Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 9 | NUM MER 3 6 | JU L I 2 0 1 6

WIE ‘SCHIEP’ NEDERLAND NU ECHT? EEN REACTIE OP EEN VRIJZINNIGE GEDACHTE.

HET EUROPEES ERFGOEDLABEL EERSTE ERVARINGEN EN ENKELE KRITISCHE KANTTEKENINGEN

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 1

VIJFTIG TINTEN BLAUW

ARCHEOLOGIE EN GEMEENTELIJKE GEBIEDSONTWIKKELING. DE CASUS OOSTERDALFSEN

12/06/16 16:02


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt u op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 2

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

12/06/16 16:02


JAARGANG 9 NUMMER 36 JULI 2016

5 KORT

14

HET EUROPEES ERFGOEDLABEL: EERSTE ERVARINGEN EN ENKELE KRITISCHE KANTTEKENINGEN

WIE ‘SCHIEP’ NEDERLAND NU ECHT? EEN REACTIE OP EEN VRIJZINNIGE GEDACHTE.

ARCHEOLOGIE EN GEMEENTELIJKE GEBIEDSONTWIKKELING: DE CASUS OOSTERDALFSEN

28

6

20

29 VIJFTIG TINTEN BLAUW

RECENT VERSCHENEN

3

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 3

12/06/16 16:02


colofon

VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

ONDERSTEUNERS

COLOFON Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke

Hoofdweg 255 9765 CH Paterswolde Tel. 050 308 01 00 mail@steenhuismeurs.nl www.steenhuismeurs.nl

redactie en redactieraad UITGEVER/BLADMANAGER

Robert Diederiks

REDACTIE

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

S.A. Muller

Drs. E. Raap

mw. Drs. S.M. van Roode

R.P.H. Diederiks

REDACTIERAAD

Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Paganellus Minor

Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE

Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland E 45.- /België E 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom BV Juli 2016 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

4

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 4

12/06/16 16:02


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

kort

2016

CollectieCentrum Nederland naar Amersfoort

M

et de Gemeente Amersfoort is een intentieovereenkomst tot koop van een perceel grond gesloten voor de locatie van het nieuw te bouwen CollectieCentrum Nederland (CC-NL). Het gezamenlijke collectiegebouw voor de rijkscollecties van het Nederlands Openluchtmuseum, Paleis Het Loo, het Rijksmuseum en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt gerealiseerd in Amersfoort Vathorst.

een ontwerpteam geselecteerd bestaande uit het Delftse architectenbureau cepezed en de adviesbureaus ABT, Valstar Simonis en Peutz. Cepezed ontwierp onder meer het Eye Collectiecentrum in Amsterdam en het DSM Biotechnology Center in Delft.

Lucas Bolsius, Burgemeester van Amersfoort: ‘Voor Amersfoort is het een eer om gastheer te zijn voor de schatten van toonaangevende nationale musea en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.’

Jan Pesman van architectenbureau cepezed: ‘We zien er enorm naar uit de ‘schatkamer’ van Nederland te ontwerpen. Het CC-NL wordt een functioneel en duurzaam gebouw van hoge kwaliteit dat een energie-efficiënte kunstopslag gaat combineren met een inspirerende werkomgeving voor de beheer en behoud van de nationale collectie’.

De samenwerkende instellingen hebben

Het CollectieCentrum Nederland ver-

vangt de bestaande depots van alle betrokken partijen die over diverse locaties verspreid zijn en realiseert door deze samenwerking optimaal duurzaam beheer en behoud van deze rijkscollecties, efficiency en kennisdeling. Voorzien is dat het CC-NL in 2020 in gebruik wordt genomen. n

Nederland beschermt erfgoed onder water met UNESCO-verdrag

N

ederland gaat cultureel erfgoed onder water beschermen door het internationale UNESCO-verdrag voor het behoud van erfgoed onder water te bekrachtigen. Minister Jet Bussemaker (OCW) en minister Bert Koenders (BZ) hebben recentelijk bekend gemaakt dat ze de intentie hebben om toe te treden tot het verdrag. Deze conventie verbetert de bescherming van onderwatererfgoed wereldwijd door internationale samenwerking. Minister Bussemaker: ‘Wrakken, historische landschappen en andere archeologische vindplaatsen zijn tijdcapsules, tastbare bewijzen van ons verleden. Ze leveren ons veel informatie op, die we niet altijd uit schriftelijke bronnen kunnen halen. Daarom willen we dit unieke onderwatererfgoed behouden, onderzoeken, maar vooral ook goed overdragen aan volgende generaties, zodat zij de verhalen kunnen vertellen en historische verbin-

dingen kunnen leggen met het verleden.’ Hoge urgentie De urgentie om op internationaal niveau cultureel erfgoed onder water beter te beschermen is hoog. Door technologische ontwikkelingen kunnen de veelal eeuwenlang ongeschonden gebleven plekken onder water nu eenvoudiger bereikt worden. Dit biedt kansen om steeds meer te ontdekken, te leren en te genieten van wat er onder water te zien is, maar heeft ook tot gevolg dat bergers en schatgravers wrakken kunnen plunderen en vernielen. Niet alleen schenden zij daarmee de locaties die een schat aan archeologische informatie bevatten, maar ook zeemansgraven worden daarmee bedreigd. De zeemansgraven die ouder zijn dan 100 jaar vallen binnen het bereik van het UNESCO-verdrag en met de bekrachtiging kan Nederland ook met betrekking tot dit cultureel erfgoed nadere stappen zetten om de bescherming te verbeteren. Als

maritiem land bij uitstek onderschrijft Nederland het belang van wereldwijde bescherming van cultureel erfgoed onder water. Wereldwijde bescherming UNESCO heeft zes cultuurconventies, waarin wereldwijde afspraken over de beschermingen van erfgoed zijn vastgelegd. Nederland is al tot vijf van de zes conventies toegetreden, zoals tot de conventie over werelderfgoed en de conventie over immaterieel erfgoed. Door de conventie over onderwatererfgoed te bekrachtigen, neemt Nederland positie in om samen met de internationale gemeenschap het erfgoed onder water wereldwijd te beschermen. Het verdrag is in 2001 door UNESCO opgesteld en op dit moment door 55 landen geratificeerd. n

5

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 5

12/06/16 16:02


VITRUVIUS

A.F.J. Niemeijer Is historisch-geograaf, werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort.

‘G

od schiep de wereld, maar de Nederlanders maakten hun eigen land’. Wie kent het gezegde niet? Maar waar komt deze clichématig gebruikte ‘wijsheid’ vandaan? Nederlanders verwijzen voor de herkomst vaak naar het buitenland – vreemdelingen stellen juist dat het een oud Nederlands grapje is. En de Schepper zelf - die bleef het antwoord schuldig. Hoe zit het nu echt? Wij Nederlanders stellen meestal dat het gezegde dat ‘God de wereld schiep, maar dat Nederland door henzelf werd gemaakt’ afkomstig is van een buitenlandse bewon-

NUMMER

36

JULI

2016

Wie ‘schiep’ Nederland nu echt? Een reactie op een vrijzinnige gedachte. deraar van het Nederlandse landschap – en dan uiteraard in het bijzonder het ‘gemaakte land(schap)’. Buitenlanders krijgen daarentegen vaak te horen dat het aforisme een oud en typisch Nederlands gezegde is. En dan zijn er natuurlijk ook nog degenen die (onvoorwaardelijk) terug wijzen naar de ‘Bijbelse waarheid’, als mede de (in ons land) tegenwoordig grootste groep: degenen die van geen Schepper met een hoofdletter willen weten. Deze laatste groep verdedigt een min of meer autonome ontwikkeling van het universum waarbinnen toevallig een intelligent, levend wezen tot ontwikkeling kwam dat het vermogen ontwikkelde de kosmische bol die we aarde noemen, naar

1 - Kaart van Willem Jansz. en Joan Blaeu van Noord-Holland (1631). Fascinerende droogmakerijen als De Zijpe, de Heer Hugowaard, de Beemster en de Schermer zijn duidelijk herkenbaar. Het noorden is rechts.

zijn hand te zetten. Nederland incluis. Maar als deze groepen elkaar de verantwoordelijkheid voor het ontstaan van Nederland in de schoenen schuiven en ook indien hiervoor één - of zelfs meerdere - premature ‘bekentenissen’ worden afgelegd, dan zijn er zeker voldoende ingrediënten voor een klassieke whodunnit. Dit artikel vormt het verslag van een poging uit de doeken te doen wie de auteur was van deze gevleugelde woorden en te ontrafelen uit welke tijd ze stammen. De uitkomst mag verrassend worden genoemd. Descartes noch Voltaire Wie onvoorwaardelijk gelooft dat het woord van God letterlijk genomen moet worden, zou deze bijdrage ongelezen kunnen laten, maar er is een aspect aan het betoog dat een wisselwerking tussen geloof en rede omvat. Kortom: wacht even af. Terwijl de herkomst van het gezegde meestal in het vage wordt gehouden – men heeft het dan over ‘een Fransman’, of over ‘ooit zei iemand’ – komt het soms ook voor dat het wordt aangedurfd nauwkeuriger te zijn. Zo wordt Voltaire (1694-1778) nogal eens genoemd en ook Descartes (1596-1650) is een regelmatig voorkomende naam. Niet onlogisch, want beide non-conformistische Franse denkers vertoefden langere (Descartes van 1628 tot 1649) of kortere tijd in ons land (Voltaire, bezocht de Nederlanden meerdere malen en hij was de taal zelfs redelijk machtig). René Descartes woonde in de toenmalige Republiek in de laatste decennia van de Gouden Eeuw en dus in de periode dat hier talrijke (vooral Noord-Hollandse) droogmakerijen, trekvaarten en buitens tot stand kwamen. [Afb. 1] Voltaire maakte weliswaar een tijd van (economische) stag-

6

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 6

12/06/16 16:02


NUMMER

36

JULI

2016

Gods ondoorgrondelijke wegen De lijnen tussen landaanwinning en landverlies aan de ene kant en Gods veronderstelde almacht zijn altijd kort geweest. Zeker in ons waterrijke land, in het grensgebied van eb en vloed en vooral ook nadat Nederland overwegend Calvinistisch van karakter was geworden. Tot de eerste grote pogingen ‘nieuw land’ te maken, behoorde de bedijking van de Zijpe (ten noorden van Alkmaar). Dit gebeurde aanvankelijk onder leiding van Jan van Scorel (1495-1562), maar het lukte pas definitief bij de vierde poging, in 1597. Maar het feit dat Van Scorel rond 1550 zijn beoogde landaanwinning ‘Nova Roma’ noemde, had een sterke symbolische betekenis: het nieuwe land zou een menselijk eerbetoon aan God zijn en hij schetste er niet minder dan 7 kerken.1 Drieënhalve eeuw later, in 1953, beschouwden duizenden hard core Calvinisten de Watersnoodramp in Zuidwest-Nederland – net als alle voorgaande overstromingen - als een straf van God.

singen kon bieden voor maatschappelijke problemen’, maar dat men er aan de andere kant vast van overtuigd was dat ‘natuurkennis zou leiden tot verdieping van Godskennis’. En die conclusie week niet principieel af van die welke Frijhoff en Spies trokken over wetenschap en filosofie in het midden van de 17de eeuw: ‘Vermoedelijk moet […] de fascinatie met de oneindige variatie van de natuur als een bijzondere uitdrukking worden opgevat […] waaruit hij Gods grootheid kan leren kennen.”5 Er viel in de Republiek der Verenigde Nederlanden in feite gedurende twee eeuwen amper over zoiets als een door mensen geschapen land of landschap te praten. Tekenend hiervoor is dat pas kort na 1774 de medicus en bioloog P. Camper (1722-1789) – vermoedelijk als eerste Nederlander - twijfels uitte over het heersende paradigma betreffende de schepping. Hij deed dit in een daarna nog 200 jaar obscuur gebleven handschrift, dat waarschijnlijk enige tijd na 1774 het licht zag – en niet in een publicatie.6 Alleen al de gedachte dat Hollanders / Nederlanders hun eigen land ‘schiepen’ was, theologisch beschouwd, eeuwenlang on-Nederlands. Dat het Haerlemmermeerboeck (1641) van J.A. Leeghwater – één van de mensen die aan de basis stonden van de Hollandse droogmakerijen - eindigt met “Den Almogenden, Goeden, Barmhertigen en Genadigen God, die Hemel en Aarde geschapen en gemaakt heeft […]”, duidt er indirect op dat die gedachte toen – in ieder geval bij hem - ook nog niet leefde. Maar met ‘de hulpe Gods’ was volgens Leeghwater veel mogelijk.7 Dat wist niet alleen hij, maar dat zagen ook vreemdelingen.

De Franse, Engelse en Duitse Verlichting kregen in het Calvinistische Nederland van de 17de en 18de eeuw maar een pover onthaal.3 Hoewel vrije denkers hier volop ruimte kregen en controversiële geschriften relatief weinig in de weg werd gelegd, was het toch gebruikelijk expliciet te kennen te geven dat God als enige in staat was de ‘natuur’ te beheersen en vorm te geven. Voorbeelden hiervan in publicaties en geschriften van vooral onze eigen ingenieurs, waterbouwkundigen en landmeters, maar ook in die van buitenlandse geleerden, zijn talloos.4 Hoe langzaam het proces van terugdringen van het absolute geloof in Gods unieke scheppingskracht ging, moge eruit blijken dat Kloek en Mijnhardt schreven dat men in ons land in het midden van de 18de eeuw enerzijds geloofde dat ‘wetenschap oplos-

Hulp uit het zuiden Mede doordat buitenlanders goed zagen wat er in de Nederlanden allemaal mogelijk was, kon de toeschrijving van het gezegde aan Voltaire toch een belangrijke sleutel tot het ontsluiten van het mysterie worden. Een eerste stap hierin was de vondst van een korte bijdrage in het Algemeen Handelsblad van 7 januari 1876, die was geplaatst naar aanleiding van een in de Engelse Daily Mail opgenomen bericht over toenmalige plannen tot droogmaking van onze Zuiderzee. In het krantenartikel worden de Engelsen enigszins belerend toegesproken door ze erop te wijzen dat ze beter hadden kunnen wachten op het (toevallig?) op diezelfde 7de januari in België verschenen artikel: ‘Annexion pacifique d’une province de l’empire de Neptune par le gouvernement

natie van dichtbij mee, maar intussen was de Republiek, zoals die er tot aan het ontstaan van het Koninkrijk (1806/1815) zou uitzien, wel zo ongeveer op de kaart gezet; de Republiek met haar tientallen Noord- én Zuid-Hollandse droogmakerijen, polders, poldermolens, waterwegen, dijken en rationele verkavelingen. Ondanks de toeschrijvingen van het gezegde aan één van deze beide grote denkers van het begin, respectievelijk de hoogtijdagen van de lange Eeuw van de Rede, bleek echter nooit en nergens dat één van hen de woorden op papier heeft gezet.

2 - Pierre-Daniel Huet (1630-1721); bisschop en sceptisch geleerde. Hollandais’. Het artikel in het Handelsblad bevat als sluitstuk de volgende Latijnse regels: ‘Tellurem fecere Dei, sua littora Belgae’, die werden vertaald als: ‘God schiep de zee en ‘t land, maar Holland schiep zijn kusten.’ Het in de Belgische krant verschenen artikel (en een overdruk ervan) eindigden met een vrijwel identieke tekst: ‘Tellurem fecere Dii, sua littora Belgae.’ De Belgische krant gaf als vertaling: ‘les dieux ont créé la terre, mais les Hollandais leurs rivages.’ Naast de gehanteerde meervoudsvorm, is opmerkelijk dat er een toevoeging is: ‘l’adage de leurs ancêtres’. Opmerkelijk omdat er gezinspeeld wordt op ‘een gezegde van hun voorouders’.8 Maar wie zouden dan die voorouders geweest moeten zijn? Een volgend tipje van de sluier raakte opgelicht in een recensie van een Franstalige, biografische schets van een grote Nederlandse ingenieur van waterstaat, Jan Blanken Jnz (1755-1838).9 In de recensie – en vergelijkbaar in de korte biografie - staat onder meer: “[…] dien de Schrijver te regt “een’ der nuttigste burgers van een land als Holland noemt, waarvan VOLTAIRE met reden (naar HUAT) gezegd heeft:God schiep de wereld, maar de menschen Holland.” De auteur stelde dus dat niet Voltaire, maar vóór hem ene Huat het gezegde heeft gemunt. Bedoeld werd echter Huet – om precies te zijn: de ruim 90 jaar oud geworden Fransman Pierre-Daniel Huet (1630-1721), een niet door de paus erkende bisschop, maar tevens sceptisch filosoof en ‘man van de wetenschap’. [Afb. 2] Huet was iemand die de Nederlanden meerdere keren 7

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 7

12/06/16 16:02

Foto: Marieke Kuipers.

VITRUVIUS


VITRUVIUS

bezocht en er ook over schreef. Van betekenis is in dit verband het volgende citaat uit 1678: “Car sa scituation basse & marescageuse le feroit encore maintenant servir d’égoust à la mer, si l’industrie de ses habitants ne luy avait donné contre les fureurs de lóccean, de vastes barrières de sable qu’on apelle les Dunes pleines d’herbes salées, qui rendent excellent une infinité de gibier qui s’en nourrit.” [sic] Verder schreef Huet op deze plaats over een ‘terrain tout artificiel’. De lage ligging van het land en de ‘riolen’ (boezems) die als afwatering van de moerassen dienden, alsmede de inspanningen die de inwoners zich moesten getroosten om – samen met de duinen – de woeste oceaan buiten het ‘kunstmatige land’ te houden, spraken kennelijk tot zijn verbeelding. Iets verderop voegde hij hieraan nog toe dat hij vaak tochten en wandelingen maakte “sur ces digues merveilleuses qui protégent la campagne contre les envahissements de la mer […]”.10 Alsof dit nog niet genoeg was, schreef Huet ook nog de 12 eerste regels van een in het Latijn gesteld gedicht over de Nederlandse kusten / kustverdediging / dijken (Zie: In aggeres Hollandicos).11 De geciteerde tekst (en de context ervan) en de 12 regels bevatten echter niet de minste verwijzing naar God of goden en ze kunnen op basis hiervan dan ook niet de definitieve oplossing van het vraagstuk zijn. Huet werd dus zeker terecht in verband gebracht met het gezegde, maar de exacte bewoording is niet van hem. De Noordzee over Dat begrepen ook auteurs als Willem Bilderdijk (1756-1831) en Rhijnvis Feith (1753-1824), beiden weliswaar Calvinisten, maar zeker niet van de ‘steile’ soort. Feith stelde al in 1793 dat Huets naam niet met zekerheid aan de hierboven genoemde, Latijnse woorden ‘Tellurem fecere Dei, sua littora Belgae’ – gekoppeld kan worden. En (dus) ook niet aan het Nederlandse gezegde. Feith schreef dat, behalve Huet, ook ene Pitcairn als auteur ervan wordt genoemd. Met deze naam - Feith bedoelde Archibald Pitcairn(e) (1652-1713) – wordt een totaal nieuwe buitenlandse dimensie toegevoegd. Pitcairne was namelijk een Schots medicus, die in 1692 een aanstelling kreeg aan de universiteit van Leiden, maar die – als gevolg van een huwelijkskwestie - reeds in het volgende jaar terugkeerde naar zijn geboortegrond. Pitcairne was aanhanger van het (in 1688 afgezette) Britse vorstenhuis – van de Stuarts - en als zodanig was hij een

opponent van Stadhouder Willem III, die in 1689 Brits Koning werd.12 [Afb. 3] Ruim 60 jaar vóór Feith, namelijk rond 1730, had ook François Michel Janiçon (1674-1730) de eer aan Pitcairne gegeven – zonder zelfs maar te reppen van een Huet (of van Descartes en Voltaire). Hiermee lijken we dus op de goede weg. Volgens de naar de Nederlanden uitgeweken Hugenoot Janiçon was Pitcairne zeker de oervader van dit Latijnse puntdicht over Holland – en dus van het gezegde. Als eerste regels gaf hij: “Tellurem fecere Dii, sua littora Belgae // Immensaeque patet molis uterque labor.” [Afb. 4 voor het integrale gedicht] Als (mogelijk eigen) vertaling gaf hij: “De Goon [= Goden, AFJN] maakten d’aarde, en d’oevers Nederlant. Waaruit hun arbeit blykt en yver aan weerzyden.”13 Opmerkelijk is dat Janiçon – noch zijn uitgever – er rond 1730 bezwaar tegen had het meervoud ‘Goden’ te gebruiken – een toentertijd tamelijk vrijzinnige manier van zeggen wanneer het geen ‘heidense godheden’ betrof. Niet alleen Janiçon

NUMMER

36

JULI

2016

3 - Archibald Pitcairn(e) (1652-1713); medicus en aanhanger van de Stuarts.

4 - De vertaling van François Michel Janiçon en onderaan het integrale Latijnse gedicht (1730).

8

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 8

12/06/16 16:02


NUMMER

36

JULI

2016

Bron: PF.

VITRUVIUS

5 - Deel van het Hoogheemraadschap van Rijnland – de omgeving van Wassenaar, door Melchior Bolstra (1746). Zowel de duinformaties langs de kust, als de polders en droogmakerijen spraken tot de verbeelding van de buitenlanders. Overigens zou in Zuid-Holland nog veel veengrond vergraven en uitgebaggerd worden voordat de plassen werden droog gemalen. was ervan overtuigd dat Pitcairne de auteur was van het gevatte gedicht, maar ook de al genoemde Willem Bilderdijk. Deze bezat een uitgebreide collectie dichtwerken en gaf hem full credits.14 Het gevatte gedicht is vermoedelijk op papier gezet kort na Pitcairnes verblijf in Leiden – en mogelijk dus nog net in de 17de eeuw. Dat kan blijken uit het voorkomen ervan in een Frans boekje uit 1704, waarin staat dat het kort tevoren is geschreven en waarin expliciet ‘Pitkaerne’ als auteursnaam wordt genoemd.15 Maar het gedicht werd pas opnieuw in druk uitgegeven na diens dood en het was aanvankelijk vooral bekend onder zijn pseudoniem Walter Dennistoun. ‘Dennistoun’ droeg het op aan de Venetiaan Jacopo Sannazaro (14581530!), die een vergelijkbaar gedicht maakte over zijn stad.16 Toch zijn we hiermee niet aan het eind van de zoektocht. Ook doordat een en ander nog eens extra wordt gecompliceerd vanwege het bestaan van twee vari-

anten van het gedicht - beide voorkomend in het postuum verschenen ‘Poemata selecta’.17 Pitcairnes gebruik van schuilnamen hing mogelijk samen met het feit dat hij door tijdgenoten als pantheïst, of zelfs als ongelovige of atheïst werd beschouwd. Het is in dit verband betekenisvol dat de twee versies op een belangrijk punt verschillen. In de eerste variant luiden de laatste regels in het Engels als volgt: “But the works of the Gods and natural law had obstructed the Dutch; however these people cheated the Gods.” Dit was op zichzelf reeds een godslasterlijke gedachte. Maar in de tweede versie maakte hij het, zo mogelijk, nóg bonter: “But the sea and sky and natural law stood in the way of the Dutch; these people subdued the Gods who stood in their way.”18 Dat God te ‘beduvelen’ zou zijn - of zelfs te bedwingen - ging er rond het jaar 1700 in het Calvinistische Nederland absoluut niet in. Zelfs niet als ‘goden’ een op de klassieke

oudheid geïnspireerde, dichterlijke vrijheid vertegenwoordigde. Geen wonder dat het als lofdicht bedoelde werk toen (verder) niet meer in druk verscheen en dat het in de Republiek der Verenigde Nederlanden hoogstens van mond tot mond ging. Maar mogelijk werd het zelfs totaal verzwegen. Hoe sterk de afkeer van goddeloosheid was, moge blijken uit werk van de vroege ‘verlichte’ arts en filosoof Bernard Nieuwentijt (1654-1718), die rond diezelfde tijd flink van leer trok tegen het opkomend atheïsme.19 Handhaven Of Nieuwentijt het godslasterlijke gedicht van Pitcairne kende, weten we niet. Zeker is wel dat de eerste gedrukte versie ervan in 1704 in Frankrijk is uitgegeven en een volgende in 1727 in Schotland (onder pseudoniem). Het vraagstuk van de herkomst van het gezegde lijkt hiermee opgelost – ware het niet dat Van Strien in 1993 delen 9

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 9

12/06/16 16:02


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

van een in 1966 (herontdekt) en relatief onbekend handschrift het licht deed zien. Het handschrift werd vervaardigd door een andere Schot, James Fraser, die van juni 1657 tot april 1660 een rondreis (een zgn. ‘grand tour’) door Europa maakte en daarbij in 1659 de Nederlanden aandeed.20 Van Striens beschrijving van het werk komt voor in een studie over Britse reizigers in Nederland, die daarvan op een of andere manier verslag hebben gedaan. De studie beslaat globaal de periode 1550-1710. Hij noemt Pitcairn(e) één keer, maar niet als reiziger en/of rapporteur, hoewel hij – zoals eerder opgemerkt – in 1692/93 in Leiden doceerde. [Afb. 5] De genoemde James Fraser (1634-1707), telg van een vooraanstaand Schots geslacht, begon nog tijdens zijn omzwervingen aan een reisverslag.21 Het originele handschrift bevindt zich thans in de collectie van de Universiteit van Aberdeen, Schotland.22 Van Strien beschreef de ‘Nederlandse’ delen van het handschrift en constateerde onder meer dat het een in het Latijn gesteld gedicht bevat, waarvan Fraser tevens een vertaling gaf. Van Strien nam in zijn studie alleen deze Engelse vertaling op en verwees daarbij in een noot naar Pitcairn: “the poem is by A. Pitcairn: “Tellurem fecere Dei, sua littora Belgae”” De eerste regel van Frasers vertaling luidt bij Van Strien: “Gods made their land, the Hollanders their shore;”23 Het leek te mooi om waar te zijn, maar - anders dan bij advertenties waarin ‘gegarandeerde rendementen met onwaarschijnlijk hoge percentages’ worden beloofd - klópte het in dit geval: het was wáár. Enkele contacten met de Universiteit van Aberdeen zorgden voor bevestiging. In het handschrift van Fraser komen inderdaad zowel een Latijnse, als een in het Engels overgezette versie voor van het gedicht dat we intussen kennen van Pitcairne. Een kopie van de desbetreffende bladzijde vormde het bewijs. Aardig om op te merken is nog dat Fraser in 1661, dus vrijwel direct na zijn terugkeer, werd aangesteld als predikant van de parochie Kirkhill, in Moray, onderdeel van de Church of Scotland (verwant met Anglicaanse kerk). Later in zijn leven stelde hij nog een geschiedenis samen van het geslacht Fraser, waarin hij nog kort terugkwam op zijn reis.24 Terug naar de Republiek Het door Van Strien aangetroffen gedicht en de vertaling brengen echter ook nog een totaal niet verwachte wending aan dit ver-

6 - Fragment van het handschrift van James Fraser met het verslag van zijn reizen. Hier het Latijnse gedicht en eronder zijn Engelse vertaling. Tevens de frase waarin hij zegt het opgetekend te hebben uit de mond van de auteur en dat het werd geschreven voor de ongeveer 9 jaar oude Prins van Oranje. (Reproduction by kind permission of University of Aberdeen) haal teweeg. Fraser schreef zijn reisverslag omstreeks 1660, toen Pitcairne ongeveer 8 jaar oud was! Het valt daarom niet serieus aan te nemen dat de laatste werkelijk de auteur was. Hoe Pitcairne rond 1700 aan de tekst van het gedicht kwam, zal wel altijd een raadsel blijven, maar er bestaat in elk geval één heel dun lijntje. In relatie tot John Fraser bevat het handschrift namelijk nog twee verrassingen. Terwijl 1670 bij de Universiteit van Aberdeen te boek staat als jaar waarin de reisverslagen definitief waren geboekstaafd (nadat Fraser er al in 1659 aan was begonnen), bevat de passage die volgt op de beide versies van het puntdicht een aanwijzing dat Fraser niet zelf de auteur was. Hij schrijft namelijk dat “it came from the Authors own Mouth.” [Afb. 6] De eerste verrassing is dus dat het erop lijkt dat Fraser wil aangeven dat de auteur iemand was die hij in de Republiek ontmoette. Mogelijk - maar niet per se - een Nederlander. De tweede surprise hangt samen met het feit dat boven deze frase een vrij nauwkeurig te dateren moment wordt genoemd waarop het zou zijn ontstaan. Deze aanwijzing is dat het lofdicht werd geschreven voor de in 1659 ongeveer negen jaar oude Prins van Oranje – de latere Stadhouder Willem III, óf voor zijn vader, Prins Willem II. Want er staat ook: “some say to his father”. Deze laatste stierf ruim een week vóór de geboorte van zijn zoon, Willem Hendrik – de latere Willem III, die leefde van november 1650 tot maart 1702. Als het gedicht werd

geschreven voor Willem II, dan is het van belang iets over zijn biografie op te merken. Hij volgde in 1647 zijn vader, Frederik Hendrik, op als stadhouder. Hij was degene die uiteindelijk de Tachtigjarige Oorlog (1648) mede tot een einde bracht. Deze zogenoemde Westfaalse Vrede deed Europa echter al snel opnieuw op zijn grondvesten schudden en de jaren rond 1650 werden in meerdere opzichten een keerpunt in de geschiedenis: politieke, economische, wetenschappelijke en religieuze turbulenties buitelden over elkaar heen.25 Zo poogde Willem II na de Westfaalse Vrede (ook bekend als Vrede van Munster) de gewesten (inclusief de Zuidelijke Nederlanden) te verenigen en trachtte hij een nieuwe monarchie te stichten. Dit stuitte echter op grote weerstand. In juli 1650 deed hij een poging tot staatsgreep en trachtten zijn troepen Amsterdam in te nemen. Die opzet mislukte, waarna Willem II nog vóór het einde van datzelfde jaar stierf door een infectie. Hij was weinig geliefd en ook weinig subtiel. In zijn persoonlijk leven speelde een rol dat hij (reeds als kind) was gehuwd met Maria Stuart, dochter van de Britse Koning Karel I. Deze was van Schotse komaf en was aanvankelijk Anglicaan, maar neigde meer en meer naar het Rooms-Katholicisme. Stadhouder Willem II poogde zijn daardoor van het voetstuk gevallen schoonvader rond 1648 weer in het zadel te krijgen, maar dit mislukte. Karel I werd in 1649 onthoofd – naar verluidt vanwege hoogverraad in de periode

10

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 10

12/06/16 16:02


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

van de met godsdiensttwisten samenhangende Engelse Burgeroorlog. De dood van de Britse Koning, begin 1649, en van Stadhouder Willem II, in 1650, luidden in de beide federale staten een periode in van bestuur door een ‘burgerregering’. De jaren rond 1650 waren dan ook niet de meest rustige – en ook zeker niet de veiligste voor een ‘dichter’ om zijn sympathieën of antipathieën jegens een landsheer te boek te stellen.26 Toen James Fraser het gedicht in 1659 uit de mond van ‘de auteur’ optekende, kan het dus al enige tijd een ondergronds (Hollands) bestaan hebben gekend. Dat het echter ook het werk van een Schotse of een Engelse auteur geweest kan zijn, zou kunnen worden afgeleid uit het feit dat er talrijke studenten uit die landen naar Leiden kwamen. Het is daarom ook zeer wel denkbaar dat Fraser het gedicht heeft vernomen van een van die gasten van gene

zijde van de Noordzee.27 De constatering dat in het gedicht van Nederlanders wordt gesproken – maar niet in de eerste persoon (als wij), maar in de derde persoon (als zij) – kan steun geven aan een veronderstelling dat er mogelijk een niet autochtone auteur in het spel was – al dan niet in 1659. Dan kan gedacht worden aan iemand uit diplomatieke hoek of eventueel aan zo’n Britse student. Dat het gezegde in die tijd nog niet tot de gevleugelde woorden behoorde, kan nog door een andere bron worden ondersteund. Het is in dit verband namelijk het vermelden waard dat de beroemde Atlas Maior van Joan Blaeu, waarvan de ‘definitieve’ versie dateert van 1664/65, op dit punt niet het minste aanknopingspunt bevat, wat er op wijst dat de uitdrukking in die tijd (zeker in Amsterdam) nog geen voet aan de grond had gekregen.28 Ook het feit dat er geen Nederlandstalige versie – ouder dan

7 - De jonge Prins Willem III, geschilderd door Jan Davidsz de Heem en Jan Vermeer van Utrecht (1660).

die van Janiçon, uit 1730 - lijkt te bestaan, duidt hierop. Kringen rond Willem III / William III Voor wat de ontstaanstijd betreft is er nog een andere aanwijzing die wellicht een meer precieze datering mogelijk maakt. Willem III verhuisde namelijk eind 1659 naar Leiden om er onderwezen te gaan worden. Dat was toen hij op het punt stond zijn negende verjaardag te vieren, maar dus ook precies in het jaar waarin Fraser ons land - en ook Leiden - bezocht. (! – zo staat het ook in Frasers reisverslag) De Prins leerde er onder meer Latijn, maar hij moest er – op advies van zijn mentor, de dichter Constantijn Huygens (1596-1687) - worden weggehouden van goddeloosheid en scepticisme.29 Fraser kan dus dat jaar in de nabije omgeving van Willem III hebben verkeerd en het gedicht uit de mond van diens (toekomstige) leermeesters hebben opgetekend, maar ook uit die van een oudgediende van Stadhouder Willem II. Enkele namen die in dit verband genoemd kunnen worden, zijn – naast die van Huygens - die van ene Cornelis Trigland (predikant: leraar godsdienst), van Abraham Raguineau (schilder: leraar kunsten) en van Hendrik Bornius (classicus: leraar Latijn). Helaas is echter van geen van hen een gedicht bekend dat zinswendingen kent die vergelijkbaar zijn met die van het gezegde dat het startpunt van deze zoektocht bevat. Dus valt het nauwelijks te verdedigen dat één van hen de auteur was. Dus evenmin als vastgesteld kan worden of wellicht een Brit de auteur was, kunnen we met zekerheid een Nederlandse naam aan de ode koppelen. Althans geen andere dan die van James Fraser, die het gedicht - mogelijk als eerste - aan papier toevertrouwde. Het is weinig waarschijnlijk dat we dat ooit zullen weten wie het hem souffleerde. Wel mag worden aangenomen dat het gedicht ontstond tussen maximaal drie jaar vóór november 1650 en uiterlijk ergens in 1659 en wel in de nabije omgeving van de Oranjes. Deze periode omvat immers de vier jaren van het stadhouderschap van Willem II en de eerste achtenhalf levensjaren van de latere Willem III. Een met deze tweede verrassing samenhangend feit is dat Willem III, na de zogenoemde Glorious Revolution van 1688, in 1689 Koning werd van Engeland, Ierland en Schotland! En dit laatste naast zijn stadhouderschap in de Nederlanden.30 Nog iets is hiermee zeker: er is via Willem II en Willem III een kring gesloten tussen de toenmalige Nederlanden 11

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 11

12/06/16 16:02


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

vertaling van het gedicht, zoals Fraser het opschreef, als eerste in gedrukte vorm het licht deed zien. Ere wie ere toekomt.

8 - De waterbouwkundige en molenbouwer Jan Adriaensz Leeghwater (15751650), tevens auteur van het Haerlemmermeerboeck (1641). en Schotland en wellicht is ‘King William III’ wel het slot waarop zowel de sleutel van Fraser, als die van Pitcairn(e) past. [Afb. 7] Tot besluit Wie de echte auteur van het lofdicht was, werd niet achterhaald, maar dat het iemand in de directe nabijheid van de Nederlandse stadhouders / Oranjetelgen van rond of hoogstens tien jaar na 1650 geweest moet zijn, lijkt aannemelijk. Dat Voltaire afschreven kan worden als maker, is wel zeker: het gedicht is reeds ver voor zijn geboorte bekend. René Descartes daarentegen stierf in 1650 en hij verbleef tot 1649 in ons land; hoewel het dus denkbaar is dat hij

een gedicht voor stadhouder Willem II geschreven heeft (wat niet is gebleken – en wat gezien Descartes’ opvattingen ook niet erg waarschijnlijk is), kan James Fraser hem niet hebben ontmoet. Hij kan het dus onmogelijk uit de mond van Descartes hebben opgetekend. Een andere Schotse of Engelse auteur dan Fraser behoort tot de mogelijkheden – wellicht valt dan te denken aan een student in Leiden of mogelijk iemand uit diplomatieke hoek. Een lofdicht voor de Prins van een student is echter minder voor de hand liggend dan van een diplomaat – zeker in het politieke en religieuze tijdsgewricht van toen. Het is intussen vrijwel zeker dat het Van Strien was, die de Engelse

Opmerkelijk genoeg viel het ontstaan van het gedicht kort nadat er een einde was gekomen aan de (eerste) hausse van het droog maken van meren en plassen in Holland. Het laatste ontwerp / plan van de reeds genoemde waterbouwkundige Jan Adriaensz Leeghwater (1575-1650) – drooglegging van het Haarlemmermeer – was niet meer tot uitvoering gekomen en tegelijk met hem leek ook de ‘bravoure’ op dit gebied gestorven te zijn. De offensieve strijd tegen de zee en de binnenwateren leefde lange tijd voort in het collectieve geheugen, maar in werkelijkheid duurde het tot in de 18de eeuw eer er weer gedurfde droogmakerijen gerealiseerd werden. Een vraag hierbij is: schreef Leeghwater in 1641 waarschuwende of vermetele woorden, toen hij aangaande een eventuele droogmaking van het Haarlemmermeer optekende: “Om met de hulpe Godes hier toe [nl. het droog maken, AFJN] te mogen komen, […] bestaat principaal en voornamelyken aan 2 of 3 notable dingen. Het eerste dat is een zware, breede, digte, starke, wel-geformeerde en gemaakte Ring dyk. Het andere dat is, dat men daar nog by moet hebben, goede, bequame, groote, sterke agt-kante Water-Molens, die alle in goede ordre gezet, gemaakt en gestelt zyn, daar nog by goede bequame Sluizen en uitwateringen ter gelegener plaatzen op het Y, […].”31 [Afb. 8] De bedenker van dit (pas twee eeuwen later tot uitvoering gekomen) plan stelde in elk geval dat dit werk slechts met Gods hulp gerealiseerd zou kunnen worden. De tekst laat ook zien dat hij zich uiteindelijk als een afhankelijke dienaar van de hand van God beschouwde en niet als een ‘schepper naast God’. En dat is toch iets heel anders dan wat er bedoeld wordt in het gezegde ‘God schiep de wereld, maar de Nederlanders maakten hun eigen land’. We kunnen er misschien uit concluderen dat de Nederlanders toentertijd de hand van God in hun werken zagen en erkenden. Dat de Schot James Fraser er in of rond 1659 geen moeite mee had de uitspraak op te tekenen in kringen rond Prins Willem III - maar niet de moed had (?) zijn bron erbij te noemen – geeft misschien aan dat deze gedachte toen nog het karakter had van een vloek in de kerk. Maar nadat die andere Schot, Archibald Pitcairne, ongeveer een halve eeuw later de woorden in druk had laten verschijnen, had hij daarmee alsnog

12

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 12

12/06/16 16:02


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

een gevleugeld gezegde gemunt. Dat vele bewonderende buitenlanders de Nederlanders vervolgens als ‘scheppers’ ervoeren, was daarna nog slechts een kwestie van tijd. En wij Nederlanders zelf? Wij bleven tot op de dag van vandaag vage Calvinisten: we schuiven de uitspraak in de schoenen van Fransen of Engelsen en wassen verder onze handen in onschuld; zijn we al 350 jaar een beetje laf misschien? Ik schrijf god en goden zelf het liefst met een kleine g en denk dat Nederland voor een belangrijk deel door de Nederlanders tot stand werd gebracht op een hemellichaam dat ‘puur natuur’ is. Het gezegde ‘God schiep de wereld, maar de Nederlanders maakten hun eigen land’ markeert min of meer toevallig het einde van een levendig (eerste) tijdperk van grootschalige droogmakingen en van het begin van een tijd van economisch ‘stationair draaien’. In die zin vertegenwoordigt het de meerwaarden van typisch Nederlandse ruimtelijke ingrepen die buitenlanders (nog) wel herkenden, maar die onze toenmalige landgenoten inmiddels grotendeels ontgingen. Er is niets nieuws onder de zon. Referenties 1  W. van der Ham (2009), Hollandse polders, pp. 14 e.v.: Van Scorel was eerder in dienst geweest van Adrianus VI, de eerste en enige Nederlandse Paus en hij woonde toen in Rome. 2  De letterlijk genomen Bijbelse ‘zondvloed’ zal hieraan niet vreemd zijn. Er zijn zelfs polemieken over dit onderwerp in kranten geweest via ingezonden brieven, o.m. in de Leeuwarder Courant. 3  Bv. geleerden als Descartes, Newton, Leibniz; denkers als zij waren rationalisten, maar zeker geen atheïsten. De eerste was wel de meest controversiële en – met o.m. Spinoza – werd en wordt hij wel als wegbereider daarvan gezien. 4  Zie bv.: J.A. Leeghwater (1641), Haerlemmermeerboeck, no. 75; N.N. (1753), Beschryving van het oude Batavische zeestrant […], Voorreden, pp. 108 e.v. en m.n. 118, 128-135; Vgl.: A. van de Woud (1998, herziene druk), De Bataafse hut, pp. 63 e.v. 5  J.J. Kloek en W.W. Mijnhardt (2001), 1800. Blauwdrukken voor een samenleving, p. 108; W. Frijhoff en M. Spies (1999), 1650. Bevochten eendracht, pp. 280-349 en m.n. 291 e.v, 321; 351-421. 6  A. van de Woud (1998), pp. 69 e.v. 7  Zie o.m.: J.A. Leeghwater (1641), pp. 98,

168, 169, 175. Zie bv.: http://leesmuseum.bibliotheekarnhem.nl/LM06460/8 9  G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema (1818), Vaderlandsche Letteroefeningen, p. 489; Zie ook: Galérie Historique des Contemporains où Nouvelle Biographie […], Tome II (1818), p. 186. 10  P.D. Huet (1678), Mémoires de Hollande, pp. 69 e.v., 85, 86. 11  P.D. Huet (1694), Poemata, Latina & Graeca, p. 55 12  Over de relatie Edinburgh-Leiden, zie o.m.: J.D. Comrie (1938), Boerhaave and the early Medical School at Edinburgh. NTvG, 82, IV, 40, nrs. 4828-4835; http:// www.royaldunfermline.com/Resources/ Genealogy/FB8/FAMILY_HISTO RY_8_UNSTOUN.pdf, pp. 8 e.v.; L. van Poelgeest (1990), The stadholder-king William III and the University of Leiden. In: P.G. Hoftijzer en C.C. Barfoot (1990), Fabrics and Fabrications: The Myth and Making of William and Mary (pp. 97-134), p. 122. 13  Zie: F.M. Janiçon (17362), De Republiek der Vereenigde Nederlanden, Eerste Deel, p. 13. Zijn vertaling van het complete ‘puntdicht’ luidt als volgt: “De Goon maakten d’aarde, en d’oevers Nederlant.// Waaruit hun arbeit blykt en yver aan weerzyden.// De Goden wouden dit verspreide lant doorsnyden.// In ’t ruim der lege lucht, daar niets zich tegenkant.// Maar schoon natuur, en zeën, en landen samen stemmen.// Tot Neërlants schâ, nogtans kon dit de Goden temmen.” 14  W. Bilderdijk (1859; postuum), De Dichtwerken van Bilderdijk XV, pp. 534, 535. 15  Mémoires pour l’Histoire Des Sciences & des beaux Arts […], (1704). 16  Vgl.: J. Andrews (1781), Two additional letters […], pp. 18, 19. 17  A. Pitcairne (1727), Selecta poemata Archibaldi Pitcarnii […], p. 3. 18  J. &. W. MacQueen (2009), Archibald Pitcairne, The Latin Poems, pp. 182, 183; zie ook pp. 12 e.v., 354. In deze uitgave als gedicht no. 50. 19  B. Nieuwentijt (1715), Het regt gebruik der werelt beschouwingen, ter overtuiginge van ongodisten en ongelovigen aangetoont. 20  Zie: http://calms.abdn.ac.uk/DServe/ dserve.exe?dsqServer=Calms&dsqIni= Dserve.ini&dsqApp=Archive&dsqDb 8 

=Catalog&dsqCmd=showcl&dsqSearc h=(RefNo==%27MS%202538%27) 21  J. Fraser (1905), Gedrukt handschrift: Chronicles of the Frasers: the Wardlaw manuscript entitled ‘Polichronicon seu policratica temporum, or, The true genealogy of the Frasers’, 916-1674. In de inleiding staat dat men hoopt dat het verslag dat hij van de reis maakte publiek gemaakt zal worden. Fraser noemt ook een aantal bezochte plaatsen in ons land. (fol. 495) 22  GB 0231 University of Aberdeen, Special Collections, MS 2538, Vol. III, ff. 85-120: James Fraser of Phopachy, clergyman: Triennial Travels. Mogelijk is het gedicht tijdens een iets latere bewerking op een open gelaten plaats in het handschrift geplaatst. 23  C.D. van Strien (1993), British Travellers in Holland During the Stuart Period […], pp. 146, 164. Van Strien spelt Pitcairn zonder e. 24  Zie o.m.: http://www.kiltarlityandkirkhill.org.uk/about-us/kirkhill-church/; het gaat om de eerder genoemde ‘Chronicles […]’ 25  In Frankrijk kwam Lodewijk XIV in 1651 (feitelijk) op de troon. 26  https://en.wikipedia.org/wiki/ William_II_of_Orange 27  J.D. Comrie (1938), nrs. 4829 e.v. 28  Zie: http://bc.library.uu.nl/nl/eenmonument-uit-de-canon-van-nederland-de-atlas-maior-van-blaeu.html;  Wel vermeldt de atlas dat jaarlijks op 30 juli een dankdag voor God wordt gehouden voor de droogmaking. Overigens werden ten dele al iets oudere kaartbladen voor de uitgave gebruikt, maar die waren zeker van na 1650, want de dood van stadhouder Willem II wordt in de tekst vermeld. Er komen wel verschillende andere gedichten in de atlas voor. 29  L. van Poelgeest (1990), pp. 101 e.v.; W. Troost (2005), William III the Stadholder-king: A Political Biography, pp. 37 e.v. 30  Het stadhouderschap van Willem III begon in Holland, Zeeland en Utrecht pas na het zogenoemde Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672). In Gelderland en Overijssel duurde deze periode van 1650 tot 1675. Op de Britse Eilanden duurde de vergelijkbare periode (onder Oliver Cromwell) van 1649 tot 1660. 31  J.A. Leeghwater (1641), Haerlemmermeerboeck, no. 75. 13

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 13

12/06/16 16:02


VITRUVIUS

L. Krijnen Bachelor’s Degree, Universiteit Utrecht

NUMMER

36

JULI

2016

Het Europees Erfgoedlabel

Eerste ervaringen en enkele kritische kanttekeningen

Dr. H. Renes Assistant Professor Human geography and Planning Geo-communication, Universiteit Utrecht

D

e erfgoedzorg wordt steeds internationaler. Tussen de nationale monumentenlijsten en de Werelderfgoedlijst bestaat sinds 2013 een Europees Erfgoedlabel (fig. 1), dat door de Europese Commissie wordt uitgereikt aan plekken die symbool staan voor de Europese eenwording en geschiedenis. Het label is nog weinig bekend, maar is wel interessant door de agenda van Europese identiteitsvorming die er achter zit. In dit artikel willen we het Europees Erfgoedlabel kritisch bekijken. Daartoe bekijken we eerst de achtergronden en de criteria. Daarna kijken we naar de Nederlandse nominaties en toekenningen en we sluiten af met een aantal kritische kanttekeningen.

Inleiding Het Europees Erfgoedlabel was in 2006 een initiatief van Frankrijk, Hongarije en Spanje. Het groeide in de loop van de tijd uit tot achttien landen, waaronder Zwitserland, en tot een lijst van 64 objecten (2011). In 2008 werd besloten dat het intergouvernementele initiatief zou worden omgezet in een formeel initiatief van de Europese Unie1, met als argument om meer eenheid te krijgen in de voordrachten. Sinds 2013 is dat het geval (Kaiser, 2014), met als resultaat dat meer EU-staten meedoen aan het Erfgoedlabel, maar ook dat Zwitserland werd buitengesloten. Deelnemende lidstaten van de Europese Unie dragen kandidaten voor bij de Europese Commissie. Die krijgt advies van een deskundige commissie die een ‘panelrapport’ samenstelt. Om voorgedragen te

worden, moet een object in een van de deelnemende EU-lidstaten liggen. Van de 28 EU-landen doen er 24 mee; enkele landen in de noordwestelijke periferie van Europa, namelijk Zweden, Finland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, ontbreken. Het laatstgenoemde land gaf als reden op een extra label tussen de wereldwijde en nationale categorieën niet nodig te vinden.2 De dieperliggende oorzaak ligt mogelijk in een breed gevoelde aversie tegen het geven van verantwoordelijkheden aan ‘Brussel’. Zweden gaf als argument de grote hoeveelheid extra werk voor de overheid (Isaksson, 2014) en hier kan men slechts gissen of er meer achter zit. Aangezien niet-lidstaten uit Europa ook niet mee mogen doen, zijn lang niet alle landen in Europa vertegenwoordigd bij het Europees Erfgoedlabel. Nederland deed in 2013 haar eerste voordracht en kan in het vervolg eens in de twee jaar een nieuwe kandidaat voordragen. De achtergrond voor het instellen van het label is waarschijnlijk het grote succes van de Werelderfgoedlijst geweest. Die werd vanaf 1972 door UNECO samengesteld, aanvankelijk door kleine groepen deskundigen. Het groeiende succes heeft gezorgd voor een verbreding, maar maakt ook dat er steeds grotere economische en politieke belangen mee gemoeid zijn. Landen begonnen de UNESCO-lijst te zien als een mogelijkheid om hun verhaal te vertellen en zo het beeld van hun land in de rest van de wereld positief te beïnvloeden. (Wereld)erfgoed werd een bouwsteen voor de ontwikkeling van nationale identiteiten. Binnen landen begonnen regio’s en zelfs

1 - Het logo van het Europees Erfgoedlabel. groepen burgers plaatsing op de lijst te zien als een manier om andere doelstellingen te bereiken. Een aantal van de objecten die de laatste jaren geplaatst zijn, overstijgt de belangen van monumentenzorg en natuurbescherming en vormt een bijdrage aan regionale ontwikkeling. De Werelderfgoedlijst versterkt nationale identiteiten en heeft tegelijkertijd discussies over erfgoed, die lange tijd vooral werden gevoerd in Europa, Noord-Amerika en Australië, een wereldwijde dimensie gegeven. Voor de Europese Unie, al jaren op zoek naar symbolen voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke identiteit, moet Europees erfgoed een interessante mogelijkheid hebben geboden. Het past in een ontwikkeling waarin de Europese Unie, die begonnen is als een politiek en economisch samenwerkingsverband, steeds meer de harten en hoofden van de burgers probeert te winnen. Cultuur en identiteit waren vanouds het terrein van een andere organisatie: de Raad van Europa die een grotere

14

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 14

12/06/16 16:02


NUMMER

36

JULI

2016

groep landen omvat en vooral vanuit een mensenrechtenperspectief werkt. De selectie van Europees erfgoed De website3 geeft aan dat het Europees Erfgoedlabel bedoeld is voor de promotie van de Europese dimensie van een plek, het beter toegankelijk maken van de plek voor Europese burgers en het verhogen van de kwaliteit van de activiteiten van en informatie over de plek. Gebouwen en plekken waaraan het Europees Erfgoedlabel wordt toegekend, worden gemarkeerd met

een plaquette op de gevel.4 De richtlijnen voor het Europese label onderscheiden vijf groepen erfgoed (fig. 2): [1] gebouwen; [2] natuurlijke, onder water gelegen, archeologische, industriële of stedelijke locaties5; [3] cultuurlandschappen; [4] plaatsen van herinnering en [5] cultuurgoederen en – objecten en immaterieel erfgoed voor zover verbonden met een plek. Het label zet dus breed in en bestrijkt vrijwel het hele terrein van erfgoed. Overigens spelen de bovengenoemde vijf categorieën vrijwel geen rol in de panelrapporten (European Heri-

Voor de toewijzing van het label aan voorgedragen kandidaat plekken is een aantal criteria ontwikkeld. Daarnaast zijn deelnemende lidstaten vrij om zelf aanvullende criteria op te stellen voor de selectie op nationaal niveau. Het belangrijkste criterium is dat een kandidaat duidelijk een Europese dimensie uitdraagt door te voldoen aan tenminste één van de volgende punten: •  De plek is grensoverschrijdende of panEuropees en heeft zowel in het verleden als in het heden een betekenis voor Europa; •  De plek heeft een plaats en rol in de Europese geschiedenis en integratie en is verbonden met Europese evenementen, personen of bewegingen; •  De plek heeft een plaats en rol gehad in de ontwikkeling en verspreiding van gemeenschappelijke waarden die de Europese integratie onderbouwen. Om het Europees Erfgoedlabel te ontvangen, moeten ook een project- én een werkplan worden ingeleverd. De noodzaak wordt aangegeven in de panelrapporten. Het projectplan moet omschrijven hoe men denkt de Europese dimensie te communiceren naar het Europese publiek. Het aanbieden van informatie in verschillende Europese talen en het bereiken van jongeren wordt als grote pluspunten gezien, terwijl

Foto: L. Krijnen, 2015

2 - Aantal plekken met het Europees Erfgoedlabel per categorie (stand 2015). * Natuurlijke, onder water gelegen, archeologische, industriële of stedelijke locaties. ** Cultuurgoederen en -objecten en immaterieel erfgoed voor zover verbonden met een plek.

tage Label; Guidelines for Candidate Sites; European Heritage Label Panel Reports 2013, 2014, 2015).

Foto: L. Krijnen, 2015

VITRUVIUS

3 - Informatieborden bij het Vredespaleis in Den Haag. Het rechter bord geeft toelichting over het Europees Erfgoedlabel.

3a - Informatiebord Europees Erfgoedlabel bij het Vredespaleis in Den Haag. 15

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 15

12/06/16 16:02


VITRUVIUS

het ontbreken ervan als een gebrek wordt opgevat door het panel (fig. 3, 3a). Daarnaast kenmerkt een goed projectplan zich door het gebruik van digitale of interactieve middelen om de informatie over te brengen. Als voor een genomineerd object al acties zijn ondernomen om de Europese dimensie naar een groter publiek te communiceren, wordt er gevraagd om de activiteiten nog verder uit te breiden. Tenslotte is er de noodzakelijke organisatorische capaciteit. Bij aanmelding voor het Europees Erfgoedlabel wordt er vanuit gegaan dat het erfgoed goed beschermd is, bijvoorbeeld door een nationale overheid, en beschikt over eigen financiële middelen om het onderhoud veilig te stellen, want aan het Europees Erfgoedlabel is geen Europese financiering gekoppeld. Dat een professionele organisatie nodig wordt geacht, kan ertoe leiden dat kleinere objecten en objecten zonder steun van nationale overheden minder kans maken op het label.

De geplaatste objecten De oorspronkelijke vier landen van het intergouvernementele initiatief moesten hun objecten die het label al hadden ontvangen, opnieuw door de selectieprocedure laten gaan, nu met de (strengere) criteria die we hierboven beschreven. Van de 24 sites die opnieuw werden voorgedragen zijn er 16 afgewezen en slechts 8 beloond met het nieuwe label. De afwijzingen waren vooral gebaseerd op een ontbrekende of onduidelijke Europese dimensie. Objecten die het label wel ontvingen, legden nadruk op waarden als democratie, vrede, solidariteit of op de geschiedenis

36

JULI

2016

Deelnemer Europees Erfgoedlabel EU-land dat niet deelneemt aan Europees Erfgoedlabel 2013 2014 2015

9065

In de praktijk kan men vraagtekens zetten bij een aantal van de objecten op de lijst, maar dat wil niet zeggen dat er lichtvaardig wordt geplaatst. In 2013 werden vier van de aangemelde negen objecten geplaatst, in 2014 zestien van de 36 en in 2015 negen van de achttien. Meer dan de helft van de aangemelde objecten is dus afgewezen. Reden was meestal dat ze niet voldeden aan de criteria. Vaak gaf het panel aan dat het weliswaar om interessant en belangwekkend erfgoed ging maar dat de Europese dimensie onduidelijk was. Bij de afgewezen objecten was bijvoorbeeld Schengen, een zeer symbolische plek door het verdrag dat de open binnengrenzen regelde. In dit geval was de reden dat het aanvraagdossier onvolledig was en een werkplan miste.

NUMMER

0

500 km

4 - Landen die deel uitmaken van de Europese Unie en deelnemen aan het Europees Erfgoedlabel. De plekken die het label hebben, zijn aangegeven met het jaar van inschrijving. van integratie. Dit zijn concepten waar de Europese Unie zich graag mee associeert. De Europese Unie heeft belang bij sites in Europa die het gemeenschappelijke verhaal willen vertellen en de Europese eenwording legitimeren. Sites dus, die symbool staan voor de waarden die de EU graag wil verkondigen. Het is de vraag in hoeverre plekken die minder aangename aspecten van de Europese geschiedenis of Europakritische bewegingen representeren, kans maken om een Europees Erfgoedlabel te ontvangen. Toch toont de succesvolle nominatie van Westerbork aan dat de plaatsing van moeilijke objecten wel mogelijk is. Van de vijf categorieën die worden onderscheiden, lag de nadruk tot nu toe op gebouwen. Deze namen meer dan de helft van de twintig nominaties in 2013 en 2014 in. Het minst vertegenwoordigd is de categorie cultuurlandschappen, met Kamp Westerbork in Nederland en het Sagres schiereiland in Portugal als enige vertegenwoordigers. De categorieën zijn niet uitsluitend, zo zou Kamp Westerbork ook gezien kunnen

worden als een plaats van herinnering. In de panelrapporten komt de verdeling naar categorieën niet sterk naar voren. De verdeling over de categorieën lijkt ook minder belangrijk, omdat niet het erfgoed zelf maar de Europese dimensie in het verhaal centraal staat. Intussen is het aantal objecten met het Europees Erfgoedlabel gestegen tot 29 (stand maart 2016; fig. 4). Daarbij zijn voor de hand liggende objecten zoals de kern van het oude Athene, dat staat voor de oorsprong van de Europese cultuur en democratie, het Sagres schiereiland, van waaruit Hendrik de Zeevaarder de maritieme expansie van Portugal stimuleerde, en de scheepswerf in Gdansk waar de vakbond Solidarność ontstond die het begin markeert van de omwentelingen in Oost-Europa. Het park bij Sopron (Hongarije) waar op 19 augustus 1989 een grote vredesdemonstratie, de Pan-Europese picnic, plaatsvond, past in dezelfde reeks van gebeurtenissen. Twee huizen leggen een verband met

16

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 16

12/06/16 16:02


NUMMER

36

JULI

2016

Foto: L. Krijnen, 2015

VITRUVIUS

5 - Het Vredespaleis in Den Haag. mensen die aan de wieg van de Europese eenwording stonden: het huis van Robert Schuman (1886-1963) en het geboortehuis van Alcide de Gasperi (1881-1954). In 2015 werd ook het complex Europese bestuursgebouwen, met inbegrip van het Europese Parlement, in Straatsburg geplaatst. Het is een omstreden nominatie door de rivaliteit tussen Brussel, dat zich als Europese hoofdstad beschouwt, en Frankrijk dat vasthoudt aan Straatsburg en de Europarlementariërs dwingt tot een dure en inspannende maandelijkse pendelbeweging tussen beide steden. Populair zijn ook plekken waar ooit een internationale vrede is getekend of een verdrag is gesloten. Voorbeelden zijn Münster en Osnabrück, waar in 1648 zowel de Dertigjarige als de Tachtigjarige Oorlog werd afgesloten. Weer andere objecten verbinden een land met een Europese context, zoals de beide objecten in Estland die beide naar het westen kijken: de Gildenzaal in Tallinn, die Estland koppelt aan de Hanze en daarmee aan de handel met NoordwestEuropa, en de Universiteit van Tartu, die in

1632 werd gesticht door de Zweedse koning Gustaaf Adolf en die het land plaatst in de Europese culturele en educatieve tradities. Andere objecten verwijzen sterker naar nationale geschiedenis en hebben een wat minder duidelijke betekenis voor de Europese geschiedenis. Voorbeelden hiervan zijn Olomouc, het religieuze en culturele centrum van Moravië, en Lublin, waar in 1569 de vreedzame integratie van Polen en Litouwen werd beklonken.

Nederland. Het plaatst Nederland in een ruimere context en maakt dat het land zich kan profileren. Het laat zien dat Nederland deel uitmaakt van de Europese geschiedenis, maar presenteert ook het erfgoed aan de rest van Europa. Erfgoedplekken willen het Europees Erfgoedlabel ontvangen, omdat het erkenning en toegang tot een Europees netwerk met zich mee brengt. Daarnaast is er ook de verwachting dat het meer bezoekers zal aantrekken.

De Nederlandse bijdrage Nederland deed in 2006 niet mee met het intergouvernmentele iniatief, omdat het nog vrij onduidelijk was wat het label precies zou inhouden. Dit veranderde toen het een Europees initiatief werd. Na het meedenken over de nieuwe vorm van het Europees Erfgoedlabel, was het een politieke beslissing om uiteindelijk wel mee te gaan doen (Krijnen, 2015), zelfs met enig enthousiasme want van de eerste vier objecten die het label kregen waren er twee Nederlands. Naast het Europese belang heeft het aanwijzen van Nederlandse objecten met een Europese dimensie ook voordelen voor

In Nederland heeft de Raad voor Cultuur naast de Europese thema’s vier eigen thema’s bedacht, die willekeur bij aanmeldingen moeten voorkomen en er tegelijk voor moeten zorgen dat de objecten representatief zijn voor Nederland in Europa. De Nederlandse thema’s zijn: tolerantie & recht, mobiliteit & maakbaarheid, cultuur & sport en geld & koopmanschap. Nederland heeft eerder al een thematische aanpak gevolgd in de eerste reeks nominaties voor UNESCO Werelderfgoed. Het initiatief komt vanuit de plekken zelf, waarna de Raad voor Cultuur advies uitbrengt over de Nederlandse voordracht die vervolgens 17

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 17

12/06/16 16:02


NUMMER

36

JULI

2016

Foto: Van der Made, 2005.

VITRUVIUS

6 - Het glaspaleis SCHUNK in Heerlen door de regering wordt ingediend bij de Europese Commissie. De plekken moeten zelf actie ondernemen om aan de criteria te voldoen; de overheid faciliteert het proces alleen (Krijnen, 2015). Tot op heden hebben twee Nederlandse objecten het Europees Erfgoedlabel ontvangen: Kamp Westerbork en het Vredespaleis in Den Haag (fig. 5). Beide vallen binnen het thema van tolerantie & recht.6 Naar onze mening zijn er redenen om kritisch te kijken naar het Europese belang van beide objecten. Kamp Westerbork is een herinnering aan een zwarte bladzijde in de Europese geschiedenis, maar is slechts één van de zeer vele concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog en onduidelijk blijft waarom specifiek dit kamp het Europese label zou moeten krijgen. Het is een plek die vooral belangrijk lijkt voor de Nederlandse geschiedenis. Het Vredespaleis is gebouwd in 1913 en was de plek waar nadien verschillende internationale vredesbesprekingen zijn gevoerd. Het staat daarmee voor de opbouw

van een internationale rechtsorde in het begin van de twintigste eeuw, pogingen die na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog werden voortgezet. Nog altijd zijn in het Vredespaleis het Internationaal Gerechtshof van de Verenigde Naties en het Permanente Hof van Arbitrage gevestigd. Al deze ontwikkelingen en instelling waren echter nadrukkelijk bedoeld op wereldwijde schaal. Het Vredespaleis zou dan ook een schoolvoorbeeld zijn van een nominatie voor de UNESCO Werelderfgoedlijst. Plaatsing op een Europese lijst wekt dus enige bevreemding. Een derde Nederlandse plek op de lijst is tot nu toe niet gelukt. De kandidatuur van Huis Doorn werd door de Raad voor Cultuur afgewezen.7 Vervolgens nomineerde de Nederlandse regering, op initiatief van de gemeente Heerlen, in februari 2015 de gebouwen SCHUNCK Glaspaleis (fig. 6) en Huis de Luijff in Heerlen, als herinneringen aan het mijnbouwverleden.8 In het Glaspaleis, een modernistisch gebouw uit 1935, was een warenhuis gevestigd waarin mijnwerkers uit de omgeving hun kleding

kochten. In het nabijgelegen Huis de Luijff vond in de vroege jaren vijftig van de vorige eeuw één van de constituerende vergaderingen plaats voor de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS), de voorloper van de Europese Unie.9 Voor het overige is onduidelijk wat precies de waarde van Europees belang is te midden van de vele mijnbouwgebieden over heel Europa. Het meest bijzondere van de Nederlandse mijnstreek is misschien wel dat het grondiger is gesloopt dan de meeste vergelijkbare gebieden. Ook het panel vond de relatie met andere mijnbouwgebieden te weinig uitgewerkt en wees de aanvraag af. De complexe Nederlandse procedure, met eigen criteria toegevoegd aan de Europese, biedt dus geen garantie voor succes. Slotwoord Het Europees Erfgoedlabel past in het streven van de Europese Unie om haar draagvlak onder de bevolking te vergroten. Daartoe wordt de politieke en sociaaleconomische eenwording, die de laatste jaren op veel weerstand stuit, aangevuld met symbolen die verwijzen naar een gemeenschappelijke

18

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 18

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

cultuur en geschiedenis. De Europese Unie is daarmee bezig om de Raad van Europa, die op pan-Europese schaal streeft naar de bevordering van democratie en mensenrechten, te verdringen. Eerder al gebeurde dat met het Europese volkslied ‘Ode an die Freude’ uit Beethoven’s negende symfonie en op een tekst van Schiller. Dat was in 1972 door de Raad van Europa gekozen als Europees volkslied, maar werd in 1985 ‘gekaapt’ door de Europese Unie. Ook de Europese vlag begon bij de Raad van Europa en werd later een symbool van de Europese Unie. Overigens heeft de Nederlandse regering op basis van een wat malle analyse van het verloren referendum over de Europese grondwet kans gezien om vlag en volkslied uit het bijgestelde Europese verdrag te laten schrappen.10 We zien nu eenzelfde verdringing van de Raad van Europa door de Europese Unie in de erfgoedzorg. Nadat de Raad van Europa onder meer het Europese Monumentenjaar (1975) en het Europees Jaar van het Industrieel Erfgoed (2015) initieerden, wil nu de Europese Unie 2018 als Europees Erfgoedjaar aanwijzen. Het overnemen van het Europees Erfgoedlabel past in deze beweging. De verbinding van het Europees Erfgoedlabel met de Europese Unie betekent enerzijds dat het label een krachtig instrument is, dat veel politieke steun geniet. Anderzijds maakt het erfgoed tot een instrument voor politieke en economische eenwording en daarmee ondergeschikt aan een politieke agenda. Ook is de geografische reikwijdte geringer: de Europese Unie omvat 28 landen, waarvan er 24 deelnemen aan het Europees Erfgoedlabel. De Raad van Europa omvat bijna vijftig landen, waaronder Rusland, Turkije en de landen in de Kaukasus. Met slechts een paar uitzonderingen (Kazachstan, Wit-Rusland, Vaticaanstad) omvat de Raad van Europa heel Europa. De sterke nadruk op het verhaal van de Europese eenwording heeft een groot voordeel, omdat het de overlappingen met de UNESCO-Werelderfgoedlijst kleiner maakt. Het verkleint daarmee de kans dat het Europese label een ‘plan B’ wordt voor objecten die onvoldoende gekwalificeerd zijn voor de status van Werelderfgoed. Het zou wel interessant zijn om hier nader onderzoek naar te doen. We vroegen ons hierboven al af waarom het Vredespaleis nooit is genoemd

als mogelijk Werelderfgoed. De eerste ervaringen met het Europees Erfgoedlabel laten zien dat het nog niet meevalt om plekken te selecteren die het Europese verhaal vertellen. Daarbij zorgt de procedure voor een grote hoeveelheid ‘ruis’ op verschillende niveaus. De initiatieven ‘van onderaf ’ staan meestal al garant voor het prevaleren van lokale boven Europese belangen. Daarnaast blijken de meeste nationale overheden en experts moeilijk los te kunnen komen van hun nationale agenda’s. Nederland heeft het zich wel erg moeilijk gemaakt, door aan de Europese criteria nog eens een eigen lijst van criteria toe te voegen. Het grootste deel van de afwijzingen betreft objecten die op zichzelf interessant en belangwekkend zijn, maar waarbij de Europese betekenis niet duidelijk wordt gemaakt. Het geeft ook aan hoe moeilijk het voor de meeste overheden en experts is om zichzelf in een internationaal perspectief te plaatsen. Tot slot blijft de vraag welk Europees verhaal er wordt verteld. Is dat het verhaal van een steeds sterkere integratie? Of het verhaal van een subcontinent met een enorme diversiteit en een geschiedenis van oorlogen dat desondanks met vallen en opstaan beter is gaan samenwerken? Of is het een verhaal waarin ook de tegenstanders van integratie een plek krijgen? Erfgoed heeft altijd met politiek te maken, maar hier loert het gevaar van erfgoed dat wordt ingezet als propaganda. Het is te hopen dat hier de komende jaren een stevige discussie over wordt gevoerd. Literatuur -  European Heritage Label; Guidelines for candidate sites. http://ec.europa.eu/ programmes/creative-europe/actions/ documents/guidelines-for-candidatesites_en.pdf [20-11-2015]. -  European Heritage Label 2013 Panel report. European Commission Directorate General Education and Culture. http://ec.europa.eu/programmes/ creative-europe/actions/heritage-label/ documents/2013-panel-report_en.pdf [30-3-2016]. -  European Heritage Label 2014 Panel report. European Commission Directorate General Education and Culture. http://ec.europa.eu/programmes/ creative-europe/actions/heritage-label/ documents/2014-panel-report.pdf

[30-3-2016]. -  European Heritage Label 2015 Panel report. European Commission Directorate General Education and Culture. http://ec.europa.eu/programmes/ creative-europe/actions/heritage-label/ documents/2015-panel-report_en.pdf [30-3-2016]. -  Isaksson, N. (2014). Cultural Integration in the European Union and the future of Sweden’s past in Europe. Thesis Lund University, Lund. -  Kaiser, S. (2014). The European Heritage Label: a critical review of a new EU policy. Master thesis University of Illinois at Urbana-Champaign. -  Krijnen, L.H.A. (2015). Het Europees Erfgoedlabel; een nieuw instrument van de Europese Commissie. Ba-scriptie Sociale Geografie, Faculteit Geowetenschappen Universiteit Utrecht. Noten  http://eur-lex.europa.eu/legal-content/ NL/TXT/?uri=URISERV%3Acu0009 [14-5-2016]. 2  h ttp://www.euractiv.com/section/ languages-culture/news/uk-to-abstainfrom-european-heritage-label-scheme/ [14-5-2016]. 3  http://ec.europa.eu/programmes/ creative-europe/actions/heritage-label/ index_en.htm [28-3-2016] 4  http://dutchculture.nl/nl/wat-het-europees-erfgoedlabel [19-11-2015] 5  De formulering maakt dat ook onder water gelegen steden en industrieën het label kunnen krijgen. Of dat bewust zo geformuleerd is, hebben we niet kunnen nagaan. 6 http://europeeserfgoedlabel.creativeeuropedesk.nl/ [28-3-2016] 7  h ttps://www.cultuur.nl/adviezen/erfgoed/europees-erfgoedlabel/item3293 [4-5-2016] 8  h ttps://www.cultuur.nl/adviezen/erfgoed/nederlandse-kandidaat-europeeserfgoedlabel/item3342[4-5-2016]; http://cultureelerfgoed.nl/nieuws/mijnindustrie-genomineerd-voor-europeeserfgoed [4-5-2016]. 9  Raad voor Cultuur, 18-2-2015. Advies Nederlandse kandidatuur Europees Erfgoedlabel 2015: SCHUNCK* Glaspaleis te Heerlen (NL) als narratieve krachtcentrale voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. 10  Trouw, 13-12-2007. Balkenende ondertekent afgezwakt EU verdrag 1

19

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 19

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

Prof. Dr. J.G.A. Bazelmans Strategisch adviseur Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

NUMMER

36

JULI

2016

Archeologie en gemeentelijke gebiedsontwikkeling. De casus Oosterdalfsen1

E

ind mei 2015 werd bekend dat in het plangebied Oosterdalfsen van de gemeente Dalfsen een grafveld uit de tijd van de Trechterbekercultuur was gevonden.2 Het is het grootste uit zijn tijd in West-Europa en daarmee een unicum voor Nederland.3 De vondst vormt een archeologische sensatie en heeft terecht veel aandacht getrokken in de media. Als het grootste deel van het grafveld is opgegraven, doet de gemeente bij de provincie en de Minister van OCW een verzoek tot financiële ondersteuning van het onderzoek.4 De minister wijst het verzoek af omdat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de zorg voor het bodemarchief.5 Dit antwoord roept bij het gemeentebestuur6 en in het archeologische veld onbegrip op. De archeoloog Van Ginkel stelt dat de verstoorder moet betalen, “maar zóveel?”.7 En het betreft hier, zo Van Ginkel, ook nog eens een onverwachte en belangrijke vondst. Omdat de bekostiging van het onderzoek van de vondst publicitair en politiek veel stof deed opwaaien is het goed om nog eens stil te staan bij de vraag of er inderdaad sprake was van een onevenredig zware last voor de gemeente en of er sprake was van een verrassing. Van groter belang is de vraag in hoeverre de casus Dalfsen inzicht geeft in de relatie tussen de vormgeving en bekostiging van archeologisch onderzoek en gemeentelijke gebiedsontwikkeling, nu en – vooral - in de toekomst. Archeologiebeleid in Dalfsen Dalfsen8 beschikt over een Archeologiebeleid dat in 2008 door de gemeenteraad werd vastgesteld en sindsdien niet is herzien.9 Als we het lezen in samenhang met de bijbehorende Startnotitie10 dan valt op dat: (1) er geen sprake is van een inventarisatie en inhoudelijke beschouwing van de aard en potentiële waarde van in de gemeente aanwezige of te verwachten archeologische waarden; (2) er sprake is van een selectieagenda,

1 - Het plangebied Oosterdalfsen ligt op een lange, oost-west georiënteerde, hooggelegen, door plaggenbodems afgedekte dekzandrug ten noorden van de Vecht. Dit gebied was vanaf het Neolithicum tot en met de vroegmoderne tijd een ideale plek voor bewoning, beakkering en de aanleg van grafvelden. waarin, met het oog op “minder maatregelen” en dus minder kosten, op voorhand, dus zonder nader (voor)onderzoek, chronologische en thematische keuzes worden gemaakt met betrekking tot wat wel en niet onderzocht hoeft te worden. Vindplaatsen die naar de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie weliswaar behoudenswaardig zijn maar niet vallen binnen de selectieagenda mogen ongezien verloren gaan.11 Volgens de Startnotitie moet “een selectieagenda idealiter […] gebaseerd […] zijn op de resultaten van een gemeente overstijgende inventarisatie van archeologische kennis met inbreng op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau”.12 Deze ligt echter niet voor. Selectie op voorhand is onder archeologen om ethische en wetenschappelijke redenen omstreden,13 en ook onnodig omdat de archeologie beschikt over een algemeen geaccepteerde en in de KNA gecodificeerde waarderingssystematiek. Deze

biedt een uitstekende basis voor een beredeneerde selectie; (3) er expliciete aandacht is voor de kosten ten laste van de gemeentelijke grondexploitatie als sprake is van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan dat door de gemeente wordt gedragen. Een berekening van “de afname van de hoeveelheid archeologie” - van iedere hectare die bebouwd wordt, hoeft door een combinatie van factoren maar een klein deel opgegraven te worden - moet duidelijk maken dat voor archeologisch onderzoek gerekend moet worden met ca. € 5500,- tot 8500,- per hectare.14 Deze cijfers hebben wellicht betekenis voor kleinschalige uitbreidingen in jonge landschappen in het buitengebied van Dalfsen, maar voor de rond de oude kernen gelegen uitbreidingslocaties, zoals Oosterdalfsen, zijn deze niet geloofwaardig. Het betreft hier de grootschalige overbouwing van gebie-

20

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 20

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

Tabel 1 - Oosterdalfsen. Berekening gemeentelijke inkomsten bij volledige uitgifte van kavels63 Soort

Woon-werk

Aantal volgens plankaart en bestemmingsplan

Kavel (in m2)

X keer opp (in m2)

Prijs per m (in €)

2

Totaal (in €)

11 (0)

1188

13068 (0)

220

2874960 (0)

2 onder één kap

92 (94)

400

36800 (37600)

203

7470400 (7632800)

Vrijstaand

26 (29)

700

18200 (20300)

245

4459000 (4973500)

Rij

121 (107)

190

22900 (20330)

182

4218760 (3700060)

Totaal

250 (230)

den met een lange geschiedenis en dus met een hoge archeologische waarde (zie onder). Van een stapeling van factoren die de “archeologie doen afnemen” is geen sprake omdat het open, intacte gebieden betreft waar sprake is van veel, in ruimtelijke zin omvangrijke en door akkerbodems goed geconserveerde archeologie. Een blik op de kosten voor het archeologische onderzoek in het aangrenzende en goed vergelijkbare plangebied Gerner Marke in 2005 had dit duidelijk kunnen maken. Woningen bouwen Het gemeentelijke Archeologiebeleid is relevant voor particuliere initiatiefnemers maar ook voor de gemeente zelf omdat ze op het gebied van de bouw van woningen en de ontwikkeling van industriegebieden een forse ambitie heeft. Leidend voor de gemeente Dalfsen is haar Structuurvisie uit 2010,15 waarin gerekend wordt met een forse woningbehoefte: 1855 nieuwe woningen voor de periode 2010-2024. In 2011, als duidelijk is dat de bestaande uitleggebieden binnen enkele jaren volledig volgebouwd zullen zijn, wordt bezien waar de bouw van deze woningen gerealiseerd kan worden.16 Daarvoor komen negen gebieden in aanmerking. Acht gebieden vallen om uiteenlopende en goed navolgbare redenen af. Slechts één gebied - Oosterdalfsen - wordt wel geschikt geacht voor woningbouw. Binnen het gebied (dan nog 35 ha) kunnen meer dan zeshonderd woningen worden gerealiseerd. In de verkenning is de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden voor Dalfsen en directe omgeving afgebeeld maar deze speelt geen rol in de afwegingen. De verkenning sluit, onder verwijzing naar het Archeologisch Beleidsplan van

91058 (78230)

19023120 (16306360)

de gemeente, af met de constatering dat in de voorbereiding van de overbouwing van Oosterdalfsen rekening dient te worden gehouden met het feit dat de locatie een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. In de Uitgangspuntennotitie Oosterdalfsen wordt dit inzicht opnieuw benoemd en wordt gesteld dat er “geen ingrepen [kunnen] worden gedaan in de bodem (…) zonder dat er vooraf (voor)onderzoek wordt gedaan”.17 Wat dat onderzoek dient te behelzen wordt niet nader gespecificeerd en een ambitie met betrekking tot behoud in situ of tot publieksbereik wordt niet verwoord. Zoals de meeste Nederlandse gemeenten voert de gemeente Dalfsen al jaren een actief grondbeleid. Het gemeentelijk beleid was gericht op het zelf verwerven van grond ten behoeve van nieuwe bedrijventerreinen en woningbouwlocaties.18 Zo ook in Oosterdalfsen waar ca. 16 ha in gemeentelijk bezit is. De gemeentelijke grondexploitatie is echter met de crisis van 2008, zoals in veel Nederlandse gemeenten, een zorgenkind geworden. In december 2013 verschijnt een kritisch onderzoek naar de beheersing van de grondexploitatie van de gemeente.19 De onderzoekers constateren dat er geen sprake is van een zichtbare verwerking van het woningbouwprogramma in de kostprijscalculaties van de grondexploitatie. Het ontbreken van deze koppeling wreekt zich omdat de werkelijke kavelverkopen in de periode 2009-2013 fors lager waren dan de begrote verkopen. Ook voor 2013 en later spreken de onderzoekers, ondanks een herziening van de gemeentelijke exploitatieopzet, van “planoptimisme”: de verwachting met betrekking tot de jaarlijkse opbrengsten uit woningverkoop tot en met 2016 liggen zeer veel hoger dan wat in eerdere jaren

is gerealiseerd. Wanneer de prognoses naar beneden moeten worden bijgesteld – en dat is de verwachting in 2013 - zal dit leiden tot verliezen in de grondexploitatie. Voor Oosterdalfsen wordt aangeraden het gebied in deelfasen te realiseren om de grondexploitatie beheersbaar te houden en te kunnen inspelen op economische ontwikkelingen.20 Fasering kan echter op haar beurt tot financiële problemen leiden omdat kosten van voorbereiding, toezicht en rentekosten worden toegevoegd aan de waarde van de grond. Als deze gronden later of niet worden ontwikkeld leidt dit tot een te hoge waardering van de gronden. Het kan zijn dat ze tegen een lagere prijs verkocht moeten worden en dan treedt er verlies op. Het onderzoek naar de Dalfser grondexploitatie en een gelijktijdig onderzoek naar de verkoop van woningen – het gemeentelijk woningbeleid sluit maar gedeeltelijk aan op de vraag - hebben geleid tot verschillende maatregelen en de introductie van de Meerjaren Prognose Gebiedsontwikkeling (MPG). Uit de tweede prognose 201521 is op te maken dat: (1) op basis van een hertaxatie van de gronden van Oosterdalfsen besloten moest worden tot een afwaardering van in totaal € 1,43 miljoen. De boekwaarde van Oosterdalfsen is daarmee uitgekomen op € 5,3 miljoen (€ 33 per m2).22; (2) in 2014 sprake was van een cumulatief negatief resultaat voor de Dalfser grondexploitatie van € 2,1 miljoen. Daarmee ontstond een tekort van bijna 9 ton op de wettelijk benodigde reserve van het grondbedrijf. Dit tekort is aangezuiverd vanuit de Algemene reserve van de gemeente. De gang van zaken rond het gemeentelijke grondbeleid heeft logischerwijs ingrijpende gevolgen voor Oosterdalfsen. De plannen en de begroting voor de ontwikkeling van het gebied komen onder een vergrootglas te liggen. Het is logisch dat de gemeente ook de vinger aan de pols houdt als het om de kosten van het archeologisch onderzoek gaat. Een onverwachte vondst? Het archeologisch onderzoek in het uitbreidingsgebied Oosterdalfsen krijgt in 2011 tot en met 2015 vorm conform de procestappen zoals geformuleerd in het gemeentelijke 21

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 21

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

Archeologiebeleid en wat gebruikelijk is binnen de Nederlandse archeologie.23 Het eerste onderzoek betreft een combinatie van een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek.24 Het onderzoek is goed onderbouwd en navolgbaar. Volgens de onderzoekers is slechts een klein deel van het plangebied verstoord en kunnen “binnen het overige deel van het plangebied […] sporen van menselijke activiteit verwacht worden vanaf het Mesolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen. [...] Gezien de dichtheid van de bewoning en de resultaten van het archeologisch onderzoek in de omgeving, is de archeologische verwachting hoog tot zeer hoog”.25 Volgens het rapport vragen vooral vier hoge, goed door plaggenbodems afgedekte kerngebieden de aandacht26 maar vanuit “een landschapsgerichte benadering is de verkenning van [de] tussenliggende gebieden vanwege mogelijke off-site sporen noodzakelijk”. In de tweede stap wordt met een inventariserend veldonderzoek aan deze landschapsgerichte benadering vorm gegeven. In juni 2012 worden over het hele gebied 131 kleine proefsleuven aangelegd.27 Hiermee wordt een dekking bereikt van iets meer dan 4%.28 Dat is aan de lage kant.29 Het onderzoek leidt echter tot heldere en aansprekende resultaten. Binnen het plangebied bevinden zich zes vindplaatsen waarvan vijf in het meest noordelijke deel (deelgebied 5). De vindplaatsen, veelal de resten van boerenerven en grafvelden, stammen uit verschillende perioden van het Neolithicum tot en met de Moderne tijd. Op basis van hun fysieke en inhoudelijke kwaliteit zijn ze ‘behoudenswaardig’. De vindplaatsen binnen deelgebied 5 liggen op een lange met akkerbodems afgedekte, archeologische rijke dekzandrug ten noorden van het Vechtdal. Ze sluiten direct aan op de meer westelijk gelegen en goed onderzochte resten in het plangebied Gerner Marke. Hoewel binnen het deelgebied 5 op basis van de sporendichtheid vijf verschillende vindplaatsen te onderscheiden zijn (opgeteld ca. 3,4 ha30) stellen de onderzoekers voor ze samen als één vindplaats (van ca. 6 à 7 ha) te beschouwen omdat het onderzoek van “enkel die plekken […] waar de meeste sporen zijn aangetroffen, veelal nederzettingssporen, […] allerminst een compleet beeld [oplevert] […] van de bewonings- en landschapsontwikkeling van het gebied door de tijd heen”31 De vindplaatsen binnen deelgebied 5 vormen dus één geheel en heb-

NUMMER

36

JULI

2016

2 - Al tijdens het gravend vooronderzoek in 2012 bleek dat zich in het plangebied Oosterdalfsen zeer rijke, uiteenlopende en goed geconserveerde archeologische resten bevinden (Historische Kring Dalfsen 2015, 1792).

3 - In het voorjaar van 2015 werd in Dalfsen een grafveld ontdekt van de Trechterbekercultuur. De bekostiging van het onderzoek van de zeer bijzondere vondst deed veel publicitair en politiek stof opwaaien (foto José Schreurs, RCE). ben samen een hoge ensemblewaarde, juist ook in relatie tot de opgegraven vindplaatsen binnen de Gerner Marke.32 Ze vormen samen de getuigenis van één doorlopende, millennia-lange geschiedenis van de eerste landbouwers tot en met de boeren die nu nog leven aan de rand van het essengebied.33 Binnen vindplaats 2 in deelgebied 5 is niet alleen een crematiegrafveld uit de midden en late Bronstijd gevonden maar is ook een

“zeer bijzondere” vondst gedaan “die het terrein van bovenregionaal of zelfs landelijk belang” maakt34: één of twee graven van de Trechterbekercultuur. Volgende de onderzoekers is “[d]e omvang en de begrenzing van de grafvelden uit het Neolithicum en de Bronstijd […] uit het proefsleuvenonderzoek niet duidelijk geworden. Daarom verdient het aanbeveling om een eventueel vervolgonderzoek op deze locatie te starten met een tactisch en beperkt aantal waarde-

22

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 22

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

rende sleuven om de vindplaatsen beter te kunnen begrenzen en om tot een nadere detaillering van de verspreiding van de sporen en de vondsten te komen”.35 Tussen de proefsleuf met de twee graven en de andere proefsleuven ligt een niet verkend gebied van minstens ca 3000 m2.36 Dit advies wordt niet opgevolgd. Ook wordt niet gekozen voor de mogelijkheid dit aanvullende onderzoek direct tijdens het verkennende onderzoek plaats te laten vinden. In het rapport wordt duidelijk gemaakt dat rekening gehouden moet worden met een grafveld van de Trechterbekercultuur van waarschijnlijk 5 tot 8 graven en maximaal 25 graven, het grootste aantal dat tot op dat moment bekend was. Tevens geeft het rapport duidelijke aanwijzingen voor de inzet van een reeks van meer en minder gangbare natuurwetenschappelijke methoden en technieken die het mogelijk maken het kennispotentieel van dergelijke graven te realiseren.37 De resultaten van het inventariserend veldonderzoek lagen ten grondslag aan de derde stap in het proces, de besluitvorming over de omgang met de aangetroffen archeologische resten. In een advies38 worden drie selectiemogelijkheden (“scenario’s”) voorgelegd. In geen van de scenario’s is, zo blijkt impliciet, ruimte voor behoud in situ. De drie scenario’s betreffen het opgraven van: (1) alle vindplaatsen; (2) de vijf vindplaatsen binnen deelgebied 5; of (3) vindplaats 2 (met de twee grafvelden) binnen deelgebied 5. De kosten van deze scenario’s lopen uiteen van minimaal ca. € 76.000,- tot maximaal ca. € 660.000,-. De drie scenario’s worden gerechtvaardigd door respectievelijk een streven naar óf (1) volledigheid; óf (2) het realiseren van de ensemblewaarde óf (3) het documenteren van het bijzondere. Geadviseerd wordt te kiezen voor scenario 3 en een deel van de gedeselecteerde vindplaatsen onder supervisie van een archeologisch bedrijf door HBO-ers te laten documenteren. De argumentatie is beknopt en gebaseerd op wellicht te positieve uitspraken over de stand van kennis van de bewoningsgeschiedenis van het Vechtdal.39 Ook is er geen verwijzing naar het selectiebeleid zoals vastgelegd in het gemeentelijke Archeologiebeleid. De in het beleid benoemde thema’s “markant landschap en het gebruik en de inrichting daarvan” en “productief verleden” zouden geleid hebben tot een keuze voor scenario 1 of 2. De de-selectie in het Archeologie-

beleid van het Neolithicum, Bronstijd en IJzertijd staat juist de keuze voor scenario 3 in de weg. In eerste instantie wordt elk scenario door BenW van Dalfsen afgewezen. In een overleg tussen BenW, de betrokken ambtenaren en de adviseur wordt besloten “dat er geen nader onderzoek plaatsvindt naar aanleiding van het proefsleuven -en karterend bodemonderzoek. Het college van BenW heeft verschillende (ruimtelijke) belangen gewogen en vindt nader onderzoek niet nodig”.40 Op 26 augustus 2014 herziet BenW zijn beslissing en kiest ze voor scenario 3.41 Dit scenario wordt vertaald in een bestek voor een opgraving.42 Dit bestek stelt de opdrachtnemer voor problemen omdat het tegenstrijdige eisen lijkt te bevatten. Enerzijds wordt een redelijk uitvoerige beschrijving van de regionale en lokale archeologische en cultuurlandschappelijke context gegeven op basis waarvan gesteld wordt dat het onderzoek in Oosterdalfsen “de mogelijkheid [biedt] om een oud cultuurlandschap zowel op hoofdlijnen als in detail in kaart te brengen”.43 Een lange lijst met onderzoeksvragen en methodischtechnische eisen lijkt hier invulling aan te geven.44 Deze invalshoek zou ook goed aansluiten bij de thema’s uit het Dalfser Archeologiebeleid, maar het stuk bevat geen verwijzing hiernaar. Anderzijds wordt echter gesteld dat “ingezet [wordt] op een onderzoek op hoofdlijnen”, “volstaan [zal] worden met een extensieve onderzoeksmethodiek”45 en “het merendeel van de gereserveerde m2 [wordt ingezet]” voor vindplaats 2.46 Belangrijk voor de offerte zijn de “te verwachten aantallen archeologische vondsten” die in het bestek worden genoemd. Hoewel het volgens het bestek om een hoge verwachting gaat, zijn vrijwel alle getallen, zoals uit een gewogen vergelijking met de opgraving Gerner Marke blijkt, aan de (zeer) lage kant. Uit een raadsstuk van 12 mei 2015 blijkt dat de opgraving van ca. 26.500 m2 gegund is voor € 145.000,-.47 Dat betekent dat de opgravende partij het werk voor € 4,50 per m2 heeft aangenomen.48 Dat is minder dan één zesde deel van het bedrag dat in de startnotitie van 2008 voor het gemeentelijk archeologiebeleid werd genoemd en de helft van de m2-prijs waar in het selectiebesluit van 2012 rekening mee werd gehouden. Het valt ook buiten het bereik dat in 2010 door de SIKB werd gepubliceerd voor opgra-

vingskosten: € 8,- tot 40,- per m2.49 Tot slot wordt de vierde stap gezet: de opgraving. Deze zou niet zes maar uiteindelijk tien weken omvatten, en niet 27.000 maar 33.000 m2 beslaan. Ze kon alleen tot een succesvolle afronding komen door de grootschalige inzet van studenten en amateurs. Hoewel de opgravers zich dienden te concentreren op vindplaats 2 wisten zij de veel grotere rijkdom van een groter gebied te documenteren. Excessieve kosten? Als het gaat om de absolute kosten in termen van draagkracht en maatschappelijke aanvaardbaarheid bevinden we ons met het ontbreken van kengetallen en normen op glad ijs. In een poging kunnen twee extremen bekeken worden. De door de gemeente gekozen variant kan gezien worden als minimumvariant en het opgraven van ca. 5 à 6 ha als maximumvariant. De eerste kost ca. € 200.000.-50; de laatste ca. € 600.000,-. Sinds 2007 is het gebruikelijk om de kosten voor archeologisch onderzoek in gemeentelijke gebiedsontwikkeling volledig te verwerken in de grondexploitatie, ook in Dalfsen. Probleem is echter dat we voor de uitbreidingslocatie Oosterdalfsen niet kunnen beschikken over een exploitatieplan.51 We kunnen ons van de omvang van de exploitatiebegroting echter wel een idee vormen op basis van het aantal te bouwen huizen, de huistypen en hun getalsmatige verdeling, de perceelsomvang per type en de type-afhankelijke verkoopprijs van kavels. Als de gemeente de uitgave van kavels volledig realiseert, vormen de inkomsten ca € 17 tot 19 miljoen (zie tabel 1). Dit betekent dat de kosten voor archeologisch onderzoek uiteenlopen van ca. 1 tot 3,4% van de exploitatiekosten.52 Is dat veel? Bekend is dat de gestapelde kosten voor bodem-, grondmechanisch, akoestisch, milieukundig, archeologisch, cultuurhistorisch en ander onderzoek gemiddeld ca. 1,6% uitmaken van de exploitatiekosten, maar dat deze van plan tot plan sterk kunnen variëren: van nihil tot meer dan 30%, met een gemiddelde van 1,58%.53 Over het (gemiddelde) aandeel van archeologische onderzoekskosten is in Nederland publiek weinig bekend. In de gemeentelijke startnotitie wordt rekening gehouden met een aandeel van tussen 1 à 1,5 procent (ruraal gebied), 2% (gebieden met hoge archeologische verwachting) en 6% (voor 23

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 23

12/06/16 16:03


Conclusie Bovenstaande beschouwing had het oogmerk de vraag te beantwoorden of er sprake was van een onevenredig zware last voor de gemeente en of er sprake was van een verrassing. Leidraad in de beschrijving en beoordeling vormde het gemeentelijke archeologiebeleid en het planvormingsproces. Voor een goed begrip van het laatste is gekeken naar de wijze waarop verschillende partijen hun rol hebben vervuld. Op basis van het bovenstaande kan met betrekking tot kosten, voorspelbaarheid en rolvervulling het volgende worden geconcludeerd: (1) De gemeente heeft vanaf de introductie van de nieuwe wetgeving op het gebied van de archeologische monumentenzorg in 2007 beleidsmatige aandacht voor de archeologie. In diverse beleidsstukken ligt de nadruk echter op procedures en niet op ambitie(s). Daarom is niet duidelijk wat de gemeente wil bereiken op het gebied van behoud in situ, kenniswinst of publieksbereik en –participatie. Het ontbreekt voor burger, raad of provincie daarom aan afrekenbare doelen. De stukken geven de indruk

36

JULI

2016

503450

archeologische monumenten).54 Tijdens de evaluatie van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is van 19 exploitatieplannen achterhaald welk aandeel ‘onderzoek’ betrof: dit liep uiteen van 0,012 tot 11,8%. Van slechts drie gevallen kon het aandeel ‘archeologisch onderzoek’ worden bepaald: dit liep uiteen van 0,6 tot 3,9%.55 Er kan tot slot ook gekeken worden naar de kosten per woning: die bedragen in Oosterdalfsen tussen € 800,- (bij 250 woningen en € 200.000,- archeologische kosten) en € 2608,- (bij 230 woningen en € 600.000,archeologische kosten). In een recent rapport wordt een “zeer globale indicatie” gegeven van de archeologische kosten per woning: € 550,- tot € 800,-. “Bij grote locaties met grotere archeologische opgravingen kunnen de kosten zelfs in de miljoenen lopen, tot € 2.000,- à € 5.000,- per woning”.56 De door de gemeente beoogde opgraving à € 145.000,- ligt voor een dergelijk archeologisch rijk gebied aan het onderste einde van het spectrum; een grotere investering tot € 600.000,- legt weliswaar een fors maar daarentegen (naar de normen van voor de crisis) geen uitzonderlijk groot beslag op het exploitatiebudget. Van sommige gemeenten is aantoonbaar dat ze een dergelijke last in vergelijkbare gevallen hebben gedragen.57

NUMMER

503500

VITRUVIUS

00000 215250

Huisplattegrond

Grafkuil

25m 25m 25m 25m 25m

215300

Aardwerk

4 - Het grafveld van de Trechterbekercultuur is ongeveer 120 bij 30 m. groot en omvat 137 inhumatiegraven en enkele crematiegraven. Het gebruik ervan is te dateren tussen ca 2900 en 2700 voor Chr. (Van der Velde en Bouwma 2016, 359, afb. 75.1). dat behoud in situ niet als optie werd gezien (hoewel delen van het oorspronkelijke plangebied buiten exploitatie zijn gebracht), dat inhoudelijke keuzen wisselden en vooral, begrijpelijk in het licht van de problemen met de gemeentelijke grondexploitatie, door financiële overwegingen werden ingegeven en dat het Dalfser publiek pas in beeld kwam bij de vondst van de spectaculaire grafvondsten uit het Neolithicum. (2) Het is de bedoeling van de wetgever dat archeologische verplichtingen in een bestemmingsplan worden vastgelegd. In een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan zoals dat van Oosterdalfsen is echter te zien dat archeologie als een opgave kan worden beschouwd die vóór de vaststelling van het bestemmingsplan moet worden afgerond.58 Daarmee ontstaat druk op de uitvoering van archeologisch onderzoek, terwijl de betreffende kavels, zoals in Oosterdalfsen, nog lange tijd na de vaststelling van het bestemmingsplan voor onderzoek beschikbaar (kunnen) zijn. Belangrijker is echter dat in deze aanpak de besluitvorming over archeologie – buiten de vaststelling van het uitgangspuntenplan en van de exploitatie - vooral of vrijwel uitsluitend ligt bij het ambtelijk apparaat en BenW. In Dalfsen kwam de gemeenteraad bijvoorbeeld pas in beeld toen extra bud-

get gevraagd moest worden buiten de exploitatiebegroting om. (3) Vanaf het begin was op basis van vondsten en opgravingen in de buurt en kennis over de bewoningsgeschiedenis van het Vechtdal duidelijk dat Oosterdalfsen in een archeologisch zeer rijk gebied ligt. Dat werd bevestigd in het bureauonderzoek, het inventariserend veldonderzoek en uiteindelijk de definitieve opgraving. Feitelijk hadden de alarmbellen moeten rinkelen bij aanvang van het project en zeker na afloop van het verkennende, gravende onderzoek. Als het gaat om de grafvelden is het lastig te begrijpen dat laatstgenoemd onderzoek niet is uitgebreid om beter greep te krijgen op aard en omvang ervan. Door verschillende professionele partijen was in die zin geadviseerd. (4) Voor de gemeente behoorden de kosten voor archeologie volgens het eigen Archeologiebeleid tot de gemeentelijke grondexploitatie van het gebied. Daarbij worden echter uiteenlopende en veelal te florissante kengetallen voor kosten en “de afname van de hoeveelheid archeologie” gebruikt, zowel in algemene zin als voor archeologisch rijke gebieden zoals Oosterdalfsen. Al enkele jaren geleden werd duidelijk dat de exploitatie van Oosterdalfsen – en daarmee het

24

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 24

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

archeologische onderzoek - onder grote druk stond, door te hoge kosten voor aankoop van gronden en door tegenvallende verkopen in lopende uitleggebieden. Dat was blijkbaar aanleiding te kiezen voor een minimumvariant voor het archeologisch onderzoek terwijl een meer grootschalig onderzoek dat recht deed aan de grote inhoudelijke potentie van het gebied in relatieve termen geen buitenproportioneel beroep zou hebben betekend op het exploitatiebudget (<3,5%). Met de keuze van de gemeente voor een minimum-variant voor het archeologisch onderzoek ontbreekt de door de wetgever nadrukkelijk bedoelde financiële stimulans om te komen tot behoud in situ. (5) Het is op basis van (ontbreken van) openbare stukken moeilijk om een indruk te geven van de rol die de provincie heeft gespeeld, terwijl deze een essentiële rol speelt daar waar één partij, de gemeente, zowel verstoorder als bevoegd gezag is. Een eerste zienswijze op de planontwikkeling maakt geen melding van aandachtpunten op archeologisch gebied en het ontwerpbestemmingsplan is slechts voorzien van (onbekend) ambtelijk commentaar. Ook is niet duidelijk welke invloed de regioarcheoloog heeft gehad. Haar bemoeienis lijkt te eindigen bij het formuleren van de uitgangspunten voor het inventariserend veldonderzoek: haar adviezen naar aanleiding van dit onderzoek krijgen geen navolging. Daar waar Het Oversticht het als haar taak ziet gemeenten (ook Dalfsen) te ondersteunen bij hun procedurele taken op het gebied van de archeologie lijkt deze taak geheel te berusten bij het eigen ambtelijk apparaat en een archeologisch adviesbureau. (6) Tot slot verdient de rol van archeologische adviesbureaus en bedrijven aandacht. Opvallend zijn de uiteenlopende uitgangspunten (bijvoorbeeld landschapsgericht of juist vindplaatsgericht), een wisselende inhoudelijke lijn, de lage prijs voor archeologisch veldonderzoek en het onvermogen om op beslissende momenten het archeologisch risico duidelijk in kaart te brengen. Wat het laatste betreft moet opgemerkt worden dat de vondst van het grafveld van de Trechterbekercul-

tuur uit kon groeien tot een verrassing door een te lage dekkingsgraad van het inventariserend veldonderzoek, het uitblijven van de aanleg van aanvullende proefsleuven rond de twee TRB-graven die tijdens het inventariserend veldonderzoek werden gevonden, (mogelijk) de onderzoeksstrategie tijdens de eerste weken van het definitief onderzoek en het onvermogen verder onderzoek uit te stellen, terwijl het gebied ook in 2016 en zelfs 2017 niet aan bod komt voor bebouwing. Toekomst De casus Oosterdalfsen vraagt om een beschrijving van andere gevallen uit de periode 2008-2015. Hoe uniek of representatief is de casus? Zo kunnen we zicht krijgen op de wijze waarop planvormingsprocessen worden doorlopen, welke rol archeologisch onderzoek daarin speelt, hoe en tot welke hoogte archeologisch onderzoek wordt bekostigd en welke rollen diverse partijen spelen om te komen tot een goed systeem van checks and balances in een veld waar harde interventiewaarden niet bestaan. Het is echter goed om ook naar de toekomst te kijken omdat “behaalde resultaten uit het verleden geen garantie voor de toekomst bieden”. In de komende jaren zal sprake zijn van ruimtelijke ontwikkelingen die sterk verschillen van de afgelopen jaren: de aard en omvang van plannen, het soort initiatiefnemers, de doorlooptijd, de planvorming en de bekostiging van archeologisch onderzoek zullen ingrijpend veranderen. In dat verband is het goed om te beseffen dat de casus Dalfsen niet op zichzelf staat. Vóór de crisis liepen de positieve baten uit de grondexploitatie ten opzichte van de totale baten van de Nederlandse gemeenten op tot ongeveer 13%.59 Met de crisis is het beeld ingrijpend veranderd. Volgens de Raad voor de financiële verhoudingen60 bedragen de gemeentelijke verliezen op de exploitatie van gronden tussen 2008 en 2018 ca. € 6 miljard. De algemene reserve van gemeenten is hierdoor sinds het begin van de crisis met 1,1 miljard gedaald naar 5,7 miljard. Grondexploitaties hebben een lange remweg en zullen zeker niet op het oude niveau terugkeren. Door gemeenten zal moeten worden ingespeeld op de langetermijneffecten van de recessie, onzekere regionale demografische ontwikkelingen (krimp), regionale economische ontwikkelingen en concurrerende plannen in de regio en het meer gereglementeerde beleid

5 - De opgraving in Dalfsen leverde nog een tweede grote verrassing op: een groep van negen graven uit de Merovingische periode. Eén mannengraf en één vrouwengraf waren voorzien van rijke bijgiften. De inventaris van het vrouwengraf is afgebeeld (Van der Velde et al. 2016, 5, afb. 4). van woningbouwcoöperaties en de onzekere ambities van projectontwikkelaars.61 In het algemeen zal sprake zijn van stevige bezuinigingen op plankosten, op het ontdoen van overbodige kostentoerekeningen, de realisatie van kleine deelplannen en de uitgifte van losse kavels. Rekening moet worden gehouden met een grotere voorzichtigheid van de kant van gemeenten in de ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Mogelijk trekken ze zich uit het ruimtelijke domein terug omdat de nieuwe gemeentelijke taken in het sociale domein alle aandacht opeisen.62 In de loop van de crisis is de druk op archeologisch onderzoek waarschijnlijk al sterk toegenomen, zoals blijkt uit de prijsontwikkeling voor onderzoek. Dat zal in de komende jaren zeker niet veranderen. Het is maar zeer de vraag of met de beperking van gemeentelijke ambities op het gebied van planontwikkeling en archeologisch onderzoek en de verlaging van de archeologische marktprijzen archeologische resten in hun juiste omvang, met de juiste kwaliteit en op vernieuwende wijze kunnen worden opgegraven.  Referenties 1  Hans Lars Boetes, Jeroen Bouwmeester, Gerda de Bruijn, Bert Groenewoudt, Roel Lauwerier, José Schreurs, Bjørn Smit, Jos Stöver, Truus Veldhuis en Leonard de Wit (allen Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en Joost Kuggeleijn (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) leverden waardevol com25

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 25

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

mentaar op de eerste versie van deze beschouwing. 2  ADC Archeoprojecten, 2015. 3  Voor een overzicht van alle opgravingsresultaten, zie Van der Velde 2015; Historische Kring Dalfsen 2015; Van der Velde en Bouwma 2016; Van der Velde, Abelskamp, Bouwma en Langelaar 2016 en Bouma en Van der Velde 2016. 4  Brief van de gemeente Dalfsen van 13 mei (UIT-15-16934). Het op dat moment beschikbare onderzoeksbudget is € 215.000,- (de som van €145.500,-, ten laste van grondexploitatie Oosterdalfsen, en een door de raad op 12 mei 2015 goedgekeurde ophoging met € 70.000,-) maar er is € 35.000,- (afronding) en € 100.000,- (uitwerking) extra nodig. In het verzoek aan de Minister van OCW vraagt de gemeente om een bijdrage van € 75.000,-. 5  Brief van de Minister van OCW van 10 augustus 2015 (783623) 6  Brief van de gemeente Dalfsen van 7 september 2015 (UIT15-18372). Zie ook Luyendijk 2015. 7 Van Ginkel, 2015. 8  De gemeente Dalfsen heeft een oppervlakte van 166,50 km² en telt in zes kernen iets meer dan 27.750 inwoners (31 maart 2015). 9  Gemeente Dalfsen 2008. 10 Past2Present, 2007. 11 Gemeente Dalfsen, 35. 12 Past2Present 2007, 34. 13 Bazelmans 2010. 14  Past2Present 2007, 39. Niet alle voor het gehanteerde rekenmodel relevante kengetallen worden genoemd. Vergelijk Gemeente Dalfsen 2008, 98, waar sprake is van € 3,- tot 5,- aan archeologische meerkosten per m2. 15 Gemeente Dalfsen 2010. 16 Gemeente Dalfsen s.a. en 2011a. 17  Gemeente Dalfsen 2011b, 18. In de ambtelijke reactie van de provincie van 29 september 2011 komt de archeologie niet aan de orde. 18  Gemeente Dalfsen 2004 (2011). 19  E&M Consultants, 2013 (gelijkluidende conclusies in BMC 2014). Opgesteld in opdracht van de Rekenkamercommissie van de gemeente Dalfsen. Voor een goed begrip van de Dalfser situatie, zie Raad voor de financiële verhoudingen, 2015. 20  BMC 2014, 24. 21 Gemeente Dalfsen 2015a. 22  Gemeente Dalfsen 2015a, 39. 23  Gemeente Dalfsen 2015a (Toelichting,

28). Tot de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan heeft het plangebied Oosterdalfsen volgens de gemeentelijke erfgoedverordening een archeologische “dubbelbestemming”. Voor deze gronden geldt een verbod op verstoring dieper dan 30 cm. (Gemeente Dalfsen 2012). 24  Van Heeringen et al. 2011. 25 Van Heeringen et al. 2011, 6. 26  Deze beslaan ca 20% van het plangebied (Van Heeringen 2011 et al. afbeelding 8). Vergelijk kaart 2 en 3 in Bouma 2014 waar de goed afgedekte hogere delen groter lijken. 27  Van 15 x 4 m. met een tussenruimte van ca 30 m. 28  Bouwma 2014, 17. 29  De KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P) adviseert een dekkingspercentage boven de 5% (tot max. 10%) voor een aaneenschakeling van kleine en middelgrote vindplaatsen met een gemiddelde spoordichtheid (<10%) zonder vondststrooiing, zoals hier verwacht mocht worden (vergelijk het onderzoek van de naastgelegen Gerner Marke). 30 Bouma 2014, 48. 31 Bouma 2014, 80 32  In een advies aan de gemeente onderschrijft de regioarcheoloog deze analyse. De regioarcheoloog constateert overigens dat de grenzen van de verschillende vindplaatsen te krap zijn getrokken en dat het onderzoek nog geen selectie mogelijk maakt (advies aan de gemeente Dalfsen van Marijke Nieuwenhuis d.d. 2 april 2014). 33 Bouma 2014, 80, 82 en 88. 34  Deze hoge inschatting wordt onderschreven door de regioarcheoloog (advies aan de gemeente Dalfsen van Marijke Nieuwenhuis d.d. 2 april 2014). 35  Bouma, blz. 89. Uitbreiding van het verkennend onderzoek wordt ook bepleit in twee adviezen van de regioarcheoloog (adviezen aan de gemeente Dalfsen van Marijke Nieuwenhuis d.d. 6 september 2012 en d.d. 2 april 2014). 36  Het latere TRB-grafveld bleek 2600 m2 te zijn. 37 Bouma, 2014, 60-61. 38  Pape en Van Eijk, 2012. Bij het opstellen van dit stuk waren de veldwerkresultaten op hoofdlijnen (evaluatierapport) beschikbaar. 39  Vergelijk Pape en Van Eijk 2012, 8 met

NUMMER

36

JULI

2016

Van Beek 2011 en Van Beek en Groenewoudt 2011. 40  E-mail van B. Berkhof, beleidsmedewerker gemeente Dalfsen, aan Marijke Nieuwenhuizen, Oversticht, van 14 januari 2013. 41  Besluitenlijst College van Burgemeester en Wethouders nr. 34, d.d. 26 augustus 2014. 42 Witte et al. 2015. 43 Witte et al. 2015, 7. 44 Witte et al. 2015, 14-15. 45 Witte et al. 2015, 12 en 13. 46 Witte et al. 2015, 16. 47  Zie Raadsbesluit Kosten Archeologisch onderzoek Oosterdalfsen 12 mei 2015 (Raad 22 juni 2015). Dit bedrag is inclusief € 25.000,- voor directievoering (mondelinge mededeling H. van de Velde). 48  Een gekapitaliseerde inzet van Saxion en RUG wordt hierin niet meegerekend. 49  Gemeente Dalfsen 2008, 59; Pape en Van Eijk 2012, 17 en SIKB (http://handreikingarcheologie.sikb.nl/188). 50  Dit is de som van het bureauonderzoek, het verkennend onderzoek (beide door de auteur geschat) en het definitieve onderzoek (€ 145.000,-), dus zonder de door de gemeenteraad goedgekeurde verhoging van € 70.000,-. In NRC Handelsblad van 1 oktober 2015 vermeldt burgemeester Han Noten dat Dalfsen 436.200 euro in het onderzoek heeft geïnvesteerd (Luyendijk 2015). Het is op basis van openbare bronnen niet navolgbaar hoe dit bedrag is samengesteld en van welke financieringsbronnen sprake is. Voor het betoog is het door Noten genoemde bedrag minder relevant omdat het hier gaat om de uitgangssituatie bij het begin van de opgraving. 51 Raadsbesluit 22 juni 2015. 52  Uit de berekening blijkt dat de exploitatiekosten per woning maximaal ca € 71.000,- bedragen (bij 230 woningen). Dit bedrag is conform de prijsontwikkeling beschreven door Van Hoek et al. 2010 en Keers et al. 2013). 53 PBL, 2011, Tabel 3.7, blz. 36. 54  Gemeente Dalfsen 2008, 98. Deze percentages gingen echter uit van een rekenmodel dat vanuit kostenbeheersing voordelig genoemd kan worden (zie boven). Tegelijkertijd lagen aan deze percentages veel hogere prijzen voor archeologisch onderzoek ten grondslag. 55  Keurs en Van der Reijden 2011, bijlage

26

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 26

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

10, blz. 134. Brink Groep en Rigo 2015, 30. 57  Rigo 2011, bijlage 10, blz. 134 (Deventer en Someren). 58 Gemeente Dalfsen 2015. 59  De Zeeuw 2014. Vergelijk Planbureau voor de Leefomgeving 2011. 60  Raad voor de financiële verhoudingen 2015. 61  In de komende jaren is de bouw van nieuwe woningen buiten de ‘banaan’ Utrecht-Amsterdam-Haarlem-LeidenDen Haag-Delft waarschijnlijk niet rendabel (Vermeulen et al. 2015). 62 De Zeeuw 2014. 56

Literatuur -  ADC Archeoprojecten, 2015: 5000 jaar oude topvondsten bieden nieuw zicht op het leven van de Oer-Nederlander, http://www.archeologie.nl/nieuws-enopinie/2015/05/20/nieuws-5000-jaaroude-topvondsten-bieden-nieuw-zichtop-het-leven-van-de-oer-nederlander/. -  Bazelmans, J., 2010: Wie bepaalt de archeologische agenda?, Archeobrief 14.2, 31-37. -  Beek, R. van, 2011: Reliëf in Tijd en Ruimte. Interdisciplinair onderzoek naar bewoning en landschap van Oost-Nederland tussen vroege prehistorie en middeleeuwen, Wageningen (proefschrift). -  Beek, R. van, en B. Groenewoudt, 2011: An Odyssey along the River Vecht in the Dutch-German border area. A Regional Analysis of Roman-period Sites in Germania Magna, Germania 89, 157-190. -  Blom, E., S. Wyns en H. van de Velde, 2006:Dalfsen ‘De Gerner Marke’. Sporen van bewoning uit de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen op een dekzandrug langs de Overijsselse Vecht, Amersfoort (ADC ArcheoProjecten rapport 766) -  BMC 2014 (W. Vos en A. van den Heuvel), Marktonderzoek bouwgrond woningbouw 2014-2018 in Dalfsen (s.l.). -  Bouma, N., 2014: Sporen van bewoning en begraving uit de late prehistorie en Middeleeuwen in Oosterdalfsen te Dalfsen, Amersfoort (ADC rapport 3678). -  Bouwma, N., en H.M. van der Velde, 2016: Een klein grafveld uit de Vroege Middeleeuwen (6de eeuw na Chr.). De heer en vrouwe van Oosterdalfsen, Rondom Dalfsen 86 (special Dalfsen ca 1450 jaar geleden. De Merovingische vondsten in Dalfsen), 1851-1860.

-  Brink Groep en Rigo Research en Advies, 2013: Parlementair onderzoek Huizenprijzen. Verdiepingsonderzoek grondproductiekosten, s.l. -  E&M Consultants, 2013: Onderzoek naar de (financiële) beheersing van de grondexploitatie van de gemeente Dalfsen. Onderzoek in opdracht van de Rekenkamercommissie Dalfsen, IJsselmuiden. -  Gemeente Dalfsen, 2004 (2011): Nota Grondbeleid 2004, herzien 2011. -  Gemeente Dalfsen, 2008: Archeologisch Beleidsplan Gemeente Dalfsen 2008, (Past2Present rapportage 518). -  Gemeente Dalfsen, 2010: Structuurvisie Kernen Dalfsen, Dalfsen, http://www. ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ bestemmingsplannen?planidn=NL. IMRO.0148.SkernenDlfs-vs01, vastgesteld op 8 oktober 2010. -  Gemeente Dalfsen, 2011a: Afweging uitbreidingsrichting Dalfsen, http://ro.dalfsen.nl/NL.IMRO.0148. SkernenDlfs-on01/db_NL.IMRO.0148. SkernenDlfs-on01_3.html. -  Gemeente Dalfsen, 2011b: Uitgangspuntennotitie Oosterdalfsen, Dalfsen (Witpaard, Zwolle). Vastgesteld 28 november 2011. -  Gemeente Dalfsen, 2012: Erfgoedverordening, Dalfsen. -  Gemeente Dalfsen, 2015a: Meerjaren Prognose Gebiedsontwikkeling (MPG) 2015, Dalfsen. -  Gemeente Dalfsen, 2015b: Bestemmingsplan Oosterdalfsen, Dalfsen, vastgesteld 22 juni 2015. -  Gemeente Dalfsen, s.a.: Afweging uitbreidingsrichting Dalfsen, Dalfsen. -  Ginkel, E., 2015: Dalfsen. Ambassadeur of honorair consul, Erfgoedstem 13 augustus 2015, http://erfgoedstem. nl/dalfsen-ambassadeur-of-honorairconsul/. -  Heeringen, R.M., K.Klerks, E. Louwe en S. Malda, 2011: Ontwikkeling bedrijventerrein en woningbouw te Oosterdalfsen, gemeente Dalfsen. Ruimtelijk advies op basis van archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, Amersfoort (Vestigia rapport V871). -  Historische Kring Dalfsen, 2015: Dalfsen 5000 jaar geleden. Het Trechterbekervolk langs de Vecht, Dalfsen (Rondom Dalfsen 84 (special)). -  Keers, G., H. van der Reijden en H. van Rossum, 2011: Ruimte voor archeolo-

gie. Themaveldrapportages evaluatie Wamz, Amsterdam (Rigo). -  Luyendijk, W., Dalfsen gaat de internationale markt op met nationaal erfgoed), NRC Handelsblad, 1 oktober 2015. -  Pape, H, en C. van Eijk, 2012: Adviesdocument ten behoeve van selectiebesluit archeologie Oosterdalfsen, gemeente Oosterdalfsen, Woerden (The Missing Link rapport 520). -  Past2Present-ArcheoLogic, 2007: Startnotitie archeologiebeleid gemeente Dalfsen, Woerden (Past2PresentArcheoLogic rapportage 422). -  Planbureau voor de Leefomgeving, 2011: Financiering van gebiedsontwikkeling. Een empirische analyse van grondexploitaties, Den Haag. -  Raad voor de financiële verhoudingen, 2015: Grond, geld en gemeenten. De betekenis en gevolgen van de gemeentelijke grondexploitaties voor de bestuurlijke en financiële verhoudingen, s.l. -  Velde, H.M. van der, 2015: De eerste resultaten van het archeologisch onderzoek in Oosterdalfsen (manuscript mei 2015). -  Velde, H.M., en N. Bouwma, 2016: Oosterdalfsen: een rijk grafveld van de trechterbeker-cultuur, in L. Amkreutz et al. (red.), Vuursteen verzameld. Over het zoeken en onderzoeken van steentijdvondsten en –vindplaatsen, 359-362 (Nederlandse Archeologische Rapporten 50). -  Velde, H.M. van der, K. Abelskamp. N. Bouwma en J. Langeraar, 2016: Merovingische graven in Oosterdalfsen. Aanwijzingen voor elite langs de Vecht, Archeobrief 20 (1), 2-9. -  Vermeulen, W., C. Teulings, G. Marlet en H. de Groot, 2015: Groei & Krimp. Waar moeten we bouwen - en waar vooral niet?, Nijmegen. -  Witte, N., C. van Eijk en S. Hornikx, 2015: Bestek archeologisch onderzoek opgraving Oosterdalfsen, gemeente Dalfsen. Opgraving, Woerden (The Missing Link rapport 320). -  Zeeuw, F. de, 2014: Grondexploitatie; professionaliteit verhogen zonder uitwijkmanoeuvres, Romagazine 1-2.

27

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 27

12/06/16 16:03


nieuws

UIT HET WERKVELD

VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

2016

Vijftig tinten blauw W

aardestellingen worden vaak gebruikt om de monumentale waarden van een gebouw of gebied te omschrijven. Erin staan heel kernachtige de essenties van het monument beschreven. Hoe specifieker de waarden in beeld zijn, des te makkelijker het is om de impact van een interventie te kunnen bepalen. Ter ondersteuning worden waarderingstekeningen gemaakt, waarin met verschillende kleuren wordt aangegeven hoe monumentaal de bouwdelen zijn. Blauw betekent: hoge monumentwaarde. Groen is positieve monumentwaarde en geel is een indifferente waarde. Zo wordt gemakkelijk inzichtelijk wat de belangrijkste onderdelen van een gebouw zijn – en dus ook waar de

ruimte voor verandering zit. Er kleven wel wat bezwaren aan het werken met waarderingstekeningen. Ze laten alleen de materiële waarde van een monument zien, terwijl in de monumentenzorg niet-materiele waarden steeds belangrijker worden. Denk aan ruimtelijke concepten, ontworpen routes (de promenade architecturale), zichtlijnen, symbolische betekenissen of immateriële waarden. Een monumentaal kerkgebouw kan worden volgebouwd met appartementen, waarbij alle (blauw gekleurde) materiële waarden worden behouden, maar van een monument zal dan nauwelijks nog sprake zijn. SteenhuisMeurs heeft veel waardestellingen gemaakt van monumenten die

relatief ongeschonden zijn, zoals een leegstaand klooster in Amersfoort, een immens kantoorgebouw in Utrecht en een tiental publieke gebouwen uit de jaren zeventig en tachtig. In de waarderingstekening kleurt al gauw alles blauw: hoogmonumentaal. Waarom zou de ene authentieke bouwsubstantie immers onderdoen voor de andere? Maar wat kunnen we met zo’n waardestelling? Het zijn stuk voor stuk monumenten waarvan duidelijk is dat herbestemming gaat leiden tot aanpassingen – inclusief onvermijdelijke keuzen om te transformeren. Het is (ook voor erfgoedprofessionals) duidelijk dat ongerept behoud van tienduizenden vierkante meters (verouderd) kantoor of kilometerslange gangen maatschappelijk moeilijk is te verantwoorden en ook niet het belang van de erfgoedsector is. Juist de transformaties zorgen voor nieuwe bezieling, de ontsluiting van de monumenten en hun voortbestaan. Het gaat erom in alle authentieke bouwsubstantie te komen tot de kern. Dat kan door te werken met tinten blauw – waarbij er gradaties ontstaan in de hoogmonumentale waarde. In een transformatiekader kan vervolgens per tint een gebruiksaanwijzing voor de toekomst worden opgesteld. Een andere optie is om te komen tot het formuleren van kernwaarden – die materiële, ruimtelijke, conceptuele en symbolische waarden kunnen omvatten. De kernwaarden kunnen richting geven aan het behoud (door een hiërarchie aan te brengen). Het leuke is dat ze in een transformatiekader ook kunnen worden ‘vertaald’ in uitgangspunten voor gepaste toevoegingen en verandering. Zo kunnen behoud en vernieuwing vanuit een samenhangend uitgangspunt worden benaderd.

Klooster Ter Eem, Amersfoort.

STEENHUISMEURS

www.steenhuismeurs.nl

RUBRIEK 28

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 28

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

recent

2016

Vloeiend landschap. AUTEUR

Peter de Ruyter UITGAVE

Bornmeer D E TA I L S

Paperback, 128 pagina’s, ISBN 978-90-5615-370-0 PRIJS

€ 19,50

Ondersteboven. Jouw Nederland in de jaren 60. AUTEURS

Rebecca Wilson en Petra Boers UITGAVE

WalburgPers D E TA I L S

Gebonden, 128 pagina’s, geillustreerd in kleur, ISBN 978-94-6249-102-1

PRIJS

€ 19,95

D

e jaren zestig in Nederland. De welvaart groeide spectaculair. In ieder huis was Tomado thuis. De bermpicknick was hét zomerse hoogtepunt. Wat herinnert u zich nog van die tijd? De frisse flessenlikkers, dripdry afdruiprekjes, pastellerige tupperwareparties? Uw eerste Puch, Daf, Goed Wonen-doorzonflat? Of swingde u stickyrokend in uw nakie op popfestivals? Was u zo’n vrijseksend, langharig en -baardig aksievoerend stuk tuig? Wát zegt u, u bezette persóónlijk dat

Gids van joods erfgoed in Nederland. AUTEURS

Jan Stoutenbeek en Paul Vigeveno UITGAVE

Bas Lubberhuizen D E TA I L S

Paperback, 496 pagina’s, geheel in kleur, ISBN 978-90-5937-450-8 PRIJS

€ 39,99

VERSCHENEN

I

n Nederland is er een groeiend onbehagen over de kwaliteit van het landschap. Dit geldt ook voor Friesland, volgens velen de mooiste provincie. De diversiteit en schoonheid van het Friese landschap brokkelt zienderogen af. Anonieme bedrijventerreinen, willekeurig geplaatste windturbines en een verschrompelend veenweidegebied zorgen voor ‘landschapspijn’. Kan het tij gekeerd worden? Op een rondreis door de verschillende landschapstypen van Friesland laat Peter de Ruyter zien dat het nog niet te laat is. Door mee te bewegen met toekomstige veranderingen als een stijgende zeespiegel en een krimpende bevolking ontstaan er kansen. Dit boek is een pleidooi voor verbetering en visie. n

mythische Maagdenhuis? U brak het Scheveningse Kurhaus af tijdens dat legendarische Rolling Stonesconcert? Really? Hoog tijd voor een geheugenopfrisser! Ondersteboven vertelt het verhaal van het decennium dat de Nederlandse samenleving volledig overhoop haalde. Dit boek bij de gelijknamige NTR/VPRO tv-serie haalt tal van herkenbare herinneringen op. Met pil-propagandisten, opwaarts mobiele arbeiderskinderen, blitskikkers, seksende priesters, Spaanse gastarbeiders en feministische Margriet-redactrices. Doe zelf een sixties-idealen-APK. Herbeleef dat knusse dia-avondje. Organiseer een ouderwets ludieke anti-autoritaire sit-in (of dito partnerruil-avond). Inderdaad, Ondersteboven is geen gewoon geschiedenisboek. Het is een hallucinant, geheugenstimulerend, nostalgie-opwekkend, kleur-zing-dans-herbeleef-aksie-boek voor elke babyboomer die Welterusten Mijnheer De President nog feilloos kan meezingen. En voor zijn (klein)kinderen. n

P

er streek en plaats beschrijven de auteurs de vele gebouwen, monumenten, plekken en objecten die te maken hebben met de joodse cultuur, religie en geschiedenis. Dit varieert van een kleine dorpssjoel en een vergeten begraafplaats tot het Spinozahuis in Voorburg en de resten van het imperium van textielbaron Menko in Enschede. Met aandacht voor regionale verschillen en details, op basis van veel en gedegen onderzoek, worden de geschiedenis en de huidige joodse gemeenschappen uitvoerig beschreven. Het boek is rijk geïllustreerd met historische afbeeldingen, foto’s en stadsplattegronden. Een onmisbaar naslagwerk en een uitvoerige gids. n

29

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 29

12/06/16 16:03


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

Baksteen. Geschiedenis – Architectuur - Technieken AUTEUR

James W.P. Campbell UITGAVE

THOTH D E TA I L S

Gebonden, 320 pagina’s, met ruim 600 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-694-4 PRIJS

€ 34,95

B

abylon, de oudste metropool, de Chinese Muur, de middeleeuwse kathedraal van Albi, het Chrysler Building, het Raadhuis van Hilversum... er zijn meer meesterwerken gemaakt van baksteen dan de meesten van ons beseffen. Voor hen opent dit boek een nieuwe wereld waarin veel valt te ontdekken, te leren en te genieten.

NUMMER

36

JULI

2016

Geïllustreerd met spectaculaire, speciaal voor dit boek gemaakte foto’s, is ‘Baksteen’ een geschiedenis van het gebruik van baksteen door architecten in alle tijdperken. Het boek geeft tevens een overzicht van de technieken waarmee bakstenen gemaakt en verwerkt worden en is tegelijkertijd een essay over architectuur- en cultuurgeschiedenis. Meer dan honderd thema’s worden met grote deskundigheid door de auteurs in beeld gebracht en geanalyseerd, vanaf de leemsteden in het oude Egypte tot aan de eigenzinnige toepassing van baksteen door moderne meesters als Michel de Klerk, Alvar Aalto en Renzo Piano. Naast de mooiste kathedralen en landhuizen, tempels en moskeeën, krijgen ook grote infrastructurele werken – viaducten, tunnels, bruggen – alle aandacht, om de lezer zo een indruk te geven van de onmisbaarheid en ongelooflijke veelzijdigheid van baksteen en baksteenbouw. Het boek wordt afgerond met een geïllustreerd glossarium waarin alle technische termen, bouwtechnieken en metselverbanden gedetailleerd worden uitgelegd. n

Wonen in de Amsterdamse School – Ontwerpen voor het interieur 1910-1930. AUTEURS

Ingeborg de Roode en Marjan Groot (red.) UITGAVE

THOTH (i.s.m. Stedelijk Museum Amsterdam) D E TA I L S

Gebonden, 304 pagina’s, 400 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-698-2 PRIJS

€ 32,50

D

e Amsterdamse School (1910-1930) is een expressieve stroming die uniek was in Nederland door de rijkdom aan vormen. Na de architectuur die internationale bekendheid geniet, staan in dit boek voor het eerst de inrichting en ontwerpen voor het interieur centraal. Interieuronderdelen zoals meubelen, lampen en klokken worden gekenmerkt door sculpturale vormen. In textiel en behang komen felle kleurencombinaties voor. De voorwerpen zijn vaak van kostbare materialen en met arbeidsintensieve ambachtelijke technieken gemaakt. Ook in de vormgeving van affiches, boekbanden en theaterprogramma’s is de invloed van de Amsterdamse School te zien. Deze rijk geïllustreerde publicatie bevat een analyse van de meubelvormgeving van de Amster-

damse School en essays over de verspreiding van de stijl, de commerciële receptie, de internationale context en de hedendaagse invloed. Casestudies over Michel de Klerk, glas-in-loodbedrijven en de restauratie van interieurs vullen dit overzicht aan. Met werk van onder meer Tine Baanders, Louis en Willem Bogtman, Fré Cohen, Joseph Crouwel, De Nieuwe Honsel, Jaap Gidding, Dick Greiner, Michel de Klerk, Piet Kramer, Hildo Krop, Liem Bwan Tjie, Joan Melchior van der Mey, Gustaaf Adolf Roobol en H.Th. Wijdeveld. n

30

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 30

12/06/16 16:03


VITRUVIUS

NUMMER

36

JULI

recent

2016

VERSCHENEN

Er stond een vrouw in de tuin. Over de rol van vrouwen in het Nederlandse landschap. AUTEUR

Anne Mieke Backer UITGAVE

de HEF D E TA I L S

Paperback, 640 pagina’s, geillustreerd in zw/w en kleur, ISBN 978-90-6906-048-4 PRIJS

€ 27,90

E

en bundel verhalende essays die samen een wandeling door de Nederlandse tuinhistorie vormen, waarbij de vrouw als gids is gekozen. Het boek laat zich lezen als een levendige geschiedschrijving van de Nederlandse vrouw vanuit het perspectief van de tuin. De auteur vraagt zich af waarom ons altijd is verteld dat door toedoen van één vrouw het paradijs is verloren gegaan en waarom er zo weinig aandacht is voor de paradijzen die sindsdien door Nederlandse vrouwen zijn gecreëerd. Het gaat niet alleen over vrouwelijke tuin- en landschapsarchitecten, maar evengoed over naamloze boerinnen die hun kennis van bloemen en planten doorgaven aan hun dochters, over prinsessen en rijke grootgrondbezitsters die het landschap naar hun hand zetten, pioniersters met tulpenbollen, burgerdames en zelfs hoeren die in de

groene beschutting van parken hun diensten aanbieden. Beginnend bij de eerste landbouwculturen rond 5000 jaar voor de jaartelling, eindigt het bij internationaal bekende Nederlandse groenontwerpsters en de actualiteit van het nieuwe ‘stadstuinieren’ in de metropool. Voor haar onderzoek bestudeerde Anne Mieke Backer talloze brieven en dagboeken, waardoor samen met afgenomen interviews, er een beeld kon worden gevormd van wat de rol van vrouwen was en vooral van wat hun drijfveren waren. Zo werd het schrijven van dit boek een zoektocht naar het antwoord op de vraag wat de beschreven vrouwen op hun specifieke stukje aarde hebben gezocht en wat zij er tot op de dag van vandaag hebben gevonden. Het steeds veranderende begrip ‘natuur’ en parallel daaraan de opvatting over de ‘vrouwelijke natuur’ fungeerde daarbij als een rode draad. n

I

Onmetelijke Noordzee. Reizen van kust naar kust. AUTEUR

Martin Kers UITGAVE

Terra D E TA I L S

Hardcover, 304 pagina’s, fotoboek, ISBN 978-90-6868-698-2 PRIJS

€ 39,99

n Onmetelijke Noordzee reist landschapsfotograaf Martin Kers langs alle kusten die de Noordzee omsluiten. Met prachtige beelden laat hij zien hoe mensen de kust beïnvloeden maar ook hoe de elementen, de golven en de wind de kustlijn ingrijpend veranderen. Onmetelijke Noordzee geeft een blik op spectaculaire luchten, zeegezichten en stille landschappen. Maar ook op de dynamiek van steden, havens, industrie, ruige kusten, stranden, vogels en vissen. Door deze verscheidenheid aan beelden van de verschillende landen geeft fotograaf Martin Kers een indringende kijk op de cultuur, de natuur de zee en de oneindige activiteiten langs kusten van de drukst bevaren zeeroute van de wereld. n

31

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 31

12/06/16 16:03


Doe mee...en win!

LEZERSACTIE

Ontworpen als bescherming tegen het water na de watersnoodramp van 1953 behoren de Deltawerken tot de iconische monumenten van Nederland, met technische hoogstandjes als de Oosterscheldekering, de Brouwersdam en de Maeslantkering. De kracht van de Deltawerken is de unieke combinatie van civiele techniek, architectuur en landschappelijk ontwerp in een systematisch bouwwerk met een weergaloze samenhang.

 Klimaatverandering maakt de wateropgave opnieuw urgent. Het boek toont de unieke kwaliteiten en innovaties van de veertien onderdelen van de Deltawerken, en belicht de daadkracht van de speciaal opgerichte Deltadienst, die de delta integraal op de tekentafel legde. In interviews verkennen experts de alternatieven en opties voor het waterverdedigingssysteem. Dit boek biedt de ontstaansgeschiedenis van de Deltawerken, een actueel overzicht ervan én de uitdaging voor de toekomst.

Onder onze abonnees verloten wij

5x De Deltawerken

Alles wat u hoeft te doen is vóór 1 augustus 2016 een e-mail te sturen met uw naam en adres naar info@uitgeverijeducom.nl met als onderwerp ‘Deltawerken’. Let op! Verloting geschiedt alleen onder betalende abonnees van het vakblad Vitruvius. Heeft u nog geen abonnement? Wordt dan snel abonnee* om ook kans te maken op een gratis exemplaar van dit boekwerk.

Uitgeverij Educom BV

* Een abonnement op het vakblad Vitruvius bedraagt € 45,- per jaar/per 4 edities. * Alle prijswinnaars krijgen persoonlijk bericht voor 17 juni 2016.

VITRUVIUS_Juli2016_v2.indd 32

12/06/16 16:03

Vitruvius juli 2016  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius juli 2016  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement