Page 1

JAARGANG 1

O N A F H A N K E L I J K

NUMMER 5

OKTOBER 2008

V A K T I J D S C H R I F T

V O O R

A R C H E O LO G I E

C ULTU URLAN DSC HAP

MONUMENTENZORG

MANAGING CULTURAL HERITAGE UNDERWATER

‘ B E R L E WA L D E ’

HOE VERDER MET DE

EEN VERDWENEN

GODSHUIZEN IN NEDERLAND?

ACHTERHOEKSE WILDERNIS

FORUM: R E ACT I E O P ‘ M O E T E N M O L E N S A LT I J D M A L E N ? ’ K O R T : IMPRESSIES ‘A WIDER VIEW’ TRIËNNALE APELDOORN • ARCHEOLOGIE BETUWEROUTE AFGESLOTEN DE RACM EN HET CULTUURLANDSCHAP • R E C E N T V E R S C H E N E N • A G E N D A • EN MEER


Synergie

in optima

forma... e mix van archeologie, cultuurlandschap en monumentenzorg onderscheidt VITRUVIUS – synergie in de zuiverste vorm. Een keur aan gerenommeerde namen dragen bij aan de fraai verzorgde uitgaven. Vitruvius bereikt iedereen die meetelt op de drie werkterreinen. Vitruvius verschijnt niet in de winkel.

D

Nederland 4x per jaar € 45,België 4x per jaar € 55,Wat dacht u van een (cadeau)abonnement? Mail naar info @ uitgeverijeducom.nl


itruvius A

A R C H E O LO G I E

inhoud C

C U LT U U R LA N D S C H A P

M

M O N U M E NTE N Z O R G

26

18

10

MANAGING CULTURAL HERITAGE UNDERWATER

‘BERLEWALDE’

HOE VERDER MET DE

GODSHUIZEN IN NEDERLAND?

EEN VERDWENEN ACHTERHOEKSE WILDERNIS

32 ERFGOED OP EIGEN BENEN, EEN PRIJS VAN HET VSBFONDS

VITRUVIUS FORUM

44

34

A WIDER VIEW

E E N R E ACT I E O P

OP INDUSTRIELANDSCHAPPEN

‘MOETEN MOLENS ALTIJD MALEN?

REAGEREN? REACTIES OP ARTIKELEN IN DEZE UITGAVE VAN VITRUVIUS KUNNEN TOT 15 NOVEMBER 2008 NAAR DE UITGEVER WORDEN GESTUURD.

KORT

PA G 4 - 9 , 5 6 :

APELDOORN

ROMEINSE WORTELS KANALENEILAND

IJZERGIETERIJ WORDT KLOPPEND HART

AFGESLOTEN

OERBOS BIJ RODERWOLDE

IMPRESSIES A WIDER VIEW TRIËNNALE

OPNIEUW ROMEINSE SCHEEPSVONDST • ARCHEOLOGIE BETUWEROUTE

DE RACM EN HET CULTUURLANDSCHAP • MONUMENTENPRIJS 2008 NAAR TEMMINCK GROLL

RECENT VERSCHENEN

PA G 3 3 , 5 1 - 5 3

1

• AGENDA

PA G 5 4 - 5 5

EN MEER


VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap en monumentenzorg.

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen

E E N

U I T G AV E

VA N

M E T

Uitgeverij Educom BV

M E D E W E R K I N G

VA N

Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumentenzorg (RACM)

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 E-mail info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

S U B - S P O N S O R S

NV Amersfoortse Maatschappij tot Stadsherstel

Projectbureau Belvedere

Postbus 842 3800 AV Amersfoort Tel. 033-460 5020 www.stadsherstelamersfoort.nl

Postbus 389 3500 AJ Utrecht Tel. 030-230 5010 www.belvedere.nu

Synthegra bv Doetinchemseweg 61A 7007 CB Doetinchem Tel. 0314-36 99 40 www.synthegra.com

Nationaal Restauratiefonds Postbus 15, 3870 DA Hoevelaken Tel. 033-253 9439 info@restauratiefonds.nl www.restauratiefonds.nl

M E D E - O N D E R S T E U N E R S ADC ArcheoProjecten Nijverheidsweg-Noord 114 3812 PN Amersfoort Postbus 1513 800 BM Amersfoort

Tel. 033-299 8181 Fax 033-299 8180 www.archeologie.nl

C O L O F O N UITGEVER/BLADMANAGER Robert Diederiks REDACTIE Drs. H.G. Baas mw. Drs. P. J. Braaksma R.P.H. Diederiks Ir. M. van Hunen mw. Drs. M. Kapelle Dr. H.C.M.Kleijn Dr. R.C.G.M. Lauwerier S.A. Muller mw. Dr. E.M. Theunissen

REDACTIERAAD Drs. C.H.M. (Chris) de Bont Wageningen Universiteit Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester Synthegra Drs. D.E. (Dorien) Fröling ADC Dr. T.G. (Timo) Nijland TNO Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek RACM, Rijksuniversiteit Groningen Ir. F.G.M. (Frank) Véhof NRf Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

ABONNEMENTEN Nederland 4 nrs/jaar E 45.België 4 nrs/jaar E 55.Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn.

2

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl © Copyrights Uitgeverij Educom BV OKTOBER 2008. Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd door middel van boekdruk, foto-offset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever. ISSN 1874-5008


VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

LECTOR I SA LUT E M ! n de zomervakantie van 2008 is door redactieleden, schrijvers en reviewers hard doorgewerkt om met elkaar weer een nieuwe editie van Vitruvius te produceren; nummer 5, jaargang 2. Zoals inmiddels gebruikelijk een afwisselend nummer met ditmaal voor het eerst een uitgebreide forumdiscussie.

I

Eindelijk krijgt het stiefkind van de archeologie – archeologie onder water – met het artikel over het MACHUproject, in Vitruvius de aandacht die het verdient. Het artikel van Door Jelsma is een geweldige bijdrage aan ‘ons’ Jaar van het Religieus Erfgoed en cultuurlandschappers worden bediend met een mooi verhaal over de Achterhoekse wildernis ‘Berlewalde’ en een ruimere blik op industriële landschappen.

Niet alleen aan de inhoud van dit nummer is gewerkt, maar ook kunnen we met trots onze redactieraad presenteren. Daarnaast hebben nieuwe organisaties uit het veld zich verbonden aan Vitruvius. En zo hoort het ook want zonder daadwerkelijke steun vanuit de cultuurhistorische wereld is dit initiatief geen lang leven beschoren. Gelukkig ziet het ernaar uit dat de positie van Vitruvius steeds sterker wordt en dat er na een eerste jaargang nog vele zullen volgen. Mocht u een bijdrage willen leveren aan Vitruvius, in welke vorm of hoedanigheid dan ook, meldt u zich dan bij de uitgever: info@uitgeverijducom.nl

A D V E R T E N T I E

– De redactie


Kort

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

KANALENEILAND HEEFT ROMEINSE WORTELS ij archeologisch onderzoek in de wijk Kanaleneiland is onlangs de grens van het Romeinse rijk teruggevonden. Wethouder Harm Janssen legde in juli jl. door een boring een stukje van het tracé van de Romeinse weg in Kanaleneiland bloot. Onder het ophogingszand van de woonwijk uit de jaren ’60 blijken zich goed bewaarde resten te bevinden van de weg die de legerkampen langs de Romeinse grens met elkaar verbond. Mede naar aanleiding van deze vondst werkt de gemeente aan een integraal plan voor de presentatie van de Romeinse grens in de openbare ruimte en de ontwikke-

B

om het tracé compleet te krijgen tot aan de gemeentegrens met Bunnik. Als dat lukt, zal het gehele wegtracé binnen de gemeente Utrecht bekend zijn.

ROMEINSE GRENS ZICHTBAAR

ling van allerlei educatieve en culturele initiatieven langs deze grenslijn. De afgelopen jaren was de loop van de Romeinse grens in het nieuwe stadsdeel Leidsche Rijn al grotendeels teruggevonden. Een groot deel van dat tracé is inmiddels via een wandelroute te volgen. Maar waar de weg ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal liep, dus onder de bestaande stad Utrecht,

was tot voor kort onbekend. Op initiatief van de gemeente heeft er de afgelopen weken gericht onderzoek plaatsgevonden in Kanaleneiland. Door middel van grondboringen kon het grind dat ooit het plaveisel van de weg vormde, worden opgespoord. Maar liefst twee kilometer van het wegtracé is in de afgelopen weken in kaart gebracht. Het booronderzoek is uitgevoerd door Archeologisch Adviesbureau RAAP. De komende maanden wordt het onderzoek voortgezet, met als doel

In het integraal plan voor de publiekspresentatie van de Romeinse grens wordt gestreefd naar een herkenbare markering in de openbare ruimte en naar informatievoorziening op plekken met een bijzonder verhaal, zoals de vindplaatsen van Romeinse wachttorens of schepen in Leidsche Rijn. Het actieplan mikt op samenwerking met ontwikkelaars, terreinbeheerders, scholen etcetera die op de grenslijn actief zijn. Doel is om de Romeinse grens op termijn te laten uitgroeien tot een kralenketting van educatieve projecten en culturele initiatieven. Bij de ontwikkeling van het actieplan zijn ook betrokken het Initiatief Domplein 2013, Tinker Imagineers en OKRA landschapsarchitecten. De gemeente wil de eerste concrete markeringen en initiatieven volgend jaar al gerealiseerd hebben.

PREHISTORISCHE CREMATIEGRAVEN ONTDEKT IN ROTTERDAM rcheologen hebben in de Rotterdamse deelgemeente IJsselmonde crematiegraven aangetroffen die mogelijk ouder zijn dan 6500 jaar. Archeoloog Arnold Carmiggelt sprak van een unieke vondst voor Nederlandse begrip-

A

pen. In de drie kuilen in zogenoemde rivierduinen lagen verbrande menselijke botten, vermoedelijk van jagers, vissers en voedselverzamelaars. De archeologen troffen ook resten van een oeros en een wild zwijn, die vermoedelijk

4

aan de doden zijn meegegeven als voedsel. ‘Aan de hand van onderzoek met radioactieve koolstof gaan we na hoe oud de resten precies zijn. Daar gaat wel een aantal maanden overheen’, aldus Carmiggelt.


Kort

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

BOEK C.B. VAN DER TAK ÉÉN VAN ‘BEST VERZORGDE BOEKEN’

et boek C.B. van der Tak, Stadsarchitect tussen modernisme en traditie 1929-1945 van de auteurs Anton Groot en Max Cramer is een van de 33 geselecteerde Best Verzorgde boeken in Nederland over het jaar 2007.

H

Uit de 465 inzendingen, de grootste inzending van de afgelopen jaren, koos een vakjury 33 boeken – het maximum aantal boeken volgens het reglement – als best verzorgd. Het boek over Van der Tak als één van de weinige architectuurboeken onderscheiden vanwege de heldere verzorgde vormgeving, afbeeldingen en grafischtechnische productie. Hoewel voor de jury geen exacte definitie vast ligt van een winnend boek zijn: inspiratie, als een duidelijke visie op het onderwerp; optimale betrokkenheid van vorm en inhoud; en wat een

boek typografisch leesbaar maakt, herhaaldelijk uitgangspunt bij de keuze. Het juryrapport zegt onder meer over het boek: ‘Architectuur is een onderwerp dat elk jaar flink onder de inzendingen is vertegenwoordigd. Het levert vaak boeken als stoeptegels op. Het boek over C.B. van der Tak (1900-1977) richt zich voornamelijk op een gespecialiseerd publiek. Het biedt een uitputtende studie van ’s mans leven en bouwkunst. De auteurs laten geen detail onbesproken. Dit kloeke, aantrekkelijke werk valt op door zijn helderheid en de kwaliteit van lithografie, druk en afwerking. De ontzaglijke hoeveelheid informatie wordt opgediend in een duidelijk te herkennen structuur.’ Staand v.l.n.r.: Anton Groot en Max Cramer, de auteurs van het boek C.B. van der Tak; uitgever Kees van den Hoek, Uitgeverij Thoth; eindredacteur Wim Platvoet, Uitgeverij Thoth en binder Herman van Waarden, Boekbinderij Van Waarden. Zittend: beide ontwerpers Ronald Boiten en Irene Mesu uit Amersfoort.

30 MILJOEN EURO RESTAURATIESUBSIDIE VOOR RIJKSMONUMENTEN egin juli reikte de directie van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM ), namens minister Plasterk (OCW ), in dierentuin Artis in Amsterdam 30 miljoen euro aan beschikkingen uit aan eigenaren of vertegenwoordigers aan 105 ‘overige’ rijksmonumenten, die kampen met aanzienlijke restauratieachterstand. Tot deze gevarieerde groep behoren o.a. kastelen, kerken en buiten-

B

plaatsen. Artis zelf kreeg ruim 750.000 euro voor het restaureren van het Apenhuis. Ook het DRU-complex in Ulft, het NS-stationsgebouw van Delft (foto), de Tribune Sportpark Jong Holland in Alkmaar, Panorama Mesdag in Den Haag, Fort Pannerden in Doornenburg (foto) en de Locomotievenloods in Roosendaal vielen in de prijzen.

5

De hoogste subsidie van bijna 800.000 euro ging naar Amersfoort voor een opknapbeurt van de Stadsmuren (foto),. Verder valt op dat provincie Zuid-Holland ruim vertegenwoordigd is met 27 honoreringen. Ook religieus erfgoed werd goed bedeeld met 50 kerken, kerktorens en pastorieën. De minister heeft als doel de huidige 17% in achterstand eind 2010 terug te brengen tot 10%.


Kort

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

OPNIEUW BELANGRIJKE ROMEINSE SCHEEPSVONDST IN LEIDSCHE RIJN traditioneel, Hollands vaartuig, waarvan de oorsprong tot dusverre onduidelijk was. Scheepsarcheologen zijn zeer opgetogen over de vondst, die een doorbraak betekent voor onze kennis over de ontwikkeling van Romeinse en latere scheepstypen. De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM ) spreekt van ‘een van de belangrijkste scheepsarcheologische vondsten in ons land ooit’.

ijdens archeologisch onderzoek in de woningbouwlocatie Leidsche Rijn bij Utrecht is een wrak gevonden van een tot nu toe onbekend Romeins scheepstype. De opgegraven resten vertonen sterke gelijkenis met de hedendaagse punter, een

T

De jongste vondst is gedaan in een dicht geslibde rivierbedding in de nabijheid van het Romeinse fort dat op de Hoge Woerd ten noorden van De Meern was gelegen. Het fort was bezet tussen ca. 40 en 270 na Chr., maar de rivier begon al rond 230 ernstig te verlanden. Mede op grond daarvan én op basis van vondstmateriaal in de omringende rivierafzettingen, kan het schip worden gedateerd omstreeks het jaar 200 of iets later.

Het scheepje was ongeveer 9 m lang en is overlangs voor iets meer dan de helft bewaard. De scheepsbodem (het zogenaamde vlak) was ongeveer 9 m lang en 1,05 m breed, en bestond oorspronkelijk uit twee eiken planken, die naar de einden toe lancetvormig toeliepen. De boorden stonden in een uitgespaarde keep aan de zijkant van de vlakplanken en werden met spanten (zogenaamde knieën) overeind gehouden in een hoek van ongeveer 125° ten opzichte van het vlak. Heel typerend is dat de boordplanken samenkwamen in een schuin vooruit staande stevenbalk. Deze is zelf weliswaar niet bewaard, maar de uitsparing waar deze in stond is in een van de uiteinden nog te zien. Daarmee heeft het scheepje de belangrijkste eigenschappen van punter-achtige vaartuigen. Een verwant scheepstype, iets groter van uitvoering en met stompere einden, is de zogenaamde bok.

IJZERGIETERIJ WORDT KLOPPEND HART OUDE IJSSELSTREEK ls over paar jaar de voormalige IJzergieterij van de DRU herbestemd is en er ca. 270 nieuwe woningen gebouwd zijn, zal deze historische locatie het kloppend hart vormen van de begin 2005 gevormde gemeente Oude IJsselstreek. Daarin zijn plaatsen zoals Terborg, Ulft en Gendringen opgegaan. Het DRU-terrein ligt geografisch gezien in het centrum van de nieuwe gemeente. Zodra het meest monumentale gebouw, het Portierscomplex, herbestemd zal zijn als cultureel centrum met als grootste gebruikers een poppodium, horeca, theaterruimte, het Nederlands IJzermuseum, vergaderruimte voor de gemeenteraad en een bibliotheek, dan zal dit gebouw ook sociaal en cultureel gezien het middelpunt vormen. Naast deze functies zullen 2 van de 7 Rijksmonumenten herbestemd worden in de sfeer van wonen. BOEi zal het gebouw, waar ooit badkuipen gemaakt werden, herontwikkelen voor bewoning. Het principe daarbij is dat de

A

nieuwe bewoners van de Badkuipenfabriek zelf opdrachtgever zullen zijn voor de verbouwing en restauratie. Er zullen ongeveer 14 ‘gebouwkavels’ (van ca. 150-300 m?) casco aangeboden worden, die de nieuwe eigenaren naar eigen inzicht kunnen verbouwen tot woon- en of werk/hobbyruimte. Op 16 maart ging de herontwikkeling officieel van start. De nieuwe naam van het gebied wordt: ‘het Gietelinck’, een verwijzing naar de restanten in de ovens die de volgende dag weer opnieuw gebruikt werden in de ijzergieterijen. De naam verwijst ook naar het hergebruik van de gebouwen en het opnieuw vormen van het DRU-complex. Koos van Lith architecten uit Nijmegen is bezig met voorstellen van het voorlopig ontwerp voor ca. 27 appartementen, 8 nieuwbouwwoningen en het kantoorgebouw. Tevens zal het gehele binnenterrein en de te restaureren watertoren in het plan geïntegreerd worden.

6


Kort

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

WAT DOET DE RACM VOOR HET CULTUURLANDSCHAP? e Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten heeft zijn beleid op het gebied van cultuurlandschap vastgesteld en gepubliceerd in de nieuwe brochure ‘De C van de RACM’. Bij de oprichting van de RACM in 2006 werd de nieuwe tak cultuurlandschap door de Minister van OCW toegevoegd aan de taken archeologie en monumentenzorg.

D

Het cultuurlandschap staat onder druk door de aanleg van infrastructuur, moderne landbouw en verstedelijking. De roep om het landschap te beschermen wordt steeds vaker gehoord. Recreanten, bewoners en beleidsmakers zien steeds meer hoe bijzonder en waardevol het Nederlandse landschap is. Het rijk springt in op deze toegenomen aandacht door het ontwikkelen van nieuw beleid. In de brochure wordt aan de hand van vier voorbeelden aangegeven hoe de RACM dit rijksbeleid ondersteunt door het ontwikkelen en toepasbaar maken van kennis, door het bijdragen aan rijksbeleid en internationaal beleid en de doorwerking daarvan, door het waarderen en beschermen van landschappen van nationaal of internationaal belang en door het adviseren over de omgang met cultuurlandschap in de praktijk. Sim Visser, afdelingshoofd Landschappelijk

en Stedenbouwkundig Erfgoed bij de RACM , spreekt in de brochure over het cultuurlandschap als een ijkpunt in onze dynamische samenleving. ‘Ons vlakke Nederlandse landschap heeft een enorme diepte. Niet alleen vanwege de landschappelijke variatie, maar vooral ook vanwege het verhaal achter deze landschappen. Dat verhaal vertellen, en het inpassen in de ruimtelijke ordening, is een nieuwe taak van de RACM. We staan daarin niet alleen. Overal zie je toenemende aandacht voor het cultuurlandschap. Niet alleen in de politiek en het ruimtelijke beleid, maar ook in het onderwijs, op televisie, in de literatuur en in de beeldende kunst. En dat is niet zo vreemd. Voor de moderne Nederlander, die leeft in een dynamische, stedelijke samenleving, is het cultuurlandschap een oase van rust en continuïteit, een ijkpunt voor de eigen identiteit.’ Binnen de taak van de RACM op het gebied van cultuurlandschap wordt de komende jaren prioriteit gegeven aan projecten van nationaal belang, zoals Werelderfgoedgebieden, Nationale Landschappen, Ruimte voor de Rivier en convenanten. Daarnaast richt de RACM zich op voorbeeldprojecten, zoals een verdere uitwerking van het concept landschapsbiografie of op een vernieuwende aanpak van ruimtelijke opgaven. Werken aan cultuurlandschap doet de RACM niet alleen, en vraagt om een andere aanpak,

aldus Sim Visser: ‘Het betekent dat we samenwerken met andere overheden en partijen. Anders bij archeologie en gebouwd erfgoed is het bijna onmogelijk om landschappen als monument aan te wijzen. Het landschap verandert immers continu. Toch zijn we op zoek naar constanten in het cultuurlandschap. Wat willen we echt behouden? Wat levert kwaliteit op voor de toekomst? De kunst is om de bescherming van cultuurlandschappen slim te combineren met het ruimtelijke beleid van andere departementen, en van provincies, gemeenten terreinbeheerders, waterschappen et cetera.’ De brochure ‘De C van de RACM ’ is te bestellen via de InfoDesk: info@racm.nl of telefoon 033-422 7456.

ARCHEOLOGIE BETUWEROUTE FEESTELIJK AFGESLOTEN p 19 juni jl. is de archeologie in de Betuweroute officieel afgesloten met een feestelijke bijeenkomst in de containerbioscoop van ProRail in Utrecht. De archeologische wereld was uitgenodigd om de presentatie van de Rapportages Archeologische Monumentenzorg (RAM’s) van alle onderzoeken bij te wonen. De serie, verpakt in een stevige kist, werd door de directeur van de Projectorganisatie, Peter Dijk, aangeboden aan de directeur van de RACM, Kees de Ruiter. Deze verspreidde de kisten weer onder de aanwezigen. Speciale aandacht kregen de

O

laatste twee boeken uit de serie: ‘Evalueren, beschermen en begeleiden: Archeologische tracébegeleiding en fysieke bescherming in de Betuweroute’ en het managementboek ‘Malta in de maak: Archeologisch management tijdens het Betuwerouteproject’. Tevens werd op deze middag een set publieksproducten aangeboden aan de burgemeesters en wethouders van de gemeenten waarin opgravingen hebben plaatsgevonden. De publieksproducten maken de archeologie beleefbaar voor de burgers. Het gaat om een

7

DE BETUWEROUTE DOOR HET NEDERLANDSE LANDSCHAP

website www.archeologiebetuweroute.nl, lespakketten, fietsroutes, ‘archeologiebetuweroute’-bankjes in elke gemeente en een tentoonstelling in Streekmuseum de Koperen Knop in Hardinxveld-Giessendam.


Terugblik

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

IMPRESSIES CULTURAL LANDSCAPE VALUATIONS: A WIDER VIEW INTERNATIONALE TRIËNNALE APELDOORN, 2008 e middagsessie bestond uit voordrachten van Peter Burggraaf (D), Peter Herring (UK ), Els Hofkens (B), Hans Renes (NL ), Per Grau Møller (DK )

D

De rode draad was te kijken of er een systeem voor landschapswaardering is wat algemeen toepasbaar is. Veel van de deelnemende landen kennen een systeem van waardering, maar, gezien de bijdragen, zijn daar nog wel verschillende problemen mee. Het verhaal van Peter Burggraaf viel in deze middag ietwat uit de toon. Hij ging niet zozeer op een systeem van waardering, maar gaf meer een opzet van hun database, en geen duidelijkheid over gehanteerde criteria, of de algemene geldigheid daarvan. Wel was het illustratief voor de verschillende valkuilen die je kunt tegenkomen bij het opzetten van een landschapswaarderingssysteem. Het grootste probleem was dat hij de gehanteerde criteria niet in een expertgroup had vastgesteld en gebruikt in de waardering, maar met de opdrachtgever had afgestemd tijdens het waarderingsproject. Hierdoor was er geen geobjectiveerde waardering mogelijk; ze was altijd afhankelijk van het project waarvoor gewaardeerd werd. Zeer inspirerend was de voordracht van Peter Herring van English Heritage. EH werkt al sinds de jaren ’90 met een systeem van landschapswaardering. Dit systeem, Historic Landscape Characterisation (HLC ), is gebaseerd op het idee dat alles in het (cultuur)landschap waardevol is, en dat de waarde vooral op lokaal of maximaal regionaal niveau geldt. Waarderingen worden dan ook altijd in lokale of regionale projecten uitgevoerd, waarbij de lokale kennis intensief wordt gebruikt (inclusief immaterieel erfgoed) vanuit het adagium landscape is about perception, not just about facts. HLC past een topdown waardering toe, dat wil zeggen dat de experts de verschillende disciplines samenbrengen en er een vastgestelde set criteria op los laten. Op deze manier zijn er nu voor verschillende counties landschapswaarderingskaarten gemaakt, waarbij archeologie en gebouwde monumenten zijn meege-

HET GEBOUW RADIO KOOTWIJK: LOCATIE VAN DE LEZINGEN nomen. Dit, vaak objectgebonden, erfgoed staat hierin niet als object op zichzelf, maar in het geheel van het (beleefde) landschap. Dat kan dus tot andere waarderingen leiden dan dat je zou krijgen als je puur objectgericht werkt. Een ogenschijnlijk nadeel van HLC is dat het steeds per (kleine) regio wordt opgezet, vaak ook vanuit die regio. Dat geeft in eerste instantie afwijkende kaartbeelden (er kan een andere nadruk op belang worden gelegd per county), maar omdat de basisset criteria en de opzet en metadata van de waarderingen gelijk zijn (expertsystem) zijn ze daarna wel te koppelen en te uniformeren. Ook is er niet meteen een landsdekkende landschapswaarderingskaart, maar een groeiende verzameling ‘postzegels’ die op den duur een flexibele, landsdekkende kaart opleveren. Peter Herring noemde de systematiek die binnen LSE gebruikt wordt van Landschapsbiografie een voor hem zeer bruikbare methode om de regionale HLC’s te vullen; juist de hierin gehanteerde principes van een expertsystem, gebruikmaken van lokale

8

kennis die eventueel in het veld door de experts gecheckt kan worden, en de brede, multidisciplinaire opzet zijn volgens hem de ideale tools om de ‘kapstok’ van het HLC te vullen. Interessant is ook dat het HLC zich ook met het maritieme landschap bezighoudt, zowel onder als boven water. www.englishheritage.org.uk/server/show/ nav.1292 www.englishheritage.org.uk/upload/pdf/boudless_horizons.pdf

Els Hofkens werkt als beleidsmedewerker voor de Vlaamse overheid, en verontschuldigde zich bijna voor haar niet inhoudelijke achtergrond. Zij vertelde hoe in Vlaanderen een Landschap Atlas is ontwikkeld. Deze atlas geeft een overzicht van de traditionele Vlaamse landschappen, op basis van natuurlijke (bodem, reliëf, etc.), economische (grondgebruik), historisch geografische (historische kaarten en luchtfoto’s) factoren, gecombineerd met (lokale) expertkennis en veldwerk. Dit geeft een ‘potentiële landschapsindeling’. Het probleem is dat deze atlas niet afdwingbaar in de planvorming is opgenomen, maar wel vanuit een morele gewoonte er een rol in speelt. Deze rol is


Terugblik

VITRUVIUS

vergelijkbaar met de rol die de IKAW in Nederlandse planvorming heeft. De criteria waarop deze atlas zijn gebaseerd wijken af van die van de HLC : in België worden voor het landschap alleen zichtbaarheid, staat en coherentie meegenomen. Geen waarde wordt gegeven aan de elementen, en zeldzaamheid en ouderdom worden buiten beschouwing gelaten. Els gaf dan ook aan dat het gebruik van de Landschap Atlas puur pragmatisch is; als ze nu een landschapswaarderingssysteem zouden opzetten, zouden ze het veel meer zoals HLC aanpakken, maar ze hebben nu eenmaal de Atlas en niet de middelen om iets nieuws te ontwikkelen. Bovendien wordt de Atlas dus vanuit een morele gewoonte gebruikt, en heeft als zodanig wel invloed op de planvorming. http://geoweb.rug.ac.be/services/tradla.asp

Hans Renes gaf een overzicht van de verschillende indelingen van landschap die in Nederland gemaakt zijn. Een eenduidige systematiek zoals de HLC die geeft is in Nederland (nog) niet van de grond gekomen. Een indeling en waarderingssysteem dat nog

NUMMER 5

OKTOBER 2008

wel veel gebruikt wordt is Ontgonnen Landschap, maar er zijn geen projecten die hierop een opvolging geven en kunnen komen tot een landsdekkend systeem. Hij haalde als voorbeeld CultGIS aan, dat als landsdekkend systeem is opgezet, maar direct werd ‘beconcurreerd’ door HIST land. Daarnaast begon elke provincie met een eigen cultuurhistorische waardering, zodat er als snel 14 onafhankelijke systemen naast elkaar bestonden. Daarbij kwamen nog eens de systemen van (individuele) onderzoekers. Hans zei dan ook dat we nu ten minste 50 waarderingssystemen hebben. De voordracht van Per Grau Møller was een schets van de Deense erfgoedwetgeving. In Denemarken is er eigenlijk geen cultuurlandschappelijke waardering; er worden drie landschapszones onderscheiden in wetgeving en politiek: – stedelijke gebieden, hierin ligt de nadruk op wonen, werken en ontwikkeling; – toeristische gebieden langs de kust, nadruk op ontwikkeling van recreatie en toerismeindustrie; en

– ‘de rest’ wat planologisch alleen als agrarisch gebied wordt aangemerkt en waar de (zeer sterke) agrarische lobby een belangrijke rol speelt. De kracht van de landbouwlobby is ook duidelijk waarneembaar in de natuurwetgeving; ook de Deense ‘natuurgebieden’ vormen een deken van zeer kleine, niet onderling verbonden, percelen. Een ecologische hoofdstructuur is niet aan te brengen. Ergoedzorg is wettelijk alleen geregeld voor monumentale objecten, voornamelijk prehistorisch (grafheuvels, megalithische monumenten, etc.) en seculier middeleeuws. Kerken en kloosters vallen nadrukkelijk buiten de monumentenwetgeving. Daarnaast is er een bescherming voor wallen en (afscheidings)muurtjes in het landelijke gebied. Maar ook deze worden niet verder gewaardeerd, noch op authenticiteit, noch op ouderdom. Beschermde cultuurhistorische gebieden zijn dan ook voornamelijk in de kustregio’s te vinden, tussen de toeristische zones.

Kort OERBOS BLOOTGELEGD BIJ RODERWOLDE den zij vast hoe de bomen in de bodem lagen. In het laboratorium worden de groeipatronen van de bomen opgemeten.

n een akker bij Roderwolde werden boomstronken boven de grond gehaald van bijna 8000 jaar oud. Volgens de Utrechtse hoogleraar in de dendrochronologie (boomtijdkunde), Esther Jansma, zou het wel eens kunnen gaan om de oudste boomresten die in Nederland zijn gevonden. Het gaat om grote hoeveelheden dennen, berken, eiken en mogelijk essen.

I

Boer Dolf Boxen wist al heel lang van de boomstronken net onder het oppervlak. Het hobbelige stuk grond heette in de volksmond niet voor niets ’t Stobbenven. Het viel ook niet goed te maaien. Dat de boomresten zo bijzonder waren, had hij niet gedacht. Vorig jaar werd het stuk land onderdeel van de waterberging in de Eelder- en Peizermaden. Bij die gelegenheid nam de universiteit van Groningen twee monsters en constateerde op grond van de koolstofmethode dat de bomen dateren van circa 6000 voor Christus.

In juli jl. zijn twee graafmachines van een loonwerkersbedrijf begonnen alle houtstobben naar boven te halen. Zodat boer Boxen de komende jaren het volle profijt van zijn grond kan hebben. Onderzoekers hebben meer monsters verzameld en ook de ligging en dichtheid van de stronken vastgelegd. Tijdens de graafwerkzaamheden leg-

9

Op grond van al deze gegevens kan bepaald worden wanneer dit bos ontstond en hoe het ten einde kwam. De vraag is of dat kwam door vuur, een storm of veranderde klimaatomstandigheden. Onderzoeker Paul Copini vertelt dat de grove den nog nooit zo talrijk in moerasgrond in Nederland gevonden is. ‘Hazelaar en grove den waren de eerste bomen die na de laatste ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden, begonnen te groeien.’ Zijn collega Marta Dominguez Delmás zegt dat het in Roderwolde gaat om een zeer bijzonder gebied. Haar valt op dat het eikenhout veel donkerder is dan hedendaags eiken en nog niet eens zo heel erg is aangetast. De onderzoekers verwachten over een half jaar de analyses af te hebben. Bron: Nieuwsblad van het Noorden


C

C U LT U U R L A N D S C H A P B . J . G R O E N E WO U DT – L . J . K E U N E N

‘Berlewalde’:

een verdwenen Achterhoekse wildernis

WILDPFERDE’ IN HET DUITSE NATUURGEBIED MERFELDER BRUCH, VERMOEDELIJK DE LAATSTE 1 'DÜLMENER VERWANTEN VAN DE HALF-WILDE PAARDEN DIE RONDZWIERVEN IN BERLEWALDE FOTO: GITTA GESING

Het landschap in veel lage delen van Oost-Nederland wordt gekenmerkt door openheid en grootschaligheid. In dit weidse en grotendeels vlakke landschap treffen we van oudsher uitgestrekte 'broeken’, ‘flieren’ en ‘goren’ aan (vroeger gemeenschappelijk gebruikte weide en hooiland) evenals jonge ontginningen van vochtige heide. Van diverse zijden wordt geprobeerd deze open landschappen in stand te houden of zelfs hun openheid terug te geven. Dat is bijvoorbeeld de ambitie van diverse landschapsontwikkelingsplannen (LOP’s) die door gemeenten zijn of worden ontwikkeld. Echter, onderzoek in het kader van het ‘Oost-Nederlandproject’ van Wageningen Universiteit en RACM heeft duidelijk gemaakt dat genoemde gebieden gedurende de laatste eeuwen ingrijpende en snelle veranderingen hebben ondergaan.

10

Het historisch cultuurlandschap, welk historisch cultuurlandschap? et open landschap blijkt van relatief recente datum, en gaat nauwelijks verder terug dan grootmoeders tijd. Daarvóór zag het landschap in het lage land er heel anders uit. Wellicht bieden ook vroegere fasen in de landschapsgeschiedenis aanknopingspunten en inspiratie voor het realiseren van nieuwe ruimtelijke opgaven. Een spannende kanshebber in dit opzicht is de verdwenen wildernis ‘Berlewalde’ in de westelijke Achterhoek. We gebruiken deze naam als pars pro toto voor het totale boslandschap (Berlewalde is een nog niet gelokaliseerd bosgebied in de noordwestelijke

H


VITRUVIUS Achterhoek). Het gebied waar we het hier over hebben, wordt in het oosten begrensd door de rand van het Oost-Nederlands plateau, in het westen door de IJssel, in het noorden door Schipbeek en Dortherbeek, en in het zuiden door de Oude IJssel.

Groen in de Achterhoek Het tegenwoordige landschap in de westelijke Achterhoek kent een afwisseling van grootschalige, open gebieden, landgoederenzones, en oud, kleinschalig cultuurlandschap met bos, laanbeplanting en houtwallen. Het meeste van dit groen is echter nog geen twee eeuwen oud. Veel landgoedbos en ook veel ander bos is aangeplant op voormalige markegrond (Van Cruyningen 2005, Keunen in voorb.). Grote stukken daarvan zijn door landgoedeigenaren aangekocht na de opheffing van de marken, vooral tussen ca. 1830 en 1850 (Demoed 1987, tabel 2, 74-75). Langere tijd geleden was de Achterhoek wél dicht bebost. Na de laatste ijstijd raakte het gebied geleidelijk begroeid met bos dat zich uiteindelijk in het Atlanticum (7000-3500 vóór Chr.) had ontwikkeld tot een soortenrijk loofbos. In dezelfde periode begon zich op verschillende plaatsen veen te vormen; uiteindelijk raakte 15% van de Achterhoek bedekt met veen (De Rooi 2006). Dit ‘oer-

NUMMER 5

OKTOBER 2008

landschap’ kende vanaf het begin menselijke invloed. Jagers-verzamelaars in het Mesolithicum (9500-5000 v. Chr.) jaagden en visten er niet alleen, maar grepen vermoedelijk ook actief in het landschap in, bijvoorbeeld door open plekken te creëren om wild te lokken (Bos et al. 2002). Tussen ca. 5000 en 3400 v. Chr. wordt het landschap geëxploiteerd door groepen die een ‘mesolithische’ levenswijze combineren met kleinschalige landbouw (Raemaekers 1999). Daarbij wordt de landbouw geleidelijk belangrijke en neemt de menselijke invloed op de natuurlijke omgeving toe. Vooral natuurlijke open plekken in het bos worden omgezet in akkerland. Vee wordt in het omringende bos geweid en veevraat belemmert de verjonging van het bos. Pas in de loop van de Bronstijd, tussen 1800 en 1100 vóór Chr., raakt de ontbossing in een stroomversnelling (Casparie & Groenman-van Waateringe 1980, Bakker 2003, Spek 2004, 131-138), ook in Oost-Nederland (Groenewoudt et al. 2008). Onderzoek aan fossiel stuifmeel laat in deze tijd een sterke toename van grassen, kruiden en heide zien. Door uitputting van de bodem verarmt en verandert het resterende bos. Al in de late IJzertijd (250 vóór Chr. - 0) zijn half-open boslandschappen de regel. In essentie blijft dat zo tot in de Middeleeuwen, en van grootschalige regeneratie van bos in de vroege

S A M E N VAT T I N G In de loop der tijd heeft het Achterhoekse landschap ingrijpende veranderingen ondergaan. Dat blijkt uit onderzoek in het kader van het Oost-Nederland project. Nog maar enkele eeuwen geleden zagen vooral de lage delen van de Achterhoek er heel anders uit dan tegenwoordig. In plaats van de uitgestrekte open ‘broek’gebieden van tegenwoordig, bevonden zich hier half open boslandschappen, waar ondermeer ‘bospaarden’ rondliepen. Hier en daar zijn nog sporen van dit middeleeuwse boslandschap (‘Berlewalde’) terug te vinden. Na een lange agrarische geschiedenis verandert Oost Nederland in hoog tempo in een multifunctioneel gebied. Berlewalde zou een belangrijke inspiratiebron kunnen zijn bij het vormgeven van nieuwe ruimtelijke opgaven.

Middeleeuwen, zoals in de zuidelijke dekzandlandschappen, lijkt in Oost-Nederland dan ook geen sprake te zijn geweest. Het nieuwe landschap was een spiegelbeeld van het oude: eilandjes cultuurgrond in een groene wildernis hadden plaatsgemaakt voor eilandjes groen in een open cultuurlandschap (Groenewoudt 2006, 120). In de late Middeleeuwen en vooral de 16e-17e eeuw verdwijnt bijna alle resterende bos uit het OostNederlandse landschap als gevolg van overexploitatie (Dirckx 1997, 1998, Bakker & Van Tweel-Groot 1998). Dan ontstaan de kale, steppe-achtige landschappen die op de Hottinger kaart en de oudste topografische kaarten uit de eerste helft van de 19e eeuw te zien zijn. De situatie in het Balkenbroek nabij Deventer is kenmerkend. In 1555 werd daar uit een elzenbos hout gekapt voor de aanleg van wegen (De Graaf 1948, 9-10), en de laatste daadwerkelijke vermelding van bos op deze locatie dateert uit 1651. Daarna is slechts sprake van weide (Keunen in voorb.). Uit de verkoop van bomen blijkt dat ook markegronden in het voormalige graafschap

2 HET 'VLAKKE MIDDEN’ VAN DE ACHTERHOEK WAS OOIT RIJK AAN MOERASSEN EN VENEN. DEZE UITSNEDE UIT EEN MANUSCRIPTKAART UIT 1641 VAN NICOLAES VAN GEELKERCKEN TOONT EEN GEBIED TUSSEN HALLE, ZELHEM, RUURLO EN ZIEUWENT. HOOGVEEN IS GEELBRUIN WEERGEGEVEN, BROEKLAND GROEN. BRON: GELDERS ARCHIEF, ARCHIEF HUIS RUURLO, INVENTARISNR. 1260

11


C

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

3 BERLEWALDE LAG IN HET VLAKKE MIDDEN VAN DE ACHTERHOEK.

houtsingels. Ook werden nu boerderijen gesticht in gebieden die tot dan toe nagenoeg onbewoond waren. Kastelen en buitenhuizen ontwikkelden zich tot uitgestrekte landgoederen; groen keerde terug in het landschap.

BEWONING BEVOND ZICH VOORAL LANGS

Wonen langs de rand

DE RANDEN, ZOALS

De menselijke bewoning van het gebied heeft zich millennia geconcentreerd langs de randen, op de hoge gronden langs IJssel, Oude IJssel en Schipbeek-Dortherbeek, en op de rand van het Oost-Nederlands Plateau, tussen Eibergen en Aalten (Van Beek in voorb., Keunen in voorb.). In het middengebied zijn weinig archeologische vindplaatsen bekend, althans vindplaatsen ouder dan de Middeleeuwen. Een uitzondering zijn enkele bewoonde ‘eilanden’, waarvan het Gooi (met o.a. Zelhem) het meest prominente is (zie o.a. Van der Velde & Kenemans 2002). De belangrijkste corridor door het lege en laaggelegen middengebied was het dal van de Berkel, lange tijd geen beek, maar een volwaardige rivier (Cohen et al. in voorb.). Het Berkeldal was tevens de toegangspoort voor de (vooral laat-)middeleeuwse kolonisatie. Zo lijkt de ontwikkeling van nederzettingen in Ruurlo vanaf de Karolingische tijd op organisatorisch vlak deels vanuit Lochem te hebben plaatsgevonden (Keunen in voorb.). We hebben daarmee in die tijd te maken met een bestuurlijk grensgebied, namelijk tussen het bisdom Utrecht in het westen en het bisdom Münster in het oosten. Een tweede oost-west passage was de zogeheten Rug van Hall, een bijna kaarsrechte en kilometers lange zandrug tussen Zelhem en Aalten.

BIJVOORBEELD BLIJKT UIT DE LIGGING VAN GRAFVELDEN ('URNENVELDEN') UIT DE PERIODE 1100-500 V. CHR.) (VAN BEEK, IN VOORB.).

Berlewalde op het spoor

PRODUCTIE VAN HOUTSKOOL WAS 4 DE IN DE ACHTERHOEK EEUWENLANG EEN WIJD VERBREIDE ACTIVITEIT. DE FOTO TOONT HET BOUWEN VAN EEN 'HOUTSKOOLMEILER’.

Zutphen nog tot in de 17e eeuw ‘gedeeltelijk met houtgewas bezet (...) zijn geweest.’ (Roessingh & Schaars 1996, 301). De laatste ingrijpende landschappelijke veranderingen traden op als gevolg van de verdeling van de gemeenschappelijke markegronden rond het midden van de 19e eeuw. Al dat land werd toen verkaveld en raakte ook fysiek versnipperd door de aanplant van

12

Recent onderzoek heeft aangetoond dat de hogere delen van het Oost-Nederlandse landschap veel sneller ontbost zijn geraakt dan de lage, vochtige gebieden. Zoals Slicher van Bath (1944, 121) al veronderstelde, moet met name het lage midden van de Achterhoek nog lang een grotendeels onbewoonde boswildernis zijn geweest. Daarvoor zijn zowel historisch-geografische, historisch-ecologische, plaatsnaamkundige als archeologische aanwijzingen (Groenewoudt et al. 2008). Eén van de oudste aanwijzingen komt uit een historische bron uit het jaar 1046. In dat jaar zijn de grenzen beschreven van een graafschap in het gebied genaamd ‘Hamaland’ (comitatus in hamelande), waarbij onder meer boerderijen als grenspunten werden aangeduid (Utrecht Charter book I, no. 202; Wartena 1989). De grens tussen twee nederzettingen die 22 kilometer van elkaar verwijderd lagen, Agastaldaburg (Hazelberg nabij


VITRUVIUS Lochem) en Stenere (Steenderen), zou ‘per silvam’ hebben gelopen, door bos. Deze aanduiding wordt alleen voor een specifiek deel van de grens gebruikt. Blijkbaar was dit gebied bosrijker dan andere delen van de grens. Plaatsen om het verloop van de grens aan te duiden, ontbraken hier blijkbaar. Dit stemt dus overeen met de lage bevolkingsdichtheid die uit de archeologische gegevens naar voren komt. Om een indruk te krijgen van de uitbreiding van de bosrijke wildernis is verkennend historisch onderzoek gedaan. Een oorkonde uit het jaar 996 AD noemt de aanwezigheid van een bos nabij Steenderen, namelijk het Steenrewalt (Sloet 1872, pp. 115; Künzel, Blok & Verhoeff 1988). De oudste rekening van de graaf van Gelre uit het rekeningjaar 1294/1295 spreekt voorts over de bossen Berlewalde en Synwede, waaruit de graaf van Gelre enige inkomsten verkreeg (Meihuizen 1953). Het Synwede kunnen we identificeren als het Zieuwent, het grote broekgebied ten zuidoosten van Ruurlo. De naam betekent vermoedelijk ‘laag gelegen gebied met houtige begroeiing, kreupelhout’. Het Berlewalde bleek vooralsnog niet localiseerbaar te zijn. Het moet in de noordwestelijke Achterhoek gelegen hebben (Keunen in voorb.).

NUMMER 5

van dit soort halfwilde paarden bevinden zich in het Westfaalse natuurreservaat Merfelder Bruch. Opvallend is dat de middeleeuwse bronnen vooral wold-namen vermelden. Vermoedelijk hebben dergelijke wold-namen niet zozeer betrekking op afgebakende bossen als wel op uitgestrekte, bosrijke en (deels) moerassige gebieden (Ter Laak 2005, 136-138, Spek & Van Exter 2007, 396 in Van der Velde et al. (red) 2007). Dat het vlakke midden van de Achterhoek tot ver in de Middeleeuwen afwijkend bos-

Aan de Schipbeek bij Bathmen werd in 1360 het kasteel Arkelstein gebouwd in een groot ‘woldt’ (Mulder 1887, 11). Niet ver daar vandaan werd het Holterwolt in 1368 genoemd. Dit wold moet ter plaatse van het huidige Holterbroek hebben gelegen (Doorninck 1894, 93). Dat het gebied vanaf de 13e eeuw geleidelijk in cultuur werd gebracht blijkt onder meer uit de vermelding van een domus (huis) met de naam Furwalde in 1265 (Ter Kuile 1964). Daarnaast bestaan er duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van ‘bospaarden’ en ‘wilde paarden’ aan het einde van de 13e eeuw en in 1463 (Meihuizen 1953, 53-55, fol. 12; Van den Bergh 1949, 146). De heer van Ruurlo en zijn voorvaderen hadden daar in de 15e eeuw ‘oeck sulves voele wilde peerde inne ghaende’ (Keunen in voorb.). Een dergelijk weiderecht komen we vóór 1500 ook tegen voor de Meinweg in Limburg en het Nederrijkswoud bij Nijmegen, maar ná 1500 niet meer (Renes 1999, 184). De allerlaatste

5 DE GROTE MEENE BIJ RUURLO, EEN LAATSTE SNIPPER BERLEWALDE?

OKTOBER 2008

FOTO LUUK KEUNEN

13

rijk was, wordt bevestigd door de resultaten van palynologisch onderzoek (Groenewoudt et al. 2008). Het regionale beeld voor deze periode zijn half open tot open landschappen, vooral in hogere en drogere gebieden. Duidelijk afwijkend zijn de hoge percentages boompollen van de vindplaatsen ZelhemSoerlant (8e-9e eeuw) en Zutphen-Looërenk (13e-15e eeuw). Uit de pollengegevens van Zelhem blijkt ook dat de bebossing zich niet beperkte tot de meest moerassige delen van het landschap. Het talrijk voorkomen van eiken laat zien dat in ieder geval ook de wat drogere delen van het lage land nog veel bos moeten hebben gedragen.


C

VITRUVIUS

Hoe zag Berlewalde er uit? Zeer waarschijnlijk was het middeleeuwse Berlewalde geen ongeschonden en aaneengesloten oerwoud. We moeten veeleer denken aan een lappendeken van halfopen bosweide (op de drogere gronden), hakhout, gesloten (moeras)bos en veenmoerassen. Veel aanhang heeft de opvatting dat natuurlijke loofbossen in Noordwest-Europa in het algemeen een gesloten vegetatiedek hadden, maar dat er wel tijdelijke en ook meer langdurige open plekken voorkwamen (zie o.a. Svenning 2002, Bradshaw et al. 2003). Vooral in riviervlaktes zijn half open boslandschappen te verwachten, ondermeer door vraat van bevers (Harthun 1999). Dergelijke grazige riviervlaktes oefenen een grote aantrekkingskracht op zowel wilde als gedomesticeerde herbivoren (zie o.a. Van Vuure 2003, 158). Vermoedelijk niet in het algemeen (zoals betoogd door Vera 1997), maar veeleer plaatselijk, en dan met name in rivierdalen (Kreuz 2008), zal intensieve begrazing het boslandschap nog opener hebben gemaakt. In de Achterhoek kunnen we hierbij vooral denken aan de dal van de Berkel. Daar zijn inderdaad op verschillende plaatsen botresten van bevers gevonden o.a. bij Borculo (IJzertijd) (Hulst & Buisman 1991) en Lochem (IJzertijd?) (Willemse 2006). Vóór de Middeleeuwen had ook de mens al millennia invloed uitgeoefend op het boslandschap. Deze invloed zal vooral langs de buitenranden, langs het Berkeldal en in de omgeving van ‘eilanden’ als Zelhem al snel hebben geleid tot het ontstaan van intensief begraasde halfopen boslandschappen: Hudewald (Pott & Hüppe 1991). Het zijn dit soort landschappen waarin we ons de kuddes halfwilde paarden kunnen voorstellen. Op moerassige bodems verder van de bewoonde wereld zal – althans in de vroege Middeleeuwen – nog vrijwel onaangetast en hoogopgaand broekbos hebben gestaan. Door boskap, overbeweiding, vervening en ook doelbewuste ontginning zal Berlewalde ten tijde van de kolonisatie in de late Middeleeuwen snel opener en versnipperd zijn geraakt en uiteindelijk van de aardbodem verdwenen. Het genoemde half-open boslandschap is waarschijnlijk ook de achtergrond waartegen we de vooral in broeken voorkomende ‘laar’-toponiemen moeten zien (Ter Laak 2005). Vermoedelijk waren ‘laren’ grazige open plekken waar het vee geweid of ingeschaard werd. Laar-toponiemen lijken vooral voor te komen – of bewaard te zijn gebleven – in broeken die nog lang bosrijk waren, zoals het Markelose- en Stokkumer Broek.

NUMMER 5

OKTOBER 2008

Over de dierenwereld in ‘verleden landschappen’ zoals Berlewalde is weinig bekend. Bot uit archeologische opgravingen verschaft hier informatie over, hoewel het altijd de vraag hoe representatief die informatie is. Eén vroege historische bron geeft een intrigerend beeld van de rijke dierenwereld van toen nog bestaande wildernissen. Het betreft een oorkonde uit het jaar 944 waarin Koning Otto I verbiedt om in de ‘pagus forestensis’ in het graafschap van Everhard ‘Saxo’ van Hamaland te jagen zonder verlof van de Utrechtse bisschop Balderik, en beveelt de wildban van de Utrechtse kerk te handhaven (Muller & Bouman 1920, oorkonden 107 a/b). Dit graafschap omvatte een groot gebied van Hoog-Elten tot boven Deventer en aan weerszijden van de IJssel (Groothedde 1999, 24-26). Het betreffende reglement wordt door latere vorsten herhaald, het laatst in 1025. Als groot wild worden genoemd: ‘(…) cervos (edelhert), ursos (beer), capreas (ree), apros (wild zwijn), bestias insuper que Teutonica lingua elo (eland) aut scelo (eland?) appellantur, (….)’. Of deze dieren daadwerkelijk (nog) voorkwamen of dat de opsomming vooral diende om bepaalde jachtgebieden op te hemelen en status te geven, valt moeilijk uit te maken. Het jongste Nederlandse bewijs voor het voorkomen van Eland dateert uit omstreeks het jaar 1000 (Clason et al. 2000). Waarschijnlijk heeft de eland lange tijd geprofiteerd van de toenemende menselijke invloed op het landschap. Elanden hebben namelijk een voorkeur voor half open landschappen (Markgren 1969). De oeros ontbreekt in bovenstaande lijst. Dat stemt overeen met de beschikbare archeozoölogische gegevens. Vondsten van oeros jonger dan de Romeinse tijd zijn niet bekend (Clason & van Es 1993, Lauwerier 1998). Wolven zijn incidenteel nog tot het begin van de 19e eeuw waargenomen. In 1649 werd er in Verwolde nog een wolf geschoten (Roessingh & Schaars 1996, 367-368) en gedurende de koude winter van 1739-1740 had men onder meer in de Achterhoek veel last van wolven (Buisman 2006, 678). In open waterrijke gebieden kwamen niet alleen ganzen, maar ook kraanvogels massaal voor (Heuvel 1927, 385).

Vormen van gebruik Het boslandschap werd door de mens op verschillende manieren gebruikt, in eerste instantie vooral voor de jacht en het verzamelen van natuurproducten. Later was het gebruik als weidegrond (bosweide) belangrijk. Zowel runderen als varkens zullen in Berlewalde zijn geweid. De oudste archieven

14

van de marken uit de streek, gevormd vanaf de veertiende eeuw en tot op heden nog maar zeer beperkt onderwerp van studie, geven daar ongetwijfeld informatie over. Varkens zijn verzot op eikels en beukennoten en daarom werden varkens vooral daar geweid (‘gemast’) waar eiken en beuken stonden. Het verdwijnen van opgaand bos is dan ook af te leiden uit het verdwijnen van reglementen voor het masten van varkens (Dirckx 1997, 1998). Te verwachten is dat de in de bronnen genoemde kuddes paarden op eenzelfde, extensieve wijze werden beheerd als tegenwoordig nog de pony’s van Exmoor en Dartmoor in Zuidoost-Engeland. Uiteraard werden bossen ook gebruikt voor de winning van brand- en constructiehout, en voor het maken van vlechtwerk en hekwerken. Een thans vergeten ambacht was de productie van houtskool, dat volgens Hulshof (1947, 261) in de Achterhoek (in de 19e eeuw) ‘een belangrijk middel is geweest om de beschikking te krijgen over enige geldmiddelen’. De vroegste aanwijzingen voor houtskoolproductie in de Achterhoek dateren uit de 9e eeuw (Zutphen, Zelhem, Ruurlo. Groenewoudt 2007). In de buurschap Noordijk bij Neede werd in 16371638 ‘een coolshoop int bos (…) gebrant’; de kolen werden aan de locale smid verkocht. Zowel eiken als elzen werden bij deze gelegenheid tot houtskool verwerkt (Keunen in voorb.). Martinet (1790) beschrijft de houtskoolproductie als een (seizoens)ambacht dat in de Achterhoek wijd verbreid was. Het dorp Zieuwent was volgens hem tot ver in de omtrek bekend om zijn houtproductie. “’s Winters ziet het er zwart en des zomers groen van al dat hout, zo zei men”. Elzenhout, afkomstig van lage voedselrijke gronden, werd het meest gebruikt. Het laatste kolenbranden vond plaats in 1905 en is door Hulshof beschreven aan de hand van een dagboek van Eimert Papenborg uit de periode 1840-1870.

Verbindingen met het verleden Is er nog iets van Berlewalde overgebleven? Zijn er in het tegenwoordige landschap nog sporen te vinden van dat intrigerende middeleeuwse landschap, sporen die aanknopingspunten zouden kunnen zijn voor nieuwe ontwikkelingen? Dergelijke sporen lijken inderdaad gevonden te kunnen worden, maar het zal nog het nodige speurwerk kosten voordat we daarvan een goed beeld hebben. Zoals we hebben gezien was het landschap in het vlakke midden van de Achterhoek omstreeks de 18e eeuw grotendeels kaal. Her en der waren bij kastelen en landgoederen al kleine kernen landgoedbos ontstaan. Sloten


VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

MARKELDER- OF MARKELOSE BROEK 6 HET OMSTREEKS 1790 (HOTTINGER KAART). LANGS DE BEEK IN HET ZUIDEN BEVINDEN ZICH DE LAATSTE RESTANTEN BOS.

die aan op oude bosrelicten? Interessant in dit verband zijn de resultaten van het onderzoek van Maes & Rövekamp (2002), waaruit naar voren komt dat het noordwesten van de Achterhoek opvallend rijk is aan deels zeldzame autochtone bomen en struiken, terwijl ook planten die gebonden zijn aan oude bosbodems (‘oud bosplanten’) relatief veel voorkomen. Eén en ander wijst op het voorkomen van eeuwenoude standplaatsen van bos, of althans een zekere continuïteit in het voorkomen van bosachtige vegetaties, desnoods alleen nog maar ‘struikbos’ (Bijlsma 2004). In theorie kunnen in landgoedbos dus snippers ouder bos of struweel verscholen liggen, van waaruit oud-bos soorten het omringende aangeplante bos geleidelijk hebben gekoloniseerd. Dat dergelijke plekken met een lange historie als bos daadwerkelijk nog bestaan wordt geïllustreerd door een klein bos bij Ruurlo. In 1876 bezocht dominee Craandijk ‘het oude, wilde bosch, dat, onder den bescheiden naam van de groote Meene op eene oppervlakte van ca. 9 bunders een schat van natuurschoon te genieten heeft. ’t Is wel geen ‘maagdelijk woud’ in den vollen zin van het woord, zooals tot voor korten tijd nog bij Beekbergen werd aangetroffen, maar ’t is toch een bosch vol woeste, onbesnoeide schoonheid. Schaarsch wordt hier de bijl des houthakkers gehoord, zelden komt spade en schoffel onder deze digte gewelven. Zooals zij groeijen willen, groeijen de boomen; zooals zij vallen, blijven zij liggen. De doode stammen, de dorre takken schemeren spookachtig tusschen bemoste tronken en digte bladerkroonen door. Rijkbegroeid is de grond van het bosch; uit de dikke laag der afgevallen bladeren schieten grasgewassen, varens, heesters, hulstbosschen in wilde mengeling op. Veelkleurig mos breidt als een mollig tapijt zich uit langs de kanten der wegen en bedekt de knoestige wortels der boomen. Klimop en kamperfoelie klimt langs de stammen omhoog en hangt in weelderige festoenen langs de slanke zuilen van dezen woudtempel neêr. Bundels van zes, zeven, acht stammen rijzen uit éénen wortel op. Eik en beuk groeijen als uit éénen tronk’ (Craandijk 1876, 151-152). Door middel van booronderzoek is in 2007 de aanwezigheid vastgesteld van een 60 centimeter dikke laag morhumus (Vriezen 2007). Dit wijst op een zeer oude en onge-

stoorde bosbodem. Dat er bij Ruurlo ook elders nog bos was vóór de landgoederen hun vleugels uitsloegen, wordt ook gesuggereerd door een vermelding uit 1601 van ‘de Ruerlsche buschen’, gelegen aan een weg komend ‘vuyt die veenen’ (Hagens 1979, 67). Het zou gelegen kunnen hebben op de plek van het latere Kerkwijkerbos (Keunen in voorb.). De naam Ruurlo of Roderlo (rodeloo), voor het eerst onder die naam genoemd in 1241, verwijst naar een bosontginning. Op de vroegste topografische kaarten zijn in sommige broeken ook nog bosschages te zien, vooral langs beken. Ook sommige horsten, kleine zandheuvels, bleven lang met bos begroeid. De bekende heemkundige H.W. Heuvel uit Oolde bij Laren beschrijft hoe die er in het eind van de 19e eeuw uitzagen: “ ’t zijn onafzienbare groenlanden, waarin als eilandjes die horsten liggen, hoogten met een wilde vegetatie van eiken, hulst als bomen, adelaarsvarens, enz. net een Germaansch oerwoud” (Heuvel 1927, 392). Helaas zijn ook deze laatste horsten in de 20e eeuw, als gevolg van rationalisering in de landbewerking, ten offer gevallen aan egalisatie. Zoals blijkt uit de houtskoolproductie, is de omgeving van Zieuwent tot in recente tijd behoorlijk bosrijk gebleven. Uit een ononderbroken reeks van historische vermeldingen over bos en bosgebruik blijkt een

15

directe verbinding met het middeleeuwse boslandschap ter plaatse. Oorspronkelijk was Zieuwent een gebiedsnaam. Het Zieuwent werd in 1550 omschreven als ‘een groot brouck ende bossche streckende tot bij Grolle (Groenlo) to, lanck omtrent een mijle weechs ende omtrent vierdeel mijls breet’ (Nijhoff 1859, 157).

Historisch bos als inspiratiebron Oost-Nederland ondergaat een snelle transformatie van een vooral agrarisch gebied naar de multifunctionele oostflank van de WestNederlandse deltametropool. Het wordt ook meer en meer een transitogebied, gelegen tussen de haven van Rotterdam en de opkomende markten in het oosten. Talrijke ontwikkelingen brengen ook in de Achterhoek grote veranderingen met zich mee, veranderingen met grote landschappelijke consequenties. Er is een toenemende vraag naar recreatie- en woonmogelijkheden, er liggen diverse wateropgaven en de landbouw maakt grote veranderingen door. De realisatie van de ecologische hoofdstructuur brengt natuurontwikkeling met zich mee. Er zijn verder plannen voor de stichting van ‘nieuwe landgoederen', en ook valt het gebied waarover dit artikel gaat grotendeels samen het Nationaal Landschap ‘De Graafschap’. Wat de landbouw betreft, maakt het reconstructieplan Achterhoek en Liemers onderscheid in extensiveringsgebieden (primaat


C

VITRUVIUS

ligt bij de natuur), verwevingsgebieden (verweving van natuur, landbouw en wonen) en LOG ’s: landbouwontwikkelingsgebieden (primaat ligt bij de landbouw). In heel OostNederland liggen LOG ’s met name in de wijdse broekgebieden, die na de ruilverkavelingen in de tweede helft van de vorige eeuw nog wel hun open karakter hebben behouden, maar veel van hun ecologische waarde hebben verloren. Logistiek gunstig gelegen broeken zijn trouwens ook favoriete locaties voor de vestiging van bedrijventerreinen. Om de economische, maatschappelijke en landschappelijke ontwikkelingen te sturen, worden door gemeenten via een interactief en cyclisch proces (door inbreng van belanghebbenden) landschapsontwikkelingsplannen (LOP ’s) gemaakt. Het doel van een LOP is het bieden van een stimulerings- en toetsingskader voor het landelijk gebied, en het ondersteunen van gewenste initiatieven. Een LOP heeft een sterk uitvoeringsgericht karakter via een uitvoeringsprogramma met concrete projecten en budgetten. Voor het cultuurhistorische en landschappelijke erfgoed zijn LOP’ s van groot belang. De nieuwe kennis die het Oost-Nederland project heeft opgeleverd zal ondermeer worden ingebracht bij de totstandkoming van LOP’ s en hopelijk vervolgens ook leiden tot concrete projecten. Bij de LOP BronckhorstLochem-Zutphen is dit proces al via workshops in gang gezet (Ziel & Baarslag 2008). Daarbij is Berlewalde één van de landschapshistorische thema's die door de onderzoekers op de kaart is gezet. Naast (altijd maar weer) het 19e eeuwse landschap zou het middeleeuwse Berlewalde een aansprekende historische referentie kunnen zijn, een inspiratiebron voor het realiseren van met name ‘blauwe’ en ‘groene’ ambities, maar zeker ook voor recreatie en toerisme, of zelfs voor het vormgeven van nieuwe landgoederen. Hierbij zou doelbewust een contrast nagestreefd kunnen worden tussen het in hoge mate gecultiveerde landgoederenlandschap met zijn scherpe grenzen en de spannende, ongeorganiseerde ruigte van Berlewalde. Er zijn ook veel concretere mogelijkheden te bedenken. Wat zou in een tijd van wijd verbreide ponyliefde en ‘verpaarding’ van het platteland meer aanspreken dan het weer loslaten van halfwilde paarden in een verruigend stuk broekland? De ‘Wildpferde’ in de Merfelder Bruch, niet ver over de grens bij Dülmen, zijn een enorm toeristisch succes (zie www.wildpferde.de bijvoorbeeld). Zou verder het laten herleven van de productie van houtskool niet kunnen bijdragen aan regionale branding, zodat

NUMMER 5

OKTOBER 2008

bewoners en toeristen hun saté of Bratwurst kunnen roosteren op Oud-Achterhoekse houtskool? En zou het maken van houtskool wellicht kunnen helpen bij het weer rendabel maken van het traditionele hakhoutbeheer? De daarmee samenhangende verstoringsdynamiek zou ook nog eens een positieve invloed hebben op de biodiversiteit én de belevingswaarde van het Achterhoekse groen.

WOORD VAN DANK

Wij danken Frits Laarman, Roel Lauwerier (beiden RACM), Roy van Beek (Wageningen Universiteit) en Michel Groothedde (gemeente Zutphen) voor het leveren van gegevens en commentaar, Gitta Gesing (Recklinghausen) voor het leveren van een foto en Menne Kosian (RACM) voor het bewerken van beeldmateriaal.

Referenties – Bakker, R (2003). The emergence of agriculture on the Drenthe Plateau - A palaeobotanical study supported by high-resolution 14C dating, Bonn (Archäologische Berichte 13). – Bakker, M. & L. van Tweel-Groot (1998). Historische referentiebeelden voor de bossen van Twente. Historische ligging, beheer en samenstelling van bossen als referentie voor het huidige bosbeheer, DLO-Staringcentrum Rapport 521, Wageningen. – Beek, R. van & L.J. Keunen (2006). A cultural biography of the coversand landscapes in the Salland and Achterhoek regions. The aims and methods of the Eastern Netherlands Project, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 355-375. – Beek, R. van (in voorb.). Een culturele biografie van de dekzandlandschappen van Salland en de Achterhoek (voorlopige titel), Dissertatie Wageningen Universiteit, Wageningen. – Bergh, L.Ph.C. (1949). Handboek der Middelnederlandse Geografie (derde druk), ’s-Gravenhage. – Bijlsma, Rienk-Jan (2004). Struikbos (kreupelbos en struellen) op de Veluwe: 1932 versus 2003, in: Brouwe, K., J. van Laar & F. Scholten (red.): Het bos in 1832. De betekenis van de eerste kadastrale gegevens, Bijdragen aan de studiedag op 25 maart 2004 te Ellecom, Zuidwolde. – Bos, J.A.A., B. van Geel, B.J. Groenewoudt & R.C.G.M. Lauwerier (2005). Early Holocene environmental change, the presence and disappearance of early Mesolithic habitation near Zutphen (The Netherlands), Vegetation History and Archaobotany (2005) 15, 27-43. – Bradshaw, R.H.W., G.E. Hannon & A.M.

16

Lister (2003). A long-term perspective on ungulate-vegetation interactions, Forest Ecology and Management 181, 267-280. – Buisman, J., 2006. Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, Deel 5. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker. – Casparie, W.A. & W. Groenman-van Waateringe (1980). Palynological Analyses of Dutch Barrows, Palaeohistoria XXII, 7-65. – Clason, A.T. & L. van Es (1993). De oeros – Bos Primigenius – van Britsum (Fr.) gedateerd, Paleo-Aktueel 4, 110. – Clason, A.T., F.J. Laarman & L.S. de Vries (2000). Oeros en eland. 14C-datering als correctie op archeologische datering, Cranium 17, nr. 1, 15-16. – Cohen, K.M. H.J.A. Berendsen, E. Stouthamer & H. Kempen, in voorb.: Zand in Banen - Zanddiepteattentiekaart van het IJsseldal en IJsseldelta / Sand-depth maps of the IJssel valley and IJssel delta, Universiteit Utrecht/Provincie Gelderland. – Craandijk, J., 1876. Wandelingen door Nederland, met pen en potlood, Tweede deel. Kruseman en Tjeenk Willink, Haarlem. – Cruyningen, P.J. van, 2005. Landgoederen en landschap in de Graafschap, Historische publicaties Gelderland, deel 5. Stichting Matrijs, Utrecht. – Demoed, H.B. (1987). Mandegoed schandegoed. De markeverdelingen in Oost-Nederland in de 19de eeuw, Zutphen. – Dirkx, G.H.P. (1997). … ende men sal van een erve ende goedt niet meer dan een trop schaepe holden. Historische begrazing van gemeenschappelijke weidegronden in Gelderland en Overijssel. DLO-Staringcentrum rapport 499, Wageningen. – Dirkx, G.H.P. (1998). Wood-pasture in Dutch Common Woodlands and the Deforestation of the Dutch Landscape, in: K.J. Kirby & Ch. Watkins (eds.), The Ecological History of European Forests, Walingford. 53-62. – Doorninck, J.I. van (1894). De cameraars-rekeningen van Deventer, Derde deel, tweede stuk. Deventer. – Graaf, J. de (1948). Markeregt van Gooi. Overijsselsche stad-, dijk- en markeregten, Derde deel, twintigste stuk. Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis. Zwolle. – Groenewoudt, B.J. (2005). Sporen van houtskoolproductie en landschapsdynamiek in een verdwenen bos bij Anloo, Nieuwe Drentse Volksalmanak 122, 152-162. – Groenewoudt, B.J. (2007). Charcoal Burning and Landscape Dynamics in the Early Medieval Netherlands, in: J. Klapste & P. Sommer (eds.): Arts and Crafts in Medieval


VITRUVIUS Rural Environment, Ruralia VI, 22-29th September 2005, Hungary, 327-337. – Groenewoudt, B.J. 2006: Sporen van oud groen. Bomen en bos in het historische cultuurlandschap van Zutphen-Looërenk, in: O. Brinkkemper, J. Deeben, J. van Doesburg, D.P. Hallewas, E.M. Theunissen & A.D. Verlinde (red.): Vakken in vlakken. Archeologische kennis in lagen, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 32), 117-146. – Groenewoudt, Bert, Henk van Haaster, Roy van Beek & Ottto Brinkkemper (in druk). Towards a reverse image. Botanical research into the landscape history of the Eastern Netherlands (BC 1100-AD 1500), Landscape History. – Groothedde, M. (1999). De nederzettingsontwikkeling van Zutphen voor het jaar 1000, in: M. Groothedde, G.E. Hartman, M.R. Hermans et. al. (red.): De Sint-Walburgiskerk in Zutphen. Momenten uit de geschiedenis van een middeleeuwse kerk, Zutphen, 9-30. – Hagens, H., 1979. Molens Mulders Meesters. Negen eeuwen watermolens in Twente en de Gelderse Achterhoek, Almelo. – Harthun, M. (1999). Zur Bedeutung der Biberwiesen in der Mitteleuropäischen Urlandschaft, in Gerken, B. & Görner, M. (eds.): Europäische Landschaftsentwicklung mit grossen Weidetieren. Geschichte, Modelle und Perspectiven, Natur und Kulturlandschaft 3, Höxter/Jena, 146-155. – Heuvel, H.W. (1927). Oud Achterhoeksch boerenleven, Deventer. – Hidding, M., J. Kolen & Th. Spek (2001). De biografie van het landschap. Ontwerp voor een inter- en multidisciplinaire benadering van de landschapsgeschiedenis en het cultuurhistorisch erfgoed, in: J.H.F. Bloemers (red.), Bodemarchief in Behoud en Ontwikkeling: de conceptuele grondslagen, Assen, 7-109. – Hulshof, H.J. (1947). De bereiding van houtskool in de Achterhoek, Landbouwkundig Tijdschrift, Maandblad van het Ned. Genootschap voor Landbouwwetenschap, orgaan van het Nederlands Instituut van Landbouwkundig Ingenieurs, 59 (nr. 709/710), 261-263. – Hulst, R.S. & A. Buisman (1991). Borculo-Industrieterrein Noord, Jaarverslag ROB 1990, 73-74. – Keunen, L.J. (in voorb.). Eeuwig grensland. Een historisch-geografische studie van Salland en de Achterhoek, Dissertatie, Wageningen Universiteit. Wageningen. – Künzel, R.E., D.P. Blok & J.M. Verhoeff (1988). Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200, Amsterdam. – Kuile, G.J. ter (1963-1969).

NUMMER 5

OKTOBER 2008

Oorkondenboek van Overijssel, regesten 797-1350, Volume I, Zwolle. – Kreuz, A. (2008). Closed forest or open woodland as natural vegetation in the surroundings of Linearbandkaramik settlements, Vegetation History and Archaeobotany 17, 51-64. – Laak, J.C. ter (2005). De taal van het landschap. Pilot toponiemen in de Berkelstreek, Amersfoort (Rapporten Archeologische Monumentenzorg 123). – Lauwerier, R.C.G.M. (1988). Animals in Roman times in the Dutch Eastern River Area, Nederlandse Oudheden 12; project Oostelijk Rivierengebied 1), ’s-Gravenhage. – Maes, B., & C. Rövekamp (2002). Inheemse bomen en struiken in de Graafschap. Autochtone genenbronnen en oude bosplaatsen, Utrecht/Millingen a/d Rijn. – Markgren, G. (1969). Reproduction of moose in Sweden, Upsala. – Martinet, J.F. (1790). Beschrijving van het houtskoolen branden, in: Volledige beschrijving van alle konsten, (…), 6e deel (De Houtskoolenbrander), Dordrecht. – Meihuizen, L.S. (1953). De rekening betreffende het graafschap Gelre 1294-1295, Werken uitgegeven door Gelre, no. 26, Arnhem. – Mulder, J.W. (1887). ‘Arkelstein’, in: Verslagen en Mededelingen van de Vereeniging ter bestudering van Overijsselsch Regt en Geschiedenis 16, – Muller Fz., S. & A.C. Bouman (1920). Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, deel I, Utrecht. – Nijhoff, I.A., 1859. Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, zesde deel, eerste stuk: Karel van Egmond, hertog van Gelre, graaf van Zutphen. Is. An. Nijhoff en zoon, Arnhem. – Pott, R. & J. Hüppe (1991). Die Hudelandschaften Nordwestdeutschlands, Münster. – Raemaekers, D.C.M. (1999). The Articulation of a ‘New Neolithic’. The meaning of the Swifterbant Culture for the process of Neolithisation in the western part of the North European Plain, Leiden (Archaeological Studies Leiden University 3). – Roesingh, H.K. en A.H.G. Schaars (1996). De Gelderse landbouw beschreven omstreeks 1825, Een heruitgave van het landbouwkundige deel van de Statistische beschrijving van Gelderland (1826), Wageningen (Agronomisch-Historische Bijdragen, 15). – Rooi, C.J. de (2006). Waar de venen groeiden. De situering en transformatie van veengebieden in de Achterhoek, Scriptie Wageningen Universiteit. Wageningen.

17

– Sloet, L.A.J.W. (1872). Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288, ’s-Gravenhage. – Svenning, J-C (2002). A review of natural vegetation openness in north Western Europe, Biological Conservation 104, 133-148. – Spek, Th. (2004). Het Drentse esdorpenlandschap; een historisch-geografische studie, Utrecht (proefschrift Wageningen). – Velde, H.M. van der, & M.C. Kenemans (2002). Zelhem, archeologisch onderzoek Soerlant III, Bunschoten (ADC-Rapport 135). – Vriezen, Edwin, 2007. Een veranderend landschap. Verkennende studie naar de aanwezigheid van oud bos in Oost-Nederland, Stageverslag Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, Amersfoort. – Spek Th. & L. van Exter (2007). Een paleogeografische kaart voor het kerspel Raalte en Heeten. In H. van der Velde: Germanen, Franken en Saksen in Salland. Archeologische en landschappelijk onderzoek naar de geschiedenis van het landschap en nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen in centraal Salland, Amersfoort (ADC Monografie 1), 391-397. – Vera, F.W.M. (1997). Metaforen voor de wildernis. Eik, hazelaar, rund en paard, ’s-Gravenhage. – Vuure, C. van (2003). De oeros. Het spoor terug, Wageningen UR rapport 186, Wageningen. – Wartena, R. (1989). Het graafschap in Hamaland en de hof Enschede in Terwolde, Bijdragen en mededelingen Gelre 80, 7-8. – Willemse, N.W. (2006). Projectgebied 4, Boevinkbrug te Lochem, gemeente Lochem. Een archeologische veldkartering bij uitvoering graafwerkzaamheden, Amsterdam (RAAP -rapport 1268). – Ziel, P.Y. & F. Baarslag (2008). Inventarisatie landschapsontwikkelingsplan gemeenten: Bronckhorst, Lochem, Zutphen, Enschede (rapport Royal Haskoning 9S2458.AO). DR . B.J. G ROENEWOUDT is senior-

onderzoeker landschapsarcheologie, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. b.groenewoudt@racm.nl IR . L.J. K EUNEN is projectleider historische geografie, RAAP Archeologisch Adviesbureau, regio Oost. luuk.keunen@gmail.com


A

ARCHEOLOGIE

W. B R O U W E R S – M . M A N D E R S

M A C H U: Managing Cultural Heritage Underwater

1 ‘HET ARCHEOLOGISCH ERFGOED ONDER WATER IS OMVANGRIJKER DAN SCHEEPSWRAKKEN

De identiteit van een land, een maatschappij staat of valt met de kennis over het verleden. De noodzaak van het hebben van die kennis voor het zijn in het heden wordt gelukkig meer een meer onderkend.1 Naast historische informatie vormt het bodemarchief een belangrijke bron van de kennis over dat verleden, mits deze goed ontsloten wordt. Een belangrijk deel van het Nederlandse bodemarchief ligt opgeslagen onder water en dat is niet zo vreemd. Een groot gedeelte van ‘s Neerlands activiteiten in het verleden hebben te maken met de zee en de (handels) relatie met andere naties. Zonder de zee geen Nederland of Gouden eeuw.

ALLEEN’: ONDERWATER ARCHEOLOOG AAN HET WERK IN VERZONKEN STEENTIJD NEDERZETTING BRON: RGK

Bodemarchief onder water n de afgelopen tientallen jaren is het bodemarchief onder water echter maar summier meegenomen in onderzoek en reconstructie van het verleden. Natuurlijk: wrakken spreken tot de verbeelding en de rijkdom aan vondsten die uit deze tijdscapsules worden geborgen, trekken grote publieke belangstelling. Echter, alleen al het feit dat vind-

I

plaatsen onder water vaak als toevalsvondsten worden aangemerkt is een bewijs voor de ad hoc benadering waar de bescherming en het onderzoek van het cultureel erfgoed onder water mee te kampen heeft. Dat de objecten niet voor niets op een bepaalde plek en in een bepaald gebied worden aangetroffen, wordt nauwelijks onderkend. Schepen vergaan op druk bevaren routes, zwaar bevochten gebieden en ondiepten. Soms zijn wrakken bewust gedeponeerd om als blokkade voor vijandige scheepvaart te dienen.

18

De relatie van scheepsarcheologische vondsten met de omgeving is dus vaak groter dan in eerste instantie wordt gedacht. Het cultureel erfgoed onder water is echter veel omvangrijker dan scheepswrakken alleen; we scharen hier ook havens, scheepshellingen, bruggen en prehistorische vindplaatsen onder die worden aangetroffen op en in de waterbodems van rivieren, meren en zeeën. Deze vindplaatsen zijn onmiskenbaar gerelateerd aan hun omgeving.2


VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

S A M E N VAT T I N G Het MACHU-project is een internationaal project waarin diverse Europese landen samenwerken om te komen tot een beter inzicht in de rijkdom van het cultureel erfgoed onder water. Een ander belangrijk doel van dit, door de EU gefinancierde project, is de kennis hierover verspreiden onder wetenschappers, beleidsmakers en het algemeen publiek. Belangrijke middelen die daartoe bijdragen zijn onder andere een speciaal ontworpen GIS-systeem en de MACHU-website (www. machuproject.eu). Daarnaast worden nieuwe methoden en technieken (verder) ontwikkeld ten behoeve van het beheer en behoud van het – tot voor kort sterk onderbelichte - cultureel erfgoed onder water.

2 DE OOSTZEEHANDEL WAS DE MOTOR VAN DE WELVAART IN DE GOUDEN EEUW. EEN SCHILDERIJ VAN DE HAVEN VAN RIGA IN DE 17E EEUW MET VERSCHILLENDE NEDERLANDSE SCHEPEN BRON MUSEUM VOOR DE GESCHIEDENIS VAN RIGA EN SCHEEPVAART/RIGA VESTURES UN KUGNIECIBAS MUZEJS, RIGA, LETLAND

Pas sinds kort is nationaal en internationaal het besef ontstaan dat dit – vaak goed bewaarde – archief een enorme potentie heeft, maar wel goed beheer, management en vooral actieve bescherming behoeft. De wens beter om te gaan met het bodemarchief onder water heeft zich onder andere vertaald in de UNESCO Convention on the Protection of Underwater Cultural Heritage uit 2001.3

ming – net als monitoring – van deze vindplaatsen, echter ook van groot belang. Dat gebeurt tot op heden echter maar mondjesmaat omdat de kosten hiervoor hoog zijn en de budgetten beperkt. Samenwerking ten behoeve van de bescher-

In de Nederlandse Monumentenwet is reeds (of pas) in 1988 specifiek aandacht besteed aan de bescherming van ons culturele erfgoed onder water. In de nieuwe aangepaste wet uit 2007 is de jurisdictie hiervan nu opgeschoven tot 24 mijl buiten de Nederlandse kust.4 Dit betekent een forse uitbreiding van het gebied waarvoor de Monumentenwet geldt. Het management en bescherming van het onderwaterarchief vindt steeds meer aansluiting bij het terrestrische doordat een beleidsinstrument als de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA ) een specifieke versie voor de Waterbodems heeft gekregen, een Nationale onderzoeksagenda voor de maritieme archeologie (NO a A-M aritiem) in de maak is en in de nieuwe erfgoedbalans ook het maritieme erfgoed volwaardig vertegenwoordigd zal zijn.5 Net als bij de landarcheologie wordt in het management van archeologische vindplaatsen onder water primair geopteerd voor bescherming in situ. Het in kaart brengen en waarderen van het erfgoed met niet-intrusieve methoden heeft daarmee prioriteit gekregen. Om dit erfgoed te bewaren en om de kwaliteit daarvan te bewaken is de fysieke bescher-

3 DE MACHU PARTNERS EN TESTGEBIEDEN K A A R TJ E : WILL BROUWERS

19

ming van ons maritieme erfgoed onder water is dan ook het devies. De samenwerking binnen Nederland kan worden gezocht en gevonden bij de vele anderen die gebruik maken van de Nederlandse wateren en waterbodems. Belangrijke partners zijn Rijks-


A

VITRUVIUS

DOELEN EN METHODIEK VAN MACHU

1

Het belangrijkste doel van MACHU is inzicht te krijgen in de rijkdom van ons culturele erfgoed onder water op Europees niveau. Dat klinkt logisch, maar het in kaart brengen van het cultureel erfgoed onder water is nog maar net begonnen. Wat is het bestand aan (bekende) archeologische vindplaatsen onder water? Wat is de staat van de vindplaatsen en hoe kunnen de vindplaatsen het best beschermd worden? Hoe kan de informatie (internationaal) het best beschikbaar worden gesteld en gedeeld? De oplossing is gevonden in het gezamenlijke ontwerp van gestandaardiseerde formats waarin de partners binnen het

NUMMER 5

MACHU de informatie over het maritieme erfgoed aanleveren. Daardoor wordt het mogelijk om de gegevens over het maritieme erfgoed in al die landen eenvoudig te vergelijken en uit te wisselen. Immers: de ‘taal’ die gesproken wordt, is dan dezelfde. Tot op heden zijn formats voor archeologische, juridische, onderzoeks-, bathymetrische en administratieve informatie ontwikkeld.

2

Een tweede MACHU doel is de informatie over het erfgoed beschikbaar stellen aan wetenschap, publiek en beleidsmakers. Hiervoor is op basis van de aangeleverde uniform verzamelde data een Europees Geografisch Informatie Systeem ontwikkeld. Dit MACHU GIS wordt geserveerd via de MACHU website.8 In het GIS wordt alle informatie over Europees onder water erfgoed gekoppeld en zichtbaar gemaakt.

OKTOBER 2008

De GIS viewer is niet openbaar maar zal – net als Archis9 worden aangeboden aan wetenschap en beleidsmakers via een afgeschermd gedeelte van de MACHU website. De MACHU website zelf is een portaal voor het in de maritieme cultuurhistorie geïnteresseerde Europees publiek.10

3

Het derde doel is binnen MACHU nieuwe methoden en gereedschappen die van belang (kunnen) zijn voor het beheer van het cultureel erfgoed onder water (verder) te ontwikkelen. Een voorbeeld hiervan is de introductie van een nieuwe techniek voor de datering van zandlagen onder water. De methode, Optical Stimulated Luminescence (OSL), wordt al langer op het land gebruikt.11 De testen die op 27 november 2007 in het kader van het MACHU project in de Wadden-

zee zijn uitgevoerd, zijn de eerste pogingen om zand van waterbodems te dateren. Deze methode kan in de toekomst mogelijk gebruikt worden om van door zand afgedekte scheepswrakken te weten te komen wanneer deze voor het laatst vrij hebben gelegen, of er nog oorspronkelijke vondstlagen aanwezig zijn, of dat deze volledig zijn weg geërodeerd. Deze informatie is weer van belang voor de waardering van vindplaatsen die niet vrij aan het bodemoppervlak liggen en die daardoor mogelijk juist nog in goede conditie verkeren. Daarnaast is het uitdrukkelijk de bedoeling om OSL te gaan gebruiken in het monitoringproces van afgedekte scheepswrakken. Het kan ons informatie verschaffen over de hoeveelheid aan ingevangen zand onder het afdekkingsgaas, wanneer dit invangen heeft

waterstaat, maar ook het leger, de visserij en de vele sportduikers die in Nederland actief zijn.6 De voor Nederland zo prominente maritieme geschiedenis speelt zich echter voor een groot deel ook op internationaal terrein af. Schepen voeren met lading van land naar land, oorlogen werden op zee uitgevochten. Nederlandse scheepswrakken worden nog jaarlijks in andere landen binnen en buiten Europa aangetroffen. Voor het beheer hiervan zijn we dus afhankelijk van andere naties, net zoals zij afhankelijk zijn van ons voor de bescherming van hun erfgoed in Nederlands territoriaal gebied. In Nederlandse wateren liggen schepen uit Zweden, Engeland, Duitsland, Denemarken en Frankrijk. Die objecten zijn even zo goed onderdeel van het erfgoed van Nederland als dat van het land van herkomst. Steeds vaker wordt dit gemeenschappelijk erfgoed in overleg met de betrokken landen beheerd en ontsloten.

Managing Cultural Heritage Underwater

4

HET NEMEN VAN OSL MONSTERS OP DE SITE VAN HET BZN 10 WRAK IN DE WADDENZEE TER HOOGTE VAN OUDENSCHILD TEXEL.

FOTO P. VO O R T H U I S , H I G H Z O N E

20

Tot op heden wordt in de bovengenoemde gevallen op ad hoc basis de samenwerking tussen landen, overheden en andere stakeholders gezocht.7 Wanneer we echter een goed beheer over een langere periode willen garanderen, dan zal die samenwerking moeten worden geformaliseerd en gestructureerd. Belangrijk


VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

5 OPENINGSKAART VAN HET MACHU GIS BRON: MACHU

6 HET ÄLVSNABBEN WRAK IN ZWEDEN WORDT VAAK BEZOCHT DOOR SPORTDUIKERS. DAT HEEFT GROTE INVLOED OP DE CONDITIE VAN HET WRAK FOTO: ANDERS BOUVIN

daarbij is dat een breed draagvlak gecreëerd wordt, begrip is voor wederzijdse belangen en dat data, die door de verschillende partijen verzameld worden, uitwisselbaar zijn. Om de in het kader gestelde doelen te realiseren, is in 2006 het project Managing Cultural Heritage Underwater (MACHU ) opgestart. MACHU is een samenwerkingsproject van acht Europese partners uit zeven landen onder EU vlag (Cultuur 2000 programma) dat zich bezig houdt met het ontwikkelen en inventariseren van technieken om dat Cultureel erfgoed onder water in kaart te brengen en te beschermen. Het MACHU project is een pilot-project en loopt in eerste instantie door tot september 2009. De zeven landen die gezamenlijk MACHU ontwikkelen hebben allen een belangrijk maritiem verleden: Nederland, België, Zweden, Engeland, Duitsland, Polen en Portugal.

MACHU GIS Het MACHU GIS -systeem is de ruggengraat van het MACHU project. Hier komt informatie samen in overzichtelijke afbeeldingen die stuk voor stuk belangrijke informatie bevatten voor het beheer van het culturele erfgoed onder water, niet alleen op landelijk, maar zelfs op Europees niveau. Wetenschappers kunnen vragen afvuren op de achterliggende databases, informatie naar eigen inzicht combineren en zelfs nieuwe onderzoekslagen toevoegen. Beleidsmakers kunnen een snel overzicht krijgen in de druk op het bodemgebruik onder water. MACHU stelt daar direct de rijkdom van het daar aangetroffen, maar ook verwachtte archief tegenover. Via het MACHU GIS systeem kunnen bedreigingen en kansen voor het erfgoed

onder water in één oogopslag zichtbaar gemaakt worden. Het MACHU pilot-GIS bestaat voorlopig uit vijf lagen. De archeologische laag en de onderzoekslaag vormen het hart van het GIS .13 De archeologische laag geeft een omschrijving van de maritieme vindplaatsen onder water; van locatie, datering en omschrijving object tot de relatie die het object mogelijk met andere landen heeft. Komt het schip misschien oorspronkelijk uit Duitsland of heeft het een Duitse lading? De onderzoekslaag geeft een inzicht in alle werkzaamheden en ingrepen die in of op de bodem (gaan) plaatsvinden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen archeologische onderzoeken en bijvoorbeeld infrastructurele projecten. Ook is een bathymetrische laag gemaakt – waarin onder andere meetgegevens, verkregen door multi beam en side scan sonar zijn ondergebracht – en een juridische laag die aangeeft welke wetgeving in een specifiek gebied beschikbaar is voor de bescherming van ons cultuurhistorisch erfgoed.14 Het GIS is opgebouwd als een open source systeem en er kunnen op een eenvoudige manier in een later stadium allerlei functionaliteit en of lagen aan worden toegevoegd. Een voorbeeld van een toekomstige laag – waar overigens nu al aan gewerkt wordt door onze Zweedse partner – is de invloed van de sportduikers op de vele, zeer goed bewaarde, scheepswrakken in de Stockholm archipel.15

Testgebieden Hoewel het MACHU GIS uiteindelijk al het onder water erfgoed zal bestrijken, is voor de duur van het project gekozen voor kleine testgebieden. Hiermee kan gegarandeerd

21

7 OPNAME GEMAAKT MET EEN ROV (REMOTE OPERATING VEHICLE) VAN EEN ZEER GOED BEWAARD KOOPVAARDER UIT DE 17E EEUW BIJ GOTLAND ZWEDEN. B R O N : D E E P S E A P R O D U CT I O N S

worden dat voldoende relevante informatie uit die gebieden verzameld kan worden om het systeem uitvoerig te kunnen testen. Elke partner heeft testgebieden geselecteerd met min of meer unieke (regionale) eigenschappen. Alle data over archeologische vindplaatsen in de testgebieden en over de gebieden zelf worden verzameld. Het gaat hierbij niet alleen om archeologisch materiaal, maar ook om informatie over zeebodemerosie, visserij, infrastructurele werken, juridische grenzen, duikactiviteiten en bijvoorbeeld bodemopbouw. Het Zweedse testgebied (De Stockholm archipel) bevat ca. 500 bekende wrakken waarvan de conditie vaak verbluffend goed is. Reden daarvoor is dat de noordelijke Oostzee een laag zoutgehalte heeft, redelijk koud is en geen of nauwelijks getijdenstro-


A

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

8 MULTIBEAM OPNAME VAN HET BURGZAND NOORD TEST GEBIED MET V.L.N.R. DE BZN 8, BZN 11, BZN 10 EN DE BZN 3. BRON: RWS

9A

BESCHERMEN IN SITU MET BEHULP VAN POLYPROPYLEEN STEIGERGAAS OVER HET SCHEEPSWRAK BZN 10. B R O N : R AC M

9B

OPENGEWERKTE TEKENING IN SITU BESCHERMING. TEKENING: MARTIJN MANDERS

22

ming kent. Met name door het laag zoutgehalte is er in het gebied (nog) geen paalworm (Teredo sp/navalis) actief. Dit organisme is in Nederland een van de grootste oorzaken voor de snelle aantasting van houten scheepswrakken in de Waddenzee en de Noordzee. Een zeer recente vondst in Zweden betreft een puntgave koopvaarder die op 130 meter diepte ten noorden van Gotland is aangetroffen.16 Mogelijk gaat het hier om een 17de eeuws schip van Nederlandse makelij. Dit zal echter in een vervolgonderzoek moeten worden vastgesteld.17 De Duitse testgebieden liggen in de voormalige Oost Duitse kustwateren (Wismar baai en Rüggen eiland, ook in de Baltische Zee). Het onderzoek in de Duitse testgebieden is gericht op zowel middeleeuwse scheepswrakken als op verzonken (midden) steentijd nederzettingen. Tot einde jaren ’80 van de 20ste eeuw is dit gebied niet bedoken en onderzocht, anders dan voor militaire doeleinden. Hierdoor is het totale erfgoed onder water daar nog voor een groot deel ongeschonden en compleet. De paalworm is hier echter wel sinds 1993 actief en heeft naast de miljoenen euro’s schade aan kades ook schade aan scheepswrakken veroorzaakt. Een nieuw op te starten EU onderzoek heeft tot doel de invloed van de paalworm in de Baltische zee te onderzoeken en tevens na te gaan of de ontwikkelingen die nu worden gesignaleerd van tijdelijke aard en cyclisch zijn, of dat de intrede van de paalworm doorzet tot in het Noordelijke (Zweedse en Finse) deel van dit gebied.18 Het onderzoek in de Duitse gebieden van de Baltische Zee is gericht op zowel middeleeuwse scheepswrakken als op verzonken


VITRUVIUS (midden)steentijd nederzettingen. De Portugese testgebieden hebben weer een andere benadering nodig omdat ze zijn gesitueerd in rivierestuaria de Aveiro in midden Portugal en de Arade in Zuid Portugal (Algarve) met een eigen sediment-erosie dynamiek. De nadruk in deze gebieden ligt vooral op het laat-middeleeuwse wrakkenbestand waarin een schat aan informatie over de scheepsbouwontwikkelingen besloten ligt, die mede hebben geleid tot de periode van de grote ontdekkingen. Ook de overige partners Polen, België en Engeland leveren ieder specifieke testgebieden aan waar ‘nationale’ know how wordt ontwikkeld en die bijdragen aan de kennis en bescherming van het gehele Europese culturele erfgoed onder water.19

DE NEDERLANDSE TESTGEBIEDEN De Banjaard Nederland (De RACM ) heeft twee testgebieden aangewezen: de Banjaard en de Burgzand Noord.20 Het eerste gebied ligt in Zeeland voor de kust van Schouwen Duiveland. De Banjaard is een dynamisch, relatief ondiep gebied met veel (migrerende) zandbanken. In dat gebied zijn in de afgelopen eeuwen talloze schepen vastgelopen en gezonken. Een gedeelte van die ongelukkige schepen is met naam en verhaal historisch goed gedocumenteerd.21 Daarentegen is gevalideerde archeologische kennis over de wrakken in situ in het gebied nog beperkt. De meeste informatie uit dit gebied is tot nu toe verzameld door duikers en vissers. Dit is ongewogen informatie. Doel van het MACHU project is om een goede modus te vinden om deze bronnen te gebruiken, op juiste waarde te schatten en te valideren. Deze zomer zal het projectteam de Banjaard bezoeken en trachten de nu bijeengebrachte data te valideren, door in een gebiedsgeörienteerde aanpak tot waarderingen te komen.

Burgzand Noord Het tweede testgebied is de Burgzand Noord in de Waddenzee, voor de kust van Texel. Het is een klein gebied met slechts vier wrakken uit de 17e eeuw. Als gevolg van de afsluiting van de Zuiderzee door de Afsluitdijk in 1932, is de dynamiek van de zeebodem in dit gebied ingrijpend veranderd en vindt sterke erosie plaats. Hierbij spoelen regelmatig wrakken vrij die dan in korte tijd aangetast worden door mechanische (visserij), biologische (de gevreesde paalworm) en chemische factoren. Het Burgzand Noord gebied vormt het hart

NUMMER 5

OKTOBER 2008

van wat eens de ‘rede van Texel’ was. Over de bekende wrakken in dit gebied is relatief veel gevalideerde informatie beschikbaar. In het verleden is daar door het toenmalige Nederlands Instituut voor Scheeps- en onder water Archeologie (NISA/ROB ) veel onderzoek gedaan: van verkenningen tot waardestellingen en opgravingen. Eeuwenlang was de rede van Texel het verzamelpunt voor de grote handelsschepen van de VOC , WIC en de vaart op de Oostzee. Schepen wachtten daar op goede wind om uit te varen of om lading aan boord te brengen of te lossen. Dit waren met name de grotere handelsschepen die door de ondiepte bij Pampus niet in de haven van Amsterdam konden komen. Bevoorrading en uitladen gebeurde met behulp van kleinere lichters. Alhoewel de rede relatief veilig was, blijkt uit historische bronnen dat in een enkele storm soms tientallen schepen tegelijk konden vergaan. Tijdens een storm in de kerstnacht van 1593 vergingen meer dan veertig schepen. In december 1660 was het nog erger. Van ongeveer 150 schepen die beschutting zochten op de rede, werden er – na een nachtelijke zware storm – ’s morgens nog 38 geteld. De geschiedenis kent vele stormen en het is aannemelijk dat alleen al in de westelijke Waddenzee in de loop der eeuwen meer dan duizend schepen zijn vergaan.

De scheepswrakken De vier scheepswrakken in het testgebied zijn de Burgzand Noord 3, BZN 8, BZN 10 en de BZN 11. De BZN 3 is in 1986 al verkend en in 1988 afgedekt met gaas en 6000 zandzakken. Het is vermoedelijk het in 1640 gezonken VOC schip Rob. Jaarlijkse monitoring in het kader van het Burgzand-project heeft uitgewezen dat de fysieke bescherming redelijk effectief is geweest, maar dat de gebruikte methodiek met zandzakken er wel voor heeft gezorgd dat de beschermlaag ook voor vervolgonderzoek moeilijk te verwijderen zal zijn.22 Het wrak was de eerste vindplaats onder water dat een monumentenstatus kreeg.23 Het wrak de BZN 10 is een mogelijk NoordDuitse koopvaarder uit de 17de eeuw. Hij is bedekt met een net van polypropyleen.24 Bij deze methodiek worden de netten los op de site geplaatst en vangen daarbij zand af dat in het water zweeft.25 Onder het net is bijna geen stroming aanwezig en het zand blijft dus liggen. Op deze manier kan binnen een aantal weken een vrijgespoeld wrak weer onder een laag zand terecht komen. De zandbult zorgt voor een anaëroob milieu, zodat de

23

paalworm het hout niet kan aantasten. Eventuele bacteriologische aantasting wordt hiermee ook vertraagd. Het wrak is meteen tegen visnetten beschermd omdat het polypropylene net voor een kunstmatige glooiende heuvel zorgt waar visbomen rustig overeen kunnen rollen zonder dat het net achter scheepsdelen blijft hangen.26 De BZN 8 is gebouwd en gezonken in het midden van de 17de eeuw. Opvallend aan de BZN 8 is dat dit schip, oorspronkelijk vermoedelijk een koopvaarder, in de constructie versterkt is met als doel (meer) kanonnen te kunnen voeren. Een bijzondere vondst uit dit wrak is een zeer fraaie Hemony-klok uit 1658.27 Ook dit wrak wordt fysiek beschermd met een net van polypropyleen. De Burgzand 11 is ook een 17de eeuwse koopvaarder. Het wrak wordt niet fysiek beschermd en is daarmee een te monitoren voorbeeld van wat er gebeurt wanneer geen maatregelen genomen worden voor fysieke bescherming in dit gebied.

Beheer van het (on)bekende erfgoed ‘Pantha Rei’ (alles verandert) en dat gaat zeker op voor de zeebodem. Stroming en sediment zijn constant in beweging. Erosie en het verplaatsen van sediment kan grote gevolgen hebben voor archeologische resten op de zeebodem. Ligt een wrak het ene moment nog onder een veilig pakket zand van enkele meters, het volgende moment is dat zand verspoeld en ligt het wrak vrij.

Sediment erosie modellen Naast het verzamelen en in kaart brengen van gegevens over de onderwatersites, is het ook van groot belang om menselijke en natuurlijke bedreigingen voor het culturele erfgoed onder water te inventariseren. Binnen het MACHU project wordt gewerkt aan zogenaamde sediment-erosie modellen die kunnen voorspellen hoe de zee/zeebodem zich zal gedragen in de (nabije) toekomst. Met deze modellen kunnen voorspellingen gedaan worden ten aanzien van de bedreiging in bepaalde gebieden en de kans om nog goed bewaarde cultuurhistorische waarden onder water aan te treffen. In feite vormen de sedimentatie-erosie modellen die op dit moment op macro niveau voor de zuidelijke Noordzee in de maak zijn en op detail (vindplaats) niveau ook in de Waddenzee, een belangrijke basis voor een dynamische indicatieve kaart archeologische waarde (IKAW ). Immers, de conventionele IKAW ’s zijn statisch en houden weinig rekening met het


A

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

verdwijnen van het erfgoed door natuurlijke processen. Op hun beurt vormen de dynamische IKAW ’s ook een basis voor het binnen MACHU nog te ontwikkelen ‘Decision Support System’, een systeem dat waarschuwingen afgeeft voor gebieden waar het erfgoed onder druk staat of waar te weinig informatie vandaan komt om gefundeerde uitspraken te kunnen doen over de kwaliteit ervan. Op micro niveau wordt ook onderzoek gedaan naar sediment erosie verplaatsing rondom één wrak. Wat is de invloed van stroming (slijpgeulen) en sedimentverplaatsing op en rond een wrak? Zijn er patronen te herkennen? In het Britse testgebied ‘East English Channel’ wordt hier uitgebreid onderzoek naar gedaan alsmede ook op het Burgzand.28

MACHU en het Europese publiek Het culturele erfgoed onder water kan alleen effectief worden beschermd wanneer er voldoende draagvlak is. Een essentieel onderdeel bij het creëren van zo’n draagvlak is het aanspreken van het algemene publiek.29 In MACHU wordt dit op Europees niveau gedaan. Het erfgoed moet worden beleefd. Wrakken en sites moeten aanspreken. Daarmee dragen ze als vanzelf bij aan een gezamenlijke historische Europese identiteit zoals die in de maritieme wereld al eeuwen bestaat.

0A

DUIKER MET EEN DATALOGGER, MEETAPPARATUUR OM DE OMGEVINGSFACTOREN RONDOM EEN SCHEEPSWRAK VAST TE LEGGEN ZOALS ZOUTGEHALTE, TEMPERATUUR, ETC. FOTO : R . O B S T

0B

MULTIBEAM OPNAME WORDEN OOK GEBRUIKT VOOR DE MONITORING VAN WRAKKEN. DOOR IEDER JAAR OPNAMES TE MAKEN VAN DE ZEEBODEM KUNNEN VERANDERINGEN IN HET SEDIMENT PATROON WORDEN AANGETOOND. B R O N : R W S

Hiervoor is een website ontwikkeld die informatie over het erfgoed vertaalt voor specifieke doelgroepen. De gegevens waarmee wordt gewerkt zijn verzameld voor het GIS. Het GIS is slechts beperkt toegankelijk en de informatie wordt daar voor andere, wetenschappelijke en beleidsmatige, doeleinden gepresenteerd. De website geeft een schat aan informatie over het project, de testgebieden, onderzoek en archeologische vindplaatsen in de verschillende landen. Op termijn moet de website uitgroeien tot het portaal van archeologisch maritiem Europa.

Slot Het koppelen en bevraagbaar (uitwisselbaar) maken van informatie over het archeologisch erfgoed onderwater is zowel relevant voor wetenschappers, beleidsmakers en het bredere publiek. Het project heeft grote potentie: er is een uniforme module gecreëerd waarbinnen overheden en instituten internationaal kunnen samenwerken aan de bescherming en bestudering van het maritieme erfgoed. Het MACHU project zit nog in de ‘pilotfase’’

24


VITRUVIUS en loopt door tot september 2009. De website en het GIS zullen in die tijd continue worden vernieuwd, aangevuld en getest. Na die datum zal een aanvraag naar de EU gaan ter financiële ondersteuning van een systeem dat in Europees verband moet worden opgepakt. Een GIS systeem kan alleen goed werken als er voldoende data beschikbaar zijn in het systeem. In Nederland is de samenwerking tussen RWS en RACM in het MACHU project goed. Data van beide instituten zijn binnen MACHU beschikbaar voor gebruik. Willen we MACHU tot een echt internationaal zinvol project laten uitgroeien dan, is het van essentieel belang dat het breed wordt gedragen. Er zijn binnen Europa contacten met Finland, Italië, de Baltische staten, Spanje en Kroatië. Ook landen buiten Europa; Sri Lanka, Zuid-Afrika, Brazilië en Australië hebben interesse getoond om volgens het MACHU principe te gaan werken. MACHU bestaat uit de volgende

organisaties: – Nederland, Rijksdienst voor Archeologie Cultuurlandschap en Monumenten (RACM ) en Rijkswaterstaat (RWS ) – België, Vlaamse Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE ) – Groot Brittannië, English Heritage (EH ), – Polen, Poolse Maritieme Museum in Gdansk (CMM ) en het Poolse Geologische Instituut (PGI ) – Portugal, Portuguese Centre for Underwater and Nautical Archaeology (DANS ) – Zweden, The National Maritime Museums of Sweden (SMM ) Voor meer informatie kunt u terecht op de MACHU website: www.machuproject.eu M ARTIJN M ANDERS is projectleider MACHU en Will Brouwers is datamanager/ researcher MACHU . 1

De regering heeft besloten de historische canon per september 2009 in de kerndoelen van basisonderwijs en ‘nieuwe onderbouw’ voortgezet onderwijs op te nemen. Van de 50 items in de canon is in 16 gevallen een directe maritieme verwijzing opgenomen. 6 items zijn zelfs primair verbonden met de maritieme geschiedenis, te weten: de VOC, de Hanze, de Cartografie, De Ruiter, de Slavernij en de Haven van Rotterdam. 2 Denk hierbij bijvoorbeeld aan de tempelcomplexen van Nehellenia (Colijnsplaat, Domburg), St Odulfus klooster (Stavoren), oerbos in het IJsselmeer (bij Hindelopen), scheepshelling (Medemblik). Zie hiervoor Bundel Maritieme

NUMMER 5

OKTOBER 2008

Vindplaatsen 1, Redactie en samenstelling. J. van den Akker, Martijn Manders, Wendy van der Wensch, Albert Zandstra, Amersfoort 2007 3 De Unesco Convention on the Protection of Underwater Cultural Heritage die in 2001 in Parijs is opgesteld, is op dit moment door 17 landen ondertekend. Met nog drie extra landen daarbij treedt het verdrag in werking. De Conventie bestaat uit een set van regels voor de bescherming van het erfgoed onderwater en een Annex waarin gedragsregels voor de omgang met dit erfgoed zijn opgesteld. Die gedragsregels of ‘Code of Good Practise’ zijn eerder verwoord in de ICOMOS charter on the Protection and Management of Underwater Cultural Heritage uit Sofia 1996. samen met het Verdrag van Malta, Valletta 1992, pleitten al deze verdragen voor om de bescherming ‘in situ’ als eerste optie in overweging te nemen. De teksten van deze verdragen zijn te vinden op www.machuproject.eu/legislation. 4 De Monumentenwet van 1988 is sinds 2007 aangepast op het Verdrag van Malta: de wet op de archeologische monumentenzorg.

Waddenzee in november 2007. De eerste resultaten worden verwacht in de tweede helft van 2008 (zie hiervoor de MACHU -website) 13 Hootsen, Herman, Building the GIS system, MACHU Report nr. 1, p. 39 (Amersfoort 2008) 14 Multibeam en Side Scan Sonar zijn akoestische technieken om het oppervlak van de waterbodem in kaart te brengen. 15 Zie hiervoor MACHU Report nr. 1, p. 36, (Amersfoort 2008). 16 Het wrak ligt dan wel buiten het Zweedse testgebied van MACHU , toch is het opgenomen in het GIS en de MACHU website vanwege de noodzaak om gegevens over de vindplaats te verzamelen, te vergelijken en te ontsluiten. 17 Een vervolgonderzoek staat voor september 2008 op de planning. 18 Aanvraag bij de EU binnen het 7de kader programma. Projectnaam WreckProtect. Uitsluitsel over de financiering wordt in de tweede helft van 2008 verwacht. 19 Zie hiervoor MACHU Report nr. 1 (Amersfoort 2008) of www.machuproject.eu/ testsite00.htm

5 KNA

20

Waterbodems 3.1 (zie www.sikb.nl). Het NOaA hoofdstuk (www.noaa.nl) voor de maritieme archeologie zal einde 2008 klaar zijn. In Uit Balans (P.A.M. Zoetbrood et al, Amersfoort 2006), een evaluatie van het in 2002 verschenen Archeologie Balans (R.C.G.M. Lauwerier & R.M. Lotte red., Amersfoort 2002), kwam heel duidelijk het gebrek aan kennis, maar vooral ook het gebrek aan aandacht dat de maritieme cultuur de afgelopen jaren gekregen heeft naar voren (http://www.archis.nl/AB2002). 6 De Nederlandse Onderwatersport Bond heeft alleen al 20.000 aangesloten leden en 290 duikverenigingen. (bron website NOB : www.onderwatersport.org). 7 Maasvlakte 1 en 2, Val 1460. 8 GIS viewer met extra GIS functionaliteiten. 8 Archis is in Nederland de centrale database voor het archeologisch erfgoed. ww.racm.nl/ content/xml_racm/project_%20archis_bron_ kennis_inspiratie.xml.asp 10 www.machuproject.eu 11 Zie ook De Nationale Onderzoeks agenda hoofdstuk 5 Luminescentiedatering, www.noaa.nl. Van zandkorrels (meestal veldspaat of kwarts) kan worden bepaald wanneer deze voor het laatst aan zonlicht zijn blootgesteld. Wanneer een zandkorrel wordt afgedekt vindt beschadiging van de atoomstructuur plaats. Die beschadiging kan worden gemeten. Hoe meer beschadigd des te langer de korrel afgedekt is geweest. Zodra de korrel weer wordt blootgesteld aan licht dan hersteld die structuur zich weer en staat in feite de klok weer op nul. 12 Het in MACHU uitgevoerde onderzoek vond plaats op het Burgzand Noord 10 wrak in de

25

Brouwers, Will en Oosting, Rob, The Burgzand Noord and The Banjaard in Zeeland, Introduction to the testareas in the Netherlands, MACHU Report nr. 1, pp. 11-13 Amersfoort 2008. 21 Vrieze, de, Wim en Overbeeke, Giel, Stranding en schipbreuk voor de Schouwse kust 1824-1999, Goes 2005. 22 Voor de beschermingsmethodiek zie: Manders, Martijn, 2005: Site 13. Burgzand Noord 3 (BZN 3) wreck, Wadden Sea, the Netherlands, in: Dr. René Klaassen (ed): Preserving cultural heritage by preventing bacterial decay of wood in foundation piles and archaeological sites. Final report EVK4-CT-2001-00043 Appendix 1, 55-64. 23 Op dit moment zijn in totaal 3 scheepswrakken onder water beschermd. 24 Manders, Martijn, ‘Preliminary results of the investigation into the ship construction of the BZN 10 wreck’, M o SS Newsletter, 4/2003, p. 6-8. Zie ook www.machuproject.eu 25 Manders, Martijn, ‘The Safeguarding of BZN 10’, M o SS Newsletter, 3/2004, p. 6-8. 26 Zie ook: www.machuproject.eu/wrecksites.htm 27 Zie www.racm.nl/content/xml_racm/ bronzen_bel.xml.asp en www.machuproject.eu/ wrecksites.htm 28 Dix, Justin & David Lambkin, Modelling sediment mobility to support the management of submerged archaeological sites, MACHU Report nr. 1. 29 Brouwers, W, The machu website: gateway to the European underwater cultural heritage p. 41, MACHU Report nr. 1.


M

MONUMENTENZORG

D. JELSMA

TA S K FO R C E TO E KO M S T K E R KG E B O U W E N

Hoe verder met de

e komende 10 jaar zullen minstens 1000 van de 4200 kerkgebouwen die de twee grootste kerkgenootschappen nog in gebruik hebben worden gesloten. Het gaat daarbij volgens cijfers van de kerken zelf globaal om 600 protestantse en 400 rooms-katholieke kerkgebouwen, en nog eens zo’n 120 kloosters. De hoeveelheid roerend erfgoed uit kerken en kloosters, die haar natuurlijke onderdak kwijtraakt, bestaat naar schatting uit ongeveer 160.000 objecten. Een mooie impressie om welke voorwerpen het daarbij gaat biedt de onlangs gepresenteerde Lexicon Religieus Erfgoed, van Mieke van Zanten. Een extra kwetsbare categorie vormen textilia en de religieuze kunst die geïntegreerd is in de religieuze gebouwen, zoals wandschilderingen, mozaïeken en glas-in-lood.

D Godshuizen in Nederland?

1 DE DOMINICUSKERK ALKMAAR UIT 1865 VAN P.H. J. CUYPERS, GESLOOPT IN 1985. OP DE PLAATS VERREES EEN WINKELCENTRUM; DE KLEINE HOEKTOREN WERD ALS AANDENKEN IN HET WINKELCOMPLEX VERWERKT.

FOTO J O B VA N N E S

De situatie van de kerkgebouwen in ons land vormt een bijzonder intrigerend vraagstuk. Ze toont haarscherp de kwetsbaarheid van waardevol erfgoed ten opzichte van maatschappelijke veranderingen. Terwijl de maatschappelijke verontwaardiging over de sloop van kerkgebouwen in de vorige decennia nauwelijks is weggeëbd, dient zich op dit moment een nieuwe sloopgolf aan. Die nieuwe golf wordt, naast het dalend aantal kerkleden, veroorzaakt door de fusie van de Hervormde, Gereformeerde en Lutherse kerk tot de Protestantse Kerk Nederland in 2004 en het actieve fusiebeleid in de Rooms-katholieke kerk.

26

Bij de opening van het Jaar Religieus Erfgoed in de provincie Noord-Brabant, op 17 maart jl., meldde de kerkhistoricus prof. Peter Nissen dat het jaar 2008 het historische faillissement markeert van het institutionele christendom in ons land. Een constatering waar niet iedereen blij mee zal zijn, maar die wel aansluit bij de cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau en de kerken zelf. Er is sprake van een maatschappelijk vraagstuk met een grote impact op de inrichting van onze omgeving. Het besef begint door te dringen dat Nederland een groot deel van zijn religieuze erfgoed dreigt te verliezen. Hierdoor valt ook het verhaal van de verschillende geloofsvisies, en hun rol in de samenleving, binnenkort niet meer uit de gebouwde omgeving terug te lezen. Juist nu het besef van het belang van de verhalende functie van erfgoed, als spiegel van de eigen geschiedenis, groeit. Dat betreft dan nog alleen de verhalen van de christelijke stromingen in ons land. Extra aandacht en respect verdient de situatie van de overgebleven synagogen in Nederland. Ook de ontwikkeling van de moskeebouw in Nederland blijkt een eigen verhaal te vertellen, zoals blijkt uit de publicatie Moskeeën in NL. Religieus erfgoed vertelt veel over een samenleving. Een belangrijke reden om er zuinig op te zijn. De dagelijkse praktijk in Nederland blijkt echter anders.

Impasse bij de grote christelijke kerken De grote christelijke kerken hebben de krimp van hun organisatie inmiddels als een onontkoombaar lot geaccepteerd. Ook al noemen


VITRUVIUS 2

NUMMER 5

OKTOBER 2008

S A M E N VAT T I N G De Nederlandse bevolking heeft zijn traditionele kerkelijke wortels goeddeels losgelaten. De komende 10 jaar worden zo'n 1000 kerkgebouwen en 120 kloosters gesloten en dreigt er een nieuwe sloopgolf. Tegelijkertijd is de belangstelling voor religie en voor religieus erfgoed groot. Is het mogelijk voor die gebouwen en de religieuze kunst- en cultuur een nieuw draagvlak te scheppen? Op dit moment wordt gewerkt aan een Strategisch Plan Religieus Erfgoed, dat in december aan minister Plasterk wordt aangeboden. Enkel een gezamenlijke inspanning van de betrokken partijen lijkt het behoud van het religieus erfgoed voor de toekomst mogelijk te kunnen maken.

3

4

veel Nederlanders zich religieus, men ziet geen reden meer om zich bij een geloofsgemeenschap aan te sluiten. Daarmee valt de traditionele bestaansgrond weg onder de religieuze gebouwen, als locatie voor de wekelijkse eredienst van een vaste groep gelovigen. Nieuwe initiatieven om de aanwezige gebouwen een bestaansgrond te geven ontstaan wel buiten de kerken, maar weinig vanuit de kerken zelf; ze stuiten soms zelfs op regelrechte tegenwerking van de kerkleiding. De vraag is of dit niet anders kan en of er in gezamenlijk overleg tussen kerken, overheden, corporaties en financiers niet veel meer vruchtbare coalities mogelijk zijn, die het erfgoed een nieuwe toekomstkans kunnen geven. Van diverse kanten wordt op de kerkelijke organisaties een appèl gedaan om mee te werken aan oplossingen voor het behoud van het religieus erfgoed. Kerkelijke organisaties blijken een weerstand te hebben tegen de term ‘religieus erfgoed’, omdat men liever niet als een historisch fenomeen gekarakteriseerd wil worden. Tegelijkertijd legt men weinig talent aan de dag om te reageren op nieuwe vormen van religieuze belangstelling in de samenleving. Fons Asselbergs (voormalig Rijksadviseur Cultureel Erfgoed) gaf op het symposium ‘Het Godshuis’

CLEMENSKERK HILVERSUM UIT 1914

op 1 december 2007, in de Sultan Ahmet moskee in Zaandam, de volgende gedachte mee voor het Jaar van het Religieus Erfgoed 2008: ‘Als kerkgebouwen geschikt zijn te maken voor de ombouw tot bibliotheek of archief, museum of theater, cultuurhuis of zorgcentrum, zijn zij dan ook niet geschikt te maken voor de vraag naar hernieuwde spiritualiteit?’ Op dit moment bieden de grote christelijke kerkgenootschappen op dit vraagstuk geen antwoord. Ze zijn meer naar binnen gericht dan naar buiten, lijken vermoeid door een interne richtingenstrijd – tussen orthodoxie en vrijzinnigheid – die doet denken aan de jarenlange richtingenstrijd in het onderwijs. Waar men in het buitenland vaak het gebouwde erfgoed als stijlvolle en gastvrije ontmoetingsplek met ‘het heilige’ gebruikt, ziet men in ons land vaak niet de waarde en mogelijkheden van de eigen tradities en het erfgoed. Kerkelijke beleidsstukken tonen een geïsoleerde denkwijze en intern gerichte afwegingen met betrekking tot de sluiting van gebouwen. De maatschappelijke mogelijkheden voor het behoud van het gebouwde erfgoed worden zelden in de afwegingen betrokken. Het kerkgebouwenbeleid verschilt overigens per katholiek bisdom en per protestantse gemeente. De

5 CHRISTOFFELKERK ALMELO UIT 1959, ARCHITECT

DOOR ARCHITECT J.W.A.VAN GILS.

HANS SLUIJMER. LAATSTE EREDIENST SEPTEMBER

SINDS 12 JAAR GESLOTEN VOOR PUBLIEK

2008. SLOOPVERGUNNING AFGEGEVEN AAN WONING-

EN VERWAARLOOSD, ONDANKS

CORPORATIE ST. JOSEPH. MOGELIJKHEDEN VOOR

RIJKSMONUMENTENSTATUS. GEMEENTE

HERGEBRUIK ZIJN NIET ONDERZOCHT.

EN BURGERS STREVEN NAAR BEHOUD EN HERGEBRUIK, BISDOM HAARLEM HOUDT EEN VOORKEUR VOOR SLOOP.

2 PORTAAL, MURAAL-GLASSCHILDERING VAN MAX WEISS UIT 1961. FOTO JANNEKE MONSHOUWER

3 EXTERIEUR 4 VAANDEL, VAN DE 'NED. RK BOND FOTO J E L S M A

VAN ARBEIDERS IN HET BAKKERSCACAO-CHOCOLADE EN SUIKERBEDRIJF', AFDELING HILVERSUM. FOTO MARJOLEIN SCHIPPER

27


M

VITRUVIUS

Protestantse Kerk van Nederland presenteerde op 9 juni een intern discussiestuk over de ‘Protestantse visie op kerkgebouwen’. De roomskatholieke kerk heeft per bisdom enkele notities uitgegeven.

Publieke belangstelling Terwijl men in de kerken nog praat over pijnlijke keuzes en noodzakelijke selectie, klopt het publiek al belangstellend aan de – vaak dichte – deur. De brede interesse van het Nederlandse publiek met betrekking tot erfgoed in het algemeen blijkt uit het onderzoek ‘Het bereik van het verleden’, in opdracht van het ministerie van OCW uitgevoerd. Die belangstelling is in vergelijking met andere landen groot. De speciale interesse in het religieuze erfgoed blijkt ook uit de bezoekersaantallen bij Open Monumentendagen en bijvoorbeeld de Open Kloosterdag. Nederland is geïnteresseerd in erfgoed en in religie. Maar de bezoekmogelijkheden van kerkgebouwen zijn maar heel beperkt en de informatievoorziening over het aanwezige erfgoed is afwezig of armzalig. De rijkdom aan educatieve aspecten van het religieus erfgoed blijft daarmee vrijwel onbenut.

NUMMER 5

OKTOBER 2008

De betrokkenheid van het publiek bij kerkgebouwen toont zich ook in de weerstand tegen de sloop. Of mensen nu wel of niet kerkelijk zijn, ze beschouwen de kerkgebouwen als dierbare markeringen in het landschap, als baken in de buurt en historisch ankerpunt. Uit het onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau ‘God in Nederland’ blijkt dat 78% van de Nederlanders aangeeft graag een kerkgebouw in de buurt te willen handhaven. Aan belangstelling ontbreekt het dus niet. De vraag is hoe die belangstelling zich vertalen kan in financieel draagvlak, zowel in het geval kerken hun oorspronkelijke bestemming behouden, als bij nieuwe manieren van behoud en gebruik. Op veel plaatsen in Nederland heeft de situatie rondom bedreigde kerkgebouwen al tot particuliere initiatieven geleid. In de vorm van een stichting wordt er een zelfstandig draagvlak gecreëerd om het kerkgebouw als stads- of dorpshart te kunnen laten voortbestaan. Soms met behoud van de kerkelijke functie. Deze constructie, waarbij het beheer van het kerkgebouw in handen is van een zelfstandige

6 RK PIUS X-KERK IN AMSTERDAM, UIT 1960 VAN ARCHITECT JAN VAN DER LAAN; SLOOP IN JUNI 2008. FOTO H E R M A N W E SS E L I N K

7 GLAS-INBETONRAAM BINNEN- EN BUITENZIJDE FOTO S J O B VA N N E S

28

stichting, wordt wel ‘het Hollandse model voor kerkgebouwen’ genoemd. Eenvoudig hebben deze stichtingen het niet. Er wordt van hen verwacht om een complex gebouw te beheren alsof het de huisvesting van een lucratieve onderneming zou zijn. Honderden vrijwilligers zijn vaak nodig om het geheel te kunnen laten functioneren. Interessant is dat die vrijwilligers vaak wel te vinden zijn. De binding met cultuur en erfgoed lijkt in dit tijdsgewricht eenvoudiger dan die met een kerkelijke organisatie.

Architectonische en kunsthistorische waarde Als gevolg van de verzuiling en de kloof die er tussen de kerkgebouwen en het niet kerkelijke publiek is gegroeid, is de samenleving zich niet bewust welke waarde en schoonheid de kerkgebouwen huisvesten en vertegenwoordigen; die is ook door de overheden vaak niet geïnventariseerd. De politieke scheiding tussen kerk en staat wordt door bestuurders ten onrechte gebruikt als een argument om geen verantwoordelijkheid voor het gebouwde religieus erfgoed te dragen. Vooral het naoorlogse erfgoed blijkt kwetsbaar en wordt in hoog


VITRUVIUS tempo met de grond gelijk gemaakt, nog voor het door de samenleving op waarde kan worden geschat. Waar vroeger de 50-jarengrens in de Monumentenwet een natuurlijke tijdbarrière vormde om het historische belang van erfgoed goed op waarde te kunnen schatten, blijkt die nu -met de huidige omloopsnelheid in de gebouwde omgeving- tot het onverwijld verlies van belangwekkend religieus erfgoed te leiden. Deze beleids- en verantwoordelijkheidsleemte levert een treurige lijst van verloren parels op, die zich voortdurend uitbreidt. Zoals bijvoorbeeld de Willibrordkerk in Almelo, met de wandschilderingen van Strawinsky en de Josephkerk in Vaals. In 2007 en 2008 werden diverse belangrijke Bossche Schoolvoorbeelden gesloopt, in juni 2008 nog de Pius X in Slotervaart van Jan van der Laan. Ook bestaat een acute sloopdreiging voor een aantal unieke bouwwerken van de Limburgse architect Fanchamps. Overheden zien hun verantwoordelijkheid hiervoor niet, of durven niet op te staan tegen de belangen van de kerkelijke eigenaar. Soms mist men hiervoor eenvoudigweg de personele of financiële capaciteit.

Religieuze gebouwen als sociale pijlers Kerkgebouwen zijn bij uitstek gemeenschapsgebouwen, in naoorlogse wijken zijn ze daar speciaal voor gebouwd. Ze hebben vaak een nevenfunctie als podium voor grotere schoolen muziekuitvoeringen of herdenkingsbijeenkomsten. Functies om zuinig op te zijn. Het is daarom van belang om te anticiperen op de sluiting van kerkgebouwen, en ze waar mogelijk en passend opnieuw een maatschappelijke rol te geven. Gemeenten kunnen hiervoor bijvoorbeeld d.m.v. planologisch beschermen de nodige ruimte scheppen. Daarbij kan zowel de erfgoedwaarde, als ook de sociaal-maatschappelijke of religieuze bestemming een rol spelen. Sociaal gezien heeft de huidige – door de marktwaarde van bouwgrond gedomineerde – sloopgolf van kerkgebouwen meerdere wrange kanten. Islamitische besturen moeten zich behelpen met geïmproviseerde gebedsruimtes, worden als kandidaat nieuwe gebruiker voor een leegkomend kerkgebouw geweigerd, of moeten het afleggen tegen kapitaalkrachtige ontwikkelaars. Voor christelijke migrantengemeenschappen vormt het tekort aan geschikte ruimte voor samenkomsten ook een structureel probleem. Nieuwbouwprojecten voor ‘kerkverzamelgebouwen’, zoals project De Kandelaar in de Bijlmer, komen van de grond door particuliere initiatiefnemers, maar hebben een bijbehorend nieuwbouwprijskaartje. Waarom worden bestaande kerkgebouwen niet voor dat doel verbouwd?

NUMMER 5

OKTOBER 2008

De Julianakerk in de wijk Transvaal in Den Haag werd dankzij een flinke investering door de gemeente in 2006 heropend als centrum voor informatie en ontmoeting voor alle wijkbewoners. Een eerder plan voor herbestemming tot moskee stuitte in de buurt op weerstand. Het huidige actieve gebruik door allerlei mogelijke bevolkingsgroepen blijkt een schot in de roos, en wordt door iedereen gewaardeerd. Interessant met betrekking tot het denken over de functie en betekenis van kerkgebouwen was het statement van de heer Husseler, in het tv-programma LUX van de IKON van 20-4-2008. Hij was vroeger dominee in de Julianakerk en is nu actief als vrijwilliger in het inloophuis in het kerkgebouw. Hij stelde: ‘Ik heb zelfs wel eens de indruk dat de kerk nu minstens zo goed functioneert naar zijn oorspronkelijke bedoeling. Vroeger was het toch meer een gesloten bolwerk’.

Anders organiseren en financieren Het behoud van kerkgebouwen vormt ook een financieel probleem. Vooral de instandhouding van grote monumentale kerken kost geld, en iemand moet dit betalen. De Roomskatholieke kerk is bijvoorbeeld 40% van haar hele begroting kwijt aan de instandhouding van haar gebouwen. Subsidie voor restauratie of onderhoud is vaak enkel mogelijk als er sprake is van een monumentenstatus. Bovendien is het aandeel eigen financiering daarbij gestegen tot 35%. Het gaat daarbij vaak om flinke bedragen, die loodzwaar rusten op de schouders van slinkende geloofsgemeenschappen. Overheden hanteren bovendien bij subsidies het principe ‘op-is-op’, veel kerkbesturen vissen gewoon naast het net, en staan dan weer alleen met hun kostenposten. De lastenverzwaring van de laatste jaren doet veel kerkbesturen besluiten tot de sloop van het ene gebouw, om het andere in stand te kunnen houden. Dit korte termijnbeleid levert een snelle afkalving van de religieuze gebouwde omgeving op. Directe financiële nood bij de kerkbesturen begrenst de ruimte voor het zoeken van tussenoplossingen, voor zover men daarvoor open staat. De diverse overheden denken bij de begroting voor erfgoed alleen nog aan een kostenpost, die niet te hoog mag oplopen. Ze realiseren zich niet dat het behoud van erfgoed en een goede zorg hiervoor, een directe economische waarde vertegenwoordigt, en dus wel een investering waard is. Dit wordt mooi geschetst in het recente onderzoek van Tom Bade en Gerben Smid: ‘Eigen haard is goud waard’. Cultuur

29

8 DE RK IGNATIUSKERK VAN ARCHITECT H.W.VALK UIT 1927, OP DE ROZENGRACHT IN AMSTERDAM, KREEG IN 1981 EEN NIEUWE BESTEMMING ALS TURKSE AL FATIHMOSKEE.

FOTO H E R M A N W E SS E L I N K

blijkt een belangrijke pijler in de economie en dat geldt ook voor religieus erfgoed. Dit kan heel direct een basis scheppen voor het behoud. Ondersteuning door fondsen en private partijen blijkt over de hele linie noodzakelijk, bij diverse kerkgebouwen wordt daar inmiddels meer ervaring mee opgedaan, om de financiering van de vaak kostbare restauraties, of de verbouwing voor nieuwe gebruiksmogelijkheden mee te kunnen bekostigen. Voor kerkgebouwen die, behalve één uurtje op zondag, verder gesloten zijn voor publiek, blijft het bouwen van maatschappelijk en financieel draagvlak echter een lastige zaak. Wellicht zou een landelijke organisatie voor Religieus Erfgoed, volgens het model van Natuurmonumenten, als vangnet een oplossing kunnen bieden, zoals nu op kleinere schaal al hier en daar gebeurt door provinciale oude kerkenstichtingen. Een landelijk fonds zou ook de publieke steun voor dit erfgoed kunnen kanaliseren. Slechts in enkele plaatsen in Nederland nam in de afgelopen decennia de gemeentelijke overheid structureel verantwoordelijkheid op zich voor een centraal gelegen kerkgebouw, om de instandhouding ervan mogelijk te maken. In Eindhoven en Bergen op Zoom werd de


M gemeente eigenaar en kreeg de kerkgemeenschap de rol van vaste gebruiker. Voorwaarde was dat daarnaast ook maatschappelijke activiteiten in het gebouw in overleg mogelijk zouden zijn.

Discussie over herbestemming De herbestemming van kerken blijkt onderwerp van een actieve publieke discussie. Ook al is de Nederlander niet of niet meer kerkelijk, hij heeft wel een mening over wat wel of niet ‘passend’ is in een kerkgebouw. De ontwikkelingen op dat gebied laten zich inmiddels lezen aan de hand van een mooie keur aan herbestemmingen. Voorbeelden die met belangstelling worden bekeken door de ons omringende landen, waar men ook steeds meer met leegkomende kerkgebouwen wordt geconfronteerd. Gedurende een aantal jaren was de herbestemming van kerkgebouwen tot wooneenheden een veel gekozen oplossing. Ontwikkelaars hebben hier ook nu nog vaak een voorkeur voor omdat het proces van herbestemming daarbij overzichtelijk is en de gegarandeerde opbrengst redelijk voorspelbaar. De herbestemming van kerken tot moskee vormde bij de eerste kerkgebouwengolf nog een acceptabele oplossing. De perikelen rondom de buitenlandse financiering bij de herbestemming van een kerk tot moskee in UtrechtOvervecht maakte een einde aan deze bereidheid bij de RK-kerkleiding. De Protestantse Kerk Nederland kent hierin geen formeel beperkend beleid. Bij de Nederlandse bevolking lijkt de weerstand tegen een dergelijke herbestemming parallel te lopen aan de angst voor islamisering. Een herbestemming tot tapijthal, supermarkt of partycentrum blijkt vaak ook tot onvrede bij het grote publiek te leiden. In grote lijnen is de maatschappelijke consensus over wat wel of niet passend is in een voormalig kerkgebouw inmiddels opvallend groot. Gewaardeerd worden herbestemmingen die op een fraaie manier recht doen aan de karakteristieken van het gebouw en die inhoudelijk aansluiten op de historische betekenis ervan, in dit geval dus het kerkelijke gedachtegoed. Het gaat dan om functies in de richting van zorg, cultuur, studie en maatschappelijke -niet commerciële- bijeenkomsten, of een combinatie daarvan. De wens om godsdienstige functies al of niet gedeeltelijk- te handhaven in kerkgebouwen lijkt de laatste tijd toe te nemen. De ruimte voor creatieve experimenten met nieuwe functies lijkt overigens gering. De herbestemming van kerkgebouwen blijkt ondanks de secularisatie nog altijd een gevoelige zaak. Het vinden van de meest optimale herbestem-

REMONSTRANTSE KERK IN GRONINGEN UIT 1883 WERD IN 2006 VERBOUWD DOOR 9 DE ARCHITECTE MORIKO KIRA VOOR EEN DUBBELFUNCTIE: MULTIFUNCTIONEEL BRUIKBARE KERKRUIMTE EN KANTOOR VOOR DE STICHTING OUDE GRONINGER KERKEN. FOTO OMKE OUDEMAN

ming heeft tijd nodig. Was de Dominicanerkerk in Maastricht, die al 200 jaar geleden haar religieuze functie verloor, jarenlang in gebruik als fietsenstalling, in 2007 kreeg het gebouw een nieuwe functie als boekhandel Selexyz en werden de oorspronkelijke schilderingen hersteld. In The Guardian werd de kerk begin dit jaar geroemd als de mooiste boekhandel ter wereld, ‘a bookshop made in heaven’.

Hoe verder met de kerkgebouwen in Nederland? Op dit moment is de situatie van kerkgebouwen dramatisch te noemen. Betrokken partijen geven blijk van tegengestelde visies en conflicterende belangen. Aandacht voor de aanwezige kansen is er nog amper. Vanwege de urgente situatie werd 2008 uitgeroepen tot het Jaar van het Religieus Erfgoed. Op verzoek van minister Plasterk wordt onder leiding van prof. Nico Nelissen werk gemaakt van een Strategisch Plan Religieus Erfgoed, dat op 11 december a.s., tijdens de slotbijeenkomst van het jaar, aan de minister zal worden aangeboden. De algemene vragen, zoals de verantwoorde-

30

lijkheid van de rijksoverheid, provincies en gemeenten op het gebied van de bescherming van het erfgoed, komen ook aan de orde bij het huidige proces van de modernisering van de monumentenzorg. Een centrale vraag hierbij lijkt of de gemeenten hun toegenomen verantwoordelijkheid op dit gebied aankunnen. Bij de actuele situatie van het religieus erfgoed vormt dit een extra prangende vraag. Oplossingen voor het behoud van religieus erfgoed zijn mogelijk, als de verschillende partijen de ingenomen stellingen durven los te laten en gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen. Van de diverse overheden mag extra inzet worden verwacht om een nieuw erfgoeddebacle te voorkomen. Nieuw beleid en extra financiering voor het religieuze erfgoed zijn nodig om ruimte te scheppen voor het behoud ervan. Van de institutionele kerken mag, gezien de omvang en aard van de problematiek, minstens enige souplesse en openheid worden verwacht. Om het behoud en voortbestaan van het religieus erfgoed, met de verhalen die ermee verbonden zijn, voor de toekomst mogelijk te maken.


VITRUVIUS Referenties Onderzoek – WRR-rapport: Geloven in het publieke domein, v.d. Donk, Jonkers, Kronjee en Plum, 2006 – ‘God in Nederland 1996-2006’, SCP 2007, Ton Bernts, Gerard Dekker en Joep de Hart. – ‘Het bereik van het verleden, ontwikkelingen in de belangstelling voor cultureel erfgoed’, SCP 2007, in opdracht van OC&W. Frank Huysmans en Jos de Haan – Gegevens van de kerken op www.kerkbalans.nl Kerkelijke uitgaven – ‘Tent van God’, Bisdom Rotterdam, 2001 – ‘Samenwerking geboden 2’, over de territoriale reorganisatie in het Bisdom Rotterdam, november 2007 – ‘Nieuw elan - Omgevende kerk in Alkmaar’, uitgave ter gelegenheid van het symposium ‘Hergebruik van monumentale kerkgebouwen met behoud van de religieuze functie’ door het Bisdom Haarlem in samenwerking met ingenieursbureau DHV, 2007 – ‘Kansen voor kerkgebouwen - Vragen & uitdagingen bij gebruik en herbestemming’, samengesteld door de Werkgroep Kerkbouw van de Protestantse Kerk in Nederland, o.l.v. dr. ir. Kees Doevendans, uitgave van de PKN, 2007 – ‘Maatwerk - Naar een passend huis voor de gemeente’, uitgave van de PKN, 2005 – ‘(Her)Kans voor je kerkgebouw - een handreiking bij het afstoten en hergebruik van kerkgebouwen’, auteur Ds.F.Z.Ort, brochure van het Protestants Dienstencentrum Gelderland van de PKN. – ‘Een protestantse visie op kerkgebouwen’, discussienota voor de Protestantse Kerk

De Task Force Toekomst Kerkgebouwen is een burgerinitiatief van leden met verschillende achtergrond en expertise, in 2006 opgericht uit onvrede met de massale sloop van kerkgebouwen. Navraag bij de toenmalige minister van OCW wees uit dat er bij het rijk geen enkel zicht was op het aantal kerkgebouwen in Nederland en op de omvang van de kaalslag in de voorgaande decennia. De Task Force is van mening dat behoud en hergebruik van dit maatschappelijk erfgoed vanzelfsprekend zou moeten zijn. De visie hierover is vastgelegd in

NUMMER 5

OKTOBER 2008

in Nederland, opgesteld door dr. Ton van der Lingen en ds. Hans Uytenbogaardt en gepresenteerd op 9 juni 2008. Te downloaden via www.pkn.nl. Algemeen – ‘Herbestemming van grote monumenten: een uitdaging!’, in opdracht van de Stichting Pandenbank Noord-Brabant samengesteld door een team van de Katholieke Universiteit Nijmegen, o.l.v. prof. Dr. Nico Nelissen, Den Bosch 1999. – ‘Het kerkgebouw in het postindustriële landschap’, publicatie die tot stand is gekomen op initiatief van de Werkgroep Kerkbouw van de PKN, redactie Kees Doevendans en Gertjan van der Harst. Uitgeverij Boekencentrum 2004 – ‘Heilige huisjes of cultuurtempels, erfgoededucatie en kerken’ -Jaarthemadag VBMK 2004 – ‘Toekomst voor Religieus Erfgoed in Noord-Brabant’, uitgave van het Monumentenhuis Brabant, 2005 – ‘Gebouwd op geloof - Monumenten van religie’, Ton H.M. van Schaik, uitgave van de Stichting Open Monumentendag, 2005 – ‘Quel avenir pour quelles églises?/What future for which churches?’, redactie Lucie K. Morisset, Luc Noppen & Thomas Coomans. Uitgave van de Presses de l’Université du Québec 2006. – ‘Meer geloof, minder kerk’, Joep de Hart, AO-reeks, 2006. – ‘De Julianakerk in Den Haag, een nieuwe toekomst voor een bijzonder monument’ - uitgave in opdracht van Stadsherstel Den Haag, 2006 – ‘Belvedere Nieuws over Religieus Erfgoed’, januari 2008, jaargang 12, nummer 32, gratis te bestellen of te downloaden via www.belvedere.nu.

– VNG-magazine januari 2008 ‘Help, de kogel gaat door de kerk’. – ‘Religieus erfgoed, geïllustreerd lexicon’ - Mieke van Zanten, Walburgpers 2008 – ‘Moskeeën (in) NL’, auteurs o.a. Sihan Bugdaci en Ergün Erkocu. Publicatie die in 2008 verschijnt, door CONCEPT0031 samen met het Stimuleringsfonds voor Architectuur, NAi uitgevers. – ‘Kloosters als religieus erfgoed, Bouwstenen voor een te voeren beleid’, Sjef Hendrikx, uitgave van Stichting Matrijs i.s.m. Konferentie van Nederlandse Religieuzen, 2008 – ‘Eigen haard is goud waard, Over de economische baten van cultuurhistorisch erfgoed’ -Tom Bade en Gerben Smid. Triple E Productions 2008. Te downloaden via www.belvedere.nu – ‘De Oude Kaart van Nederland: Leegstand en Herbestemming’ - Rijksadviseur voor het Cultureel Erfgoed, Atelier Rijksbouwmeester, Den Haag 2008 Media – Documentaire ‘Kerk te koop’ door Frans Bromet, uitgezonden bij NCRV Dokument, 21 en 28 januari 2008. – TV-uitzending LUX, IKON , 20-4-2008 – www.reliflex.nl – www.reliwiki.nl – www.religieuserfgoed.nl – www.2008re.nl – www.toekomstkerkgebouwen.nl

M EVR. D OOR J ELSMA adviseert en publiceert over de situatie van kerkgebouwen in Nederland, en maakt deel uit van de landelijke Task Force Toekomst Kerkgebouwen.

drukt dat ieder gebouw en iedere situatie om een eigen oplossing vraagt, en dat lokaal in overleg met alle betrokken partijen naar de beste oplossing voor het behoud moet worden gezocht. De Task Force constateert dat er maatschappelijk veel vraag is naar de mogelijkheden voor gebruik en hergebruik van kerkgebouwen, maar dat de condities voor het behoud van deze gebouwen, in de vorm van beschermend en stimulerend beleid, op dit moment nog grotendeels ontbreken. De Task Force neemt, naast religieuze en andere organisaties, deel

de 'Verklaring van Woudrichem', naar de plaats van oprichting van de Task Force. Hierin wordt gesteld dat bij herbestemming bij voorkeur moet worden gestreefd naar hergebruik zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke functie. Als een religieuze of bezielende herbestemming niet mogelijk is heeft hergebruik, waarbij een culturele of sociale maatschappelijke functie behouden blijft, de voorkeur. Ook particuliere herbestemming of langdurige leegstand is een mogelijkheid. Alle opties zijn beter dan sloop, want sloop is onomkeerbaar. De Task Force bena-

31

in de stuurgroep voor de totstandkoming van het Strategisch Plan Religieus Erfgoed en adviseert bij de totstandkoming van een Handreiking Religieus Erfgoed voor gemeenten. Daarnaast richt de Task Force zich vooral op bewustwording, steun aan burgerinitiatieven en het verstrekken van informatie aan bestuurders en kerken, die het behoud van kerkgebouwen ten goede kan komen. Meer informatie en de complete Verklaring van Woudrichem zijn te vinden op de website van de Task Force: www.toekomstkerkgebouwen.nl


M

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

Welk gebruik biedt religieuze gebouwen de meest duurzame toekomst?

Erfgoed op eigen benen, Te veel kerken en andere religieuze gebouwen staan op het moment leeg of worden zeer spaarzaam gebruikt. Ze vallen gemakkelijk ten prooi aan verval of vandalisme. Te vaak blijkt de huidige religieuze functie van het gebouw onvoldoende voor het behoud, ondanks publieke steun voor het overeind houden van deze vaak waardevolle objecten. In het Jaar van het Religieus Erfgoed wordt planvorming voor nevengebruik of herbestemming van religieuze gebouwen actief gestimuleerd met een prijsvraag.

Inspirerende plannen Op initiatief van het VSBfonds is door de stichting Jaar van het Religieus Erfgoed een prijsvraag uitgeschreven voor veelbelovende plannen van neven- of herbestemming van religieuze gebouwen. De prijsvraag stimuleert eigenaren en beheerders gericht na te denken over de mogelijkheden die hun gebouwen bieden voor nevengebruik of soms een totaal nieuwe functie. Met het instellen van deze prijsvraag voor plannen beogen het VSBfonds en de stichting Jaar van het Religieus Erfgoed te motiveren en te inspireren. Beide willen graag een actieve bijdrage leveren aan de instandhouding van beeldbepalende religieuze gebouwen. Ze zijn voor de maatschappij

O

belangrijk vanwege beleving en identiteitsverlening. De prijsvraag staat open voor alle eigenaren van religieuze gebouwen. Ook niet-eigenaren mogen plannen inzenden voor de prijsvraag, mits zij kunnen aantonen dat de eigenaar van het object het plan steunt. De betreffende panden hoeven geen monument te zijn, ook niet-beschermde objecten kunnen meedoen voor de hoofdprijs. De winnende inzending krijgt 100.000 euro voor de daadwerkelijke realisatie van het plan. De winnaars van de tweede en derde prijs ontvangen respectievelijk 50.000 en 30.000 euro.

Maatschappelijke meerwaarde Een deskundige jury onder leiding van mr. Frank Visser, de ‘rijdende rechter’ en lid van het comité van aanbeveling van de Task PAULUSKERK IN OEGSTGEEST: EEN GROEP ENTHOUSIASTE VRIJWILLIGERS KOCHT DE KERK VOOR EEN SYMBOLISCH BEDRAG. DE KERK IS NU IN GEBRUIK O.A ALS MUZIEKSCHOOL EN CULTUREEL CENTRUM.

TWEE VOORBEELDEN: DE PNIELKERK (BOVEN - 1954, AMSTERDAM-WEST) TOT VOOR KORT GEBEDSHUIS VAN DE GEREFORMEERDE KERK - NU INTERNATIONAAL CULTUURPODIUM, EEN HUISARTSENPOST, KANTOOR-, STUDIO- EN ATELIERRUIMTEN.

32

een prijs van het VSBfonds

Force Toekomst Kerkgebouwen, beoordeelt welke van de plannen het meest creatief is en het beste voldoet aan de gestelde criteria. De plannenmakers worden uitgedaagd om hun gebouw zo in te zetten dat er een publiek toegankelijke ruimte ontstaat. De nieuwe functie of het nevengebruik moet een positieve bijdrage leveren aan de directe omgeving. De plannenmakers worden zo geprikkeld om maatschappelijk verantwoord te ondernemen en sociale verantwoordelijkheid te nemen. Plannen zonder een duidelijke maatschappelijke relevantie maken minder kans op de eindoverwinning. De jury let daarnaast op de praktische en financiële haalbaarheid en de aard van eventuele bouwkundige ingrepen. De huidige kwaliteiten van het gebouw dienen gerespecteerd te worden. De jury selecteert uit alle inzendingen zes genomineerden, waaruit drie winnaars gekozen worden. Op 11 december worden de winnaars bekend gemaakt tijdens de slotmanifestatie van het Jaar van het Religieus Erfgoed. Om in aanmerking te komen voor een van de prijzen dienen deelnemers een plan in te dienen voor 1 november 2008. Inschrijvingsformulieren en een uitgebreide beschrijving van de criteria en indieningsvereisten zijn te vinden op www.2008re.nl/#/prijsvraag. De begeleiding en uitvoering van de prijsvraag is in handen van Jeroen Westerman, Jeroen Bootsma en Werner Weijkamp van de sector Cultuurhistorie van het Gelders Genootschap. Vragen over de prijsvraag kunt u sturen naar prijsvraag@2008re.nl of bel met het Gelders Genootschap 026-442 1742.


Recent Verschenen TITEL

AUTEUR RECENCENT UITGAVE D E TA I L S

Hendrick de Keyser – Architectura Moderna, Moderne bouwkunst in Amsterdam, 1600-1625 Koen Ottenheym, Paul Rosenberg, Niek Smit Henk Baas Uitgeverij SUN ISBN 978 90 8506 562 3, 224 pagina’s, gebonden, 22,5 x 33 cm, geïllustreerd. Prijs € 49,90

Vereniging Hendrick de Keyser, de landelijk werkende restaurerende instelling, vierde op 7 juni jl. haar 90-jarig jubileum. Ter gelegenheid van dit jubileum verscheen bij uitgeverij SUN het boek ‘Hendrick de Keyser – Architectura Moderna, Moderne bouwkunst in Amsterdam, 16001625’. Hendrick de Keyser was een van

gravures worden het meesterschap en de onuitputtelijke creativiteit van de bouwmeester getoond. Deze oudst bekende kunstenaarsmonografie in de Nederlandse taal is een uniek document voor onze kennis van de architectuur van deze periode. Deze nieuwe uitgave bevat een complete herdruk van het oorspronkelijke prentwerk. De inlei-

de belangrijkste Europese kunstenaars uit de zeventiende eeuw. In dit boek wordt zijn werk in een internationale context geplaatst. In 1631 verscheen in Amsterdam Architectura Moderna, een retrospectief gewijd aan de tien jaar daarvoor overleden stadsbeeldhouwer en architect Hendrick de Keyser. In een reeks van veertig

A D V E R T E N T I E

33

dende hoofdstukken geven een overzicht van leven en werk van Hendrick de Keyser, waarvoor alle beschikbare archief- en onderzoeksgegevens opnieuw tegen het licht zijn gehouden.


Vitruvius Forum

NUMMER 5

OKTOBER 2008

E E N R E ACT I E D O O R B A R T S LO OT E N O P D E TO E S P R A A K E N H E T A R T I K E L

molens altijd malen?

Moeten

VAN JOS BAZELMANS hr. Bazelmans begint zijn betoog met het aanhalen van twee exotische voorbeelden van de bouw van molens in Turkije en Japan, die hij in het kader van zijn vraagstelling naar wat echt is en onecht, terecht wegzet als fictief (Japan) en volksverlakkerij (vakantiepark met molen in Kemer, Turkije, figuur 1). De laatste term n.a.v. de internetpagina die gewaagt van gebouwd volgens zestiende-eeuwse Hollandse architectuur en geïnspireerd op Amsterdam en het vissersstadje Volendam. Het derde voorbeeld, de molens te Holland (Michigan) en Fulton (Illinois) beide in de VS (figuur 2), krijgt meer waardering van hem: ‘Het is duidelijk dat in beide gevallen een forse inspanning wordt geleverd om de kloof tussen onecht en echt te overbruggen. Er wordt bij de bouw van de molens gebruikgemaakt van oude materialen en Nederlandse ambachtslieden. Er is sprake van een plaatsing van de molens op historisch-significante plekken. En de molens worden in bedrijf gebracht door in Nederland opgeleide vrijwillige molenaars en de producten van de molen worden verkocht. Daar komt bij dat beide molens niet alleen deel uitmaken van een grotere historische omgeving met dijken, ophaalbruggen, traditionele Hollandse gebouwen en tulpenvelden, maar dat ze ook een vooraanstaande rol spelen in jaarlijkse festivals waarin het Nederlands erfgoed en de Nederlandse cultuur centraal staan’. We komen hierop later terug. Bezien we de standpunten van Bazelmans verder volgens de indeling van zijn toespraak.

D ORANGE COUNTY 1 HOTEL KEMER, TURKIJE

Restauratie begint met onderzoek

DE IMMIGRANT (IN AANBOUW 2 MOLEN 2000) FULTON, ILLINOIS (VS)

Hiermee kunnen we het volledig eens zijn. Als men bouwhistorisch onderzoek vooraf wil, lijkt ons dat alleen maar van meerwaarde. Hierbij moet echter wel de verhouding prijsresultaat in het oog gehouden worden. Het

34

Al enige tijd is er een (soms felle) discussie gaande naar aanleiding van de toespraak die prof. dr. J.G.A. Bazelmans van de RACM heeft gehouden op het RACM-symposium over molens op 10 oktober 2007 en die integraal is opgenomen in Vitruvius nummer 2, januari 2008.

moge duidelijk zijn, dat een poldermolen, driehonderd jaar gebruikt voor bemaling en bewoning, minder bouwhistorische verrassingen zal opleveren (er is immers niets aan de functies veranderd in die jaren) dan een gebouw dat door de loop der eeuwen heen vele functies en/of verbouwingen heeft gekend. Maar onderzoek (dat wel te allen tijde subsidiabel moet zijn wil het gemeengoed worden) kan waardevolle zaken aan het licht brengen en bijdragen aan een verantwoorde restauratie en eventuele reconstructie van het geheel. (Dit is overigens gebeurd bij de door Bazelmans aangehaalde molen te Etersheim: zorgvuldig gerestaureerd en gedeeltelijk gereconstrueerd volgens het oude bestek van 1886 en aan de hand van bouwsporen en wat de details betreft door het goede geheugen van de laatste bewoner die nog in het oude interieur heeft geleefd. Hij vormt zo thans een prachtig voorbeeld van een laatnegentiende-eeuwse binnenkruier met een zorgvuldig gerestaureerd interieur dat (mede dankzij bovengenoemde factoren en aanvullend kleuronderzoek) tot op detail kon worden teruggebracht. Deze constellatie levert een aanzienlijke meerwaarde op ten opzichte van de scheefgezakte, half afgezaagde gemoderniseerde stomp die er voordien stond).

Restauratie betreft conserverend herstel Ook hiermee kunnen we het eens zijn: onderhoud gaat boven repareren/conserveren, dit weer boven restaureren/vernieuwen en dit weer boven reconstrueren. Bruikbare onderdelen moeten bewaard blijven. Waardevolle onbruikbaar geworden onderdelen ook, maar dan ex situ. Een molen als werktuig onbruikbaar laten worden door niet


FORUM meer bruikbare onderdelen niet te vervangen, is het paard achter de wagen spannen. De molen zelf gaat er daardoor ook op achteruit, zoals hieronder verduidelijkt zal worden. Bij molens echter doet zich de moeilijkheid voor dat vele aan weer en wind blootgestelde onderdelen wel moeten worden vervangen na verloop van tijd omdat er anders letterlijk niks van over zal blijven. Het door Bazelmans aangehaalde voorbeeld van de potroedes uit 1871 van de molen te Nijetrijne is nu net zo’n klassiek voorbeeld dat behoud in situ (dus aan de molen zelf) onherroepelijk zal leiden tot het definitieve verlies van dit staaltje ambachtswerk. Handhaving aan de molen had tot twee dingen geleid: a. tot het al genoemde verlies van de roedes door de weersinvloeden (daar helpt echt geen conservering tegen op den duur: roedes – en dat weet de hele molenwereld – hebben nu eenmaal een soms lange, maar altijd beperkte levensduur en deze wordt aanmerkelijk verkort als regen en wind steeds op dezelfde plaats hun werk doen) en b. tot een molen die niet meer zou kunnen draaien door de steeds slechtere staat waarin de roedes zouden zijn komen te verkeren. Dus wat is er op tegen nieuwe te steken (want ons betreft weer volgens oud-model, dus ook geklonken) en de oude te bewaren als tastbaar voorbeeld van negentiende-eeuwse ambachtelijke ijzerklinkkunst? Dat is dan monumentenbehoud ten voeten uit: een malende molen en een onderdeel (de oude roedes) dat tot in lengte van dagen kan getuigen van het vakmanschap van vroeger. (Overigens was het proces van vervanging van houten roeden en bovenassen in de jaren vijftig van de twintigste eeuw al voltooid: een historische ontwikkeling, die voor de bovenassen werd ingezet in 1836 en voor

345

NUMMER 5

OKTOBER 2008

de roeden in 1852.) Conservering houdt echter niet in dat bijv. verdieping van poldermolens niet meer zou kunnen: de verdieping geeft een zinvolle continuering van het gebruik van de molen (en in dit geval zie je er bovendien niets van: alles zit permanent onder water). De manier waarop m.a.w. de zorgvuldigheid waarmee dit gebeurt, bepaalt de waardehandhaving van het monument, niet de handeling op zich. Dat geldt trouwens voor alle restauraties. Bovendien is verdieping een proces dat niet de laatste decennia is gebeurd met diverse molens, maar een proces dat al in de 18e eeuw begon en in 19e eeuw met kracht werd voorgezet en dus thans een historisch volkomen verantwoorde handeling is. ‘Restauratie betreft conserverend herstel...Alles ‘wat nodig is voor instandhouding, stopzetting van degradatie, en tevens datgene te doen dat nodig is voor het weer gezond maken en voor het toekomstig gebruik’. Dat is nu juist wat al die jaren gedaan is bij maalvaardig restaureren van molens. In dat licht gezien is er dan ook niets op tegen de Schermermolens weer hun water terug te geven dat ze 296 jaar hebben gehad en dat ‘pas’ 77 jaar was gedempt. Het weer open graven van de oorspronkelijke, voor de molens bedoelde na 1929 gedempte uitwateringen (en dus geen gegraven tochten), past uitstekend binnen deze doelstelling. Dit geldt mutatis mutandis ook voor verhoging. De molen Edens te Winschoten bijvoorbeeld is verhoogd om in zijn veranderde omgeving te blijven functioneren. Dit is behoud door ontwikkeling en een fase in het leven van het monument, een fase van de soort die t.a.v. vroegere veranderingen zo gewaardeerd wordt.

MOLEN VAN DE ETERSHEIMERBRAAKPOLDER

Verplaatsing Het verplaatsen van een monument is slechts bij zeer hoge uitzondering aan de orde. Waarschijnlijk zijn molens de categorie onroerende monumenten waarbinnen het meest is verplaatst (overigens al eeuwen voor ze tot monument werden verklaard). Maar anders dan bijv. een kerk die in een veranderde omgeving is komen te staan, maar zijn dominante positie (en wellicht zijn functie) heeft behouden, is bebouwing en beplanting tot dicht bij de molen een wezenlijke aantasting van het wezen en de werkzaamheid van het monument. De molen is bedoeld als werktuig en als hij in een nieuwbouwwijk verwordt tot element dat niet meer opvalt en niets meer kan, dan wordt het monument tekort gedaan. Dhr. Bazelmans maakt in dit verband een opmerking over de status aparte die molens zouden hebben als werkend monument. De bescherming van het interieur (het gaande werk) van een molen is anders dan bijvoorbeeld het interieur van de meeste monumentale woonhuizen sinds 1961 een wezenlijk onderdeel van de restauratiefilosofie geweest, maar die status aparte maakt wel de molen tot wat hij tot op de dag van vandaag is gebleven: een (veelal levend) monument van bedrijf en techniek, dus precies die functie waardoor hij mede het bewaren waard was en is. Overigens staan de molens hierin niet alleen: kerken worden vaak ook om hun interieur gewaardeerd en beschermd. Het moet monumentenbeschermers toch goed doen als een monument in gebruik blijft waarvoor het is gebouwd. En men kan toch blij zijn als er geen andere (soms wezensvreemde en vaak veel geld kostende)

FOTO ’ S : ( 3 ) P. G R U N D , 1 9 8 4 / ( 4 ) AG N E S O O M E N , 2 0 0 0 / ( 5 ) A R I E D E KO N I N G , 2 0 0 0

35


V itruvius Forum nieuwe bestemming moet worden gezocht, zoals dat bij andere categorieën monumenten vaak wel noodgedwongen het geval is. Vandaar dat er al sinds 1961 een onderhoudsregeling was voor werkende molens. Dit heeft niets met antimodernisme te maken, maar met optimale zorg voor belangwekkende cultuurmonumenten. Natuurlijk is een molen tussen de flats of ingeklemd tussen snelwegen, viaducten en spoordijken een gevolg van een historische ontwikkeling, maar het is niet de taak van de RACM mislukkingen op dat gebied te koesteren en te sanctioneren. Het schrikbeeld moet toch niet worden dat de RACM geen bezwaar heeft tegen windbelemmerende hoogbouw (want dat is voortgaande ontwikkeling) en een negatief advies afgeeft over een verzoek tot verplaatsing (want de veranderende planologische ontwikkeling moet zichtbaar zijn), terwijl niet meer draaien/malen niet zo erg is, daar dat toch al niet wenselijk was vanwege bescherming tegen slijtage. Het kan toch niet zo zijn dat een thans gangbare, theoretische restauratiefilosofie (die ook wel weer eens zal veranderen als je de geschiedenis bekijkt) belangrijker wordt gevonden dan het praktische en succesvolle resultaat van een halve eeuw molenbehoud. Het door Bazelmans aangehaalde voorbeeld van de spinnekop te Laag-Keppel (figuur 6) is inderdaad een ongelukkig voorbeeld van een verplaatsing: misschien in die tijd de enige oplossing tot behoud, maar daarom nog niet gelukkig. Er zijn echter heel wat voorbeelden te noemen van zorgvuldige verplaatsingen

6 SPINNEKOP MOLEN TE LAAG KEPPEL

NUMMER 5

OKTOBER 2008

waar de molen in een historisch verantwoorde omgeving (en vaak zelfs op een oude molenplaats) een zinvol nieuw bestaan heeft gekregen. En hier is de link met de door Bazelmans redelijk gewaardeerde verplaatsingen in Holland en Fulton: Er is sprake van een plaatsing van de molens op historisch-significante plekken. En de molens worden in bedrijf gebracht door in Nederland opgeleide vrijwillige molenaars... Het bewaken en bewaren van de molenbiotoop is vaak een ambivalente zaak: het gebeurt op grote en doeltreffende schaal, maar vaak wint de economie het van het ideaal. Een goed voorbeeld daarvan is de gang van zaken rond De Otter in Amsterdam.

Verlies De moed om goede oude dingen prijs te geven mag niet ontbreken. Een merkwaardig standpunt vanuit de RACM bezien. Natuurlijk houdt behoud potentieel verlies in zich, of zoals een wijze het eens formuleerde: ieder begin herbergt het einde in zich. Panta Rhei zeiden de oude Grieken al, en dat geldt ook voor het gebouwd erfgoed, maar dat hoeft niet te betekenen dat je willens en wetens het verlies maar moet accepteren. En het houdt ook zeker niet in dat je vernielingen uit het verleden moet koesteren als een behoudenswaardige fase uit het verleden. In het voorgaande is het al eens verwoord en hier met andere woorden nog maar eens: met de beste wil van de wereld is niet aan te geven welke meerwaarde de scheefgezakte en zonder oog voor het verleden inwendig gemoderniseerde, half afgezaagde molenstomp van Etersheim zou hebben gehad boven de zorgvuldig en zo authentiek mogelijk gerestaureerde complete

7 DE MOLEN IN WADENOIJEN

FOTO: RACM

36

molen die er nu staat. Of om het van een geheel andere hoek te benaderen: is de ondermolen van de Driemanspolder (anno 1903) minder authentiek dan zijn twee confraters van dezelfde polder uit 1672? (Overigens zijn de molens te Etersheim en zijn typegenoot te Katwoude, die indertijd ongeveer in dezelfde staat verkeerde, bezoekerscentra van de eerste orde geworden. Over levende, de bevolking aansprekende, in de samenleving geïntegreerde monumentenzorg gesproken.) En om dit door te trekken naar andere takken van monumentenzorg: kasteel Haarzuilens (indertijd toch echt niet gerestaureerd volgens de huidige normen) wordt voor miljoenen in stand gehouden, het uitgebrande kasteel Heemstede te Houten en het dito raadhuis van Oudewater worden weer in oude luister hersteld. Terecht overigens, maar geldt de moed om goede oude dingen prijs te geven dan alleen voor molens? Dat het opmerkelijk gevonden wordt dat nieuwbouwmolens e.d. gewoon figureren op de beide op internet beschikbare molen-databases (alsof men op iets onoorbaars is betrapt) is op zich opmerkelijk: ten eerste omdat het geen monumenten betreft (en ze dus buiten het zorggebied vallen) en ten tweede omdat ze wel degelijk authentiek zijn: het is een nieuwe categorie molens die om geheel andere dan economische, maar daarom niet minder valide en authentieke redenen zijn gebouwd. Aan de in de toespraak geconstateerde contra-intuïtieve toename van het monumentale molenbestand is na de laatste ronde van aanwijzing door de RdMz/RACM van molenrompen en -stompen een einde gekomen. Er zal dus aan molens die onder de monumentenwet vallen niets meer bijkomen. (Die toename werd trouwens mede veroorzaakt door het – terecht – toevoegen aan de lijst van een aantal windmotoren). Voor de ca. 500 molenrestanten is enkele jaren geleden rijksbeleid vastgesteld. De visie daarop is door de toenmalige RdMz duidelijk verwoord. De niet-beschermde restanten komen ook niet meer voor rijksbescherming in aanmerking en hoeven dus in dat verband geen punt van aandacht meer te zijn. Al tientallen jaren, zeker sinds de jaren zestig, kwamen er op de Rijksdienst rompen voor herstel af. Om redenen van externe zowel als interne aard is er uiteindelijk een rijksbeleid


FORUM

NUMMER 5

OKTOBER 2008

m.b.t. rompen en stompen vastgesteld. Dat resulteerde in de bescherming van een aantal rompen waarvan een deel de status ‘incomplete molen’ kreeg. Diezelfde Rijksdienst heeft vervolgens in haar Nieuwsbrief zwart op wit gesteld dat completering tot maalvaardige molen voor deze molens subsidiabel is. Deze beleidslijn moet o.i. voor deze aangewezen categorie ongewijzigd blijven. De burger moet kunnen rekenen op een consistent rijksbeleid. Komen we bij de conclusies van dhr. Bazelmans: – Wat zijn pleidooi voor inpassing van bouwhistorisch onderzoek betreft: hierboven is al gememoreerd dat dit zeer nastrevenswaardig is. – Bij verwezenlijking van de tweede conclusie op het vlak van de instandhouding van de materiële substantie van molens moet het ergste gevreesd worden voor het molenbehoud ook in fysieke zin. Als we zien dat zo’n 95% van het huidige monumentale molenbestand een bouwmassa heeft van vóór 1950, dan zou dat betekenen dat alleen de nieuwe molens (geen monumenten dus) onbeperkt zouden kunnen draaien en malen en alle andere óf voortaan een maalverbod krijgen óf een beperkte ‘vergunning’ tot malen ter wille van bescherming van zeldzaamheidswaarden tegen slijtage door te intensief gebruik. Niet alleen dood in de pot voor het behoud en de kennis van het vak van molenaar dat ternauwernood in de jaren zeventig aan de vergetelheid werd ontrukt door het Gilde van Vrijwillige Molenaars, maar ook een bedreiging voor de continuïteit van de vakkennis van de molenmakers voor het fysieke behoud van ons molenbestand, in het bijzonder die ten aanzien van het gaande werk. Het is al jaren en jaren bekend: een stilstaande molen slijt harder dan een malende (alhoewel het een contradictio in terminis lijkt, maar dat niet is). De invloed van weer en wind gaat door en zal bij een stilstaande molen meer invloed hebben dan bij een malende, doordat die steeds dezelfde kant de molen treft. In bewegende delen komt nauwelijks houtworm voor, in stilstaande wel. Het eerder genoemde voorbeeld van Nijetrijne moge dat duidelijk hebben gemaakt. *Op het vlak van verplaatsingen is bezinning ook aan de orde. In dit verband wordt de term verbannen gebruikt en wordt er gesproken over de musealisering van de steeds kleiner wordende groene ruimtes. Verbannen is slechts zelden aan de orde. In

8 GLAZEN OMHULSELS VOOR MOLENSTOMPEN UIT DELFSHAVEN. ‘

MOLENS’ 82, 6-7

het al genoemde geval van Laag-Keppel met zijn Friese spinnekop is dat wel het geval, maar dat is dan ook slechts een van de weinige gevallen van een minder geslaagde verplaatsing (maar toentertijd waarschijnlijk de enige mogelijkheid het molentje fysiek te redden). Zorgen over de vermeende musealisering van het platteland zijn o.i. overbodig en bovendien is deze term misplaatst. In weinig landen is het platteland zo verstedelijkt als hier en lijkt het platteland in zijn algemene verschijningsvorm (nieuwbouw, agrarische bedrijfsgebouwen, industrieterreinen e.d.) zo sterk op de meer verstedelijkte gebieden als in ons land. Er is op ons platteland heel weinig museaals te ontdekken op kleine gebiedjes als bijv. De Zaanse Schans en museumdorp Orvelte en nog wat van zulke speldeknoppen na. En wat is er nu mooier als er in dat ook door ruilverkavelingen qua verschijningsvorm al sterk geëgaliseerde platteland hier en daar een verplaatste molen staat? Hier ligt een goede mogelijkheid voor de RACM om de C van Cultuurlandschap in zijn naam waar te maken. Het grootste deel van de Nederlanders komt niet of niet vaak in de gebieden waar molens bij verplaatsing naar ‘verbannen’ worden. Dat valt in tweeërlei opzicht wel mee: van verbannen is geen sprake en in deze tijden van goede en snelle vervoersmogelijkheden trekken Nederlanders er in vakanties en in weekeinden massaal op uit om buiten de stedelijke gebieden te recreëren.

biotoop naar een open natuurgebied, zoals voorgesteld in Wadenoijen (figuur 7), is géén behoud door ontwikkeling zoals wordt gesuggereerd. De bijzondere, sculpturale, glazen verpakking die onlangs is voorgesteld voor twee molenstompen in Delfshaven (figuur 8) is dat wel. Zo’n initiatief is waardevol, omdat het onze gebruikelijke omgang met molens problematiseert en beschouwers de vraag laat stellen wat wel of niet acceptabel is in het kader van het behoud van molens. Ongetwijfeld zijn er manieren om de vraag naar ‘echt’ en ‘onecht’ die Barbara Visser zo pregnant stelde, ook blijvend te visualiseren in een onorthodoxe ‘restauratie’ van een molen(sic) of een molenstomp. Herstel in oude luister, hoe waardevol vaak ook, doet dat niet. Dit is waardevol? Ik zou de reacties in den lande wel eens willen horen als dit voorgesteld zou worden voor de Sint-Jan in Den Bosch of het Paleis op de Dam.

*Op het vlak van beeldvorming moet gepleit worden voor meer durf. Akkoord, maar daarna wordt gesteld: Verplaatsing van een molen met een slechte

B ART S LOOTEN is secretaris van de Stichting De Westfriese Molens en Molenstichting Zeevang.

37

En als men dan daarbij bedenkt, dat deze woorden worden uitgesproken vanuit de RACM , dan wordt het mij als monumentenliefhebber die al meer dan dertig jaar op vrijwillige basis actief bezig is de molens in hun oorspronkelijke staat aan het nageslacht door te geven, wel bang om het hart en bekruipt mij het gevoel waarvoor we dit dan de afgelopen tijd allemaal hebben gedaan, als inderdaad de RACM dergelijke wezensvreemde ‘restauratie’projecten als vernieuwend gaat omarmen.


Vitruvius Forum

NUMMER 5

OKTOBER 2008

E E N R E ACT I E D O O R J O S B A Z E L M A N S O P B A R T S LO OT E N E N B I J D R AG E N O P H E T P R I K B O R D VA N M O L E N . S TA R T PAG I N A . N L 1

Moeten molens altijd malen (2) ? oeten molens altijd malen? Mijn vraag aan het publiek van het RACM -symposium over molens (Den Haag, 10 oktober 2007 2) was niet retorisch bedoeld, zoals velen, en ook Bart van Slooten, lijken te veronderstellen. De vraag verdient (ook) voor mij geen beantwoording met een onvoorwaardelijk ‘nee’. Molens hoeven én moeten

M

niet stil (te) staan, een enkele hoogst monumentale en zeer waardevolle uitzondering daargelaten.3 Ik neem echter wel nadrukkelijk afstand van de eenzijdig positieve beantwoording die decennialang de norm is geweest in de zorg voor Nederlandse molens. In mijn betoog heb ik gepleit voor een gedifferentieerde aanpak, waarin de (on)vrijheid van handelen wordt gedefinieerd door de waarde

VERDIENT WAARDERING EN HET PREDICAAT ‘MONUMENT'? VAN HET STOOM1 WAT GEMAAL OP AFB 266 WORDT DE CULTUURHISTORISCHE BETEKENIS TEGENWOORDIG ALGEMEEN ONDERKEND. WAAROM GELDT DAT NIET VOOR DE ‘VERMINKTE’ WATERMOLEN VAN AFB 268 ALS TOONBEELD VAN EEN FASE UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE NEDERLANDSE MOLEN? COMPLETERING LIGT BIJNA HONDERD JAAR NA DATO NIET IN DE REDE. B L Z . 1 5 1 U I T H . V D K LO OT , 1 9 1 7 : B O U W K U N S T E TC . , A A N W E Z I G I N B I B L I OT H E E K Z E I S T

38

die ‘we’ toekennen aan een molen en zijn omgeving.4 Bij de RACM als het nationale kenniscentrum en de uitvoeringsorganisatie voor de monumentenzorg ligt de ‘natuurlijke’ verplichting zich uit te spreken over de relatie tussen waardestelling en de (on)mogelijkheden tot interventie in (wettelijk beschermde) monumenten.5 Mijn essay ‘Moeten molens altijd malen’ is bedoeld als een bijdrage aan de discussie over hoe onze omgang met een molen zich dient te verhouden tot de cultuurhistorische waarde ervan. Hoe komt in ons handelen tot uitdrukking dat er binnen het Nederlandse molenbestand sprake is van een rijke variatie in historische, technische en maatschappelijke zin? Het ligt voor de hand om daarbij, zoals van Slooten stelt, aan te sluiten bij wat in het verleden ‘heeft gewerkt’ – i.e. betekenisvol, succesvol en praktisch is geweest – maar er mag volgens mij geen sprake zijn van onkritisch, dogmatisch handelen, waarbij alle molens ‘op één hoop worden gegooid’. In meer algemene zin: hoe geven we ruimte aan het feit dat over de aard en omvang van ons erfgoed én de juiste omgang ermee veelal geen consensus bestaat? En aan het feit dat opvattingen over deze issues in de loop van de tijd veranderen? ‘Moeten molens altijd malen?’ is bedoeld als een poging om aan het begin van de 21ste eeuw – meer dan vijftig jaar na het verlies van het belangrijkste deel van de oorspronkelijke functionaliteit van wind- en watermolens – de uiteenlopende opvattingen van verschillende expertgroepen (wetenschappers, professionele en vrijwillige erfgoedzorgers, (vrijwillige) molenaars en molenmakers) en groepen leken (uit binnenen buitenland) over het behoud van onze molens op een zorgvuldige en op een toekomstgerichte wijze met elkaar te verbinden.6 Op mijn bijdrage ‘Moeten molens altijd malen’ is – met enkele en belangrijke uitzonderingen na – binnen de molenwereld overwegend negatief gereageerd.7 De vele reacties op het elektronische prikbord van molen.startpagina.nl en op molentoekomst.nl8 laten daar geen twijfel over bestaan. Mij was bijna de twijfelachtige eer gegund dat molens in Nederland in de rouw werden gezet.9 Ook de reactie van Bart van Slooten is kritisch en


afwijzend. Wat zijn de redenen? Ik zie er minstens vier. In de eerste plaats is men van mening ‘dat ik niet weet waar ik het over heb’.10 Dat is alarmerend omdat ik binnen de RACM een gezaghebbende positie inneem en invloed heb op het molenbeleid van de rijksdienst.11 In de vele reacties op het elektronische prikbord wordt in dit verband (soms met onverholen plezier) verwezen naar mijn achternaam. Ik kan de auteurs echter verzekeren dat deze niet is afgeleid van ‘bazelen’, volgens Van Dale ‘onsamenhangende taal spreken’ of 'onzin vertellen’. Ik hecht zelf aan de – wellicht apocriefe – verklaring dat ik afstam van 16de-eeuwse huurlingen uit het Zwitserse Basel. Op het prikbord werd – ‘what’s in a name’ – zelfs de vraag opgeworpen ‘bestaat die man wel echt of heeft ‘men’ hem verzonnen ten einde een discussie uit te lokken?’.12 Aan eenieder die dat wenst ben ik bereid me onder overlegging van mijn paspoort bekend te maken… Maar alle gekheid op een stokje: ik ben weliswaar geen molenliefhebber, (vrijwillig) molenaar of molenmaker, maar ik ben sinds mijn jeugd – eerst als amateur, later als professional – intensief betrokken bij de zorg voor een deel van ons erfgoed – het archeologische – en sinds een fors aantal jaren bij de professionele monumentenzorg. Ik ken de geschiedenis, de inhoud én de onvolkomenheden van de vigerende restauratiefilosofie in de (inter)nationale monumentenzorg maar weet tegelijkertijd , zoals ik in mijn artikel heb beschreven, waarom het (historisch) verklaarbaar is dat in het behoud van Nederlandse molens hiervan – vaak met goede reden – wordt afgeweken. Daarnaast heb ik een sociaal-wetenschappelijke, antropologische opleiding genoten die me in staat stelt een nauwkeurig beeld te vormen van de inhoud en samenhang van voorstellingen over de wereld, wat belangrijk of van waarde is en vormen van handelen. Hoe verhouden ideeën, waarden en gedrag zich tot elkaar? Deze invalshoek is volgens mij essentieel voor een respectvolle en positieve, doch kritische evaluatie van de vigerende omgang met de Nederlandse molens. Ik kom daar nog op terug. ‘Dat ik niet weet waar ik het over heb’ zou vooral blijken uit het feit dat ik niet weet of onderken dat molenbehoud juist gebaat is bij het laten draaien en malen van een molen.13 Rust roest! Eigenlijk kan men mij dit verwijt alleen maken als ik de vraag ‘moeten (monumentale) molens altijd malen?’ onvoorwaardelijk met ‘nee’ beantwoordt, en dat doe ik

MOLEN. BEDUM-ANNE DOORNBOSCH IS BEZIG MET DE RESTAURATIE VAN 2 HERSTEL EEN EEUWENOUDE MOLEN LANGS DE WEG TUSSEN BEDUM EN ONDERDENDAM IN GRONINGEN. DE MOLEN WORDT VOLGEND JAAR OP EEN PONTON HET DORP ONDERDENDAM BINNENGEVAREN EN DAAR VERVOLGENS GEASSEMBLEERD. COMPLEET MET MOLENSTENEN EN WIEKEN. – B I J S C H R I F T U I T C O B O U W 2 3 5 , 1 8 - 1 2 - 2 0 0 7 , R E D . MOLENBEHOUD OF MOLENBOUW? DE MOLEN HUNZINGO (MOLEN HAITSMA, 1855) IN HET GRONINGER ONDERDENDAM WERD IN 1939 TOT OP DE ONDERBOUW GESLOOPT. DE MOLEN WERD IN 2007 ECHTER WEER 'IN VOLLE GLORIE’ HERSTELD. DAARBIJ WERD GEBRUIK GEMAAKT VAN DE HOUTEN ACHTKANT VAN MOLEN SLAGHEKKE UIT HET OVERIJSSELSE RIJSSEN (ONTTAKELD IN 1942 EN GESLOOPT IN 1997). – BIJSCHRIFT JOS BAZELMANS, RED.

FOTO : J O S S C H U U R M A N , FOTO B U R E A U F P S - G R O N I N G E N .

niet. Uiteraard ben ik me bewust van het feit dat het laten draaien en malen in principe goed is voor een molen – Van Slooten beschrijft waarom – en dat de (vrijwillig) molenaar niet alleen draait en maalt maar tegelijkertijd ook zorg besteedt aan het onderhoud van de molen. Daar komt bij dat het voor werkende molens gemakkelijker is (financiële) middelen te genereren omdat zij – anders dan stilstaande molens – veel maatschappelijk draagvlak hebben. Maar bij dit verband dienen in mijn ogen een aantal kritische kanttekeningen geplaatst te worden. Volgens mij mag het geen ‘vrijbrief ’ zijn om cultuurhistorisch belangrijke molens te laten draaien en malen naar oorspronkelijke productieniveaus of naar de ‘tijd, zin en gelegenheid’14 van de vrijwillige molenaar. Maar, en dat is veel belangrijker, het mag ook geen rechtvaardiging zijn om op basis van hoge normen met betrekking tot draai- en (vooral) maal-

39

vaardigheid onderdelen te vernieuwen of te vervangen.15 Om het principe werkzaam te laten zijn, is het voldoende om een cultuurhistorisch waardevolle molen enkele tienduizenden in plaats van (vele) honderdduizenden omwentelingen per jaar te laten maken.16 Het gaat mij echter niet alleen – of in de eerste plaats – om het vermijden of uitstellen van slijtage door draaien of malen. Slijtage zal in de meeste gevallen beperkt van aard zijn, zeker in vergelijking met de slijtage waarvan sprake was in de hoogtijdagen van de molens. Wat belangrijker is: het principe mag niet de rechtvaardiging zijn voor ingrepen, wijzigingen en vervangingen die gericht zijn op het krampachtig herstel of de verbetering van de draaiende en vooral malende werking van de molen. Ingrepen die niet noodzakelijk zijn met het oog op een laagintensief gebruik dienen achterwege te blijven. Ik sta dus niet negatief tegenover het gebruik van molens


Vitruvius Forum maar wel tegenover handelswijzen die gebaseerd zijn op het idee dat een molen in de eerste plaats een machine is.17 Een monumentale molen is in mijn opvatting een cultuurhistorisch waardevol object, waarvan het behoud gediend is bij terughoudend gebruik en onderhoud. Deze terughoudendheid, en het vasthouden aan de aanwezige ‘bouwmassa’, is vooral ook gewenst omdat de huidige marktwerking het vernieuwen van onderdelen in de hand werkt: niet materiaal maar arbeid is immers tegenwoordig de kostenbepalende factor.18 Voor sommige lezers, en voor Van Slooten lijkt dit ook zijn te zijn, is het wellicht vreemd dat ik een sterke nadruk leg op een betrekkelijk klassieke vorm van waardestelling, waarin de authentieke bouwmassa een centrale rol speelt. Terwijl ik tegelijkertijd met mijn voorbeelden van nieuwbouw van molens in het buitenland suggereer dat de kwestie van ‘echt’ en ‘onecht’ minder met materiële authenticiteit en meer met overtuigingskracht te maken heeft.19 Het is hier niet de plaats om het complexe begrip authenticiteit uitvoerig te bespreken. Toch even dit. Zoals de bedrijfs- en marketingdeskundigen James Gilmore en Joseph Pine – de uitvinders van het begrip ‘beleveniseconomie’ – onlangs hebben laten zien is de beoordeling als echt of onecht van – in hun geval – een

NUMMER 5

OKTOBER 2008

bedrijf of een product door klanten geen eenvoudige zaak in het huidige postmoderne tijdsgewricht. Zij is afhankelijk van de beantwoording van de vraag of een bedrijf of een product ‘recht doet aan zijn wezen’ (‘is the offering true to itself ’) en of het ‘is wat het zegt dat het is’ (‘is the offering what it says it is’).20 Het gaat hier over de inhoud van en investeringen in de essentie, de aard, de herkomst en geschiedenis van een bedrijf en het product, over de missie en waarden van een bedrijf en over de wijze waarop dit alles tot uitdrukking komt in de bedrijfsnaam en -boodschap, het product, de plaatsen en vormen van ontmoeting met de klant en de reclame-uitingen en de huisstijl van het bedrijf. Ter verduidelijking van de situatie in de monumentenzorg of het molenbehoud kan voor product in mijn ogen ‘erfgoed’, ‘monument’ of ‘molen’ worden gelezen en voor klant, ‘publiek’ of ‘samenleving’. Ik schreef in mijn essay dan ook dat het in het molenbehoud niet alleen gaat om het behoud van de molen als object maar ook om de vertolking, bestendiging en publieke presentatie van het werk, de kennis, kunde en expertise, de producten, de waarden en overtuigingen van de molenaar en de molenmaker. Daar wordt door grote groepen vrijwilligers en professionals op en rond de molen en in een intensief contact met het publiek al lang en op een zeer intensieve en enthousiaste wijze

aan gewerkt. En blijkbaar op een ‘authentieke manier', i.e. met overtuigingkracht, gelet op de grote maatschappelijke waardering. Ik wijs dat niet af, maar waardeer dat.21 Mijn betoog draait er echter om dat het ‘spel’ nooit voltooid is en dat we iedere keer een grote inspanning moeten blijven leveren om in een steeds wisselend tijdsgewricht overtuigend over te komen. Volgens mij is het daarbij van groot belang om niet alleen stil te staan bij en vorm te geven aan de functionaliteit van de molen als de oervariant van de machine maar ook de lange gestolde geschiedenis – tot op de dag van vandaag! – van veel molens te laten voortbestaan.22 Tastbaar als deze is in patina, inscripties, reparaties, aantasting, beschadigingen: met andere woorden in onvolkomenheid. In deze symfonie spelen alle molens, ook incomplete molens, stompen en alles wat tot ver in de 20ste eeuw aan en rond molens is gebouwd, een rol. De tweede reden dat men afwijzend reageert op mijn bijdrage is dat men het interpreteert als een afwijzing van het vele werk dat in de twintigste eeuw is verzet in het kader van het behoud van de Nederlandse molens.23 In dit verband zou ik willen vragen om een zorgvuldige lezing van mijn artikel. Ik constateer namelijk dat in het molenbehoud van oudsher – sinds de jaren twintig en het ontstaan van de Vereniging de Hollandsche Molen –

EN DE 'AANVAARDING VAN HET HEDEN’. DE NIEUWE WINDTURBINE NIEUWKOMER (ZOETERWOUDE) 3 MOLENVERPLAATSINGEN STAAT SAMEN MET DE 17DE-EEUWSE WATERMOLEN ZELDEN VAN PASSE NAAST DE SNELWEG A4. FOTO : U I TG E V E R I J E D U C O M B V

40


FORUM een benaderingswijze dominant is geweest die pas in de loop van de jaren negentig in de internationale erfgoedzorg aandacht heeft gekregen. In de zorg voor de Nederlandse molen ging het, zoals hierboven al gezegd, niet alleen om het behoud van de authentieke bouwmassa (‘zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun volkskundige waarde’ 24) maar ook om het voortbestaan van de omvangrijke kennis en kunde van de molenaar en de molenmaker, dat wil zeggen om het behoud van immaterieel erfgoed25. Ik waardeer dat, zeker in een situatie waarin de overheid en de geïnstitutionaliseerde erfgoedzorg in Nederland zich nog nauwelijks met het onderwerp bezig houdt.26 Nederland beschikt niet over immaterieel erfgoed dat figureert op de UNESCO-lijst van werelderfgoed en heeft ook geen nominaties in voorbereiding. Het zou in mijn ogen een geloofwaardig en waardevol initiatief van de gezamenlijke molenorganisaties zijn om de ambachten van molenaar en molenmaker bij de Nederlandse regering voor te dragen als kandidaat voor een nominatie als werelderfgoed. Toch verdient mijn waardering voor het streven naar het behoud van de ambachten van molen en molenmaker een kanttekening. Voor het behoud van dit immateriële erfgoed is het inderdaad noodzakelijk dat molens blijven draaien en malen maar het mag in mijn ogen om bovengenoemde redenen niet betekenen dat molens met een geschiedenis die dieper reikt dan ca. 1950 vooral worden gezien als machines, waarvan de optimale werking absolute prioriteit verdient. Op basis van een aantal reacties op mijn essay, vermoed ik dat mijn pleidooi voor een meer terughoudende omgang met de aanwezige bouwmassa eigenlijk vele jaren te laat is gekomen. In het verleden is te veel onnodig verdwenen met het oog op een optimaal functioneren van de molen als instrument.27 De derde reden dat mijn essay ‘Moeten molens altijd malen?’ velen in het verkeerde keelgat is geschoten is mijn veronderstelde pleidooi om de meeste beschermde molens aan het gebruik door (vrijwillige) molenaars te onttrekken en ze ‘onder een stolp te plaatsen’ 28. Van Slooten spreekt in dit verband van de mogelijkheid dat de RACM een 'beperkte (gebruiks)vergunning’ verleent of zelfs overgaat tot een ‘maalverbod’. Zoals gezegd ben ik niet tegen werkende molens; ik pleit voor verschillende gebruiks-, (en vooral) onderhouds- en restauratieregimes die in overeenstemming zijn met de cultuurhistorische

NUMMER 5

OKTOBER 2008

waarde van de molen.29 In dat verband is de macht van de RACM overigens beperkt. Gebruik en onderhoud is een zaak van de eigenaar en restauratie een zaak van de gemeente.30 De vierde en laatste reden voor verzet tegen mijn stellingname is wellicht de veronderstelde be- en veroordeling van mijn kant van de motivatie van de betrokkenheid van molenaars, molenmakers en molenliefhebbers. In dit verband stoort Van Slooten zich bijvoorbeeld aan mijn kwalificatie van de 20steeeuwse zorg voor molens als ‘antimodern’. Ik moet erkennen dat het op dit moment ontbreekt aan een historisch-antropologische studie van de molenzorg in de 20ste eeuw in Nederland en dat een dergelijk oordeel een stevige argumentatie behoeft.31 De vroegste geschiedenis van het molenbehoud in Nederland maakt echter meteen duidelijk dat het molenbehoud van de laatste decennia in omvang, vorm en aard geen vanzelfsprekendheid is. Ieder tijdsgewricht kent zijn eigen vorm van en redenen voor molenbehoud. De Vereniging De Hollandsche Molen werd immers opgericht tot behoud van de molen in haar toenmalige economische functie. Ze was zelfs voor afbraak van molens die uit bedrijf waren geraakt. De vereniging liet daarom onderzoek doen naar verbeteringen die het de molen mogelijk zou maken te blijven concurreren met dieselen elektromotoren. Van deze – overigens vergeefse – toekomstgerichtheid is nu bij veel molenliefhebbers geen sprake meer, zoals ook uit de bijdrage van Van Slooten blijkt. Aan de ene kant heeft hij het verschillende keren over de waarde van het herstel van een oorspronkelijke situatie, de ene keer uit 1886 (de molen te Etersheim), de andere keer uit 1929 (de Schermer molens), over herstel naar ‘oud model’, over ‘het vakmanschap van vroeger’ en over zichzelf als ‘monumentenliefhebber die al meer dan dertig jaar actief bezig is de molens in hun oorspronkelijke staat aan het nageslacht door te geven’. Aan de andere kant over de ‘verwording’ die wordt bewerkstelligd door de bouw van een nieuwbouwwijk, over noodgedwongen ‘wezensvreemde en nieuwe bestemmingen’ van veel monumenten, over ‘de economie die het wint van het ideaal’, over ‘gemoderniseerde molenstompen’ (en modernisering is hier niet op te vatten als een positief proces, integendeel) en over ‘het geëgaliseerde platteland’. In zijn argumentatie – en hij is daarmee zeker niet uitzonderlijk binnen het debat over de monumentenzorg of het molenbehoud – speelt het contrast tussen

41

oud en nieuw, tussen vroeger en nu, tussen traditioneel en modern, tussen ambacht en industrie en tussen (culturele) waarde en economie dus een vooraanstaande, normatieve en dwingende rol. Dat is alleszins begrijpelijk met het oog op de enorme veranderingen in onze samenleving en ruimte, maar niet vanzelfsprekend en wellicht ook niet wenselijk. Onlangs – naar aanleiding van het debat in Nederland over de historische canon – betoogde de schrijfster Nelleke Noordervliet – mijn inziens terecht – dat er niets mis is met belangstelling voor het (eigen) verleden maar dat men op moet passen voor nostalgie: ‘nostalgie als angst: belangstelling voor het verleden niet omdat men zich ermee verbonden voelt maar omdat men bang is ervan gescheiden te raken’ in een zich globaliserende en steeds complexer wordende wereld.32 Het verlangen wordt dan zo sterk dat het heden vervaagt en onleefbaar wordt.33 Volgens Noordervliet is het mogelijk om in de omgang met het verleden nostalgie te vermijden door ‘het heden te aanvaarden, het hier en nu als plaats van ons handelen te zien, in de rug gesteund door onze kennis van de geschiedenis en gericht op de toekomst’. Zowel mijn pleidooi om tot uitvoering te komen van de glazen omhulsels van de beide molenstompen in Delfshaven34, mijn pleidooi om goede oude dingen soms prijs te geven35, als mijn vrij principiële verzet tegen completeringen en verplaatsingen zijn te begrijpen tegen de achtergrond van Noordervliets ‘aanvaarding van het heden’. Bijzonder spannend als het gaat om de discussie over molenverplaatsingen is het feit dat op dit moment twee tentoonstellingen te zien zijn over het Nederlandse landschap: De ontdekking van Nederland (CODA Museum. Apeldoorn) 36 en Nature as artifice (KröllerMuller Museum, Otterlo) 37. De eerste tentoonstelling, samengesteld door Henk van Os, toont ons in veertig geschilderde landschappen de schoonheid van het Nederlandse landschap. Op een reeks van schilderijen spelen molens een prominente rol.38 Alle schilderijen, met uitzondering van de laatste39, tonen ons landschappen die door de huidige beschouwers mooi worden gevonden. Het zijn ook de landschappen waarvan we het vanzelfsprekend vinden dat molens er op figureren; zij zijn het zelfs die het landschap extra cachet geven. Van Os waarschuwt ons in de inleiding op de catalogus echter ervoor dat er geen sprake was van een natuurlijke schoonheid of van een artistieke weergave van wat al mooi werd gevonden. Nee, ‘kunstenaars zijn ons voorgegaan en hebben


Vitruvius Forum de schoonheid in het landschap voor ons ontdekt’.40 In een reeks van voorbeelden laat Van Os zien hoe kunstenaars – in Nederland al heel vroeg en heel systematisch – door de eeuwen heen de beleving van natuur, landschap en schoonheid hebben vormgegeven. Dit inzicht maakt het mogelijk om het (ongemakkelijke) uitgangspunt te kiezen dat ten grondslag heeft gelegen aan de tweede tentoonstelling. De makers van de tentoonstelling nemen afstand van zowel het idyllische rurale beeld van de gevestigde landschapsschilderkunst, zoals te zien op de eerste tentoonstelling, als van het populaire beeld van het Nederlandse platteland-schap, zoals te zien in een collage van toeristische internetfoto's in de begeleidende catalogus.41 Volgens de samenstellers is Nederland in de afgelopen decennia sterk veranderd: het boerenbedrijf maakte plaats voor nieuwe steden, bedrijventerreinen, infrastructuur en voorzieningen voor recreatie. Nederland maakt juist furore met de systematische en ingrijpende wijze waarop men het landschap opnieuw vormgeeft. De tentoonstelling gaat daarom bewust op zoek naar de kunstenaars die in fotografie en video het nieuwe, hoogst kunstmatige karakter van het Nederlandse landschap als uitgangspunt kiezen. Dat leidt tot nieuwe beelden van schoonheid die wezenlijk afwijken van die van de gevestigde landschapsschilderkunst of van die van het ‘grote publiek’. Molens zijn in deze tweede tentoonstelling veel minder prominent aanwezig, met uitzondering van de inbreng van video-kunstenaar Arnoud Holleman (1964).42 In zijn project Nieuwkomer maakt hij studie van de Westeindse polder in Zoeterwoude, de standplaats van de 17de-eeuwse grondzeiler Zelden van Passe (op vijftig meter van de drukke A4), maar ook van twee nieuwe, honderd meter hoge windturbines. In vijftien korte videorapportages en in gesprek met alle betrokkenen verkent hij de vraag ‘waarom het hier is, zoals het is’. Hij betreedt een ‘arena van tegengestelde belangen’, waarin ‘toekomstgerichte innovaties het op moeten nemen tegen historische argumenten’ en waarin ‘het tegenargument altijd dichtbij is’. Voor de een is de uitkomst ‘een toonbeeld van verrommeling', voor de ander het succes van het poldermodel waarin ‘contrastrijke schakeringen harmonieus en functioneel naast elkaar bestaan’. Het is in mijn ogen interessant om te spelen met de gedachte dat we hier te maken hebben met de ontdekking en articulatie van nieuwe landschappelijke schoonheid,43 maar zover hoeven we (nog)

NUMMER 5

OKTOBER 2008

niet te gaan. Wat wel in de rede ligt is ons af te vragen of onze wens tot molenverplaatsingen werkelijk bepaald worden door de behoefte aan een verbetering van de biotoop of dat onbewust meespeelt dat we vinden dat molens eigenlijk alleen maar een plek behoren te hebben in een arcadisch landschap44. Een landschap, of een thuis?, dat niet meer bestaat.

Nederland, Den Haag. – Visser, W. (2006-2007): Vormgeving van fictie. Barbara Visser in Museum De Paviljoens in Almere, Kunstbeeld 12 (1), 32-35. – Wezel, G. van, 1976: Het restaureren van molens, Zeist (ongepubliceerde notitie). – Wezel, G. van, 1995: De bescherming van windmolens gezien vanuit een molenbouwhistorische invalshoek, Zeist (ongepubliceerde notitie).

__________________

Literatuur – Bakker, J.S., 2007: Molenherstel en monumentenzorg? Restauratie-ethiek: Salomo plus Simson, Molenwereld 10 (1), 22-31. – Bazelmans, J. 2008: Moeten molens altijd malen? Vitruvius 1 (2), 10-20. – Dumas, C., en L. Endedijk, 2007: Meesters en molens. Van Rembrandt tot Mondriaan, Zwolle. – English Heritage, 2008: Conservation principles. Policies and guidance for the sustainable management of the historic environment, s.l. – Fleerman, B., 2005: Bilder des Abschieds. Zum kulturellen Umgang mit Mühlen in der Moderne, Rheinisch-westfälische Zeitschrift für Volkskunde 50, 31-48. – Gilmore, J.H., en B.J. Pine II, 2007: Authenticity. What consumers really want, Boston. – Groen, P., 1994: Hoe molens restaureren? De Molenaar 97 (14), 27-28. – Heuvel, M. van den, 2008: Nature as artifice, in M. van den Heuvel en T. Metz, 2008: Nature as artifice. New Dutch landscapes in photography and video art, Rotterdam, 8-19. – Heuvel, M. van den, en T. Metz, 2008: Nature as artifice. New Dutch landscapes in photography and video art, Rotterdam. – Holleman, A, 2008: Nieuwkomer, in M. van den Heuvel en T. Metz, 2008: Nature as artifice. New Dutch landscapes in photography and video art, Rotterdam, 244-255. – Laarse, R. van der, 2005: Bezeten van vroeger. Erfgoed, identiteit en musealisering, Amsterdam. – Metz, T., 2008: Beauty is not the issue, in M. van den Heuvel en T. Metz, 2008: Nature as artifice. New Dutch landscapes in photography and video art, Rotterdam, 90-97. – Noordervliet, N., 2007: Nostalgie maakt het heden onleefbaar, De Volkskrant. Forum, 22 oktober 2007, blz. 8. – Os, H. van, 2008: De ontdekking van Nederland. Vier eeuwen landschap verbeeld door Hollandse meesters, Rotterdam. – Stam, D., 2006: Immaterieel erfgoed in

42

Graag wil ik Bart van Slooten bedanken voor zijn eerlijke en kritische reactie. Het biedt mij de gelegenheid mijn betoog te verduidelijken en te reageren op de vele schriftelijke reacties die ik heb gekregen en op de meer of minder genuanceerde en meer en minder hoffelijke reacties op het prikbord van de speciale startpagina voor molens (molen.startpagina.nl/prikbord). De reacties op het nieuwe forum www.molentoekomst.nl van de Vereniging De Hollandsche Molen laat ik in deze bijdrage nog buiten beschouwing. In mijn gedachtevorming over het Nederlandse molenbehoud heb ik kunnen profiteren van het initiatief van de Vereniging De Hollandsche Molen en haar blad Molens om mij in een reeks van interviews te confronteren met de uiteenlopende opvattingen van mensen werkzaam binnen het molenbehoud (zie Molens 89, 6-7 en Molens 90, 6-7). Ik wil Leo Endedijk en Ed van Gerven daarvoor hartelijk bedanken. Peter Nijhof (RACM) maakte me attent op afbeelding 2. Tot slot geldt een woord van dank voor Jan van ’t Hof (RACM), met wie ik in maart 2008 op het congres Between objects and ideas. Re-thinking the role of intangible heritage (The 4th annual Ename international colloquium), een lezing mocht verzorgen over het Nederlandse molenbehoud. Hij maakte me ook attent op afbeelding 1. 2 Bazelmans 2008. 1

Vergelijk molen.startpagina.nl/prikbord, André Koopal, 4 mei 2008. 4 Vergelijk Bakker 2007 voor een gelijkluidende invalshoek. 5 Vergelijk English Heritage, 2008. 6 Ik gebruik hier bewust het begrip ‘oorspronkelijke functionaliteit’ en bijvoorbeeld niet ‘economische betekenis’ omdat molens ook in het huidige tijdsgewricht een groot economische belang vertegenwoordigen (cf.molen.startpagina.nl/prikbord, Jaap van Driel, 26 februari 2008). Zo komt volgens Jos Vranken, directeur van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen, ‘van de elf miljoen buitenlanders die jaarlijks ons land aandoen, één miljoen expliciet voor molens en tulpen’ (geciteerd in De Stem. Editie Ablasserwaard, 26 maart 2008, 1). ‘Molens en tulpen’ zijn 3


FORUM daarmee verantwoordelijk voor ca een half miljard aan toeristische bestedingen van buitenlanders in Nederland (zie Kerncijfers Toerisme en Recreatie 2007, tabel Bestedingen en werkgelegenheid toerisme en recreatie in Nederland in 2006). Waar ik mij over verbaas is dat er nog steeds geen meer ingenieuze en toereikende vormen zijn gevonden om de kosten en de baten van het molenbehoud bij elkaar te brengen, bijvoorbeeld zonder interventie van de staat en zonder subsidie uit de cultuurbegroting van de staat. 7 Een uitzondering wordt algemeen gemaakt voor mijn pleidooi voor meer en beter bouwhistorisch onderzoek. Toch heb ik het idee dat velen niet volledig doordrongen zijn van de motivatie van mijn pleidooi en ook de reactie van Van Slooten geeft mij aanleiding tot dat oordeel. Hij spreekt namelijk van bouwhistorisch onderzoek als een ‘meerwaarde’. Nee, bouwhistorisch onderzoek is niet iets extra’s; het is de enige basis om te komen tot een goede waardestelling. En de waardestelling dient op haar beurt de grondslag te zijn voor het gebruiks-, instandhoudings- en restauratieregime. Bouwhistorisch onderzoek gaat niet alleen over het verkrijgen van inzicht in (de geschiedenis van) het technisch functioneren van een molen maar vooral ook over de aard, staat, uitvoering en datering van de verschillende samenstellende delen en hun geschiedenis in onderlinge samenhang. De eerste zienswijze op bouwhistorisch onderzoek lijkt vooral het product te zijn van de opvatting dat een molen in de eerste plaats een machine is die weer moet draaien; de tweede geeft uitdrukking aan het feit dat monumentale molens cultuurhistorisch waardevol zijn. Molentoekomst.nl is een initiatief van Vereniging De Hollandsche Molen. De discussie op het forum wordt gezien als een belangrijke bijdrage aan een visiedocument van het bestuur van de vereniging over de toekomst van het molenbehoud. 9 Molen.startpagina.nl/prikbord, Karel en Maarten Dolman, 26 mei 2008. 10 Al de eerste reactie op het molen-prikbord (molens.startpagina.nl/prikbord, Jan Hofstra, 4 december 2007) had deze strekking. 11 De burger moet inderdaad, zoals Van Slooten stelt, kunnen rekenen op consistent rijksbeleid. De RACM handelt daarom tot op de dag van vandaag conform het molenbeleid zoals dat in 2000 is vastgesteld. De dienst is echter van plan in het voorjaar van 2009, met inbreng van de diverse relevante ‘spelers’ binnen en buiten het molenveld, een nieuw molenbeleid vast te stellen. 12 Molen.startpagina.nl/prikbord, Leo Middelkoop, 3 mei 2008. 13 Bijvoorbeeld molen.startpagina.nl/prikbord, Jan Hofstra, 4 december 2007; brief van Jan Hofstra d.d. 15 januari 2008 en molen.startpagina.nl/ prikbord, Tim Dreessen, 24 en 25 februari 2008. 14 Molen.startpagina.nl/prikbord, Rob van Zijl 8

NUMMER 5

OKTOBER 2008

(‘De Wilde Westlander’), 27 mei 2008. 15 Ik dank Paul Groen (brief d.d. 20 december 2007) en Dick Zweers voor informatie die mij in staat heeft gesteld dit punt te verduidelijken. 16 Ik maak hier dus op hoofdlijnen een onderscheid tussen de buiten- en binnenkant van een molen. Veel uitwendige onderdelen hebben een korte vervangingstijd en de vigerende restauratiefilosofie staat niet onwelgevallig tegen vervanging van deze delen (zie bijvoorbeeld English Heritage 2008, 8 (‘periodic renewal’). Voor oud binnenwerk ligt dat principieel anders. 17 Vergelijk molen.startpagina.nl/prikbord, Peter van Kuik, 26 februari 2008 (‘We vernieuwen maar klakkeloos alles wat er niet puntgaaf uitziet’). 18 Voor de Tweede Wereldoorlog was dit precies omgekeerd. Veel molens laten dan ook een zeer creatief hergebruik van materiaal zien. Met dank aan Dick Zweers (Bergeijk), die mij dit op een prachtige wijze liet zien voor de molen van Zeddam. Zie ook molen.startpagina.nl/prikbord, Wim Herrewijnen, 29 mei 2008 (‘Restaureren is duurder dan nieuw’). Herrewijnen stelt mijn inziens terecht dat de keuze tussen restaureren en vernieuwen een zaak is voor de opdrachtgever (en zijn adviseur). Deze valt vaak in het voordeel van vernieuwen uit, niet omdat molenmakers daar de voorkeur voor hebben, maar om kostentechnische redenen. Zie ook Groen (1994). Hij wees op het verband tussen de aanwezigheid van geld en de verleiding om restauraties onnodig diepgaand aan te pakken. Visser 2006-2007. Pine en Gilmore 2007, 96-98. 21 In tegenstelling tot die gevallen waar een geloofwaardige inspanning à la Pine en Gilmore niet wordt geleverd zoals bij de bouw van de molen in Kemer, Turkije (Bazelmans 2008, 11). 22 Voor Pine en Gilmore zijn oorsprong en geschiedenis (‘heritage’) cruciaal in vormgeving van authenticiteit (2007, 121-123). 23 Zo bijvoorbeeld molen.startpagina.nl/prikbord, Tim Dreessen, 24 februari 2008. 24 Monumentenwet 1961, art. 1b. 25 Onder immaterieel erfgoed wordt verstaan: ‘de gebruiken, de voorstellingen, de expressie, de kennis en vaardigheden – inclusief de bijbehorende instrumenten, voorwerpen, artefacten en ruimtes – die gemeenschappen, groepen en, soms, individuen erkennen als onderdeel van hun cultureel erfgoed’ (www.unesco.nl/node/49). Zie Stam 2006 en www.unesco.org/culture/ich/index.php?lg= EN&pg=home. 26 In de academische wereld ligt dit anders; zie bijvoorbeeld de verschillende bijdrages in Van der Laarse 2005. 27 Van Wezel 1976 en 1995; op het electronische prikbord bijvoorbeeld molen.startpagina.nl/ prikbord, Tim Dreesen, 25 februari 2008 en molens.startpagina.nl/prikbord, Peter van Kuik, 19 20

43

26 mei 2008. 28 Zo bijvoorbeeld molens.startpagina.nl/ prikbord, Aad Schouten, 9 maart 2008. 29 Cf. Bakker 2007. 30 De gemeente als vergunningverlener ex art. 11 van de Monumentenwet 1988: vergunningen tot wijziging, afbraak of verwijdering. 31 Voor Duitsland is het antimoderne karakter van een belangrijk deel van het molenbehoud in de decennia tussen ca 1920 en 1970 beschreven door Fleerman 2005 (met dank aan Sophie Elpers (Meertens Instituut) die mij op dit artikel attent maakte). 32 Noordervliet 2007. 33 Voor een beschrijving van vormen van ‘Kulturnostalgie’ in de hedendaagse Duitse molenzorg, zie Fleerman 2005, 44-46. 34 Molens 2006 (82), 6-7. Dat mijn enthousiasme voor het aanbrengen van de glazen omhulsels bij de molenstompen van Delfshaven zou betekenen dat ik dergelijke initiatieven ook toelaatbaar vind als het gaat om de Bossche St. Jan of het Paleis op de Dam, zoals Van Slooten stelt, is natuurlijk onzin. In mijn benadering is er immers een directe relatie tussen de waardestelling en de (on)mogelijkheden tot interventie. Overigens heb ik in mijn lezing of essay deze stelling nergens expliciet betrokken als het gaat om onze omgang met molens. Ik heb alleen geconstateerd dat de vigerende erfgoedfilosofie uit 1991 stelt dat ‘de moed om oude dingen prijs te geven’ niet mag ontbreken en dat ik geen voorbeelden van deze ‘moed’ kon vinden in de praktijk van de molenzorg. 36 Van Os 2008. 37 Van den Heuvel en Metz 2008. 38 Zie ook Dumas en Endedijk 2007. 39 Het laatste schilderij is van de hand van Henk Chabot en toont ons de inundatie van het land rond Rotterdam in 1944. 40 Van Os 2008, 11. 41 Van den Heuvel 2008, 10. Het is opmerkelijk dat op negen (!) van de elf toeristenfoto’s één of meerdere molens te zien zijn. 42 Holleman 2008. Het werk is te raadplegen op www.nieuwkomer.nl. 43 Zie Metz (2008, 95) voor een schematisch overzicht van de artistieke en maatschappelijke acceptatie van wat eerst gevreesd werd of lelijk werd gevonden: het strand, de bergen, windmolens, fabrieken, snelwegen, treinen, woonwijken, slums,… 44 Zo molens.startpagina.nl/prikbord, Tim Dreessen, 29 mei 2008 (‘een verplaatsing naar een omgeving “als vroeger” beter dan ‘een “tuinmolen” tussen de bomen of de hoge gebouwen’); en molens.startpagina.nl/prikbord, Rob P., 30 mei 2008 (‘alsof de (verplaatste, JB) molen altijd al op zijn tegenwoordige (is nieuwe, JB) plaats heeft gestaan’). 35


C

C U LT U U R L A N D S C H A P

P. N I J H O F

A wider view

op industrielandschappen

De opeenvolgende Industriële Revoluties hebben vanaf het midden van de late 18de eeuw tot ingrijpende veranderingen geleid in samenleving, economie en landschap van Europa. Ook in Nederland is het landschap vanaf ca. 1850 door de opkomende industrialisatie en verstedelijking drastisch gewijzigd. Het Nederlandse industrielandschap wordt vooral gekenmerkt door de nauwe relatie met waterwegen als drager, dat in dit artikel wordt verkend, tezamen met de andere nieuwe industrielandschappen die zich in de loop van de 20ste eeuw hebben ontwikkeld.

Inleiding anaf de late 18de eeuw werd het Europese landschap in vele regio's overweldigd door de opkomende mijnbouw, industrie en nieuwe infrastructuur. Midden-Engeland, Wallonië, Noord-Frankrijk en het Ruhrgebied werden in soms luttele decennia getransformeerd in een wereld, die volstrekt nieuw was in het menselijk bestaan: het industrielandschap. Eenzame streken waar steenkool of ijzererts werd gedolven, veranderden in ware ‘Black Countries’. Langs nieuwe infrastructuur van kanalen, spoorwegen en later verkeerswegen ontstonden chaotische, dichtbebouwde landschappen, gedomineerd door hoogovens, mijnschachten, rokende fabrieksschoor-

V

stenen en eindeloze arbeiderswijken. De vaak als demonisch betitelde landschappen van de Eerste Industriële Revolutie in Engeland werkten als een magneet op welgestelden en kunstenaars. Welgestelden uit Europa, die als alternatief voor traditionele reizen naar steden als Rome deze nieuwe wereld kwamen aanschouwen, als voorlopers van het latere toerisme. Kunstenaars, die hun fascinatie voor dit nieuwe schouwspel vereeuwigden op dramatische tekeningen en schilderijen. Francis Klingender legde deze intense band tussen kunstenaar en industrielandschap in de 18de en 19de eeuw vast in zijn standaardwerk Art and the Industrial Revolution1. Maar ook in de 20ste eeuw hebben beeldende kunstenaars en fotografen zich op het industrielandschap gestort. Tot in de jaren ‘1960 stonden in dit oeuvre groei en

44



HOOGOVENS, IJMUIDEN ALLE FOTO'S: ARCHIEF RACM

grootschaligheid voorop, maar met de daarna ingezette ontmanteling van oudere industrielandschappen verschoof hun focus naar ondergang en verval. Nederland, dat laat industrialiseerde heeft in Herman Heyenbrock (1871-1948) een industrieschilder van formaat gekend 2. Ook later in de 20ste eeuw hebben tal van schilders 3 en later fotografen4 het Nederlandse industrielandschap vastgelegd. Opmerkelijk daarbij is dat op vele van de in het aardrijkskunde onderwijs gebruikte schoolplaten industriële landschappen centraal stonden5.

Het industrielandschap verkend De aandacht in de vakliteratuur voor het fenomeen industrielandschap staat daarmee in schril contrast. Over industriële gebouwen zijn de afgelopen decennia internationaal


VITRUVIUS boekenkasten vol geschreven, maar gerichte literatuur over industrielandschappen is opmerkelijk schaars6. Zelfs in de prestigieuze Blackwell Encyclopedia of Industrial Archeology van de Engelse industrieelarcheoloog Barrie Trinder ontbreekt dit begrip geheel7. Onder het algemene trefwoord Landschap plaatst hij echter interessante beschouwingen over de relatie tussen landschap en industriële archeologie. Hij noemt W.G. Hoskins8 als eerste van vele geografen die in publicaties de ontwikkeling van landschappen over langere periodes analyseerden: ‘A landscape approach for industrial archeology brings many advantages. It can increase understanding of a site by avoiding too close a concentration on particular technological processes, and posing questions about sources of raw materials, transport facilities, power systems, the dwellings of entrepreneurs and employees… A landscape approach also places industry in its broad historical context…’ (p. 393-396). In Nederland is deze ruimtelijke, geografische benadering van het industrielandschap nauwelijks toegepast. Tot in de jaren ’1990 ging de aandacht van industrieelarcheologen, monumentenzorgers en architecten vooral uit naar inventarisatie en behoud van individuele objecten, of hooguit complexen. De Nederlandse Monumentenwet (1988) bevat op het eerste gezicht een bruikbaar ogend instrument voor gebiedsgerichte bescherming, het beschermde stads- en dorpsgezicht. Dit is echter nog nooit toegepast op industrielandschappen. Hiervoor zijn drie oorzaken aan te wijzen. In de eerste plaats omdat het begrip industrielandschap in de vakliteratuur nergens in operationele termen is gedefinieerd. In de tweede plaats omdat dit instrument tot nu toe alleen op lokaal niveau is ingezet, terwijl met name infrastructurele industrielandschappen langs waterwegen een regionale dimensie kennen. De belangrijkste oorzaak moet wel zijn dat industrielandschappen tot de meest dynamische, door de mens geschapen cultuurlandschappen behoren. Traditionele beleidsinstrumenten, gericht op behoud en bescherming, zijn doorvoor onbruikbaar. Pas met de Beleidsnota Belvédère (1998) heeft de Nederlandse rijksoverheid een visie – géén instrument – ontwikkeld waarmee het afgelopen decennium vruchtbaar is gewerkt: ‘behoud door ontwikkeling’. Dit credo heeft geleid tot ‘a wider view’ op gebiedsontwikkeling en tot nieuwe allianties tussen overheden, planners, cultuurhistorici, ontwerpers en

NUMMER 5

OKTOBER 2008

S A M E N VAT T I N G In de landschapsarchitectuur komt het begrip industrielandschap niet voor. Ten onrechte want het industrielandschap is één van de meest uitgesproken cultuurlandschappen. Deze bijdrage is een eerste typologische verkenning, als bewerking van een lezing gehouden tijdens het seminar ‘Industrial landscapes’ te Radio Kootwijk tijdens de Landschapstriënnale 2008 te Apeldoorn.

2 STEENFABRICAGELANDSCHAP LANGS DE GROTE RIVIEREN IN ZIJN HOOGTIJDAGEN.

3 ENSCHEDE, SKYLINE VAN TEXTIELFABRIEKEN (VOOROORLOGSE SCHOOLPLAAT). 45


C

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008 private marktpartijen. Door de gelijktijdige verschuiving van de terugtredende lokale overheid naar risicodragende investeerders zoals projectontwikkelaars, blijkt de realisatie van grootschalige gebiedstransformaties een haalbare kaart te zijn geworden. Tegelijkertijd verloren de laatste herkenbare industrielandschappen in Nederland hun oorspronkelijke functies door schaalvergroting, technologische vernieuwingen en globalisering van de ‘maakindustrie’. De gelijktijdige omschakeling van een productie- naar een dienstenen leisure-economie en een periode van langdurige welvaart zorgt ervoor dat wonen, werken, kunst & cultuur de nieuwe dragers van verouderde industrielandschappen zijn geworden. Daardoor staan de laatste grote industriecomplexen, havengebieden en spoorzones overal in de steigers.

4 GRAANSILOLANDSCHAP ROND DE NOORDERHAVEN, GRONINGEN.

5 NDSM, SCHEEPSWERF AAN HET IJ, AMSTERDAM-NOORD

6 OLIEWINNING BIJ SCHOONEBEEK (SCHOOLPLAAT 1948)

Het Nederlandse industrielandschap verkend Voor een onderbouwde typologie van het Nederlandse industrielandschap is nauwelijks literatuur voorhanden, laat staan dat er een algemeen aanvaardde begripsomschrijving is. In hand- en leerboeken over Nederlandse landschappen en landschapsarchitectuur komt het industrielandschap niet voor. Ook algemene literatuur over industrieel erfgoed biedt nauwelijks aanknopingspunten. Wel zijn er enkele regionale casestudies verschenen9 en een enkel artikel in specifieke vaktijdschriften10. Op basis van deze schaarse bronnen wordt in dit artikel de volgende, vrij brede omschrijving van het industrielandschap aangehouden als: ‘Het specifieke type door de mens gecreëerde cultuurlandschap dat staat voor gebieden waarvan ontstaan, ontwikkeling, structuur en identiteit in overwegende tot sterke mate is bepaald door combinaties van infrastructuur, ontginning, delfstofwinning of productie’. In het vervolg van ‘van deze bijdrage wordt nadere invulling gegeven aan de contouren van een typologie van het industrielandschap. Hoewel gebaseerd op de Nederlandse situatie is deze mogelijk ook internationaal herkenbaar en toepasbaar. Dragers van deze typologie zijn: – reden van ontstaan; – schaalniveau; – tijd.

Redenen van ontstaan  Waterwegen

De oudere generaties Europese industrielandschappen zijn van oorsprong veelal

46


VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

7 MAASTRICHT, INDUSTRIELANDSCHAP LANGS MAAS EN BASSIN

mono-functioneel, ontstaan vanuit één dominante economische activiteit: delfstofwinning, hoogovens, zware industrie. In Nederland ligt het accent vanouds op meer multifunctionele landschappen met een bonte mengeling van wonen en werken met vaarwegen als dragers. De oudste, locale industrielandschappen zijn vanaf de Middeleeuwen ontstaan net buiten de ommuurde steden. Met de komst van kanalen vanaf de vroege 19de eeuw ontstonden buiten en tussen steden, vaak in combinatie met ontginning van woeste gronden, watergerelateerde industrielandschappen zoals in de Drents-Groningse Veenkoloniën.  Spoorwegen

Pas in de tweede helft van de 19de eeuw werd Nederland door spoorwegen ontsloten. Vooral grote spoorwegwerkplaatsen vormde in vele middelgrote en grote steden de basis voor de ontwikkeling van industriële spoorzones (Amersfoort, Haarlem, Tilburg). Ook andere industrieën zochten deze locaties op en creëerden ware industrielandschappen, zoals Stork te Hengelo. Deze gebieden verliezen in snel tempo hun oorspronkelijke industriële functies maar vormen nu begeerde locaties voor binnenstedelijke gebiedstransformatie.

8 HET HUIDIGE BAKSTEENLANDSCHAP LANGS DE GROTE RIVIEREN. 9 DRU, FABRIEKSCOMPLEX LANGS DE RIVIER DE OUDE IJSSEL.

 Havens

Grotere stedelijke binnenhavens (Groningen), maar vooral de zeehavens van Amsterdam (vanaf 17de eeuw) en Rotterdam (vanaf 19de eeuw) groeiden uit tot havenlandschappen door de op- en overslagfaciliteiten, scheepswerven en de op scheepvaart gerichte bedrijvigheid.

47


C

VITRUVIUS

 Winning van delfstoffen

De winning van traditionele delfstoffen als steenkool en ertsen heeft in ons land maar één uitgesproken industrielandschap voortgebracht: de Mijnstreek in Zuid-Limburg. Tussen ca. 1900 en 1975 creëerde de steenkolenmijnbouw in nog geen driekwart eeuw

NUMMER 5

OKTOBER 2008

een ongepland, chaotisch mijnbouwlandschap. De vondst van aardgas in NoordNederland leidde in laatste decennia van de 20ste eeuw tot een razendsnelle ontmanteling. Het mijnbouwverleden werd daarbij systematisch vernietigd onder het beleidsmatige motto: ‘van zwart naar groen’. Wat resteert zijn alleen de vele mijnwerkerskolonies en enkele geïsoleerde, beschermde relicten als ‘mijnbouwfolies’. Nóg korter bestond het aardolielandschap in ZO-Drenthe, pal aan de oostgrens van het land. In een landbouwgebied bij Schoonebeek werd in 1943 de eerste aardolie gevonden. Er verrezen razendsnel honderden olieboorinstallaties met de karakteristieke ‘jaknikkers’ langs een nieuwe wegeninfrastructuur. In 1996 werd begonnen met de ontmanteling van dit gebied, omdat winning niet meer rendabel was. Nu resteren alleen nog enkele ‘jaknikkers’ als sculptuur in de openbare ruimte aan een landschap, dat maar een halve eeuw heeft bestaan.  Productie

Industriële productie is naast de infrastructuur de belangrijkste generator van de Nederlandse industrielandschappen. Deze categorie industrielandschappen ‘avant la lettre’ vormt de logische kapstok om het schaalniveau te introduceren als differentiërende karakteristiek. Hierbij worden 5 schaalniveaus onderscheiden, oplopend van klein naar groot, van een solitaire industriële site tot een industrieel landschap met regionale dimensies.

Solitaire industriële site: DRU, Ulft





OVERZICHT (IN ROOD) VAN DE TRANSFORMATIELOCATIES LANGS DE ZAAN.

Langs de rivier de Oude IJssel groeide een 18de eeuwse watermolen uit tot hoogoven en later metaalverwerkingsbedrijf. Inmiddels gesloten, wordt multifunctioneel herontwik-

keld met behoud van vele gebouwen én het industriële aanzicht vanaf de rivier

Delen van een bestaande, historische stad: Bassin, Maastricht Rond de vroeg-19de eeuwse binnenhaven het Bassin, binnenstedelijke schakel tussen Zuid-Willemsvaart en Maas ontstond binnen de verdedigingswerken van de stad een concentratie van uiteenlopende industrieën: aardewerk, papier en graanverwerking. Deze lang geïsoleerde industriële enclave wordt nu gefaseerd herontwikkeld en bij de binnenstad getrokken. De waterinfrastructuur is hersteld en voor recreatievaart heropend, grootschalige industriegebouwen worden multifunctioneel herbestemd.

Geïndustrialiseerde historische binnenstad: Schiedam Vanaf de 19de eeuw is de eeuwenoude binnenstad van Schiedam aan De Nieuwe Waterweg beheerst door de productie van Dutch Genever. Tientallen hoge korenmolens, destilleerderijen, pakhuizen en arbeiderswijken leidden tot in de jaren ’70 tot een monofunctioneel industrielandschap. Sindsdien is de jeneverindustrie gereduceerd en gemoderniseerd, schoorstenen, fabrieksgebouwen en arbeiderswoningen gesloopt. Wat rest zijn enkele molens en rijtjes pakhuizen langs vaarwegen.

Nieuwe industriesteden: Eindhoven Overal in Europa zijn compleet nieuwe steden te vinden die hun ontstaan en ontwikkeling aan één bedrijf hebben te danken (companytowns) of aan één bedrijfstak. Nederland telt haast geen echte companytowns. Het meest uitgesproken voorbeeld is Eindhoven. Een losse verzameling van

INDUSTRIELANDSCHAP LANGS DE ZAAN BIJ WORMERVEER MET VOORMALIGE RIJSTPAKHUIZEN EN PELLERIJEN.

48


VITRUVIUS agrarische dorpjes is vanaf de komst van Philips Goeilampenfabriek in de 20ste eeuw uitgegroeid tot de ‘Lichtstad’ van Nederland. De complexe ruimtelijk structuur is driekwart eeuw bepaald door deze multinational: productiegebouwen, schoorstenen, arbeiders- en villawijken, parken en sportvoorzieningen. Een hele stad, gevormd door één bedrijf. Inmiddels is het Philips hoofdkantoor verhuisd naar Amsterdam en is de economische bestaansbasis van Eindhoven enorm verbreed. Afgestoten bedrijfsgebouwen in het centrum zijn al herbestemd, binnenkort komt Strijp S vrij. Dit grootschalige complex wordt grotendeels behouden door herbestemming.

Regionale industrielandschappen: Steenfabrikagelandschap langs de grote rivieren Kenmerkend voor de industriële ontwikkeling van Nederland zijn: – relatief laat (vanaf midden 19de eeuw); – kleinschalig en verspreid; – sterk gebaseerd op de verwerking van agrarische producten van landbouw, veeteelt en tuinbouw. Vele regio’s zouden in het verleden op grond van hun industriële werkgelegenheid als industriegebied kunnen zijn beschouwd, maar hebben door de kleinschalige en over een groter, agrarisch gebied verspreide bedrijven zich visueel nooit tot een herkenbaar industrielandschap ontwikkeld. Uitzondering vorm het gebied van de grote rivieren in Midden-Nederland. Met de Duitse uitvinding van de ringoven door Hoffman, concentreerde de Nederlandse baksteenindustrie zich vanaf de late 19de eeuw in korte tijd in het centrale rivierengebied. De klei lag voor het opscheppen in de uiterwaarden, de rivier was nabij voor de aanen afvoeren en goedkope arbeiders in overvloed in het arme agrarische achterland. Deze ongekende regionale concentratie en schaalvergroting leidde in de buitendijkse uiterwaarden van de grote rivieren (Maas, Rijn, Lek, IJssel) tot het specifieke industrielandschap van de baksteenindustrie. Over soms tientallen kilometers lang strekten de steenfabrieken zich zij aan zij uit langs de rivieren, gedomineerd door rokende schoorstenen11. Vanaf midden- 20ste eeuw is dit landschap in drie fasen geërodeerd. De eerste ‘aanslag’ was de invoering van het mechanisch drogen van gevormde bakstenen vanaf de jaren ’50. Van de ene op de andere dag konden de eindeloze rijen drooghutten worden vervangen door een enkel drooggebouw. De bedrijven draai-

NUMMER 5

OKTOBER 2008

den goed, maar het bedrijfsareaal nam hierdoor sterk af. En daarmee ook de ‘volheid’ van het baksteenlandschap. Door schaalvergroting en vernieuwingen (invoering geautomatiseerde tunnelovens) startte vanaf de jaren ’60 een nooit ophoudende sanering van de hele bedrijfstak: de tweede aanslag. Van de honderden fabrieken van toen zijn er nog maar ca. 20 in bedrijf 12. Lange tijd bleven stilgelegde steenfabrieken nog werkeloos in het landschap staan, leegstaand of in gebruik voor opslag (caravanstalling voor stedelingen). Andere sites groeiden uit van camping tot recreatieoord. De hoogwaterproblemen in 1995/1996 leidden de derde fase van ontmanteling in. Sindsdien worden de uiterwaarden uit- en afgegraven om de rivieren letterlijk meer ruimte te geven en ingericht als ‘nieuwe natuur’. Voor steenfabrieken en boerderijen is geen plaats meer in een ‘tekentafellandschap’, dat de suggestie moet wekken van ‘oernatuur’, voordat de mens de rivieren met dijken temde en de uiterwaarden in cultuur bracht. Wat mag blijven zijn de laatste werkende steenfabrieken, een enkel beschermde historische steenfabriek of een incidentele ovenruïne of schoorsteen, die het nieuwe landschap niet in de weg stond. Het industrielandschap is daarmee letterlijk van de aardbodem verdwenen.

Een nieuw beleid voor industrielandschappen? Toegegeven, het voeren van beleid voor een moeilijk grijpbare entiteit als het baksteenindustrielandschap, verspreid over meerdere

provincies en tientallen gemeenten zou wellicht een onhaalbare optie zijn geweest. Op stedelijk niveau zijn er gelukkig wel gemeenten die hun industriële roots niet willen verdringen en die de specifieke kwaliteiten van hun industrielandschap tot onderwerp van beleid maken. Beleid dat nooit alleen behoudsgericht kan zijn, want permanente verandering is hét kenmerk van dit type landschap. Wat wel kan is de formulering van cultuurhistorische kenmerken en ruimtelijke kwaliteiten als basis voor gerichte sturing en stimulering van ruimtelijke en economische veranderingsprocessen. Sinds de jaren 1990 gebeurt dit steeds meer op substedelijk schaal in verouderde havengebieden (scheepswerfenclaves RDM Rotterdam en NDSM Amsterdam), industriële kanaallinten (Helmond), spoorwegcomplexen (Wagenwerkplaats Amersfoort). De enige plaats waar meerjarig beleid voor een stedelijk industrielandschap wordt uitgevoerd is de Zaanstreek. Net ten noorden van Amsterdam ontwikkelden de oevers van de rivier de Zaan vanaf de 17de eeuw zich tot een dichtbebouwd lint van honderden industriemolens en houten huizen. Door de invoering van de stoomaandrijving werden de windmolens vanaf de late 19de eeuw op een tiental na, vervangen door fabrieksgebouwen voor de levensmiddelenindustrie als meest dominante bedrijfstak. In de late 20ste eeuw voltrokken zich ook hier de algemene processen van bedrijfsver-

 PHILIPSCOMPLEX STRIJP-S, EINDHOVEN.

49


C

VITRUVIUS

plaatsing wegens milieuhinder, sluiting door fusies en globalisering van de bedrijven. De gemeente Zaanstad keek niet afwachtend toe maar startte in 1989 het Zaanoeverproject13. Geen blauwdruk voor de toekomst maar een combinatie van helder geformuleerde doelstellingen en een lange lijst van mogelijke projecten, te realiseren door private investeerders. Die bleken aanvankelijk meer interesse te hebben in de bouw van luxe appartementencomplex langs de rivier dan herbestemming van leegstaande industriële gebouwen, twee van de doelstellingen van de gemeente. Tien jaar later evalueerde de gemeente het project en formuleerde op basis daarvan een Aanvullende Visie14. Marktpartijen waren inmiddels zo enthousiast geworden om industriële bebouwing te transformeren in dure lofts, creatieve industrie en leisure, dat deze doelstelling ruimschoots gehaald werd. Daardoor dreigde echter de laatste bedrijvigheid te verdwijnen uit een gebied dat door de eeuwen heen gekenmerkt is geweest door een ultieme compacte menging van functies. Inmiddels is de gemeente Zaandam één van de eerste gemeenten van Nederland die geen nieuwe bedrijventerreinen meer aanlegt en de bestaande werkgelegenheid aan de Zaan probeert te houden. In 2006 volgde andermaal een tussenevaluatie met als conclusie, dat daarnaast ook de rivier zélf als identiteitsdrager van De Zaanstreek ontwikkeld moet worden15 . Al met al is Zaanstad een lichtend voorbeeld voor andere gemeenten!

NUMMER 5

OKTOBER 2008

de oudere industrielandschappen. De weinige internationale literatuur over dit onderwerp houdt ook meestal op bij de vroege twintigste eeuw16 Dat is heel jammer, want zeker de naoorlogse periode heeft in Nederland een scala aan nieuwe industrielandschappen opgeleverd zoals: – Gemeentelijke, planmatige industrieterreinen (Deventer); – Silohavens (Emmeloord, Leeuwarden); – Hoogovens (IJmuiden); – Petrochemische industrie (Europoort/Pernis, Rotterdam); – Containerhavens, afvalrecyclingbedrijven etc. (Maasvlakte). Allemaal grootschalige complexen en gebieden, die sneller veranderen als ooit tevoren en hooguit in hun ontwikkeling gedocumenteerd kunnen worden. Interessant is daarbij dat juist deze jongste industrielandschappen opnieuw fascinatie opwekken. Zowel door de moderne havens van Amsterdam als Rotterdam worden tegenwoordig toeristische boottochten georganiseerd met bedrijfsbezoeken. Vooral ’s nachts vormen de felverlichte complexen een industrielandschap, dat net als in de 18de eeuw weer bezoekers uit alle windstreken trekt… P ETER N IJHOF is specialist industrieel erfgoed bij de RACM.

Noten en literatuur 1

Tenslotte: het eigentijdse industrielandschap Het voorgaande betoog was vooral gericht op

Klingender, Francis D., Art and the Industrial Revolution, 1968. 2 Honig Kz., S., Arbeid met verve. Leven en werk van Herman Heijenbrock

 MAASTRICHT, BINNENHAVEN HET BASSIN, VAN SCHEEPVAART NAAR LEISURE.

50

(1871-1948), Zutphen, 1998. Nijhof, P. en W. Wolting, R. Nijhof als industrieschilder, Zwolle, 1996. 4 IJzersterk + steengoed. Amateurs fotograferen industriële bouwwerken, Rotterdam, 2005. 5 Donkers, H., Verdwenen Nederland. Nederland in oude schoolwandplaten, Groningen, 2006. 6 De meeste buitenlandse publicaties handelen over industrielandschappen van één bepaalde stad of regio. Enkele meer algemene titels zijn: – Le Paysage de l’Industrie. Région du Nord-Wallonie-Ruhr, Bruxelles, 1975. – Trinder, B., The making of the industrial landscape, London, 1982. – Olschowy, G., Landschaft und Techniek. Landschaftspflege in der Industrielandschaft, Hannover, 1970. 7 Trinder, B., (ed.) The Blackwell Encyclopedia of Industrial Archaeology, 1992. 8 Hoskins, W.G., The Making of the English Landscape, Harmondsworth, 1955. 9 Daru, M., Een verdwijnend industrielandschap. Inventarisatie van industrieel historische objecten te Helmond, Helmond, 1989. – Industrielandschap De Zaan, Zeist, 1995 (PIE rapportenreeks 22). – Beunder, S.M., Het industrielandschap in de haven van Rotterdam, Zeist, 1995 (PIE-rapportenreeks 23). 10 Klerk, L. de, Industrielandschappen, in: Jonge landschappen 1800-1940, Utrecht, 1994, 52-58. – Nijhof, P., Industrielandschappen: een Engelse les, in: stedebouw en volkshuisvesting, 10, 1979, 581-593 – Nijhof, P., Industrielandschap. De magie van de nieuwe wereld, in: Op lemen voeten. Visies op het landschap, Amsterdam/Nijmegen, 1989. 11 Naor d’n oove! Steenfabrieken in de NederBetuwe en het westelijk deel van de OverBetuwe, Kesteren, 2006. 12 Nijhof, P., Ruimte voor de rivier. Inventarisatie en cultuurhistorische waardestelling van (voormalige) steenfabrieken in Gelderland, Zeist, 2002. 13 Bol, A., Het Zaanoeverproject in retrospectief, in: Op Stroom, 12, 1992, 20-23. 14 Zaanoeverproject. Aanvullende visie, Zaandam, 1999. 15 De Zaan treedt buiten haar oevers. Een verkenning naar kwaliteitsimpulsen en nieuwe kansen, Zaandam, 2006. 16 Hayes, B., Infrastructure. A field guide to the industrial landscape, New York/London, 2005. 3


Recent Verschenen TITEL

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

Monumenten Stemmen, visies op de Modernisering van de Monumentenzorg

UITGAVE

W. Hupperetz Gerdy Verschuure Erfgoed Nu, sectorinstituut Erfgoed Nederland/Amsterdam

D E TA I L S

ISBN 978-90-78956-05-1, Erfgoed Nederland, Amsterdam, ook te bestellen via

AUTEUR RECENSENT

www.erfgoednederland.nl/publicaties, € 17,50, samen met het Jaarboek € 25,De Monumentenwet 1988 gaat op de schop. Op 18 december 2007 gaf Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de aftrap voor dit proces van modernisatie wat inmiddels bekend staat onder de naam Modernisering Monumentenzorg (kortweg MoMo). Afgelopen jaar is men begonnen met het evalueren van de huidige beleidsinstrumenten, het huidige monumentenbeleid, het Besluit Rijkssubsidiering Instandhouding Monumenten (BRIM ), evaluatie van de beschermde stads- en dorpsgezichten, het Belvedèrebeleid enzovoorts. Daarnaast werden vijf werkgroepen samengesteld om de minister van advies te dienen. Maar hoe kijken de spelers uit de Monumentenzorg hier tegenaan? Hoe vinden zij de huidige Monumentenwet nu functioneren en hoe en wat kan er worden verbeterd in hun ogen? En tot slot natuurlijk de vraag: wat moet er zeker in komen te staan? Met het boek Monument stemmen, visies op de Modernisering van de Monumentenzorg is Erfgoed NU begonnen met het maken van een reeks opiniërende publicaties over actuele erfgoedkwesties. Vanuit de driehoek beleid, kennis en veld wordt naar belangrijke actuele monumententhema's gekeken met mensen die in de monumentenwereld hun sporen verdiend hebben. In het klein formaat boekje met één ronde hoek staan 13 onderhoudende interviews en 10 monumentenkwesties die een relatie hebben met de aanstaande modernisering van de monumentenwet. Van beleidsmedewerker

tot eigenaar, van projectleider MoMo tot aan de rijksadviseur voor Cultureel Erfgoed; allemaal gaven ze hun mening over de oude én de toekomstige wet. Door de grote verscheidenheid van de sprekers is ook te lezen hoe het proces van monumentenzorg zich de afgelopen jaren heeft afgespeeld. Het boekje begint met een inleiding van Wim Hupperetz met daarin de geschiedenis van de monumentenzorg en de belangrijkste visies over restaureren en de positie van monumentenzorg ten opzichte van ruimtelijke plannen. Afgesloten wordt met 10 monumentenkwesties. Dit zijn de belangrijkste kwesties die momenteel centraal staan en zullen moeten worden uitgewerkt in de nieuwe monumentenwet zoals de rol van selectie en rijkslijst, hoe om te gaan met herbestemmen, de rol van de RACM , de 100 wederopbouwmonumenten, de subsidiestromen, het bestuurlijk model, gebiedsgericht of objectgericht etc. Maar niet alleen wordt er over het verleden gepraat. Ook wordt een kijkje geboden in de manier waarop de vijf werkgroepen nadenken over nieuwe bestuursmodellen. Twee bestuurlijke modellen uit het buitenland dienen als voorbeeld voor de nieuwe wetgeving. Het eerste model is het Engelse model. In dit model worden monumenten in verschillende groepen van belangrijkheid ingedeeld en de subsidie wordt gegeven aan de meest belangrijke monumenten. Het tweede is het model van Nordrhein-Westfalen, waarbij de monumentenzorg volledig bij de gemeenten ligt en zo

51

op een integrale manier gewaarborgd moet worden. De interviews zijn gehouden met mensen uit zowel de overheid als de particuliere sector, waarbij zowel naar spelers die op zowel het landelijk, provinciaal als gemeentelijk niveau opereren. In bijna alle interviews kwam naar voren dat men over het algemeen trots is op wat er tot nu toe bereikt is in de monumentenzorg. Aan de andere kant is er nog wel ongerustheid over de nieuwe wet en is er onvrede over de huidige Monumentenwet. Decentralisatie, terugtredende adviesplicht van de RACM en problemen rond subsidies van andere monumenten dan de woonhuismonumenten zijn een veel genoemd probleem. Namens de landelijke overheid kwamen Fons Asselbergs, Jos Bazelmans en Jan de Jong aan het woord. Vooral deze drie rijksambtenaren vertellen hoe het proces van modernisering is begonnen en geven een kleine blik op de werkwijze en discussies binnen de werkgroepen. Asselbergs vertelt hoe het instrument zoals het beschermd stadsgezicht in 1961 werd ingevoerd en hoe die uitgroeide tot een meer gebiedsgerichte bescherming, over de reden en noodzaak van de invoering van Belvedèrebeleid en de samenwerking van het Ministerie van OCW , de Cultuurhistorische effectrapportages (CHER ’s). Jan de Jong, projectleider van het project MoMo bij het Ministerie van OCW, vertelt dat de vraag om vernieuwing van de monumentenwet eigenlijk uit allerlei

geledingen kwam. Ook formuleert hij de fundamentele vraag of er nu nog wel een visie is waar we naartoe willen in de monumentenzorg? Hoe willen we omgaan met gebiedsgericht werken? En heeft de decentralisatie gewerkt? Op gemeentelijk niveau vertelde onder andere Eloi Koreman over de restauratie van zijn eigen huis (een rijksmonument) en hij deed een oproep om een rijksmonument niet alleen als een historisch object te zien, maar als een ‘product van een bouwstroom’, waar een nieuwe laag aan wordt toegevoegd. Arno Boon (BOE i) merkt op dat hij kennis van vastgoed en onderhandelingsvaardigheden mist bij de RACM en dat die tegenwoordig hard nodig zijn. Een veel gehoord discussiepunt van veel sprekers is het systeem van subsidie en financiën. Waar sommige het geld krijgen wat niet direct hard nodig is, hebben sommige projecten meer geld nodig dan ze kunnen krijgen. Het revolving fund van het NRF is goed en ook de fiscale aftrek van woonhuismonumenten is goed geregeld, maar ook meer onrendabele monumenten moeten financiële bijstand kunnen krijgen, zoals kerken. Tot slot wordt ook meerdere malen genoemd dat de monumentenzorg zijn verhaal en succes stories beter over het voetlicht moeten brengen voor het vergroten van maatschappelijk draagvlak.


Recent Verschenen TITEL

VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

Landschapsvisie Zuid-Limburg

UITGAVE

Klaas Kerkstra, Peter Vrijlandt, Harro de Jong en Jan Houwen eindredactie Henk Baas Provincie Limburg/Wageningen Universiteit, Maastricht/Wageningen

D E TA I L S

ISBN 978-90-77540-02-2

AUTEUR

RECENSENT

De laatste jaren verschijnen er – mede onder impuls van de activiteiten van het Stimuleringsfonds voor Architectuur en Belvedere – landschapsvisies die ook vanuit cultuurhistorisch perspectief een goedkeuringsstempel verdienen. Een mooi voorbeeld hiervan is de landschapsvisie voor de Drentsche Aa en de landschapsvisie voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie (Panorama Krayenhoff). De hier besproken landschapsvisie is opgesteld door een kernteam van Wageningse landschapsarchitecten (Klaas Kerkstra, Harro de Jong en Peter Vrijlandt), aangevuld met een historisch geograaf (Jelle Vervloet). Trekker vanuit de provincie was Jan Houwen. Een fiks aantal studenten van de Universiteit Wageningen heeft als afstudeeronderzoek specifieke onderwerpen en thema’s opgepakt. Belangrijk was verder de rol van de begeleidingscommissie (kritische reflectie) en de communicatie over en weer met de streek (draagvlak). De doelstelling van het project

‘landschappelijk raamwerk’ samengesteld: een groene dooradering, bestaande uit steile hellingen, dalbodems en dorpsranden die het reliëf en de kenmerkende verschillen tussen de dalen en de plateaus accentueert en de landschappelijke samenhang versterkt. Het landschappelijke raamwerk vormt een duurzame basis voor het waterbeheer, de ontwikkeling van de natuur en het cultuurhistorisch erfgoed en de toeristisch recreatieve ontsluiting van dit landschap. Op een schaal van 1:25.000 is vervolgens een visie op de ontwikkelingsmogelijkheden van het landschap gegeven, uitgaande van de vier kernkwaliteiten zoals in het voorgaande hoofdstuk benoemd. In de visie gaat men dus uit van behoud en/of versterking van de abiotische en cultuurhistorische kwaliteiten, en behoud en/of versterking van de afwisseling open-besloten en van het groene karakter. Op basis van het landschappelijk raamwerk worden vervolgens inrichtingsmaatregelen voorgesteld, die hier praktisch handen en voeten aan moeten geven. Er worden bijvoorbeeld algemene ontwerpprincipes voor de hellingen gegeven (die naar vorm en bodemopbouw weer in tien verschillende typen zijn ingedeeld). Hetzelfde wordt min of meer gedaan voor de 5 onderscheiden ‘daltypen’. Ook worden voorstellen gedaan om de zeer kenmerkende graften te behouden of weer aan te leggen. Interessant is de aandacht voor de dorpen en hun plaats in het landschap. Er is momenteel veel aandacht voor ‘dorpseigen uitbreiden’ (zie ook de recent uit-

was als volgt geformuleerd: ‘Het ontwerpen van het toekomstige landschap van Zuid-Limburg met cultuurhistorie als richtinggevende inspiratiebron bij de ruimtelijke ontwikkeling van de functies, die dit gebied moet vervullen. Daarbij bepaalt het project de ontwikkelingsmogelijkheden van het landschap van Zuid-Limburg als basis voor een gebiedsdekkend investeringsprogramma ter verbetering van het landschap.’ De visie start met een uitvoerige analyse van de ontstaansgeschiedenis en de karakteristieken van het landschap. Op basis van een analyse van de abiotische basis (vooral het reliëf) en de bewoningsgeschiedenis worden twee ‘afgeleide’ kernkwaliteiten van het landschap van Zuid-Limburg benoemd: de afwisseling openbesloten en het groene karakter. Overzichtskaartjes, dwarsdoorsneden, panoramafoto’s en hoogtekaartjes illustreren de diverse verschijnselen, wat de leesbaarheid zeer ten goede komt. Op basis van de analyse is een

52

gebrachte handleiding Dorp+ van Belvedere), en ook hier wordt op basis van een analyse van de dorpsstructuren gepleit voor een betere inpassing in het landschap. Hierbij is niet alleen aandacht voor de belangrijke rol van de beplanting (inclusief een aanbeveling voor soortenkeuze, zoals de voor dit landschap zeer karakteristieke hoogstamfruitbomen), maar ook voor de rol van auto’s (‘lelijke parkeerplaatsen’) of wegen (al dan niet met wegbeplanting). In drie voorbeelden worden de hiervoor gepresenteerde uitgangspunten nader uitgewerkt. Deze uitwerkingen laten zien hoe het ‘landschappelijk raamwerk’ er uit zou kunnen zien, en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen voortbouwen op bestaande kwaliteiten. Helemaal volgens de ideeën van Belvedere dus. Opnieuw is het hier de kracht van de afbeeldingen die de lezer meevoert naar het toekomstige landschap. Peter Driessen, hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht, heeft de visie beoordeeld op het aspect ‘uitvoering’. Immers, mooie woorden en goede intenties maken een plan nog niet praktisch uitvoerbaar. Ook hij is van mening dat het plan een veelbelovend karakter bezit, dat het tot de verbeelding spreekt en ambities heeft voor een nieuwe landschappelijke inrichting. ‘Maar is het een plan dat zal werken?’,


Recent Verschenen aldus Driessen. Een plan ontwikkelen is niet alleen een inrichtingsopgave, maar ook een sturingsopgave, het moet maatschappelijk en politiek gedragen worden. Aan beide aspecten is ruimschoots aandacht gegeven in het project, maar Driessen concludeert dat vooral de sturingsopgave aan belang zal (moeten) winnen in de fase na afronding van de visie. Het politiek en maatschappelijk krachtenveld zal immers voor een belangrijk deel de haalbaarheid van de visie bepalen. Regie op dit proces is zeer belangrijk, en de provincie Limburg wordt aangesproken

TITEL AUTEURS UITGAVE

NUMMER 5

OKTOBER 2008

dan even door te bladeren. Nietprofessionals worden aan de hand van de prachtige kaartjes en afbeeldingen meegenomen in het Zuid-Limburgse landschap, en leren al lezende veel over de geschiedenis en de bijzonderheden van het landschap, over de structuur van de dorpen, de landschapselementen (zoals hoogstamfruitbomen, holle wegen en graften) en de diverse historische functies van het gebied. Dit feit kan er voor zorgen dat lokale bestuurders het inderdaad op die manier gaan gebruiken, en geïnspireerd raken door wat ze lezen. De vormgeving is in dit kader

om hier haar verantwoordelijk te nemen. Dit lijkt me ook een belangrijke constatering voor andere Nationale Landschappen: goede intenties, ideeën en maatschappelijk draagvlak zijn zeer belangrijk, maar zonder een strakke (provinciale?) regie op het proces zullen al die goede bedoelingen geen doorgang vinden. Opvallend is dat we hier te maken hebben met een landschapsvisie, dus een boek voor professionals, maar dat het soms lijkt op een ‘koffietafelboek’, dus een boek dat je op een stapeltje naast de bank legt om zo nu en

Afsluitend: zo eens in de zoveel tijd verschijnt er een boek waarvan je denkt: daar zouden er meer van moeten worden gemaakt. Zo ook met deze landschapsvisie voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Het boek ziet er bijzonder fraai uit en biedt veel inspiratie om ook elders met een dergelijk product aan de slag te gaan. Complimenten!

Loes Janssen en Alette van den Haselkamp RACM in cultuurhistorische elementen en de processen tussen deze elementen. Hiermee is de methodiek uitermate geschikt voor landschappelijk inpassen van ruimtelijke ingrepen in het landschap, zoals de ingrepen in het kader van het Rijksprogramma Ruimte voor de Rivier, waarvoor de methodiek oorspronkelijk is ontwikkeld.

beschreven in de masterthesis ‘Cultuurhistorie gevangen in tijd en ruimte’ (Janssen, 2006). Het tijd/ruimte diagram maakt het mogelijk om het cultuurhistorische landschap als integraal geheel te inventariseren en te presenteren aan ontwerpers. De ontstaansgeschiedenis van het cultuurlandschap wordt in het diagram visueel gepresenteerd

Cultuurbeleid in Nederland, editie 2007

UITGAVE

Cas Smithuijsen redactie, Annemoon van Hemel voorbereiding/research, Anna van Griethuysen en Linda Vermeulen coördinatie OCW, André Nuchelmans beeldredactie, Mariëlle Hendriks productie Ministerie van OCW/Boekmanstudies, Den Haag/Amsterdam

D E TA I L S

ISBN/EAN 978 90 6650 090 7, 192 pagina’s, gebonden. Prijs € 19,90

AUTEUR

wellicht wel belangrijker dan de inhoud! Eigenlijk verplichte kost dus voor alle (Zuid-Limburgse) wethouders met RO in hun portefeuille.

De IJssel in het midden

Onlangs is RAM 145 gepubliceerd met als titel ‘De IJssel in het Midden, een evaluatie van een ontwerpgerichte inventarisatiemethode van cultuurhistorische elementen in het Midden IJsselgebied’. De rapportage, geschreven door Loes Janssen en Alette van den Haselkamp, is een uitwerking van de eerder ontworpen methodiek van het tijd/ruimte diagram zoals

TITEL

VITRUVIUS

Cultuurbeleid in Nederland, editie 2007, geeft inzicht in het beleid van de Nederlandse overheid op het gebied van de kunsten, het erfgoed en de media. Het is een onmisbaar overzichtswerk voor iedereen die zich beweegt in de wereld van kunst en cultuur. Cultuurbeleid in Nederland geeft een overzicht van het zorgsysteem en de beleidsinstrumenten van de Nederlandse overheid op

het gebied van de cultuur. Het vertelt over bewindslieden, van Thorbecke tot Plasterk en de rol die zij speelden bij het vormen van beleid. De demografische en sociaal-economische schets van Nederland wordt aangevuld met een beknopte geschiedenis van het cultuurbeleid en een overzicht van de belangrijkste verbindingskanalen tussen de cultuur en het openbaar bestuur. Cultuurbeleid in Nederland

beschrijft de situatie tot en met augustus 2007 en behandelt de zeven terreinen die tot het cultuurbeleid worden gerekend: de archeologie, de archieven, de bibliotheken, de kunsten (podiumkunsten, beeldende kunsten, film, letteren), de monumenten, de musea en de media (pers, radio, televisie, internet). Hierin worden actuele thema's als excellentie, e-Cultuur, cultuurparticipatie,

53

Cultuur en Economie, culturele diversiteit en cultuureducatie belicht. Ronald Plasterk, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap schreef het voorwoord.


VITRUVIUS

NUMMER 5

OKTOBER 2008

AGENDA 3.10  3.1.2009 Borger Het geheim van de Kelten

10.10.2008 Oost-Souburg Erfgoed leeft en erfgoed loont

Nog steeds worstelt de wetenschap met vragen als: Wie waren de prehistorische Kelten nu precies? Waar woonden ze? Hoe was hun samenleving gestructureerd? en: Hoe is het mogelijk dat de Keltische cultuur 2.500 tot 3.000 jaar geleden zo’n grote verspreiding over Europa kreeg?. De tentoonstelling ‘Het geheim van de Kelten’ zoomt in op de Kelten tussen Rijn en Noordzee en presenteert vele museale topstukken uit Nederland, België en het aan Limburg grenzende Duitse gebied. Locatie: Hunebedcentrum Borger, Bronnegerstraat 12, 9531 TG Borger.

Afgelopen jaar liet de Provincie Zeeland door Scoop een onderzoek uitvoeren naar de zichtbaarheid van het cultureel erfgoed in Zeeland. Uit de rapportage bleek dat het met die zichtbaarheid goed gesteld is. Bijna de helft van de Zeeuwen (46%) bracht in het daaraan voorafgaande jaar een bezoek aan onroerend erfgoed (een monumentaal dorp, historische stadskern of individueel monument) en 22% bezocht een museum in Zeeland (met nog 15% die ook buiten de provincie musea bezocht). Die percentages liggen hoog. Gesteld mag dus worden: erfgoed leeft in Zeeland. Maar ervaren de erfgoedorganisaties dat zelf ook? En willen Zeeuwen naast het genieten van het erfgoed zich er ook voor inzetten? Hierover organiseren SCEZ en Scoop op vrijdag 10 oktober 2008 (net voorafgaand aan de Week van de Geschiedenis) een erfgoeddebat. Als toepasselijke locatie in dit Jaar van het Religieus Erfgoed is gekozen voor de historische kerk in Oost-Souburg. Eén van de gastsprekers is prof. dr. Jos de Haan, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en hoofd onderzoeksgroep Tijd, Media en Cultuur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Ook wordt nader ingegaan op de economische baten van het cultureel erfgoed, ofwel loont het erfgoed? Het debat duurt van 20.00 tot 22.30 uur (inloop met koffie/thee vanaf 19.30 uur) en deelname is gratis. De zichtbaarheid van cultureel erfgoed in Zeeland is te downloaden vanaf www.scoopzld.nl (zie bij ‘onderzoek en advies’).

INFORMATIE: WWW.HUNEBEDCENTRUM.NL TELEFOON 0599-236 374

10.10.2008 Den Haag Symposium ‘Over de vloer’ Het jaarlijkse Instandhoudingssymposium van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten is in 2008 gewijd aan vloeren. Op woensdag 8 oktober zullen in het Vredespaleis in Den Haag enthousiaste deskundigen uit binnenen buitenland uitgebreid ingaan op zowel de cultuurhistorische als de technische kant van vloeren. Verschillende deskundige sprekers zullen uitgebreid de monumentale vloer behandelen. Allerhande soorten vloeren, zoals houten vloeren, keramische tegels en natuurstenen vloeren zullen aan bod komen, evenals de actieve en preventieve conservering. Afsluitend wordt ingegaan op de rol en de betekenis van de vloer in het monument. Het boek dat speciaal ter gelegenheid van dit symposium verschijnt, bevat de bijdragen van de sprekers en een vijftiental andere bijdragen over verschillende andere aspecten van de vloer. Er zijn rondleidingen gepland in en om het Vredespaleis, met uiteraard aandacht voor de uitzonderlijke vloeren daar. Tijdens de pauzes is ruimschoots gelegenheid bij te praten met andere monumentenliefhebbers, of om kennis te maken met enkele bedrijven en instellingen die zich op het beursgedeelte zullen presenteren.

11.10  19.10.2008 Week van de geschiedenis 2008 Voor de Week van de Geschiedenis wordt ieder jaar een thema gekozen dat een groot publiek aanspreekt en de deelnemende organisaties ruimte biedt voor een gevarieerde invulling. In 2008 is het

INFORMATIE: T.HERMANS@RACM.NL OF E.KOLDEWEIJ@RACM.NL

54


VITRUVIUS

NUMMER 5

thema ‘Verhalen van Nederland’. De geschiedenis van Nederland is overal, maar door verhalen komt ze pas echt tot leven. De Mookerheide (foto) in Limburg vertelt het verhaal van een enorme veldslag met het Spaanse leger. De Plaats in Den Haag vertelt het verhaal van het Groene Zooidje, een schavot waar onder andere de gebroeders De Witt aan hun einde kwamen. Het Lieverdje op het Spui in Amsterdam vertelt het verhaal van de Provo’s in de jaren zestig die daar hun feestelijke happenings hielden. In de Week van de Geschiedenis vertellen honderden culturele instellingen de waargebeurde verhalen van Nederland aan de hand van objecten, personen, gebouwen, steden en landschappen. Dat kan in alle vormen en op alle plekken. Gesproken, geschreven, gezongen en met beelden. In musea, archieven, monumenten, bibliotheken, maar ook gewoon op straat of op school. Zodat de verhalen van Nederland voor iedereen gaan leven.

OKTOBER 2008

archeologie ons over het beschermde leven binnen de ‘microkosmos’ van een landgoed? – Informatievoorziening en publieksbereik – De markt van tijdschriften is volop in beweging, Archeologische diensten, bedrijven en musea organiseren steeds meer voor het publiek. Deze vernieuwingen willen we graag laten zien in bijdragen en korte filmpjes. De thema’s bieden voldoende aanknopingspunten voor actuele archeologische resultaten. Dit jaar is er speciale aandacht voor onderwerpen die een duidelijke betrekking hebben op de provincie Zuid-Holland. Locatie: Evenementenhal, Rijswijk.

tot 2.11.2008 Haarlem ‘Dichter bij archeologie' een verrassende ontmoeting!

8.11.2008 Leiden Hollanddag 2008

Met deze expositie brengt het Archeologisch Museum Haarlem poëzie en archeologie samen: gedichten met een archeologisch thema van dichter/schrijver en archeoloog Esther Jansma, geïllustreerd met een aantal bijzondere Haarlemse bodemvondsten. Menige opgraving gaat gepaard met een gevoel van grote opwinding. Is het niet bij ieder mens van nature aanwezig is: het verlangen de mysteries van het verleden te ontrafelen, de ontbrekende schakels naar voorbije tijden te willen ontdekken, en als het even kan, het verleden opnieuw tot leven te wekken. Zoals een archeoloog scherven van voorbije culturen aan het licht brengt en uit brokstukken van vergane tijden weer een herkenbaar voorwerp in elkaar puzzelt, zo laat Esther Jansma in haar archeologische gedichten fragmenten van het verleden spreken. Het verstrijken van de tijd en de vergankelijkheid van het leven zijn geliefde thema’s in haar werk. Naast dichter/auteur is zij in het dagelijks leven werkzaam als archeoloog. Als dendrochronoloog (boomtijdkundige) is ze gespecialiseerd in de ouderdomsbepaling van hout aan de hand van jaarringen in bomen. In de expositie staan elf gedichten van Esther Jansma centraal. Poëzie met een archeologisch tintje. Elk gedicht wordt voorafgegaan door een inleiding die speciaal voor deze gelegenheid door haar is geschreven. De gedichten worden geïllustreerd met passende Haarlemse bodemvondsten. Voorwerpen die de sfeer van het gedicht weergeven of de essentie van het gedicht symboliseren. ‘Dichter bij archeologie’ , een spannende ontmoeting tussen archeologie en poëzie. Laat u verrassen! De expositie is nog te bezichtigen t/m zondag 2 november 2008, Grote Markt 18-K, Haarlem.

De Hollanddag, bijeenkomst voor historische verenigingen in Noorden Zuid-Holland, vindt dit jaar plaats op 8 november in de Hooglandse Kerk te Leiden. De dag wordt georganiseerd door de Historische Vereniging Holland, het Erfgoedhuis Zuid-Holland en Cultureel Erfgoed Noord-Holland. Op de Hollanddag kunt u onder andere meedoen aan een Hollandquiz en luisteren naar een lezing van Paul Knevel. Ook wordt bekend gemaakt wie dit jaar de Hollandprijs in de wacht sleept. INFORMATIE: INFO@CULTUREELERFGOEDNH.NL

13 -14.11.2008 Rijswijk Reuvensdagen 2008 Eén van de hoogtepunten van het archeologische jaar zijn de Reuvensdagen. Het congres is vernoemd naar Caspar Reuvens (Leiden, 1793-1835, afbeelding), de eerste hoogleraar archeologie ter wereld. Als enige algemeen wetenschappelijk archeologische congres in Nederland brengen de Reuvensdagen archeologen uit alle geledingen en specialismen samen. De thema’s dit jaar zijn: – Infrastructuur De belangrijke rol van wegen in de maatschappij. Wat weten we over de oud(st)e wegen? Wat betekende de aanleg van een weg voor de inrichting van het landschap? Hoe spoor je wegen op? – Landgoederen en buitenplaatsen Wat was de invloed van landgoederen op hun omgeving? Ging er een stimulans uit voor de inrichting van het landschap en de loop van oude wegen? Zijn de vroegste landgoederen voortgekomen uit de laatKarolingische domeinen of vormen zij eerder de neerslag van feodale machtsstructuren? Wat zegt de ligging van de landgoederen over de plaats van de elite? En wat leert de

INFORMATIE: 023-542 0888

Tips en persberichten voor de Agenda kunt u mailen naar info@uitgeverijeducom.nl

55


K

ort

WINNAARS PRINS BERNHARD CULTUURFONDS MONUMENTENPRIJS JA A R

MONUMENTENPRIJS 2008 NAAR TEMMINCK GROLL e jury van de Prins Bernhard Cultuurfonds Monumentenprijs heeft de prijs dit jaar toegekend aan prof. dr. ir. C.L. Temminck Groll. De prijs bedraagt 50.000 euro en wordt 25 november uitgereikt in het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam. Coenraad Temminck Groll (Amsterdam, 1925) uit Driebergen studeerde bouwkunde aan de TH Delft. In 1963 promoveerde hij cum laude op een proefschrift over middeleeuwse stenen huizen in Utrecht. In datzelfde jaar kreeg hij hiervoor de Carel van Manderprijs van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici. Temminck Groll was tussen 1954 en 1972 werkzaam bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de Dienst Openbare Werken in Utrecht en bij het Kunsthistorisch Instituut van de Universiteit Utecht. Daarnaast had hij zijn eigen architectenbureau voor restauratie-

D

projecten. Van 1973 tot 1986 was hij hoogleraar in het architectonisch ontwerpen aan de TH Delft. Temminck Groll kan worden beschouwd als nestor van de Nederlandse monumentenzorg. Met zijn enthousiasme en bevlogenheid heeft hij als opleider en mentor veel studenten weten te inspireren en motiveren. Hij leidde belangrijke restauraties. Temminck Groll heeft een grote hoeveelheid artikelen en publicaties op zijn naam staan, waaronder ‘De architectuur van Suriname (1667-1930)’ en ‘De stenen droom, opstellen over bouwkunst en monumentenzorg’. In 2003 verscheen in samenwerking met drie andere auteurs zijn laatste grote publicatie ‘The Dutch Overseas’. Uit het juryrapport: Coenraad Temminck Groll heeft gedurende ruim een halve eeuw op effectieve en geestdriftige wijze, met daadkracht en resultaat, als docent en inspirator, als monumentenzorger en bestuurder, het Nederlandse erfgoed binnen

A D V E R T E N T I E

56

WINNAAR

2005 Stichting Monumentenzorg Curaçao 2003 Landschapsbeheer Nederland 2001 Federatie Oud-Nederlandse Vaartuigen 1999 Stichting Nationaal Reddingsfonds Olympisch Stadion 1997 Cuypers Genootschap 1995 Stichting Kultuer en Toerisme yn Fryslân 1993 Stichting Historisch Boerderij-onderzoek 1991 Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland 1990 Stichting Federatie Monumentenwacht Nederland 1989 Anne van Grevenstein 1988 Vereniging Hendrick de Keyser 1987 Rijnlandse Molenstichting 1985 Drs. H.G. de Olde 1984 Amsterdamse Maatschappij tot Stadsherstel N.V.

het koninkrijk en overzee grote diensten bewezen. De jury van de Prins Bernhard Cultuurfonds Monumentenprijs 2008 bestond uit Guus Borger (voorzitter), Johan Carel Bierens de Haan en Peter Karstkarel.


Onderscheidende inhoud

Hoogstaand drukwerk

Smaakvolle vormgeving

Perfecte distributie

Uw relaties zijn het waard Uw relaties zijn de basis voor uw succes. Dat mogen ze best weten. Geef blijk van uw waardering met een uitgave op niveau. Perfect drukwerk dat de ontvanger het gevoel van een cadeau geeft... Dat bereikt een e-mailing of website nooit. Educom realiseert al meer dan 20 jaar toonaangevende publicaties. Van basis-concept, inhoud en ontwerp, tot en met distributie (incl. sealen, postale- en abonneeservice). U heeft al een uitgave, of voelt er wel voor? Neem contact op voor een gesprek over hoe onze expertise u van dienst kan zijn.

Uitgeverij Educom BV

www.uitgeverijeducom.nl

Mathenesserlaan 347 Rotterdam T 010 - 425 6544 info@uitgeverijeducom.nl


F O T O : B U R E A U M O N U M E N T E N Z O R G A M E R S F O O RT

Havik 37

Dit Rijksmonument staat te boek als een 18de-eeuws huis. Stadsherstel is op 1 maart 2007 in het bezit gekomen van dit object. Tijdens de voorbereiding van de restauratie, die thans wordt uitgevoerd, bleek dat in het interieur nog alle kenmerken van een laat-middeleeuws huis aanwezig zijn: keldergewelven, balklagen met moer- en kinderbinten en een oud-hollandse sporenkap.

NV Amersfoortse Maatschappij tot Stadsherstel Muurhuizen 159 Postbus 842 3800 AV Amersfoort

Stadsherstel verwerft, restaureert en beheert monumenten en beeldbepalende panden. Niet om ze vervolgens onder een stolp te plaatsen. De objecten worden verhuurd als winkel, atelier, kantoor, horecagelegenheid en/of woning. Op deze manier blijft ons erfgoed deel uitmaken van ons leven.

Telefoon 033-460 50 20 Fax 033-460 50 39 E-mail info@stadsherstelamersfoort.nl www.stadsherstelamersfoort.nl

Cultureel erfgoed voor de toe

Vitruvius oktober 2008  

Onafhankelijk vaktijdschrift voor archeologie, cultuurlandschap & monumentenzorg

Vitruvius oktober 2008  

Onafhankelijk vaktijdschrift voor archeologie, cultuurlandschap & monumentenzorg

Advertisement