Page 1

JAARGANG 2

NUMMER 6

O N A F H A N K E L I J K

JANUARI 2009

V A K T I J D S C H R I F T

V O O R

A R C H E O LO G I E

C ULTU URLAN DSC HAP

MONUMENTENZORG

STEDELIJKE WO O N C U LT U U R IN DEVENTER

BUNKERS IN HET DUIN

MONUMENTENZORG IN HET WO O N I N T E R I E U R

FORUM: NAAR EEN JURIDISCH DWINGBARE ERFGOEDTOETS? K O R T : MONUMENT AAN DE A10 • ESSAY POST-BELVEDERETIJDPERK • REFLECTIE OP DE CULTUURHISTORICUS • WONEN IN DE BRONSTIJD • BEGRAVINGSLANDSCHAPPEN • R E C E N T V E R S C H E N E N • A G E N D A • EN MEER


Vitruvius: wie

erachter staat staat voorop.

Een SPONSOR VAN VITRUVIUS geniet voordelen:  Bereik 4x per jaar uw doelgroep met een vakblad van hoogstaand niveau, gemaakt i.s.m. de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) en organisaties van naam  Profileer uw organisatie als betrokken bij goede kennisuitwisseling en als cultuur-minnend  Krijg de mogelijkheid tot publiceren, adverteren en meehelpen richting geven  Steun een vernieuwend platform (tot op heden het enige dat archeologie+cultuurlandschap+monumentenzorg verbindt)

Profiteer van het sterke imago van Vitruvius. Bel de uitgever Educom 010-425 6544 en zeg: ‘Wij staan erachter’. Educom zet u erin.


inhoud

itruvius A

C

A R C H E O LO G I E

C U LT U U R LA N D S C H A P

M

M O N U M E NTE N Z O R G

12

32

‘NEDERLANDS’ HOUT OP DRIFT

20

STEDELIJKE WOONCULTUUR IN DEVENTER

BUNKERS IN HET DUIN

WONINGEN MET UITZICHT

26

FO R U M

MONUMENTENZORG IN HET WOONINTERIEUR

44

REAGEREN? REACTIES OP ARTIKELEN

40

IN DEZE UITGAVE

NAAR EEN JURIDISCH DWINGBARE ERFGOEDTOETS?

KUNNEN TOT 15 FEBRUARI 2009 NAAR DE UITGEVER WORDEN GESTUURD.

TUFSTEEN IN NEDERLAND

KORT

PA G 4 - 1 0 :

NIEUWE EIGENAAR ‘MONUMENT AAN DE A10’

REFLECTIE OP CULTUURHISTORICUS

GPNV-PRIJS

EN NATUURONTWIKKELING

POST-BELVEDERETIJDPERK’ AAN PLASTERK AANGEBODEN

STINZEN EN STATEN’ BEDREIGD

SYMPOSIUM ‘BODEMSCHATTEN

BEGRAVINGSLANDSCHAPPEN IN NOORD-WEST-EUROPA

RECENT VERSCHENEN

PA G 1 0 - 1 1 , 4 6 - 5 1

1

• AGENDA

PA G 5 2 - 5 3

EN MEER


VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie,cultuurlandschap en monumentenzorg.

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en

E E N

U I T G AV E

www.vakbladvitruvius.nl

VA N

M E T

Uitgeverij Educom BV

M E D E W E R K I N G

VA N

Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM)

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 E-mail info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

S U B - S P O N S O R S

NV Amersfoortse Maatschappij tot Stadsherstel

Projectbureau Belvedere

Postbus 842 3800 AV Amersfoort Tel. 033-460 5020 www.stadsherstelamersfoort.nl

Postbus 389 3500 AJ Utrecht Tel. 030-230 5010 www.belvedere.nu

Synthegra bv Doetinchemseweg 61A 7007 CB Doetinchem Tel. 0314-36 99 40 www.synthegra.com

Nationaal Restauratiefonds Postbus 15, 3870 DA Hoevelaken Tel. 033-253 9439 info@restauratiefonds.nl www.restauratiefonds.nl

M E D E - O N D E R S T E U N E R S Past2Present-ArcheoLogic

ADC ArcheoProjecten

Pelmolenlaan 12-14 3447 GW Woerden Tel. 0348 - 437 788 Fax. 437 789 info@archeologic.nl www.archeologic.nl

Nijverheidsweg-Noord 114 3812 PN Amersfoort Postbus 1513, 800 BM Amersfoort Tel. 033-299 8181 Fax 299 8180 www.archeologie.nl

C O L O F O N UITGEVER/ BLADMANAGER Robert Diederiks REDACTIE Drs. J.E. Abrahamse Drs. H.G. Baas mw. Drs. P. J. Braaksma R.P.H. Diederiks Ir. M. van Hunen mw. Drs. M. Kapelle Dr. H.C.M.Kleijn Dr. R.C.G.M. Lauwerier S.A. Muller mw. Dr. E.M. Theunissen

REDACTIERAAD Dr. (C.H.M.) de Bont Wageningen Universiteit Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester Synthegra Drs. D.E. (Dorien) Fröling ADC Drs. B. Goudswaard Past2Present/Archeologic Dr. T.G. (Timo) Nijland TNO Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek RACM, Rijksuniversiteit Groningen Ir. F.G.M. (Frank) Véhof NRf Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

ABONNEMENTEN Nederland 4 nrs/jaar E 45.België 4 nrs/jaar E 55.Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn.

2

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl © Copyrights Uitgeverij Educom BV JANUARI 2009 . Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd door middel van boek-druk, foto-offset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever. ISSN 1874-5008


VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

VITRUVIUS EN HET ‘IN ELKAAR’ SCHUIVEN’ VAN VAKGEBIEDEN n de allereerste redactieraadvergadering van Vitruvius op 18 november jl., is onder andere gesproken over wie nu eigenlijk de doelgroepen van het vakblad zijn en in welk segment van de cultuurhistorische bladenmarkt dit tijdschrift is gepositioneerd. De primaire doelgroep bestaat uit iedereen die vanuit zijn of haar professie werkzaam is in de archeologie, het cultuurlandschap of de monumentenzorg. Dat zijn wetenschappers, maar ook ambtenaren en studenten bijvoorbeeld. De secundaire doelgroep bestaat uit geïnteresseerden die semiprofessioneel of op andere wijze betrokken zijn bij één of meerdere van de drie vakgebieden.

I

Als het gaat om de positionering van Vitruvius, zie je dat het zich beweegt tussen een wetenschappelijk en een populair wetenschappelijk blad in; het is een vaktijdschrift waarin de lezer een variëteit aan onderwerpen vindt.

Daarom juichen we bijvoorbeeld het ontstaan van het wetenschappelijke en digitale tijdschrift Journal of Archaeology in the Low Countries (www.jalc.nl) van harte toe en zien we dit initiatief niet als een bedreiging, maar veel meer als een welkome aanvulling en verrijking van het cultuurhistorische mediaspectrum. Om in marketingtermen te blijven: het Unique Selling Point van Vitruvius is dat we drie vakgebieden archeologie, cultuurlandschap en monumentenzorg bestrijken, vakgebieden die steeds meer ‘in elkaar schuiven’. Uiteindelijk zullen artikelen in Vitruvius – zo is ook de wens van de redactieraad – straks niet meer met kopjes ‘A’, ‘C’ of ‘M’ worden aangeduid, zodat er op termijn helemaal geen sprake meer is van verschotting; niet in het veld en niet in ons tijdschrift. Tot slot: op www.vakbladvitruvius.nl vindt u alle voorgaande edities en u kunt ze kostenloos downloaden. — De redactie


Kort B A N KG I R O LOT E R I J M A A K T R E S TA U R AT I E D O O R VERENIGING HENDRICK DE KEYSER MOGELIJK

NA 250 JAAR NIEUWE EIGENAAR VOOR ‘ MONUMENT AAN A10’ oor het eerst sinds 250 jaar heeft het Gemeenlandshuis aan de Diemerzeedijk in Amsterdam een nieuwe eigenaar. Op 21 oktober jl. is de akte gepasseerd waarmee het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) het Gemeenlandshuis heeft overgedragen aan Vereniging Hendrick de Keyser, de landelijk werkende vereniging die zich inzet voor het behoud van historische architectuur. Het Gemeenlandshuis is prominent zichtbaar vanaf de Amsterdamse ringweg A10. Gelegen op de dijk, omringd door water, dicht bij IJburg, is het een bekend punt voor de dagelijkse filerijders.

V

Het Gemeenlandshuis is bijna tweeëneenhalve eeuw het statige onderkomen geweest van het ‘Hoogheemraadschap van den Zeeburg en Diemerdijk’. Dit roemruchte waterschap beheerde de dijk van de Zuiderzee tussen Amsterdam en Muiden. In 1727 verrees het gebouw op de plaats van de oude herberg ‘daar de jager uithangt’, waar al sinds 1609 werd vergaderd. Het bestuur van het waterschap gebruikte het Gemeenlandshuis, dat vrij uitzicht had op zee, als vergaderruimte, secretarie en uitvalsbasis bij dijkbewaking. De hoogheemraden konden er overnachten in bedsteden en de inwonende opzichter was ook kastelein. Vooraanstaande ambachtslieden werden aangetrokken voor de bouw en afwerking, waaronder kostbaar houtsnijwerk, stucwerk en smeedwerk. Ontwerp en bestek werden geleverd door de Amsterdamse timmermansbaas Cornelis van der Does. Cornelis van der Hoeven, ‘metselaarsbaas tot Amsterdam’ was verantwoordelijk voor de bouw. Het indrukwekkende stucwerk in Lodewijk XIV-stijl in de hal werd gemaakt door de stucwerker Christiaan Wittenbeeker. Kort na de oplevering verrezen achter het gebouw twee koets-

huizen waarmee een symmetrische tuinaanleg werd gerealiseerd alsof het een voorname buitenplaats betrof. Een virtuele rondleiding is te zien op www.agv.nl. De overdracht door het waterschap heeft als doel het gebouw voor de toekomst veilig te stellen. Een restauratie is in voorbereiding. Deze betreft voornamelijk funderingswerk en constructief herstel van balklagen. Het Gemeenlandshuis zal na de restauratie in gebruik blijven voor bijeenkomsten en vergaderingen van het waterschap en krijgt een meer openbare bestemming. De overdracht aan ‘Hendrick de Keyser’ en de restauratie van dit historische en beeldbepalende monument zijn alleen mogelijk door financiële steun van de BankGiro Loterij.

4


Kort

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

ESSAY ‘HET POST-BELVEDERETIJDPERK’ AAN PLASTERK AANGEBODEN nlangs is een essay verschenen aan de hand van prof. dr. J.E. (Koos) Bosma, met als titel ‘Het postBelvederetijdperk: Cultuurhistorisch beleid verankerd in de ruimtelijke ordening en in de ontwerpopgave’. Het essay is geschreven in opdracht van de toenmalige rijksadviseur voor het cultureel erfgoed Fons Asselbergs. Het essay is op 3 september, namens het voormalige Collega van Rijksadviseurs, door Asselbergs aangeboden aan onze minister van OCW, dhr. Plasterk.

O

Op 15 november 2005 heeft de toenmalige staatssecretaris van OCW, Medy van der Laan, aan het College van Rijksadviseurs een advies gevraagd over architectuur- en belvederebeleid. Eén van de vragen die ze stelde had betrekking op de vraag: ‘Hoe kan de opgebouwde kennis over ontwikkelingsgericht inzetten van cultuurhistorie bij ruimtelijke opgaven verder worden verankerd in het architectuurbeleid na 2008?’. Voor het beantwoorden heeft het college, om haar advies te onderbouwen, aan prof. dr. J.E.

Bosma gevraagd over dit onderwerp een essay te schrijven. Het essay wordt voorafgegaan door het advies. Hierin is te lezen dat het college van mening is dat in het postBelvedere tijdperk met name de volgende twee noties van belang zijn: 1. Het zoeken naar de optimale verhouding tussen oud en nieuw, tussen behoud en ontwikkeling, vergt van ontwerpers en opdrachtgevers een dynamische kijk op de cultuurhistorische component en een integrale benadering. Als de externe financiële impuls na 2009 is verdwenen, en ook de programmatische ondersteuning, zal deze opgave ‘geëmancipeerd’ moeten worden opgepakt. Dat kan volgens het college alleen als de meerwaarde van die gelaagde benadering en het samengaan van oud en nieuw door betrokken partijen als vanzelfsprekend wordt gezien. De gewenste integrale benadering zou - met name bij majeure transformaties geborgd kunnen worden door het opstellen van protocollen voor voorverkenning en ontwerpend onderzoek. 2. Cultuurhistorie moet een sterke positie

krijgen (en behouden) in de ruimtelijke ordening en inrichting. Belvedere dient in alle fasen van transformaties regulier gedachtegoed et zijn. De vroegtijdige betrokkenheid van ontwerpend onderzoek kan als belangrijk voertuig fungeren om dit te bereiken. Het verder verankeren van het Belvederegedachtegoed moet verder ondersteund worden door goed doordachte programma's voor de ontwikkeling en overdracht van kennis. Het projectbureau Belvedere – dat 31 december 2009 haar deuren sluit – moet volgens het college intensief worden betrokken bij deze overdracht van kennis. Het advies sluit af met een zin die belangrijk is om ook hier te herhalen: ‘De toekomstige ontwerpopgave zal steeds meer een transformatieopgave zijn waarbij de cultuurhistorische bagage voorziet in de leeftocht voor de toekomst. De cultuurhistorie levert op deze wijze een bijdrage aan de nieuwe cultuur.’ Uitgave: Atelier Rijksbouwmeester, Den Haag, 2008. ISBN 978-90-73525-44-3

‘LEVEND VERLEDEN’: REFLECTIE OP INZET EN ROL CULTUURHISTORICUS

et nieuwe stadsdeel Leidsche Rijn bij Utrecht krijgt elke dag verder gestalte. De nieuwbouw neemt het oude landschap in bezit, maar biedt tegelijkertijd ook ruimte aan ‘wat tot voor kort was’ en maakt op sommige plekken het verre verleden opnieuw zichtbaar. De cultuurhistorie van het gebied is terug te vinden in de stedenbouwkundige opzet, in de vormgeving van de openbare ruimte en objecten en in activiteiten voor nieuwe bewoners. In samenwerking met de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten en

H

de gemeente Utrecht heeft projectbureau Belvedere een onderzoek laten uitvoeren naar de inbreng en rol van cultuurhistorici in het planproces van Leidsche Rijn en andere gebiedsontwikkelingen. Deze review is uitgevoerd door onderzoeksbureau Royal Haskoning. Het onderzoek geeft inzicht in het functioneren van de cultuurhistorische beroepsgroep in gebiedsontwikkelingen en ruimtelijke transformaties. De review gaat in op de vraag hoe je de kans vergroot dat de cultuurhistorie – nadat de laatste bouwkeet is verdwenen – vergroeid is met de nieuwe

5

omgeving. Wat kan de cultuurhistoricus daaraan bijdragen? Over welke vaardigheden moet hij beschikken? Welke kennis moet hij op welk moment aanleveren? Hoe kan hij de cultuurhistorische ambitie proberen te borgen; bestuurlijk, procesmatig en naar de toekomst toe? De review geeft inzicht in de manier waarop de inhoudelijke inbreng en persoonlijke inzet van cultuurhistorici het eindresultaat van een gebiedsontwikkeling kunnen beïnvloeden. Aan bod komen ook de zwakke plekken en de ideeën die cultuurhistorici hebben om deze te versterken. De publicatie is als PDF te downloaden op: www.belvedere.nu


Kort

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

HAAGSE STADSARCHEOLOGE WINT GPNV 2008 e Haagse stadsarcheologe Monique van Veen heeft de Grote Prijs der Nederlandse Veldarcheologie 2008 gewonnen. Deze nationale prijs wordt jaarlijks uitgereikt op de Reuvensdagen aan een veldarcheoloog met een opvallende staat van dienst in de archeologie.

D

Monique van Veen studeerde prehistorie aan de universiteit van Leiden en heeft zich daarnaast in Amsterdam gespecialiseerd in de middeleeuwse archeologie. In 1990 kwam zij in dienst bij de gemeente Den Haag. Sindsdien heeft zij veel veldonderzoek uitgevoerd, vooral naar middeleeuwse en postmiddeleeuwse bewoningssporen in de binnen-

stad van Den Haag. In de loop der jaren heeft zij zich ontwikkeld tot een toonaangevende specialist in de middeleeuwse en post-middeleeuwse bewoningsgeschiedenis van Den Haag. Veel publicaties, zowel wetenschappelijke rapporten als publieksboeken, zijn van haar hand verschenen. Haar vakkennis en ervaring in de archeologie zijn volgens haar collega’s van onschatbare waarde voor de stad Den Haag. De jury van de Grote Prijs van de Nederlandse Veldarcheologie 2008 bestond uit Peter Deunhouwer, Benedict Goes en gelegenheidslid Hans Koot.

‘STINZEN EN STATEN’ WORDEN BEDREIGD DOOR DE POLITIEK uim zestig kastelen, stinzen en staten die Friesland rijk is, worden bedreigd in hun bestaan. Dat stelde Annemiek Wielinga van de Nederlandse Kastelenstichting (NKS) op 4 november 2008 in een pleidooi dat ze hield bij de jaarvergadering van de stichting Stinzen en Staten. Volgens Wielinga worden de kastelen bedreigd door gemeenten, projectontwikkelaars en soms zelfs natuur-

R

organisaties. Wielinga stelt dat het historisch erfgoed wordt bedreigd door wetgeving romdom ruimtelijke ordening, door geldgebrek en vooral ook door nieuwbouw op het historisch terrein rondom kastelen.

6

Als voorbeeld noemt ze het Overijsselse kasteel Eerde (afbeeldingen), bedreigd doordat beheerder Natuurmonumenten volgens haar meer oog heeft voor natuur dan voor historische waarde. Ook in Utrecht is een stuk grond door de gemeente verkocht voor huizen in het duurdere segment. Wielinga pleit voor meer aandacht voor het historisch erfgoed. De laatste tijd heeft ze vooral ook oog gekregen voor de landerijen rondom kastelen en stinzen. De weg naar de rechtsgang schuwt Wielinga niet. In een enkel geval procedeerde haar stichting ruim tien jaar om nieuwbouw te voorkomen. Met succes, want de betreffende gemeente heeft het daarna opgegeven.


Kort

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

SYMPOSIUM ‘BODEMSCHATTEN EN NATUURONTWIKKELING, HET VERDRAG VAN MALTA IN DE PRAKTIJK’

p 23 september jl. organiseerden Stichting Probos, projectbureau Belvedere en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten een voorlichtingsmiddag over Malta. Doelgroep: bos- en natuurbeheerders.

O

In het prachtige kasteel Hernen in de gemeente Hernen (prov. Gelderland) werden de deelnemers ontvangen met een broodjeslunch en een stukje theorie over de nieuwe wet op de archeologische monumentenzorg. Onder leiding van Jo Latijnhouwers van Het

Geldersch Landschap werd een veldworkshop georganiseerd waarbij van de deelnemers werd gevraagd na te denken over ruimtelijke vraagstukken en dan specifiek op het gebied van de bos- en natuurontwikkeling met Malta in het achterhoofd. Jo is ook projectleider van het project ‘Stappen in de toekomst’, dat als hoofddoelstelling heeft: herstel en ontwikkeling van het cultuurlandschap in de aangewezen gebieden (Het Rijk van Nijmegen en het Land van Maas en Waal), het creëren van gebiedseigen verbindingen tussen stad en platteland

en het scheppen van randvoorwaarden voor het duurzaam beheer van dat landschap en die verbindingen. In dit grootschalig, meerjarig project heeft men uiteraard ook met de nieuwe wet op de archeologische monumentenzorg te maken gekregen. Door tijdig, in goed overleg en creatief te opereren is het vooralsnog niet nodig geweest of een groot deel van het projectgeld te besteden aan archeologisch (voor-)onderzoek of deelplannen niet uit te voeren.

7


Kort

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

MONUMENTAAL DRIELUIK GERESTAUREERD n Museum Elisabeth Weeshuis te Culemborg is de tentoonstelling Zien doet geloven – vijf eeuwen bijbelverhalen in beeld te zien met religieuze schatten uit Culemborg en Zaltbommel. Daaronder, als glorieus middelpunt in de permanente opstelling, het drieluik van de Culemborgse schilder Jan Deys Geritsz. uit 1573. Dit fraaie voorbeeld van Gelders religieus erfgoed is ter gelegenheid van het festival Geloven in Gelderland gerestaureerd en sinds

I

begin november weer te bezichtigen door het publiek. De nieuwe opstelling met het drieluik is permanent. De tentoonstelling Zien doet geloven is onderdeel van het provinciale festival Geloven in Gelderland en duurt

t/m 15 maart. Het festival vraagt hiermee tevens aandacht voor (de noodzaak van) behoud en onderhoud van Gelders religieus erfgoed.

‘A LIVING LANDSCAPE’: WONEN IN DE BRONSTIJD p woensdag 3 september 2008 promoveerde archeoloog Stijn Arnoldussen aan de Universiteit Leiden op zijn proefschrift ‘A Living landscape – Bronze Age settlement sites in the Dutch river area (c. 2000-800 BC)’. Hierin beschrijft Arnoldussen hoe en waar mensen leefden in het uitgestrekte rivieren- en deltalandschap van Midden Nederland. Waarom woonden deze prehistorische boeren in een dergelijk landschap en hoe structureerden zij hun nederzettingen? Op basis van enkele groot-

O

schalige opgravingen in het rivierengebied zal de auteur het culturele landschap proberen te reconstrueren. Het boek geeft een overzicht van alle ontwikkelingen ten aanzien van locatiekeuze voor nederzettingen en veranderingen in nederzettingsarchitectuur, beginnend in het Midden-Neolithicum tot aan de IJzertijd. Uiteraard wordt dit alles in een bredere context geplaatst met gebruikmaking van andersoortige vindplaatsen zoals graven en rituele deposities. De basis van dit boek wordt gevormd door

‘BELEEF TOEN NU!’: 50X HISTORISCH NEDERLAND orine Koolstra en Maarten Hell schreven in samenwerking met Anno en Stichting entoen.nu het boek Beleef toen nu! In deze publicatie nemen zij de lezer mee naar vijftig plaatsen in Nederland die herinneren aan belangrijke historische gebeurtenissen. De keuze voor de plaatsten die zijn bezocht, zijn afkomstig uit de Canon van Nederland, die in 2006 is opgesteld. In Beleef toen nu! staat niet alleen achtergrondinformatie over de vijftig hoogtepunten uit onze vaderlandse geschiedenis, maar tevens informatie over wat er te plekke nog van deze geschiedenis te zien is.

C

8

meer dan 50 grote opgravingen die samen meer dan 300 huisplattegronden opgeleverd hebben. Daarmee bevat dit boek verreweg rijkste data-set van bronstijd nederzettingen die tot op heden is gepubliceerd en is daarmee een must-have voor iedereen geïnteresseerd in nederzettingsarcheologie. De bijlagen verschenen als apart boek. Hierin worden diverse sites in detail behandeld. Beide boeken zijn nu verkrijgbaar bij Sidestone Press - www.sidestone.nl


Kort

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

BEGRAVINGSLANDSCHAPPEN IN NOORD-WEST-EUROPA BEDISCUSSIEERD Verslag van een internationaal congres in het Duitse Ruhrgebied LIESBETH THEUNISSEN et landschap van de Ruhr Pott werkt vervreemdend op een treinreiziger. Vlak na de grensovergang bij Arnhem trekken hoge mijnschachten, roestbruine, ijzeren installaties en volkstuintjes waar de Duitse driekleur veelvuldig wappert, aan je voorbij. Het is in een oogopslag duidelijk: dit is een landschap waar de overblijfselen van een intensief industrieel verleden prominente tekens zijn en waar het Duits zijn benadrukt wordt.

H

Het eindpunt van de reis bleek van een andere visuele schoonheid te zijn. Het Westfälisches Landesmuseum für Archäologie in Herne toont een prachtige archeologische collectie waarmee de langetermijngeschiedenis van Westfalen – tot en met de Tweede Wereldoorlog – wordt toegelicht.1 Van 15 tot en met 18 oktober waren in het museum ruim honderd archeologen samen-

gekomen om zich te buigen over het thema ‘Gräberlandschaften der Bronzezeit’. Het was niet de eerste keer dat er een internationale discussie over dit onderwerp werd gevoerd; al tweemaal eerder stonden workshops van de European Association for Archaeology in het teken van de ‘Archaeology of Burial Mounds’.2 Het congres in Herne was georganiseerd door de Franse vereniging APRAB (Association pour la Promotion des Recher-

9

ches sur l’Age du Bronze) en het LWLArchäologie für Westfalen. Het resultaat leidde niet eens tot een Babylonische spraakverwarring, want alle lezingen en discussies werden simultaan vertaald. I NRAP – hét onderzoeksinstituut van Frankrijk die het leeuwendeel van de archeologische opgravingen voor zijn rekening neemt – financierde de vertaalkosten. De Franse en Duitse archeologen mochten hun archeologische begravingsrijkdom in hun moedertaal presenteren, terwijl het Engels – de voertaal voor het handjevol Nederlanders en Britten – werd gedoogd. Het was jammer dat de afvaardiging uit Denemarken – toch goed voor 86.000 grafheuvels – beperkt bleef tot de sessievoorzitter ‘grand old man’ Henrik Thrane (1934). In zijn afsluitende woord bekende hij onmiddellijk dat grafheuvels zijn lievelingsobjecten zijn; ze zitten boordevol informatie over het verleden en niet één is hetzelfde. Grafheuvels, waartoe ook de urnenvelden werden gerekend, lenen zich uitermate goed voor een internationaal forumdiscussie: ze zijn grensoverschrijdend en kennen een uitgestrekt verspreidingsgebied; in Europa, maar ook daarbuiten. Het programma van vijftig voordrachten en posterpresentaties was thematisch verdeeld. Op het breedste niveau kwam de ruimtelijke verspreiding van de begravingen in het landschap aan bod, inclusief GIS-achtige toepassingen. Op grafveldniveau laaide de discussie over continuïteit en discontinuïteit op. Wat


Kort

VITRUVIUS

zijn de gebruiksfasen binnen een begravingslandschap, wanneer kan men spreken van hergebruik van oudere grafmonumenten en in welke vorm ‘eindigt’ grafveld, als ‘gestapelde’ begravingslocatie of als een ‘ritueel theater’? Op de schaal van de heuvel en het graf lag de nadruk vooral op de aangetroffen doden en hun bijgiften. De twee perspectieven van interpretatie, de één vanuit de begraven mens en de ander vanuit het landschap zijn geïnspireerd door het boek Beyond the Grave van Jonathan Last.3 Een must voor de liefhebber. De meer theoretische gedachtes kwamen pas op de laatste middag goed op gang. Kennelijk was de beschikbare tijd (20 minuten) te krap om net iets verder te komen dan een bespreking van de locatie, chronologie en het gevondene. Toch bood het interessante aanknopingspunten, als ‘eye opener’, maar ook als inspiratiebron. Naast een serie onderzoeken waar door tracé-

NUMMER 6

JANUARI 2009

aanleg en woningbouw incomplete grafvelden aan het licht waren gekomen, kwamen volledig gestripte landschappen voorbij. Zo kiezen de Kentse archeologen voor het grootschalig openleggen van te bebouwen gebieden. Pas wanneer men zicht heeft op de verspreiding en aard van de archeologische sporen, wordt een besluit genomen. Peter Clark gaf onmiddellijk toe dat het wel een dure aanpak is, maar weten waar de archeologie niet zit, is belangrijke informatie bij een landschapsbenadering. De variatie aan begravingsvormen in Noordwest-Europa en de aanpak daarin, bleek eveneens zeer divers: van vlakgraven gevuld met goedgeconserveerde skeletten of crematieresten zonder bijbehorend heuvellichaam tot heuvels die op minutieuze, tell-achtige wijze worden afgepeld, tot het aanleggen van een diepe sleuf dwars over een grafheuvel op de Russische steppe om zo snel het centrale wagengraf vrij te leggen.

In de afsluitende discussie werd benadrukt dat het zinvol zou zijn dat volledig geaccepteerde begrippen als ‘Gründergräber’ en ‘continuiteit’ opnieuw bezien zouden moeten worden. Het zijn misschien meer ónze concepten dan die van de begravingsgemeenschappen uit het verleden. Zijn de oudste begravingen wel echte grondleggers? Alertheid blijft geboden. Ik kijk uit naar de publicatie van alle bijdragen; het wordt vast een mooi, degelijk Duits/ Frans boekwerk, waarin het laatste woord over begravingslandschappen nog niet gezegd is. L IESBETH T HEUNISSEN is senior onderzoeker Pleistoceen Late Prehistorie RACM . 1

www.lwl.org/LWL/Kultur/WMfA_Herne Smejda, L. (ed.), Archaeology of Burial Mounds, Plzen, 2006. 3 Last, J. (ed.), Beyond the grave. New Perspectives on Barrows, Oxford, 2007. 2

Recent Verschenen TITEL AUTEURS

Handboek Duurzame Monumentenzorg Evert Jan Nusselder, Huub van de Ven, Michiel Haas en Birgit Dulski

UITGAVE

SBR

D E TA I L S

Genaaid gebrocheerd, 242 pagina’s, full colour, geïllustreerd ISBN : 978-90-5367-484-0. Prijs € 125,-

Het Handboek Duurzame Monumentenzorg is met recht een ‘monumentale’ handleiding. Dit naslagwerk laat zien dat juist bij monumentwaardige of waardevolle historische gebouwen de kansen voor duurzaam bouwen ongekend groot zijn! Het boek is mede mogelijk gemaakt door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) en de Rijksgebouwendienst (Ministerie van VROM). Het handboek Duurzame Monumentenzorg is praktisch van opzet. Praktijkvoorbeelden schetsen hoe u met één strategie verschillende oplossingen voor een dumo-vraagstuk kunt vinden.

In totaal zijn 20 strategieën ontwikkeld. Strategieën, die recht doen aan het behoud van de monumentale waarden én het milieu.

een-doosconcept tot de toepassing van klimaatgevels. Van thermische buffers tot reversibel bouwen. Het handboek bestaat uit drie delen: – Een speciaal ontwikkeld DuMo-instrument. Een handig rekenmodel dat u in de praktijk kunt gebruiken om diverse DuMo-strategieën op hun wenselijkheid door te rekenen; Met die DuMo-coëfficient kunt u eenduidig communiceren met de partners die bij verbouw betrokken zijn. – Vaak voorkomende situaties en mogelijke oplossingen; – Praktijkvoorbeelden die informeren én inspireren.

Dit boek gaat uitgebreid in op de vraag hoe geavanceerde technische (dubo-)oplossingen inpasbaar zijn in monumenten. En hoe u om kunt gaan met comforteisen die ten tijde van de bouw van monumenten van een geheel andere orde waren. Een eeuwenoud pand blijft een eeuwenoud pand. Maar van het handboek Duurzame Monumen tenzorg mag u verwachten dat u verrassende strategieën aangereikt krijgt voor uiteenlopende comforteisen. Van het doos-in-

10


Recent Verschenen TITEL

AUTEUR RECENSENT UITGAVE D E TA I L S

NUMMER 6

JANUARI 2009

Paard en landschap. Inspiratieboek met praktische tips René Zanderink en Claartje van Andel Henk Baas

Fontaine, ’s-Graveland ISBN 978-90-5956-279-0

Het zal misschien niet iedereen zijn opgevallen, maar we hebben er in Nederland een nieuw landschappelijk ‘probleem’ bij: het paard. De voormalig Rijksadviseur voor het landschap Dirk Sijmons had het vaak over de horsificatie van het landschap, waarmee werd bedoeld dat het aantal paarden dusdanig toenam, dat we konden spreken van een ‘landschappelijk probleem’. Immers, veel paardenliefhebbers zijn in eerste instantie niet bezig met het verfraaien van het landschap, maar met het uitoefenen van hun sport. Of hun hobby, zo u wilt. Het gevolg hiervan was dat het aantal paarden vanaf 1985 ruim vertienvoudigd is tot zo’n 400.000 paarden. En die paarden staan allemaal in maneges (1100), in paardenbakken of paardenveldjes. Door het ontbreken van regelgeving over het uiterlijk van bedrijven, kon ongemerkt een wildgroei ontstaan van witte Dallashekken, prikkeldraad, mestsilo’s en oude roestige zeecontainers. Kortom: tijd voor actie! Een heus project Zorg voor

TITEL

VITRUVIUS

en waarin de paden zijn omzoomd door karakteristieke beplanting en streekeigen hekwerken. Een landschap waarin een ritje per paard een reis terug naar vroeger is lijkt het wel. Jammer is dat er niet of nauwelijks aandacht is geschonken aan de (architectonische) kwaliteit van de gebouwen zelf.

Paard en Landschap is opgetuigd, dat maatschappelijk uiting moest geven aan de problematiek die door de Minister van LNV was verwoord in haar Visie Paard en Landschap (Den Haag 2006). Partners in dit project zijn Landschapsbeheer Nederland, Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied (SBNL) en de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS). En nu ligt er dan een boek, geschreven voor met name de paardenliefhebber. Het is een boek met veel fraaie foto’s, van landschap en van heel veel paarden (zelfs één foto met een heuse cowboy!). Maar het zijn wel foto’s die de mooie kant van ons landschap laten zien. Het idyllische boerenlandschap, dat bestaat uit bossen, hagen, lanen en houtwallen. In die zin laat het boek zien hoe de initiatiefnemers van het project het landschap graag zouden willen zien, een landschap waarin de paardenbak is geïntegreerd in het landschap,

Het boek wil aantonen dat de term ‘verpaarding’ geenszins een achteruitgang van het landschap hoeft te betekenen. Het boek benadert de groei van de paardensector als kans om iets te doen aan de versterking van de landschappelijke kwaliteiten. Naast meer beschrijvende verhalen over landschap (met focus op beplanting), geeft het boek ook veel praktische tips voor paardenhouders, zowel professioneel als hobbymatig, over hoe het eigen erf en grond in te richten, op een zodanige manier dat recht wordt gedaan aan het karakter van het landschap. Per landschapstype is bijvoorbeeld aangeven welke beplanting

Om een profiel der afgraving te bezien. Na 100 jaar terug naar Dorkwerd

AUTEUR

Wim A. Van Es, Egge Knol, Gert Kortekaas, Annet Nieuwhof

UITGAVE

Vereniging voor Terpenonderzoek Paperback, 196 pagina’s, full colour, geïllustreerd ISBN: 978-90-8117-143-4. Prijs € 19,50

D E TA I L S

Het aantekeningen-boekje van Van Giffen is integraal afgebeeld, aangevuld met veel artikelen over Dorkwerd.

Het bijzondere jaarverslag nr. 92 van de Vereniging voor Terpenonderzoek is gewijd aan de eerste afgraving van prof. A.E. van Giffen in Dorkwerd.

11

karakteristiek is, welke fruitsoorten er voor komen, welke flora kenmerkend is, welke planten giftig zijn, etcetera. Ook wordt ingegaan op natuuren landschapssubsidies die beschikbaar zijn. Het is te hopen dat de paardensector (3 procent van de Nederlandse bevolking rijdt wel eens paard) de signalen uit het boek oppakt, want we zijn allemaal gebaat bij een mooi landschap. Jammer is wel dat de illusie wordt gewekt dat de paardenhouderijen louter aan mooie landschappen zijn gekoppeld, ver weg van de stad, de stedelijkheid en de lelijkheid. Juist dat aspect had meer aandacht verdiend. Maar het tonen hiervan hoort wellicht niet bij een inspiratieboek?


M

MONUMENTENZORG

M . D E L M Á S E N H . VA N D E N B E R S E L A A R

‘Nederlands’ ‘Ne hout op drift ho Over houthandelsroutes en de herkomst van hout van de Late Middeleeuwen tot in de 18de eeuw

1

ALTAARSTUK VAN DE IGLESIA DE CÁCERES

erug in Nederland vroeg Van den Berselaar aan Marta Domínguez Delmás, Spaans dendrochronoloog bij Stichting Ring, naar de betekenis. Na wat literatuuronderzoek kwam ze erachter dat hiermee eikenhout (Quercus sp.) bedoeld werd. Interessant was echter voor haar de verwijzing naar de ‘Vlaamse’ oorsprong van het hout. Dit is opmerkelijk omdat eiken-

T

SANTA MARÍA LA MAYOR DAT GEMAAKT IS VAN CEDER, GRENEN EN 'MADERA DE BORNE DE FLANDES'. FOTO: J.M. VAN DEN BERSELAAR

In juni 2007 bezocht Harry van den Berselaar (communicatieadviseur RACM) de Spaanse Iglesia Santa María la Mayor in Cáceres. Zijn interesse voor het werk van de Bosschenaar Roque de Balduque had hem naar deze kerk gevoerd. Binnen stond immers een enorm wandretabel dat in de 16de eeuw door Guillén Ferránt en Roque de Balduque vervaardigd was (zie foto 1). In een uitgave over de geschiedenis van het retabel las hij dat, volgens het contract, het retabel van drie houtsoorten gemaakt moest worden: ceder, grenen en ‘madera de borne de Flandes’. Deze laatste houtsoort was hem onbekend, maar door de aanduiding ‘de Flandes’ (‘Vlaams’) dacht hij dat het om een houtsoort ging die in Vlaanderen of elders in de Lage Landen groeide.

hout voor panelen en sculpturen in de 16de eeuw zeer schaars was in de Lage Landen. Het is bekend dat Vlaamse kunstenaars in

S A M E N VAT T I N G

die tijd hout van een uitstekende kwaliteit uit de Baltische landen gebruikten. Dus de aanduiding ‘Vlaams’ zou slechts kunnen

landen zoals Spanje. Dit hout, bewerkt of onbewerkt, werd daar 'Vlaams' hout genoemd. Dit artikel levert aan de hand van dendrochronologisch en literatuuronderzoek een bijdrage aan onze kennis over voormalige houthandelsroutes die Nederlanders volgden. Een aantal voorbeelden van de handel naar en vanuit de toenmalige Nederlanden wordt eveneens weergegeven.

In Nederland wordt veel oud hout uit verre oorden gevonden in boven- en ondergrondse structuren zoals schepen, gebouwen of kunstwerken. Met name vanaf de Late Middeleeuwen vond de aanvoer van hout voor woning- en scheepsbouw op regelmatige basis plaats. Nederlandse handelaren vervoerden het hout echter niet alleen naar hun eigen land. Een deel ging door naar zuidelijke

12


VITRUVIUS verwijzen naar de nationaliteit van de handelaren die het hout naar Spanje brachten. De Lage Landen hebben toen immers een cruciale rol in de internationale houthandel gespeeld. In dit stuk zal over de mogelijke oorsprong van het zogenaamde ‘Vlaamse’ hout worden gespeculeerd. Daarbij wordt vooral aandacht besteed aan de beschrijving van houthandelsroutes vanaf de Late Middeleeuwen tot de 18de eeuw van en naar het huidige Nederland.

De route naar het Zuiden In het begin van de 16de eeuw kwamen de Nederlanden onder het gezag van Karel V, de Spaanse koning en later ook keizer van het Heilige Roomse Rijk. Reeds in de tijd van zijn (Bourgondische) voorgangers waren steden als Brugge en Antwerpen, maar ook Middelburg en Bergen op Zoom, van belang in de contacten met Zuid Europa.1 Vanuit deze steden werden houten kunst- en gebruiksvoorwerpen naar Spanje verhandeld. In die tijd werden op het Iberisch schiereiland vele goederen die uit de Lage Landen kwamen ‘Vlaams’ genoemd.2 Dat valt te verklaren vanuit de gezichtsbepalende rol die Vlaanderen op dat moment binnen de Lage Landen speelde. Toen Santiago de Compostela zich in de 12de eeuw begon te ontwikkelen tot belangrijk bedevaartsoord, begon de migratie van ambachtslieden van het noorden naar het Iberisch schiereiland. Vooral langs de routes daarheen, werden kerken, kloosters en kapellen gebouwd, versierd en ingericht. Hierdoor groeiden de commerciële banden tussen Noord en Zuid. In de 15de eeuw werd de Vlaamse kunst bewonderd – en gekocht – door de Spaanse adel en de machtige handelaren.3 Deze situatie maakte Spanje in de 16de eeuw nog aantrekkelijker voor architecten, bouwmeesters, kunstenaars en ambachtslieden uit het noorden.4 Hieronder bevond zich ook de eerdergenoemde Roque de Balduque, beeldhouwer uit ’s-Hertogenbosch (Bolduque, in het Spaans). Met een aantal broers vertrok hij in de eerste helft van de 16de eeuw naar Spanje, waar ze hun naam vestigden.5 Tegenwoordig zijn de werken van Vlaamse beeldhouwers, houtsnijders en timmerlieden te vinden op het hele Iberisch schiereiland. Kunstenaars en ambachtslieden uit met name de zuidelijke Nederlanden zijn daarmee verantwoordelijk voor het noordelijk accent binnen de Spaanse gotiek. Dat klinkt nu nog door in de termen ‘estilo gótico hispanoflamenco’ en ‘arte hispanoflamenco’.6

NUMMER 6

JANUARI 2009

‘Vlaams’ hout op het Iberisch schiereiland De Lage Landen exporteerden dus vanaf het begin van de 16de eeuw kunst en kunstenaars richting Spanje. Beelden, altaarstukken (retabels), tapijten en andere waardevolle objecten kwamen naar het Iberisch schiereiland. Maar het bleef niet bij kunst en hun makers, want ook (nog onbewerkt) hout werd door Nederlandse/Vlaamse handelaren naar Spanje vervoerd.7 Soms werd dit hout genoemd naar de haven waar het verscheept werd, zoals ‘Riga grenen’. In andere gevallen werd het aanduiding ‘de Flandes’ (uit Vlaanderen) aan de houtsoort toegevoegd. De term ‘madera de borne de Flandes’ 8 (Vlaams eikenhout) is bijvoorbeeld bekend uit de opdrachtomschrijving van het retablo mayor van de Iglesia de Santa María la Mayor te Cáceres.9 Aan dit altaarstuk heeft de Bosschenaar Roque de Balduque in Spanje gewerkt in de 16de eeuw. Het is de auteurs onbekend of hij zijn opdrachtgevers specifiek om het gebruik van dit eikenhout had gevraagd. Uit dendrochronologisch onderzoek is gebleken dat in die tijd kunstenaars in de Lage Landen vaak gebruik maakten van geïmporteerd Baltisch hout, dat speciale kwaliteiten bezat voor het maken van beeldjes en panelen.10 Zou dan dit ‘Vlaamse’ eikenhout dat in Spanje werd gebruikt van Baltische herkomst kunnen zijn? Deze vraag is nog niet door dendrochronologisch onderzoek beantwoord, omdat

Spanje tot de gebieden behoort waarvan wij geen dendrochronologische data van historisch hout hebben (een zogeheten 'blanco' gebied). Desondanks, in de context van internationale houthandel in de 16de eeuw, kan dit hout gemakkelijk van verderweg dan de Lage Landen gekomen zijn.

Houthandel in de Lage Landen vanaf de Late Middeleeuwen Net zoals elders is ook in de Lage Landen de geschiedenis van houthandel sterk verweven met de politieke en sociale geschiedenis. Al

2 VLOT BIJ DE NONNENWHER IN PFORZHEIM, CIRCA 1890. RECHTS EEN ZAAGMOLEN. FOTO: STADTARCHIV PFORZHEIM IN SCHEIFELE, 1996, VIA L. VAN PROOIJE

3 HET VOC-SCHEEPSWERFTERREIN OP OOSTBURG IN AMSTERDAM. PRENT UIT 1750, OP DE VOORGROND DE IJ-OEVER MET TWEE SCHEEPSHELLINGEN.

13

BRON: BUREAU MONUMENTENZORG EN ARCHEOLOGIE, AMSTERDAM


M

VITRUVIUS

in de Late Middeleeuwen kenden onze gewesten een (relatief) grote bevolkingsdichtheid, waardoor er een grote vraag was naar hout. Hout was in die tijd het voornaamste bouwmateriaal voor huizen en schepen. Kunstenaars gebruikten het tevens voor panelen, retabels en beelden. Bovendien waren grote hoeveelheden brandhout nodig bij het koken, het verwarmen van de huizen en het in bedrijf houden van smederijen, gieterijen en andere werkplaatsen. Het resultaat was dat de in de Lage Landen aanwezige bossen flink gekapt of intensief beheerd werden (hakhout) om te voldoen aan de grote

NUMMER 6

JANUARI 2009

vraag naar hout.11 Tijdens de Late Middeleeuwen was het lokale aanbod zo schaars dat het hout voor woning- en scheepsbouw uit landen verder weg moest worden ingevoerd.12 In de 13de eeuw leidde de totstandkoming van de Hanze, een alliantie van handelssteden rond de Oostzee en de Baltische Zee, tot stabiele handelsroutes die steden langs kusten en rivieren met elkaar verbonden. Dit handelsnetwerk spreidde zich al snel uit in de 14de eeuw naar steden zoals Brugge in het westen en Keulen in Centraal Europa.13 Dit

netwerk verhoogde de reikwijdte en de intensiteit van de handel tussen West-Europa en de oostelijke Baltische landen.14 Tot dit verbond behoorde ook een groot aantal steden uit de Nederlanden, zoals Deventer en Kampen. In de 14de eeuw ontwikkelden de belangrijkste steden in het zuiden, zoals Brugge en Antwerpen, zich tot toonaangevende handelscentra en daarmee tot trefpunten van handelaren uit Noord- en ZuidEuropa.15 Deze bevoorrechte positie werd teniet gedaan door Holland en Engeland aan het eind van de 16de eeuw.16 Door deze brede verspreiding van handelverbindingen, wist

4 HOUT VAN SCHEEPSWRAKKEN IS EEN SCHAT VOOR DENDROCHRONOLOGEN. SCHEEPSWRAK BIJ KATSE VEER, ZEELAND

Scheepswrak als schat Veel van de vaartuigen die tussen de 16de en de 18de eeuw vervaardigd werden, liggen inmiddels op de zeebodem, geclassificeerd als ‘maritiem cultureel erfgoed’. Het materiaal waaruit ze gemaakt zijn, vormt voor dendrochronologen een ‘gezonken schat’ omdat meer dan 3000 bomen nodig waren om een middelgroot schip te bouwen. Naarmate het lokale hout schaarser bleek, kwam het

bouwmateriaal uit verderweg gelegen gebieden. Het is bekend dat eikenhout uit Duitsland en de Baltische landen naar Nederland werd aangevoerd voor toepassing in de scheepsbouw. Tevens werden grove dennen vanuit de haven van Riga geïmporteerd om dienst te doen als masten. De Nederlandse handelaren voerden dit noordelijke hout door naar zuidelijke landen zoals Spanje. Termen zoals ‘Pruisisch grenen’, ‘Riga grenen’ of ‘grenen uit Vlaanderen’ worden

14

FOTO : M . M A N D E R S

vaak gevonden in Spaanse literatuur over scheepsbouw in de 16de tot de 18de eeuw. Deze grove dennen werden gebruikt voor masten en dekken of andere delen die niet in contact kwamen met het zeewater. Een gevolg van deze handelsrelaties is dat tegenwoordig in scheepswrakken hout van verschillende herkomst gevonden kan worden. Daarom moet het onderzoek op dit soort voorwerpen vanuit een internationaal perspectief gerealiseerd worden. Samenwerking tussen onderzoekers uit zowel de landen

die het hout leverden als die waar het hout aangetroffen wordt is dus nodig. Dendrochronologie is in deze context een hulpmiddel voor het vaststellen van de ouderdom en de oorsprong van het hout. Dit maakt bovendien de beschrijving mogelijk van de keuze voor bepaalde houteigenschappen en houtsoorten in relatie tot hun gebruik. In andere woorden, dendrochronologie kan ons helpen om de informatie die in deze schat verborgen ligt, weer ‘boven water te halen’.


VITRUVIUS

hout van zeer verschillende oorsprong de Nederlandse markten te bereiken. Een deel van deze aanvoer werd ook naar het buitenland verhandeld, waaronder Spanje.

Duits hout De houtaanvoer vanuit het Duitse gebied naar de Nederlanden kent een lange geschiedenis die in de 2de eeuw met de Romeinen begon.17 Tijdens de Middeleeuwen speelden de Rijn, Maas, Waal, Eems en IJssel een belangrijke rol voor het vervoer van hout vanuit de Duitse regio naar Nederlandse gebieden. Naast eikenhout werd ook naaldhout aangevoerd. Uit dendrochronologisch onderzoek van naaldhout in een aantal gebouwen in Utrecht en Deventer blijkt dat in de 13de en 14de eeuw dennenhout (Abies alba) uit de Alpen en het zuiden van Duitsland gebruik werd.18 Het hout werd voornamelijk als vlot over rivieren naar stapelmarkten of zeehavens vervoerd. Dit was een goedkope manier en vaak ook de enige mogelijke wijze van transport. Een betrekkelijk kleine hoeveelheid hout werd met schepen vervoerd.19 Een Duitse stad als Pforzheim, gelegen aan de noordelijke rand van het Zwarte Woud ontwikkelde zich in de 14de eeuw tot een handelscentrum voor gevlot naaldhout (zie figuur 2). Het hout kwam naar Pforzheim over de rivieren Würm, Nagold en Enz, waarna het via Neckar en Rijn naar de Nederlanden ging.20 Eenmaal in Nederland ging het hout richting de stapelmarkt van Dordrecht. Het stapelrecht van 1299 gaf deze stad het privilege om al het hout dat via Rijn en Maas aangevoerd werd te verhandelen.21 Hoewel dit recht in de 15e eeuw aan belang verloor (onder meer door de gevolgen van de Sint-Elisabethsvloed in 1421), laten de tolregisters en verschillende verbeteringen in de stedelijke infrastructuur zien dat in de 17de en 18de eeuwen nog aanzienlijke hoeveelheden Duits hout via Dordrecht naar met name de Zaanstreek, Amsterdam en Rotterdam werden vervoerd.22 In het begin van de 18de eeuw werd langs de Rijn een aantal Holländer Holz-Floss-compagnieën gevestigd. In die tijd waren rijnvlotten met een lengte van meer dan 320 m, een breedte van 50 m en een diepte van 2,20 m heel gebruikelijk.23 In de Lage Landen werd Duits hout graag gebruikt als constructiehout voor huizen en schepen en in mindere mate ook voor meubilair of kunstobjecten, omdat voor deze laatste het Baltische eikenhout favoriet was.24

NUMMER 6

JANUARI 2009

Dendrochronologie en herkomst van het hout Dendrochronologie houdt zich als wetenschap bezig met onderzoek van jaarringen in het hout. Bij daterend dendrochronologisch onderzoek moeten eerst referentiekalenders (chronologieën) voor een bepaald gebied opgebouwd worden. In een gematigd klimaat vormt een boom elk jaar net onder de schors een nieuwe groeiring. Die is breder in een (klimatologisch) gunstig jaar en smaller in een ongunstiger. De variatie in de breedte van jaarringen geeft een groeipatroon weer. Het principe van dendrochronologie is dat bomen van dezelfde houtsoort die in hetzelfde gebied groeien, hetzelfde groeipatroon vertonen. Deze kunnen in een zogenaamde ‘referentiekalender’ gemiddeld worden. Door jaarringpatronen van levende bomen te overlappen met die van historisch, archeologisch, en subfossiel hout, kan een referentiekalender terug in tijd worden verlengd. De belangrijkste resultaten hiervan voor de cultuurhistorische weten-

schappen zijn exacte dateringen van houten voorwerpen (bijvoorbeeld schilderijen en beelden), schepen, gebouwen, archeologische vondsten en resten van voormalige vegetatie. In Noord- en Midden-Europa hebben de resultaten uit het onderzoek van levende bomen, monumentale gebouwen, kunsthistorische objecten, archeologische houtresten en resten van subfossiele bomen de afgelopen decennia geleid tot de ontwikkeling van referentiekalenders voor onder andere eik (Quercus sp.), grove den (Pinus sylvestris), zilverspar (Abies alba) en fijnspar (Picea abies). Dit netwerk van referentiekalenders heeft inmiddels een nieuwe tak van jaarringonderzoek mogelijk gemaakt: de zogeheten ‘dendroprovenancing’. Deze richting houdt zich bezig met de herkomst van historisch hout. Om de oorsprong van het hout te kunnen bepalen, worden lokale referentiekalenders uit bepaalde gebieden gebruikt. De meeste

lange historische referentiekalenders voor Centraal- en Noord-Europa zijn echter gemaakt voor ‘dateringsdoeleinden’. Ze kwamen tot stand door de middeling van jaarringen van monsters afkomstig uit een groot gebied. Dit betekent dat ze heel goed bruikbaar zijn voor datering, maar niet om de herkomst van hout mee vast te stellen. Deze chronologieën zouden uitgesplitst moeten worden om ze daarna opnieuw samen te voegen volgens hun oorsprong. Bovendien is er gebrek aan historische referentiekalenders voor andere gebieden, zoals voor bijvoorbeeld het Iberisch Schiereiland aan de ene kant van Europa en WitRusland en Oekraïne aan de andere kant. In deze landen zijn de historische archieven de enige bron van informatie over houthandel. Voor meer informatie over dendrochronologie zie de website van Stichting Ring: www.archis.nl/RINGnieuw

5 HET OPBOUWEN VAN REFERENTIEKALENDERS.(FOTO: ECKSTEIN EN WROBEL, 2008) 15


M

VITRUVIUS

Baltisch hout

NUMMER 6

Paul Rubens (1577 - 1640) en Rembrandt (ca.

4 BELANGRIJKE SCHEEPVAARTROUTES DIE IN DIT ARTIKEL GENOEMD WORDEN.

De aanvoer van hoogwaardig Baltisch hout naar de Lage Landen was tot de tweede helft van de 17de eeuw van groot belang. Het meeste hout was afkomstig uit bossen langs de rivier de Vistula en haar zijtakken in het huidige Polen en Wit-Rusland.25 Het hout werd als vlotten over de Vistula naar Danzig vervoerd. De tolregisters langs deze rivier wijzen uit dat zo’n vlot meestal bestond uit deels bewerkte producten zoals grote planken (wagenschot) en duigen. De bomen werden kort na de kap al in het bos gespleten. Meldingen van complete boomstammen komen minder vaak voor in de Poolse tolregisters.26 Vanaf de haven van Danzig werd het hout verder in het ruim van vaak Nederlandse koopvaarders getransporteerd. Toepassing vond plaats in scheepsbouw, panelen, sculpturen, retabels en andere houten kunstwerken. De schilder Jeroen Bosch (ca. 1450-1516) schilderde op panelen van hout uit de Oostzeelanden, evenals Pieter

JANUARI 2009

ILLUSTRATIE: S. VAN DAALEN

1606 - 1669).27 In 2007 zijn drie huidplanken en een plafondplank van het VOC-schip ‘de Batavia’, dat tussen 1627 en 1628 in Amsterdam gebouwd werd (zie foto 3), door Stichting RING dendrochronologisch gedateerd.28 De herkomst van twee van de huidplanken werd gesitueerd in de bossen van Zuid-Polen.29 Het Poolse/Baltische hout bezat een aantal opmerkelijke kwaliteiten die zeer veel waardering ondervonden in de westerse ateliers en scheepswerven. Een langzame groei (smalle jaarringen) leidt tot een homogene en fijne nerf, die er voor zorgde dat het hout vormstabiel bleef (het werkt weinig). Hierdoor was het Poolse hout ideaal voor het splijten in panelen en planken en voor de bewerking tot beelden.30 Gedurende de Hanzetijd was Danzig de belangrijkste houtuitvoerhaven van de Baltische Zee, maar de Dertigjarige Oorlog (1618 - 1648) maakte een einde aan de han-

16

delsroutes die onder invloed van de Hanze ontstaan waren.31 Vervolgens leidde de Noordse oorlog van 1655 - 1660 tussen Polen en Zweden ertoe dat Danzig zijn leidinggevende positie als Baltische haven moest afstaan aan Riga en (in mindere mate) Koningsberg (het huidige Kalinigrad in Rusland).32 Deze ontwikkelingen leidden ertoe dat het Poolse hout niet meer beschikbaar was voor de westelijke markten. De teloorgang van Danzig kan ook uit de Spaanse archiefstukken worden afgeleid. Daarin wordt in de 16de eeuw het ‘Pruisisch grenen’ genoemd dat via Vlaamse handelaren naar Spanje ging om als masthout te dienen. In de 18de eeuw was het geïmporteerde naaldhout ‘Riga grenen’.33 In de 14de eeuw werd eikenhout voor de scheepsbouw in kleine hoeveelheden vanuit Riga verscheept naar westelijke havens waaronder Lübeck. Grotere partijen eikenhout werden vanaf de tweede helft van de 15de eeuw uitgevoerd. De belangrijkste houten exportproducten richting de Nederlanden waren eiken schotten voor de scheepsbouw en naaldhout voor masten en molenwieken.34 In de 17de eeuw werden nog omvangrijkere hoeveelheden grenen over de Daugava naar Riga vervoerd, vanwaar het door Nederlandse schepen opgenomen werd en naar Spanje vervoerd.35 Sommige aanwijzingen laten zien dat deze grove dennen afkomstig kunnen zijn uit het stroomgebied van de Dnjeper (in het huidige Wit-Rusland).36 In de Hollandse stad Zaandijk leeft de plaatselijke veronderstelling dat toentertijd bij de bouw van huizen ‘Russisch’ grenen gebruikt werd. Dit zou (volgens de lokale bewoners) afkomstig zijn van schepen die op de lokale werf gedemonteerd werden nadat ze hun tijd er op hadden zitten.37 Het adjectief ‘Russisch’ zou een verwijzing naar de oorsprong van het hout of naar de uitvoerhaven (Koningsberg, Riga of zelfs Sint-Petersburg) kunnen zijn, hoewel hiervoor (nog) geen dendrochronologisch bewijs is.

Scandinavisch hout In de 15de en 16de eeuw werd maar weinig hout uit het huidige Zweden en Finland naar de Lage Landen vervoerd, terwijl de aanvoer van Noors hout een hoogtepunt na 1580 bereikte.38 In the 17de eeuw bleef het belang van Noorwegen als houtleverancier onder invloed van politieke ontwikkelingen groot.39 Een aanzienlijk deel van de Noorse houtuitvoer (tot 65%) was tot het eind van de 17de eeuw voor de Nederlanden bestemd. Het ging hierbij om nagenoeg onbewerkt eiken-,


VITRUVIUS vuren- en grenenhouten delen, balken en masten, die hoofdzakelijk afkomstig waren uit Zuid-Noorwegen.40 De Hollandse scheepsbouw die in deze periode hoogtij vierde, was toen niet alleen de grootste afnemer van Scandinavisch hout maar ook van hennep en teer.41 We treffen in Nederland Scandinavisch eiken- en naaldhout aan in steden die toentertijd aan de kust lagen of die via waterwegen een korte verbindingsweg met de kust hadden.42 Op een enkele uitzondering na, dateert dit hout uit het eind van de 16de eeuw of later. Dendrochronologisch onderzoek aan de vuren (Picea abies) funderingspalen van het Maritieme Museum van Amsterdam toonde aan dat deze rond het midden van de 17de eeuw werden gekapt.43 Daarnaast bleek dat dit hout inderdaad afkomstig was uit het zuiden van Noorwegen. In dit geval was het hout van de fundering homogeen in soort en herkomst. In andere gevallen treffen we een combinatie aan van hout uit diverse gebieden en bestaande uit diverse soorten, wat suggereert dat het gekocht moet zijn op belangrijke houtmarkten met een groot en divers aanbod. Interessant hieraan is dat de onderlinge dendrochronologische vergelijking tussen Scandinavisch eiken uit uiteenlopende steden een uitstekende ‘match’ oplevert. Dit wijst erop dat deze eiken in hetzelfde (Scandinavische) gebied groeiden en ten dele wellicht zelfs in hetzelfde bos.44

NUMMER 6

JANUARI 2009

Soms helpt informatie uit archiefstukken en literatuur bij de determinatie van de herkomst. Maar deze bron kan ook gefragmenteerd zijn. Dendrochronologie kan de bestaande kennis aanvullen en versterken. Om ons heen wacht nog veel historisch hout op ontdekking en onderzoek. Bovendien zijn er nog grote hoeveelheden (digitale) dendrochronologische data beschikbaar voor vervolgonderzoek. Momenteel worden reeds verzamelde dendrochronologische data uit Nederlandse en Belgische structuren en objecten binnen het NWO/GW project Digital Collaboratory for Cultural-Historcal Dendrochronology in the Low Countries bijeengevoegd in een digitale databibliotheek, met als doel van grootschalig onderzoek naar ondermeer de voormalige houthandel.45 Dit is echter niet voldoende. Daarnaast dient er materiaal verzameld te worden in dendrochronologisch ‘blanco’ gebieden, zoals het Iberisch schiereiland, Wit-Rusland en de verder weg gelegen Oekraïne. Hierdoor kunnen dendrochronologische referentiekalenders opgebouwd worden, die ons verder helpen de puzzel van handel en transport van hout in het verleden op te lossen. Wij willen graag Esther Jansma, Paul Copini, Ronald Visser, Sjoerd van Daalen en Ute Sass-Klaassen bedanken voor hun kritische opmerkingen bij eerdere versies en voor hun redactionele bijdragen aan deze tekst. Onze dank gaat ook uit naar M. Manders, BMA en J.M. van den Berselaar-van Osch voor het beschikbaar stellen van hun foto’s.

Terug naar het Iberisch schiereiland Na alles wat inmiddels gezegd is over de houthandel in de Lage Landen door de eeuwen heen, lijkt het aannemelijk dat het ‘Vlaamse’ eikenhout dat op het Iberisch schiereiland werd gebruikt niet in de Lage Landen heeft gegroeid. De Scandinavische herkomst van dit hout schijnt vrij onwaarschijnlijk, aangezien het ingevoerde eikenhout van deze landen meestal voor bouwdoeleinden werd gebruikt. De Duitse herkomst kan niet verworpen worden. Echter, de uitstekende reputatie van het Baltische eikenhout dat in Vlaanderen werd gebruikt, zou het Iberisch schiereiland bereikt kunnen hebben samen met de Vlaamse kunstenaars. Het hout zelf zou via de Nederlandse handelaren in Spanje beland kunnen zijn en daarmee de naam ‘Vlaams’ eikenhout hebben gekregen.

Benodigd onderzoek Vanaf de Late Middeleeuwen zorgde een levendige handel voor de verspreiding van hout uit diverse landen over heel Europa.

1

Fagel, 1996, p. 4. In Spaanse teksten uit de beschreven periode kan ‘de Flandes’ ‘uit het graafschap Vlaanderen’ betekenen, maar vaker nog ‘uit de zuidelijke Nederlanden’ of zelfs ‘uit de Nederlanden’ dan wel ‘uit de Lage Landen’, zie Rodríguez Pérez, 2003, p. 159; in dit artikel gebruiken we de namen ‘Lage Landen’ en ‘Nederlanden’ door elkaar met dezelfde betekenis. 3 Martens en Peeters, 2002, 164, 166. 4 Gómez Bárcena, 2004, pp. 36-37. 5 García Chico, 1993, p. 37. 6 Thomas en Stols, 2000, p. 39; deze termen hebben geen relatie met het muziekgenre Flamenco, zie www.flamenco.nl/flamenco.cgi? pg=watisflamenco 7 Gérard en Glatigny, 1996, p. 59; Zunde, 1999, p. 121. 8 ‘Borne = uit de latijn alburnum, spinthout; verwijst naar een houtsoort dat hard, gemakkelijk te splijten en moeilijk om te bewerken is’ Uit: Moliner, 2007, p. 421; in Spanje werd deze term systematisch gebruikt voor de aanduiding van eiken2

17

hout. Tegenwordig wordt deze naam in Spanje gebruikt om naar de houtsoort Quercus pyrenaica te verwijzen. 9 García Mogollón, 1993, p. 28 10 Haneka et al. 2005, p. 262; Jansma et al. 2004, p. 142. 11 Copini, persoonlijke mededeling. 12 Haneka et al., 2005. p. 262. 13 Brand, 2007, via: www.balticconnections.net/ index.cfm?article=Baltic+Sea+Trade 14 Wazny, 2005, p. 115. 15 Haneca, 2005, p. 2. 16 Baetens, 2003, p. 76. 17 Visser, 2006; Van Helmond, 2008; Jansma, 2007. 18 Sass-Klaassen, 2000, p. 90. 19 Van Prooije, 1990. 20 http://en.wikipedia.org/wiki/Pforzheim 21 Van Prooie, 1992. 22 Idem. 23 Buis, 1985, p. 506, 507. 24 Stichting Ring ongepubliceerde data; Jansma et al. 2004, p. 143. 25 Wazny, 2005. p. 117. 26 Idem, p. 119. 27 Eckstein et al. 1986, pp. 465-466. 28 RING-rapportnummers 2007002 en 2007014. 29 Wazny, persoonlijke mededeling. 30 Gérard en Glatigny, 1996, p. 59; SassKlaassen, persoonlijke mededeling. 31 Eckstein en Wrobel, 2007, p. 13. 32 Wazny, 2005, p. 119. 33 De Aranda y Antón, 1990. 34 Zunde, 1999, 122.. 35 Idem, p. 122. 36 Idem, p. 126. 37 Horneman, persoonlijke mededeling. 38 Buis, 1985, p. 510. 39 Wazny, 2005, p. 119; 40 Buis, 1985, p. 510. 41 Brand, 2007, via: http://www.balticconnections.net/index.cfm?article=Baltic+Sea+Trade. 42 Stichting Ring en BAAC b.v., ongepubliceerd data. 43 Sass-Klaassen et al. 2008, p. 100. 44 Stichting Ring en BAAC b.v., ongepubliceerd data. 45 Voor meer informatie hierover: www.dccd.nl

Literatuur – Baetens, R. 2003. El desarrollo social y económico de Flandes durante los siglos XV, XVI y principios del XVII. Thomas W. y Verdonk R. (eds.), Encuentros en Flandes, Relaciones e intercambios hispanoflamencos a inicios de la Edad Moderna, Leuven, p. 75-88. – Brand, H., 2007. Baltic Sea Trade: A history of the maritime relations between the countries around the Baltic Sea between 1450 and 1800. – BALTIC CONNECTIONS. Changing


M

VITRUVIUS

Patterns in Seaborne Trade (c. 1450-1800). Via: www.balticconnections.net/ index.cfm?article=Baltic+Sea+Trade – Buis, J., 1985. Historia forestis: Nederlandse bosgeschiedenis; deel 2, Houtmarkt en houtteelt tot het midden van de negentiende eeuw. Landbouwhogeschool, Wageningen en HES Uitgevers B.V., Utrecht. – De Aranda y Antón, G. 1990. Los Bosques Flotantes: historia de un roble del siglo XVIII. Colección Técnica. Ministerio de Agricultura, Pesca y Alimentación. ICONA. – Eckstein, D. en Wrobel, S. 2007. Dendrochronological proof of origin of historic timber - retrospect and perspectives. In: TRACE - Tree Rings in Archaeology, Climatology and Ecology, Vol. 5 Proceedings of the DENDROSYMPOSIUM, 20-22 April, 2006, Tervuren, Belgium. - Jülich: Forschungszentrums Jülich, p. 13. – Eckstein, D., Wazny, T., Bauch, J., Klein, P., 1986. New evidence for the dendrochronological dating of Netherlandish paintings. Nature 320(3): 465-466. – Eckstein, D. en Wrobel, S., 2008: Dendrochronologie. In: Andreas Hauptmann, Volker Pingel (ed.), Archäometrie, E. Schweizerbart’sche Verlagsbuchhandlung, Stuttgart, 154-170. – Fagel, R., 1996. De Hispano-Vlaamse wereld, De contacten tussen Spanjaarden en Nederlanders 1496 - 1555. Brussel/Nijmegen. – García Chico, E., 1993. Los Bolduque, escultores. Boletín del seminario de estudios de arte y arqueología, 1936-1939, p. 37. – García Mogollón, F.J., 1993. Concatedral de Cáceres, Santa María la Mayor, vol. 16. Edilesa, León. – Gérard, A. en Glatigny, J.A. 1996. Fifteenth- and sixteenth-century methods of cutting wood for works of art. Symposium on Wood and Furniture Conservation. Veres/OR, Amsterdam, p. 59-60. – Gómez Bárcena, M. 2004. Arte y devoción en las obras importadas. Los retablos ‘flamencos’ esculpidos tardogóticos: estado de la cuestión. Anales de la historia del Arte 14, Madrid, 36-37. – Haneca, K., 2005. Tree-ring analysis of European oak: implementation and relevance in (pre)historical research in Flanders. Ph.D. dissertation, Ghent University, Ghent. – Haneca, K., Wazny, T., Van Acker, J.

NUMMER 6

JANUARI 2009

and Beeckman. 2005. Provenancing Baltic timber from art historical objects: successes and limitations. Journal of Archaeological Science 32: 261-271. – Jansma, 2007. Datering, herkomst en bouwvolgorde van De Meern 4. In: T. de Groot & J.-M.A.W. Morel (red.), 2007: Het schip uit de Romeinse tijd De Meern 4 nabij boerderij de Balije, Leidsche Rijn, gemeente Utrecht. Waardestellend onderzoek naar de kwaliteit van het schip en het conserverend vermogen van het bodemmilieu. RACM, Amersfoort. – Jansma, E., Hanraets, E. and Vernimmen, T. 2004. Tree-ring research on Dutch and Flemish art and furniture. In: Jansma, E., Bräuning, A., Gärtner, H. and Schlesser, G. (Eds.), Tree Rings in Archaeology, Climatology and Ecology, Volume 2. Proceedings of the Dendrosymposium 2003. Schriften des Forschungszentrum Jülich, Reinhe Umwelt 44. Forschungszentrum Jülich, Jülich, 139-146. – Martens, M. P. J en Peeters, N., 2002. El Renacimiento en el mundo flamenco y las relaciones artísticas con España. In: Erasmo en España : la recepción del humanismo en el primer renacimiento español : Escuelas Menores de la Universidad de Salamanca 26 de septiembre de 2002 - 6 de enero de 2003. Sociedad Estatal para la Acción Cultural Exterior. – Moliner, M., 2007. Diccionario de uso del español, a-i. Tercera edición. Editorial Gredos. Madrid. – Rodríguez Pérez, Y., 2003. De Tachtigjarige Oorlog in Spaanse ogen. De Nederlanden in Spaanse historische en literaire teksten (circa 1548-1673). Uitgeverij Vantilt. – Sass-Klaassen, U. 2000. Dendrochronologisch onderzoek aan naaldhout uit Nederlandse monumenten. KNOB Bulletin, Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond. Jaargang 99, 2000, nummer 3, 85-94. – Sass-Klaassen, U., Vernimmen, T., Baittinger, C., 2008. Dendrochronological dating and provenancing of timber used as – foundation piles under historic buildings in The Netherlands. International Biodeterioration & Biodegradation 61, 96-105. – Scheifele, M., 1996. Als die Wälder auf Reisen gingen: Wald, Holz, Flösserei in der Wirtschaftsgeschichte des Enz-Nagold-Gebiets. G. Bruin Druckerei GmbH & Co. KG, Karlsruhe.

18

– Thomas, W. en Stols, E., 2000. La integración de Flandes en la Monarquía Hispánica. In: Thomas W. y Verdonk R. (eds.), Encuentros en Flandes, Relaciones e intercambios hispanoflamencos a inicios de la Edad Moderna, Leuven, 39. – Van Helmond, N., 2008. Forum Hadriani: A dendrochronological study to determine the age and origin of wood from a Roman quay and landing stage. Bachelor’s thesis, Utrecht University. – Van Prooije, L. A., 1990. De invoer van Rijns hout per vlot 1650 - 1795. Economischen Sociaal-historisch Jaarboek, 53, pp 30-79. – Van Prooie, L.A., 1992. Dordrecht als centrum van de Rijse houthandel in de 17e en 18e eeuw. Economisch- en sociaalhistorisch jaarboek, dl. 55, p. 143-158. – Visser, R., 2006. De Romeinse houtvoorziening in het gebied van de Nedergermaanse Limes. Een historisch en dendrochronologisch perspectief. Amsterdam (doctoraalscriptie Vrije Universiteit Amsterdam). – Wazny, T. 2005. The origin, assortments and transport of Baltic timber: historic-dendrochronological evidence. In: Van de Velde, C., Beeckman, H., Van Acker, J. and Verhaeghe, F. (Eds.). Constructing Wooden Images: proceedings of the symposium on the organization of labour and working practices of late gothic carved altarpieces in the Low Countries, Brussels 25-26 October 2002. VUB Press, Brussels, p. 115. – Zunde, M. 1999. Timber export from old Riga and its impact on dendrochronological dating in Europe. Dendrochronologia, 16-17, 1998-1999: 119-130. I R. M. (M ARTA ) D OMÍNGUEZ D ELMÁS is wetenschappelijk medewerker/dendrochronoloog van Stichting RING , het Nederlands centrum voor dendrochronologie. H.J.P.M. (H ARRY ) VAN DEN B ERSELAAR MCC is Senior communicatiemedewerker RACM .


Onderscheidende inhoud

Hoogstaand drukwerk

Smaakvolle vormgeving

Perfecte distributie

Uw relaties zijn het waard Uw relaties zijn de basis voor uw succes. Dat mogen ze best weten. Geef blijk van uw waardering met een uitgave op niveau. Perfect drukwerk dat de ontvanger het gevoel van een cadeau geeft... Dat bereikt een e-mailing of website nooit. Educom realiseert al meer dan 20 jaar toonaangevende publicaties. Van basis-concept, inhoud en ontwerp, tot en met distributie (incl. sealen, postale- en abonneeservice). U heeft al een uitgave, of voelt er wel voor? Neem contact op voor een gesprek over hoe onze expertise u van dienst kan zijn.

Uitgeverij Educom BV

www.uitgeverijeducom.nl

Mathenesserlaan 347 Rotterdam T 010 - 425 6544 info@uitgeverijeducom.nl


C

C U LT U U R L A N D S C H A P

D.M. PURMER

D E AT L A N T I K W A L L I N H E T N AT I O N A A L PA R K Z U I D - K E N N E M E R L A N D

BUNKE R S in het duin

FOTO: M. PURMER

In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland liggen belangrijke restanten van de Atlantikwall, de Duitse linie uit de Tweede Wereldoorlog. In samenhang zijn hier diverse elementen en structuren als bunkers, wegen en tankgrachten bewaard gebleven. Belangrijke natuurwaarden hebben zich inmiddels op en rond deze linie ontwikkeld. De tijd lijkt rijp om zowel wat betreft bescherming als beleving stappen te nemen. Bescherming van delen van de Atlantikwall kan helpen keuzes te maken in het gebied. De RACM zou hierbij het initiatief kunnen nemen. Daarnaast zou erkenning van de monumentale waarden van de Atlantikwall kunnen helpen in het ontwikkelen van meer belevingsmogelijkheden rondom deze unieke restanten uit de Tweede Wereldoorlog.

ver Zuid-Kennemerland, het duingebied ten westen van Haarlem, wordt wel verteld dat de Duitsers er meer overhoop gehaald hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog dan de mens in alle eeuwen daarvoor. Feit is in ieder geval wel, dat in een klein aantal jaren het duingebied een ongekende bouwactiviteit heeft gezien. Maar dat is inmiddels als ruim zestig jaar geschiedenis. Hoe staat het nu met de overblijfselen van de Atlantikwall? En hoe passen deze in een natuurgebied?

O

In dit artikel wordt eerst kort de historische achtergrond van de Atlantikwall in de duinen van Zuid-Kennemerland geschetst. Vervolgens wordt ingegaan op de nog overgebleven

restanten in samenhang met het omringende landschap. Tenslotte wordt gekeken naar het samengaan van behoud van dit erfgoed met natuurbeheer en mogelijkheden voor de toekomst. Historische achtergrond van de Atlantikwall Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft de Duitse bezetter een verdedigingslinie aangelegd langs de West-Europese kust, van ZuidFrankrijk tot Noorwegen. Deze linie diende een geallieerde invasie te voorkomen. Ook de Nederlandse kust werd onderdeel van deze zogenaamde Atlantikwall. Orders tot aanleg van deze linie stammen uit december 1941, maar vanaf het voorjaar van 1942 tot mei 1945 zou aan deze verdedigingslinie gebouwd worden.

20

De Atlantikwall was niet opgezet als een aaneengesloten linie, maar als een keten van onafhankelijk te verdedigen steunpunten. De kleinste verdedigbare kern bestond uit een Widerstandsnest. Twee of meerdere Widerstandsnester vormden een Stützpunkt. Deze vormden de bouwstenen van de Atlantikwall. Combinaties van onafhankelijke Widerstandsnester en Stützpunkte vormden de verdediging van een kustdeel. Kustdelen kenden één van de drie verdedigingsstatussen (van minder belangrijk tot hoogst belangrijk): Freie Kuste, Stützpunktgruppen en Verteidigungsbereiche. Beide laatstgenoemde typen bestonden uit diverse met lichte en zware wapens uitgeruste bunkers, omgeven door een aanééngesloten anti-tanklinie. Hierbij verdedigden Verteidigungsbereiche


VITRUVIUS strategisch zeer belangrijke plekken, namelijk de havens waar een geallieerde invasie plaats zou kunnen vinden. Stützpunktgruppen verdedigden locaties van kleiner strategisch belang. Langs de Nederlandse kust lagen van Breskens tot Delfzijl 19 Stützpunktgruppen en vier Verteidigungsbereiche: Den Helder, IJmuiden, Hoek van Holland en Vlissingen. In 1944 werden IJmuiden en Hoek van Holland tot Festung verklaard: dit waren de lokaties die in ieder geval behouden moesten blijven. Vlisssingen zou later in 1944 worden opgenomen in de Festung Walcheren (Rolf, 2005). In het huidige duingebied van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland ligt zowel de noordgrens van het Stützpunktgruppe Zandvoort als het zuidfront van de Festung IJmuiden. Al sinds voorjaar 1942 was de Nederlandse kust verboden gebied. Ook kwam een verhuis- en vestigingsverbod voor Bloemendaal, Zandvoort en Velsen. In november 1942 werd in dit gebied ook daadwerkelijk met de bouw van de verdedigingswerken begonnen. Het betekende evacuatie van bewoners die direct achter de duinrand woonden. Naarmate de oorlog vorderde moesten steeds grote groepen mensen hun huizen verlaten. In Zandvoort werden 848 huizen en 13 hotels gesloopt voor de bouw van de Atlantikwall.

NUMMER 6

JANUARI 2009

In Velsen ging het zelfs om 4.000 huizen (Nationaal Park Zuid-Kennemerland, 2002). Het daadwerkelijke bouwen van de Atlantikwall had zich voor een groot deel buiten het blikveld van de bewoners afgespeeld, maar na de bevrijding bleken de duinen veranderd in een compleet militair landschap: ooggetuigen vertelden van prikkeldraadversperringen, wachtposten, zoeklichten en bunkers voorzien van kanonnen. Het strand zelf stond vol palen, hekken en obstakels. Ook lagen er mijnenvelden (Scheffer, 2004). Na de oorlog werden de meest in de weg liggende onderdelen al spoedig gesloopt. Vooral de ‘obstakels’ op het strand en werken op en langs de doorgaande wegen zullen snel opgeruimd zijn. Duitse krijgsgevangenen werden hierbij ingezet. Zo moesten strandgangers zomer 1947 regelmatig van het strand als er weer mijnen of bunkers tot ontploffing werden gebracht (Scheffer, 2004). Men wilde de sporen van de Duitse bezetters zo snel mogelijk uitwissen en de meest in het oog lopende bunkers verdwenen dan ook letterlijk uit het zicht, soms door ze gewoon met zand te bedekken. Vooral de aan het strand liggende bunkers voor de kustverdediging verdwenen in hoog tempo. Een enkel element van de Atlantikwall werd op bijna moderne manier hergebruikt. Zo werd een cluster bunkers vanaf de jaren vijftig

gebruikt als vakantiewoningen. Dit zogenaamde ‘Bunkerdorp’ is helaas in 1989 gesloopt (Van Oostrom, 2004). Een Duitse observatiepost in Bloemendaal werd door het gemeentebestuur verbouwd tot uitkijktoren (Scheffer, 2004). Dat er toch nog veel van het zuidfront van de Festung IJmuiden is overgebleven, danken

S A M E N VAT T I N G In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland liggen belangrijke restanten van de Atlantikwall, de Duitse linie uit de Tweede Wereldoorlog. In samenhang zijn hier diverse elementen en structuren als bunkers, wegen en tankgrachten bewaard gebleven. Belangrijke natuurwaarden hebben zich inmiddels op en rond deze linie ontwikkeld. De tijd lijkt rijp om zowel wat betreft bescherming als beleving stappen te nemen. Bescherming van delen van de Atlantikwall kan helpen keuzes te maken in het gebied. De RACM zou hierbij het initiatief kunnen nemen. Daarnaast zou erkenning van de monumentale waarden van de Atlantikwall kunnen helpen in het ontwikkelen van meer belevingsmogelijkheden rondom deze unieke restanten uit de Tweede Wereldoorlog.

2 EEN BUNKER IN GEBRUIK ALS VAKANTIEWONING IN HET ZOGENAAMDE BUNKERDORP. DIT VAKANTIECOMPLEX WAS GEVESTIGD IN BUNKERS DIE DEEL UIT MAAKTEN VAN DE FESTUNG IJMUIDEN. VANAF DE JAREN '50 HEBBEN DIVERSE BUNKERS ZO TIENTALLEN JAREN EEN NIEUWE FUNCTIE GEHAD ALS VAKANTIEVERBLIJF. IN 1989 ZIJN DE BUNKERS GESLOOPT.

FOTO : U I T O N S B LO E M E N DA A L , A R C H I E F D I E N S T K E N N E M E R L A N D

IJMUIDEN. DE HAVENS VAN IJMUIDEN ZIJN OMGEVEN DOOR DIVERSE BUN1 FESTUNG KERCOMPLEXEN (ZWARTE PUNTEN, DE NUMMERS VERWIJZEN NAAR DE ZOGENAAMDE BAUPUNKTE). EEN STELSEL VAN TANKGRACHTEN, DRAKETANDHINDERNISSEN EN TANKMUREN (DUBBELE LIJN, DIKKE LIJN EN DUNNE LIJN) OMSLUITEN DE FESTUNG. HET ZUIDELIJK GEDEELTE HIERVAN LIGT GROTENDEELS IN NATIONAAL PARK ZUIDKENNEMERLAND.

21

BRON: RUDI ROLF EN HANS SAKKERS DUITSE BUNKERS IN NEDERLAND, MIDDELBURG, 2005


C

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

OP DE ZEEWEG, NAAR BLOEMENDAAL AAN ZEE. DE TWEE STAANDE BETONNEN BLOKKEN KONDEN OVER DE WEG GEKANTELD 3 WALZKÖRPERSPERRE WORDEN. DE WEGVERSPERRING SLOOT AAN OP TANKMUREN. BRON: NOORD-HOLLANDS ARCHIEF

4 WALZKÖRPERSPERRE IN HET ZUIDFRONT VAN DE FESTUNG IJMUIDEN. DE HELFT IS TE ZIEN, IN GEOPENDE TOESTAND. DE LIGGING IN EEN OPEN GEBIED (ZIE HIERBOVEN) IS INMIDDELS BEHOORLIJK VERANDERD DOOR DE BEGROEIING. AAN BEIDE KANTEN SLUIT EEN TANKMUUR AAN OP DE WALZKÖRPERSPERRE. FOTO : M . P U R M E R

we waarschijnlijk aan het particuliere eigendom van dit deel van de duinen. Delen van dit gebied kwamen in de jaren zestig en zeventig aan Natuurmonumenten (Gorter, 1986). Het is aannemelijk dat na de oorlog de prioriteit van de toenmalige eigenaar niet heeft gelegen bij het slopen van de diverse bunkers en andere betonwerken. Ze lagen hier immers minder in de weg. Ook de kosten zullen hierbij een rol hebben gespeeld.

Restanten van de Atlantikwall in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland In dit artikel wordt voornamelijk ingegaan op de restanten van het zuidfront van de

Festung IJmuiden. Binnen de Atlantikwall was IJmuiden van groot strategisch belang: de haven was een mogelijk bruggehoofd voor de geallieerde invasie. Ook lagen hier de belangrijke sluizen in het Noordzeekanaal, het begin van de route naar Amsterdam. De hoogovens waren strategisch voor de Duitse oorlogsindustrie. Daarnaast was de haven van IJmuiden al sinds 1940 een uitvalsbasis voor torpedoboten. De status als Festung gaf aan dat behoud van IJmuiden voor de Duitsers van het grootste belang was. De bunkercomplexen zijn veel in het oog springende restanten van de Atlantikwall,

22

maar er is meer. Juist het zuidfront van de Festung IJmuiden illustreert dit goed. Dit was een gesloten, verdedigbare linie. Bunkers maakten hier maar een beperkt deel van uit. Het daadwerkelijke front was een combinatie van verschillende anti-tankversperringen. Deels een betonnen muur, deels een antitankgracht en deels bestaande uit andere tankversperringen zoals de zogenaamde ‘Höckerhindernissen’ bestaande uit pyramidevormige betonblokken. Doorgangen in dit front werden voorzien van kantelbare wegversperringen. Geschutsopstellingen verdedigden de linie. Daarnaast waren achter de linie bunkers en gebouwen met verschillende functies te vinden, variërend van munitieopslag tot manschappenverblijven en toiletgebouwtjes. Voor bouw van het complex en snelle verbinding tussen de diverse onderdelen van de Festung werden wegen aangelegd, bestaande uit betonplaten. Ook kwamen er diverse loopgraven die bunkers met elkaar verbonden. Al met al is het zuidfront een samenhangend complex van gebouwen en structuren geweest. In de tijd dat de Atlantikwall actief was waren prikkeldraadversperringen, ‘Spaanse ruiters’ en andere hindernissen op en rond de betonwerken aangebracht. Tenslotte hebben de Duitsers enerzijds schootsvelden vrij gemaakt, maar anderzijds ook beplanting ter camouflage aangebracht. Bekend is dat balsempopulieren voor dit doel gebruikt


VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

werden (Hengel, 1985). Daarnaast is voor de bouw van de diverse bunkers flink gegraven in het gebied. Duinen werden soms zelfs ‘versteild’ om als extra hindernis te dienen. De invloed op het landschap ter plaatse was dus erg groot. Wat is van al deze verdedigingswerken nog over, zestig jaar na dato? Zoals eerder vermeld is een aantal zaken verdwenen. In ieder geval zijn de verdedigingswerken in het landschap minder zichtbaar geworden. Lag de linie in 1945 vooral in het open veld, inmiddels is deze grotendeels aan het oog onttrokken. Deels omdat bunkers bewust onder het zand zijn gewerkt, maar ook zijn veel bouwwerken overwoekerd door bomen en struiken. Toch resteert nog genoeg. Atlantikwallkenners Rudi Rolf en Hans Sakkers noemen de Festung IJmuiden ‘de meest intacte vesting van West-Europa, waarin nog een grote diversiteit aan duurzame verdedigingswerken op een relatief klein oppervlak terug te vinden is. (…) Het zuidelijke Landfront is door samenhang van bunkers en tankhindernissen interessant’ (Rolf, 2005). Inderdaad is de ononderbroken lijn van verschillende tankhindernissen nog gaaf aanwezig. In verschillende vormen: tankgrachten, tankmuren en drakentanden komen allen aansluitend voor. In deze linie zit ook de – op Europees niveau – nu zeldzame wegversperring (Walzkörpersperre) met kantelbare betonblokken die de doorgang konden blokkeren. Zeldzaam, want juist deze werken verdwenen snel omdat ze letterlijk in de weg lagen. Daarnaast zijn rond de anti-tanklinie nog diverse bunkers te vinden. Sommige zijn door aanzanden aan het zicht ontrokken, andere liggen nog duidelijk zichtbaar in het landschap. Ook zijn er nog, voor wie goed kijkt, restanten over van het loopgravenstelsel in de vorm van zigzag lopende greppels in het bos. Op (korte) afstand van de anti-tankversperringen lagen de manschappenbunkers en opslagbunkers. Hiervan is ook nog een aantal bewaard gebleven, alhoewel de beroemde opslagbunker ‘De Moriaan’ recentelijk nog door brand verwoest is en daarna gesloopt.De diverse onderdelen van het zuidfront waren verbonden door wegen bestaande uit betonplaten. Stukken van deze weg bestaan nog, maar ook nog zeer recent zijn delen verdwenen. Voor de aanleg van een nieuw fietspad moesten de betonplaten wijken voor klinkers, alhoewel het tracé in ieder geval gehandhaafd is.

5 TANKMUUR, OOIT GELEGEN IN EEN OPEN LANDSCHAP, INMIDDELS OVERWOEKERD. Al met al is er nog behoorlijk wat aanwezig. De samenhang met het daadwerkelijke zuidfront, de anti-tanklinie, is groot. Door begroeiing en sloop is een aantal onderdelen wel verdwenen of moeilijker in samenhang met de overige onderdelen te beleven. Een gevaarlijke erfenis uit de Tweede Wereldoorlog vormt de grote hoeveelheid onontplofte munitie in het gebied. Niet alleen lagen er mijnenvelden, maar er waren ook de nodige munitie-opslagplaatsen. Deze voorraden zijn door de geallieerden na de oorlog vernietigd. Deels is dit onvolledig gebeurd, met als gevolg onontplofte munitie zoals handgranaten die ook zestig jaar na dato nog gevaarlijk kunnen zijn. Zelf heb ik eens de vondst van een handgranaat meegemaakt, die bovenkwam bij een stuifvlakte. Geallieerden hebben de Atlantikwall ook regelmatig bestookt, met bomkraters als gevolg. Omdat de duinen ook als oefengebied voor Duitse vliegers dienstdeden, zijn er ook grote aantallen oefenbommen teruggevonden. Dit zijn betonnen projectielen met de precieze afmeting van de echte munitie. Bij bezoekers-

23

FOTO : M . P U R M E R

centrum ‘De Zandwaaier’ zijn enkele van deze volstrekt ongevaarlijke bommen te bezichtigen.

Natuur en cultuurhistorie verweven Zuid-Kennemerland is een Nationaal Park vanwege de grote natuurwaarden en wordt beheerd door Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en het Waterleidingbedrijf NoordHolland. De laatste jaren worden de beheerders zich steeds sterker bewust van de cultuurhistorische waarden die zich in het gebied bevinden. Die aandacht is terecht: het idee dat de duinen in het verleden ‘woest en ledig’ waren is inmiddels achterhaald. Al eeuwen zijn de duinen door de mens in gebruik geweest. De duinen zelf waren in gebruik als jachtgebied, oefenterrein maar ook als (veelal kleinschalig) landbouwgebied. Archeologisch belangrijke vondsten zijn in 2006 gedaan toen in de duinen een vroeg-middeleeuwse nederzetting is opgegraven (Flach, 2006). Langs de binnenduinrand is een strook landgoederen te vinden.


C

VITRUVIUS

De sporen uit de Tweede Wereldoorlog maken ook deel uit van de cultuurhistorie van dit gebied. De resten van de Atlantikwall zijn een relatief jong, maar wel zeer bepalend voor het huidige landschap. Natuurwaarden kennen de diverse onderdelen van de Atlantikwall inmiddels ook. Bekend voorbeeld zijn de overwinterende vleermuizen. Vleermuizen maken voor hun winterslaap graag gebruik van de constante temperatuur en luchtvochtigheid in de bunkers. Honderden vleermuizen van diverse soorten zijn ’s winters te gast in de Atlantikwall. Een minder bekend voorbeeld van natuur op de bunkers vormen wellicht de mossen. Het door de Duitsers gebruikte beton blijkt een prima ondergrond voor diverse mossoorten, die zich op dit beton al decennia lang ongestoord kunnen ontwikkelen. Dat ‘ongestoord’ is belangrijk: waar in Nederland krijgen mossen die kans op een betonoppervlak? Ook de tankgrachten in het gebied hebben een nieuwe functie gekregen: dodaars broeden er, er zitten veel kikkers en salamanders en de gewone pad maakt er dankbaar gebruik van als kraamkamer (Wijkhuisen, 1992). De verwevenheid van natuur en cultuurhistorie is dus groot. Daarnaast heeft het samenspel tussen natuur en cultuurhistorie ook een heel eigen land-

NUMMER 6

JANUARI 2009

schap gecreëerd. De deels overwoekerde tankmuren en bunkers vormen een bijna romantisch aandoend ruïnelandschap. Nederland is behoorlijk arm als het gaat om ruïnes. Waar bij middeleeuws muurwerk woekerende planten de nodige schade kunnen aanrichten, tast de begroeiing van de bunkers hooguit de zichtbaarheid aan. In dat opzicht is de ontstane symbiose cultuur-natuur ook waardevol. Voor het beheer in de toekomst schept het wel vragen: wanneer komen de cultuurhistorische waarden in gevaar? Voorlopig echter lijkt het gevoerde beheer de restanten van de Atlantikwall niet te schaden. Bedreiging is vooral vandalisme. En het in de weg liggen van onderdelen van de Atlantikwall bij (natuur-)ontwikkelingen in het gebied. Plannen om een kerf in de zeereep te maken en zo overstuivingen in de duinen te ontwikkelen bijvoorbeeld. Gaan deze plannen door, zal dat niet alleen resulteren in sloop van bunkers in de zeereep, maar zullen ook andere elementen zoals betonweg en andere bunkers op zijn minst onder het zand verdwijnen, of zodanig door stuivend zand ondermijnd worden dat sloop de enige optie is. De vraag is dan ook gerechtvaardigd welke onderdelen van de Atlantikwall in dit gebied beschermd dienen te worden. Tweede vraag is dan: hoe moet die bescherming vorm krijgen.

6 OVERGANG VAN EEN TANKMUUR IN EEN TANKGRACHT.

FOTO : M . P U R M E R

24

Beschermen van zeldzame bunkertypes of complexen? Op 2 november 2006 vond in bezoekerscentrum ‘De Zandwaaier’ een symposium plaats over de (mogelijke) bescherming van de Atlantikwall. Hierbij waren belangengroepen, experts, terreineigenaren en bestuurders van diverse overheidslagen op initiatief van de RACM en Natuurmonumenten bij elkaar. Voorafgaand was in kleiner comité een selectie gemaakt van de meest waardevolle onderdelen van de Atlantikwall in Nederland. Een moeilijke opgave, want de benadering van deze grote linie was vaak niet eenduidig: kies je voor nationaal of internationaal perspectief? Typologisch zeldzame of bijzondere bouwwerken of samenhangende onderdelen in een complex? De uiteindelijke selectie is een mix geworden, waarbij enkele belangrijke concentraties zoals de onderdelen van de Festung IJmuiden van werken zijn afgewisseld met bijzondere puntlocaties zoals hoofdkwartierbunkers (De Vries, 2007). Voor het zuidfront van de Festung IJmuiden zou zowel een typologische benadering als een complexbenadering gebruikt kunnen worden. Enkele onderdelen, zoals de eerder genoemde Walzkörpersperre, zijn typologisch zeer zeldzaam. Maar juist de genoemde


VITRUVIUS samenhang van de onderdelen hier maakt het complex zo waardevol. Vraag is dan vooral wat complexbescherming in een natuurgebied als Kennemerland inhoudt: is dat het minutieus behoud van elk afzonderlijk onderdeel? Of kunnen er nog veranderingen in het gebied plaatsvinden? De veel gehoorde kreet 'behoud door ontwikkeling' lijkt ook hier van toepassing als het gaat om behoud van de Atlantikwall bij het ontwikkelen van de natuur. Hier ligt echter wel een grens die nog niet duidelijk opgezocht is. Het eerder genoemde fietspad-voorbeeld, maar de eveneens aangehaalde plannen voor verstuivingen lijken steeds ten koste te gaan van Atlantikwall-onderdelen. Wat dat betreft zou ergens ook een harde contour moeten worden getrokken om elementen en structuren die niet mogen verdwijnen omdat deze de waarde van het complex als geheel aantasten of typologisch zeer zeldzaam zijn. Het kan best zijn dat andere onderdelen, indien noodzakelijk bij natuurontwikkeling, wel kunnen verdwijnen zonder de waarden van het geheel aan te tasten. Op deze manier is er binnen het Nationaal Park nog niet naar de restanten van de Atlantikwall gekeken. Is dit een opdracht voor de gezamenlijke terreinbeheerders? Of zou de RACM hier een rol hebben? Helaas liggen de ontwikkelingen op dit vlak sinds het symposium stil. Een beschermingsvoorstel van het Rijk voor deze en andere waardevolle onderdelen van de Atlantikwall kan een welkome hulp zijn bij het maken van dit soort afwegingen. Hiermee kan ook de negatieve bijsmaak van dit erfgoed verder verdwijnen. Tot zeer recent werd Duits erfgoed in Nederland gezien als herinnering aan een moeilijke tijd dat maar beter kon worden gesloopt. Draagvlak voor bescherming was er dan ook nauwelijks. Door diverse publicaties en publieke aandacht begint dit beeld te kantelen. Inmiddels komen bunkers hier en daar op de gemeentelijke monumentenlijst en ontstaan er fiets- en wandelroutes langs bunkers, bijvoorbeeld in Zeeland bij Vlissingen. Toch is het meeste Duitse erfgoed de facto nog vogelvrij. Benoeming tot rijksmonument zou de definitieve erkenning voor dit erfgoed betekenen.

NUMMER 6

JANUARI 2009

De lezer wordt uitgenodigd wandelend of fietsend plekken te bezoeken waar de geschiedenis beleefbaar is (Nationaal Park Zuid-Kennemerland, 2002). Maar zou het niet mogelijk zijn de relicten van de Atlantikwall in een breder kader te plaatsen? Gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog zijn er nog meer plekken te vinden in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland. In de duinen zijn hier door de Duitsers 422 verzetsmensen gefusilleerd en begraven, verspreid over 45 plekken in het gebied. De meeste verzetsstrijders zijn herbegraven op de Erebegraafplaats. Deze begraafplaats, ontworpen door de Haarlemse architecten Holt en Komter, werd november 1945 in gebruik genomen met de herbegrafenis van bekende verzetsstrijdster Hannie Schaft. Op een aantal vindplaatsen van de stoffelijke resten werden in 1949 gedenkstenen geplaatst (Nationaal Park Zuid-Kennemerland, 2002). Hiermee zijn de duinen van Zuid-Kennemerland dus al sinds 1945 ook in gebruik als herdenkingsplek. Het is natuurlijk goed denkbaar om met eventuele aandacht voor de Atlantikwall hierbij aan te sluiten. De kwetsbaarheid van zowel natuur- als cultuurwaarden rondom de Atlantikwall zijn reeds genoemd. Niet overal is het wenselijk hordes wandelaars en fietsers langs de bunkers en tankmuren te voeren. Wel is het mogelijk bijvoorbeeld direct aan paden grenzende delen van de tankgracht, de betonweg of bunkers van informatiepanelen te voorzien of op te nemen in beschrijvingen van wandelroutes. Ook in het bezoekerscentrum De Zandwaaier zou meer aandacht aan de Atlantikwall besteed kunnen worden. Daarnaast is het nu al mogelijk voor ‘fijnproevers’ met gespecialiseerde gidsen onderdelen van de Atlantikwall bezoeken, in samenwerking met locale verenigingen uit de buurt. Wellicht zou er nog meer mogelijk zijn als de Atlantikwall meer als herdenkingsplek met monumentale waarden aan de Tweede Wereldoorlog wordt gekoppeld. Maar dan zonder het kind met het badwater weg te gooien en de unieke sfeer van het gebied aan te tasten.

de heldere waarderingskader voor de nog bestaande onderdelen van de Atlantikwall zou kunnen helpen hierbij de juiste keuzes te maken. Rijksbescherming is een mogelijkheid en zou een steun in de rug kunnen betekenen. Een breder beleefbaar maken van bepaalde plekken van de Atlantikwall binnen het Nationaal Park zou kunnen helpen ook het publieksdraagvlak te vergroten. Hierbij moeten we niet vergeten dat delen van de linie inmiddels een zeldzaam, maar kwetsbaar ruïnelandschap vormen waar natuur en cultuur sterk verweven zijn geraakt. Het is ook goed te proberen deze landschappelijke waarde te behouden. De beheerders van het Nationaal Park zullen zich hier dan ook terdege bewust van moeten zijn.

Literatuurlijst – Flach, H. (2006) Zoiets is in NoordHolland nog nooit eerder gevonden Artikel in het Haarlems Dagblad, 11 oktober 2006. – Gorter, H.P. (1986) Ruimte voor natuur. 80 jaar bezig voor de natuur van de toekomst. Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, ’s-Graveland. – Hengel, S.J.H. van (samenstelling) (1985) Kennemer Kroniek 1910-1985. 75 jaar Kennemer Golf & Countryclub. Aerdenhout – Nationaal Park Zuid-Kennemerland (2002) Tekens van toen. Lopend of fietsend langs de cultuurhistorie van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland. Enkhuizen. – Oostrom, C. van (2004) De duinen van Zuid-Kennemerland in ’40-’45. In: Ons Bloemendaal 3/2004 pp 12-13. – Rolf, R. en H. Sakkers (2005) Duitse bunkers in Nederland. Inventarisatie van de gebouwde en nog aanwezige duurzame verdedigingswerken. PRAK publishing, Middelburg. – Scheffer, H. (2004) De Atlantikwall, een muur die geslecht werd. In: Ons Bloemendaal 3/2004 pp 7-11. – Vries, B. de (2007) Bescherming van de Atlantikwall, een kwestie van kiezen. In: Nieuwsbrief van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, Amersfoort 1/2007 pp 22-23. – Wijkhuisen, H. (1992) Duitsers in het duin. In: Duin, 1/92 pp 6-7.

Conclusie Mogelijkheden voor beleving: Atlantikwall als ‘Lieu de Memoire?’ De beleving van de Atlantikwall zou meer aandacht kunnen krijgen in het Nationaal Park. Er is overigens wel een mooi begin gemaakt toen het boekje ‘Tekens van toen’ uitkwam. Hierin krijgen cultuurhistorische waarden uit verschillende periodes aandacht.

De cultuurhistorische waarde van de restanten van de Atlantikwall in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland zijn zo langzamerhand zowel door beheerders als door publiek erkend. Wat betreft beheer lijken er weinig knelpunten te zijn voor het behoud van de waarden, hoewel sommige ontwikkelingen onderdelen bedreigen. Het nu nog missen-

25

D RS . D.M. (M ICHIEL ) P URMER is Senior Beleidsmedewerker Cultuurhistorie en Landschap bij Vereniging Natuurmonumenten.


M

MONUMENTENZORG

B. LAAN

Naar een nieuwe vorm van monumentenzorg voor het woonhuisinterieur

Niet verbieden maar informeren, enthousiasmeren & stimuleren 'Uniek Joods interieur ontdekt' heette het in diverse Nederlandse kranten. Dat een nieuwe toeschrijving van een schilderij aan Frans Hals de landelijke pers haalt, zal niemand verbazen.1 Maar dat de vondst van een interieur uit 1923 de landelijke media zelfs gedurende enkele weken weet bezig te houden2 is ongekend en blijft waarschijnlijk een unicum.

26

et ging dan ook niet in de eerste plaats over het interieur als zo maar een onderdeel van het gebouwde erfgoed (zij het kunsthistorisch belangwekkend), en ook niet over een bijzondere inrichting of kunstverzameling, maar over de overblijfselen van een kamer waarin een Joods gezin heeft gewoond, een gezin waarvan de moeder Debora en hun drie dochters Theodora, Anna en Elise stierven in Auschwitz, Sobibor en Bergen-Belsen. Een link naar de eveneens in Bergen-Belsen vermoorde Anne Frank was gemakkelijk gemaakt en een heuse mediahype geboren.

H

Hoewel het huis van de Joodse familie Korijn in de J.J. Viottastraat te Amsterdam geen ‘personalitymuseum’ 3 zal worden vanwege het ontbreken van een herinnering aan een beroemd persoon – niemand van de familie


VITRUVIUS Korijn liet een ontroerend dagboek na dat postuum werd gepubliceerd – is deze interieurvondst zijn zuiver materiële status van kamerbetimmering ontstegen. Dit dankzij een aspect van de bewoning en niet in de laatste plaats vanwege het collectieve schuldgevoel over de afschuwelijke manier waarop de bewoners aan hun einde zijn gekomen. De roep om recuperatie als Joods cultuurgoed is echter nogal willekeurig, want waarom het nog geheel intacte eigen woonhuis van de architect Harry Elte dan niet? Toch is dit klaarblijkelijk de manier waarop dit interieur, gesteld dat het bezocht kan gaan worden, in een klap kan worden opgenomen in het collectieve geheugen van Nederland en een immateriële waarde kan verwerven die belangrijk is voor de promotie tot (Joods) cultureel erfgoed.4 Oneigenlijke lobby of niet, in mijn hart zou ik willen dat het alle vondsten zó verging die wij doen in het kader van het project Historische Interieurs in Amsterdam Zuid waarbij dit interieur twee jaar geleden werd ontdekt. Het historische woonhuisinterieur krijgt zelden de status van cultureel erfgoed, eenvoudigweg omdat het in de meeste gevallen onzichtbaar is gebleven en bovendien steeds opnieuw afhankelijk blijkt van de bereidwilligheid van nieuwe eigenaren om het te behouden. Het project Historische Interieurs in Amsterdam Zuid wil hierin verandering brengen door het interieur zichtbaar te maken en door de bereidwilligheid van de bewoners actief te stimuleren.

Historische Interieurs in Amsterdam Zuid Het project wordt ontwikkeld en uitgevoerd door Barbara Laan, free lance interieurhistoricus, in opdracht van de daartoe opgerichte Stichting Historische Interieurs in Amsterdam en op intitiatief van Bureau Monumenten en Archeologie te Amsterdam (BMA ). De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM ) participeert in het project als één van de belangrijkste financiers en levert, evenals het Instituut Collectie Nederland (ICN ), de nodige expertise. Het project wordt bovendien financieel ondersteund door Woningcorporatie Het Oosten, sinds 1 juli 2008 gefuseerd tot ‘Stadgenoot’ en het Stadsdeel Oud Zuid. Daarnaast is samenwerking gezocht met een aantal Nederlandse universiteiten en academies. Het doel van de stichting is om woonhuizen op te sporen die vanwege hun architectuur,

NUMMER 6

JANUARI 2009

S A M E N VAT T I N G De wens van de bewoners om woonhuisinterieurs te behouden is essentieel voor de instandhouding. Dit is de belangrijkste tussentijdse conclusie die gedaan werd in het kader van het project Historische Interieurs in Amsterdam Zuid. Het project is een initiatief van het Bureau Monumenten en Archeologie te Amsterdam (BMA) en wordt ontwikkeld en uitgevoerd door de speciaal daarvoor opgerichte stichting Historische Interieurs in Amsterdam (SHIA). De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) participeert in het project als een van de financiers en levert, evenals het Instituut Collectie Nederland (ICN), de nodige expertise.

afwerking en bewoning interessant genoeg zijn om nader te onderzoeken en de waarden ervan te bepalen zodat een zorgvuldige omgang ermee kan worden gewaarborgd. Deze collectieve en private zorg, de belangrijkste voorwaarde voor behoud, is alleen mogelijk bij voldoende draagvlak. Om haar doel te bereiken, heeft de stichting het Project Historische Interieurs in Amsterdam Zuid bedacht met als belangrijkste eindproduct een publicatie. Daarnaast is er ‘flankerend beleid’ zodat de vergaarde kennis direct wordt overgedragen aan de bewoners middels een voorlichtingsbrochure, publieksboekje en bouwdossiers. Een inventarisatietraject dat in 2007 van start ging, levert medio 2009 150 panden op die allemaal worden gefotografeerd, beschreven en van documentatie voorzien (bouwtekeningen en bewonersgegevens). Dit gebeurt door de masterstudenten van verschillende herkomst en pluimage die zich voor het project hebben ingezet en nog zullen inzetten. De vondsten zijn talrijk, heel divers en keer op keer bijzonder te noemen. Ofschoon deze gebouwen zijn opgetrokken aan het begin van de industrialisatie van de bouw, is slechts een heel klein aantal exact dezelfde interieuronderdelen of bouwornamenten op verschillende locaties aangetroffen. De meeste interieurbestanddelen zijn (nu nog) anoniem, maar toch zijn enkele tientallen namen van kunstenaars, ambachtslieden, fabrieken en leveranciers van bouwmaterialen boven water gekomen. De architecten en/of aannemers zijn wel grotendeels bekend. Gegevens over bewoners waaronder gezinsamenstelling, inwonend personeel, geloofsovertuiging en beroep, zijn in het Bevolkingsregister opgezocht; ze zijn weliswaar niet altijd even goed leesbaar, maar wel altijd aanwezig. De stichting wil nader onderzoek doen naar een aantal aspecten van de sociaalhistorische en architectuur-, interieur-, en kunsthistori-

27

sche context van de geselecteerde panden, zodat gefundeerde uitspraken gedaan kunnen worden over de waardebepalende factoren. Dit om antwoord te krijgen op vragen zoals: hoe bijzonder en zeldzaam zo’n interieur als dat van de Joodse familie Korijn nu werkelijk is, bijvoorbeeld binnen de context van de andere vondsten van ‘Joodse’ interieurs in Amsterdam Zuid (figuren 1-4, 6). Het onderzoek richt zich ondermeer op thema’s als de opdracht- en uitvoeringssituatie, de culturele en financiële milieus van de bewoners en de rol van religieuze verzuiling in opdracht en uitvoering, de bouwnijverheid, de financiering van de elitewoning en de industrialisatie van de bouw, de woningtypologie en soorten

1 BELLENBORD IN DE JOODSE KEUKEN VAN DE FAMILIE KAHN IN DE LAIRESSESTRAAT.


M

VITRUVIUS

plattegronden en de in Zuid werkende ambachtslieden, kunstenaars en handelaren in bouwmaterialen. Onderzoek naar makers en bewoners van individuele huizen is essentieel in verband met de betekenisverlening van de objecten. De betekenissen die wij aan deze interieurs toekennen zijn belangrijk om hun eventuele cultuurhistorische waarden te kunnen bepalen. Bij woonhuisinterieurs ligt dat net iets anders dan bij andere objecten waar monumentale of museale waarden aan worden toegekend. In de eerste plaats omdat het woonhuisinterieur als particulier domein wordt beschouwd en zich dus moeilijk als collectief erfgoed laat ‘labelen’. In de tweede plaats omdat interieur een fenomeen is dat zowel betrekking heeft op het gebouwde, locatiegebonden deel als op het niet-nagelvaste, dus niet locatiegebonden deel. In de wetenschap wordt het historische interieur beschouwd en bestudeerd als een eenheid van ruimte, afwerking en inrichting,5een samenhang die in de werkelijkheid zelden zo behouden blijft, althans niet als een onveranderlijke situatie, zelfs niet in een museale opstelling. Het interieur als een samenhangend geheel heeft per definitie een veranderlijk modieus en status karakter. Overigens wordt de ensemblewaarde van bestaande historische interieurs, inclusief de losse inrichting, inmiddels door RACM, ICN en de Inspectie Cultuurbezit onderkend, zoals blijkt uit het rapport Van object naar samenhang (2004),6 waar de verschillende soorten van samenhangende eenheden nader worden gedefiniëerd en in categorieën ondergebracht. Het zou gezien de aard van het begrip interieur zeer aan te bevelen zijn als de diverse instellingen ook op het terrein van de waardestellende criteria een gezamenlijke aanpak zouden kiezen, want deze criteria zijn niet congruent.7

NUMMER 6

JANUARI 2009

Wel is het in monumentenland nog vrij uitzonderlijk dat naast de ontwerper en de opdrachtgever ook de opeenvolgende bewoners aan een systematische studie worden onderworpen, zoals in het project Historische Interieurs in Amsterdam Zuid. De verhalen over de bewoners blijken juist essentieel te zijn in het wordingsproces van het woonhuisinterieur tot cultureel erfgoed.Verhalen zijn een belangrijke generator van historisch begrip. Bewoners voelen zich daardoor in een traditie staan. Deze verhalen staan ook heel dicht bij de essentie van het interieur als plek waar geleefd wordt en waarop elke bewoner zijn stempel drukt. In monumentenland moeten we leren dat dit ‘patina van het leven’ een heel belangrijke betekenisverlener is die daarom ook meegewogen zou moeten worden. Maar dit is niet het enige aspect waarin het project een zeker pionierskarakter heeft.

menten automatisch ook de binnenkant van het gebouw onder de bescherming van de Monumentenwet of van de gemeentelijke monumentenverordening valt, is dit zeker geen garantie dat historische indeling en afwerking behouden blijven. De moeilijkheid schuilt in het feit dat monumenten vaak uitsluitend op basis van kennis over de buitenkant van de gebouwen zijn aangewezen en beschreven. Het kennisgebrek is hier dus het grootste probleem. Dit nog afgezien van het gebrek aan controle op de naleving van de wet en afdoende werkzame sancties. Het gebrek aan kennis is zeker bij woonhuizen niet vreemd, want de binnenkant is uiteraard privé domein en veel mensen willen daarin geen overheidsbemoeienis.

Woonhuisinterieurs kunnen gedurende jaren behouden blijven, maar bij de wisseling van eigenaar toch plotseling worden gesloopt of aangepast. De huidige instrumenten van de overheid, waaronder de wetgeving, schieten hier ernstig tekort. Ofschoon bij rijks- en gemeentelijke monu-

De panden in Amsterdam Zuid zijn voor de studenten geselecteerd op basis van de historische indeling en afwerking die ter plaatse door hen werd aangetroffen: ongeveer de helft van het aantal panden dat werd benaderd. Slechts een handvol ervan bleek de status van gemeentelijk of rijksmonument te hebben of stond op een lijst om als monument te worden aangewezen. Uit de redengevende omschrijvingen bleek in de meeste gevallen dat het interieur inderdaad niet was onderzocht en beschreven.

2 HAARDPARTIJ J.J. VIOTTASTRAAT

3 DEUR J.J. VIOTTASTRAAT

Instrumenten van de overheid schieten te kort

In het gehele veld van monumentenzorg en musea groeit de overtuiging dat interieurs hun betekenis voor een groot deel ontlenen aan de context waarin ze zijn ontstaan en gebruikt. Contextuele gegevens over zowel de makers als de opdrachtgevers worden dan ook steeds vaker door deze instellingen verzameld, zoals ondermeer blijkt uit diverse bijdragen in de jaarboeken van BMA en uit de uitkomsten van de ICN-themadag van 22 mei 2008 over historische interieurs in musea die hun betekenis soms verliezen bij gebrek aan contextuele informatie.

28


VITRUVIUS Naar schatting is drie kwart van de woonhuizen in Zuid totaal of grotendeels van binnen gestript, aangepast of veranderd door intensieve bewoning. Het is daarom belangrijk om bewoners te doen beseffen dat de vondsten zeldzaam zijn en in de toekomst alleen nog maar zeldzamer zullen worden. Al bijna 100 particulieren in Amsterdam Zuid hebben hun medewerking verleend aan het onderzoeksproject. Vele verrassende vondsten van kamerbetimmeringen, schouwen, vloeren, glas in lood, stucplafonds en allerlei voorbeelden van historische woontechniek, zoals etensliftjes en bellenborden, zijn het resultaat. Bewoners zijn niet alleen vereerd met de belangstelling voor hun huis; ze willen graag alles over de geschiedenis, oorspronkelijke functies en voorgaande bewoners weten, zo blijkt. Bovendien willen ze hun pand in de regel zo goed mogelijk onderhouden en ze staan daarom open voor deskundig advies. Sommige eigenaren van de onderzochte panden zijn dermate begaan met het lot van hun bijzondere interieurs, dat ze graag willen dat de volgende bewoners het in stand zullen houden. Eigenlijk zouden zij over hun eigen graf heen willen regeren. Waarom zouden wij hen daarbij niet een handje kunnen helpen? Maar veel bewoners die wij hebben gesproken

NUMMER 6

JANUARI 2009

zijn huiverig voor de gebiedende en verbiedende vinger van monumentenzorg. Ze willen niet dat hun pand monument wordt bijvoorbeeld omdat ze bang zijn dat het moeilijker wordt om het te verkopen vanwege de beperkende voorwaarden. Een groot woonhuis, oorspronkelijk bedoeld voor een gezin met inwonend personeel, kan in zo’n geval minder gemakkelijk worden opgesplitst in twee afzonderlijke woningen. Ook wordt gevreesd dat het pand minder waard wordt. Hoewel sommige studies aantonen dat woonhuismonumenten juist in waarde stijgen ten opzicht van niet-monumenten is men hiervan meestal niet op de hoogte.8 Bovendien lukt het bepaalde kopers, zoals projectontwikkelaars en vastgoedhandelaren, dikwijls om de vraagprijs van een pand te drukken als er beperkende voorwaarden op rusten. Daarbij komt dat zowel handelaren als particulieren heel inventief zijn als het gaat om het omzeilen van de verplichte bouw- en monumentenvergunning in het geval van een verbouwing en zeker voor wat betreft het interieur. En wie zal het kunnen terugdraaien als direct na de aankoop vast ‘even’ de keuken en de badkamer worden ‘opgeschoond’ door wat ‘oude rommel’ uit te breken. De problematiek is helder: de overheid is niet geliefd en blijft met lege handen achter en het culturele erfgoed is de dupe.

Andere behoudstrategie:niet verbieden maar informeren, enthousiasmeren en stimuleren

4 GLAS IN LOOD J.J. VIOTTASTRAAT

Het lijkt erop dat een alternatieve behoudstrategie mogelijk is: niet verbieden, maar informeren, enthousiasmeren en stimuleren. Dit vergt een ander denkmodel dan het huidige waarin beperkende voorwaarden worden opgelegd: het vergt een positieve benadering gericht op het ontwikkelen van particulier draagvlak. Zoals bij de gedragswetenschappers goede resultaten worden geboekt met de strategie van de positieve ‘reinforcement’, zo kan er veel bereikt worden door de bewoners op hun verantwoordelijkheid aan te spreken. Niet door ze te verbieden om veranderingen door te voeren, maar door ze bewust te maken van hun rol als schakel in de bewonersgeschiedenis van het huis in kwestie. De groep bewoners die het pand heeft bewoond is lineair verantwoordelijk geweest voor het feit dat de woning historische waarden bevat. Het strippen van huizen gebeurt meestal omdat sommigen die waarden eenvoudigweg niet zien. Mensen hebben het recht op informatie en hulp bij het vaststellen van mogelijke cultuurhistorische of erfgoedwaar-

29

den.9 Ze krijgen zodoende zicht op hoe goed hun voorgangers het gedaan hebben, zodat ze zelf, uit eigen beweging hun bijdrage kunnen leveren aan het behoud of herstel. Het is begrijpelijk dat veel mensen niet onder willen doen voor hun voorgangers. Er blijkt bovendien behoefte te zijn aan hulp bij het maken van de afwegingen om veranderingen op een verantwoorde wijze door te voeren en de juiste keuzes te maken bij onderhoud en conservering. Hoewel er diverse panden zijn onderzocht die de status van rijks- of gemeentelijk monument waardig zijn op grond van de monumentencriteria10 is het dus nadrukkelijk niet de bedoeling om het behoud per se van overheidswege te regelen. Echter, in acute gevallen kan het wel de enige weg zijn. Gesterkt door de ervaringen in het veld valt er veel te winnen op het terrein van de voorlichting en het advies aan bewoners. Vaak zijn zij bereid om zelf initiatief te nemen om te waken over het interieurhistorisch erfgoed. Wellicht waarderen zij in beginsel het persoonlijke karakter, maar zij gaan het collectieve belang daarvan gaandeweg inzien en willen hun verantwoordelijkheid nemen, zeker als zij erop worden gewezen en aangesproken. Daarom willen wij dat bewoners, gebruikers en eigenaren te weten komen wat van waarde is en waarom, hoe ze daarmee om kunnen gaan en welke bijdrage behoud kan leveren aan de woonkwaliteit.

Waardebepaling toegesneden op bewoners De betekenis van het genoemde Joodse interieur ligt vermoedelijk in de juiste mix van materiële authenticiteit en immateriële betekenis voor de geschiedenis van de Joodse Amsterdammers. Aan de ene kant is er de betekenis van de plek waar de ‘historische sensatie’ van het wrede lot van de bewoners aan den lijve gevoeld kan worden; aan de andere kant het visuele aspect van deze belevingswaarde (de tastbaarheid ervan): de aankleding van de ruimte, de aanwezigheid van de verlichting, de werkplek bij het schrijfbureau dat opgenomen is in de betimmering, de oude radiatoren in hun omkasting en het decorum van het pièce de résistance: de haardpartij met zijn luxe uitstraling van marmer en inlegwerk in dure houtsoorten. Het interieur is door de familie Korijn ingebracht in een huis van ouder datum.11 Kunsthistorisch is de kamer van waarde als een gaaf en zeldzaam voorbeeld van een werk gesigneerd door de Joodse ontwerper N. Le Grand; ontwerp en uitvoering is ongetwijfeld


M

VITRUVIUS

van de interieurarchitect en meubelmaker Napoleon Le Grand (1857-1932), directeur van ’t Modelhuis, wellicht in samenwerking met zijn zoons Henri (1903-1989), die toen juist zijn opleiding tot architect aan de Académie des Beaux Arts te Parijs had voltooid, en Simon (1902-1986) die de zaak van zijn vader zou overnemen. De invoelbaarheid van de Joodse aspecten van de geschiedenis zijn belangrijke toegevoegde waarden waar het zonder de kennis van de achtergrond van de bewoners ‘slechts’ een voorbeeld zou zijn van de warme sfeer van het wonen in de jaren ’20, zoals die in een rijke bankiersfamilie gebruikelijk was.12 De waardebepaling van interieurs staat in Nederland nog in de kinderschoenen, zeker van de jongere bouwkunst. Dit heeft deels te maken met achterstanden in de beschikbare kennis waardoor het soms lastig is om de waarde van individuele voorbeelden te vergelijken en te plaatsen in de context van nog bestaande soortgenoten. Deels is het een gebied waar intensief wordt nagedacht over de methodiek en de waarderingscriteria, hoewel het monumentale veld daar anders mee om gaat dan het museale veld. Het interieur wordt al jaren op basis van de monumentencriteria gewaardeerd bij bouwen architectuurhistorische onderzoeken en de cultuurhistorische waardestellingen die ten behoeve van verbouwingen en restauraties

NUMMER 6

JANUARI 2009

gedaan worden. Bij het ICN worden de esthetische, stilistisch-kunsthistorische aspecten zwaarder meegewogen en ook nader gespecificeerd zoals bijvoorbeeld de plek van het object in het oeuvre van een kunstenaar. Bij musea worden interieuronderdelen vooral beoordeeld tegen de achtergrond van het museale beleidsprofiel van de instelling in kwestie. In het kader van het project Historische Interieurs in Amsterdam Zuid is vooral de vertaalslag van belang van professioneel begrippenapparaat naar verstaanbare taal. Vernieuwend is daarbij dat niet alleen naar de monumentencriteria gekeken wordt (mooi, gaaf, zeldzaam, belang voor de wetenschap), maar dat de criteria die voor bewoners van belang zijn (bijvoorbeeld gevoelswaarde, ambachtelijkheid) nader in kaart zullen worden gebracht en geanalyseerd. Tegenwoordig nemen overigens ook deskundigen steeds vaker populaire termen als ‘belevingswaarde’ in de mond als het om monumentale waarden gaat, maar de inhoud van het begrip verdient nadere definiëring, want nu kan er van alles onder vallen: de charme van het slijtpatina, de levendigheid van een oude vloer, maar ook het sprekende aspect van de patronen.13 Het ligt voor de hand om bij een behoudstrategie die uit gaat van de particuliere bereidwilligheid om het interieur te behouden, andere instrumenten te bedenken dan de traditionele, i.e. bescherming door het aanwijzen van monumenten. De instrumenten die de stichting ontwikkelt worden dan ook in het bijzonder gericht op de doelgroepen: bewoners, gebruikers en eigenaren. Het betreft een pandspecifieke benadering in combinatie met een algemeen informatieve aanpak. Per individueel pand kunnen waardeadviezen worden opgesteld en bouwdossiers aangelegd.14 Verder bracht de stichting afgelopen jaar een voorlichtingsbrochure15 uit die bedoeld is om eigenaren van bijzondere woonhuizen te informeren over de waarde en betekenis van historische interieurs en inte-

JOODSE INTERIEURARCHITECT EN 5 DE DIRECTEUR VAN ‘T MODELHUIS NAPOLEON LE GRAND (1857-1932) IS CIRCA 1920 GEFOTOGRAFEERD IN HET VONDELPARK (TWEEDE VAN RECHTS BOVENSTE RIJ) SAMEN MET ZIJN VROUW BE LE GRAND PINKHOF (LINKS ONDER), HUN ZOON HENRI (LINKS BOVEN), DOCHTER BETSY (RECHTS ONDER) EN ANDERE FAMILIELEDEN.

30

rieuronderdelen. Lezers wordt gewezen op de gevolgen van verbouwingen en krijgen praktisch advies over aanpassingen en onderhoud en de gevolgen van onoordeelkundige omgang voor het verlies aan historische waarden, onder het motto: weet wat u in huis heeft en zorg er goed voor. Ook stimuleert de voorlichtingsbrochure bewoners tot het aanleggen van het genoemde bouwdossier, documentatie waarin kennis over het gebouw en interieur wordt vastgelegd en bijeengehouden. Zo’n dossier kan bestaan uit oude en nieuwe foto's, maar ook uit bouwtekeningen of kopieën daarvan, documentatie over verbouwingen, groot onderhoud en restauraties. Uiteraard kunnen oude verkoopcontracten, die vroeger in Amsterdam verplicht met het huis moesten worden mee verkocht, in het bouwdossier een plaats krijgen. Ook voor de overige documenten is overdracht aan de volgende eigenaren essentieel, omdat er zo geen kennisverlies over het huis op treedt. Het idee van het bouwdossier komt voort uit de filosofie: mensen die van hun huis houden nemen er graag verantwoordelijkheid voor en willen die erfenis graag doorgeven aan toekomstige generaties bewoners.

Samenvattend: de ambitie van de stichting De ambitie van de stichting Historische Interieurs in Amsterdam heeft twee speerpunten. Ten eerste het onderzoek, dus het vergaren en vastleggen en ontwikkelen van kennis zodat de vondsten in de juiste context kunnen worden beoordeeld en gewaardeerd. Ten tweede het ontwikkelen van een strategie voor behoud waarbij niet alleen argumenten, maar ook instrumenten worden aangedragen waarmee eigenaars en bewoners uit de voeten kunnen. Nadat tijdens het inventarisatietraject de basisgegevens zijn verzameld en vastgelegd zal nader onderzoek worden verricht naar de makers en bewoners van de panden. Over dit onderdeel zal in 2009 een boekje verschijnen met veel aandacht voor ‘human interest’ en gericht op een breed publiek. Het contextuele onderzoek zal resulteren in een omvangrijker boek waarin de vondsten in hun context worden geplaatst en beoordeeld op hun cultuurhistorische waarden. Er zal aandacht worden gegeven aan de argumenten voor behoud, mede op basis van criteria die voor bewoners van belang zijn. Ook zullen de opzet en de methodieken van het project worden beoordeeld op hun


relevantie voor andere stadsdelen en gemeenten in Nederland. Het boek zal in 2011 verschijnen, gelijktijdig met een tentoonstelling in het Stadsarchief in Amsterdam.

6 TRAPPAALSCULPTUUR DE LAIRESSESTRAAT

De wens van bewoners om interieurs te behouden is essentieel voor de instandhouding ervan. Dit is de belangrijkste tussentijdse conclusie in het kader van het project Historische Interieurs in Amsterdam Zuid. Een monumentenstatus is daarbij niet altijd nodig. Toch kan de overheid een belangrijke rol spelen, vooral als het gaat om een duwtje in de rug: voorlichting, in gesprek gaan, de instelling van een monumentenwacht voor het interieur stimuleren; de zogeheten interieurwacht zoals die in Noord-Brabant al bestaat,een verordening maken die overdracht van een bouwdossier bevordert, het zijn een paar voorbeelden van hulpmiddelen bij het stimuleren van behoud en instandhouding van het woonhuisinterieur. 1

Opnieuw werk van Frans Hals ontdekt, NOS journaal 2 oktober 2008. 2 Van circa half september tot half oktober 2008 kwam het interieur Viottastraat 36 op het NOS journaal en het AT5 nieuws, op de radio en verschenen er stukken in de grote landelijke dagbladen en in de Jüdische Allgemeine. 3 Voor de diverse categorieën woonhuismusea die internationaal worden onderscheiden verwijs ik naar de activiteiten van DEMHIST , een afdeling van de International Councel of Museums (ICOM ) die sinds 1999 jaarlijks een conferentie organiseert. 4 Zie over het pand Viottastraat 36 en de problematiek van erfgoedwording van woonhuisinterieurs de scriptie van Alexander Westra, gemaakt op basis van het onderzoek dat hij uitvoerde voor zijn stage bij de Stichting Historische Interieurs in Amsterdam en het Bureau Monumenten & Archeologie: A. Westra, De toekomst van de woonhuisinterieurs van de jongere bouwkunst, (scriptie duale master erfgoedstudies Universiteit van Amsterdam), Amsterdam 2008. 5 Zie voor deze werkwijze: P. Thornton, Authentic decor. The domestic interior 1620-1920, London 1984. En voor Nederland ondermeer: E. Bergvelt, F. van Burkom en K. Gaillard (red.), Van neorenaissance tot postmodernisme. Honderdvijfentwintig jaar Nederlandse interieurs, Rotterdam 1996. 6 Van object naar samenhang. De instandhouding van ensembles van onroerend en roerend cultureel erfgoed, Den Haag, Rijkswijk, Zeist, Zoetermeer 2004 (Rapport van de werkgroep Onroerend-roerend, opgesteld i.o.v. het Directeurenoverleg Cultuurdiensten). 7 De criteria voor de waardering van gebouwen zijn ontleend aan de Monumentenwet van 1988, terwijl de criteria die gebruikt worden voor de

weging van losse objecten van wetenschap en kunst in museale collecties zijn ontleend aan het Delta-plan Cultuurbehoud. 8 Zie bij voorbeeld het rapport opgesteld door de werkgroep ‘Monument en rendement’ (maart 2004) in opdracht van de gemeente Arnhem en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg onder coördinatie van S.J.P.J. Smeets. 9 De begrippen monumentale- en erfgoedwaarden worden tegenwoordig door elkaar gebruikt. Voor een overzicht van betekenissen van monumenten sinds de negentiende eeuw: C.P. Krabbe, ‘Monumenten: architectonische overblijfselen’, in: F. Grijzenhout, Erfgoed. De geschiedenis van een begrip, Amsterdam 2007, 151-174. 10 Zie de voor het MSP aangepaste en nader gespecificeerde criteria uit de Monumentenwet 1988. 11 Zie de bijdrage van A. Westra in nieuwsbrief no. 21, oktober 2008, Stichting Het Nederlandse Interieur. 12 Met dank aan BONAS . 13 Bijvoorbeeld tijdens het RACM symposium Over de vloer, gehouden op 8 oktober jl. in het Vredespaleis te Den Haag en de ter gelegenheid daarvan verschenen publicatie ‘Over de vloer: met

31

voeten getreden erfgoed’ (Zwolle/Zeist/ Amersfoort 2008) 14 Bij

wijze van proef maakte erfgoedstudent Alexander Westra in het kader van zijn stage bij de stichting een systematiek waarin diverse aspecten van het interieur volgens een ordesysteem werden gewaardeerd en in getekende schema’s werden gepresenteerd. Het ordesysteem maakt mogelijk dat er rekening wordt gehouden met de erfgoedgradaties, zodat bewoners duidelijk zien dat bij lage of indifferente erfgoedwaarde de mogelijkheden open liggen voor hun eigen creativiteit en woonwensen. Ook werkte hij aan de ontwikkeling van een vragenlijst op basis waarvan inzicht wordt verkregen in de verschillende waarden die voor bewoners belangrijk zijn bij de beoordeling van de indeling en afwerking van hun interieurs. 15 Historische Interieurs in Amsterdam, Amsterdam 2008, samenstelling en teksten B. Laan en A. Westra. De brochure is via de stichting verkrijgbaar.

D RS . B A R B A RA M. L AAN is projectleider Historische Interieurs in Amsterdam Zuid.


A

ARCHEOLOGIE

E.S. MITTENDORFF In het kader van de doctoraalscriptie aan de Universiteit van Amsterdam is door de auteur een synthetiserend onderzoek uitgevoerd op basis van de opgravingsresultaten van vijf grotere opgravingen in het Polstraatkwartier, in de zuidoosthoek van de Deventer binnenstad, omsloten door de Polstraat, de Assenstraat en de Bursestraat.1 In dit gebied zijn vanaf 1909 in totaal 19 opgravingen en waarnemingen uitgevoerd, maar slechts twee onderzoeken waren (deels) uitgewerkt. Als gevolg van onvolledigheid of het geheel ontbreken van documentatie of vondsten vielen 14 onderzoeken af voor nadere uitwerking. Vijf opgravingen kwamen wel in aanmerking.

1 DE VIJF OPGRAVINGEN IN HET CENTRUM, DIE DE BASIS VORMDEN VAN HET ONDERZOEK.

Woningen met uitzicht D E O N T W I K K E L I N G VA N E E N S T E D E L I J K E WO O N C U LT U U R I N D E V E N T E R TUSSEN DE 9DE EN 13DE EEUW Het onderzoek et eerste geselecteerde onderzoek werd in 1948 uitgevoerd door het Biologisch Archeologisch Instituut (BAI) van de Rijksuniversiteit Groningen en de toen nog prille Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort, onder leiding van prof. dr. A. E. Van Giffen 3 (figuur 1 nr. 012). Het volgende grote onderzoek werd in het kader van stadsvernieuwing in 1980-81 onder leiding van H. Sarfatij door de ROB uitgevoerd 4 (figuur 1 nr. 077). Vervolgens werden in 1982 en 1984 twee kleinere noodopgravingen uitgevoerd door de Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afd. 18. Dit gebeurde onder leiding van H. Lubberding (figuur 1 nr. 081 en 095) 5. Het laatste grote onderzoek in het gebied vond plaats in 1998-99 onder leiding van Th. Spitzers, uitgevoerd door BAAC 6 (figuur 1 nr. 197 en 199).

H

Bovengenoemde opgravingen zijn vervolgens uitgewerkt op structuurniveau, toegespitst op de grotere structuren als huisplattegronden, waterputten en afvalkuilen, of de bestaande basisuitwerking is aangevuld. In de volgende stap van het onderzoek zijn de resultaten van deze basisuitwerkingen in een synthetiserend kader voor het hele onderzoeksgebied geplaatst. Dit kader bestond voor een belangrijk deel uit de combinatie van de gegevens van de individuele sites, die een hoog detailniveau bevatten, met de ontwikkelingspatronen, die bij de vergelijking van de afzonderlijke sites konden worden waargenomen. Het resultaat is een totaalbeeld van de ontwikkeling van een van de oudste delen van Deventer van een overwegend agrarisch gebied tot middeleeuwse stad. Bijzonder is dat dit proces voor het eerst in de onderzoeksgeschiedenis van Deventer op verschillende schaalniveaus kan worden gevolgd. Niet alleen op het niveau van de

32

ruimtelijke ontwikkeling van het gebied als geheel, maar bijvoorbeeld ook op het niveau van ruimtelijke en functionele indeling van de individuele percelen en op het niveau van de huisplattegronden. Het uitgangspunt van het onderzoek vormde het archeologische bronnenmateriaal. Omdat historische bronnen voor de periode die dit onderzoek beslaat, relatief schaars en vaak slecht toegankelijk zijn, waar mogelijk, uit secundaire literatuur beschikbare historische bronnen gebruikt ter aanvulling van de archeologische gegevens. Het onderzoek omvatte bewoningssporen uit de periode tussen ongeveer 800 en 1250 n. Chr. Een belangrijk onderdeel van het onderzoek vormde de ontwikkeling van de woonhuizen binnen het onderzoeksgebied wat betreft constructie, vorm en functie. Binnen de onderzochte periode konden in totaal acht huistypen worden gedefinieerd. Het resultaat


VITRUVIUS is de eerste systematische typologie van huisplattegronden binnen de (vroeg)middeleeuwse stad. In dit artikel wordt de typologie van de gevonden huisplattegronden in chronologische volgorde beschreven. Daarnaast wordt getracht de ontwikkelingen in de wijze waarop woonhuizen werden geconstrueerd en in het uiterlijk van de huizen in de relevante maatschappelijke context te plaatsen. De resultaten hebben in eerste instantie betrekking op het onderzoeksgebied (zie figuur 1), maar kunnen waarschijnlijk ook op de rest van Deventer worden toegepast. Op basis van de historische vermelding van de stichting van een kerk rond 768 door de latere heilige Lebuïnus wordt verondersteld dat de bewoning in Deventer in ieder geval tot in het laatste kwart van de 8ste eeuw teruggaat. Vanuit archeologisch perspectief is deze oudste fase moeilijk traceerbaar. Grondsporen die mogelijk uit de late 8ste eeuw dateren zijn schaars en lastig te dateren als gevolg van het vrijwel ontbreken van nauwkeurig dateerbare importkeramiek. In het onderzoeksgebied zijn geen resten uit deze periode aangetroffen. De oudste hier aangetroffen structuren daar dateren in de eerste helft van de 9de eeuw, en dan vermoedelijk eerder in het tweede dan het eerste kwart daarvan.

800-850: boerderijen Tot op heden zijn in de Deventer binnenstad slechts incomplete plattegronden uit deze periode aangetroffen. In de typologie van plattegronden zijn zij beschreven onder het type Deventer 3. Huisplattegronden van dit type worden gekenmerkt door een wandgreppel waarin de wandconstructie is geplaatst. De dragende constructie bestaat uit ingegraven houten palen aan de buitenzijde de wandgreppel (figuur 2). De wanden bestaan uit vlechtwerk. Alle gebouwen van dit type lijken een minimale lengte van 12 m te hebben gehad. Omdat geen complete plattegronden bewaard zijn gebleven, kunnen de exacte lengte en de breedte niet worden vastgesteld. De gebouwen van het type Deventer 3 vertonen overeenkomst met plattegronden van boerderijen van het type Odoorn C. Dit type wordt eveneens gekenmerkt door een draagconstructie die buiten de wanden is geplaatst. Daarnaast komen soms stijlen aan de binnenzijde van de wand voor. De wand is vaak deels ingegraven. De lengte varieert van 18 tot 21 m. De breedte is over het algemeen 5 m. De plattegrond is rechthoekig van vorm,

NUMMER 6

JANUARI 2009

veelal met afgeronde hoeken. Dit gebouwtype wordt tussen 700 en 900 na Chr gedateerd. 7 Gebouwen van het type Deventer 3 dateren uit de periode 800 - 850, met een uitloop tot ongeveer 900. De sterke gelijkenis met de plattegronden van het type Odoorn C doet een agrarische functie voor de gebouwen van het type Deventer 3 vermoeden. De afwijkende oriëntatie van gebouwen in duidelijk rurale contexten (oost-west) lijkt het belangrijkste verschil met de Deventer gebouwen, die overwegend noord-zuid zijn georiënteerd. De aanwezigheid van boerderijen wijst erop dat het onderzoeksgebied in deze periode een agrarisch karakter had. Deze gedachte wordt onderstreept door de ruime opzet van het gebied, het ontbreken van een systematisch verkavelingssysteem en het vrijwel ontbreken van importkeramiek.

850-900: Functieverandering weerspiegeld in huisplattegronden Tussen 850 en 900 onderging het onderzoeksgebied een ingrijpende verandering in ruimtelijk en functioneel opzicht. Dat blijkt in de eerste plaats uit de aanleg van een structureel en systematisch verkavelingssysteem in het gehele onderzoeksgebied. De verkaveling bestond uit lange, smalle percelen, haaks op de IJssel.8 De breedte van de individuele percelen varieerde van 9,5 m tot 11,5 m.

Opvallend is dat deze verkaveling grotendeels tot na de Middeleeuwen gehandhaafd bleef. De huidige Assenstraat en Polstraat, die tegenwoordig het onderzoeksgebied omsluiten, fungeerden waarschijnlijk als primaire assen binnen dit verkavelingssysteem (figuur 3). Bij archeologische onderzoeken in andere delen van de binnenstad kon eenzelfde verkavelingssysteem worden aangetoond.9 Daarnaast bleek dat deze percelering al bestond voordat de nederzetting aan het eind van de 9de eeuw werd omgeven door een aarden wal. Deze wal is vermoedelijk aangelegd naar aanleiding van een Vikingaanval in het jaar 882. De verandering in ruimtelijke structuur van het 9de-eeuwse Deventer was niet het gevolg van de bij deze aanval toegebrachte verwoestingen, maar moet door andere redenen zijn ingegeven. Op de nieuwe percelen werden geen grote boerderijachtige huizen van het type Deventer 3 gebouwd, maar kleinere gebouwen. Deze gebouwen hebben een uit enkele rijen paalsporen opgebouwde, rechthoekige plattegrond. De breedte varieerde van 4,5 m tot 5 m. Gemiddeld waren de huizen ongeveer 12 m lang. Deze gebouwen worden tot het type Deventer 2 gerekend. Gebouwen van dit type kwamen in de tweede helft van de 9de eeuw en de eerste helft van de 10de eeuw op verschillende plaatsen in de nederzetting voor. Deze gebouwen verschillen qua afmetingen,

2 OVERZICHT VAN DE BEKENDE PLATTEGRONDEN VAN HET TYPE DEVENTER 3. S A M E N VAT T I N G Op basis van de resultaten van vijf grotere opgravingen in het centrum van Deventer is een synthetiserend onderzoek uitgevoerd, dat zich met name richtte op de ruimtelijke en sociaal-economische aspecten in de ontwikkeling van vroegmiddeleeuwse nederzetting tot middeleeuwse stad. Het onderzoek leverde veel nieuwe inzichten op in het verstedelijkingsproces van Deventer. Dit artikel richt zich op de ontwikkelingen die de burgerlijke huizenbouw tussen ca. 800 en 1250 n. Chr. doormaakte, geplaatst in de historische context. Daarnaast wordt kort aangegeven hoe de resultaten zich verhouden tot een breder onderzoekskader.

33


A

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009 opbouw en indeling dusdanig van die van Deventer type 3, dat een agrarische functie voor deze gebouwen niet erg waarschijnlijk is. Intern waren deze gebouwen waarschijnlijk in twee of meerdere ruimtes verdeeld (figuur 4). Mogelijk werd een van de ruimtes gebruikt als ambachtelijk atelier of voor de opslag van handelswaar of voorraden. Een combinatie van beide functies is tevens mogelijk. De overige ruimtes hadden waarschijnlijk een woonfunctie. Omdat de gebouwen uit ĂŠĂŠn verdieping bestonden, hadden zij ten hoogste een soort vliering ter beschikking voor de opslag van voorraden of andere goederen. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat deze als pakhuizen of opslagplaatsen dienden.

DRIE HOOFDASSEN, DIE DE BASIS VORMDEN VOOR DE VERKAVELING 3 DE VAN DE NEDERZETTING IN DE TWEEDE HELFT VAN DE 9DE EEUW, GEPROJECTEERD BINNEN DE OMWALLING UIT DE LATE 9DE EEUW.

4 RECHTHOEKIGE HUISPLATTEGRONDEN VAN HET TYPE DEVENTER 2 34

De aanleg van een systematische, bijna planmatige verkavelingsstructuur betekende een grote verandering in de ruimtelijke indeling en ordening van de nederzetting en vormde in feite een eerste stap in het verstedelijkingsproces. Het vroegstedelijke uiterlijk van de nederzetting werd verder versterkt door de bouw van kleine, rechthoekige huizen. Deze stonden op een gemeenschappelijke rooilijn aan een straat en fungeerden zowel als woning als werkplaats/opslagruimte. Hiermee begon de nederzetting Deventer zich in ruimtelijk en economisch opzicht te onderscheiden van het omringende platteland. Dat de agrarische component na 850 niet geheel uit de nederzetting verdween, blijkt uit de vondst van een plattegrond van een ander gebouwtype, namelijk het type Deventer 1 (figuur 5). Van dit type is tot op heden slechts een plattegrond bekend. Deze is opgegraven aan de rand van de nederzetting aan de Smedenstraat.10 Dit gebouwtype is naar verhouding groot (9 m breed en minimaal 16 m lang) en bestaat uit een dubbele palenrij. De hoeken van het gebouw zijn afgerond. Gezien de datering, die niet scherper is te stellen dan tussen 800 en 882, vormde dit type mogelijk een overgangsvorm tussen de typen Deventer 3 en Deventer 2. De veranderingen in de ruimtelijke opbouw en het uiterlijk van de nederzetting impliceren tegelijkertijd een verandering in de sociaal-economische structuur. De agrarische functie raakte meer op de achtergrond, terwijl de ambachtelijke en uitwisselings- of handelscomponent lijkt te zijn toegenomen. Dat kan onder meer worden afgeleid uit de gevonden resten van been- en ijzerbewerking. Daarnaast neemt het aandeel importkeramiek in deze periode sterk toe.


VITRUVIUS Deze veranderingen zullen ook hun weerslag hebben gehad op het zelfbeeld van de bewoners van het 9de-eeuwse Deventer. Het blijft nog onduidelijk of zij zichzelf anders beschouwden als de bewoners van het omliggende platteland. Het initiatief tot de functieverandering van Deventer ging waarschijnlijk uit van de vorst en kerkelijke instellingen. De toegenomen bevolkingsdichtheid en de toename van uitwisseling werkten mogelijk wel als katalysator voor de ontwikkeling van nieuwe organisatievormen zoals gilde-achtige structuren, naast de feodale gezagsverhoudingen. Deze nieuwe organisatievormen hadden vaak de vorm van een eedgenootschap, waarbij de leden elkaar een eed van trouw zworen en daarbij beloofden de gezamenlijke belangen van de leden (vaak handelaren) als één groep te beschermen. Door deze horizontale organisatiestructuren kon de hiërarchische gezagsstructuur met de landsheer in het gedrang komen. Dergelijke organisaties werden in de 9de eeuw daarom herhaaldelijk verboden.11 Vergelijkend onderzoek van Deventer met andere portes in het Schelde-, Maasen Rijngebied, die een vergelijkbare toename in activiteit vertoonden in deze periode, kan meer duidelijkheid geven over deze belangrijke stap in het verstedelijkingsproces.12

NUMMER 6

JANUARI 2009

5 DE ENIGE IN DEVENTER BEKENDE PLATTEGROND VAN HET TYPE DEVENTER 1.

6 DE PLATTEGRONDEN TYPE DEVENTER 6 MARKEREN HET BEGIN VAN EEN GELEIDELIJKE OVERGANG NAAR HOUTSKELETBOUW.

900-950: Geleidelijke overgang naar houtskeletbouw Vanaf 900 kwam een geleidelijke verandering in de constructiewijze van houten gebouwen op gang. Er verscheen een nieuw type plattegrond op het toneel. Gebouwen van dit type (type Deventer 6) bestonden nog maar gedeeltelijk uit ingegraven palen. Dat blijkt uit de relatief grote afstand tussen de gevonden paalsporen (figuur 6). Op deze palen was vermoedelijk een horizontale balk bevestigd, die de basis voor de wandconstructie vormde. De breedte van plattegronden van dit type was minimaal 4 m, de lengte bedroeg minimaal tussen 11,5 m en 13 m. Gebouwen van het type Deventer 6 dateren voornamelijk uit de eerste helft van de 10de eeuw, maar kwamen ook in de tweede helft van de 10de eeuw nog voor. Zij verschilden qua afmetingen weinig van zowel gebouwen van het type Deventer 2 als Deventer 4 (zie hieronder). De functie van deze gebouwen zal daarom waarschijnlijk niet wezenlijk verschillen van die van de voorgangers en opvolgers van dit type: een woning voor personen met een behoefte aan opslagcapaciteit, mogelijk gecombineerd met een ambachtelijke werkplaats.

De ruimtelijke structuur van de nederzetting bleef in deze periode vrijwel ongewijzigd. De perceelsgrenzen bleven gehandhaafd. De aan het eind van de 9de eeuw aangelegde aarden verdedigingswal, vormde echter een belangrijk nieuw element.13 Mogelijk vormden de omwalling van de nederzetting en, als gevolg hiervan, de uitbreiding van de geestelijke gemeenschap en de verplaatsing van de bisschopszetel naar Deventer, een belangrijke impuls voor de verdere ontwikkeling van de nederzetting en de handel. De omwalling speelde daarnaast een belangrijke rol in het verstedelijkingsproces. De wal vormde een duidelijke fysieke grens tussen de vroegstedelijke nederzetting en het omringende platteland. De plattegronden van het type Deventer 6 vormen de eerste aanzet van de overgang van gebouwen met ingegraven staanders naar in houtskeletbouw uitgevoerde gebouwen. De overgang naar een meer arbeidsintensieve, technisch geavanceerdere bouwtechniek kan mogelijk worden gezien als gevolg van de toegenomen politieke en militaire stabiliteit na de aanleg van de omwalling.

35

950-1050: Grotere huizen in houtskeletbouw Vanaf 950 kwam met de introductie van gebouwen van het nieuwe type Deventer 4 de ontwikkeling van de houtskeletbouwtechniek volledig op gang. De dragende constructie was opgenomen in de wanden van het gebouw in de vorm van een stijf houtskelet. Het geheel rustte op een raamwerk van horizontale balken, dat direct op de lemen vloer van het gebouw lag. Deze vakwerk- of houtskeletbouw maakte het mogelijk om gebouwen met meerdere verdiepingen te bouwen. Het subtype Deventer 4A is wat betreft constructie identiek aan type 4, met de uitzondering dat gebouwen van dit type geheel of gedeeltelijk waren onderkelderd (figuur 7). De gebouwen van dit subtype bestonden dus altijd uit minimaal twee verdiepingen, aangenomen dat zich op de begane grond ook een verdieping bevond. Op basis van de sporen van gebouwen van het type Deventer 4A kan worden vastgesteld dat de breedte van deze gebouwen varieerde van 4,2 m tot 5,2 m. De lengte kon tussen 11,5 m en 14,5 m bedragen. De nieuwe bouwtechnieken maakte het mogelijk het beschikbare bruto vloeroppervlak per gebouw aanzienlijk te vergroten. Dat


A

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009 sluit in ieder geval een opslagfunctie uit. Uit de archeologische data komt in de periode tussen 950 en 1050 voor het eerst een sociale groep naar voren, die zichzelf duidelijk profileert als lokale elite. Zij bewoonden grote houten huizen, die waarschijnlijk uit meerdere verdiepingen bestonden. Een deel van deze gebouwen werd verwarmd met luxe verwarmingssystemen, die in deze periode verder vooral in versterkingen en kloosters worden aangetroffen. Terwijl de economische activiteiten in de nederzetting als geheel zich steeds meer toespitsen op handel en ambacht, is op perceelsniveau een zekere specialisatie waarneembaar. Dat blijkt onder meer uit het feit dat bijgebouwen met een ambachtelijke functie nooit op hetzelfde perceel lagen als een onderkelderd houten gebouw met een opslagfunctie.

Na 1050: grote gebouwen van tufsteen

7

PLATTEGRONDEN VAN ONDERKELDERDE HOUTEN HUIZEN VAN HET TYPE DEVENTER 4A.

DE ACHTERERVEN 8 OP BEVONDEN ZICH KLEINE GEBOUWTJES IN HOUTSKELETBOUW VAN HET TYPE DEVENTER 5, VERMOEDELIJK MET EEN AMBACHTELIJKE FUNCTIE.

geldt zeker voor het onderkelderde type Deventer 4A. Deze gebouwen hadden waarschijnlijk in de eerste plaats een functie als woonhuis voor kooplieden of personen met grondbezit buiten de stad, mogelijk gecombineerd met een ambachtelijke werkplaats. Dat de bewoners van deze gebouwen tot de sociale elite moeten hebben behoord, blijkt uit de vondst van meerdere bekervormige kacheltegels, afkomstig van lemen kachelovens.14 Gebouwen van het type Deventer 4 kwamen zeker tot 1250 voor. Waarschijnlijk werd dit type pas verdrongen na de introductie van baksteen als grootschalig toegepast bouwmateriaal. Opvallend is dat de onderkelderde variant na 1050 nauwelijks meer voor lijkt te komen. Mogelijk bestaat er een verband tus-

sen het verdwijnen hiervan en de opkomst van grote tufstenen woonhuizen na 1050. De introductie van houtskeletgebouwen van het type Deventer 4 en Deventer 4A vormt een belangrijke aanwijzing voor een toenemende specialisatie op het gebeid van de handel. In de kelder van een van de gebouwen zijn resten aangetroffen die op de opslag van een grote hoeveelheid graan wijzen. Aanwijzingen voor ambachtelijke activiteiten bestaan onder andere uit het voorkomen van kleine bijgebouwtjes van het type Deventer 5 (figuur 8). De gebouwen van dit type vervulden, gezien het voorkomen van een haardplaats, mogelijk een functie als smelterij, stokerij of brouwerij. De aanwezigheid van haarden in deze relatief kleine gebouwtjes

36

Vanaf 1050 wordt het stedelijke karakter van Deventer verder versterkt door de bouw van grote tufstenen gebouwen. In het onderzoeksgebied zijn in totaal de resten van acht van dergelijke gebouwen aangetroffen. Ook buiten het onderzoeksgebied bestaan aanwijzingen voor burgerlijke tufsteenbouw. Typologisch zijn deze gebouwen in twee groepen onder te verdelen. De gebouwen van het type Deventer 7 zijn vrijwel vierkant van opzet. De muurdiktes bedragen tussen 0,60 m en bijna 1 m. De afmetingen van de gebouwen variëren sterk van 5,50 bij 5 m tot bijna 8 bij 8,50 m (figuur 9). Gebouwen van het type Deventer 8 daarentegen zijn langgerekter en rechthoekig van opzet (figuur 10). Bij deze gebouwen variëren de afmetingen van bijna 10 m bij 6 m tot 22 m bij 6 m. De afmetingen zijn niet de belangrijkste criteria bij de toewijzing aan een type, maar de opzet van de plattegrond is hierin bepalend. De onderste verdieping van beide typen gebouwen was over het algemeen verdiept aangelegd als souterrain. Waarschijnlijk bestonden deze gebouwen uit meerdere verdiepingen. Gebouwen van de typen Deventer 7 en 8 werden waarschijnlijk kort na 1050 geïntroduceerd. Na de 12de eeuw lijkt het type Deventer 7 niet meer voor te komen. Enkele gebouwen van dit type werden, nadat zij in de 12e eeuw door brand waren verwoest, vervangen door type Deventer 8. Gebouwen van dit laatste type functioneerden waarschijnlijk tot ver na de 13de en 14de eeuw, waarin het gebruik van baksteen steeds algemener werd.


VITRUVIUS

NUMMER 6

Stenen gebouwen met een vierkante of rechthoekige plattegrond zijn in deze periode geen onbekend verschijnsel in Noordwest-Europa. We kennen ze onder meer uit Trier, Mainz en Rosheim (figuur 11).15 Over het algemeen bestaan zij uit minimaal drie bouwlagen. Aangenomen wordt dat de begane grond en het souterrain een functie als opslagruimte hadden, terwijl de eerste verdieping als woonruimte fungeerde. Deze gebouwen moeten een zeker weerbaar karakter hebben uitgestraald, hetzij praktisch, hetzij symbolisch. Het bij de bouw gebruikte tufsteen is waarschijnlijk grotendeels afkomstig uit de voormalige Romeinse steden zoals Xanten. Daarnaast werd ook tufsteen in de voormalige Romeinse mijnen in het Eifelgebied gewonnen.16 In deze periode moet er sprake zijn geweest van een aanzienlijke aanvoer van tufsteen als bouwmateriaal, niet zozeer voor burgerhuizen maar vooral voor de bouw van een imposante bisschoppelijke palts op enige honderden meters ten noorden van het onderzoeksgebied. Deze palts diende, behalve als tweede residentie van de bisschop van Utrecht, voornamelijk als uitvalsbasis voor zijn plaatselijke vertegenwoordiger. Mogelijk hangt deze bouwactiviteit samen met het verkrijgen van belangrijke rechten in Deventer door de bisschop. In deze context komen de lokale bisschoppelijke ministerialen (in de hoedanigheid van handelaar, grootgrondbezitter of beide) in aanmerking als initiatiefnemers tot de bouw van deze stenen gebouwen. Zij beschikten blijkbaar over voldoende invloed en financiĂŤle middelen om op eigen initiatief stenen woningen op te trekken. Vanwege hun positie als bisschoppelijke functionarissen hadden zij toegang tot invloedrijke functies, zoals die van bisschoppelijk domeinbeheerder. Tegen de achtergrond van de investituurstrijd is het juist deze groep die haar invloed aanwend om gemeenschappelijke belangen als collectief veilig te stellen. In andere steden, zoals in Trier en Kamerijk, treedt deze groep in de 11de eeuw steeds meer naar voren als militaire en bestuurlijke elite.17 Deze collectieven kenmerkten zich door een eigen, horizontale organisatiestructuur en kwamen waarschijnlijk voort uit soortgelijke collectieven die ook al in de 9de eeuw bestonden. Daarbij kwam het regelmatig tot conflicten met de landsheer, veelal de lokale bisschop.

JANUARI 2009

9 DE PLATTEGRONDEN VAN DE TUFSTENEN GEBOUWEN VAN HET TYPE DEVENTER 7 ZIJN MIN OF MEER VIERKANT VAN VORM.

0 PLATTEGRONDEN VAN HET TYPE DEVENTER 8 ZIJN RECHTHOEKIG VAN VORM.

Tufsteen muurwerk Uitbraakspoor Reconstructie Grens opgravingsput

 DIT VOORBEELD VAN EEN GEBOUW UIT DE 12DE EEUW IN ROSHEIM (FR.) GEEFT EEN INDRUK VAN HET UITERLIJK VAN GEBOUWEN VAN HET TYPE DEVENTER 7 EN 8.

Een historische aanwijzing voor de aanwezigheid van een dergelijke georganiseerde groep in Deventer stamt uit 1116, toen de lokale bisschoppelijke ministerialen bij een

37


A

VITRUVIUS

conflict tussen bisschop Godebald (1114 - 1127) en keizer Hendrik V (1081 - 1125) de zijde van de laatste kozen. Waarschijnlijk maakten in de 12de eeuw ook welgestelde, vrije handelaren deel uit van deze groep. Uit de archeologische en historische bronnen komen hiermee de eerste aanwijzingen naar voren van een maatschappelijke groep, met een eigen organisatievorm, en als zodanig naar buiten trad. Deze groep streefde naar een autonomie positie. Dit collectieve zelfbewustzijn en het daaruit voortvloeiende streven naar autonomie zijn belangrijke factoren in het mentale verstedelijkingsproces. Dit proces zette zich voort in de 12de een 13de eeuw, waarin uit de geschreven bronnen een toenemende autonome, bestuurlijke invloed van ministerialen en vrije burgers naar voren komt. Deze vond zijn weerslag bijvoorbeeld in de vorm van de instelling van een schepenraad.18

Conclusie Het onderzoek op basis van de analyse resultaten van meerdere oude opgravingen heeft belangrijke nieuwe inzichten opgeleverd over het ontstaan en de ontwikkeling van de ruimtelijke ordening en de sociaal-economische structuur van Deventer in de Vroege en Volle Middeleeuwen in relatie tot het verstedelijkingsproces. Ten eerste kan nu een integraal en systematisch beeld worden gegeven van de ontwikkelingen in de wooncultuur van de (vroeg)stedelijke fase in de periode 800-1250. De, grotendeels nieuwe inzichten in de ruimtelijke indeling en het functionele gebruik van de nederzetting en de veranderingen die daarin in de loop der tijd optraden zijn van grote waarde bij de voorbereiding

NUMMER 6

JANUARI 2009

van toekomstige opgravingen in de binnenstad en bepalen voor een groot deel de vraagstellingen en daaraan gekoppelde onderzoeksmethoden met betrekking tot deze periode. Gezien in het bredere kader van het urbanisatieproces van Deventer gedurende de Middeleeuwen is een duidelijke samenhang aan te wijzen tussen het fysieke proces van verstedelijking, waarbij de nederzetting een steeds uitgesprokener stads uiterlijk kreeg, en het mentale verstedelijkingsproces van (een deel van) haar inwoners, die zichzelf steeds meer als aparte maatschappelijke groep gingen beschouwen en zich als zodanig profileerden. Hieruit kwam op verschillende momenten gedurende dit mentale proces een streven naar autonomie naar voren, dat geleidelijk steeds meer voet aan de grond kreeg en in het begin van de 13de eeuw resulteerde in de instelling van een stadsbestuur dat in ieder geval voor een deel bestond uit vrije burgers. Vergelijkbare processen zijn historisch en archeologisch waarneembaar in vroeg-urbane centra elders in Noordwest-Europa.19 De vraag blijft nog hoe de wisselwerking tussen het fysieke en mentale deel van het verstedelijkingsproces werkte: werd de mentaliteitwijziging van de inwoners ingegeven door veranderingen in hun fysieke omgeving of juist omgekeerd? Uit de gegevens van het onderzoek blijkt in ieder geval dat essentiĂŤle stappen in het verstedelijkingsproces hun weerslag vinden in de bodem en dat de mentaliteitswijziging van de inwoners van Deventer voor een deel

wordt weerspiegeld in de veranderingen in de huisbouwtradities. Het proces van verstedelijking is in het onderzoeksgebied archeologisch traceerbaar in de vorm van enkele cruciale functionele en ruimtelijke veranderingen, zoals de aanleg van een systematische verkaveling, verdichting van de bebouwing, een diversificatie van het economische spectrum, waarbij de agrarische component steeds verder afneemt ten opzichte van ambachten en handel, en de ontwikkeling van stedelijk gebouwtypen, opgetrokken in houtskeletbouw of natuursteen. Daarbij moet ook de invloed van de aanleg van een omwalling niet worden vergeten. Deze stappen lijken in het middeleeuwse verstedelijkingsproces in Noordwest-Europa geen vaststaand chronologisch traject te kennen. Dat wil zeggen dat dezelfde stap in verschillende centra op een ander moment kan worden gezet. In vergelijking tot andere vroegstedelijke centra start het urbanisatieproces in Deventer relatief vroeg. Vergelijkend onderzoek met bijvoorbeeld Utrecht, Nijmegen, Maastricht of contemporaire centra in het Duitse Rijnland kan mogelijk uitwijzen of er groepen van centra zijn waar het verstedelijkingsproces synchroon verliep, of dat ieder centrum een eigen tijdspad volgde. 1 Mittendorff,

2007. veel onderzoeken betrof het een vrij kleine waarneming, die voor het grootste deel zijn beschreven door de Deventer tekenleraar Alex Dorgelo (1888-1963): Dorgelo, z.j. De onderzoeken, die wel in meer of mindere mate werden uitgewerkt, zijn in het onderzoek betrokken, zie noot 3 t/m 6. 2 Bij

 DEZE AQUAREL DOOR ALEX DORGELO UIT 1948 VERBEELDT DE OPGRAVING VAN EEN TUFSTENEN GEBOUW VAN HET TYPE DEVENTER 8 AAN DE POLSTRAAT.

38


VITRUVIUS 3 Dit onderzoek werd nooit uitgewerkt en de documentatie en geborgen vondstmateriaal raakten verspreid over verschillende instanties. Zie hiervoor Bartels, 2004, 14-15. 4 Dit onderzoek maakte deel uit van het onderzoeksproject ‘De urbanisatie van Nederlandse rivierengebeid tijdens de Middeleeuwen’. Doel van dit project was om door combinatie van onderzoeksgegevens uit vier steden (Tiel, Dordrecht, Nijmegen en Deventer) de ontwikkeling van ieder van deze steden afzonderlijk in hoofdlijnen te beschrijven. Daarnaast was het de bedoeling om deze vier steden onderling te vergelijken, gezien in een algemener kader van urbanisatie (Sarfatij, 1999, 15-17). Delen van het onderzoek aan het Burseplein werden uitgewerkt en gepubliceerd. Een korte beschrijving van de laat-middeleeuwse sporen en het vondstmateriaal uit de beerputten werd gepubliceerd (Clevis & Kottman, 1989). Een groot deel van het vondstmateriaal uit de beerputten is tevens gepubliceerd in Bartels, 1999. 5 Beide onderzoeken werden kort beschreven door de opgravingsleider: Lubberding, 1991. 6 Van

dit onderzoek verscheen een volledige basisrapportage: Spitzers, 2000. 7 Huijts, 1992, 149-160. 8 Het zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied vormt hierop een uitzondering. Omdat de Polstraat hier een bocht maakt in noordelijke richting, zijn de percelen in deze bocht meer oost-west georiënteerd. De bocht in de straat is waarschijnlijk het gevolg van het natuurlijk reliëf ter plaatse. 9 Vermeulen, Nalis & Havers, 2006, 53-59. 10 Vermeulen, Nalis & Havers, 2006, 33. 11 Akkerman, 1962, 418-419. 12 Mittendorff, 2007, 278; vgl. ook Verhulst, 1999, 44-67. 13 Bartels, 2006a, 64-65. 14 Mittendorff, 2008, 124-128. 15 Wiedenau, 1983, 166-169; 253-256; 215-217. 16 Bartels, 2006b, 22. 17 Künzel, 1997, 171. 18 Benders, 2004, 43. 19 Zie ondermeer Laleman & Raveschot, 1991, 217-218 (Gent) en Künzel, 1997, 149-222 (Sint-Truiden, Trier en Kamerijk).

Literatuur – Akkerman, J.B., 1961. Het koopmansgilde van Tiel omstreeks het jaar 1000, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 30, 407-471. – Bartels, M.H., 1999. Steden in Scherven. Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht Nijmegen en Tiel (1250-1900), Zwolle/Amersfoort. – Bartels, M.H., 2004. Professor Van Giffen in Deventer. Een historisch verslag van de eerste systematische archeologische stadskernonderzoek in 1948, in: E. Kleeman (et. al.) (red.),

NUMMER 6

JANUARI 2009

 OPEN DAG OP DE OPGRAVING VAN PROF. DR. A.E. VAN GIFFEN AAN DE POLSTRAAT IN 1948, WAAR DE RESTEN VAN EEN TUFSTENEN GEBOUW VAN HET TYPE DEVENTER 7 ZICHTBAAR ZIJN.

De onderste steen. Essays over de cultuurgeschiedenis van Deventer. Liber amoricum voor Hans Magdelijns, Deventer, 10-17. – Bartels, M.H., 2006a. De wal tegen de Vikingen om middeleeuws Deventer Archeologisch en historisch onderzoek naar wal en stadsmuren (850-1900) en een vergelijking met andere vroegmiddeleeuwse omwalde nederzettingen, Deventer (Rapportages Archeologie Deventer 18). – Bartels, M.H., 2006b. Tufsteen, duyfsteen, dufsteen; handel, bouw en sloop in harde bouwmaterialen in middeleeuws Deventer, in: H. De Beer, C. Hogenstijn & D. Webbink (red.), Aan weerszijden van de IJssel; liber amicorum aangeboden aan Henk Nalis ter gelegenheid van zijn afscheid als archivaris van de gemeente Deventer, Deventer, 21-30. – Benders, J.F., 2004. Bestuursstructuur en schriftcultuur. Een analyse van de bestuurlijke verschriftelijking in Deventer tot het eind van de 15de eeuw, Kampen. – Clevis, H. & J. Kottman, 1989. Weggegooid en teruggevonden. Aardewerk en glas uit Deventer vondstcomplexen 1375-1750, Kampen. – Dorgelo, A., z.j. Opgravingen in Deventer 1933-1959 (ongepubliceerd handschrift in twee delen). – Huijts, C.S.T.J., 1992. De voor-historische boerderijbouw in Drenthe. Reconstructiemodellen van 1300 vóór tot 1300 na Chr., Arnhem. – Künzel, R., 1997. Beelden en zelfbeelden van middeleeuwse mensen. Historisch - antropologische studies over groepsculturen in de Nederlanden, 7de - 13de eeuw, Nijmegen. – Laleman, M.C. & P. Raveschot, 1991. Inleiding tot de studie van de woonhuizen in Gent, periode 1100-1300, de kelders, Brussel. – Lubberding, H.H.J., 1991. Enkele koopmanshuizen in de Vrije Keizerlijke (Hanze)stad Deventer, in: Westerheem XL-4, 156-164.

39

– Mittendorff, E.S., 2007. Huizen van Heren. Archeologisch onderzoek naar het proces van verstedelijking en de vorming van een stedelijke elite in het Polstraatkwartier van Deventer, ca. 800 - 1200, Deventer (Rapportages Archeologie Deventer 20). – Mittendorff, E.S., 2008. Heteluchtverwarming in huizen van de vroegstedelijke elite in de 11de eeuw in Deventer (NL), in : L. Henderickx & N. Mees (red.), Archaeologia Mediaevalis, Archeologie van de Middeleeuwen en de Moderne Tijden in België en aangrenzende gebieden 31, Namen. – Sarfatij, H., 1999. Stad, archeologie en afval, in: M.H. Bartels, 1999. Steden in Scherven. Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht Nijmegen en Tiel (1250-1900), Zwolle/Amersfoort. – Spitzers, T.A., 2000. Archeologisch onderzoek Polstraat 69/71 te Deventer 1998-1999. 1100 jaar bouwen en leven in de Polstraat, BAAC basisrapportage (BAAC-rapport 99.006), Deventer. – Verhulst, A., 1999. The rise of cities in Northwest Europe, Cambridge. – Vermeulen, B., H. Nalis & G. Havers, 2006. Razende mannen, onrustige vrouwen. Archeologisch onderzoek naar de vroegmiddeleeuwse nederzetting, een adellijke hofstede en het St. Elisabethsgasthuis te Deventer, Deventer (Rapportages Archeologie Deventer 17). – Wiedenau, A., 1983. Katalog der romanischen Wohnbauten in westdeutschen Städten und Siedlungen (ohne Goslar und Regensburg), Tübingen.

E.S. M ITTENDORFF is projectleider archeologie gemeente Deventer.


M

MONUMENTENZORG

T. G . N I J L A N D E N R . P. J . VA N H E E S

1 RESTANTEN RÖMER TUF IN BAKSTEENMETSELWERK AAN DE LAURENTIUSKERK TE BAFLO. FOTO A U G U S T U S 2 0 0 4

Tufsteen uit de Eifel nder de stenen die als eerste ingevoerd werden, was tufsteen uit de Duitse Eifel, samen met Drachenfels trachiet uit het Zevengebergte en noorden daarvan en enig rood zandsteen uit de stroomgebieden van Main en Weser.

O

De namen waarmee de verschillende Rijnlandse tufstenen aangeduid worden – Römer, Weiberner/Hohenleie, Ettringer/Hasenstoppler en Riedener tuf – duiden hun lokale herkomst aan en zeggen niets over hun (al dan niet overeenkomstige) eigenschappen. Tufstenen vertonen aanzienlijke variatie, ook binnen één en hetzelfde type. Allen zijn macroporeuze gesteenten met een variabele hoeveelheid puimsteen en gesteentefragmenten in een fijnkorrelige matrix die oorspronkelijk uit vulkanisch glas bestond. In alle Eifel tufsoorten is dit glas omgezet naar zeolieten. De Römer tuf is afkomstig van de versteende asstromen en -wolken van de uitbarsting van de Laacher Seevulkaan 11.900 jaar geleden. In oudere literatuur werd ze ook aangeduid als duifsteen, trastuf, lapillituf of Andernach

Vulkanische tufsteen, in het bijzonder die varianten die door de vorming van zeolieten versteend zijn, zijn als bouwsteen in veel landen gebruikt, waaronder Bulgarije, Hongarije, Duitsland, Griekenland, Italië, Mexico, Roemenië en de VS. In Nederland, met haar geringe hoeveelheid landseigen natuursteen, werd natuursteen traditioneel geïmporteerd, in het bijzonder uit Duitsland en België.

TO E PA S S I N G E N IN NEDERLAND

tuf.Weiberner en Ettringer tuf worden in de oudere geologische literatuur te samen wel aangeduid als selbergitische tuf. Deze tufsoorten bevatten het mineraal leuciet, en zijn versteende asafzettingen uit het aanzienlijk oudere Rieden vulkaancomplex. Hohenleie (Hohen Ley, Hochlei) is een variëteit van Weiberner tuf, Hasenstoppler van de Ettringer.

Oorspronkelijk gebruik van tufsteen in Nederland Het gebruik van tufsteen als bouwsteen gaat in Nederland terug tot de Romeinse tijd. Dezelfde tuf, niet voor niets als Römer tuf aangeduid, wordt opnieuw gebruikt in de romaanse periode, van de 10e tot in de 13e eeuw. Het gebruik is vrij beperkt in het oosten (Twenthe) en zuidoosten (Limburg), maar uitgebreid in de rest van het land. Römer tuf was het meest gangbare type natuursteen in die periode en werd zowel primair als secundair verwerkt. De resten van de vroeg 11e eeuwse romaanse Dom van Utrecht, gewijd in 1023 door bisschop Adelbold zijn van Römer tuf, en materiaal van deze Dom werd opnieuw gebruikt voor

40

de gothische Dom, waarvan de 1e steen gelegd werd in 1254 door bisschop Henry van Vianden. Ook aan de 11e eeuwse kapittelkerken van bisschop Bernold (Jans- en Pieterskerk in Utrecht, Lebuïnus in Deventer) werd op grote schaal tufsteen verwerkt, soms van opmerkelijke lengte, tot 92 cm aan de Pieterskerk. Het materiaal werd ook benut voor vele minder prominente kerken, zoals de vele romaanse dorpskerken in Groningen (figuur 1) en kerken in de Hollanden. Ook verdedigingswerken, zoals de Burcht in Leiden, een van oorsprong 12e eeuws chateau-en-motte, en profane gebouwen, zoals het oudste overlevende van oorsprong stenen huis in Nederland, de Proosdij in Deventer (figuur 2), werden (deels) opgetrokken uit tufsteen, net als verschillende andere vroegmiddeleeuwse huizen zoals Putruwiel, Lichtenberg en Drakenburg in Utrecht. In de zuidelijke Nederlanden is (secundair) Römer tuf gebruikt voor enkele romaanse of vroeggothische kerken in Belgisch Limburg, en in steden die ooit over het Zwin bevaarbaar


VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

waren, zoals Brugge en Damme. Behalve als bouwsteen werd de Römer tuf ook gebruikt voor grafkisten, zoals in de Jans- en Nicolaaskerk in Utrecht en de verder van tuf gespeende St. Servaes in Maastricht. Vanaf het begin van de 13e eeuw werd de Römer tuf uit de markt geduwd door lokaal geproduceerde baksteen en andere natuursteensoorten. De vele tollen op de Rijn waren hier voor een deel debet aan. In sommige plaatsen werd Römer echter nog geruime tijd (her)gebruikt.

en voor nieuwbouw. In deze periode werd ook de Ettringer tuf voor het eerst geïntroduceerd.

Begin 15e eeuw, tot in de 16e eeuw, wordt opnieuw tufsteen uit de Eifel toegepast. Het gaat nu om Weiberner tuf, in het bijzonder de fijnkorrelige variëteit daarvan, Hohenleie. Deze steen laat zich zeer fijn en fraai bewerken, zoals onder andere begin 15e eeuwse kraagstenen hoog in het koor van de Leidse Pieterskerk (figuur 3) en in de St. Jan in ’s-Hertogenbosch (nu in de bouwloods) getuigen. Ook hogels op de luchtbogen van de St. Jan, een muuraltaar in de St. Maarten in Zaltbommel en de blindtraceringen in de pandhof van de Dom in Utrecht zijn uit deze tuf vervaardigd. Het gebruik was echter niet tot bouwbeeldhouwkunst beperkt. De Weiberner werd ook voor parement gebruikt, bijvoorbeeld aan de OLV kerk in Zwolle en verschillende kerktorens, waaronder de Grote Kerk in Dordrecht. Veel later, 2e helft 19e eeuw – begin 20e eeuw werd de Weiberner opnieuw geïntroduceerd, als restauratiesteen

Ook de Ettringer, en haar variant Hasenstoppler, werden zowel voor nieuwbouw als restauratie gebruikt. Dat laatste ondermeer bij de Grote Kerk, Dordrecht (jaren ’20 en 1953-1966), de St. Stevenskerk in Nijmegen (afgerond 1969), de Bovenkerk in Kampen (1958-1972) en als bekleding van de door Verlaan na de oorlog ontworpen toren van de Eusebiuskerk in Arnhem (1959-1964). Opmerkelijk genoeg heeft veel van de Ettringer tuf gebruikt in restauraties zich veel slechter gehouden dan de Ettringer die eind 19e, begin 20e eeuw voor nieuwbouw gebruikt is. Voorbeelden van nieuwbouwgevels uit die periode in Ettringer tuf zijn ondermeer de toren van het stadhuis in Rotterdam (1916), het Rijnlandhuis in Utrecht (1920) en de KAS bank in Amsterdam (1932). In dezelfde periode werd Ettringer tuf ook veel gebruikt voor kleine bouwelementen (hoekblokken, dorpels, ornamenten) in gevels die

S A M E N VAT T I N G Tufsteen uit het Duitse Eifelgebied (Römer, Weiberner/ Hohenleie, Ettringer/ Hasenstoppler tuf) is in Nederland op grote schaal gebruikt als bouwsteen. In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van dit gebruik en ingegaan op de behoefte aan geschikte vervangende stenen, in het bijzonder voor de Römer tuf.

2 RÖMER TUF TE SAMEN MET DRACHENFELS TRACHIET AAN DE GEVEL VAN HET OUDSTE STEENHUIS IN NEDERLAND, DE PROOSDIJ AAN DE SANDRASTEEG IN DEVENTER. FOTO O K TO B E R 2 0 0 4

3 BEGIN 15E EEUWSE KRAAGSTEEN UIT WEIBERNER TUF (HOHENLEI) IN HET KOOR VAN DE PIETERSKERK TE LEIDEN. FOTO M A A R T 2 0 0 5

41

verder in rood baksteenmetselwerk zijn opgetrokken. Deze toepassing is wijd verbreid: de huizen aan Lange Nieuwstraat 4042 in Utrecht en verschillende panden aan de Hoogehuisstraat in Eindhoven (laat jaren ’30, figuur 4) tonen deze combinatie. Dezelfde combinatie wordt weer toegepast in de jaren ’50, bijvoorbeeld aan de Rabobank in Ruurlo (1953), de gesloopte Rabobank in de Utrechtse wijk C (1956), in de Rechtestraat in Eindhoven (1954) en het stadhuis van WestTerschelling (1954). Typerend is ook het gebruik van Ettringer tuf in deze perioden voor kerkgebouwen in ecclectische stijl, soms met sterke orthodoxe invloeden, zoals de Jacobus de Meerdere in Enschede (1932-1933; figuur 5) en Heilige Hart van Jezus- of Koepelkerk in Maastricht. Na de jaren ’50 wordt het gebruik schaarser, al worden af en toe gevels (deels) bekleed met grote platen (Twentsche Schouwburg, Enschede, 1965; St. Gregoriusschool, Utrecht, c. 1965; flatgebouw Brug. Loeffplein, ’s-Hertogenbosch, jaren ’90).


M

VITRUVIUS

NUMMER 6

TUF IN COMBINATIE MET RODE BAKSTEEN AAN 4 ETTRINGER DE UIT 1939 DATERENDE GEVEL VAN HOOGEHUISSTRAAT 13 TE EINDHOVEN.

JANUARI 2009

TUF AAN DE JACOBUS DE MEERDEREKERK 5 ETTRINGER TE ENSCHEDE. FOTO J U N I 2 0 0 5

FOTO S E P T E M B E R 2 0 0 8

Vervangende steen voor Rijnlandse tuf Tuffen uit de Eifel reageren zeer verschillend op verwering. Typische verweringsvormen variëren van afvallen van het gehele zichtvlak en verpoedering voor Römer, exfoliatie bij Weiberner, en vorming van grote scheuren in Ettringer. Alveoli zijn gangbaar in tuffen met veel puimsteen, terwijl zoutuitbloei en oplossing van de matrix bij alle soorten voorkomen. Alle tuffen zijn daarnaast ontvankelijk voor biokolonisatie. Deze verwering heeft tufsteen een niet onomstreden reputatie gegeven met betrekking tot duurzaamheid. Hoewel tufsteen ontegenzeggelijk in verschillende gevallen, afhankelijk van de steen en expositie, relatief snel verweert, laat de aanwezigheid van tufsteen uit de bouwtijd aan talrijke Nederlandse monumenten,- bijvoorbeeld de 15e eeuwse Römer en Weiberner tuf op de luchtbogen van de St. Jan in ’sHertogenbosch-, zien dat de steen heel duurzaam kan zijn. Vaak komen ook blokken sterk verweerde tuf voor naast niet of nauwelijks verweerde blokken van dezelfde ouderdom. Gelet de vorming van dit type gesteente, asstromen en -wolken van variabele samenstelling, verkit onder invloed van in meer of mindere mate aanwezig grondwater, is dit niet verwonderlijk. Het verdwijnen van Römer tuf van monumenten is overigens bij lange na niet alleen te wijten aan verwering.

Het gebruik van gemalen tuf als puzzolane toevoeging aan kalkmortels (tras) speelde eveneens een rol. Waar Nederlandse handelaren concessies pachten om Romeinse ruïnes in Xanten voor dit doel van hun tuf te ontdoen, werd ook in Nederland tuf afgenomen voor de trasproductie. Toen na de grote storm van 1674 de Pieterskerk in Utrecht zwaar beschadigd was, dwong het vroedschap het kapittel om de torens van te kerk te slopen, om met de verkoop van de zo beschikbaar gekomen tufsteen het herstel van de kerk zelf te financieren. Bij de 19e eeuwse restauratie van de Domtoren in Utrecht droeg de afgenomen tuf ook bij aan de financiering van de restauratie. Bij restauraties in de 19e en 20e eeuw werd Ettringer tuf gebruikt als vervangende steen voor Römer tuf, niet altijd tot hedendaagse tevredenheid. Ook andere stenen zijn gebruikt, zoals Udelfanger zandsteen aan de St. Jan in ’s-Hertogenbosch in de jaren 1880, een steen die zelf niet altijd al te duurzaam is en op veel plaatsen binnen 50 jaar vervanging behoeft. De ideale vervangende steen voor Römer tuf zou vanzelfsprekend het oorspronkelijke materiaal zijn. Juist dit werpt een probleem op. Gedurende de laatste decennia is slechts een betrekkelijk geringe hoeveelheid Römer tuf bij restauraties toegepast. Dat materiaal is evenwel duidelijk afwijkend van het oorspronkelijke materiaal, zowel qua

42

uiterlijk (door de talrijke opgenomen donkere bazaltfragmenten) als fysische eigenschappen zoals poriestructuur. Deze restauratiesteen komt, in tegenstelling tot het oorspronkelijke materiaal, uit het onderste deel van de laagsgewijze afzettingen. Bij de restauratie van de St. Jan kon nog de hand gelegd worden op een, ook qua fysische eigenschappen, meer op het origineel gelijkende partij. Gelet op de geringe beschikbare hoeveelheid, ligt het voor de hand te kijken naar andere vervangende steen, bijvoorbeeld tufsteen van elders. Italië, waar in de regio’s rond Rome en Napels als sinds pre-Romeinse tijd in tufsteen gebouwd wordt, biedt wellicht alternatieven. Sommige daarvan passen qua kleur en structuur erg goed bij de Römer tuf. De vraag is wel hoe deze stenen zich zullen houden in het Nederlandse klimaat. Recent TNO-onderzoek heeft aangetoond dat verschillende varianten aanzienlijk minder vorstvast zijn dan goede Römer tuf. Een vervangende steen die vaak ‘tufsteen’ genoemd wordt, is de begin jaren ’70 geïntroduceerde eveneens uit Italië (omgeving Viterbo) afkomstige Peperino duro. Nieuw in Nederland, maar bepaald geen nieuwe bouwsteen. Marcus Vitruvius was er bekend mee en noemde hem in De Architectura: ’lapidicinae Anicianae’, zijnde ‘spissis comparationibus solidatae’ (hard en compact) en met ‘infinitas virtutes’ (eindeloze deugden). De


VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009 Jan zijn in de periode 1918-1939 Weiberner en Ettringer tuf gebruikt als vervangende steen voor zowel Gobertange als Lede (Balegem), een eveneens witte Belgische steen. Aan de Pieterskerk in Leiden werd Weiberner tuf gebruikt voor het groot venster van het noordtransept kort na de Eerste Wereldoorlog, toen de eerder bij de restauratie gebruikte Franse kalksteen Morley niet meer beschikbaar was.

Besluit

TUF AAN DE ENTREE VAN DE TWENTSE 6 ETTRINGER SCHOUWBURG IN ENSCHEDE. FOTO D E C E M B E R 2 0 0 7

steen lijkt absoluut niet op de tuf uit de Eifel. De steen is grijs, met de tijd donker kleurend, dicht en hard, met een hoog soortelijk gewicht. Door de vele, vaak lange gesteentefragmenten en vloeistructuren, heeft de steen een enigszins gevlamd uiterlijk. Zoals al opgemerkt, zijn de ervaringen met Weiberner en Ettringer tuf gebruikt voor restauratie en nieuwbouw eind 19e, begin 20e eeuw wisselend. Het is in dit verband saillant om te realiseren dat de meningen over de duurzaamheid van Rijnlandse tufsteen gedurende de 20e eeuw duidelijk veranderd zijn. Terwijl de eerste Delftse hoogleraar bouwmaterialen Van der Kloes in 1908 nog alle tufsteen uit de Eifel als duurzaam beschouwde, merkt Van der Veen, die in de jaren ’20 onderzoek deed naar natuursteen voor de toenmalige Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, in verband met de toenmalige restauratie van de Eusebiuskerk in Arnhem op dat tuf uit Andernach, i.e. Römer tuf, een slechte reputatie had en niet meer gebruikt werd; Ettringer tuf zou haar duurzaamheid bewezen hebben. Ook in de jaren ’40 werd leuciethoudende tuf, in het bijzonder Ettringer, in schoolboeken als die van Vrind et al. en Lijdsman als meer duurzaam beschouwd. Veel Ettringer uit die periode

(bijvoorbeeld uit de jaren ’20 en ’30 aan de St. Jan in ’s-Hertogenbosch) wordt echter nu weer vervangen. De Pieterskerk in Leiden is een ander voorbeeld waar aanzienlijke hoeveelheden tuf uit de jaren ’30 nu vervangen worden. In tegenstelling tot Römer tuf zijn Weiberner en Ettringer tuf nog zonder probleem beschikbaar. Zij zouden in aanmerking kunnen komen bij restauratie. Onderzoek heeft aangetoond dat zeker van de Weiberner ook duurzame, vorstbestendige stenen beschikbaar zijn; overigens wordt de door van der Veen aangehaalde slechte reputatie van de Römer tuf door de praktijk in veel gevallen gelogenstraft.

Rijnlandse tuf als vervangende steen voor andere natuursteen Zowel Weiberner als Ettringer/Hasenstoppler tuf zijn gebruikt als vervangende steen voor andere steensoorten, in het bijzonder in het laatste kwart van de 19e en de 1e helft van de 20e eeuw. De al genoemde Van der Veen stelde in de jaren ’20 het gebruik van tuf voor, in het bijzonder Hohenleie, als vervangende steen voor de Gobertange, een witte zandige kalksteen uit de omgeving van Brussel, die voor veel Nederlandse monumenten gebruikt is. De kleuren zouden goed samengaan. Ondermeer bij de Bossche St.

43

Tufsteen uit de Eifel vormt een van de meest prominente natuursteensoorten aan Nederlandse monumenten door de eeuwen heen, al gebruikt door de Romeinen. Hoewel nominaal hetzelfde, toont de steen aanzienlijke variatie in uiterlijk, ook binnen één type. Ook de fysische eigenschappen, en daarmee de duurzaamheid, kunnen aanzienlijk variëren. Deze zijn ook tijdsafhankelijk, in de zin dat poriestructuur en -verdeling maar ook mechanische eigenschappen duidelijk veranderen met verwering en dus ouderdom. Een beoordeling van geschiktheid alleen op herkomst of uiterlijk is niet mogelijk. Tegelijkertijd zal, bij ongewijzigde productie, de beschikbaarheid van Römer tuf, en daarmee van goede vervangende stenen – zowel vanuit het oogpunt van authenticiteit en aanzien als van duurzaamheid – bij toekomstige restauraties een punt van zorg zijn.

Literatuur Deze bijdrage is mede gebaseerd op vele bronnen die vermeld zijn in de volgende publicaties: – Nijland, T.G. & Hees, R.P.J. van, 2006. Use of Rhenish tuff in the Netherlands. ARKUS -Tagung Denkmalgestein Tuff, Koblenz. Institut für Steinkonservierung Bericht 22:7-18. – Nijland, T.G., Hees, R.P.J. van, Brendle, S. & Haas, G.J.L.M. de, 2005. Tufsteen. Deel 1: Gebruik, samenstelling en verwering van tuf in Nederlandse monumenten. Praktijkboek Instandhouding Monumenten 21(14), 20 pp. – Nijland, T.G., Dubelaar, W. & Tolboom, H.J., 2007. De historische bouwstenen van Utrecht. In: Dubelaar, W., Nijland, T.G. & Tolboom, H.J., red., Utrecht in steen. Historische bouwstenen in de binnenstad. Matrijs, Utrecht, 31-109. T IMO G. N IJLAND is werkzaam bij TNO Bouw & Ondergrond, Delft. R OB P.J. VAN H EES is werkzaam bij TNO Bouw & Ondergrond, en R MIT , Faculteit Bouwkunde, Delft.


Vitruvius Forum

F. H . K I S T E N K A S

NAAR EEN

juridisch dwingende

ERFGOEDTOETS? 

SANCTUARY WOOD (HILL 62), IEPER FOTO F R E D K I S T E N K A S

We kennen in Nederland al een habitattoets, een watertoets, een welstandstoets, een luchtkwaliteitstoets en vele andere toetsen, maar er bestaat nog geen wettelijke en dwingende erfgoedtoets. Nu we toch bezig zijn met een moderniseringsoperatie monumentenzorg en er een algemene trend is van integratie van wetgeving op het gebied van landschapsrecht en natuurbeschermingsrecht is het wellicht te overwegen om te komen tot één verplichte toets voor cultuurhistorie, landschap en natuur: erfgoed (heritage) in ruime zin. Waardevolle, doch thans nog weerloze gebieden en objecten, krijgen dan naast het stimulerend beleid ook een dwingend sturingsinstrument en eindelijk de rechtsbescherming die ze verdienen. De habitattoets voor Natura 2000 kan daarbij als voorbeeld gelden.

ij de evaluatie van Belvedere merkt Royal Haskoning terecht op dat dit tienjarig impulsprogramma best wel als geslaagd beschouwd kan worden, maar dat het eindstation nog lang niet bereikt is. Dankzij vooral het projectbureau zijn we thans aanmerkelijk verder dan in 1999, maar belangrijke partijen zoals de vastgoedmarkt zijn nog steeds niet of nauwelijks bekend met de betekenis van cultuurhistorie. Dat hoeven ze ook niet te zijn want de hardheid van cultuurhistorische waarden ontbreekt nog steeds: men kan deze waarden doorgaans straffeloos negeren1. De inbreng van erfgoed vindt niet of althans niet vroeg

B

genoeg in het ruimtelijk proces plaats en daardoor zou erfgoed aan de zijlijn staan. Naast het ontbreken van juridische hardheid legt het evaluatierapport de vinger op nog een andere zere plek: de cultuurhistorische wereld is van oudsher hulpeloos sectoraal versnipperd georganiseerd. Je hebt archeologie, je hebt monumenten en je hebt cultuurlandschap en interne en ook externe integratie met bijvoorbeeld het ruimtelijke ordeningsrecht komt in de bestuurspraktijk amper op gang2. Het evaluatierapport geeft aldus twee essentiële gebreken aan: gebrek aan hardheid en gebrek aan integratie. Het rapport geeft, nu

44

de opdracht slechts evaluatie was, begrijperlijkerwijs geen oplossing voor deze twee gebreken, maar volgens mij is deze in de nabije toekomst vrij simpel te geven. We kunnen daarbij leren van aanpalende beleidsvelden als natuur- en landschapsbeleid.

Natuurbeleid Vaak wordt gedacht dat de strenge habitattoets uit de Natuurbeschermingswet en de EU Habitatrichtlijn alleen maar door ecologen voor Europese natuurgebieden is uitgedacht en slechts op Natura 2000 kan worden losgelaten, maar volgens mij is het eigenlijk een universele toets die je ook op andere waardevolle doch weerloze gebieden probleemloos kunt toepassen. Bij significante effecten van een voorgenomen project op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied moet er nader onderzoek (een zogenoemde passende beoordeling) volgen, moet je op zoek naar alternatieven, moeten er dwingende redenen van groot openbaar belang voor het (bouw)plan zijn en zal gekeken moeten worden naar kansrijke compensatiemogelijkheden. Anders krijg je geen toestemming van het bevoegd gezag. Dat is een universele juridische toets die de overheid meteen ook een gewichtige en tijdige onderhandelingspositie geeft aan het begin van de bouwplanontwikkeling.3


GEEN JURIDISCHE STURING - Belvedere-gebieden - Nationale Landschappen - EHS - Nationale Parken

S A M E N VAT T I N G

WEL JURIDISCHE STURING

Het erfgoedbeleid kent veel stimulerend maar nog heel weinig dwingend beleid, terwijl het aanpalende natuurbeleid in de vorm van de habitattoets een dwingend wettelijke toets kent. Daardoor hebben veel natuurgebieden een keiharde rechtsbescherming waar cultuurhistorische gebieden die domweg niet hebben. Een naar het voorbeeld van de (in wezen universele) habitattoets te modelleren erfgoedtoets zou dit juridisch deficit in één klap kunnen wegnemen. Dat zou kunnen in een nieuw te ontwerpen integrale Erfgoedwet voor zowel cultuurlandschap, natuur en monumenten alsook ensembles daarvan. Waardevolle doch weerloze gebieden en objecten waarvoor je instandhoudingsdoelstellingen kunt formuleren krijgen zo die rechtsbescherming die ze nu niet of onvoldoende hebben. Bovendien sluit deze wetgevingsintegratie aan bij huidige Haagse trends.

- Natura 2000 en Ffw - Nsw-landgoederen - Monumentenwet - Boswet

ERFGOEDWET Wet op het natuurlijke en cultuurhistorische erfgoed

ERFGOEDTOETS

Tot nog toe stelt de huidige wetgeving deze habitattoets alleen verplicht voor Natura 2000-gebieden, maar volgens mij zou nieuwe wetgeving ook zo’n toets verplicht kunnen voorschrijven voor gebiedscategorieën die nu nog geen enkele of slechts weinig juridische bescherming hebben.

Erfgoedwet Wat dacht u bijvoorbeeld van een wet op het natuurlijk en cultuurhistorisch erfgoed? Die zouden we kortweg de Erfgoedwet kunnen noemen. Ik hoef hier niet uit te leggen dat natuurlijk/landschappelijk en cultuurhistorisch erfgoed vaak geruisloos in elkaar overgaan. Ze zijn doorgaans niet van elkaar los te vezelen en vormen in wezen één ensemble. Natuur en cultuurhistorie zijn allebei gewoon heritage zoals de Engelsen in hun Concise Oxford Dictionary zeggen. Mijn studenten laat ik altijd een alleszeggende foto van Sanctuary Wood nabij Ieper zien: een stil stuk bos met oude met regenwater volgelopen bomkraters uit de Eerste Wereldoorlog. De grond is er roestig van het ijzer van wapentuig en Engels bloed dat daar gevloeid heeft. De loopgraven van negentig jaar terug meanderen nog door dit zowel historisch als natuurlijk cultuurlandschap. Je zou de onderdelen uit de habitattoets als voorbeeld kunnen nemen voor een bredere erfgoedtoets die bijvoorbeeld ook geldt voor cultuurhistorische Belvedere-gebieden, Nationale Landschappen, Nationale Parken en de ecologische hoofdstructuur (EHS). Deze gebieden kennen wel allerlei vormen van zachtere sturing zoals financiële sturing (subsidies), planologische sturing (streekplannen) en communicatieve sturing, maar ze kennen nog steeds geen harde juridische sturing middels een wettelijk verplichte toets.3 Met zo’n erfgoedtoets is dat juridisch tekort in één klap opgeheven. Uiteraard kan zo’n erfgoedtoets ook voor de klassieke

objectgerichte monumentenzorg gelden. We zouden de natuurbeschermingswetgeving (Natuurbeschermingswet (Nbw), Flora- en faunawet (Ffw), Boswet, Natuurschoonwet) tesamen met de Monumentenwet kunnen integreren tot een algemene erfgoedwet met naast de reeds bestaande habitattoets voor Natura 2000 ook een naar het voorbeeld van die habitattoets gemodelleerde erfgoedtoets voor de EHS, Nationale Parken, Nationale Landschappen, cultuurhistorische gebieden en monumenten. Dit sluit ook nog eens aan bij de huidige Haagse trend om wetgeving zoveel mogelijk te integreren en daarmee ook een vereenvoudigingslag te maken. Zo besloot de ministerraad afgelopen zomer om al te gaan werken aan een integratie van de Nbw, Ffw en Boswet.5 Wel zullen er voor die gebieden instandhoudingsdoelstellingen (natuurwaarden en cultuurwaarden) geformuleerd moeten worden, want de toetsing begint immers met een onderzoek naar significante gevolgen voor deze doelstellingen. Daarna kunnen alternatieventoets, dwingende redenen en compensatie volgen. Volgens mij zou er in de jaarlijkse natuurbalans en andere evaluaties veel minder te mopperen zijn over de tegenvallende beleidsprestaties van tot nog toe zachte beleidsvelden als EHS, landschap en cultuurhistorie 6 wanneer zij een ruggesteuntje zouden krijgen in de vorm van een dwingende wettelijke toetsing.

Hardheid en integratie Met een integrale erfgoedtoets hebben we zowel het juridische hardheidsgebrek als het integratiegebrek opgelost. Erfgoed kan niet langer straffeloos door projectontwikkelaars worden genegeerd en moet eindelijk in een vroegtijdig stadium van het ruimtelijk proces aan de orde komen. Een wettelijke toets werkt dat in de hand, zoals Natura 2000 ons heeft geleerd. Bovendien kan ook het tweede gebrek opgelost worden: interne integratie van gebouwde, cultuurlandschappelijk en archeo-

45

logisch erfgoed en ook externe integratie met natuur- en landschapsbeleid en wellicht zelfs met het ruimtelijk ordeningsbeleid. 1 Royal

Haskoning, Evaluatie Belvedere. Op na(ar) 2009, Nijmegen 2008, p. 59. 2 Ibidem, p. 11 e.v. 3 Bouwplannen

worden tijdig aangepast en meestal kan het project dan doorgaan. Zie Chr.W. Backes, M.J. Bogaardt, A.G.A. Nijmeijer, J. Vader, De habitattoets getoetst, LEI Den Haag 2007, p. 62 e.v. Het aantal projecten in en rondom Natura 2000gebieden dat uiteindelijk na toetsing bij de Raad van State niet door kan gaan is de afgelopen jaren gestaag gedaald. Vgl. F.H. Kistenkas, Recht voor de groene ruimte, Wageningen 2008, p. 81 e.v. en F.H. Kistenkas, W. Kuindersma, Jurisprudentiemonitor natuur 2005-2007. Rechtsontwikkelingen Natura 2000 en Ecologische Hoofdstructuur, WOT NM Wageningen 2008, p. 31 e.v. 4 Een optimale sturingsmix bevat naast zachte stimulerende sturingsinstrumenten ook harde juridische instrumenten; zie N. Gunningham, P. Grabosky, D. Sinclair, Smart regulation. Designing environmental policy, Oxford 1998, passim. 5 Zie Persbericht Ministerraad, Kabinet wil sterke vereenvoudiging natuurwetten, persbericht 11 juli 2008 terug te vinden op www.minlnv.nl. 6 Vgl. F.H. Kistenkas, Juridisch is Belvedere-beleid boterzacht, RO-Magazine 2006 jrg. 24 nr. 5, p. 34-36 en F.H. Kistenkas, Pleidooi voor meer afdwingbaarheid, Landschap 25 (2008)-2, p. 87-91. Vgl. ook Projectbureau Belvedere, BelvedereMagazine over het Belvedere Festival, maart 2008 (ook als download op www.belvedere.nu), p. 62.

MR. DR. FRED H. KISTENKAS (tel. 0317-485384, fred.kistenkas@wur.nl) is universitair hoofddocent bij de leerstoelgroep Bos- en Natuurbeleid en als senior onderzoeker omgevingsrecht verbonden aan onderzoeksinstituut Alterra van Wageningen Universiteit. Hij was lid van de Commissie modernisering monumentenzorg instrumentarium van het ministerie van OCW.


Recent Verschenen TITEL

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

Romeinse decadentie

AUTEUR

Stephan Mols, Olivier Hekster en Eric Moormann (red.)

UITGAVE

Uitgeverij VANT I LT

D E TA I L S

Paperback, 171 pagina’s. ISBN : 978-94-6004-010-8. Prijs € 14,95

Vanuit verschillende gezichtspunten wordt in Romeinse decadentie de decadente levenswijze beschreven die de Romeinen erop na zouden hebben gehouden. Zo wordt ingegaan op de verwerpelijke levenswijze van verschillende keizers en de enorme, luxe paleizen waarin zij woonden. Private luxe, met als voorbeeld rijk ingerichte badkamers, wordt geplaatst naast het tentoonspreiden van decadentie in het openbaar, de organisatie

TITEL

Olivier Hekster, Eric Moormann, Nathalie de Haan, Louis van den Hengel, Floris Overduin, Vincent Hunink, Sible de Blaauw en Martijn Icks, allen specialisten op het terrein van de Klassieke Oudheid en verbonden aan de Faculteit der Letteren van de Radboud Universiteit Nijmegen.

van kostbare gladiatorenspelen. Ook de reacties hierop uit de eigen gelederen, die juist tot soberheid manen, en de opmerkingen erover van Griekse auteurs uit die tijd komen aan de orde. De rijke inrichting van vroeg-christelijke kerken wordt eveneens onder de loep genomen en ten slotte wordt bezien hoe het beeld van in luxe zwelgende Romeinen in de moderne tijd vorm heeft gekregen. Met bijdragen van Stephan Mols,

Romeinse decadentie sluit nauw aan bij de toptentoonstelling Luxe en decadentie, leven aan

de Romeinse goudkust, die tot en met 4 januari 2009 nog te zien zal zijn in museum Het Valkhof.

Gevelstenen in Maastricht

AUTEUR

Jef Bartelet

UITGAVE

Uitgeversmaatschappij Walburg Pres

D E TA I L S

Genaaid gebrocheerd, 160 pagina’s, full colour en rijk geïllustreerd. ISBN : 978-90-5730-503-0. Prijs € 29,50

Maastricht kent een rijke traditie van gevelstenen die ook vandaag de dag nog springlevend is. Oude stenen worden gekoesterd, maar er worden ook voortdurend nieuwe kunstwerken geplaatst. De stad herbergt een schat aan gevelstenen die het verdienen om eens in de schijnwerpers te worden gezet. Aan de hand van talrijke foto’s neemt Jef Bartelet

TITEL

Daarop kan de lezer historische stenen snel terugvinden op soort en op adres. In de adressenlijst zijn ook moderne gevelstenen opgenomen. Jef Bartelet (1946) is onderwijzer met een passie voor gevelstenen. Hij is initiator van www.gevelstenen.net voor het inventariseren van gevelstenen waar dan ook.

in zijn boek de lezer mee op een speurtocht naar de boeiende en mysterieuze wereld achter de gevelsteen. De auteur belicht de historische gevelstenen aan de hand van concrete Maastrichtse voorbeelden. Het boek bevat tal van wetenswaardigheden over materialen, locaties, gebruiken en symbolen en biedt ter afsluiting een aantal overzichtslijsten.

Bouwen aan een weerbarstige stad

AUTEUR

Paul Meurs

UITGAVE

VSSD Uitgeverij

D E TA I L S

Paperback, 91 pagina’s, full colour. ISBN: 978-90-6562-182-5. Prijs € 13,50

De verschuiving van de bouwopgave van de stadsuitbreiding naar bestaand stedelijk gebied drukt ontwerpers met hun neus op het verleden en dwingt hen om een positie ten opzichte van de geschiedenis in te nemen. Het begrip cultuurhistorie heeft in de afgelopen tijd een brede betekenis gekregen. Het potentiële

werkterrein van de monumentenzorg bestaat tegenwoordig uit ongeveer alles wat ooit is gebouwd. Concreet gevolg is dat in Nederland een ontwerpopgave zonder cultuurhistorische component bijna ondenkbaar is. Door de stad niet radicaal te vernieuwen maar te transformeren ontstaat een positief te waarderen histori-

sche gelaagdheid. Ontwerpers zoeken in elke opgave opnieuw een balans tussen de bestaande en de nieuw toe te voegen kwaliteiten. De creatieve opgave om cultuurhistorie op te nemen in integrale planvorming staat centraal in ‘bouwen aan een weerbarstige stad'. Hoe cultuurhistorie heldere kaders aan transfor-

46

matieprocessen kan geven, komt aan de orde in een tweede essay over interventie en restauratie: ‘restaureren zonder dogma’.


Recent Verschenen TITEL

AUTEUR UITGAVE D E TA I L S

VITRUVIUS

AUTEUR UITGAVE D E TA I L S

Eelco Rensink Matrijs (i.s.m. RACM) Genaaid gebrocheerd, 176 pagina’s, full colour en rijk geïllustreerd ISBN : 978-90-5345-349-0. Actieprijs € 29,95 (tot 1 mei 2009) en werden er grafvelden en akkers aangelegd. Vanaf de middeleeuwen verschenen watermolens langs beken. Steeds meer voorzieningen werden aangelegd om de natte beekdalbodems beter te kunnen oversteken en gebruiken. Over archeologische resten

in beekdalen was tot voor kort weinig bekend. Toch bleek uit toevalsvondsten (zoals de beroemde kano van Pesse in 1955) dat beekdalen archeologisch erg rijk zijn. Sinds enige jaren houden archeologen graafwerkzaamheden in en langs

beken nauwlettend in de gaten. In dit boek worden archeologische ontdekkingen in en langs beken in Nederland, van Limburg tot Groningen, op aansprekende wijze gepresenteerd.

De toren van de Sint Walburgiskerk – Bouw en restauratie van een klinkend Zutphens monument Jeroen Krijnen, Gert Oldenbeuving en Constant Willems Uitgeversmaatschappij Walburg Pres Genaaid gebrocheerd, 112 pagina’s, full colour en geïllustreerd. ISBN : 978-90-5730-454-5. Prijs € 16,95

Naar aanleiding van de restauratie van de toren van de Sint Walburgiskerk vertellen drie Zutphense specialisten de grote en kleine verhalen over de toren, zijn historie en zijn patrones Walburga, die rond 1460 beloofde de bliksem te verdelgen en de duivel te verdrijven. De majestueuze toren van de

TITEL

JANUARI 2009

Archeologie en beekdalen – Schatkamers van het verleden

Beekdalen hebben altijd een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op mensen. In de steentijd waren het geliefde plaatsen van rondtrekkende jagers, vissers en verzamelaars. Later vestigden boeren zich langs de randen van beekdalen

TITEL

NUMMER 6

details. Zelfs de haan op de toren kreeg een oppoetsbeurt. Het in de toren hijsen van twee nieuwe klokken vormde de spectaculaire afronding. Het boek beschrijft de bouwgeschiedenis van de toren vanaf de vroegste vermeldingen van de kerk in de elfde eeuw tot aan de oplevering van de restauratie in 2005. Ook is er aandacht

Sint Walburgiskerk bepaalt al eeuwenlang het gezicht van Zutphen. Niets bleef de toren bespaard: blikseminslagen, brand of oorlogsgeweld. In 2004 werd begonnen aan een grootscheepse restauratie van de toren, waarbij niet alleen de hele constructie werd aangepakt, maar ook aandacht was voor de

voor allerlei andere ontwikkelingen die in de twintigste eeuw plaatsvonden, zoals de torenbrand in 1948 en de discussie over een passende bekroning die daarop volgde. Vervolgens wordt er uitgebreid ingegaan op de diverse restauraties van de toren. En tenslotte wordt de klokkengeschiedenis beschreven.

Jobsveem Rotterdam – Een gebouw in beweging 1912-2008

AUTEUR

Paul Groenendijk, Hans Citroen en Carel van Hees (fotografie)

UITGAVE

Uitgeverij 010

D E TA I L S

Hardcover, 208 pagina’s, full colour en rijk geïllustreerd ISBN : 978-90-6450-677-2. Prijs € 34,50

Het voormalige pakhuis St. Job in Rotterdam is ingrijpend verbouwd. Het kloeke industriële rijksmonument veranderde van opslagruimte tot woonruimte. Het gerenoveerde Jobsveem is net als andere pakhuizen in verouderde havengebieden een voortrekker in de herstructure-

ring van het Lloydkwartier. De transformatie tot woon/werkgebouw kreeg gestalte door de samenwerkende architecten Robert Winkel van Mei architecten en stedenbouwers en Wessel de Jonge architecten. Winkel perforeerde het circa 22 meter diepe gebouw met drie

grote gaten van voor- tot achtergevel. In deze ‘horizontale atria’ is al het verticale verkeer opgenomen en zijn de wanden van de aangrenzende woningen uitgevoerd in glas. Maar het oorspronkelijke karakter van het gebouw bleef zo bewaard. In dit boek zijn de geschiedenis en de transfor-

47

matie van pakhuis tot woon/ werkgebouw gedocumenteerd. Een boeiende confrontatie tussen oud en nieuw. De renovatie van Jobsveem tot woongebouw is winnaar Nationale Staalprijs 2008 de categorie woningbouw.


Recent Verschenen TITEL

AUTEUR RECENSENT UITGAVE D E TA I L S

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

Landschapsatlas Walcheren Inspirerende sporen van tijd Kees Bos (eindred.), bijdragen van Gerrie Andela, Jan Willem Bosch, Jan van Mourik en Jan Zwemer Henk Baas Bos & Böttcher, Koudekerke. Te bestellen via www.landschapsatlas.nl. Prijs € 269,50

Vierhonderdzestien pagina’s dik en drie kilo zwaar is deze prachtig uitgegeven Landschapsatlas van Walcheren. De atlas geeft vooral een overzicht van de ontstaansgeschiedenis van Walcheren, maar ook een handreiking voor hoe om te gaan met cultuurhistorie in gebieden met een bijzondere ontstaansgeschiedenis. De atlas ontleend een groot deel van zijn waarde aan de prachtige illustraties: ruim 230 (historische kaarten), prenten, figuren en oude en nieuwe foto’s. Met name het gebruik van oude foto’s geven het boek een prettige uitstraling, het nodigt uit tot wegzakken in een luie stoel, met een lekker glas wijn erbij. In die zin is het de op één na beste manier voor een eerste kennismaking met het landschap van Walcheren. Als lezer ben je uiteraard geïnteresseerd in de inhoud van het boek, maar evenzeer in de doelstelling en achtergronden ervan. Waarom ligt dit lijvige boek er? Normaliter staat in een voorwoord wel iets over doel en aanleiding, maar de Zeeuwse gedeputeerde voor Water, Natuur en Landschap, Frans Hamelink, heeft het daar niet over. Een beetje speuren op internet leert dat dit boek voortkomt uit een Belvedere-kennisproject van Bosch&Slabbers, een landschapsarchitectenbureau uit Middelburg. Vanuit de Belvedere-regeling heeft het bureau € 90.000 euro ontvangen, met name bedoeld om zicht te geven op het omgaan met cultuurhistorie in planvorming en inrichting. Het is dan ook goed om met name hierop te letten: in hoeverre is

het aardkundig en cultuurhistorisch erfgoed inspiratiebron geweest voor de toekomstvisie voor het landschap van Walcheren? Het boek heeft een chronologische opzet, lopend van 600 na Christus tot de huidige tijd. De periode daarvoor wordt vanuit geologisch en fysisch-geografisch perspectief behandeld. Hoewel het archeologisch perspectief wel wordt genoemd, krijgt dit nauwelijks enige verdieping. Dat is jammer, want er ligt genoeg materiaal dat met weinig moeite geïntegreerd had kunnen worden met dit aardwetenschappelijk perspectief. Daarmee kom ik direct op een ander (klein) kritiekpunt: het noten en literatuurapparaat. Het is duidelijk geen wetenschappelijk werk. Er wordt niet aan literatuurverwijzing gedaan, en er ontbreekt ook een literatuuroverzicht. Weliswaar kent het boek 88 eindnoten, met daarin ook de nodige literatuurverwijzingen, maar het had de leesbaarheid goed gedaan als dit aspect wat nadrukkelijker aandacht had gekregen. Zoals gezegd is het geen wetenschappelijk boek, maar een echt overzichtswerk, geschreven voor een breed publiek.

als gevolg een kustopbouw met getijdeafzettingen, de vorming van strandwallen en duinen en de vorming (en latere afslag) van veen. Deze ontwikkeling wordt in een zestal paleogeografische kaarten gepresenteerd. Opvallend is dat bij de verantwoording van deze kaarten wordt verwezen naar Zagwijn uit 1986 (Nederland in het Holoceen). Het is mij niet duidelijk waarom hier niet de latere (1997) en meer gedetailleerde kaarten van Vos en Van Heeringen zijn gebruikt. Verdiende aandacht in dit hoofdstuk krijgen de kreekruggen, poelgronden en gemoerneerde poelen, een landschappelijk verhaal dat bij veel mensen niet bekend zal zijn, maar dat ontegenzeggelijk ‘typisch’ is voor Zeeland. Het hoofdstuk sluit af met een verhaal over ‘landschappelijke waarden’, een soort samenvatting waarbij gefocust is op de nog in het huidige landschap zichtbare sporen van deze lange landschapsgeschiedenis. In het volgende hoofdstuk wordt het middeleeuwse erfgoed (6001500) nader beschouwd. Dit op de inleiding na kortste hoofdstuk focust op de oudste geschiedenis die nu nog in het landschap zichtbaar is, die van de strijd tegen het water, de vliedbergen, de steden en de dorpen. Algemene lijnen worden door illustraties tastbaar, zoals de reconstructie van de inpolderingen ten noorden van Oostkapelle en Serooskerke, waar het een komen en gaan was van dijken. Het reconstructiekaartje toont aan dat het een dynamische tijd was, waarbij land werd en gewonnen maar ook weer prijs werd gegeven. Debet hieraan was

Goed, over tot de inhoud van het boek. Waar lezen we allemaal iets over? Zoals gezegd begint het boek met een uitgebreid hoofdstuk over de geologische en fysisch-geografische landschapsgeschiedenis. Aan de hand van reconstructiekaartjes wordt de lezer meegenomen door de laatste 10.000 jaar, de periode van zeespiegelstijging en de daarmee samenhangende vernatting, met

48

(deels) ook het moerneren, het winnen van turf ten behoeve van de zoutwinning. De periode van 1500 tot 1650 wordt in het hoofdstuk ‘Een laatmiddeleeuws panorama’ behandeld. Dit hoofdstuk is wel heel letterlijk opgepakt door het opnemen van het landschappelijk deel (20 bladzijden!) van het Panorama dat (vermoedelijk) Anton van den Wijngaerde rond 1550 van het eiland Walcheren maakte. Het panorama laat zien dat het een drukke boel was in de havenstadjes, met name door de aanwezigheid van talrijke koopvaardijschepen. Het is dan ook de periode van bloei voor Walcheren en voor Middelburg in het bijzonder. Dit hoofdstuk gaat verder in op de periode van de Opstand tegen de Spaanse vorst, die een aanvang had in 1568. Deze strijd toonde zich ook in het landschap, door de bouw van vestingwerken rond Veere, Arnemuiden, Middelburg en Vlissingen. Minder te weten komen we over de gevolgen die de strijd had voor de kleine nederzettingen. De periode 1650-1800 wordt gekenmerkt door de opkomst van de buitenplaatsen. De belangrijkste impulsen voor het ontstaan hiervan was de handel, eerst in de VOC en later in de WIC. Het hoofdstuk heeft als titel ‘een tijdelijke buitenplaatscultuur’ meegekregen, hetgeen direct het kenmerk al weggeeft: op een aantal buitenplaatsen na, kent het huidige landschap nog nauwelijks sporen van deze bijzondere periode. Een groot aantal prachtige prenten en kaarten laat deze verdwenen pracht en praal in al haar glorie goed zien. Met de sprekende titel ‘Van


Recent Verschenen Fransen tot Duitsers’ worden we meegevoerd naar de periode 1800-1940. Het is de periode na de grote bloei, een periode met weinig landschappelijke neerslag. Of het moet de aanleg van klinkerwegen zijn, of de opkomst van het toerisme (badplaatsen). Tijdens de Franse periode wordt een groot aantal van nieuwe vestingwerken aangelegd. Bij een foto van een aantal moderne windturbines op de ruïne van fort de Ruyter bij Vlissingen wordt gezegd dat dit geen recht doet aan het adagium ‘behoud door ontwikkeling’. De niet ingevoerde lezer die de Belvedere-wereld niet kent zal dit bijschrift niet begrijpen, maar evengoed zal een wel ingevoerde lezer dit niet doen, want nergens wordt dit normatief standpunt toegelicht of verklaard. De oude foto’s die betrekking hebben op deze periode tonen een landschap met veel beplanting (tot aan de inundatie van 1944 kenmerkend voor Walcheren) en met onverharde wegen. Een landschap van armoede en oude boerengebruiken. Hoe korter geleden, hoe meer aandacht het beschreven hoofdstuk krijgt. De periode 1900-2000 omvat ongeveer een derde van het totaal aantal pagina’s van het boek (116 pagina’s). Het is ontegenzeggelijk een belangrijke periode in de landschapsgeschiedenis, al was het maar door de inundatie van 1944 en het creëren van een totaal nieuw landschap als gevolg daarvan, maar het staat toch wel een beetje in contrast met de perioden daarvoor, die wat betreft landschapsontwikke-

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

landschap van Walcheren is bedacht en gemaakt. Ook de aanwezigheid van fluitenkruid in de bermen, zo geurend in het voorjaar, is bedacht!

ling zeker zo veelbetekenend zijn geweest. Los van deze kanttekening zijn het opnieuw prachtige afbeeldingen die de teksten illustreren, zoals het schoonmaken van de wegen na de afzetting van 50 cm slib (!) na de inundatie. De foto’s tonen een – als gevolg van de inundaties, de bombardementen en de vele beschietingen – desolaat landschap. Terecht geeft het boek een overzicht van het werk dat is uitgevoerd om dit verwoeste landschap weer te ‘herstellen’, feitelijk om een nieuw landschap te maken. De Herverkavelingswet Walcheren (1947) maakte een integrale herinrichting van het landschap van Walcheren mogelijk, waarbij niet alleen de agrarische ontsluiting, waterbeheersing en grondverbetering aandacht kregen, maar waarbij ook een landschapsplan, de bouw of verplaatsing van boerderijen of bijvoorbeeld de aanleg van waterleidingen in het plan werden opgenomen.

Het laatste hoofdstuk betreft de toekomstvisie van Walcheren. Feitelijk het product waar het Belvedere als subsidiegever om te doen was. De auteurs stellen zich de vraag welke ontwikkelingen Walcheren gemaakt hebben tot wat het is, en welke mogelijkheden dit biedt voor de verdere ontwikkeling. Naast een foto-impressie zijn zeven aandachtsvelden benoemd waar rekening mee moet worden gehouden: kustveiligheid, woningbouw, landbouw, recreatie, zeehaven en industrie, infrastructuur en overheidsbeleid. Maar moet er ook geen rekening worden gehouden met de cultuurhistorische waarden, met het landschap van Walcheren dat zo centraal heeft gestaan in het boek? Belvedere gaat toch niet alleen over ontwikkeling? Om te bepalen op welke manier men aan wil sluiten bij de genoemde ontwikkelingen hebben de samenstellers van de visie een Belvedere-workshop georganiseerd. Met professionals overigens. De bewoners en gebruikers van het landschap van Walcheren hebben blijkbaar geen invloed kunnen uitoefenen op de visie. Dat is jammer in een tijd waarin het gaat om draagvlak en burgerparticipatie. De gemeente als belangrijke partij in de uitvoering van een dergelijke landschapsvisie is overigens ook niet gekend. Uitkomst van deze workshop is dat voor Walcheren moet worden ingezet op de ontwikkeling van hoogwaardig wonen en recreëren, gecombineerd met bijzondere vormen van landbouw. Deze uitkomst biedt kansen voor een groenblauwe ontwikkeling van het platteland. Het feit dat Walcheren aan goed vaarwater ligt biedt ook kansen voor een stedelijk-industriële ontwikkeling van Middelburg-Vlissingen. Los van de constatering dat dit niet echt specifiek voor Walcheren te

De tweede helft van de twintigste eeuw wordt verder gekenmerkt door komst van het massatoerisme, met alle landschappelijke gevolgen van dien (campings, bungalowparken, vermaakcultuur). Wat zeker positief moet worden beoordeeld is de aandacht die wordt geschonken aan de moderne ontwikkelingen, zoals de na-oorlogse groei van steden en dorpen. Geschiedenis houdt immers niet op bij 1900. Moderne stadswijken, hoogbouw en bedrijventerreinen worden allemaal in hun historische context geplaatst. En passant lezen we verder dat echt alles aan het

49

noemen valt (elke regio wil hoogwaardig wonen en recreëren), is mij ook niet direct een relatie opgevallen met de historischlandschappelijke ontwikkelingen zoals die zijn beschreven. Was het schrijven van zo’n dik boek echt nodig voor het opstellen van deze landschapsvisie? Welke elementen uit de landschapsgeschiedenis zijn richtinggevend voor de landschapsvisie? Ter vergelijking wil ik hier de landschapsvisie ZuidLimburg aanhalen (zie bespreking Vitruvius 5, pp. 52-53). Hier is op basis van de analyse van de landschapsgeschiedenis een ‘landschappelijk raamwerk’ samengesteld: een groene dooradering, bestaande uit steile hellingen, dalbodems en dorpsranden die het reliëf en de kenmerkende verschillen tussen de dalen en de plateaus accentueert en de landschappelijke samenhang versterkt. Dit landschappelijke raamwerk vormt vervolgens de duurzame basis voor alle toekomstige ontwikkelingen, zoals het waterbeheer, de ontwikkeling van de natuur en het cultuurhistorisch erfgoed en de toeristisch recreatieve ontsluiting van dit landschap. Een dergelijke analyse van het landschappelijk raamwerk van Walcheren ontbreekt. Wat is nu de essentie van het landschap dat je wilt behouden, of waar je op voort wilt borduren? Misschien mist Walcheren een dergelijk raamwerk als gevolg van de totale herinrichting na de Tweede Wereldoorlog, maar ook die analyse ontbreekt. Conclusie: we hebben er een prachtig boek over Walcheren bij, dat chronologisch alle historisch-landschappelijke ontwikkelingen op een prachtig geïllustreerde wijze aan ons toont. Maar ook een visie die niet duidelijk maakt welke rol die landschapsgeschiedenis nou daadwerkelijk speelt voor het landschap van de toekomst. De doelstelling van het Belvedere-project lijkt daarmee maar deels te zijn behaald.


Recent Verschenen TITEL AUTEURS

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

Nederlandse Tegels 1900-2000 Jan Pluis

UITGAVE

RACM

D E TA I L S

ISBN/EAN 978 90 6650 090 7, 192 pagina’s, gebonden. Prijs € 19,90

Dit boek biedt een representatief overzicht van de in Nederland in de periode 1900-2000 vervaardigde en/of gedecoreerde wandtegels. Was de decoratie en productie van de Nederlandse tegel tot ca. 1900 betrekkelijk traditioneel gebleven, na 1900 onderging de Nederlandse tegel in zowel decoratief als technisch opzicht veel veranderingen. De vormentaal van de jugendstil leende zich bijvoorbeeld uitstekend voor toepassing op tegels. Door de welvaartstoename kregen ruimtes in huizen en bedrijven waar traditioneel tegels werden toegepast meer aandacht en groeide de vraag naar tegels. Een andere belangrijke ontwikkeling was een type elektrische oven dat rond 1950 op de markt kwam en waarmee het mogelijk werd om tegels ook in een kleinere oplage te vervaardigen: dit bracht een stroom aan nieuwe bedrijven en creativiteit op gang. De auteur beschrijft meer dan 150 bedrijven en ateliers die tussen

TITEL

In de inleiding worden de technische aspecten van het productieproces behandeld zoals de glazuren en decoratietechnieken. Ook aan de wijze van toepassing en gebruik van de tegels in de 20ste eeuw is aandacht besteed. Omdat onder verzamelaars van tegels en bouwhistorici veel behoefte is aan dateermogelijkheden biedt dit boek veel informatie over wanneer bepaalde merken voorkomen en worden ook veel achterkanten van tegels afgebeeld. Het boek is zo gebruikersvriendelijk mogelijk opgezet: de fabrikanten en ateliers zijn geordend op plaatsnaam. Een uitgebreide index vergemakkelijkt het zoeken op namen en begrippen.

1900 en 2000 tegels gemaakt en/of gedecoreerd hebben. Naast de grote bekende bedrijven als Tichelaar (Makkum), Mosa en Sphinx (Maastricht), De Porceleyne Fles (Delft) komen ook vele kleinere fabrikanten en ateliers aan bod, zoals o.a. Gamma Sierkunst uit Amsterdam of Plateelfabriek Ivora uit Gouda. De tegels in dit boek zijn over het algemeen seriematig gemaakt: van één ontwerp zijn meer tegels geproduceerd. Uit de groep van kunstenaars die van een ontwerp maar één tegel gemaakt hebben (de unica-keramisten) is een beperkte keuze gemaakt. Het boek bevat niet alleen de topproducten, maar ook eenvoudig gedecoreerde tegels die door brede lagen van de bevolking werden gekocht. De auteur interviewde talloze ontwerpers en makers van tegels: van veel bedrijven worden in dit boek voor het eerst de gegevens en de geschiedenis op een rij gezet.

Door de eeuwen heen volgde de decoratieve wandtegel als toegepaste kunst de heersende modes en stijlen. Ook in de twintigste eeuw sluit de vormentaal van de tegel aan bij de visuele cultuur van die eeuw. Dit overzicht van

Aan dit standaardwerk met circa 2000 afbeeldingen in kleur is ruim negen jaar intensief gewerkt. De auteur, Jan Pluis, is dé Nederlandse expert op het gebied van tegels. Eerder verschenen diverse standaardwerken van zijn hand: De Nederlandse tegel, decors en benamingen 1570-1930 (1997), Bijbeltegels-Bibelfliesen (1994), Kinderspelen op tegels (1979).

Villatuinen in Nederland 1900-1940

UITGAVE

Eric Blok & Birgit Lang RACM / SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen

D E TA I L S

ISBN: 978-90-76046-57-0. Paperback, 156 pagina’s, full colour en rijk geïllustreerd.

AUTEUR

toegepaste kunst bij uitstek, waarin de enorme diversiteit van de visuele cultuur in de twintigste eeuw bijeen is gebracht, heeft daarom ook een kunsthistorische waarde.

Prijs € 19,50. Bestellen via www.villatuinen.nl en www.sb4.nl. Meer informatie: RACM, afdeling Gebouwd Erfgoed, unit Groen Erfgoed, tel 030-6983211, of met SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen, Eric Blok, telefoon 0317-424 167.

Op woensdag 22 oktober verscheen Villatuinen in Nederland 1900-1940, een tuinhistorische publicatie over het groene erfgoed van de villatuin. Het boek is geschreven door de landschapsarchitecten / tuinhistorici Eric Blok en Birgit Lang van SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen uit Wageningen. De publicatie kwam tot stand in nauwe samenwerking met de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap

en Monumenten (RACM). Ons land kent talrijke tuinen die onder architectuur werden aangelegd. In veel gevallen werden die tuinen met de villa volgens één stijlopvatting ontworpen. Soms gebeurde dat door de architect van de woning, veelal ook door de in die tijd opkomende beroepsgroep van tuin- en landschapsarchitecten. Concentraties van villatuinen uit periode 19001940 bevinden zich in de periferie van stads- en dorpskernen

en met name in speciaal voor gegoede burgers aangelegde, suburbane wijken. Bekende voorbeelden treffen we aan in het Gooi, in de regio Bloemendaal-Heemstede-Aerdenhout en Wassenaar. Villatuinen in Nederland 19001940 beoogt de cultuurhistorische waarde van villatuinen uit de eerste helft van de twintigste eeuw nauwkeuriger dan voorheen vast te stellen. Een groot aantal typische stijlkenmerken

50

en elementen worden beschreven, waardoor het herkennen en duiden van deze tuinen wordt vereenvoudigd. Het boek richt zich op overheden, erfgoedinstellingen, monumentendiensten, tuin- en landschapsarchitecten, hoveniersbedrijven en eigenaren als belangrijke spelers bij het in stand houden van dit bijzondere groen erfgoed.


Recent Verschenen TITEL AUTEUR UITGAVE D E TA I L S

VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

Over de vloer: met voeten getreden erfgoed T. Hermans, E. Koldeweij & D. Snoodijk (red.) Waanders uitgevers, Zwolle (i.s.m. Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten) ISBN 978 90 400 8561 1 / NUR 648 Gebonden, 424 pagina’s, zeer rijk geïllustreerd. Prijs € 24.95

Ter gelegenheid van het RACMsymposium ‘Over de vloer’ op 8 oktober in het Vredespaleis in Den Haag is deze uitgave verschenen, de allereerste in Nederland over dit onderwerp. Ruim twintig auteurs uit Nederland en Vlaanderen gaan in op de geschiedenis van de vloer, de diversiteit hiervan en de rol die de historische vloer speelt in het huidige interieur. De bijdragen gaan over zeer uiteenlopende aspecten van de Nederlandse vloer en bestrijken onder meer de archeologie, bouwhistorie, architectuurhistorie en instandhouding. Van keitjes-

vloer tot keramische tegel, van leem tot linoleum. Opzienbarend is de Vlaamse bijdrage over de dagelijkse omgang, vernieuwend de kijk op de kerkvloeren uit de negende tot en met de veertiende eeuw, opmerkelijk het artikel over industrieel vervaardigde vloeren, verrassend de archeologische invalshoek, maar ontluisterend de onderwaardering van de vloer. Het boek bevat tevens artikelen over de laatste stand van kennis over baksteenvloeren op houten balklagen, over opmerkelijke gebruikssporen in een tegelvloer in Utrecht, over de unieke blind

bevestigde grenenhouten vloer in de grote zaal van kasteel Amerongen, over glazen en natuurstenen vloeren, over keramische en cementtegels en over stalvloeren: van paardenbox tot tuigenkamer. De enorme variatie in materiaal, afwerking en ontwerp van dit zesde wandvlak van een ruimte blijkt groot en rijk. Het is verbazingwekkend dat vloeren en vloerafwerkingen zo weinig aandacht hebben gekregen. Dit is wellicht symptomatisch voor de stand van kennis over de diverse vloertypen: dit onderwerp behoort tot de slechtst bestudeerde gebouwon-

A D V E R T E N T I E

51

derdelen. Met dit boek wordt dit gebrek aan tastbare gegevens enigszins ingevuld, maar talloze deelaspecten wachten op nadere bestudering, onderzoek en publicatie. Nooit eerder verscheen er in Nederland een overzichtswerk over historische vloeren. Dit handboek is onontbeerlijk voor iedereen die regelmatig met monumenten in aanraking komt en voor hen die meer over dit onderwerp willen weten.


VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

AGENDA is geweest. De schedel en het bekken zijn de plaatsen waar je dat het beste kan zien. Daarna worden de botten onderzocht op onder andere ouderdom, lengte en ziektes. Botten waarop specifieke ziekteverschijnselen zijn geconstateerd zoals misvormingen in de gewrichten zijn in één van de laboratoria in de nieuwe zaal te zien en de botspecialist vertelt daarbij over zijn onderzoek. Van drie van de opgegraven skeletten zijn reconstructies gemaakt. Zij zijn te zien in de nieuwe expositie: een man, een vrouw en een kind. Vooral het reconstrueren van een gezicht is een vak apart. Er wordt eerst een mal gemaakt van de schedel. Het uiterlijk wordt bepaald door kenmerken van de schedel. Het vet- en spierweefsel wordt bepaald op grond van wetenschappelijk vastgestelde standaarden. Zo is de dikte van spieren en de huid voor mannen, vrouwen en kinderen zeer verschillend. De ogen worden voor een groot deel met de hand gemaakt, zo worden de irissen met de hand geschilderd.

v.a. 13.11.2008 Den Haag De eerste kustbewoners

FOTO'S EN RECONSTRUCTIE: MAJA D'HOLOSSY

Vanaf 13 november 2008 is in het Museon in Den Haag de permanente tentoonstelling De eerste kustbewoners te zien. De vinexlocatie Ypenburg, het zuidoostelijke stadsdeel van de gemeente Den Haag, was gedurende een aantal eeuwen het woongebied van de prehistorische mens. Deze plek lag toen aan de kust en bestond uit lage duinen in een getijdengebied. De Steentijdmens leefde hier op de grens van zoet en zout water, van droog en nat land. Door graafwerkzaamheden werd een grafveld ontdekt met daarin de resten van 42 personen, zowel vrouwen, mannen als kinderen. Al gauw bleek dat het om mensen ging die hier hadden geleefd in de tijd van de Hunebedbouwers, zo’n 5500 jaar geleden. In deze nieuwe vaste presentatie wordt het accent gelegd op het werk van de verschillende specialisten binnen de archeologie, maar ook de kennis van andere vakdisciplines, zoals landschapsmicromorfologie (zeer gedetailleerd bodemonderzoek) en bouwhistorie worden benut. De expositie toont moderne archeologische onderzoekstechnieken en geeft een beeld van het leven in die tijd.

Sporen van huizen Er werden ook sporen van huizen van deze Steentijdmensen teruggevonden. Deze sporen zien er voor een leek uit als vlekken in het landschap, maar bij nadere bestudering kan er veel uit worden geconcludeerd, al blijft het een lastige klus om vast te stellen welke sporen tot een huisplattegrond kunnen worden gerekend. Archeologen kijken dan vooral naar de plaats, vorm, kleur en samenstelling en maken zo een selectie van sporen die tot een huisplattegrond kunnen worden gerekend. De grootte en de diepte van een paalspoor zijn belangrijk om vast te stellen wat de dragende functie is geweest. Er wordt gezocht naar de onderlinge samenhang in de ruimtelijke opbouw. Uit al die gegevens wordt vastgesteld wat de constructie van het ‘skelet’ van het huis was. In dit geval werd een bouwhistoricus gevraagd een reconstructie van het gebouw te maken.

Onderzoek en reconstructie van de skeletten Eén van de disciplines houdt zich bezig met het menselijk botmateriaal. Daarbij wordt eerst vastgesteld hoe compleet een skelet is en dan of het om een man of een vrouw gaat. De botten van een man zijn meestal groter en ruwer dan van een vrouw. Dat komt omdat mannen over het algemeen grotere spieren hebben. Die spieren zitten op bepaalde plekken aan het bot. Op die plekken zitten richeltjes of soms hele knobbels. Hoe groter de knobbel of randjes, hoe groter de kans dat het een man

Meer onderzoek Naast de bovengenoemde terreinen van onderzoek binnen de archeologie zijn er nog veel meer en daar wordt ook aandacht aan besteed. Onderzoek naar het gebruik van natuur- en vuursteen: met behulp van speciaal microscopisch onderzoek kan worden vastgesteld waar bepaalde gereedschappen voor werden gebruikt. Uit onderzoek naar het aardewerk weten we hoe de potten werden gemaakt en door onderzoek van de aankoeksels (etensresten) aan het aardewerk en door zaden- en pollenonderzoek weten we wat ze aten. Het onderzoek aan het dierlijk botmateriaal laat zien wat er nog meer op het menu van de steentijdmens stond. INFORMATIE: WWW.MUSEON.NL

52


VITRUVIUS

NUMMER 6

JANUARI 2009

voor waardevol erfgoed, maar vaak wordt dit zodanig ingekapseld dat de zeggingskracht ervan verloren gaat.

tot 21.12.2008 Almere Rituelen. Van toen, nu, jou, mij, hier!

INFORMATIE: WWW.OUD-UTRECHT.NL

Tijdens de tentoonstelling worden rituelen uit het verre verleden met die van het kleurrijke Almere van nu vergeleken en wordt antwoord gezocht op vragen als hoe ‘anders’ waren de mensen uit het vroege Almere – uit de Steentijd en de Zuiderzeetijd? Wat weten archeologen van hun rituelen? Nog tot 21 december a.s. in het Kunstencentrum de Kunstlinie.

11.2.2009 Amsterdam Congres nu voor later! Erfgoed Nederland start een congresreeks met als thema nieuw erfgoed. Doel is het selecteren, bewaren (behouden en beheren) en presenteren van nieuw erfgoed en het zodanig op de kaart te zetten bij beleidsmakers, erfgoedinstellingen en hun medewerkers en particuliere verzamelaars dat het een vanzelfsprekend onderdeel wordt van het erfgoedbeleid. Het eerste congres van de reeks – in de Reinwardt Academie te Amsterdam – staat in het teken van computererfgoed en wordt georganiseerd samen met de stichting computererfgoed Nederland (SCEN).

INFORMATIE: WWW.DEKUNSTLINIE.NL

INFORMATIE: BINNENKORT OP

9/10.12.2008 Rotterdam Digitaal Erfgoedconferentie 2008

WWW.ERFGOEDNEDERLAND.NL

Digitaal Erfgoed Nederland (DEN) organiseert in samenwerking met Erfgoed Nederland de lustrumeditie van de Digitaal Erfgoedconferentie in de Doelen in Rotterdam. De conferentie staat in het teken van de mogelijkheden om digitaal beschikbaar erfgoed optimaal vindbaar en bruikbaar te maken. Niet alleen de grote zoekmachines maar ook community websites, open geografische systemen en mash up websites bieden mogelijkheden om het beschikbare digitale erfgoed bij het publiek te brengen. Hier is wel actief beleid voor open uitwisseling van informatie nodig. De presentaties, debatten en workshops hebben een gemeenschappelijke boodschap: zoek actief contact met je doelgroepen. Naar buiten! Werkt u bij een erfgoedinstelling, en wilt u uw kennis verbreden en verdiepen om digitale erfgoedinformatie bij het publiek te brengen? DE conferentie richt zich op wie de inzet van ICT kunnen sturen, en ook wie met digitalisering bezig zijn. DE conferentie heeft een erfgoedbreed karakter en is er voor musea, archieven, bibliotheken, monumentenzorg- en archeologische instellingen.

23  25.4.2009 ’s-Hertogenbosch Nederlandse Restauratiebeurs 2009 De Nederlandse Restauratiebeurs stimuleert de vakwereld door kennisuitwisseling en draagt tegelijkertijd bij aan verbreding van het maatschappelijke draagvlak voor de instandhouding van het cultureel erfgoed. Speciale aandacht is er voor actuele ontwikkelingen in de monumentenzorg, nieuwe producten en technologieën, kennis en vakmanschap. Experts verzorgen lezingen, presentaties en workshops. Daarnaast biedt de beurs gelegenheid om het publiek te interesseren voor de restauratiemethoden en conserveringstechnieken voor historische gebouwen en interieurs, archiefstukken, archeologische bodemvondsten en voorwerpen uit kunstcollecties. INFORMATIE: WWW.RESTAURATIEBEURS.NL

INFORMATIE: DEN, 070 - 314 0343

10.2.2009 Utrecht Manhattan aan de Oude Gracht? De 24ste Nicolaas van der Monde-lezing in de Pieterskerk te Utrecht: Manhattan aan de Oude Gracht? Erfgoedbehoud versus moderne ruimtelijke ordening, gaat in op de problematiek van stedelijke structuren, oude gebouwen en landschappelijke elementen die voortdurend worden aangepast en veranderd ten behoeve van nieuwe functies. Soms gebeurt dat met respect

Locatie: Brabanthallen te ’s-Hertogenbosch.

Tips en persberichten voor de Agenda kunt u mailen naar info@uitgeverijeducom.nl

53


online...

op tafel... Archeologie – Cultuurlandschap – Monumentenzorg: Vitruvius bereikt beslissers en betrokkenen.

e mix van archeologie, cultuurlandschap en monumentenzorg onderscheidt VITRUVIUS – synergie in de zuiverste vorm. Nu ook op internet: www.vakbladvitruvius.nl Maar wie VITRUVIUS in handen houdt, valt voor ‘ouderwets drukwerk’. VITRUVIUS verschijnt niet in de winkel. Interesse? Mail dan naar info@uitgeverijeducom.nl.

D

4x per jaar Nederland € 45,- / België € 55,-. Ook ideaal als cadeau!

Vitruvius januari 2009  

Onafhankelijk vaktijdschrift voor archeologie, cultuurlandschap & monumentenzorg

Vitruvius januari 2009  

Onafhankelijk vaktijdschrift voor archeologie, cultuurlandschap & monumentenzorg

Advertisement