Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE l CULTUURLANDSCHAP l MONUMENTEN l IMMATERIEEL ERFGOED l VOLKSCULTUUR

JAARGANG 6

I NUMMER 23 I A P R I L 2 013

DE CENTRAAL APOTHEEK IN LEEUWARDEN EN IN UTRECHT

SLAGVELDARCHEOLOGIE

RHEDERHOF I N O U D E

MOLENMAKERS HANTEREN

IN NEDERLAND

GLORIE HERSTELD

NIEUWE ERKENNINGSREGELING


Mies van der Rohe:

‘Less is more’

Educom:

‘More is less’

Natuurlijk had Mies van der Rohe gelijk met zijn wereldberoemde ‘Less is more’. Maar voor u geldt het omgekeerde: meer vertrouwen op de expertise van Educom is minder kosten en minder gedoe. Educom staat al 25 jaar voor ontwerp, productie en verspreiding van (bedrijfs)tijdschriften, nieuwsbrieven, jaarverslagen, congresbundels, brochures etc. U krijgt meer voor minder, en houdt er meer aan over. Bel Educom BV: 010-425 6544 of mail naar info@uitgeverijeducom.nl.

Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet www.uitgeverijeducom.nl


JAARGANG 6 NUMMER 23 APRIL 2013

KORT

5

8

10

SLAGVELDARCHEOLOGIE IN NEDERLAND

DE CENTRAAL APOTHEEK IN LEEUWARDEN EN IN UTRECHT

RHEDERHOF IN OUDE GLORIE HERSTELD

EEN NIEUW HOLLANDS RECIFE

16

22

29 VOOR U GELEZEN & RECENT VERSCHENEN

3


colofon

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

SUB-SPONSOR

EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

Postbus 842 3800 AV Amersfoort Tel. 033-460 5020 info@shmn.nl www.shmn.nl Joint venture van de Alliantie en Mitros

MEDE-ONDERSTEUNERS

COLOFON

Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke redactie en redactieraad.

Lange Voorhout 14, 2514 ED Den Haag Tel. 070-306 6800 Fax 070-306 6870 www.hobeon.nl

Ruurloseweg 83 7251 LC Vorden Tel. 0575-519 455 Fax 0575-519 550 www.frisowoudstra.nl

UITGEVER/ BLADMANAGER Robert Diederiks REDACTIE Dr. J.E. Abrahamse S.A. Muller Drs. H.G. Baas Drs. E. Raap mw. Drs. P.J. Braaksma mw. Drs. F.M.E. Snieder R.P.H. Diederiks REDACTIERAAD Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Wageningen Universiteit Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE mw. Dr. B. (Bernadette) van Hellenberg Hubar Res nova Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft mw. Drs. F.M.E. (Francien) Snieder Afdeling Archeologie gemeente Amersfoort Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

4

ABONNEMENTEN

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN

4 nrs/jaar: Nederland € 45.- /België € 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn.

Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl.

© Copyright Uitgeverij Educom BV JANUARI 2013 ISSN 1874-5008. Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.


VITRUVIUS

NUMMER 23

van de redactie

APRIL 2013

Verdwenen dorpen in kaart gebracht artoMagie heeft een kaart vervaardigd van de verdwenen nederzettingen in Nederland die auteur Bert Stulp in zijn boekenserie ‘Verdwenen dorpen in Nederland’ heeft beschreven. Op de kaart zijn alle steden, dorpen en gehuchten afgebeeld, inclusief de periode en de reden(en) van verdwijning - overstroming, zandoverstuiving, oorlog, industrie - infrastructuur, ontvolking, concurrentie en verplaatsing.

C

De ondergrond is een mix van de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en basistopografie, met een schilderij van de Sint Elisabethsvloed en de dijkbreuk bij Wieldrecht als decor. Contouren van Neder-

land in 800 en 1500 zorgen voor een bijzonder schaduw-effect. De kaart is een echte aanwinst voor geïnteresseerden in de geschiedenis van Nederland, en in verdwenen dorpen in het bijzonder. De kaart is uiteraard prima te combineren met de boeken uit de serie Verdwenen dorpen in Nederland. Bent u geïnteresseerd? U kunt de kaart als poster (A1) bestellen via www.cartomagie.nl. De kosten zijn € 22,50 per exemplaar, exclusief € 6,75 verzendkosten. 쮿

Molens maken kans op € 90.000 voor restauratie of verbouwing

ereniging De Hollandsche Molen roept moleneigenaren op hun publieksgerichte restauratie- of verbouwingsproject aan te melden voor de BankGiro Loterij Molenprijs 2013. De winnaar ontvangt 90.000 euro van Vereniging De Hollandsche Molen, die dit jaar 90 jaar bestaat, voor realisatie van het project. Tot en met eind mei 2013 kunnen moleneigenaren hun plan insturen via www.molenprijs.nl. De winnaar wordt in de eerste week van oktober

V

2013 bekend gemaakt. Sinds 2011 reiken de Vereniging De Hollandsche Molen en de BankGiro Loterij jaarlijks de BankGiro Loterij Molenprijs uit. Ieder jaar kiest een jury vier tot vijf voorgedragen molenprojecten uit, waarna het publiek wordt opgeroepen om via www.molenprijs.nl te stemmen op zijn favoriet. De molen met de meeste publieksstemmen wint de BankGiro Loterij Molenprijs met het daaraan verbonden geldbedrag.

Leo Endedijk, directeur Vereniging De Hollandsche Molen: “Met de BankGiro Loterij Molenprijs willen we laten zien dat molens een onmisbaar en belangrijk onderdeel zijn van het Nederlands cultureel erfgoed. Bovendien willen we het publiek meer betrekken bij de renovaties en het onderhoud van de molens. Dit jaar vieren we ons 90-jarig bestaan, daarom hebben we het prijzengeld verhoogt van 50.000 naar 90.000 euro.” 쮿

5


kor t

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

Eindelijk Ede vol Erven uim 40 jaar na de opgravingen in Ede Veldhuizen en ca. 30 jaar na die van Ede op den Berg zijn deze twee zeer interessante nederzettingen nu gepubliceerd in de uitgave ‘Ede vol Erven, Germaanse bewoning op de rand van een wereldrijk’. Tezamen met actueel archeologisch onderzoek in Ede Maanen zijn de opgravingsgegevens in dit wetenschappelijke boek bijeengebracht.

R

Het gaat om woonplaatsen uit de ijzertijd, Romeinse tijd en vooral de laat-Romeinse periode (270-450 n.Chr.) ten noorden van de limes. Deze gemeenschappen van Germaanse

- en later Frankische - bewoners maken tijdens het verval van het Romeinse rijk een geweldige bloei door en groeien uit tot waarlijke dorpen met 9 tot 10 gelijktijdige erven. De presentatie van tientallen boerderijplattegronden en hutkommen, samen met een veelvoud aan gedraaide maar vooral ook handgevormde aardewerkvormen en metalen objecten, maken dit boek tot een prachtig corpus over de ijzertijd en (laat-)Romeinse tijd aan de rand van de Veluwe. Het boek is uitgegeven door Hazenberg Archeologie en tot stand gekomen dankzij de

gemeente Ede; met co-financiering van de provincie Gelderland en de Stichting Nederlands Museum voor Anthropologie en Praehistorie. 쮿

Vlaardingen krijgt beschermd stadsgezicht

et middeleeuwse centrum van Vlaardingen krijgt de status van rijksbeschermd stadsgezicht. Door de aanleg van de Nieuwe Waterweg ontwikkelde Vlaardingen zich eind negentiende eeuw razendsnel van een dijk- en vissersdorp tot een industrie- en transitohaven. Omdat de diverse stadia van die groei nog zo goed herkenbaar zijn in de plattegrond en bebouwing, verdient Vlaardingen volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bescherming. Op 14 februari jl. overhandigde Jan van de Voorde, plaatsvervangend directeur van de

H

6

Rijksdienst, het besluit tot aanwijzing aan Hans Versluijs, wethouder Bouwen en Wonen van de gemeente Vlaardingen. Dat gebeurde in de Grote Kerk op de Markt, die deel uitmaakt van het aan te wijzen rijksbeschermde stadsgezicht Vlaardingen. Het beschermde stadsgezicht omvat drie gebieden: de middeleeuwse dijk- en havennederzetting langs de westzijde van de Oude Haven en de kerkring (Markt) met zijn radiaal aftakkende middeleeuwse steegjes. Daarnaast, oostelijk van de Oude Haven, het

haven- en industriegebied uit het laatste kwart van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw. Aan de vele historische panden (pakhuizen, fabrieken en rederijkantoren) is de ontwikkeling van de visserij, industrie en havenactiviteiten nog goed af te lezen. Hieraan grenst de Oostwijk met stedelijke villa’s, middenstandsbebouwing en, niet planmatig gebouwde, arbeiderswoningen van omstreeks 1900. Ook het negentiende-eeuwse park ’t Hof en de vroegtwintigste-eeuwse uitbreiding Oranjepark maken deel uit van het stadsgezicht. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

Kantinegebouw ENKA wordt opgeknapt

OEi is gestart met het groot onderhoud van het Kantinegebouw van het ENKA terrein in Ede. Hiermee komt een einde aan de jaren van leegstand en verval van dit beeldbepalende industriële monument. Het gebouw krijgt een nieuwe functie in de nieuwe woonwijk die op ENKA wordt gerealiseerd. 4.000m2 groot werd het in 1951 neergezet ter vervanging van een paar kleinere schaftlokalen die in de oorlog werden verwoest. Een vooruitstrevende directie heeft het Kantinegebouw indertijd laten ontwerpen voor het welbevinden van het personeel. Door de lichte structuur van betonnen gevels, stalen kozijnen en grote open ruimtes straalt het gebouw naoorlogs optimisme uit.

B

Het Kantinegebouw heeft te lijden gehad van vandalisme, maar nu het hersteld wordt, is het een stuk veiliger geworden. De hele buitenschil wordt aangepakt en bijzondere elementen, zoals de balustrades en de geglazuurde stenen aan de kopgevels, worden gerestaureerd. In november 2013 is de buitenkant van het Kantinegebouw klaar. Vervolgens zal het gebouw worden herbestemd naar een nieuwe functie die aansluit bij de behoefte van de toekomstige bewoners van de wijk. Spelen, leren en werken worden de nieuwe thema’s van het gebouw.

Participanten

komt van het Rijk en de marktpartijen AM en ASR Vastgoed Ontwikkeling. Deze laatste twee partijen zijn eigenaar van het terrein; samen werken ze aan de ontwikkeling van ENKA. De uitvoering van het groot onderhoud is in handen van Koninklijke Woudenberg. BOEi organiseert als eigenaar van het Kantinegebouw de herbestemming en begeleidt het groot onderhoud. BOEi is ook betrokken bij de andere monumenten op ENKA en voert momenteel haalbaarheidsonderzoeken uit naar de herbestemming van de Westhal, de Bitterzoutloods en het EHBO gebouw. 쮿

De financiering voor het groot onderhoud

Herbestemming van ENKA in Ede e textielfabriek ENKA (Eerste Nederlandse Kunstzijdefabriek Arnhem) is onlosmakelijk verbonden met Ede en omgeving. De fabriek bracht welvaart en reuring in de regio; er werkten in de hoogtijdagen 5000 mensen; bijna meer dan in heel Ede woonden. In 2002 ging de fabriek dicht. Het ENKA terrein is 42 hectare groot en ligt op loopafstand van de Veluwe en het centrum van Ede. ENKA wordt herbestemd tot een levendig gebied voor wonen, werken en verblijven.

D

In de monumenten komen voorzienin-

gen als horeca, maatschappelijke functies, kantoorruimtes en werkruimtes. Daaromheen worden circa 1300 nieuwe woningen gebouwd waarvan er inmiddels al 200 woningen zijn gerealiseerd c.q. verkocht. Meer op www.enka-ede.nl 쮿

7


nieuws

UIT HET WERKVELD

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

Rhederhof in oude glorie hersteld

I

n deze rubriek wordt ieder kwartaal aandacht besteed aan een project waar Res nova en Friso Woudstra Architecten bna gezamenlijk hebben opgetreden. Tot op heden richtten deze artikelen zich vooral op het voortraject: hoe zorgen beide partijen dat de restauratie (en herbestemming) van een monumentaal gebouw of de inrichting van een bijzondere locatie op een verantwoorde en passende manier wordt gerealiseerd. Maar wat gebeurt er nadat cultuurhistoricus en architect hun werkzaamheden hebben voltooid? Hoe vindt de vertaalslag van het papier naar het daadwerkelijk te restaureren gebouw plaats? Tijd om de balans op te maken. We richten onze aandacht op het rijksmonumentale landhuis Rhederhof. Dit gebouw vormt het eerste in een rij kapitale landhuizen en villa’s die in de negentiende en begin twintigste eeuw in Rheden langs de Rijksstraatweg (en de spoorlijn) is ontstaan. Het in 1854 gebouwde Rhederhof is opgetrokken in neoclassicistische stijl en is gelegen op een groot landgoed op de hellingen van de Veluwe.

‘Het mooiste pand van Nederland’ Rhederhof geniet bekendheid onder een groot aantal Nederlanders door het winnen van het door de bankgiroloterij gesponsorde SBS6programma ‘Het mooiste pand van Nederland’. Bij dit in 2010 uitgezonden programma konden we zien hoe eigenaar Carsten Hesz vol passie en doorzettingsvermogen bezig was zijn geliefde gebouw nieuw leven in te blazen. Bij aanvang van de opnames verkeerde Rheder-

De zuidelijke gevel van Rhederhof anno 2009. Rhederhof verkeert in slechte staat van onderhoud. De rough cast stuclaag is grotendeels verdwenen, evenals een aanzienlijk aantal houten onderdelen.

hof in een slechte staat. Om in aanmerking te komen voor de hoofdprijs van 1 miljoen ten behoeve van de restauratie, moest één van de buitengevels geheel worden gerestaureerd. Dit is natuurlijk niet de normale gang van zaken bij een restauratieproject, maar het gaf de kijkers wel inzicht in hoe het gebouw er na voltooiing uit zou komen te zien.

Het voortraject Carsten Hesz (Rhederhof B.V.) was al lang vóór deelname aan het tv-programma bezig met het voortraject voor de restauratie en herbestemming van Rhederhof. Friso Woudstra Architecten bna werd gevraagd de plannen op te stellen. Res nova werd erbij betrokken om, voorafgaande aan het ontwerpproces, de cultuur- en bouwhistorie van Rhederhof in kaart te brengen. Aan de hand van de bevindingen van Res nova heeft Friso Woudstra Architecten bna de plannen uitgewerkt.

De uiteindelijke plannen In het cultuur- en bouwhistorisch onderzoek is de ontwikkelingsgeschiedenis van Rhederhof uitgebreid aan bod gekomen. Hieruit bleek dat er in de loop der jaren verschillende aanpassingen in en aan het pand waren gedaan. Niet al deze wijzigingen hebben een positieve invloed op de belevingswaarde van het landhuis. Ze werden uitgevoerd om het woongenot in het

FR I S O W O U D S T R A R U B R I E K 8

huis te vergroten. Esthetische kwaliteit woog hierbij niet zo zwaar als functionaliteit. Bij monumentale gebouwen speelt de ontwikkelingsgeschiedenis altijd een belangrijke rol. Maar als de kwaliteit in opzet, detaillering en uitvoering van deze aanvulling twijfelachtig zijn, kan overwogen worden deze elementen te verwijderen of aan te passen. Hierbij is het van belang dat niet alleen vooraf gefundeerd beargumenteerd wordt wat eventueel weg zou kunnen, maar ook hoe de oorspronkelijke situatie hersteld kan worden?. Ook bij de restauratie en herbestemming van Rhederhof zijn verschillende ingrepen gedaan in de huidige structuur. Het primaire uitgangspunt was hierbij niet om terug te keren naar de oorspronkelijke opzet, maar om die elementen die een negatieve uitwerking op de esthetica en ruimtebeleving hebben te verwijderen. Bij het onderzoek hoe de oorspronkelijke situatie (vóór de latere aanpassingen) is geweest, heeft het bouwhistorisch onderzoek ter plekke veel aanwijzingen gegeven. Deze bevindingen konden voor een groot deel worden geverifieerd doordat in Hattem een landhuis is gelegen dat nagenoeg identiek is aan Rhederhof. In tegenstelling tot Rhederhof is dit Hattemse landhuis, Hezenberg, nog representatief voor de oorspronkelijke situatie (het is gebouwd in 1851).

info@frisowoudstra.nl Telefoon 0575 - 519 455 www.frisowoudstra.nl


nieuws

UIT HET WERKVELD

De zuidelijke en westelijke gevel anno 2013. De kleurstelling van de pleisterlaag en het houtwerk is gebaseerd op de aangetroffen historische verfresten.

De rough cast stuclaag. Links zien we nog een gedeelte van het oorspronkelijke stucwerk, rechts de nieuwe afwerklaag.

De stand van zaken anno januari 2013 Het is ondertussen bijna drie jaar geleden dat Rhederhof de winnaar van ‘Het mooiste pand van Nederland’ is geworden. De restauratie is volop in gang en het exterieur is, met uitzondering van de oostelijke gevel, nagenoeg voltooid. Een van de meest karakteristieke onderdelen van het exterieur is het rough cast pleisterwerk. Het ruwe oppervlak van dergelijk stucwerk werd in de negentiende eeuw veel gebruikt om de ‘hardheid’ van een gepleisterd gebouw enigszins te temperen, waardoor de architectuur beter aansluit bij de natuurlijke kwaliteiten van de in de landschapsstijl aangelegde tuin. Het oorspronkelijke rough cast was grotendeels verdwenen. De nog aanwezige delen gaven voldoende inzicht in hoe het stucwerk oorspronkelijk was uitgevoerd: nadat de pleisterlaag is aangebracht, wordt deze voordat de stuc is opgedroogd, bewerkt. In een van de afleveringen van het tv-programma konden we zien hoe Carsten dit arbeidsintensieve werk uitvoerde. Een ander aspect dat de opdrachtgever graag wilde herstellen, was de rond 1925 verdwenen kleine klokkentoren die op de nok van de steekkap van het middenrisaliet stond. De wijzerplaat van deze klok is, nadat het torentje is afgebroken, in de oculus van het middenrisaliet geplaatst. De opzet en verschijningsvorm van het nieuwe torentje zijn gebaseerd op een foto van Rhederhof uit het begin van de twintigste eeuw. De wij-

info@res-nova.nl Telefoon 0475-552 330 www.res-nova.nl

Het nieuwe klokkentorentje en één van de regenkappen die wat betreft opzet en verschijningsvorm zijn gebaseerd op de oorspronkelijke, op een oude foto zichtbare, exemplaren.

zerplaat wordt in de nabije toekomst opnieuw in de lantaarn geplaatst en voorzien van een uurwerk. Op de oude foto zijn de oorspronkelijke uivormige regenkappen van de schoorstenen zichtbaar. Ook deze zijn gereconstrueerd. Het interieur van Rhederhof zal in de loop van dit jaar worden voltooid. op dit moment is al duidelijk zichtbaar hoe bepaalde, later aangebrachte elementen (scheidingswanden en trappartij) zijn verwijderd en bij de plattegrond de oorspronkelijke, ‘logische’ opzet weer is teruggebracht. De ontsluiting van de verschillende bouwlagen zal plaatsvinden via een bestaande en een nieuwe trappartij. De aanwezige trap uit 1854 is aan het eind van de negentiende eeuw naar haar huidige locatie gebracht. Deze blijft hier behouden. Een tweede trap zal worden geplaatst in het voormalige trappenhuis uit 1854. Hiervoor wordt het oorspronkelijke trapgat tussen begane grond en eerste verdieping

heropend. In deze ruimte wordt ook een lift aangelegd die het pand van de kelder tot aan de zolder ontsluit. Bij de plaatsing van de lift is er rekening mee gehouden dat zowel het dak als de tongewelven van de kelder niet door de liftschacht worden doorsneden.

…wordt vervolgd Het exterieur is dus bijna voltooid. De werkzaamheden aan de oostelijke zijgevel liggen momenteel stil vanwege een ingediende omgevingsvergunningaanvraag betreffende het vervangen van de later tegen deze gevel gebouwde volumes door een historisch verantwoorde warande. De afwerking van het interieur vordert gestaag. Zodra de restauratie van Rhederhof tot een succesvol eind is gebracht, zult u via deze rubriek worden geïnformeerd over het eindresultaat. Drs Don Rackham Res nova

R E S N OVA R U B R I E K 9


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

Paul Meurs Partner SteenhuisMeurs Directeur Urban Fabric en hoogleraar Restauratie aan de faculteit Bouwkunde TU-Delft

1 – Hollandse tegels in het Convento Santo Antônio, Recife.

Wa t e r e n l a n d s c h a p a l s g e m e e n s c h a p p e l i j k c u l t u re e l e r f g o e d Alle foto’s: STEENHUISMEURS

Een nieuw hollands Recife olgens de socioloog Gilberto Freyre werd vroeger in de Braziliaanse sertão (droge hoogvlakte) alles wat exotisch en onbegrijpelijk was, toegeschreven aan de Hollanders, tot aan prehistorische grotschilderingen toe.1 Tegenwoordig herinneren nauwelijks nog monumenten aan de Nederlandse periode in Brazilië. Het is dan ook lang gele-

V

den en duurde maar kort, van 1630 tot 1654. Toch is de impact van de kolonie van de WestIndische Compagnie (WIC) op het moderne Brazilië immens. Dat komt vooral door de aanwezigheid van Maurits van Nassau als gouverneur in Recife, de hoofdstad van de staat Pernambuco. Dankzij Maurício en zijn entourage wordt de Hollandse overheersing niet geassocieerd met bezetting, slavenhandel

2 – Recife op een kaart van Johannes Vingboons, 1650 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG

10

en uitbuiting, maar met kunsten en wetenschappen. Nooit eerder werd er in Brazilië zoveel geschilderd en in kaart gebracht: het land zelf, haar bevolking, de flora en fauna, tropische ziekten en de sterrenhemel van het zuidelijk halfrond.2 Brazilianen leren op school dat Maurits aardig, sympathiek en tolerant was. Hij gaf de slaven vrijaf op zondag, verbood de gescheiden verkoop van echtparen op de slaven-

3 – Borstbeeld van Maurits van Nassau, voor de locatie van Huis Vrijburgh


VITRUVIUS

Nederlandse gebouwen kom je niet meer tegen in de Braziliaanse miljoenenstad Recife. Maar vergeten is de Nederlands kolonie allerminst. Vooral dankzij de aanwezigheid van Maurits van Nassau als gouverneur hebben de Brazilianen een positief, haast utopisch beeld van deze tijd. De inwoners van Recife zijn trots op hun

NUMMER 23

APRIL 2013

Nederlandse verleden. Het landschap met de rivieren en vergezichten, herinnert aan de afbeeldingen van de Hollandse schilders. Hoe dit waterrijke landschap met de moderne metropool valt te verzoenen was onderwerp van een workshop met tussen planners en erfgoedspecialisten uit Recife en Amsterdam.

markt, stichtte de vrijwillige brandweer en bouwde ‘theaters, bibliotheken en ziekenhuizen’.3 De wetgevende vergadering die Maurits in 1640 bijeen riep, geldt in Brazilië als het eerste parlement van de Nieuwe Wereld. Ook de eerste synagoge van de Amerika’s stond in Recife en was al voor de komst van Nassau een feit (1636). Het werk van de schilders Frans Post en Albert Eckhout, die met Maurits waren meegereisd, heeft voor de Brazilianen het beeld van de eerste eeuwen kolonisatie bepaald, ook al speelde Portugal daarin een veel belangrijker rol dan Nederland.

Mauritsstad Tot 1630 was Pernambuco door Portugezen bestuurd vanuit Olinda, een stadje bovenop een heuvel. Zes kilometer naar het zuiden, in de delta van de rivieren Beberibe en Capi baribe, lag Recife als nietig dorpje met een natuurlijke haven. Na de invasie door de WIC en de verovering van een flink deel van Brazilië op de Portugezen, werd Olinda platgebrand en verschoof het machtscentrum naar Recife. De natte delta vormde een vertrouwde habitat voor de Hollanders en was goed te verdedigen met een stelsel van forten en versterkingen. Maurits maakte van Recife een grootse stad door op het centrale eiland Antônio Vaz een ambitieus uitbreidingsplan te realiseren, Mauritsstad genoemd. Hij bouwde het buitenhuis Boa Vista, met een sterrenwacht op het dak, en het monumentale Huis Vrijburgh, omgeven door volières, een dierentuin en een botanische tuin. De stad

5 – Workshop rXa: studentenmaquette.

4 – Rua Bom Jesus, voorheen: Jodenstraatje. Hier was de eerste synagoge van de Nieuwe Wereld.

kreeg kanalen, grachten, bruggen en verharde wegen. Recife groeide in later eeuwen uit tot een van de grote Braziliaanse metropolen. Gegeven het huidige belang van Recife is het haast schokkend om te lezen dat de journalist Cleide Alves vindt dat de stad uitgerekend in die beginperiode haar Gouden Jaren beleefde.4 De historicus Marcos Galindo stelt

zelfs dat Pernambuco sinds Maurits van Nassau nooit meer zo’n prominente rol op het wereldtoneel heeft gespeeld.5 Bijna vier eeuwen na Maurits is het in Recife spoorzoeken naar restanten uit zijn tijd. In de musea liggen ijsselsteentjes, gevelstenen, kanonnen en oude kaarten. De ruïnes van de synagoge zijn opgenomen in een expositieruimte. Op de binnenplaats van het Fran-

6– Bairro do Recife, de oudste wijk van de stad.

11


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

8 – Straatje uit het oude Mauritsstad, nu Bairro do São José.

7 – Igreja de Nossa Senhora do Livramento, middenin het voormalige Mauritsstad..

ciscaner klooster zijn 923 Hollandse tegeltjes ingemetseld, wellicht afkomstig van Huis Vrijburgh.6 En in een buitenwijk is een historische collectie over Hollands Brazilië te zien in een ‘middeleeuws’ kasteel, dat een rijke industrieel een jaar of tien geleden liet bouwen. Hij koopt alle schilderijen van Frans Post op en heeft er al vijftien. Meer nog dan de historische fragmenten herinnert het landschap aan het ontstaan van Recife: de rivieren, de riffen voor de kust en de eilanden, waarop de structuur van straten, pleinen en bouwblokken hier en daar herkenbaar bleef. Ook smalle percelen en strakke rooilijnen zijn deels nog herkenbaar. Net als op het zuidelijke puntje van Manhattan is ook in oud Recife de weg nog redelijk te vinden met een kaart van Johannes Vingboons. Volgens de inwoners van Recife, die trots zijn op hun Hollandse verleden, zijn de huizen van rond 1900, de sobrados magros, met hun hoge, smalle voorgevels terug te voeren tot de tijd van Nassau. De Hollandse erfenis in Brazilië is even onzichtbaar als alomtegenwoordig.

Gemeenschappelijk erfgoed Sinds 2000 heeft gemeenschappelijk cultureel erfgoed (GCE) prioriteit binnen het internationale cultuurbeleid van Nederland. Met acht landen, waaronder Brazilië, zijn samenwerkingsverbanden aangegaan.7 Het doel is duurzaam behoud van erfgoed uit het gedeelde verleden, veelal gerelateerd aan de VOC of de WIC.8 Uiteraard richt de samenwerking met Brazilië zich sterk op de mate-

12

riële en immateriële erfenis van Maurits van Nassau. De afgelopen jaren verschenen in beide landen prachtige boeken over de oogst van kunst en wetenschap in Hollands Brazilië.9 Het logische vervolg is om te zien hoe deze erfenis doorklinkt in het heden. Tijdens het project Recife Exchange Amsterdam (rXa) van het Amsterdamse architectuurcentrum ARCAM werd onderzocht of deze twee in oorsprong Hollandse watersteden raakvlakken hebben in de hedendaagse ruimtelijke planning, monumentenzorg en stedelijke cultuur. Het project maakte deel uit van het Brasil Festival Amsterdam in 2011. Sinds de zeventiende-eeuwse stadsuitleg is de ontwikkeling van Amsterdam en Recife verschillende kanten uitgegaan. Amsterdam werd een schoolvoorbeeld van moderne stadsuitbreiding en de maakbare samenleving. De overheid kreeg in de afgelopen eeuw tot in detail grip op de stedelijke ontwikkeling. De grachtengordel bleef het hart van de stad, het vormt een hoog gewaardeerd woonmilieu en is werelderfgoed. Recife groeide met horten en stoten uit tot een miljoenenstad, maar veel planning kwam daar niet aan te pas. Bepaalde wijken baden in private rijkdom, terwijl in grote delen van de stad basisvoorzieningen zoals de riolering ontbreken. Ter plekke van Huis Vrijburgh staat nu het gouvernementspaleis. In het oude stadscentrum wordt nauwelijks gewoond en is veel verval. De straatjes van de wijk São José, ter plaatse van het vroegere Mauritsstad, zijn overdag stampvol en ’s-nachts uitgestorven. Het is de chaos van de dagmarkt – met stin-

kend vlees en rottend fruit. De monumenten in dit stadsdeel zijn voornamelijk oude Portugese kerken. Olinda, waar na 1654 de kloosters werden herbouwd, is werelderfgoed van Unesco en ligt als een groene oase in de periferie van Recife. Waar Europa wegzakt in een financiële en politieke crisis, ontpopt Brazilië zich tot nieuwe wereldspeler. De verhoudingen draaien om. De economie van Pernambuco groeit hard, dankzij een nieuwe haven en grote investeringen, onder meer in de automobielindustrie. Recife profiteert van die groei, met stijgende welvaart, maar ondervindt ook de nadelen: exploderende huizenprijzen en enorme congestie. De grote opgave is om economische groei om te zetten in stedelijke kwaliteit. Project rXa begon met videoconferenties. Elke maand dineerden Amsterdamse ambtenaren op Schiphol bij een softwarebedrijf. Gelijktijdig schoven Braziliaanse collega’s en studenten voor de lunch aan bij de Pernambucaanse zustervestiging. Zo konden beide teams in een virtuele boardroom elkaar bijpraten over stedelijke ontwikkelingen en in discussie gaan over de achterliggende drijfveren en ambities. De steden mogen zich weliswaar in verschillende ontwikkelingsfases bevinden, maar veel thema’s zijn gelijk: identiteit en erfgoed, mobiliteit, economische concurrentiekracht en de opgave om de stad aantrekkelijk te maken en te houden. Een opmerkelijke overeenkomst is dat Recife en Amsterdam, na jaren van uitbreidingen aan de stadsrand, zich richten op herontwikkeling langs het water. Amsterdam verstedelijkt


VITRUVIUS

aan weerszijden van het IJ, Recife langs de rivieren en de kust. Verder blijkt dat de stedelijke planningscultuur in beide steden een grote omslag doormaakt, zij het in tegengestelde richting. Terwijl Nederland afscheid neemt van centraal gestuurde ruimtelijke ontwikkeling en de lokale overheden zich beperken tot faciliteren, is de trend in Brazilië andersom. Stedenbouwkundige laissez-faire maakt plaats voor gestuurde investeringsprogramma’s, met de nadruk op integrale stedelijke kwaliteit. Beide steden kunnen leren van elkaars successen en mislukkingen. De uitwisseling mondde uit in een tentoonstelling in Amsterdam, waar de teams na een jaar samenwerking persoonlijk kennismaakten.

Recife revisited Het project kreeg een vervolg in Recife. De opening van de tentoonstelling werd gekoppeld aan een workshop over stedelijk erfgoed, in het kader van het gemeenschappelijk cultureel erfgoedbeleid. Door de krachten te bundelen ontstond een gemêleerd team met Nederlandse deskundigen op het gebied van erfgoed, watermanagement, mobiliteit en ste-

denbouw.10 Ook de Braziliaanse netwerken van ARCAM, de gemeente Amsterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kwamen samen: aan de workshop deden vertegenwoordigers mee van de universiteit, de drie bestuurslagen, het architecteninstituut en erfgoedorganisaties.11 Het GCE-beleid geeft op deze wijze een nieuwe impuls aan historische banden, met nieuwe vormen van samenwerking als gevolg. Onderwerp van de workshop was de toekomst van Antônio Vaz, het eiland van Mauritsstad, in relatie tot de metropolitante ontwikkeling. Tijdens de workshop was de professionele gelijkgestemdheid groot, ondanks alle verschillen tussen beide landen. De culturele banden van Brazilië met Europa zijn hecht en het hoger onderwijs staat op hoog niveau. De cultuurschok beperkte zich tot de betekenis van water in de stad en het concept van een delta als cultuurlandschap. Een boottocht op de Capibaribe vormde niet alleen voor de Nederlanders een kennismaking met Recife vanaf het water. Het bleek dat geen enkele stedenbouwkundige of mo-

9– Patio São Pedro (ter plaatse van Mauritsstad).

11 – Het landschap van het voormalige Mauritsstad, gedomineerd door recent gebouwde twin towers.

NUMMER 23

APRIL 2013

numentenzorger uit Recife ooit op zijn eigen rivieren had gevaren. Het is de paradox van waterstad Recife. De delta structureert de stad, maar de stad keert het water de rug toe, ook in recente ontwikkelingen. De rivieren zijn een open riool, het domein van vissers en favelados (krottenwijkbewoners). Pas nu de overheid heeft besloten om tijdens het WK Voetbal in 2014 een waterbus in te stellen, zodat de wereld kan zien hoe Recife werkt aan duurzame bereikbaarheid, komt de rivier als stedelijke ruimte ineens in beeld. Geschokt realiseren de planners zich dat de oevers onbereikbaar zijn, de (recent aangeplante) mangrove het zicht vanuit de stad op het water ontneemt en de rivier als verkeersader de ruimtelijke logica op zijn kop zet – door onmogelijk geachte short cuts te maken. Het voorbeeld van Amsterdam, waar de waterkwaliteit de afgelopen decennia drastisch is verbeterd, de nabijheid van water een belangrijke vestigingsfactor werd en het soms lijkt of het openbare leven geheel naar het water is verplaatst, is voor Brazilianen even exotisch als verleidelijk.

10 – De oevers van de rivier de Capibaribe.

12 – Capibaribe.

13


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

13 – Workshop rXa.

Met de rivieren kan Recife zich weer richten op het cultuurlandschap, de tweede blinde vlek in de visievorming. De Braziliaanse monumentenzorg is op veel punten een voorloper. Er was al een monumentenwet in 1936, in Nederland pas in 1961. Brazilië ratificeerde de World Heritage Convention in 1977, Nederland in 1992. Terwijl in Nederland de discussie over immaterieel erfgoed pas begint, leggen de Brazilianen de laatste hand aan hun lijst van markten, muziek, dans en andere tradities. Alleen de gebieds- en ontwikkelingsgerichte monumentenzorg bestaat nauwelijks in Brazilie, op het conserveren van stads- en dorpsgezichten na. Op dit terrein loopt Nederland voorop. Wellicht is dit terug te voeren op het feit dat in Europa het landschap een historische dimensie heeft, als het decor waarin de geschiedenis zich voltrok. Het Braziliaanse landschap refereert eerder aan de wildernis, waar de beschaving als wezensvreemd element geïsoleerd van blijft en pioniers steeds overnieuw beginnen met het verwezenlijken van utopieën.12

Antônio Vaz Op het eiland Antônio Vaz staan zeventien rijksmonumenten. Elk monument heeft een impactcirkel, waarbinnen monumentenzorg adviseert over ruimtelijke ontwikkelingen – nog een voorbeeld van vooruitstrevende monumentenzorg. De cirkels overlappen elkaar, zodat monumentenzorg (Instituto de Patrimônio Histórico e Artístico Nacional, IPHAN) met een objectgerichte aanpak toch betrokken is bij alle bouwplannen op het eiland. Alleen de rivieroevers liggen te ver van de rijksmonumenten vandaan en vallen buiten de impactzones. Uitgerekend hier vinden thans ontwikkelingen plaats, die de historische band tussen gebouw en stad enerzijds en rivier en landschap anderzijds verstoren. Twee superhoge gated communities, die een gesloten wand tussen de oude stad en de Capibaribe opwerpen domineren sinds kort het stadsbeeld, zonder enige stedelijke kwaliteit te genereren. De bouw van nog eens 15 van dergelijke torens wordt voorbereid. Het besef dat Recife onherstelbaar wordt bescha-

14

14 – Opening rXa: Recife exchange Amsterdam.

digd, leeft heel sterk in de stad. Maar alles gebeurt volgens de regels en dat maakt monumentenzorg en stadsontwikkeling nerveus. De objectgerichte monumentenzorg schiet tekort. Het verklaart de massale aandacht voor de workshop en de Nederlandse publiekspresentaties. Dat het academische concept van een cultuurlandschap kan worden omgezet in cultuurhistorische visies en ontwikkelingsgerichte monumentenzorg, spreekt de Brazilianen enorm aan, hoewel het een grote ommezwaai voor de monumentenzorg impliceert. De workshop bood een laboratorium om hiermee te experimenteren. De Brazilianen en Nederlanders schetsten samen aan scenario’s voor Antônio Vaz, met het water als structurerend element en het dynamische cultuurlandschap als wenkend perspectief. Daags na de presentatie van de resultaten opende het cultuurkatern van Jornal de Pernambuco met een beschouwing over ‘Een nieuw Hollands Brazilië’. Gezien de reputatie van het gemeenschappelijk erfgoed kan dit moeilijk anders dan als aansporing worden opgevat voor een vervolg, en via het water en het landschap het gedeelde erfgoed duurzaam veilig te stellen voor de toekomst.

Noten 1 Geciteerd in: Marcos Galindo, Vingboons fecit, Marcos Galindo en José Luiz Mota Menezes, Desenhos da terra, Atlas Vingboons, Recife 2003, 23. 2 E. van den Boogaart en F.J. Duparc (red.), Zo wijd de wereld strekt, catalogus naar aanleiding van de 300ste sterfdag van Johan Maurits van Nassau-Siegen op 20 december 1979, Den Haag 1979; Carlos Alberto Asfora, De tijd van de goede vrede, Johan Maurits van Nassau in Nederlands Brazilië, Den Haag z/j. 3 Elizabeth Dobbin. Maurício de Nassau. Pesquisa Escolar Online, Fundação Joaquim Nabuco, Recife (http://basilio.fundaj.gov.br/ pesquisaescolar/). Geraadpleegd op 10.07.2012. Ex: 6 ago. 2009. 4 Cleide Alves, Com Nassau, Recife viveu período áureo, Jornal do Commércio, Recife 5 juni 2008 5 Geciteerd in: Dobbin, 2009 (noot 2). 6 Fundarpe / Mowic, restauratieproject Nederlandse tegeltjes in het Convento de Santo Antô-

nio do Recife, Recife 2005 7 Brazilië, Ghana, India, Indonesië, Rusland, Sri Lanka, Suriname en Zuid-Afrika. 8 Beleidskader Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed, 2009-2012. Zie: Cees Jan van Goolen, Footsteps and Fingerprints, the Legacy of a Shared History, Zwolle 2010 9 Bijvoorbeeld: Bea Brommer en Henk den Heijer, Grote Atlas van de West-Indische Compagnie, deel 1, De oude WIC 1621-1674, Voorburg 2011; Pedro e Bia Corrêa do Lago, Frans Post, 16121680, obra completa, Rio de Janeiro 2006; Marcos Galindo en José Luiz Mota Menezes, Desenhos da terra, Atlas Vingboons, Recife 2003; Henk den Heijer en Ben Teemsma, Nederlands-Brazilië in kaart, Nederlanders in het Atlantisch gebied, 1600-1650, Zutphen 2011; Rebecca Parker Brienen, Albert Eckhout, Visões do Paraíso Selvagem, obra completa, Rio de Janeiro 2010; Peter Pentz (coord.), Albert Eckhout volta ao Brasil, 16442002, Kopenhaagen, 2002; Ben Teensma, Suiker, verfhout & tabak, het Braziliaanse handboek van Johannes de Laet, Zutphen 2009; Carlos Trevi, Eu, Maurício, os espelhos de Nassau, Recife 2004; Marianne Wiesebron (ed.), Brazilië in de Nederlandse Archieven (1624-1654), 4 delen, 2004-2011. 10 Nederlands team in Recife: Frank Altenburg (RCE), Johannes Beuckens (Dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer, Amsterdam), Flora van Gaalen (ARCAM), Paulien Hartog (Waternet, Amsterdam), Eric van der Kooi (Team Metropolitan Region, DRO Amsterdam), Paul Meurs (SteenhuisMeurs / TU Delft) en Karin Westerink (Bureau Monumenten en Archeologie Amsterdam). 11 Organisatie in Recife: Frederico Almeida, (federale monumentenzorg, IPHAN Pernambuco), Vitória Régia de Andrade (Instituto de Arquitetos do Brasil, IAB), Milton Botler (directeur Instituto da Cidade, gemeente Recife), Zeca Brandão en Luiz Carvalho (Afdeling Ruimtelijke Ordening, Pernambuco), Roberto Montezuma (Conselho de Arquitetura e Urbanismo do Brasil), Fernando Diniz Moreira en Gentil Porto Filho (Federale Universiteit van Pernambuco), Fundação Joaquim Nabuco. 12 Margareth da Silva Pereira, ‘Braziliaanse architectuur en de mythen van het paradijs’, in Paul Meurs en Esther Agricola, Brazilie, laboratorium van architectuur en stedenbouw, Rotterdam 1998, 40-57. 쮿


Meer inzicht werkzaamheden restauratiesteenhouwers

Stichting ERM Postbus 420 2800 AK Gouda T 0182 - 540 930 E secretariaat@ stichtingERM.nl I

D

e in restauratie gespecialiseerde steenhouwerijen bieden opdrachtgevers en toezichthoudende overheden meer duidelijkheid over de eisen die aan hun werk kunnen worden gesteld. In twee nieuwe regelingen wordt systematisch en inzichtelijk vastgelegd welke kwaliteit van het werk van de steenhouwer mag worden verwacht. Ook de eisen betreffende kennis, ervaring en advisering worden helder omschreven. Steenhouwers die zich toeleggen op het restaureren van monumenten, hanteerden tot voor kort de Erkenningsregeling Restauratie Steenhouwerijen. Deze wordt vanaf 1 april 2013 vervangen door twee aparte regelingen. De Uitvoeringsrichtlijn (URL) beoordeelt de uitvoeringstechnieken, methoden en technische specificaties van materialen. In deze rege-

ling is het voor opdrachtgevers en (toezichthoudende) overheden eenvoudiger terug te vinden aan welke kwaliteitseisen het werk van steenhouwers moet voldoen. In de URL zijn ook de eisen vastgelegd ten aanzien van de kennis en ervaring waarover de restauratiesteenhouwer moet beschikken. De nieuwe regeling bevat voorts richtlijnen voor de adviesfunctie van een steenhouwer. Steenhouwers kunnen zich hierin apart kwalificeren. De Beoordelingsrichtlijn Instandhoudingstechnologie (BRL) is gericht op de bedrijfsvoering en de eisen betreffende de certificering van de steenhouwerij. De twee richtlijnen zijn aan elkaar gekoppeld en vormen samen de nieuwe erkenningsregeling. Een steenhouwer kan alleen worden gecertificeerd wanneer hij voldoet aan zowel de in de BRL, als in de

Molenmakers hanteren nieuwe erkenningsregeling

V

oor in restauratie van molens gespecialiseerde bedrijven is een nieuwe erkenningsregeling vastgesteld. Deze stelt eisen aan de bedrijfsvoering en aan de te leveren kwaliteit bij het (her)bouwen, restaureren en onderhouden van molens. Bedrijven die worden erkend kunnen met het certificaat opdrachtgevers aantonen dat zij in staat zijn op verantwoorde wijze aan molens te werken. Het certificaat is onafhankelijk en kan door alle bedrijven, die aan de eisen uit de regeling voldoen, worden behaald. Dat geldt zowel grote als kleine molenmakersbedrijven die klassieke molens restaureren en onderhouden en de jarenlange vak-

manschap en ervaring in zich meedragen. De nieuwe regeling wordt beheerd door de stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). In deze stichting stellen opdrachtgevers, opdrachtnemers en overheden kwaliteitsrichtlijnen op voor het restaureren van monumenten. Opdrachtgevers weten dankzij deze richtlijnen beter welke eisen zij aan de restauratie van hun monument kunnen stellen en wat zij van de erkende bedrijven kan en mag verwachten. Overheden kunnen het toezicht mede baseren op de ERM-richtlijnen. En de restaurateurs weten met de richtlijnen in de hand aan welke kwaliteitsnormen het werk moet voldoen.

www.stichtingERM.nl

URL vastgelegde eisen. Beide nieuwe richtlijnen zijn opgesteld onder auspiciën van de stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Opdrachtgevers en toezichthoudende gemeenten kunnen naar de regelingen verwijzen bij het aanvragen van subsidies voor restauraties en onderhoud van monumenten. De subsidieregeling BRIM 2013 stelt zelfs dat de minister van OCW kan eisen dat men zich houdt aan kwaliteitsrichtlijnen. De stichting wil met de richtlijnen bevorderen dat vakkennis, historische technieken en materialen zo veel mogelijk worden ingezet bij restauraties, en wordt daarin ondersteund door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Erkende bedrijven mogen het ERM-logo Restauratiekwaliteit voeren. Hiermee kunnen zij laten zien dat het bedrijf voldoet aan de kwaliteitseisen die aan vakkundige restauratiebedrijven worden gesteld. U vindt deze bedrijven op www.stichtingERM.nl.

De nieuwe richtlijn volgt de eerste versie van ‘De Erkende Molenmaker’ op uit 2002, tot stand gekomen in opdracht van de Nederlandse Vereniging van Molenmakers (NVVM). Tussen 2006 en 2011 is een achttal bedrijven op basis van deze richtlijn erkend als Molenmaker. De audits werden uitgevoerd door Hobéon Certificering, steeds door een auditteam met daarin een bedrijfskundig onderlegde auditor en een molen-vakinhoudelijke auditor. Vanaf 2011 is gewerkt aan een aanpassing van de erkenningsregeling om deze op een hoger niveau te brengen.

15


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

Jef van der Schriek

Max van der Schriek

1 – Ook de media zijn steeds meer geïnteresseerd in slagveldarcheologie. Een televisieploeg van RTV Utrecht is aanwezig bij de opgraving op het terrein van voormalig Kamp Amersfoort. FOTO AUTEURS/MVDS.

Slagveldarcheologie

in Nederland en kan stellen dat de interesse voor het oorlogserfgoed in de Nederlandse academische archeologie, de uitvoeringspraktijk en het cultuurhistorische beleid tot op heden zeer beperkt is geweest. Deze situatie heeft ertoe geleid dat de Nederlandse archeologie een grote achterstand heeft opgelopen op het terrein van het academisch onderzoek, de instandhouding en het beheer van het oorlogserfgoed, niet alleen in empirisch, maar ook in methodisch en theoretisch opzicht. Dat wordt duidelijk als we de stand van de kennis en het onderzoek in Nederland vergelijken met de omringende landen (Kolen et al., 2013).

M

De noodzaak van slagveldarcheologie ‘Battlefield Archaeology moet zich als discipline nog bewijzen’ kopte het NRC Handelsblad in december 2000. Slagveldarcheologie heeft zich inmiddels in landen als Engeland, Frankrijk, België en Duitsland ruimschoots

16

bewezen, maar Nederland heeft nog een grote inhaalslag te maken. Archeologen en historici in ons land tonen sowieso weinig belangstelling voor Battlefield Archaeology. De algemene opvatting luidt dat het een (te) dure manier is om wat voor de hand ligt te vertellen, zeker als het gaat om de Tweede Wereldoorlog. Het zijn bijvoorbeeld geen archeologen maar militairen van de opruimingsdienst die in ons land vliegtuigen uit de Tweede Wereldoorlog bergen. De grond wordt zorgvuldig gezeefd op zoek naar resten van eventuele slachtoffers, naderhand verschijnt weleens een rapport maar het blijft een vorm van bodemsanering (Toebosch & Kat, 2000). Waarom komt in Nederland het onderzoek naar sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog nog steeds niet goed van de grond? Wellicht hangt dit samen met de beladen voorgeschiedenis van archeologen in ons land. Uit het onderzoek naar de rol van de archeologen gedurende de Tweede Wereldoorlog

kwam naar voren dat sommige prominente archeologen nauwe banden onderhielden met de bezetter (Eickhoff, 2002). Echter, Duitsland is al wél bezig met archeologisch onderzoek naar deze periode, een land dat toch een veel groter ‘beladen verleden’ met zich meedraagt dan Nederland. Tot op heden is de interesse voor het oorlogserfgoed in de Nederlandse academische wereld, de uitvoeringspraktijk en het cultuurhistorische beleid zeer beperkt. Opmerkelijk genoeg is juist de maatschappelijke interesse de afgelopen jaren alleen maar toegenomen. De Nederlandse archeologie komt onvoldoende tegemoet aan deze belangstelling. Vergeleken met het buitenland heeft Nederland een flinke achterstand opgelopen betreffende slagveldonderzoek, zowel in empirisch, theoretisch en methodisch opzicht. Nederlandse concentratiekampen als Vught, Westerbork en Amersfoort bijvoorbeeld zijn de afgelopen jaren gerestaureerd zonder dat hierbij arche-


VITRUVIUS

ologisch onderzoek is gedaan (Toebosch, 2006). Waarom zouden Nederlandse archeologen zich serieus bezig moeten houden met deze categorie vondsten en sporen? Net als alle andere disciplines die zich met de geschiedenis bezig houden heeft archeologie als doel het verleden van de mens in al zijn facetten te leren kennen. Een weinig onderzocht thema is echter oorlogsvoering. Historici menen vaak dat we al genoeg weten over (recente) gewapende conflicten en dat daarom archeologisch onderzoek niet nodig is. De historische dataset blijkt echter in veel gevallen niet te kloppen. De archeologie zou hierin zijn wetenschappelijke waarde kunnen doen bewijzen door deze informatie waar nodig te corrigeren en aan te vullen. Door middel van archeologisch onderzoek kunnen we ons bijvoorbeeld een steeds beter beeld vormen van wat voor soort materialen in welke bodemomstandigheden het beste bewaard blijven. Onderzoek naar slagvelden kan ons bovendien helpen bij het ontwikkelen van bepaalde methoden en technieken voor een gericht slagveldonderzoek (Rens, 2004). De archeologische waarnemingen hebben de geaccepteerde authenticiteits- en waarheidsclaims veelal in een nieuw, kritisch perspectief geplaatst. Battlefield Archaeology kan een ander verhaal weergeven van een oorlog dan in de geschiedenisboeken, de verslagen van ooggetuigen en de naderhand verschenen memoires en gedichten worden vermeld waarin veelal een eenzijdig beeld wordt geschetst (van der Schriek & van der Schriek, 2013).

de slagvelden worden aangetroffen. Onderzoek kan gebeuren op basis van tekstuele bronnen maar óók op de ongedocumenteerde sporen van een conflict. De discipline is bij uitstek geschikt om onderzoek te doen naar de ‘gewone soldaat’, hoe de anonieme soldaat een veldslag heeft ervaren. Daarmee verschilt Battlefield Archaeology van bijvoorbeeld de militaire geschiedenis. Niet de oorzaken van een conflict worden onderzocht maar de plaats waar een conflict zich afspeelde (Sutherland, 2005).

Methoden en technieken Slagveldarcheologie kent een multidisciplinair karakter. Veel van het huidig onderzoek is post-processueel te noemen, waarbij de sociale context van belang is. Niet alleen de opgraving en de materiële cultuur staan centraal, maar ook hele landschappen, de herinnering, herdenken en identiteiten worden onder de aandacht gebracht (van der Schriek & van der Schriek, 2011). Doordat de materiële cultuur een hoge mate van standaardisatie kent is het evenwel mogelijk om modellen te creëren. Dit is de meer traditionele analytische kant van de archeologie en heeft een processueel karakter. Door de toename van het belang van post-processuele oriëntaties wordt ook steeds vaker de waarde ingezien van archeologie (Kolen, 2009). Wat ontbreekt in de huidige kennis over de recentere conflicten zijn objectieve gegevens

NUMMER 23

APRIL 2013

over locaties en het verloop van de gevechtshandelingen. De fysieke sporen van een oorlog zijn vaak de enige nauwkeurige en objectieve bron van informatie over wat er zich in een bepaald gebied heeft afgespeeld. Het bodemarchief bevat gegevens die niet op foto, film of op schrift zijn vastgelegd. De bodemvondsten vormen een aanvulling op de historische bronnen en kunnen deze in sommige gevallen zelfs corrigeren. Dikwijls zijn historische bronnen nodig om fysieke sporen van de oorlog aan te duiden of om deze sporen in hun historische context te plaatsen. Vice versa kan archeologisch onderzoek sporen opleveren die nog niet bekend zijn binnen historisch onderzoek en daar ook richting aan geven (Kok & Wijnen, 2011). Nederland zou heel wat kunnen opsteken van onderzoek dat al eerder in omringende landen is uitgevoerd. Hoewel vele methoden en technieken zo over te nemen zijn is helaas niet alles één op één te vertalen naar een Nederlands model. In Vlaanderen is het gebruikelijk om een graafvergunning aan te vragen om te mogen werken op door munitie bedreigde terreinen. Zodra er dan daadwerkelijk blindgangers worden aangetroffen hoeft men slechts de DOVO1 in te schakelen om deze munitie op te halen. Indien er menselijke resten worden aangetroffen dient de politie verwittigd te worden en moet er een bepaalde procedure worden gevolgd maar mag men het onderzoek gewoon voortzetten (Hendriks et

In vrijwel alle Europese landen zit er in de bodem nog ontzettend veel oorlogsmateriaal verstopt. Hierbij valt te denken aan stoffelijke resten, onontplofte munitie, patroon- en granaathulzen, uitrustingsstukken, persoonlijke bezittingen maar ook wrakstukken van vliegtuigen en voertuigen. Op sommige plaatsen zijn de resten van een oorlog nog duidelijk zichtbaar in het landschap aan de hand van loopgraven, bunkers, kraters en tankwallen. Al deze resten kunnen worden gezien als de materiële neerslag van een oorlog (Saunders, 2007). Battlefield Archaeology is een subdiscipline van archeologie die in 1983 ontstond in Noord-Amerika. In dat jaar werd er onder leiding van Dr. Douglas D. Scott voor het eerst archeologisch onderzoek gedaan naar de Slag bij Little Big Horn (25-26 juni 1876). Deze tak van de archeologie richt zich specifiek op militaire acties en werkt nauw samen met de forensische archeologie en fysische antropologie daar er vanzelfsprekend menselijke resten op

2 – In het bodemarchief van Europa is nog zeer veel materiaal van de Eerste en Tweede Wereldoorlog aanwezig. Deze vondsten kwamen naar boven bij de aanleg van een nieuwe parkeerplaats bij de grootste begraafplaats van het Gemenebest in Vlaanderen, Tyne Cot Cemetery. FOTO AUTEURS/MVDS.

17


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

al., 2004). Dit is wettelijk gezien niet mogelijk in Nederland aangezien het officieel verboden is dat archeologen recent botmateriaal of munitie opgraven.

dan wel liggen bij het opgraven maar archeologie is primair de studie naar de materiële cultuur waaronder dus ook monumenten vallen (van der Schriek & van der Schriek, 2011).

Ballistisch onderzoek zou in Nederland dan weer wél makkelijker uit te voeren zijn dan in andere landen. De gevechten in Nederland waren, in verhouding met de veldslagen in het buitenland, doorgaans kleinschalig. In andere landen zal men sneller door de bomen het bos niet meer kunnen zien omdat daar hulzen in enorme aantallen aangetroffen kunnen worden.

Kortweg gezegd is archeologische informatie anders en gedetailleerder dan wat uit bijvoorbeeld stafkaarten, luchtfoto’s en historische bronnen kan worden afgeleid. Onderzoek naar de materiële neerslag van een oorlog kan interessante nieuwe informatie opleveren en discussies openen over de vraag of er al dan

Een Nederlands model van Battlefield Archaeology zou méér moeten inhouden dan alleen ‘kogels tellen’. Het menselijk aspect van de oorlogsvoering en het huidige erfgoedaspect zouden bij dergelijk onderzoek minstens zo zwaar moeten meewegen. Zowel de materiële cultuur als de landschapsontwikkeling van een gebied is hierbij van belang. Technisch gesproken heeft Nederland slechts kort in mei 1940 en daarna pas weer in september 1944 kennis gemaakt met oorlog. De overige jaren was Nederland bezet wat een andere dataset oplevert dan een slagveld waar soldaten langdurig verbleven om te vechten en te sterven. Ons land zou zich kunnen richten op een unieke Nederlandse manier van slagveldonderzoek. Het accent van het onderzoek naar conflicten kan ook liggen op identiteit en etniciteit. Het herinneringslandschap kan dan als uitgangspunt worden genomen. Door inventarisatie van de monumenten in het landschap kan de archeoloog op relatief goedkope wijze onderzoek doen. De kracht van de archeologie mag

‘voor het eerst

...In november 2010 werd er een officiële opgraving uitgevoerd op Kamp Amersfoort...

niet in een gebied gebouwd mag worden. Archeologie voegt een belangrijk component toe aan de tastbare perceptie van het oorlogsgebeuren (Dewilde, 2006).

Slagveldarcheologie in Nederland De archeologie kan een belangrijke bijdrage leveren aan de huidige beleving van een voormalig slagveld. De gebeurtenissen uit een oorlog worden teruggebracht naar een kleine, herkenbare en vooral menselijke schaal. Deze artefacten hebben niet alleen een historische maar ook een emotionele waarde. Daarnaast speelt Battlefield Archaeology een vitale rol met betrekking tot de conservering van deze resten. Veel materiaal gaat verloren door erosie, bebouwing en illegale opgravingen (De Meyer & Pype, 2004).

Sinds 2003 zijn er in Vlaanderen verschillende opgravingen uitgevoerd door professionele archeologen met als doel het in kaart brengen van een slagveld van de Eerste Wereldoorlog. Het archeologisch onderzoek dat werd uitgevoerd op het traject van de te verlengen A19 heeft geleid tot een aantal belangrijke inzichten met betrekking tot het bodemarchief van de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen. Vooraf waren een aantal vragen geformuleerd die ook voor Nederland van toepassing zijn. Wat was de staat en de conditie van de artefacten? Hoeveel stoffelijke resten kan men op een voormalig slagveld verwachten? Wat zou de schade zijn aan het materiaal en de sporen als de weg werd doorgetrokken? (Saunders, 2007). Ondanks de achterstand die de Nederlandse archeologie betreffende slagveldonderzoek heeft opgelopen hebben individuele archeologen, uit persoonlijke motivatie of belangstelling, wel degelijk oog gehad voor sporen en vondsten van de Tweede Wereldoorlog die ze in de opgravingsputten tegen kwamen. Tussen de verschillende bedrijven, provincies en gemeentes bestaan wel grote verschillen. Zo registreert en accepteert de provincie Zuid-Holland geen materiaal en sporen van de Tweede Wereldoorlog terwijl andere provincies en gemeenten dat wél doen. Deze objecten en sporen varieerden van incidentele ontdekkingen van menselijke resten tot de opgraving van samenhangende en grootschalige relicten van defensieve stellingen. Vóór 2000 drongen deze zelden door tot de officiële opgravingsrapporten en publicaties. Het ging hier wel altijd om ‘bijvangst’ en nooit om onderzoek dat specifiek gericht was op de reconstructie van de oorlogsgebeurtenissen op een bepaalde plaats. Sinds 2000 is het archeologisch erfgoed van de oorlog ook in ons land bezig aan een voorzichtige opmars (Kolen & Kok, 2010).

Kampenonderzoek

3 – Een Duitse tunnel uit de Eerste Wereldoorlog wordt blootgelegd bij een opgraving nabij Mesen (Messines), België. FOTO AUTEURS/MVDS.

18

Een aantal jaren geleden werd er in Duitsland een satelliet-concentratiekamp opgegraven bij Rathenow in de omgeving van Sachsenhausen. Aanvankelijk heerste er enige scepsis over het nut van een dergelijke opgraving. Er zou daar namelijk helemaal geen concentratiekamp hebben gelegen. Aanwijzingen waren er wel in de vorm van luchtfoto’s en ooggetuigenverslagen. Archeologisch onderzoek heeft een grote publieke impact, ook als er een verleden wordt aangetoond dat men het liefst zou willen vergeten. Zo ontkende de bevolking van Rathenow het bestaan van een plaatselijke concentratiekamp. De opgraving die werd uit-


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

4 – Een loopgraaf wordt archeologisch onderzocht tijdens de opgraving bij Kamp Amersfoort. FOTO AUTEURS/MVDS.

gevoerd bewees echter onomstotelijk dat dit kamp er werkelijk gestaan had. Niet alleen in Duitsland maar ook in landen als Polen en Oostenrijk zijn er opgravingen uitgevoerd naar concentratiekampen. Zo werd er op het terrein van het voormalige concentratiekamp Mauthausen in 2009 een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De archeologen waren voornamelijk geïnteresseerd in de vraag wat voor objecten men op een dergelijk terrein zou kunnen aantreffen (Theune, 2010). In Polen zijn de voormalige kampen te Chełmno, Bełzec en Sobibór onderzocht. Bij het onderzoek te Sobibór kwam naar voren dat de structuur waarvan men altijd had gedacht dat dit de gaskamer was in ieder geval géén gaskamer kan zijn geweest. Uit deze opgravingen kwam opmerkelijk genoeg naar voren dat men dus zeer weinig weet van concentratiekampen (Gilead et al., 2009). In november 2010 werd er voor het eerst een officiële opgraving uitgevoerd op het terrein rond voormalig Kamp Amersfoort. Monument Kamp Amersfoort wilde een herdenkingsroute aanleggen op een pas verworven stuk grond dat onderdeel was geweest van het kamp, een voormalig oefenterrein. Op luchtfoto’s uit 1943 zijn duidelijk loopgraven te herkennen op deze plek. Op de grond waren deze resten ook nog deels met het blote oog te vinden. Van Kamp Amersfoort is nog maar

5 – Het intekenen van de sporen tijdens de opgraving bij Kamp Amersfoort. FOTO AUTEURS/MVDS.

weinig bekend hoewel het één van de grotere concentratiekampen was van Nederland. Archeologisch onderzoek zou hier verandering in kunnen brengen (Wijnen & Schute, 2010).

Het Buried War Past project

en gemeenten) en zijn er verschillende depots bezocht. De aangetroffen dataset in de depots verschilde zeer, evenals de mate en de wijze waarop de afgelopen jaren onderzoek is verricht naar de Tweede Wereldoorlog in Nederland.

In het kader van het Odyssee project ‘Buried War Past’ is er een enquête onder Nederlandse archeologen uitgevoerd (bedrijven, provincies

De artefacten die bijvoorbeeld op het terrein van Westerbork bij andere werkzaamheden en

19


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

een niet-systematische amateuropgraving in de jaren ’90 waren aangetroffen zijn verzameld als toevalsvondsten. Het materiaal heeft een cultuurhistorische potentie vanwege de connectie met een ‘beladen plek’ als Kamp Westerbork en op locatie binnen het kamp zelf. Veel van de artefacten dateerden echter van ná de Tweede Wereldoorlog toen het een opvangkamp voor Molukkers was en bovendien is het meeste verzameld van de vuilstort buiten het kamp en dus uit zijn oorspronkelijke context. Te Amersfoort is het meeste materiaal ook verzameld d.m.v. metaaldetectie. Hier zijn zeer veel munitieresten gevonden. De gevonden voorwerpen komen echter niet uit het kampterrein zelf maar zijn verzameld op een voormalig oefenterrein net buiten het kamp. In 2010 is er een kortlopend archeologisch onderzoek op dit terrein uitgevoerd waarbij maar weinig vondsten werden gedaan (Schute, 2011). Ook Kamp Vught is ná de Tweede Wereldoorlog nog in gebruik geweest. Het grootste gedeelte van deze archeologische collectie is pas sinds de bouw van het nieuwe herinneringscentrum in 2002 verzameld. Veel van het materiaal is aangedragen door particulieren. Het grootste gedeelte van het voormalige kamp is nu in gebruik als gevangenis of als militair terrein dus is verder archeologisch onderzoek hier amper mogelijk. In Arnhem is er vanuit archeologische kringen en gemeente ook interesse voor sporen van de Tweede Wereldoorlog. Ter plaatse is hiervoor zelfs een speciale kracht aangenomen maar die loopt op tegen de beperking van de budgetten voor de conservering van het gevonden materiaal waardoor het nu ligt weg te roesten in het depot. Verder botst het belang van de depothouder steeds tegen de belangen van de EOD2 en overheid die geen toestemming verlenen voor archeologisch onderzoek, conservering en opslag van deze sporen en vondsten. De gemeentelijk archeoloog van Nijmegen was heel wat minder geïnteresseerd in deze periode en dat had zijn weerslag op het materiaal. Opvallend hier was het huisraad zoals een gesmolten kachel, een stille getuigenis van de bombardementen op de stad. In het archeologisch depot van Deventer waren dankzij de gemeentelijk archeoloog alle sporen en vondsten van de Tweede Wereldoorlog goed uitgewerkt. Binnenkort wordt het depot hier opgeheven en gaat alles naar een provinciaal depot. Dan vindt er een nieuwe selectie- en conserveringsronde plaats van het

20

aanwezige materiaal. We kunnen dus concluderen dat slagveldarcheologie in Nederland lokaal van de grond komt maar sterk afhankelijk is van incidentele en toevallige factoren (Kok & Wijnen, 2012).

Literatuur – Dewilde, M., (2006): De Eerste Wereldoorlog en archeologie. In: Chielens, P., D. Dendooven, H. Decoodt (ed.). De laatste getuige. Het oorlogslandschap van de Westhoek: 137-142 Tielt: Lannoo. – Eickhof, M., (2002): De oorsprong van het “Eigene”: Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaalsocialisme. Amsterdam. – Gilead, I., Y. Haimi, W. Mazurek, (2009): Excavating Nazi Extermination Centres. Present Past 1: 10-39. – Hendriks, V., E. Raemen, P. Pype, (2004): Het materiaal. In: E. Raemen, V. Hendriks, J. Problome (ed.), Loop!graven. Een archeologische zoektocht naar de Eerste Wereldoorlog: 43-56. Leuven: Universitaire Pers Leuven. – Kok, R.S., J.A.T. Wijnen, (2011): Waardering van oorlogserfgoed. Een inventarisatie en waardering van sporen uit de Tweede Wereldoorlog op de Grebbeberg en Laarsenberg te Rhenen (provincie Utrecht). RAAP-rapport 2546. Weesp: RAAP Archeologisch Adviesbureau. – Kok, R.S., J.A.T. Wijnen, (2012): Oorlog op de plank: inventarisatie en potentie van oude archeologische opgravingen met sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog. RAAP-rapport 2240. Weesp: RAAP Archeologisch Adviesbureau. – Kolen, J.C.A., (2009): The “anthropologisation” of archaeological heritage. Archeological Dialogues 16.2: 209-225. – Kolen, J.C.A., R.S. Kok, (2010): Begraven oorlogsverleden. De wetenschappelijke potentie en cultuurhistorische waarde van archeologische sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog. (Odyssee-aanvraag). – Kolen, J.C.A., J. van der Schriek, M. van der Schriek, (2013): The archaeological study of twentieth-century “terrorscapes” – a view from the Netherlands. (In voorbereiding). – Meyer, M. De, P. Pype, (2004): The A19 Project. Archaeological research at Cross Roads. Ieper: Association for World War Archaeology. – Rens, R., (2004): De betekenis van archeologie voor de Eerste Wereldoorlog. In E. Raemen, V. Hendriks & J. Problome (ed.) Loop!graven. Een archeologische zoektocht naar de Eerste Wereldoorlog: 10-12. Leuven: Universitaire Pers Leuven. – Saunders, N.J., (2007): Killing Time. Archaeology and the First World War. Gloucestershire: Sutton Publishing. – Schriek, J. van der, M. van der Schriek,

(2011): ‘Up ewig Ungedeelt!’ SchleswigHolstein 1864-1920. Journal of Conflict Archaeology 6.2: 146-172. – Schriek, J. van der, M. van der Schriek, (2013): “Begraven oorlogsverleden”. De wetenschappelijke potentie en cultuurhistorische waarde van archeologische sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog. (CLUE-rapportage, in voorbereiding). – Schute, I., (2011): Loopgraven en stellingen in concentratiekamp Amersfoort, gemeente Leusden; archeologisch onderzoek in het kader van de inrichting. RAAP-rapport 2220. Weesp: RAAP Archeologisch Adviesbureau. – Sutherland, T.L., (2005): Battlefield Archaeology. A Guide to the Archaeology of Conflict. Bradford: British Archaeological Jobs Resource. www.bajr.org/documents/bajrbattleguide.pdf – Theune, C., (2010): Zeitgeschichtliche Archäologie – Denkmalpflege und Forschungen in den Gedenkstätte Mauthausen. Archäologie Österreichs 21.2: 30-33. – Toebosch, Th., M. Kat, (2000): Onder het slagveld. Battlefield Archaeology moet zich als discipline nog bewijzen. In: NRC Handelsblad, 23 december. – Toebosch, Th., (2006): Oorlogsarcheologie in Nederland. Officieel niet, maar inofficieel wel in de belangstelling. In: Archeologie Magazine 14.6: 28-31. – Wijnen, J.A.T., I.A. Schute, (2010): Archeologisch onderzoek in een ‘schuldig landschap’: Concentratiekamp Amersfoort. Gemeente Leusden en Gemeente Amersfoort. Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek. RAAP-rapport 2197. Weesp: RAAP Archeologisch Adviesbureau.

Over de auteurs Max en Jef van der Schriek behaalden hun master Erfgoedstudies (2009) en (West-Europese) Archeologie (2010) aan de Vrije Universiteit (VU) te Amsterdam. Sinds september 2011 zijn zij bij de VU in dienst als onderzoeksmedewerkers en verbonden aan het Research institute for the heritage and history of the Cultural Landscape and Urban Environment (CLUE), VU Amsterdam. Hun specialisatie is slagveldonderzoek (Conflict Archaeology), waarbij Jef van der Schriek zich meer heeft gericht op defensieve werken als de Westwall en Atlantik Wall en Max van der Schriek op slagveldonderzoek van de 19e en (voornamelijk) 20e eeuw.

Noten 1

Dienst voor Opruiming en Vernietiging van Oorlogstuig. 2 Explosieven Opruimingsdienst Defensie. 쮿


Netwerken:

Adverteren in Vitruvius:

Informeer naar onze nieuwe advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen

Kom voordeliger dan ooit onder ogen van 4500 erfgoedspecialisten met een advertentie of special in Vitruvius. Neem hiervoor contact op met Uitgeverij Educom BV: 010-425 6544 of mail naar info@uitgeverijeducom.nl.

Uitgeverij Educom BV Drukwerk Marketing

Investeringen Internet

Meeliften met Vitruvius?

Uw onderzoeksresultaat/studie KOSTELOOS publiceren in Vitruvius? Bereik vakgenoten op het gebied van cultureel erfgoed. Bespreek een artikel in vakblad Vitruvius met de uitgever: info@uitgeverijeducom.nl of via 010-425 6544.


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

Michiel Verweij Consulent architectuurhistorie voor Groningen en Drenthe, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

1a-b – Leeuwarden, Voorstreek 58, voorgevel van de Centraal Apotheek (1904) met links de Amelandsstraat en rechts de Tuinen. Architect G.B. Broekema. Opname uit september 1980.

STIJLBLOEMPJ ES VAN DE

Fotograaf A.J. van der Wal. Rijksdienst voor

NEDERLANDSE

het Cultureel Erfgoed (217.781).

b Recente opname.

BOUWKUNST EN FARMACIE

De Centraal Apotheek In het Pharmaceutisch Weekblad 47 (1996) stond een interessant artikel van mevrouw C.J. LangbroekKnop over ‘Het fenomeen Centraal Apotheek’. Het tijdbeeld, de kenmerken en reacties op het verschijnsel Centraal Apotheek komen aan bod. Verder besteedt het artikel aandacht aan twee vestigingen van een Centraal Apotheek, één in Leeuwarden en één in Utrecht. Het artikel behandelt op overzichtelijke wijze een bijzondere en woelige episode uit de geschiedenis van de Nederlandse farmacie.1

in Leeuwarden en Utrecht

DEEL I

en Centraal Apotheek werd gesticht en gefinancierd door iemand die geen apotheker was. De dagelijkse gang van zaken in een Centraal Apotheek berustte bij een waarnemer van de stichter, een apotheker die bij de stichter op de loonlijst stond, ‘provisor’ genaamd.2 Met deze constructie werd aan de wettelijke verplichting aangaande farmaceutisch toezicht in de apotheek voldaan terwijl het financieel beheer van de vestiging buiten de verantwoordelijkheid van de apotheker viel. De provisor mocht geen lid zijn van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering

E

22

der Pharmacie (NMP). In ’s-Gravenhage deed een bankiersfirma pogingen tot de oprichting van een Centraal Apotheek en in Utrecht nam zakenman Johannes de Liefde het initiatief voor de stichting van een Centraal Apotheek.3 Geheel tegen de heersende beroepscode in, maakte een Centraal Apotheek reclame. In een Centraal Apotheek lagen de prijzen van geneesmiddelen ver onder het gangbare prijspeil, een landelijke tarifering ontbrak.4 Het Pharmaceutisch Weekblad publiceerde in de periode 1893-1919 regelmatig en kritisch over het verschijnsel Centraal Apotheek, vooral rond het jaar 1900. In Alk-

maar, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Deventer, Dordrecht, Enschede, ’s-Gravenhage, Groningen, Haarlem, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Utrecht en Zwolle was een Centraal Apotheek gevestigd.5 In Haarlem, Leeuwarden en Utrecht bleef een functionerende Centraal Apotheek tot in 2013 bestaan, de overige zijn verdwenen. Op het platteland komt de Centraal Apotheek niet voor. Apotheekhoudende huisartsen voorzagen het buitengebied van farmaceutische zorg, medicamenten en verbandmiddelen. De Centraal Apotheek was een stedelijk verschijnsel.6


VITRUVIUS

Rond het jaar 1900 deed zich in zowel de architectuur als de farmacie een opmerkelijke ontwikkeling voor. Er ontstond in beide werelden ‘iets’ nieuws, oude patronen en bestaande verbanden werden op de helling gezet maar de traditie bleek taai. In de architectuur en beeldende kunsten kwamen de art nouveau en de jugendstil op, nieuwe stijlopvattingen die niet waren geïnspireerd op historische voorbeelden zoals in de negentiende eeuw gangbaar was, maar andere inspiratiebronnen aanboorden. Uitbundige krullen, vloeiende lijnen, florale motieven en zweepslagen typeren de op de natuur geïnspireerde art nouveau terwijl de jugendstil meer gebruik maakte van geometrische vormen en ingetogener van aard is. De nieuwe stijlopvatting trof voor- en tegenstanders. Met name de laatste groep uitte zich in de vakbladen en dat ging gepaard met stevige retoriek en een geringschattende toon. Gelijktijdig diende zich in de farmaceutische wereld ook een nieuwe ontwikkeling aan. Het traditionele apothekersvak kreeg te maken met het verschijnsel Centraal Apotheek. In een Centraal Apotheek trad een ‘provisor’ op: een beheerder die namens de apotheker de bedrijfsvoering in de apotheek deed, maar geen farmaceut was. De zittende beroepsgroep reageerde geschokt:

NUMMER 23

het gaf geen pas dat het hoogwaardige en wetenschappelijke ambt van apotheker plaats maakte voor lieden die zich door winstoogmerk lieten leiden. Ofschoon de nieuwe formule Centraal Apotheek in verschillende steden voorkwam, lag er geen landsbreed organisatorisch model aan ten grondslag. Wèl voerde men één en dezelfde naam, Centraal Apotheek. De Centraal Apotheek maakte, geheel tegen de traditie in, reclame en bood geneesmiddelen tegen lage prijzen aan. De reacties van de traditioneel opererende apothekers waren furieus en verontwaardigd. Zij trachtten op georganiseerde wijze de Centraal Apotheek te boycotten door leveranties van grondstoffen te beletten en het personeel van een Centraal Apotheek het onmogelijk te maken elders aan de slag te komen. In zowel Leeuwarden als Utrecht is in 1904 een Centraal Apotheek gebouwd. Het zijn zeer opvallende gebouwen met een prominente situering. Beide panden hebben de status rijksmonument, functioneren nog steeds als apotheek en vertonen de stijlkenmerken van de jugendstil. Het lijkt alsof met de introductie van de Centraal Apotheek de onorthodoxe benadering van het apothekersvak haar bouwkunstige vertaling heeft gevonden in de al even revolutionaire bouwstijl van de jugendstil.

2 – Leeuwarden, fors en kloek staat de Centraal Apotheek op de hoek. Links de toren van de R.K. St.-Bonifatiuskerk (1882-1884), een ontwerp van P.J.H. Cuypers. Opname uit september 1980. Fotograaf A.J. van

3 – Leeuwarden, Voorstreek 58, de pui van de Centraal Apotheek met sierlijk behandelde materialen als hout, natuursteen, smeedijzer en tegels. Opname uit september 1980. Fotograaf A.J. van der Wal.

der Wal. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (217.780)

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (217.782)

Onderstaand essay behandelt de kunst- en architectuurhistorische kenmerken van de Centraal Apotheek in Leeuwarden en in Utrecht. Deze vestigingen dateren uit 1904, vertonen kenmerken van de jugendstil en hebben de status rijksmonument. Rond 1900, en eerder, was een levendig discours over de bouwkunst gaande.7 Welke plaats nam de

APRIL 2013

jugendstil in dat debat in en hoe zag de farmaceutische wereld er toen uit?

De Centraal Apotheek in Leeuwarden: een pront en prominent drieluik De Centraal Apotheek te Leeuwarden staat aan de Voorstreek 58, in het oostelijke gedeelte van de oude binnenstad (figuur 1),

tussen de Amelandsstraat en de Tuinen.8 Vanouds was dit een druk punt in de stad waar markt werd gehouden.9 Architect G.B. Broekema uit Kampen leverde het ontwerp van de Centraal Apotheek in opdracht van J. Feteris, ook uit Kampen afkomstig, en sinds 1900 in Leeuwarden woonachtig.10 Het opvallend rijzige hoekpand heeft een trapezium-

23


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

4 – Leeuwarden, Voorstreek 58. Het tegeltableau op de verdieping toont Hygieia, de Griekse godin van de gezondheid. Opname uit september 1980. Fotograaf A.J. van der Wal. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (217.783)

5 – Utrecht, overzicht van de Voorstraat in de richting van het Neude. Op de achtergrond is ‘De Liefde’s Centraal Apotheek’ zichtbaar, met inpandig balkon en torentje. Opname uit september 1971. Fotograaf L. Tangel. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (139.667)

vormige plattegrond en is opgetrokken in gele verblendsteen en rood-bruine baksteen. Het metselwerk heeft een levendig aanzien met blokken, boogtrommels, dierfiguren, hardstenen lijsten, inlegwerk, onder- en bovendorpels en uitkragend siermetselwerk (figuur 2). Aan de zijde van de Voorstreek heeft de pui boven een hardstenen plint met plantaardige motieven een houten voordeur, dito kozijnen, stijl- en regelwerk (figuur 3). Een hardstenen omlijsting met zwierige lijnvoering bevat de tekst ‘Centraal Apotheek’ en sluit de pui aan de bovenzijde af. De verdiepingen hebben sierlijke smeedijzeren balkonhekken en zijn uitgevoerd met rechtgesloten vensters, rondboogvensters en twee polychrome tegeltableaus. Eén opmerkelijk tegeltableau verbeeldt een vrouwenfiguur (figuur 4). Zij staat met geheven handen en draagt boven het hoofd een medicijnbeker terwijl om de linkerarm een slang kronkelt. Haar lange en elegante jurk waaiert breed en bevallig uit, valt vrijwel tot aan de vensters van de ondergelegen verdieping. De jonge vrouw symboliseert Hygieia, de Griekse godin van de gezondheid en de slang ver-

24

beeldt de esculaap. Boven dit figuratieve tableau is een tweede tegeltableau geplaatst met het opschrift ‘Centraal Apotheek’. Links en rechts sluiten twee, op natuurstenen consoles rustende, gemetselde pilasters de voorgevel op de tweede en derde bouwlaag aan beide zijden af. Boven het tegelopschrift zijn in het metselwerk vijf smalle, hoge vensters uitgespaard. Dan volgt de gootlijst. Tussen de gootconsoles springt een sierend blokmotief in het oog, het herhaalt het patroon dat onder de vensters van de verdieping is aangebracht. Bovenop de pilasters staren twee hardstenen arenden stoïcijns in noordelijke en zuidelijke richting, het schilddak achter hun rug volkomen negerend. Een bijzondere blikvanger op de straathoek van Voorstreek en Tuinen is de overhoeks geplaatste, drie bouwlagen tellende erker. Kantige en ronde, gesloten en open partijen wisselen elkaar af. Het lijkt wel een toren of belvedère, zo slank en zo prominent is dit hoekaccent ontworpen, compleet met elegant balkon en helmdak, leien dekking en priemend hoge naald. De zijgevel aan de Amelandsstraat (noord)

heeft dankzij de combinatie van donkerrode baksteen en gele baksteenbanden een decoratief en levendig aanzien. Aan de kant van de Tuinen (zuid) heeft de Centraal Apotheek drie bouwlagen (figuur 2). Op de parterre boven een natuurstenen plint zijn drie vensters en een zijdeur met afdakje en bovenlicht. De uitgemetselde partij is een rookkanaal waarvan het bovendakse schoorsteengedeelte werd gesloopt, maar dat nog zichtbaar is op een foto uit 1934.11 Het sierlijke en ranke smeedwerk van de twee balkonhekken is verwant aan dat van de voorgevel. Op de derde bouwlaag zijn rechts drie identieke, naast elkaar geschikte vensters aangebracht; voor het overige is de zijgevel blind. De gootlijst met consoles kraagt lichtjes uit. Op het leien dak staat aan de rechterzijde een brede dakkapel, ook gedekt met leien. Het interieur van de Centraal Apotheek bestaat op de begane grond uit ruimten voor patiënt, personeel en publiek. In het magazijn liggen grondstoffen en geneesmiddelen opgeslagen. Verder zijn er nog een nachtsluis en een gespreksruimte. Trappen leiden van de begane grond naar de kelder of voeren naar


VITRUVIUS

de verdiepingen waar onder meer bereiding plaatsvindt en over kantoorruimte kan worden beschikt. Op de hoogste etages is woonruimte. De twee-eenheid van apotheek met bovenwoning bleef in de loop van ruim een eeuw ongewijzigd. Waardevolle interieurelementen bestaan onder meer uit marmeren afwerking, stucwerk en gedetailleerd timmermanswerk.

De Centraal Apotheek in Utrecht: een gapende gevel Het pand Voorstraat 6-6bis te Utrecht is gebouwd naar ontwerp van architect R. Rijksen als ‘De Liefde’s Centraal Apotheek’.12 Opdrachtgever was zakenman Johannes de Liefde, directeur-eigenaar van het Utrechtsch Nieuwsblad, tevens eigenaar van hotel L’Europe op het adres Vredenburg 3 in Utrecht – ook een ontwerp van Rijksen –.13 Eerder had De Liefde voor de lezers van zijn krant al een ziekenfonds opgericht. Vanaf 1904 konden zij met hun recepten in ‘De Liefde’s Centraal Apotheek’ terecht.14 De apotheek staat in de bocht tussen de Voorstraat en het Neude (figuur 5). Het diepe woonwinkelpand heeft een rechthoekige plat-

tegrond en telt drie bouwlagen plus een kelder. De architect verwerkte in de voorgevel witte en gele strengperssteen, kunststeen en natuursteen. Aan de Voorstraat fungeert een natuurstenen profilering ter breedte van vrijwel de gehele pui als zitbank (figuur 6). Op de parterre heeft de natuurstenen pui een brede en hoge segmentboog waarin een houten etalage en twee voordeuren zijn opgenomen, beide voor de apotheek. Een derde voordeur, geheel rechts, ontsluit de verdiepingen en verleent de voorgevel een asymmetrisch accent. De vloeiende en golvende belijning van de drie deuren zet zich in het reliëf en de lijnvoering van de gevel voort. In de onderpui zijn twee brievenbussen uitgespaard: een voor ‘recepten’, de andere voor ‘brieven’. Een tweede, brede en hoge gemetselde boogvormige nis in de vorm van een sleutelgat verbindt de tweede met de derde bouwlaag. De voorgevel is hier in wit en geel geglazuurde baksteen uitgevoerd. Deze nis herhaalt de boogvorm van de onderpui en met een beetje fantasie valt gelijkenis te bespeuren met wat het beeldmerk van een apotheek is geworden, een gaper, die hier sans gêne de volledige breedte van de voorgevel in beslag neemt.15 Binnen in de nis is een driezijdige

NUMMER 23

APRIL 2013

6 – Utrecht, Voorstraat 6, voorgevel van ‘De Liefde’s Centraal Apotheek’. Op de begane grond is de apotheek gevestigd, de woning is op de verdieping. De driezijdige erker en het torentje zijn karakteristieke architectonische motieven in het oeuvre van architect R. Rijksen. Opname uit 1987. Fotograaf A.J. van der Wal. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (272.263)

7 – Leeuwarden, Voorstreek 58, zweepslagmotief op de hoek van de pui. Opname uit september 1980. Fotograaf A.J. van der Wal. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (217.784)

25


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

erker geplaatst, links en rechts zijn vensters aangebracht. Op de rand van het balkon staat een smeedijzeren hekwerk. De gemetselde boog heeft natuurstenen aanzetten en aan beide zijden een gebeeldhouwde uilenkop. De voorgevel met opgehaalde top bevat een rond venster en twee kleine dakkapellen flankeren de topgevel. Ingemetselde gevelstenen onder een breed overstek geven in goudkleurige letters ‘ANNO’ en in dito cijfers ‘1904’ aan. De rechterflank van de voorgevel is zeker zo boeiend: een voordeur met bovenlicht op de begane grond met daarboven een overhoeks geplaatste erker, op de derde bouwlaag een houten schuifvenster en als afsluiting een zeshoekig torentje met tentdakje. De voorgevel van ‘De Liefde’s Centraal Apotheek’ is rijk in geleding, kleur en ordonnantie, combineert verschillende bouwmaterialen tot één samenhangend ontwerp en verveelt geen moment. De houten gootklossen zijn bewerkt, het samengestelde dak is voorzien van schilden die met rode geglazuurde kruispannen zijn gedekt. Vanuit welke hoek men er ook naar kijkt, de aanblik van de voorgevel fascineert en onderscheidt zich van de nabije panden maar valt niet uit de toon van het straatbeeld of stadsgezicht. De zijgevels zijn ingebouwd. De achtergevel van de Centraal Apotheek staat aan de Loeff Berchmakerstraat.16 Het is een eenvoudige in rode baksteen opgetrokken gevel die met een rechte lijst wordt afgesloten. Het interieur van de Centraal Apotheek biedt op de parterre faciliteiten aan de apotheek. Op de verdiepingen woonde de apotheker en was het laboratorium. Momenteel zijn vertrekken in gebruik als kantoor-, vergader- of recreatieruimte. Het trappenstelsel en voorzieningen ten behoeve van verkeer, sanitair en installaties evenals oorspronkelijke bergkasten en monumentale plafonds in de apotheek zijn nog aanwezig en als stilistisch pièce de résistance een toiletpot met jugendstilmotieven.

Bouwstijl en motieven De voorgevels van de Centraal Apotheek in Leeuwarden en Utrecht lijken voortdurend in beweging. De elegante ritmiek en de lenige lijn typeren de art nouveau, een bouwstijl die in Nederland omstreeks 1890 gangbaar werd, rond het jaar 1905 een hoogtepunt bereikte en na een bloeiperiode van circa 25 jaar plaats maakte voor nieuwe stilistische ontwikkelingen. De art nouveau komt niet alleen in de bouwkunst tot uitdrukking, maar heeft ook andere kunstzinnige terreinen beïnvloed. De stijl manifesteert zich in de beeldhouwkunst, in de boekdrukkunst, in de schilderkunst en in de toegepaste kunsten en wordt

26

8 – Zuidlaren, Groningerstraat 17, jugendstil bovenlichten met glas-in-lood in de serre van een boerderij. Opname uit 2008. Fotograaf P. van Galen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (527.165)

beschouwd als een reactie op de ontwikkelingen in de negentiende eeuw waarin verschillende neostijlen naast en door elkaar gangbaar waren. De patronen van de art nouveau zijn op de natuur geïnspireerd en zwierig van aard (figuur 7). Wanneer de motieven aan geometrische vormen zijn ontleend, wordt meestal gesproken van jugendstil.17 De aanduidingen art nouveau en jugendstil worden in ons land echter niet al te strikt toegepast. In de Centraal Apotheken van Leeuwarden en Utrecht komen zowel geometrische als aan de natuur ontleende motieven tot uitdrukking.18 De regels en stijlen in de deuren en bovenlichten op de begane grond van de Utrechtse apotheek lijken op halmen in de wind. De uilenkoppen bij de boogaanzetten op de verdieping staan symbool voor de wijsheid, een eigenschap die het farmaceutisch métier niet kan missen, en daarom als karakteristiek motief voor een derde maal zichtbaar is, namelijk in de kop van de houten schoor onder de erker. Uilen worden beschouwd als mysterieuze vogels want het zijn geluidloos vliegende, nachtelijke jagers die ondanks een beperkt vocabulaire al sinds de Oudheid grote faam en zeggingskracht weten te behouden. Aan de art nouveau noch jugendstil is een zekere zweem van geheimzinnigheid vreemd. De kunstenaars en architecten wilden weliswaar bewust een nieuwe stijl creëren maar er bleef verwantschap met de prérafaë-

lieten en de symbolisten bestaan terwijl er ook oosterse invloeden waren.19 Op de lange zijden van de schoor onder de erker van de Centraal Apotheek in Utrecht zijn een salamander en een slang zichtbaar. Beide dieren bezitten bijzondere en vitale eigenschappen. Een salamander zou bestand zijn tegen de kracht van het vuur en een slang verjongt zichzelf door zijn oude huid af te werpen maar geldt tevens als eigenzinnig, gevaarlijk en slim, duikt geruisloos en plotseling op en is snel gereed voor een beet. De slang als esculaap is het attribuut van Hygieia, dochter van Asklepios en Griekse godin van de gezondheid. Wanneer de voorgevel van de Centraal Apotheek vanuit dit perspectief wordt bekeken, komt de farmaceutische functie van het pand in de vorm van architectonische uitdrukkingsmogelijkheden op overdrachtelijke wijze naar voren. Naast tot de natuur te herleiden motieven bevat de gevel van de De Liefde’s Centraal Apotheek verschillende geometrische patronen die tot het repertoire van de jugendstil behoren: een halve cirkel in de boogstelling op de begane grond, de combinatie van rechthoek en cirkel in de loggia op de verdieping (zodat de vorm van een sleutelgat is ontstaan), een driehoek in de erker (rechts op de verdieping), een zeshoekig torentje daarboven en een (nagenoeg) rond venster in de geveltop onder de scherpe hoek van het zadeldak. In Leeuwarden heeft de plint van de Centraal


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

tuur als zinloos en stelde verder vast dat de eigentijdse bouwkunst niet aan de opgave van de moderne tijd beantwoordde.20 ‘De menschheid heeft er geen voordeel van, of zij nu, in plaats van het acanthusblad, krullen van vermicelli krijgt. De tegenwoordige nieuwe kunst is te vergelijken met de waterpokken en de mazelen, die de kinderen moeten hebben gehad, om later gezond te zijn.’ De jugendstil werd blijkbaar als een noodzakelijk stilistisch intermezzo beschouwd, niet in staat uit te groeien tot een bestendig architectonisch idioom van de twintigste eeuw (figuur 8). Ambachtelijkheid, technische vaardigheden en schoonheidsbeleving volstonden daartoe niet. ‘Kunst is niet alleen een uitvloeisel van kunnen, van schoonheidsgevoel, zij is vóór alles de uitdrukking van een eerlijk karakter.’21

9 – Uden, Volkelseweg 30. Op de binnenplaats van het voormalige retraitehuis staat een gietijzeren bank in jugendstil. Opname uit 2001. Fotograaf IJ. Th. Heins. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (339.292)

Apotheek motieven van golvende lijnen die als lianen in de natuursteen zijn opgenomen en rondom het grote boogvormige venster op de begane grond voortwoekeren. De voordeur is met sierlijk houtsnijwerk uitgevoerd: niet stram en recht gezaagd, maar beweeglijk en a-symmetrisch in de linkerbovenhoek geconcentreerd. En op de verdieping laat de art nouveau zich herkennen in de bijzondere wijze waarop het smeedijzer van de balustrades van de balkons is uitgevoerd, met een zweepslagmotief dat dynamisch en ritmisch op verschillende verdiepingen terugkomt. Het rijke en opvallende tegeltableau waarop een langgerekte Hygieia staat afgebeeld is door zijn elegantie, lijnvoering en kleurwerking uniek voor de art nouveau in Friesland. Verder heeft de Centraal Apotheek in Leeuwarden in beperkte zin aan de geometrie ontleende ornamentiek, bijvoorbeeld de blokpatronen in de sierbanden onder de vensters op de verdieping en onder de dakrand. Nu vormt de combinatie van geometrische vormen en natuurlijke motieven niet a priori een (nieuwe) stijl. Daar komt meer bij kijken. Een stijl brengt wat nieuws, bakent het verleden af en markeert de grens naar een volgende in artistiek opzicht te onderscheiden periode. Met de jugendstil kwam herstel van de relatie tussen architectuur en beeldende kunst tot stand. Constructie en decoratie waren in de negentiende eeuw autonome verschijnselen geworden en rond 1900 streef-

den architecten en ambachtslieden naar een moderne architectonische eenheid van beide. Adequate toepassing van verschillende materialen ondersteunt dat concept. In de gevels van beide Centraal Apotheken zijn natuursteen, verschillende soorten en kleuren strengperssteen, hout en glas door toedoen van het vakmanschap van de architecten onder één nieuwe stilistische noemer gebracht in een idioom dat zich duidelijk onderscheidt van voorgaande stijlopvattingen en beantwoordt aan de behoefte een nieuw artistiek klimaat te genereren. Stijl was in de negentiende eeuw geen onbesproken begrip en vormde onderwerp van menig artikel en dispuut.

De ontvangst van de art nouveau en jugendstil in enkele eigentijdse vakbladen Professor Johannes Otzen waarschuwde tijdens het Internationaal Congres te Parijs (1900) zijn toehoorders niet ‘in de ruwheid van de modernen plakaatstijl te vervallen’, ‘de uitwassen en buitenissigheden der moderne kunst in de architectuur’ te vermijden en hij riep op ‘het verstijven der ornamentiek in geestlooze krullen en vermoeide lijnen te voorkomen.’ Het zal duidelijk zijn: hier werd de jugendstil op de korrel genomen. Otzen zocht samen met zijn vakgenoten ‘verlossing uit den dooden vormendienst der laatste jaren,’ bestempelde het voortborduren op het patroon van de negentiende-eeuwse architec-

Dr. P.J.H. Cuypers (1827-1921) noemde de nieuwe kunst ‘een vergif.’22 Het tijdschrift Architectura beschouwde de bouwkunst van de negentiende eeuw als ‘bederf en onnoozel geknoei’ maar verwachtte, net zoals professor Otzen, geen heil van ‘de krullemiestijl, ook genaamd “l’art nouveau”’. Deze stijl, ‘het werken met krullen, ook bekend als “l’art nouveau” (geef hem de ruimte) is vooral te zien in Den Haag en Rotterdam. Puisten, knobbels, uitwassen en bochels zijn de grondslagen en motieven van deze treurige architectonische misgeboorte. Onderscheid van materiaal, zuiverheid van bouw zijn blijkbaar belachelijke zaken in de oogen van het decadente ras, dat ons deze rare geschiedenis, genaamd “nieuwe kunst”, op den hals geschoven heeft en die helaas door het publiek welwillend wordt geaccepteeerd.’23 ‘In België dagteekent de nieuwe richting van 1894. Henri van de Velde, oorspronkelijk schilder, gaf haar aan. Vooral Horta en de nu pas overleden Hankar brachten haar uit de gebruikskunst naar de bouwkunst over. De grilligheden dier nieuw Belgische school zijn hier in Noord-Nederland genoeg bekend. Wij behoeven er dus niet over uit te wijden.’24 De verleiding was blijkbaar erg groot want in een volgend nummer van De Opmerker kwamen in de rubriek ‘Meditaties over ornament’ twee kopstukken van de art nouveau langszij, Henry van de Velde (1863-1957) en Jan Toorop (1858-1928). De eerste gold als ‘de geïndividualiseerde regelmatigheid, het werktuig der noodwendigheid. Zijn genialiteit is een idée fixe, maar verheven en vruchtbaar is hij ook. Toorop is een eentonige kop, een maniërist, die de motieven kwelt tot zij er bij neer vallen. Zijn kunst doet aan de gamelang denken – even vindt men haar wel aardig, maar al gauw wordt men er razend van.’25

27


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

De teleurstelling, misschien is zelfs sprake van verontwaardiging, over de jugendstil bleef niet tot het Nederlandstalige gebied beperkt (figuur 9). ‘De nieuwe stijl begint belachlijk te worden, nu hij door de ”snobs” als het nieuwste is erkend, nu hij een naam heeft gekregen en in de mode gekomen is. De ernstigste menschen willen er niets meer van weten. Wat onze landgenooten in navolging der Belgen en Franschen tot dusverre voortbrachten is “höhere Blödsinn”. De Engelschen, die nu reeds twintig jaar met het vormen van een modernen stijl bezig zijn, die veel minder fantastisch aangelegd zijn, dan wij, meenen dat wij stapelgek zijn geworden, als zij onze krullen en fierlefansen zien. Enkelen bij ons beginnen te beseffen, dat wat wij voor nieuwe kunst hielden, slechts een benauwde droom was….’26 ‘…al die overtollige lijnen, krullen en versierselen zijn volstrekt niet, wat onze tijd verlangt.’ ‘De krullen en grillen van den “Secessionsstil”, hoe lyrisch en temperamentvol ook, voldoen niet aan deze eischen.’ De schrijver van deze analyse was een ‘Duitsch architect, die te Londen woont, H. Muthesius.’ De ‘Belgische richting’ was ‘een nieuwe mode, geen nieuwe kunst. Die mode zal, als alle andere, gauw voorbij gaan. Hoe leggen wij het nu aan, om een nieuwe kunst te krijgen?’

Noten 1

Langbroek-Knop, C.J., ‘Het fenomeen Centraal Apotheek’ in: Pharmaceutisch Weekblad, jaargang 131, nr. 47 (1996), 1363-1368. 2 Kruithof, B., Het conflict tussen apothekers en drogisten – De professionalisering van twee beroepsgroepen tussen 1865 en 1932, Houten/Diegem 1995, 279. 3 Als noot 2, 393-394. 4 Anoniem, ‘Verslag van de zes en vijftigste Algemeene Vergadering van de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie, gehouden op Dinsdag en Woensdag 23 en 24 Juli 1907 in de Koningszaal van Natura Artis Magistra te Amsterdam. Van het Departement Noord-Holland. Eerste Voorstel’ in: Pharmaceutisch Weekblad, jaargang 44, nr. 38 (1907), 1133-1136. Kruithof (noot 2), 171. 5 Als noot 1, 1363. 6 Kruithof (noot 2), 256 ( punt 4) en 392. 7 Woud, A. van der, Waarheid en karakter – Het debat over de bouwkunst, 1840-1900, Rotterdam 1997. 8 De naam Voorstreek dateert uit 1845 (voorheen Zuupmarkt, 1642 Hoexcter suipmerck, 1682 Suipmerck, 1760 d’oude Supmerkt, 1843 Voorstraat); Amelandsstraat verwijst naar de eigenaars van het gesloopte Amelandshuis, een 14de-eeuwse stins van de Cammingha’s die tot 1680 erf- en vrijheren van Ameland waren; de Tuinen (1494 uppe Tuunen, 1532 op de Tunen, 1543 opte Tuynen): de naam is waarschijnlijk een verwijzing naar de omheining of omheinde landerijen van het Amelandshuis volgens: Dolk, W., Leeuwarder straatnamen – herziene uitgave, Ljouwert 1997, 17 en 38-39. 9 Nieuwe gids voor Leeuwarden en omstreken uitgege-

28

ven door de Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer, Leeuwarden 1904, 8. Een literaire impressie van Leeuwarden aan het begin van de 20ste eeuw geeft: Vestdijk, S., De koperen tuin, ’s-Gravenhage/Rotterdam z.j., met name hoofdstukken 2, 3 en 6. Zie in dit verband ook de Anton Wachter romans van Simon Vestdijk. 10 Westerink, G., Villa’s, veestallen en fabrieken – Leven en werk van architect G.B. Broekema (18661946), z.p. 2003, 104 e.v.. J. Feteris was in 1896 stadsapotheker in Kampen volgens: Wittop Koning, D.A., Compendium voor de Geschiedenis van de Pharmacie in Nederland, Lochem/Gent 1986, 252. Zie ook Langbroek-Knop a.w. (noot 1), 1365. 11 Swierstra, D., Leeuwarden in Beeld, Leeuwarden 1989, 4. De gesloopte schoorsteen kwam boven de nok uit, was geleed en had een afsluiting in de vorm van een tentdak. 12 Dolfin, Marceline J., Kylstra, E.M. en Penders, J., Utrecht de huizen binnen de singels – overzicht. De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst – Geïllustreerde Beschrijving, ’s-Gravenhage 1989, 174. De stad Utrecht groeide sterk in de tweede helft van de 19de eeuw: in 1820 telde de stad 30.000 inwoners, in 1851 waren dat er 47.00 en in 1899 woonden 100.000 mensen in Utrecht volgens: Blijstra, R., 2000 jaar Utrecht – Stedebouwkundige ontwikkeling van castrum tot centrum, Utrecht/Antwerpen 1969, 158. 13 In de stad Utrecht bouwde architect R. Rijksen (1854-1928) verschillende panden: Emmalaan 2141 (huizenblok uit 1898-1899); Vredenburg 3 (nu Parfumerie Douglas, in 1905 gebouwd als hotel Bellevue, in 1910 verbouwd en hotel Noord-Brabant genoemd; ook hotel L’Europe); Bakkerstraat 27-29 (woon-winkelpand uit 1905). Volgens Van Hulten, B. e.a. (noot 18) is Rijksen rond de eeuwwisseling met P.J. Houtzagers en M.E. Kuiler een van de belangrijkste architecten in Utrecht. In Soerabaia bouwde R. Rijksen een woonhuis (1916). Zie hiervoor: Rijksen, R., ‘De Ned. Bouwkunst in Ned. Oost-Indië in: Bouwkundig Weekblad, jaargang 37, nr. 4 (1916), p. 39-41 en Rijksen, R., ‘Nederlandsche bouwkunst in Ned. Indië’ in: Bouwkundig Weekblad, jaargang 37, nr. 15 (1916), 124-126. 14 Krijnen-Van der Sterre, J. en Krijnen, P., Uit de atlas van Anthony E. Grolman, z.p. 2009, 62-63. De auteurs noemen de Centraal Apotheek ‘een van de mooiste voorbeelden van Jugendstil in Utrecht’. Over de stichter het volgende: ‘De hier gevestigde apotheek was in 1903 gestart in het huis van ondernemer Johannes de Liefde op Drift 23. Op laatstgenoemde locatie waren ook gevestigd de Spiegels- en Lijstenfabriek van De Liefde en het bureau en de persen van het Utrechtsch Nieuwsblad, waarvan De Liefde sinds 1893 uitgever was. Deze zakenman was van vele markten thuis: hij was tevens eigenaar van hotel L’Europe op het Vredenburg en zou in 1912 bioscoop Scala aan de Lange Viestraat oprichten. In 1903 kwam De Liefde op het idee om voor de lezers van zijn krant een ziekenfonds op te richten. De al bestaande fondsen beschouwden deze nieuwkomer als concurrentie en de Utrechtse doctoren weigerden voor het merendeel hun medewerking aan dit ziekenfonds. De Liefde wist een aantal artsen ‘van

buiten’ aan te trekken en richtte, zoals gezegd, zijn eigen apotheek op waar “uitsluitend in voorraad worden gehouden geneesmiddelen van de allerbeste kwaliteit, alsook de nieuwste praeparaten, hoe hoog in prijs zij ook wezen mochten.” De Liefde ging er in zijn krant prat op dat fondsleden bij hem even goede medicijnen kregen als particuliere patiënten.’ 15 Schoenmakers, T. en Jas, J., Slang Esculaap en Gaper – medisch-farmaceutische symbolen, Mijdrecht 1993, 57 e.v. 16 De Loeff Berchmakerstraat is genoemd naar de Utrechtse familie Berchmaker, die er in 1304 een huis had volgens: De Rijk, J.A.F., Utrechtse namen binnen de singels, Utrecht 1997, 14. Verder memoreert De Rijk dat de Voorstraat al vanaf 1122 moet hebben bestaan, de naamsafleiding is onbekend (24).Volgens dezelfde auteur dateert de benaming Neude van vóór 1350 en betekent deze aanduiding ‘laaggelegen, moerassige plaats.’ In de 13de eeuw en in 1465 is het Neude opgehoogd (26). 17 Blijdenstijn, R. en Stenvert, R., Bouwstijlen in Nederland 1040-1940, Nijmegen 2000, 106-113. 18 Zie de boeiende studie van: Wessel, Esther, De bouwmaterialen in de Jugendstil te Utrecht, deel 1 tekst en deel 2 foto’s. Ongepubliceerde doctoraalscriptie kunstgeschiedenis, augustus 1988. Voorts: Van Hulten, B., Schouten, Y. en Wessel, E., Jugendstil in Utrecht, Utrecht 1992. 19 Nieuwe kunst rond 1900 – De Nederlandse toegepaste kunst en architectuur van 1885-1910, Catalogus Haags Gemeentemuseum / 24 december ’60-24 februari ’61. Gans, L., Nieuwe Kunst – De Nederlandse bijdrage tot de Art Nouveau – Dekoratieve kunst, kunstnijverheid en architektuur omstreeks 1900, Utrecht 1966. Cremona, I., De wereld van de jugendstil, Amsterdam 1969. 20 Otzen, J., ‘De moderne kunst in de architectuur en haar invloed op de school’ in: Bouwkundig Weekblad, jaargang 20, nr. 39 (1900), 323-325. 21 Anoniem, ‘De veranderingen in de bouwkunst’ in: De Opmerker – Bouwkundig Weekblad, jaargang 38, nr. 11 (1903), 85. 22 Anoniem, ‘Nieuwe kunst’ in: De Opmerker – Bouwkundig Weekblad, jaargang 36, nr. 31 (1901), 243. 23 H.W. (Mol), ‘Iets over hedendaagsche architectuur’ in: Architectura - orgaan v.h. genootschap Architectura et Amicitia, jaargang 8, nr. 44 (1900), 355-356. 24 Anoniem, ‘De bouwkunst der negentiende eeuw’ in: De Opmerker – Bouwkundig Weekblad, jaargang 36, nr. 6 (1901), 41. 25 Anoniem, ‘Meditaties over ornament’ in: De Opmerker – Bouwkundig Weekblad, jaargang 36, nr. 27 (1901). 26 Anoniem, ‘Nieuwe Kunst’ in: De Opmerker – Bouwkundig Weekblad, jaargang 36, nr. 31 (1901), 242-243. 쮿


V O O R

U

gelezen

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

ATLAS DE WIT 1698 Stedenatlas van de Lage landen rukker, graveur en uitgever Frederick de Wit (1630-1706) zou naar hedendaagse maatstaven een plagiator zijn geweest van de ergste soort. Hij kopieerde en jatte uit andermans nalatenschap zonder zelfs maar een poging te doen dat te verbergen en hij nam zelfs de fouten en gebreken van zijn bronnen over. Het is alsof je werk in handen hebt van René Diekstra. De Wits drukkerij was gevestigd in het hart van Amsterdam, dat in de 17de eeuw het Mekka van de cartografie en de drukkunst was. Telgen van de families Blaeu en Janssonius vertegenwoordigden het hoogtepunt van deze periode, maar tegen het eind van die eeuw was de grootste bloei voorbij. Juist op dat moment bereikte De Wit echter zijn top door de uitgave van de atlas ’Perfecte aftekeningen der steden van de XVII Nederlandsche provincien in platte gronden’, met hierin zo’n 150 kaarten. Die kaarten ontleende hij in belangrijke mate aan de boedels van de drukkerijen van Blaeu en Janssonius, die hij in respectievelijk 1674 en 1694 op veilingen had gekocht; de oude koperen drukplaten waren voor hem goud waard.

D

Net als het werk van aanzienlijk eerdere cartografen en uitgevers als J. van Deventer, J. Hoefnagel of G. Braun & F. Hogenberg, waarvan soms het ‘primitievere’ werk al eerder was heren hergebruikt. Hier onder meer voor wereldstad Antwerpen, met een kaart van ±1598. Soms nam De Wit ze soms ongewijzigd over, vulde de platen meestal aan, verbeterde ze af en toe of verrijkte ze met tafereeltjes, maar het vermelden van zijn echte bronnen gebeurde slechts sporadisch. Iets wat de Blaeus en de Janssoniussen eerder overigens ook maar zelden deden. Plagiëren of ‘roofdrukken’ maakte over en weer deel uit van het concurreren op een ook toen lucratieve markt.

kunt urenlang ‘...je van de ene in de andere verbazing vallen....

AUTEURS

M. van Delft, P. van der Krogt UITGAVE

Lannoo, KB en Racine RECENSENT

Frits Niemeijer DETAILS

Gebonden, 320 pagina’s, ISBN 978-94-0140-189-0 PRIJS

€ 119,-

Het overnemen van drukplaten en het kopiëren van andermans kaarten bracht mee dat de weergegeven situatie lang niet altijd die van het eind van de 17de eeuw was. Sterker: de meeste plattegronden zijn van tientallen jaren, of zelfs van meer dan een eeuw eerder. Maar wat doet dat er nu nog toe: wil je fotografische werkelijkheid, dan heb je Google Earth en tijdreizen is luchtfietserij of op zijn minst verre toekomstmuziek. Een getrouwe weergave van de toenmalige werkelijkheid is in geen enkele kaart vervat; juist het ontraadselen van de realiteit en van de tegenstrijdigheden in de kaarten is de sport. Zoals die van het op kaart (en prent!) voorkomen van een nooit bestaan hebbend gebouw (de Nieuw Gefondeerde Kerck te Leiden, aan de Herengracht). En hier tegenover het ontbreken van de nota bene tijdens het opnemen en graveren van die kaart tot stand gekomen nieuwe Vierschaar (1672). Bijzondere bebou-

29


V O O R

U

gelezen

wing, waaronder kerken, overheidsgebouwen en poorten, is meestal ‘in vogelvluchtperspectief’ opgenomen, wat de kaarten erg verlevendigt. Het verder ietwat schematische karakter van vele kaarten laat zich onder meer aflezen uit de soms sjabloonmatige weergave van huizen en vegetatie. Een zeldzame uitzondering hierop zijn echter de realistisch gedetailleerde bomen bij de grote kerk van Zierikzee. Steeds is er wel iets wat afwijkt van de grootste gemene deler en waardoor je op het verkeerde been staat. De nu verschenen heruitgave van De Wits uiterst zeldzaam (geworden) Stedenatlas van de Lage landen bevat bijna 160 stadsplattegronden, stadsgezichten en gravures van het huidige Nederland en België en van enkele nu Franse en

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

afgedwaald. Zijn fantasie verleidde hem tot het weergeven van een hengst en een merrie die hun natuurlijke drift volgen. Opmerkelijk is dat in de meeste steden maar weinig personen zijn afgebeeld en dat de straten en open ruimten dus vrijwel verlaten zijn. Ook hier zijn echter frappante uitzonderingen. Zo gonst het van de bedrijvigheid op meerdere van de weergegeven scheepswerven - onder meer die van Hoorn - en in enkele gevallen ook op straat. Met name de stad Antwerpen is vol van figuurtjes, waaronder een peloton soldaten - mogelijk als een verwijzing naar de inneming van de stad door de Spanjaarden, in 1585. De sporen van oorlogsdreiging spelen sowieso een belangrijke rol in de atlas, want behalve verdedigingswerken, met wallen, bastions en citadellen, zijn ook talloze kanonnen en soms krijgshandelingen weergegeven, zoals bij Stevensweert. Veel kaarten dateerden immers oorspronkelijk uit de Tachtigjarige Oorlog, maar ook tussen 1648 en 1698 waren er meerdere korte oorlogen in en rond de Nederlanden. Terwijl er vaak sporen van krijgshandelingen zijn, is er ook hier weer een keerzijde: een aantal kleine, belangrijke vestingsteden - met namen als Coevorden, Boertange en Plassendale (Vlaanderen) zijn niet in detail uitgewerkt. Evenmin als veruit de meeste bastions en andere versterkingen trouwens, waarbij geplande verdedigingswerken soms de bestaande inrichting van het terrein doen vervagen, zoals in Brussel en in Medemblik. Alle kaarten worden aan het eind van het boek besproken, waarbij de oorspronkelijke kaartmakers en hun eventuele voorgangers en uiteraard ook de rol die Frederick de Wit speelde, worden vermeld. Het enige minpuntje van de atlas is de ‘bilnaad’ die het binden met zich meebracht: in het midden lopen de twee kaarthelften naar elkaar toe. Een andere oplossing zou het boek veel duurder hebben gemaakt. Gelukkig bestaat er echter een digitale variant die dit euvel verhelpt.

Duitse steden. Het gaat om een van de vier bekende exemplaren van deze atlas, die in 2010 door de Koninklijke Bibliotheek is verworven uit particuliere collectie en die nu in een fraaie facsimile-uitgave – en dus op ware grootte - voor iedereen bereikbaar is. Dit betekent dat zowel honderden (semi)professionals, als hobbyisten zich nu aan dit werk kunnen vergapen en er hun voordeel mee kunnen doen. En het moet hierbij gezegd: bladeren en in detail bekijken van de plattegronden is enerzijds verslavend en vermoeiend, maar aan de andere kant vermakelijk en verrassend. Om maar met de laatste punten te beginnen: buiten de steden zijn vaak ‘bladvulsels’ te vinden die veelal bestaan uit grazend vee of soms uit tafereeltjes van activiteiten op het water. Zo zijn talloze malen fraaie, statige vaartuigen van velerlei type afgebeeld, maar op de kaart van Culemborg is te zien dat de gedachten van de graveur mogelijk waren

30

Nadat de eerste druk in korte tijd was uitverkocht, is er intussen een nieuwe kans om de 17de eeuw te laten spreken. En vergeet dan niet ook het agrarisch bedrijf en ook de tuinen binnen en buiten de steden te bekijken, want het zijn juist die delen van deze plattegronden die mettertijd voor het grootste deel zijn ‘uitgewist’. Zoals gezegd, er valt heel veel te zien en er is volop te interpreteren op deze kaarten; je kunt urenlang van de ene verbazing in de andere vallen. Atlas De Wit is een aanrader voor ieder die geïnteresseerd is in historische cartografie. Wie een prachtig relatiegeschenk wil aanbieden, kan dit boekwerk ook in gedachten houden, maar men moet zich realiseren dat het niet op de koffietafel zal gaan prijken want met 37 x 54 x 4 cm heeft het zelf wel wat weg van een tafel, zeker in geopende toestand. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

recent V E R S C H E N E N

Biografie van de baksteen 1850-2000 AUTEUR

Ronald Stenvert UITGAVE

WBooks DETAILS

Paperback, 336 pagina’s, rijk geïllustreerd (ca. 200 kleurenfoto’s), ISBN 978-90-4000-756-9 PRIJS

€ 34,95

Historisch metselwerk 1850-2000 AUTEUR

Michiel van Hunen (red.) UITGAVE

WBooks DETAILS

Paperback, 352 pagina’s, rijk geïllustreerd (ca. 350 kleurenfoto’s), ISBN 978-90-4000-757-6 PRIJS

€ 34,95 aksteen is een van de meest beeldbepalende bouwmaterialen van Nederland. Schattingen spreken van 107 miljard bakstenen die door de Nederlandse baksteenindustrie sinds het midden van de negentiende eeuw zijn geproduceerd. Muren en gevels van baksteen zijn zo alledaags geworden, dat ze ons meestal nauwelijks meer opvallen. Twee nieuwe boeken van uitgeverij WBOOKS brengen daar verandering in. Biografie

B

Atlas Amstelland Biografie van een landschap AUTEURS

Jaap Evert Abrahamse/Menne Kosian / Erik Schmitz (red.) UITGAVE

THOTH DETAILS

Gebonden, 144 pagina’s, rijk geïllustreerd (ca. 150 kleurillustraties), ISBN 978-90-6868-606-7 PRIJS

€ 34,50 tlas Amstelland – Biografie van een landschap presenteert de geschiedenis van Amstelland in een reeks nieuw getekende kaarten, gebaseerd op de resultaten van recent onderzoek. Daarop is te zien hoe dit landschap zich ont-

A

van de baksteen 1850-2000 en Historisch metselwerk. Instandhouding, herstel en conservering verschijnen in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De boeken leren ons nieuwe dingen over een bouwmateriaal dat we allang dachten te kennen. Biografie van de baksteen 1850-2000 vertelt de geschiedenis van de Nederlandse baksteen. Het gaat over bakprocessen; soorten, maten en constructies; toepassingen en innovaties. Baksteen mag oer-Hollands heten, ze werd overwegend in Friesland, Groningen, Utrecht, Limburg en vooral Gelderland geproduceerd. Beter bakken en effectiever vormen waren de grootste veranderingen bij de industrialisatie van de baksteenproductie na 1850. Er kwamen steeds meer varianten op de markt, van rode, gele en zwart gesmoorde tot geglazuurde profielstenen en lichtgele en witte baksteen. Na de Tweede Wereldoorlog lag de nadruk op rationalisatie en verschenen nieuwe producten op de markt. Nog altijd vormt baksteen het stenen gewaad van de meeste gebouwen. In Historisch metselwerk. Instandhouding, herstel en conservering gaat het juist om het behoud van metselwerk. Metselwerk is het bijeenhouden van baksteen met mortel. Het metselwerk is als een open boek. Aanpassingen en reparaties zijn goed mogelijk, maar een verkeerde behandeling, materiaalkeuze of techniek kan tot dramatische achteruitgang van een gevel leiden. Instandhouding van historisch metselwerk is van belang voor iedereen in de monumentenzorg, de architectuur, de metsel- en voegbranche en de wetenschappelijke advisering. In het boek gaat het over de cultuurhistorische en technische aspecten van herstel en conservering van historisch metselwerk. Beide boeken zijn geschreven voor de professional en de liefhebber van baksteen en metselwerk. 쮿

wikkelde van veenwildernis tot geliefd groengebied aan de rand van Amsterdam. Het veenmoeras aan de rand van de bewoonde wereld werd ontgonnen vanaf de elfde eeuw. Een deel van de Amstel werd gegraven om water uit het veen af te voeren. In de dertiende eeuw kwam een nieuwe macht op: Amsterdam. Het stadje bij de dam in de Amstel groeide in de Gouden Eeuw uit tot een van de grootste metropolen van Europa. De nabijheid van de stad veroorzaakte grote veranderingen in Amstelland. Veel land veranderde door turfwinning in water en werd vervolgens drooggemaakt. Het laagliggende veen kon onder water worden gezet ter verdediging van Amsterdam. In de loop der eeuwen raakten stad en land steeds meer met elkaar vergroeid. De laatste zestig jaar zijn grote delen van Amstelland volgebouwd. Deze rijk geïllustreerde atlas laat zien dat het landelijk gebied niet te begrijpen is zonder kennis van de stad, en andersom. 쮿

31


recent

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

V E RS C H E N E N

Symboliek van de dagen van de week AUTEUR

Patricia Brouwer UITGAVE

AnkhHermes DETAILS

Paperback, 144 pagina’s, geillustreerd, ISBN 978-90 2020-832-0

Waarom zetten we een kerstboom neer, eten we paaseieren, gooien we een munt in een fontein, steken we vuurwerk af, vieren we Moederdag, verkleden we ons met carnaval en kloppen we af op hout? Wat is de vaak 'heidense' achtergrond van veel van onze moderne rituelen rond Kerstmis, Pasen, carnaval, Halloween en bij bruiloften en begrafenissen. Ze zijn allemaal niet zo christelijk als je denkt. De goden die de dagen van de week benoemen laten hier nog steeds hun invloed gelden. 쮿

W

PRIJS

€ 12,95

Het wonder van Delfts blauw / Delftware WonderWare AUTEURS

Marion S. van Aken-Fehmers, Titus M. Eliëns, Suzanne Lambooy UITGAVE

de Kunst/Waanders DETAILS

Gebonden, 128 pagina’s, ca. 100 kleurenfoto’s, Ned/Eng, ISBN 978-94-9119-634-8 PRIJS

€ 17,95

Amsterdam onbewolkt Stad in beweging AUTEUR

Lambiek Berends (fotografie: Peter Elenbaas) UITGAVE

Bas Lubberhuizen DETAILS

Hardcover, 144 pagina’s, full colour, ISBN 978-90 5937-331-0 PRIJS

€ 32,50

32

l meer dan 400 jaar is Delfts blauw hét nationale product van Nederland. Het wonder van Delfts blauw laat zien waar Delfts aardewerk vandaan komt, dat naast blauw ook gekleurd Delfts ontstond en hoe hedendaagse kunstenaars zich er door laten inspireren. Prachtige foto’s brengen de unieke collectie Delfts aardewerk van het Gemeentemuseum Den Haag op een verrassende wijze in beeld.

A

Was het eerste blauwwitte Delfts het resultaat van de import aan het begin van de zeventiende eeuw van Chinees blauwwit exportporselein in Nederland, het Delfts aardewerk van anno nu laat zien hoe eigentijdse vormgevers zich laten inspireren door de eeuwenoude geschiedenis van het Delfts. Zo wordt de geschiedenis van ons nationale product in een notendop in beeld gebracht en vormt dit boek de ideale inleiding voor allen geïnteresseerd in Delfts blauw. 쮿

an de wonderlijk golvende Zeedijk en de monumentale Westertoren, naar het kopergroene Nemo in het Oosterdok of de Waterbuurt van IJburg: Amsterdam kent vele markante plekken met indrukwekkende gebouwen, straten en pleinen.

V

Voor Amsterdam onbewolkt. Stad in beweging koos fotograaf Peter Elenbaas zijn mooiste luchtfoto’s, de meeste uit de zomer van 2012. Journalist Lambiek Berends schreef bij deze foto’s een korte geschiedenis van de stad. Fotograaf Peter Elenbaas fotografeert de stad al sinds de jaren tachtig vanuit de lucht. Sindsdien is er ongelooflijk veel veranderd in de stad en van bovenaf is dat goed te zien. Industriële gebieden zoals de Oostelijke Eilanden en de IJ-oevers zijn levendige woonwijken geworden, in het stadshart onderging de Nieuwmarkt een metamorfose door de aanleg van de metro. In deze mooi gebonden uitgave van Amsterdam onbewolkt worden recente foto’s samengebracht met foto’s uit het rijke onbewolkt-archief. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

recent V E R S C H E N E N

Geschiedenis van Nederland Van de Opstand tot heden AUTEUR

Friso Wielenga UITGAVE

Boom DETAILS

Paperback, 429 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-94-6105-473-9 PRIJS

€ 24,90

oewel de Nederlandse geschiedenis zich in een toenemende belangstelling mag verheugen, is het aantal historische overzichtswerken gering. Friso Wielenga’s Ge-

H

Tijdreis in je eigen tuin AUTEURS

Bram Wolthoorn, Roger Klaassen UITGAVE

schiedenis van Nederland is een compact maar allerminst beknopt handboek over de vaderlandse geschiedenis van de zestiende eeuw tot de dag van vandaag. Om de grillige Nederlandse geschiedenis te beschrijven is de blik nodig van iemand die er van buitenaf tegenaan kijkt. In de negentiende eeuw was het de Amerikaan Motley die de Opstand en de opkomst van de Nederlandse republiek in kaart bracht, en recenter kwam de Britse Jonathan Israel met de geschiedenis van Nederland. Friso Wielenga is weliswaar een Nederlander, maar als hoogleraar in het Duitse Münster heeft ook hij de afstand gecreëerd die voor zo’n project misschien niet tot elke prijs noodzakelijk is, maar wel een voordeel blijkt te zijn. Mede dankzij zijn onafhankelijke blik is zijn Geschiedenis van Nederland een boek geworden waarin, zonder dat het grote overzicht erdoor wordt geschaad, details scherp worden belicht. 쮿

neer kwamen de eerste mensen? En wat deden ze? Tijdreis in je eigen tuin gaat over de geschiedenis van de aarde en de evolutie van de allereerste levensvormen tot het rijke planten- en dierenrijk van nu. En ook over de mens in de natuur. Hoe de mens door zijn ontdekkingsreizen de natuur beïnvloedde en door planten en dieren te veredelen de natuur soms naar zijn hand zette en hierdoor soms zelfs bedreigt.

KNNV DETAILS

Gebonden, 120 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-90-5011-442-4 PRIJS

€ 18,95

O

oit bevolkten dinosaurussen de aarde. Hoe zag de aarde er toen uit? Waarom verdwenen de dino’s? Wan-

In weelde baden De badkamer in het Nederlandse interieur AUTEUR

Natasja Hogen UITGAVE

Stokerkade DETAILS

Gebonden, 208 pagina’s, rijkelijk geïllustreerd, ISBN 978-90-7915-621-4 PRIJS

€ 24,50

Tuinen zijn van alle tijden. De Romeinen kweekten bloemen voor in hun villa’s en in de middeleeuwen waren bij kloosters tuinen te vinden. In dit boek vind je tuinen om zelf aan te leggen, tuinontwerpen die samenhangen met de ontdekkingsreizen, de Zijderoutetuin, de Columbustuin en de middeleeuwse tuin. Het boek beantwoordt veel vragen en bevat leuke doedrachten om zelf aan de slag te gaan. Bijvoorbeeld: Tuinaanleg? Zo doe je dat! Een ideaal natuurdoeboek, ook geschikt voor kinderen voor een spreekbeurt of een werkstuk. 쮿

e badkamer is een tot nu toe in de vakliteratuur onderbelicht onderdeel van het Nederlandse interieur. Onterecht, zoals Natasja Hogen laat zien in dit boek. Ze beschrijft tientallen prachtige badkamers uit de periode van 1800 tot nu. Veel badkamers zijn speciaal voor dit boek opnieuw gefotografeerd door fotograaf Bert Muller Bij de ontwerpers zien we bekende namen als Pierre Cuypers, Berlage en Rietveld naast jongere designers als Richard Hutten en Jurgen Bey. Maar haar overzicht bevat niet alleen luxe badkamers, ook het naoorlogse lavet komt aan bod. Daarnaast laat Natasja Hogen zien hoe het veranderde denken over hygiëne en de opkomst van de sanitairindustrie ervoor zorgden dat de badkamer van een zeldzaamheid een vanzelfsprekendheid werd. 쮿

D

33


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

recent V E R S C H E N E N Nationale gids Historische Buitenplaatsen AUTEURS

René W.Chr. Dessing, Jan Holwerda UITGAVE

St. Uitgeverij Noord-Holland DETAILS

Gebonden, 364 pagina’s, full-colour, ISBN 978-90-7838-157-0 PRIJS

€ 19,50

Natuuratlas Zaanstad AUTEURS

Ron van ’t Veer, Tom Kistjes, Nynke Sminia UITGAVE

St. Uitgeverij Noord-Holland DETAIL

Gebonden, 320 pagina’s, full colour, ISBN 978-90 7838-161-7 PRIJS

€ 39,95

n de Natuuratlas Zaanstad is op een samenhangende wijze een groot aantal gegevens over de natuur in Zaanstad bijeen gebracht. Hierdoor is er voor het eerst een compleet overzicht ontstaan van de natuur in de polder, het water

I

Beroep huisvrouw Geschiedenis van het Amersfoortse huishoudonderwijs AUTEUR

Ruud Meijer UITGAVE

Verloren DETAIL

Gebonden, 256 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-8704-333-9 PRIJS

€ 27,-

34

ot 2012 waren historische buitenplaatsen vrijwel onbekend in ons land. Dit komt ook omdat er weinig algemene literatuur over dit bijzondere culturele erfgoed bestaat. Wel is er altijd veel gepubliceerd over individuele buitenplaatsen maar een volledig overzicht ontbrak. Met de uitgave van de Nationale gids Historische Buitenplaatsen wordt een belangrijke leemte opgevuld. In deze publicatie worden alle van rijkswege erkende historische buitenplaatsen in beknopte vorm per provincie beschreven. Met de uitgave van deze Nationale gids Historische Buitenplaatsen komt dit mooie groenhistorische en monumentale erfgoed meer en beter in het bereik van een breed publiek. 쮿

T

en het stedelijk gebied. Door middel van kaarten, tabellen en foto's wordt informatie gegeven over de bijna 5000 dier- en plantensoorten die in de omgeving van Zaanstad zijn aangetroffen. Deze atlas vormt een uniek naslagwerk over de Zaanse natuur voor natuurliefhebbers, beheerders, beleidsmakers en scholieren. Uniek, omdat wij in Nederland geen andere gemeente kennen, waar de aanwezige natuur zo compleet is geïnventariseerd. Uniek ook, omdat één en ander is vervat in een fraai geïllustreerd boekwerk, toegankelijk voor een breed publiek. De atlas is tot stand gekomen met medewerking van alle betrokken terreinbeheerders en dankzij de inzet van talloze vrijwilligers. De gebruikte foto’s zijn grotendeels afkomstig van plaatselijke fotografen. De verzamelde gegevens en de daaraan ontleende kaarten zijn digitaal beschikbaar voor de gemeente Zaanstad en worden benut voor toekomstig milieubeleid en groenbeheer. 쮿

e huishoudschool is een begrip in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs. Jarenlang hebben meisjes en jonge vrouwen er een opleiding gevolgd. In de volksmond werden deze scholen al gauw de 'spinazieacademie' genoemd. In werkelijkheid boden zij een veelzijdige studie huishoudkunde waaraan hoge eisen werden gesteld. Het huishouden werd beschouwd als een vak en de functie van huisvrouw als een beroep. Daarom besteedden de huishoudscholen veel aandacht aan de nieuwste inzichten op het gebied van hygiëne, voeding, koken en kleding. In Amersfoort opende de eerste huishoudschool in 1905 haar deuren. Later kwamen er nog twee bij. Beroep huisvrouw vertelt de geschiedenis van deze scholen, tegen de achtergrond van de veranderingen in het denken over de positie van de vrouw en de ontwikkelingen op sociaal-economisch en technologisch gebied vanaf het eind van de negentiende eeuw. 쮿

D


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

recent V E R S C H E N E N Atlas Kralingen 2,5 km2 geschiedenis AUTEUR

Arie van der Krogt UITGAVE

THOTH DETAILS

Gebonden, 112 pagina’s, 115 kleurenillustraties, ISBN 978-90-6868-609-8 PRIJS

€ 26,50 einig stukjes op aarde zijn zo vaak veranderd als het Hollands landschap. In dit boek wordt ingezoomd op een paar vierkante kilometer daarvan, een gebied net buiten de Oostpoort van Rotterdam. Daar ligt Kralingen, achtereenvolgens ambachtsheerlijkheid, commune, gemeente, wijk en

W

Mooi Europa AUTEUR

Jaap Dirkmaat UITGAVE

Vereniging Nederlands Cultuurlandschap DETAILS

Hardcover, 149 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur,ISBN 978-90-8179-273-8 PRIJS

€ 22,50

et boek ‘Mooi Europa’ neemt u mee langs enkele van de mooiste Europese cultuurlandschappen. Prachtige heggenlandschappen in de Franse Charolais en het Engelse Devon, kenmerkende terrassenlandschappen in Duitsland en

H

Het Grote Kunstboek UITGAVE

WBooks DETAILS

Gebonden, 592 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-4000-768-2 PRIJS

€ 49,95 renzen worden doorbroken door zonder onderscheid kunstwerken van alle tijdens, scholen, visies en technieken door elkaar te presenteren. Alleen in dit boek kan Van

G

deelgemeente. Zo’n twaalfhonderd jaar geleden was er alleen nog moerasland, totdat de monniken er dijken aanlegden en het land ontgonnen. Maar door de turfwinning vormde zich een merengebied dat pas aan het eind van de negentiende eeuw kon worden ingepolderd. Niet veel later begon Rotterdam uit te dijen en verstedelijkte het arcadische Kralingen. Maar nog was het niet gedaan, want het bombardement van 1940 verwoestte een kwart van de wijk. Wederopbouw en stads-vernieuwing volgden. In Atlas Kralingen wordt dit proces van verandering gevolgd aan de hand van een reeks historische kaarten. Daardoor wordt zichtbaar wat er bij komt en wat verdwijnt. Zo komen in dit gebied de grote lijnen uit de geschiedenis samen, maar Kralingen maakt ook geschiedenis. Want het is een gebied van ontginners, entrepreneurs en ondernemers. Elk hoofdstuk besluit met een lied of gedicht. Van een ballade uit de veertiende eeuw van de troubadour Willem van Hildegaersbergh tot een loflied van de auteur van dit boek, de Rotterdamse tekstdichter en liedjeszanger Arie van der Krogt. 쮿

Frankrijk en bijzondere slotenlandschappen in Nederland. Aan bod komen de ontstaansgeschiedenis en de zeer rijke flora en fauna die deze landschappen herbergen. Maar ook de bedreiging: de intensieve landbouw verdreef veel plant- en diersoorten uit onze agrarische landschappen. Het fijnmazig dooraderde cultuurlandschap waarin tal van soorten zich vrijelijk konden bewegen, is veelal teruggedrongen tot de uithoeken van Europa of bewaard gebleven in Nationale Parken of Landschappen. De laatste natuurgebieden raken daardoor ‘op slot’. Erfgoedwaardige cultuurlandschappen verdienen onze zorg en bescherming. Niet alleen vanwege hun onschatbare erfgoedwaarde, maar bovenal omdat zij inspiratiebron kunnen zijn voor een grootscheepse aankleding van de huidige Europese landbouwprairies. Laten we hopen dat Europa zijn rol serieus neemt en naast zorg voor natuur (Natura 2000) ook handen en voeten gaat geven aan de bescherming van ons pan-Europees landschappelijk erfgoed. 쮿

der Goes worden vergeleken met Van Gogh, Duccio worden teruggevonden naast Duchamp, Mondriaan bekeken samen met Monet, of kan Warhol tegenover Waterhouse worden geplaatst. Elke kunstenaar heeft een eigen pagina met een kunstwerk en informatie. Technische termen en stijlen en stromingen worden achterin het boek toegelicht. Ook is een lijst opgenomen met adressen van musea en galeries waar de werken kunnen worden bezichtigd. Door traditionele kunsthistorische classificaties terzijde te schuiven, biedt Het Grote Kunst Boek een frisse en originele benadering van de beeldende kunst: een uniek visueel bronnenboek waarin de hoogtepunten van onze cultuur een plaats hebben gevonden. 쮿

35


VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

recent V E R S C H E N E N Historische atlas van de Biesbosch: Zes eeuwen Biesbosch in 78 kaarten AUTEUR

Wim van Wijk

an de hand van 78 kaarten vertelt dit boek de geschiedenis van de Biesbosch. De eerste kaart is een reconstructie van hoe het landschap eruit kan hebben gezien voordat de Sint-Elisabethsvloed toesloeg. En de laatste laat zien hoe de Biesbosch er uitziet als in 2015 het grootse werk aan de Noordwaard is afgerond.

A

UITGAVE

WBooks DETAILS

Gebonden, 208 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-4000-764-4 PRIJS

€ 29,95

Geschiedenis van de Zaanstreek (set van twee delen) AUTEURS

Eelco Beukers, Corrie van Sijl (eindred.) UITGAVE

WBooks DETAIL

Gebonden, 800 pagina’s, ca. 600 illustraties, ISBN 978-90-4000-788-0 PRIJS

€ 69,50

36

Sommige kaarten zijn niet eerder gepubliceerd en zijn speciaal uit de archieven gelicht. Elke kaart is aanleiding voor een verhaal: waarom is de kaart gemaakt? Welk verhaal vertelt de kaart of welke anekdote is er naar aanleiding van de kaart te vertellen? Bij het boek hoort een website waar alle kaarten in hoge resolutie te zien zijn. 쮿

innen Nederland heeft de Zaanstreek altijd een bijzondere plaats ingenomen. Met zijn enorme scheepswerven en honderden molens was het in de Gouden Eeuw hét industriegebied van Holland. En ook in de twintigste eeuw was het een nijverheidsregio van belang, met gezichtsbepalende bedrijven als Verkade, Albert Heijn, Duyvis en Forbo.

B

Maar de Zaanstreek is meer dan molens en fabriekswanden. Wie aan de Zaanstreek denkt, denkt ook aan groene houten huisjes, sobere, doopsgezinde ondernemers, doorgewinterde socialisten en eindeloos gekibbel over Zaanse samenwerking. 'Typisch Zaans' allemaal. Of misschien ook niet? Hoe uniek is de Zaanstreek werkelijk? Dat is de kernvraag waar 24 auteurs van de Geschiedenis van de Zaanstreek zich over hebben gebogen. Vanuit hun eigen deskundigheid houden zij in helder geschreven essays het Zaanse verleden kritisch tegen het licht, van prehistorie tot heden. Lang niet alle bestaande beelden houden stand. Maar dat de Zaanstreek een uitzonderlijke regio is, dat staat na lezing van dit boek buiten kijf. 쮿


N17 Artikels_Opmaak 1 27-02-13 20:12 Pagina 37

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

recent V E R S C H E N E N Het Ir. D.F. Woudagemaal Een levend werelderfgoed op stoom AUTEURS

Boonstra e.a. UITGAVE

Matrijs DETAILS

Genaaid gebonden, 208 pagina’s, stofomslag, ISBN 978 90-5345-459-6 PRIJS

€ 29,95 an de rand van het IJsselmeer, bij het Friese Lemmer, is een van Nederlands meest bijzondere waterwerken te vinden. Het Ir. D.F. Woudagemaal, in gebruik genomen in 1920, is het grootste nog werkende stoomgemaal

A

Van heide tot lusthof Landgoederen in het Renkums beekdal

ter wereld. Dit bijzondere gebouw is in 1998 bekroond met een werelderfgoedstatus van UNESCO. In 2011 werd het bezoekerscentrum geopend, een ware publiekstrekker. Het boek Het Ir. D.F. Woudagemaal. Een levend werelderfgoed op stoom geeft een overzicht van de geschiedenis van het gemaal, waarbij veel aspecten van het Friese waterbeheer en de geschiedenis ervan ruim aan bod komen. Verschillende auteurs hebben zich gebogen over de waterstaatsgeschiedenis, de bouw van het Woudagemaal en de techniek er achter. Het Ir. D.F. Woudagemaal: een levend werelderfgoed op stoom biedt een weloverwogen balans tussen een breed historisch kader en het toepassen ervan op dit sterke staaltje Friese waterbouwkunde. Met zijn sobere maar verfijnde architectuur en de kenmerkende schoorsteen is het Woudagemaal een opvallend element in het landschap. Door dit boek, dat voorzien is van vele illustraties, krijgt het Woudagemaal de aandacht en het aanzien dat een gebouw van deze allure zeker verdient. 쮿

Nijhoff, extra lang standhield tegen een Duitse overmacht om de Wageningers voldoende tijd te geven de stad te evacueren. Ook de sporen van een burenvete, een lustmoord en de sage van Grunsfoort passeren de revue.

AUTEUR

Patrick Jansen UITGAVE

Matrijs (i.s.m. St. Probos) DETAILS

Genaaid gebonden, 336 pagina’s, geïllustreerd, ISBN 978-90-5345-460-2 PRIJS

€ 39,95

Van heide tot lusthof. Landgoederen in het Renkums beekdal is het resultaat van vier jaar intensief onderzoek door boshistoricus Patrick Jansen. Het schetst een kleurrijk beeld van wat er zich in het verleden allemaal op de landgoederen heeft afgespeeld, en legt uit waarom het bos er zo uitziet als het nu doet. Aan het boek is een topografische kaart met de locaties van de tientallen beschreven elementen bijgevoegd. Hiermee kunt u zelf een wandeling uitzetten naar de elementen die u graag wilt bezoeken. 쮿

e landgoederen in het Renkums beekdal hebben een bijzonder rijke historie. Van heide tot lusthof. Landgoederen in het Renkums beekdal neemt de lezer mee op een fictieve wandeling over de landgoederen Oranje Nassau’s Oord, De Keijenberg en Oostereng. Het biedt een bijzondere blik op de geschiedenis van deze landgoederen en brengt recent opgeknapte historische elementen onder de aandacht. Het geeft een inkijkje in bijzondere monumenten, zoals de gedichtsteen op landgoed De Keijenberg. Maar ook alledaagse elementen die in het bos verscholen liggen worden besproken, zoals de kadstenen en de vogeldrinkbakken op Oranje Nassau’s Oord, waar een fascinerend verhaal van wetenschappelijk onderzoek achter zit. En wat te denken van de enorme vuilstort die onder een fijnsparbos verborgen is. Ook worden schokkende, verassende, ontroerende, grappige en mysterieuze gebeurtenissen uit het verleden beschreven. Het beekdal is tijdens de Tweede Wereldoorlog onder andere de plaats geweest waar het vijfde eskadron huzaren, onder commando van kapitein Martinus

D

37


N17 Artikels_Opmaak 1 27-02-13 20:13 Pagina 38

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

VITRUVIUS

NUMMER 23

APRIL 2013

recent V E R S C H E N E N Kaarten van Amsterdam (deel 1 en 2) AUTEUR

Marc Hameleers UITGAVE

THOTH DETAILS

Gebonden, 426 pagina’s (1) en 384 pagina’s (2), rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-6868-620-3 PRIJS

verspreiding van besmettelijke ziekten, bevolkingsdichtheid, religie, handel en nijverheid. Op 14 februari opende in het Amsterdams Stadsarchief de tentoonstelling Booming Amsterdam. De groei van Amsterdam in de Gouden Eeuw. Tegelijkertijd verscheen de uitgebreide, rijk geïllustreerde publicatie Kaarten van Amsterdam in twee delen. Kaarten van Amsterdam is in dit voorjaar van 2013, het jaar waarin Amsterdam 400 jaar grachten viert, een uitgave waarmee elke Amsterdammer en iedere in Amsterdam geïnteresseerde lezer zijn kennis over de stad zal kunnen aanvullen.

€ 69,50 (per deel) uteur Marc Hameleers, verbonden aan het Stadsarchief, schreef het (nieuwe) eerste deel van Kaarten van Amsterdam met de overzichtskaarten van Amsterdam die in de jaren 1538-1865 vervaardigd werden. Deel 2 verscheen al eerder in 2002 en is nu grondig herzien en aangevuld. Hiermee is de complete herziening van de beroemde Catalogus van Amsterdamsche Plattegronden, in 1934 samengesteld door Antoine Everard d’Ailly, voltooid.

A

Door de veelheid van informatie wordt een beeld gecreëerd van wat mensen raakte en bezig hield in vroeger eeuwen. De beide delen zullen in de komende tientallen jaren een van de belangrijkste bronnen vormen voor de bestudering van de geschiedenis van Amsterdam, in het bijzonder voor het historisch-topografisch onderzoek. 쮿

De twee delen samen geven een fraai topografisch overzicht van de geschiedenis van de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam door de eeuwen heen. De topografische kaarten geven een gedetailleerd beeld van het aanzien van wijken en buurten en van de ligging en vorm van straten en pleinen. Daarnaast zijn er ruim honderd thematische kaarten opgenomen die een schat aan informatie bevatten over alle mogelijke onderwerpen zoals demografie, openbaar vervoer, toeristische attracties,

De Prins Alexanderpolder en Rotterdam AUTEURS

Onno de Wit, Willy Hilverda, Wim Heistek, Dik Vuik UITGAVE

WBooks DETAILS

Gebonden, 192 pagina’s, ca. 150 illustraties, ISBN 978-90-4000-760-6 PRIJS

€ 19,95

38

aterstaatsingenieur Jan Anne Beijerinck maakte in de negentiende eeuw naam met de droogmaking van de Haarlemmermeer, de Zuidplaspolder en de Prins Alexanderpolder. Hij was de grootste droogmaker van Nederland. In dit boek wordt op levendige wijze de geschiedenis van dit noordoostelijke deel van Rotterdam beschreven. Hoe het veenmoeras dat hier was ontstaan na de laatste ijstijd werd ontgonnen en ingepolderd, en hoe het gebied vervolgens op desastreuze schaal werd afgegraven ten behoeve van de turfwinning. Hoe landbouwgebied veranderde in woonwijken, waar de beroemde stedenbouwkundige Lotte Stam-Beese een nog steeds herkenbaar stempel op drukte. Al met al is op weinig plaatsen de dynamiek van het Hollandse polderlandschap beter zichtbaar dan hier. 쮿

W


Op de foto: “Sinds de 14e eeuw werd Slot Well, markering langs de Maas, bewoond door de familie van Malsen. Het heeft vele oorlogen doorstaan. Tijdens de Franse oorlog is zelfs de linkerkant van het kasteel afgebroken. In de 19 eeuw werd dit gedeelte weer aangebouwd door toenmalig eigenaar Baron Slingerland. Daarom zie je nu een middeleeuwse toren met een neo-middeleeuws zijgedeelte.” “In 2001 heb ik het kasteel gekocht en grondig gerestaureerd. Het is een bijzonder bezit, zodra je de poort doorrijdt, word je betoverd. De entree is prachtig, maar toch knus. Precies dát is de kracht van Slot Well. Dikke muren, kantelen, grachten, een ophaalbrug, en toch een behaaglijke woonomgeving, met koetshuis. Ook heel bijzonder is het dubbele grachtenstelsel, onderhand zeldzaam in ons land.” “Op de foto zit ik in de salon, het mooiste gedeelte van het huis. Compleet met een prachtige schouw en een interieur dat past bij de stijl van het monument. Zelfs het behang is eeuwenoud en monumentaal.”

D Dhr. E. Schermerhorn, eigenaar en ondernemer

onatus verzekert vertrouwd

Monumenten worden met veel zorg omgeven door eigenaren en beheerders. Dat is belangrijk en nodig. Net als het kiezen van de juiste verzekering. Al sinds 1852 heeft Donatus ervaring in het verzekeren van monumentale kerken en gebouwen. Als onderlinge maatschappij werken wij zonder winstoogmerk. Wij hebben dan ook geen klanten, maar leden. Maak vrijblijvend kennis met Donatus. Onze expertise zal u verbazen en verrassen, evenals onze jaarlijkse premierestitutie.

sinds 1852 sinds 1852

nu verkrijgbaar nu verkrijgbaar

bijzonder bijzonder kijk- en kijkleesboek en leesboek bestellen: bestellen: www.160jaardonatus.nl www.160jaardonatus.nl

www.donatus.nl tel. 073 - 5221700


Stadsherstel Midden-Nederland Stadsherstel zet zich in om het monumentale vastgoed in het hart van Nederland te behouden. Momenteel is zij verantwoordelijk voor het behoud en beheer van zo’n 250 monumenten in Amersfoort en Utrecht. Restauraties en herbestemmingen worden met zorg Ên oog voor cultureel erfgoed gerealiseerd. Op deze manier houdt Stadsherstel Midden-Nederland de binnensteden van Amersfoort en Utrecht levendig en blijft het cultureel erfgoed ook voor volgende generaties behouden.

www.shmn.nl Stadswandelingen Actualiteiten Huren Historie panden Lopende projecten

Stadsherstel Midden-Nederland Muurhuizen 104 3811 EL AMERSFOORT 033- -460 46050 5020 20 T : 033 info@shmn.nl E : info@shmn.nl www.shmn.nl W : www.shmn.nl @StadsherstelMN

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius april 2013  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius april 2013  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur