Page 1

O n a f h a n k e l i j k v a k b l a d v oo r e r f g o e d p r o f e s s i o n a l s Archeologie | Cultuurlandschap | Monumenten | Immaterieel erfgoed | Volkscultuur

Jaargang 7 | Numme r 25 | Oktober 2 0 1 3

Het gaat goed met onze oude dijken, maar het kan beter

Grazen in stuivende duinen

VITRUVIUS oktober 2013.indd 1

Nieuw Amerikaans

Erfgoedzorg met hart en ziel

21-08-13 15:27


Uw speciaal Erfgoed verdient een Special in Vitruvius Steeds meer Steeds meer gemeenten gemeentenzetten zetten zich zichactief actiefininvoor voorhun huneigen eigencultuurcultuurhistorie, monumenten, musea, musea,bodemvondsten bodemvondstenen enander andererfgoed. erfgoed. voor Erfgoed spreekt inwoners inwonersaan: aan:talloze tallozevrijwilligers vrijwilligerszetten zettenzich zichinin voor het behoud van van een eenmonument, monument,of ofzijn zijnactief actiefinin een historische verhet behoud een historische vereniging. Cultuurhistorie draagt draagtbovendien bovendien sterk sterkbij bijaan aaneen eengevoel gevoel eniging. Cultuurhistorie van locale identiteit. identiteit. Erfgoed leeft! van locale Erfgoed leeft! Presenteer uw gemeentelijk erfgoedbeleid in vakblad Vitruvius met Presenteer uwInformeer gemeentelijk in vakblad Vitruvius met een ‘special’. naarerfgoedbeleid de plaatsingsmogelijkheden. een ‘special’. Een eerste voorbeeld hiervan vindt op pag. 22-27. Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren uvoor promotionele Bovendien ontvangt u kosteloos 500 exemplaren voor promotionele doeleinden. Meer weten? Mail: info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 44. doeleinden. Meer weten? Mail:65info@uitgeverijeducom.nl Of bel de uitgever op 010-425 65 44.

VITRUVIUS oktober 2013.indd 2

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl

21-08-13 15:27


Jaargang 7 Nummer 25 Oktober 2013

Kort

5

Erfgoedzorg met hart en ziel

6

Nieuw amerikaans

10

17

Grazen in stuivende duinen

Het gaat goed met onze oude dijken, maar het kan beter

12

22 Voor u gelezen & Recent verschenen 3

VITRUVIUS oktober 2013.indd 3

21-08-13 15:27


colofon Onafhankelijk vakblad vOOr erfgOedprOfessiOnals archeOlOgie | cultuurlandschap | MOnuMenten | iMMaterieel erfgOed | vOlkcultuur

ja a r ga n g 6 | n u M M er 2 5 | OktObe r 2 0 1 3

het gaat gOed Met Onze Oude dijken Maar het kan beter

Vitruvius nummer 25 Oktober 2013

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en evaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur. Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

grazen in stuivende duinen

nieuw aMerikaans

erfgOedzOrg Met hart en ziel

Sub-Sponsor

Een uitgave van

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

Muurhuizen 104 3811 EL Amersfoort Tel. 033-422 77 90 info@shmn.nl www.shmn.nl Joint venture van de Alliantie en Mitros

Mede-ondersteuners

Colofon Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke redactie en redactieraad Uitgever/bladmanager

Lange Voorhout 14, 2514 ED Den Haag Tel. 070-306 6800 Fax 070-306 6870 www.hobeon.nl

Ruurloseweg 83 7251 LC Vorden Tel. 0575-519 455 Fax 0575-519 550 www.frisowoudstra.nl

Robert Diederiks

Redactie

S.A. Muller

Drs. E. Raap

mw. Drs. P.J. Braaksma

mw. Drs. F.M.E. Snieder

R.P.H. Diederiks

Redactieraad

Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Wageningen Universiteit

Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE

mw. Dr. B. (Bernadette) van Hellenberg Hubar Res nova

Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft

mw. Drs. F.M.E. (Francien) Snieder

ABONNEMENTEN 4 nrs/jaar: Nederland E 45.- /BelgiĂŤ E 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnements periode in ons bezit te zijn.

Afdeling Archeologie gemeente Amersfoort Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl. Š Copyrights Uitgeverij Educom BV Oktober 2013 ISSN 1874-5008 Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.

4

VITRUVIUS oktober 2013.indd 4

21-08-13 15:27


Vitruvius

nummer 25

kort

Oktober 2013

DutchCulture: nieuwe organisatie voor internationale culturele samenwerking promotie, ondersteuning en uitvoering van internationale culturele samenwerking. De fusiepartners SICA, Trans Artists en MEDIA Desk waren jarenlang actief op dit gebied. Door deze fusie bundelt DutchCulture expertise, netwerken en ervaring. Activiteiten van DutchCulture zijn onder meer:

D

utchCulture, centre for international cooperation is actief op het gebied van cultuur, media en erfgoed en is ontstaan door een fusie van SICA, Trans Artists en MEDIA Desk Nederland. Ook neemt DutchCulture internationale taken over van het opgeheven Erfgoed Nederland. De nieuwe organisatie zorgt voor de

● c  ulturele ● ● ● 

programmering van het Nederland Rusland Jaar 2013 v oorlichting over Europese culturele subsidieprogramma’s e xpertise rond Artist-in-Residence programma’s wereldwijd i ntensivering van Nederlandse culturele samenwerking met China, Turkije en Brazilië

● w  erkbezoeken ●

voor ambassades en buitenlandse experts ( online) databases rond export van Nederlandse cultuur en cultural mappings van diverse landen

DutchCulture levert diensten aan ministeries en lokale overheden, kunstenaars en culturele organisaties, ambassades, de creatieve industrie, het bedrijfsleven en de maatschappelijke sector. DutchCulture wordt gefinancierd met een vierjarige subsidie van zowel het ministerie van Onderwijs, cultuur en Wetenschap als het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarnaast ontvangt DutchCulture structurele subsidie van de Europese Commissie. n

Symposium Landschapsbeheer op 4 oktober in teken Europa

O

p vrijdag 4 oktober organiseert Landschapsbeheer Nederland haar jaarlijkse symposium ‘Het Landschap Ben Je Zelf ’ met als thema ‘Landschap als schakel tussen burger en Brussel’. Op dit symposium wordt ook de trofee de Juichwilg uitgereikt aan de gemeente die er het beste in slaagt op het gebied van landschap de brug tussen Brussel en gemeente vorm te geven. U kunt zich nu al opgeven voor het symposium via het aanmeldformulier. Het symposium vindt plaats op 4 oktober van 10.00 tot 13.30 op Kasteel de Vanenburg, Putten (Gld.). Aan deelname en lunch zijn geen kosten verbonden. Europees landbouw- en landschapsbeleid De rol van Europese regelgeving via richtlijnen of doorwerking in nationale wetgeving wordt steeds belangrijker, ook op het gebied van landschap. De Europese Landschapsconventie (ELC) en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zijn goede voorbeelden. De EU wil meer vermaatschappelijking en vergroe-

ning van de landbouw. Dat zijn perspectiefrijke ontwikkelingen, maar ze zijn mede afhankelijk van de verdere uitwerkingen. Wat betekenen die Europese regels nu precies voor het landschap en de burger? Is het belangrijk of blijft het een ver-van-mijnbed-show? Met de aanwezigen bespreken we wat Nederlanders in hun leefomgeving gaan merken van de uitvoering van Europees beleid. Welke bijdrage kunnen zij zelf leveren? Gaat het landschap drastisch veranderen de komende jaren door Brussels beleid? Programma Het programma bestaat onder meer uit inleidingen van de volgende sprekers: ●  Rob van Brouwershaven (directeur Directie Natuur en Biodiversiteit EZ): opening symposium. ● E  ric Luiten (Rijksadviseur Landschap en Water): De ruimtelijke consequenties van het GLB. ● B  as Eickhout (Europarlementariër GroenLinks): De vermaatschappelij-

king van het Europees landbouwbeleid. Kuiper (adviseur natuurbeheer IPO) Agrarisch natuurbeheer en gebiedscollectieven.  eert Gielen (directeur LandschapsbeG heer Flevoland) De Europese Landschapsconventie en de doorwerking op gemeentelijk niveau.

● F  ranck

Uitreiking Juichwilg Als slotstuk van het symposium wordt de ‘Juichwilg’ uitgereikt. De trofee wordt dit jaar uitgereikt aan de gemeente die er het beste in slaagt op het gebied van landschap de brug tussen Brussel en burger vorm te geven. Een gemeente die daarmee aantoont klaar te zijn voor het toekomstige Europees landbouwbeleid of invulling geeft aan de Europese landschapsconventie. Voor kostelose aanmelding en informatie: www.landschapsbeheer.nl n

5

VITRUVIUS oktober 2013.indd 5

21-08-13 15:27


Vitruvius

Har Kuijpers Heemkundige, erfgoedprofessional en landschapsarchitect. Beleidsmedewerker Cultuurhistorie bij de provincie Noord-Brabant

iscussie over kleuren ‘Korte excursie te voet’ staat op het programma van de Leergang Erfgoedfilosofie van vrijdag 26

1 - Havik 37 te Amersfoort, met gerestaureerde schijngevel met groengesausd stucwerk en roodgeschilderde schijnvoegen. Foto: John Boers, Wikipedia.

nummer 25

oktober 2013

Erfgoedzorg met hart en ziel oktober 2012. We wandelen door de binnenstad van Amersfoort. Een wettelijk beschermd stadsgezicht. Aan het Havik zien we panden in diverse stijlen. De meeste

met een bakstenen gevel of witgesausd. Eén pand valt op: Havik 37. Een rijksmonument met als omschrijving ‘Huis met lijstgevel’. Het pand is pas gerestaureerd door Stadsherstel Midden-Nederland. Martin Boswinkel, directeur van deze organisatie en medecursist, vertelt enthousiast. De gevel van Havik 37 heeft twee verdiepingen en ook twee stijlen. Op de begane grond zien we een winkelpui in Jugendstil. Daarboven een schijngevel met groengesausd stucwerk en roodgeschilderde schijnvoegen. Een kleurencombinatie die is aangetroffen onder witte verflagen. En die in afgezwakte kleuren is teruggebracht. Er ontstaat discussie. Wat vinden we als erfgoedprofessional van de nieuwe kleuren? Moet de schijngevel niet wit, zoals voor de restauratie en nog steeds bij veel gevels aan het Havik? Is het afzwakken van de kleuren wel geoorloofd? De erfgenaam centraal De kleur van de gevel? Ik vind het prima. Wat mij raakt, is de hartstocht waarmee eigenaren en andere partijen zo’n pand een nieuw leven geven. De binding tussen erfgoed en met hart en ziel betrokken erfgenamen. Dat is hier de hoofdzaak. En de kleur van de gevel bijzaak. Voor mijn part pimpelpaars, als de erfgenaam daar bewust voor kiest. Mijn gevoel bij de discussie zet me aan het denken. Meer ruimte voor met hart en ziel betrokken erfgenamen past precies in de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Een nieuwe koers waarbij de overheid meer ondernemerschap verwacht van eigenaren en burgers. En eigenaren en burgers ook meer vertrouwen geeft door meer vrijheden en keuzemogelijkheden. Rol als erfgoedprofessional Wat betekent dat voor mijn rol als erfgoedprofessional? De MoMo ziet een rol

6

VITRUVIUS oktober 2013.indd 6

21-08-13 15:27


Vitruvius

nummer 25

Oktober 2013

2 - Het feestlied dat de Neerenaren in juni 1909 zingen bij de eerstesteenlegging van hun nieuwe kerk. Foto: auteur. als facilitator. Daar kan ik me van alles bij voorstellen, zoals het bieden van vakkennis, het verrijken van de dialoog met onbekende verhalen en het schetsen van varianten. Verder ziet de MoMo een rol als bewaker van authenticiteit en representativiteit. Twee waarden die sterk doorklinken in de conventionele waardering van erfgoed, zoals gebruikt in het monumentenregister. En in de grondbeginselen van de gangbare restauratie-ethiek, zoals ‘behoud van materie gaat voor vernieuwen’, ‘behoud van historische gelaagdheid’ en ‘nieuwe aanvullingen als nieuw herkenbaar maken’. Maar authenticiteit en representativiteit zijn ook twee waarden die, zoals de MoMo zelf aangeeft, niet hoog scoren bij eigenaren en burgers.

Een rol als bewaker? Voor mijn gevoel krijgt de erfgenaam weinig vertrouwen, vrijheden en keuzemogelijkheden als hij niet mag varen op zijn eigen waarden. Twee vragen schieten door mijn hoofd: ‘Waar wringen de waarden van de erfgenaam met authenticiteit en representativiteit?’ en ‘Wat kan er mis gaan als ik authenticiteit en representativiteit niet bewaak?’ Waarden van de erfgenaam Ik zoek antwoord op mijn vragen aan de hand van een rijksmonument waarvan ik mij in sterke mate erfgenaam voel: de SintMartinuskerk in het Midden-Limburgse dorp Neer, de parochiekerk van mijn geboorteplaats. Een monument waarvan ik

als geen ander de geschiedenis ken en waarvan ik in 2010 een biografie heb geschreven met als titel ‘Sint-Martinus Neer; Honderd jaar kerk, duizend jaar parochie’. Bladerend in mijn boek valt mijn oog op het feestlied dat de Neerenaren in 1909 zingen bij de eerstesteenlegging van hun nieuwe kerk. Dit lied verwoordt bij uitstek het gevoel dat de bouwers van de kerk hebben. En bevat twee met emotie geladen begrippen die bij uitstek uitdrukken welke waarden ik en andere met hart en ziel betrokken erfgenamen aan de kerk toekennen. Het eerste begrip is ‘heilige grond’. Heilig voor de erfgenamen, vanwege de band met hun voorouders, die de grond al van voor het jaar 1000 als kerk- en begraafplaats gebruiken. En vanwege de band met hun geloof. Het tweede begrip in de liedtekst is ‘prachtiger tempel’. Prachtiger, omdat de nieuwe kerk mooier is dan de oude. Maar ook mooier en groter en met een hogere en spitsere toren dan de kerken van de meeste omliggende dorpen. Een nieuwe kerk, niet alleen voor de Heer, maar ook voor Neer. Als statussymbool voor het dorp. In de ogen van de erfgenamen wordt de ‘prachtiger tempel’ in de naoorlogse periode aangetast. Eerst in 1954, als de verwoeste kerktoren, op advies van Monumentenzorg, niet in zijn vooroorlogse gedaante wordt hersteld, maar lager en minder spits. Voor een tweede maal in 1963, als het kerkinterieur door een dominante pastoor grondig wordt versoberd. Waar wringt het? Wringt ‘heilige grond’ met authenticiteit en representativiteit? Volgens mij niet. Het betreft een kerkplaats, waar authentieke plek, authentiek gebruik, gevoel en verhaal en authentiek gebouw, inventaris en bodemarchief, samenkomen. En die representatief is voor duizend jaar lang religieus gebruik door een dorpsgemeenschap. Het monumentenregister onderkent de ‘heilige grond’, maar koppelt de waarde aan materie en verschijningsvorm van het kerkgebouw. En niet aan gebruik, gevoel en verhaal van de kerkplaats, zoals de erfgenamen doen. Letterlijk zegt het monumentenregister: ‘De parochiekerk Sint Martinus is van algemeen belang […] vanwege de historische continuïteit, aangezien het object een religieuze ontwikkeling continueert die zich op deze plek middels een gebouw voor de eredienst al eeuwenlang nadrukkelijk manifesteert’. 7

VITRUVIUS oktober 2013.indd 7

21-08-13 15:27


Vitruvius

3 - Neer, oktober 1909. De nieuwe, neogotische Sint-Martinuskerk in aanbouw. Op de ‘heilige grond’ van de oude, al van voor het jaar 1000 daterende kerk- en begraafplaats, verrijst een ‘prachtiger tempel’. Foto: Jo Beeren, Neer.

Wringt ‘prachtiger tempel’ met authenticiteit en representativiteit? Dat hangt af van je blik. Het wringt niet in de ogen van de erfgenamen. Die zien het bouwplan uit 1909 als authentiek en waarderen het kerkgebouw als representatief voor het Rijke Roomse Leven en de vroegere status van hun dorp. Het wringt wel in de ogen van de erfgoedprofessional. Die ziet de naoorlogse aantastingen als authentieke historische gelaagdheid en waardeert deze als representatief voor de naoorlogse ontwikkelingen. En wil de aantastingen behouden, overeenkomstig de gangbare restauratie-ethiek.

Het monumentenregister onderkent en waardeert de ‘prachtiger tempel’ als representatief voor ‘de ontwikkeling en emancipatie van het rooms-katholicisme in het begin van de twintigste eeuw’ en ‘de ontwikkelingsgeschiedenis van de neo-gotische kerkenbouw’. Het register onderkent en waardeert de naoorlogse aantastingen niet. Ruimhartig voor de erfgenaam Als we de erfgenaam vertrouwen willen geven, met vrijheden en keuzemogelijkheden, moeten we hem meer laten varen op zijn eigen waarden. En ruimhartig zijn met het interpreteren en bewaken van waarden

nummer 25

oktober 2013

als authenticiteit en representativiteit. Waarden die weliswaar handvatten bieden bij de waardering van erfgoed, maar die, binnen marges, voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. Als erfgoedprofessional kunnen we de erfgenaam faciliteren bij het varen op zijn eigen waarden. Bijvoorbeeld door het bieden van vakkennis, het verrijken van de dialoog met onbekende verhalen en het schetsen van varianten. In de casus Sint-Martinuskerk Neer kan dit leiden tot mogelijkheden die de conventionele waardering en de gangbare restauratie-ethiek voorbijgaan. Twee voorbeelden. Stel, de erfgenamen hebben geld en willen met hart en ziel de naoorlogse aantastingen van hun ‘prachtiger tempel’ herstellen. Bijvoorbeeld door het slopen van de naoorlogse toren en het terugbouwen van de hogere en spitsere toren van voor de oorlog. Of stel, het bisdom sluit de kerk en het onderhoud van het kerkgebouw kan niet langer worden bekostigd. De erfgenamen zien geen mogelijkheid om zowel ‘heilige grond’ als ‘prachtiger tempel’ te behouden en maken met hart en ziel de keuze voor behoud van hun ‘heilige grond’. Bijvoorbeeld door grote delen van de kerk te slopen. En de kerkplaats à la Valkhofpark in Nijmegen in te richten met behoud van enkele bouwdelen en een paar markante bomen. Voor mijn gevoel, en na deze zoektocht ook voor mijn verstand, gaat er bij deze keuzes niets mis. Zolang er maar een erfgenaam blijft die met hart en ziel met het erfgoed verbonden is. n Dit essay is het sluitstuk van de Leergang Erfgoedfilosofie die ik volgde bij de Erfgoed Academie. Het essay schetst een persoonlijke zoektocht en is daarom op persoonlijke titel. Ik dank alle begeleiders, masters en cursisten van de leergang 2012/2013 voor de inspirerende en plezierige gedachtewisselingen.

4 - In 2003 hangen de erfgenamen van de Sint-Martinuskerk van Neer nieuwe baldakijnen boven de beelden aan de pilaren. Het zijn getrouwe kopieën van de baldakijnen die in 1963 werden afgehakt bij een versobering van het interieur. Voor de erfgoedprofessional misschien geschiedvervalsing, maar voor de erfgenamen herstel van hun ‘prachtiger tempel’. Foto: Piet Timmermans, Neer. 8

VITRUVIUS oktober 2013.indd 8

21-08-13 15:27


In ontwikkeling ERM inspireert en ondersteunt opdrachtgevers van restauraties met nieuwe website

D

e Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg werkt aan een handreiking die opdrachtgevers inspireert en ondersteunt bij de restauratie van een monument. De handreiking wordt najaar 2013 aangeboden in de vorm van een website. Opdracht geven tot restauratie van een monument is voor veel eigenaren of beheerders van vastgoed geen dagelijks werk. Particuliere eigenaren, maar ook organisaties als woningcorporaties, landschapbeheerders en zorg- en onderwijsinstellingen, die slechts een of enkele monumenten beheren, komen lang niet altijd toe aan het opdoen van de ervaring die voor een goede restauratie gewenst is. Ondersteunen en inspireren De ERM wil met een nieuwe website deze incidentele opdrachtgevers ondersteunen en inspireren. De site gaat antwoord geven op vragen als ‘Hoe is de haalbaarheid van de restauratie vooraf te toetsen?’, ‘Met welke procedures en overheidseisen krijg ik te maken?’, ‘Wat heb ik nodig om een goed Programma van Eisen op te stellen’ en ‘Op basis van welke overwegingen kies ik een goede uitvoerder?’ De website vormt enerzijds een kennisbron met onder meer verwijzingen naar relevante

Stichting ERM Postbus 420 2800 AK Gouda Tel. 0182 - 540 930 secretariaat@stichtingERM.nl www.stichtingERM.nl

informatie, waarmee de opdrachtgever handvatten aangeboden krijgt die hem, aan de hand van het gebruikelijke renovatie- en restauratieproces, informeren waar hij op welk terrein specifieke informatie kan vinden. Anderzijds wordt de site een inspiratiebron met goede voorbeelden van gemaakte keuzes, studies en andere zaken die van belang zijn bij de voorbereiding of uitvoering van een restauratie. Deze informatie is thematisch ingedeeld, bijvoorbeeld op duurzaamheid, op installatietechnieken of op aanbesteden. De site voor opdrachtgevers is op dit moment volop in ontwikkeling. Een begeleidingscommissie, bestaande uit diverse ervaren woningcorporaties, Rijksgebouwendienst, Vereniging Behoud Monumentale Kerken en enkele andere betrokkenen, geeft input. De site wordt in het najaar 2013 gepresenteerd. Drie schakels Binnen de Stichting ERM werken de drie schakels die nodig zijn voor een restauratie – opdrachtgevers, uitvoerende bedrijven en de overheid – samen aan kwaliteitsrichtlijnen. Deze richtlijnen bieden alle betrokkenen bij de restauratie houvast, dragen bij aan efficiency en moeten op die manier bijdragen aan optimale zorg voor ons gebouwde en groene erfgoed. Het Centraal College van Deskundigen Restauratiekwaliteit, waarin bedrijfsleven, overheid en opdrachtgevers zijn vertegenwoordigd, stelt uiteindelijk de handreiking voor opdrachtgevers vast. Op www.stichtingERM.nl zijn de kwaliteitsrichtlijnen voor allerlei onderwerpen te downloaden. Voor gemeentelijke toezichthouders is onlangs met veel succes een aparte website www.monumententoezicht.nl gelanceerd.

Opdracht geven tot restauratie, van een gebrandschilderd raam tot een complete kerk, is niet voor iedereen dagelijks werk. Een website van de stichting ERM gaat ondersteuning bieden Fotografie Esther Wieringa 9

VITRUVIUS oktober 2013.indd 9

21-08-13 15:27


nieuws

Vitruvius nummer 25 oktober 2013

uit het werkveld

Nieuw Amerikaans

Een villa te Rozendaal, gebouwd in de stijl van Frank Lloyd Wright

F

riso Woudstra Architecten staat vooral bekend om de classicistische landhuizen die hij ontwerpt. Zijn portefeuille omvat echter een groot aantal andere huizen dat, evenals de land-huizen, is gestoeld op een historische vormentaal. In dit artikel komt de architectuur van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright (1867-1959) aan bod en de invloed die deze in de eerste helft van de twintigste eeuw in Nederland had. Na lange tijd een ondergeschikte rol te hebben gespeeld, zijn het werk van Wright en de Nederlandse variant hierop de laatste twee decennia opnieuw erg geliefd. Dat is begrijpelijk voor wie de kwaliteit en de potenties van deze architectuur kent. Friso Woudstra keert bij zijn ontwerpen in zogenaamde Nieuw-Amerikaanse stijl terug naar de bron en gaat op eenzelfde manier als zijn voorgangers te werk door de stilistische kenmerken van Wright te verweven met de wensen en eisen van vandaag de dag. Ook bij het ontwerpen van nieuwbouw in Nieuw-Amerikaanse stijl werken Friso Woudstra Architecten en Res nova nauw samen om er voor te zorgen dat het eindresultaat een optimale versmelting van architectuurhistorische accuratesse en hedendaags wooncomfort kent. Frank Lloyd Wright en het “Prairie House” Frank Lloyd Wright ontwikkelde rond de eeuwwisseling van 1900 een nieuwe visie op de woonhuisarchitectuur. Een belangrijke inspiratiebron hierbij was de Engelse Arts and Craftsbeweging die in de bouwkunst leidde tot de schilder-

achtige Engelse landhuis- of cottagestijl. Omdat de Arts and Craftsbeweging eerder een set van principes omarmde dan dat zij een specifieke stijl nastreefde, kon Wright binnen dit kader in alle vrijheid een eigen vorm ontwikkelen. Dit proces resulteerde in een nieuw type woonhuis dat met ‘Prairie House’ werd aangeduid. Wright streefde bij zijn ‘Prairie Houses’ naar een plattegrond waarbij werd afgezien van het concept van een doos (het huis) die is onderverdeeld in kleinere dozen (de kamers). Dit resulteerde in een ‘open’ plattegrond, waarbij de woonvertrekken vloeiend in elkaar overlopen. Er is sprake van een ruimtelijke continuïteit. Het centrale punt wordt in zijn ontwerpen gevormd door een grote haardpartij. Deze definieert niet alleen de ruimte, maar dient ook als centraal punt voor de dagelijkse gang van zaken van de familie. Het interieur van de ‘Prairie Houses’ staat in verbinding met het omliggende landschap (vandaar de naam ‘Prairie House’, dat refereert aan het landschap buiten Chicago, waar een groot deel van deze woningen werd gebouwd). Ook hier is het van belang dat de conventionele visie van een huis als een ‘doos’ letterlijk wordt doorbroken. Kleine vensters worden vervangen door grote raampartijen. Meer dan eens wordt gebruik gemaakt van hoekramen, waarmee als het ware een inpandige variant wordt gevonden voor de traditionele erker. Niet alleen zorgt een hoekraam voor meer lichtinval en een duidelijke relatie met de omgeving, ook ‘trotseert’ dit de oorspronkelijke notie van het traditionele woonhuis: de hoek heeft niet langer een dragende functie.

F r i s o Wo u d s t r a rubriek

De ontwikkelingen in het interieur worden in het exterieur vertaald in een laag, gedrongen woonhuis, opgericht in de breedte. Het gebouw wordt gekarakteriseerd door de nadruk op de horizontale lijn. Dit wordt niet alleen gerealiseerd door de lage gevelwanden, maar ook door het toepassen van gekoppelde raampartijen. Deze worden waar mogelijk meteen onder de dakrand geplaatst, waardoor sprake is van een lichtbeuk. Om de geborgenheid van het huis te benadrukken en de verbondenheid met de natuur te versterken, is het flauw hellende dak voorzien van een forse overstek: gebouw en landschap vloeien in elkaar over. Deze organische overgang wordt verder versterkt door het bouwen van veranda’s, pergola’s en sterk overhangende luifels. Hierdoor reikt het gebouw niet alleen naar de natuur, maar worden ook ‘buitenkamers’ gecreëerd, waardoor het wonen zich buiten de ‘doos’ voortzet. Nieuw-Amerikaanse stijl In Nederland werd de architectuur van Frank Lloyd Wright in 1911 door Hendrik Petrus Berlage geïntroduceerd, na diens bezoek aan Amerika. Wright’s invloed raakte daarna wijdverspreid. De typologie van het ‘Prairie House’ in orthodoxe zin werd in Nederland echter nauwelijks gerealiseerd. Veel meer werd gekeken naar de stilistische kenmerken van een architectuur die bestond uit grote vlakken en lijnen (vooral de horizontale lijn) en scherpe contouren. Karakteristieke elementen als de eenvoudige hoofdopzet, de forse dakoverstek, zware schoorstenen, gekoppelde vensters en hoekramen werden toegepast binnen het kader van de eigen manier van bouwen. Slechts een klein aantal architecten wist in het interieur de

info@frisowoudstra.nl Telefoon 0575-519 455 www. frisowoudstra.nl

10

VITRUVIUS oktober 2013.indd 10

21-08-13 15:27


nieuws

Vitruvius nummer 25 oktober 2013

uit het werkveld

Een van de twee villa’s in Aalten, waarbij de architectuur van Wright zowel in het exterieur als het interieur duidelijk herkenbaar is.

Plattegrond van een villa in Aalten. Centraal in de ruimte bevindt zich een ‘blok’ met entree, garderobe, toilet en schouw. Hierom zijn de woonvertrekken gevestigd die middels grote schuifdeuren met elkaar verbonden zijn. karakteristieke openheid van de ‘Prairie Houses’ toe te passen. Het toeval wil dat een van de architecten die de taal van de Amerikaanse architectuur in zijn werk gebruikte, G.J. Postel, een vormende rol speelt in de ontwikkeling van Woudstra. Niet alleen zijn eerste woonhuis en kantoor te Warnsveld draagt enkele stijlkenmerken van Postel, ook het kantoor te Eefde, De Laatste Stuiver, is in de jaren dertig door deze architect onder handen genomen. Bij beide panden is de invloed van Wright duidelijk aanwezig. Nieuw-Amerikaanse stijl in de eenentwintigste eeuw Als voorbeeld voor een villa die Friso Woudstra in de stijl van de Prairie Houses heeft ontworpen, kan een in Rozendaal gelegen villa dienen. Dit huis vertoont grote overeenkomsten met bijvoorbeeld de Darwin Martin villa van Wright te Buffalo (1904). Het gebouw heeft een lage, gedrongen gevel die grotendeels verscholen gaat onder een laag schilddak met forse overstek. Deze overstek vormt een fysieke scheiding tussen de begane grond en de eerste verdieping en benadrukt het horizontale karakter van het gebouw. De forse entree springt uit het hoofdvolume naar voor en wordt gedomineerd door een grote rondboog. Een dergelijke entreepartij is kenmerkend voor vooral de vroegste woonhuizen van Wright (in de latere ‘Prairie

info@res-nova.nl Telefoon 0475-552 330 www.res-nova.nl

Houses’ verdwijnt deze). Door de lichtbeuk op de verdieping van de uitbouw, krijgt deze de karakteristiek van een uitkijktoren, vanwaar de bewoner de omgeving kan observeren (directe relatie tussen woning en natuur). De raampartijen van het hoofdvolume zijn eveneens direct onder deze overstek geplaatst. Door het metselwerk tussen de ramen op de verdieping in een andere kleur uit te voeren – een typische toets van Woudstra – en te voorzien van speklagen wordt de horizontale lijn verder geaccentueerd. De forse schoorsteen, die het ‘hart’ van de leefruimte benadrukt, is opzettelijk laag gehouden en komt niet boven de nok van het dak uit. Zowel bij de villa te Rozendaal als bij een aantal andere woonhuizen past Friso Woudstra een van Wright’s meest in het oog springende elementen, de sterk overhangende luifel, toe als oplossing om de auto tegen het Nederlandse weer te beschutten. Een architect is altijd afhankelijk van de specifieke wensen van een opdrachtgever. Het realiseren van een NieuwAmerikaans huis met een vloeiende continuïteit in het interieur wordt meestal pas gerealiseerd als een architect de vrijheid krijgt om zijn plannen volgens zijn eigen visie door te voeren. Bij de projecten die Friso Woudstra in Nieuw Amerikaanse stijl heeft uitgevoerd, is een grote diversiteit in plattegronden zichtbaar. Bij twee naast elkaar staande villa’s te Aalten, gerealiseerd in 2006,

wordt het principe van een open plan op een overtuigende wijze gerealiseerd. Beide panden hebben een nagenoeg identieke plattegrond, waarbij de woonruimten als het ware rond een centraal blok zijn geplaatst. Dit ‘blok’ huisvest het toilet, de garderobe en de trappartij en wordt aan de kopse kanten afgesloten door een grote stookplaats. Door het gebruik van schuifdeuren en grote dubbel openslaande deuren, is er sprake van een vloeiende open ruimte. Friso Woudstra probeert met het realiseren van ‘zijn’ Nieuw-Amerikaanse villa’s terug te keren naar de bron, zoals ook zijn voorgangers dit aan het begin van de vorige eeuw deden. Dit heeft geresulteerd in de bouw van een aantal villa’s waar op het eerste gezicht al meteen de directe relatie met de ‘Prairie Houses’ van Wright duidelijk is. Er is echter geen sprake van inspiratieloos kopiëren van bepaalde karakteristieke elementen, maar van het realiseren van nieuwe projecten die vanuit een groot begrip van de architectuur van Wright zijn ontstaan (emulatie). Ook de opzet van de plattegrond toont een duidelijk begrip voor het streven naar een vloeiende continuïteit van de ruimte, waarbij haardpartijen of stookplaatsen een centrale positie innemen. Drs Don Rackham Res nova

r e s n ova rubriek 11

VITRUVIUS oktober 2013.indd 11

21-08-13 15:27


Vitruvius

nummer 25

oktober 2013

1 - Recent ontstane nieuwe duinen aan de westzijde van

Drs. I. Noordhoff MA Projectleider Kenniscentrum Landschap RUG

Prof. Dr. Ir Theo Spek Hoogleraar landschapsgeschiedenis RUG.

Terschelling

Grazen in stuivende duinen Het oerol op Terschelling als inspiratiebron voor toekomstig landschapsbeheer

et dilemma tussen exploitatie en bescherming van het landschap en de daarin aanwezige natuurlijke hulpbronnen is universeel en van alle tijden. In diverse episodes werd hier echter heel verschillend mee om gegaan. Een recente studie naar de vrije weide op Terschelling (het oerol) laat zien dat de vroegere gelaagdheid in het eigenaarschap een belangrijke basis vormde voor een breder gedragen zorg voor het landschap. Dit biedt aanknopingspunten voor de problematiek van het huidige tijdsgewricht waarin participatie van burgers bij natuur- en landschapsbeheer een comeback beleeft. De prachtige helblonde duinkoppen van Terschelling blinken je tegemoet wanneer je met de veerboot komt aanvaren. De nieuwe westelijke duinen rijzen op uit de zee als een twintig meter hoge steile muur van zand. (afbeelding 1) In deze jonge kalkrijke duinvalleien prikken wetenschappers paaltjes bij de zeldzame bokkenorchis, maar voor de meeste orchideeĂŤnsoorten hoef je niet eens van de fiets af te stappen. Terschelling is voor natuurliefhebbers een walhalla. Veel bezoekers aan de duinen (3,5 miljoen per jaar!) fietsen vrolijk voorbij een veld parnassia als waren het madeliefjes. Toeristen komen voor het licht, de lucht, de weidsheid en ongereptheid van het landschap.

Het Terschellinger duingebied kent een grote dynamiek. De laatste anderhalve eeuw zijn er zowel aan de westkant als aan de oostpunt kilometers bij gekomen. Aan die enorme turbulentie van water, wind en zand voegt de mens met zijn aanwezigheid en gebruik ook wat toe. Soms hebben de duinbeheerders wel even hun buik vol van alle studenten, floristen en vogelaars die massaal een duinpan induiken of van badgasten die zo massaal die ene hoge top beklauteren dat het duin in de herfst daarna door de wind verstuift. De vakantievierende mens jaagt de toch al zo grote dynamiek van dit gebied lokaal daarmee wat verder op. Nu zijn het toeristen, vroeger waren het paarden, schapen en koeien die graasden in de duinen en soms de duin-stabiliteit bedreigden. Hoe

krijg je de gebruikers zover dat ze rekening houden met de veerkracht van het landschap? Dit artikel gaat in op hoe dit in het verleden gebeurde. Wellicht zijn er voor het hedendaagse beheer lessen uit te trekken. (afbeelding 2) Het oerol Er zijn maar weinig bezoekers van het jaarlijkse theaterfestival Oerol die weten dat deze naam is ontleend aan een eeuwenoud gebruik op het eiland: de overal-beweiding (oerol = overal). Het oude oerol gold voor het vee: de dieren mochten na de oogsttijd vele maanden op het hele eiland vrij rondlopen. Die vrije weide bestond op Terschelling tot een eeuw geleden. Het oerol is te vergelijken met het gemeenschappelijke gebruik van marken, meenten en holtingen die elders in het land in de volle middeleeuwen tot wasdom kwamen om woeste gronden gezamenlijk te benutten. Op Terschelling gold het oerol niet alleen voor de kwelders en de duinen, ook de gecultiveerde landbouwgronden maakten deel uit van de gemeenschappelijke begrazing. De dieren mochten dan ook pas losgelaten worden als de oogst van het land was.

2 - Zo moet het er eeuwenlang uit gezien hebben tijdens de vrije weide van koeien en paarden. Foto uit het archief van het Behouden Huys

De Terschellingers hadden op hun eiland maar een beperkt aantal hectaren landbouwgrond. (afbeelding 3) Naast akkerbouw bij de dorpen was er wat weidegrond voor vee waar de mest afgevan-

12

VITRUVIUS oktober 2013.indd 12

21-08-13 15:27


Vitruvius

nummer 25

Oktober 2013

3 - De polder (het donkerroze deel) is betrekkelijk klein en ligt ingesloten tussen duinen en kwelders. Hoogtekaart met vogelvluchtperspectief van Tj. Van Dijk (SBB) uit het concept Beheerplan Natura 2000 Terschelling.

Kaart Jacob Heeres 1566 met mogelijke indijking bij stryd Bron Tresoar gen kon worden. Daarnaast graasde het vee op de kwelders en in de duinen. Veel bewoners vulden de landbouwopbrengsten aan met wat er op het strand aanspoelde en de vruchten van de wildernis (bessen, konijnen, vogels, eieren etcetera). In die samenleving was het grondbezit niet ééndimensionaal. Ook al waren de duinen tot de 17e eeuw in het bezit van graven en daarna van de Staten van Holland, iedere inwoner mocht er gratis brandstof halen – zij het met mate. De jacht en konijnenteelt werden apart verpacht door duinmeiers die ook weer bepaalde rechten hadden. Daarnaast vormden de duinen een soort voorziening voor de armen; de opbrengst van boetes werd deels doorgesluisd naar

de armen en wie in nood kwam, bijvoorbeeld omdat de kostwinner op zee was verdronken, mocht een klein stukje duingrond als groentetuin gebruiken. De grond in de polder was in ieder geval vanaf 1537 privaat bezit maar tevens onderdeel van het collectieve beheer. De percelen waren vaak klein, er was geen individuele afscheiding en de mensen moesten over elkaars land om bij hun eigen stuk te komen. Daarom was er onderlinge afstemming van gewas en oogst via de eigen dorpsorganisaties, de Buurschappen. Daarboven gold het eigendomsrecht tot diep in de 19e eeuw uitsluitend voor de zomertijd. Zodra de oogst van het land was mocht

iedereen er zijn vee laten grazen (stoppelbeweiding) tot in het voorjaar opnieuw werd ingezaaid. Dat loslaten van vee was ook werkelijk een bevrijding, want de dieren stonden de rest van het jaar dichtbij huis aan een touw (roop) zodat de eigenaar de uitwerpselen goed kon verzamelen. Op de arme zandgronden was altijd gebrek aan mest. Eigendom met beperkte zeggenschap In onze samenleving is het onvoorstelbaar dat je grondeigenaar bent, maar geen directe zeggenschap hebt over wat er op die grond verbouwd wordt en welke dieren er grazen, maar destijds werd dat gezien als de beste manier om het landschap optimaal

Graaf Staatsbosbeheer

Drost Burgemeester Regenten

Pachters

Pachters Buren

Passanten/ Eilanders Eilanders/Armen

16e eeuw

20e eeuw

4 - De gelaagdheid in het eigenaarschap is in de loop der eeuwen sterk verminderd. 13

VITRUVIUS oktober 2013.indd 13

21-08-13 15:27


Vitruvius

nummer 25

oktober 2013

5 - Een schutter met roop (touw). Steeds een andere lid van de Buurschap moest als schutter het vee in bedwang houden. Foto uit het archief van het Behouden Huys

6 - Zand op de paden werd en wordt afgedekt met stro tegen het wegstuiven. te benutten. En zo pakte het ook uit want ongeveer duizend jaar lang werkte het systeem goed. (afbeelding 4) Hoe slaagde de toenmalige samenleving erin om de exploitatiedrang in de hand te houden? Dat is niet alleen een vraagstuk van economische en ecologische factoren, ook de bezitsrelaties, de sociale structuren en de dilemma’s van het collectief spelen een rol. In de Buurschappen bijvoorbeeld bespraken de dorpelingen tijdens de jaarlijkse verplichte vergadering de toestand van de duinen en akkers, de maaidagen, hoeveel vee het gebied kon hebben en de aanpak van overtreders. In de meeste dorpen waren alle inwoners bij toerbeurt ‘schutter’- oftewel politieagent. (afbeelding 5) Ook moest iedere inwoner jaarlijks een paar dagen helpen met helmpoten om de duinen te beschermen. (afbeelding 6) Zo wist iedereen hoe het land en de duinen erbij lagen en was er draagvlak voor eventuele gebruiksbeperkingen. (afbeelding 7) Met de verstatelijking aan het begin van de 19e eeuw maakte de rijksoverheid een einde aan dit soort amorfe bezitsconstructies vanuit het idee dat privébezit de enige weg was naar economische vooruitgang. De duinen in Holland werden in die tijd aan particulieren verkocht die de bodem begonnen te ontginnen en exploiteren. Op Terschelling gebeurde dat niet – mogelijk mede omdat de duinbegrazing zo hecht verweven was met het landbouwsysteem. Pas een eeuw later met de komst van Staatsbosbeheer in 1909 werden de duinen van dit Waddeneiland onder eenduidiger eigenaarschap gebracht. Dit is niet zozeer

een privatisering maar eerder een nationalisering van het tot dan collectief gebruikte duingebied. Landbouwmodel opgeblazen Al voor de komst van Staatsbosbeheer naar Terschelling raakte het landbouwsysteem dus in disbalans omdat het gemeenschappelijk gebruik van de polder buiten de wet werd geplaatst. Het eiland raakte daarover in de 19e eeuw diep verdeeld. (afbeelding 8 en 9) Het werd een conflict van Oost tegen West wat verscherpte door de mesthandel en uitvinding van kunstmest. Die boden bemiddelde eilanders (lees: de zeelieden) de kans om hun percelen te verbeteren. Vervolgens voelden die moderne landbewerkers er niets meer voor andermans vee op hun land te laten grazen; hun grassprieten waren immers veel sappiger dan die op de percelen van traditionele boeren. In dit belangenconflict ging het er hard aan toe. De voorstanders van het oerol maakten soms bij nacht alle hekken los, om hun onvrede over officiële verboden kenbaar te maken. Het eilandbestuur kon dit schisma niet de baas en in een nooit verstuurde brief uit 1861 toont burgemeester Mentz zich zo wanhopig dat hij hulp vraagt aan de Staten van Holland: Indien niet spoedig hulp van de vaste wal te verkrijgen is, zal ik moeten verzoeken om alhier een kanonneerboot of ander gewapend vaartuig te doen stationeren. (afbeelding 10) De uiteindelijke afschaffing van het oerol werd op Terschelling een drama in veel bedrijven die het eiland bijna een eeuw

lang in zijn greep hielden. Het beeld dat in veel publicaties naar voren komt is dat Staatsbosbeheer in 1909 de eilandtraditie van vrije weide om zeep bracht. Dat is echter niet terecht. Het oerol raakte ondergraven doordat het gemeenschappelijke landbouwsysteem niet meer werkte en het eilandbestuur te zwak was om deze paradigmaverandering in goede banen te leiden. Met de overdracht van de duinen aan Staatsbosbeheer in 1909 kwam er een standvastige partij op Terschelling waar de zwakke eilandbestuurders zich achter konden verschuilen. Gesteund door de wens van Staatsbosbeheer werd het oerol opnieuw op de agenda geplaatst. De nieuwe duineigenaar nam de economische exploitatie van de duinen voortvarend ter hand en sloot het gebied ook af. Het tot dan breder gevoelde ‘eigenaarschap’ van de duinen verdween daarmee en de bewoners voelden zich

7 -Het hele leven op Terschelling was ingericht op loslopend vee. Bij boerderijen werd een hek gezet voor de ramen om te voorkomen dat de paarden de ruit eruit drukten. Op de foto It Jit in Formerum Zuid.

14

VITRUVIUS oktober 2013.indd 14

21-08-13 15:27


Vitruvius

nummer 25

Oktober 2013

De brede landschapshistorische studie naar het oerol op Terschelling die aan de basis van dit artikel staat past in de reeks studies van Ostrom naar de wijze waarop collectieve bronnen, zoals tropische regenwouden en oceanen vol vis, behouden en geëxploiteerd kunnen worden. Haar studies tonen het grote belang van een lokale arena – een plaats waar de betrokkenen elkaar treffen en afstemmen wat er nodig is om de natuurlijke bron in stand te houden. Op Terschelling kunnen de Buurschappen met hun verplichte vergaderingen en collectieve besluitvorming als arena worden aangemerkt. In termen van Ostrom is door de komst van Staatsbosbeheer het lokale web van belanghebbenden aan het begin van de 20e eeuw buiten spel gezet. Daarmee werden de prikkels tot medeverantwoordelijkheid van de bevolking voor het voortbestaan van de duinen weggehaald. Ostroms conclusie luidt dat een gelaagde samenleving beter in staat is dynamische bronnen te beheren en gebruik te beheersen dan een samenleving met slechts één besluitvormende laag, of dat nu via privatisering of nationalisering loopt.

8 & 9 - Brief uit 1839 van een tiental West-Terschellingers aan de provincie waarin ze hun beklag doen over de vrije weide. 10 - Niet verzonden brief van de burgemeester uit 1861. Het conflict over de afschaffing van het oerol was zo hoog opgelopen dat hij verzoekt op hulp te sturen van een kanonneerboot.

buiten spel gezet. Dat sentiment beheerst de discussie tot op de dag van vandaag. Informele arena nodig Afgelopen decennia is er veel studie gedaan naar sociale dilemma’s in relatie tot exploitatie van natuurlijke bronnen en beheer van het landschap. In 1968 beschreef Garret

Hardin in The tragedy of commons nog hoe individuele belangen per definitief zullen leiden tot roofbouw op aardse bronnen. In de jaren negentig bood Nobelprijswinnares Elinor Ostrom zicht op factoren die eraan bijdragen dat exploitatie en zorg voor het landschap elkaar in balans kunnen houden.

Er zijn nu kansen De Vlaamse economisch-historica Tine de Moor – sinds kort hoogleraar in Utrecht ging in de 21e eeuw verder met de bevindingen van Ostrom en ontwikkelde een model dat gebruikt kan worden om de kans op succes van gemeenschappelijke beheervormen te vergroten. Essentieel is dat de werkelijkheid dynamisch is en de besturing dus mee moet kunnen bewegen met de omstandigheden. Verder stelt zij in navolging van Ostrom dat de kans op succes stijgt als de overheid in staat is ruimte te bieden aan lokale initiatieven en de collectieve informele bestuursvorm erkenning geeft in het formele bestuur. De Moor acht de kans op ingrijpende governance veranderingen het grootst als er druk van buitenaf is die om een reactie vraagt en er gloort meer hoop naarmate er voor de betrokkenen meer eigen voordelen te halen zijn. Druk van buitenaf is er op het hedendaagse Terschelling zeker. Op korte termijn vrezen ondernemers dat de duinen weinig gastvrijheid uitstralen, omdat de prullenbakken niet meer geleegd worden en de picknicktafels in elkaar zakken. De klimaatverandering en de politieke bezuinigingen bij Staatsbosbeheer vragen om een reactie. Op lange termijn bedreigt de stijgende zeespiegel de veiligheid van het eiland en ook dat 15

VITRUVIUS oktober 2013.indd 15

21-08-13 15:27


Vitruvius

vraagt om een reactie. Deze bedreigingen bieden Terschelling de kans om een nieuwe weg in te slaan. Misschien wel de route die van oudsher bekend is: gemeenschappelijk bestuur. Natuurlijk zal het gemeenschappelijk bestuur anno 2013 totaal anders zijn dan in de Middeleeuwen. We hebben een eigentijdse arena nodig waar de recreatieondernemers een plaats innemen naast natuurbeschermers, waar de randvoorwaarden goed geborgd zijn maar ook vrijheid is om te handelen naar bevind van zaken waardoor de bewoners en ondernemers ook verantwoordelijkheid gaan nemen voor hun duingebied. De Moor draait het probleem van overexploitatie op een verrassende manier om: onderexploitatie van een gemeenschappelijke bron kan net zozeer een probleem zijn als roofbouw, stelt zij. Terschelling leeft van het toerisme en de recreatie bestaat bij de gratie van de schoonheid en ongereptheid van het eiland. (afbeelding 11) Beschermen en exploiteren zijn een op een met elkaar verbonden. De moderne theorieën bieden zicht op de succesfactoren van gemeenschappelijk bestuur. Fundamenteel in dat eigentijdse model is het zoeken naar manieren om het eigenaarschap weer gelaagder te maken. Hoe? Bijvoorbeeld doordat Staatsbosbeheer zijn bezit (9000 hectare duingebied) onderbrengt in een stichting waar betrokken burgers, ondernemers en gemeente ook een plek in krijgen. Het ontwikkelen van natuurwaarden en koesteren van schoonheid moet geborgd worden in de formulering van het doel van de stichting. Daarna is het aan de partijen in het stichtingsbestuur om dat lokaal in te vullen en er ook verantwoordelijkheid voor te nemen. De oprichting van de Stichting “Mooi Terschelling” kan zo de opmaat worden tot een beweging die Terschellingers en hun duinen op een eigentijdse manier weer bij elkaar brengt.

Nawoord Dit artikel is gebaseerd op de scriptie ‘Grazen in stuivende duinen’ die door de eerste auteur is vervaardigd in het kader van haar masterstudie Landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Deze scriptie is te downloaden van de website van het Kenniscentrum Landschap van de RUG: http://www.rug.nl/research/kenniscentrumlandschap/mscripties/grazen_in_stuivende_duinen_i_noordhof.pdf Archieven Voor de reconstructie zijn archieven gebruikt van de gemeente Terschelling, historische kaarten en archieven van museum Behouden Huys, archieven van Staatsbosbeheer Terschelling alsmede de letterlijke transcripties van A. Zwaal van historische wetten en reglementen uit het archief van de Heerlijkheid Terschelling, Grafelijkheids rekenkamer, Gecommitteerde Raden Noord-Holland, Tegenwoordige Staat van Holland uit 1750 en Belastingcohieren (in te zien bij Museum Het Behouden Huys op West-Terschelling). Tevens mochten we het persoonlijke archief van Teunis Schol raadplegen, waarin onder meer samenvattingen van de gemeenteraadsvergaderingen 1817 – 1950. Literatuur - Boodt, P. (1934) De bebossching op de Noordzee-eilanden. Boschbouw Tijdschrift, 1934, nrs 6 – 12. - Dieren, J. van (1982) Maaidagen en overal voor 1800. Skylge Myn Lântsje 1982, pp. 238 240. - Dieren, J.W. van (1934) Organogene Dünenbildung Eine geomorphologische Analyse der - Dünenlandschaft der West-Friesischen Insel Terschelling mit pflanzensoziologischen Methode, pp. 304. - Duyst van Voorhout en Reynegom (1611) Rapport aangaaende d’Eylanden van der Schellink ende Grindt, Skylge Myn Lântsje 1962. Letterlijk uitgetikt in boeken van A. Zwaal in het Behouden Huys. - Moor, T. de (2009) Avoiding tragedies. In: Economic History Review 62. - Moor, T. de (2008) The silent revolution. In: International Review of Social History 2008. - Ostrom, E., et al. (2002) The drama of the commons. pp. 521. - Postma, O. (1934) De Friesche kleihoeve bijdrage tot de geschiedenis van den cultuurgrond vooral in Friesland en Groningen. pp. 200.

nummer 25

oktober 2013

- Roggen, C. (1975) Om Aast, In: It Beaken 1 en 2, pp. 116. - Schol, T (1994-1998) Uit de raadsvergadering van de vorige eeuw. Serie artikelen in Skylge Myn Lântsje 1994-1998. - Schoorl, H. (2000) De convexe kustboog. Deel 4 Terschelling. pp. 962. - Smit, G. (1971) De agrarisch-maritieme struktuur van Terschelling omstreeks het midden van de 19e eeuw. pp. 218. - Smit, J (1972) Terschellinger getij. pp. 224. - Telting, A. (1903) Oude rechten van het eiland Terschelling, Verslagen en meededelingen. Vereeniging tot uitgave der bronnen van het oude vaderlandsche recht. nr VI 1903, pp. 574 594 en vijfde deel nr II 1905, pp. 95 – 118. - Wiegersma, M. (1987), Terschelling ontstaan en ontwikkeling. Jubileumuitgave ter gelegenheid van het 10 jarig bestaan van de Kon. Ned. Natuur-Historische Vereniging Terschelling. De tekst is gebaseerd op een voordracht van Wiegersma over Terschelling op 8 april 1915. - Wichers, P.J. (1892) Gedenkboek voor Terschelling. pp. 110. - Wumkes, G.A. (1900) Tussen Flie en Borne Schetsen uit de geschiedenis van Schellingerland, 1900. pp 156. - Zwaal, A.J. (2000) Terschellinger historie. pp. 128. n

11 -Een huifkar met toeristen. De duinen zijn voor de recreatie – en daarmee voor de eilandeconomie - van wezenlijk belang.

16

VITRUVIUS oktober 2013.indd 16

21-08-13 15:27


Vitruvius

nummer 25

Oktober 2013

Michel Lascaris Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed

Het gaat goed met onze oude dijken, maar het kan beter

In Nederland liggen vele duizenden kilometers dijk. Het gaat daarbij zowel om dijken die nog steeds water keren als om dijkrelicten zonder waterkerende functie. Heel veel dijken zijn eeuwenoud en sterk bepalend voor het karakter van de gebieden waar ze liggen. Door de klimaatverandering en ruimtelijke ontwikkelingen in het achterland kan de cultuurhistorische

waarde van de dijken onder druk komen te staan. Veranderingen als dijkversterkingen zijn noodzakelijk om ons land leefbaar te houden. Het is echter zaak dat dergelijke ingrepen zoveel mogelijk plaatsvinden met gevoel voor historische context zodat de geschiedenis van een dijk ook voor de generaties na ons leesbaar blijft.

1 - Wiel in de Spaarndammerdijk. Een dergelijke doorbraakkolk was te diep om dicht te gooien zodat de dijk er nu omheen loopt. Foto Paul Paris

2 - De Hondsbossche Zeewering. Sinds het einde van de achttiende eeuw vormde deze dijk een stabiel segment van onze kustlijn. Ondanks het imposante voorkomen voldoet de dijk niet meer aan de huidige veiligheidsnormen. Foto Paul Paris.

ijken in het lage land Een goede bescherming tegen het water is altijd belangrijk geweest in ons lage en natte land. Door alle eeuwen heen en bij alle vormen van het bewoonbaar maken van het land spelen dijken een rol: bij kustbedijkingen, bij droogmakerijen en langs rivieren, bij veen- en moerasontginningen. De oudste dijken dateren al van omstreeks het begin van de jaartelling. Deze zijn niet meer herkenbaar in het huidige landschap maar komen soms aan het licht bij archeologisch onderzoek. Het lijkt bij deze oudste dijken om elementen van zeer bescheiden grootte te gaan, bedoelt om kleine akkers te beschermen tegen plaatselijke wateroverlast. Echt omvangrijk werd de aanleg van dijken pas vanaf de 12de eeuw toen grote

stukken cultuurland dreigden te verdwijnen in zich uitbreidende zeearmen. Door het ontstaan van grotere dijksystemen ging het onderhoud en de aanleg ervan al snel de mogelijkheden van individuen, kleine dorps- en kloostergemeenschappen te boven. Om dit probleem aan te pakken werden al in de Late Middeleeuwen tal van waterschappen opgericht. Deze konden sterk verschillen in grootte: van een enkele polder met een of twee boerderijen tot hele regio’s. Nog aan het begin van de vorige eeuw waren er in Nederland meer dan 3000 waterschappen waarvan de meeste slechts bestonden uit een enkele polder. Na die tijd zette een voortdurend proces van schaalvergroting en centralisatie in. Op dit moment telt Nederland nog 25 waterschappen.

Het oudste nog in de oorspronkelijke vorm bestaande is het hoogheemraadschap Rijnland dat opgericht werd in 1232. Geschiedenis vol overstromingen Ondanks de aanleg van uitgestrekte dijksystemen en de oprichting van de waterschappen vielen telkens weer grote stukken land ten prooi aan de golven door stormvloeden en calamiteiten als opstuwing van rivierwater door kruiend ijs. Talloze kolkgaten of wielen en bochten in de dijken getuigen van evenzovele doorbraken en herstel daarvan (figuur 1). De geschiedenis van de Nederlandse dijken kenmerkt zich dan ook door een lange reeks van kleinere en grotere overstromingen. Het optreden van dijkdoorbraken werd in de hand gewerkt door gebrekkig onderhoud, 17

VITRUVIUS oktober 2013.indd 17

21-08-13 15:27


Vitruvius

nummer 25

oktober 2013

Naam Enzo

3 - Dijken staan nooit op zich; ze maken deel uit van functionele ensembles. Hier een inundatiesluis van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in de Hoge Maasdijk bij Hedikhuizen. Foto Wim van der Ende dat op zijn beurt vaak weer het gevolg was van oorlogssituaties of onenigheid dan wel onduidelijkheid over de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van dijken. Daarnaast werd, als langere tijd geen sprake was van overstromingen, de urgentie om iets aan de dijken te doen minder gevoeld. De discussies over nut, noodzaak en kosten zijn eeuwenoud. Van defensief naar offensief In eerste instantie werden de dijken aangelegd om het bestaande cultuurland te beschermen. Ze zijn opgeworpen tegen hoogwater of tegen kwel uit nog onontgonnen veengebieden. Later werd bewust gedijkt om het areaal bewerkbaar land te vergroten, bijvoorbeeld bij het in cultuur brengen van hooggelegen buitendijkse kwelders. De landaanwinning - en dus ook de dijkenbouw - kregen vanaf het eind 16de eeuw een belangrijke impuls toen, door grootschalige inzet van windmolens, meren en plassen konden worden leeggepompt. Uit deze tijd dateren de eerste grote NoordHollandse droogmakerijen: Beemster, Purmer, Schermer en de Heerhugowaard. Vanaf het midden van de 19de eeuw werden deze langzamerhand vervangen door gemalen en konden nog grotere stukken land

worden droog gelegd, zoals de Haarlemmermeer in 1852 en de IJsselmeerpolders in de 20ste eeuw. Met de afsluiting van de Zuiderzee (1932) en de aanleg van de Deltawerken (1958-1997) bereikten de Nederlandse dijkenbouwers wereldfaam. Dijkenbouw en de daarmee verbonden werkzaamheden als baggeren en havenaanleg werden een exportproduct. Maar ook na de Deltawerken ging de ontwikkeling van kennis op het vlak van waterkering door: de als deuren beweegbare pontons van de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg (1997) en de opblaasbare kering bij Ramspol in het Ketelmeer (2002) zijn voorbeelden van destijds volstrekt nieuwe technische oplossingen. Iconen van waterstaat Zonder dijken zou Nederland een heel ander land zijn. Het gaat bij dijken dan ook om cultuurhistorische elementen van de eerste orde, iconen van onze eeuwenlange omgang met het water en in belangrijke mate kenmerkend voor de eigenheid van een gebied. Bij iedere dijk hoort een verhaal, een eigen geschiedenis. Deze geschiedenis kan bijvoorbeeld af te lezen zijn aan het bochtig verloop en de kolken die getuigen van doorbraken in verschil-

lende perioden maar ook aan verschillen in de bekleding van de dijk, de hoogte en het verloop van het profiel. Dijken zijn er dan ook in tal van soorten en maten. Van lage en smalle kaden langs waterstromen, langs plassen, meren, kanalen en polderboezems tot machtige rivierdijken en hoge brede zeeweringen als de afsluitdijk (eigenlijk een dam) en de Hondsbossche Zeewering (figuur 2). Verder staan dijken nooit op zichzelf maar gaan ze altijd samen met andere waterstaatkundige objecten als oude sluizen, bruggen, molens en gemalen die op, in of aan de dijk gebouwd zijn (figuur 3). Dijken en dijkrelicten De dijken in het huidige landschap zijn onder te verdelen in twee groepen. Enerzijds gaat het om de dijken met een waterkerende functie die ons beschermen tegen het water, het zijn dus dijken ‘in functie’. In de taal van waterstaatprofessionals gaat het om primaire en regionale waterkeringen. Daarnaast is sprake van ‘dijkrelicten’. Dat zijn dijken die niet meer dienen als waterkering, wat geldt voor een aanzienlijk deel van de Nederlandse dijken en kaden. Dit onderscheid is van belang vanwege de verschillen in het beheer, ruimtelijk beleidskader en in het soort ingrepen dat van invloed kan

18

VITRUVIUS oktober 2013.indd 18

21-08-13 15:27


Vitruvius

nummer 25

Oktober 2013

zijn op de cultuurhistorische aspecten van dijken. Dijken onder spanning Zowel de cultuurhistorische waarde van dijken die ons tegen het water beschermen als die van de dijkrelicten in het achterland staan onder druk. Het gaat bij dijken om functionele objecten die voortdurend zijn aangepast aan de eisen van de tijd. Na de aanleg zijn ze telkens weer gecontroleerd, gerepareerd en verbeterd. Ook de komende tijd zal aan de dijken worden gewerkt waarbij de technische mogelijkheden van nu het mogelijk maken om ook op zich robuuste structuren als dijken ingrijpender en sneller te veranderen dan ooit te voren. Het klimaat is aan het veranderen en we moeten de komende tientallen jaren rekening houden met zachtere winters, warmere zomers, langere droge perioden, maar ook meer neerslag, meer extreme regenbuien en een stijgende zeespiegel. De rivieren moeten meer water verwerken en het aantal extreem hoge waterstanden zal toenemen. Door verdere temperatuurstijging zal ook de zeespiegel stijgen. De dijken moeten dus bestand zijn tegen hogere waterstanden dan nu het geval is. Aan de

andere kant kunnen veendijken en veenkaden verzwakken door uitdroging na lange regenvrije perioden. Om deze problemen het hoofd te bieden, wordt gezocht naar een meer duurzame en klimaatbestendige vorm van waterbeheersing waarbij zowel het versterken van de dijken als het bufferen van water blijvend noodzakelijke processen zijn. Deze insteek is terug te vinden in talloze nog uit te voeren plannen en projecten die consequenties zullen hebben voor de cultuurhistorische waarde van de dijken. Welke dijken moeten worden versterkt, wordt bepaald in het Deltaprogramma. Dit is een nationaal programma waarin Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen samen werken met maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en kennisinstituten. Het plan wordt jaarlijks geactualiseerd en over de voortgang van de werkzaamheden wordt iedere Prinsjesdag verantwoording afgelegd. Dijkrelicten worden doorgaans niet meer onderhouden of opgehoogd en zullen dus niet versterkt worden in het kader van het Deltaprogramma. Dat wil echter niet zeggen dat deze dijken onveranderd zullen blijven liggen. De komende tientallen jaren zal het ruimtebeslag voor wonen, werken en recreatie in

de lage delen van Nederland verder toenemen, evenals de schaalvergroting in de landbouw. Dit betekent dat ook de cultuurhistorische waarde van de dijken en kaden zonder waterkerende functie onder druk zal blijven staan. Oude dijken kunnen worden aangetast door landbouwkundig gebruik, vooral door egalisatie en het omzetten van gras- in akkerland. Verder kan sprake zijn van sluipende erosie, bijvoorbeeld als gevolg van stuktrappen door vee. Soms worden ze ook domweg afgegraven. Hierbij is zelden sprake van opzet. Gewoonlijk gaat het om lokale initiatieven die voortkomen uit onvoldoende kennis met de cultuurhistorische betekenis van de dijk in kwestie. Bescherming Maar weinig dijken zijn wettelijk beschermd monument. Als beschermd monument aangewezen dijken zijn te vinden op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Van waterstaatkundige elementen en structuren zijn vooral gebouwde objecten als gemalen, sluizen, schotbalkloodsen en sluiswachterwoningen op rijksniveau beschermd. Het gaat daarbij landelijk om ruim 250 objecten. Ook is er een aantal voorzieningen op en in dijken beschermd,

4 - Steenendijk bij Hasselt. Bijzondere, met een bakstenen muur versterkte dijk langs het Zwarte Water. De Steenendijk is Rijksmonument. Foto Wim van der Ende.

19

VITRUVIUS oktober 2013.indd 19

21-08-13 15:28


Vitruvius

nummer 25

oktober 2013

5 - Een druk bezochte open dag op een opgraving van de Zuiderdijk, deel van de Westfriese Omringdijk. Lang niet alles is schriftelijk overgeleverd. De datering van de oudste dijkfase en bijvoorbeeld de fasering van latere dijkversterkingen kunnen doorgaans alleen door middel van archeologisch onderzoek worden vastgesteld. Vooral dwarsdoorsneden leveren veel informatie op. Foto Liesbeth Theunissen.

zoals coupures, de vier caissons van de dijkdichting na de stormramp 1953 in Ouwerkerk, en de Muraltmuurtjes ter verhoging en een keermuur ter versteviging van de dijk. Verder is ook de Steenendijk, een 800 meter lange muur aan de buitenkant van de dijk tussen Zwartsluis en Wijhe aangewezen als rijksmonument; het aardlichaam van de dijk zelf is dat niet (figuur 4). Dijken als lijnvormig aardlichaam zijn vrijwel uitsluitend beschermd als deze deel uitmaken van een groter complex dat in zijn geheel als rijksmonument is aangewezen, zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie (sinds 2009) en de Grebbelinie (sinds 2011). Naast deze liniedijken is alleen de Leppedijk in Friesland rijksmonument. Van de provincies heeft alleen Noord-Holland dijken als beschermt monument aangewezen. Verschillende dijken met bijbehorende onderdelen zijn beschermd op grond van de provinciale monumentenverordening Noord-Holland waaronder de 126 km lange Westfriese Omringdijk. Een kwestie van afweging Ook bij dijken die geen wettelijke beschermd monument zijn, wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden. In ruimtelijke plannen waarbij dijken gemoeid zijn, is meestal sprake van een afweging met

andere niet- cultuurhistorische belangen. Dijken worden doorgaans als onderdeel van het cultureel erfgoed meegenomen in milieueffectrapportages (MER’s), maar dat biedt op zichzelf geen bescherming. Als er sprake is van bescherming gebeurt dit via de provinciale verordeningen van de provincies en via de bestemmingsplannen van de gemeenten. In de huidige ruimtelijke ordeningspraktijk nemen de gemeenten een steeds belangrijker plaats in als gevolg van de voortgaande decentralisatie. Ook de omgang met de in cultuurhistorisch opzicht relevante dijken en kaden wordt in belangrijke mate gestuurd door gemeenten. In cultuur-historisch opzicht waardevolle structuren zoals dijken kunnen allereerst een plaats krijgen in het gemeentelijke erfgoedbeleid. In een erfgoednota geeft de gemeente immers aan hoe ze wil omgaan met de cultuurhistorische waarden binnen haar grenzen en welke middelen ze daarvoor inzet. Conclusie: kennis en onderzoek als basis Dat de dijken moeten worden versterkt om Nederland leefbaar te houden ligt voor de hand en ook veel van de ruimtelijke ontwikkelingen in het achterland zijn nodig. Het is echter zaak dat deze ingrepen zo veel mogelijk worden uitgevoerd met

gevoel voor historische context en aandacht voor de kwaliteit van het ontwerp. Hiervoor is kennis nodig. Een eerste stap is te inventariseren wat al bekend is van de in de gemeente of het plangebied liggende dijken en kaden. Dit maakt duidelijk welk onderzoek er eventueel nog moet plaatsvinden. Het gaat dan om kennis van het tracĂŠ, de functie, ouderdom, geschiedenis, conservering en samenhang met andere elementen in het landschap. Overzichten op nationaal en provinciaal niveau geven doorgaans hooguit een eerste indruk van de cultuurhistorische relevantie van de in een gebied liggende dijken. Daarna zal vrijwel altijd nog ingezoomd moeten worden tot op het niveau van bestemmingsplan of project. Meestal blijkt dan dat aanvullend onderzoek nodig is. Idealiter is voor iedere dijk helder gemaakt wat de huidige functie is. Gaat het om een waterkerende dijk of om een dijkrelict en welke elementen in het landschap hangen er direct mee samen. Verder moet inzichtelijk worden gemaakt welke rol de dijk speelde in de waterstaatsgeschiedenis, wat de ligging is en of de dijk nog als zodanig herkenbaar is. Ook als dijken niet bewaard gebleven zijn, zouden deze in kaart moeten worden gebracht. Zo kan dan bijvoorbeeld besloten worden een

20

VITRUVIUS oktober 2013.indd 20

21-08-13 15:28


Vitruvius

nummer 25

Oktober 2013

dijk te reconstrueren om recreatieve of cultuurhistorische redenen (figuur 6 en 7). Alleen met een zo compleet mogelijke inventarisatie waarop ook verdwenen dijken staan, kunnen dijken vanaf het begin van de planvorming of ontwerpproces worden meegenomen. Nawoord In augustus 2013 heeft de Rijksdienst de brochure Een toekomst voor dijken uitgebracht met daarin uitvoeriger informatie over de geschiedenis van de dijken, dijken als cultureel erfgoed en handvatten voor dijkherstel en dijkontwerp. Deze brochure is te downloaden op www.cultureelerfgoed.nl Vreemd genoeg ontbreekt tot dusver een eenduidig en integraal overzicht met daarop alle Nederlandse dijken en kaden, wie ze beheert en wat de cultuurhistorische waarde van deze dijken is. In de loop van 2014 zal een dergelijk overzicht in boekvorm verschijnen onder de naam ‘Dijken’ bij NAI Uitgevers. Literatuur - Bazelmans, J., D. Gerrets en P.C. Vos, 1998: Zoden aan de dijk. Kleinschalige dijkbouw in het Friesland van de Romeinse tijd, Noorderbreedte 22 (6), 18-21. - Heezik, A.A.S., 2007: Strijd om de rivieren. 200 jaar rivierenbeleid in Nederland of de opkomst en ondergang van het streven naar de normale rivier. Delft. - Jansen, F.J., 1999: Veertig jaar rivierdijkversterking en wat daarna komt. Hoe de inbreng van de RDMZ veranderde. Jaarboek Monumentenzorg 1999, Zwolle/Zeist, 44-48. - Projectbureau Belvedere 2004: Blauwe Tradities. Inspiratieboek water en cultuurhistorie. Projectbureau Belvedere, Utrecht. - Projectbureau Belvedere 2010: Peilwaarden. Omgaan met erfgoed in actuele wateropgaven. Matrijs, Utrecht. - Rijkswaterstaat, 2007: Langs weg en water. Overzicht van historisch-bouwkundige, historisch-geografische en archeologische waarden binnen en langs de beheergrenzen van Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft. - Ven, G.P. van de (red.) 2003: Leefbaar laagland. Geschiedenis van de waterbeheersing in Nederland. Matrijs, Utrecht. n

6 - Reconstructie van een stuk van een palendijk bij Bunschoten. Oorspronkelijk waren de meeste dijken langs het IJsselmeer, toen nog Zuiderzee, aan de zeezijde versterkt met zware houten palen. In de achttiende eeuw kwam hieraan een einde doordat het hout werd aangevreten door de paalworm. Voorbeeld van een reconstructie met een educatief doel, gerealiseerd door Waterschap Vallei en Veluwe en het Nationaal Landschap Arkemheen-Eemland. De palendijk heeft een eigen website met informatie over de reconstructie en palendijken in het algemeen (http://www.palendijk.nl). Foto Michel Lascaris

7 - Reconstructie van de Austerlitzdijk tussen Sluis en Oostburg. De oorspronkelijke dijk speelde een belangrijke rol bij de inpoldering van het gebied. De reconstructie dient ertoe om de ontstaansgeschiedenis weer leesbaar en begrijpbaar te maken. Foto Joera Moree (DLG, Goes).

21

VITRUVIUS oktober 2013.indd 21

21-08-13 15:28


voor u

gelezen

Vitruvius nummer 25 Oktober 2013

Binnen de poorten. Ontstaan en ruimtelijke ontwikkeling van de binnenstad van Kampen Auteurs

M.R. van Winsen, H.J. van Velzen Ui t ga v e

IJsselacademie Kampen (Publicatie nr. 227) Re c e n s e n t

Marcel IJsselstijn D e t ai l s

Paperback, 208 pagina’s ISBN 978-90-6697-225-4 Prijs

€ 24,95

G

oed werk afleveren levert nieuw werk op. De gemeente Kampen was zo enthousiast over hun cultuurhistorische waardenonderzoek naar de Kampense binnenstad, dat auteurs Marcel van Winsen en Hugo van Velzen de opdracht kregen het rapport om te werken tot een publicatie voor een breder publiek. Dat werd het vorig jaar verschenen Binnen de poorten. Ontstaan en ruimtelijke ontwikkeling van de binnenstad van Kampen. Nadrukkelijk schrijven de auteurs in hun voorwoord dat zij onder een breed publiek niet alleen (oud)-inwoners van Kampen verstaan, maar ook specialisten en studenten op het gebied van stedenbouw(geschiedenis) en bouwhistorie. Zij spreken de hoop uit dat het boek onder meer zal fungeren “(…) als bouwsteen in het academische debat over de essenties van de ruimtelijke vorm van de historische stad” (p.9). Een ambitieuze verwachting voor zo’n lokale studie, ware het niet dat deze casus onderdeel uitmaakt van het lopende promotieonderzoek van beide auteurs aan de Technische Universiteit Delft. Onder de werktitel ‘Het systeem van de historische stad’ werken Van Winsen en Van Velzen aan een breder opgezette studie naar de processen en karakteristieken van de Nederlandse historische stad. Naast het opvullen van kennislacunes willen de auteurs met hun promotieonderzoek tevens een systematisch begrippenkader opbouwen om concrete bouw- en transformatieopgaven in dit type historisch weefsel te kunnen sturen. In Binnen de poorten komt dit bredere onderzoek nadrukkelijk naar voren, waarmee het boek als een voorpublicatie van de dissertatie is te beschouwen. Van Winsen (historicus) en Van Velzen (bouwkundig ingenieur) drijven samen het Rotterdamse bureau voor Architectuur, Welstand en Cultuurhistorie FlexusAWC en verdienen normaliter hun brood met lokale cultuurhistorische studies die gericht zijn op beleidsmatige doorvertaling. Al langere tijd geven zij blijk van hun belangstelling voor het synthetiserende thema van de Nederlandse historische stad. Zo rondden zij in 2008 een door het Belvederefonds gefinancierd onderzoek af

met een gedegen en verhelderende themadag over het beleidsinstrument van het beschermde stadsgezicht. Nu verschuiven Van Winsen en Van Velzen het accent in hun langer lopende onderzoek van beleid naar kennis, en geraken zij vanuit de ambtelijke en professionele kring van planners, ruimtelijke ordenaars en monumentenzorgers in het academische werkveld van architectuur-, stedenbouw- en bouwhistorici. Een moedige en ook zeer nuttige stap, want de auteurs hebben wat te melden dat het onderzoek op dit thema verder kan brengen. Binnen de Poorten opent met een korte inleiding waarin Van Winsen en Van Velzen hun doelstellingen en methodiek samenvatten. De inleiding stemt de enigszins ingewijde lezer direct tot nadenken omdat een aantal belangrijke termen, stellingnames en uitgangspunten wordt geformuleerd. De auteurs willen een analyse geven van de ruimtelijke vorm die Kampen door de eeuwen heen heeft gekregen. Daarbij onderscheiden zij vier schaalniveaus - stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing en architectuur – die zij afzonderlijk en in samenhang willen beschrijven. Met behulp van dit onderscheid in schaalniveaus willen de auteurs op zoek gaan naar historischruimtelijke principes die kenmerkend zijn voor de Nederlandse historische stad, met Kampen in dit geval als representant. Zij melden echter ook meteen dat ze die historisch-ruimtelijke principes gevonden hebben. Het blijken er twintig te zijn, waarvan er in Binnen de poorten vijftien worden uitgewerkt. Ook krijgen we direct te weten dat deze principes ergens tussen 1850 en 1950 allemaal zijn “afgestorven” en vervangen door moderne ruimtelijke principes. Als centraal argument stellen de auteurs dat vormbepalende factoren (ontwikkelingen op maatschappelijk, politiek, economisch, demografisch en sociaal terrein die de stad ruimtelijk gevormd hebben) eeuwenlang hebben geresulteerd in (steden-)bouwkundige principes met een grote mate van samenhang en consistentie. Tezamen hebben zij “het levende gebiedstype van de historische stad” gevormd, dat sterk afwijkt van stadstypen die na 1850 zijn ontstaan: de industriële (1875-1945), moderne (1945-1975) en postmoderne stad (1975-heden). De historische stad is als stadstype tussen 1850 en 1950 afgerond: de overblijfselen ervan zijn er tegenwoordig nog wel, maar de vormbepalende factoren zijn verdwenen. Met de afronding van de historische stad is zij ook kenbaar en onderzoekbaar geworden, zo luidt de redenering van de auteurs. Daarmee distantiëren zij zich nadrukkelijk van het standpunt dat ook moderne ingrepen thuishoren in de historische binnenstad omdat een continue ontwikkeling juist haar belangrijkste kenmerk zou zijn.

22

VITRUVIUS oktober 2013.indd 22

21-08-13 15:28


Vitruvius nummer 25 oktober 2013

Wat volgt zijn vier hoofdstukken om dit prikkelende centrale argument uit te werken. Het eerste hoofdstuk behandelt de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis van Kampen van het ontstaan in de volle middeleeuwen tot vandaag. Dit verhaal wordt chronologisch verteld met voor elke periode een paragraaf met de algemene (vormbepalende) ontwikkelingen, een over de veranderingen in de stedelijke structuur, en een over de gebouwen en artefacten. De auteurs bouwen hier voort op de bestaande literatuur, hoewel zeker niet alle recente literatuur is verwerkt. Zo baseren ze zich aangaande de datering en ontwikkeling van de IJssel bijvoorbeeld enkel op de Wageningse geomorfologische literatuur en niet op de Utrechtse literatuur, die recent door archeoloog Michel Groothedde nog eens met ander bewijsmateriaal is onderbouwd. Af en toe komen de auteurs op deelonderwerpen met een eigen, nieuwe analyse die gerelateerd kan worden aan hun centrale argument. Die delen overtuigen echter niet allemaal. Zo stellen de auteurs dat er al eind 15de eeuw “een traditie van enkele eeuwen oud” bestond in het rechttrekken van rooilijnen, afbreken van hinderlijke bouwsels en vastleggen van standaard maatvoeringen voor straten en stegen (p.41), terwijl onduidelijk blijft waarop die uitspraak gebaseerd is. Voor de periode 15601830 wordt steeds van economische teruggang gerept, maar blijkens de besproken ontwikkelingen kwam die neergang pas echt na de Gouden Eeuw, dus na 1672 toen de stad letterlijk deels werd afgebroken (Nieuwe Hagen). Zeer duidelijk komt in dit eerste hoofdstuk ook naar voren dat de auteurs er niet voor terugdeinzen een oordeel te geven over ruimtelijke ingrepen in het verleden. Zo wordt het verwijderen van luifels en het vervangen van topgevels door lijstgevels in de periode 1750-1850 door de auteurs onder de noemers “verstrakking” en “abstrahering” gekwalificeerd “als een tot dan toe ongeëvenaarde verarming van de architectonische rijkdom van de stad” (p.63). In het tweede hoofdstuk zetten de auteurs de vormbepalende factoren op een rij die van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van de stadsplattegrond. Hoewel er geen nieuwe inzichten naar voren worden gebracht blijkt impliciet wel dat het thema de potentie heeft om verschillende academische disciplines met elkaar te verbinden. Vanuit historisch-geografische hoek wordt de invloed van het landschap (met zowel natuurlijke kenmerken als door de mens vormgegeven eigenschappen) benoemd, vanuit de sociaaleconomische geschiedenis wordt de invloed van de verdeling van functies en welvaart benoemd, vanuit rechtshistorische hoek de invloed van wet- en regelgeving en vanuit kunsthistorische hoek wordt stilgestaan bij de autonome invloed van artefacten en structuren. Op dit moment, zo halverwege het boek, begint zich dan al af te tekenen waar de schoen wringt wat betreft de ambities van de auteurs om zich te mengen in het academische debat. Hun centrale argument – aantonen dat de Nederlandse historische stad een afgerond stadstype is dat gekenmerkt wordt door een reeks historisch-ruimtelijke principes – wordt vooral ruimtelijk uitgewerkt en niet zozeer historisch. Dat blijkt bijvoorbeeld

voor u

gelezen

als de auteurs ingaan op de aloude discussie over ontwerp of organische groei in middeleeuwse steden (p.104-106). Zonder argumentatie en literatuurverwijzingen stellen zij dat de oudste straten van Kampen organisch zijn gegroeid en later gereguleerd door overheidsingrijpen. Jongere stadsuitbreidingen zouden volgens hen “waarschijnlijk” wel min of meer planmatig tot stand zijn gekomen. Aan het einde van de paragraaf blijkt waarom de auteurs het niet zo nauw nemen met de historische argumentatie in deze discussie. Uit de plattegrond kan namelijk niet worden afgelezen of het om ontwerp of organische groei gaat “(…) omdat beide vormen zijn gereguleerd, door de overheid bijgestuurd en de ruimtelijke basisprincipes niet of nauwelijks van elkaar afwijken”. De auteurs tonen zich dus vooral geïnteresseerd in het ruimtelijk resultaat van de stadsontwikkeling en niet evenzeer in de historisch context. Dan wordt het moeilijk om aan te haken bij het debat onder architectuur- en stedenbouwgeschiedenis aangezien deze disciplines zich bezighouden met de motieven die het ontwerp van steden hebben bepaald. Die onderliggende motieven zouden bij uitstek aan bod kunnen komen in het derde hoofdstuk, wanneer de historischruimtelijke principes van Kampen op de vier eerder genoemde schaalniveaus (stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing en architectuur) worden uitgediept en de stad op die punten tevens wordt vergeleken met andere steden in binnen- en buitenland. Toch komen motieven maar spaarzaam ter sprake in dit hoofdstuk. De meest aandacht gaat uit naar het introduceren van een morfologisch begrippenkader waarin allerlei onderdelen van het stadsbeeld worden gecategoriseerd: infrastructuur, bouwblokken, percelen, pleinen, water, hoven, huizen, bijzondere bebouwing, gevels, kappen, daken, bestrating, en zo nog wat meer. Hoewel het op bepaalde punten zeer uitgewerkt is en op andere punten juist veel minder, is dit toch een verhelderend overzicht waarmee de auteurs in staat zijn bepaalde ruimtelijke essenties van het historische stadsbeeld te verklaren. Zo maken zij duidelijk dat de ruimtelijke spanning in het straatbeeld van Nederlandse historische binnensteden niet in de eerste plaats is terug te voeren op het stedenbouwkundig patroon (dat juist vrij rustig, rechtlijnig en breed is in vergelijking met buitenlandse steden), maar vooral berust op het snelle ritme van aaneengeschakelde individuele, smalle panden met een architectonische ‘eenheid in verscheidenheid’. Dat maakt de Nederlandse historische binnensteden echter tegelijk uiterst gevoelig voor schaalvergroting omdat het rechtlijnige en brede stedenbouwkundige patroon nauwelijks compensatie kan bieden voor een grotere monotonie in bebouwing (zoals dat wel kan in buitenlandse steden met een afwisselend en nauw stedenbouwkundig patroon zoals Barcelona, Genua, Siena of Avignon). Verder dan een ruimtelijke analyse komen de auteurs jammer genoeg niet. De historische duiding van de principes die zij onderscheiden komt amper uit de verf omdat het ontbreekt aan een degelijke uitwerking van de vormbepalende factoren uit hun theoretisch kader. Wanneer zij bijvoorbeeld spreken over het voor de Nederlandse historische stad kenmerkende geslo-

23

VITRUVIUS oktober 2013.indd 23

21-08-13 15:28


voor u

gelezen

Vitruvius nummer 25 Oktober 2013

ten bouwblok met smalle kavels en huizen die vanaf de straat zelfstandig toegankelijk zijn, stellen zij dat dit een weerspiegeling is van de specifieke organisatie van de pre-industriële Nederlandse samenleving op basis van het kerngezin (p.128-129). De vraag op welke manier de samenleving in het buitenland dan anders was georganiseerd dat dit geleid zou hebben tot andere vormen, komt echter niet ter sprake. Per saldo verklaart daarmee het aangevoerde argument van het kerngezin niets over de specifieke vorm van de Nederlandse binnenstad. Het vierde en laatste hoofdstuk brengt Binnen de poorten terug tot de basis waarmee het begon: een rapport over de cultuurhistorische waarden van de Kampense binnenstad. In kort bestek en met behulp van enkele kaarten worden hier helder de belangrijkste zaken op een rij gezet. Daarnaast verduidelijken de auteurs hun bedoelingen met dit boek en het lopende promotieonderzoek nog eens. Ze zijn in beginsel niet tegen alles wat na de pre-industriële periode is gebouwd. Ook dat kan volgens hen waardevol zijn, mits deze ingrepen niet alleen verandering in het stedelijk weefsel teweeg brengen maar ook de continuïteit respecteren die de stad zoveel eeuwen heeft gekend: “Juist deze continuïteit, die voor een veel groter deel visueel is dan wij doorgaans geneigd zijn toe te geven, maakt het verleden van de stad aanraakbaar en invoelbaar, vooral wanneer de verschillende tijdslagen, geleidelijk in elkaar overgaan, elk als voorbeeld van hun eigen tijd herkenbaar zijn, maar elkaar toch niet loslaten. Het wordt dan een kabel waar door de geschiedenis zich als een golf kan voortplanten, zonder dat deze doodloopt op een breuk” (p.197).

Verborgen schatten - Wageningse monumenten en monumentenzorg Auteurs

M. van den Wijngaart Ui t ga v e

Blauwdruk Re c e n s e n t

Frits Niemeijer D e t ai l s

Paperback, 168 pagina’s, foto’s in kleur ISBN 978-90-7527-162-1 Prijs

€ 19,90

J

e mag niet mopperen wanneer je een boek voor een breed publiek hebt samengesteld en je kunt bogen op een ‘inleiding’ van Fons Asselbergs - onder meer

Concluderend is Binnen de poorten vooral een geslaagde poging om de visuele aantrekkingskracht van een historische stad als Kampen te verwoorden en te verklaren. Het betoog wordt ondersteund door fraai beeldmateriaal uit diverse Kampense archieven en heldere, instructieve kaarten die bureau FlexusAWC zelf heeft getekend. Als ruimtelijke analyse van een historisch fenomeen is de studie – en vooral het nog lopende promotieonderzoek – tevens van belang voor wetenschappers die zich met de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis van de Nederlandse stad bezighouden. Van Winsen en Van Velzen reiken een morfologisch begrippenkader aan dat overzicht aanbrengt en uitwisseling van ideeën en analyses tussen verschillende vakdisciplines kan bevorderen. Daarmee kan hun studie de broodnodige academische synthese over dit thema stimuleren. Als historische analyse van een ruimtelijk fenomeen is het boek echter veel minder geslaagd. Daarvoor ontbreekt het aan diepgang en overtuigingskracht. Over de motieven of verklaringen die ten grondslag hebben gelegen aan de specifieke vormen die het stadsbeeld van Kampen over de lange termijn aannam, komen we niets nieuws te weten. Bovendien wordt ook het centrale argument dat de vormbepalende factoren die het historische stadstype hebben geschapen allemaal tussen 1850 en 1950 zijn afgestorven en vervangen niet onderbouwd. Maar misschien is dat ook wel teveel gevraagd van deze in beginsel lokale studie en moeten we daarvoor wachten op de dissertatie. n

oud-directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en hoogleraar Monumentaal bouwkundig erfgoed in Nijmegen. Van den Wijngaart is zelf al meer dan 10 jaar beleidsmedewerker monumentenzorg in Wageningen. De uitgave uit 2012 is een prelude op 750 jaar Wageningse stadsrechten in 2013 en is dus volop actueel. Echter - de voornaamste reden waarom het boek op deze plaats wordt besproken ligt niet aan Asselbergs intro, noch in het stedelijk feestjaar, maar in de enigszins onconventionele aanpak van het onderwerp. De auteur schotelt hier aan een groot en niet ter zake geschoold publiek voor, wat gewoonlijk niet aan het oog ontsnapt van enkele, soms gespecialiseerde kijkers en lezers. Kortom: hij helpt de geïnteresseerde lezer te kijken details en ensembles die hij wellicht over het hoofd zou zien of niet in hun samenhang zou hebben geobserveerd. Zo gaat Van den Wijngaart in 20 bladzijden in op interieurelementen als waterfonteintjes en kunstig samengestelde netwerken van elektriciteitsleidingen.

24

VITRUVIUS oktober 2013.indd 24

21-08-13 15:28


Vitruvius nummer 25 oktober 2013

En hiernaast schaalt hij maximaal op naar zichten op ‘de kerktoren’ van Wageningen en naar zogenoemde daklandschappen – uitzichten over de unieke ensembles van daktypen, dakbedekkingen en het kleurenpalet daarvan. De hierbij genoemde voorbeelden krijgen een eigen subtitel mee, waardoor elk onderwerp een korte uitleg krijgt die direct is gekoppeld aan het beeld. Dat de keuze van de indeling en het aantal genoemde voorbeelden hierbij wel eens arbitrair is, zal te maken hebben met het brede spectrum van thema’s, maar mogelijk ook met de specifieke belangstelling van de auteur. Anders valt nauwelijks te verklaren dat er liefst zes eerste stenen in het desbetreffende hoofdstukje zijn afgebeeld, terwijl het opnemen van een negental foto’s waarop de eerder genoemde kerktoren centraal staat een daad van overkill kan heten. En dan te weten dat hij niet een keer echt goed zichtbaar is. Hiermee zijn zowel de kracht als de zwakte van het boek ten voeten uit verwoord. Het inzoomen op sommige details schiet zijn doel voorbij doordat het in beeld gebrachte in de categorie ‘meer van hetzelfde’ valt en er (dus) andere onderwerpen niet of minder voor het voetlicht zijn gebracht, terwijl de aandacht voor de context van de toren - door

voor u

gelezen

hem centraal te stellen - enigszins wordt ‘verdonkeremaand’. En dat was juist niet de bedoeling: de schrijver mikt immers op ‘een nieuwe kijk op Wageningen’. Dan is de vraag, wat biedt die nieuwe kijk dan wél? Welnu, er zijn onder meer hoofdstukjes over kelders en trappen, die uiteraard in bijna alle gevallen privé domein zijn en slechts door weinigen in het echt zijn gezien en waarover tal van wetenswaardigheden worden verteld. Verder zijn er hoofdstukken met titels als ‘werk in uitvoering’ en ‘sloop’ - wat aangeeft dat Van den Wijngaart zijn functie als beleidsambtenaar niet als een bureauwerker uitoefent. Hij is namelijk in veruit de meeste gevallen zelf de fotograaf en je mag aannemen dat het commentaar bij de afbeeldingen ontsproten is aan zijn eigen veldkennis. Dat commentaar is soms beknopter dan uw recensent wel zou wensen – met name waar het gaat om de ’stadsgezichten’. Niet iedereen weet precies wat de afbeeldingen laten zien en waar ze zijn genomen. Hier staat tegenover dat andere zaken wel wat beknopter hadden gekund. Zo is de ruime aandacht voor (gesloopte) gebouwen en interieurs die het landbouwonderwijs dienden wel begrijpelijk, maar lang niet alle genoemde voorbeelden bezaten waarden die een voortbestaan rechtvaardigden. Nostalgie is immers niet hetzelfde als kwaliteit, maar misschien maakt dat nu net het verschil tussen een lokale en een nationale uitgave. Tot de belangrijke positieve punten die het noemen waard zijn, behoren hiernaast de heldere schrijfstijl, de informatieve, maar niet belerende toon, de niet chronologische en niet bouwstijl gebonden aanpak. Met name dankzij deze laatste punten is het boek verfrissend te noemen en kan het wellicht ook als inspiratie voor andere lokale uitgaven dienen. De hier niet altijd even consequente of evenwichtige manier van presenteren is dan te zien als het gevolg van pionierswerken en kan dienen als aandachtspunt voor eventuele navolgers. Zo zou uitgerekend een hoofdstuk als ‘voor en na restauratie’ best wat meer mogen worden aangezet: bij op dit boek geïnspireerde uitgaven zou ook (en vooral) restauratie van de niet voor iedereen te bezoeken interieurs en interieuronderdelen een stimulans kunnen zijn voor een serieus omgaan met kwaliteit. Ook als dat zou betekenen dat een waardevol, maar op dit moment niet gebruikt element geconserveerd moet blijven. Want uiteindelijk is iedere generatie slechts gebruiker van een huis of van de ruimte zolang hij of zij er zeggenschap over heeft en overleeft de monumentaliteit de mens verre. Omgekeerd is het altijd gevaarlijk af te gaan op intuïtie of op het oordeel van degenen aan wie de opdracht is verleend. Niet voor niets schreef Asselbergs al in de inleiding van deze uitgave dat in de monumentenzorg geldt: ”Hoedt u voor beunhazen. Wat dit betreft is het dus goed dat Van den Wijngaart zelf uit het beleidsveld afkomstig is en – naar mag worden aangenomen – een broertje dood heeft aan sloop, onoordeelkundige ‘restauratie’ en onderhoud met lapmiddelen. De ondertitel ‘Wageningse monumenten en monumentenzorg’ is dan ook goed gekozen. Van den Wijngaart is – gezien zijn oogst aan gesloopte waarden - terecht een bezorgde monumentenzorger. Het belangrijkste is en blijft echter dat hij ogen opent voor dat wat van betekenis is en is gebleven. En dat is hier toch behoorlijk goed uit de verf gekomen. n

25

VITRUVIUS oktober 2013.indd 25

21-08-13 15:28


recent

Vitruvius nummer 25 oktober 2013

verschenen

Escher & Schatten uit de islam Auteur

Micky Piller, Eric Broug, Mirjam Shatanawi, Titia Zoeter Ui t ga v e

THOTH D e t ai l s

Paperback, 112 pagina’s, 125 illustraties in kleur ISBN 978-90-6868-630-2 Prijs € 19,90

D

e Nederlandse grafisch kunstenaar M.C. Escher (1898-1972) is wereldwijd bekend en geliefd om zijn vlakvullende patronen en bouwwerken met een onnavolgbare dieptewerking. Eschers grafische werk maakte hem wereldberoemd, maar de invloed van islamitische kunst op

Protestantse kerken – hun pracht en kracht Auteur

Regnerus Steensma Ui t ga v e

Bornmeer D e t ai l s

Gebonden, 272 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-5615-294-9 Prijs € 27,50

I

n dit boek ontrafelt kerkenkenner dr. Regnerus Steensma de historische betekenis van protestantse kerken in Nederland. Anders dan veelal wordt gedacht, is hun inrichting vaak niet bepaald sober. In het schip vinden we in veel gevallen een preekstoel met uitbundig snijwerk, omgeven door een doophek en omringd door voorname banken en een monumentaal

Het Grote Boerderijenboek Auteurs

Ben Kooij, Judith Toebast (red.) Ui t ga v e

WBooks D e t ai l s

H

Gebonden, 384 pagina’s, ca. 400 illustraties ISBN 978-90-4000-758-3 Prijs € 49,95

et Grote Boerderijen Boek geeft een gevarieerd beeld van de Nederlandse boerderijen vroeger en nu. Verschillende typen en streekgebonden boerderijen komen aan

zijn werk is maar bij weinig mensen bekend.
 Zijn fascinatie voor islamitische kunst ontstond tijdens twee reizen naar Zuid-Spanje, in 1922 en 1936, waar hij het Alhambra van Granada en de Mezquita van Córdoba bezocht. De eindeloze herhaling en regelmaat waarmee patronen gehele vlakken vulden, intrigeerden hem. Met herkenbare dierfiguren maakte hij zijn eigen, niet-abstracte variaties op de islamitische motieven die hij in Andalusië had gezien. Ook verdiepte hij zich in wiskundige studies naar patroonvorming.
 Escher & Schatten uit de islam maakt zichtbaar hoe de graficus geometrische patronen uit de islamitische kunst omzette naar zijn befaamde ‘wiskundekunst’.
Een bijzondere culturele ontmoeting tussen islamitische en Europese kunst. n

bankenplan voor de gewone kerkgangers. Het schip is vaak door een hek of een schotwerk van het koor afgescheiden. Het koor draagt in veel protestantse kerken door de aanwezigheid van graftombes en rouwborden het karakter van een mausoleum. Dit boek, dat met meer dan driehonderd eigen opnames is geïllustreerd, neemt u in woord en beeld mee op een wandeling door het fascinerende interieur van onze oude protestantse kerken. Bij de verschillende onderdelen wordt niet alleen aandacht besteed aan hun historische betekenis, maar ook aan het aspect van monumentenzorg en modern kerkbeheer. Dr. Regnerus Steensma (1937-2012) was tot 2002 hoofddocent Architectuur en Iconografie van het Christendom aan de Rijksuniversiteit Groningen en directeur van het daar gevestigde Instituut voor Liturgiewetenschap. Hij publiceerde vele boeken en artikelen over kerkbouw en kerkinrichting. Daarnaast was hij kerkfotograaf. n

bod. Ook is er aandacht voor bijgebouwen, interieurs, het werk van de boer en de boerin, de bewoners en de bezoekers en het dagelijks leven op de boerderij. Behalve de vele fraaie foto’s uit verschillende bronnen zijn er interessante kaderteksten opgenomen die bouwhistorische, archeologische en historisch-landschappelijke aspecten van de boerderij belichten. Ook is er een reeks kunstwerken over boerderijen uit de Rijkscollectie in het boek opgenomen. Iedereen zal de eigentijdse en nostalgische beelden van voor de Tweede Wereldoorlog aanspreken. Maar ook de boerderijen in een moderne context, al dan niet nog agrarisch in gebruik, komen ruim aan bod. Het Grote Boerderijen Boek is een must voor iedereen met interesse in boerderijen. n

26

VITRUVIUS oktober 2013.indd 26

21-08-13 15:28


Vitruvius

nummer 25

recent

oktober 2013

Ontdek Amsterdam met het Rijksmuseum. - Twee wandelingen van (ongeveer) 2,5 km. Auteurs

Jan Tervoort Ui t ga v e

Bas Lubberhuizen D e t ai l s

Paperback, 80 pagina’s, ca. 50 illustraties in kleur ISBN 978-90-5937-353-2 Prijs € 9,95

Graven spreken Perspectieven op grafcultuur in de middeleeuwse en vroegmoderne Nederlanden. Auteurs

Peter Bitter, Viera Bonenkampová, Koen Goudriaan Ui t ga v e

Verloren D e t ai l s

Genaaid gebonden, 256 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-8704-320-9 Prijs € 25,-

Voor De Vest. Auteurs

P. Bitter en S. van Zanten (red.) Ui t ga v e

Spa-uitgevers i.s.m. gemeente Alkmaar D e t ai l s

Paperback, 336 pagina’s, rijk geïllustreerd, met vondstenlijst ISBN 978-90-8208-370-5 Prijs € 42,50

I

n dit onlangs verschenen rapport een verslag over de talrijke vondsten die zijn gedaan tijdens de Canadapleinopgravingen in de gemeente Alkmaar. Vondsten uit de Prehistorie, (inheems) Romeinse Tijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. In de Prehistorie hebben op het onderzoeksterrein akkers gelegen ( de oudste uit deLate Bronstijd / Vroege IJzertijd),

verschenen

W

andel door het Amsterdam van de Gouden Eeuw en lees over de Amsterdammers die toen geschiedenis schreven. Aan de hand van kunstwerken uit het Rijksmuseum vertelt stadsgids Jan Tervoort bij iedere locatie levendig en kort de geschiedenis. De ‘geld & handel-route’ leidt langs koopmanshuizen, de bloemenmarkt, de befaamde ‘Gouden Bocht’ en de Stadsbank van Lening waar Rembrandt goederen verpandde om zijn schulden te kunnen betalen. De ‘vrijheid & tolerantie-route’ voert langs het Anne Frank Huis, het Amsterdam Museum, het Begijnhof, een bordeel én het huis waar Rembrandt De Nachtwacht schilderde. n

K

enmerkend voor de menselijke soort is de zorg die hij aan de lichamen van zijn overleden dierbaren besteedt. Zonder de aandacht voor graf en begrafenis is een beschaafde samenleving niet denkbaar.

De bundel Graven spreken laat wetenschappers aan het woord die vanuit verschillende disciplines - algemene, kunst- en literatuurgeschiedenis, archeologie, fysische antropologie - licht werpen op de grafcultuur in de middeleeuwse en vroegmoderne Nederlanden. De vormgeving van de graven en de gebruiken rond het begraven laten ontwikkelingen zien die niet in de pas lopen met gangbare historische tijdvakindelingen. Ze lijken ook onafhankelijk te zijn van evoluties in de opvattingen over dood en hiernamaals. Maar er is ook een constant element: graf en begrafenis brengen de identiteit tot uitdrukking van de individuen en groepen die van de samenleving deel uitmaken. n

uit de Romeinse Tijd dateren een flink aantal waterputten en greppels. Verder werden er resten gevonden van de Middeleeuwse vestinggracht en de stadsmuren. Van grote betekenis zijn de resten van een aantal bakstenen funderingen, behorend bij de oudste stadsmuur. Het was een poerenfundering met spaarbogen (14de eeuw). Uit dezelfde tijd dateren bewoningssporen zoals gebouwen,waterputten, een drenkvijver en een beerput. Uit een iets latere periode werden fragmentarische funderingsresten gevonden van het klooster Middelhof en het Oude Mannen- en Oude Vrouwen Gasthuis. De afvalresten van het klooster en de gasthuizen geven een beeld van het dagelijks bestaan in deze instellingen, dat de schriftelijke bronnen deels bevestigt maar ook aanvult met nieuwe informatie. n 27

VITRUVIUS oktober 2013.indd 27

21-08-13 15:28


recent

Vitruvius nummer 25 oktober 2013

verschenen

De mens en de zee Auteurs

Yann-Arthus Bertrand, Brian Skerry Ui t ga v e

THOTH D e t ai l s

Gebonden, met stofomslag, 304 pagina’s, ca. 200 illustraties in kleur ISBN 978-90-5996-051-0 Prijs € 45,-

Van wildernis tot oase Landschapsgeschiedenis van landgoed Oostbroek bij De Bilt Auteur

F. Vogelzang, R. Raven Ui t ga v e

Matrijs (i.s.m. Utrechts Landschap) D e t ai l s

Genaaid gebonden, 192 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-5345-456-5 Prijs € 34,95

L

andgoed Oostbroek ligt als een groene oase aan de rand van de stad Utrecht. Dagelijks vinden wandelaars en rustzoekers de weg naar het landgoed. Het landgoed biedt een bijzondere afwisseling van natuur en landschap, fraaie wandelmogelijkheden, boomgaarden en een kruidentuin en − met een beetje geluk − reeën in de ochtendmist. Buiten razen

Herbestemming van postkantoren Auteurs

Koos Havelaar, Annette Wiesman Ui t ga v e

Nai010 Uitgevers D e t ai l s

Paperback, 176 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-94-6208-056-0 Prijs € 29,50

M

eer dan een eeuw was het postkantoor, net als het café en de bakker op de hoek, een vaste waarde in de dorps- of stadsgemeenschap. Nu het traditionele postkantoor zijn oorspronkelijke functie heeft verloren, komen

E

indelijk is het af: het nieuwe grote project van Yann Arthus-Bertrand, die samen met de gevierde onderwaterfotograaf Brian Skerry in meer dan 200 foto’s de overweldigende schoonheid en natuurlijke rijkdom van de wereldzeeën portretteert.
 Het behoud van het leefmilieu onder het zeeoppervlak is een van de belangrijkste uitdagingen van onze tijd. Geëngageerde bijdragen van journalisten, wetenschappers en milieuactivisten belichten grote problemen als overbevissing, de afnemende soortenrijkdom en de vervuiling van de oceanen.
 Dit luxe uitgegeven boek op groot formaat is een eerbetoon aan zeeën, oceanen en hun bewoners. Tegelijkertijd maakt deze uitgave de lezer bewust van het feit dat ons milieu ernstig gevaar loopt en wij verplicht zijn het voor de toekomst te behouden. n

de auto`s over de A28, maar hier is het wonderbaarlijk stil. Tien eeuwen wisselwerking van mens en natuur heeft zijn sporen achtergelaten in dit landschap.

 Dit boek, een landschapsbiografie of landschapsgeschiedenis, vertelt het levensverhaal van Oostbroek. Het vertelt over een wild en moerassig gebied, waar in het zuiden nog een meander van de Kromme Rijn door heen stroomde. Over de stichting van een klooster, over grootschalige ontginningen door monniken. Het boek vertelt over rijke Utrechtse burgers die voor een metamorfose zorgden: Oostbroek werd een buitenplaats, met indrukwekkend woonhuis, tuinen, een park compleet met koetshuis, oranjerie, boerderijen, weilanden en boomgaarden. Daarna verhaalt het over een volgende omslag: van lusthof naar agrarisch bedrijf om vervolgens als − voorlopig − laatste hoofdstuk het thuishonk te worden van Utrechts Landschap en andere natuurorganisaties.

 De verschillende lagen van het landschap komen door deze landschapsgeschiedenis tot leven. Een bezoek aan landgoed Oostbroek krijgt daardoor een extra dimensie. n

veel monumentale gebouwen leeg te staan. Herbestemming van postkantoren volgt de geschiedenis van dit karakteristieke gebouwde erfgoed, analyseert het architectonisch en cultuurhistorisch belang, en toont geslaagde voorbeelden van herbestemming.



D

e herbestemmingsopgave van postkantoren is nu zeer actueel. De geschiedenis leert dat deze bijzondere gebouwen niet als verloren hoeven te worden beschouwd. Al enkele decennia krijgen leeggekomen postkantoren een nieuwe bestemming. Deze kan variëren van woning, winkelcentrum of kantoor tot hotel of cultureel centrum. Vaak gebeurt deze transformatie in samenspraak met de lokale bevolking en met respect voor het verleden. Dit boek laat zien dat deze bijzondere cultuurhistorische gebouwen een geslaagd tweede leven kunnen leiden. n

28

VITRUVIUS oktober 2013.indd 28

21-08-13 15:28


Vitruvius

nummer 25

recent

oktober 2013

Alles van melk - Geschiedenis van de Nederlandse zuivelindustrie Auteurs

Pim Reinders, Aad Vernooij Ui t ga v e

WBooks D e t ai l s

Gebonden, 288 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-6630-089-7 Prijs € 29,95

H

et eerste overzichtswerk van een bijna 150 jaar oude bedrijfstak waar miljarden en miljarden euro’s in omgaan. Nederland zuivelland is over de hele wereld een begrip, Edam en Gouda zijn synoniemen voor kaas, terwijl Frau Antje leeft met ruim een half miljoen hits op google. Niettemin is nog niet eerder beschreven hoe de

Tien eeuwen Kasteel de Haar Wat een weelde Auteurs

Cor Bouwstra, Jacqueline Heijenbrok, Ben Olde Meierink, Katrien Timmers Ui t ga v e

Wbooks D e t ai l s

Gebonden, 608 pagina’s, ca. 800 illustraties ISBN 978-90-4007-819-4 Prijs € 59,95

Loofbomen in Nederland en Vlaanderen Auteur

Leo Goudzwaard Ui t ga v e

KNNV D e t ai l s

Genaaid gebonden, 432 pagina’s, rijk geïllustreerd ISBN 978-90-5011-432-5 Prijs € 49,95

V

an statige oude eiken tot sierlijke berken: loofbomen zijn intiem verbonden met het landschap. Dit boek beschrijft meer dan 250 soorten en hybriden die belangrijk zijn voor openbaar groen: kenmerken, geschiedenis, herkenning, toepassing en beheer. Een rijk geïllustreerd standaardwerk

verschenen

Nederlandse zuivelindustrie die positie verwierf. Haar geschiedenis is een onbekende. Ze begint omstreeks 1870 met melkinrichtingen in grote steden en kleine boterfabriekjes in de provincie. En met een reeks ondernemende industriëlen, artsen, boeren en onderwijzers die stapje voor stapje van Nederland een grootmacht op zuivelgebied maakten.

H

et boek beschrijft hoe veehouders zich aaneensloten in coöperaties die in de loop der jaren uitgroeien tot internationale concerns. Alles van melk gaat over pioniers in Vlaardingen, Leeuwarden en Tungelroy, over de strijd voor hygiëne en kwaliteit, over zuivel in crisistijd, melkrantsoenering in tijden van schaarste, over collectieve zuivelreclame, over melkboeren en kaasexporteurs, over boterbergen, melkplassen en exportrecords, over Aaggie, Us Mem en Sunny Boy, Melkbrigadiers, Joris Driepinter en Frau Antje. Kortom een geschiedenis die ons allemaal raakt. n

V

lak voor de Eerste Wereldoorlog voltooide Pierre J.H. Cuypers Kasteel de Haar. Geassisteerd door zijn zoon Joseph, had de architect in deze periode een ruïne met een geschiedenis van ruim zeven eeuwen gerestaureerd, gereconstrueerd en gecompleteerd. Het resultaat was een heus Gesamtkunstwerk: een omgrachte burcht met een voorburcht, een stallencomplex, een kapel, een dorp, tuinen en een park.Nu de restauratie van het grootste en meest sprookejsachtige kasteel van Nederland is voltooid, verschijnt een omvangrijke monografie. De vele nieuwe kennis die tijdens de werkzaamheden aan dit ‘kanjermonument’ is opgedaan, is verwerkt in dit boek. Behalve de genoemde aspecten komen daarbij ook aan bod de lange geschiedenis van het landgoed en het kasteel, de bewoners, de collectie en de restauratie zelf. n

voor liefhebbers, bomenspecialisten, groenbeheerders en tuin- en landschapsarchitecten. Loofbomen van Nederland en Vlaanderen beschrijft 268 verschillende boomsoorten en hybriden en 400 verschillende variëteiten waaronder tal van boomgeslachten, zoals Acer (esdoorn), Fagus (beuk), Magnolia, Malus (appel) en Quercus (eik), maar ook minder bekende boomsoorten, zoals venkelhout (Sassafras albidum) en lederboom (Ptelea trifoliata). Herkenning, gebruik en ziektegevoeligheid komen aan bod, maar ook de geschiedenis van het boomgeslacht en de plaatsen waar prachtige exemplaren van de soort te zien zijn. In dit boek leest u waar u complete collecties van boomgeslachten kunt bekijken, evenals monumentale bomen. Een fraai standaardwerk voor de praktijk met veel achtergrondinformatie. n 29

VITRUVIUS oktober 2013.indd 29

21-08-13 15:28


recent

Vitruvius nummer 25 oktober 2013

verschenen

“E

m

Adriaan Dortsman (1635-1682) De ideale gracht

200.000 inwoners. Deze constante aanwas van mensen leidde tot grote stadsuitbreidingen, waarvan de bekendste de Derde (1613) en Vierde Uitleg (1663), waardoor uiteindelijk de beroemde grachtengordel tot stand is gekomen.

Auteur

Pieter Vlaardingerbroek (red.), Koen Ottenheym Ui t ga v e

Wbooks D e t ai l s

Paperback, 64 pagina’s ISBN 978-90-6630-341-6 Prijs € 14,95

A

msterdam beleefde in de zeventiende eeuw een economisch hoogtepunt dat nooit meer is geëvenaard. De stad groeide hierdoor enorm tot 200.000 inwoners. Deze constante aanwas van mensen leidde tot grote stadsuitbreidingen, waarvan de bekendste de Derde (1613) en Vierde Uitleg (1663), waardoor uiteindelijk de beroemde grachtengordel tot stand is gekomen. Amsterdam beleefde in de zeventiende eeuw een economisch hoogtepunt dat nooit meer is geëvenaard. De stad groeide hierdoor enorm tot

Eén van de architecten van buiten Amsterdam die zich hier vestigde was Adriaan Dortsman. Onder kunsthistorici staat Dortsman bekend als één van de belangrijkste architecten van de zogenaamde Strakke Stijl (ca. 1660-1710), waarin het gebruik van klassieke orden tot een minimum werd beperkt. Dortsman is hiermee beeldbepalend geweest voor de architectuur aan de Amsterdamse grachten met ontwerpen als de Ronde Lutherse Kerk (Koepelzaal Renaissance Hotel), het Walenweeshuis (Maison Descartes) en de tweelingpanden Keizersgracht 672-674 (Museum van Loon). Voldoende redenen om de persoon Adriaan Dortsman aan een nader onderzoek te ontwerpen: waar kwam hij vandaan, hoe was hij opgeleid, wat heeft hij in en buiten Amsterdam ontworpen en hoe ziet zijn architectuur eruit? - See more at: http://www.wbooks.com/adriaan-dortsman. html#sthash.27Dk04UF.dpuf n

Dé vakbeurs voor conservatie en restauratie van oude en historische gebouwen

Venray 5, 6 en 7 november 2013

Openingstijden 14.00 - 22.00 uur

Adverteren in vakblad Vitruvius? Informeer naar de mogelijkheden

Registreer u nu via www.evenementenhal.nl/monument-ve met onderstaand registratienummer en ontvang twee gratis entreebewijzen voor de vakbeurs MONUMENT 2013 in Venray

8130004105

Evenementen

T. 010 - 425 65 44 E. info@uitgeverijeducom.nl

HAL

HARDENBERG GORINCHEM VENRAY

Evenementenhal Venray De Voorde 30 5807 EZ Venray T 0478 - 51 97 90 F 0478 - 51 97 80 I www.evenementenhal.nl E venray@evenementenhal.nl

Ons evenement.

UW MOMENT.

30

VITRUVIUS oktober 2013.indd 30

21-08-13 15:28

ee

zi

D

R

e H

D


Op de foto: “Exact weten we het niet, maar aangenomen wordt dat Slot Doddendael (Ewijk) stamt uit de jaren dertig van de 14e eeuw en haar naam te danken heeft aan de lisdodden die in de omgeving groeiden. De terrassen geven een prachtig zicht op het eeuwenoude Slot, de tuinen, boomgaard en slotgracht. Maar ook binnen waan je je in vroeger tijden. De muren van de vroegere wapenkamer, het Arsenaal, zijn beschilderd met wapens door de in trompe-l’oeil gespecialiseerde schilder Willem Rutgers. De voorwerpen zijn zo levensecht geschilderd, dat gasten ze soms van de muur willen pakken. Het hele huis is gerestaureerd met authentieke materialen. De lemen vloeren hebben we vervangen door oude plavuizen en een ingebouwde vide geeft meer ruimte. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de mensen hier graag vertoeven.” Dhr. H.A.J.M. Braam, eigenaar van Slot Doddendael te Ewijk

D

onatus verzekert vertrouwd

Monumenten worden met veel zorg omgeven door eigenaren en beheerders. Dat is belangrijk en nodig. Net als het kiezen van de juiste verzekering. Al sinds 1852 heeft Donatus ervaring in het verzekeren van monumentale kerken en gebouwen. Als onderlinge maatschappij werken wij zonder winstoogmerk. Wij hebben dan ook geen klanten, maar leden. Maak vrijblijvend kennis met Donatus. Onze expertise zal u verbazen en verrassen, evenals onze jaarlijkse premierestitutie.

sinds 1852

www.donatus.nl tel. 073 - 5221700

VITRUVIUS oktober 2013.indd 31

21-08-13 15:28


VITRUVIUS oktober 2013.indd 32

21-08-13 15:28

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius oktober 2013  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius oktober 2013  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur