Post van Davique Sierschilderwerken vanaf het priesterkoor met centraal Christus Koning - heilig Hart omringd door engelen in pasteltinten en de evangelisten in sterk gekleurde gewaden op de voorgrond; met op de achtergrond apostelen in overbelicht getinte kleding. Op de triomfboog het Christusmonogram tussen de alfa en de omega met de kalligrafie van de triade ‘Christus vincit Christus regnat Christus imperat’ (Christus overwint, Christus regeert en Christus heerst). Links en rechts als poortwachters bij de triomfboog de aartsengelen Michael en Gabriel (afb. 3). Beneden in de apsis bevindt zich het Laatste Avondmaal van de hand van Kees’ oudere en meer bekende broer, Jan Dunselman (circa 1922). De decoraties in sjabloonwerk tot net boven de vensters zijn in dezelfde tijd door hem uitgevoerd. Foto bvhh.nu 2018.


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

1964 onder invloed van Vaticanum II alweer werd verwijderd (afb. 3). Bij het terugbrengen werd niet gekozen voor een letterlijke constructie, maar voor een eigentijdse interpretatie, waarvoor Jojanneke Post van Davique Sierschilderwerken tekende (afb. 1 en 2). Dat was een tour de force die een andere keer aan de beurt komt. Dit artikel staat in het teken van de vondsten en inzichten die het onderzoek opleverde en verwerkt zijn in een E-boek.3 Hierbij gaat het niet alleen om kunst en cultuur, maar ook om de functie van het gebouw voor de geloofsbeleving, die bepaald wordt door de liturgie. Maar ik start met de mensen die elkaar in de eerste helft van de twintigste eeuw troffen bij de bouw en stoffering van dit Rotterdamse rijksmonument. Met elkaar maakten zij het verhaal dat ik ruim een eeuw na dato heb gereconstrueerd om het door te kunnen vertellen.

3-D  etail van de foto van F. H. van Dijk uit 1953 met de schilderingen van Jan Dunselman in de apsis, bestaande uit het Laatste Avondmaal en decoraties in sjabloonwerk tot net boven de vensters (circa 1922). In de kalot erboven, op de triomfboog eromheen en op de muren en het tongewelf van de koortravee zit werk van Kees Dunselman uit 1929-1930. Dit detail laat bij de vensters zien dat de fotograaf bij het afdrukken diverse opnamen heeft gecombineerd. Herkomst Stadsarchief Rotterdam, nr 4100_1976-6476.

Actoren Om te beginnen verschijnen de hoofdrolspelers op het toneel, de actoren bij de totstand­ koming van de Elisabethkerk en haar inrichting. Hoe was hun opleiding en vorming; wie zaten in hun netwerk en in hoeverre beïnvloedde dat hun ideeën. Willen we de keuzes interpreteren die de actoren hebben gemaakt bij de bouw en de aankleding van de huidige kathedraal dan is dat essentieel om te weten. Duurzaam behoud van kerkelijke kunst heeft niet alleen te maken met de gebruikte materialen en technieken of met onderhoud, maar ook met het begrijpen van wat er te zien is. Ook al is de bood­schap in

1 4 - Een van de meest monumentale ontwerpen van Piet G. Buskens (2) was ongetwijfeld de Elisabethkerk te Rotterdam (1904-1908). ‘Artist impression’ en uitvoering liggen in het interieur dicht bij elkaar (1, 3). De oostkant met de apsis was in 1908 gereed (4). De westbouw en de laatste travee van de kerk werden pas later, in 1920-1922, aan de kerk toegevoegd door Buskens medewerker J.P.L. Hendriks. Bisschop Callier had Alphons Wreesman laten weten dat hij de kerk niet zou inwijden, voordat deze af was en hield zo een stok achter de deur. De toren uit het oorspronkelijke plan (1) is in werkelijkheid geen 65, maar 35 meter hoog geworden en vormt nog altijd een blikvanger aan de Mathenesserlaan. Collage bvhh.nu 2017.* 2

3

4 27


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

Alphons J.H. Wreesman (1864–1930): 65 jaar De ‘tweede Salomon’, refererend aan de bouwer van de oudtestamentische tempel, slaat op de bouwpastoor Alphons Wreesman (afb. 6). Over hem was nog minder bekend dan over Buskens. Door minutieus speurwerk kon ik meer van zijn achtergrond achterhalen. Als oud–leerling van Hageveld heeft hij met zijn docent en latere bisschop van Haarlem, A.J. Callier, een blijvende relatie opgebouwd. Hoewel er meer aanwij­zingen zijn dan in dit boek verwerkt konden worden, heeft Wreesman zich met ‘zijn’ Elisabethkerk kennelijk gespiegeld aan de nieuwe kathedraal in Haarlem, de nieuwe Bavo, van architect Joseph Cuypers. Er zijn zelfs liturgisch te herleiden sporen die erop wijzen dat Wreesman een ‘pseudo–kathedraal’ voor ogen had (afb. 7).4 Dat roept om nader onderzoek.

5-V  oorgevel van de Laurentius & Elisabeth Kathedraal te Rotterdam (19041908; 1921-1922). Herkomst Beeldbank RCE-Sergé Technau (z.j.). 6-A  lphons Wreesman (linksboven) die zich spiegelde aan zijn bisschop, A.J. Callier (1849-1928) (rechtsboven), werd een ‘tweede Salomon’ genoemd. Een deel van de inrichting werd voltooid onder zijn opvolger, Charles F.E. Querelle (1876-1935), onder wie Kees Dunselman werkzaam was. Onder: koning Salomon bidt bij zijn nieuwe tempel (sculptuur kathedraal van Amiens). Uitsnede van een prent van Jan Luycken, De bouw van de tempel door koning Salomon (circa 1700). Collage bvhh.nu 2017.* een aantal gevallen niet langer van deze tijd, de werken getuigen van vroeger, van het enthousiasme, de opvattingen en het idealisme waarmee gene­raties voor ons religie en kunst bij elkaar hebben gebracht. Wat hebben de actoren ons te vertellen? Piet G. Buskens (1872–1939): 66 jaar Om te beginnen verschijnt architect Piet 28

Buskens op het toneel, naar wie tot dusver maar weinig onderzoek is gedaan. Dat hij lid was van de toonaangevende katholieke kunstkring De Violier en – door de ideeën daarvan beïnvloed – met de Elisabethkerk een bijzondere interpretatie heeft gegeven van het in die kring bedachte type volkskerk, zijn enkele van de nova die uit dit onderzoek naar voren zijn gekomen (afb. 4).

De ‘tweede Salomon’ bood een platform om wat meer te vertellen over het gesamtkunstwerk dat de Elisabethkerk vormt. Een inrichting of uitmonstering bestaat immers niet alleen uit schilderingen. Ook de glazen, de bouwsculptuur, de beelden, de edel– en siersmeedkunst, de kerkmeubels, ja zelfs de bevloering hoort daarbij. Hierbij kon ik leunen op verschillende gelegenheidspublicaties, zoals die van pater Hyacinth Hermans bij de viering van een halve eeuw parochie (1954), van zuster Liduino Stalenhoef & C. W. van Voorst van Beest bij het 75–jarig jubi­ leum, en de anonieme Rondgang op de site van de kathedraal.5 Intussen viel wel op dat hierin nogal wat omissies en twijfelachtige toeschrijvingen voorkomen, vermoedelijk doordat de oral history waarvan Hyacinth Hermans zelf een expo­ nent is, een eigen leven is gaan leiden. Een typisch voorbeeld is het atelier van de Rotterdamse beeldhouwer Arnold Leeflang aan wie op stijlkritische gronden veel meer beelden toegekend kunnen worden, dan alleen Franciscus in het schip en Elisabeth aan de voorgevel van de kerk (afb. 7). De gebroeders Dunselman Jan Dunselman (1863-1931): 67 jaar Kees (C.A.) Dunselman (1877-1937): 59 jaar Aan de kerkschilders Jan en Kees Dunselman is de meeste aandacht besteed (afb. 8), omdat zij met hun kleurige schilderingen een krachtig stempel hebben gedrukt op het gesamtkunstwerk in de kathedraal. Bij de vorming van de twee broers die veertien


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

7 - Het beeld van de apostel Paulus is afkomstig uit het atelier van Arnold Leeflang (1925). Zijn positie aan de zuidkant dus aan de linkerhand van Christus (zie de schildering in de kalot) is iconografisch noch liturgisch ‘correct’. Het voorbeeld waar Wreesman zich waarschijnlijk aan heeft gespiegeld is de nieuwe Bavo waar Petrus en Paulus eveneens omgedraaid zijn. Daar heeft het uiteindelijk te maken met de positie van de bisschopstroon die aan de noordkant hoort, waardoor de preekstoel naar de zuidkant is verhuisd. Door deze verwisseling heeft bisschop A.J. Callier nieuwe oplossingen moeten bedenken voor de noord-zuidsymboliek in de nieuwe Bavo. Zo ontstond een bisschoppelijk precedent dat Wreesman mogelijk heeft ingezet om bepaalde ‘kathedrale’ pretenties tot uitdrukking te brengen. Niet alleen de positie van Petrus en Paulus in de beelden en de schilderingen wijst daarop, maar ook de locatie van de doopkapel aan de zuidkant en de verwisseling van de vrouwelijke en mannelijke heiligenbeelden. Dat het beeld van Franciscus – ook van atelier Leeflang – bij zijn herplaatsing (?) bij de vrouwen terecht kwam, bevestigt de teloorgang van dit type symboliek. De noord-zuidsymboliek had een eigen functie in de liturgie bij het overbrengen van het misboek van de ene naar de andere kant van het altaar. Na Vaticanum II is dit ritueel verdwenen. Foto bvhh.nu 2017. gemaakt in hun oeuvre. Kees wordt zo vaak gepresenteerd als een tweede Jan, een minder getalenteerde navolger of knechtje van zijn broer, dat het zaak was te analyseren wat zijn inbreng in de Elisabethkerk was. Ik heb kunnen achter­halen dat de jongste Dunselman vanaf het begin van zijn carrière een zelfstan­dig oeuvre heeft opgebouwd met een eigen signatuur. In de kathedraal heeft hij voor een deel het voorwerk van zijn broer – die in 1929 zwaar ziek was en begin 1930 zou overlijden – opgepakt en naar eigen inzichten verfijnd en uitgevoerd (afb. 10). Je kijkt dus naar het werk van Jan door de ogen van Kees. Al bij al heeft dankzij dit project een flinke inhaalslag plaatsgevonden wat betreft de kennis in de werkwijze van de broers.

8-D  e familie Dunselman met de broers Jan (staande derde van links) en een nog heel jonge Kees naast hem (circa 1895). Met dank aan Marjan Dunselman. jaar in leeftijd verschilden verscheen onverwacht de figuur van Joseph Cuypers op het toneel; zoon van de architect van het Rijksmuseum en zelf onder meer bouwmeester van de nieuwe Haarlemse kathedraal. Met name Jan en Joseph hadden nauw contact,

mede als voortrekkers van de katholieke kunst­kring De Violier. Kees werd daarvan in 1906 lid (afb. 9). Voor dit onderzoek bleek het onder meer nodig om te ontwarren wie nu wat had

Het decoratieprogramma Er is sprake van een decoratieprogramma met een hoog gehalte aan symbolische verbindingen. Multi interpretabel in de beste iconografische tradities. Er gaat dan ook, zoals gezegd, niet één verhaal, maar een hele collectie achter de schilderingen schuil. Uit alles blijkt dat Wreesman een duidelijk omlijnd concept voor ogen had bij de inrichting van zijn kerk. In de loop van de jaren 29


VITRUVIUS

9-P  ortretfoto van Kees Dunselman (circa 1920). Met dank aan Marjan Dunselman. was daarin wel ruimte voor nieuwe ideeën, maar de hoofdlijnen lagen grotendeels vast. Deze waren voor een belangrijk deel ontleend aan het programma van zijn bisschop in de Haarlemse kathedraal, zoals de wisseling van Petrus en Paulus en de vrouwen– en de mannenkant (afb. 7). Bij de invulling komt Wreesman ook zelf met aparte oplossingen, zoals onder meer de Lourdeskapel (=Mariakapel) en de heilig Hartkapel (=Sacramentskapel) laten zien. Wat betreft de schildering in de kalot luidt mijn hypothese dat het hier gaat om een samenklank van twee kerkhymnen: de Laudes regiae en het Te Deum. Je ziet wel vaker dat bepaalde thema’s korte tijd extra populair zijn in de kerkelijke kunst, zoals bijvoorbeeld het visioen van Johannes van het hemels Jeruzalem. Iets dergelijks was ook het geval met het Te Deum, waarvoor zowel de leden van De Violier als die van het oudere, Utrechtse Bernulphusgilde een zekere voor­keur hadden. De gebroeders Dunselman hebben bij de picturale en kalligrafische verwerking van dit thema een belangrijke rol gespeeld, zoals hun werk in de Obrechtkerk (afb. 11) en de Nicolaaskerk te Amsterdam laat zien. Koerswijziging Christus vincit Doordat het zo lang duurde eer de uitmonstering van het priesterkoor aan de beurt was, was dit ook het toneel van een koerswijziging van het programma. Uit de schets op een foto van 1917 valt op te maken dat er al enige tijd een plan lag om in de kalot de Majestas domini (Christus in majesteit) 30

NUMMER

43

APRIL

2018

10 - Historische foto van een ingekleurde tekening van Jan of Kees Dunselman met het linkerdeel van de kalot in de Elisabethkerk (1922-1929). Museum Amstelkring, Dunselmanarchief, zonder nummer.

11 - Kees Dunselman, Christus Koning/heilig Hart in de kalot van de Obrechtkerk te Amsterdam met daaronder de regels veertien en vijftien uit het ‘Te Deum’ (1922). Let op het geschilderde pseudo-mozaïek op de achtergrond dat ook in de Elisabethkerk zat en weer is teruggebracht. Herkomst RCE Beeldbank-Sjaan van der Jagt/Pixelpolder 2012. weer te geven. Dit vroegchristelijke type dat door de herleefde belangstelling voor de kunst uit dat tijdperk herontdekt werd, werd geactualiseerd als Christus Koning. Je vindt hier­van verschillende voorbeelden tussen de ontwerpen in het archief van de gebroe­ders Dunselman. Kees zou dit thema een aantal keren uitwerken: heel vroeg in de Martinuskerk van Medemblik (1903), later in de Obrechtkerk te Amsterdam (1922)

en in de Jozefkerk van Noordwijkerhout (1927) (afb. 12). Waar, wanneer en door wie deze verbijzondering in katholiek Europa geïntroduceerd is, is niet bekend, maar de gebroeders Dunselman hebben Christus Koning verschillende keren gecombineerd met het heilig Hart; een devotie die in de negentiende eeuw een hoge vlucht had genomen en ook daarna populair zou blijven.


VITRUVIUS

NUMMER

43

APRIL

2018

12 - Het randschrift met de triade ‘Christus vincit etc’. rond de schildering van Christus Koning in de Jozefkerk van Noordwijkerhout, van de hand van Kees Dunselman (1927). Links van Christus is de regel ‘Tu Rex gloriae’ uit het ‘Te Deum’ en overlopend naar rechts ‘Tu Salvator mundi’ uit de ‘Laudes regiae’, welke laatste hymne later ook aangeduid werd als ‘Christus vincit, Christus regnat, Christus imperat’. Net als in de Nicolaaskerk en de Obrechtkerk in Amsterdam en in de Elisabethkerk van Rotterdam staan in de boeken van de evangelisten de woorden Homo (mens) en Rex (koning), Sacerdos (priester) en Deus (God). Anders dan in de Obrechtkerk ontbreekt hier bij Christus het heilig Hart. Foto Sabine Broekhoven 2007. Ervan uitgaande dat Wreesman aanvankelijk het Te Deum in de kalot wilde, sloeg men een nieuwe koers in met de toevoeging van de kalligrafie Christus vincit, Christus regnat, Christus imperat op de triomfboog. Het gaat om een zeldzaam motief dat in de monumentale schilderkunst tot dusver alleen bij Kees Dunselman voorkomt. Ondanks het rijke bronnenmateriaal op Delpher, was er bitter weinig te vinden over Christus vincit etc. (zoals deze triade hierna wordt afgekort). Vaststaat dat de gregoriaanse variant van de hymne teruggaat op de middeleeuwse Laudes regiae (Lof op de koning) die in de loop van de negentiende eeuw weer in de aandacht kwam te staan. Om het nog gecompli­ceerder te maken zijn er verschillende aanpassingen en versies die onderling vaak verward worden. Wat vrijwel zeker doorslaggevend is geweest voor de kalligrafie in de Elisabethkerk is de instelling van de feestdag van Christus Koning door Pius XI in 1925 als antwoord op het toenemende atheïsme en de verwereldlijking van de maatschappij. De paus nam hiermee onder meer stelling tegen het

opkomende fascisme van zijn tijd dat geen Christus vincit huldigde, maar – gelet op buurman Mussolini die zich als il Duce liet bewieroken – Dux vincit. Tegenover de militaris­tische leider werd de hemelse ‘Koning van de harten’ geplaatst, wiens liefdevolle Hart in de kalot wordt benadrukt. Die liefde en almacht staan in de kringen van De Violier ook bij het Te Deum centraal. Het geeft het terugbrengen van de schildering in onze tijd een actueel accent. Dragers, kleuren en technieken Het onderzoek naar de technische aspecten van de uitmonstering was een verhaal apart. Kees Dunselman heeft destijds niet direct op het houten apsisgewelf geschilderd, maar een bedoeking gebruikt (marouflage). Dat was een bewuste strate­gie in verband met de achteraf terecht gebleken vrees voor vochtproblemen aan deze (noord)kant van de kerk. Vanwege het concave verloop van het apsisgewelf was het niet mogelijk om dit werk in zijn atelier uit te voeren, dus ook hiervoor gold de ‘genade van de steiger’.6

Het meest complexe aspect betrof het kleurgebruik van de figuraties: wat maakte het werk van Kees anders dan dat van Jan? En vooral, hoe slaagde hij erin met volle kleuren toch een etherisch effect te bereiken in de hooggelegen schilderingen? Dankzij foto’s van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed was het mogelijk minutieus te onderzoeken wat het verschil was en hoe Kees het beoogde effect bereikte. Op grond hiervan konden een aantal aanbevelingen geformuleerd worden, waarbij met name aandacht is besteed aan het vereiste van een nieuwe tijdslaag. Dat laatste heeft te maken met de filosofie dat toevoegingen aan een monument een eigentijds karakter horen te hebben. Nu is het een fictie om te denken dat een volledige reconstructie – iets zoals het ooit geweest is authentiek namaken – moge­lijk is. De adem van de eigen tijd dringt altijd door in wat wie ook toevoegt aan een gebouw. Zelfs al is een kunstenaar daarbij nog zo terughoudend, alleen al door zijn interpretatie en zijn persoonlijke handschrift (factuur) wordt zijn werk iets van deze tijd. Daarom wil 31


VITRUVIUS

ik graag herhalen wat ik hierboven heb gezegd: in 1930 zouden we naar Jan Dunselman hebben gekeken door de ogen van zijn broer Kees. Tegenwoordig kijken we door de ogen van Jojanneke Post naar het werk van Kees Dunselman. Liturgie De vraag naar het eigentijdse karakter beperkt zich niet tot alleen het artistieke gehalte, maar betreft ook zaken als liturgie en geloofsbeleving. De bisschop van Rotterdam, monseigneur dr. Hans van den Hende, omschreef dat als volgt: ‘Het is een bijzonder talent en een verrijking van het kerkgebouw wanneer er kunstenaars zijn die het geheim van ons geloof in kleurrijke schilderingen tot uiting kunnen brengen. Kerkgangers kunnen er inspiratie aan opdoen wanneer zij kijken met de ogen van het geloof. De apsis, die een centrale plaats inneemt in het kerkgebouw, wordt in deze fase van de restauratie van de kathedraal opnieuw een veelzeggend centrum. De schildering in de apsis toont ons Christus, die Koning is van hemel en aarde, omringd door de apostelen en evangelisten. Zo komt tot uitdrukking dat we in de liturgie van de Kerk Christus zelf mogen ontmoeten en als Kerk rond Hem in geloof verzameld worden’.7 Ook in dit verband zou je kunnen stellen dat verleden en heden elkaar ontmoeten, want het werk van Kees Dunselman werd in de eigen tijd onder meer gunstig beoordeeld vanwege de ‘streng liturgische afwerking’. Dat was in 1927, twee jaar voordat hij de Elisabethkerk in Rotterdam van zijn broer overnam.8 Maar dat is niet het enige. In de terugkeer van Christus Koning in de kathedraal hebben de liturgie van voor en na Vaticanum II elkaar opnieuw ontmoet. We worden, zoals de bisschop aangeeft, ‘als Kerk rond Hem in geloof verzameld’. Het vooroorlogse ontwerp van Christus Koning, in 1964 als gedateerd afgeschreven, krijgt zo een iconografisch vervolg. Het wordt tot beelddrager van het karakteristieke Vaticanum II-concept van ‘Gods volk onderweg’, dat herkenbaar is in de hedendaagse gezichtsuitdrukkingen van de personen rondom Christus: evangelisten en apostelen, maar tegelijkertijd de man om de hoek. Kortom, een shake hands moment van grote - iconografische - klasse.9 32

Postscriptum Het voorgaande stuk gaat terug op het E-boek over het onderzoek in de Rotterdamse kathedraal met als volledige titel: Bernadette van Hellenberg Hubar, met medewerking van Jojanneke Post (Davique Sierschilderwerken) en Marij Coenen. Tussen Gabriel en Michael. De schilderingen naar Kees Dunselman in de Laurentius & Elisabeth Kathedraal te Rotterdam. Rotterdam: HH. Laurentius & Elisabethparochie, 2018. ISBN 978-90-820976-2-7 | http://bit. ly/VanHH-LauElKat-download. Via deze laatste link kan het E-boek gratis gedownload worden, maar het is ook verkrijgbaar via de sites Kathedraalrotterdam.nl, Davique.nl en die van het bisdom. Bij het onderzoek en het schrijven van het E-boek heb ik hulp gehad van een groot aantal mensen en instellingen die aan het slot van de publicatie in een dankwoord staan vermeld. Daartoe behoren onder meer Marjan Dunselman (de kleindochter van Kees Dunselman), het Stadsarchief van Rotterdam, Sabine Broekhoven en Léontine van Geffen-Lamers van Monumentenfotograaf. nl, die ik hier naar voren haal vanwege het ter beschikking gestelde beeldmateriaal. Noten 1  Hermans, Hyacinth. 50 Jaar St. Elisabeth Parochie Rotterdam. Rotterdam, 1954. Kathedraalrotterdam.nl | http:// bit.ly/2wk98a1, p. 14. Overigens zijn de namen die Hermans noemt, voor een deel niet correct, zoals ik in het E-boek aantoon. 2 Zie de vorige noot pp. 9-10. 3  Zie het hiervoor aangehaalde E-boek, Hubar, e.a., Tussen Gabriel en Michael, pp. 40-49. 4  Hubar, van Hellenberg, Bernadette C.M. De nieuwe Bavo te Haarlem: ad orientem - gericht op het oosten. Zwolle; Haarlem: Wbooks ; Stichting Kathedrale Basiliek Sint Bavo, 2016, pp. 202, 205–215. 5  Hermans, 50 Jaar St. Elisabeth Parochie (zie hierboven). Stalenhoef, Liduino, en Dr. Mr. C. W. Van Voorst van Beest. Beschrijving van de kerk van de H.H. Laurentius en Elisabeth met enige historische achtergrond, Mathenesserlaan 307, 1904-1979. Rotterdam, 1979. Kathedraalrotterdam.nl | http://bit.ly/2E5tfdD. “Rondgang door de Laurentius en Elisabeth Kathedraal Rotterdam.” Kathedraalrotterdam.nl, terminus post

NUMMER

43

APRIL

2018

quem 2004. http://bit.ly/2kUBi2V.  Hubar, van Hellenberg, Bernadette C.M., Angelique Friedrichs en G. W. C. van Wezel. De genade van de steiger: monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum. Zutphen: Walburg Pers, 2013. Voor de gebroeders Dunselman zie in het bijzonder pp. 178-208. 7  Hubar, Bernadette van Hellenberg. “Een boek voor de bisschop”. VanHellenbergHubar.org (blog), 2017. http://bit. ly/2ul3rrz. 8 “UIT ANDERE PLAATSEN. Polychromie St. Lebuinuskerk te Deventer.” De Tijd  : godsdienstig-staatkundig dagblad. 30 augustus 1927. Delpher Koninklijke Bibliotheek. http://bit. ly/2tAKYIB. 9  Met dank aan de kanselier van het bisdom, Frits Vermeulen, die me onder meer attendeerde op hoofdstuk 2 van ‘Lumen Gentium’ (te vinden op www. RKDocumenten.nl) voor ‘Gods volk onderweg’. Zie voorts zijn artikel “Christus Koning, in de kathedraal en in ons leven.” De kathedrale kerk. Het diocesane ‘huis van gebed’. Bisdom Magazine Rotterdam, 2018. Voor de kerkelijk maatschappelijke context van het thema ‘Gods volk onderweg’ in Vaticanum II zie Peijnenburg, J.W.M. “Bekkers, Wilhelmus Marinus (1908–1966) | Biografisch Woordenboek van Nederland”. Huygens ING | KNAW, 2013. http://bit. ly/2GDjUeO-Bekkers. 6

Herkomst beeldmateriaal collages afb. 3) 1) Stadsarchief Rotterdam, nr 4029_ PBK-658; 2) Delpher - R.K. Bouwblad 1939 3) en 4) RCE Beeldbank/G.J. Dukker 1971. afb. 4) Van links naar rechts en boven naar onder: a) en b): Hermans, 50 Jaar St. Elisabeth Parochie, p. 7; c) Noord-Hollands Archief Haarlem; d) Vanderbilt University, Divinity Library Nashville-James Womack (2003) en e) Rijksmuseum, RP-P-OB-44.904. Nota bene — Het auteursrecht is op alle foto’s voorbehouden, behalve voor de groep die onder de Creative Commons licentie valt: Beeldbank RCE, Beeldbank Stadsarchief Rotterdam (voor zover in eigendom van de gemeente e.d.), Rijksmuseum Amsterdam, Wikimedia Commons, bvhh.nu en Davique. nl, onder voorbehoud van naamsvermelding en geen commercieel gebruik.


VITRUVIUS

NUMMER 43

recent

APRIL 2018

Op reis met pen en penseel. -Frans en Jan Hendrik Lebret als toerist naar Java, 1863. AUTEURS

Anne Leusink en Wyke Sybesma UITGAVE

WalburgPers D E TA I L S

Gebonden, 544 pagina’s, geïllustreerd in kleur/zw, ISBN 978-94-6249-275-2 PRIJS

€ 65,68

O

p 15 januari 1863 begon de Dordtse kunstenaar Frans Lebret, samen met zijn broer Jan Hendrik, aan een reis naar Java. Het doel hiervan was een bezoek aan hun broer Gerrit, suikerfabrikant te Pasuruan op Oost-Java. De broers Lebret ondernamen deze reis als toeristen. Ze reisden per trein naar Marseille, vervolgens met de Franse maildienst vanuit Marseille naar Alexandrië en via de zogenoemde overlandroute

Polderen of niet? - Participatie in het bestuur van de waterschappen Bunschoten en Mastenbroek vóór 1800 AUTEUR

Heleen Kole UITGAVE

Verloren D E TA I L S

Gebonden, 333 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-8704-688-0 PRIJS

€ 35,00

‘P

olderen’ is in de hedendaagse politiek een vertrouwd begrip, maar hoe zat het met polderen in de vroegere

VERSCHENEN

per trein naar Suez. Van daar gingen de broers per schip via Singapore naar Batavia. Het verblijf bij Gerrit op Kedawung werd door Frans en Jan Hendrik benut om diverse tochten in de omgeving van Pasuruan te maken. Alvorens terug te gaan naar Nederland maakten de Dordtse broers in gezelschap van Gerrit en diens vrouw een rondreis van drie weken over Java, om ‘alzoo een geheel overzigt van Java te hebben’. Op 15 juni 1863 kwamen ze, na vijf maanden van huis geweest te zijn, weer in Dordrecht aan. Frans Lebret hield een reisdagboek bij van deze onderneming. Op levendige wijze deed hij verslag over de dagelijkse beslommeringen aan boord en de diverse avonturen onderweg. Daarnaast legde Frans in meer dan honderd tekeningen, aquarellen en schetsen de voor hem onbekende wereld vast. Het reisverslag en de tekeningen worden door de Linschoten-Vereeniging voor het eerst integraal gepubliceerd. Een uniek exponent van een in de negentiende eeuw snel in populariteit toenemend fenomeen: het toerisme. n

Nederlandse waterschappen? Waarover werd onderhandeld achter de middeleeuwse dijken en wie beslisten mee? Uitgerekend toen de beste jaren van de Gouden Eeuw voorbij waren, nam de wateroverlast toe en werd het beheer steeds duurder. Investeringen waren voortdurend nodig voor herstel en het verbeteren dijken en sluizen of de bouw van molens. Wie zorgden hiervoor en waar haalden de dijkgraven en heemraden het geld vandaan? Dit boek gaat over de representatie en besluitvorming in twee waterschapsbesturen. Wie mochten er meepraten over het waterbeheer en wie niet? Wie onderhielden de dijken en wie betaalden? Heleen Kole brengt op scherpzinnige wijze de ontwikkelingen in het bestuur en het financieel beheer bij twee interlokale waterschappen in beeld: Bunschoten en Mastenbroek. Dit levert twee boeiende poldergeschiedenissen op met een verschillende uitkomst. n

De Islamitische verlichting. AUTEUR

Christopher de Bellaigue UITGAVE

Nieuw Amsterdam D E TA I L S

Paperback, 416 pagina’s, ISBN 978-90-4682-301-9 PRIJS

€ 34,99

D

e islamitische Verlichting beschrijft de strijd tussen geloof en rede, tussen verstarde samenlevingen en de

verworvenheden van de westerse Verlichting in de landen van het Midden-Oosten. Aan de hand van de levens van hervormers en de gebeurtenissen in de grote centra van de islam vanaf begin negentiende eeuw, wordt een fascinerend beeld geschetst van een wereld in grote beroering. Een wereld die zijn weg probeerde te vinden tussen het imperialistische Westen met zijn verlichtingsidealen en de eigen religieuze en culturele identiteit. Het zijn dezelfde tegenstellingen die ook in onze tijd zo’n fundamentele rol spelen en dit boek zo belangwekkend maken, omdat het laat zien dat islam en verlichting elkaar niet uitsluiten. n

33


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

Lodewijk Schelfhout – Nederlands eerste kubist. AUTEUR UITGAVE

Waanders & De Kunst D E TA I L S

Paperback, 192 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-94-6262-160-2 PRIJS

€ 29,95

O

ver kunstenaar-graficus Lodewijk Schelfhout, kleinzoon van de bekende romantische landschapschilder Andreas Schelfhout (1787-1870), kwam nooit eerder een boek uit,

Impressionisme en meer. Een prachtige reis. AUTEURS

Fred Leeman, Teio Meedendorp en Laura Prins UITGAVE

THOTH D E TA I L S

Gebonden, 176 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-90-6868-752-1

PRIJS

€ 29,90

I

mpressionisme & meer. Een prachtige reis toont en beschrijft de laatste grote bloeiperiode van de West-Europese kunst. Onderwerp van dit boek zijn de

De Ramp / The Flood AUTEUR

UITGAVE

Komma D E TA I L S

Hardcover, 260 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-94-9152-571-1 PRIJS

€ 57,50

D

e publicatie ‘De ramp uit 1953’, is een uitgave van de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels waarvan de baten ten goede kwamen aan het Nationaal Rampenfonds. Alle betrokkenen, zoals auteur, fotografen, vormgever, lithografen, drukkers en binders hebben anoniem en deels belangeloos meegewerkt. Dit boek, dat in een oplage van meer dan 600.000 exemplaren is verschenen, 34

APRIL 2018

al speelde hij een belangrijke rol voor het modernisme in Nederland.

Lisette Almering-Strik

NUMMER 43

In dit boek ligt niet slechts de nadruk op het vroege kubisme van Schelfhout en zijn waardevolle rol als verbindingspersoon tussen de nieuwste ontwikkelingen in Parijse kunstcircuits en de ontluikende Nederlandse eigentijdse kunst. Aan bod komen ook zijn latere oeuvre en de vele activiteiten in de Nederlandse kunstwereld van met name de periode tussen beide Wereldoorlogen. Schelfhouts persoonlijke vriendschappen met kunstenaars zoals Jan Toorop, Peter Alma, Jan Sluijters, Piet Mondriaan en Henri Le Fauconnier en met kunstcriticus-schilder Conrad Kickert komen helder in beeld. Diverse niet eerder beschreven wetenswaardigheden treden voor het voetlicht. n

schilderijen en werken op papier van de wereldberoemde Franse impressionisten en post-impressionisten uit de verzameling van de John en Marine Fentener van Vlissingen Art Foundation. In de periode 1860-1870 werkt in Frankrijk een groep kunstenaars die zich afzet tegen de heersende academische opvattingen over schilderkunst: de impressionisten. Ze trekken de natuur in om ter plekke, los van tradities en regels, met snelle losse verfstreken de werkelijkheid weer te geven. Impressionisten van het eerste uur zijn kunstenaars als Monet, Manet, Degas en Renoir. Een reactie komt van de zogenoemde neo-impressionisten als Van Gogh, Signac en Toorop en fauvisten als Van Dongen, Marquet en Matisse Zij gaan verder dan alleen het weergeven van wat kan worden waargenomen en richten zich ook op het overbrengen van emotie, structuur en compositie. n

maakt inmiddels deel uit van het collectieve geheugen van veel Nederlanders. In de jaren vijftig ontstond een kentering van persfotografie naar documentaire fotografie, waar de fotoregistratie van de watersnoodramp één van de eerste voorbeelden is. Uit onderzoek is gebleken dat veel bekende Nederlandse fotografen (Henk Jonker, Ed van Wijk, Cas Oorthuys, Ed van der Elsken, Eva Besnyö, Maria Austria, Henk Nieuwenhuijs, Kees Molkenboer, Dolf Kruger, Aart Klein, Martien Coppens, Jo Bokma, Ad Windig en Frits Gerritsen) die destijds nog aan het begin van hun carrière stonden, in de begindagen van de ramp naar de plek des onheils zijn afgereisd om fotografisch verslag te doen. Bij velen van hen is de voor hen typerende stijl van fotograferen in die series terug te zien. Uit de complete reeksen van de betreffende fotografen is een nieuwe selectie gemaakt, waarbij het documentaire karakter zichtbaar wordt. n


VITRUVIUS

NUMMER 43

recent

APRIL 2018

VERSCHENEN

Kloosters in Limburg. AUTEUR

Frans Q. Hoebens

kl oo st er s in lim bu rg

UITGAVE

Matrijs D E TA I L S

Gebonden, 396 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-90-5345-519-7

Frans Q. Hoebens

PRIJS

€ 39,95 (tijdelijk voor € 34,95)

H

et katholicisme heeft haar sporen nagelaten in het Limburgs landschap in de vorm van honderden kerktorentjes, abdijen en ook kloosters. De vele verschillende kloosters in Limburg, divers in architectuur, tijd en vorm, geven uitdrukking aan de verscheidenheid en rijkdom van het religieuze leven vanaf de middeleeuwen. Dit verhaal begint in het jaar 714 bij het oudste klooster van Nederland: de Sint Salvator Abdij van Susteren. De ronde romaanse stijl ontwikkelde zich in de middeleeuwen tot de gotische bouwstijl, gekenmerkt door de gespitste gewelf- en raamsluitingen. Rond 1850 doet een nieuwe bouwstijl zijn intrede: de neogotiek. De opkomst van de neogotiek valt samen met het

Publieke Werken. Hoeksteen van de Amsterdamse School 1915-1935. AUTEUR

Pim van Schaik UITGAVE

Stokerkade D E TA I L S

Gebonden, 288 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-7915-638-2 PRIJS

€ 24,50

I

n de opwindende bloeitijd van de Amsterdamse School, ruwweg tussen 1915 en 1935, werkten enige van de meest begaafde architecten korter of langer voor de Dienst der Publieke Werken. Zo was het befaamde ‘Amsterdamse School-trio’ Michel de Klerk, Piet Kramer en Joan van der Meij deeltijds in dienst bij deze gemeentelijke instelling. Publieke Werken hield zich enerzijds bezig met de aanleg en het onderhoud van wegen, bruggen en beplantingen, en bouwde anderzijds dat het een lieve lust was. Met name de afdeling Gebouwen ontwierp onder meer het Stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal, de Centrale Markthallen, tientallen scholen, universiteitsgebouwen, badhuizen en kantoren. Daarnaast deed ze de vormgeving

herstellen van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853. Na eeuwen van achterstelling van het katholieke geloof begonnen de katholieken aan een inhaalslag. In de dertig jaar daarna, de tijd van het Rijke Roomse Leven, werden in Limburg 120 kloosters gebouwd of betrokken. Na het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) kwam er een einde aan deze bloeiperiode, de kerken liepen leeg en de jeugd verloor zijn interesse voor het religieuze leven. Dit had ook zijn weerslag op het Limburgse kloosterleven, langzamerhand vergrijsden de kloosters en kwamen er steeds meer gebouwen leeg te staan. Sommige complexen vielen ten prooi aan de sloophamer, terwijl andere kloosters een nieuwe bestemming vonden. In 2002 werd het laatste klooster gebouwd door de Zusters van Onze Lieve Vrouw, huize Julia in Tegelen. Kloosters in Limburg bevat, naast inleidingen over het kloosterleven en de geschiedenis, beschrijvingen van de maar liefst vierhonderd kloostergebouwen die de provincie rijk is. De kloostergebouwen zijn bij deze beschrijvingen als invalshoek genomen, maar er wordt ook ingegaan op de veelal wisselende bewoning en het gebruik van de kloosters. De heldere tekst en het fraaie beeldmateriaal maken dat deze uitgave een onmiskenbaar standaardwerk van kloosters in Limburg is. n

van transformatorhuisjes en straatmeubilair. Publieke Werken koos bewust voor Amsterdamse School-architecten. De aanleg van wegen en bruggen die geschikt waren voor trams en auto’s tastte soms de oude stad aan en riep weerstand op. Daarnaast was er kritiek op het esthetisch kunnen van de Dienst. Directeur Andries Bos wilde daarop ‘moderne’, eigentijdse architecten. Zelf haalde hij in 1911 Joan van der Meij binnen, met in zijn kielzog Piet Kramer. Hij stimuleerde Allard Hulshoff, in 1915 benoemd tot directeur van de afdeling Gebouwen, om meer talent aan te trekken. Zo kwamen Nico Lansdorp, Gerrit Jan Rutgers, Albert Boeken en Ad Grimmon (‘architect-intérieur’) erbij; Anton Kurvers en Pieter Marnette werden ontwerpers van straatmeubilair en Hildo Krop ging het beeldhouwwerk verzorgen. Bos en Hulshoff hechtten eraan dat hun architecten intensief samenwerkten, waardoor er een herkenbare huisstijl ontstond, sterk beïnvloed door het creatieve gedachtengoed van de Amsterdamse School. Het resultaat is gelukkig nog overal in Amsterdam te zien en wordt nu getoond in dit prachtig geïllustreerde overzicht, waarin deze publieke werken een bijzonder en persoonlijk gezicht krijgen. n

35


Informeer naar onze advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen Neem hiervoor contact op met: Uitgeverij Educom tel.: 010 - 4256544 of mail naar: info@uitgeverijeducom.nl

Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

Vitruvius april 2018  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius april 2018  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement