Page 1

JAARGANG 2

I

NUMMER 8

I

JULI 2009

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS A R C H E O LO G I E

C U LT U U R L A N D S C H A P

M O N U M E NTE N Z O R G

C I R K E LS I N H E T STEDELIJKE LA N D VA N OSNTCEURLT KWO LO O Z AU NU DR E

O N D E R Z O E K S B A LA N S ONROEREND ERFGOED V LA A N D E R E N

M O NM UM ENTENZORG EETBAAR I NA K HEEN T M

ERFGOED


A R C H E O L O G I E

C U LT U U R L A N D S C H A P

MONUMENTENZORG

OPINIE

16

12

8

P. ROS T. WEIJSCHEDÉ

M. HEYN – A. DE HAAN L . M E GA N C K – M . M A R T E N S

J.E. ABRAHAMSE

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

ONDERZOEKSBALANS ONROEREND ERFGOED VLAAN D E REN

GEEN BEHOUD DOOR STILSTAND

INTERVIEW MET ED TAVERNE

REAGEREN Drents zandgebied Utrechts-Gelders zandgebied Overijssels-Gelders zandgebied Brabants zandgebied Limburgs zandgebied Limburgs lössgebied Fries-Gronings kleigebied Noord-Hollands kleigebied Friese veengebied Flevolands kleigebied Hollands duingebied

24 L. THEUNISSEN - A. MÜLLER

CIRKELS IN HET LAND VAN KLOOSTERZANDE

Hollands veen- en kleigebied Utrechts-Gelders rivierengebied Zeeuws kleigebied

R E ACT I E S O P A R T I K E L E N I N D E Z E U I TGAV E K U N N E N TOT 3 1 J U L I 2 0 0 9 N A A R D E U I TG E V E R WO R D E N G E S T U U R D .

K O R T PAG 4 - 7: Stadsherstel Amersfoort verwerft RCE-complex Muurhuizen/ Kerkstraat • Erfgoedbalans nu ook digitaal • Inschrijving Week van de Geschiedenis 2009 gestart • Kunstzone nummer 5 uit • Culturele instellingen organiseren historisch congres • Korenmetershuis Amsterdam nader onderzocht

29

Voordelta/Zeeuwse stromen Continentaal Plat Waddenzee/IJsselmeer-Markermeer

0

10

20

30

Rapporten

40

50

60

70

80

90

100

Rapporten per 1000 km 2

M. DE BOER

ERFGOED MEETBAAR MAKEN

RECENT VERSCHENEN P A G 15, 21 – 23

AGENDA P A G 32-33


2

VITRUVIUS

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap en monumentenzorg.

EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347, 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl Fax 010-425 7225 www.uitgeverijeducom.nl

SUB-SPONSORS Projectbureau Belvedere Postbus 389 3500 AJ Utrecht Tel. 030-230 5010 www.belvedere.nu Postbus 1600, 3800 BP Amersfoort Tel. 033-421 7421 www.cultureelerfgoed.nl

NV Amersfoortse Maatschappij tot Stadsherstel Postbus 842, 3800 AV Amersfoort Tel. 033-460 5020 www.stadsherstelamersfoort.nl

Postbus 15, 3870 DA Hoevelaken Tel. 033-253 9439 info@restauratiefonds.nl www.restauratiefonds.nl

Synthegra bv Doetinchemseweg 61A 7007 CB Doetinchem Tel. 0314-36 99 40 www.synthegra.com

NUMMER 8

JULI 2009

COLOFON UITGEVER/ BLADMANAGER Robert Diederiks REDACTIE Drs. J.E. Abrahamse Drs. H.G. Baas mw. Drs. P. J. Braaksma R.P.H. Diederiks Ir. M. van Hunen mw. Drs. M. Kapelle Dr. H.C.M.Kleijn Dr. R.C.G.M. Lauwerier S.A. Muller mw. Dr. E.M. Theunissen REDACTIERAAD Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Wageningen Universiteit Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester Synthegra Drs. D.E. (Dorien) Fröling ADC Drs. B. (Boudewijn) Goudswaard Past2Present/Archeologic Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, Rijksuniversiteit Groningen Ir. F.G.M. (Frank) Véhof NRf Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft ABONNEMENTEN Nederland 4 nrs/jaar E 45.België 4 nrs/jaar E 55.Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn. LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl

MEDE-ONDERSTEUNERS

© Copyrights Uitgeverij Educom BV juli 2009 .

Past2PresentArcheoLogic Pelmolenlaan 12-14 3447 GW Woerden Tel. 0348 - 437 788 Fax 0348 - 437 789

info@archeologic.nl www.archeologic.nl

Nijverheidsweg-Noord 114 Tel. 033-299 8181 3812 PN Amersfoort Fax 033-299 8180 Postbus 1513 800 BM Amersfoort www.archeologie.nl

Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd door middel van boekdruk, foto-offset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever. ISSN 1874-5008


VAN

3

DE REDACTIE

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

VITRUVIUS K I J K T

O V E R

itruvius mag zich verheugen in de eerste internationale bijdrage. Onze collega’s van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE ) hebben een artikel geschreven over hun Onderzoeksbalans. Is dit een evenwichtig nummer? We besteden namelijk uitgebreid aandacht aan de Erfgoedbalans van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en emeritus hoogleraar architectuur- en stedenbouwgeschiedenis, Ed Taverne, laat daar als kritisch beschouwer zijn licht over schijnen.

V

G R E N Z E N

Met de artikelen ‘Nieuwe Hollandse Waterlinie’ en ‘Cirkels in Zeeland’ coveren we andere actuele thema’s binnen de wereld van het cultureel erfgoed. Mocht u een bijdrage willen leveren aan Vitruvius, meldt u bij de uitgever. Maar ook voor opmerkingen kunt u bij ons terecht: info@uitgeverijeducom.nl. Deze editie en alle voorgaande nummers zijn gratis te downloaden via www.vakbladvitruvius.nl. — De redactie

gie lo o e h c r a n e n e t n ume n o m t s li ia c e p s k a V 00,-) haal 10, max. € 38 18 uur per week (sc

Zijpe zoekt mensen met ambitie..., die hun verantwoordelijkheid nemen en graag uitdagingen aangaan. De functie in hoofdlijnen • het adviseren en vormgeven aan het gemeentelijk beleid op het gebied van monumenten en archeologie. • het verlenen van monumentenvergunningen en onderhoud- en restauratiesubsidies voor rijks- en gemeentelijke monumenten, inclusief het inspecteren van de werkzaamheden. • het fungeren als contactpersoon en vraagbaak voor de monument-eigenaar en intermediair richting de diverse erfgoedinstellingen. • het voeren van het secretariaat van de Monumentencommissie en van het Comité Open Monumentendag.

• uitvoering geven aan de implementatie van het gemeentelijke archeologiebeleid in de diverse beleidsvelden. • zorgdragen voor de voorlichting en educatie op het gebied van monumenten en archeologie.

Bent u geïnteresseerd? Kijk op: www.zijpe.nl voor meer informatie. Acquisitie naar aanleiding van deze advertentie wordt niet op prijs gesteld.

De gemeente Zijpe is een aantrekkelijke kustgemeente gelegen in de kop van Noord-Holland en omvat de dorpen Burgerbrug, Burgervlotbrug, Callantsoog, Groote Keeten, Oudesluis, Petten, Sint Maartensbrug, Sint Maartensvlotbrug, Schagerbrug en ‘t Zand.


KO R T

4

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

Stadsherstel Amersfoort verwerft RCE-complex Muurhuizen/Kerkstraat et de verhuizing van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) naar de nieuwbouw aan het Smallepad, komt de huidige huisvesting aan de Muurhuizen/Kerkstraat in het centrum van Amersfoort leeg. Deze wetenschap is voor Stadsherstel Amersfoort aanleiding geweest zich als gegadigde te melden bij de gemeente Amersfoort en samen met de gemeente bij de Rijksgebouwendienst/ Domeinen Onroerende Zaken. De gedachte daarbij was dat een bijzonder monumentaal complex, qua karakter en omvang, bij uitstek past bij een organisatie als Stadsherstel.

M

Behalve het spraakmakende hoofdgebouw (bouwjaar 1988) van architect Cahen, omvat het complex een tweetal voormalige seminariegebouwen, een kapel (in gebruik geweest als bibliotheek) en een voormalig dubbel woonhuis aan de Appelmarkt. Voor het hoofdgebouw – waarvan de buitengevels na verwerving direct gereinigd zullen worden – wil Stadsherstel gebruikers zoeken, die passen binnen de geldende bestemming bijzondere doeleinden, bijvoorbeeld en bij voorkeur aan het behoud van cultureel erfgoed gelieerde organisaties. In de beide seminariegebouwen zal een

beperkt aantal huurwoningen worden gerealiseerd. Ook het voormalige woonhuis aan de Appelmarkt krijgt zijn woonfunctie terug. De bestemming van de voormalige kapel zal mede afhankelijk zijn van de voortgang van de invulling van de overige gebouwen. De

Erfgoedbalans nu ook digitaal beschikbaar n april verscheen de Erfgoedbalans 2009 van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in boekvorm. De digitale versie van de balans is vanaf juni te vinden op www.cultureelerfgoed.nl. De Erfgoedbalans beschrijft de stand van zaken ten aanzien van de archeologie, monumenten en het cultuurlandschap in Nederland. Deze nulmeting is in opdracht van de minister door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed opgesteld. Niet eerder werd een dergelijk nationaal overzicht met objectieve cijfers over de huidige staat van het onroerende erfgoed opgesteld. Op deze wijze wil minister Plasterk meer vat krijgen op de effecten van het erfgoedbeleid.

I

gemeente heeft laten weten gelukkig te zijn met de aankoop door Stadsherstel. Voor deze aankoop is Hol & Molenbeek Bedrijfsmakelaars als adviseur opgetreden.


KO R T

5

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

G R O OT S T E H I S TO R I S C H E E V E N E M E N T VA N N E D E R L A N D

Inschrijving Week van de Geschiedenis 2009 gestart

e inschrijving voor de door Anno georganiseerde Week van de Geschiedenis 2009 is geopend via de website www.weekvandegeschiedenis.nl. De Week van de Geschiedenis is het grootste historische evenement van Nederland. Elk jaar organiseren honderden culturele instellingen speciale activiteiten rond een wisselend thema.

D

De Week van de Geschiedenis gaat van start met de Landelijke Archievendag op zaterdag 17 oktober en duurt tot en met 25 oktober 2009. Het thema dit jaar is ‘Oorlog en Vrede’. Eind september verschijnt de programmakrant (oplage 1 miljoen) waarin alle activiteiten zijn opgenomen. De activiteiten zijn bovendien gedurende de gehele periode te vinden op de website www.weekvandegeschiedenis.nl. Het thema van de Week van de Geschiedenis 2009 is ‘Oorlog en Vrede’. Een groot deel van de Nederlanders denkt bij het woord ‘oorlog’ aan de Tweede Wereldoorlog en Irak. Maar Nederland is betrokken geweest bij tientallen oorlogen, op ons eigen grondgebied en ver daarbuiten. Wie door Nederland reist ziet de sporen van verschillende oorlogen nog terug in het landschap. En vele instellingen bewaren in hun collectie getuigenissen aan deze oorlogen en de vrede die volgde. Deelnemers aan de Week van de Geschiedenis 2009 kunnen met het thema ‘Oorlog en Vrede’ vele kanten op. Deelname aan de Week van de Geschiedenis houdt in dat een organisatie tijdens de Week van de Geschiedenis één of meerdere activiteiten organiseert rond het jaarthema. De activiteiten brengen een breed publiek op een toegankelijke en aansprekende manier in aanraking met geschiedenis. Aanmelden van een activiteit kan tot 10 augustus 2009 op de website.

Nieuwe naam voor RACM anaf 11 mei 2009 heet de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Dit culturele erfgoed omvat het hele werkveld van archeologie, cultuurlandschap en monumenten. Ook betrekt de dienst een nieuw gebouw in Amersfoort. Het spraakmakende pand is ontworpen door Juan Navarro Baldeweg uit Madrid. De vestiging in Lelystad blijft vanuit de huidige basis opereren. De nieuwe contactgegevens zijn: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Smallepad 5 3811 MG Amersfoort Tel. 033 - 421 7421 Fax 033 - 421 7799 Nieuw e-mailadres: info@cultureelerfgoed.nl Nieuw webadres: www.cultureelerfgoed.nl

V

Tijdens de Week van de Geschiedenis reikt Anno ieder jaar de Week van de Geschiedenisprijs uit om organisaties te stimuleren creatief te zijn in het bedenken van activiteiten die ook mensen bereiken die minder vaak een museum bezoeken. Alle activiteiten die tijdens de Week van de Geschiedenis georganiseerd worden, dingen mee naar de Week van de Geschiedenisprijs. In 2008 werd de Week van de Geschiedenisprijs gewonnen door het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk.

Kunstzone nummer 5 uit K

UNSTZONE , tijdschrift voor kunst en cultuur in het onderwijs, nummer 5 heeft als thema cultureel erfgoed. Met onder meer artikelen over de samenstelling van de nationale canon, games over cultureel erfgoed, documentaires met cultureel erfgoed als onderwerp, canonmanie en de plaats van muziek in de nationale canon. Daarnaast artikelen over kunstvakken als verplichte examenvakken. Meer informatie: www.kunstzone.nl


KO R T

6

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

S T E D E L I J K E G E S C H I E D E N I S A L S I N S P I R AT I E B R O N

Culturele instellingen organiseren historisch congres op 11 september vangt in zijn nieuwe gebouw aan het Smallepad in Amersfoort.

p vrijdag 11 september 2009 organiseren de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Archief Eemland en de Historische Vereniging Flehite een historisch congres met de prikkelende titel ‘Stedelijke geschiedenis als inspiratiebron’. Het congres gaat over stedelijke ontwikkeling en de betekenis ervan voor de identiteit van stad en regio, met Amersfoort als exemplarisch voorbeeld.

O

Themagesprekken Na de theepauze is een aantal workshops georganiseerd rondom de volgende thema's: geschiedenis digitaal; eigentijds rondleiden; oral history; profileren; eigentijds verzamelen. Na een korte inleiding van een deskundige gaan deelnemers en deskundige(n) het gesprek hierover aan onder leiding van een gespreksleider.

Keynotespeaker De heer Wijnand Mijnhardt, hoogleraar vergelijkende wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht en directeur van het Descartescentrum is de keynotespeaker. Mijnhardt schetst in zijn lezing een Europese context waarin twee varianten van het verstedelijkingsproces zijn te onderscheiden. De eerste periode van verstedelijking begint rond de late middeleeuwen en loopt door tot in de 17e eeuw. De tweede periode van verstedelijking is rond 1900. Amersfoort neemt een tussenpositie in. In zijn voordracht gaat Mijnhardt in op het profiel van de Amersfoortse verstedelijking waarbij naast economische ook de culturele en politieke facetten een plaats zullen krijgen. In het tweede deel van de middag staan inspirerende initiatieven van historische verenigingen en (amateur)historici centraal en de rol die zij vervullen bij de ontwikkeling en

Programma en sprekers

identiteitsvorming van de stad. Het congres richt zich op professionele en amateurhistorici met belangstelling voor de stedelijke geschiedenis, maar ook op liefhebbers van de geschiedenis van Amersfoort en omgeving. Gastheer voor het congres is de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (voorheen Rijksdienst voor Archeologie Cultuurlandschap en Monumenten), die de congresbezoekers ont-

Korenmetershuis Amsterdam nader onderzocht

13.15 - 13.45 uur WIJNAND MIJNHARDT Amersfoort en het Europese stedelijke patroon 13.45 - 14.10 uur FRANCIEN SNIEDER stadsarcheoloog Amersfoort Boeren in de stad 14.10 - 14.35 uur JAAP-EVERT ABRAHAMSE senior onderzoeker Historische stedenbouw Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Weg der weeghen: verleden en toekomst van een Amersfoorts megaproject 14.35 - 15.00 uur WIM WILLEMS hoogleraar sociale geschiedenis Universiteit Leiden en stadshistoricus Den Haag Hoe leg je de stedelijke identiteit vast in eigentijds cultureel erfgoed? (onder voorbehoud) Kijk voor het actuele programma op www.archiefeemland.nl.

n het Amsterdamse Korenmetershuis is sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw het landelijk bureau van Heemschut gevestigd. Dit unieke rijksmonument wordt dit voorjaar nader bouwhistorisch onderzocht.

I

Bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek van het gemeentelijk Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) verricht samen met studente Eveline van Schie een bouwhistorisch onderzoek ‘nieuwe stijl’. Als eerste in Nederland werkt BMA samen met Heemschut volgens de nieuwe Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, die eind april tijdens de Restauratiebeurs officieel werden gepresenteerd. Heemschut onderschrijft deze richtlijnen, aangezien de toepassing bijdraagt aan een betere afweging over sloop en behoud van waardevol cultureel erfgoed.


KO R T

7

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

Bataafse boeren uitstekend geïntegreerd in de Romeinse, militaire wereld at is één van de conclusies van het promotieonderzoek van Wouter K. Vos uitgevoerd als gedetacheerde medewerker vanuit het Leidse bedrijf Hazenberg Archeologie op de Vrije Universiteit. Het boek – Bataafs Platteland – wordt uitgegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ook omdat een belangrijk deel van de onderzoeksgegevens van diezelfde Rijksdienst afkomstig zijn.

D

In de Romeinse tijd woonde in het Nederlandse rivierengebied een bevolkingsgroep die we kennen onder de naam Bataven. De afgelopen jaren is uitvoerig onderzoek gedaan naar hun bewoning op het platteland van het Kromme-Rijngebied. De vraag daarbij was of uit ruimtelijke ontwikkelingen van het platteland kon worden afgelezen of en zo ja hoe boerengemeenschappen integreerden in het Romeinse rijk. Opgravingen en veldkarteringen in het studiegebied toonden ruim honderd Romeinse nederzettingen aan op het platteland van het Kromme-Rijngebied. Dat kenmerkte zich door grootschalige verkavelingen van landbouwgronden rondom kleine dorpen en gehuchten, waardoor een geordend cultuurlandschap ontstond. Die ruimtelijke indeling heeft te maken met de intensivering van de landbouw, waarbij men zich toelegde op het produceren van overschotten (runderen, paarden, veevoer) ten behoeve van een markt. Die bestond uit het Romeinse leger dat in de eerste eeuw na

EEN GERECONSTRUEERDE DOORKIJK VAN ONDER DE PORTICUS. T E K E N I N G M I K KO K R I E K - ACV U H B S

Christus ons land veroverde. Verder is aannemelijk dat Bataafse boerderijen sterk zijn beïnvloed door de architectuur uit de legerkampen. Bataafse veteranen, die na 25 jaar krijgsdienst terugkeerden naar hun geboortegrond, hebben deze invloeden meegenomen. Die militaire architectuur is tot uitdrukking gebracht in het uiterlijk van huistypen met lage dakhellingshoeken, die lijken op soldatenbarakken en als ‘veteranenboerderijen’ kunnen worden betiteld. Dergelijke gebouwen benadrukken, samen

met de grootschalige verkavelingen, de ruimtelijke plattelandsontwikkelingen in het Kromme-Rijngebied en weerspiegelen de integratie van Bataafse boerengemeenschappen in het Romeinse rijk. Het 362 pagina’s tellende proefschrift van Wouter K. Vos is verkrijgbaar via online boekhandel Halos voor € 32,50, www.halos.nl. Het proefschrift is verschenen in de reeks Nederlandse Archeologische Rapporten (NAR ) als nummer 35.

WIJK BIJ DUURSTEDE-DE HORDEN: UITGEGRAVEN PAALKUILEN VAN HUIS ‘4’


VITRUVIUS

NUMMER 8

O

JULI 2009

JA A P E V E R T A B R A H A M S E SENIOR ONDERZOEKER HISTORISCHE STEDENBOUW BIJ DE RIJKSDIENST VOOR HET CULTUREEL ERFGOED

PINIE

Ed Taverne is emeritus hoogleraar architectuur- en stedenbouwgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Tijdens zijn hoogleraarschap heeft hij in hoge mate bijgedragen aan de transformatie van de architectuurgeschiedenis van een traditionele, op de kunstgeschiedenis gebaseerde wetenschap waarin vooral de opeenvolging van bouwstijlen werd bestudeerd, naar een meer interdisciplinaire aanpak waarin grotere stedelijke en landschappelijke structuren centraal stonden. Hij heeft zich daarnaast altijd buiten academische kring bewogen, en vanuit een brede vakmatige betrokkenheid een rol gespeeld in discussies en visie-ontwikkeling met betrekking tot de inrichting van Nederland. Op dit moment is hij lid van het Kwaliteitsteam van het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW).

INTERVIEW NAAR AANLEIDING VA N H E T V E R S C H I J N E N VA N D E E R FG O E D B A L A N S 2 0 0 9

Ed Taverne: Geen behoud door stilstand n 2002 verscheen de Archeologiebalans. Zie jij de Erfgoedbalans als het volgende deel in een reeks of gaat deze een andere rol spelen?

I

Je kunt deze balans vanuit verschillende invalshoeken bekijken. Je kunt er niet om heen dat dit document in verband zal worden gebracht met de discussie over de stelselherziening in de erfgoedzorg die nu wordt gevoerd. Zowel de Raad voor Cultuur als de vijf MoMo-werkgroepen hebben intussen hun bijdragen geleverd, maar de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nog niet. Daarom zie ik de Erfgoedbalans in de eerste plaats als een bijdrage van de Rijksdienst aan de discussie over de modernisering van de

Monumentenwet (MoMo). De balans biedt het noodzakelijke materiaal voor het debat: wat hebben we bereikt, in wat voor staat bevindt het erfgoed zich, waar zit onze kennis en waar zitten de kennislacunes? Pas als de feiten en cijfers bekend zijn, kan je op een zinnige manier discussiëren over stelselherziening. In dat opzicht zal het stuk zeker een nuttige functie kunnen vervullen. Welke rol zie jij de Erfgoedbalans concreet spelen in de stelselherziening?

Als je vanuit dat oogpunt kijkt vind ik vooral de hoofdstukken die over bestuur en beleid uiterst waardevol. Die bieden heldere bestuurlijke en juridische uitgangspunten voor een realistisch debat over de modernisering van de monumentenzorg. We willen allemaal van een traditionele, vooral objectgerichte monumentenzorg naar een meer omgevingsgerichte erfgoedzorg, waarin grotere structuren als dragers van kwaliteit worden behouden en ontwikkeld. De huidige Monumentenwet is daarvoor – zeker als het gaat om de bescherming van het

cultuurlandschap – ontoereikend. Opvallend is ook dat juist deze hoofdstukken met overtuiging en gezag zijn geschreven, zoals je van deze dienst zou verwachten. Daar worden grenzen gesteld en keuzes gemaakt. Dat zie ik niet in alle stukken terug. Welke inzichten kan je er verder aan ontlenen?

Een balans dient naar mijn mening iets méér te bieden dan alleen een beredeneerd overzicht van de staat van en kennis over het erfgoed. Je zou toch op zijn minst iets mogen verwachten over het functioneren van de dienst en over de toekomst van de institutionele erfgoedzorg. Maar wie daar in de balans naar op zoek gaat, komt bedrogen uit. Ik vind dat er weinig openingen inzitten in de richting van een nieuwe filosofie en werkwijze. Er is erg veel aandacht voor het instrumentarium, voor wetten en regels en subsidieregelingen. Ik zie nog niet de wil om uit dat wespennest van inventarisaties en regelgeving te komen en een nieuwe visie op erfgoed te formuleren. Op dit punt maakt de balans de indruk van een


O spoorboekje waarin ambtenaren van ongelijksoortige overheden elkaar informeren over mistige reisdoelen. Jij mist visie, maar hoort die thuis in zo'n balans?

Daar kan je natuurlijk van mening over verschillen. Het is in de eerste plaats een inventarisatie. Die is – ook kartografisch visueel – betrouwbaar uitgevoerd. Hoe ver je gaat in het analyseren van die gegevens is een punt van discussie. Het Sociaal en Cultureel Planbureau gaat daar veel verder in. Soms zijn die analyses wat mij betreft te gekleurd, maar ze zijn in ieder geval duidelijk. Mild uitgedrukt: de Erfgoedbalans biedt het noodzakelijke fundament voor het formuleren van een visie die recht doet aan de veranderde opvattingen over geschiedenis, cultuur en identiteit en over de gevolgen daarvan voor de waardering van monumenten in de samenleving. Die visie zie ik in de balans nog niet terug. Het is een eerste stap, de echte keuzes moeten nog worden gemaakt. Zie jij desondanks een opvatting over de erfgoedzorg in de balans?

Jazeker. En ik zie een opvatting die mij voor een groot deel niet aanstaat. Een die naar mijn opinie hopeloos verouderd is. Defensief en objectgericht, of, grof gezegd: behoud door stilstand in plaats van door ontwikkeling, die opvatting loopt als een rode draad door het document. Het belangrijkste symptoom daarvan is de marginale aanwezigheid van het Belvedere-project en van de ermee bereikte resultaten in de balans. Er staan in de hele balans misschien honderd regels over Belve-

2/3 – NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

9

dere. Maar als ergens een aankopingspunt ligt voor vernieuwing van de erfgoedzorg in Nederland dan zijn dat de ervaringen en winstpunten die de afgelopen jaren zijn opgedaan binnen Belvedere. Het idee van behoud door ontwikkeling is bij de Rijksdienst kennelijk nog niet aangeslagen. Ik zie veel behoud maar weinig ontwikkeling. Het lijkt een allerlaatste poging om de erfgoedzorg te houden zoals hij altijd geweest is. De aansluiting op de nieuwe betekenissen die het erfgoed in de samenleving heeft gekregen, vindt niet plaats. Kijk naar het eerste hoofdstuk, waar geworsteld wordt om het verouderde begrip ‘monument’ te herdefiniëren in termen van moderne erfgoedzorg. Het is, intellectueel gesproken, een schamele ouverture van de balans. Terwijl de aanknopingspunten voor reflectie voor het grijpen liggen: historici en politici hebben de mond vol over ‘canons’, over de rol die het materieel en immaterieel erfgoed moet of kan spelen bij het definiëren van een nationale of locale identiteit; economen en vrijetijdswetenschappers focussen al decennialang op de sociale en vooral de economische betekenis van het materiële erfgoed. Ik zie daar weinig van terug in deze balans. Wat zouden volgens jou de belangrijkste ingrediënten moeten zijn van een langetermijnvisie op ons erfgoed?

Er zijn natuurlijk tal van thema’s die naar voren springen. Laten we ons beperken tot de noodzaak voor een planologische horizonverbreding van de monumentenzorg, tot de veranderende rol van overheden bij herkenning en ontwikkeling van het erfgoed en, tenslotte, tot de verhouding tussen ambtelijke

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

zorg en wetenschappelijk onderzoek. Over de eerste twee onderwerpen zijn door MoMowerkgroepen belangwekkende rapporten geschreven, die vanuit de dienst om antwoord en discussie vragen. Ik denk dat de Rijksdienst nu stappen moet gaan zetten om vanuit de eigen praktijkervaring duidelijk te maken wat een meer gebiedsgerichte benadering voor de omgang met het archeologische, gebouwde en landschappelijke erfgoed gaat betekenen. Behoud door ontwikkeling betekent ook dat de ontwerpende disciplines in de toekomst een veel grotere rol zullen krijgen bij de recycling van waardevolle elementen van onze omgeving. Hoe denkt men daarover? Welke posities moeten daarbij worden prijsgegeven? En wat zijn de krachten die dat intern verhinderen? Er ligt meer dan voldoende stof voor discussie en er ligt nu een basis voor visieontwikkeling in de vorm van de Erfgoedbalans. Waar moet die visie zich verder op toespitsen?

Een ander thema dat in de Erfgoedbalans zit maar niet expliciet wordt uitgewerkt is de positie van de verschillende overheden. Tot op welke afstand kan de centrale overheid zich terugtrekken op het gebied van de erfgoedzorg? Welke kansen en mogelijkheden biedt de nieuwe Wet ruimtelijke ordening in dit opzicht? En hoe pakt dat precies uit voor zulke uiteenlopende sectoren als het archeologische erfgoed, de historische componenten in de gebouwde en de landschappelijke omgeving? De archeologen hebben, technisch gesproken, sinds kort hun zaakjes goed op orde. Maar hoe werkt de decentralisatie van herkenning, beheer en kennis van allerlei aspecten van het cultuurlandschap uit? Welke


VITRUVIUS

NUMMER 8

10

JULI 2009

ervaringen zijn intussen opgedaan met de beschermende ontwikkeling van gemeente- en provinciegrenzen overschrijdende ensembles als de Nieuwe Hollandse Waterlinie? Zijn de provincies opgewassen tegen de hun wettelijk opgelegde taken, hoe succesvol is de onderlinge samenwerking en hoe effectief zijn de provincies bij het gebruiken van het beschikbare instrumentarium? In de Erfgoedbalans worden hierover, in de hoofdstukken over beleid en regelgeving, behartenswaardige dingen gezegd. Maar het is jammer dat met geen woord gesproken wordt over de bestuurlijke, planologische en ontwerptechnische innovaties die op dit moment in nationale projecten als de NHW of Ruimte voor de Rivier plaatsvinden. Dit zijn de kraamkamers voor gebiedsgerichte erfgoedzorg op alle niveaus waar (historische) archeologie, landelijke omgeving en gebouwd erfgoed samenkomen. Door die combinatie zijn ze relevant voor de toekomstige samenwerking tussen overheden en andere partijen bij de omgang met het erfgoed. En dus ook voor de toekomst van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

winkel te koop zijn: van nationaal landschap, Belvedereproject, nationaal project tot voorbeeldproject. In een onderneming van deze omvang wordt pas duidelijk welke problemen je tegenkomt als je erfgoed wilt inzetten in ruimtelijke ontwikkelingen onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Er is daarvoor een compleet nieuwe bestuursstructuur geconstrueerd, de Liniecommissie, waarin provincies, gemeenten en waterschappen samenwerken. In het Pact van Rijnauwen hebben Rijk en provincies zich gecommitteerd aan de gezamenlijke uitvoering en financiering van een groot aantal projecten in de periode 2008-2011. Daarmee is een begin gemaakt met een nationale inspanning om aan de oostzijde van de

OPINIE

Het verschuift geleidelijk van de ene sector naar de andere. Niet alleen bestuurders hebben daar moeite mee, ook ambtenaren van de Rijksdienst. Ik noem een klein voorbeeld. Bij de restauratie van Fort Asperen moest de grondlaag vanwege vochtwering tijdelijk worden verwijderd. Daarbij kwam een fascinerend daklandschap tevoorschijn, uniek binnen de linie. Maar als het aan de monumentenzorgers ligt, moet de aarden bekleding na het herstel weer keurig worden teruggebracht. Een fort is een fort omdat er fort op staat! Een dergelijk kunsthistorisch fundamentalisme gaat voorbij aan nieuwe kansen voor gebruik en blokkeert het functioneren van het gebouw in eigentijdse omgeving.

Willen we dat Nederland dichtslibt met hier en daar een leuk panoramaatje tussen geluidswallen door?

Dus de focus moet komen te liggen op het landschap?

Als je het hebt over de rol van de centrale overheid bij het veiligstellen en ontwikkelen van cultuurhistorie op de lange termijn en in de meest brede zin van het woord, dan denk ik dat die vooral moet lopen via de ruimtelijke ordening. De omgang met de cultuurhistorische waarden in het landschap levert zowel in juridische, technische als bestuurlijke zin ongekende problemen op. Ik ben zelf betrokken bij het behoud en de ontwikkeling van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dat is een project dat zich afspeelt in zestig gemeenten, in vijf provincies. Het heeft intussen alle predicaten gekregen die er in de planologische

huidige Randstad -– vanaf Muiden tot aan de Biesbosch – een gebied open te houden van hoge cultuurhistorische, landschappelijke en vooral recreatieve waarde. De Groene Long als alternatief voor het virtuele Groene Hart. Je zou verwachten dat de rijksoverheid – het Ministerie van VROM voorop – hoog inzet op deze impuls. Maar waarom dan toch steeds weer iets nieuws bedenken en onzinnige voorstellen lanceren als metropolitane stadsparken in de Randstad (Structuurvisie 2040), als je elders betrokken bent bij een realistisch en uitvoerbaar project? In het project van de NHW dat nu al een paar jaar loopt zie je een geleidelijke verschuiving van een beleid van bescherming, restauratie en herstel naar ruimtelijke ordening, hergebruik en ontwikkeling.

Als de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zich niet meer zou bezighouden met schoorstenen op forten, wat zijn dan de perspectieven op de lange termijn?

Ik denk dat de Rijksdienst zich als vertegenwoordiger van de rijksoverheid voor het cultuurlandschap en het gebouwd erfgoed in de eerste plaats moet richten op de waarborging en begeleiding van cultuurhistorische waarden binnen planprocessen. Daarbij is de inbreng bij een overkoepelende planologische visie als de Nota Ruimte cruciaal. Op lagere niveaus zijn dat de nieuwe voorgeschreven structuurvisies van provincies en gemeenten. Cultuurhistorie als draaischijf voor gebiedsontwikkeling – daar moet de dienst voor staan. Dat betekent: andere kaders en andere rollen. Die zijn op inspirerende wijze uitgewerkt in het advies van de MoMowerkgroep RO. Een tweede aspect dat ik onvoldoende aantref is de rol die de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed speelt en moet spelen op het gebied van kennis. Als je beleidszaken decentraliseert moet je zorgen dat degene die verantwoordelijk wordt, over de daarvoor noodzakelijke kennis kan beschikken.

4/5 – FORT ASPEREN


O

11

6 – FOTO UIT 1973, WAAROP CENTRAAL DE WIJK VINKHUIZEN EN ACHTER DE STRAKKE STADSGRENS NAAR DE HORIZON HET REITDIEP, HET VAN STARKENBORGHKANAAL EN MIDDAG-HUMSTERLAND. A E R O P H OTO E E L D E

De archeologen hebben dat vrij goed voor elkaar, maar op het gebied van stedelijke en rurale landschappen en het gebouwd erfgoed is dat nog niet goed geregeld. De dienst moet de structuur ontwikkelen waarin lagere overheden van kennis worden voorzien. Kennisontwikkeling en kennisverspreiding zijn cruciaal. Speelt de Erfgoedbalans in op vragen uit de samenleving en de academische wereld?

Ik kan daar niet zo makkelijk op antwoorden. Wel constateer ik een grote afstand tussen de deskundigen binnen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de vakbroeders die in het universitaire milieu werken. Ik zie een angstaanjagende kloof tussen de jongens aan de knoppen, de ambtelijke omgang met erfgoed, en de discussies in de academische wereld. Neem de manier waarop de archeologie in de balans aanwezig is. Die wordt voornamelijk bekeken en beoordeeld vanuit het Maltaperspectief. Archeologische opgravingen – de wensen, kansen en verwachtingen – zijn volledig losgezongen van (cultuur)historische vraagstellingen, waardoor de nationale archeologie een pakhuis dreigt te worden van ongeopende dossiers waar niemand behoefte aan heeft en die enkel documentaire waarde hebben. Wat bijvoorbeeld volledig ontbreekt is de historische archeologie, de actuele tendens om archeologische gegevens in te zetten bij het zoeken naar oplossingen van historische vraagstukken. Natuurlijk hebben we de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA), maar de uitkomsten daarvan zijn voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kennelijk geen reden om het tot nu toe gevoerde beleid te wijzigen. Wat vind je van de behandeling van de cultuur-

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

7 – FOTO VAN 25 MEI 2009: DE NOORDWESTELIJKE STADSRAND VAN GRONINGEN, MET RECHTS DE WIJK VINKHUIZEN EN LINKS DE RECENTE SPRAWL. A E R O P H OTO E E L D E

historische waarden van de gebouwde omgeving door de Erfgoedbalans?

De stad komt er in de balans bekaaid af. Het kan toch niet zo zijn dat een oriëntatie op de landschappelijke ondergrond en een gebiedsgerichte benadering van het erfgoed vanzelfsprekend leidt tot versterking van de rurale focus van de erfgoedzorg? De balans geeft onvoldoende blijk van het onderscheid tussen stadsontwikkeling en stedenbouw. Het laatste lijkt te worden beschermd, het eerste wordt aan haar lot overgelaten. Op die manier werkt erfgoedzorg indirect mee aan de musealisering van het binnenstedelijke milieu en blijven actuele thema's als stedelijke herstructurering en stadsrandontwikkeling, en vooral de versmelting van stad en platteland, buiten beeld. Het thema van de periferie, de zorgvuldige programmering van de stadsrand in termen van overgang van een gebouwde naar een landelijke omgeving: dat thema is eigen aan onze door steden gedomineerde cultuur, waar de hele geschiedenis van onze schilderkunst over gaat, bezongen in poëzie, beschreven in romans en gedramatiseerd in filmkunst. Dat gedachtengoed moet vanuit de dienst worden ingebracht op het juiste moment in het juiste document. Kijk bijvoorbeeld eens in Groningen hoe de noordelijke stadsgrens totaal verpest is door Vinex-achtige uitbreidingen langs het oeroude Reitdiep. Daar lag een haarscherpe grens, een prachtige beëindiging in hoogbouw uit de jaren zestig. Het college heeft tegen beter weten in een nieuwbouwplan doorgedrukt. Achteraf zei de betreffende wethouder dat dit de grootste vergissing uit zijn politieke loopbaan was. Een dergelijke bestuurlijke wandaad is niet alleen gevolg van gebrek aan cultuurhistorische kennis op lager niveau. Maar ook van de afwezigheid van een overheidslaag die resoluut ingrijpt. Dirk Sijmons

verwijst in zulke gevallen altijd naar de Green Belt om Londen. Daar ligt een scherpe grens tussen rood en groen. Tot hier en niet verder. Geen wethouder die het in zijn hoofd haalt om over de streep te gaan bouwen. Daar kan het wel, waarom hier niet? Willen we dat grote delen van Nederland dichtslibben met hier en daar een leuk panoramaatje tussen de geluidswallen door? En ondertussen maar doorpraten over ‘Mooi Nederland’? Of gaan we een heldere visie neerzetten op cultuurlandschap en stedenbouw? Om daartoe te komen moet je de verhouding tussen stad en land definiëren. Daarbij kan het erfgoed, zowel het landschap als de stedenbouw, vooral de naoorlogse stad, een structurerende rol spelen. Door een goede combinatie van erfgoedzorg en planologie kan je resultaat behalen. Ik zie nog te weinig bevlogenheid. Wat moet nu de eerste stap zijn met de Erfgoedbalans?

Ik hoop dat het stuk in ieder geval breed verspreid wordt. De Erfgoedbalans moet niet blijven zweven in de ambtelijke sfeer. De balans markeert hoe dan ook de stand van zaken binnen de eerst aangewezen instantie op het gebied van het herkennen, waarborgen en ontwikkelen van het erfgoed. Ik denk dat er snel twee initiatieven moeten worden genomen. Op de eerste plaats het opstellen van een Nationale Onderzoeksagenda Erfgoed (NOaE), al was het maar in de vorm van een nascholingscursus voor wat achterop geraakte beleidsambtenaren. Daarnaast zou ik graag zien dat er een debat komt waar de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed samen met andere partijen uit de wetenschap, bestuur en samenleving de bouwstenen legt voor de positionering van een Rijksdienst binnen een gemoderniseerd erfgoedbestel. 


VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

MARLEEN MARTENS L E E N M E GA N C K MOÏRA HEYN AUKJE DE HAAN

U LT U U R L A N D S C H A P

Eind 2008 ging de Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed Vlaanderen online. De Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed biedt een overzicht van de kennis, de hiaten en de actuele onderzoeksvragen met betrekking tot het onroerend erfgoed in Vlaanderen. Het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) nam, na brede bevraging van de sector, het initiatief tot de opmaak van deze onderzoeksbalans.

ONDERZOEKSBALANS

Onroerend Erfgoed Vlaanderen 1 – DE NOTELAER TE HINGENE (PROVINCIE ANTWERPEN). IN 2008 VOERDE HET VIOE EEN MULTIDISCIPLINAIR ERFGOEDONDERZOEK UIT NAAR DIT NEOCLASSICISTISCHE PAVILJOEN (1792-1797) EN ZIJN OMGEVING. VIOE FOTOGRAAF KRIS VANDEVORST

et VIOE werd in 2004 opgericht als wetenschappelijke instelling van de Vlaamse overheid voor de inventarisatie, het onderzoek, de conservatie en de ontsluiting van bouwkundig erfgoed, landschap en archeologie in Vlaanderen. Het VIOE neemt de coördinatie van de onderzoeksbalans ter harte vanuit haar missie verantwoordelijkheid te dragen voor het onderzoek en de kennisverspreiding over het Vlaamse onroerend erfgoed. De onderzoeksbalans bestaat uit drie delen: archeologie, bouwkundig erfgoed en landschap. De doelstellingen zijn voor de verschillende delen hetzelfde: het geven van de stand van zaken van het onderzoek en waar mogelijk het aanduiden van hiaten. Voor de drie delen werd gestreefd naar samenhang, maar tegelijk moesten de eindproducten voldoende tegemoet komen aan de uiteenlopende wensen van de verschillende disciplines. Elk van de deelbalansen hanteerde dan ook een andere aanpak.

overheid, overheidsdiensten, verenigingen en musea aan de slag om eind 2008 de eerste versie van de onderzoeksbalans online te plaatsen op www.onderzoeksbalans.be. Voor het VIOE zelf ondersteunt de onderzoeksbalans de ontwikkeling van een eigen transparant onderzoeksbeleid. Voor de andere spelers in de erfgoedsector heeft het document geen bindend karakter maar wil de balans vooral inspirerend werken door onderzoek op een vlotte manier toegankelijk te stellen. Ter bevordering van deze toegankelijkheid ontwikkelde het VIOE parallel met de onderzoeksbalans ook de Bibliografie Onroerend Erfgoed, een online zoekmachine waarin momenteel 16.000 referenties over onroerend erfgoed in Vlaanderen opgenomen zijn. De bibliografie is van onschatbare waarde voor het onderzoek naar het Vlaamse onroerend erfgoed. Je kan zoeken op een gemeente, een onderwerp, of op een periode waarin je geïnteresseerd bent.

In 2007 gingen onderzoekers van het VIOE samen met 180 specialisten van universiteiten, hogescholen, onderzoeksinstellingen van de

Aangezien het onderzoek steeds verder evolueert, moet de onderzoeksbalans ook in ontwikkeling blijven. De onderzoeksbalans is

H

daarom een dynamisch digitaal document. De publicatie op internet zorgt ervoor dat de onderzoeksbalans vlot raadpleegbaar is en dat iedereen aanvullingen en opmerkingen kan doorgeven. Op dit moment is de balans zeker nog niet volledig. Bepaalde hoofdstukken moeten nog volledig uitgewerkt of aangevuld worden. Het succes en de impact van de onderzoeksbalans in de komende jaren zullen enerzijds afhangen van de manier waarop het document actueel gehouden wordt en anderzijds van de draagkracht van het document in de hele erfgoedsector.

Onderzoeksbalans Archeologie De laatste jaren worden archeologische waarden steeds meer afgewogen in de besluitvorming van de ruimtelijke ordening. Dit resulteerde in meer en grootschaliger archeologisch onderzoek en een geleidelijke introductie van een marktwerking in de archeologie. Aangezien in Vlaanderen, meer dan in de ons omringende landen, synthesewerken over archeologisch onderzoek ontbreken, bleek er


13

voor het VIOE en voor de partners duidelijk nood te zijn aan een overzicht van kennis, vooral om onderzoek beter te kaderen en in functie van een effectievere kennisvermeerdering. Het deel Archeologie van de onderzoeksbalans werd onderverdeeld in chronologische en thematische hoofdstukken. Voor de meeste hoofdstukken werkten schrijversgroepen van specialisten samen en werd getracht een stand van zaken van het onderzoek in Vlaanderen te bieden die gebaseerd is op een vrij omvattend bibliografisch onderzoek. Deze aanpak leidde bovendien tot een vrij uitgebreide bibliografie in de Bibliografie Onroerend Erfgoed. Daarnaast werd het onderzoek zoveel mogelijk binnen een internationaal kader geplaatst.

Onderzoeksbalans Bouwkundig erfgoed De onderzoeksbalans Bouwkundig Erfgoed is opgedeeld in hoofdstukken die de architectuurgeschiedenis enerzijds per periode en anderzijds thematisch bekijken. Van thema’s zoals historisch interieur, industrieel erfgoed en historische tuinen en parken wordt een aparte evaluatie gegeven. Op termijn wordt gepland om ook het funeraire en militaire erfgoed uit te werken.

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

Daarnaast kregen diverse aspecten van het beheer van het bouwkundige erfgoed een eigen hoofdstuk, zoals de inventarisatie, de monitoring, de conservatie en restauratie van zowel de gebouwen zélf als de interieurs en de in het interieur vervatte kunstwerken (wandschilderingen, altaarstukken, etc.).

nog belangrijker – waar op dat vlak de hiaten liggen. Anderzijds wordt geprobeerd om het blikveld te verruimen naar de internationale context van het erfgoedonderzoek en om af te toetsen welke ontwikkelingen in dit bredere kader voor het onderzoek in Vlaanderen relevant en inspirerend kunnen zijn.

Voor alle hoofdstukken is getracht om zo goed mogelijk het lopende onderzoek in kaart te brengen, om de meest belangrijke synthesewerken te duiden, en om te zoeken naar tendensen in het onderzoek. Enerzijds wordt een evaluatie gegeven van wat er van het Vlaamse erfgoed is bestudeerd, en – misschien

Onderzoeksbalans Landschap

2 – RENAET BRAEM HUIS TE DEURNE (1955-1958). HUISMUSEUM IN EIGENDOM VAN HET VIOE.

Samenvatting Aangezien in Vlaanderen, meer dan in de ons omringende landen, synthesewerken over onderzoek van het onroerend erfgoed ontbreken, leek het voor het VIOE en voor de partners in de erfgoedsector opportuun om samen te werken aan de Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed. De onderzoeksbalans biedt een stand van zaken van het onderzoek naar het onroerend erfgoed in Vlaanderen. De teksten zijn tot stand gekomen in nauwe samenwerking met 180 specialisten. De onderzoeksbalans wil vooral inspirerend werken door onderzoek op een vlotte manier toegankelijk te stellen. Ter bevordering van deze toegankelijkheid ontwikkelde het VIOE parallel met de onderzoeksbalans ook de Bibliografie Onroerend Erfgoed, een online zoekmachine waarin momenteel 16 000 referenties over onroerend erfgoed in Vlaanderen opgenomen zijn. De bibliografie is van onschatbare waarde voor het onderzoek naar het Vlaamse onroerend erfgoed. Via www.onderzoeksbalans.be kan je zowel in de onderzoeksbalans als in de bibliografie zoeken op een gemeente, een onderwerp, of op een periode waarin je geïnteresseerd bent.

Het complexe onderzoeksveld landschap is versnipperd over uiteenlopende onderzoeksdomeinen. Er waren geen bestaande en bruikbare overzichten van welke onderzoeksdomeinen bijdragen aan landschapsonderzoek. Het in kaart brengen van het onder-


VITRUVIUS

NUMMER 8

14

JULI 2009

C U LT U U R L A N D S C H A P

4 – KAPEL VAN ONS-HEREN-BOOMPJE TE POPERINGE (PROVINCIE WEST-VLAANDEREN). VLAANDEREN HEEFT NOG EEN GROOT AANTAL OUDERE BOMEN EN STRUIKEN DIE IETS VERTELLEN OVER DE GESCHIEDENIS VAN EEN BEPAALDE PLAATS, DIE VERWIJZEN NAAR OUDE BEHEERSTECHNIEKEN OF DIE EEN OUD GEBRUIK ILLUSTREREN. HET VIOE INVENTARISEERT DEZE HOUTIGE BEPLANTINGEN MET ERFGOEDWAARDE. 3 – GALLO-ROMEINSE TUMULI TE GINGELOM, MONTENAKEN.

zoeksveld landschap was dan ook één van de belangrijkste doelstellingen bij het opstellen van de Onderzoeksbalans Landschap. Deze oefening leidde tot een indeling waarbij de betrokken onderzoeksdomeinen de verschillende hoofdstukken vormen. Er wordt een tweedeling gehanteerd in enerzijds integrerende onderzoeksdomeinen zoals historische geografie, landschapsecologie en landschapsbeheer, anderzijds basiswetenschappen zoals geomorfologie, geschiedenis en vegetatiekunde. De basiswetenschappen onderzoeken niet het landschap als geheel, maar bijvoorbeeld één aspect van het landschap, of hebben het land-

schap niet als focus van het onderzoek. De integrerende onderzoeksdomeinen onderzoeken het landschap zélf en brengen informatie uit verschillende (basis)disciplines samen. Bijkomend is er aandacht voor transdisciplinair onderzoek zoals landschapskunde, waarbij niet enkel verschillende wetenschappen worden samengebracht, maar waar ook de niet-wetenschappelijke aspecten van het landschap bij betrokken worden. Bij elk van de hoofdstukken werd een werkgroep opgestart voor het verzamelen van informatie en het uitwerken en verbeteren van de teksten. Elk hoofdstuk start met de ‘onder-

FOTO K R I S VA N D E VO R S T

zoeksbenadering’, waarbij een overzicht wordt gegeven van de evolutie en afbakening van het onderzoeksdomein, de bijdrage tot landschapsonderzoek en internationale aandachtspunten. Op deze manier wordt het kader geschapen voor het vaststellen van de stand van zaken in het onderzoek. Hierin staat aangegeven waar welke projecten werden uitgevoerd en wat leemtes en aandachtspunten voor de toekomst zijn. De onderzoeksbalans landschap biedt bijgevolg een mooi overzicht van elk onderzoeksdomein dat bijdraagt tot inzicht in het landschap. www.vioe.be www.onderzoeksbalans.be MOÏRA H EYN en A UKJE D E H AAN zijn erfgoedonderzoekers landschap. LEEN M EGANCK is erfgoedonderzoeker bouwkundig erfgoed. MARLEEN MARTENS is wetenschappelijk adviseur en coördinator Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed. 

5 – BEUGELFIBULA, VIOE OPGRAVING MEROVINGISCHE GRAFVELD TE BROECHEM (PROVINCIE ANTWERPEN)


RECENT

VERSCHENEN

Van Jeruzalem tot Ezelsakker – Veldnamen als levend erfgoed in het Nationaal Landschap Drentsche Aa Auteurs Hans Elerie, Theo Spek Met bijdragen van: Karel Gildemacher, Rik Herngreen, Jan Koolen, Linda van Rynevelt, Henk van Blerck en Menne Kosian Uitgave Uitgeverij Matrijs i.s.m. Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe Details Genaaid gebonden, 352 pagina’s, 24 x 34 cm rijk geïllustreerd in kleu ISBN 978-90-5345-385-8

Prijs € 34,95 tot 1 september 2009, daarna € 39,95 Veldnamen zijn de straatnamen van het platteland. Ieder dorpslandschap kende ooit honderden akkers, weilanden en andere percelen met elk een specifieke naam. Door moderne ontwikkelingen in de landbouw raakten de veldnamen uit beeld. Op initiatief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Brede Overleggroep Kleine

Dorpen in Drenthe komt daar nu verandering in. Vraag de inwoners van een Drents dorp naar de veldnamen in hun omgeving en ze branden los. Verhalen over boeren die geschillen kregen als er van onduidelijke afbakening van eigendommen sprake was, of gebeurtenissen die er ooit plaats hebben gevonden. Het landschap van vroeger, met zijn kleinschalige verkaveling, zit nog in hun hoofd. In onder andere de drie Drentse dorpen Anloo, Gasteren en Anderen, prachtig gelegen in het hart van het Nationaal Beek- en Esdorpenlandschap Drentsche Aa, heeft verstandig natuurbeleid het oude landschap langs de beken vroegtijdig geconserveerd. Veel veldnamen hebben er door kunnen overleven. In de afgelopen decennia is natuurbeheer naast landbouw een belangrijke stuwende activiteit geworden. Staatsbosbeheer heeft als grootste grondeigenaar in het Drentsche Aa-gebied het initiatief genomen oorspronkelijke veldnamen opnieuw in te voeren. Een groep onderzoekers onder leiding van Hans Elerie en Theo Spek hebben de lokale kennis van dit mentale landschap in de afgelopen twee jaar samen met de bewoners in beeld gebracht, onder andere door de veldnamen te inventariseren en de verhalen eromheen voor het nageslacht op band vast te leggen. Daarbij vormen nieuwe communicatiemiddelen als Google Earth, GPS en GIS een belangrijke rol. Met een mobiele telefoon is het mogelijk satellietbeelden van de omgeving op te roepen en te koppelen aan een op GIS gerelateerde veldnaam. Veldnamen blijken heel veel te vertellen over het vroegere landschap, over de natuur en

15

VITRUVIUS

over bijzondere gebeurtenissen die zich op plekken hebben afgespeeld. Samen met de verhalen die bij deze namen horen, vormen veldnamen een mentaal landschap dat als het ware boven het zichtbare landschap zweeft en de verbinding vormt tussen mensen en hun leefomgeving. Helaas krijgt dit interessante onderdeel van ons immaterieel erfgoed maar weinig aandacht. Een verrassende conclusie van het onderzoek was ook dat veldnamen en hun betekenissen niet alleen iets van het verleden zijn, maar nog altijd springlevend zijn. Om die reden zijn veldnamen heel geschikt om mensen te betrekken bij het landschap en bij de toekomstplannen in hun leefomgeving. Dat geldt niet alleen voor autochtone bewoners die hun herinneringen willen vasthouden en doorgeven, maar ook voor nieuwkomers die zich hun nieuwe leefomgeving eigen willen maken. Ook in het basisen voortgezet onderwijs kan deze methode een welkome aanvulling zijn op de mogelijkheden om kennis te vergaren over landschap, natuur en erfgoed. Een derde conclusie is dat veldnamen tot het gezamenlijke kennisveld van professionals en lokale liefhebbers behoren. Ze vormen een vruchtbaar uitgangspunt voor de uitwisseling van vakkennis en lokale kennis.

NUMMER 8

JULI 2009

Ook inspireren ze kunstenaars en architecten tot een nieuwe blik op het landschap. Experts uit verschillende wetenschappen geven samen met bewoners, landschapsarchitecten en kunstenaars aan hoe veldnamen een bron van inspiratie kunnen zijn voor het landschap van de toekomst. Het boek is het resultaat van twee jaar veldwerken, archiefonderzoek, digitaliseren, filosoferen en experimenteren. Bewoners, lokale kenners, ontwerpers, studenten en een keur aan wetenschappers en kunstenaars hebben ieder op hun wijze bijgedragen aan de beeldenatlas. In het boek is een cross-over met diverse kunstenaars en ontwerpers gemaakt. Landschapsarchitecten hebben zich gebogen over de vraag hoe veldnamen een actieve rol kunnen spelen bij nieuwe ruimtelijke ontwerpen. Ze komen in de publicatie met concrete voorstellen en ontwerpen. Fotografen, dichters en grafische kunstenaars hebben zich door het fenomeen veldnamen laten inspireren. Om mensen elders in het land op ideeën te brengen, is een handleiding opgenomen met uitleg over de wijze waarop men met veldnamen aan de slag kan gaan. Het boek biedt talrijke aanknopingspunten voor mensen elders in ons land om actief met veldnamen en plekgebonden verhalen aan de gang te gaan.


VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

PETER ROS TITUS WEIJSCHEDÉ P R OJ E CT B U R E A U N I E U W E H O L L A N D S E WAT E R L I N I E

U LT U U R L A N D S C H A P

De Nieuwe Hollandse Waterlinie is één van Nederlands bijzondere verdedigingslinies, een indrukwekkende toepassing van een militaire strategie om in tijden van oorlog de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht te verdedigen tegen vijanden uit het oosten. Via een ingenieus systeem van dijken, sluizen en kanalen konden laag gelegen stukken land onder water gezet worden (inundatie), waardoor een onoverbrugbare hindernis ontstond voor de vijand. De doorgangen (accessen) op de hogere, droge gronden verdedigde men met forten, schansen, batterijen en oude vestingsteden. Water werd een unieke bondgenoot in de strijd tegen een denkbare vijand - tot de komst van het vliegtuig de inundatiestrategie als verouderd kwalificeerde.

VA N ‘ V E R S TO P T ’ M I L I TA I R G E H E I M TOT N AT I O N A A L ‘ G E S C H E N K ’

Nieuwe Hollandse Waterlinie uitvoering leidt tot nieuwe kennisvragen 1 – DE NIEUW AANGEBRACHTE COUPURE IN DE GEDEKTE GEMEENSCHAPSWEG MAAKT HET KLEINE NATUURGEBIED AAN HET INUNDATIEKANAAL TOEGANKELIJK FOTO : B U N K E R Q

e Nieuwe Hollandse Waterlinie is inmiddels een ‘verstopt’ militair geheim waar een eigentijdse strijd gestreden wordt: een koortsachtige belangenstrijd om de ruimte. Juist die strijd maakt de Nieuwe Hollandse Waterlinie tot een nationaal ‘geschenk’: de alliantie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke ordening biedt onverwachte kansen. Door het verleden te gebruiken als inspiratiebron voor de toekomst kunnen we betekenis, schoonheid en landschappelijke samenhang terugwinnen. De vraagstukken van de ruimtelijke inrichting van de Waterlinie zijn op te vatten als een nationaal cultureel project.

D

Nationaal project Vroeger was de Nieuwe Hollandse Waterlinie ook een permanent nationaal project waarbij de verdediging van het land de éénzijdige, sturende rol van het Rijk legitimeerde. De erkenning van de cultuurhistorische én landschappelijke waarde van de Linie maakt de Waterlinie opnieuw tot een nationaal project. In de Nota Belvedere (1999) en in de Derde Architectuurnota (2000) wordt de Linie voor het eerst zo genoemd. Recent krijgt de Linie ook als landschappelijke eenheid erkenning als één van de 20 Nationale Landschappen in de Nota Ruimte. Onder het Belvedere credo

‘Behoud door Ontwikkeling’ heeft het Projectbureau Nieuwe Hollandse Waterlinie samen met vele andere belanghebbenden hard gewerkt om de Waterlinie economisch, cultureel en landschappelijk ook voor de toekomst een functie te geven als herkenbare ruimtelijke eenheid. Dit heeft in 2003 geresulteerd in het

Linieperspectief Panorama Krayenhoff. In de daaropvolgende jaren is al fors geïnvesteerd in de Waterlinie en is en wordt er gewerkt aan een goede, samenhangende uitvoeringsprogrammering. Daarmee is een belangrijke transitiefase bereikt: van visie naar uitvoering.


17

Van visie naar uitvoering

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

2 – FORT AAN DE KLOP FOTO M A R N I X

DE VISIE

Het Linieperspectief Panorama Krayenhoff beschrijft de bescherming en ontwikkeling van het historische linielandschap. Doel van dit gezamenlijk gedragen visiedocument is het bepalen van een gemeenschappelijke ruimtelijke koers voor de hele Linie en geeft een aanzet voor provinciale planologische verankering. Dit vergt maatregelen van velerlei aard. Met planologische beperkingen en monumentale veiligstelling is veel te bereiken, maar in vele gevallen is het ook mogelijk de ruimtelijke veranderingen die zich gepland of autonoom in het Liniegebied voordoen, zodanig in te richten dat ze de eigenschappen van de Waterlinie (het ‘waterlinieprofiel’) ondersteunen en manifester maken. Dit typische waterlinieprofiel wordt gekenmerkt door de volgende hoofdpunten: 1 De militaire hoofdverdedigingslijn accentueren; 2 De voormalige inundatievlakten en schootsvelden aan de oostkant open houden; 3 Verdichten ten westen van de hoofdverdedigingslijn. Van oudsher werd de westzijde van de linie gekenmerkt door verdichting en de oostzijde door openheid. Ten westen van de ‘hoofdverdedigingslijn’ was immers het te verdedigen gebied, waar veilig gewoond kon worden. Ten oosten moest het gebied open blijven om de vijand te kunnen zien aankomen.

S C H M I DT ]

andere stedelijke agglomeraties. Behoud en versterking ervan zullen in de toekomst van beslissende betekenis blijken voor recreatie, toerisme en het internationale vestigingsmilieu. Liniebreed zijn er drie uitvoeringsambities: - een herkenbaar Waterlinieprofiel (versterken van de ruimtelijke ontwikkeling en vormgeving); - de waterlinie in de hoofden en harten (ontwikkelen en profileren van de Waterlinie als liefhebberlandschap; - het duurzaam gebruik (realiseren van maatschappelijk en economisch duurzame bestemmingen). In de samenhang van deze ambities komen de kwaliteiten van de Waterlinie nu en in de toekomst terecht.

stalleerd, die op basis van een gezamenlijk vastgestelde inhoudsopgave eigen uitvoeringsprogramma's hebben gemaakt, die uitmonden in één Liniebrede ambitie.

Uitvoering - drie cases Toekenning van nieuwe functies aan de cultuurhistorische elementen en de ruimtelijke opgaven kunnen elkaar versterken. Hieronder laten we drie projecten de revue passeren. Ze hebben alle drie een ander schaalniveau: punt, lijn -en vlakniveau. Op puntniveau bespreken we de herontwikkeling van Fort aan de Klop. Als project op lijnniveau komt de restauratie van de Gedekte Gemeenschapsweg aan bod. Op vlakniveau bespreken we het project Lingekwartier.

DE AMBITIE

De confrontatie tussen essentiële liniekenmerken enerzijds en ruimtelijke ontwikkelingen anderzijds speelt zich af op alle schaalniveaus. De ambitie bij al deze confrontaties is: de linie beschouwen als onderlegger van ruimtelijke ontwikkelingen. Wanneer we de linie beschouwen als integrale (ontwerp-) opgave krijgt ze een ander perspectief. De linie wordt daarmee ineens een krachtige drager van het gebied. Er ontstaat een identiteitsbepalende eenheid die provinciegrenzen overschrijdt. De aanwezigheid van een dergelijk structurerend element onderscheidt de Randstad nu al van

UITVOERING

FORT AAN DE KLOP

Sinds de vaststelling van Panorama Krayenhoff concentreert het Nationaal Project zich op het opstellen van een ontwikkelingsprogramma dat richtinggevend is voor de uitvoering. Het Linieperspectief is immers een visie, nog geen uitgewerkt inrichtingsplan. De uitvoering is georganiseerd in zeven gebiedsgerichte projectenveloppen en één rijksenveloppe. De enveloppen omvatten elk een groot aantal projecten die in ontwerp, uitvoering en exploitatie met elkaar te maken hebben. Er zijn inmiddels gebiedsgerichte enveloppecommissies geïn-

In 1997 heeft de Gemeente Utrecht Fort aan de Klop aangekocht. De gemeente wilde graag ‘Behoud door herbestemming’. Hierbij moest recht worden gedaan aan het karakter van het fort, het moest een aanvulling zijn op al bestaande voorzieningen in de omgeving en toegankelijk worden gemaakt voor het publiek. Op het terrein moest een theehuis met minicamping en/of herberg gerealiseerd worden. De locatie aan de Vecht en de ligging aan routes voor langzaam verkeer maken het fort aantrekkelijk voor fietsers en wandelaars. Bovendien zou het fort ook de rol van openbaar park kunnen vervullen voor de aangrenzende wijken Overvecht en Zuilen. De opzet was als volgt: de gemeente financiert de noodzakelijke casco-restauratie, waarna de exploitant de ingrepen voor de herbestemming bekostigt. In 2001 werden potentiële exploitanten benaderd. Joost Batelaan werd gekozen als een geschikte uitbater. Pas in 2004 kreeg de

Samenvatting Sinds een aantal jaren wordt er hard gewerkt aan een goed en samenhangend uitvoeringsprogramma voor het nationaal project Nieuwe Hollandse Waterlinie. Aan de hand van drie uitvoeringsopgaven gaat dit artikel nader in op de grenzen van de huidige uitvoeringspraktijk en maakt duidelijk dat verdere kennisontwikkeling, -uitwisseling en -toepassing zich niet alleen concentreert op het gebied van technische (restauratie)vraagstukken, maar ook op procesvraagstukken en op sociale en maatschappelijke kennisvragen.


VITRUVIUS

NUMMER 8

18

JULI 2009

gemeente de financiering bij de provincie Utrecht, het Rijk en de Europese Unie rond. Aan de Europese subsidie was een Europees project gekoppeld: Crossing the Lines. Het resultaat van dit Europese project was behalve een geldbedrag ook een uitwisseling van technische kennis over de restauratie van forten. Gelijktijdig met de selectie van de exploitant werd gestart met de restauratie van het wachthuis en de loodsen. Het grootste struikelblok bij de restauratie was het wachthuis. Dit bouwwerk was oorspronkelijk opgetrokken uit metselwerk, waar later een schil van gewapend beton omheen was aangebracht. Een extern bureau dat onderzoek deed naar reparatiemogelijkheden, stelde voor verwijdingen aan te brengen in de betonschillen en die vervolgens op te vullen met een flexibel materiaal. De spanning in de betonschil wordt nu geleid en veroorzaakt geen scheuren meer. De begane grond van het wachthuis en de loodsen zouden in dienst staan van de nieuwe functie van het fort: recreatie- en horecaruimte. Het wachthuis als theehuis werd het centrale punt op het terrein. De drie houten loodsen kregen de bestemming van slaap- en recreatieruimte. In totaal zijn er 48 slaapplaatsen, twee grote vergader-/recreatieruimten, een grote keuken en twee kleine keukens. Voor de metalen loods is nog geen definitief plan opgesteld. De kelder van het wachthuis bleef echter het territorium van de oude bewoners, de vleermuizen. In deze ruimte had zich een perfect klimaat voor deze nachtdieren ontwikkeld en besloten werd dit te behouden. Op 13 juli 2007, tien jaar na de aankoop van het fort door de gemeente Utrecht, opende Fort aan de Klop zijn deuren. Na een kleine tweehonderd jaar is het terrein openbaar toegankelijk. In het eerste seizoen bezochten enkele kampeerders, een aantal overnachtende groepen, veel vergadertijgers en talrijke koffie en thee drinkende buurtbewoners het fort. Het bomvrije theehuis blijkt een schot in de roos. Al lange tijd ontbrak in de naburige wijken een horecagelegenheid in het groen en met een ruim terras. GEDEKTE GEMEENSCHAPSWEG

De Gedekte Gemeenschapsweg was een beveiligde weg langs het inundatiekanaal HonswijkSchalkwijkse Wetering. Het vormde een veilige verbinding tussen Fort Honswijk, lunet De Snel en het Werk aan de Korte Uitweg. Het plan voor de restauratie van de Gedekte Gemeenschapsweg werd zo’n anderhalf jaar geleden geboren in de gebiedsgerichte project-

C U LT U U R L A N D S C H A P

3 – LINGEKWARTIER - INUNDATIEKOMMEN DUURZAME OPENHEID VAN DE INUNDATIEKOMMEN EN DE SCHOOTSVELDEN VAN DE FORTEN IS VAN BELANG VOOR BELEVING VAN DE NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE. TEN OOSTEN VAN DE HOOFDVERDEDIGINGSLIJN WORDT EEN WATERRIJKE NATUURZONE AANGELEGD. DIEPER IN DE KOMMEN VORMT DE HISTORISCHE OPBOUW VAN KADEN, POLDERS EN BOEZEMS DE BASIS VOOR HET TOEKOMSTIG LANDSCHAP. B E E L D : D LG , A R N H E M

envelop Linieland. Met dit plan komen er betere recreatiemogelijkheden en wordt de relatie tussen gebouwde Linie en omliggend landschap heel zichtbaar en beleefbaar voor publiek. Het bleek voor de aannemer een hele kunst om de strakke lijnen en scherpe hoeken in de grondlichamen precies aan te brengen. Nu heeft de weg weer precies hetzelfde aanzien als op foto’s uit de jaren zeventig van de negentiende eeuw, toen het werd gebouwd. Dat aanzien was het uitgangspunt bij de restauratie. Deze keuze voor dit historische tijdstip is door de ontwerpers pragmatisch gekozen: ze zijn uitgegaan van de beginperiode, maar hebben latere toevoegingen wel gerespecteerd. Dat wil zeggen: er is zoveel mogelijk de oorspronkelijke besteksituatie gevolgd. Daardoor zijn later aangebrachte betonnen munitienissen vrij in het veld of op de walgang komen te staan. De betonnen schuilplaats uit 1918, die als een van de eerste prefab betonnen constructies van Nederland wordt beschouwd, is overkapt met een stalen dak waaraan een picknickplek is bevestigd. Een eind verder, richting Werk aan de Korte Uitweg, is een 2,5 meter brede coupure in de dijk gemaakt, van waaruit een klein natuurgebied aan het inundatiekanaal kan worden betreden. In de coupure zijn tekens aangebracht die te maken hebben met de bouwge-

schiedenis. Door dit project zal er meer aandacht op dit deel van de Waterlinie komen te liggen. Er zullen geen duizenden bezoekers per dag op afkomen, dat zou zelfs niet wenselijk zijn. Maar een toename van het aantal wandelaars en fietsers wordt wel verwacht, zeker als straks in het weekeinde de pont naar Fort Everdingen aan de overkant gaat varen. Dan kunnen bezoekers met eigen ogen zien dat Houten meer is dan alleen een groeigemeente. LINGEKWARTIER

Op 23 november 2007 werd op Fort Asperen de intentieovereenkomst Lingekwartier ondertekend. Het was het einde van de eerste fase van een gebiedsgerichte aanpak rond de forten langs de Linge. Onderdeel van het 300 hectare grote terrein zijn twee forten, Fort Asperen en Fort Nieuwe Steeg. Daarnaast zijn er tal van waterstaatkundige werken die deel uitmaken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het doel is om de weerbaarheid van het gebied te versterken tegen toekomstige bedreigingen van bijvoorbeeld woningbouw en bedrijventerreinen. Niet dat die bedreiging op dit moment erg acuut is, maar de ‘rook van de Randstad’ die hier duidelijk aanwezig is, kan zoiets van de ene op de andere dag laten veranderen. Door voor een samenhangende aanpak te kiezen, en dus niet voor de ontwikkeling van een


19

4 – INGANG FORT NIEUWE STEEG (GEOFORT)

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

BEELD: BUREAU SLA

enkel fort of een afzonderlijk fietspad, en oog te hebben voor marktkansen en economische vitaliteit wordt bijgedragen aan de onaantastbaarheid en kwaliteit van het gebied. Het schetsontwerp voor het Lingekwartier, opgesteld door architect Peter van Assche van het bureau SLA, baseert zich op de oude Kringenwet, die de bebouwing in kringen rond de forten aan banden legde. In de binnenste ring tussen de twee forten wordt in fasen een ‘waterlinielandschap’ aangelegd, nieuwe bebouwing wordt hier niet aangemoedigd. De buitenste kring kent een mindere mate van regie. In de plannen van het Lingekwartier staan beide forten, als meest in het oog springende objecten, centraal. Fort Asperen staat bekend als cultuurfort. Zo organiseerde de Britse kunstenaar Peter Greenaway er in 2006 de tentoonstelling ‘Flood Warning’. Daarnaast krijgt Fort Nieuwe Steeg binnen het plan voor het eerst een publieke functie. Het wordt een zogeheten ‘Geofort’ met een belevingscentrum op het terrein van kaarten en navigatie. Dit zou kunnen gaan over de atlas van Blaauw tot aan navigatiesystemen zoals Tomtom. De beide forten zouden ‘magneten’ voor de ontwikkeling van het gebied moeten worden. Hierbij wordt ook gedacht aan een veerverbinding tussen de twee verdedigingswerken. Om het Lingekwartierproject te laten slagen, is het van essentieel belang dat de verschillende partijen met elkaar willen samenwerken. Hierbij spelen de Provincie Gelderland, de gemeenten Lingewaal en Geldermalsen, Waterschap Rivierenland, Dienst Landelijk Gebied en grondeigenaar Staatsbosbeheer een belangrijke rol.

Nieuwe kennisvragen De drie hierboven beschreven cases laten zien dat er op verschillende schaalniveaus en met verschillende intenties projecten worden uitgevoerd binnen het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Elk van de projecten heeft op haar eigen manier voor succes gezorgd. Zo heeft Fort aan de Klop voor een verhoging van de publieke toegankelijkheid van de omliggende wijk gezorgd, zorgt de restauratie van de Gedekte Gemeenschapsweg voor een betere zichtbaarheid van dit stukje Waterlinie en in het Lingekwartier blijft de openheid van het Lingegebied gewaarborgd. Toch is het veel te vroeg om te roepen dat we er al zijn. Deze projecten geven namelijk ook aan dat de huidige uitvoeringspraktijk haar grenzen kent. Er blijven namelijk een heleboel vragen onbeantwoord. Deze vragen kunnen we onderverdelen in technische kennisvragen en in sociale en procesmatige kennisvragen. Hieronder lichten we dit kort toe. Tot nu toe is er creatief omgegaan met het zoeken naar technische oplossingen, maar in veel gevallen hebben ze een projectspecifiek karakter. Zo heeft Fort aan de Klop een goede oplossing gezocht voor de overwintering van vleermuizen. Naast menselijke activiteiten is er gezocht naar ruimte voor deze beschermde diersoort. Dit gaat echter niet overal zo harmonisch. De flora en faunawet en het bijbehorende vleermuizenvraagstuk vraagt om een bundeling van kennis op dit vlak. Deze zal niet alleen in Nederland, maar ook elders in Europa moeten worden gevonden. Op dit moment wordt er een Europese conferentie voorbereid, waar deze problematiek aan bod komt. Ecologie is niet alleen vanuit de optiek van wetgeving een belangrijk vraagstuk, maar

ook wanneer het gaat om de historische waarde ervan. We weten nog te weinig van de oorspronkelijke beplantingsplannen rondom de forten. Als we dit al wel weten vraagt dit om een afweging, hoe hier mee om te gaan bij restauratie. Fort aan de Klop en de Gedekte Gemeenschapsweg leren ons dat nieuwe vormen van gebruik van de Waterlinie ook vragen om nieuwe innovatieve bouwmethoden. De hier opgedane kennis is slechts een begin. De bouwvraagstukken in en rond forten zijn heel specifiek en er zal dus van geval tot geval naar innovatieve oplossingen gezocht moeten worden. Naast een blijvende zoektocht naar technische innovaties gaat het daarbij ook om de ‘juiste’ historische afweging: welke periode zal tijdens de restauratie teruggebracht moeten worden? Wanneer we het hebben over ontwerpkwaliteit, kunnen we zeggen dat in de hierboven besproken projecten een grote rol voor de ontwerper is weggelegd. We kunnen ons echter afvragen of dit besef van ‘ontwerpen met geschiedenis’ reeds toegepast wordt binnen het gehéle gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In hoeverre kan er gewerkt worden volgens de principes van de gezamenlijk vastgestelde Leidraad Plankwaliteit? Deze leidraad zou uitvoerders handvatten moeten bieden voor een cultuurhistorische basisontwerpkwaliteit. Een belangrijke rol is hierbij weggelegd voor het Atelier van Rijksbouwmeester en het Kwaliteitsteam Nieuwe Hollandse Waterlinie, die de leidraad opstelde. Het project Lingekwartier, maar ook de andere twee projecten, leert ons dat een proces, waarin samenwerking en afstemming tussen verschillende partijen goed kunnen gedijen,


VITRUVIUS

NUMMER 8

20

JULI 2009

C U LT U U R L A N D S C H A P

5 – DE EERSTE BIJEENKOMST MET CREATIEVE ONDERNEMERS IN DE NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE MAAKTE VEEL ENTHOUSIASME LOS. HIER TIJDENS BEZOEK AAN WERK IV IN BUSSUM. FOTO : N I C O W. M . VA N G A N Z E W I N K E L

6 – BUNKER IN HET LANDSCHAP. WELKE PERSOONLIJKE VERHALEN HOREN DAARBIJ? FOTO: ROB ZAKEE

essentieel is voor succesvolle uitvoering. Hierbij gaat het niet alleen om het ontwikkelen van bestuurlijk draagvlak, maar juist ook om draagvlak onder bewoners en ondernemers en andere bij het gebied betrokkenen. Vooral deze vorm van draagvlak wordt vaak vergeten, of krijgt pas heel laat in het planproces aandacht. Door het verhaal van de Waterlinie beter en aantrekkelijker te vertellen kan betrokkenheid worden gegenereerd. Hoe kunnen bijvoorbeeld oral history en persoonlijke verhalen benut worden om de betrokkenheid van bewoners bij nieuwe ontwikkelingen in de Waterlinie te vergroten? Uiteindelijk zullen we met nieuwe ideeën moeten komen om mensen te gaan binden aan de Waterlinie. Bijvoorbeeld door ondernemers te stimuleren producten te ontwikkelen die geassocieerd worden met dit cultuurhistorische verhaal, zodat ze met elkaar willen samenwerken vanuit het besef dat de Waterlinie een unique selling point kan zijn en daarmee economisch kan concurreren met omliggende landschappen. Maar het gaat niet alleen om de toeristische sector. Er liggen ook veel kansen voor ondernemers in de culturele sector: van podiumkunsten tot arts & craft. Deze culturele sector kan een zeer goede bijdrage leveren aan het binden van mensen aan de Waterlinie. Naast de ondernemers zijn ook andere maatschappelijke sectoren bij de Waterlinie betrokken. Denk hierbij aan de Stichting Herstelling, die ontspoorde

jongeren weer op het rechte pad helpt. Ze leren vaardigheden door op verschillende forten mee te helpen met de restauratie ervan. Dit is een voorbeeld waarbij jongerenopbouwwerk, maatschappelijke re-integratie en cultuurhistorie fantastisch kunnen samengaan. Zou de Waterlinie dit soort allianties niet ook kunnen opzetten ten behoeve van bijvoorbeeld de integratie van nieuwe Nederlanders of de gezondheidszorg? Allemaal verbindingen die uiteindelijk kunnen leiden tot een grotere maatschappelijke betekenis van cultuurhistorie. Bij de sociale en maatschappelijke kennisvragen gaat het dus om de vraag: op welke wijze kunnen we een mentale verandering in de hoofden van de mensen teweeg brengen? Deze omslag zal uiteindelijk de belangrijkste succesfactor worden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Want al stoppen we nóg zo veel geld in de ontwikkeling van het fysieke landschap, als de mensen het verhaal van de Waterlinie niet gaan herkennen, zullen alle inspanningen voor niets zijn.

Conclusie De eerste successen van de uitvoering van het project Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn zichtbaar geworden en er vindt nu een confrontatie plaats met de weerbarstige uitvoeringspraktijk. Het Projectbureau Nieuwe Hollandse Waterlinie constateert zelf dat zij niet alle antwoorden klaar heeft liggen. Zij moet hierdoor op zoek naar wegen om de partners in de uitvoering te ondersteunen met kennisontwik-

keling en – vooral – uitwisseling en toepassing op zowel technische (restauratie)vraagstukken, procesvraagstukken, maatschappelijke en sociale vraagstukken. Dit brede palet aan vragen, vraagt ook om een breed palet aan beantwoorders ervan. Het zal dan ook aan het Projectbureau en de vele andere partners zijn om nieuwe en onverwachte allianties te sluiten met partijen die kunnen helpen deze vragen op te lossen.

Literatuur – Panorama Krayenhoff, Linieperspectief. Stuurgroep Nationaal Project NHW, Utrecht (2004). – Sterk Water, de Hollandse waterlinie. Chris Will, Utrecht (2002). – Advies Kwaliteitsteam aan Liniecommissie over adressering enveloppen. Utrecht (2005). – Uitvoeringsprogramma NHW. Projectbureau NHW, Utrecht (mei 2006). – Lingekwartier - samenhang forten en omgeving, Bert Bukman. In: Monumenten, jaargang 29 nr. 1/2 januari/februari 2008. – Waterlijn nr 24, september 2008. Nieuwsbrief van het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie. – Een kloppend hart voor de buurt de herontwikkeling van Fort Aan de Klop. Steenhuis stedebouw/landschap, 2008. – De Hollandse Waterlinie- van concept naar uitvoering. In: Topos mei 2006, Wageningen. 


RECENT

21

VERSCHENEN

Details Gebonden, 640 pagina’s, geheel full colour, ISBN 978-90-5294-426-5.

Prijs € 29,55

Groningen Stad en Ommeland Auteurs Marina van der Ploeg Albert Buursma Uitgave Uitgeverij Profiel

Groningers zijn trots op hun Groningerland. Aan dorpen, buurten en steden met een boeiend cultuurhistorisch verleden geen gebrek. Een verzamelwerk over Groningen was er echter nog niet. Voor Uitgeverij Profiel in Bedum genoeg reden om hiertoe het initiatief te nemen. In het voorjaar van 2008 gingen auteurs en fotograaf op pad met als doel het ‘hart’ van elke Groninger plaats te raken en een treffend (sfeer)beeld vast te leggen. En dat is hen gelukt. Het boek Groningen Stad en Ommeland werd een boek boordevol informatie en heel veel mooie foto’s. De auteurs, Marina van der Ploeg

Het Rijk heeft twintig gebieden benoemd tot Nationaal Landschap, juist omdat ze zo bijzonder zijn. Vaak ook zijn ze onbekend: ooit in Arkemheen geweest? Of in Humsterland? Wel eens een vliedberg beklommen? De krijt-rotsen van Dover kennen we allemaal, maar de Rode Klif van Warns?

VITRUVIUS

boek bevat meer dan 1500 prachtige foto’s, exclusief voor dit project gemaakt door Willem Friedrich (Winschoten), sinds 1976 enthousiast fotograaf van het Groninger landschap. Groningen heeft veel moois te bieden. Zowel voor de (voormalige) inwoners zelf, als voor de bezoeker is dit boek een buitenkans om Groningen te (her)ontdekken en beter te leren kennen.

Stuk voor stuk zijn de Nationale Landschappen een bezoek waard. Je kunt er heerlijk wandelen of fietsen, een fort bezoeken of een vaartocht maken. En in plaats van een dagje uit kun je er ook goed

een paar dagen, een week of nog langer doorbrengen: overnachten bij de boer, soms kamperend, soms onder het (rieten) dak van de boerderij. Maak kennis met de onvervalste Nederlandse diversiteit!

BIJ DE RODE KLIF: HET MONUMENT VOOR DE BEROEMDE SLAG BIJ WARNS

Auteurs Ilona Donkervoort, Querite Flury Uitgave Uitgeverij Kosmos Details Gebonden, 176 pagina’s, volledig in full colour, ISBN 978-90-2154-055-9

Prijs € 19,95

JULI 2009

en Albert Buursma, beiden historicus, beschrijven ruim vierhonderd plaatsen en streken, elk met hun eigen karakteristieke kenmerken. Zo is er aandacht voor o.a. de betekenis van de plaatsnaam, belangrijke gebeurtenissen in de loop der eeuwen, opvallende personen, bezienswaardige historische plekken, bijzondere landschappen en allerlei andere wetenswaardigheden. Het

EEN OP EEN VLIEDBERG GERECONSTRUEERD MOTTEKASTEEL.

20 Nationale Landschappen

NUMMER 8


RECENT

22

VERSCHENEN

Walburg Pers Details Genaaid gebrocheerd, 352 pagina’s, 15 x 23 cm, geïllustreerd in zw/w, ISBN 978-90-5730-633-4.

Prijs € 29,50

Het Horus Enigma Auteurs Wim Zitman Uitgave Uitgeversmaatschappij

Heiligdom Sint Gerlach Auteurs Piet Mertens e.a. (red.) Uitgave Uitgeverij Vantilt Details Paperback 176 pagina’s 21,5 x 27 cm ISBN 978-94-6004-023-8

Prijs € 24,50

De Egyptenaren waren de ontdekkers van de kalender; de meest fundamentele en praktische toepassing van astronomie, door middel van observatie en vaststelling van de lengte van het Zonnejaar. Deze wetenschap beoefenden zij minstens al in het vijfde millennium vóór Christus. In de afgelopen eeuw hebben

Wie de achttiende-eeuwse Sint-Gerlachuskerk in het Zuid-Limburgse Houthem betreedt, wordt overweldigd door illusionistische wand- en gewelfschilderingen in barokstijl, een unicum in Nederland. Ze zijn in frescotechniek uitgevoerd door de uit Regensburg (Beieren) afkomstige schilder Johann Adam Schöpff en vertellen het levensverhaal van Gerlach, die in de twaalfde eeuw op deze plek woonde. Gerlach was een ridder die zijn harnas verruilde voor het boetekleed en als kluizenaar in een holle eikenboom ging wonen. Hij stelde zijn leven in dienst van gebed en prediking. Al kort na zijn overlijden werd hij als heilige vereerd en in 1201 werd bij zijn graf een klooster gesticht. Er werden wonderen aan hem toegeschreven, zodat Houthem zich ontwikkelde tot een in de verre omstreken bekend bedevaartsoord. Tot op de dag van

egyptologen en astronomen die theorie echter pertinent van tafel geveegd. Waarom zouden de Egyptenaren de wetmatigheid van hemelse verschijnselen zoals de cycli van sterren, zon, maan en planeten willen vastleggen? En hoe zouden ze dat dan gedaan hebben? Welke barrières moesten zij daarvoor overwinnen? Volgens recente wetenschappers heeft de Egyptische sterrenkunde zelfs nooit bestaan. Maar hoe had onze beschaving eruit gezien zonder die oude Egyptenaren? Astronomie blijkt zelfs het centrale thema van de Egypt-

vandaag bezoeken pelgrims Gerlachs tombe, onder andere om er geneeskrachtig zand op te rapen ter bescherming van have en goed. In Heiligdom Sint Gerlach wordt de geschiedenis verteld van het kerkgebouw met de barokschilderingen die in 2008 in volle luister zijn hersteld. Ook wordt aandacht besteed aan het wonderlijke leven van Sint Gerlach, het ontstaan van zijn verering, de gebouwen van het vroegere klooster en de nieuw ingerichte schatkamer.

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

ische cultuur. Egyptenaren, die zichzelf zagen als zonen van Horus, ontwikkelden een alomvattend systeem: de kosmische orde, de samenhang tussen Hemel en Aarde. Wat boven is, is ook beneden. Egypte als spiegel van de kosmos. Ze brachten die samenhang zelfs letterlijk in beeld in het ontwerp van het Piramideveld. Maar ook in hun religie en tijdsbesef kwam die tot uitdrukking. Ze waren het eerste volk op aarde dat uren, dagen, maanden gebruikte en seizoenen en jaren kende. Een machtig geheim dat in dit boek wordt geopenbaard!


RECENT

23

VERSCHENEN

i.s.m. Museum Catharijneconvent, Utrecht Details Gebonden, 160 pagina’s, 23 x 28 cm, rijkelijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-400-8581-9

Prijs € 29,95

Beeldschone boeken – De Middeleeuwen in Goud en Inkt Uitgave Waanders Uitgevers

Prachtige minuscule details, flonkerend bladgoud en schitterend kleurgebruik: het zijn de kenmerken van de middeleeuwse manuscripten. In de Middeleeuwen vormde de stad Utrecht als bisschopszetel hét centrum op het gebied van

Details Gebonden (hardcover), 176 pagina’s, 29,4 x 21 cm, geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-5662-648-8

Prijs € 34,50

De Collectie bijzondere stationsgebouwen in Nederland Uitgave Nai Uitgevers i.s.m. Bureau Spoorbouwmeester

De Nederlandse Spoorwegen ontwikkelden zich na de Tweede Wereldoorlog op architectuurgebied tot een van de meest vooruitstrevende en productieve opdrachtgevers van ons land. De stations die sinds 1945 zijn gebouwd, vormen samen met de vooroorlogse stationsgebouwen een gelijk-

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

cultuur, politiek en religie in de Noordelijke Nederlanden. De kostbare en rijk versierde manuscripten die in deze periode tot stand kwamen, zijn een absoluut hoogtepunt binnen de beeldende kunst. De aanwezigheid van kapitaalkrachtige geestelijken, invloedrijke adel en welgestelde burgers vormde een vruchtbare voedingsbodem voor de ontwikkeling van een invloedrijke kunstproductie. De beeldschone boeken werden in Utrecht gemaakt of hebben een bijzondere relatie met deze stad. De vervaardigers van Utrechtse manuscripten genoten een grote faam die tot ver buiten de regio en zelfs buiten de

landsgrenzen reikte. Utrecht veroverde hierdoor een belangrijke internationale positie op het gebied van de handschriftenproductie en de vroege boekdrukkunst. Verschillende externe specialisten op het gebied van manuscripten zijn bij dit boek betrokken en een nieuw standaardwerk over middeleeuwse manuscripten uit Utrecht komt hiermee tot stand. Nooit eerder is een volledige publicatie gewijd aan de Utrechtse boekproductie. De publicatie heeft een wetenschappelijk karakter, maar is goed toegankelijk voor een breed publiek.

matig over Nederland verspreide architectuurcollectie.

zijn om te behouden.

De vijftig stations die in dit boek zijn opgenomen, vormen samen De Collectie, een door de spoorsector benoemde verzameling die een representatief beeld geeft van het gebouwen bezit van de Nederlandse Spoorwegen en ProRail. Het gaat om bijzondere gebouwen die een hedendaagse cultuurhistorische visie vertegenwoordigen en die stuk voor stuk architectonisch unieke, maar ook representatieve eigenschappen hebben gebouwen die de moeite waard

Rob ’t Hart fotografeerde speciaal voor dit boek de vijftig stations. Crimson Architectural Historians en Urban Fabric gaan in op het ontstaan en de historische achtergronden van De Collectie bijzondere stationsgebouwen in Nederland, en beschrijven de architectonische bijzonderheden van de afzonderlijke stations.

DIVERSITEIT AAN NEDERLANDSE STATIONS: ALMERE, LEEUWARDEN EN MAASTRICHT.


VITRUVIUS

NUMMER 8

RCHEOLOGIE

JULI 2009

E.M. THEUNISSEN SENIOR ONDERZOEKER, RIJKSDIENST VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D

A. MÜLLER V E L DA R C H E O LO O G , R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D

Luchtfoto's zijn sinds jaar en dag een belangrijke bron voor het opsporen van archeologische verschijnselen. De intensiviteit in het toepassen ervan als karteringsmethode wisselt, maar met de opkomst van andere vormen van remote sensing, zoals de gedetailleerde reliëfkaarten (AHN) en satellietopnames, komt ook luchtfotografie weer wat meer in beeld. In deze bijdrage worden de voorlopige resultaten van een waarderend onderzoek naar recent ontdekte cirkels in de polders bij Kloosterzande toegelicht.

E E N FA S C I N E R E N D E PA R A D OX

Cirkels in het land van Kloosterzande uchtfoto’s, satellietbeelden, AHN en andere remote sensing technieken in geo-archeologisch onderzoek, dat was het onderwerp van discussie van een vijftigtal ‘bevlogen’ archeologen op vrijdag 24 april van dit jaar. DECARS (Dutch Expertise Centre for Archaeological Remote Sensing) organiseerde naar eigen zeggen het eerste symposium over dit onderwerp.1 De opkomst was gevarieerd: de deelnemers kwamen vanuit verschillende organisaties, van universiteiten, het bedrijfsleven en (semi-)overheden. De discussie was geanimeerd en werd tweetalig gevoerd. Dit jong initiatief, ontsproten vanuit het Instituut voor Geo- en Bioarcheologie (IGBA ) van de Vrije Universiteit Amsterdam, wil graag een kennisplatform creëren voor gebruikers van non-destructieve methoden. Zowel digitaal – in de vorm van een website – als meer fysiek, zoals het organiseren van een symposium, met verwachte en onverwachte ontmoetingen, waarbij ervaringsdeskundigen kennis delen en elkaar inspireren. Ook de eerste voorzichtige stappen tot een opleidingsvariant in de archeologische remote sensing zijn dit jaar gezet.

L

Archeologische remote sensing – non-destructieve aardobservatietechnieken – wordt steeds vaker in Nederland toegepast, zowel op het land als onder water.2 Zo heeft de toepassing van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN ) een hoge vlucht genomen en duidelijk een plaats verworven binnen het archeologisch vooronderzoek. Kijkend naar de ons omringende landen is de stand van kennis voor andere methoden dan LIDAR (waar de AHN ondervalt) minder goed ontwikkeld.3 Tijdens

1 – LOCATIEKAART KLOOSTERZANDE. HET GEBIED WAAR DE CIRCULAIRE STRUCTUREN IN DE GEWASSEN ZIJN WAARGENOMEN, BEVINDT ZICH TEN NOORDEN VAN KLOOSTERZANDE.

R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L

E R FG O E D , A M E R S FO O R T

het symposium was de prominente vertegenwoordiging van onze Vlaamse collega’s opvallend. Drie jonge onderzoekers presenteerden indrukwekkende resultaten van verschillende case studies in Turkije, Egypte, Italië, Rusland (Altaj) en Vlaanderen, waarbij de waarde van onder meer satellietbeelden, gecombineerd met GPS, en historische foto’s als kennisbron duidelijk werd. Ook op het gebied van de ‘ouderwetse’ luchtfotografie zijn in Nederland nieuwe ontwikkelingen gaande. Zo wordt het uitgebreide luchtfotoarchief van het AAC (het resultaat van de systematische fotoverkenningsvluchten in NoordHolland door W. Metz) gedigitaliseerd en het komt op termijn voor een ieder beschikbaar. Behalve dat het geheel aan luchtfoto’s een waardevolle fundgrube is, voor bijvoorbeeld het bronstijdonderzoek dat vandaag de dag in West-Friesland plaatsvindt, zijn vooral de oude RAF -foto's aansprekende beelden voor de lokale bewoners. Het georefereren van de foto’s zou een mooie volgende stap in de toe-

komst zijn, net als een koppeling aan Archis. Voor Zeeuws-Vlaanderen geldt dat recent gemaakte luchtfoto’s verrassende zaken aan het licht hebben gebracht. Zo tekenden zich in de gewassen ten zuiden van Axel de sporen van een middeleeuws klooster af. Iets noordelijker, in de Noordhof- en Mariapolder bij Kloosterzande, waren het cirkels die als cropmarks werden ontdekt.4 In deze bijdrage staat de waardering van deze circulaire structuren centraal.5

Graven is weten In de vrieskou van januari 2009 voerde de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (destijds RACM ) in de percelen ten noorden en zuiden van de Drogendijk bij Kloosterzande (gemeente Hulst) een tweewekendurend onderzoek uit (figuur 1). De aanleiding voor dit veldwerk waren circulaire structuren die in de droge zomer van juli 2004 door historisch geograaf Adrie de Kraker per toeval waren ontdekt. De Kraker vloog over de polders bij Kloosterzande toen plotseling zijn aandacht


25

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

werd getrokken door duidelijke donkere banen in de gewassen onder hem (figuur 2). Aangenaam verrast, verkende hij in volgende droge zomermaanden van 2005 en 2008 vaker de bewuste percelen (figuur 3) Gaandeweg ontdekte hij, naast grillig kronkelende lijnen en lineaire structuren, steeds meer cirkels in het land. Voorlopig staat de tellerstand op 27. Op grond van de overeenkomst in vorm, grootte en wijze van aftekening in de gewassen met de circulaire structuren die in Oost- en WestVlaanderen zijn ontdekt, was de eerste gedachte dat de Zeeuwse cirkels overblijfselen zijn van grafmonumenten, meer specifiek van grafheuvels uit de bronstijd.6 Dat zou voor Zeeuwse begrippen een bijzondere categorie archeologisch erfgoed betekenen. Om een beter beeld te krijgen van de cirkels in de landschappelijke context is dan ook een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Het gaat daarbij om enerzijds een waardering van de aanwezige greppelstructuren (dat wil zeggen, niet alleen de cirkelvormige maar ook de lijnelementen), waarbij de inhoudelijke en fysieke kwaliteit (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering) wordt vastgesteld. Anderzijds zou het onderzoek een beter inzicht in de landschappelijke genese van het bodemmilieu opleveren. Mocht het inderdaad om een bijzondere categorie archeologisch erfgoed gaan, dan is het einddoel de percelen met de cirkels op een duurzame wijze te behouden.

2 – LUCHTFOTO VAN CIRCULAIRE STRUCTUREN BIJ KLOOSTERZANDE IN 2005

A. DE KRAKER (IGBA/VU AMSTERDAM)

Cirkels, rijkelijk verstrooid over Noordwest-Europa Circulaire verkleuringen die als cropmarks in gewassen aftekenen, zijn geen ongewoon verschijnsel in Noordwest-Europa: luchtfotografische verkenningen hebben de afgelopen twintig jaar vele circulaire structuren aan het licht gebracht. Zo zijn net over de grens van Zeeuws-Vlaanderen, in het Belgische Oost- en West-Vlaanderen, een kleine duizend cirkels bekend.7 Maar ook bezien op een grotere schaal komen circulaire structuren wijdverspreid voor: ze lijken uitgestrooid over de velden van het Engelse Kent en NoordwestFrankrijk. In totaal gaat het om een kleine drieduizend cirkels.8 De afgelopen paar jaar heeft de universiteit van Gent een aantal bekende cirkels in het veld met opgravingssleuven onderzocht. De vindplaatsen van Oedelem-Wulfsberge en Waardamme-Vijvers leverden restanten van grafmonumenten uit de bronstijd op.9 Uit dit onderzoek is duidelijk geworden dat de cropmarks in de gewassen zijn veroorzaakt door cirkelvormige greppelvullingen in de ondergrond. Deze kringgreppels omringden de heuvellichamen van grafmonumenten uit de late

3 – LUCHTFOTO VAN CIRCULAIRE STRUCTUREN BIJ KLOOSTERZANDE IN 2008. OOK TIJDENS DE DROGE ZOMER VORIG JAAR WAREN IN DE GEWASSEN CIRKELS ZICHTBAAR.

A . D E K R A K E R ( I G B A / V U A M S T E R DA M )

Samenvatting Gedurende twee winterweken in 2009 voerde de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een waarderend onderzoek uit naar circulaire greppelstructuren die zich als cropmarks in percelen ten noorden van Kloosterzande zich aftekenen. De Zeeuwse cirkels lijken op overblijfselen uit de late prehistorie, maar ze liggen in een landschap dat veel jonger zou zijn. Het ontrafelen van deze paradox is een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek. Ofschoon de uitkomsten van het specialistisch onderzoek nog niet voor handen zijn, wordt in deze bijdrage ingegaan op de eerste bevindingen in het veld. De greppels die bij het proefsleuvenonderzoek zijn aangesneden, zijn onmiskenbaar door mensenhand gegraven.


VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

prehistorie, meestal uit de bronstijd. De heuvellichamen zelf zijn volledig verdwenen, waarschijnlijk geëgaliseerd gedurende Middeleeuwen, maar soms bevinden zich in het omgeven deel opgevulde graafgangen, sporen van een dassenburcht, die een indirecte aanwijzing is voor de aanwezigheid van een heuvellichaam. Een ander kenmerk van het Vlaamse cirkelonderzoek is dat begravingen – die in het centrum zijn te verwachten – zeer zeldzaam zijn en dat de vulling van de greppels vrijwel geen vondstmateriaal bevatten.

De Zeeuwse paradox Hoewel de Zeeuwse cirkels op het eerste gezicht sterk lijken op die meer zuidelijk gelegen circulaire structuren is er toch een duidelijk verschil; de onderliggende sedimenten en daarmee de ouderdom van de afzettingen is zeer verschillend. De Franse, Engelse en Belgische exemplaren zijn ingebed in een pleistocene ondergrond, terwijl de Zeeuwse

26

cirkels zich in een holocene afzetting bevinden. Alle 27 liggen verspreid in een gebied waar mariene geulafzettingen in de ondergrond aanwezig zijn. De pleistocene ondergrond ligt daar op 20 tot 25 meter onder het oppervlak. Geoloog Van Rummelen die het gebied in de jaren zestig karteerde, stelt dat deze sedimenten dateren uit de Vroege Middeleeuwen.10 Kort samengevat, enerzijds lijken de Zeeuwse cirkels op overblijfselen van grafheuvels uit de Bronstijd, maar anderzijds liggen ze in een landschap dat veel jonger zou zijn; er is een gat van 2000 jaar. Deze constatering kan twee zaken betekenen. In de eerste plaats houden we de mogelijkheid open dat de Zeeuwse cirkels veel jongere verschijnselen zijn, misschien daterend uit de late middeleeuwen of Nieuwe Tijd. Het kan gaan om restanten van drinkpoelen voor schapen (hollestelles of dobbes) of nog veel jonger – van bomkraters uit de Tweede Wereldoorlog. In de tweede plaats is het mogelijk dat de geologische interpretatie wat bijgesteld moet worden.

4 – HISTORISCHE KAART HATTINGA UIT 1770 S T I C H T I N G C U LT U R E E L E R FG O E D Z E E L A N D

ARCHEOLOGIE

Mogelijk zijn de mariene afzettingen toch ouder. Uit historisch-geografische onderzoek is duidelijk geworden dat het gebied aan het einde van de twaalfde eeuw is bedijkt en ontgonnen. Daarna is er nauwelijks sprake geweest van langdurige overstromingen van de Mariapolder en Noordhofpolder (figuur 4). In tegenstelling tot andere delen van Zeeuws-Vlaanderen die door stormvloed en militaire inundaties een hoge dynamiek hebben gekend, lijken de percelen aan de Drogendijk niet of nauwelijks aangetast.11 Dijkdoorbraken hebben er niet plaatsgevonden. De luchtfoto’s en de Actueel Hoogtebestand Nederland – waarop de cirkels niet te zien zijn – geven een beeld van een oud landschap dat door het dunne kleidek heen schemert. Vanuit deze paradox verrichtte de Rijksdienst eind januari een waardering, die uitging van twee perspectieven, die kortweg in een aantal vragen kan worden samengevat: - vanuit een archeologisch perspectief: waar zijn de cirkels de overblijfselen van, wat is de functie en datering? - vanuit een landschappelijk perspectief: wanneer is het landschap gevormd, hoe is het gebruikt, benut en ontgonnen?

Het stappenplan tot het veldwerk

5 – IN DE EERSTE WERKPUT KWAM DEZE CIRKELVORMIGE GREPPELVULLING VRIJ SNEL AAN SNEE. R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D , A M E R S FO O R T

Een van de eerste activiteiten die binnen het kader van dit onderzoek is uitgevoerd, is het creëren van een nauwkeurige overzichtkaart, die als basis voor de waardering kon dienen. De luchtfoto’s die alle oblique opnames waren, zijn gegeorefereerd en verankerd in een uitsnede van het gebied van de Grootschalige Basiskaart van Nederland (GBKN ). Dit is de meest gedetailleerde kaart (1:5000) die beschikbaar is. Met herkenbare locaties als referentiepunten zijn de foto’s aan de topografie gekoppeld. Op die manier zijn de structuren in de topografie geplaatst (weliswaar met een bepaalde marge en zekerheid) en is een zeer bruikbare overzichtskaart van de structuren beschikbaar gekomen. Dit GIS -bestand is overgedragen aan de geodeten van de Rijksdienst, die alle data integreerden in de meet- en veldapparatuur. Op die manier konden de cirkels in het veld worden uitgezet en wisten we waar we welke cirkel konden verwachten. Het gebied waar de cirkels zijn waargenomen, is namelijk zeer uitgestrekt. De cirkels zijn – staand op het maaiveld – niet zichtbaar. Ze zijn alleen vanuit de lucht waar te nemen als de hydrologische situatie gunstig is, met andere woorden, tijdens een droge zomer. Het traceren van cirkels in het vlakke Zeeuwse landschap is dan ook te er-


27

varen als het zoeken naar de spreekwoordelijke naald in een hooiberg. We groeven werkputten van zo’n 5 meter breed en in lengte variërend van 22 tot 145 meter. In totaal zijn er zes proefsleuven getrokken en is er ruim 3000 m2 opengelegd. In de eerste werkput sneden we vrij snel een cirkelvormige greppel aan die onmiskenbaar door de mens is gegraven. Deze ronde greppel, met een diameter van 10 meter, wordt doorsneden door smalle, lineaire greppels die wellicht zijn gegraven door de eerste ontginners in de twaalfde eeuw (figuur 5). De diepte van deze greppels is ongeveer 40 cm. Na nog een ronde structuur van 10 meter troffen we een vierkante greppel aan die heel duidelijk zichtbaar was op de luchtfoto, maar die door het georefereren meer een ronde vorm had gekregen. Deze vervorming treedt op wanneer luchtfoto’s worden uitgerekt om te worden gekoppeld aan de topografie. Gegeorefereerde luchtfoto’s zijn te vergelijken met uitgetrokken rubberen oppervlaktes, waarbij vertekening en afwijking optreden. In de werkput was de rechthoekige structuur onmiskenbaar vierkant. De greppel tekende zich duidelijk af en had een onderbreking in het oosten (figuur 6). Wanneer de digitale cirkels worden vergeleken met de antropogene structuren in het vlak kan de mate van afwijking worden berekend. Voor de percelen ten noorden van de Drogendijk was dat 5,5 meter. Voor de zuidelijke percelen bedroeg de afwijking aanzienlijk meer; ruim 13,5 meter. Naast duidelijke cirkels zijn er ook meer vage verschijnselen (anomalieën) in de sleuven aangesneden. Deze banaanvormige sporen tekenen zich niet duidelijk af op de luchtfoto's. In het vlak zijn deze banaanvormige sporen als natuurlijke verschijnselen ontmaskerd; het gaat om oranjegekleurde banen, met veel ijzerconcreties en kokkelschelpen, die duidelijk niet door de mens zijn gegraven. Zeer waarschijnlijk gaat het om vullingen van kleine kreken (figuur 7). De greppelvullingen van de antropogeen gegraven structuren zijn op een standaardwijze bemonsterd: de greppels zijn op een aantal plaatsen gecoupeerd, waarna uit de profielen monsters voor pollenmonsters zijn genomen. Daarnaast zijn monsters voor ouderdomsbepaling – C14-datering en OSL (Optical Stimulated Luminescence) – , schelpanalyse en slijpplaatonderzoek genomen (figuur 8).

Voorlopige resultaten Het waarderende onderzoek bij Kloosterzande heeft een aantal verrassende resultaten opgeleverd. Naast circulaire structuren, kreek-

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

6 – OPVALLEND SCHERP TEKENT ZICH DE VIERKANTE STRUCTUUR ZICH IN DE MARIENE ONDERGROND ZICH AF. R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D , A M E R S FO O R T

7 – VAGE ANOMALIEËN ZIJN OOK GRAVENDERWIJS ONDERZOCHT: DEZE BANAANVORMIGE CROPMARKS OP DE LUCHTFOTO'S TEKENEN ZICH IN HET VLAK AF ALS ORANJEBRUINE BANEN, MET VEEL IJZERCONCRETIES EN KOKKELSCHELPEN. R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D , A M E R S FO O R T

8 – ZOWEL DE GREPPELS ZELF ALS DE ONDERGROND WAARIN ZE ZIJN INGEBED, ZIJN UITVOERIG BEMONSTERD. R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D , A M E R S FO O R T

vullingen en lineaire verkavelingsgreppels zijn sporen van recente bewoning ontdekt. De werkput die parallel net ten zuiden aan de Drogendijk is aangelegd, leverde sporen van boerenerf op (figuur 9). De gebouwen zijn verdwenen, maar ze zijn op de historische kaart van Hattinga uit 1770 nog duidelijk zichtbaar. Een meer recent verschijnsel, weliswaar vandaag de dag verdwenen, maar wel levend in de

herinnering van de wat oudere buurtbewoners, waren de resten van een kerkenpad dat vanaf de kerk van Kloosterzande in noordelijke richting liep. In totaal zijn dertien verschijnselen die op de luchtfoto’s zichtbaar zijn, aangesneden. Daarvan bleken er zes een antropogene oorsprong te hebben; vijf ronde en een vierkante struc-


VITRUVIUS

NUMMER 8

28

JULI 2009

tuur. Deze tekenen zich het meest duidelijk af. Ze hebben dezelfde vulling, kleiig en schoon: vondstmateriaal ontbreekt. De cirkelvormige greppels variëren in diameter van 10 tot 12 m, de vierkante structuur is wat kleiner, 7 bij 7 meter. Sporen van begravingen (restanten van urnen, verbrand bot of ingravingen), zijn niet vastgesteld, noch sporen van diergangen in het omgreppelde terrein. De schelpen geven aan dat het sediment een mariene oorsprong geeft: het is duidelijk dat de afzettingen geen pleistocene origine hebben. Maar hoe oud? Dat is de meest prangende vraag: wat is de ouderdom van deze greppels en van het sediment waar ze zijn ingegraven? Deze vragen zijn vooralsnog niet beantwoord. Daarvoor moeten eerst de resultaten van de dateringsmonstername beschikbaar zijn. Ofschoon sporen van begravingen niet zijn vastgesteld, doet de verschijningsvorm – het samengaan van circulaire greppelstructuren met een doorsnede van 10 tot 12 meter met een vierkante structuur met een opening in het oosten – onmiddellijk denken aan de overblijfselen zijn van een grafveld, uit de Romeinse tijd of misschien wat ouder, uit de MiddenIJzertijd. Als dat het geval is, dan moeten we concluderen dat dit deel van Zeeland aanzienlijk ouder is dan tot nu toe werd gedacht; de geologische ontwikkeling zou dan bijgesteld moeten worden. De ondergrond van dynamische

Zeeland – zelfs holocene delen – is kennelijk wat meer standvastig dan gedacht. Een andere informatiebron zijn de uitkomsten van het stuifmeelonderzoek dat binnenkort wordt opgestart. Afhankelijk van de hoeveelheid en conservering van het pollen is de verwachting dat we beter inzicht in de landschappelijke situering. Wellicht zijn er duidelijke aanwijzingen voor cultuurgewassen die in de directe nabijheid zijn verbouwd of opgetast. Net als voor het veldwerk geldt dat ook met het specialistisch onderzoek steeds meer tippen van de sluier over de Zeeuwse cirkels worden opgelicht. Niets is zeker, maar voor ons staat in ieder geval vast dat het mysterie van Kloosterzande een intrigerend onderzoek is, fascinerend en steeds meer vragen oproepend tot het einde. Zie ook www.decars.nl Sueur 2006; voor onderwatertechnieken als multibeam en sonar zie onder andere www.machuproject.eu 3 LIDAR staat voor LIght Detection And Ranging. Deze methode wordt ook wel aangeduid als laseraltimetrie. 4 De Kraker 2005, De Kraker et al. 2006. 5 De auteurs danken de eigenaren van de percelen de heren Goense en De Cock hartelijk voor de medewerking. Henk Weerts zijn wij zeer erkentelijk voor zijn kritische blik op een eerdere versie van dit artikel. 6 De Kraker et al. 2006. 7 Bourgeois & Semey 1993, Ampe et al. 1995, 1996; Bourgeois et al. 1998, 1999. 8 Hammond in voorbereiding. 9 Cherretté & Bourgeois 2003, Demeyere & Bourgeois 2005. 10 Van Rummelen 1965, Vos & Van Heeringen 1997. 11 De Kraker 1997; Brand 1993; Gottschalk 1984. 12 Dit deelproject is uitgevoerd door Steven Soetens, medewerker van IGBA (Soetens 2008). 1 2

Literatuur

9 – IN DE WERKPUT DIRECT TEN ZUIDEN VAN DE DROGENDIJK TROFFEN WE SPOREN AAN VAN EEN BOERENERF UIT DE LATE MIDDELEEUWEN. R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D , A M E R S FO O R T

– Ampe, C., J. Bourgeois, L. Fockedey, R. Langohr, M. Meganck & J. Semey, 1995: Cirkels in het land. Een inventaris van cirkelvormige structuren in de provincies Oosten West-Vlaanderen. Deel I, Gent. – Ampe, C. J. Bourgeois, Ph. Crombé, L. Fockedey, R. Langohr, M. Meganck, J. Semey, M. van Strydonck & K. Verlaeckt, 1996: The circular view. Aerial photography and the discovery of Bronze Age funerary monuments in East- en West-Flanders (Belgium), Germania 74, 45-94. – Bourgeois, J., M. Meganck & J. Semey, 1998: Cirkels in het land. Een inventaris van cirkelvormige structuren in de provincies Oosten West-Vlaanderen, Deel II, Gent.

ARCHEOLOGIE

– Bourgeois, J., M. Meganck, J. Semey & K. Verlaeckt, 1999: Cirkels in het land. Een inventaris van cirkelvormige structuren in de provincies Oost- en West-Vlaanderen, Deel III, Gent. – Bourgeois, J. & J. Semey, 1993: Kijken over de dijken, in: A.M.J. de Kraker, H. van Royen & E.E. De Smet (red.), Over den Vier Ambachten. 750 jaar Keure 500 jaar Graaf Jansdijk, Kloosterzande, 149-156. – Brand, K.J.J., 1993: De ontwikkeling van het polderlandschap in de vier ambachten en omringend gebied, in: A.M.J. de Kraker, H. van Royen & E.E. De Smet (red.), Over den Vier Ambachten. 750 jaar Keure 500 jaar Graaf Jansdijk, Kloosterzande, 41-60. – Cherretté, B. & J. Bourgeois, 2003: Oedelem-Wulfsberge 2002: grafmonumenten uit de brons- en ijzertijd (W.-Vl.), Lunula 11, 33-36. – Demeyere, F./J. Bourgeois, 2005: Noodopgraving te Waardamme (Oostkamp, West-Vlaanderen): grafheuvels uit de Bronstijd en een bewoning uit de vroege ijzertijd, Lunula 13, 25-30. – Gottschalk, M.K.E., 1984: De Vier Ambachten en het Land van Saaftinge in de Middeleeuwen, Assen. – Hammond, J. in voorbereiding: Spatial and chronological continuities of Bronze Age cemeteries of North western Europa (thesis). – Kraker, A.M.J. de, 1997: Landschap uit balans. De invloed van de natuur, de economie en de politiek op de ontwikkeling van het landschap in de Vier Ambachten en het Land van Saeftinghe tussen 1488 en 1609, Utrecht (proefschrift). – Kraker, A. M.J. de, 2005: Melding vindplaats circulaire vormen. Locatie: Drogendijk, gemeente Hulst (briefrapport dd. 29/9/2005). – Kraker, A. de, K.-J. Kerckhaert & A. Kattenberg, 2006: Prehistorische grafstructuren in de polders van Zeeuws-Vlaanderen, Archeobrief 10, 30-34. – Rummelen, F.F.F.M. van, 1965: Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1 : 50.000, bladen ZeeuwschVlaanderen West en Oost, Haarlem (Rijks Geologische Dienst) – Soetens, S., 2008: Technisch rapport georefereren cirkels in Kloosterzande (Gemeente Hulst), Amsterdam. – Sueur, C., 2006: Remote sensing voor archeologische prospectie en monitoring, Amsterdam (RAAP-rapport 1261). – Vos, P.C. & R.M. van Heeringen, 1997: Holocene geology and occupation history of the Province of Zeeland (SW Netherlands), in: M.M. Fischer (ed.), Mededelingen Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO nr. 59: Holocene evolution of Zeeland (SW Netherlands), Haarlem. 


29

M A A R TJ E D E B O E R PROJECTLEIDER ERFGOEDBALANS RIJKSDIENST VOOR HET CULTUREEL ERFGOED

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

In april is de Erfgoedbalans 2009 verschenen. De Erfgoedbalans beschrijft de stand van zaken ten aanzien van de archeologie, monumenten en het cultuurlandschap in Nederland. Deze publicatie is in opdracht van minister Plasterk van Cultuur door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed opgesteld. Het is voor het eerst dat een dergelijk nationaal overzicht van het onroerende erfgoed is gemaakt. Op termijn zal de scope worden uitgebreid en zal ook het roerende erfgoed in de balans worden betrokken. Dit zal in 2014 uitmonden in een gezamenlijke editie met het Instituut Collectie Nederland (ICN).

Erfgoed meetbaar maken n de Erfgoedbalans presenteren we feiten en gegevens over het erfgoed en kijken we hoe het er met het erfgoed voor staat. Aan bod komen de ‘voorraad’, de kennis over en de fysieke staat van het erfgoed, de ruimtelijke ontwikkelingen die daarop van invloed zijn, het erfgoedbeleid en de effecten ervan. Daarnaast diepen we ook diverse actuele thema’s uit, zoals enkele effecten van het Verdrag van Malta en de problematiek rond leegstand en herbestemming. Ter illustratie van het bereik van de balans is hier een selectie van uiteenlopende onderwerpen kort beschreven, voor een volledig overzicht verwijs ik u naar de Erfgoedbalans 2009.

I

Tussen 1987 en 2007 is het aantal gemeentelijke monumenten met een factor zes toegenomen (zie figuur 1). In sommige provincies zoals Gelderland en Noord-Brabant, staan inmiddels meer gemeentelijke dan rijksmonumenten. De verwachting is dat deze groei van het aantal gemeentelijke monumenten zal doorzetten. Bodemerosie vormt een directe bedreiging van archeologische resten en sporen (zie figuur 2). Door verlies van bodemmateriaal gaan archeologica direct verloren of komen

ze in het bereik van de ploeg. Iets meer dan 10% van de bekende archeologische terreinen ligt in gebieden waar erosiedreiging matig tot groot is. Uit studie blijkt dat het gros van deze terreinen beschadigd is, en enkele vrijwel volledig zijn vernietigd.

Provincie

De kennis over het historische cultuurlandschap is niet gelijk verdeeld over de verschillende landschappen en perioden (zie figuur 4). De bewonings- en ontginningsgeschiedenis van met name de jongere perioden zijn onderbelicht.

Rijksmonumenten 2007

Groningen

96

413

595

2.550

Friesland

0

80

526

4.185

Drenthe Overijssel

Zes procent van de rapportages van archeologisch onderzoek betreft opgravingen. Het aantal opgravingsrapporten per jaar is sinds 1997 vertienvoudigd tot ongeveer 100 in 2006 (zie figuur 3). Per archeoregio varieert het aantal van nul in de waterregio’s tot bijna 90 in het Utrechts-Gelderse rivierengebied en het Brabantse zandgebied. Verklaringen hiervoor liggen in de rijkdom aan archeologie, het aantal bodemverstoringen en de sturing door overheden.

Gemeentelijke monumenten 1987 1996 2007

0

244

270

1.290

254

1.660

2.798

3.949

Flevoland

0

0

44

75

Gelderland

1.562

6.221

9.894

5.922

Utrecht

1.201

3.037

5.456

5.247

Noord-Holland

1.675

2.286

5.640

13.953

Zuid-Holland

1.480

3.814

7.771

9.013

0

81

603

3.642

Noord-Brabant

466

4.279

7.315

5.835

Limburg

201

1.297

1.880

5.376

23.412 42.792

61.037

Zeeland

Totaal

6.935

1 - AANTAL GEMEENTELIJKE MONUMENTEN IN 1987, 1996 EN 2007, VERGELEKEN MET HET AANTAL RIJKSMONUMENTNUMMERS IN 2007. R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D

Met name grootschalige infrastructuur werkt – zowel visueel als fysiek – als barrière in het landschap. De impact van lokale wegen is

Samenvatting De Erfgoedbalans 2009 beschrijft de stand van zaken ten aanzien van archeologie, monumenten en cultuurlandschap in Nederland. Deze balans is, behalve voor de archeologie, een nulmeting. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed brengt iedere vijf jaar een nieuwe balans uit en ontwikkelt een zgn. ‘erfgoedmonitor’. Dit is een set van indicatoren waarmee een dataset wordt opgebouwd. Hiermee worden ontwikkelingen in de stand van zaken ten aanzien van het erfgoed zichtbaar gemaakt, maar ook de effecten van het erfgoedbeleid. De Rijksdienst geeft, samen met partners uit het erfgoedveld, de komende jaren verdere invulling aan dit instrument. Een eerste stap hiertoe is een evaluatie van de Erfgoedbalans 2009 aankomend najaar.

sterke erosiedreiging matige erosiedreiging 0

40km

2 - EROSIEDREIGING IN NEDERLAND R I J K S D I E N S T V O O R H E T C U LT U R E E L E R F G O E D


VITRUVIUS

NUMMER 8

30

JULI 2009

gedeeltelijk worden herbestemd, blijven de stedenbouwkundige structuur en het stads- of dorpsbeeld in hoofdlijnen wel gehandhaafd, maar de interieurwaarden meestal opgeofferd. Herbestemming kan een kans zijn om een buurt of wijk een nieuwe impuls te geven, bijvoorbeeld door er een nieuwe wijkgerichte sociale of culturele bestemming aan te geven.

beperkt, maar de aanleg van spoorwegen en autosnelwegen leidt tot doorsnijding en versnippering en daarmee tot isolatie van landschappen. De aanleg van snelwegen heeft een grote vlucht genomen, maar dat zal de komende jaren veranderen, er komen niet veel nieuwe snelwegen bij. De belangrijkste aanpassing van het net ligt in de verbreding van bestaande wegen. In totaal is 300 kilometer spitsstrook gepland, waarvan 200 kilometer al in uitvoering is of recent is opgeleverd.

Nulmeting Deze eerste balans beschouwen we niet alleen als een beschrijving van de actuele stand van zaken, maar ook als een nulmeting, met uitzondering van de archeologie. Voor de archeologie is in 2002 al eerder een Archeologiebalans opgesteld door de toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. In de Erfgoedbalans wordt hier herhaaldelijk

Steeds meer kerken in Nederland verliezen hun oorspronkelijke functie (zie figuur 5). Herbestemming van deze kerkgebouwen is een moeizaam proces, waarbij de mate van succes afhankelijk is van het type gebouw, de ligging, de regio en de eigenaar. Bij kerken die geheel of

naar teruggegrepen en is de stand van 2002 vergeleken met die van eind 2007/2008. Maar voor de gebouwde monumenten en het cultuurlandschap is dit een eerste overzicht. De balans van 2009 is samengesteld op basis van gegevens die in een relatief korte periode beschikbaar kwamen en ontsloten konden worden. Hierbij is gebleken dat niet voor alle onderwerpen de benodigde gegevens aanwezig of beschikbaar zijn. Dat wil zeggen dat wat in deze Erfgoedbalans staat, niet volledig is. Ook is niet altijd voor de beste indicatoren gekozen. In een aantal gevallen hebben we ons moeten beperken tot kwalitatieve beschrijvingen of het vermelden van het feit dat we met een kennisleemte te maken hebben. Dat betekent niet per definitie dat er helemaal geen gegevens

Middeleeuwen 400-1500 Vroege middeleeuwen 400-1000 Late middeleeuwen 1000-1500 Nieuwe tijd 1500-1800 Nieuwste tijd 1800-1950 Moderne tijd 1950-heden 1 Heuvellandschap

Drents zandgebied

a. Noord-Nederlands

Utrechts-Gelders zandgebied

b. Oost-Nederlands 2 Zandgronden

c. Centraal-Nederlands

Overijssels-Gelders zandgebied

d. Zuid-Nederlands

Brabants zandgebied Limburgs zandgebied

3 Hoogveenontginningsgebied

Limburgs lรถssgebied

4 Rivierengebied

a. Noordelijk en Midden-Nederlands b. Zuidelijk a. Centraal rivierengebied b. Maasdal bovenstrooms van Nijmegen

Fries-Gronings kleigebied a. Noord-Nederlands

5 Zeekleigebied

b. Zuidwestelijk

Noord-Hollands kleigebied Friese veengebied

a. Friese laagveenontginningen

6 Laagveengebied

b. West-Nederlands laagveengebied

Flevolands kleigebied

a. 17e tot 19e eeuw

7 Droogmakerijen

b. IJsselmeerpolders

Hollands duingebied

a. Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden

Hollands veen- en kleigebied

8 Kustzone

b. Noord- en Zuid-Holland c. Waddeneilanden

Utrechts-Gelders rivierengebied Zeeuws kleigebied Voordelta/Zeeuwse stromen Continentaal Plat Waddenzee/IJsselmeer-Markermeer

(redelijk) goed bekend matig bekend 0

10

20

30

Rapporten

40

50

60

70

80

90

niet of nauwelijks bekend niet van toepassing

100

Rapporten per 1000 km 2

3 - AANTAL RAPPORTEN VAN OPGRAVINGEN PER ARCHEOREGIO. VOOR IEDERE ARCHEOREGIO IS TEVENS HET AANTAL RAPPORTEN PER 1000KM 2 AANGEGEVEN (1997-2006).

4 - OVERZICHT VAN DE KENNIS EN KENNISLACUNES TEN AANZIEN VAN DE BEWONINGS- EN ONTGINNINGSGESCHIEDENIS PER ONDERSCHEIDEN (DEEL)LANDSCHAP, EN PER ONDERSCHEIDEN PERIODE.

R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D

R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D


31

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

zijn: het komt ook regelmatig voor dat bestaande gegevens niet goed ontsloten zijn. Ook dat is zinvolle informatie: door inzichtelijk te maken wat we wel en niet weten, kunnen we de komende jaren aan de invulling van die leemtes gaan werken.

Het vervolg Dit laatste impliceert dat we een vervolg gaan geven aan deze nulmeting. Een vervolg dat wellicht nog van groter belang is dan deze eerste Erfgoedbalans. Elke vijf jaar brengt de Rijksdienst een nieuwe balans uit, een nieuwe stand van zaken. In combinatie hiermee ontwikkelt de Rijksdienst een zogenaamde ‘erfgoedmonitor’. Dit is een set van indicatoren die enerzijds iets zeggen over de stand van zaken ten aanzien van het erfgoed en anderzijds over de effecten van het erfgoedbeleid. Door deze indicatoren jaarlijks te meten, bouwen we een dataset op waarmee we ontwikkelingen in de tijd zichtbaar kunnen maken en meer greep krijgen op de effecten van het erfgoedbeleid. Belangrijk uitgangspunt hierbij is continuïteit: als we ontwikkelingen en effecten in de tijd zichtbaar willen maken, dan moeten indicatoren stabiel zijn en de benodigde meetgegevens structureel beschikbaar zijn. De resultaten van deze erfgoedmonitor worden tussentijds via de website van de Rijksdienst gepubliceerd en ze vormen de basis voor toekomstige Erfgoedbalansen. De Erfgoedbalansen en erfgoedmonitor tezamen vormen een belangrijk instrument waarmee we meer inzicht krijgen in de staat van het onroerende (en in de toekomst ook roerende) erfgoed. Het ontwikkelen van de erfgoedmonitor betekent overigens niet dat de Rijksdienst zelf alle benodigde gegevens en databestanden gaat ontwikkelen en beheren. Bij de totstandkoming van de Erfgoedbalans 2009 is opnieuw duidelijk geworden dat er veel organisaties en partijen zijn die al over de nodige gegevens beschikken. Denk bijvoorbeeld aan de Monumentenwacht, maar ook aan gemeenten en provincies. Door deze gegevens bij elkaar te brengen, kunnen we al een rijkdom aan bestaande informatie ontsluiten. Hiermee neemt de Rijksdienst de taak op zich om in kaart te brengen welke gegevens zich waar bevinden, deze gegevens te verzamelen en te ontsluiten via de erfgoedmonitor. Hieraan wordt invulling gegeven in samenwerking met de organisaties die eigenaar zijn van de betreffende gegevens.

Evaluatie In het najaar van 2009 gaat de Rijksdienst, samen met de partners uit het erfgoedveld, de

5 – IN DE VOORMALIGE LEONARDUSKERK IN HELMOND IS EEN GEZONDHEIDSCENTRUM GEVESTIGD. R I J K S D I E N S T VO O R H E T C U LT U R E E L E R FG O E D

Erfgoedbalans evalueren. Denk hierbij aan partners in de ruime zin van het woord zoals beleidsambtenaren van andere ministeries, provincies en gemeenten, de Directie Cultureel Erfgoed van OCW , het Instituut Collectie Nederland, de Erfgoedinspectie, Erfgoed Nederland, maar ook planbureaus, marktpartijen, grote terreineigenaren etc. In deze evaluatie komen vragen aan de orde als - zijn dit de onderwerpen die in een Erfgoedbalans thuishoren; - wat willen we over die onderwerpen weten; - welke indicatoren zijn daar het meest geschikt voor en

- welke gegevens hebben we daar voor nodig. Door deze vragen gezamenlijk te beantwoorden leggen we een goede basis voor de erfgoedmonitor en toekomstige Erfgoedbalansen. Een volgende stap is te onderzoeken of de benodigde gegevens bestaan en zo ja, waar ze zich bevinden. In die gevallen waar er geen gegevens voorhanden zijn, moet onderzocht worden hoe ze alsnog gegenereerd kunnen worden. Op deze wijze kunnen we de komende jaren, samen met externe partners, specifieke kennisleemtes verder invullen. 


VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

t/m 23.08.2009 Museum Catharijneconvent Utrecht BEELDSCHONE BOEKEN DE MIDDELEEUWEN IN GOUD EN INKT

32

van Darwin. Want hoe zat het ook alweer met Darwin en 'survival of the fittest'? Er is geen wetenschapper van wie we zoveel weten. Darwin bewaarde alles wat hij schreef. In 1859, nu 150 jaar geleden, publiceerde Darwin zijn studie On the origin of species by means of natural selection. Met een overweldigende hoeveelheid bewijs zet hij hierin uiteen dat de evolutie van alle levensvormen wordt gedreven door natuurlijke selectie. De tentoonstelling is opgebouwd rondom drie thema’s. Darwins leven in Engeland, zijn reis om de wereld aan boord van HMS Beagle en zijn bijdrage aan de wetenschap: de volgens sommigen nog steeds omstreden evolutietheorie. In de expositie in het Universiteitsmuseum zijn meer dan tweehonderd diersoorten op verrassende wijze opgesteld. Van Amerikaanse modderduivel tot purperen suikervogel, van Javaanse kievit tot voetbaloctopus. Deels betreft het de collectie die eerder in het inmiddels gesloten Natuurmuseum te zien was.

Prachtige minuscule details, flonkerend bladgoud en schitterend kleurgebruik: het zijn de kenmerken van de middeleeuwse manuscripten. De tentoonstelling Beeldschone Boeken in Museum Catharijneconvent Utrecht – nog te zien tot en met 23 augustus 2009 – geeft met een selectie van ruim 100 handschriften een uitgebreid overzicht van de Utrechtse boekproductie in de Middeleeuwen. Beeldschone Boeken komt tot stand in nauwe samenwerking met de Universiteitsbibliotheek Utrecht. Hiervoor is een keuze gemaakt uit de rijke verzameling handschriften van het museum en de unieke collectie Utrechtse kloosterboeken van de Universiteitsbibliotheek Utrecht. Belangrijke bruiklenen uit binnen- en buitenland vullen deze selectie aan. De manuscripten in de expositie dateren voornamelijk uit de veertiende en vijftiende eeuw. Vanwege het kostbare karakter en de hoge artistieke kwaliteit zijn deze Beeldschone Boeken stuk voor stuk uniek. De tentoonstelling Beeldschone Boeken is een samenwerkingsverband tussen Museum Catharijneconvent en de Universiteitsbibliotheek Utrecht, die in 2009 haar 425-jarig bestaan viert. Bovendien is de tentoonstelling onderdeel van het internationale cultuurevenement Holland Art Cities. Voor nadere informatie en meerdere activiteiten ga naar www.catharijneconvent.nl.

t/m 10.1.2010 Gronings Universiteitsmuseum DARWINS WERELD - MENS, NATUUR EN EVOLUTIE Welkom in de wereld van Charles Darwin (1809-1882), een expositie in het Groningse Universiteitsmuseum over het leven en werk van ’s werelds beroemdste natuuronderzoeker. De expositie, die tot en met 10 januari 2010 te zien is, neemt u mee door het leven en werk

t/m 16.08.2009 Lelystad SCHOKLAND WERELDERFGOED Dit jaar is het 150 jaar geleden dat het voormalige Zuiderzeeeiland Schokland op last van de regering werd ontruimd. Met de nieuwe tijdelijke presentatie ‘Schokland Werelderfgoed’ staat Nieuw Land Erfgoedcentrum in Lelystad stil bij deze gebeurtenis. In 1995 is het voormalige eiland Schokland en de directe omgeving als eerste Nederlandse monument op de Werelderfgoedlijst van UNESCO toegevoegd. Schokland staat daarmee symbool voor de eeuwenoude Nederlandse strijd tegen het water. Nog tot 16 augustus te bezichtigen.

17  23.08.2009 Newcastle LIMESCONGRES Het 21e internationale Limescongres dat van 17 tot 23 augustus wordt gehouden in Newcastle (Groot-Brittannië), viert tevens dat het zestig jaar geleden is dat het eerste Limescongres werd gehouden, overigens ook in Newcastle. Meer informatie kunt u vinden op de website www.twmuseums.org.uk/archaeology?LIMES_Congress_2009.pdf


33

11.09.2009 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort STEDELIJKE GESCHIEDENIS ALS INSPIRATIEBRON Op vrijdag 11 september organiseren de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Archief Eemland en de Historische Vereniging Flehite een historisch congres met de prikkelende titel: ‘Stedelijke geschiedenis als inspiratiebron’. Het congres gaat over stedelijke ontwikkeling en de betekenis ervan voor de identiteit van stad en regio, met Amersfoort als exemplarisch voorbeeld. Meer informatie elders in dit vakblad bij de rubriek ‘Kort’.

1.10.2009 Het Erfgoedhuis Zuid-Holland WAT BEWEEGT ONS? Het Erfgoedhuis Zuid-Holland organiseerde in 2007 voor het eerst een bijeenkomst waar alle bloedgroepen/achterbannen tegelijk op konden inschrijven: medewerkers en vrijwilligers van musea, archiefinstellingen en historische verenigingen, maar ook docenten van basis- en voortgezet onderwijs, ambtenaren met portefeuille cultuur, monumentenzorg en erfgoed, eigenaren van (varend) erfgoed én Zuid-Hollandse toeristische instellingen. In het Fort Hoek van Holland werd in 2007 een middag- en avondprogramma georganiseerd met als titel ‘Erfgoed... een goed verhaal!’ Er werd een gevarieerd en uitgebreid programma met workshops en lezingen, ruimte voor discussie, gelegenheid om te netwerken, maar ook met bijzondere living history-optredens geboden. De 180 aanwezige deelnemers waren in de gelegenheid om in één dag nieuwe kennis opdoen over tal van onderwerpen, hun kennis en ervaringen te delen met collega's uit de sector en zo op inspirerende wijze over hun eigen heg te kijken. Dit jaar zal er weer een Erfgoeddag zijn, op 1 oktober. De slogan voor deze tweede editie is ‘Wat beweegt ons?’. Het zal een dag worden waarin ons werk en ons leven met betrekking tot mobiliteit in heden, verleden en toekomst centraal staat. Meer informatie: Het Erfgoedhuis Zuid-Holland, tel. 015-215 4350.

8 en 9.10.2009 Zeeuws Museum MUSEUMCONGRES Op het Museumcongres van de Nederlandse Museumvereniging komen jaarlijks museumprofessionals bijeen voor discussie, inspiratie en netwerk. Erfgoed Nederland en het Instituut Collectie Nederland (ICN) zijn samenwerkingspartners. Het centrale thema wordt 'Ben ik

VITRUVIUS

NUMMER 8

JULI 2009

in beeld', musea in tijden van beeldcultuur. Als het beeld werkelijk de boodschapper is, wat is dan de rol van authenticiteit in dit mediatijdperk? Hoe zichtbaar zijn musea? Deze en andere vraagstukken komen aan de orde op het 3e Museumcongres. Plenair, in workshops en op de beursvloer, als uitstalkast van 21e eeuwse beeldcultuur. Het Museumcongres wordt dit jaar voor de derde keer gehouden in het Zeeuws Museum en de Abdij op 8 en 9 oktober.

14.10.2009 Koninklijk Instituut voor de Tropen SYMPOSIUM STUCWERK EN PLEISTER Op 14 oktober zal in het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) te Amsterdam het jaarlijkse instandhoudingssymposium van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehouden worden. Het thema van dit jaar is ‘Stucwerk en Pleister’. Dit veelzijdige thema is interessant en van belang voor de stucwerkbranche, wetenschappers en monumentenzorgers werkzaam in de architectuur- en/of interieurhistorie.

17.10.2009 heel Nederland LANDELIJKE ARCHIEVENDAG EN WEEK VAN DE GESCHIEDENIS De Landelijke Archievendag 2009 zal plaatsvinden op zaterdag 17 oktober. Deze dag is ook het startsein voor de Week van de Geschiedenis (17 t/m 25 oktober). Het thema van de Week van de Geschiedenis 2009 is Oorlog en Vrede. Een onderwerp waar de meeste Nederlandse archieven een diversiteit aan materiaal over bezitten. Van historische foto's uit de Tweede Wereldoorlog tot oude documenten uit reeds vervlogen tijden. Naast grote gebeurtenissen tonen archieven ook het verhaal van de gewone man. De Landelijke Archievendag wordt samen met Erfgoed Nederland georganiseerd. Tientallen archieven verspreid door Nederland zetten hun deuren open voor publiek en tonen hun bijzondere collectie en organiseren leuke activiteiten voor jong en oud.


Geboortehuis van Piet Mondriaan

F O T O : A R C H I E F S TA D S H E R S T E L A M E R S F O O RT

Kortegracht 11

In dit object is het MONDRIAANHUIS gevestigd, museum van het werk van Piet Mondriaan en tijdgenoten en documentatie en studiecentrum. Sinds 17 december 2008 is Stadsherstel Amersfoort eigenaar van Kortegracht 11. Na een ingrijpende renovatie is het Mondriaanhuis op 16 mei 2009 heropend. De foto dateert van kort voor de renovatie. Stadsherstel koopt, restaureert en beheert monumenten en beeldbepalende panden. Zij verhuurt haar bezit als woonhuis, winkels, atelier, horecagelegenheid of met een bijzondere functie, zoals in dit geval. Op deze manier blijft dit cultureel erfgoed deel uitmaken van ons leven.

NV Amersfoortse Maatschappij tot Stadsherstel Muurhuizen 159 Postbus 842 3800 AV Amersfoort

Telefoon 033-460 50 20 Fax 033-460 50 39 E-mail info@stadsherstelamersfoort.nl www.stadsherstelamersfoort.nl

Vitruvius juli 2009  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap & monumentenzorg

Vitruvius juli 2009  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap & monumentenzorg

Advertisement