Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JAARGANG 8 | NUM M ER 3 1 | A PRIL 2 0 1 5

AGENDA TOEKOMST RELIGIEUS ERFGOED

DE GROTE MEIERIJSE BOERDERIJ IN 1662

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 1

VAN VAKSCHOOL NAAR ZORGINSTELLING

ZONDER BOER GEEN VOER, WEDERZIJDSE LIEFDE GAAT DOOR DE MAAG

13/02/15 17:32


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren uvoor promotionele Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele doeleinden. Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 2

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

13/02/15 17:32


JAARGANG 8 NUMMER 31 APRIL 2015

6

5 DE GROTE MEIERIJSE 5.868 64.729 9 BOERDERIJ IN 1662

KORT

1.771 che Historis en uig railvoert

e logisch Archeo lexen comp

12

1.740 Grafheu

vels

Mobiel

3.982

onde Bureau-

56

465 Terpen

Hunebe

Opgrav

rzoek

ater

in 2012

900.000 900.000 90.000 14.500

0

che Historis n vliegtuige

ca.

16

58,5% uiz Woonh

en

Kerken

Molens

eeste in

t Fryslân ag

Rotterd

am

Stichtse

Vecht

17 15 9 9

14

Stedelijke ing uitbreid

465

sde stad Bescherm ezichten sg en dorp

10

ndse Nederla ren e d e o g rf werelde

18

rkdag

G

86 Oorlog

Brand

en Defen

sterdam van Am Stelling nenstad 1996 | De rische bin geving j 97 | Histo nd en om 19 gmakeri t kla oo ou ho ijk-Elsh 1999 | Dr 1995 | Sc enzee n Kinderd Lemmer olens va De Wadd maal bij | M | ge 09 da 97 20 ou 19 ht tterdam 1998 | W in Utrec Ro ao uis in k raç erh d, Cu hröd lle fabrie tveld Sc Willemsta | Van Ne | Het Rie am 2014 ster 2000 Amsterd De Beem gordel in Grachten 2010 | De

ZONDER BOER GEEN VOER, WEDERZIJDSE LIEFDE GAAT DOOR DE MAAG

26

74

Nat

Kunst

sie

ten (RCE

inciden

erfgoed

11 Waterov

erlast

5

7 Ruilverk

aveling

Oorlogs

schade

r.nl15 nitr o o m ari 20 d nu ja e 1 Erfgo ons erfgoed pe over en cijfers

fgoed in er het er cijfers ov rzamelt feiten en fgoed ve l vindt u en ltureel Er Cu onitor.n musea t p, dm he ha oe voor Op Erfg t urlandsc jksdienst e, cultu n de staa nd. De Ri cheologi zicht va Nederla enten, ar elijk over um nd la on n m ee er r biedt data ov ito on m s. Deze collectie

Feiten

23

nds Nederla van het ikkeling e terug en ontw kijken w ar ja e . nieuw werpers van het de schijn ze eiten in over de erfgoedf formatie meer in u dt vin

DE PRAKTIJK VAN TRANSFORMATIE

3

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 3

rlan

in Nede

W

de m waarvan

Den Ha

Natuurwe

13)

ndag

bieden ERFGOEDMONITOR.NL bouwge ederop

rijk

6,8%

Na

Mole tionale

eerde eregistr

38

30

m smonu

Súdwes

Museu

tendag

end (20 mweek

Musea

278

2,1%

onumen

913

4.110

AGENDA 61.768TOEKOMST de RELIGIEUS Gebouw n ERFGOED ente

Open M

erfgoed

gen van Meldin rzoek de n o h c eologis

arch

dden

Onderw

ingen

ca. 1.00

aantallen

0 1.000.00

12

156

982

Bezoekers

che Historis schepen

che Historis igen rtu wegvoe

enten

evenem

Erfgoed

4

13/02/15 17:32


colofon ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE | CULTUURLANDSCHAP | MONUMENTEN | IMMATERIEEL ERFGOED | VOLKSCULTUUR

JA A R GA N G 8 | N U M M ER 3 1 | A P R I L 2 0 1 5

VITRUVIUS

NUMMER 31

APRIL 2015

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

AGENDA TOEKOMST RELIGIEUS ERFGOED

Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. DE GROTE MEIERIJSE BOERDERIJ IN 1662

VAN VAKSCHOOL NAAR ZORGINSTELLING

ZONDER BOER GEEN VOER, WEDERZIJDSE LIEFDE GAAT DOOR DE MAAG

EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

MEDE-ONDERSTEUNERS

COLOFON Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke

Lange Haven 9 3111 CA Schiedam Tel. 010 273 25 11 mail@steenhuismeurs.nl www.steenhuismeurs.nl

redactie en redactieraad UITGEVER/BLADMANAGER

Robert Diederiks

REDACTIE

Ruurloseweg 83 7251 LC Vorden Tel. 0575-519 455 Fax 0575-519 550 www.frisowoudstra.nl

S.A. Muller

Drs. E. Raap

mw. Drs. S.M. van Roode

R.P.H. Diederiks

REDACTIERAAD

mw. Drs. (Margreeth) W. Bangert Res nova Monumenten

Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Paganellus Minor

Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE

Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland E 45.- /België E 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. © Copyrights Uitgeverij Educom BV April 2015 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

4

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 4

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER 31

APRIL 2015

2015 is het jaar van de ruimte

O

p 15 januari vond in de Beurs van Berlage de officiele start plaats van het Jaar van de Ruimte. Flink wat bestuurders waren erbij aanwezig, wat aangaf dat het wel eens een belangrijk jaar kan worden, ook voor het cultureel erfgoed. Onder het motto “Wie maakt Nederland” organiseren de samenwerkende partijen in 2015 een breed debat over de ruimtelijke toekomst van Nederland. De initiatiefnemers van het Jaar van de Ruimte willen nieuwe perspectieven ontwikkelen voor de leefomgeving. In het Jaar van de Ruimte is iedereen uitgenodigd zijn of haar visie te geven, waarmee gehoopt wordt zowel overheden als private inves-

teerders te inspireren bij de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Wie door de oogharen kijkt naar de naoorlogse ruimtelijke ontwikkeling, ziet dat de hoofdrol is verschoven van de overheid (sinds de wederopbouw) naar marktpartijen (vanaf de jaren negentig), en van daar naar de gebruikers van de ruimte (sinds de uitbraak van de crisis in 2008). Waar de planningslogica voorheen op groei was gebaseerd, is voor een groot deel van Nederland stilstand of krimp het uitgangspunt geworden. Nu grootschalige en integrale planning op veel plekken niet meer werkt, komen de kleinschalige

kort initiatieven op. Wijkenergiecorporaties, buurtondernemingen, gebiedsfondsen, stadslandbouw, ecologisch zelfbeheer, duurzaamheid en nabuurschap zijn de new kids on the block. Informatietechnologie geeft een impuls aan de onderlinge verbondenheid en creëert een nieuw soort online gemeenschapszin. Tegelijk doen zich – deels nieuwe – ruimtelijke opgaven voor; onze steden vernieuwen en bereikbaarheid verbeteren, omgaan met demografische krimp, energiebronnen verduurzamen, klimaatveranderingen accommoderen en een gezonde leefomgeving waarborgen. We hebben landschappen nodig die onze eigenheid tonen en we willen bedrijven de kans geven om te groeien, te innoveren en zich blijvend te manifesteren op het wereldtoneel. Dat vraagt om een nieuw ruimtelijk evenwicht, een nieuwe vorm van planning die de gebruiker centraal stelt. In 2015 willen de aandacht vestigen op de nieuwe ‘era van ruimtelijk handelen’, met als motto: Wie Maakt Nederland. Het gaat in het Jaar van de ruimte om het debat en de inzet van eigen media om de boodschap te verspreiden. Actieve partijen in het Jaar zijn er o.a. Alterra, Architectuur Lokaal, Federatie Ruimtelijke Kwaliteit, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Planbureau voor de Leefomgeving . Platform31, Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Staatsbosbeheer en de Unie van Waterschappen. n

Faux pas

I

n de vorige editie van Vitruvius vond u op de achterzijde een paginagrote advertentie met Afrikaanse kunst en etnografica onder de titel ‘Vitruvius Art’. De uitgever en eigenaar van Vitruvius, Robert Diederiks, zag er geen kwaad in. Hij wilde een bevriende ex-galeriehoudster helpen met de verkoop van boventallige kunstvoorwerpen uit de nalatenschap van haar overleden echtgenoot. Kunstvoorwerpen die overigens jaren geleden al legaal zijn ingevoerd. Het gaat hier dus niet over smokkelwaar

of illegaal verkregen oudheden. Toch is er onrust over de advertentie ontstaan en achteraf gezien misschien niet eens onbegrijpelijk. Daarom is in de redactie met de uitgever afgesproken dat dit niet meer gebeurt. We willen zelfs maar de schijn van verstrengeling van Vitruvius met louche zaakjes – hoe onterecht deze typering misschien ook in de ogen van kunsthandlaren moge zijn – te allen tijde vermijden.

Zeker in het licht van de huidige handel in oudheden uit bijvoorbeeld Syrië en Irak en de vernietiging daarbij van cultureel erfgoed, moet een blad als Vitruvius verre blijven van dit soort handel, al dan niet legaal, al dan niet ‘fake’. Beloofd! n Namens de redactie Dolf Muller Edwin Raap Sigrid van Roode

5

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 5

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

Dr. K.A.H.W. Leenders1

NUMMER

31

APRIL

2015

De grote Meierijse boerderij in 1662

Gezien door de ogen van een notaris en een ingenieur

I

‘Staats-Brabant’ zijn: een vanuit Den Haag bestuurd gebied. Het komt gedeeltelijk overeen met de huidige provincie NoordBrabant. De Meierij van ’s-Hertogenbosch maakte daarvan een groot deel uit.

Kerkelijk bezit geconfisceerd Bij de Vrede van Munster werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden internationaal erkend. Tot die republiek behoorde ook het noordelijke deel van het hertogdom Brabant. Dat gebied zou tot 1795

In de Meierij van ‘s-Hertogenbosch werden de bezittingen van binnen Staats-Brabant gelegen kloosters en andere katholieke instellingen door de Republiek geconfisceerd. Het ging om allerlei rechten maar ook om grond, boerderijen en molens. De boerderijen en molens werden onder beheer gesteld van de Raad van State die er weer een rijtje rentmeesters voor aanstelde. De Raad van State wilde ze verkopen en dan is het handig als je weet waar je het over hebt. Daarom werden in de eerste maanden van 1662 notaris Van Kampen en ingenieur Blom op pad gestuurd om bij iedere hoeve de juridische kant te beschrijven zoals pacht

n de eerste maanden van 1662 trokken een notaris en een ingenieur door de winterse Meierij om 100 hoeven, 15 molens en één pastorie te beschrijven. Hun ‘Verbaal’, een 220 bladzijden dik boek, bleef bewaard in het archief van de Raad van State.2 Uit dit Verbaal komt een heel ander boerderijtype naar voren dan we thans als de klassieke Brabantse boerderij kennen. Ook over de houtwas op die hoeven bevat het Verbaal veel wetenswaardigs, reden om het aan een degelijke analyse te onderwerpen en de verkenning 352 jaar later nog eens over te doen.3

Bron: Tekening K.Leenders 2014.

1 - Noord-Brabant, Staats-Brabant en de Meierij, met aanduiding van de hoeven.

en vaste afdrachten, maar de bouwkundige toestand en het bestand aan hout op de hoeve, zowel bomen als hakhout te beschrijven. De 100 hoeven zijn een forse selectie uit de in totaal 124 hoeven die de Raad van State beheerde: het is de groep die in november 1661 opnieuw verpacht werd. Onderzoeksopzet Het verbaal blijkt een waardevolle bron te zijn om de boerderijgebouwen van 1662 goed te leren kennen. Daarom is het Verbaal niet alleen getranscribeerd en op internet beschikbaar gesteld voor iedereen,4 maar is er ook een uitvoerige analyse van gemaakt. Doordat er 100 hoeven op min of meer uniforme wijze beschreven werden, kan met het materiaal ook wat statistiek bedreven worden, zowel wat de gebouwen betreft als ook over de bomen en het hakhout. Dat levert dus een beeld op van de toestand in 1662 en het blijkt dat die hemelsbreed verschilt van wat we nu in het landschap aantreffen. Daarom is besloten de lotgevallen van de 100 hoeven gedurende de laatste 352 jaar te volgen. Met behulp van de kennis bij heemkundekringen bleek het mogelijk 82 hoeven heel precies te lokaliseren, want dat is voor een dergelijk onderzoek een eerste vereiste. Die 82 bleken deels verdwenen, nog min of meer te bestaan of door splitsing uiteengevallen in meerdere boerderijen. Deze winter wordt een aantal van de nog bestaande en zo op het oog mogelijk gedeeltelijk oude gebouwen bezocht in de hoop nog wat sporen van de veranderingen in de laatste eeuwen te kunnen herkennen. Van deze huisbezoeken kan in dit artikel nog geen verslag gedaan worden, maar een compleet verslag van het onderzoek zal eind van het jaar in boekvorm verschijnen.

6

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 6

13/02/15 17:32


31

APRIL

2015

Bron: Noordbrabants Museum, inv.nr. 12140.

2 - Het Verbaal. Grote hoeven Vanaf ruwweg het midden van de dertiende eeuw zit de gewone Zand-Brabantse boer meestal op min of meer eigen land, huurt hij er nog wat bij en verhuurt hij misschien ook wat land. Het boerenbedrijf was in de regel niet groot: enkele hectaren bouwland en evenveel grasland of hooiland en een boerenerf waarop het woonstalhuis en een schuur stonden. Daarnaast kon men gebruik maken van de gemene gronden: na 1400 meestal heide. Het vee diende vooral om mest te maken waarmee de productiviteit van het akkerland in stand gehouden werd. Voor Zand-Brabantse begrippen gaat het in het Verbaal echter om erg grote boerderijen met gemiddeld 8½ hectare bouwland en uitschieters tot het dubbele en meer. Het zijn meestal boerderijen die al in de twaalfde eeuw door lokale grootgrondbezitters aan toen net opgerichte kloosters geschonken werden. Die kloosters hebben deze hoeven steeds verpacht, vanaf de late middeleeuwen vooral voor perioden van zes jaar. Om zo’n hoeve te kunnen pachten moest je kapitaalkrachtig zijn en men keek in het dorp dan ook op tegen deze pachters. Zo werd de pachter van de hoeve Klein Eckerbroek te Someren in 1689 beschouwd als “de grootste contribuant in de dorpslasten”.5 Bij de analyse van het Verbaal moet dus in gedachten gehouden worden dat het niet om de ‘gewone’ boerderij gaat, maar om een veel groter type bedrijf. De opgaande bomen Buis schildert in zijn Historia Forestis zandig Noord-Brabant in de late middeleeuwen als een bosarm (maar niet bosloos)

3 - Laantje bij het kasteel van Gemert, getekend door Jusua de Grave in 1675. gebied waar de hertog door het uitgeven van voorpootrechten wat aan trachtte te verhelpen.6 Hij signaleert er een houtnood die als argument gebruikt wordt bij het uitgeven van die voorpootrechten. De houtnood zou ontstaan zijn door het overmatig en ongereglementeerd kappen van weldegelijk aanwezig hout. In het Verbaal blijkt van houtnood echter maar weinig. In het Verbaal is er veel aandacht voor de bomen en struiken bij de hoeven en molens. Alle normale hoeven hadden opgaande bomen. In totaal gaat het om 13.482 opgaande bomen, dus gemiddeld 132 per hoeve. De feitelijke aantallen liepen echter heel

ver uiteen: van 3 tot 1181. Bij dit alles zijn de ‘ontelbare’ bomen in moerassige bossen niet meegeteld. Ruim 95% van al die bomen waren eiken. Met enige regelmaat kwamen er berken voor. Essen, die goed hout voor gereedschappen leverden, stonden vaak bij de put van de boerderij. Niet alleen wilgen werden geknot maar af en toe ook eiken en populieren. Met slechts twee promille aan populieren is er in 1662 duidelijk nog geen ‘populierenlandschap’: dat bestond in de Meierij vooral tussen 1750 en 1950 en was daar toen de basis voor de klompenmakerij.7 Onder al die 13.482 bomen is er maar één dennenboom. Weliswaar was de den in 1515 ingevoerd en gebruikt om het

4 - Linde op de motteheuvel van de Annenburg te Rosmalen in 2010.

Foto: Peter van der Wielen.

NUMMER

Scan: Nationaal Archief Den Haag.

VITRUVIUS

7

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 7

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER

31

APRIL

2015

5 -Het Loons Bos, met de gerestaureerde Kabouterberg en Schotse Hooglander in het laagland langs de beek. De Kabouterberg is een Romeinse grafheuvel en volgens de volksverhalen de woning van kabouterkoning Kyrië.] Mastbos bij Breda en een soortgelijk bos in Hulten in te zaaien, een weg naar de oude hoeven had die boomsoort in 1662 dus nog niet gevonden. In het Turnhoutse wordt de introductie van de den op 1663 gedateerd, overigens door het verplanten van bomen uit het Mastbos bij Breda.8 Die ene dennenboom in de Meierij was de trots van het landgoedje De Hulst in Sint-Oedenrode dat daar zelfs naar vernoemd bleek te zijn.9 Er wordt één lindeboom genoemd.10 Dat was een groot exemplaar dat de hoeve Annenburch te Rosmalen sierde. Daar staat op die oude motteheuvel, waarop ook al eens een kloostertje gestaan heeft, nog steeds een grote oude linde, al is dat nu te midden van een woonwijk. Dat is echter de alweer ruim twee eeuwen oude opvolger van de linde die in 1662 al dik en dus al oud was. Bijna al deze bomen stonden alleen, in rijen langs wegen en velden, of in kleine groepen. Er worden in het Verbaal maar enkele echte bossen genoemd. In het nog bestaande Loons Bos bij Hoogeloon stonden ontelbaar veel bomen, net als in het moerassige Rutse Bos bij Vlierden. In het beter toegankelijke Ruels Bos ten noorden van Bladel stonden 750 eiken van 15 tot 30 centimeter doorsnede, met struiken van hulst, elzen en eikenhakhout. Het hakhout Hakhout groeit als jonge scheuten uit een hakhoutstoel. Na een aantal jaren worden die scheuten gekapt, waarna de cyclus zich herhaalt. In het Verbaal wordt hakhout aangeduid met schaerhout en heet het kap-

pen houwen. Hoewel de inspecteurs veel aandacht aan het hakhout op de hoeven besteedden, is het niet mogelijk de hoeveelheid hakhout nauwkeurig te achterhalen. Dat komt doordat het hakhout beschreven wordt in termen als een heg schaerhouts ende aende twee sijden vanden selven acker alles 4 jarich.11 Hoe lang is die heg? Hoe lang en breed is die akker? Dat weten we niet.

Bron: Josef Weyns, 1960.

Foto: Silvia Reiche, 6 september 2013.

6 -Meerledige hoeve te Haaren.

ouder hakhout vermeld. De hakhoutcyclus op deze grote pachthoeven in de Meierij van ’s-Hertogenbosch was in 1662 dus 6 of 7 jaar lang.

Wanneer er in het Verbaal schaerhout staat zonder verdere soortbepaling, gaat het om eikenhout. Dat blijkt uit de vele bepalingen over het aankweken van nieuw hakhout: dat begint steeds met het zaaien van eikels, gevolgd door het uitplanten van de daaruit gegroeide heesters. Soms, als er ook ander hakhout is, is men wel expliciet. Vermeldingen van elzenhakhout betreffen beemden, natte gronden dus.12 Wilgen werden geknot en leverden zo ook hakhout, net als de schaarse gehoede of geknotte eiken en populieren. Ook berken werden als hakhout aangekweekt.13

De hoevegebouwen De in het Verbaal van 1662 beschreven hoeve bestaat uit een erf met gemiddeld 5 gebouwen en landerijen: een meerledige hoeve. Op 96 erven stond een woonstalhuis: een gebouw waarin een wand het woongedeelte scheidde van het stalgedeelte voor de koeien. Bij alle woonstalhuizen stond ook een losse schuur, of werd gemeld dat de afwezige schuur er hoognodig alsnog bijgebouwd moest worden. Een boerderij kan niet zonder put en dat is kennelijk zo van zelfsprekend dat de put meestal niet genoemd wordt. Hij komt pas te voorschijn als er bomen naast staan of als de onderhoudstoestand slecht is. Iets dergelijks geldt voor de omheining van het boerenerf: die is er altijd en komt alleen ter sprake als er iets aan mankeert.

Hakhout groeit een aantal jaren en wordt dan gekapt. De inspecteurs hebben nauwkeurig steeds aangegeven hoeveel jarig het hakhout was. Als het hout net gekapt was, werd dat genoteerd als eerst gehouwen.14 Daarop volgen dan eenjarig hout, tweejarig en verder oplopend tot zes-, zeven- en een enkele keer acht-jarig. Hakhout van tien jaar oud deugde duidelijk niet.15 Als het hakhout gereed was om gekapt te worden, werd het als houbaer aangeduid.16 Enkele teksten geven aan dat zesjarig hakhout houbaer was, maar sporadisch wordt er toch ook

Naast deze basis stonden er op de erven nog allerlei bijgebouwen waarvan de schaapskooi, het schop, de varkenskooi en het bakhuis in meer dan de helft van de gevallen aanwezig waren. Wat minder vaak wordt een aparte paardenstal genoemd en nog minder vaak een turfschop. Vermoedelijk werden de paarden op de andere boerderijen in een hoekje van de schuur gestald en diende het schop ook als berghok voor de turf. Nog zeldzamer zijn een extra stal, een los bouwsel genaamd ‘de boer’, een speciale stal voor kalveren, een kleine bierbrouwe-

8

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 8

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER

31

APRIL

2015

Bron: Weijnen en Van Bakel, 1967, 11, bewerkt door K.Leenders.

7 - Hoofdstructuur van een boeren houtbouw. Geannoteerd en aangevuld naar Weijnen en Van Bakel, 1967, 11. Als voorbeeld diende een schuurtje uit Mol-Sluis (provincie Antwerpen). Zie Weyns, 1960, 83 afbeelding 29. In de taal van het Verbaal heten de onderdelen: 1: blok, houten plaijhout of onderplatinge; 2: stijl; 3: balck; 4: crombeel of covelbalck; 5: worm; 6: opscheut; 7: affscheut; 8: lat; 9: de hanebalk wordt niet vermeld; 10: dack of cap.

aaneengeregen zijn. Het aantal gebouwen op het erf blijkt samen te hangen met de oppervlakte akkerland: meer land, dan ook meer gebouwen.

8 - De pachthoeve Tulder van Averbode in Hilvarenbeek rond 1665. Nadruk op de schoorsteen op het stenen gebouw met verdieping, een spijker op pootjes, de put en veel andere gebouwen, bomen, heggen en hekken.

Het hoofdgebouw was in 1662 een woonstalhuis, met een brandmuur met schouw en schoorsteen als scheiding tussen het woongedeelte en de stal. Door het naar binnen verplaatsen van de korte wand was een wat hogere gevel verkregen met ruimte voor ramen en de deur. Aan de andere kant gaven staldeuren onder een wat opwelvend dak doorgang aan het vee. Meestal zullen het in 1662 kortgevelboerderijen geweest zijn.

Bron: Van Ermen, 1997, 80 – 81. rij, een apart gebouw voor graanopslag genaamd ‘spijker’ of ‘corenhuis’, een slotje of omwaterd stenen huis en in Veghel een ‘esthuis’: een groot soort bakhuis waarin men de hop droogde. Schijndel, dat vlak naast Veghel ligt, was destijds een vermaard

De gebouwen waren in principe een aangeklede gebintenconstructie. In de regel werd alles met natuurlijke materialen gebouwd. Centraal stond een constructie van zware houten balken. Deze droeg het dak dat met stro gedekt was. De wanden rondom bestonden uit met leem besmeerd takkenvlechtwerk of in meer luxe vorm uit planken. Het is een flexibel systeem dat door aanpassing van de wanden en het dak of het bouwen van interne wanden een woonstalhuis kan opleveren, maar ook een schuur, losse stal of schop.

hopcentrum17 en deze hoeve lag aan de Schijndelse kant van Veghel. De meerledige boerderij was hier dus algemeen, niet de langgevelboerderij waarin alle functionele ruimten onder hetzelfde dak

De enige bakstenen onderdelen die regelmatig voorkwamen waren de schouw en het keldertje onder de opkamer. Zelfs de poeren of stiepen onder de staanders van de gebinten waren in 1662 nog van hout. Opvallend is dat er enkele keren sprake is van het ommuren van het woonhuis. Dat klinkt alsof het oude woonhuis met zijn gebinten en lemen of planken wanden eenvoudig geheel of deels omgeven werd met een stenen muur, met daarin uiteraard ruimte voor ramen en deuren.18 Die muur droeg nog niet het gebouw: die taak bleef voorbehouden 9

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 9

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

aan de gebintconstructie. De koestal deed niet mee aan de verstening: die behield zijn lemen of planken wanden, maar er was wel een schaapskooi met een stuk stenen muur.19 Erg degelijk lijkt het metselwerk niet geweest te zijn. Er zijn klachten over de slechte of ontbrekende fundatie van de muur: ontschoijt of onderschoort heet dat.20 Het aanleggen van een fundering werd onderschoeijen genoemd.21 En een inbreker vond het makkelijker om door een stenen muur te breken, dan door een vitselwand!22 De 1662-hoeve ziet er dus volkomen anders uit dan wat nu in de Meierij geacht wordt de standaard klassieke boerderij te zijn. Dat is wat dat Hekker tekende: een eenledige hoeve met een langgevelboerderij met alle functies onder één dak; bakstenen wanden rondom (soms planken bij schuurgedeelte); rieten dak met pannenrand. De werkruimten hebben nu vaak ook een woonfunctie: de woonboerderij. De vraag is dan: wat gebeurde er tussen 1662 en nu, of beter 1662 - 1900, want toen was het huidige ‘standaardtype’ er al. De grote transformatie Deze grote veranderingen probeer ik te onderzoeken door de lotgevallen van de 100 hoeven uit 1662 te volgen tot op vandaag. Het bleek mogelijk 82 ervan kadasternauwkeurig te lokaliseren. Hiervan waren er in 1831 al 5 afgebroken en opgeruimd. Van de resterende 77 hoeven waren er 48 gewoon blijven bestaan, maar 29 waren gedeeld, wat daar 83 bedrijven van gemaakt had: gemiddeld leverde deling tussen 1662 en 1831 dus 2,9 boerderij op. De Postelse hoeve Ten Bomen in Lierop en de hoeve Ten Roode te Someren produceerden zo zelfs gehuchten van 6 boerderijen.

31

APRIL

2015

Bron: Tekening K. Leenders.

10 - Splitsingsschema van de hoeve Grote Bottel te Deurne.

Bron: Hekker, 1958, 292.

9 - Dwarshuisgroep, Brabants - Noord-Limburgse langgevelhoeve.

NUMMER

Na 1831 ging dit proces uiteraard gewoon verder. Kort samengevat: van de 82 gelokaliseerde Statenhoeven van 1662 waren er tegen 2010 31 geheel verdwenen (38%), 26 nog steeds als enkele boerderij aanwezig (32%) en 25 gesplitst in twee of meer hoeven en soms daarna weer in aantal verminderd door samenvoeging (30%). Vergelijking met de beschikbare oppervlakten bouwland in 1662 leert dat de verdwijners in 1662 de kleinste hoeven waren zowel afgemeten aan het akkerland als aan het aantal gebouwen. Het waren de grote hoeven uit 1662 die verdeeld werden: ze hadden twee gebouwen meer dan de verdwijners en het dubbele aan akkerland! De niet gesplitste hoeven raakten tussen 1662 en 1831 gemiddeld bijna één gebouw kwijt: vermoedelijk was dat meestal de schaapskooi. Hier nam het aantal gebouwen pas na 1831 flink af tot gemiddeld 2,5. Bij de wel gesplitste hoeven nam het totaal aantal gebouwen tot 1831 toe, maar per bedrijf verminderde het tot gemiddeld 2,5. Behalve schaapskooi verdwenen hier dus nog twee gebouwen! Na 1831 veranderde hier weinig en het gemiddeld aantal gebouwen per bedrijf in deze groep is nu gelijk aan dat bij de niet-gesplitste hoeven. Pachthoeven van een abdij of andere kerkelijke instelling waren altijd beschermd tegen opdelingen of verkopingen. Ja, ze waren soms zelfs langzaam maar gestaag uitgebreid door het bijontginnen van gronden of toevoeging van nieuwe vrome schenkingen. Na verkoop aan particulieren verviel die stabiliteit. De hoeve kreeg te maken met de gewone effecten van deling tussen erfgenamen en de mogelijkheid dat een eigenaar er delen van verkocht als hem

dat zo uitkwam. Bovendien heeft de Raad van State rond 1740 bewust hoeven opgesplitst om ze beter verkoopbaar te maken. Daarbij zijn ook de boerderijgebouwen verdeeld, waarna de bijgebouwen een nieuwe toekomst tegemoet gingen als hoofdgebouw van een kleiner bedrijf. Het is duidelijk dat de verkoop van de Statenhoeven een eind maakte aan de stabiliteit van de hoeven. Gebruikmakend van de flexibiliteit van het basisontwerp van de oude boerengebouwen, konden die vrij eenvoudig aangepast worden. Omdat dit gebeurde in de tijd dat hier de verstening van de boerderij optrad, was dat een goede gelegenheid om baksteen te introduceren. In het midden van de achttiende eeuw blijken landarbeiders in Liempde en ruime omgeving in de winter klompen te maken en in de zomer te metselen.23 In dit proces van verkleining en aanpassing is men blijkbaar uitgekomen op een basisontwerp met een langgevelboerderij met stenen wanden en een rietendak met pannenrand. Door alle functies onder één dak te schuiven, hoefden er geen schuren bijgebouwd te worden. Tegen 1900 was dit proces voltooid. Literatuurlijst -  Adriaenssens, S.,K. Verheyen. Oude bossen van de Antwerpse Kempen. Leuven (Davidsfonds Uitgeverij), 2013. -  Buis, J.. Historia Forestis. Utrecht (H&S), 1985. -  Ermen, E. van. Het kaartboek van Averbode 1650 - 1680. Brussel (Algemeen Rijksarchief), 1997. -  Hedendaagsche historie of tegenwoordige staat van alle volkeren. XIIde deel,... Amsterdam (I. Tirion), 1751. -  Hedendaagsche historie of tegenwoor-

10

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 10

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER

31

APRIL

2015

Bron: Google Streetview.

11 - Nieuwbouw bij splitsing: Someren, Ten Roode, 1750.

Bron: Google Streetview.

12 - Het gehucht Ten Boomen in Lierop.

dige staat van alle volkeren. XIIde deel, Tweede stuk... Amsterdam (I. Tirion), 1740. -  Heesters, W.. Schijndel. Historische verkenningen. Waalre (Stichting Brabants Heem), 1984. -  Hekker, R.C., De ontwikkeling van de boerderijvormen in Nederland. In: Fockema Andreae, S.J., R.C. Hekker, E.H. ter Kuile. Duizend jaar bouwen in Nederland. Amsterdam (Allert de Lange), 1957 – 1958, deel 2 (1958), 197 - 323. -  Leenders, K.A.H.W.. Het Schijndelse cultuurlandschap. Een detailstudie. Schijndel (Gemeentebestuur), 1994. -  Vernooij, A.L.. De genese van het populierenlandschap in de Meierij van Noord-Brabant. Amsterdam, 1985 (doc. scr. VUA). -  Weijnen, A.A., J. van Brakel. Woordenboek van de Brabantse dialecten. Assen (Van Gorcum), 1967 en later. -  Weyns, J.. Het Kempisch boerenhuis. In: Kultuurhistorische verkenningen in de Kempen I. Oisterwijk (Stichting Brabants Heem), 1960, 51 – 112.

Noten  Historisch geograaf, Den Haag. 2  Nationaal Archief Den Haag, Archief van de Raad van State (toegang 1.01.19), nr. 2157: Verbaal Beschrijving van de hoeven, 1662 (verder kortweg als ‘Verbaal’). 3  Ongesubsidieerd onderzoek in samenwerking met de Stichting de Brabantse Boerderij. 4  http://www.henkbeijersarchiefcollectie. nl/historisch_onderzoek/nationaal_ archief/Meierijse hoeven en molens 1662.pdf 5  Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Archief Schepenbank Someren (toegang 13082), R 54, dd. 26-11-1689. 6  Buis, 1985, 18 – 19, 168 - 170. Voorpootrecht: de boer mag op de rand van de gemene gronden langs zijn erf bomen planten en die ook kappen, mits hij daarvan belasting betaalt. 7  Leenders, 1994; Vernooy, 1985. 8  Adriaenssens en Verheyen, 2013, 127. 9  Verbaal f 51r De hoeve genoempt den Dennenboom. 10  Verbaal f 41v Item achter het huijs staet 1

eenen dicken Lijndeboom. Verbaal f 27v. 12 Verbaal f 39v. 13 Verbaal f 74r. 14 Verbaal f 38r. 15 Verbaal f 210v. 16  Verbaal f 26r. 17 Heesters, 1984. 18  Verbaal f 42v ende bestaet dese hoeve in een woonhuijs met den koijestal daer annex sijnde het huijs voor ommuert. 19 Verbaal f 85r; 98r. 20 Verbaal f 51v; 181v; f 194v, 195r. 21 Verbaal f 147r. 22 Verbaal f 92v. 23  Hedendaagsche historie, 1751, 140: “De inwooners van dit dorp (Liempde) geneeren zig zomers veelal met metzelen en ‘s winters met klompmaken”. Deze informatie niet in Hedendaagsche historie, 1740. n 11

11

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 11

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

Mirjam Blott Projectleider Agenda Toekomst Religieus Erfgoed in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Met dank aan Albert Reinstra, specialist kerkelijke bouwkunst Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

NUMMER

31

APRIL

2015

Agenda Toekomst Religieus Erfgoed

In juni 2014 werd de Agenda Toekomst Religieus Erfgoed gelanceerd. Binnen dit landelijke initiatief, organisatorisch gefaciliteerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, werken kerkeigenaren, overheden en maatschappelijke organisaties tot eind 2016 samen om beter voorbereid te zijn op de omvangrijke leegstand van kerken en kloosters die we de komende jaren voorzien. Naar verwachting zullen binnen tien tot vijftien jaar van het totale aantal kerken (ca. 6.500, zowel monumentaal als niet-monumentaal) een kleine 2.000 hun functie verliezen. En van de 135 kloosters die nu nog in religieus gebruik zijn, komen er binnen vijf jaar maar liefst 120 leeg1. In al die gebouwen huizen bovendien talloze objecten. Een enorme opgave ligt dus in het verschiet. Van godshuis tot vastgoed In Nederland kennen we veel verschillende geloofsrichtingen. Zo’n kwart van onze bevolking is katholiek, 16 procent protestant, 5 procent moslim en 6 procent hoort bij een andere religieuze denominatie2. Het

1 - De verbouwing van het monumentale Ursulinenklooster, de renovatie van het landbouwhuis, en de verbindende moderne nieuwbouw in Roermond heeft een nieuw samenwerkingsconcept gekregen: het Ondernemersplein Limburg dat nu getypeerd kan worden als een dynamisch centrum voor ontmoeting en samenwerking. Transformatiejaar 2012. zuiden is overwegend katholiek, het noorden en westen vooral protestant. Onze verzuilde samenleving bracht in de loop der tijd veel gebouwen voort. Het religieus erfgoed is dan ook ongekend rijk en gevarieerd, en kan rekenen op breed maatschappelijk draagvlak. Teruglopend kerkbezoek, demografische en economische ontwikkelingen en, speciaal voor wat betreft

Foto: Peter Wijnands / via SATIJNplus Architecten

‘E

urope’s Empty Churches Go on Sale’, zo kopte de Wall Street Journal in januari. In een uitgebreid artikel beschrijft de krant de drastische gevolgen van ontkerkelijking in Europa, met Nederland als onbetwiste koploper in deze ontwikkelingen, zowel in omvang als tempo. ‘Kerk te koop’ was zo’n vijftig jaar geleden ook in ons land een ondenkbare kreet. Tegenwoordig is het gangbare praktijk. Een middeleeuwse stadskerk, een idyllische plattelandskerk of naoorlogs icoon in een buitenwijk: keus genoeg op de websites van gespecialiseerde makelaars.

de kloosters: een hoge gemiddelde leeftijd van de eigenaren, zorgen momenteel voor een snel groeiende, omvangrijke leegstand van kerken en kloosters. Onze samenleving is de laatste 25 jaar enorm veranderd. De bevolking groeide van 15 naar 17 miljoen inwoners, er kwam meer welvaart, veel mensen verlieten het plat-

12

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 12

13/02/15 17:32


NUMMER

31

APRIL

2015

2 - Met respect voor de monumentale en architectonische kwaliteiten is, als een bootje in de fles, binnen de Hasseltse kerk in Tilburg een nieuw eigentijds wijkcentrum voor diverse organisaties in vijf bouwlagen gerealiseerd. Alle nieuwe vertrekken zijn ondergebracht in een aantal ‘dozen’, soms over meerdere bouwlagen, die zoveel mogelijk vrij blijven van wanden, kolommen en gewelven. De invulling van het monumentale gebouw is hiermee omkeerbaar. Transformatiejaar 2005. teland vanwege werkeloosheid of vanwege een gebrek aan voorzieningen. Religieuze beleving door middel van kerkbezoek speelt bij veel mensen een minder prominente rol in het dagelijks leven. Deze voortgaande secularisering brengt de kerken (vooral de katholieke en de protestante) in financiële problemen. Een steeds kleiner wordende groep van (meestal oudere) mensen wordt belast met de zorg voor behoud en beheer van al die 6.500 gebouwen (en de bijbehorende voorwerpen en meubilair!), waarvan 2.7003 de status van rijksmonument hebben. Sinds 1795 kennen we in Nederland een strikte scheiding van kerk en staat. De overheid bemoeit zich niet met kerkelijke zaken, de kerken zijn verantwoordelijk voor hun eigen organisaties en gebouwen. Kerken in voortgaand religieus gebruik hebben tegenwoordig steeds meer moeite het hoofd boven water te houden. Alleen voor de rijksmonumenten is een deel van de onderhoudskosten subsidiabel.

Foto: Peter van den Kerkhof / via luijten I smulders I architecten

VITRUVIUS

Voor gebouwen die hun functie verliezen, worden tot nu toe vaak nieuwe functies en eigenaren gevonden, maar voor een aantal (in de buitenwijken, in de krimpgebieden), is dat moeilijker. Met de toename van leegstaande kerkgebouwen en kloosters, die bovendien concurreren met andersoortige leegstaande gebouwen (kantoren, scholen, gemeentehuizen), zal het vinden van nieuwe bestemmingen niet eenvoudiger worden. Binnen de katholieke kerk ligt verkoop en/of nieuw gebruik van een kerkgebouw bovendien zeer gevoelig. De vastgoedmarkt is daarnaast op dit moment veel minder geïnteresseerd in bouwgrond, dus sloop van een kerk kost alleen maar geld en levert vaak niets op.

de religieuze achterban, maar ook bij omwonenden, bij wie het afscheid van een belangrijke ‘landmark’, een identiteitsbepalend element in hun woonomgeving, hard aankomt.

De komende jaren zullen er dan ook veel kerkgebouwen sluiten. Waar dat gebeurt, leidt een dergelijk besluit vaak tot grote maatschappelijke onrust, zeker als ook sloop overwogen wordt. Niet alleen bij

Het jaar 2008 was echter ook het begin van de economische crisis, met fikse overheidsbezuinigingen als gevolg. En verviel na het themajaar de verbindende motor achter een pril netwerk en veranderde het politieke

2008 Jaar van het Religieus erfgoed In 2008 werd deze thematiek in de volle breedte op de kaart gezet met het Jaar van het Religieus Erfgoed. Voor het eerst tastten eigenaren, overheden en maatschappelijke organisaties oplossingsrichtingen gezamenlijk af. Overheden maakten extra financiële middelen voor religieus erfgoed vrij. En talloze vrijwilligers zetten zich in om de schoonheid van hun gebouwen en interieurs te etaleren.

13

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 13

13/02/15 17:32


3 - Het doel van de herbestemming van de St. Gertrudis van Nijvelkerk is het in stand houden en het verbeteren van het voorzieningenniveau in Heerle, een dorp in de gemeente Roosendaal. De kerk is een rijksmonument. De architect heeft met veel aandacht voor het behoud van het karakter van het gebouw de hoge ruimte zorgvuldig heringedeeld. In de kerk is plaats voor het kerkbestuur, een huisartsenpraktijk en een dorpshuis. Transformatiejaar 2012.

landschap. Volgden het Jaar van de Buitenplaats en het Jaar van de Boerderij en zo raakte het religieus erfgoed een beetje uit het vizier. Agenda Toekomst Religieus Erfgoed In 2012 nodigde de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed landelijke partners uit om te verkennen hoe het religieus erfgoed ervoor stond. Snel kon worden geconcludeerd dat de urgentie van de problematiek ten opzichte van 2008 onverminderd groot is. Op allerlei plekken vinden goede ontwikkelingen plaats, vaak financieel ondersteund door landelijke, provinciale of gemeentelijke subsidies, maar niet genoeg of te versnipperd om daarmee de totale opgave tegemoet te treden. Vanuit dit beraad ontstond uiteindelijk de Agenda Toekomst Religieus Erfgoed. Inhoudelijk betrokken partners benaderen hierin de problematiek als een collectieve opgave. Met aandacht voor zaken als exploi-

tatie en nieuwe financieringsvormen. Met open gesprekken over soms pijnlijke processen rondom leegkomende gebouwen, en hoe dergelijke situaties beter te ondervangen. Met de intentie helder te krijgen waar wet- en regelgeving nieuwe ontwikkelingen bemoeilijken en hoe processen te versoepelen. En met de enorme uitdaging het onderwerp waardering en selectie te bezien vanuit een breed perspectief, zodat naast de cultuurhistorische waarde ook aspecten zoals religieuze en maatschappelijke waarde in een gezamenlijk afwegingskader kunnen worden samengebracht. Concreet bestaat de Agenda uit zeven punten, die bij elkaar alle aandachtspunten en kansen omvatten in relatie tot onroerend en roerend religieus erfgoed, zowel in voortgaand gebruik, in de ‘tussentijd’ en in nieuw gebruik. Zeven aan de agendapunten verbonden werkgroepen vertalen de doelstellingen in concrete actieplannen en resultaten.

NUMMER

31

APRIL

2015

Foto: Filip Dujardin / via Oomen Architecten

VITRUVIUS

1. Kerken en kloosters in voortgaand gebruik Vanuit dit agendapunt wordt gezocht naar versterkingsmogelijkheden om de gebouwen functioneel in stand te houden. Hoe help je de gemotiveerde eigenaar in de exploitatie van cultuurhistorisch erfgoed? Hoe verminder je de administratieve lastendruk, hoe kunnen inkomsten stijgen door verantwoord nevengebruik en hoe versterk je je draagvlaak, zowel maatschappelijk als politiek? 2. Gebruik, exploitatie, financiering Er is geld nodig om een gebouw in stand te houden: een gezonde exploitatie ligt hieraan ten grondslag. Vaak zijn er bovendien extra investeringen nodig om een nieuwe exploitatie te kunnen creëren: dit vereist een nuchtere financiële blik. Financiële experts en eigenaren verkennen binnen dit agendapunt nieuwe exploitatie- en financieringsmogelijkheden. Concreet wordt gezocht naar nieuwe exploitatievormen,

14

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 14

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER

31

APRIL

2015

naar nieuwe financieringsvormen en wordt het huidige subsidie- en financieringsinstrumentarium overzichtelijk in kaart gebracht. Tevens is er aandacht voor de mogelijkheid om lagere energielasten te realiseren door investeringen in duurzaamheid. Als resultaat wordt uiteindelijk een toegankelijke financiële ‘gereedschapskist’ opgeleverd voor (nieuwe) eigenaren en betrokkenen. 3. Bedoelde en onbedoelde uitwerking van wet- en regelgeving De afgelopen jaren is er vanuit de overheid behoorlijk ingezet op het vereenvoudigen van wet- en regelgeving en het versnellen van procedures, in de verwachting dat eigenaren van (religieus) erfgoed hierdoor sneller weten waar ze aan toe zijn, een betere service krijgen en ook nog eens goedkoper uit zijn. Desondanks voelen veel (nieuwe) eigenaren (maar ook ambtenaren!) zich vaak behoorlijk reddeloos in het samenspel van wetten en regels, vanuit zowel ruimtelijke ordening, monumentenzorg als religieuze verordeningen. Er moet dus worden gekeken naar oorzaken van stagnatie en oplossingen om processen optimaal te laten verlopen. 4. Praktische handreikingen, training en scholing Eigenaren, beheerders en vrijwilligers hebben behoefte aan concrete informatie en hulpmiddelen bij behoud en beheer van hun religieuze gebouwen, complexen en inventarissen. Het gaat hier om het bundelen en centraal aanbieden van bestaande informatie, het ontwikkelen van kennis op onderwerpen waar vraag naar is en borging van al die kennis in een (digitale) kennisbank. 5. Tussentijd en toekomstperspectief De term Tussentijd gebruiken we voor de periode dat een gebouw zijn religieuze functie verliest, de eigenaar van het gebouw af wil en er nog geen zicht is op een nieuwe bestemming c.q. eigenaar. Niet altijd is een ideaal resultaat direct haalbaar. De tussentijd is dan een transitieperiode, onder meer om onderzoek te doen naar een nieuwe, passende herbestemming. Bijvoorbeeld door tijdelijke functies in het gebouw onder te brengen en zo in praktijk nieuwe wegen te verkennen. Of om te besluiten een tijd niets te doen, behalve het wind- en waterdicht houden van het gebouw, om letterlijk de functionaliteit van tijd in te zetten in

afwachting van andere, nieuwe mogelijkheden en tijden. 6. Waarde in meervoud In praktijk wordt over de toekomst van elk afzonderlijk religieus gebouw of ensemble lokaal besloten, of het nu zijn religieuze functie behoudt of verliest. En iedere betrokkene waardeert zo’n gebouw vanuit een eigen perspectief: dat geldt voor de kerkelijke eigenaren, de gemeente, de erfgoedzorgers, omwonenden en voor nieuwe eigenaren. Bij ieder gebouw draait het dus om waarde in meervoud en voeren we een maatschappelijk waarderingsdebat. De kunst is om gezamenlijk te komen tot een afwegingskader of -mechanisme dat helpt bij de besluitvorming. Een benadering die meerdere perspectieven op de waarde van kerk- en kloostergebouwen verenigt en die breed toepasbaar is. Op basis waarvan verstandige besluiten kunnen worden genomen over de toekomst van een gebouw. 7. Communicatie: Open Kerken en Kloosters Breed draagvlak is van groot belang voor een goede toekomst van religieus erfgoed. Binnen dit agendapunt is er aandacht voor de vraag hoe dat draagvlak aan de hand van concrete activiteiten, goede voorbeelden en ervaringen uit binnen- en buitenland verder kan worden ontwikkeld. Veel Nederlanders bezoeken kerken tegenwoordig vooral op vakantie in het buitenland, in eigen land staat men vaak voor een dichte deur. Nederlandse kerken waarbij de deuren wel geopend zijn, worden goed bezocht. Om de kennis en de betrokkenheid bij het erfgoed te vergroten wordt vanuit de Agenda gewerkt aan een nationaal Open Kerkenprogramma. Bestaande initiatieven worden met elkaar verbonden en nieuwe plannen ontwikkeld. Vooruit kijken De komende tijd zullen vanuit de Agenda met regelmaat activiteiten zoals debatten, seminars en lezingen worden georganiseerd. Via de website www.toekomstreligieuserfgoed.nl wordt daarover gecommuniceerd. Voor sommige onderwerpen zoeken we nadrukkelijk kennis en inspiratie van buitenaf: schrijvers, filosofen of ondernemers vanuit het bedrijfsleven nodigen wij uit een frisse blik op bestaande vraagstukken te werpen. Ook jongeren betrekken wij vanzelfsprekend bij het thema: zij zijn immers de toekomstige eigenaren van dit

bijzondere erfgoed. Bovendien blijkt uit onderzoek dat veel jongeren graag betrokken willen worden bij het nadenken over de herbestemmingsmogelijkheden voor een kerk. Uiteraard zetten wij mooie initiatieven graag en vaak in de schijnwerpers. Denk dan bijvoorbeeld aan de activiteiten van de ‘Stichtingen Oude Kerken’, die in verschillende provincies in staat zijn, met de inzet van talloze vrijwilligers, kerken door nieuw gebruik in stand te houden. Denk aan creatieve toeristische initiatieven, zoals ‘Koken voor Kerken’ in Zeeland, Trappistenroutes in Brabant, zingevingsroutes in Limburg en talloze Open Kerken-routes in andere provincies. Verder zijn er de activiteiten van kerken in voortgaand gebruik, die hun exploitatie versterken door de organisatie van uiteenlopende, vaak culturele, nevenactiviteiten. Ook zijn er de soms spectaculaire voorbeelden van tijdelijk gebruik: zo kon er onlangs nog worden geschaatst in een kerk in Weert. Dan is er de veelheid aan prachtige herbestemmingen, waarmee Nederland zich ook in creatief opzicht internationaal een ‘leading position’ verschafte. Het Kruisherenhotel en de Dominicanenboekhandel in Maastricht zijn daarvan enkele voorbeelden. Het is een realistische gedachte dat sommige kerken en kloosters zullen verdwijnen. En door het voeren van een breed maatschappelijk waarderingsdebat is het denkbaar dat ook cultuurhistorisch beschermde gebouwen uiteindelijk niet allemaal behouden kunnen worden. Maar het is belangrijk dat dat nooit gebeurt zonder een zeer zorgvuldige afweging daaraan voorafgaand. In de wereld rondom het religieus erfgoed is echter ook een energie voelbaar, gevoed door de wetenschap van urgentie, die volop perspectief biedt op spannende en waardevolle nieuwe ontwikkelingen. Vanuit de Agenda kijken we daarom ook met optimisme vooruit! Bronnen  Bronnen: A. Reinstra, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2015; Van Eijk, brief aan paus, 2013, Protestantse Kerken in Nederland; Konferentie Nederlandse Religieuzen. 2  Centraal Bureau voor de Statistiek, december 2014. 3  Erfgoedmonitor, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. n 1

15

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 15

13/02/15 17:32


Archeologische complexen

3.982

1.740

465

56

Grafheuvels

Terpen

Hunebedden

982

156

12

Bureau-onderzoek

Opgravingen

Onderwater

Meldingen van archeologisch onderzoek

4.110 61.768 Gebouwde rijksmonumenten

58,5% Woonhuizen

6,8%

2,1%

Kerken

Molens

waarvan de meeste in Súdwest Fryslân Den Haag Rotterdam Stichtse Vecht

17 15 9 9

W

465

Beschermde stadsen dorpsgezichten

10

Nederlandse werelderfgoederen 1995 | Schokland en omgeving 1996 | De Stelling van Amsterdam 1997 | Molens van Kinderdijk-Elshout 1997 | Historische binnenstad Willemstad, Curaçao 1998 | Woudagemaal bij Lemmer 1999 | Droogmakerij De Beemster 2000 | Het Rietveld Schröderhuis in Utrecht 2009 | De Waddenzee 2010 | De Grachtengordel in Amsterdam 2014 | Van Nelle fabriek in Rotterdam

16

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 16

13/02/15 17:32


964.729

5.868

Historische wegvoertuigen

Historische schepen

4

Erfgoedevenementen Bezoekersaantallen

900.000 900.000

Open Monumentendag Museumweekend (2013)

1.771

ca. 1.000

90.000

Nationale Molendag

Historische railvoertuigen

Historische vliegtuigen

14.500

Natuurwerkdag

Mobiel erfgoed

er

n k

1.000.000

in 2012 ca.

913 Musea in Nederland

86 Oorlog en Defensie

278 30

14 Stedelijke uitbreiding

7 Ruilverkaveling

26 Natuur

Geregistreerde erfgoedincidenten (RCE)

38

Wederopbouwgebieden

74 Kunst

Brand

11 Wateroverlast

5 Oorlogsschade

Erfgoedmonitor.nl Feiten en cijfers over ons erfgoed per 1 januari 2015 Op Erfgoedmonitor.nl vindt u feiten en cijfers over het erfgoed in

en ontwikkeling van het Nederlandse erfgoed. In het begin

Nederland. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verzamelt

van het nieuwe jaar kijken we terug en zetten we een aantal

data over monumenten, archeologie, cultuurlandschap, musea en

erfgoedfeiten in de schijnwerpers. Op Erfgoedmonitor.nl

collecties. Deze monitor biedt een landelijk overzicht van de staat

vindt u meer informatie over deze en andere onderwerpen.

17

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 17

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

Yvonne Lammers-Keijsers1

NUMMER

31

APRIL

2015

Zonder boer geen voer, wederzijdse liefde gaat door de maag

1 - Impressie tentoonstelling Zonder boer geen voer, 5000 jaar voedselproductie in Peelland, Boerenbondsmuseum, Gemert. deel veroorzaakt worden door wederzijds onbegrip. De boer en de archeoloog De huidige relatie tussen de archeologie en de landbouwsector wordt voor een belangrijk deel getekend door dat wederzijdse onbegrip. Op het eerste gezicht lijkt het een onneembare hindernis om de problemen aan te pakken – er is immers sprake van schijnbaar tegenstrijdige belangen. De boer wordt geconfronteerd met regels die ‘archeologische waarden’ moeten bescher-

Foto: Echo tekst en presentatie.

D

ruk op ruimte De druk op onze openbare ruimte is hoog: de energietransitie, de uitbreiding van het wegennet en de aanleg van nieuwe industrieterreinen vragen allen om een plaats in de ruimte. Als erfgoedbeschermers proberen we binnen die setting ook nog een plaatsje te verwerven voor het behoud en de inpassing van onze materiële nalatenschap. Wat verloren is geraakt komt immers niet meer terug en we vinden het belangrijk om ons verleden mee te nemen naar de toekomst. Het beleid is erop gericht erfgoed zoveel mogelijk te koppelen aan andere ruimtelijke opgaven en door ontwikkelingen uit verleden, heden en toekomst duurzaam met elkaar te verbinden. We richten ons dus op het ontwerpen van strategieën waarin ontwikkeling en behoud van erfgoed hand in hand gaan. Ook wanneer het om archeologisch erfgoed gaat is dit het streven. ‘Archeologiebesparend bouwen’, door bijvoorbeeld het gebruik van op basis van een archeologische waardekaart gerangschikte heipalen, is een voorbeeld van een ontwikkeling die uit dit streven voort komt. Sommige sectoren lenen zich daar echter beter toe dan andere. Wanneer er een sportpark aangelegd moet worden en er onder de geplande sporthal een middeleeuws kasteel blijkt te liggen, is het ‘vrij eenvoudig’ om de geplande locatie van de sporthal om te ruilen met die van de sportvelden, zodat de resten onder de velden in de grond behouden kunnen blijven. Zo gebeurde het in Leiden waar kasteel Boshuysen veilig onder de velden ligt. In het geval van permanente en herhaaldelijke bodemverstoring, zoals in de landbouw ligt het gecompliceerder. Landbouwgrond is vaak al decennia lang in gebruik (en soms nog veel langer) en de boer moet door een toenemend inzicht in erfgoedwaarden en veranderende regelgeving aan steeds meer eisen voldoen. Dat leidt tot spanningen en conflicten, die wellicht voor een groot

men en de archeoloog wordt geconfronteerd met (nieuwe) landbouwtechnieken die archeologische waarden beschadigen. De landbouwsector is een toch al veel geplaagde sector: binnen de ‘Agrifood-sector’ vinden momenteel veel veranderingen plaats. Consumenten stellen hogere eisen aan voeding, voedselschandalen versterken de roep om gezond voedsel, er is een groter verlangen naar streekproducten, en een toegenomen besef van onze afhankelijkheid van wat de boer ons levert. Dit uit zich in initiatieven als volkstuinen in de stad, land-

18

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 18

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER

31

APRIL

2015

In een wereld waar de ruimte beperkt is, de belangen groot zijn en de verhoudingen gespannen, is het noodzakelijk op zoek te gaan naar verbindingen. Het archeologisch erfgoed wordt continu bedreigd door potentiële verstoorders – niet in het minst in het agrarische buitengebied. Maar zelfs archeologen kunnen niet ontkennen dat er meer belangen

spelen en dat er in plaats van strijd te voeren beter gediscussieerd kan worden over de toekomst van ons verleden. Het Zonder boer geen voer project probeert daarin te faciliteren – door boeren en archeologen bijeen te brengen en hen op een constructieve wijze concreet samen aan de slag te laten gaan met hun eigen, lokale verleden.

Foto: Echo tekst en presentatie.

2 - Boeren op de rand van de Romeinse tijd: een technologische ontwikkeling in het bedrijf is de introductie van de zaag.

winkels en streekproducten. Het is dan ook belangrijk voor deze sector om het besef en de kennis van waar ons voedsel vandaan komt te verbeteren. Hierin ligt een grote kans voor de archeologie. De geschiedenis van veel steden hangt immers nauw samen met (de afhankelijkheid van) de landbouw en de voedselproductie. Maar het besef dat we enorm afhankelijk zijn van de opbrengst van de landbouw zijn veel mensen in de huidige tijd kwijtgeraakt. Graan, groenten, vlees en melkproducten vormen de basis van ons dagelijks voedsel. Het eten op ons bord is echter afkomstig uit alle hoeken van de wereld. Het oliegebruik neemt toe, het klimaat verandert en de bevolkingsdruk stijgt. De ‘hongerige stad’ moet gevoed worden en dat kost veel energie. De mens wil veel consumeren tegen lage kosten, wat er vaak toe leidt dat voedsel in goedkope landen geproduceerd wordt en de afstand tot de voedselbron groter wordt. Maar hoe is het eigenlijk zover gekomen? Waren wij niet ooit allemaal boeren? Steeds vaker zijn er geluiden te horen van een tegenbeweging. De roep om lokale producten, de toegenomen interesse in volkstuinen … In zekere zin gaan we daarmee terug in de tijd.

Foto: Echo tekst en presentatie.

3 - Boeren in heden en verleden, voedsel als basis van ons bestaan.

19

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 19

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

Zonder boer geen voer: een idealistisch project Het agrarische verleden en het belang van de archeologie om de verhalen uit die geschiedenis te reconstrueren komen samen in het ‘Zonder Boer geen Voer’-concept. Ontstaan vanuit een doelstelling iets over het boeren verleden te vertellen is er gaandeweg steeds meer de ideologie gegroeid om een concept vorm te geven waarin naast het archeologisch verhaal ruimte is om wederzijds begrip na te streven tussen archeologen en boeren en tegelijkertijd hun beider belangen te behartigen. Door het boerenverleden te onderzoeken en er gezamenlijk over te vertellen aan een groot publiek, kunnen archeologen immers laten zien dat het boerenbedrijf niet alleen nu maar al van oudsher een zeer belangrijke rol vervult en dat wij allen een gezamenlijk boerenverleden bezitten. Daarnaast zorgt de samenwerking voor een beter begrip voor elkaars belangen en kunnen deze mogelijk dichter bij elkaar komen. Het boeren verleden en de productie van voedsel zijn universele thema’s die een grote reikwijdte kennen. Ze spreken mensen aan die bezig zijn met verschillende onderwerpen – van voeding tot geschiedenis, van landschapsvorming tot verstedelijking. Het is een thema dat aansluit bij ‘trending topics’ in de maatschappij, zoals ‘duurzaamheid’, ‘gezonder leven’, ‘lokaal geproduceerde producten consumeren’, ‘bescherming erfgoed’, en dat de mogelijkheid biedt voor zowel boeren als archeologen om op positieve en constructieve wijze samen te werken en het publiek te laten delen in wat er zich in hun omgeving afspeelt en afgespeeld heeft. Voor veel gemeenten die een grote agrarische component hebben is dat een belangrijk speerpunt. Maar juist in die gemeenten botsen de belangen van boeren en archeologen het meest. Het ontstaan van het project In 2012 nam de gemeente Oss het initiatief een tentoonstelling2 te organiseren over de ontwikkeling van het boerenleven aan de hand van recente archeologische vondsten. Tijdens de ontwikkeling daarvan kwamen gemeente-archeoloog Richard Jansen en de auteur tot de conclusie dat het project meer potentie zou hebben wanneer we er boeren direct bij zouden betrekken. De AWN (Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie) en ZLTO (Vereniging voor ondernemers in de groene ruimte) pikten dit idee op en

NUMMER

31

APRIL

2015

Wie zorgt er voor uw eten? Als we terugkijken naar de rol die boeren in het verleden hebben gespeeld, kunnen we ruwweg een onderscheid maken in vier periodes. De eerste boeren uit het neolithicum verbouwden graan op akkers dicht bij het huis en hielden vee. Deze boeren waren echte all-rounders en waren voor hun levensbehoeften (aardewerk, kleding, gereedschap, manden en voedsel) van niemand afhankelijk.

stadbewoners steeds vaker van alleen de opbrengst van hun ambacht leven. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid voor de voedselproductie steeds meer bij boeren buiten de stad gelegd en worden stad en platteland van elkaar afhankelijk. Hoewel ze nog steeds aan elkaar grenzen, worden stad en platteland steeds vaker ook fysiek van elkaar gescheiden, bijvoorbeeld in de vorm van stadsmuren.

In de metaaltijden veranderde dit enigszins. Specialisten hielden zich bezig met het gieten van brons en later met het winnen en bewerken van ijzer. Toch gebeurde dit nog maar op zeer beperkte schaal – het metaal was zeldzaam en de ‘smid’ was vaak ook gewoon ’boer’.

In de Nieuwe tijd neemt de vraag naar meer, en meer bijzondere producten hand over hand toe. Bevolkingsdruk en welvaart zorgen voor een welhaast onbeperkte groei in productvariatie en oorsprongsafstand. De industriële revolutie draagt er later bovendien toe bij dat er meer aangevoerd kan worden over langere afstanden (onder ander door gebruik van stoomschepen). In de afgelopen eeuw is voor veel mensen het besef van de afhankelijkheidsrelatie over en weer vervaagd. Het eten op het bord wordt nauwelijks nog in verband gebracht met zaaien en oogsten, seizoenen of klimaat. De laatste jaren wordt de roep om ‘dichter bij de natuur’ te zijn echter weer sterker. Steeds meer mensen willen streek- en seizoensproducten en nostalgische kookboeken vinden gretig aftrek. Ondertussen probeert de agrarische sector aan de grote vraag naar landbouwproducten te voldoen en in een moeilijk klimaat van overzeese concurrenten en hoge arbeidskosten te overleven.

Wanneer de Romeinen in onze streken arriveren, ontstaan er kansen voor boeren met handelsgeest. Boeren kunnen aan de soldaten in het legerkamp en de bewoners van de steden graan, varkens en runderen leveren. Zij krijgen betaald in geld en luxegoederen. In deze periode zien we bovendien voor het eerst dat men verlangt naar exotische producten als kruiden en citrusvruchten. Vanaf de vroege middeleeuwen nemen, door steeds effectievere landbouwtechnieken, de mogelijkheden voor specialisatie toe. Aanvankelijk hebben de eerste dorp- en stadsbewoners nog moestuinen en houden zij buiten de stad hun eigen vee. In de late middeleeuwen kunnen de

sloegen de handen ineen, wat leidde tot een uitvoering van het project in de gemeentes Bladel en Gemert2. Saillant detail is misschien wel dat beide verenigingen tegelijkertijd tegenover elkaar stonden in de rechtszaal – wat maar expliciet duidelijk maakt hoe nodig het was op een positieve, constructieve manier met elkaar aan de slag te gaan. Op basis van de drie eerste edities is inmiddels een concept ontstaan dat zo vrij is dat het lokaal ingevuld kan worden maar dat een duidelijk herkenbaar en breed toe te passen kader schept, dat op basis van de eerdere edities warm onthaald werd door alle organiserende partijen en hun achterban maar ook door bezoekers en toehoorders.

Tentoonstelling De basis van het project wordt gevormd door de tentoonstelling. Met hulp van gemeente- en regioarcheologen, AWN, heemkundekringen, provinciaal depot en lokale musea stelt Echo tekst en presentatie een overzicht samen van de geschiedenis van de boeren in de regio. Er wordt daarbij een indeling gemaakt in vroege en late prehistorie, Romeinse tijd, vroege en late middeleeuwen, nieuwe tijd en heden en toekomst. Op die manier laten we zien hoe de verschuiving heeft plaats gevonden van de tijd van de eerste boeren, toen iedereen leefde als boer, naar de huidige tijd waarin mensen soms nauwelijks nog beseffen hoe

20

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 20

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER

31

APRIL

2015

Foto: Archeon

een streekmarkt, een scholenprogramma en een serie lezingen over onderwerpen die aan ‘beide kanten’ raken, wordt er over en weer meer begrip gekweekt. Zo werd ook de rol van boeren bij het creëren en in standhouden van het cultuurhistorisch landschap (en daarmee bij de zorg voor archeologie) tijdens de oogstdankviering gememoreerd.

4 - In de Romeinse tijd drijven lokale boeren handel met de Romeinen en er worden villa’s gebouwd. Deze reconstructie is gebaseerd op een opgraving van zo’n villa-terrein in Rijswijk. In een tweede reconstructie van dit gebouw is het Archeologiehuis Zuid-Holland gevestigd. afhankelijk we zijn van de landbouw om ons heen. Door gebruik te maken van lokale vondsten is de band die de bezoekers voelen met het verhaal heel sterk – het is immers hun eigen geschiedenis. Door in te gaan op de ontwikkelingen door de tijd heen en door de veranderingen op het gebied van gereedschappen, boerderijbouw, landbouwtechnieken, verbouwde gewassen en gefokte dieren naast elkaar te zetten biedt de tentoonstelling voor een brede doelgroep interessante informatie. Zowel historisch geïnteresseerden als mensen met een interesse voor landbouw worden bediend en krijgen een kijkje in elkaars keuken. Nevenactiviteiten Een belangrijk onderdeel van het Zonder Boer geen Voer-concept is het nevenprogramma. Afhankelijk van de participerende partners moeten de mogelijkheden worden verkend. Er wordt daarbij nadrukkelijk gezocht naar kruisbestuivende activiteiten waarin zowel boeren als archeologen zich kunnen vinden. In de uitgevoerde edities is dit vorm gegeven door onder andere het houden van een serie lezingen waarin zowel boeren als archeologen het woord krijgen, rondleidingen voor schoolklassen, een streekproductenmarkt, een schervenmiddag waarbij mensen hun vondsten (al dan niet van eigen erf) kunnen laten determine-

ren etc. Een combinatie van een bezoek aan de tentoonstelling en een bezoek aan een boerenbedrijf op een dag is zeer succesvol gebleken om schoolklassen te bereiken. In Bladel werd de traditionele viering van het oogstdankfeest gecombineerd met de openstelling van de tentoonstelling en in Gemert is de tentoonstelling opgesteld in het Boerenbondsmuseum, dat gevestigd is in het geboortehuis van de grondlegger van ZLTO. Via de website www.zonderboergeenvoer.nl wordt alle informatie over de tentoonstelling en het nevenprogramma gepresenteerd en wordt de verzamelde kennis op een bescheiden manier ontsloten, onder andere door een deel van de tentoonstellingsteksten te publiceren. Om zoveel mogelijk mensen en potentiële bezoekers te bereiken wordt op de websites van alle deelnemende partners steeds doorverwezen naar deze site. Het programma rond de tentoonstelling moet ervoor zorgen dat er duurzame verbindingen worden gelegd tussen archeologen en agrariërs – maar dat gaat hand in hand met het vertellen van het verhaal over het de geschiedenis van het boerenleven. Zo dient het project een tweeledig doel en draait het niet slechts om het vinden van elkaar maar ook om het gezamenlijk naar buiten treden. Door deelname aan een oogstdankviering,

Wat levert het tot nu toe op? Wat er precies geoogst kan worden is niet eenvoudig te meten. De verschillende tentoonstellingen zijn goed bezocht en er zijn veel toehoorders op de lezingen en andere activiteiten af gekomen. De betrokkenen zijn allemaal zeer enthousiast en de betreffende organisaties willen graag verder met het project. Het is in ieder geval duidelijk dat het samenwerken aan een gemeenschappelijk gedragen doel leidt tot levendige discussies waarin de groepen elkaar steeds beter leren kennen. De gedeelde geschiedenis is meer gaan leven en verleden en heden zijn meer met elkaar in verband gebracht – voor de betrokken partijen maar ook voor het bezoekende publiek. Kennis van elkaar leidt natuurlijk niet meteen tot ’vrienden voor het leven’, maar er is wel meer begrip, wat resulteert in een meer inhoudelijke discussie. In Bladel kwam dat tot uiting bij de herziening van het bestemmingsplan buitengebied. Na discussies over en weer is men tot de slotsom gekomen dat niet alle agrarische bouwblokken vrijgesteld kunnen worden van archeologisch onderzoek. De wijze waarop dat aangepakt zou kunnen worden is in een gezamenlijke brief van agrariërs en archeologen voorgesteld aan de gemeente, die dit advies vervolgens heeft overgenomen. Tegelijkertijd is de belofte gedaan niet opnieuw in discussie te gaan over de reeds bestaande onderzoeksplicht vanaf 50 cm. Tijdens de samenwerking is ook gebleken dat de hedendaagse precisielandbouw mogelijk een kans zou kunnen zijn voor het archeologisch onderzoek. Bij dit type landbouw vindt gedetailleerd bodemonderzoek plaats via magnetometingen, weerstandsmetingen en elektromagnetische technieken, wat mogelijk ook interessante archeologische gegevens op zou kunnen leveren. ZLTO zal de mogelijkheden hiervan in kaart proberen te brengen. De boer op… Inmiddels heeft het Zonder Boer Geen Voer-project een bescheiden geschiedenis opgebouwd. Het project in Bladel heeft veel 21

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 21

13/02/15 17:32


Logo: Echo tekst en presentatie

VITRUVIUS

Foto: Echo tekst en presentatie.

5 -De titel van het project is met opzet ‘prikkelend’ gekozen. Dat lokt bezoekers, omdat zij in eerste instantie wat in hun wiek geschoten zijn. Boeren produceren immers voedsel, geen ‘voer’. Geconfronteerd met de positieve insteek van het project, zijn zij blij verrast.

6 - In de middeleeuwen hebben stadsbewoners slechts plaats voor kleine groentetuintjes. Graan voor brood wordt door boeren van buiten de stad aangeleverd.

enthousiaste reacties mogen ontvangen, waaronder de nominatie voor de Prijs van De Nederlandse Publieksarcheologie 2013, uitgeloofd door de Stichting Archeologie en Publiek. In het Boerenbondsmuseum in Gemert is uiteindelijk besloten het project

wegens succes te verlengen en extra mogelijkheden voor schoolklasbezoek te faciliteren. In totaal hebben meer dan 20.000 mensen de tentoonstelling daar bezocht. In Oss zal in 2015 een tweede versie van de tentoonstelling rond gaan reizen, waarbij

NUMMER

31

APRIL

2015

deze keer ook een nevenprogramma opgezet zal worden in samenwerking met diverse partners uit de agrarische sector en uit de archeologische hoek. Ook in West-Brabant is een werkgroep gevormd en zijn we druk doende financiering te vinden. Zowel binnen de ZLTO als de AWN is de wens uitgesproken deze vorm van samenwerking ook in andere regio’s vorm te gaan geven. Uiteraard zal er steeds gezocht worden naar samenwerking met stadsarcheologen, provincies en heemkundekringen. Op dit moment is het vinden van financiering de belangrijkste uitdaging, maar we hopen dat onze doelstelling zich hoe dan ook verder uit mag zaaien! Noten 1 Dr Y.M.J. Lammers-Keijsers is archeoloog en mede-eigenaar van Echo tekst en presentatie, een bureau dat zich richt op publiekspresentatie in de erfgoedsector, in het bijzonder in de archeologie. 2 De tentoonstelling in Oss is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Oss in samenwerking met gemeente-archeoloog Richard Jansen en het Gemeente Archief Oss, gefinancierd door de Gemeente Oss. Het project in Bladel is geïnitieerd door ZLTO en AWN, ondersteund door regio-archeoloog Ria Berkvens en gemeente-archeoloog Theo de Jong. Het project is financieel mogelijk gemaakt door de gemeente Bladel, ZLTO, het Prins Bernard Cultuurfonds, de Rabobank en het fonds Rural Alliance. Het project in Gemert is een initiatief van AVKP en ZLTO Peelland, in samenwerking met het Peelnetwerk, de Stichting Archeologisch Samenwerkingsverband en het Boerenbondsmuseum. Financiële steun is toegekend door het aanjaagfonds van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, het Boerenbondsmuseum, de Rabobank, Peelnetwerk en SAS. De tentoonstellingen zijn ontworpen en uitgevoerd door Echo tekst en presentatie. n

Voor meer informatie: y.lammers@echo-id.nl of www.zonderboergeenvoer.nl

22

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 22

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER 30

JANUARI 2015

nieuws

UIT HET WERKVELD

De praktijk van transformatie

Van achter naar voren: Paul Meurs, Marinke Steenhuis, Merel Bakker (BGSV), Lara Voerman, Sven Brookhuis (SKEPP), Gerben van Dijk (Vernieuwing Bouw), Wouter Spijkerman (SITE-Development), Saline Verhoeven (S-Coop).

L

ara Voerman en Johanna van Doorn, beiden al vele jaren werkzaam bij SteenhuisMeurs, nodigden een aantal leeftijdgenoten uit hun netwerk uit voor een gesprek over de huidige transformatiepraktijk. Aan tafel zaten historici, ontwerpers en vastgoedentrepreneurs. Onze vragen: hoe ervaar je de veranderende erfgoed- en bouwwereld, zie je cultuurhistorie als een meerwaarde en valt er iets van elkaar te leren? Voor de ontwerpers is erfgoed een mooie aanleiding om bijzondere concepten te ontwikkelen, voor bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk, een oud industrieterrein, of een heel landschap. Waardecreatie gaat in hun ogen gepaard met het benutten van de verhalen van een plek en deze weer zichtbaar te maken, zoals in de praktijkvoorbeelden van Westerdel (een nieuwbouwwijk in Broek op Langedijk door BGSV) en bij de voormalige industriegebieden NSDMwerf en Cruquius in Amsterdam. Het

www.steenhuismeurs.nl

schatgraven naar verhalen resulteert in gelaagde gebieden met een eigen karakter en verrassende ontwerpthema’s die vanuit cultuurhistorisch onderzoek voortvloeiden. De vastgoedentrepreneurs laten zien dat de verhalen ook nodig zijn bij het transformeren van gebieden of gebouwen. Bij leegstand is het benutten en verbinden van bestaande fysieke en menselijke netwerken essentieel voor placemaking. Hierbij valt te denken aan het creëren van collectieve diensten en faciliteiten om gemeenschappen met elkaar te verbinden. Deze aanpak blijkt succesvol te zijn bij de branding van leegstaande kantoorgebouwen (soms aangeduid als junk heritage). Casestudies zoals die van de Atoomclub (door SKEPP) en de herontwikkeling van Plaspoelpolder (door Site-Development) maken duidelijk dat het niet alleen gaat over de gebouwde omgeving en over de financiële haalbaarheid, maar ook over

het sociaal kapitaal. Door organisaties en netwerken bloot te leggen en met elkaar te verbinden ontstaan er ontwikkelingen die bijdragen aan de (re)vitalisering van het gebied en het verbeteren van het investeringsklimaat. Niet de receptioniste, maar de kapper wordt de nieuwe gastheer van het gebouw. Wat kunnen wij als erfgoedprofessional hiervan leren? We merken steeds vaker en duidelijker dat ontwerpers en ontwikkelaars erfgoed nodig hebben om hun projecten te kunnen realiseren. We hoeven dus niet de ‘strijd’ met ze aan te gaan om erfgoed te behouden, maar moeten zoeken naar de juiste taal en dosering om elkaar te vinden. We komen er niet met een cultuurhistorie van feiten, beschrijving en waardenkaarten. Het gaat vooral om de ‘vertaling’- richting waarden, thema’s en ruimtelijke uitgangspunten waar een ontwerper of ontwikkelaar mee verder kan.

STEENHUISMEURS RUBRIEK 23

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 23

13/02/15 17:32


nieuws

VITRUVIUS

UIT HET WERKVELD

NUMMER 31

APRIL 2015

Van vakschool naar zorginstelling

V

ispoortplein 16 te Zutphen Meteen buiten de historische stadskern van Zutphen ligt de in 1921 gebouwde voormalige ‘Vakschool voor meisjes’. Dit H-vormige complex werd gebouwd op een voor de gelegenheid gedempt gedeelte van de Vispoortgracht. Deze gracht omringde het lunet waar in 1889 het door architect Metzelaers ontworpen gerechtsgebouw staat. De school heeft een prominente ligging en bepaalt het aanzicht van de zuidelijke entree van de oude stad. Het historische complex heeft geen status als Rijks- of gemeentemonument. Het is echter wel aangewezen als beeldbepalend pand en ligt binnen het ‘Beschermd gezicht Zutphen’. De school is al lange tijd uit het gebouw vertrokken en de laatste jaren deed het dienst als culturele broedplaats. Het is recent gekocht door een investeringscombinatie waarbij Kruyssen Projectmanagement en Procesmanagement BV optreedt als gedelegeerd opdrachtgever en daarmee verantwoordelijk is voor het gehele project. De intentie is om op deze locatie een zogenaamd tweede fase levensloopbestendig wooninstelling te realiseren. Voor de nieuwe eigenaar was het van belang om zo vroeg mogelijk in het proces zicht te krijgen in de mogelijkheden die het object bood. Om die reden is al vóór de aankoop van de school advies ingewonnen bij zowel Friso Woudstra Architecten, als Res nova Monumenten en Bangert en Van Hagen. Res nova Monumenten heeft een bouw- en architectuurhistorische verkenning met waardering en aanbevelingen opgesteld. Bangert en Van Hagen heeft getekend voor de ruimtelijke analyse, inclusief onderzoek naar en waardering van de aanwezige flora. Friso Woudstra Architecten heeft,

FRISO WOUDSTRA RUBRIEK

De zuidwestelijke hoek van de vakschool mede op basis van de uit deze onderzoeken aan het licht gekomen resultaten een reeks praatschetsen opgesteld. Typologie van de school In 1921 wordt meteen ten westen van het gerechtsgebouw, een vakschool voor meisjes opgericht. De school heeft een H-vormige plattegrond en is symmetrisch van opzet. De typologie van de H-vormige school is terug te voeren tot de Verenigde Staten, waar deze kenmerkend is voor een groot aantal (school) gebouwen uit de beginjaren van de twintigste eeuw. Door de specifieke H-vorm ontstaat aan de voorzijde een open plek (een verzamelplaats), die door de uitkragende aanbouwen een gevoel van geborgenheid opwekt. Verschijningsvorm pand Het hoofdvolume bestaat uit een tweelaags pand, gebouwd op een hoog basement en aan de bovenzijde afgesloten door een hoge, blinde attiek. Aan weerszijde kraagt het volume aan de voor- en achterzijde ongeveer anderhalve meter uit. Aan de voorzijde bevinden zich eenlaagse volumes geplaatst op een hoog souterrain, voorzien van een platdak met forse overstek. Het interieur van het hoofdvolume bestaat uit een volumebrede gang met aan weerszijde lokalen. De aangrenzende aanbouwen aan de voorzijde hebben

De noordelijke zijgevel, gelegen aan de Martinetsingel. een afwijkend vloerniveau en zijn middels trappen bereikbaar. De structuur van zowel de lokalen als de logistieke ruimten is in de loop der jaren meerdere malen gewijzigd. Verder zijn elementen als de vloeren, deuren, trappen et cetera niet meer authentiek. Tegen de zuidelijke kopgevel is in de jaren zestig (1966) een grote uitbreiding gerealiseerd, bestaande uit meerdere eenvoudig vormgegeven volumes die middels een ietwat terugliggend, grotendeels glazen koppelstuk met het oude gebouw verbonden worden. Ruimtelijke inbedding De huidige ruimtelijke inbedding is helaas niet meer representatief voor de oorspronkelijke opzet. Op oude foto’s zien we dat in het ontwerp, bij de positionering van het gebouw en het voorliggende plein, de entree tot de stad (via de voormalige Vispoort) leidend is geweest. De basis van de stedenbouwkundige invulling van het plein was een open ruimte met een rechte as die leidde tot de toegang tot het ’s Gravenhof. Dit ruime plein vóór de stadsentree werd aan de ene kant geflankeerd door het water (de haven), aan de andere zijde door de parallel aan het plein gelegen Vakschool van Leliman en aan de zuidzijde werd het afgesloten door een paar herenhuizen uit 1903. De Vakschool voor meisjes lag niet direct

info@frisowoudstra.nl Telefoon 0575-519 455 www. frisowoudstra.nl

24

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 24

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER 31

APRIL 2015

aan het plein maar op enige afstand. Tussen het plein en de school was een ruim ‘plantsoen/tuin’ aangelegd op basis van een geometrisch ontwerp. Via een dubbele entree aan het plein, dat als een halfrond pad werd aangelegd en in het midden toegang gaf tot een centraal pad, kon men de hoofdingang van de school bereiken. De symmetrische en klassiek geometrische opzet van het plantsoen vóór de school geven zowel de locatie van de school zelf als het plein een parkachtige en groene uitstraling. De huidige tuin heeft duidelijke veranderingen ondergaan gedurende de laatste 50 jaar. De meest in het oog springende aanpassing werd ingegeven door een drastische wijziging van de infrastructuur in de jaren tachtig. Hierdoor is de parkachtige omgeving aan de voorzijde doorsneden. Het nieuw aangeplante parkachtige deel aan de haven staat visueel los van het resterende groen bij de voormalige school en de opzet van een open plein met aan de ene zijde water en aan de andere zijde groen is daarmee verloren gegaan. Ook daarna zijn wijzigingen aangebracht gezien de leeftijdsopbouw van het groen. Van een herkenbare, bij het pand ontworpen groenstructuur is derhalve geen sprake meer. Op dit punt vormen de twee zuileiken aan de westzijde en een paardenkastanje aan de noordzijde een uitzondering.

De vakschool op een foto uit de periode 1930-1950.

info@resnovamonumenten.nl Telefoon 06 - 11454247 www.resnovamonumenten.nl

nieuws De twee zuileiken zijn het meest vitaal en markant. Ze verwijzen met hun positionering en uitstraling naar de eerdere verbondenheid met het groen aan de overzijde. De drie bomen zijn door de gemeente Zutphen op de lijst van bijzondere bomen gezet en kennen daardoor een beschermde status. Nieuwe stap in de geschiedenis van de voormalige meisjesschool en haar ambiance In de leegstaande voormalige meisjesschool en het aangetaste terrein er om heen ligt een enorme potentie verborgen. Een nieuwe bestemming van het complex is een fantastische mogelijkheid het gezicht van deze belangrijke entree tot de binnenstad weer te herstellen. Een goed plan waarbij aandacht is voor het gebouw zelf en de omliggende tuin kan de allure en de vanzelfsprekende ruimtelijke functie van het Vispoortplein als opmaat van de stad weer terugbrengen. De nieuwe eigenaar van de voormalige meisjesschool is niet alleen bereid om bij het herbestemming hiermee rekening te houden maar ook actief deze potentie te benutten. Hij wenst op deze unieke locatie een zogenaamd tweede fase levensloopbestendige zorginstelling te realiseren waarbij het gebouw weer onderdeel wordt van het plein en deze ook weer een gezicht geeft.

UIT HET WERKVELD

Bij zijn plannen wordt aansluiting gezocht aan een tendens waarbij men op de oude dag in het midden van het ‘leven’ staat dat een stad als Zutphen te bieden heeft. Ook in de toekomst zal sprake zijn van drie bouwmassa’s. Eén gebouw zal zijn bestemd voor onzelfstandig zorgwonen en één volume is gericht op het onzelfstandig wonen in de zwaardere zorgcategorie (in totaal 36 eenheden voor onzelfstandig wonen). Het laatste gebouw (het H-vormige gebouw van Leliman) wordt ingericht als 12 a 16 zelfstandige wooneenheden, waarbij de bewoners ook gebruik kunnen maken van alle aanwezige faciliteiten. Vervolg De resultaten van de door Res nova Monumenten en Bangert en Van Hagen gerealiseerde onderzoeken, vormen het historisch kader op basis waarvan Friso Woudstra Architecten, naast het eisen- en wensenpakket van opdrachtgever en gemeente zijn plannen gaat opstellen. Het eindresultaat zult u in een toekomstige editie van dit vakblad zien verschijnen. Hierin zal aandacht worden aan de nieuwe situatie en hoe deze zich verhoudt tot het huidige en verbindt met het historische beeld.

Een vogelvluchtfoto van de school en het bijbehorende plantsoen, genomen in de jaren twintig.

RES NOVA MONUMENTEN Res nova Monumenten

RUBRIEK 25

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 25

13/02/15 17:32


gelezen

VOOR U

VITRUVIUS

NUMMER 31

APRIL 2015

Tegen de stroom in. Binnenvaart en vaarwegen vanaf 1800. AUTEUR

Ruud Filarski UITGAVE

Matrijs (i.s.m. Rijkswaterstaat) RECENSENT

Frits Niemeijer D E TA I L S

Gebonden, 440 pagina’s, geïllustreerd in zwart-wit en kleur, met kaarten, tabellen, registers, ISBN 978-90-5345-477-0 PRIJS

€ 39,95

B

ij uw tijdschriftenhandelaar wel eens een blik geworpen in het weekblad Schuttevaer of bent u wellicht vaste lezer of abonnee? Dan bestaat de kans dat u bij die naam wél een associatie hebt met Bestevaêr (een bijnaam voor 17de-eeuwse admiralen als Maarten Harpertszoon Tromp en Michiel de Ruyter), maar het is niét erg waarschijnlijk dat u dacht aan een 19de-eeuwse, Zwolse schipper en koopman. Maar naar hem – naar Willem Jan Schuttevaêr (1798-1881) - is de mede door zijn toedoen opgerichte schippersvereniging genoemd die sinds jaar en dag dit blad verspreidt. Wat was de aanleiding? Een particuliere onderneming wilde kort voor 1850 de toegang tot het Zwolse Diep (= het Zwarte Water) beter bevaarbaar maken voor zeeschepen. Het was de tijd waarin de toenmalige Zuiderzee nog door zeeschepen werd bevaren en enige IJsselsteden en ook Zwolle nog (kleine) zeehavens waren. De verbetering van de toegankelijkheid kwam tot stand door de aanleg van een tweetal parallelle hoofden in de Zuiderzee, die de stroming van het Zwarte Water zo ver buiten de kustlijn moesten brengen dat de riviermonding zichzelf op voldoende diepte zou houden. Om de onderneming rendabel te maken dienden alle passerende schepen op basis van hun tonnage tol te betalen. En daar zat de makke: binnenvaartschepen hadden nooit problemen gekend bij de in- en uitvaart van het Zwolse Diep en hun schippers weigerden daarom op te draaien voor kosten die gemaakt waren voor zeeschepen. Vanaf het begin was er gemor, maar pas nadat Schuttevaêr de zijde van de protesterende schippers had gekozen, kwam er beweging in de zaak. En in 1862 werd het pleit in Den Haag in hun voordeel beslecht: alle vaartuigen met minder diepgang dan 1,30 m mochten voortaan passeren zonder tol te betalen. De onderneming liep daarna zelf aan de grond, waarna het geheel in 1875 door het Rijk is overgenomen. Saillant detail: Zwolle hoopte de invoer van Engelse steenkool voor de eigen industrie én voor een deel van die voor de Twentse

textielsteden binnen te halen. De Overijsselse Kanalen kwamen eveneens rond 1850 in bedrijf en de relatie tussen de plannen was van meet af duidelijk. De aanvoer van steenkool ging echter al snel vanuit Duitsland (Ibbenbüren) plaatsvinden. Daar werd in diezelfde tijd voor het eerst steenkool gewonnen, die per spoor aangevoerd kon worden. Daarmee was de gedroomde rol als steenkoolhaven voor Zwolle van de baan. Maar er bleef een bijzonder relict van die tijd tot op de dag van vandaag zichtbaar: midden in de in 1942 droog gevallen Noordoostpolder, ten oosten van het dorp Kraggenburg en zuidelijk van Vollenhove liggen nog steeds gedeelten van de beide hoofden, een vluchthaventje, alsmede een wachterswoning met lichtlantaarn (Rijksmonument). Filarski noemt dit fysieke cultuurhistorische overblijfsel van zijn onderzoek niet, zoals hij wel vaker bestaande sporen van de geschiedenis die hij beschrijft, niet lijkt te kennen. Dat kan het gevolg zijn van het feit dat hij nauwelijks of geen historisch kaartmateriaal in deze bundel heeft laten opnemen – en dat hij het zelf mogelijk ook amper heeft geraadpleegd. En dat moet als een flink gemis worden beschouwd bij een boek dat in de ondertitel de zinsnede ‘vaarwegen vanaf 1800’ voert. En het is ook vreemd, wanneer je bedenkt dat Matrijs de ‘huisuitgever’ is van het Historisch-Geografisch Tijdschrift en van talrijke andere werken op historischruimtelijk gebied. Een belangrijk complex van thema’s die in ‘Tegen de stroom in’ aan de orde komen, ligt in de sociaaleconomische hoek. Zo wordt regelmatig ingegaan op leef- en woontoestanden aan boord van de vaartuigen en vooral op het gebrek aan comfort. Dit hing enerzijds samen met het steeds vaker aan boord van de schepen wonen van complete gezinnen – soms bestaande uit een sliert kinderen die nog groter was dan in een gemiddeld stadshuishouden. Vooral om de kosten te drukken, werd in de loop van de 19de eeuw een woonhuis op het land nogal eens verlaten en trok men zich terug in het (zeil)schip. Met alle gevolgen van dien: kinderen hoorden nergens meer thuis en gingen niet of nauwelijks naar school. Wat er op zijn beurt toe leidde dat vele schippers daarna konden lezen noch schrijven en in sterk isolement terecht kwamen. Tot overmaat van ramp waren schipperskinderen uitgezonderd in de leerplichtwet van 1900, zodat talrijke beoefenaren van het beroep van schipper tot ver in de 20ste eeuw slechts ‘konden tekenen bij en met een kruisje’, wanneer het om contracten ging. Pas veel later – eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog – begon het beter te gaan met de binnenschipperij. Veel houten vaartuigen waren intussen vervangen door ijzeren motorschepen. Maar er schuilde wel een addertje onder het gras. Intussen waren niet alleen de spoorwegen een geduchte concurrent, maar ook en vooral de vracht-

26

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 26

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER 31

APRIL 2015

auto. Het personenverkeer was in de loop van de 19de eeuw van het meestal redelijk comfortabele, maar wel trage binnenschip (lang niet altijd de trekschuit ‘type Hildebrand’) overgegaan naar de trein - en vanaf ongeveer 1880 - naar de nog fijnmaziger ‘genetwerkte’ tram. Na de Eerste Wereldoorlog kwam echter ook voor het grootschalig goederenvervoer een andere verkeersmodaliteit beschikbaar. Het transport per as van deur tot deur was weliswaar aanzienlijk duurder, maar vaak ook een stuk gemakkelijker, dan dat over water of per spoor. Bij trein en schip moest in veel gevallen bovendien een of meer keren worden overgeladen en voor relatief waardevolle lading ging men dan ook al gauw over op de vrachtwagen. Het gevolg was dat vervoer over water een bulkkarakter kreeg, met navenant groeiende vaartuigen. Via de opkomst van het containervervoer over zee kon en moest deze trend worden voortgezet in de binnenvaart en ‘varende muren’ van 100 en meer meter lengte zijn de gewoonste zaak van de wereld geworden. En dan hebben we nog niet eens over de duwvaart. Wat heeft een en ander te maken met cultuurhistorie en waarden? En vooral: wat heeft deze uitgave daarmee te maken? Welnu, laat uw recensent eerlijk zijn: minder dan hij had gehoopt. Er zit zonder enige twijfel een flinke dosis immaterieel erfgoed in - vooral in de vorm van ‘geschiedenis’. Zo is er op ruime schaal materiaal – al dan niet digitaal – opgediept uit kranten en periodieken, waarmee soms fraaie beelden zijn geschetst. Ook is op tamelijk consequente wijze de binnenvaart van twee eeuwen Nederland doorgelicht, becommentarieerd en voor een niet onaanzienlijk deel ook van leesbare en overzichtelijke tabellen en kaarten voorzien. Een en ander fraai verbeeld door middel van een keur aan goed gereproduceerde afbeeldingen. Dus wat dat betreft, niets dan lof. Maar het ontbreken van historisch kaartmateriaal, plattegronden en af en toe eens een uitgewerkt kanaalplan of een ontwerp van zo’n binnenvaartuig, had niet misstaan. Een ander punt is het bronnenonderzoek – of beter de verantwoording. De auteur lijkt een slachtoffer te zijn geworden van datgene waar historici al zo lang voor waarschuwen. Overheden en overheidsorganen maken er al tientallen jaren een sport van hun archieven en bibliotheken te vernietigen, met als doel kosten te beperken. En Rijkswaterstaat heeft vervolgens een oud-werknemer gevraagd “een boek over de ontwikkeling van de binnenvaart te schrijven.” Hoe ver RWS is gekomen met het in de container doen belanden van de eigen historie, kan ik van huis uit niet met 100 % zekerheid inschatten, maar digitaal zoeken levert in elk geval niets op, behalve een fotocollectie. Zeker is wel dat de bibliotheek van het vroegere VROM (de voorloper van Infrastructuur en Milieu) werd gereduceerd tot een koffiecorner zonder

VOOR U

gelezen

boeken. Ik heb destijds zelf bij een vriend een verzoek gedaan enkele atlassen die zouden worden opgeruimd voor me mee te nemen, maar ik bleek de buit gemaakte exemplaren reeds te bezitten. Ook bij de provincie Zuid-Holland gingen eerder containers vol historisch materiaal verloren, waaronder de uit ± 1760 daterende bouwtekeningen van de molens van Kinderdijk - nu Werelderfgoed. De managers zaten al in de jaren ’90 aan het roer: om hun eigen toekomst veilig te stellen, moesten ze onder meer het verleden opruimen. Het is in dit licht niet vreemd dat de gepensioneerde Filarski – die vast beter weet – de lezer wijs maakt dat er geen bruikbaar, ouder statistisch materiaal over binnenscheepvaart in Nederland bestaat dan uit 1878. Inderdaad - de kans bestaat dat de Verslagen van de Landbouw (vanaf – uit mijn hoofd - 1809), de jaarlijkse verslagen van provincies en gemeenten (soms wel een kleine decimeter dik) , de Verslagen aan den Koning (in) over de Openbare Werken (vanaf ± 1850) en de Overzichten de Scheepvaartwegen (mijn exemplaar is een vierde druk, van 1904) – geen plaats meer hebben in ons fysieke geheugen en daardoor als ‘niet bestaand’ worden beschouwd. Klopt dit – dan heeft Rijkswaterstaat de schepen achter zich verbrand en is onze historie in het recente verleden korter geworden, in plaats van langer. Vele honderden kopieën van zulk vernietigd materiaal zijn bij mij thuis nog in te zien; misschien niet zo nauwkeurig en systematisch als het latere, maar heel goed bruikbaar. Filarski treft onder de gegeven omstandigheden nauwelijks blaam voor het schijnbare feit dat hij het historisch wiel opnieuw heeft moeten uitvinden. Maar een enkele kritische opmerking richting zijn vroegere werkgever was mijns inziens wel op zijn plaats geweest. In het op deze wijze aan het papier toevertrouwen van die geschiedenis is hij prima geslaagd, want de (wel bestaande) literatuur – inclusief zijn eigen dissertatie en het tweedelige ‘Van Transport naar Mobiliteit’ (i.s.m. G. Mom) – heeft hij prima benut in deze goed geschreven, nieuwe uitgave. Eén echt puntje van kritiek betreft nog de constatering dat sommige onderwerpen op meerdere plaatsen aan bod komen, maar dat er geen zakenregister is opgenomen dat verbinding tussen die plaatsen legt. Met deze uitgave is er dus een nieuwe Bestevaêr: Filarski, die hopelijk een koers heeft uitgezet naar meer historische boeken over (binnen)scheepvaart en vooral ook naar zuinigheid op onze bronnen. n

27

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 27

13/02/15 17:32


VOOR U

gelezen

VITRUVIUS

NUMMER 31

APRIL 2015

European wood-pastures in transition. A social-ecological approach. AUTEURS

Tibor Hartel en Tobias Plieninger (red.) UITGAVE

Routledge (Earthscan series), London/New York RECENSENT

Edwin Raap D E TA I L S

Gebonden, 322 pagina’s, ISBN: 9780415869898 PRIJS

€ 116,-

I

n In deze rubriek worden in de regel geen Engelstalige boeken besproken. We maken hierop dit keer een uitzondering met dit boek over wood-pastures, ook wel als ‘silvo-pastorale’ landschappen aangeduid, maar die term verheldert een en ander niet. ‘Bosweides’ komt het dichtste bij: grasland overheerst, terwijl bomen of boomgroepen prominent aanwezig zijn. Het zijn dus geen bossen met open plekken. Dergelijke vormen van landgebruik waren in Europa tot ver na de Middeleeuwen heel gebruikelijk, ook in ons land. Denk in dit verband aan de heide in ons zandlandschap waarop boomgroepen voorkwamen en (half gecultiveerde) boomgaarden waaronder vee graasde. Wood-pastures, staan onder druk, terwijl ze van grote culturele en ecologische waarde zijn, zo leert ons dit boek. Na de komst van de kunstmest, de industrialisatie, het opheffen van collectieve weidegronden –allemaal ontwikkelingen die door heel Europa speelden- werden ze op grote schaal omgezet tot weiland/ bouwland ofwel herstelde het bos zich. De precaire tussenvorm kromp n tot het punt dat het vrijwel verdwenen is. In ons land, waar de druk op de ruimte enorm is, zullen we wood-pastures met een vergrootglas moeten zoeken. Dat is ook de reden dat Nederland in het boek nauwelijks aan de orde komt. Bij het onderdeel knotbomen gaat het even over ons land en een kort rondje langs de Europese velden doet ook de Lage Landen aan, maar dat is het wel. Hoog tijd dus om een overzichtswerk zo vonden de redacteuren Hartel en Plieninger, beiden Associate Professor aan respectievelijk de Sapienta universiteit van Transsylvanië (Roemenië) en die van Kopenhagen. Een groot aantal Europese auteurs van statuur leverden een bijdrage te. De pittige prijs van meer dan €100 is hiermee verklaard: dit soort wetenschappelijke boekwerken kost een klein fortuin, vanwege het selecte

publiek dat het wil lezen in relatie tot de productietijd (jaren!) Het boek is opgebouwd rondom verschillende thema’s en begint met een inleiding op het onderwerp: wat zijn wood-pastures, wat zijn de bedreigingen. Vervolgens komt in een kort overzicht de geschiedenis en de veelzijdigheid van het onderwerp aan bod, waarna de cases ter sprake komen. Die komen uit heel Europa. Het voert te ver ze hier stuk voor stuk te beschrijven. In het afsluitende deel komt alles weer samen en word duidelijk dat wood-pastures zowel voor mens als plant en dier van grote waarde zijn. Juist omdat het een uitstekend voorbeeld is van gecombineerd landgebruik, kunnen we er ook naar de toekomst toe veel van leren. Zoals Hartel en Plieninger het zelf schrijven “The general goal of this book is to synthesise trajectories, values and management options of European wood-pastures in a social-ecological framework (…) We aim to gather a knowledge base to develop new management strategies and thereby reverse the currently negative trajectories of many of Europe’s wod-pastures. Ultimately, our objective is to contribute to creating new meaningful llinks between wood-pastures and society”. En daarmee is ook meteen het belang van dit boek duidelijk. Erfgoedspecialisten hebben met dit boek een belangrijk naslagwerk en goede analyse van het fenomeen wood-pastures in handen. Het geeft overtuigend weer dat wood-pastures in al zijn verschijningsvormen Europees cultureel erfgoed is, getuige de vele voorbeelden, Maar het boek biedt ook handreikingen naar de toekomst: wood-pastures staan onder druk, maar met een beetje goede wil zijn ze prima te redden. In het al jaren durende debat over nieuwe natuur, een op kwaliteit gebaseerde Europese landbouw met aandacht voor ecologie, zouden wood-pastures wel eens een zeer nuttige bijdrage te kunnen leveren. In plaats van ‘rewilding’ (natuurontwikkeling), is bescherming of herstel van oude wood-pastures misschien wel een betere oplossing. Immers, veel van de Europese natuurwaarden zijn terug te voeren op menselijke activiteiten. Waarom alles teruggeven aan de natuur en er niets maar aan doen? Dat zou een breuk met de traditie zijn. Wood-pastures bieden voor zowel mens als dier mogelijkheden, die naar de overtuiging van de auteurs op brede maatschappelijke steun kunnen rekenen: via ons eigen erfgoed helpen we de natuur ook nog eens handje. Ik sluit me daar van harte bij aan. Jammer van die prijs, want dit soort boeken verdient het een groter publiek te bereiken. n

28

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 28

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER 31

recent

APRIL 2015

Amsterdamse boeren. AUTEUR

Chris de Bont UITGAVE

Verloren D E TA I L S

Gebonden, 303 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur (met kaarten) ISBN 978-90-8704-458-9 PRIJS

€ 35,-

Kinderprenten, volksprenten, centsprenten, schoolprenten. Populaire grafiek in de Nederlanden 1650-1950. AUTEUR

Nico Boerma, Aernout Borms, Alfons Thijs, Jo Thijssen UITGAVE

Vantilt D E TA I L S

Gebonden, 1.004 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur ISBN 978-94-6004-184-6 PRIJS

€ 89,95

E

euwenlang waren kinder- en volksprenten met voorstellingen van Luilekkerland, Tijl Uilenspiegel, abc’s en Sint-Nicolaas niet weg te denken uit de Nederlandse samenleving. Kinderen kregen de prenten als beloning voor goede schoolprestaties. Voor volwassenen waren er katholieke heiligenprenten, levenstrappen en allerlei spot-

Amsterdam in vogelvlucht. AUTEURS

Laura van Hasselt en Yvonne Bleyerveld (red.) UITGAVE

Waanders D E TA I L S

Paperback, 88 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-94-6262-038-4 PRIJS

€ 19,95

VERSCHENEN

D

it boek vertelt de fascinerende middeleeuwse ontginnings- en bewoningsgeschiedenis van een groot gebied rondom Amsterdam, tussen de duinen en het Gooi. Bij de aanvang van de ontginningen kort voor 1000 n.C. was dit een zacht glooiend veenmoeras. In enkele eeuwen vormden de nieuwe bewoners het om tot een landbouwgebied. Chris de Bont ontrafelt de geschiedenis van dit landschap en beantwoordt vragen als: hoe liepen de natuurlijke veenriviertjes, waar lagen de waterscheidingen in het veen en hoe gebruikten de boeren die bij het bewoonbaar maken van het land? Was het IJ open water of dichtgegroeid? Waarom is een deel van de Amstel kronkelig en een deel kaarsrecht en wat zegt dit over de ontginningen in pre-stedelijk Amsterdam? n

prenten. De prenten werden met simpele middelen gedrukt en eventueel handmatig ingekleurd. Ze waren goedkoop en meestal geen lang leven beschoren. Daardoor zijn ze nu zeer zeldzaam. Aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw werden ze geleidelijk verdrongen door prentenboeken en strips. Kinderprenten, volksprenten, centspren¬ten, schoolprenten is een groots opgezet en omvangrijk naslagwerk waarin alle aspecten van deze prenten aan bod komen: van uitgevers en drukkers, productietechnieken en prijzen tot thematiek, censuur, verspreiding en gebruik. Vorstenportretten, de verkeerde wereld, volksfeesten, kermis en vermaak: het is maar een kleine greep uit de onderwerpen die aan bod komen. In het boek zijn bijna 500, dikwijls niet eerder vertoonde afbeeldingen van prenten opgenomen. Dit uitputtende overzichts- en naslagwerk is een must have voor elke boeken- en prentenliefhebber. Door de opzet, vormgeving en talloze illustraties vormt het een ideale kennismaking met een bijzonder hoofdstuk uit de Nederlandse volkscultuur. n

H

et beroemde schilderij De Vogelvlucht van Cornelis Anthonisz is niet alleen maar een plattegrond, maar bovenal is het de oudste kaart van Amsterdam. Het schilderij uit 1538 geeft een uniek beeld van Amsterdam in de eerste helft van de zestiende eeuw. Een stad die nog met één voet in de middeleeuwen staat en met de ander op de drempel van de Gouden Eeuw. Met De Vogelvlucht als uitgangspunt nemen de auteurs u in dit boek mee naar de zestiende eeuw, naar een klein katholiek stadje aan de Amstel, waar van alles broeit. n

29

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 29

13/02/15 17:32


recent

VITRUVIUS

VERSCHENEN

Erfgoed, onderwijs en historisch besef. AUTEURS

Maria Grever en Carla van Boxtel UITGAVE

Verloren D E TA I L S

Paperback, 151 pagina’s, geïllustreerd (deels kleur) ISBN 978-90-8704-462-6 PRIJS

€ 19,-

’A

pp het verleden naar het heden! Kom en beleef hoe het vroeger was!’, dat zijn de huidige slogans van erfgoedinstellingen. Ze gebruiken erfgoed om het verleden voor bezoe-

Rekenen op herbestemming. Idee, aanpak en cijfers van 25+1 gerealiseerde projecten. AUTEURS UITGAVE

Nai010 Publishers D E TA I L S

APRIL 2015

kers tastbaar en inzichtelijk te maken, zoals monumenten, authentieke voorwerpen, reconstructies van gebeurtenissen, verhalen, apps en interactieve websites. Het beleven staat daarbij voorop. Maar is er ook ruimte voor een dynamische benadering van erfgoed en voor kritische reflectie? Wat zijn de effecten van de nadruk op entertainment voor het leren over het verleden? Deze vragen staan centraal in Verlangen naar tastbaar verleden, een boek over erfgoedonderwijs en de ontwikkeling van historisch besef. Naast een theoretische uiteenzetting over multiperspectiviteit, historische afstand en historisch redeneren analyseren de auteurs enkele onderwijsprojecten over het Nederlandse slavernijverleden en de Tweede Wereldoorlog / Holocaust. Ze laten zien dat erfgoedonderwijs een rijke bron kan zijn om historisch besef te bevorderen als scholen en erfgoedinstellingen nauw met elkaar samenwerken. n

nieuwe verdienmodellen, slimme financiering of ontwikkelend beheer, anderen in het organisch ontwikkelen of een bottomup benadering.

Sander Gelinck en Frank Strolenberg

NUMMER 31

Paperback, 296 pagina’s, geïllustreerd (250 kleur en zw/w) ISBN 978-94-6208-154-3 PRIJS

€ 34,50

H

erbestemming wordt steeds meer de regel en is steeds minder uitzondering. Maar hoe pak je herbestemming van oude panden aan ten tijde van crisis? Sommigen zoeken het in

Sybold van Ravesteyn. Architect. AUTEUR

Kees Rouw UITGAVE

Nai010 Publishers D E TA I L S

Gebonden, 320 pagina’s, geïllustreerd ISBN 978-94-6208-118-5

In 25+1 actuele herbestemmingsprojecten wordt voorbij gegaan aan de modewoorden. De initiatiefnemers komen aan het woord en geven een uitnodigende kijk in de ontwikkelkeuken en zijn – en dat is uniek – bereid de cijfers met de lezers te delen. Deze projecten bieden een blik op wat de nieuwe toekomst van het vastgoed lijkt te gaan worden: herbestemming en gebiedstransformatie als reguliere projectontwikkeling naast de noodzakelijke nieuwbouw. De helden van dit verhaal zijn de initiatiefnemers die het aangedurfd hebben om hun boeken te openen. Zij stellen zich kwetsbaar op om een inspiratiebron voor anderen te kunnen zijn. Hulde aan hen! n

steyn zich als inventief ontwerper in de Nieuw Zakelijke stijl. Uit verlangen naar grandeur en frivoliteit verandert hij vanaf 1935 in een pleitbezorger van een hoogstpersoonlijke nieuwe stijl, de Nederlandse neobarok, met ornament, toegepaste kunst en frivole meubelen. Na 1942 vervolgt hij zijn carrière in twee stijlen: één die aansluit bij het traditionalisme, gepredikt door de Delftse School, en de andere volgens het internationaal georiënteerde functionalisme.
 


PRIJS

€ 39,50

H

et fantasierijke oeuvre van architect Sybold van Ravesteyn (1889-1983) is atypisch voor de twintigste-eeuwse architectuur in Nederland in stijl en grilligheid. Na een korte flirt met de Amsterdamse School ontplooit Van Rave-

De rijk geïllustreerde publicatie ‘Sybold van Ravesteyn. Architect’, over de onorthodoxe heer en ‘kameleon uit overtuiging’ Sybold van Ravesteyn, werkzaam voor zowel de spoorwegen als particuliere opdrachtgevers, is een pakkende biografie van een unieke architect, ontwerper van meubelen, typograaf en publicist. Het boek bevat tevens een compleet overzicht van zijn werk. n

30

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 30

13/02/15 17:32


VITRUVIUS

NUMMER 31

… Dat men het goed van den ongeboornen niet mag verkoopen De Meierij

ossen, weilanden en maïsvelden zijn momenteel de meest opvallende elementen in het landschap van het midden en oosten van Noord-Brabant (De Meierij, Maasland, Oisterwijk, Peelland, Kempenland en Stad en vrijdom van ’s-Hertogenbosch). Hoe was dat 200 jaar

Maasland

… Dat men het goed van den ongeboornen niet mag verkoopen

geleden … en 1000 jaar geleden? Hoe is de mens de afgelopen 1000 jaar met zijn directe leefomgeving omgegaan? Hoe heeft hij dat gedaan, en wat was het effect van zijn optreden? Wat waren de spelregels en hoe was het georganiseerd? Dit boek gaat over landschap en landbouw, rechten op woeste gronden en de betrokken organisaties, vanaf circa 1000 tot aan onze eeuw.

recent

APRIL 2015

Oisterwijk Peelland

… Dat men het goed van den ongeboornen niet mag verkoopen

Kempenland Stad en vrijdom van ’s-Hertogenbosch

Gemene gronden in de Meierij van Den Bosch tussen hertog en hertgang 1000 - 2000

VERSCHENEN

...Dat

men het goed van den ongeboornen niet mag verkoopen. Gemene gronden in de Meierij van Den Bosch tussen hertog en hertgang 1000-2000 AUTEUR

Hein Vera UITGAVE

Door Hein Vera

Stichting de Brabantse Boerderij i.s.m. Pictures Publishers D E TA I L S

Genaaid gebonden, 336 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-90-7318-785-6 PRIJS

P

€ 25,-

Pictures Publishers

00 Omslag optie 2.indd 1

07-11-14 18:20

I

n 2011 promoveerde Hein Vera met zijn proefschrift,” … Dat men het goed van den ongeboornen niet mag verkoopen” aan de radbouduniversiteit tot doctor. Het proefschrift gaat over de rechtsgeschiedenis, landbouwgeschiedenis en landschapsgeschiedenis in het midden en oosten van Noord-Brabant, namelijk de historische Meierij van Den Bosch (de kwartieren Maasland, Oisterwijk, Peelland, Kempenland en stad en vrijdom van ’s-Hertogenbosch) van circa 1000 tot aan onze eeuw. 1000 jaar geleden zag het midden en oosten van NoordBrabant er anders uit dan nu, maar hoe heeft het er toen uitgezien? Het blijkt dat er toen ook bossen aanwezig zijn geweest. De meesten hiervan zijn in de loop van de eeuwen verdwenen. Zo had men hout nodig voor woningbouw, het huishouden en voor de opkomende industrie. Hoe is de mens hier met zijn directe leefomgeving omgegaan? Welke beweegredenen en belangen had men, wat waren de spelregels, hoe was het georganiseerd. Welke conflicten speelden een rol. Naast deze ontwikkelingen in het landschap is er ook sprake van ontwikkelingen in de landbouw en in de rechtspositie van de boeren. Horige boeren waren weliswaar geen slaven, maar ze mochten hun boerderij niet verlaten en naar de stad verhuizen.

Hollanders van de Gouden Eeuw. AUTEURS

Norbert Middelkoop, M. Hell, E. Los UITGAVE

WBooks (i.s.m. Hermitage Amsterdam) D E TA I L S

Paperback, 128 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur ISBN 978-90-786-5352-3 PRIJS

€ 19,95

I

n de Nederlandse musea bevinden zich talloze schuttersstukken, regentenstukken en anatomische lessen, die behoren tot de hoogtepunten van de nationale kunst-

In de loop van de 13de eeuw veranderde dat allemaal. Onder invloed van lokale regionale ontwikkelingen: denk dan aan macht, recht, landschap en landbouw werd dat helemaal anders. Boeren konden de bedrijven die ze hadden in huur krijgen tegen een jaarlijkse pacht, of in eigendom tegen een cijns, een vast bedrag per jaar, een soort erfpacht.Het landschap waarin de boeren in een zekere harmonie hadden geleefd, veranderde langzaam in een vijandig landschap met een wankel evenwicht tussen mens en natuur.Al in de middeleeuwen bestond in de Meierij een georganiseerde samenleving met kerkelijke en wereldlijke infrastructuren. Later ontstonden er complexe administratieve en juridische organisaties die nogal eens met elkaar in de clinch lagen. De rechten op de gemene gronden waren ook eeuwenlang een bron van ruzie tussen verschillende dorpsgemeenschappen, maar zelfs binnen dorpsgemeenschappen konden ze voor onrust zorgen. Dit boek belicht vanuit verschillende oogpunten een heel belangrijk element in het dorpsleven in de Meierij vanaf de middeleeuwen tot aan het einde van de 19de eeuw met de gevolgen daarvan in de 20ste eeuw. n

geschiedenis. Vanwege hun grote aantal en vaak forse formaat worden deze werken echter maar beperkt tentoongesteld. In Hollanders van de Gouden Eeuw vindt u een veelomvattend overzicht van deze bijzondere schilderijen. Dit boek geeft de kunstwerken op groot formaat weer en voorziet de beelden van verhelderende achtergrondinformatie. Zo leert u de stukken waarderen in de context van de Hollandse stedelijke samenleving van die tijd. Wie waren de burgers op deze portretten, en wat was hun reden om zich op deze manier te laten vereeuwigen door de beste schilders van de stad? Welke rol speelden zij in de toenmalige gemeenschap en wat waren hun onderlinge verhoudingen? Hoe hebben zij bijgedragen aan het succes van de Gouden Eeuw? De antwoorden op deze vragen blijken verrassend actueel. n

31

VITRUVIUS_April2015_v1.indd 31

13/02/15 17:32


Op de foto: “Exact weten we het niet, maar aangenomen wordt dat Slot Doddendael (Ewijk) stamt uit de jaren dertig van de 14e eeuw en haar naam te danken heeft aan de lisdodden die in de omgeving groeiden. De terrassen geven een prachtig zicht op het eeuwenoude Slot, de tuinen, boomgaard en slotgracht. Maar ook binnen waan je je in vroeger tijden. De muren van de vroegere wapenkamer, het Arsenaal, zijn beschilderd met wapens door de in trompe-l’oeil gespecialiseerde schilder Willem Rutgers. De voorwerpen zijn zo levensecht geschilderd, dat gasten ze soms van de muur willen pakken. Het hele huis is gerestaureerd met authentieke materialen. De lemen vloeren hebben we vervangen door oude plavuizen en een ingebouwde vide geeft meer ruimte. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de mensen hier graag vertoeven.” Dhr. H.A.J.M. Braam, eigenaar van Slot Doddendael te Ewijk

D

onatus verzekert vertrouwd

Monumenten worden met veel zorg omgeven door eigenaren en beheerders. Dat is belangrijk en nodig. Net als het kiezen van de juiste verzekering. Al sinds 1852 heeft Donatus ervaring in het verzekeren van monumentale kerken en gebouwen. Als onderlinge maatschappij werken wij zonder winstoogmerk. Wij hebben dan ook geen klanten, maar leden. Maak vrijblijvend kennis met Donatus. Onze expertise zal u verbazen en verrassen, evenals onze jaarlijkse premierestitutie.

sinds 1852

www.donatus.nl tel. 073 - 5221700

Donatus-Vitrivius-adv205x285_mag-FC-F.indd 1 VITRUVIUS_April2015_v1.indd 32

13-03-14 12:32 13/02/15 17:32

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius april 2015  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius april 2015  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur