Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 9 | NUM M ER 3 5 | A PRIL 2 0 1 6

DE STUDIE NAAR PRÉ-INDUSTRIËLE MIJNBOUW IN NEDERLAND EEN INTERDISCIPLINAIRE SPECIALISATIE IN WORDING

ENERGIEBESPARING BIJ MONUMENTALE KERKGEBOUWEN

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 1

KORT - NIEUWE NATIONALE ONDERZOEKSAGENDA ARCHEOLOGIE ONLINE

MIP VAN DE MAAKBAARHEID

02/04/16 16:40


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren uvoor promotionele Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele doeleinden. Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 2

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

02/04/16 16:40


JAARGANG 9 NUMMER 35 APRIL 2016

6

5 KORT - NIEUWE NATIONALE ONDERZOEKSAGENDA ARCHEOLOGIE ONLINE

16

ENERGIEBESPARING BIJ MONUMENTALE KERKGEBOUWEN

23

DE STUDIE NAAR PRÉINDUSTRIËLE MIJNBOUW IN NEDERLAND EEN INTERDISCIPLINAIRE SPECIALISATIE IN WORDING

MIP VAN DE MAAKBAARHEID

Gesch-Delft1-OM_TPD 21-10-15 10:20 Pagina 1

g e rri t v e rh o ev e n

24

Delft was ook de stad van bier en plateel, van de VOC en beroemde schilders. In de middeleeuwen voorzagen meer dan honderd brouwerijen grote delen van de Nederlanden van bier. De vermogens die hiermee werden verdiend, werden onder meer belegd in de handel op de Oost. In de zeventiende eeuw verwierf het Delftse aardewerk een faam die het tot de dag van vandaag behouden heeft. De welvaart zorgde voor een korte maar hevige bloei van kunsten en wetenschappen, met Johannes Vermeer en Antoni van Leeuwenhoek als beroemdste vertegenwoordigers .

De derde stad van Holland geschiedenis van delft tot 1795

De derde stad van Holland Voor het eerst is de geschiedenis van de stad Delft in zijn geheel beschreven. Dit deel begint met het ontstaan van de stad in de middeleeuwen en loopt tot het einde van de Republiek in 1795. In deze periode gold Delft als derde stad van Holland, na Dordrecht en Haarlem, maar vóór Leiden, Amsterdam en Gouda. In Delft nam de Hollandse geschiedenis enkele malen een beslissende wending. De Hoekse en Kabeljauwse twisten begonnen hier in 1350 met een brute moord. Bij de Zoen van Delft droeg Jacoba van Beieren in 1428 de regering over aan de hertog van Bourgondië. In de beginjaren van de Opstand tegen Spanje was Delft als residentie de bakermat van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De moord op Willem van Oranje in het Prinsenhof in 1584 betekende het begin van de traditie dat de Oranjes worden bijgezet in de Nieuwe Kerk in Delft. De Oude Kerk werd de begraafplaats van Piet Hein en Maarten Harpertsz Tromp.

De derde stad van Holland geschiedenis van delft tot 1795

1

Dit boek vertelt het hele verhaal, over rijken en armen, protestanten en katho lieken, geboren Delvenaren en van elders afkomstige Delftenaren. Wetenschappelijk verantwoord en leesbaar voor iedereen. Vol nieuwe inzichten en met honderden, soms nooit eerder gepubliceerde afbeeldingen.

ISBN 978 94 625 8093 0

29

1 gerrit verhoeve n

VOOR U GELEZEN

RECENT VERSCHENEN

3

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 3

02/04/16 16:40


colofon

VITRUVIUS

NUMMER 35

APRIL 2016

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

ONDERSTEUNERS

COLOFON Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke

Hoofdweg 255 9765 CH Paterswolde Tel. 050 308 01 00 mail@steenhuismeurs.nl www.steenhuismeurs.nl

redactie en redactieraad UITGEVER/BLADMANAGER

Robert Diederiks

REDACTIE

Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

S.A. Muller

Drs. E. Raap

mw. Drs. S.M. van Roode

R.P.H. Diederiks

REDACTIERAAD

Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Paganellus Minor

Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE

Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland E 45.- /België E 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom BV April 2016 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

4

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 4

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER 35

kort

APRIL 2016

Foto: Floris van Oosterhout (RAAP)

Nieuwe Nationale Onderzoeksagenda Archeologie online

Dronebeeld van een opgraving bij de randweg van Baarle.

O

m te weten hoe mensen in het verleden leefden, hoe we onze huizen bouwden, steden vestigden of onze internationale handelsnetwerken opzetten, zijn we naast de vaak summiere schriftelijke bronnen aangewezen op de resten uit het verleden die nog altijd in de bodem aanwezig zijn. Die resten zijn bronnen van informatie: archiefstukken in feite. Een archeologische opgraving kan ons veel gegevens verschaffen over dit verleden. Dan moeten we wel de juiste vragen op ons ‘bodemarchief ’ loslaten. Daarom is in de afgelopen jaren het archeologisch veld onder leiding van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aan de slag gegaan om vanuit een nationaal perspectief de essentiële vragen te formuleren. Dat heeft een onderzoeksagenda van 117 vragen opgeleverd. Waarom archeologisch onderzoek en opgraven? Na het invoeren van het Europese Verdrag van Malta (1992) dat sinds 2007 verankerd

is in de Nederlandse wetgeving, is het aantal opgravingen enorm toegenomen. Waar waardevolle archeologische resten in de bodem aanwezig (kunnen) zijn, mag niet meer zomaar worden gebouwd. Eerst moet worden opgegraven, tenminste als behoud in situ (op de plek zelf) niet mogelijk is. Dat is hoe we in Nederland archeologische monumentenzorg hebben geregeld, maar waarom doen we dit eigenlijk? Wat willen we weten over het verleden, en hoe komen we dat te weten? Wat zijn bovenregionaal belangrijke vragen, waar je lokaal op aan kunt haken? Archeologische vindplaatsen zijn bronnen van informatie en opgravingen op die plekken dienen om historisch waardevolle gegevens veilig te stellen. Die gegevens zijn bouwstenen die het mogelijk maken het verhaal van onze geschiedenis aan te vullen, en misschien zelfs te corrigeren.

en Wetenschap voorstellen gedaan om de manier waarop de archeologiebeoefening functioneert te verbeteren. Kernbegrippen: selectiever en beter. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kreeg de opdracht daarvoor te zorgen. Samen met andere overheden en de archeologische sector (opgravingsbedrijven, universiteiten etc.) is de laatste jaren hard gewerkt aan gereedschappen die moeten helpen slimme keuzes te maken. Eén daarvan is een update van de zogeheten Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA). Die NOaA 2.0 is op 1 april 2016 online gegaan: www.NOAA.nl. n

Verbeteracties Archeologie Een paar jaar geleden heeft de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur

5

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 5

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

ir. E.J. Nusselder Restauratie-architect en bouwhistoricus

NUMMER

35

APRIL

2016

Energiebesparing bij monumentale kerkgebouwen

1 - Van links naar rechts: infraroodbeeld met warmtebeeldcamera van de St. Rochuskapel in Amersfoort op een koude gebruiksdag, de Arnhemse Eusebiuskerk vanuit het zuiden tijdens de lopende restauratie en rechts de niet gelijkmatig werkende hetelucht-vloerverwarming van de Stevenskerk in Nijmegen. © ejn.

I

nleiding Kerkgebouwen behoren tot het meest herkenbare erfgoed in het land. Een belangrijk aandachtspunt bij de exploitatie van kerkgebouwen is de energie die daarbij verbruikt wordt. De verwarming van een groot gebouw en behoorlijke verlichting en andere technische voorzieningen zijn essentieel voor een goede bezoekers- en gebruikerservaring, maar leiden tegelijkertijd soms tot hoge kosten. In dit artikel wordt ingegaan op de mogelijkheden voor energiebesparing in monumentale kerkgebouwen.

algemene tips zijn: individuele doelstellingen ten aanzien van kwaliteitsverbetering en energiebesparing zijn uiteindelijk altijd afhankelijk van de specifieke situatie in het betreffende kerkgebouw. Als eerste zal de DuMo-methode nader worden toegelicht. Daarop volgen de algemene condities die gelden bij het doorvoeren van energiebesparende maatregelen in gebouwd erfgoed. Daarna komen de verschillende besparingsopties aan bod die bestaan bij aanpak van de gebouwschil, bij verbetering van verwarmingsinstallaties en elektrasystemen en bij alternatieve energieopwekking.

Het artikel is gebaseerd op een onderzoek waarbij gekeken is of er praktische methoden en maatregelen zijn te ontwikkelen voor energiebesparing bij monumentale kerken. Daarnaast is onderzocht of deze methoden en maatregelen ook op hun effecten zijn te beoordelen. Voor het onderzoek is een analyse gemaakt van een aantal objecten van kerkelijk erfgoed, waarbij het systeem Duurzame Monumentenzorg (DuMo) 1) is gehanteerd. Ook zijn meerdere verduurzamingsonderzoeken bij monumenten en hun resultaten in het onderzoek betrokken. Uit de waarnemingen, energetische analyses en voorgestelde maatregelen zijn algemeen geldende tips af te leiden, die in dit artikel kort worden aangestipt. Hierbij moet in het oog gehouden worden dat dit

DuMo analyse Het DuMo-systeem maakt het mogelijk de juiste afwegingen te maken tussen behoud van cultuurwaarden en ingrijpen ten behoeve van duurzaamheids-maatregelen. Doel van het systeem is het bepalen van de mate waarin gebouwmaterie aanpassing kan en mag ondergaan: de ‘aanraakbaarheid’. Het DuMo-systeem levert daartoe een praktisch, beknopt systeem van waardentoekenning op basis van criteria, overeenkomstig de in de bouw- en architectuurhistorie toegepaste waardenstellingssystemen. De bepaling van de aanraakbaarheid gebeurt aan de hand van een waardenstellende opname van het gebouw door een gekwalificeerd bouwhistoricus. Op basis hiervan en op basis van vergelijking met

referentieobjecten bepaalt deze de ‘aanraakbaarheidscategorie’, en kent hij een coëfficiënt toe die in getalswaarde kan variëren van 1 tot 3. In het DuMo-systeem wordt deze variabele of ‘Mo-coëfficiënt’ gecombineerd met de prestatie-scores van de geadviseerde of door te voeren duurzaamheidingrepen. De ‘Mo-coëfficiënt’ vormt dus de factor waarmee de geïnventariseerde cultuurwaarden de daardoor min of meer beperkte ingreepmogelijkheden in het kader van duurzaamheid compenseren.

2 -Handboek Duurzame Monumentenzorg, onderdeel van het DuMoexpertsysteem. Het bijbehorende rekenmodel levert op basis van een quick scan indicatieve kengetallen bij de verschillende in aanmerking komende duurzaamheid-verbeterende maatregelen. (©ejn)

6

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 6

02/04/16 16:40


NUMMER

35

APRIL

2016

Voorbeeld van uitkomsten DuMo-profiel bij verschillende scenario’s voor een kerk DuMo-SCENARIO

DuMoprofiel

Label

energiebespar.

besp.K€ /jr Gas of Elektr.

invest. kosten x 1000€ ex. btw

TVT in jaren

0

nulmeting bestaande toestand

186

D

-

-

-

-

1

vensterisolatie (achterzet- monumentenglas) kerk en bijruimten

232

B

25%

5,8 G

319

55

2

+ dampopen gewelfisolatie

296

A

26%

6,6 G

90

14

3

+ vloerverwarming LTV

342

A

nvt

nvt

570

nvt

4

als 3 met warmtelevering

354

A+

nvt

nvt

?

nvt

5

als 3 met integrale toepassing van LED + lager wattage voor huurders

379

A+

21%

3E

30

10

6

+ inzet van oppervlakte PV op platte daken in de omgeving

551

A++

100% + extra saldo

43 E

1170

27

3 - Cultuurwaardenstelling bij het onderdeel vloeren. Hier kon worden aangetoond dat de plavuizenvloer en natuurstenen treden en podium van recente tijd zijn. Dat maakte de weg vrij naar toepassing van een hoogwaardige LTVvloerverwarming en vloerisolatie. (©ejn) Het uiteindelijke DuMo-profiel van het gebouw in bestaande toestand en in een aantal duurzaamheidscenario’s levert vervolgens een getalswaarde op die kan worden vergeleken met de algemeen gebruikelijke scores voor duurzaam bouwen. Het duurzaam bouwen-rekenmodel Greencalc+2.2, stond model voor het DuMo-instrument. De culturele component van het werken in en aan een monument wordt dus ingebracht doordat de ‘Mo-coëfficiënt’ als factor geldt waarmee de duurzaamheidsprestatie wordt

vermenigvuldigd. In de afgebeelde tabel is een voorbeeld opgenomen van een grote, voor meerdere functies gebruikte binnenstadskerk, waar met de eerste 5 maatregelen opgeteld meer dan 56% op energiegebruik – gas en elektriciteit - kan worden bespaard. Algemene condities bij het doorvoeren van energiebesparingsmaatregelen in monumentale kerken Cultuurwaardenstelling gebouwschil Wanneer het om beschermd gebouwd erf-

goed gaat, is het behoud van cultuurwaarden conditioneel voor ingrepen aan de gebouwschil. Daarom is vóór alles een waardenstelling-op-onderdelen door een gekwalificeerd bouwhistoricus van de gebouwschil nodig. Daarmee komt de aanraakbaarheid van de gebouwschil in beeld en kunnen plannen voor verduurzamingsmaatregelen concreet richting krijgen. De cultuurwaardenstelling vormt het basis-kader voor alle verduurzamingsscenario’s die met het DuMo-systeem voor het specifieke gebouw worden beoordeeld en geadviseerd. Thermografische opname en analyse Omdat de energetische situatie bij historische kerken bijna altijd resultante is van een reeks in de loop der tijd doorgevoerde bouwkundige en installatietechnische wijzigingen, herstellingen en uitbreidingen, en omdat ieder kerkgebouw zijn eigen bouwfysische, materiaalkundige en installatietechnische karakteristieken heeft, is het zaak om vóór alles een gekwalificeerde thermografische analyse van de bestaande situatie in het stookseizoen te laten maken. De kwalificatie houdt daarbij in dat de thermograaf volledig thuis is in monumentspecifieke situaties en daarbij vertrouwd is met de diversiteit van historische bouwkundige en installatietechnische eigenaardigheden van monumentale kerken. De kosten van thermografie verdienen zich in de projectfase ruimschoots terug, omdat bij een goede analyse de thermisch en isolatietechnisch zwakke en sterke punten van het kerkgebouw tot in detail in beeld komen en onnodige verbeteringen kunnen uitblijven. Benutten van ‘natuurlijke momenten’ In bijna alle gevallen bestaan er reeds plannen voor gewijzigd gebruik en bouwkundige en installatietechnische aanpassing, restauratie en herstelling. Daarom is het raadzaam te bezien welke bouwkundige, bouwfysische/energetische en installatietechnische maatregelen, aanpassingen en voorzieningen met gunstig effect zouden zijn te combineren met energiebesparende maatregelen. Instandhoudingswerk kan dan meteen worden gebruikt om anderszins nauwelijks op te brengen verduurzamingsmaatregelen te treffen. Verduurzamingsmaatregelen vinden dan plaats op ‘natuurlijke momenten’, een begrip uit het vastgoedbeheer. Doordat de jaarlijkse besparing op de energiekosten daarbij onveranderd is, ontstaat bij gecombineerde uitvoering van werk een ‘terugverdientijd’ voor de investering die beduidend 7

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 7

02/04/16 16:40

Foto: Marieke Kuipers.

VITRUVIUS


VITRUVIUS

NUMMER

35

APRIL

2016

lager uitpakt dan bij verduurzamingsmaatregelen die op zichzelf worden uitgevoerd. Houd daarbij in het oog dat planning en uitvoering van instandhoudings- en verduurzamingswerk altijd om maatwerk en gewaarborgde expertise vragen, en om voor monumentenwerk erkende uitvoerende partijen. Anders wordt de behaalde winst alsnog verspeeld doordat onoordeelkundig uitgevoerd werk later moet worden hersteld; ‘goedkoop’ blijkt hierin vaak ‘duurkoop’.

4 - Het goed verwarmde en als toiletgroep functionerende bijgebouw verliest veel warmte via de vensters. De gesloten luiken vormen geen belemmering voor het warmteverlies, vanwege de ruime passing waarmee zij in de steensponning sluiten. Mogelijk is er ook flink warmteverlies via de kap; de gesignaleerde opwarming van het kleine dakkapelletje lijkt daar op te wijzen. © ejn

Verbetering van de gebouwschil De gebouwschil is vaak een dankbaar onderwerp voor energiebesparende maatregelen. Onder de gebouwschil wordt verstaan de beganegrondvloer, buitenmuren, vensters, deuren en dakzone. Bij monumentale kerken vormt de gebouwschil bijna steeds ook meteen de ‘jas’ om de gebruiksfunctie, waardoor een goede aanpak van het energieverlies via de gebouwschil kansrijk is. De cultuurbehoudsfactor maakt de opgave steeds tot maatwerk en beperkt mogelijkheden voor gevelisolatie, zowel aan interieur-

5 - Wanneer historisch materiaal door natuurlijk verval aan zijn eind is en vervangen moet worden, zoals de rode zerken in deze marmer-dambordvloer, is er alle aanleiding om te overwegen of vloerisolatie en vloerverwarming als besparingsoptie zijn te combineren met herstel van de vloer. © ejn 8

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 8

02/04/16 16:40


NUMMER

35

APRIL

2016

zijde als aan de buitenkant. Maar de overige delen van de gebouwschil bieden meestal verbeteropties. Venster- of raamisolatie De toepassing van voor- of achterzetbeglazing is zeer effectief vanwege het meestal grote glasoppervlak en de minimale warmteweerstand van glas-in-lood. Besparingen tot ca. 25% op de stookkosten zijn haalbaar. De situatie ter plaatse en het belang van het bestaande glas bepalen de keuze voor voor- of achterzetbeglazing. Bij voorzetglas kan de combinatie met beveiliging tegen vandalisme een dubbele winst inhouden. Uitvoering van de toe te voegen beglazing in isolerend glas levert de hoogste energie-

besparing op, maar de verdubbeling van het glasvlak op zich heeft ook al flink isolerend effect. Het is van belang de ervaringen hiermee bij verschillende kerkrestauraties uit te wisselen en te benutten. Functionele inrichting Een veel gehoorde klacht van bezoekers en gebruikers van monumentale kerkgebouwen is kou bij de buitenmuren en vensters, zogenaamde ‘koudeval’. Ernstige koudeval binnen bij de ramen wordt door raamisolatie verminderd. De koudeval verdwijnt echter nooit geheel; dat komt door de vaak grote hoogtemaat van de vensters, met als gevolg een lang afkoeltraject voor dalende interieurlucht. Het is daarom voor het

6 - De verschillen tussen kerkramen waarachter gestookt wordt en niet zijn linksboven zeer evident in beeld. Toepassing van achterzetbeglazing zal flinke energiebesparing opleveren. Monumentenglas heeft bij een dikte van ca. 7,5 mm een zelfde isolerend effect als traditioneel dubbelglas. De infraroodcoating op het binnen-glasblad kaatst stralingswarmte terug het interieur in. Rechts zien we het toegepast bij een proef. © ejn

welbevinden van bezoekers en gebruikers van belang om zitplaatsen enige meters verwijderd te houden van vensters en buitenwanden daaronder. Bij herinstallatie van het verwarmingssysteem kunnen voorzieningen tegen koudeval worden getroffen. Isolatie van stenen of houten gewelven en vloeren Gewelfisolatie is bijzonder effectief wanneer dat wordt gecombineerd met kierdichting bij de gewelven en hogere delen van de ruimte. Doordat stenen gewelven in het algemeen in aanvang al wat beter kierdicht zijn dan houten gewelven, valt energiebesparing daar wat lager uit dan bij isolatie en kierdichting van houten gewelven (tot 25% en tot 35% respectievelijk). Om te voorkomen dat in de gewelfconstructie zelf of in de isolatielaag daarop condens ontstaat, moet de isolatie dampopen zijn. Aan de bovenzijde van de isolatie is stofwering nodig om te voorkomen dat op termijn het isolatiemateriaal vol stof raakt en inzakt. Dampopen foliemateriaal als afdekking kan hierin voorzien. Vloerisolatie is niet altijd een haalbare optie vanwege de historiciteit van de bestaande kerkvloer. Wanneer vloerisolatie wel mogelijk is, wordt aanbevolen de maatregel consequent te combineren met overschakeling op vloerverwarming en inzet van LTV (lage temperatuur verwarming). Verderop in dit artikel leest u daar meer over. Soms bestaat de mogelijkheid om het gebruiksoppervlak van de kerk te voorzien van een verhoogd vloerniveau. Daarin kan dan hoogwaardige isolatie en dito vloerverwarming worden opgenomen. Installaties en energie-opwekking Verwarmings-, ventilatie- en verlichtingssystemen zijn in veel kerkgebouwen gedateerd. Verder wordt in het algemeen nog geen gebruik gemaakt van duurzaam opgewekte energie. Er zijn daarmee vaak

7 - Panoramafoto van kerkinterieur op weg naar vol gebruik. Het is raadzaam om zitplaatsen een flink eind vrij te houden van koude buitenmuren met hoge vensters die koudeval genereren. Het door bezoekers ervaren comfort bepaalt in hoge mate de kwaliteitsscore van de kerk als gebruiksgebouw. © ejn 9

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 9

02/04/16 16:40

Bron: PF.

VITRUVIUS


VITRUVIUS

NUMMER

35

APRIL

2016

8 - Viering-netgewelf van de Eusebiuskerk, links en midden gezien van onderaf in IR en visueel. Rechts het IR-bovenaanzicht in de kapruimte. Duidelijk is dat er warmte uit de kerkruimte via het gewelf - en de gewelfopening naar de kapruimte en naar buiten verdwijnt. Het rechter beeld laat linksboven een – koud – deel van het opgaande muurwerk zien, waartussen het gewelf is geslagen. Het warmteverschil tussen gewelfveld en muurwerk is evident. Wat aan de warmtebeelden verder opvalt is dat de geprofileerde natuurstenen gewelfribben aan interieurzijde meer zijn opgewarmd dan de gewelfvelden, en dat aan kapzijde de gewelfvelden juist de meeste warmte uitstralen. Verklaring is dat de dunne halfsteens gewelfvelden thermisch het slechtst isoleren en in deze niet-stationaire situatie het snelst de interieurwarmte doorlaten. © ejn verbeteropties voorhanden in het bestaande systeem, zonder dat daarvoor ingrijpende wijzigingen of vervangingsmaatregelen nodig zijn. De ‘quick wins’ kunnen bij kerken al snel oplopen tot zo’n 30% energiebesparing met terugverdientijden tussen de 2 en 5 jaar. Vaak gaat het er om de bestaande, gegroeide situatie helder te beoordelen en te evalueren. Dan zal blijken dat deels onderdelen vervangen moeten worden, maar

dat ook veel elementen behouden kunnen blijven, al of niet na enige configuratieve aanpassing. De permanente ontwikkeling van detectie- en aansturings-systemen biedt daarbij onverwachte besparingskansen. Verwarming en ventilatie In veel kerkgebouwen zijn verouderde gasgestookte verwarmingsketels aanwezig. Ketels ouder dan 10 jaar zijn als regel

9 - Verouderde ketels – ouder dan 10-15 jaar – zorgen bij kerkverwarming voor onnodig hoge stookkosten. Vervanging door moderne HR-ketels zal in een besparing van 15-30% op de stookkosten kunnen resulteren © ejn

bij voorkeur te vervangen. Doordat het rendement van de tegenwoordige HRketels aanmerkelijk hoger is dan van de oudere keteltypen, zal een nieuwe ketel zich meestal binnen 5 – 10 jaar terugverdienen. Het vervangen van oud materiaal geldt ook voor leidingsystemen. Oudere leidingsystemen blijken vaak in de loop der tijd uitgebreid of anderszins gewijzigd te zijn. Verder is meestal geen of onvoldoende leidingisolatie aanwezig. Rationele heraanleg en optimale leidingisolatie zijn dan goede verbeteropties. Gasverwarming met stralers Direct gestookte infraroodgasverwarming is ontworpen voor industriegebouwen. Toepassing in kerkgebouwen met hoge binnenruimten levert weliswaar een snel verwarmd verblijfsniveau op, maar veel van de opgewekte warmte lekt weg naar boven, zeker wanneer de stralers op grotere hoogte zijn gemonteerd. Doordat de gasverbranding in de kerkruimte zelf plaatsvindt, vult

10 - Ongeïsoleerde hoofd-verwarmingsleidingen dragen bij aan flink energieverlies. Onnadenkend aangelegde en daarna gecorrigeerde leidingtracee’s getuigen van gebrek aan uitvoeringskwaliteit. Beide aspecten behoeven kwaliteitsvolle remedie. © ejn 10

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 10

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER

35

APRIL

2016

11 -Gasstralers geven veel warmte af in verkeerde richting: naar boven toe. Links zien we dat het muurwerk boven de stralers in de tweede schiptravee warmtelek-tongen heeft waar de wand-temperatuur fors hoger is dan elders bovenin de kerk. Wat verder ook nog schadelijk uitpakt is de sterke opwarming van de benedenhoek van het monumentale orgel. © ejn de ruimte zich met verbrandingsgassen, fijnstof en vocht. Bij onvoldoende afzuiging daarvan ontstaat ongezonde en oncomfortabele binnenlucht. Goede ventilatie veroorzaakt op zijn beurt weer warmteverlies naar buiten, tenzij een vorm van WTW (warmteterugwinning) wordt gekozen. Als regel moet directe gasverwarming in kerken worden vermeden. Vloerverwarming en lagetemperatuurverwarming (LTV) Doordat vloerverwarming op een laag niveau, direct bij de gebruiker, warmte en comfort brengt, levert deze verwarmingsvorm altijd energetische winst op. Bij de vaak grote hoogten van de kerkruimten is het ‘laag bij de grond houden’ van warmte extra belangrijk en besparend. Goed aangelegde vloerverwarming heeft aan de onderzijde een hoogwaardig isolatiepakket, zodat energieverlies naar de bodem of het souterrain uitblijft. Dit deel van de gebouwschil wordt zo impliciet verbeterd. Er zijn twee aanlegprincipes: natbouw, bij integrale vloervervanging in mortel of beton en droogbouw als extra pakket op een bestaande vloer. Voorwaarde voor toepassing is dat de bestaande vloer niet in het zicht hoeft te blijven en bij natbouw dat de bestaande vloer verwijderd kan worden. Luchtverwarming en restwarmte Toepassing van luchtverwarming vanuit vloerroosters bij de vensters kan een goede

12 - Vloerverwarming is bij voorkeur te combineren met vloerisolatie. Sommige systemen zijn al geintegreerd. Met alleen vloerisolatie wordt niet heel veel energie bespaard – ca. 5%. Maar bij LTV vloerverwarming is er bij 20C minder dan normaal al eenzelfde comfortgevoel; dat maakt dat dan tot ca. 20% bespaard wordt. © ejn voorziening zijn als aanvulling op vloerverwarming tijdens extra koude gebruiksdagen (piekdagen). De uit de vloer-roosters

opgaande verwarmde lucht verwarmt extra en neutraliseert bovendien de koudeval bij de vensters. Er wordt geen energie mee 11

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 11

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER

35

APRIL

2016

bespaard (het kost zelfs extra energie), het gebruikscomfort van de kerkruimte neemt echter aanmerkelijk toe. Balansventilatie en warmteterugwinning Toepassing van balansventilatie en warmteterugwinning in kleine ruimten, door aanpassing of vervanging van het bestaande luchtbehandelingssysteem, is qua comfort en energiegebruik gunstig. De terugverdientijden blijven binnen de levensduur van de installatie, zodat de investering ook bedrijfseconomisch verantwoord is.

13 - Als aanvulling op vloerverwarming kan koudeval en extra kou worden weggenomen door luchtverwarming of convectoren langs de wanden, onder vensters toe te passen. Tijdens piekdagen in de winter kan het comfort in de kerk dan worden gewaarborgd. © ejn

Verlichting en wattage Vaak is in kerken nog geheel of gedeeltelijk sprake van verlichting met gloeilampen (klassiek of halogeen). Daarmee wordt voor het verlichtingsaandeel van het energiegebruik ca. 80% verspild. Integrale toepassing van LED en fluorescentie-verlichting is daarom aan te bevelen. De techniek van deze spaarlampsystemen is inmiddels zover dat aan alle eisen van vermogen en lichtkleur-kwaliteit kan worden voldaan. Ook voor de aanlichting van het gebouw en voor de terreinverlichting zijn inmiddels vervangende LED-lampen van hoger vermogen op de markt. Juist bij dit soort verlichting met fors vermogen levert vervanging een substantiële energiebesparing op. LED-verlichting verdient zich binnen enkele jaren terug. De investering is verder sterk afhankelijk van de mogelijkheden om bestaande verlichtingsarmaturen hiervoor geschikt te maken. Met enige inventiviteit, blijkt dat haast altijd mogelijk. Het is goed om na te gaan of alle elektriciteit gebruikende installaties en apparaten in het kerkgebouw en van door gebruikers en huurders daarin te bezigen armaturen en apparaten energiezuiniger kunnen. Eventuele vervanging op momenten dat de apparatuur is afgeschreven of onderhoud behoeft – op ‘natuurlijke momenten’ – kan flink energiebesparend uitpakken. Kansrijk zijn op dit punt: liften, automatische deursluitingen en warmtegordijnen, stofzuigers en verwarminssystemen voor dranken en etenswaren.

14 - Toepassing van balansventilatie met WTW – links is een warmtewiel in beeld – werkt comfortverhogend en energiebesparend. De aanvoerleidingen naar de luchtbehandelingskasten moeten daarbij steeds optimaal geïsoleerd zijn (rechts). © ejn

Duurzame energie: zonnecellen Meestal laat het kerkdak zelf niet toe dat zonnecellen worden geplaatst. Aan te bevelen is om te onderzoeken of op bijgebouwen in de directe omgeving wel een zonnecentrale kan worden opgesteld zonder negatief effect voor de visuele kwaliteit van

12

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 12

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER

35

APRIL

2016

15 - LED-verlichting is inmiddels in alle soorten en maten beschikbaar; er zijn zelfs sfeerlampen (LED-filamentlampen), die nauwelijks zijn te onderscheiden van traditionele gloeilampen (linker foto, linker lampje). Ook voor grotere vermogens voor terrein- en straatverlichting kan op LED worden overgeschakeld. © ejn

16 - Ventilatoren van luchtbehandelingsinstallaties kunnen inmiddels met veel zuiniger elektromotoren worden aangedreven dan voorheen. In verhuursituaties zien we vaak fors energiegebruik voor verlichting en, zoals hier rechts te zien, bij elektrische warmhoud-vitrines van de catering. © ejn

17 - Zonnecellen kunnen bijna nooit op het kerkdak zelf worden ingezet. Soms kunnen zij op daken in de omgeving goed worden toegepast. Thin film PV – dunne flexibele zonnecelstroken, te integreren in dakbedekking bij platte daken – biedt inmiddels ook goede besparingskansen; op daken van bijgebouwen is dit kansrijk. Voor elektrische zelfvoorzienendheid is een relatief fors oppervlak aan zonnecellen nodig; als richtwaarde: ongeveer een oppervalk gelijk aan het grondvlak van de kerk. © ejn 13

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 13

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER

35

APRIL

2016

18 - Restwarmte uit industrieprocessen of vuilverbranding kan, mits juist en tegen redelijke prijs aangeleverd, energie en geld sparen. © ejn het kerkcomplex. De verschillende vormen waarin PV-materiaal inmiddels op de markt is (star, flexibel, semi-transparant) de diverse opstelwijzen (georiënteerd, O-W, vlak, verticaal) en de toegenomen vermogensafgifte maken zonne-elektriciteit tot een serieuze besparingskandidaat met een reële terugverdientijd. Gebruik van restwarmte Restwarmte, al of niet centraal aangeleverd in de vorm van stadsverwarmig, kan een goede warmtebron voor de gebouwinstallaties zijn. Doordat bestaande afnemers van restwarmte door isolatiemaatregelen een afnemende warmtevraag vertonen, komt het warmte-overschot van bijvoorbeeld vuilverbrandingsinstallaties of fabrieken ook voor andere gebruikers beschikbaar Afhankelijk van de kostprijs ervan kan deze energievorm goed concurreren met aardgas. In ieder geval is de optie milieutechnisch te verkiezen boven gasgebruik. Inzet ervan wordt recentelijk van rijkswege gepropageerd; wellicht ontstaan er lucratieve stimuleringsregelingen. Conclusie Bij monumentale kerken blijken er bijna altijd flinke besparingen mogelijk op het energiegebruik. Het per kerk achterhalen welke besparingsopties er zijn en welke bouwkundige en installatietechnische maatregelen daarvoor nodig zijn, vraagt om maatwerk. Maatwerk op het gebied van cultuurwaardenstelling voor het kerkgebouw als gebouwd erfgoed en maatwerk bij de analyse van het energiegebruik en de mogelijkheden voor beperking daarvan. Reeds uitgevoerd onderzoek naar de energetische prestaties van verschillende kerken en andere grote monumenten en de daarbij geformuleerde besparingsmaatregelen, levert ook algemene aanbevelingen voor energiebesparing op. Eerste daarvan is dat

gericht cultuurwaardenstellend onderzoek moet aangeven waar de (on)aanraakbaarheden van het gebouw liggen. Vervolgens is het zaak te investeren in een grondige thermografische-analyse van het gebouw en door middel van de DuMo-methode de effectiviteit van voorgestelde maatregelen te toetsen. Deze aanpak waarbij de ‘aanraakbaarheid’ van het monumentale gebouw zelf centraal staat, levert een afgewogen maatregelenpakket met optimaal saldo voor zowel Ir. E.J. Nusselder (1948) is restauratiearchitect en bouwhistoricus. Tijdens zijn studie aan de Technische Hogeschool Delft, afdeling Bouwkunde, was hij gedurende 7 jaar de assistent van hoogleraar Restauratie, prof. dr. ir. C.L. Temminck Groll. Aan de studie Bouwkunde-Restauratie, die ‘met lof ’ werd afgerond, gingen 2 jaar studie Werktuigbouwkunde vooraf. Van 1981 tot en met 1998 was hij seniorarchitect/adviseur monumenten in het Bureau Rijksbouwmeester (toenmalig Ministerie van VROM). In die hoedanigheid was hij verantwoordelijk voor de door de Rijksgebouwendienst gepraktiseerde monumenteninstandhouding en restauratie en de afstemming daarvan op het (rijks)monumentenbeleid. Vanaf 1998 tot en met 2005 was hij hoofd van de afdeling Instandhoudingstechnologie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Van 1999 tot 2014 was hij bestuurslid van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit in de Monumentenzorg (ERM), koepelorganisatie voor direct betrokken partijen in de monumentenzorg. Sinds december 2005 heeft hij een eigen – particulier - adviesbureau MONUMENTENZORG.

het gebouw zelf als zijn duurzaamheids- en gebruiksprestatie. Noten 1 E.J. Nusselder, M. Haas, H. van de Ven. B. Dulski, Handboek Duurzame Monumentenzorg. Theorie en praktijk van duurzaam monumentenbeheer Rotterdam, september 2008. SBR n

Hij was tot medio 2013 voorzitter van de Vereniging van Architecten Werkzaam in de Restauratie (VAWR) en is auditeur voor de GEAR-erkenning voor restauratie-architecten. Bij de opstelling van de erkenningsregeling GEAR en bij de opzet van de kwaliteitsbeoordelingssystemen voor meerdere andere branches in de sector was hij - deels als co-auteur - nauw betrokken. Hij was tot 2012 auditeur voor de erkenning van Restauratie Steenhouwers en tot 2009 tevens auditeur voor de ERB-erkenning voor restauratieaannemers. Als voorzitter van de certificeringscommissie is hij betrokken bij de erkenning van orgeladviseurs, actief bij instandhouding van monumentale orgels in Nederland. Hij was tot 2016 lid van de adviescommissie Monumentenzorg van het Prins Bernhard Cultuurfonds. Hij was in 2013 lid van de Commissie POM van de Raad voor Cultuur en is bestuurslid van meerdere stichtingen in relatie met het vakgebied. Hij was initiatiefnemer en co-auteur van het systeem voor Duurzame Monumentenzorg (DuMo).Hij verzorgde meerdere tientallen publicaties en rapportages betreffende de DuMo-praktijk en over het vakgebied monumenteninstandhouding en de objecten, materialen en technieken die daarin een rol spelen.

14

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 14

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER 35

kort

APRIL 2016

Gemeente Beesel wint BNG Bank Erfgoedprijs 2016

H

et Limburgse Beesel heeft de BNG Bank Erfgoedprijs 2016 gewonnen. De gemeente ontving een oorkonde en geldprijs van 25.000 euro, beschikbaar gesteld door hoofdsponsor BNG Cultuurfonds. Van de genomineerden Arnhem, Haarlemmermeer, Heerlen en Tiel ontving de gemeente Heerlen een eervolle vermelding. Prijsuitreiking De jury wees de gemeente Beesel aan als winnaar omdat de gehele gemeenschap betrokken is bij het erfgoed. Het ‘soortelijk erfgoedgewicht’ per inwoner is zeer hoog. Dit is veel breder dan alleen het Draaksteken dat sinds 2012 op de Nationale Inventaris voor Immaterieel Cultureel Erfgoed staat: er is veel aandacht voor herbestemming, monumenten en archeologie. De gemeente Beesel voert bewust en succesvol beleid om dit erfgoed om te zetten in eigentijdse uitingen.

De prijsuitreiking vond op 17 maart plaats in Bergen op Zoom, de winnaar in 2014. Henri Swinkels, gedeputeerde van de provincie Noord-Brabant, maakte de winnaar en de eervolle vermelding bekend. Sinds 2010 wordt op initiatief van het Erfgoedplatform van Kunsten ’92 de BNG Bank Erfgoedprijs toegekend aan de gemeente met het beste erfgoedbeleid. Symposium Levendige binnenstad? Leegstand als kans! Voorafgaand aan de prijsuitreiking organiseerde de gemeente Bergen op Zoom en Kunsten ’92 het symposium Levendige binnenstad? Leegstand als kans!. Voor Bergen op Zoom was dit een mooie gelegenheid om haar prijswinnende erfgoedpraktijk en de uitdagingen voor de toekomst te delen met professionals en geïnteresseerden. Veel binnensteden kampen met een terugloop

van winkelaanbod en leegstand. Bergen op Zoom weet, ondanks een toenemende leegstand, haar binnenstad vitaal en aantrekkelijk te houden.

Het symposium ging dieper op deze problematiek in, met sprekers als Cees-Jan Pen en Arno Boon. Belangrijkste conclusies: een sterke binnenstad heeft een krachtige lokale, regionale en provinciale overheid nodig, die echt kiest. Profilering met wonen, cultuur, erfgoed, zorg, groen en water is essentieel. Partijen moeten sámen investeren in vernieuwing, die deels juist ook het behoud is van wat er is. n

Nederlandse musea blijven online nog steeds achter

H

oewel Nederlandse musea het zwaar hebben om voldoende bezoek te trekken en financieel rond te komen laten ze nog steeds grote kansen liggen op online vlak. Dat blijkt uit een analyse van Museumkwartier.nl van het onderzoek “Musea en internetdata” gedaan in opdracht van het CBS. De echte online activiteit wordt vooral gezien bij de Top 30 musea van Nederland. De kleinere blijven achter in hun wervingskracht, en zullen daardoor steeds meer een achterstand oplopen denkt Jennifer van Bastelaar van MuseumKwartier.nl.

“Slechts 5% van de sites geschikt voor mobiel bezoek.”


Opvallend is dat bijna 10% van de onderzochte musea helemaal geen website heeft. Maar ook dat slechts 5% van de museum sites geschikt is om met een mobiel apparaat te bezoeken. “We zien in onze eigen statistieken dat nog maar 25% de site van MuseumKwartier.nl met een reguliere computer bezoekt. Een enorm gemiste kans dus van veel musea om niet goed bereikbaar te zijn” zegt van Bastelaar.

kanalen van deze tijd lopen ze het risico om echt vergeten te worden” zegt Van Bastelaar. “Het is juist in deze tijd essentieel om als museum in beeld te blijven bij een brede doelgroep om zo je eigen voortbestaan te waarborgen.” n

Ook op vlak van Social media blijven de kleinere achter. Van de kleine musea (tot 10.000 bezoekers) gebruikt slechts een kwart social media-kanalen zoals Facebook en Twitter. Maar ook bij de grote komt het maar net boven de 70% uit. Gevaar voor musea
 “Als musea niet zorgen voor hun eigen promotie via de

15

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 15

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

Drs Jacquo Silvertant Institute Europa Subterranea/ Silvertant Erfgoedprojecten

NUMMER

35

APRIL

2016

De studie naar pré-industriële mijnbouw in Nederland Een interdisciplinaire specialisatie in wording

Bron: Souterrains 2012.

I

n Zuid-Limburg en het grensgebied met België bestaan al zeker acht eeuwen lang grotere en kleinere exploitaties van bouwsteengroeven. De bovengenoemde regio telt 413 ondergrondse steengroeven, die samen meer dan 850 ingangen hebben. De totale lengte van de onderaardse gangen bedraagt circa 525 kilometer waaruit naar schatting 11,3 miljoen kubieke meter mergelsteen werd gewonnen.1 Er zijn slechts weinig historische- of archeologische studies gewijd aan de winning van mergelbouwsteen en de oorsprong ervan. Ook over de economische aspecten van deze industrie is door de eeuwen heen niet veel bekend. De geschiedenis zowel als de archeologie van middeleeuwse monumenten uit mergelsteen, zoals kerk- en kloostergebouwen of kastelen en stadsmuren, zijn doorgaans wel uitvoerig gedocumenteerd. Dat de ondergrondse kalksteengroeven een bijzondere rol innemen in de geschiedenis van de zuidlimburgse regio wordt wel algemeen aangenomen, maar tot academische studies die deze geschiedenis bloot zouden hebben kunnen leggen, is het nooit gekomen. De reden hiervoor moet gezocht worden in een aantal beperkende factoren; de schaarsheid van geschreven bronnen, de ontoegankelijkheid van de steengroeven, oude sporen zijn veelal door jongere mijnbouw vernietigd en ook de recente vernietigingen ervan door onwetende privé-eigenaren maken het moeilijk om een uitvoerige kennis van het onderwerp te krijgen, het onderwerp werd lang gezien als niet spectaculair genoeg en het ontbreekt in de Nederlandse academische wereld aan mijnbouwarcheologische expertise.

1 - Locatie van ondergrondse steengroeven in het Mergelland. Studie naar relicten van pré-industriële mijnbouw Ieder mijnbouwarcheologisch- c.q. mijnbouwhistorisch onderzoek start, net als in de traditionele archeologie, met een bureaustudie. In dit geval dient de onderzoeker zich naast historisch- en archeologisch vooronderzoek ook te concentreren op een verscheidenheid aan mijnbouwkundige zaken. Zo wordt de aanwezigheid van onbekende ondergrondse steengroeven verraden door allerlei aanwijzingen in het landschap. Op de Zuidlimburgse hellingen kan men structuren ontdekken die wijzen op verleden activiteit, zoals oude karrenwegen die ooit vanaf de ingang van een groeve langs de steile hellingen omlaag voerden. Ook veld- en perceelnamen zijn in dit kader interessant. Toponiemen als “berch” of “cuyl” trekken de aandacht wanneer het gaat om de zoektocht naar oude mergel-

groeven. In de mergelgroeven zelf zijn op de wanden en plafonds ook fysieke sporen te vinden die in een directe relatie staan tot de mergelmijnbouw en de blokbrekers, die deze vorm van mijnbouw bedreven. Voor het mijnbouwhistorisch verhaal zijn deze sporen de meest interessante. Ook bevinden zich in de mergelgroeven veel sporen van bezoekers of sporen die betrekking hebben op andere activiteiten in de gangenstelsels. Deze laatste kunnen informatie verschaffen over de historische context van de ontstane gangenstelsels en het secundair gebruik ervan. De Zuidlimburgse mergelgroeven zijn erg divers wanneer het gaat om onderaardse landschappen. Het aanzien van de gangen werd gevormd door factoren als de kwaliteit van het gesteente, de aanwezige concessielijnen, onderlinge afspraken tus-

16

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 16

02/04/16 16:40


NUMMER

35

APRIL

2016

Bron: Kadaster 2015.

VITRUVIUS

sen blokbrekers of tussen blokbrekers en de groeve-eigenaar, mijnbouwwetten, type van de ontginning en natuurlijk het vakmanschap van de betreffende blokbreker.2 De vorm c.q. het profiel van de gangen kan veel vertellen over het ontstaan van de gangen. Het onderzoek naar gangprofielen is oorspronkelijk afkomstig uit het historisch onderzoek in de ertsmijnen en dient met name om de ouderdom van mijngangen vast te stellen.3 Hoewel, in vergelijking met mijngangen, het exact dateren van ganggedeelten in de mergelgroeven niet mogelijk lijkt, zijn er voldoende onderdelen van de methode die in dit geval toch interessante aanknopingspunten opleveren ten aanzien van de mijnbouwkundige aspecten van de mergelwinning. Men moet dan denken aan hoe de verschillende ganggedeelten en ontginningsfasen zich in oorsprong ten opzichte van elkaar verhouden. De studie van gangprofielen in combinatie met werktuigsporen, graafrichtingen, doorbraken en aan de gesteentewinning gerelateerde opschriften ondersteunen het onderzoek naar de ontginningsfasen in een steengroeve. De technische studie van werktuigsporen is een bron van informatie die nog niet zo lang geleden is aangeboord. Werktuigsporen bestaan uit iedere beitelslag en iedere zaagbeweging die de blokbrekers ooit maakten. Zij vertellen centimeter voor centimeter de genese van de ontginning. Door de sporen op deze manier te bekijken en vervolgens te reconstrueren hoe deze ontstaan moeten zijn wordt een inzicht verkregen in het fysieke werk van de blokbreker. De inhoud van opschriften, inscripties en graffiti kan variĂŤren van de meest eenvoudi-

ge symbolen tot uitvoerige verhalen over de mergelwinning, historische gebeurtenissen, menselijk leed en vermaak of gewoon over koetjes en kalfjes. Afhankelijk van de betekenis kunnen de uitingen in meer of mindere mate van belang zijn voor de cultuurhistorie en mentaliteitsgeschiedenis van een regio in het algemeen en in dit geval, een historische fenomeen in het bijzonder. Met name op het gebied van de volkscultuur blijken de Zuidlimburgse mergelgroeven nogal eens een ware Fundgrube te zijn, omdat vele vertegenwoordigers van vele generaties en uit alle lagen van de bevolking er honderden jaren lang hun gedachten aan het eeuwige duister toevertrouwden. Mijnbouwtechnische aanpassingen zijn maatregelen die tijdens de ontginning door de blokbrekers werden genomen om bijvoorbeeld de veiligheid te waarborgen of om efficiĂŤnter te kunnen werken. Men moet dan denken aan het blokkeren van aardpijpen, het verstevigen van gangen, maar ook aan het aanleggen van karrenwegen en het opvullen van verlaten gangen met winningspuin. Archeologisch zijn deze aspecten interessant, omdat het relicten van de mergelwinning zijn die iets kunnen vertellen over de technische problemen waarmee de blokbrekers tijdens het werk geconfronteerd werden. Zij dragen vaak bij aan het antwoord op de waarom-vraag ten aanzien van de destijds gekozen loop van de ontginning. Blokbrekers hadden bij het voortzetten van de ontginning in een bestaande groeve altijd te maken met het oude gangenstelsel waarlangs men de nieuwe werkfronten bereikte. In de grotere gangenstelsels kon men problemen onder-

Bron: John van Schaik 2010.

2 - Sporen van oude mijnbouw in het landschap bij Sibbe.

3 - Studie naar de ontginning van een groevegedeelte met geologische storingen. Caestertgroeve. vinden als gevolg van de omstandigheid, dat de nieuwe werken slecht bereikbaar waren doordat de oude karrenwegen door bijvoorbeeld hoogteverschillen geen aansluiting hadden met het nieuwe ontginningsniveau. Daarnaast speelden geologische processen in de oude werken nog steeds een rol wanneer het ging om de veiligheid in de nieuwe werken. Bodemonderzoek Archeologisch bodemonderzoek heeft in de Zuidlimburgse mergelgroeven nog niet zo vaak plaatsgevonden.4 De technieken die daarbij gebruikt zijn, verschillen niet wezenlijk van de gangbare archeologische technieken. De onderaardse gangen zijn in het mergelmassief uitgezaagd en later vaak in meer of mindere mate opgevuld met winningspuin of leem en kiezel uit aardpijpen. Hierdoor is in de gangen een bodem ontstaan, waarin zich archeologisch materiaal kan bevinden.5 Oorspronkelijke vloerniveaus zijn in het verleden meestal al meerdere malen door het uitdiepen van bestaande gangen verdwenen. Het is dan 17

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 17

02/04/16 16:40


NUMMER

35

APRIL

2016

Bron: Auteur 2008.

VITRUVIUS

Bron: Jac Diederen 2013.

Bron: Jac Diederen 1986.

4 - Ontginningssporen in de middeleeuwse Vallenberggroeve te Sibbe.

5 - Uitingen van volksdevotie. Sibbergroeve. ook zeldzaam dat in een groeve vondsten in situ worden gedaan waarvan kan worden gezegd, dat ze een directe relatie hebben met de oorspronkelijke gesteentewinning. Het overgrote deel van de artefacten die in de loop der jaren in ondergrondse groeven werden aangetroffen, zijn vondsten die per toeval werden gedaan of het gaat om detectorvondsten van schatgravers. Het

gaat om losse vondsten zoals munten, aardewerk en kleine gebruiksvoorwerpen.6 De archeologische- of historische context in dit soort gevallen is vaak onbekend. Wanneer het gaat om voorwerpen die geen directe relatie hebben met de gesteentewinning is hun informatieve waarde ten aanzien van het mijnbouwarcheologische verhaal gering. Wel zijn het interessante getuigen

6 - Afbeelding van een blokbreker omstreeks 1480. Caestertgroeve, Klein-Ternaaien. van de mensen die door de eeuwen heen in de onderaardse gangen verbleven; als toevallige bezoeker, noodgedwongen als vluchteling of gewoon als toerist. De meest informatieve vondsten zijn vondsten die in situ worden gedaan. Aardewerk is hierbij een betrouwbare vondst wanneer het op dateren aan komt. Voorwaarde is dan wel, dat het onomstotelijk moet zijn dat de

18

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 18

02/04/16 16:40


NUMMER

35

APRIL

2016

Bron: Auteur 2011.

VITRUVIUS

Bron: Auteur 2010.

Bron: Auteur 2012.

7 - Onderzoek naar mijnbouwarcheologische sporen in de dagbouwgroeve te Slavante bij Maastricht.

8 - Toevalsvondst. Bronzen zegelstempel van Walram, Heer van Valkenburg en Monschau omstreeks 1268. Aangetroffen in de toplaag van een opgevulde dagbouwgroeve op de kasteelheuvel van Valkenburg. vondst aan de betreffende mijnbouwfase verbonden is. Aardewerk was voor de blokbrekers een dagelijks gebruiksvoorwerp. Kapotte borden, kruiken en ook aardewerken olielampjes worden regelmatig in de groeven aangetroffen. Doordat bepaalde typen aardewerk in verschillende groeven zijn aangetroffen, zou men kunnen spreken van exemplarische vondsten. Oude mijnbouw als ensemble Oude mijnbouw moet wetenschappelijk worden benaderd als zijnde een ensemble van relicten waarvoor een scala van subdisciplines nodig is om het object goed in beeld te krijgen. Het is daarom belangrijk om bij de studie van oude mijnbouw een zekere helicopterview te hanteren. Geschreven bronnen over de middeleeuwse bouwsteenwinning zijn zoals gezegd relatief schaars.

9 - 16e eeuwse olielamp gemaakt uit de onderkant van een kan van Frechen aardewerk. Over de toepassing van de steen bij grote bouwprojecten is meer bekend. Er is dan in de bouwrekeningen sprake van de groeve waar de steen werd gekocht.7 Incidenteel bevatten de rekeningen ook prijsverhoudingen tussen groeve, transport en bewerking.8 Deze incidentele vermeldingen zijn van groot belang voor de beeldvorming van het hele proces tussen winning in de groeve en de uiteindelijke verwerking van de steen in het gebouw. Het is daarom belangrijk om bij de studie naar de geschreven primaire bronnen vooral ook daar te zoeken waar men in eerste instantie niet direct bruikbare informatie zou verwachten. Zo kan er bijvoorbeeld ook onbekende informatie besloten liggen in het bronnenonderzoek van andere auteurs over andere thema’s. Het onderzoek naar de herkomst van natuurlijke bouwstenen in monumentale gebouwen kwam met betrekking tot de mergelsteen in Zuid-Limburg wel van de grond, maar het leidde helaas nooit tot duidelijke conclusies. Bij het bestuderen van de her-

komst van bouwsteen in fundamenten of uit archeologische opgravingen zou men hierover echter wel degelijk uitspraken kunnen doen. De compositie van de mergelsteen alleen is echter niet voldoende. Aanwijzingen over de herkomst kunnen worden verkregen door een relatie te leggen tussen de aard van de steen in een site (waarvan de ouderdom archeologisch of historisch kan worden bepaald) en de plaats waar die steen in de betreffende tijdspanne naar alle waarschijnlijkheid werd gewonnen. Mijnbouwarcheologisch onderzoek beperkte zich in het merendeel van de onderaardse mergelgroeven tot de zichtbare mijnbouwsporen en aan de mijnbouw verbonden opschriften. Groeven die lange tijd aan het oog onttrokken waren, leverden ondanks hun maagdelijke staat, tot nu toe, geen of weinig artefacten die een relatie hebben met de initiĂŤle mijnbouwfasen.9 Wel worden er veelvuldig zaken aangetroffen die daar zijn achtergebleven tijdens perioden waarin verlaten steengroeven voor 19

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 19

02/04/16 16:40


NUMMER

35

APRIL

2016

Bron: Auteur 2011.

VITRUVIUS

Bron: Roger Magnee 2012.

11 - Opengelegde ingang naar een onbekend gangenstelsel met een oppervlakte van 1,5ha. Groeve Ternaaien-midden in Klein Ternaaien.

10 - Groevelandschap in de Lemmekenskoel bij Sibbe. Te zien zijn mijnbouwtechnische, geologische en mijnbouwarcheologische elementen. andere doeleinden werden gebruikt, zoals bijvoorbeeld tijden waarin de plaatselijke bevolking ondergronds schuilden tegen oorlogsgeweld. Men moet dan denken aan met name eenvoudige gebruiksvoorwerpen, maar soms ook aan waardevolle spullen die in onzekere tijden aan het eeuwige duister werden toevertrouwd en daarna door hun bezitter niet meer werden terug gevonden of opgehaald. Deze artefacten vertellen elk hun eigen verhaal, maar hebben meestal met de gesteentewinning niets van doen. In regio’s waar de verandering van het landschap in hoog tempo plaatsvindt, zoals in de Zuidlimburgse beek- en rivierdalen, komt het voor dat middeleeuwse sporen van zowel boven- als ondergrondse gesteentewinning als gevolg van instortingen of erosie onder een dik pakket dekgrond begraven zijn geraakt en zo reeds langere tijd aan het oog onttrokken. De achterliggende gangenstelsels kunnen incidenteel soms wel via vossen- of dassenholen en toevallig gevallen gaten worden betreden. De oude ingangsgebieden zijn bij het opvullen of instorten van de oorspronkelijke ingangen meestal ook ontoegankelijk geworden. In andere gevallen zijn deze zelfs in hun geheel verdwenen als gevolg van latere mijnbouwactiviteiten op dezelfde plaats. De situering van een ingang zegt veel over de omstandigheden waarin een groeve werd

geopend. Vaak zegt het iets over mijnbouwgewoonten, de bezitsverhoudingen ten tijde van de opening, maar ook over het verdere transport van de steen naar de bouwplaats. De ingang vormt de aanzet van de groeve. Het is in theorie het oudste gedeelte waar de blokbreker voor de eerste maal zijn houweel in de vaste mergelrots sloeg. Nadrukkelijk “in theorie”, omdat er tussen dat moment en vandaag vele veranderingen van het groevelandschap kunnen hebben plaatsgevonden. Dit laatste is een fundamenteel probleem bij het mijnbouwarcheologisch onderzoek. Bij het onderzoek naar de aanwezigheid van oude steengroeven in het landschap is de geologie een belangrijke en doorslaggevende factor voor het daadwerkelijk traceren van plaatsen waar ooit steen werd gewonnen. Slechts een beperkt aantal steenlagen (horizonten) van de Maastrichter steen, die in het westelijk deel van ZuidLimburg voorkomt, waren geschikt om een homogene kalksteen te winnen die geschikt was voor de productie van bouwsteen.10 Om een goede indruk te krijgen van de extensie van de bouwsteenwinning is het noodzakelijk om een beeld te hebben van de lay-out van steengroeven. Een grotere steengroeve is een conglomeraat van talloze kleinere ontginningen in dezelfde groeve, die tijdens verschillende exploitatiefasen

tot stand kwamen. Door het uitbreiden van eerdere fasen, maar ook door het aan elkaar groeien van afzonderlijke concessies, ontstond uiteindelijk het gangenstelsel zoals dat er tegenwoordig ligt. In het geval van middeleeuwse steengroeven is het vaak zo, dat het toegankelijke deel van het gangenstelsel wordt begrensd door instortingen en geologische storingen. De omvang van de oude groeve kan aanzienlijk groter zijn geweest. Wanneer men geen zicht heeft op de oorspronkelijke omvang van de groeve en de loop van de gangen, kunnen gevaarlijke situaties ontstaan op het gebied van de Ruimtelijke Ordening wanneer onder dorpskernen onbekende groevedelen instabiel zijn en bij tijd en wijlen instorten, zoals bijvoorbeeld meer dan eens plaatsvond in het Vlaamse Zichen-Zussen-Bolder.11 Conclusie Het onderzoek in de Zuidlimburgse kalksteengroeven door een breed pluimage aan liefhebbers is de afgelopen jaren gestaag gegroeid en met name op het gebied van heemkunde en inventarisaties van cultuurhistorische elementen in de gangenstelsels heeft inmiddels een onmisbare schat aan gegevens voortgebracht, maar helaas blijft het op academisch niveau nog angstvallig stil wanneer het gaat om door de universiteit geïnstigeerde onderzoeksprojecten met de historische mergelbouwsteengroeven als thema. Teneinde mijnbouwarcheologische objecten te ontsluiten voor wetenschappelijk onderzoek is het wenselijk dat er op overheidsniveau een duidelijke definiëring van de waarde en status van pré-industriële mijnbouw komt. Alleen wanneer er op overheidsniveau een duidelijke en zelfbewuste

20

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 20

02/04/16 16:40


NUMMER

35

APRIL

2016

Bron: Auteur 2008.

VITRUVIUS

12 - Dagzomende mergelwanden met ingangen van steengroeven te Bemelen. erkenning is van het gegeven dat oude mijnbouw een groot potentieel voor erfgoed bevat, zullen de betrokken provincies, natuurorganisaties en gemeenten een meer doelgericht beleid kunnen ontwikkelen in de richting van behoud en de integrale bescherming van deze unieke locaties. De interesse vanuit de academische wereld zal dan vanzelf komen. Noten 1  J. Orbons, 74390 164 9476 402 72398 72349 732 in: SOK-Mededelingen 50 (2009) 109-113. 2  K. Amendt, De invloed van geologische factoren op de ontginning in het gangenstelsel Zonneberg in: SOK-Mededelingen 52 (2009) 14-40. 3  S. Adlung & M. Straβburger, Dating of Mine Gallery Profiles; A Contribution to Typo-Chronology in Mining Archaeology in: J. Silvertant (ed.), Recognition, Investigation and Preservation of ancient Mining Relics. IES Jaarboek 2009 (Maastricht/Reichelsheim 2009) 60-107. 4  H. Jacobi, Het geheim van de Vallenberg (Valkenburg 1992) 6p. Tentoonstellingsfolder met een artikel over

de vondst van een valsmunterij in de Vallenberggroeve. 5  K. Amendt, De Vallenberggroeve. Genese van de Middeleeuwse mergelbouwsteenontginning in Sibbe. Wetenschappelijke rapporten van het Institute Europa Subterranea 10. 6  H. Bochman, Een unieke vondst in de St. Pietersberg in: SOK-Mededelingen 6 (1984) 33-43; H. Bochman, 16e Eeuwse valsemunters…in een nog oudere groeve in: SOK-Mededelingen 8 (1985) 28-33; H. Bochman, De muntvondst van Zichen in: SOK-Mededelingen 22 (1994) 9-16; H. Bochman, P. Smiesing & A. Voûte, Vondsten van kleipijpen in Zuid-Limburgse groeven in: SOKMededelingen 26 (1996) 10-19; F. Brouner, De herontdekking van een deel van de Oudberg in: SOK-Mededelingen 18 (1992) 20-28; E. de Grood, Schatten en andere vondsten 1 in: SOK-Mededelingen 11 (1988) 22-29; Schatten en andere vondsten 2 in: SOK-Mededelingen 13 (1989) 19-22. Verhandeling over vondsten in mergelgroeven en de juridische aspecten daarvan. 7  Van Westreenen 1988, 24. 8  Archives de l’État à Liège (AEL).

Archives de l’abbaye du Val Saint-Lambert, Comptes reg. 293, fol. 1 v⁰. 9  J. Silvertant, Vondst van een vergeten gangenstelsel werpt nieuw licht op de ontstaansgeschiedenis van de bouwsteenwinning in Valkenburg in: Geulrand 38 (1992) 71-75; K. Amendt et al., De verloren groeve Ternaaien-Midden in: J. Silvertant (ed.), Caestert. Een mijnbouwarcheologische erfgoedsite (Valkenburg aan de Geul/Riemst/Liège 2010) 182-211. 10  W. Felder & P. Bos, Krijt van ZuidLimburg (Delft/Utrecht 2000) 135-158. 11  T. Breuls, Managing the historic Quarry Sites of the Municipality of Riemst in: J. Silvertant (ed.), What lies beneath. IES Jaarboek 2008 (Maastricht 2008) 14-19. n Silvertant publiceerde recentelijk het boek “Mijn Mergel. Geschiedenis van de onderaardse kalksteengroeven tot omstreeks het jaar 1600”. Heeft u intresse in het boek? Mail dan naar het volgende emailadres: silvertant.erfgoedprojecten@gmail.com

21

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 21

02/04/16 16:40


kort

VITRUVIUS

NUMMER

35

APRIL

2016

Erfgoedfair 29 mei 2016 op Buitenplaats Beeckestijn

Z

ondag 29 mei vindt de vierde editie van de Erfgoedfair plaats op Buitenplaats Beeckestijn in Velsen-Zuid. Bewoners en beheerders van particulier (industrieel) erfgoed en liefhebbers kunnen hier terecht voor informatie en inspiratie over wonen in een historisch pand.

De Erfgoedfair is een initiatief van Stichting Nederland Monumentenland, opgericht door de Federatie Instandhouding Monumenten (FIM), BOEi, de Vakgroep Restauratie, Stichting Open Monumentendag en het Nationaal Restauratiefonds

De fair is zondag 29 mei geopend van 10.00 – 17.00 uur.
Buitenplaats Beeckestijn
Rijksweg 136
1981 LD Velsen-Zuid. n

Buitenplaats Beeckestijn Op de fair zijn erfgoedspecialisten aanwezig om vragen te beantwoorden over onderhoud, restauratie, duurzaamheid en financieringsmogelijkheden. Ook wordt traditioneel vakmanschap getoond en zijn er lezingen en rondleidingen door het rijksmonumentale huis Beeckestijn en tuin. Goede kennis en informatie bij eigenaren draagt bij aan het behoud van Nederlands particulier erfgoed. Daarom wil de Erfgoedfair meer fairs per jaar gaan organiseren met een programma dat is afgestemd op de regio en wensen van de bezoekers. 22

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 22

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER 35

nieuws

APRIL 2016

UIT HET WERKVELD

MIP van de maakbaarheid H

et rijk heeft gemeenten en provincies de ruimte gegeven om eigen erfgoed- en ruimtebeleid te maken. Dicht bij de burger kan de discussie over erfgoed worden gevoerd. De omslag in het denken is goed te zien in de aanwijzing van monumenten. Na het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) voor de periode 1850-1940 was het nog denkbaar om duizenden rijksmonumenten en tientallen beschermde stads- en dorpsgezichten te selecteren. Zo’n centrale aanpak is er nu niet meer bij. De wederopbouw moest het doen met categoriale studies en nog geen 200

monumenten en 30 aandachtsgebieden. Het is verder aan de gemeenten om beleid te maken voor het wederopbouwerfgoed. Gerben van Dijk liet op twitter al zien waar dat toe leidt: de sloop van het prachtige raadhuis in Ochten en het stationspostkantoor van Vught, in het eerste geval voor een Lidl en in het tweede voor een braakliggend terrein. Het rijk (de RCE) heeft hier geen zorgplicht meer, het brede erfgoedbelang is niet langer een rijkstaak. Dagelijks zien we de gevolgen van onmacht en kenniskrapte bij gemeen-

Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening in Nederland, 1966: gebundelde deconcentratie.

www.steenhuismeurs.nl

ten. Onmacht: veel gemeenten zijn onmachtig om het erfgoedbelang hard te maken, omdat financiën, economie, zorg en andere taken alle aandacht opeisen. Politisering van het erfgoed en korte termijn belangen belemmeren gemeenten om het lange termijnbelang van erfgoed politiek gewicht te geven en hard te maken. Kenniskrapte: de decentralisatie heeft de teloorgang van kennis en kunde bij de overheid versneld. De RCE is drastisch gekort, zonder dat er bij gemeenten significante formatie bijkwam. En dan zitten de kwaliteiten en belangen van het erfgoed ook nog op een gemeenteoverstijgend niveau. Erfgoed is een cruciale factor, niet alleen lokaal. Op verschillende terreinen lijkt het rijk de regie terug te pakken. Zie de discussie over het bouwen in de duinen, de strategie voor de nationale parken of het aanbieden van ontwerphulp (O-team) in den lande. Er lijkt weer ruimte voor overstijgende visievorming en dat zou ons erfgoed goed kunnen gebruiken. Wordt het niet tijd voor een MIP van de Maakbaarheid? Een analyse van de erfenis van de twintigste eeuw vanaf 1960, de meest welvarende periode sinds de Gouden Eeuw. Dat gaat deels over monumentwaardige gebouwen en gebieden, maar belangrijker is de planologische erfenis: de ruimtelijke onderlegger van het hedendaagse Nederland, in stad en buitengebied, kreeg in deze periode gestalte, langs de lijnen uit vijf grote rijksnota’s. De betekenis van de centrale planologische sturing voor onze wereld van nu en morgen is onmogelijk op een gemeentelijk of provinciaal niveau te bepalen en te wegen. Pas als het de erfenis van de grote nota’s goed en integraal in beeld is, ontstaat het overzicht dat nodig is om te kunnen nadenken over de vraag hoe hiermee om te gaan.

STEENHUISMEURS RUBRIEK 23

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 23

02/04/16 16:40


VOOR U

gelezen

VITRUVIUS

NUMMER 35

APRIL 2016

Terug naar de fabriek. Industriële iconen met nieuwe energie. AUTEURS

Marcel Bayer, Marijke Bovens, Bas Husslage, Jaco Boer en Bram Vermeer UITGAVE

Oostenwind (via www.oostenwind.org) RECENSENT

Edwin Raap D E TA I L S

Hardcover, 272 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-94-9148-107-9 PRIJS

€ 25,-

V

orig jaar ging Peter Nijhof met pensioen bij de RCE. Hij mag met recht de pionier van de industriële archeologie in ons land worden genoemd. Het was dan ook volkomen terecht dat zijn afscheid luister werd bijgezet met een symposium over dit onderwerp. Dit vond in september plaats. Die gelegenheid werd ook aangegrepen om het nu besproken boek te lanceren. “In de gids beschrijven de auteurs het nieuwe leven van 25 industriële iconen in Nederland. Ze vertellen over het bewogen verleden en laten oud-werknemers en jonge creatieven aan het woord over hun band met deze locaties.” Deze tekst op de achterflap dekt de inhoud volledig: 25 verhalen over plekken waar vroeger gebuffeld werd en waar nu hippe mensen creatief lopen te wezen, waar allerlei culturele initiatieven plaatsvinden en waar je vooral veel kunt beleven en ervaren. Oh ja, en waar je natuurlijk zeer verantwoord(e) koffie kunt drinken.

spreiding over het land en een goede spreiding van bekende en minder bekende plekken. Voor de hand liggende locaties als de Hallen in Amsterdam, Strijp S in Eindhoven en het Sphinxkwartier in Maastricht worden afgewisseld met de Tramwerkplaats in Winschoten, de Turfstrooiselfabriek in Erica en het DRU Industriepark in Ulft. Het toont aan dat de industrialisatie in de 19de eeuw zich over heel het land uitbreidde en er zijn sporen achterliet.

Dat laatste is wel gelijk de achilleshiel van het boek. Van elke plek wordt niet alleen de geschiedenis beeldend beschreven, er staan ook adressen en websites vermeld van alle aanwezig horeca, bedrijven en evenementen. Buitengewoon handig natuurlijk, maar hoe actueel is dat nog als ik over drie jaar besluit een bezoek te gaan brengen aan pak ‘m beet Hart van Zuid in Hengelo? Dit soort plekken heeft de neiging altijd in beweging te zijn, er gebeurt voortdurend iets, dus de praktische informatie raakt al snel gedateerd.

Wat wel meer aandacht had verdiend was de huidige periode. Peter Nijhof wordt uitgebreid aan het woord gelaten over hoe en wanneer de hernieuwde belangstelling plaats heeft gevonden, maar het is allemaal wel erg kort beschreven. Als je meer wilt weten over de achtergronden van het succes, dan is het eerder op deze plek beschreven boek over de 25+1 herbestemde plekken een beter alternatief (zie Vitruvius nr 32, blz. 27, Rekenen op Herbestemming). Dit boek leent zich meer als reisgids. Het formaat van het boek/de gids is daar trouwens net even te groot voor en de hard-cover, hoe fraai die ook is, stop je niet even in je jaszak.

Een praktisch minpuntje dus aan deze verder prachtige gids. De auteurs, allen journalist, weten in vlot geschreven hoofdstukken de geschiedenis van de plekken goed neer te zetten. De ‘genius loci’ treft je direct als je het verhaal van een locatie gaat lezen. De mooie foto’s helpen zeker mee om dat gevoel te krijgen. Het is er altijd mooi weer trouwens. De grauwheid van het verleden wordt niet getoond, terwijl dat veelal toch iets is waar je bij mag stilstaan. Per icoon is er plek voor 1 kleine foto van vroeger, de nadruk ligt duidelijk op het heden. Sterke punten van het boek zijn een goede geografische

Voordat de 25 iconen uitgebreid beschreven worden, schetsen de auteurs in het kort even de industriële geschiedenis van ons land in drie perioden: Naar de fabriek, Weg met de fabriek en Terug naar de fabriek. Het is bedoeld als een kennismaking, dus stel je er niet te veel van voor. Voor de geschiedenis van de industrie in ons land moet je niet bij dit boek zijn.

De gemiddelde creatieveling zal daar misschien niet zo om malen. Als die maar rustig met een latte macchiato of lokaal gebrouwen biertje van het stoere verleden kan genieten. n

24

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 24

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER 35

APRIL 2016

VOOR U

gelezen

Bouwen aan de Wilde Kust; Geschiedenis van de civiele infrastructuur van Suriname tot 1945. AUTEURS

Hillebrand Ehrenburg en Marcel Meyer UITGAVE

LM Publishers RECENSENT

A.F.J. Niemeijer D E TA I L S

Gebonden, 236 pagina’s, rijk geïllustreerd, kaarten en figuren, begrippenlijst, korte biografieën, register van persoonsnamen, literatuurlijst ISBN 978-94-6022-401-0 PRIJS

€ 37,50

G

emeenschappelijk of Gedeeld Cultureel Erfgoed (GCE) is een begrip dat bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort frequent ter tafel komt wanneer het gaat over ons verleden als koloniale mogendheid. Binnen het zogenoemde GCE-beleid zijn onder meer omgangsregelingen geformuleerd tussen ons land en een aantal geselecteerde en met name genoemde voormalige koloniën, handelsposten, enz. De relaties kennen vaak een oorsprong in de Verenigde Oost-Indische Compagnie of de West-Indische Compagnie. Binnen het programma vallen niet alleen landen als Indonesië en Zuid-Afrika, maar ook bv. Japan, Sri Lanka en Suriname. Suriname was voorheen onderdeel van een reeks (tijdelijk) in Nederlandse handen verkerende kustgebieden in Zuid-Amerika, met onder meer Guyana en Berbice. Een spoor van dat verleden is nog herkenbaar binnen het huidige Brits Guyana, waar (net als in Suriname) een plaats ligt die Nieuw-Amsterdam heet. Het gemeenschappelijk cultureel erfgoed van Suriname en Nederland heeft wortels die terug gaan tot in de 17de eeuw. Het gelijkwaardig verder groeien na het onafhankelijk worden van het land, in 1975, ruw werd verstoord door de staatsgreep van 1980. Verwacht mag worden dat de verhoudingen echter ooit genormaliseerd zullen worden en mede daarom is het van belang dat de kennis van het verleden af en toe wat wordt opgefrist en deze uitgave kan hieraan bijdragen. De Zuid-Amerikaanse kustgebieden van de huidige Guyana’s werden in vroeger eeuwen wel de Wilde Kust genoemd. Niet omdat er ‘wilden’ leefden, maar vanwege de verraderlijke kusten met ondiepten en stromingen en het moeilijk toegankelijke binnenland. De Wilde Kust strekte zich uit over het gehele kustgebied tussen de rivieren Orinico en Amazone – ruim 1500 km. In dit gebied monden nog tal van kleinere stromen in de oceaan uit, waaronder de Corantijn, de Coppename, de Suriname en de Marowijne Rivieren. Ze staan keurig vermeld in de Schoolatlas der Gehele Aarde

van P.R. Bos en J.F. Niermeyer, editie 36, uitgave 1939. De kaart van Suriname beslaat hierin een rechthoekje van niet meer dan 15,7 x 18,3 cm. Zulke schoolkaarten muntten natuurlijk niet uit in detaillering, maar gaven de kindertjes wel een aardig overzicht van de ruimte waarbinnen het opdreunen van rijtjes topografische namen en het reproduceren van de lijst met agrarische, mijnbouw- en exportproducten betekenis moest krijgen. Helaas – ondanks de vele kaarten in Bouwen aan de Wilde Kust ontbreekt nu juist een dergelijk ruimtelijk referentiekader. Wie niet goed bekend is in Suriname, zal er steeds opnieuw op stuiten. Om een concreet voorbeeld te noemen: het bauxietcentrum Moengo (gesticht in de Eerste Wereldoorlog) is wél vertegenwoordigd door een plattegrondje uit ongeveer 1921, maar het is verder alleen maar terug te vinden op een kaartje in het hoofdstuk ‘De Kleine Landbouw’. Terwijl het daarin juist niet verder wordt genoemd! Wel is er over Moengo te lezen dat werd aangelegd door SBM // Alcoa (Surinaamse Bauxiet Maatschappij // Aluminium Company of America) en dat het direct al was voorzien van onder meer scholen, een hospitaal en nutsvoorzieningen en dat er eerder waterleiding was dan in Paramaribo. Opmerkelijk genoeg vergaten de auteurs expliciet te vermelden wat het enorme belang was van het (Surinaamse) bauxiet: Alcoa was vanaf 1917 de belangrijkste producent / leverancier van aluminium, het lichte metaal voor de tweede generatie (militaire) vliegtuigen. De schrijvers lijken zich er weinig van bewust te zijn dat lang niet iedere potentiële lezer / koper meer voldoende is toegerust met geografische, historische en technische kennis of hiertussen verbanden kan leggen. Wat had er meer voor de hand gelegen dan een (al dan niet uitklapbare) kaart van Suriname in de uitgave op te nemen waarop een topografie van knooppunten en lijnstructuren en van agrarische gebieden en mijnbouwcentra en vooral ook verbindende (verkeers)infrastructurele voorzieningen zijn aangegeven.

25

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 25

02/04/16 16:40


VOOR U

gelezen

Toch is het toe te juichen dat een boek als dit is verschenen. In het huidige tijdsgewricht, waarin de internationale sentimenten bepaald niet gunstig zijn voor wat betreft Suriname. Het is een land dat wordt bestuurd door een clan van corrupte, (bij verstek veroordeelde) drugshandelaren en direct of indirect voor enige tientallen moorden verantwoordelijke criminelen, waarover elk positief geluid welkom is. Dit boek had de 40-jarige autonomie van Suriname in 2015 mede luister kunnen bijzetten. Echter, noch dit jubileum, noch de namen van de leiders worden erin genoemd. Speelt politiek dan geen rol in de uitgave? Jawel, want vanaf de vroegste, 17de-eeuwse ‘volksplanting’ tot en met 1945 draait het om de koloniale en politiek-economische relatie met de aangrenzende Guyana’s (nu Frans en Engels) en om die met Nederland. En dit laatste in het bijzonder om de inzet van Rijksmiddelen bij de verwezenlijking van infrastructurele werken. Zo is het bijvoorbeeld interessant te lezen dat dr. ir. Cornelis Lely (ja, dezelfde), na een tweetal ministerschappen, van 1902 tot 1905 Gouverneur was van Suriname. In die hoedanigheid zette hij zich onder meer in voor de aanleg van een spoorweg van Paramaribo naar het zuiden van het land, waar veel werd verwacht van goudwinning. De opbrengst viel (toen) echter tegen en uiteindelijk ging het spoor ten onder - voor een deel letterlijk: kopje onder in een stuwmeer. Opmerkelijk: de auteurs noemen niet het feit dat Suriname op dit moment veruit het grootste deel van de welvaart te danken heeft aan illegale (2/3) en legale (1/3) goudwinning en goudexport (nl. omstreeks 60% van de exportwaarde). Pikant detail: de grootste goudvoorraden bleken ongeveer halverwege de gesloten spoorweg te liggen, niet ver van het hierboven bedoelde stuwmeer. De gedeeltelijke ontginning van de Wilde Kust door Europese – en vanaf ongeveer 1680 vooral door Nederlandse – planters, avonturiers en kolonisten vond aanvankelijk plaats langs mondingen van rivieren, maar vervolgens in hoofdzaak in het nabij de kust gelegen laagland. Dit laatste was uiteraard geen toeval: kustvlakten in deltagebieden waren de natuurlijke habitat van Zeeuwen en Hollanders en het buitensluiten van getijden en de regulering van het grondwaterpeilen vormden hun ‘geheime wapen’ voor de exploitatie van brakke en zompige klei- en veengronden. Wat elders grootschalig in de vorm van uitgestrekte plantages door koloniale mogendheden tot stand kwam, vond langs de ‘Nederlandse’ Wilde Kust op veel kleinere schaal plaats. Fijnmazige stelsels van afwateringsen vaarsloten (strensen), voorzien van inlaat- en spuisluisjes en waterrradmolens, hielpen de Nederlandse planters aanzienlijke opbrengsten uit hun gronden te halen. Met name het benutten van de getijden in

VITRUVIUS

NUMMER 35

APRIL 2016

de met zoet water gevulde estuaria voor irrigatie en waterkracht deed denken aan de mogelijkheden die de zeegaten in het Zeeuwse en Zuid-Hollandse deltagebied boden. Maar ook uit de plattegronden van de gewoonlijk relatief kleine plantages en de sloten blijkt dat het plantagesysteem aan de Wilde Kust schatplichtig was aan de Nederlandse droogmakerijen en veenontginningen. Het is jammer dat de auteurs geen duidelijke Google Earthfoto van zo’n gebied opnamen in dit boek, want de historische verkavelingen en waterwerken zijn op heel wat plaatsen nog tot in het kleinste detail te herkennen. Dit geldt ook – zij het, volgens de auteurs, in mindere mate - voor het zogenoemde ‘Cordonpad’, een verdedigingslinie met wachtposten uit de 18de eeuw, die vooral was bedoeld om aanvallen van ‘marrons’ (gevluchte slaven) tegen te gaan. Meerdere delen van het Cordonpad zijn in het oerwoud nog duidelijk op Google Earth te herkennen en zijn ook als zodanig aangegeven. Het is een gemiste kans dat verbanden met nog bestaande aspecten en relicten van de cultuurhistorie niet iets verder zijn aangescherpt. Niettemin staat er een schat aan informatie in dit boek, waarvoor in archieven, kaarten- en platencollecties en ook in beeldbanken is gezocht naar materiaal op vele terreinen van de geschiedenis van de infrastructuur in Suriname. Het definitieve standaardwerk is Bouwen aan de Wilde Kust nog niet, maar met een duidelijker vraagstelling, beter controleerbare bronvermelding (want die is weinig evenwichtig en inconsequent) en redactionele ingrepen zou het er een goed begin van kunnen zijn. Eén finale opmerking daarbij: gebruik kaarten niet (alleen) ter illustratie, maar vooral als bron. Desnoods minder kaarten, maar dan wel goed leesbare. Al met al een boek dat zowel opvalt door wat er wél in staat, als door wat ‘verzwegen’ wordt. Dit laatste kan te maken hebben met een (niet uitgesproken) politieke stellingname – laten we het daar maar op houden. Wat er wél in staat, bevat heel veel feitenmateriaal, maar helaas is een deel hiervan moeilijk hanteerbaar voor verder onderzoek als gevolg van onvolledige bronvermelding. En de relatie tot het gemeenschappelijk cultureel erfgoed zou hierbij wel gebaat zijn – ook omdat 350 jaar verbondenheid niet door een paar decennia ontsporing uitgewist kan worden. Uw recensent blijft steken op een waardering van twee bolletjes uit vijf. n

26

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 26

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER 35

APRIL 2016

VOOR U

gelezen

Atlas van de watersnood 1953. Waar de dijken braken. AUTEUR

Koos Hage UITGAVE

THOTH RECENSENT

A.F.J. Niemeijer D E TA I L S

Gebonden, 192 pagina’s, rijk geïllustreerd, vele detailkaarten, figuren, begrippenlijst, literatuurlijst ISBN 978-90-6868-653-1 PRIJS

€ 39,90

D

it is nu zo’n uitgave waaruit je niet een smakelijke anekdote kunt vertellen om de aandacht van de lezer te trekken. Het is evenmin een boek dat een bekend feit nu eens vanuit een heel ander perspectief belicht en dat daarom serieus behandeld moet worden. Nee, het gaat hier om een atlas die bekende feiten uit een relatief recent verleden opnieuw in beeld en woord presenteert. Een soort bloemkool zoals grootmoeder die kookte, maar nu opgediend met een pittige kerriesaus in plaats van bloem- met botersaus, dus? Nee. Het gaat hier om een boek met wél de mensen die de Ramp meemaakten, maar zonder de spruitjesgeur van ‘hoe koud het was, en hoe nu verder’. De vader van uw recensent was van 1 februari 1908 en op zaterdagavond 31 zou diens verjaardag worden gevierd in het bijzijn van o.m. zijn broer en schoonzus uit Rotterdam-Zuid. De nieuws- en weerberichten van die avond waren echter van dien aard, dat beide laatsten hals-over-kop naar de Maasstad terugkeerden: de 78 jaar oude moeder van de schoonzuster, die toen woonde in Charlois (Rotterdam-Zuid - op IJsselmonde) leek te worden bedreigd door het water. Het liep voor haar nét goed af, maar jaar in jaar uit is het verhaal omstreeks die tijd opnieuw verteld. Je zou denken dat alles wel is gezegd, geschreven en in beeld gebracht over de Watersnoodramp van 1953. Niets blijkt echter minder waar – om dit cliché maar weer eens te gebruiken. Niet alleen worden tientallen verticale luchtfoto’s van KLM-Airocarto, die precies een week na de Ramp werden gemaakt, pas nu voor het eerst gepubliceerd, maar ook wordt hier een echt systematisch verslag gedaan van de geschiedenis van dijkdoorbraken en herstel. Systematisch betekent in dit geval: netjes genummerd en de eilanden en de kustlijnen een voor een behandelend. Dat betekent met terugwerkende kracht orde scheppen in de chaos die er toentertijd was. En het resultaat mag er

wezen: haarscherpe luchtfoto’s van ruwweg 22 x 22 cm (op basis van negatieven van 18 x 18 cm!), naast uitsneden van 7 x 7 cm uit het bijbehorende topografisch kaartmateriaal, met hierop de toestand van kort voor de Tweede Wereldoorlog (Bonneprojecties) en het huidige kaartbeeld. En daarbij dan de nauwkeurig aangeduide locaties met beschrijving van de gebeurtenissen vanaf de doorbraak tot en met het herstel. Er moeten ongeveer 100 stroomgaten zijn geweest, naast nog een aantal doorbraken die niet tot een stroomgat leidden. (De WP, 6de druk, deel 18, uit 1954, spreekt van meer dan 400 dijkdoorbraken, waarvan 35 zeer ernstig). (Een stroomgat – geeft de begrippenlijst – is een bres in de dijk die uitgroeit tot onder GWL = gemiddeld laagwater peil, waardoor het water in de polder permanent in verbinding staat met het buitenwater). Koos Hage (1947) – zo leert het internet - heeft een verleden als stedenbouwkundige in de stad Rotterdam, waar hij onder meer betrokken was bij het project Brandgrens: het markeren van de buitengrens van het bij het op 14 mei 1940 gebombardeerde en vernietigde hart van Rotterdam. Een heel andere opgave, maar je hoeft er niet verbaasd van te staan dat hij zijn aandacht later (na zijn pensionering?) centreerde op de Watersnoodramp. En al helemaal niet wanneer je weet dat hij de watersnood als broekenman meemaakte in Stavenisse – een kern op de westpunt van het eiland Tholen en tevens één van de zwaarst getroffen dorpen (156 doden). Hage’s ouders gingen korte tijd na de overstromingen naar de Noordoostpolder – een nieuw te ‘koloniseren’ polder die tien jaar daarvoor – dus midden in de oorlog - was drooggevallen en die ruimte zou gaan bieden aan vele Zeeuwse boeren en landarbeiders. Zij kregen voorrang bij de toewijzing van land en woonruimte vanwege opheffing door schaalvergroting van een flink aantal agrarische bedrijven in de getroffen gebieden. Zo is er wat deze uitgave betreft een dubbele relatie

27

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 27

02/04/16 16:40


VOOR U

gelezen

met het verleden: de naoorlogse wederopbouw en de wederopbouw na de Watersnoodramp. Terwijl Hage aan beide toch persoonlijke herinneringen moet hebben, wordt hij nergens sentimenteel. En dat is bij een gevoelig onderwerp als dit, met nog tienduizenden overlevenden en nabestaanden van de in totaal 1836 verdronken mensen, een niet geringe prestatie. Hage leunt voor zijn teksten sterk op al eerder gepubliceerd materiaal – onder meer dat van Kees Slager – maar door het in een nieuwe context te plaatsen, voegt hij hieraan duidelijk een dimensie toe. Vreemd genoeg omvat de extra dimensie voor het overgrote deel niet meer dan ‘het platte vlak’, en wel in de vorm van het ‘diepteloos’ - dat is verticaal van boven - weergeven van het rampgebied. Maar schijn bedriegt. De foto’s, die elkaar oorspronkelijk voor 60 % overlapten, boden hierdoor een stereobeeld dat het mogelijk maakte de schade en vooral de diepte van de gaten nauwkeurig vast te stellen. Jammer daarom dat er niet een of twee concrete voorbeelden van deze stereo’s over twee pagina’s zijn afgedrukt om het toen beoogde beeldeffect te ervaren. De voorzet hiertoe was al gegeven door het naast elkaar plaatsen van historische en hedendaagse kaarten van het op de luchtfoto’s weergegeven gebied. Wat ook een misser voor open doel is, kan worden omschreven als het niet ‘corrigeren’ van de destijds als bijlage van het boek ‘de ramp’ (en o.m. ook van het bovengenoemde laatste deel van de 6de editie van de WPencyclopedie) verschenen kaart: De stormvloed van 1 februari 1953. Terwijl uiteraard die overbekende kaart uit 1953 wel is afgedrukt, ontbreekt een op nieuwe gegevens gebaseerde – verfijnde – vergelijkbare overzichtskaart. Een in detailkaartjes geknipte versie is wel opgenomen - deze doet mede dienst als wegwijzer voor de besproken overstroomde polders - maar reproductie van een integrale kopie, die vergelijking met de kaart van 1953 mogelijk zou maken, haalde het niet. Jammer, want er zijn echt (kleine) verschillen waar te nemen. Hage deed – buiten zijn buitengewoon succesvolle fotoresearch - weinig of geen bronnenonderzoek voor de atlas en de verantwoording achterin is dan ook tamelijk summier. De gedetailleerdheid van de beschrijvingen bij de foto’s en kaarten verraadt echter grote kennis en inzicht in het proces van de Ramp en in het bestrijden van de gevolgen ervan. Hij blijkt keer op keer in staat details uiteen te rafelen en ze te spinnen tot grote lijnen en ze daarna weer tot een prettig leesbaar patch work én een beeldverhaal ineen te weven. Het lijkt erop dat tijdens het productieproces slechts één maal iemand echt een steek liet vallen, nl. op blz. 153, waar staat: “De gemeente Den Haag verbreed en hersteld de beschadigde strand-

VITRUVIUS

NUMMER 35

APRIL 2016

muur bij Scheveningen.” Gelukkig stond dit niet op blz. 1, want dan was deze recensie nooit verschenen. De verder onberispelijke uitgave sluit onvermijdelijk af met een aantal foto’s, kaarten en teksten rond het thema ‘Na de ramp’, waarin het Deltaplan en de Deltawerken voor het voetlicht worden gebracht. Wat er sterk aan bijdroeg dat de recensie wél verschijnt, is het feit dat het kaartmateriaal en – zij in iets mindere mate - de begeleidende tekst de ingrijpende verandering van landschap en (verkeers)infrastructuur als (indirect) gevolg van de Watersnoodramp in beeld brengen. Niet alleen de vaak totaal gewijzigde verkaveling, maar ook het verschuiven van grenzen tussen land en water is fascinerend wanneer je met de neus op de feiten wordt gedrukt. De Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden zijn in grove lijnen dan wel hetzelfde (van vorm) gebleven, maar wat hééft de Ramp op detailniveau een gevolgen gehad! De Atlas van de watersnood 1953 is een mooie en welkome aanwinst voor ieder die iets met de Nederlandse strijd met en tegen het water heeft. Pakkende, zelfs bloedstollende verhalen over het gevecht met het water zijn er in overvloed; toegankelijke, systematische weergaven voorzien van een relatie met het heden - veel minder. En daarin voorziet Hage nu. n

Doe mee...en win! Wilt u kans maken op een gratis exemplaar van dit boek? Kijk dan snel op de achterzijde van deze editie!

28

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 28

02/04/16 16:40


VITRUVIUS

NUMMER 35

recent

APRIL 2016

VERSCHENEN

Aan de Amsterdamse wallen. AUTEURS

Piet de Rooij, Paul Arnoldussen, Peter Paul de Baar, Bert Nap, Marian van de Veen-Van Rijk, Herman Vuijsje (eindred.) UITGAVE

Boom D E TA I L S

Gebonden, 384 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-8953-530-6 PRIJS

€ 29,90

E

en prachtig uitgevoerd boek over de meest veelzijdige buurt van Amsterdam. Dit werk brengt het controversiele, historische en alledaagse van de Amsterdamse Wal-

’t Lant Van Beloften. De Geschiedenis Van Een Hollands Huis In Leiden: Hooglandsekerkgracht 29. AUTEUR

Loek Dijkman (eindred.) UITGAVE

Waanders D E TA I L S

Gebonden, 384 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-94-6262-072-8 PRIJS

€ 29,95

E

r zijn drie elementen in de geschiedenis van ‘t Lant van Beloften die naar voren komen: het huis, de bewoners en

Het rijtjeshuis. De geschiedenis van een oer-Hollands fenomeen. AUTEURS

Bernard Hulsman, Luuk Kramer UITGAVE

Nieuw Amsterdam D E TA I L S

Paperback, 144 pagina’s, ISBN 978-90-4681-506-9 PRIJS

€ 19,95

len in beeld aan de hand van foto’s, persoonlijke verhalen en geschiedkundig onderzoek. De ‘Walletjes’ staan voor alles wat God verboden heeft en wat in Amsterdam toch gebeurt: seks, drugs en rock-’n-roll, aangelengd met een vleugje Leger des Heils-hoempapa. Maar die reputatie berust op een momentopname. In het grootste deel van hun zevenhonderdjarig bestaan waren de Wallen het toneel van alledaagse, vrome en voorname besognes. Tussen kloosters en kerken hadden burgemeesters en kooplui er hun woon- en handelshuizen. Later zaten er ambachtelijke bedrijfjes en woonden er gewone Amsterdammers.

De mix van alledaagse, chique en louche activiteiten heeft de buurt een bijzonder aanzien opgeleverd. Aan de Amsterdamse Wallen beschrijft een van de grootste en best bewaarde historische binnensteden ter wereld, die in één adem met de aangrenzende grachtengordel mag worden genoemd en geroemd. n

de buurt. Allereerst de geschiedenis van de bewoners. Een aantal bewoners hebben hun verhaal veelal zelf opgetekend. Een soort “oral-history”. De geschiedenis van het pand zelf wordt verhaald door middel van de bouwgeschiedenis en een bouwkundig onderzoek. De geschiedenis van Leiden en ons land komt aan de hand van een aantal korte intermezzi aan bod. De bewonersgeschiedenis wordt in een caleidoscopische vaderlandse geschiedenis geplaatst, waardoor de lezer beseft dat vaderlandse geschiedenis heel dichtbij is. ‘t Lant van Beloften heeft die geschiedenis van nabij meegemaakt en is daardoor telkens een product van haar tijd geweest. De uitdrukking ‘als stenen konden spreken’ wordt letterlijk waargemaakt. Van de buurt zijn de Burcht, de Hooglandse Kerk en het Weeshuis de belangrijkste monumenten in Leiden. Het huis staat als centrum in deze driehoek. n

D

e helft van de naoorlogse woningen in Nederland zijn rijtjeshuizen; generaties zijn erin opgegroeid. NRC Handelsblad-redacteur en architectuurcriticus Bernard Hulsman beschrijft op basis van onderzoek en interviews met volkshuisvesters, architecten en (ex-)rijtjeshuisbewoners de oorsprong, ontwikkeling en toekomst van dit typisch Nederlandse fenomeen. Van de hofjeswoningen en de kazernewoningen tot de arbeiderswoningen uit de 19e eeuw en de vinexwijken uit de meest recente tijd. Vaak wordt het rijtjeshuis gezien als een uiting van de Nederlandse geneigdheid tot compromissen, maar hierdoor verenigt het ook het beste van verschillende werelden. Het is een middenweg tussen bouwen in hoge en lage dichtheid, tussen vrijstaande huizen en hoogbouw, tussen collectief en individueel wonen. n

29

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 29

02/04/16 16:40


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

NUMMER 35

APRIL 2016

Weldaad loont. AUTEUR

die het Oranjehuis op een cruciaal moment in de geschiedenis redde. Niet alleen door haar huwelijk met koning Willem III en de geboorte van prinses Wilhelmina in 1880, maar ook met een tactvol regentschap tot haar dochter oud genoeg was om ingehuldigd te worden als koningin. 



Kees-Jan Dijkstra UITGAVE

Matrijs i.s.m. Koninklijke Vereniging van Leden der Nederlandse Ridderorden. D E TA I L S

Gebonden, 160 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-5345-496-1 PRIJS

€ 29,95

W

eldaad loont neemt de lezer mee terug naar het Nederland van de negentiende eeuw, met duidelijke rangen en standen en een verbindende rol voor het Koninklijk Huis. Het decoratiebeleid van opeenvolgende vorsten wordt besproken, maar ook de spanningen met ministers die dit beleid met zich meebracht. 

 Een hoofdrol is weggelegd voor koningin-regentes Emma,

Dit rijk geïllustreerde boek werpt nieuw licht op een onderbelicht hoofdstuk uit onze geschiedenis, namelijk hoe Emma als `Koningin der Weldadigheid’ een prominente rol speelde bij de bestrijding van volksziekte nummer één: tuberculose. Zij was de stuwende kracht achter de oprichting van het eerste grote tbc-sanatorium van ons land. Ook inspireerde ze tot de oprichting in 1902 van een vereniging van gedecoreerden om tbc-patiënten en geridderden ‘in behoeftige omstandigheden’ te ondersteunen. De geschiedenis van deze Vereniging wordt uitgebreid beschreven. Markante bestuursleden worden uitgelicht, evenals de nauwe relaties tussen leden van het Koninklijk Huis en de Vereniging. n

Romeinse wegen in Nederland. AUTEUR

Paul van der Heijden (red.) UITGAVE

Matrijs

Gesch-Delft1-OM_TPD

1 21-10-15 10:20 Pagina

PRIJS

€ 19,95

De derde stad van Hollan

d

geheel beschreven. Dit deel s van de stad Delft in zijn van de Voor het eerst is de geschiedeni en en loopt tot het einde van de stad in de middeleeuw begint met het ontstaan stad van Holland, na Dordrecht periode gold Delft als derde geRepubliek in 1795. In deze Delft nam de Hollandse Amsterdam en Gouda. In en Haarlem, maar vóór Leiden, en Kabeljauwse twisHoekse De een beslissende wending. Jacoba van schiedenis enkele malen Bij de Zoen van Delft droeg moord. brute een met 1350 ten begonnen hier in . In de beginjaren van de over aan de hertog van Bourgondië der Zeven Republiek Beieren in 1428 de regering de van Delft als residentie de bakermat in 1584 beOpstand tegen Spanje was Oranje in het Prinsenhof De moord op Willem van in Verenigde Nederlanden. bijgezet in de Nieuwe Kerk traditie dat de Oranjes worden Tromp. tekende het begin van de Hein en Maarten Harpertsz de begraafplaats van Piet Delft. De Oude Kerk werd de miden beroemde schilders. In bier en plateel, van de VOC Nederlanden de van Delft was ook de stad van delen grote dan honderd brouwerijen in de deleeuwen voorzagen meer werden onder meer belegd verdiend, werden hiermee van bier. De vermogens die aardewerk een faam die eeuw verwierf het Delftse handel op de Oost. In de zeventiende zorgde voor een korte maar behouden heeft. De welvaart van het tot de dag van vandaag Johannes Vermeer en Antoni en wetenschappen, met hevige bloei van kunsten vertegenwoordigers. Leeuwenhoek als beroemdste protestanten en katholieken, armen, en rijken over verhaal, Dit boek vertelt het hele . Wetenschappelijk verantelders afkomstige Delftenaren nooit soms geboren Delvenaren en van honderden, met Vol nieuwe inzichten en woord en leesbaar voor iedereen. . eerder gepubliceerde afbeeldingen

g e rri t v e rh o ev e n

Gebonden, 120 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-5345-419-0

d De derde stad van Hollan tot 1795 geschiedenis van delft

D E TA I L S

1 ISBN 978 94 625 8093 0

D

e Romeinen rolden duizenden kilometers aan wegen uit naar alle hoeken van de toen bekende wereld. Ze legden wegen aan op een tot dan toe onbekende schaal. Hierdoor konden meer mensen tegelijk op pad, konden ze sneller reizen en veel langere afstanden afleggen dan ooit tevoren. Het waren de eerste snelwegen ter wereld. Legioenen verplaatsten zich hierover met nog nooit vertoonde snelheid en handelaren brachten handelsgoederen uit verre en onbekende streken naar de Lage Landen. Met de uitbouw van het wegennet brachten de Romeinen ook hun cultuur naar Nederland.

 De Romeinse wegen waren niet uniform, zoals onze snelwegen tegenwoordig. Het uiterlijk van wegen kon per

streek verschillen, al naar gelang de status, landschappelijke obstakels en beschikbaarheid van bouwmateriaal. In dit boek gaan we op zoek naar de Romeinse wegen in Nederland die we kennen uit historische bronnen en archeologische opgravingen. Vaak zijn de wegen in de grond alleen herkenbaar als reepje grind, maar toch vormen ze onderdeel van het netwerk dat Nederland verbond met de rest van het Romeinse Rijk. 

 Romeinse wegen in Nederland laat op een toegankelijke manier zien hoe de Romeinse wegen ons zowel infrastructuur als beschaving brachten. Nederland werd letterlijk op de kaart gezet. n

30

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 30

02/04/16 16:40


recent

APRIL 2016

VERSCHENEN

AUTEUR

Frederik Haver Droeze UITGAVE

Ad. Donker D E TA I L S

Gebonden, 112 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-6100-704-3 PRIJS

€ 39,50

G

er van Iersel (1922 – 2014) behoort tot de generatie monumentale kunstenaars die de gebouwen van het naoorlogse Nederland hebben gesierd met kunstwerken die verbonden zijn met de architectuur. Hij vond een nieuwe vormentaal om het woord van de Bijbel te illustreren. Voor altijd zal zijn naam verbonden blijven aan het prachtige glas in beton raam in de Pauluskerk, dat zo gezichtsbepalend was voor het Rotterdam van de wederopbouw. Daarnaast heeft hij kunstwerken gemaakt in vele andere kerken en openbare gebouwen, wandschilderingen, keramiek, brons maar vooral ook glas. Zijn werk stond los van de nieuwste kunststromingen zoals popart

Geschiedenis van Delft tot 1795. g e rri t v e rh o ev e n

de schilders. In de miden van de Nederlanden nder meer belegd in de aardewerk een faam die de voor een korte maar Vermeer en Antoni van

NUMMER 35

Ger van Iersel. Monumentaal kunstenaar.

d De derde stad van Hollan tot 1795 geschiedenis van delft

beschreven. Dit deel t tot het einde van de olland, na Dordrecht am de Hollandse geen Kabeljauwse twisDelft droeg Jacoba van n de beginjaren van de e Republiek der Zeven Prinsenhof in 1584 bet in de Nieuwe Kerk in rten Harpertsz Tromp.

VITRUVIUS

AUTEUR

De derde stad van Holland geschiedenis van delft tot 1795

Gerrit Verhoeven

1

UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 384 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-94-6258-093-0

stanten en katholieken, Wetenschappelijk verantt honderden, soms nooit

PRIJS

1

€ 44,95

gerri t verho even

Geschiedenis van Delft vanaf 1795. AUTEUR

Ingrid van der Vlis UITGAVE

WBooks D E TA I L S

Gebonden, 384 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-94-6258-094-7 PRIJS

€ 34,95 (na 2 juni 2016 EUR 44,95)

en conceptuele kunst maar bleef duidelijk gewaardeerd worden door opdrachtgevers. De monumentale kunst van de wederopbouw is kwetsbaar gebleken voor de niet aflatende vernieuwingsdrang. De architectuur waar zij deel van uitmaakt staat nog niet in hoog aanzien. Van de lijst met zijn monumentale werken die in dit boek is opgenomen is bijna de helft niet meer te bezichtigen. Toch zijn nog veel werken behouden gebleven die een blijvende nalatenschap vormen van de in 2014 op 92 jarige leeftijd gestorven kunstenaar. n

W

einig Nederlandse steden zijn over de grenzen zo bekend als Delft. Het is de stad van Johannes Vermeer en Antonie van Leeuwenhoek, van Delfts blauw en Willem van Oranje, van Calvé en de Technische Universiteit. Voor het eerst is de rijke geschiedenis van Delft in zijn geheel beschreven. Van het prille begin in de Middeleeuwen tot de spectaculaire gedaanteverandering van de laatste jaren. Eeuwenlang was Delft de derde stad van Holland, een van de belangrijkste steden van het machtigste gewest. De markten, de bierbrouwerij en de handel zorgden voor welvaart en invloed. n

I

n Vooruit met het verleden, het tweede deel, dat de geschiedenis vanaf 1795 laat zien, wordt beschreven hoe Delft zich na een diepe inzinking opnieuw uitvond. De Koninklijke Akademie, de voorloper van de Technische Universiteit, maakte Delft tot een succesvolle industriestad. Delft timmerde aan de weg met bedrijven als de Gistfabriek en Calvé, en met instituten als TNO en het Waterloopkundig Laboratorium. Modernisering en innovatie voeren nu de boventoon. Maar ook de geschiedenis is nooit ver weg: toeristen uit de hele wereld bezoeken Delft om zijn schilderachtige binnenstad, Oranje en Delfts Blauw. n

31

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 31

02/04/16 16:40


Doe mee...en win!

Onder onze abonnees verloten wij watersnood 1953* *

LEZERSACTIE

5x Atlas van de

Een recensie van dit boek vindt u op blz. 27-28 van deze uitgave.

Alles wat u hoeft te doen is vóór 30 mei 2016 een e-mail te sturen met uw naam en adres naar info@uitgeverijeducom.nl met als onderwerp ‘Watersnood’. Let op! Verloting geschiedt alleen onder betalende abonnees van het vakblad Vitruvius. Heeft u nog geen abonnement? Wordt dan snel abonnee* om ook kans te maken op een gratis exemplaar van dit boekwerk.

Uitgeverij Educom BV

* Een abonnement op het vakblad Vitruvius bedraagt € 45,- per jaar/per 4 edities. * Alle prijswinnaars krijgen persoonlijk bericht voor 17 juni 2016.

VITRUVIUS_April2016_v1.indd 32

02/04/16 16:40

Vitruvius april 2016  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius april 2016  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement