Page 1

O n a f h a n k e l i j k v a k b l a d v oo r e r f g o e d p r o f e s s i o n a l s Archeologie | Cultuurlandschap | Monumenten | Immaterieel erfgoed | Volkscultuur

Jaargang 7 | Nummer 2 8 | Ju l i 2 0 1 4

Denken aan de doden

Naoorlogse monumenten van herdenking bieden een intrigerend tijdsbeeld 1940-1965

Van koetshuis naar architectenkantoor

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 1

Monumentale Energietransitie

De Romeinse Limes

20-05-14 14:44


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren uvoor promotionele Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele doeleinden. Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 2

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

20-05-14 14:44


Jaargang 7 Nummer 28 Juli 2014

6

5 Kort

Van oorlog tot erfgoed

Nieuwe uitdagingen voor jonge erfgoedprofessionals

13

14 Van koetshuis naar architectenkantoor

16

22 Gelderland helpt erfgoed bezuinigen op energie

Op weg naar Werelderfgoed: de Romeinse Limes 3

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 3

20-05-14 14:44


colofon Onafhankelijk vakblad vOOr erfgOedprOfessiOnals archeOlOgie | cultuurlandschap | MOnuMenten | iMMaterieel erfgOed | vOlkscultuur

ja a r ga n g 7 | n u M M er 2 8 | j u l i 2 0 1 4

Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

denken aan de dOden

Naoorlogse moNumeNteN vaN herdeNkiNg biedeN eeN iNtrigereNd tijdsbeeld 1940-1965

van kOetshuis naar architectenkantOOr

MOnuMentale energietransitie

Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

de rOMeinse liMes

Sub-Sponsor

Een uitgave van

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

Muurhuizen 104 3811 EL Amersfoort Tel. 033-422 77 90 info@shmn.nl www.shmn.nl Joint venture van de Alliantie en Mitros

Mede-ondersteuners

Colofon Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke

Lange Haven 9 3111 CA Schiedam Tel. 010 273 25 11 mail@steenhuismeurs.nl www.steenhuismeurs.nl

redactie en redactieraad Uitgever/bladmanager

Robert Diederiks

Redactie

Ruurloseweg 83 7251 LC Vorden Tel. 0575-519 455 Fax 0575-519 550 www.frisowoudstra.nl

S.A. Muller

Drs. E. Raap

mw. Drs. S.M. van Roode

mw. Drs. F.M.E. Snieder

R.P.H. Diederiks

Redactieraad

mw. Drs. (Margreeth) W. Bangert Res nova Monumenten

Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Paganellus Minor

Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE

Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft

mw. Drs. F.M.E. (Francien) Snieder

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland E 45.- /BelgiĂŤ E 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

Afdeling Archeologie gemeente Amersfoort Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. Š Copyrights Uitgeverij Educom BV Juli 2014 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

4

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 4

20-05-14 14:44


Vitruvius

nummer

28

Juli

kort

2014

Nieuwe ronde voor het Europees Erfgoedlabel

D

it jaar hebben het Vredespaleis in Den Haag en Herinneringskamp Westerbork het Europees Erfgoedlabel ontvangen. Het is een onderscheiding van de Europese Commissie voor plekken die van betekenis zijn voor de Europese geschiedenis. Tot 15 september kunnen er opnieuw voorstellen worden ingediend. Kijk voor alle informatie, voorwaarden en aanvraagformulier op www.dutchculture.nl n

Europees landbouwbeleid biedt kansen voor cultuurlandschap

D

e Dienst Landelijk Gebied heeft op verzoek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onderzocht hoe de zorg voor cultureel erfgoed een groter onderdeel kan zijn binnen de bedrijfsvoering van de agrarische sector. Het onderzoek is uitgevoerd binnen het programma Levend Landschap, onderdeel van de Visie Erfgoed en Ruimte. Kansen voor cultuurlandschap Nederland bestaat voor 65% uit landbouwgrond. De agrarische sector is daarmee een belangrijke factor voor het landschap. Ont-

wikkelingen in de landbouw beïnvloeden ook de aanwezige landschapselementen, archeologische vindplaatsen en historische gebouwen. De agrarische sector wordt gestimuleerd om rekening te houden met deze waarden in hun bedrijfsvoering. Met de invoering van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie ontstaan (mogelijk) nieuwe kansen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via ‘vergroeningseisen’ die aan inkomensondersteuning worden gesteld, of door het zogenaamde ‘plattelandsontwikkelingsprogramma’ (POP3). n

Landschapstriënnale Lingezegen 2014

D

e Landschapstriënnale (25 mei tot en met 21 september) is een driejaarlijks evenement over landschap, parken, kunst en cultuur. De hele zomer zijn er tal van activiteiten voor professionals, ondernemers en het algemene publiek. Na twee eerdere edities (2008 en 2011) in Apeldoorn, vindt de Landschapstriënnale in 2014 plaats in en om het grote nieuwe landschapspark Park Lingezegen tussen Arnhem en Nijmegen.

Het Park is nog in aanleg, maar de contouren zijn al zichtbaar: een vernieuwend groen hart tussen Arnhem en Nijmegen waar het agrarisch cultuurlandschap park is geworden. En dat in een regio die steeds meer verstedelijkt: een voorbeeld voor de rest van Nederland, en de wereld. Park Lingezegen is een prachtige bron voor inspiratie, en daarom gekozen als decor voor de derde Landschapstriënnale.

In de eerste plaats heeft de Landschapstriënnale als doel het landschap te beleven en ervaren als een onmisbaar maar niet vanzelfsprekend onderdeel van ons leven. In de tweede plaats biedt de triënnale een decor om elkaar te ontmoeten en het debat aan te gaan. n

5

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 5

20-05-14 14:44


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

Van oorlog tot erfgoed. Omgaan met tastbare herinneringen van oorlogen in de 20ste eeuw

D

e achterliggende eeuw was de wereld in de ban van drie oorlogen.De Eerste Wereldoorlog ging militair aan het neutrale Nederland voorbij, de Tweede Wereldoorlog raakte ons diep en de Koude Oorlog bleef beperkt tot een permanente dreiging.

Voor het gebouwde erfgoed van de Koude Oorlog is de interesse nog maar heel recent. Sociaal-geograaf Peter Nijhof verhaalt de zoektocht naar het vaak verborgen, ondergrondse en soms nog geheime erfgoed van de civiele en militaire verdediging van de oorlog, die nooit echt is uitgebroken.

Voor alle oorlogen zijn fysieke verdedigingsmaatregelen genomen die tot tastbare sporen hebben geleid. Over het gebouwde erfgoed van WO 1 is nog weinig bekend. Voor het erfgoed van WO 2 is de belangstelling gegroeid,maar pas laat. Lange tijd stond de verwerking van deze traumatische oorlogsperiode het objectief beschouwen van fysieke resten in de weg, met name die van de Duitse bezetter. Veel is tijdens de jaren van Wederopbouw zo snel mogelijk letterlijk van de kaart geveegd. Vaak kunnen naast schriftelijke bronnen en persoonlijke getuigenissen alleen archeologische sporen in de bodem nog houvast bieden.

Voor al dit 20ste - eeuwse erfgoed geldt dat de kennis meer of minder fragmentarisch is en dat behoud en bescherming daardoor vaak toevallig en sterk objectgericht is. De maatschappelijke belangstelling groeit en de inzet van erfgoedorganisaties is groot. Wat ontbreekt is een integrale cultuurhistorische aanpak, gericht op zowel ondergrondse als bovengrondse relicten als onderdeel van de ontwikkeling van militaire landschappen.

Historicus Ben de Vries geeft inzicht in de wijze waarop in de vroeg-naoorlogse jaren door het oprichten van oorlogsmonumenten uiting is gegeven aan de collectieve herdenking van oorlogsslachtoffers.

Hier ligt voor de komende jaren een opgave voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De recente oprichting van het landelijke Platform verdedigingserfgoed van de 20ste eeuw, samen met private en publieke partners, is daarvoor een perspectiefvolle start.

1 - Het Munitiemagazijncomplex (MMC) Nieuw-Ballinge (19 ha) is door het rijk overgedragen aan Natuurmonumenten en bestemd voor een veelzijdige museale functie en is geselecteerd voor bescherming als rijksmonument uit de Wederopbouwperiode 1959-1965. 6

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 6

20-05-14 14:44


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

Als de bom valt… Peter Nijhof Specialist industrieel en jong militair erfgoed

Erfgoed van de Koude Oorlog

2 - Bioscoop en recreatiecomplex op militaire kazerne Oirschot. Elke eerste maandag van de maand, klokke 12.00 uur, gaan er in heel Nederland sirenes af. Om het landelijke alarmsysteem te testen, dat herinnert aan de Koude Oorlog, toen `De Russen’ elk moment ons land konden binnenvallen. De sirenes zullen vast niet lang meer klinken, want het digitale vervangende waarschuwingssysteem NLAlert wordt al uitgetest door het Ministerie van Veiligheid en Justitie1. Met het verstommen van de maandelijkse sirenes zal een immaterieel aandenken aan de Koude Oorlog uit het collectief geheugen worden gewist. Maar er is ook een rijke materiele erfenis is die herinnert aan de oorlog die nooit echt uitbrak. De angst voor een nieuwe Wereldoorlog groeide al in 1945 aan de onderhandelingstafel in Potsdam, nog voor de Tweede Wereldoorlog was afgelopen. De geallieerden stonden al snel tegenover in plaats van naast elkaar bij de verdeling van de Duitse erfenis. Duitsland werd opgedeeld, OostEuropa werd stap voor stap onder Russische invloedssfeer gebracht. Het optrekken van het IJzeren Gordijn tussen Oost en West symboliseerde de verkilde internationale verhoudingen, die pas weer ontdooiden met de Val van de Berlijnse Muur in 1989. Deze Koude Oorlog werd volgens historici pas in 1991 definitief als beëindigd beschouwd.

Bouwen voor Als de Russen komen… Al met al heeft deze onverklaarde oorlog de wereld bijna een halve eeuw in haar greep gehouden. Beide machtsblokken moesten in Europa tegelijkertijd investeren in de wederopbouw van de oorlogsschade én in de militaire verdediging. Toen al snel de dreiging van de atoombom de conventionele luchtoorlog overschaduwde, moest ook de eigen bevolking in het kader van de civiele verdediging worden beschermd tegen het atoomgevaar. Het waren grootscheepse, langdurige bouwactiviteiten die veel geld kostten maar omgekeerd de opkrabbelende economieën weer stimuleerden. Want er is gebouwd, heel veel gebouwd. Nieuwe militaire hoofdkwartieren, kazernes, uitbreiding van militaire vliegvelden, een netwerk van honderden luchtwachttorens voor de luchtverdediging en evenzovele mobilisatiecomplexen voor de opslag van noodrantsoenen levensmiddelen en medicijnen, militaire voertuigen en munitie. Daarnaast noodzetels in gemeente- en provinciehuizen, ministeries maar ook door en voor grotere bedrijven. Er kwam een speciale organisatie, de Bescherming Bevolking (BB), waarvoor een netwerk van ondergrondse commandobunkers werd gebouwd. Voor de bevolking werden vooral in de steden ondergrondse schuilplaatsen

en noodziekenhuizen gebouwd voor als de bom zou vallen… Hoeders van het verdedigingserfgoed Zo heeft de Koude Oorlog een enorme gebouwde erfenis achter gelaten. Een erfenis die grotendeels (nog) onbekend is, want veel wat gebouwd is, was en is nog steeds geheim, ondergronds of van de buitenwereld afgesloten en daardoor onzichtbaar voor de burger. Het zijn juist burgers die als eerste interesse in dit erfgoed hebben gekregen. Waar de Tweede Wereldoorlog, ook met het verstrijken der jaren door publicaties en herdenking onverminderd in de maatschappelijke schijnwerpers blijft staan, is de publieke belangstelling voor de Koude Oorlog nog heel pril. Voorlopers zijn particuliere erfgoedorganisaties, die zich lokaal of regionaal ontfermen over afgedankte bunkers, ontruimde BB-commandobunkers, MOB-complexen tot een complete militaire linie (IJssellinie). Informatie wordt via publicaties en eigen websites ontsloten, gebouwen museaal ingericht en voor publiek toegankelijk gemaakt, dit alles op basis van vrijwilligers. Het militaire erfgoed heeft daarbij een forse voorsprong op dat van de civiele verdediging. De Stichting Menno van Coehoorn2 is al sinds 1932 actief, terwijl de Stichting 7

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 7

20-05-14 14:44


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

3 - De atoombestendige kringcommandopost Overvoorde uit 1969 van de Bescherming Bevolking in Rijswijk fungeert tegenwoordig als museum.

Nationale Collectie Bescherming Bevolking (NCBB) pas in 2000 het levenslicht zag3. Een onbekende erfenis wordt langzaam ontsloten Vanuit de Rijksoverheid is dit gebouwde erfgoed van de Koude Oorlog vanuit twee verschillende invalshoeken verkend. In de periode 2000-2007 heeft de toenmalige RACM als voorloper van de huidige Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de periode van de wederopbouw (1940-1965) in kaart gebracht. In het kader van een categoriale aanpak zijn daarbij ook studies verricht naar militaire gebouwen en bouwwerken voor de civiele verdediging. Een geheel andere invalshoek was het Project Ontwikkeling Militaire Terreinen, PrOMT (2004-2011) . De Dienst Landelijk Gebied (DLG) kreeg opdracht om 53 militaire complexen en terreinen budgetneutraal over te dragen aan nieuwe eigenaren, ten faveure van `groene rijksdoelstellingen’. Bij de start werden de hele verkoopportefeuille beschreven. Ter afsluiting zijn de resultaten vastgelegd in het rapport Verkocht wegens vrede.

Van sloop naar herontwikkeling PrOMT was aanvankelijk gericht op sloop ten behoeve van natuurontwikkeling. In de loop van de tijd groeide binnen de projectorganisatie het besef van de belangrijke cultuurhistorische waarden van vele complexen, mede door de organisatie van zogeheten schetsschuiten door DLG. Daarbij zijn voor vele complexen tweedaagse planontwikkelingssessies op locaties gehouden met alle betrokken overheden en maatschappelijke organisaties. Daardoor zijn met name diverse MOBcomplexen de slopershamer ontsprongen. Zo is MOB-Nieuw Balinge (Dr) over gedragen aan Natuurmonumenten, die hier samen met particuliere organisaties een museale bestemming aan gaat geven. In Lopik heeft de gemeente zelf MOB-complex Jaarsveld aangekocht om grip op toekomstige ontwikkelingen in haar landelijk gebied te houden. Gedacht wordt aan recreatieve (mede)bestemming ervan. MOB-Stegerveld in de bossen bij Ommen heeft al daadwerkelijk een transformatie doorgemaakt; september 2013 werd hier

een besloten zorgcentrum voor autistische patiënten geopend met behoud van de meest karakteristieke betonnen munitiebunkers4. In Noord-Brabant waren de meeste MOBcomplexen die nagenoeg allemaal zijn gesloopt voor natuurontwikkeling. Op één na, MOB Wanroij. Dit was al voor PrOMPT afgestoten naar de gemeente en in gebruik genomen als instructie-munitiemuseum door DAWN (Demining Academy Wanroij Netherlands) en MTM (Munitions Technical Museum). Om behoud te verzekeren heeft de provincie het onlangs aangekocht voor restauratie en duurzame herbestemming door deze bijzondere gebruiker5. Staatsbosbeheer heeft op het Fort St. Andries, ter beveiliging van de enige plek waar Maas en Waal elkaar ontmoeten een naoorlogse luchtwattoren hersteld en als uitkijktoren voor publiek ontsloten. Op het landgoed Overvoorde in Rijswijk heeft de stichting NCBB het interieur van een regionale commandobunker volledig in oorspronkelijke staat hersteld en als museum ingericht. Het bijbehorende, laatste BB-oefendorp met nagebouwde ruïnes is nog steeds als zodanig in gebruik door de regionale brandweer. Langs de IJssel in de

8

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 8

20-05-14 14:44


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

4 - De Noordertunnel voor voetgangers onder CS Utrecht (1979) is tevens ingericht als atoombombestendige openbare schuilgelegenheid voor 1920 personen. Situatie voor renovatie (entree tot de schuilaccomodatie).

zal leiden, is een vraag van later orde. Behoud van af te stoten objecten zal vooral afhangen van de mogelijkheden van herbestemming en herontwikkeling. Door hun veelal gesloten karakter, ondergrondse ligging en zware bouw is herbestemming een uitdagende opgave. Ook daarvoor zal het Platform als gezamenlijk ontmoetingskader dienen voor de uitwisseling van ideeën, ervaringen en oplossingen. Peter Nijhof is specialist industrieel en (jong)militair erfgoed en coördinator Platform verdedigingserfgoed van de 20ste eeuw bij de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed Noten www.Nl-alert.nl 2 www.coehoorn.nl 3 www.ncbb.nl 4 www.baalderborggroep.nl 5 www.mtmdawn.nl 6 www.ijssellinie.nl 1

5 - Situatie na renovatie (april 2010) met in rood geschilderd de frames van de bomvrije deuren.

omgeving van Olst heeft de Stichting IJssellinie diverse bunkers behouden en voor publiek opengesteld6. Al met al neemt het aantal initiatieven tot behoud en herbestemming van het erfgoed van de Koude Oorlog snel toe. REC-Platform Verdedigingserfgoed van de 20ste eeuw Tot voor kort waren de werelden van de militaire en civiele verdediging strikt gescheiden. De RCE heeft in 2012 het initiatief genomen om deze met elkaar te verbinden. Niet alleen betrokken overheden, ook landelijk werkzame erfgoedinstellingen werken in de Programmacommissie mee

aan inventarisatie, verkenning, afstemming en agendering van dit erfgoed . Het Platform beslaat de gehele 20ste eeuw van WO1, Interbellum, WO 2 en daarna. Op korte termijn zal de focus echter op de Koude Oorlog worden gelegd. Veel erfgoed uit deze periode is eigendom van rijksoverheden en verliest zijn functie. Voortschrijdende bezuinigingen nopen het rijk tot verdere afstoting ervan. Daarbij is van groot belang te weten welke cultuurhistorische waarden daarbij in het geding zijn. In het kader van de Shared Servicefunctie Cultuurhistorie, die de RCE meer en meer voor de gehele rijksoverheid gaat vervullen is landelijke inventarisatie en waardering een gezamenlijk belang. Of dit ook nog tot een beschermingsprogramma

Literatuur -  Militair erfgoed en Civiele Verdediging in het tijdperk van de Wederopbouw, rapporten Categoriaal onderzoek Wederopbouw 1940-1965, RACM, Zeist, 2007 - Nijhof, Peter, Daar komen de Russen!..., in: Tijdschrift Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, no.1, 2014 -  Noordertunnel. Een tunnel met een dubbele functie. Erfgoed uit de Koude Oorlog. Uitgave ter gelegenheid opening gerenoveerde voetgangerstunnel Centraal Station Utrecht, 16 april 2010 -  Van militair kampement tot Gen. Maj. Fe Ruijter Steveninckkazerne oirschot (1946-heden). Onderzoek militair erfgoed, Stichting behoud militair Erfgoed oirschot, november 2012. -  Verkocht wegens vrede. Een overzicht van 543 herontwikkelde militaire terreinen. Utrecht, Dienst Landelijk Gebied, mei 2011 -  Wessels, Jan, Voor als de Russen komen…De Rijn-IJssellinie als landschappelijk monument van de Koude oorlog, z.pl, Leergang 2011 Erfgoed Academie n

9

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 9

20-05-14 14:44


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

Denken aan de doden Drs. Ben de Vries Projectleider Beschermingsprogramma Wederopbouw 1959-1965 bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

I

n stilte leggen nabestaanden en dorpsbewoners bloemenkransen bij ‘De Vrouw van Putten’. Ze staat er bedroefd bij, gesloten ogen, een zakdoek in de hand. Voor haar kalkstenen voeten ligt een hof met zes kwadranten van elk honderd lege vakken, omgeven door buxushaagjes. Landschapsarchitect J.T.P. Bijhouwer heeft dit vormgegeven. De leegtes herinneren aan de zeshonderd onschuldige Puttense mannen die in oktober 1944 als vergelding werden weggevoerd en die nooit meer zijn teruggekeerd. Nederland was geschokt door de Tweede Wereldoorlog. Geweld en ontberingen eisten 250.000 levens. Ook waren 80.000

Naoorlogse monumenten van herdenking bieden een intrigerend tijdsbeeld 1940-1965

woningen en ruim 8.000 boerderijen vernietigd, 10% van de landbouwgrond was verloren en zeker 1.000 kilometer spoorlijn zwaar beschadigd. Naast het herstel daarvan moest ook het menselijk lijden vorm krijgen. Door de toenmalige verzuiling herdachten de gemeenschappen in eigen kring volgens eigen ideeën. Op talloze gebouwen kwamen plaquettes of gevelstenen in allerlei materialen, vormen, beletteringen en talen uit eerbied voor de doden. De overheid vreesde dat men ook lukraak monumenten zou oprichten. Daarom mocht men oorlogsmonumenten alleen realiseren met toestemming van de minister, geadviseerd

door de Nationale Monumenten Commissie voor Oorlogsteekens, opgericht in 1946. Zo groeide een publieke herinneringscultuur. Het regeringsbeleid heeft een ongedacht grote invloed gehad Herdenkingstekens dienden een opvoedende boodschap uit te dragen, niet enkel lijden of triomfalisme. De Commissie voor Oorlogsteekens keek niet alleen naar de juiste verbeelding van deze opdracht, maar adviseerde ook over (beeldende) kunstenaars en degenen die het moesten uitvoeren. Op deze manier zijn artistiek hoogwaardige monumenten gerealiseerd en kon een groep kunstenaars in de schaarse jaren na de oorlog hun brood verdienen. Het meest Foto: Beeldbank RCE

1 - Eerebegraafplaats gelegen op een duinhelling in Bloemendaal (1947) van Komter en Holt, en Bijhouwer, met teksten van H.M. van Randwijk. 10

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 10

20-05-14 14:44


nummer

28

Juli

2014

Foto: Beeldbank RCE

Vitruvius

2 -Nationaal Monument op de Dam (1949-1956), Amsterdam door J.J.P. Oud, met teksten van Donker, Meerwaldt en Roland Holst. dramatische beeld is wellicht ‘De Verwoeste Stad’ dat de kunstenaar Ossip Zadkine in Rotterdam maakte.

Duitse militairen. Veel aandacht kreeg het bronzen beeld in Riel uit 2008 gewijd aan de zogenaamde ‘goede’ Duitse soldaat.

Daarnaast bepaalde de Commissie dat er Nationale monumenten zouden verrijzen in Amsterdam (Dam), Wageningen (capitulatie) en Eede (koningin Wilhelmina zette hier weer voet op Nederlandse bodem). Tevens werd het initiatief genomen voor drie eenheidsmonumenten in de voormalige kampen Vught, Amersfoort en Westerbork. Er kwamen tien gedenktekens: onder andere voor de marinevloot in Den Helder, voor het leger op de Grebbeberg in Rhenen, voor de koopvaardij in Rotterdam, en voor de gevallen Canadese (Walcheren), Britse (Arnhem) en Amerikaanse militairen (Maastricht).

Zo’n tien jaar geleden ontstond ophef over de aanwijzing van het grafmonument van NSB’er De Leeuw op de ‘verlorene begraafplaats’ in Roermond als rijksmonument. Het met Germaanse (runen)tekens versierde graf werd destijds als ‘fout’ erfgoed bestempeld. Inmiddels is het graf een rijksmonument.

Meeste monumenten herdenken militairen Veel monumenten herinneren ons aan de doden van de strijdende partijen, naast alle ‘burgermonumenten’. Daaronder zijn bijzondere plaatsen. Zoals het ereveld in Leusden voor de Russische militairen die zijn omgebracht bij Kamp Amersfoort. In het Limburgse Ysselsteyn ligt de grootste militaire begraafplaats in ons land, ook de enige Duitse, voor meer dan 32.000

Bij de herbouwde Rijnbrug in Arnhem herdenkt een plaquette (1950) de Britse luitenant-kolonel John Frost en zijn 2nd Parachute Battalion die deze ‘brug te ver’ bij de Slag om Arnhem in september 1944 hadden verdedigd. En in de hal bij de Tweede Kamer slaat men nog elke dag een bladzijde om uit de ‘Erelijst van Gevallenen 1940-1945’ van omgekomen militairen en verzetsstrijders. Hier is ook een Indische plaquette voor slachtoffers van de Japanse bezetting. Verschuiving van aandacht voor individuele slachtoffers naar groepen burgerslachtoffers De vroegste gedenktekens en –plaatsen herinneren vooral aan individuele burgers. Zoals de al genoemde Herdenkingshof in

Putten en de Eerebegraafplaats in de duinen bij Bloemendaal voor ‘gevallenen aan het binnenlandsche front’. Hannie Schaft en Gerrit Jan van der Veen vonden hier hun laatste rustplaats. De 373 grafstenen voor de gefusilleerde verzetsstrijders zijn allemaal gelijk qua vorm, simpel, zonder ornamenten. Dit drukt uit dat allen hetzelfde doel nastreefden en dat de dood hen gelijk maakte. Ligging, materiaalgebruik en uitstraling maken het een indrukwekkende plek. Relatief weinig aandacht is er in de vroegnaoorlogse jaren voor specifieke groepen slachtoffers en vervolgden. Die pluriforme benadering paste (nog) niet in de collectieve nationale herinneringswijze. Dat beeld kantelde bij het openstellen van het Anne Frank Huis als museum in 1960 en bij het omvormen van de oude Hollandsche Schouwburg in Amsterdam tot indrukwekkende herdenkingsplek (1962) voor de Joodse slachtoffers. Vanuit deze locatie moesten joden zich melden voor deportatie naar concentratie- en vernietigingskampen. Op termijn zal de plek uitgroeien tot een Holocaust Museum. Alle oorlogsmonumenten zijn in kaart gebracht Het Nationaal Comité 4 en 5 mei heeft binnen het programma ‘Erfgoed van de Oorlog’ ruim 3.500 oorlogsmonumenten en gedenktekens geïnventariseerd. Bij zo’n 1.000 monumenten wordt nog actief herdacht. Zoals in de herdenkingskapel Onze Lieve Vrouwe ter Nood in Tilburg, met glasin-betonramen van Daan Wildschut. Het beeld van een vrouw met kind, bedreigd door een vurige draak, spreekt boekdelen. Het is een ‘levend’ monument, gezien de grote opkomst tijdens de mis op een doordeweekse dag in juni 2013. Het is tevens een van de vele voorbeelden van samenwerking destijds tussen architecten en kunstenaars, en wat tot hoogwaardig werk heeft geleid. Naast de herdenking heeft dat aspect inmiddels aan kracht gewonnen. Er is nu ook waardering voor de objecten zelf en de historie. De naoorlogse monumenten van herdenking bieden zo ook een intrigerend tijdsbeeld. Acht zijn voorgedragen als rijksmonument De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft in het kader van het Beschermingsprogramma Wederopbouw 1940-1965 acht herdenkingsmonumenten die herinneren aan de Tweede Wereldoorlog voorgedragen 11

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 11

20-05-14 14:44


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

Foto: Beeldbank RCE

3 -Interieur van de Kapel Onze Lieve Vrouwe ter Nood (1964), Tilburg van de hand van architect Schijvens en glas-in-betonramen van Daan Wildschut. Foto: Beeldbank RCE

zing als rijksmonument van de Amerikaanse begraafplaats (1960, architecten Shepley Bulfinch Richardson and Abbott en diverse tuinarchitecten) in Margraten toch niet door te zetten vanwege verdragsverplichtingen tussen Nederland en de Verenigde Staten uit de jaren ‘70. Dit doet niets af aan de cultuurhistorische waarde van het terrein.

4 -Zeshonderd leegtes op de Herdenkingshof (1947-1949) in Putten, een ontwerp van Bijhouwer met het beeld van de treurende vrouw gemaakt door Mari Andriessen. als rijksmonument. De Herdenkingshof (1949) in Putten hoort daarbij, net als de Eerebegraafplaats (1947 door architecten A. Komter en G.H.M Holt en o.a. tuinarchitect Bijhouwer) in Bloemendaal, de John Frostbrug (1950, W.J.H. Harmsen en A.J. van der Steur) in Arnhem, het Monument ‘De Verwoeste Stad’ (1953, O. Zadkine) in Rotterdam, het Nationaal Monument op de Dam (1956, J.J.P. Oud met medewering

van onder andere beeldhouwer J.A. Rädecker) in Amsterdam, het Monument van de Hollandsche Schouwburg (1962, J. Leupen) in Amsterdam, en de Kapel Onze Lieve Vrouwe ter Nood (1964, J.C.A. Schijvens) in Tilburg. Sinds kort behoort ook het Mausoleum en plantsoen (1945, o.a. Bijhouwer) op de Paasberg in Ede tot deze selectie. Inmiddels heeft minister van Cultuur Bussemaker eind 2013 besloten om de aanwij-

Literatuurlijst -  Blankenstein, E. van (2006). Defensie- en oorlogsschade in kaart gebracht 1939-1945, Zeist. -  Blom, A.M., B. de Vries. ‘Naoorlogse monumenten van herdenking (19401958)’, tijdschrift Groen, vakblad voor ruimte in stad en landschap, (april 2008), 4. -  Burkom, F., van, Y. Spoelstra en S. Vermaat (red.) (2013). Kunst van de Wederopbouw. Nederland 1940-1965. Experiment in opdracht. Rotterdam. -  Hoogstraten, D., B. de Vries (2013). Monumenten van de Wederopbouw, Nederland 1940-1965. Opbouw en Optimisme. Rotterdam. -  Nationaal Comité 4 en 5 mei (2008). Beleidshandreiking beheer en behoud oorlogsmonumenten, Amsterdam. -  Niemeyer, A.F.J. (2007). Oorlogsschade, watersnoodschade en ruilverkaveling in de wederopbouwperiode (1940-1965). Zeist. n

12

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 12

20-05-14 14:44


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

nieuws

uit het werkveld

Nieuwe uitdagingen voor jonge erfgoedprofessionals

Van links naar rechts: Mauro Smit, Gábor Kozijn, Teun van den Ende, Lisette Breedveld, Abigail Rousseau, Maria Lamslag, Linde Egberts, Nelleke Manschot, Benjo Zwarteveen, Natasja Hogen, Marinke Steenhuis, Minke Walda, Henk Hoogeveen, Annemarie Kuijt en Paul Meurs.

S

teenhuisMeurs nodigde tien jonge professionals uit voor een diner en een gesprek over de toekomst van de erfgoedsector. Annemarie Kuijt en Minke Walda, junior onderzoekers bij SteenhuisMeurs, doen verslag. De nieuwe generatie vakgenoten is breed opgeleid en heeft opmerkelijk vaak een dubbele studie afgerond: ontwerper, archeoloog of (architectuur)historicus – aangevuld met bijvoorbeeld een master erfgoedzorg. Die brede opleiding maakt dat deze professionals breed inzetbaar zijn en prima uit de voeten kunnen met de vaktalen van erfgoed, interventie en ruimte. Maar dat geeft ook problemen: wat schrijf je in je LinkedIn profiel, wat staat er op je kaartje en hoe leg je op een feestje uit wat je doet? Een gedegen opleiding is bovendien geenszins garantie voor een (vaste) baan: alleen met veel ondernemerschap en flexibiliteit kan een start in de erfgoedwereld worden gemaakt. In de moeilijke arbeidsmarkt wordt eigen initiatief beloond en dat krijgt zijn beslag in freelancewerk, eigen websites en zelf geïnitieerde projecten. Zo startten Maria Lamslag en Teun van de Ende het online-opinieplatform

www.steenhuismeurs.nl

VOER. De nieuwe bouwopgave geeft ondernemende erfgoedspecialisten kansen – in het werken met nieuwe partijen, nieuwe methoden en onconventionele processen. Linde Egberts, promovenda en medewerker aan de VU: ‘Ik denk dat de ‘tussentijd’, voorlopige herbestemmingen, pragmatische oplossingen, ‘do it yourself’ en ecologie/duurzaamheid een steeds grotere rol gaan spelen.’ Behalve transformatie wordt de belevingswaarde of het ‘verhaal’ van een gebouw of plek, ook voor een breed publiek, steeds belangrijker. De erfgoedsector kan en moet volgens Mauro Smit, projectcoördinator bij de Stichting HollandRoute (die industrieel erfgoed in de metropoolregio Amsterdam ontsluit voor toerisme) nog meer aandacht besteden aan deze vertaling naar het publiek. Zo werkt Henk Hoogeveen bij de gemeente Rheden aan een verhalenproject, waarbij ‘verhalenvangers’ bewoners interviewen voor de nieuwe erfgoednota. ‘Zo creëren we een stuk meer draagvlak en enthousiasme voor de instandhouding van monumenten.’ Wat kan de jonge erfgoedprofessional verwachten voor de toekomst? Een krimpende publieke sector en een stagnerende bouw, maar wel draag-

vlak en potentie voor herontwikkeling. Natasja Hogen, bouwkundige en architectuurhistorica: ‘In de bouw is nu al een meerderheid van de projecten een transformatie-, renovatie- of restauratieopdracht en dat aandeel lijkt alleen maar groter te worden in de toekomst.’ SteenhuisMeurs merkt dit ook, in alle adviesvragen om de kaders van de monumentenzorg en de ambities van vastgoedpartijen te verbinden. Gegeven de vergrijzing van de sector, kan het haast niet anders of de eenpitters van nu worden onmisbaar voor de erfgoedpraktijk van morgen. Is de nieuwe generatie erfgoedprofessionals door hun brede achtergrond klaar om op deze en andere uitdagingen in te kunnen spelen? Doen zij in korte klussen en deeltijdbanen de ervaring op die nodig is om straks uit te voeten te kunnen in integrale transformatieprocessen en het krachtenspel van tegengestelde belangen? We houden de 10.000-uursregel in ons achterhoofd: het aantal uur dat je in een onderwerp moet investeren voordat je echt bekwaam bent. Het is daarom voor de sector van levensbelang om ruimte te bieden aan de nieuwe generatie.

STEENHUISMEURS rubriek 13

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 13

20-05-14 14:44


nieuws

Vitruvius

uit het werkveld

nummer

28

Juli

2014

Van koetshuis naar architectenkantoor De gevel aan de Mosselseweg, voor en na de restauratie.

Voor

I

n een vorige uitgave van Vitruvius (nummer 21) is aan bod gekomen hoe Friso Woudstra het door een brand in ernstig verval geraakte landhuis Wientjesvoort heeft gerestaureerd en gereconstrueerd en het landhuis een nieuwe toekomst heeft gegeven als woonhuis voor zijn eigen gezin. Naast het landhuis staat het voormalige koetshuis. Dit bijgebouw is gelegen op een beeldbepalende locatie in de bocht van de Ruurloseweg, de primaire verbindingsweg tussen Vorden en Ruurlo. Het koetshuis verkeerde, net als het landhuis ten tijde van de aankoop van het landgoed in 1999, in een slechte staat en had geen monumentenstatus. Nadat de restauratie en reconstructie van het landhuis was afgerond, werd de aandacht gericht op het ernaast gelegen bijgebouw. Sinds enkele jaren is het koetshuis in gebruik als architectenkantoor voor Friso Woudstra architecten bna. Het gebouw is daarmee een show case voor de wijze waarop Friso Woudstra een herbestemming en restauratie van een historisch, al dan niet beschermd pand, benadert. Na de voltooiing van de restauratie werd het koetshuis alsnog aangewezen als gemeentelijk monument P.J.H. Cuypers Het koetshuis werd in 1856 gebouwd in opdracht van freule Josephine van Dorth tot Medler, die ook als opdrachtgever

Friso Woudstra rubriek

Na voor de bouw van de kerk van Kranenburg optrad. Uit een zinsnede die is opgenomen in het contract voor de bouw van de nabijgelegen St.-Antonius van Paduakerk blijkt dat architect P.J.H. Cuypers verantwoordelijk is voor het ontwerp van het koetshuis. In het contract wordt gesproken over “de bereids verrichte werkzaamheden der weizingen van teekening tot opbouw eener geheel nieuw Bouw- en Koetshuis onder den huize Wientjesvoort voornoemt.” Omdat het pandarchief van de Wientjesvoort vermoedelijk tijdens de brand van 1968 in vlammen is opgegaan, zijn er helaas geen bouw¬tekeningen meer behouden. Zoals blijkt uit historisch kaartmateriaal stond op de locatie van het huidige complex al in de achttiende eeuw een gebouw. In het contract wordt echter gesproken over een geheel nieuw pand. Of dit oude volume (ten dele) nog binnen de contouren van het huidige koetshuis aanwezig is, is niet met zekerheid vast te stellen. Het enige element dat mogelijkerwijs nog een herinnering vormt aan het oudere volume is een dikke bakstenen muur die oorspronkelijk het westelijke deel van de rest van het volume afzonderde. Het koetshuis wordt gekarakteriseerd door een aantal elementen dat kenmerkend is voor de architectuur uit de beginjaren van P.J.H. Cuypers. Daarnaast vertoont het

enkele overeenkomsten met de gelijktijdig gerealiseerde kerk te Kranenburg. Net als de kerk is het koetshuis opgetrokken in baksteen, waarbij alleen constructieve elementen zijn uitgevoerd in zandsteen: de aanzetstukken en sluitstenen van de grote rondbogen. Verwijzingen naar de inheemse baksteenarchitectuur zijn verder te vinden in de rijk geornamenteerde tandfriezen en het gebruik van zware steunberen met sterk hellende zandstenen afzaten. Renovatie van het koetshuis Als in 1968 de Wientjesvoort onbewoonbaar wordt, nemen de toenmalige bewoners, Eberhard Freiherr von Mengden en Gisela von Heydebreck hun intrek in het koetshuis. Het toeval wil dat Friso Woudstra zich destijds als negen¬tienjarige heeft bezig gehouden met het bewoonbaar maken van het voormalige economiegebouw. Bij deze plannen bleven de twee delen/schuren grotendeels als open ruimten bestaan. De voormalige huisvesting van de knecht werd verbouwd tot een voor het echtpaar comfortabel onderkomen. Hierbij werden in de zuidoostelijke hoek van het gebouw enkele woonvertrekken afgeschoten. De twee grote ‘delen’ van het koetshuis bleven hierbij behouden. Als Friso Woudstra het landgoed in 1999 van Von Mengden koopt, verkeren het koetshuis en het landhuis in slechte staat.

info@frisowoudstra.nl Telefoon 0575-519 455 www. frisowoudstra.nl

14

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 14

20-05-14 14:44


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

nieuws

uit het werkveld

De zuidwestelijke hoek van het koetshuis, voor en na de restauratie.

Voor Zowel binnen als buiten is sprake van groot achterstallig onderhoud. Doelstelling bij de renovatie van het koetshuis was de karakteristiek zoveel mogelijk te behouden en in het interieur de beleving van de open ruimte te waarborgen. De gevels van het gebouw werden gerestaureerd: alle decoratieve elementen werden behouden, waaronder de bakstenen wenkbrauwbogen, de fraaie tandfriezen, de natuurstenen elementen en de zware steunberen. Het verweerde voegwerk werd vervangen door nieuwe snijvoegen, gebroken afzaten werden hersteld, het houtwerk van de raampartijen werd zoveel mogelijk gerestaureerd en waar dit ontbrak werd het vervangen door gelijksoortige nieuwe exemplaren. Vanwege de herbestemming van het pand tot kantoorruimte was voldoende lichttoetreding noodzakelijk. Er is voor gekozen de oude deel- en staldeuren te verwijderen en van kozijnen te voorzien. Bij dit soort ingrepen is het van belang dat de oorspronkelijke functie als entree tot een grote bedrijfsruimte inzichtelijk blijft. Meer dan eens zien we bij renovaties en verbouwingen dat hierbij jammerlijke fouten worden gemaakt. Bij het plaatsen van een kozijn met raampartij in de sponning van de voormalige poort wordt het idee van openheid verstoord. Door het glas wordt het transparante karakter wel gewaarborgd, maar de wijze waarop het kozijn een

info@resnovamonumenten.nl Telefoon 06 - 11454247 www.resnovamonumenten.nl

Na dergelijke grote opening opdeelt strookt niet met het oorspronkelijke gevelbeeld. Om meer respect te tonen voor de openheid van de poortingang kan het kozijn inpandig worden geplaatst, waardoor een soort portiek ontstaat. De fout die hierbij regelmatig wordt gemaakt, is dat men een stoep of treden aanbrengt, waardoor het idee van een directe verbinding vanaf de straat, via de poort naar de deel op maaiveldniveau wordt verstoord. Bij het koetshuis van de Wientjesvoort is het kozijn bij beide deelpoorten ongeveer vijfenzeventig centimeter naar binnen geplaatst en loopt de bestrating van het omliggende terrein onder de boog door tot aan het kozijn. Op deze wijze worden de achterliggende ruimten van een zee van licht voorzien zonder dat ze inbreuk maken op de belevingswaarde van de oorspronkelijke functie. Om dit verder te benadrukken zijn de staldeuren aan de Ruurloseweg behouden en staan deze altijd open. De honderdvijftig jaar oude kapconstructie was ernstig aangetast. Bij het vervangen van de bestaande kap werd een nieuwe stalen constructie met exact dezelfde afmetingen geplaatst. De keuze voor staal is kenmerkend voor de visie van Friso Woudstra, waarbij hij het ontwerpen in historiserende stijl combineert met het gebruik van moderne materialen en technieken. Het aanzicht van het dak bleef hierbij ongewijzigd. Ook de aanwezige dakkapellen werden vervangen. Een deel

van de tijdens de verbouwing van 1969 geplaatste dakvensters is verwijderd, waardoor minder inbreuk werd gemaakt op de beleving van de dakschilden. In het interieur is men erin geslaagd de bestaande ruimtebeleving zoveel mogelijk te behouden. De oorspronkelijke delen zijn als open ruimten bewaard. Enkele later toegevoegde wanden zijn verwijderd. Door dit ‘open houden’ van het gebouw blijft de herinnering aan de voormalige functie herkenbaar. In de zuidoostelijke hoek van het complex, waar oorspronkelijk de knecht en later het echtpaar Von Mengden was gevestigd, bleef de indeling in kleine ruimten bewaard. Hierbij zijn de aanwezige betegelde stookplaats en vaste kasten gerestaureerd. In het bestaande trappenhuis werd een nieuwe trap geplaatst. Ook op de verdieping is de beleving van de ruimtelijkheid van het oude gebouw bewaard gebleven: er is sprake van vier grote vertrekken die in het hart van het complex samenkomen. Bij het op een verantwoorde wijze restaureren (en herbestemmen) van een dergelijk in verval geraakt historisch pand is de expertise die een deskundig adviesbureau kan leveren onontbeerlijk. Friso Woudstra architecten bna en Res nova Monumenten trekken om deze reden met grote regelmaat gezamenlijk op om in verval geraakte monumentale panden als het koetshuis van de Wientjesvoort een nieuw leven te bieden.

Res nova Monumenten Res nova Monumenten

rubriek 15

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 15

20-05-14 14:45


Vitruvius

Drs. Hans C. Kamerbeek Bioloog, zelfstandig journalist, specialisatie financiering natuur en landschap, auteur boek ‘Waardevol Groen’. Binnenkort verschijnt opvolger met honderden verdienmodellen en 26 interviews met professionals uit natuur- en erfgoedsector.

G

elderland telt de meeste landgoederen en buitenplaatsen van alle provincies. Om de eigenaren te steunen bij de instandhouding begon de provincie in 2012 met het kennis- en leertraject Monumentale energietransitie. Dat krijgt vorm in netwerkconferenties, masterclasses met professionals en eigenaren, energiescans en twee concrete businesscases. De ervaringen leren dat landgoederen 20 tot 50% kunnen besparen. Ruim de helft van de Gelderse landgoederen is bezig met energietransitie,

nummer

28

Juli

2014

Gelderland helpt erfgoed bezuinigen op energie Al helft van de Gelderse landgoederen en buitenplaatsen werkt aan energiebesparing en opwekken van duurzame energie

vaak in combinatie met restauratie. EĂŠn website1 toont alle verzamelde informatie en ervaring. Over de belangrijkste resultaten van de eerste twee jaar, over voorbeelden en een schets van de vele technieken. Historische kozijnen lenen zich vaak niet voor dubbel glas. Het hout is te dun of de raampjes te klein. Toch kan het warmteverlies omlaag, namelijk met gelaagd glas: twee lagen glas met een folie ertussen. De isolatiewaarde houdt het midden tussen enkelglas en de hoogste kwaliteit dubbel

glas. Gelaagd glas maakt ook toepassing van trekglas mogelijk. Dit is een van de vele grote en kleine voorbeelden waarmee landgoederen hun vaak torenhoge energierekeningen te lijf kunnen. Het Gelderse kennis- en leertraject Monumentale energietransitie helpt daarbij, met het ontwikkelen van kennis en met het leggen van contacten voor samenwerking en productontwikkeling. Landgoederen kunnen hun energiekosten verlagen en aanwezige grondstoffen beter benutten. Dat vergt kennis van restaura-

1 - De zonnecollectoren op het platte dak zijn onzichtbaar vanuit omliggende tuinen. 16

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 16

20-05-14 14:45


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

2 -Houtpelletkachels en twee buffervaten in de kelder van Huis Schouwenburg.

3 -Een historisch ogende, moderne thermostaatkraan op een oude gerestaureerde gietijzeren radiator.

4 - Actis-folie als isolatie op het dak van Huis Schouwenburg. Deskundigen zijn het niet eens over de kwaliteiten van deze folie.

tietechniek, energiebesparing en installatietechniek, maar ook goed opdrachtgeverschap. Zo luidt een van de ervaringen uit het Gelderse kennis- en leertraject. Veel eigenaren combineren een noodzakelijke restauratie met energiemaatregelen. Zulke projecten helpen om een monument bruikbaar en comfortabel te maken, passend bij de wensen van deze tijd. Want de nieuwe generatie van monumentenbeheerders wil geen drie truien meer aan.

moet heel zorgvuldig aangebracht worden, alle randen netjes afgedicht. Vocht tussen de laagjes is funest. Eigenaresse Fenneken Anneveld-Van Wesel kent de kritiek dat het niet goed zou isoleren. “Maar onze ervaring is dat het werkt. Ik kan geen k-waarde meten, maar de zolder wordt in de zomer niet heel heet en in een heftige winter niet heel koud. Het dakbeschot is tochtdicht terwijl het hout kan blijven ademen. Inderdaad is niet bekend hoe het zich houdt na dertig jaar want zo lang bestaat het nog niet. Het is een reversibele manier van isoleren, met behoud van het originele dakbeschot. Het dakpakket wordt slechts een panlat dikker. Voor ons is het dus een goede oplossing.” In het huis zijn meer besparende maatregelen genomen. Zo is achter de ingang een reversibel tochtportaal gemaakt. Voor de schuiframen heeft Hanzebouw een kierdichte oplossing bedacht met borstels en rubbers uit het zicht. Ook zijn alle binnenluiken weer gangbaar gemaakt, de nieuwe gordijnen zwaar gevoerd en het gespannen behang is weer teruggebracht.

Daaraan zit een nadeel. De kachels werken met pellets en die komen nu uit Ierland of België. De familie Anneveld heeft de ambitie om deze biomassa uit de omgeving te halen, bijvoorbeeld van een nog op te richten biomassacoöperatie op de Veluwe. Op het platte dak staan acht zonnecollectoren die samen met de pelletkachels het water verwarmen in twee buffervaten. Zonnecollectoren zijn niet gangbaar op monumenten, maar Huis Schouwenburg heeft ze uit het zicht geplaatst. Daarvoor is de dakrand iets aangepast. Naar aanleiding van dit project kopte een vakblad ‘Zonnecollectoren op een monument; het kan!’

Huis Schouwenburg Huis Schouwenburg bij ’t Harde was een ‘pijndossier’. Na jaren van intensief gebruik was veel van de oude glorie verstopt achter tussenwanden en verlaagde plafonds of vergaan door achterstallig onderhoud. De huidige eigenaren hebben desondanks het pand aangeschaft en in korte tijd met hulp van vakmensen hersteld. Daarvoor heeft eigenaresse en architecte Fenneken Anneveld-Van Wesel een grote groep experts betrokken in een bouwteam. Hierin zaten een installatieadviseur, een gemeentelijke ambtenaar, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, een constructeur, kachelleverancier Atechpro en aannemer Hanzebouw. Tijdens de restauratie zijn diverse besparingen en opwekkingsmethoden toegepast. Dakherstel kon op Schouwenburg samengaan met isolatie. Daarbij kreeg het huis de enigszins omstreden Actis folie. Het

De familie Anneveld pakt nog zelden een dikke trui. Continue wandverwarming van de enorme steenpartij in de gang zorgt voor een comfortabele basistemperatuur in het huis. Daarbij heeft elke kamer de mogelijkheid om selectief bij te stoken. Twee biomassakachels in de kelder verwarmen het huis.

Resultaten na twee jaar Het kennis- en leertraject heeft in de eerste twee jaar al veel bereikt. Het aantal partners breidt zich nog steeds uit. Van particuliere landgoedeigenaren en beheerders tot terreinbeherende organisaties als Geldersch Landschap en Kasteelen, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, gemeenten, bedrijven, Gelders Restauratiecentrum, Monumentenwacht Gelderland, Stichting Landschapsbeheer Gelderland en het Platform Utrechtse Buitenplaatsen. De nieuwsbrieven bereiken inmiddels meer dan driehonderd personen en instanties. Daarbij helpt de samenwerking met het Gelders Particulier Grondbezit en de Vereniging Particuliere 17

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 17

20-05-14 14:45


Vitruvius

folder met algemene handreikingen voor energiebesparing en energieopwekking in monumenten. Vijf infosheets tonen, op basis van energiescans, de mogelijkheden van energietransitie op vijf landgoederen. Een energiescan is de eerste stap om te verkennen wat energiebesparende maatregelen en energieopwekking een landgoed of buitenplaats kost en oplevert. Een energiescan geeft een indicatie van maatregelen, investeringskosten en terugverdientijd. Ook geeft een energiescan inzicht in prioriteit: maatregelen die het best als eerste genomen

Om op zolder de was goed te laten drogen is het dak ‘onbeschoten’ aangelegd, waardoor het goed doorwaait. Voor het kwijtraken van vocht van de zolder was dat goed, maar in de huidige situatie is het een bron van energieverspilling. Veel winst is te behalen met beschieting en buitendakisolatie. Hier kan dat goed met behoud van de historische dakafwerking en -aansluitingen op schoorstenen en dakkapellen.

Gebruiksmogelijkheden Vorige eeuw is op de verdieping een badkamer aangelegd. De douchekuip bevindt zich direct naast het historische schuifraam, met daaronder een grote radiator. Door de grote vochtproductie en de warmte in deze ruimte zijn de ongeïsoleerde delen van de gebouwschil (buitenwanden, venster, vloerconstructie onder de onverwarmde kapruimte) zwaar vochtbelast. Dat levert fors risico van schimmelvorming en houtaantasting. Daarnaast wordt veel energie verspild bij de verwarming. Een goede oplossing van de problemen is het aanleggen van een ‘doos-in-doos’ badruimte: een badkamer los van de buitenwanden met eigen ventilatie.

Low-tech comfortverbetering Bij de voorgevelvensters zijn van oudsher binnen-schuifluiken aanwezig, een luxe historisch detail. De grote panneelluiken kunnen weggeschoven worden achter de wandvlakken links en rechts van het raam. In gesloten toestand sluiten ze tochtdicht het raamvlak af. Een mooi voorbeeld van historische techniek die bijdraagt aan energiezuinigheid, mits de luiken goed werken en ook dagelijks gebruikt worden.

Installatietechniek Technisch en qua veiligheid onbetrouwbaar historisch elektra-schakelmateriaal is goed te vervangen door modern materiaal dat aan alle prestatie-eisen voldoet en dat tegenwoordig ook leverbaar is in klassieke vormgeving. Wanneer om cultuurhistorische redenen historisch schakelmateriaal behouden moet blijven, is het aan te raden gebruik te maken van een zwakstroomsysteem Op de hoofdverdiepingen treffen we in bijna alle vertrekken functionele stookplaatsen aan met gaskachels. In het rechterdeel van het huis is ook een cv-installatie aanwezig. De aanwezigheid van vele stookplaatsen met goede trek, biedt interessante energiebesparingskansen bijvoorbeeld voor de aanleg van houtgestookte cv-haarden

Terugverdientijd in jaren

Na anderhalve eeuw gebruik van de stolpramen in de dakkapellen is de sluitnaald tussen beide raamhelften flink gaan kieren. Bij gesloten ramen kan zo naar buiten gekeken worden. Goed voor de zolderventilatie, maar natuurlijk ook een oorzaak van flink energieverlies. Ook de overige ramen in het gebouw zijn aan herstel toe.

Invest. kosten x € 1000,- ex btw

Historisch prestatieniveau

Besparing in K € / jr

Het huis heeft aan de binnenzijde van de buitenmuren een ruime aftimmering. Die aftimmering is voor een deel voorzien van bespanningen en er zijn in de meeste vertrekken muurkasten in opgenomen. Dankzij dit historische detail kan goed een damp-open vorm van binnenisolatie tegen de buitenmuren aangebracht worden. Het huis is zo op een bijna onzichtbare en bouwfysisch onschadelijke manier van wandisolatie te voorzien.

Energiebesparing (%)

Isolatie

Label

In het begin van de twintigste eeuw is achter de voordeur een tochtpui geplaatst om kou te weren. Hoewel dergelijke ingrepen vaak schade betekenden voor het interieuraspect, vormt zo’n pui een goede klimaatbarrière die flink bijdraagt aan energiebesparing. De kleine voorhal die nu achter de voordeur bestaat functioneert als aangrenzende onverwarmde ruimte (AOR).

DuMo Profiel

Low-tech comfortverbetering Het huis heeft een grote zakgoot. Historisch werd deze gebruikt voor het opvangen van regenwater voor allerlei huishoudelijke behoeften. De zakgoot, en binnendoor lopende ‘Keulse” goot hebben door lekkage voor veel schade gezorgd (o.a. houtaantasting). Het dak is hierdoor inmiddels aan integrale restauratie toe. Dit kan gecombineerd worden met buitendakse isolatie en aanleg van een nieuw, isolerend platdak iets onder de rondgaande daknok. Beide ingrepen zijn onzichtbaar van buitenaf en de dakaanpassing verkleint de kans op lekkages in de toekomst.

0. Bestaande toestand

125

G

-

-

-

-

1. Herstel van en kierdichting op alle buitenramen en -deuren

137

F

9%

1,3

35

28

2. Als 1 met verbeterd elektra-systeem (NEN 3140) en toepassing van energiezuinige (LED) verlichting

141

F

3%

0,4

6

15

3. Als 2 en daarbij dakrestauratie, formeren van plat middendak en buitendakse isolatie

195

D

35%

5

150

30

4. Als 3 met toepassing van 10m2 zonneboilers op plat middendak

211

C

8%

1,1

15

14

5. Als 4 en daarbij damp-open isolatie van de binnenzijde buitenwanden, begane grond-vloerisolatie en bezetting ramen met gelamineerd isolatieglas

257

A

19%

2,7

250

92

6. Als 4 en daarbij warmtelevering voor verwarming en warm tapwater vanuit de houtgestookte LDstoomketel van de fabriek

280

A

31%

4,3

55

13

7. Als 6 gecombineerd met ingreepscenario 5

340 A+ 20%

2,8

250

96

8. Als 4 met toepassing van 5 houtgestookte CV-haarden in de oude stookplaatsen voor warmteopwekking

243

15%

2,1

20

10

9. Als 8 gecombineerd met ingreepscenario 5

288 A+ 19%

2,6

250

96

10. Als 4 met inzet van een kleine waterkrachtelektracentrale, aangedreven door de Klarenbeek

253

70

25

Ingreepscenario’s

A

A

20% 2,8

Voorbeeld

Voorbeelden energiebesparing Startpunt

28

Juli

2014

6 -Met eenvoudige technieken als kierdichting kan het energiegebruik fors omlaag.

5 -“Wie bezit of beheert een landgoed?” Netwerkbijeenkomst eind 2012 op Landgoed Klarenbeek. Historische Buitenplaatsen. Het netwerk verbreedt zich naar andere monumenten, waaronder religieus en industrieel erfgoed en monumentale ensembles in de stedelijke omgeving. Een actorenkaart met voorbeelden van monumentale energietransitie staat op de website. Daar komt alle informatie samen van het kennis- en leertraject Monumentale energietransitie. Organisator en begeleider Wing heeft samen met Evert Jan Nusselder van Monumentenzorg en Kees Zandijk van adviesbureau DWA de kennisen productontwikkeling samengevat in een

nummer

De duurzaamheidsscore is terug te vinden in het veld DuMo-profiel en visueel als label. Vanaf een score van meer dan 216 of label B, is sprake van een ‘eigentijdse duurzaamheidsprestatie’.

7 -Voorbeeld van infosheet en energiescan. Landgoed Klarenbeek.

kunnen worden. De resultaten van een energiescan vormen de basis voor investeringsbeslissingen. Alle vijf energiescans staan op de website. Vier netwerkbijeenkomsten, op de landgoederen Hunderen, Klarenbeek, Middachten en Huis Bergh, trokken gemiddeld vijftig deelnemers. Naar aanleiding van lezingen en tijdens workshops ontstonden hier contacten tussen eigenaren van erfgoed en deskundigen, adviseurs, toeleveranciers en aannemers. Twee masterclasses brachten in 2013 opdrachtgevers en experts bij elkaar rond concrete projecten. Tijdens de eerste masterclass gingen professionals in discussie over expertise bij monumentale energietransitie. De tweede masterclass bracht diverse voorbeelden die het belang illustreerden van professioneel opdrachtgeverschap. Kennisuitwisseling in een divers gezelschap van twintig personen rond een praktijkvoorbeeld blijkt een krachtig en waardevol instrument. Begin 2014 volgde een masterclass monumentale energietransitie voor gemeenten. De verslagen van de masterclasses staan op de website. Ten slotte ontwikkelen twee landgoederen, Keppel en Huis Sevenaer, businesscases om de haalbaarheid van investeringen in energietransitie in te schatten. Voor Huis Sevenaer maakt de businesscase deel uit van de plannen om het Landgoed nieuw leven in te blazen. Deze pilot heeft in beeld gebracht wat de potentie is van het Landgoed om energie op te wekken en wordt nu benut om investeringskeuzen te maken. Voor een van de gebouwen, het Polderhuis, geeft de pilot inzicht in zinvolle investeringen om energiekosten laag te houden.

18

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 18

20-05-14 14:45


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

8 -Nader onderzoek moet uitwijzen of waterkracht uit de Klarenbeek een rendabele investering oplevert. Landgoed Keppel aan de Oude IJssel heeft de ambitie om energie op te wekken met eigen biomassa en het Eiland met alle gebouwen energieneutraal te maken. De pilot toont de haalbaarheid van de businesscase, al is de terugverdientijd van 12 jaar langer dan het gewenste maximum van 7 jaar. Dat komt vooral door het geringe energieverbruik van de huidige bewoners, de familie Van Lynden, die de kamertemperatuur niet hoger stelt dan 15 graden. De winst van eigen energieopwekking en van isolatie blijft daardoor klein. Bij toekomstige gebruikers zal investeren in energiebesparing en duurzame energie sneller rendabel zijn; slechts weinig mensen vinden een temperatuur van 15 graden voldoende comfortabel. Verder vergen de plannen om het Eiland van Keppel energieneutraal te maken een relatief duur netwerk voor distributie van warmte. Met investeren in eigen energieopwekking geeft het Landgoed waarde aan een reststroom van biomassa die nu geen waarde heeft. Daarbij maakt een eigen energiesysteem het Landgoed onafhankelijk van ontwikkelingen op de energiemarkt waar het Landgoed geen invloed op heeft. Zelfvoorziening en onafhankelijkheid spreken rentmeester en eigenaren aan. Landgoed Keppel overweegt om te investeren in een flinke kachel en die te voeden met hout van eigen grond. Brandstof genoeg, want op 120 hectare bos en houtwallen groeit jaarlijks 900 m3 hout bij. Rentmeester Frans van Lynden gaat aan de veilige

kant zitten en rekent met een derde, dus 300 m3. Daar komt nog 175 m3 snoeihout bij van 945 knotbomen en 250 m3 van houtwallen en andere landschapselementen. Ook bij het optellen van deze drie fracties gaat de rentmeester ruim aan de veilige kant zitten en berekent dat Keppel met 1.300 m3 biomassa 130.000 m3 gas kan besparen. Dat is ruim voldoende voor het verwarmen van kasteel, koetshuis met appartementen, kinderopvang, schuur, acht woningen, en zelfs hotel De Gouden Leeuw dat net buiten het eiland ligt. Voor de plaatsing van de biomassaketel denkt de rentmeester aan een bestaande, centraal gelegen schuur. De komende tijd onderzoekt de rentmeester de mogelijkheden van samenwerking met de omgeving. Tegelijk zoekt het Landgoed naar middelen om de eerste, grote investeringen te kunnen voorfinancieren. Diverse vormen van duurzame energie Opwekking van duurzame energie kan bij monumenten op verschillende manieren. Als er hout groeit op eigen grond, is een biomassaketel snel interessant. De besparing op gasverbruik zorgt er vaak al voor dat investeren in een biomassaketel rendabel is. Technische mogelijkheden te over. Want voor vrijwel elke biomassavorm bestaan kachels, van houtsnippers tot riet en zelfs gras, van handbediend tot volautomatisch. Als een huis een plat dak heeft waar zonnepanelen uit het zicht geplaatst kunnen worden, kan de besparing op elektriciteit aanzienlijk zijn. Nog interessanter lijkt de opwekking van warmte met zonnecol-

lectoren, zeker in combinatie met een biomassaketel. Nog weinig toegepast op Gelderse landgoederen en buitenplaatsen, maar al snel rendabel zijn warmtepompen die als omgekeerde koelkast lucht van lage temperatuur omzetten in lucht van hogere temperatuur. Als je warmtepompen in cascade zet, kan elke gewenste temperatuur geleverd worden. Warmte-koude-opslag in de bodem wordt steeds vaker ingezet bij de bouw van energieneutrale huizen en kantoren, maar nog weinig toegepast voor grote woningen. Windenergie kan wellicht ook interessant zijn. Maar de meeste kleine molens hebben een lange terugverdientijd, en alle windmolens hebben een grote visuele impact. Dat maakt de combinatie dichtbij erfgoed minder aantrekkelijk. Dat zelfde geldt voor grote velden met zonnepanelen, tenzij ze uit het zicht blijven. Waterenergie kan interessant zijn, zeker op locaties met veel water, verval en hoogteverschil zoals bij Landgoed Klarenbeek. Moderne turbines vergen echter vaak een hoge investering met lange terugverdientijden. Grote besparingen mogelijk Wat blijkt? Ondanks alle beperkingen van monumenten behalen de onderzochte voorbeelden een aanzienlijke besparing op energie variërend van 20% tot 50%. Dat kan vaak al met eenvoudige oplossingen zonder ingewikkelde techniek. Energiebesparing begint met goed onderhoud. Want droge muren laten minder warmte door dan natte muren. Daar komt bij dat lucht met een hoge vochtigheidsgraad meer energie kost om op te warmen. Vandaar het advies om liefst dagelijks tien minuten intensief te luchten. Gedragsverandering is een volgende stap in energiebesparing, die weinig hoeft te kosten. Volgens Monumentenwachter Ernst van der Grijp kunnen we veel leren van vorige generaties om relatief goedkoop comfortabel te wonen. Denk aan dikke gordijnen, een extra trui, zomer- en winterkamers. Een eigenaresse van een landgoed aan de Utrechtse Vecht vertelt tijdens de netwerkbijeenkomst in Huis Bergh eind januari: “Bij zuidenwind verkassen we naar kamers aan de noordkant en andersom. De thermostaat staat op 17 graden. Ik vind het bij anderen vaak erg warm.” Huis Bergh besteedt jaarlijks € 40.000 aan verwarming en licht, vertelt mr. J. van Hasselt, voorzit19

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 19

20-05-14 14:45


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

9 -Workshop op Landgoed Klarenbeek. 10 -Ter bescherming heeft Landgoed Middachten een huisje gebouwd om een dakkoepel.

11 -Hoofdgebouw van Huis Bergh. Stichting wil energiekosten van €40.000 per jaar drastisch verlagen. ter van eigenaar Stichting Huis Bergh. “Een flink deel gaat naar de energieslurpende vochtregelaars die de kostbare schilderijenverzameling beschermen. De thermostaat ging onlangs van 18,5 graad naar 17. Voor de bewoners betekent dat bijstoken met elektrische kacheltjes. Toch scheelt het tot wel 15% in de energierekening.” Huis Sevenaer De laatste eigenaar van Huis Sevenaer, jonkheer Van Nispen, had een duidelijke visie voor het Landgoed, waarin zelfvoorziening centraal stond. Voor energie ligt dat doel ver weg, want de komende jaren gaat

het energieverbruik sterk stijgen als veel van de monumentale panden van het Landgoed weer een functie krijgen. Martijn Kivit van Erfgoed Installaties heeft een energiescan gemaakt, samen met Probos, ingenieursbureau Aquarius en Boerman Kreek Architecten. De scan levert inzicht op in de meest kansrijke opwekking, namelijk biomassa, zon en warmtepompen via bodem of lucht. De vertaling van deze maatregelen naar de praktijk is de uitdaging waar het Landgoed nu voor staat. Monumentenwacht Ernst van der Grijp van de Monumenten-

wacht ziet nog weinig toepassingen van energiebesparende maatregelen in het land. “Het is een nieuw fenomeen”, vertelt hij op de netwerkbijeenkomst in Huis Bergh. Van der Grijp ziet al wel de eerste voorbeelden van ondoordachte toepassingen met vervelende schades tot gevolg. Denk daarbij aan het condensatiepunt. Het vocht in de lucht zoekt altijd het koudste punt om over te gaan van gas naar vloeibaar, het condensatiepunt. Als we ramen en muren heel goed isoleren, gaat het vocht bijvoorbeeld naar het punt waar dragende balken in de buitenmuur steken. Vocht trekt schimmel aan met rotting als gevolg. Datzelfde kan gebeuren met verkeerd toegepaste isolatie. En isolatiemateriaal dat niet goed aansluit, heeft veel minder isolerende werking. Van der Grijp bepleit daarom een voorzichtige aanpak: “Doe het slow.” Monumentaal groen De provincie Gelderland start via dezelfde netwerkbenadering een traject Monumentaal groen op landgoederen. Dat krijgt waardering van bewoners, bezoekers en het toeristisch recreatief bedrijfsleven, maar kost veel geld en levert weinig op. Bovendien is veel vakmanschap nodig voor het behoud. Dat is voor de provincie Gelderland aanleiding om te investeren in kennis en samenwerking rond monumentaal groen. De workshop Monumentaal Groen op de netwerkbijeenkomst eind januari was een voorproefje. De stichting Huis Bergh heeft,

20

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 20

20-05-14 14:45


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

naast subsidie van de provincie, andere fondsen weten te mobiliseren voor herstel van de beschoeiing rond de gracht, waaronder het Prins Bernhard Cultuurfonds. Huis Bergh worstelt met een dilemma op de wallen, waar de bomen eigenlijk vervangen moeten worden, maar hoe pak je dat aan met bomen die cultuurhistorisch waardevol zijn en waar ook nog eens vleermuizen in wonen? Ook de tuinen van Huis Bergh zijn in transitie. Onlangs is een sterrenbos hersteld. Binnenkort volgt de oude tuinstructuur. Binnen deze structuur permitteert het Landgoed zich de vrijheid om te kiezen voor moderne invullingen. Een nieuwe manier om te besparen op de kosten is de inzet van vrijwilligers. André Kaper van de Stichting Landschapsbeheer Gelderland boekt resultaten met het opzetten van zogenaamde landgoedwerkgroepen. De komende twee jaar gaat hij met financiële ondersteuning van de provincie helpen vijf nieuwe landgoedwerkgroepen op te zetten. In het tweede deel van de workshop riep Kien van Hövell tot Westerflier op tot vernieuwen van de financiering van monumentaal groen. “Denk aan arrangementen die nog twee of drie maatschappelijke waarden dienen.” Ze gaf het voorbeeld van groenbeheer op haar Landgoed Grootstal waarbij een tuinbaas samenwerkt met twee jongens die het vak van monumentaal groen leren. Het zijn jongens die niet gemakkelijk werk kunnen vinden, maar hier een vak leren. Het Landgoed profiteert van de kennis van de tuinbaas, extra handen én werkt mee aan een toekomst voor deze jongeren.

Veel beweging in Gelderland Het provinciale kennis- en leertraject brengt veel mensen en organisaties in beweging. De helft van de Gelderse landgoederen is begin 2014 bezig met energietransitie. Voor 2011 deed vrijwel niemand iets op dit gebied. De provincie Gelderland ontving in 2013 31 aanvragen voor cofinanciering van onderzoek naar energiemogelijkheden in monumenten, waarvan 16 landgoederen. Gelderland investeert in de periode tot en met 2016 samen met eigenaren miljoenen in duurzame restauratie en herbestemming inclusief energietransitie. De provincie biedt een faciliteit voor laagrentende leningen en een subsidiemogelijkheid, maar die is inmiddels al overtekend. Gelderland streeft bovendien naar een stijging van het aantal leerling-bouwplaatsen van 30 naar gemiddeld 40 per jaar, waarbij de leerlingen een module monumentale energietransitie moeten volgen. Van de restauratiebedrijven in Gelderland hebben zich 83 aangesloten bij de erkenningsregeling Gelderse Voet (aannemers, installateurs, rietdekkers, loodgieters). Binnen twee jaar wil de provincie het aspect monumentale energietransitie tot vast onderdeel van hun werk maken. Van deze ondernemers wordt verwacht dat zij deskundigheid genereren op het gebied van energiebesparing in de monumentale context. Een tiental bedrijven had begin 2014 al stappen gezet. Voor toekomstige subsidiebeschikkingen vraagt de provincie van monumenteigenaren onder het motto ‘nu we er toch zijn’ een energieonderzoek. De eigenaar kan dan in de restauratieplannen energietransitie meenemen.

De Gelderse gedeputeerde Annemieke Traag is heel tevreden over de resultaten. “Veel landgoederen en buitenplaatsen verlagen hun energiekosten enorm. Dat draagt bij aan hun instandhouding.” Literatuurlijst -  Handboek Duurzame Monumentenzorg - theorie en praktijk van duurzaam monumentenbeheer, E.J. Nusselder (Monumentenzorg), H. van de Ven (RCE), Michiel Haas en Birgit Dulski (NIBE) ISBN / ISSN: 978-90-5367484-0. Uitgever: SBR. Jaar van uitgifte: 2011. Te verkrijgen via: www.sbr.nl. In te zien bij de bibliotheek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Noten Zie: www.duurzamelandgoederen.nl. Filmverslag van netwerkconferentie eind januari in Huis Bergh: https://vimeo. com/85432115

1

Het Gelderse kennis- en leertraject Monumentale energietransitie maakt deel uit van het Gelders programma Cultuur & Erfgoed, het Gelders kennisprogramma DuurzaamDoor 20131016 en het Europese programma SHARE Interreg IVB NWE Safeguarding Heritage and Rural Economies. Verantwoordelijk gedeputeerde is Annemieke Traag. Organisator: Wing begeleidt en ontwerpt processen in de groene ruimte, brengt partijen bij elkaar en verbindt verschillende belangen, http://www.wing.nl.

Kansrijke technieken 1. Houtgestookte cv-ketels bewijzen op diverse plaatsen dat zij een geschikte, duurzame techniek vormen voor historische buitenplaatsen. Van alle beschikbare technieken is dit misschien wel de meest gemakkelijk toepasbare techniek. Aandachtspunt is de beschikbare ruimte voor cv-installatie en houtopslag. 2. Zonnepanelen zijn niet de meest eenvoudige techniek op en rond monumenten, maar ze zijn onder voorwaarden wel mogelijk. Veel gemeenten stellen eisen aan het uiterlijk van het paneel, zoals kleur en mate van reflectie, naast de plaats waar de panelen komen. 3. Infraroodverwarming is een interessante ontwikkeling die kan passen binnen de trend om lokaal een prettig klimaat te scheppen in een verder matig verwarmd gebouw.

In dat laatste zit de besparing. Stralingsverwarming past goed bij de traditionele bouwwijze van monumenten. Praktische zaken moeten zich nog uitwijzen zoals comfort en energiebesparing. Ook de visuele gevolgen spelen een rol in bijzondere historische interieurs. Voor nieuwe technieken bij historische gebouwen geldt als advies: de eerste keer uitproberen in een niet-monument. 4. Voor windturbines hebben nogal wat gemeenten beleid geformuleerd dat deze turbines niet toestaat. Naast technische problemen spelen ook visuele problemen bij plaatsing van kleine windturbines in een historische omgeving. De opbrengst van veel kleine windturbines – zowel financieel als voor het milieu – valt tegen. Enkele nieuwe typen kleine windturbines scoren op deze punten beter. 21

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 21

20-05-14 14:45


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

Op weg naar Werelderfgoed:

De Romeinse Limes

Foto: Nederlandse Limessamenwerking.

Drs. S.M. van Roode Adviseur Nederlandse Limessamenwerking

1 - Op 27 januari 2014 ondertekenden bestuurders gezamenlijk de intentieverklaring Werelderfgoednominatie Romeinse Limes in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden.

O

p 27 januari ondertekenden de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de gedeputeerden Cultuur van de provincies Gelderland, Utrecht en ZuidHolland en de portefeuillehouders Cultuur van vrijwel alle gemeenten in de Limeszone een intentieverklaring in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Door de verklaring te ondertekenen, spraken zij gezamenlijk de intentie uit de Romeinse Limes als Werelderfgoed voor te dragen. Deze feestelijke bijeenkomst onderstreepte het belang dat alle partijen aan een succesvolle nominatie hechten. Door het Nederlandse deel van de Limes op te nemen in de reeks Limesdelen die al Werelderfgoedstatus hebben, zoals Hadrian’s Wall en de Antonine Wall in Engeland en de ObergermanischRhaetischer Limes in Duitsland, ontstaat het grootste aaneengesloten archeologische gebied van Europa.

De invloed van het Romeinse Rijk op onze streken is dermate groot geweest dat de echo’s daarvan nog altijd doorklinken in onze samenleving. Het meest bekend zijn uiteraard de stelselmatige veranderingen zoals het betaling van belasting aan een centraal bestuursorgaan, het gebruik van schrift, een monetaire economie en infrastructurele veranderingen zoals het bouwen in steen en de aanleg van een wegennet, maar daarnaast hebben ook landschappelijke aanpassingen plaatsgevonden die nog altijd te zien zijn. Dit artikel belicht het belang van het Nederlandse deel van de Limes in internationaal perspectief, de inspanningen die op nationaal en internationaal vlak ondernomen worden om de grens van het Romeinse Rijk als Werelderfgoed voor te dragen en het belang van de ontsluiting van de Limes in eigen land. De Limes verbindt ons met

andere landen en vervlogen tijden: door dit internationale erfgoed veilig te stellen voor de toekomst, wordt het verhaal van een gezamenlijk deel van het verleden bewaard en verteld. De Romeinse Limes: een internationale grens Met de term ‘limes’ wordt de grens van het Romeinse Rijk aangeduid zoals zich dat rond de eerste eeuw uitstrekte rondom de Middellandse Zee. Hoewel ‘limes’ een woord uit het Latijn is, gebruikten de Romeinen deze term zelf niet om de rijksgrens aan te duiden, althans niet tot de vierde eeuw.1 De grens van het Romeinse rijk was ook geen eenduidig begrip of haarscherp gemarkeerde grens, maar veeleer een zone waarbinnen invloedssferen elkaar raakten. Het imperium kende een Romeinse kern, met daaromheen een arrangement aan provincies die verschillende betrekkingen

22

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 22

20-05-14 14:45


nummer

28

Juli

2014

met Rome onderhielden. De regionen waar het huidige Nederland in lag, vormden een lappendeken van stamverbanden die een verdrag met Rome hadden gesloten. 2 De grenszone die nu als Limes wordt aangeduid, vormde een aaneenschakeling van posten waar het Romeinse Rijk haar aanwezigheid deed gelden. Deze posten ontstonden voor het grootste deel vanaf het begin van de jaartelling, tijdens de regering van keizer Augustus, en werden daarna geleidelijk aan verder ontwikkeld. De posten langs de grenszone lagen gemiddeld een dagmars van elkaar af, maar de afstand kon variĂŤren waar dat de natuurlijke omstandigheden van het landschap dat vereisten. Resten van deze grotendeels militaire infrastructuur worden aangetroffen van Engeland tot Marokko. Opmerkelijk hierbij is dat de Romeinen het natuurlijke landschap en reeds aanwezige infrastructuur benutten om hun invloedssfeer duidelijk af te bakenen.3 In het noordelijke deel van het Romeinse Rijk werden de Rijn en de Donau als min of meer natuurlijke grens gehanteerd. Het oosten werd grotendeels afgebakend door de loop van de Eufraat en de Zwarte Zee, terwijl in het zuidelijk deel van het Romeinse Rijk het woestijnlandschap weer een andere vorm van begrenzing van met zich meebracht. In het merendeel van de landen waar de Romeinse Limes wordt aangetroffen, gaat het om goed zichtbare bovengrondse resten. Castella, wachtposten, imposante muren, stadscentra, delen van wegen: goed geconserveerde resten uit natuur- of baksteen. Voor het Nederlandse deel van de Limes is dat anders. Aangezien in Nederland natuursteen van nature niet voorkomt, maar over grote afstanden getransporteerd moest worden, werd in Nederland gebruik gemaakt van het alomtegenwoordige hout dat ook vanuit BelgiĂŤ en Duitsland ruim voorradig was. Kenmerkend voor de Nederlandse Limes is dat deze niet alleen langs een rivier, maar in een rivierdelta ligt. Dat heeft consequenties voor zowel de aard van de te verwachten archeologische resten als de conservering ervan. De Limeszone in Nederland volgt grotendeels de loop van de Oude Rijn. Caesar noemt de Rijn al als grens tussen de Germanen en Kelten. De kwaliteiten van het rivierengebied bleven ook door de Romeinen niet onopgemerkt, waardoor de Limeszone daarmee gerelateerd is aan zowel het fysieke en het militaire landschap. Zowel de Maas

Foto: Sigrid van Roode

Vitruvius

2 -Detail van de zogenoemde Peutinger Kaart met een aantal plaatsen in Zuid-Holland. als de Rijn deden dienst als handelsroute en verbinding met de rest van het rijk. Langs de Noordzeekust hielden Romeinse forten de belangrijkste verbindingen onder controle. Rond het begin van de jaartelling liet de Romeinse generaal Drusus, de stiefzoon van Augustus, een aantal verbindingen uitgraven tussen bestaande rivieren om zo het Romeinse leger makkelijker te kunnen mobiliseren in een poging het gebied ten noorden van de Rijn te veroveren. Ook werd in het kader van deze waterwerken een dam aangelegd die de waterverdeling tussen de Rijn en de Waal veranderde in het voordeel van de Romeinse doelstellingen. Daarnaast vormde de Limeszone in Nederland de voortzetting van de militaire afbakening van de Romeinse invloedssfeer in Duitsland, waar het zwaartepunt van de Romeinse grenstroepen in Europa aanwezig was. De Nederlandse Limes is daarmee van strategisch belang voor zowel de militaire aanwezigheid op de linkerflank voor de in Duitsland gelegerde troepen als voor bevoorrading en de kortste verbindingen met Engeland. Bijzonder aan de Nederlandse Limes is is dat deze niet alleen een grote tijdsdiepte kent, vanaf de eerste aanwezigheid van de Romeinen tot het uiteenvallen van het rijk, maar ook het volledige spectrum aan elementen in zich draagt. Uniek voor de restanten van de Romeinse Limes in Nederland is zowel het gebruik van hout als de voortreffelijke conservering daarvan in het rivierenlandschap. Uiteraard

zijn er ook, vooral in het oosten van land, resten uit natuursteen aanwezig, maar de conserveringsgraad van organisch materiaal in Nederland is uitzonderlijk voor de Limes. Vrijwel nergens anders rond de grenzen van het Romeinse Rijk zijn bijvoorbeeld zoveel schepen aangetroffen als in de Nederlandse bodem. Dat geldt ook voor houten beschoeiingen, kades, wachttorens en andere structuren. Palen die tweeduizend jaar geleden in de bodem zijn geslagen om Romeinse wegen langs de Rijn in het veranderlijke rivierenlandschap te verstevigen, zijn nog altijd bewaard gebleven. Ook ander organisch materiaal is uitstekend bewaard gebleven. De resten van de Limes in Nederland vormen dan ook een zeer waardevolle aanvulling op de bestaande kennis over de Limes zoals die uit bestudering van overblijfselen in andere landen inzichtelijk wordt. Door bestudering van de archeologie van de Romeinse Limes in Nederland wordt meer inzicht verworven in zowel de militaire als de handelsinfrastructuur en de logistiek aan de randen van het Romeinse rijk. Daarmee is het Nederlandse deel van de Limes niet een nationale variant op de werelderfgoedsites die in andere landen te bezoeken zijn, maar voegt het inzicht in een ander aspect van het Romeinse Rijk aan de gezamenlijke kennis toe: grensorganisatie en logistiek.4 Nominatieproces UNESCO en nominatie Het Nederlandse deel van de Limes is in 2011 opgenomen op de Voorlopige Lijst 23

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 23

20-05-14 14:45


Vitruvius

Opname op de Voorlopige Lijst biedt geen garantie op plaatsing op de Werelderfgoedlijst. Om voor de Werelderfgoedstatus in aanmerking te komen, moeten zowel erfgoed als indienende lidstaat aan een aantal randvoorwaarden voldoen, bijvoorbeeld ten aanzien van uniciteit, authenticiteit, maar ook voor wat betreft instandhouding en ontsluiting. In een uitgebreid nominatiedossier geeft de lidstaat aan wat de kernkwaliteiten en universele waarden van het erfgoed zijn en hoe aan deze randvoorwaarden wordt voldaan. Na indiening van het nominatiedossier door de lidstaat wordt tijdens de jaarlijkse sessie van het Werelderfgoedcomite besloten over toevoeging van het erfgoed op de lijst. Voorafgaand aan de beslissing wordt advies ingewonnen bij ICOMOS/ICCROM, het officiële adviesorgaan van UNESCO voor wat betreft cultureel erfgoed. Dit adviesorgaan toetst of zowel het dossier als de beoogd beheerders en overheden voldoen aan de voorwaarden van UNESCO en brengen hierover een advies uit aan het Werelderfgoedcomité. Nominatieproces Romeinse Limes Omdat Nederland meerdere erfgoederen op de nationale Voorlopige Lijst heeft staan, heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in november 2013 aan de erfgoederen op de lijst verzocht aan te geven op welke wijze zij het nominatiedossier voor zullen bereiden. Ieder erfgoed dient in het najaar van 2014 aan te geven hoe ver zij zijn met

Foto: Sigrid van Roode

om benoemd te worden tot Werelderfgoed. Het Werelderfgoedverdrag, daterend uit 1972 en in 1992 door Nederland geratificeerd, is het meest bekende verdrag dat binnen de UNESCO-samenwerking is opgesteld. Inmiddels hebben 190 lidstaten het verdrag ondertekend, hetgeen het belang onderstreept dat wereldwijd aan de verbindende kracht van erfgoed wordt gehecht. Het verdrag is bedoeld om cultureel, maar ook natuurlijk, erfgoed dat van universele en unieke waarde is voor de mensheid te bewaren en ontsluiten voor toekomstige generaties. Daarmee draagt het Werelderfgoedverdrag bij aan de algemene doelstellingen van UNESCO: het bevorderen van vrede, duurzame ontwikkeling en interculturele dialoog door middel van onderwijs, wetenschap, cultuur en communicatie. Werelderfgoed is erfgoed dat boven culturen uitstijgt en mondiaal aansprekend is. Binnen Nederland zijn inmiddels acht erfgoederen tot Werelderfgoed benoemd. De status van Werelderfgoed is een keurmerk dat UNESCO afgeeft: bescherming, behoud en ontsluiting van de erfgoederen is volledig de verantwoordelijkheid van het land waarbinnen het erfgoed is gelegen. De Voorlopige Lijst, waar de Romeinse Limes op staat, is een nationale lijst die iedere lidstaat van UNESCO zelf bijhoudt. Op deze lijst wordt een selectie van natuurlijke en culturele erfgoederen gepresenteerd, die de lidstaat op termijn wil voordragen om op de Werelderfgoedlijst geplaatst te worden.

3 -Herkenbaarheid van het Romeinse verleden is van essentieel belang voor de Werelderfgoednominatie. Startpunt van een wandelroute door Romeins Nijmegen.

nummer

28

Juli

2014

de voorbereiding van het nominatiedossier, waarbij aan alle aspecten die ook in het later in te dienen dossier aan bod komen, aandacht besteed moet worden. Op basis van de verschillende stadia van voorbereiding wordt beslist in welke volgorde Nederland de nominaties zal indienen. Het Nederlandse deel van de Romeinse Limes doorsnijdt de provincies Gelderland, Utrecht en Zuid-Holland en loopt door 26 gemeenten. De provincies zijn de trekker van de nominatie, en hebben hiertoe gezamenlijk een coördinatiepunt ingericht. De samenwerking wordt gecoördineerd door programmamanager Tamar Leene. Doelstelling van de provincies is het afdoende beschermen van de Limes, het vergroten van de bekendheid en beleefbaarheid van de Limes en het verkrijgen van de Werelderfgoedstatus voor de Romeinse Limes. Niet alleen nationaal, maar ook internationaal is de Romeinse Limes grensoverschrijdend. De nominatie wordt voorbereid in samenwerking met Duitsland. In Duitsland staat een deel van de Romeinse Limes al sinds 2005 op de Werelderfgoedlijst: de 550 kilometer lange Obergermanisch-Raetischer Limes die zicht uitstrekt tussen de Donau en de Rijn. Het aansluitende stuk, de Niederrheinischer Limes, wordt momenteel door Duitsland voorbereid om voorgedragen te worden. Omdat de voordracht van zowel het Nederlandse als het Duitse deel geschiedt via een uitbreiding van het ‘transnational property’, dus opname in het reeds bestaande Werelderfgoed Frontiers of the Roman Empire, wordt door beide landen nauw samengewerkt aan de voorbereiding van beide nominatiedossiers. Beide landen zullen wel zelf een eigen nominatiedossier indienen. Zodra beslist is over de volgorde van de in te dienen nominaties, zal het volledige nominatiedossier voor de Romeinse Limes worden opgesteld. Dit zal naar verwachting een aantal jaar in beslag nemen: de onderbouwing van zowel inhoud als vorm dienen dermate grondig te zijn, dat het proces meerdere afstemmingsrondes en daaropvolgende aanpassingen met zich meebrengt.5 Als eerste stap is in kaart gebracht welke terreinen binnen de Limeszone in aanmerking komen om als Werelderfgoed te worden voorgedragen. Deze inventarisatie liep grotendeels, maar niet geheel, synchroon met de planologische borging van

24

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 24

20-05-14 14:45


nummer

28

Juli

2014

de Limeszone. Het Rijk heeft in 2011 in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) de Limeszone opgenomen als te beschermen gebied. Aan provincies werd de opdracht verstrekt deze zone nader te begrenzen en op te nemen in de provinciale verordeningen. Binnen de Nederlandse Limessamenwerking hebben de drie provincies met de 26 betrokken gemeenten geïnventariseerd waar de kernwaarden van de Romeinse Limes in Nederland zich concreet bevinden. Omdat een van de uitgangspunten van de Werelderfgoedstatus behoud in situ is, is het niet mogelijk de gehele zone als Werelderfgoed voor te dragen. Het rivierengebied, waar de Limes zich in uitstrekt, is een gebied dat intensief ruimtegebruik kent, zowel infrastructureel als agrarisch. Het is dus noodzakelijk om binnen deze zone juist die terreinen te selecteren, die de unieke kwaliteiten van de Romeinse Limes in onze streken herbergen. De eerste inventarisatie hiervan leverde 119 terreinen op die resten bevatten van castella, wachtposten, infrastructuur of andere elementen die een cruciale rol hebben gespeeld in het functioneren van de Romeinse rijksgrens. Het betreft een aantal archeologische Rijksmonumenten, een groot aantal reeds gekende en gewaardeerde terreinen die op de Archeologische Monumentenkaart zijn opgenomen en een klein aantal zogeheten ambitieterreinen: terreinen die nog geen AMK-status hebben, maar mogelijk wel unieke kernkwaliteiten van de Romeinse Limes bevatten. Voor deze terreinen wordt op dit moment in samenwerking met de gemeenten onderzocht of een Werelderfgoedstatus voor de terreinen haalbaar is. Uitgangspunt daarbij is dat als één van de partijen een dergelijke status niet wenselijk acht, het terrein in kwestie niet wordt voorgedragen. Een van de vereisten voor een succesvolle nominatie is immers dat er voldoende draagvlak aanwezig is onder overheden en instanties om een Werelderfgoed duurzaam te behouden voor toekomstige generaties.6 De aanwezigheid van dit draagvlak werd in belangrijke mate onderstreept door de feestelijke ondertekening van de intentieverklaring Werelderfgoednominatie Romeinse Limes door de minister van OCW en de bestuurders van de drie provincies en de Limesgemeenten. Even belangrijk als de planologische aspecten van de nominatie, dat wil zeggen de terreinselectie van de voor te dragen terreinen in samenwerking met de overheden

Foto: Sigrid van Roode

Vitruvius

4 - In Nederland zijn resten van de Limes goed bewaard, maar slechts zelden zichtbaar, zoals hier bij de tempel onder de Grote Kerk in Elst (Gld).

die deze terreinen planologisch beheren, is uiteraard de inhoudelijke onderbouwing. Voor een Werelderfgoednominatie is de inhoudelijke uniciteit van hetgeen beschermd wordt, immers van wezenlijk belang: het goed beschermen van resten die geen significant universele waarden in zich dragen, levert geen Werelderfgoedstatus op. In het nominatiedossier moeten de zogeheten ‘Outstanding Universal Values’ worden aangetoond en onderbouwd.7 Hiermee dient aangetoond te worden waarom de Romeinse Limes in Nederland eenzelfde status toegekend zou moeten worden als de piramiden van Gizeh, de Chinese Muur of de Serengeti. Om deze inhoudelijke waarden inzichtelijk te maken, te beschrijven en te borgen wordt samengewerkt met een team van archeologisch-inhoudelijke specialisten die jarenlange ervaring hebben met onderzoek naar de Limes in Nederland. De kracht van de Nederlandse Limes ligt in de enorme informatiewaarde die in de bodem besloten ligt: de uitermate goed geconserveerde resten van schepen, beschoeiingen en overige structuren geven meer inzicht in het functioneren van dit wereldrijk. Dat maakt tegelijkertijd dat er veel aandacht nodig is voor het ontsluiten van het ver-

haal. Met dit doel voor ogen is de Stichting Romeinse Limes Nederland opgericht. Stichting Romeinse Limes Nederland Naast de inhoudelijke en organisatorische aspecten van de voorbereiding van een werelderfgoednominatie is het uiteindelijke doel uiteraard niet uit het oog te verliezen. Een werelderfgoednominatie houdt immers in dat het erfgoed van dermate belang wordt geacht dat het natie-overstijgend is en voor toekomstige generaties bewaard dient te blijven. Werelderfgoed bestaat kortom niet zonder maatschappelijk draagvlak. Dat betekent dat er ook inspanningen verricht worden om het verhaal van de Romeinse Limes te ontsluiten voor een breder publiek. De Stichting Romeinse Limes Nederland (RLN) ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het samenwerkingsverband van overheden, een pakket aan informatieve middelen om de Romeinse Limes grotere bekendheid te geven. De website www.romeinselimes.nl ontsluit verschillende aspecten van de Limes voor een breed publiek: zowel de belangrijkste locaties langs de Limes die bezocht kunnen worden, als ook een verzameling educatieve middelen, films, en activiteiten die bezocht 25

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 25

20-05-14 14:45


Vitruvius

nummer

28

Juli

2014

Foto: Stichting Romeinse Limes Nederland

5 - Eén van de eerste projecten om meer bekendheid aan de Limes te geven ging in april 2014 van start: ‘Nijmegen Graaft!’, de publieksopgraving van een Romeinse tempel in Nijmegen.

kunnen worden. Daarnaast organiseert de RLN zelf activiteiten in samenwerking met lokale musea, instellingen, scholen maar ook ondernemers waarbij de Romeinse Limes centraal staat. Essentieel daarbij is dat de initiatieven uiteindelijk op lokaal niveau worden geëntameerd en gecontinueerd. De RLN verbindt en faciliteert, zodat het verhaal van de Romeinse Limes lokaal verankerd, ingezet en uitgedragen wordt. Tot slot Om een succesvolle nominatie die op lokaal, nationaal en internationaal niveau procesmatig en inhoudelijk gedragen wordt te realiseren, moet er nog veel werk verzet worden. Met het ondertekenen van de intentieverklaring in januari is daarmee een zeer belangrijke stap gezet: het draagvlak voor deze nominatie is in ruime mate aanwezig. Het beschrijven van de verschillende aspecten en kernkwaliteiten van de Romeinse Limes en het omschrijven van de universele waarden van dit stukje grens van een tweeduizend jaar oud wereldrijk zal nog veel inspanning vergen. Het belangrijkste

resultaat is echter al geboekt: het gezamenlijk besef dat de Romeinse Limes onderdeel uitmaakt van onze gedeelde geschiedenis en het waard is om gekoesterd te worden. Literatuurverwijzingen T. Bloemers 2005. Een eerste stap naar stedelijkheid in de Rijndelta, in: B. Colenbrander (red), Limes Atlas. Rotterdam, 21-26 D. Breeze, 2013. Roman frontiers in their landscape settings. Newcastle upon Tyne J. Lendering & A. Bosman 2010. De Rand van het Rijk. De Romeinen en de Lage Landen. Amsterdam UNESCO Preparing World Heritage Nominations, Paris 2010 M. Petzet, 2008. What is Outstanding Universal Value?, in: Values and Criteria in Heritage Conservation, Proceedings of the International Conference of ICOMOS, ICCROM and Fondazione Romualdo Del Bianco. Firenze Roode, S.M. van 2013. Best practices for a sustainable Management Plan. The Case Study Ammaia in the European Context, in: C. Corsi, B. Slapsak & F. Vermeulen

(ed.) Good Practice in Archaeological Diagnostics. Non-invasise survey of Complex Archaeological Sites, pp 315-327 Noten 1  T. Bloemers 2005, 21 2  Zie bijvoorbeeld Lendering en Bosman 2010 voor een nadere beschrijving 3 Breeze 2013 4  W. Willems en E. Graafstal, in prep: Comparative analysis and Statement of Outstanding Universal Value of the Lower German Limes 5  Zie UNESCO Preparing World Heritage Nominations voor een toelichting op de diverse onderdelen van het nominatiedossier 6  Voor het belang van draagvlak voor duurzaam behoud zijn vele voorbeelden bekend. Zie voor een recent project bijvoorbeeld Van Roode 2013 7  Zie bijvoorbeeld Petzet, 2008 voor een toelichting op de Outstanding Universal Values. Deze worden ook gepresenteerd op de website van UNESCO.

26

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 26

20-05-14 14:45


Vitruvius

nummer

28

Juli

recent

2014

verschenen

Rotterdam 40-45 Auteur

J.L. van der Pauw U i t gav e

WBooks D e ta i l s

Gebonden, 128 pagina’s, ca. 100 zw/w illustraties, ISBN 978-94-6258-001-5 Prijs

€ 24,95

R

otterdam 40-45 is een visuele geschiedenis van de havenstad in de Tweede Wereldoorlog. De Maasstad had het gedurende de oorlogsjaren bijzonder zwaar te verduren. Vijf dagen slechts had de rampzalige oorlog in de meidagen van 1940 geduurd. Vijf bezettingsjaren volgden. Kort na de meidagen van 1940 werden de bombardementen op de stad hervat. Geleidelijk groeide de repressie en begon de vervolging van joden en verzetsmensen. Daarnaast werden veel mannen verplicht in Duitsland te werken; vrouwen en kinderen bleven alleen achter. De schaarste nam bovendien toe. Die ging in de Hongerwinter haar tol eisen. In dezelfde barre periode werden 52.000 Rotterdamse man-

De Utrechtse Domtoren. Trots van de stad Auteurs

René de Kam, Frans KIpp en Daan Claessen U i t gav e

Matrijs (i.s.m. Gemeente Utrecht) D e ta i l s

Gebonden, 544 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-5345-467-1 Prijs

€ 39,95 (tot 15-09-2014, daarna € 49,95)

S

inds 1382 steekt de Domtoren hoog boven de Utrechtse huizen uit. Al tijdens de bouwtijd was het een van de meest aansprekende en besproken gebouwen in de stad. En dat zou het altijd blijven. Maar wie liet die immense toren eigenlijk bouwen en waarom? En hoe ging dat in z’n werk? Hoeveel werklieden waren er bij betrokken? Waar kwamen

nen opgepakt en weggevoerd. En alles speelde zich af in een gehavende, onttakelde en volledig ontwrichte stad… Rotterdam 40-45 is gebaseerd op uitgebreid bronnen- en foto-onderzoek in binnen- en buitenland. Een deel van de foto’s is niet eerder in boeken afgedrukt. Ook onbekend bronnenmateriaal kwam tijdens het onderzoek boven water. In concept volgt het boek de succesvolle uitgave Het Grote 40-45 Boek, dat verscheen in samenwerking met het NIOD. Die uitgave werd positief in de media ontvangen en beleefde inmiddels meerdere drukken. n

de bouwmaterialen vandaan en hoe werden die verwerkt?

 In De Utrechtse Domtoren. Trots van de stad worden al deze vragen beantwoord. Ook wordt voor het eerst het bouwbedrijf van de Dom uitvoerig besproken. Om de bouw beter te begrijpen, zijn er gedetailleerde 3D-modellen van de Domtoren en de vroegere omgeving gemaakt. In de veertiende eeuw was er nog geen sprake van een Domplein en stond er rondom de te bouwen toren veel bebouwing. De torenbouwers moesten dan ook voorzichtig te werk gaan.

 Er is bijna tien jaar onderzoek gemoeid met het maken van dit boek. Duizenden archiefstukken en tientallen onderzoeksverslagen zijn bestudeerd om de geschiedenis te beschrijven van de beroemde toren, waarvan de bouw bijna zeven eeuwen geleden begon. In al die eeuwen heeft de toren veel meegemaakt. Ooit gebouwd als onderdeel van de Utrechtse kathedraal werd de Domtoren na de Reformatie van 1580 steeds meer een stadse toren. De toren overleefde storm en regen dankzij de vele generaties die zich over het bouwwerk ontfermden. Dat was niet zomaar, want Geert Grote schreef het al in de veertiende eeuw: de Domtoren is de trots van de stad. n

27

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 27

20-05-14 14:45


recent

Vitruvius

verschenen

nummer

28

JULI

2014

Tandheelkunde in de prentkunst Auteur

G.J. Schade U i t gav e

THOTH (i.s.m. St. Vrienden Tandheelkundig Erfgoed) D e ta i l s

Gebonden, 416 pagina’s, ca. 280 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-650-0 Prijs

€ 69,50

D

e Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT) heeft in 1960 de prenten uit de collectie Kalman Klein en in 1996 die uit de collectie De Maar aangekocht. De Haagse tandheelkundige Klein (1885-1947) had een grote historische tandheelkundige verzameling, uiteenlopend van prenten en instrumenten tot een collectie kostbare boeken. Deze collectie werd in 1960 door F.E.R.

de Maar, oprichter en conservator van de tandheelkundige collectie van het Universiteitsmuseum Utrecht, verworven. De collecties Klein en De Maar vormen nu de grootste verzameling op het gebied van tandheelkundige prenten ter wereld. Uit de ruim 600 prenten van de NMT zijn voor dit boek de 275 mooiste geselecteerd. Ze zijn verdeeld over 100 taferelen. Kaakchirurg Gert Schade heeft ze opgenomen in vier hoofdstukken, waarin martelares en patroonheilige Apollonia haar entree doet, kwakzalvers hun middelen en behandelingen aanprijzen op kermissen en jaarmarkten, het tandheelkundig metier zijn werkzaamheden verplaatst van markt naar salon en het ontstaan van de spotprent aan de orde komt, uitmondend in de politieke satire. Tandheelkunde in de prentkunst verschijnt ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de NMT en schetst op een levendige en soms geestige wijze een schitterend beeld van de boeiende geschiedenis van de tandheelkunde uit de periode 1470-1870. n

De Drentsche Aa Portret van een monumentaal landschap Auteurs

Maarten Westmaas (tekst en fotografie) U i t gav e

Waanders & De Kunst D e ta i l s

Gebonden, 216 pagina’s, geïllustreerd met ca. 200 foto’s in kleur, ISBN 978-94-9119-684-3 Prijs

€ 25,-

H

et Drentsche Aa-gebied in het midden en noorden van Drenthe is een van de laatste gave stroomdalen van Nederland. Het bestaat uit oud Drents cultuurlandschap met madelanden (graslanden), bosjes, houtwallen, essen (akkers), heide, jeneverbesstruwelen, esdorpen, hunebedden en landgoederen. Het gebied telt vele beken en waterlopen, waaronder de Drentsche Aa. Over dit unieke landschap verscheen nu een al even uniek boek. Er is geen plek in Nederland, of zelfs in West-Europa, met een landschap zoals de Drentsche Aa. Kronkelend zoekt deze beek zich een weg door eeuwenoud en mysterieus cultuurlandschap. Wie het gebied van de Drentsche Aa bezoekt,

maakt kennis met het oude Drenthe: de grote stille heide met zijn schaapskudde, herder en hunebedden. Maar ook het nieuwe Drenthe in GPS-tochten, mountainbike-routes en festivals. Maar de Drentsche Aa is niet één beek. Het is een verzameling beken, stroompjes, loopjes, diepjes en sloten. Hetzelfde water en telkens een andere naam. Wat maakt dit landschap tot geheel? En wat maakt ieder stroompje weer uniek? Dat was de zoektocht voor landschapsfotograaf Maarten Westmaas. De Drentsche Aa is een boek over een beek en over een landschap. Onlosmakelijk met elkaar verbonden van de bronnen in het hart van Drenthe tot de monding in de Waddenzee op de grens van Groningen en Friesland. n

28

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 28

20-05-14 14:45


Vitruvius

nummer

28

Juli

recent

2014

De Amsterdamse grachtengordel Werelderfgoed sinds de Gouden Eeuw Auteurs

A. Te Stroete en G. Van Tussenbroek (red.) U i t gav e

Matrijs (i.s.m. Bureau Werelderfgoed) D e ta i l s

Gebonden met stofomslag, 188 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-5345-475-6

Prijs

€ 24,95

D

e Amsterdamse grachtengordel werd in de zeventiende eeuw aangelegd. Het bekende resultaat is een karakteristiek stratenpatroon met een belangrijke rol voor het water. De grachten stonden in verbinding met de Amstel, het IJ en zo ook met de rest van de wereld: Amsterdam was

Het Grote Jaren 60 Boek Auteurs

Paul Brood, René Kok, Erik Somers U i t gav e

WBooks

verschenen

destijds een rijke handelsstad. Vier eeuwen later is de erfenis van deze welvaart nog steeds zichtbaar in het straatbeeld met imposante gevels van woonhuizen, pakhuizen en andere gebouwen. De Amsterdamse grachtengordel. Werelderfgoed sinds de Gouden Eeuw beschrijft de geschiedenis van de aanleg, de architectuur van de grachtenpanden, de opkomst van Amsterdam als wereldstad, het leven in de Gouden Eeuw en de huidige situatie. Daarnaast is er ruimschoots aandacht voor speciale gebouwen en bijzondere bewoners. Ondersteund met foto’s, schilderijen en kaarten worden in het boek zowel historische als actuele facetten van de grachtengordel besproken, waardoor een compleet beeld ontstaat van wat geldt als een toonbeeld voor de Gouden Eeuw. Hoewel de grachtengordel in 2010 pas officieel UNESCOwerelderfgoed werd, zegt de titel al genoeg: Werelderfgoed sinds de Gouden Eeuw. n

Maar ook de periode van bevrijding, democratisering, verzet en ontwikkeling. De eindeloze jaren zestig! Wie de jaren zestig heeft meegemaakt, zal zich er veel van herinneren. Maar wie jonger is, moet wel denken: wat is dat een geweldige periode geweest!

D e ta i l s

Gebonden, 368 pagina’s, geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-6630-774-2 Prijs

€ 49,95

R

oerige tijden, de protestjaren, het decennium van de flower power, de hippies, de happenings en de provo’s.

Amsterdamse grachtentuinen Auteur

Museum van Loon (red.) U i t gav e

WBooks D e ta i l s

Paperback, 64 pagina’s, geïllustreerd in kleur, ISBN 978-94-6258-013-8 Prijs

€ 9,95

W

at ligt er verborgen achter de eeuwenoude patriciërshuizen aan de Amsterdamse grachten? van de

De jaren zestig van de 20e eeuw liggen inmiddels meer dan veertig jaren achter ons. Dat maakt het mogelijk om met wat meer afstand naar die bewogen jaren te kijken. Was het werkelijk zo’n revolutionaire tijd? Of zijn de herinneringen en de eigentijdse getuigenissen te veel gekleurd? 

Het Grote Jaren 60 boek laat de werkelijkheid zien, genuanceerder en soms net iets anders dan we dachten. Maar zonder twijfel het begin van de moderne tijd. n

rijke Gouden Eeuw met zijn koopmannen, tulpengekte en verzamelaars van exotische planten en rariteiten tot aan onze tijd: vier eeuwen tuingeschiedenis in een notendop worden in dit boekje beschreven. Schitterende foto’s van de grachtentuinen in alle seizoenen illustreren de verschillende onderwerpen. Twee weekenden per jaar heeft men de kans kennis te maken met deze verborgen groene wereld, tijdens de Amsterdamse Tulpen Dagen in april/mei en tijdens de Open Tuinen Dagen in juni. Een aantal tuinen is het hele jaar geopend voor het publiek. Na lezing van dit boekje wilt u niets liever dan zo snel mogelijk ontdekken of deze weelderige groene wereld werkelijk zo wonderschoon is. n

29

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 29

20-05-14 14:45


recent

Vitruvius

verschenen

Erfbeplanting rond Doetinchem. De inrichting van historische boerenerven Auteur

Werkgroep Erfbeplanting Doetinchem (red.) U i t gav e

Matrijs D e ta i l s

Genaaid met omslagflappen, 132 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-5345-452-7 Prijs

€ 19,95 (+ verzendkosten € 1,95)

E

en meidoornhaag als afrastering, de ramen van het kippenhok altijd op het oosten en hoogstamfruitbomen in de bongerd gezien vanuit het keukenraam. Deze beelden zijn karakteristiek voor het boerenerf, zoals dat tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw gebruikelijk was in de Achterhoek. De kennis

Stoomgemaal De Tuut Een monument van gemeenschapszin. Auteur

Gerard van der Ven, Leo ten Hag en Jan Reijnen U i t gav e

Stichting Baet en Borgh D e ta i l s

Gebonden, 176 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-7105-925-4 Prijs

€ 24,95 (excl. € 4,75 verzendkosten).

*Het boek is te bestellen door het verschuldigde bedrag over te

maken op rekeningnummer NL98 rabo0103206000 t.n.v. Stoomgemaal De Tuut onder duidelijke vermelding van uw naam en adres.

H

et gerestaureerde stoomgemaal De Tuut te Appeltern is het enigste bewaard gebleven stoomgemaal in het Stroomgebied van Rijn en Maas en een ‘landmark’ in het rivierenlandschap van Maas en Waal. De slanke, herbouwde schoorsteen is al van verre zichtbaar. Het gemaal met zijn uitwateringssluizen, de kolenloods, de machinistenwoningen en het nabijheid gelegen moderne elektrische gemaal Bloemers vormt ook architectonisch een zeer interessant geheel. Het bijna 100 jaar oude stoomgemaal De Tuut werd in 1967

nummer

28

JULI

2014

over deze vaak streekgebonden karakteristieken wordt steeds schaarser. Nieuwe erfbewoners, de moderne tijd en vernieuwing dragen er aan bij dat het klassieke beeld van een streekeigen boerenerf steeds meer verloren gaat. In Erfbeplanting rond Doetinchem. De inrichting van historische boerenerven is een deel van deze geschiedenis onderzocht en in kaart gebracht. Een uitgebreide, historische schets van de boerenerven wordt getoond, waarbij nostalgie, de schoonheid van het oude boerenlandschap en de functionaliteit daarvan centraal staan.

 Het boek vormt daarnaast, dankzij de vele tips en handreikingen, een ideaal startpunt voor eigen onderzoek en herstel van uw erf. Zowel uiterst informatief als praktisch wordt een eerbetoon gegeven aan het streekeigen erf. Erfbeplanting rond Doetinchem is het verslag van een uitzonderlijk project, waarbij met concrete voorbeelden en verhelderende illustratief een overzicht gegeven wordt van de geschiedenis van de erfbeplanting in het Achterhoekse landschap. n

buiten bedrijf gesteld. Hierna werd het gebouw werd al snel een ruïne, de bouwvallig geworden schoorsteen werd neergehaald en de machines hadden nog slechts schrootwaarde. In 1984 werd de monumentenstichting Baet en Borgh opgericht, die het gemaal van het waterschap overnam. Door vrijwilligers werden daarna veel manjaren besteed aan het gemaal om de schoorsteen en de machines weer in originele staat te brengen. Het bestuur van de stichting verwierf grote geldbedragen om de restauratie mogelijk te maken terwijl het regionale bedrijfsleven veel diensten leverde en om niet materialen ter beschikking stelde.. De publicatie is wetenschappelijk verantwoord maar kan ook door een breed publiek gelezen worden. De eerste drie hoofdstukken van dit boek handelen over de strijd tegen het binnenwater in de periode van 1250 tot 1970. Hier komen aan de orde: het graven en het beheer van de grote weteringen, de toepassing van windmolens, het gemaal bij Dreumel uit 1846 (het eerste stoomgemaal in het rivierengebied) en de invoering van de stoombemaling in het Land van Maas en Waal. Het vierde hoofdstuk behandelt de geschiedenis van de bouw van het stoomgemaal De Tuut. Hierin wordt aan de hand van het dagboek van opzichter G.J. Arntz een beschrijving gegeven van de bouw van het gemaal. Het vijfde hoofdstuk handelt over het stoomgemaal De Tuut als monument. Hier wordt ingegaan op de verpaupering van het gemaal, de oprichting van de Stichting Baet en Borgh, de rol van het bestuur, de subsidiegevers en er wordt uitvoerig aandacht geschonken aan de rol van de vrijwilligers. n

30

Donat

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 30

20-05-14 14:45


Op de foto: “Sinds de 14e eeuw werd Slot Well, markering langs de Maas, bewoond door de familie van Malsen. Het heeft vele oorlogen doorstaan. Tijdens de Franse oorlog is zelfs de linkerkant van het kasteel afgebroken. In de 19 eeuw werd dit gedeelte weer aangebouwd door toenmalig eigenaar Baron Slingerland. Daarom zie je nu een middeleeuwse toren met een neo-middeleeuws zijgedeelte.” “In 2001 heb ik het kasteel gekocht en grondig gerestaureerd. Het is een bijzonder bezit, zodra je de poort doorrijdt, word je betoverd. De entree is prachtig, maar toch knus. Precies dát is de kracht van Slot Well. Dikke muren, kantelen, grachten, een ophaalbrug, en toch een behaaglijke woonomgeving, met koetshuis. Ook heel bijzonder is het dubbele grachtenstelsel, onderhand zeldzaam in ons land.” “Op de foto zit ik in de salon, het mooiste gedeelte van het huis. Compleet met een prachtige schouw en een interieur dat past bij de stijl van het monument. Zelfs het behang is eeuwenoud en monumentaal.” Dhr. E. Schermerhorn, eigenaar en ondernemer

D

onatus verzekert vertrouwd

Monumenten worden met veel zorg omgeven door eigenaren en beheerders. Dat is belangrijk en nodig. Net als het kiezen van de juiste verzekering. Al sinds 1852 heeft Donatus ervaring in het verzekeren van monumentale kerken en gebouwen. Als onderlinge maatschappij werken wij zonder winstoogmerk. Wij hebben dan ook geen klanten, maar leden. Maak vrijblijvend kennis met Donatus. Onze expertise zal u verbazen en verrassen, evenals onze jaarlijkse premierestitutie.

sinds 1852

www.donatus.nl tel. 073 - 5221700

Donatus-Vitrivius-adv205x285_mag-FC-G.indd 1

VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 31

16-01-14 11:16

20-05-14 14:45


VITRUVIUS_juli2014_v2.indd 32

20-05-14 14:45

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius juli 2014  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius juli 2014  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur