Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE l CULTUURLANDSCHAP l MONUMENTEN l IMMATERIEEL ERFGOED l VOLKSCULTUUR

JAARGANG 6

I NUMMER 22 I JA N U A R I 2 013

DE ERFGOEDACADEMIE EN DE ROL VAN DE ERFGOEDPROFESSIONAL

LANDSCHAPPEN JUBILEREN

EEN FLUITSCHIP M E T EEN BIJZONDERE NAAM

IN SITU BEHOUD VA N A R C H E O LO G I E


Netwerken: Adverteren in Vitruvius:

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE l CULTUURLANDSCHAP l MONUMENTEN l IMMATERIEEL ERFGOED l VOLKSCULTUUR

JAARGANG 7

LANDSCHAPPEN JUBILEREN

EEN FLUITSCHIP M E T EEN BIJZONDERE NAAM

Informeer naar onze nieuwe advertentietarieven en speciale actie-aanbiedingen Kom voordeliger dan ooit onder ogen van 4500 erfgoedspecialisten met een advertentie of special in Vitruvius. Neem hiervoor contact op met Uitgeverij Educom BV: 010-425 6544 of mail naar info@uitgeverijeducom.nl.

Uitgeverij Educom BV Drukwerk Investeringen Marketing Internet

I NUMMER 22 I JA N U A R I 2 012

DE ERFGOEDACADEMIE EN DE ROL VAN DE ERFGOEDPROFESSIONAL

IN SITU BEHOUD

VA N A R C H E O LO G I E


JAARGANG 6 NUMMER 22 JANUARI 2013

KORT

6/38

IN SITU BEHOUD VAN ARCHEOLOGIE

19

NAAR EEN BETER KEUZEMODEL EEN FLUITSCHIP MET EEN BIJZONDERE NAAM

8

11

D E V R E D E VA N NIJMEGEN

NIEUWS UIT HET WERKVELD

DE ERFG OEDACADEMIE EN DE ROL VAN DE ERFG OEDPROFESSIONAL

24

31 VOOR U GELEZEN & RECENT VERSCHENEN

3


colofon ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS ARCHEOLOGIE l CULTUURLANDSCHAP l MONUMENTEN l IMMATERIEEL ERFGOED l VOLKSCULTUUR

JAARGANG 7

I NUMMER 22 I JA N U A R I 2 012

DE ERFGOEDACADEMIE EN DE ROL VAN DE ERFGOEDPROFESSIONAL

LANDSCHAPPEN JUBILEREN

EEN FLUITSCHIP M E T EEN BIJZONDERE NAAM

IN SITU BEHOUD

VA N A R C H E O LO G I E

VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

Vitruvius komt tot stand m.m.v. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

SUB-SPONSOR

EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

Postbus 842 3800 AV Amersfoort Tel. 033-460 5020 info@shmn.nl www.shmn.nl Joint venture van de Alliantie en Mitros

MEDE-ONDERSTEUNERS

COLOFON

Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke redactie en redactieraad.

Lange Voorhout 14, 2514 ED Den Haag Tel. 070-306 6800 Fax 070-306 6870 www.hobeon.nl

Ruurloseweg 83 7251 LC Vorden Tel. 0575-519 455 Fax 0575-519 550 www.frisowoudstra.nl

UITGEVER/ BLADMANAGER Robert Diederiks REDACTIE Dr. J.E. Abrahamse S.A. Muller Drs. H.G. Baas Drs. E. Raap mw. Drs. P.J. Braaksma mw. Drs. F.M.E. Snieder R.P.H. Diederiks REDACTIERAAD Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Wageningen Universiteit Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE mw. Dr. B. (Bernadette) van Hellenberg Hubar Res nova Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft mw. Drs. F.M.E. (Francien) Snieder Afdeling Archeologie gemeente Amersfoort Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

4

ABONNEMENTEN

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN

4 nrs/jaar: Nederland € 45.- /België € 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn.

Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl.

© Copyright Uitgeverij Educom BV JANUARI 2013 ISSN 1874-5008. Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.


VITRUVIUS

NUMMER 22

van de redactie

JANUARI 2013

EEN NIEUWE CULTUURMINISTER, EEN NIEUW GELUID(?)

? zegt ‘pijnlijke maatregelen nemen’ of ‘Nederland sterker uit de crisis laten komen’. Die pijnlijke maatregelen betreffen vooral bezuinigingen in de zorg, knabbelen aan de hypotheekrente aftrek, fusies van kleinere gemeenten en bijvoorbeeld het nog meer snijden in de rijksoverheid (lees minder ambtenaren).

a de bijzondere verkiezingsuitslag en de supersnelle vorming van een nieuw kabinet, met slechts twee partijen, kunnen we met blijdschap stellen dat er weer een Minister van Cultuur is benoemd: Jet Bussemaker. Het is natuurlijk nog even afwachten hoe lang dit ‘uitruilkabinet’ blijft zitten, maar ook de minimale verwijzingen naar cultureel erfgoed in het regeerakkoord beloven veel goeds voor de toekomst.

N

Cultureel erfgoed lijkt wederom aardig buiten schot te blijven en met een Minister die Cultuur in haar portefeuille heeft, ziet de erfgoedtoekomst er redelijk zonnig uit! –– De uitgever

Dat klinkt vreemd want dat zou kunnen betekenen dat dit onderwerp niet belangrijk zou zijn. Dit nieuwe kabinet moet zoals het zelf vaak

Vitruvius: met kop en schouders... ONAF

AR CH EO

HANK

LO GIE

ELIJ

l CU LT UU

K VA KB

RL AN

DS CH AP

LAD

VOOR

l MO NU ME

JAAR

NT EN

DE ER FG O E D ACA D E EN DE MIE ROL VA N DE E R FG O EDPRO F E SS I O NAL

LA ND

GANG

7

ERFG

OEDP

l IM MA TE RIE

I NUMM

ROFE

EL ER FG OE

ER 22

SSIO

D l VO LK SC

I JANUA

NALS ULTU UR

RI 20 12

S

Abonneer u op het beste Erfgoed-vakblad dat u zonder stroom kunt lezen. Bel of mail Uitgeverij Educom: 010-425 6544, info@uitgeverijeducom.nl. 5


or t kSymposium Het Landschap Ben Je Zelf VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

et jaarlijkse symposium Het Landschap Ben Je Zelf van Landschapsbeheer Nederland vond dit jaar plaats op Kasteel Vanenburg te Putten. De locatie was gekozen vanwege het themajaar van de Historische Buitenplaats. Het vormde een sfeervol decor voor een geslaagde ochtend. Rond 200 deelnemers kwamen bijeen om te luisteren naar de diverse inleidingen die in het thema van cultuurhistorie stonden. Directeur Arno Willems begon met de hartenkreet om het landschap nu te bewaren voor de toekomst. Prof. Renes schetste de betekenis van buitenplaatsen en landgoederen in het Nederlandse landschap. Die is aanzienlijk. Zijn stelling luidde dat de landgoederen als ‘slow landscapes’ moeten zien tegenover de snelle maatschappelijke veranderingen die we nu meemaken.

H

Tegen deze achtergrond schetste gedeputeerde Kramer uit Fryslân het beeld van de waarden van het Friese landschap en de bijzondere plek van weidevogels daarin. Namens Landschapsbeheer Gelderland hield André Kaper hield een duopresentatie met landgoedeigenaar Gijs van Heemstra over vrwijilligersgroepen op landgoederen. SLG heeft samen met van Heemstra op landgoed Verwolde aangetoond dat samenwerking tussen eigenaren, landschapsbeheer en vrijwilligers tot prima resultaten kan leiden. Gedeputeerde Jaap Bond van Noord-Holland

n de jaren ’30 werden in ons land op instigatie van onder meer Natuurmonumenten de provinciale landschappen opgericht, die eigendommen aankochten en beheerden. Ze bestaan in dit decennium allemaal 75 of 80 jaar. Landschap Overijssel jubileert ter ere van het 80-jarige bestaan en daarom vindt tussen september 2012 en maart 2013 een reizende jubileumtentoonstelling plaats in de provincie. In drie verschillende steden – Zwolle, Deventer en Enschede – worden de 34 landschappen van Overijssel op grote canvasdoeken van 1x1.5 meter getoond. De foto’s zijn van de hand van Michiel Pothoff, die enkele jaren terug ook de Canon van het Nederlandse Landschap samenstelde met Dirk Sijmons. Bij de tentoonstelling verscheen een boek . Ook Brabants Landschap bestaat 80 jaar. Dit

tenslotte pleitte voor aandacht voor het landschap als een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Landschap draagt bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en verdient daarom altijd aandacht van iedereen. Na een levendige discussie onder leiding van de dagvoorzitter, werd de bijeenkomst afgesloten met de uitreiking van de Juichwilg, die gewonnen werd door de gemeente Oldambt. De Juichwilg wordt jaarlijks uitgereikt aan een gemeente die zich op bijzondere wijze heeft ingezet voor het landschap. Dit jaar was het thema cultuurhistorie en buitenplaatsen. De nominatie van de gemeenten is gedaan

door de twaalf provinciale organisatie Landschapsbeheer. Landschapsbeheer Groningen nomineerde Oldambt. Naast een beeld ontving de gemeente een geldprijs ter waarde van € 5.000. Tenslotte maakte de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gebruik van de mogelijkheid om het eerste exemplaar van de nieuwe brochure ‘Een toekomst voor groen’ uit te reiken aan Theo Beckers, voorzitter van Landschapsbeheer Nederland. Het Landschap Ben Je Zelf werd mede mogelijk gemaakt door de Nationale Postcode Loterij. 쮿

I

6

Jubilea provinciale landschappen is luister bijgezet met een jubileumboek over de Brabantse landgoederen. In de rubriek

‘Voor u gelezen’ staan we bij deze boeken uitgebreider stil. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

rfgoedhuis Zuid-Holland presenteerde recentelijk de nieuwe publicatie: ‘Dan doen we het zelf. Cultuurhistorisch initiatief in Zuid-Holland’. De meer dan 30 hoofdstukken in dit rijk geïllustreerde boek zijn geschreven door even zoveel erfgoedvrijwilligers uit de hele provincie Zuid-Holland.

E

Erfgoedhuis Zuid-Holland presenteert nieuw boek ‘Dan doen we het zelf’

Vrijwilligers van alle tijden Er was een tijd dat overheden zich niet of nauwelijks bemoeiden met onze geschiedenis en alles wat daarmee verband houdt. De zorg voor de archieven was minimaal, om monumenten bekommerde men zich weinig en historische collecties werden als privé-liefhebberij beschouwd. Toch was het ‘vroeger’ geen culturele woestenij. Want vanaf de negentiende eeuw stonden er overal gedreven vrijwilligers op die zich inzetten voor het culturele erfgoed. Door monumenten voor sloop te behoeden, of door objecten te verzamelen. Vaak tegen de stroom in, maar altijd gedreven. Hun inspanningen leidden tot het behoud van gezichtsbepalende gebouwen, de stichting van een historisch museum of de oprichting van een

Een van de onderwerpen in de uitgave: de Duinhuisjes in Voorne.

historische vereniging. Soms zelfs tot een nieuw besef van de plaatselijke geschiedenis en identiteit.

‘Als niemand anders het doet, dan doe ik het zelf wel’. Gelukkig zijn deze mensen er nog steeds. Burgers nemen initiatief, omdat overheden terugtreden en subsidies schaarser worden.

Mede dankzij deze vrijwilligers leiden veel Zuidhollandse steden en dorpen tot de dag van vandaag in cultuurhistorisch opzicht een bloeiend bestaan. U komt ze allemaal tegen in dit boekje, mensen die doorgaans onbekend zijn gebleven buiten hun eigen gemeenschap, maar aan wie zo velen veel te danken hebben, omdat er ooit een moment was dat zij zeiden: ‘Als niemand anders het doet, dan doe ik het zelf wel’. 쮿

Publicatie praktijkgids ‘Bosgeschiedenis en erfgoed’ tichting Probos heeft onlangs de praktijkgids ‘Bosgeschiedenis en erfgoed; handreikingen voor (veld)onderzoek’ uitgebracht. Doel van deze gids is het voor terreinbeheerders en geïnteresseerden eenvoudiger te maken de geschiedenis van bosgebieden en het rijke erfgoed dat in veel bossen te vinden is, in kaart te brengen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan verantwoord bosbeheer. Nog steeds verdwijnen er onbewust historische elementen in bossen, omdat ze niet bekend zijn bij de beheerder. Kennis over het aanwezige erfgoed maakt het mogelijk het beheer er op af te stemmen.

S

In vrijwel alle bosgebieden zijn prachtige cultuurhistorische relicten te vinden die het behouden waard zijn. Ze vertellen de ge-

schiedenis en het gebruik van het landschap. Ook de geschreven geschiedenis van bosgebieden spreekt vaak tot de verbeelding van zowel bosbeheerders als recreanten. Niet voor niets is er de laatste jaren steeds meer aandacht gekomen voor cultuurhistorie in het bosbeheer. Om van verantwoord bosbeheer te kunnen spreken, is het van belang dat terreinbeheerders weten wat de ecologische, productieve, cultuurhistorische, toeristischrecreatieve en landschappelijke waarden van hun gebied zijn. Alleen wanneer dit bekend is, kunnen waarden worden toegekend en bewust en onderbouwd keuzes worden gemaakt. Voor cultuurhistorie betekent dit dat het erfgoed en de bosgeschiedenis in beeld moet worden gebracht. De praktijkgids is bedoeld om terreinbe-

heerders hierbij te ondersteunen. Een groot aantal methoden en hulpmiddelen wordt beschreven die behulpzaam zijn bij bureaustudie en veldwerk. De gids is voornamelijk gebaseerd op kennis en ervaring die Probos heeft opgedaan in concrete voorbeeldprojecten waarin de boshistorie en het erfgoed van een aantal bosgebieden in kaart is gebracht. Steeds meer terreinbeheerders maken gebruik van leden van natuurwerkgroepen, lokale historische verenigingen en andere vrijwilligers om de historie van hun bosgebied en het aanwezige erfgoed in kaart te brengen. De gids is daarom ook uitermate geschikt om deze groep te helpen in hun vrijwilligerswerk. Ook de overige gidsen over dit thema, waaronder ‘Boswallen’ en ‘Historische boselementen’, zijn nog verkrijgbaar. Meer informatie www.probos.nl/publicaties. 쮿

7


nieuws

UIT HET WERKVELD

VITRUVIUS

NUMMER 22

Luchtfoto van het projectgebied. De contour van het nieuwe landgoed is in rood aangeduid.

JANUARI 2013

Schetsontwerp voor het landhuis van Herkulosche Esch.

Herkulosche Esch totstandkoming van een nieuw landgoed Plattegrond uit 1844, waarop ter plaatse van het nieuw aan te leggen wandelbos, ook al een bos zichtbaar is. Historische cartografie speelt een belangrijke rol bij het ontwerpproces van een nieuw landgoed.

T

en zuiden van de bebouwde kom van Zwolle ligt, langs de weg naar Deventer, een open agrarisch landschap. Tussen de bebouwing en dit open gebied bevindt zich een klein bosje, het Bikkenrader bos. In de negentiende eeuw bevond zich hier de gelijknamige buitenplaats. Meteen ten zuiden van dit Bikkenrader bos, op het land dat hun ouders jarenlang hebben bewerkt, willen de families Middag en Corée een nieuw landgoed met een oppervlakte van ruim tien hectare oprichten. De initiatiefnemers wensen dat de opzet en verschijningsvorm aansluit op de landgoederentraditie van Salland. Om die reden zijn Friso Woudstra Architecten bna en Res nova aangetrokken, waarbij Friso Woudstra tekent voor de ontwerpen van de diverse gebouwen op het terrein en Res nova zorg draagt voor het cultuurhistorisch onderzoek, het landschapsontwerp en de regie over het proces.

Een goede samenwerking met de gemeente De realisatie van een nieuw landgoed kan een jarenlang proces zijn. Om dit te voorkomen, is bij de totstandkoming van de Herkulosche Esch, zoals het nieuwe landgoed wordt genoemd, gedurende het gehele planvormingsproces nauw contact onderhouden met de gemeente Zwolle. In overleg met de gemeente is besloten om, als voorbereiding voor het besluitvormingsproces, een Plan van Aanpak op te stellen waarin alle relevante aspecten die nodig zijn om verantwoorde beslissingen te nemen en juiste keuzes te maken (zowel voor de gemeente als voor de initiatiefnemers) aan bod komen. Dit Plan van Aanpak kent een aantal fasen, zoals het opstellen van een startnotitie, een visiedocument en een schetsontwerp. Aan het eind van elke fase hebben de planmakers en de gemeente ter evaluatie om de tafel gezeten. Naast de gemeente hebben de initiatiefnemers ook de provincie bij het project betrokken zodat men al in een vroeg stadium weet wat voor de provincie de belangrijke aandachtspunten zijn. Door de samenwerking met gemeente en provincie is het mogelijk gebleken om, waar nodig, gedurende de uitwerking van de plannen aan-

FR I S O W O U D S T R A R U B R I E K 8

passingen door te voeren of de juiste aanvullende informatie aan te leveren.

Startnotitie met haalbaarheidsonderzoek Bij de planvorming voor de Herkulosche Esch heeft Res nova zorg gedragen voor alle benodigde onderzoeken en voorbereidingen. De opgestelde rapportages betroffen: – inventarisatie van de wensen van de initiatiefnemers; – beleidsonderzoek op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau; – historisch onderzoek met een cartografische analyse van het projectgebied; – landschappelijk en geomorfologisch onderzoek; – archeologisch bureauonderzoek; – ecologische onderbouwing met effectindicatie; – toetsing van de Flora- en faunawet. Op basis van deze onderzoeken is een Startnotitie opgesteld. Deze Startnotitie heeft niet alleen een inventariserend en samenvattend karakter, maar brengt ook de planologische knelpunten in kaart. De aandachtspunten die uit de onderzoeken naar voren kwamen, zijn in een haalbaarheidsonderzoek op een rij gezet, waardoor

info@frisowoudstra.nl Telefoon 0575 - 519 455 www.frisowoudstra.nl


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

nieuws

UIT HET WERKVELD

Schetsontwerp voor de oranjerie, waarin het golfclubhuis en kleinschalige horeca wordt ondergebracht.

initiatiefnemers en overheid een heldere strategie konden bepalen en een optimaal resultaat kon worden bereikt.

Visiedocument en schetsontwerpen De volgende stap in de planvorming was het opstellen van een Visiedocument. In deze rapportage worden de resultaten van de in de Startnotitie verwerkte onderzoeken, in combinatie met het wensenpakket van de initiatiefnemers en de voorwaarden van de gemeente, vertaald in een gedetailleerde onderbouwing voor het op te stellen ontwerp. Daar waar het beleids-, het archeologisch en het ecologisch onderzoek, en de toetsing van de Flora en faunawet aangaven wat mogelijk was, is het historisch, landschappelijk en geomorfologisch onderzoek ingezet om te bepalen hoe het nieuwe landgoed wordt vormgegeven. Dit historisch onderzoek bestaat uit twee onderdelen: een ‘Verhaal van de Plek’ en een ‘Gezicht van de Plek’. In het eerste rapport wordt ruim aandacht besteed aan de geschiedenis van de specifieke locatie (cultuurhistorisch, landschappelijk en geomorfologisch onderzoek). In het tweede deelrapport wordt de opzet en verschijningsvorm van de streekeigen landgoederen beschreven (typologisch onderzoek). In het Visiedocument is, op basis van de in de diverse onderzoeken en het wensenpakket verwoorde uitgangspunten, uitgewerkt hoe dit kan worden vertaald in een ontwerp. Het document omschrijft een aantal thema’s die worden ingezet in het plan. Enkele voorbeelden van deze thema’s zijn: – historische infrastructuur van het project gebied; – hoofdopzet van een Sallands landgoed; – aanwezige historisch bos; – aanwezige vegetatietypen en de potentieel

info@res-nova.nl Telefoon 0475-552 330 www.res-nova.nl

Het door gemeente en provincie geaccordeerde schetsontwerp van het landgoed Herkulosche Esch. Dit ontwerp kan nu verder worden uitgewerkt.

natuurlijk vegetatietypen; – passende vormgeving van hoofdhuis en bijgebouwen. In het Visiedocument is aangegeven waarom voor bepaalde oplossingen is gekozen en waarop deze keuze is gebaseerd. Aan de hand van voorbeelden en door middel van veel beeldmateriaal wordt deze onderbouwing handen en voeten gegeven. Uit het Visiedocument vloeien de schetsontwerpen voort voor zowel landschappelijke inrichting als bebouwing, respectievelijk uitgewerkt door Res nova en Friso Woudstra Architecten bna.

De landschappelijke inrichting De locatie van de Herkulosche Esch heeft haar wortels in twee historische landgoederen, te weten de middeleeuwse havezate Zuthem en de negentiende-eeuwse buitenplaats Bikkenrade. Hoewel van beide landgoederen nauwelijks nog fysieke sporen aanwezig zijn, geeft historisch bronnenonderzoek voldoende aanknooppunten om in te zetten bij de realisatie van het nieuwe landgoed. Uit cartografisch onderzoek kwam bovendien aan het licht hoe het projectgebied in het verleden werd gebruikt en hoe het terrein werd ontsloten. De meest opvallende resultaten van dit cartografische onderzoek zijn de aanwe-

R E S N OVA R U B R I E K 9


nieuws

UIT HET WERKVELD

VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

Havezate Den Berg. Dit nabijgelegen landhuis vormde in de achttiende eeuw al een belangrijke inspiratiebron en is ook bij het landhuis van de Herkulosche Esch als inspiratie gebruikt.

zigheid van een perceel bos dat hier tot circa 1900 heeft gelegen en twee wegen die het terrein in de achttiende eeuw in oostwestelijke richting doorsneden. Naast de bevindingen uit dit Verhaal van de Plek, vormt het typologisch onderzoek naar de opzet van historische landgoederen het tweede fundament voor het hier te ontwikkelen landgoed. Ondanks de vele verschillen die deze landgoederen onderscheiden, is er een aantal karakteristieke, telkens terugkerende aspecten te herkennen. De organische groei is bij vrijwel alle landgoederen duidelijk herkenbaar. Dit vertaalt zich in een rechtlijnige en geometrische aanleg in de directe nabijheid van het huis, kenmerkend voor de zeventiende en achttiende eeuw met daarbuiten een landschappelijke aanleg die zo karakteristiek is voor het grootste deel van de negentiende eeuw. Grote waterpartijen, de plaatsing van het hoofdhuis ín het water, grote open weilanden, omzoomd met houtwallen en ‘wandelingen’, berceaus, ommuurde of omhaagde classicistische tuincompartimenten zijn slechts enkele karakteristieke elementen die vaak bij de landgoederen in de omgeving van de Herkulosche Esch worden aangetroffen. Al deze elementen hebben een plaats gekregen in het nieuwe ontwerp. Een belangrijk aspect in de parkaanleg van de Herkulosche Esch was de invlechting van een kleinschalige golftuin. Deze faciliteit is van belang om een bijdrage te kunnen leveren aan het onderhoud van het landgoed. Doordat eerst het landschappelijke ontwerp is opgesteld en de holes nadien binnen dit ontwerp een plaats hebben gekregen, vormt de golftuin een complementair aspect in de landschapstuin van het landgoed.

Architectuur: het classicistische landhuis De schetsontwerpen voor de gebouwen op het nieuwe landgoed Herkulosche Esch zijn opgesteld door Friso Woudstra Architecten. Bij de invulling van de diverse volumes op het nieuwe landgoed is op, verzoek van de families Middag en Corée, inspiratie gezocht met het classicistische laat-zeventiende- en achttiende-

FR I S O W O U D S T R A 10

eeuwse landgoed. Voor het landhuis is het nabijgelegen Den Berg een belangrijke bron van inspiratie geweest. Dit gebouw kenmerkt zich door haar symmetrische opbouw met uitkragend middenrisaliet, geplaatst onder een schilddak. Een van de meest opvallende aspecten, het halfrond timpaan boven de entreepartij wordt ook bij de Herkulosche Esch toegepast. Vóór het huis zal een bouwhuis worden opgericht. Dergelijke volumes zijn karakteristiek voor de landhuizen uit de omgeving en zijn vrij uniform in verschijningsvorm: een eenlaags volume onder schilddak dat wat betreft uitvoering refereert aan het hoofdhuis. Door de bescheiden omvang wordt de grandeur van het hoofdvolume benadrukt. Verder zal op het terrein nog een aantal opstallen worden gebouwd. Doordat deze als een cluster bij elkaar zijn gelegen, is sprake van een opzet die passend is in de regionale traditie. Een tweede onderkomen wordt opgezet als tuinmanswoning die in verschijningsvorm is geïnspireerd op de Zwitserse chaletstijl en Engelse cottagestijl: een type gebouw dat veelvuldig in landschappelijke tuinen verschijnt. Voor het golfclubhuis met kleinschalige horecafaciliteit wordt een oranjerie opgetrokken. Deze zal in architectuur sterk lijken op het bouwhuis, maar zal middels serres en warandes een meer open karakter krijgen. Dit wordt nog versterkt door de karakteristieke, tot bijna aan het maaiveld doorgetrokken vensterpartijen.

Tot slot Doordat Res nova, Friso Woudstra Architecten en de gemeente gedurende het gehele voortraject goed contact hebben onderhouden en er steeds overleg werd gepleegd in zowel teamverband (verschillende disciplines en afdelingen) en bilateraal waar nodig, is het planvormingsproces spoedig en succesvol verlopen. Aan het eind van het traject ligt een schetsontwerp waarover zowel de families Middag en Corée als de overheid enthousiast zijn. Het landgoed sluit op een natuurlijke en verantwoorde manier aan bij haar omgeving, past in een lange traditie van Sallandse landgoederen en zal voor zowel de eigenaren als voor dagrecreanten, wandelaars en fietsers van Rondje Zwolle een prachtige plek zijn om te verpozen. Nu het voortraject is afgerond kan de uitwerking van de plannen plaatsvinden. Omdat in het voortraject al met alle aspecten die van belang zijn voor de totstandkoming van een landgoed rekening is gehouden, worden er weinig obstakels verwacht in de realisatie van de plannen van de initiatiefnemers. Ook in dit vervolgstadium speelt de communicatie tussen planvormers en de gemeente een belangrijke rol, wat zal resulteren in een vertaling van de plannen naar een goede planologische regeling. De Herkulosche Esch is exemplarisch als project waarbij de goede samenwerking tussen de verschillende disciplines en instanties heeft geleid tot een succesvol en bijzonder resultaat. Met de ontwikkeling van het nieuwe landgoed Herkulosche Esch is de gemeente Zwolle een fraai landgoed rijker. 쮿

R E S N OVA


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

De erfgoedacademie en de rol van de erfgoedprofessional D

e wereld van de erfgoedzorg is volop in beweging. Niet alleen is er vakinhoudelijk veel veranderd maar ook de positie van erfgoed in de ruimtelijke inrichtingsprocessen is sterk veranderd. Dit onder invloed van nieuw beleid van de afgelopen jaren jaar zoals Belvedere, de Modernisering van de Monumentenzorg, de Visie Erfgoed en Ruimte en Malta. Deze veranderingen plaatsen de erfgoedprofessional voor nieuwe vraagstukken. Naast kennis over het erfgoed moet hij/zij ook grenzen en kaders kunnen stellen en randvoorwaarden creëren voor het behoud van het erfgoed. Daarnaast wordt ook van de erfgoedzorger gevraagd kennis met kracht van argument in te brengen in planprocessen, waarbij hij/zij strategisch moet opereren in het complexer wordende krachtenveld van de ruimtelijke ordening. De leergang Erfgoedfilosofie is een initiatief van de Erfgoedacademie en sluit uitstekend aan op hiervoor genoemde veranderingen. De leergang Erfgoedfilosofie, biedt herijking van de eigen visie, verdieping van de vakkennis, aanscherping

Bart van der Vossen Architect Directeur Rijnboutt

Mocht u interesse gewekt zijn voor de cursus erfgoedfilosofie neem dan contact op met de Erfgoedacademie, Monique Eerden 033-421 7655 of Ina Roeterdink 033-253 9865 of via www.erfgoedacademie.nl.

Is de architect de enige echte erfgoedprofessional?

n toenemende mate vinden er gebiedstransformaties in de stad plaats waar rijks- en gemeentemonumenten deel van uitmaken. Deze opgaven raken aan veel facetten van ons collectieve erfgoed ter plaatse. Bij transformatie en herbestemming speelt de

I

van overlegvaardigheden én reflectie op de (eigen) praktijk. Centraal staan hierbij de erfgoeddilemma’s, die elke dag weer kunnen opduiken in het werk van de erfgoedprofessional: wat is erfgoed en wie bepaalt dat? Wanneer is iets nog authentiek? Wat is mijn rol als erfgoedprofessional? En hoe kies ik in de historische gelaagdheid? Een mix van vakinhoudelijke kennis en training van vaardigheden, waarbij een filosofische benadering wordt gehanteerd. Met het schrijven en presenteren van een ‘meesterwerk’, sluiten de cursisten de leergang erfgoedfilosofie af. In de hiernavolgende essays geven Bart van der Vossen, Jolie Kalmijn, Lara Voerman en Monique van Drunen hun opinie op de veranderde rol van de erfgoedprofessional vanuit hun verschillende werkpraktijken.

architect een belangrijke rol en zal hij of zij zich rekenschap moeten geven van de verantwoordelijkheid ten opzichte van het erfgoed. Door de toenemende interesse van ontwikkelende en investerende commerciële partijen in dit soort projecten ontstaat meer druk op betrokken erfgoed professionals om zich

flexibeler op te stellen dan in het verleden. Vanzelfsprekende autoriteit, en dus rigide instandhouding, is niet meer aan de orde. Het lijkt zo te zijn dat architecten met cultuurhistorische waarden bij transformatie op een verantwoorde wijze omgaan, maar hoe doen zij dat? Kunnen architecten als onderdeel van

11


VITRUVIUS

NUMMER 22

DE ERFGOEDACADEMIE EN DE

JANUARI 2013

Vanuit het vertrouwen in het eigen vakmanschap nemen zij een open houding aan in ontwerpprocessen. Waarschijnlijk hebben de architecten geleerd van de op regionale schaal werkende landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen. In de afgelopen tien jaar zijn in multidisciplinaire teams veel interessante plannen ontwikkeld voor gebiedsontwikkelingen binnen en buiten de stad. Het plan zelf, en de ontwikkeling daarvan, werd in veel van de processen gebruikt als ‘communicatievorm op zich’ om met veel verschillende professionals en betrokkenen van gedachten te kunnen wisselen over ruimtelijke kwaliteit. Hierover is onder andere door landschapsarchitect Dirk Sijmons geschreven in ‘Een plan dat Werkt’ (2006). 1 – Werkbezoek The Bank Amsterdam.

FOTO KEES HUMMEL

een gezamenlijk planproces - door een creatieve signatuur - nog wel een unieke culturele bijdrage leveren? Wat is de kracht van het ontwerp in dit soort processen? Ontwerpers kunnen doorgaans een verrassende souplesse aan de dag leggen. Als je erfgoed vrij letterlijk ziet als iets dat je uit het verleden krijgt toebedeeld met de opdracht er iets mee te doen voor de volgende generaties ziet de gemiddelde ontwerper meteen vele ontwerpmogelijkheden aan zich voorbijtrekken. Verschillende zienswijzen en concepten wisselen elkaar dan ook razendsnel af tijdens workshops en werksessies. Bij deze - tegenwoordig vaak gekozen - werkwijze zit een ontwerper goed in zijn vel. Een wetenschappelijk geschoolde cultuur-, kunst-, bouw- of architectuurhistoricus/ca in de rol van erfgoedprofessional gaat het allemaal vaak veel te snel. Zij zien vooral willekeur en oppervlakkigheid: een drama! In deze situaties is de continuïteitswaarde die erfgoedprofessionals toekennen aan erfgoed in het geding. Het zijn hier de ontwerpers zelf die aan zet zijn door begrip op te brengen voor deze weerstand en ruimte te bieden aan het verhaal van de ander. Van oudsher is de bescherming van erfgoed, met name in gebouwde vorm, georganiseerd middels toetsing van plannen: Bureau Monumenten toetst, Welstand toetst en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed toetst. In plaats van expertise te delen komen partijen, vaak met vergelijkbare doelstellingen, toch min of meer tegenover elkaar te staan. Dat levert veel frustratie op, en niet altijd de beste plannen. In de publieke opinie leidt deze gang van zaken op dit moment tot een sterke

12

oproep tot vereenvoudiging van regels en minder of in het geheel geen welstandtoetsing. Tegelijkertijd zijn er al enige tijd geluiden die er voor pleiten de ‘kracht van het ontwerpen’ veel sterker in te zetten in opgaven ten aanzien van behoud en transformatie van cultureel erfgoed en de daarmee samenhangende ruimtelijke opgaven. Deze (doorgaans stedelijke) gebiedstransformaties worden al enige tijd in zekere mate integraal en met verschillende soorten transformatiedeskundigen uitgevoerd. De architect kan in dit proces een belangrijke rol vervullen als hij tegelijkertijd een groot vakmanschap inbrengt en een open houding in het proces inneemt. Dat laatste lijkt eenvoudig, maar is voor alle betrokken professionals de grootste opgave voor deze tijd, en voor de architect in het bijzonder. Vaak is er een sterke reflex bij betrokkenen architecten bij jong en oud - juist een autoriteitspositie in te nemen en een defensieve opstelling te kiezen. Voor veel architecten geldt dat deze houding welhaast aangeleerd lijkt te zijn. Of dat de bouwkunde faculteiten, met hun sterke focus op auteurschap te verwijten is voert te ver om hier uit te diepen, maar het zou zomaar kunnen. Wel is het zo dat, hoezeer men ook samen optrekt in kwaliteitsteams, supervisieteams of workshops, de onvermijdelijke toetsing aan het eind de verhoudingen vaak ‘op slot’ zet. Ondanks het feit dat in veel gevallen architecten gezien worden als allesbepalende en starre auteurs is er een groeiend aantal architecten dat op een heel andere manier werkt.

Een kenmerk van deze planprocessen is de open houding van de betrokken ontwerpers. Met een open houding bedoel ik ruimte laten voor zienswijzen en inzichten van belanghebbenden en professionals in het planproces. Daarvoor is het nodig dat de ontwerpactiviteit van tijd tot tijd in een ‘pauzestand’ gaat, en met de nieuwe informatie weer op gang komt. In een volgend moment in het planproces wordt verantwoording afgelegd voor de gemaakte stappen op basis van de verworven zienswijzen en inzichten. Dit betekent zeker niet dat iedereen zijn opmerkingen terug moet zien, de ontwerper maakt bij voorkeur zelfverzekerd keuzes, en verantwoordt deze aan alle betrokkenen. Ontwerpers leveren hier een unieke culturele bijdrage, maar als vanzelfsprekend onderdeel van een gezamenlijk proces. Ook ontwerpen voor binnenstedelijke gebiedstransformaties en herbestemmingen zijn gebaat bij een open houding in ontwerpprocessen. Het innemen een deze houding is tevens een uitgelezen kans voor architecten om zichzelf te onderscheiden en (weer) een sterke en gewaardeerde positie te verwerven. Een procesgang waarbij ontwerpers tijd en ruimte nemen zich te laten beïnvloedden door andere (erfgoed) professionals en een zorgvuldige procesgang in combinatie met gedegen eigen vakmanschap zal leiden tot geslaagde en robuuste toekomstige gebiedstransformaties en herbestemmingen. Is de architect daarmee de enige echte erfgoedprofessional? Natuurlijk niet. De architect is wél de enige erfgoedprofessional die als auteur openbaar aanspreekbaar blijft en verantwoordelijkheid neemt voor de onder zijn toezicht tot stand gekomen transformatie. 쮿


ROL VAN DE ERFG OEDPROFESSIONAL

VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

DE SHAKE-HANDS MONUMENTENZORGER Jolie Kalmijn Jolie Kalmijn Architectuurhistorie

n de introductie van de leergang Erfgoedfilosofie hield Paul Meurs (bureau SteenhuisMeurs, gericht op onderzoek ten behoeve van transformatieopgaven) een voordracht, waarin hij een aantal verschuivingen in de monumentenzorg signaleerde. Hij wees onder meer op een verschuiving van het opleggen van restricties naar het meegeven van randvoorwaarden. Bij deze tendens en de daarmee samenhangende veranderende rol van de monumentenzorger wil ik in dit artikel over gebouwd erfgoed stilstaan.

I

Op zoek naar de nieuwe plek van de erfgoedspecialist wat de erfgoedspecialist wil bereiken: behoud van het waardevolle culturele erfgoed. In praktijk komt daar wel wat bij kijken. De vraag is hoe je dan de waarde van een te herbestemmen monument kan behouden. Ten eerste is de vraag: Hoe stel je vast om welke cultuurhistorische waarden het gaat en in hoeverre het betreffende gebouw nieuwe interventies verdraagt? Vervolgens is de vraag: Waar kun je in het hele herbestemmingstraject je rol als erfgoedspecialist effectief spelen?

Veranderruimte benoemen Veranderend tijdsbeeld Het werkveld van de erfgoedspecialist is aan behoorlijk grote veranderingen onderhevig. Om te beginnen is er in de laatste jaren meer oog gekomen voor jong cultuurhistorisch erfgoed, met de eigen daarmee gepaard gaande aandachtspunten. Ook wordt de monumentenzorg meer gebiedsgericht in plaats van alleen objectgericht. En aan de immateriĂŤle kant, de verhalen, wordt meer waarde gehecht. En dan is er de enorme hoeveelheid leegstand, waaronder ook heel veel monumentale gebouwen. Daar komen er iedere week weer een paar van bij. We kennen allemaal de cijfers van elke dag een boerderij elke week twee kerken, elke maand een klooster. De herbestemmingsopgave van (al dan niet beschermde) monumenten is dus omvangrijk. En het proces van het herbestemmen is niet te vergelijken met die van het traditionele restauratietraject. Herbestemmen van gebouwen is niet nieuw. Gebouwen worden al sinds er gebouwd wordt na verloop van tijd ook wel geschikt gemaakt voor een nieuwe functie. Maar de schaal waarop het momenteel aan de hand is, vraagt wel om na te denken welke rol daarin voor de erfgoedspecialist is weggelegd. Of beter: welke rol de erfgoedspecialist zich zou moeten aanmeten om zijn doelen te bereiken. Op zich is het natuurlijk helder te benoemen

Om met de eerste vraag te beginnen: Hoe stel je vast om welke cultuurhistorische waarden het gaat, welke het meest essentieel zijn en in hoeverre het betreffende gebouw nieuwe interventies verdraagt? Bij herbestemmingsopgaven zijn meerdere partijen gelijktijdig betrokken. Iedere partij heeft eigen doelstellingen en om zoveel mogelijk aan de diverse belangen tegemoet te kunnen komen, zijn onderhandelingen nodig. FinanciĂŤle belangen versus ontwerpkeuzes, planologische voorwaarden, enz. en niet in de laatste plaats het belang van behoud van cultuurhistorische waarde. In het zoeken naar de optimale vorm van herbestemmen is het zaak om ook de uitgangspunten voor behoud meteen mee te laten wegen. Dat kan in de vorm van randvoorwaarden, omdat daarin de veranderruimte meteen besloten ligt.

interventies bestaat. In samenspraak kan je de bandbreedte opzoeken en tot grotere resultaten komen. Vaak bestaan er veronderstellingen dat allerhande ingrepen vanuit monumentenzorg niet mogelijk zouden zijn. Als over en weer randvoorwaarden helder zijn, is er vaak heel wat speelruimte te vinden. De ene keer gaat het bij bijvoorbeeld molenbehoud om het materiaal, in een ander geval ligt de essentie van de cultuurhistorische waarde in de maaltechniek. In het ene geval ligt bij behoud de nadruk op het authentieke materiaal, in een ander geval kan bijvoorbeeld het materiaal wel belangrijk zijn, maar als de essentie met name gevonden wordt in een bouwstijl, of bouwconstructie, of uitdrukking van een belangrijke periode uit de gebruiksgeschiedenis van het object, kan het ook zijn dat er ten gunste van de cultuurhistorische waarde die prevaleert, minder de nadruk op behoud van historisch materiaal zal liggen. Hier is geen uitgeschreven wiskundig model voor, net zo min als voor het maken van een geslaagd ontwerp. Het vergt kennis en inzicht van de cultuurhistorie in combinatie met de andere factoren die bij herbestemming spelen. In samenspraak met de verschillende betrokken partijen kan die weg ingeslagen worden waarop een evenwicht bestaat tussen behoud en ontwerp waarbij de cultuurhistorische waarden niet als last maar als meerwaarde uitkomen.

Rol van de erfgoedspecialist Randvoorwaarden zijn als middel beter toegesneden op een onderhandelingsproces dan een statisch rijtje van restricties. Het gaat namelijk niet alleen om wat er niet kan. Als je als erfgoedspecialist meedenkt in het herbestemmingsproces gaat het ook om het zoeken naar wat wel kan. De tendens is dat de erfgoedspecialist steeds vaker meedenkt over de omgang met een monument bij een herbestemming. Niet door restricties op te leggen, maar door randvoorwaarden op te stellen en door samen te onderzoeken waar ruimte voor

Daarmee is het antwoord op de tweede vraag eigenlijk al gegeven. De vraag: Waar kun je in het hele bestemmingstraject je rol als erfgoedspecialist effectief spelen? Naast het formuleren van randvoorwaarden ten aanzien van behoud van monumentale waarde is het daarom net zo belangrijk om als erfgoedspecialist in het herbestemmingsproces betrokken te zijn en te blijven. De keuzes met de meest verstrekkende gevolgen worden helemaal in het begin van planvorming gemaakt. Bij het zoeken naar een nieuwe bestemming

13


VITRUVIUS

NUMMER 22

DE ERFGOEDACADEMIE EN DE

JANUARI 2013

1-2 – Herbestemmingsopgaven zoals die van de voormalige instrumentenfabriek in Venlo (links) of een voormalig Philipsgebouw in Eindhoven (rechts) , betekenen een gezamenlijke zoektocht van architect en erfgoedspecialist.

voor een monument, is het zinvol als erfgoedspecialist al betrokkenheid te hebben. Dan kan wellicht gezocht worden naar bestemmingen die passen met ingrepen die geen zware wissel op de authenticiteit trekken. Wanneer je pas wordt aangehaakt op het moment dat de herbestemming al vaststaat, kun je alleen op details nog invloed hebben. In feite zijn ontwerpers in herbestemmingsprocessen richting erfgoedzorg opgeschoven. Een ontwerper begint niet meer per definitie met een tabula rasa. Bij herbestemmingen staat er al een gebouw voordat de architect aan zijn ontwerp begint. Tegelijk zijn de erfgoedspecialisten in hun werk aan het opschuiven van sec beschouwend naar meedenken in de ontwerpfase. De disciplines van architect en erfgoedspecialisten raken enigszins vervlochten.

Shake-hands monumentenzorger Zoals de shake-hands architectuur uit de wederopbouwtijd moderne materialen en constructiemethoden combineerde met traditionele baksteenarchitectuur en – vormentaal,

14

zo slaat de moderne erfgoedspecialist een brug tussen de architectuurgeschiedenis en de ontwerpende discipline. Een shake-hands monumentenzorger dus eigenlijk. De erfgoedspecialisten (de “shake-hands monumentenzorgers”) moeten bij voorkeur meedraaien in supervisieteams. En monumentencommissies kunnen zich ook meer toeleggen op langlopende, beleidsmatige aspecten, zoals bijvoorbeeld in Deventer waar naast de gecombineerde welstand– en monumentencommissie ook een adviesraad voor monumenten bestaat. Bij rijksmonumenten zou de adviesplicht bij ingrijpende wijzigingen misschien wel meer effect hebben als die niet verplicht moet worden ingewonnen op basis van uitgewerkte plannen, maar als juist het vooroverleg verplicht zou zijn. In vooroverleg is vanzelfsprekend meer te bereiken dan op de al helemaal uitgewerkte plannen. Idealiter trekken naar mijn mening architect en erfgoedspecialist van meet af aan met elkaar op. Het eindproduct zou dus wel eens een gezamenlijke verantwoordelijkheid kunnen zijn.

Daarmee neemt de erfgoedspecialist ook een actieve plek in en niet alleen als adviseur, die desgewenst en vrijblijvend een advies verstrekt. Maar is hij volwaardig betrokken in het traject en draagt dan ook verantwoordelijkheid voor de behoudsagenda en wat daarvan in het uiteindelijke resultaat nageleefd is. Die verantwoordelijkheid betekent ook dat de rol van de erfgoedspecialist niet in de sfeer van de vrijblijvendheid blijft steken.

Kortom: een gedeelde verantwoordelijkheid! Bij ontwerpopgaven die betrekking hebben op monumenten / gebouwen met cultuurhistorische waarde, is het vertrekpunt de essentie van de waarden van het object. Die zijn leidend voor het ontwerp. De rol van de architecten die van de monumentenzorger zijn dichter bij elkaar komen te liggen. Maar de architect blijft verantwoordelijk voor het ontwerp. Kan de monumentenzorger op de zelfde manier verantwoordelijk zijn voor de behoudsagenda? Hebben architect en erfgoedspecialist niet een gezamenlijke verantwoordelijkheid? 쮿


ROL VAN DE ERFG OEDPROFESSIONAL

VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

Lara Voerman SteenhuisMeurs

In het hart van de opgave n de allerlaatste nieuwsbrief van het projectbureau Belvedere (2010) stond een denkbeeldige advertentie voor de cultuurhistoricus van de toekomst. Zijn vaardigheden? Naast zijn rol als kennisleverancier heeft deze 'cultuurhistoricus 2.0' oog voor het proces, heeft hij de vaardigheden allianties aan te gaan met alle betrokken partijen, weet hij positie te kiezen en denkt hij mee in mogelijke uitwerkingsrichtingen. Daarnaast is hij in staat overtuigend en enthousiasmerend het 'verhaal' achter de historische informatie over te brengen, is hij voor de lange duur betrokken bij ontwikkelingen en bewaakt en vernieuwt hij steeds opnieuw de cultuurhistorische inbreng. Tenslotte: 'U beschikt over enkele jaren relevante werkervaring in complexe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen'.

houding aan tafel. Architecten herbezinnen zich op hun rol. In 2007 organiseerde het Nederlands Architectuur instituut het symposium Architecture 2.0, waar een aantal vooraanstaande architecten hun visie op de architectuur van de toekomst gaven. Architect Willem Jan Neutelings constateerde een gebrek aan vertrouwen in het eigen vakgebied en het ontbreken van een gemeenschappelijke taal om over architectuur te spreken. De basis van zijn vak, kennis, kunde en verbeeldingskracht, brokkelde volgens Neutelings langzaam af. Hij brak een lans voor een architectuur 1.0, architectuur zoals in de architectuurtraktaten van Vitruvius, ‘gewoon’ het maken van gebouwen die op de grond staan en waar mensen in wonen en werken. Temidden van deze ontwikkelingen moet ook de cultuurhistoricus zijn plaats en rol vinden.

Het zoeken naar een nieuwe positie van de cultuurhistoricus is niet verwonderlijk. Erfgoed wordt steeds meer een logisch onderdeel van de ruimtelijke ordeningspraktijk. Maar ook de overige spelers in deze praktijk zijn zich aan het heroriënteren. In de stedenbouw en de architectuur zijn ongeveer dezelfde identiteitsdiscussies gaande. Stedenbouwkundigen vragen zich af of hun vak nog toekomst heeft nu er geen grote uitleglocaties meer zijn. Projectontwikkelaars zitten met een andere

Je kunt het met bovenstaande vacature moeilijk oneens zijn, maar toch krijg je soms het idee dat dit streven ons vakgebied enigszins verlamt. Krampachtig proberen we een cultuurhistoricus 2.0 te worden en onderling zijn we het er telkens over eens dat we dat nog niet zijn. Frank Strolenberg vertelde in 2009 in een interview dat het lijstje met in ruimtelijke ontwikkelprocessen geïnteresseerde erfgoedspecialisten, in tegenstelling tot het groeiende lijstje met in erfgoed geïnteresseerde architec-

I

ten, nog altijd verassend kort was. Waarom kost het ons zoveel moeite? Misschien omdat alle spelers in de ruimtelijke ordeningspraktijk een stukje van die vacature zijn. En dan bedoel ik niet alleen de verschillende onderlinge specialisaties: de bouwhistorie, architectuur- of landschapsgeschiedenis of archeologie, maar ook de ontwerpende en ontwikkelende partijen. Daarnaast lijkt het alsof de balans in de vacature iets scheef ligt. Natuurlijk is bewustwording van je positie in het vak broodnodig, net als het kennismaken met andere visies op het vak. Maar de rol als kennisleverancier, de reden waarom de maatschappij de cultuurhistoricus als specialist inschakelt, blijft belangrijk. De sterke verbreding van opleidingen en het verdwijnen van specialisatiemogelijkheden aan universiteiten is wat dat betreft een kwalijke zaak. Willem Frijhoff, emeritus hoogleraar Geschiedenis van de Nieuwe Tijd aan de Vrije Universiteit vertelde in zijn afscheidsrede echter dat vakkennis niet meer is dan een voorwaarde voor méér. Dat méér lag volgens Frijhoff in het commitment van de historicus met de samenleving zelf. In een noot stond: ‘Zeker één keer in je leven maak je als historicus een ‘maatschappelijk louteringsproces’ door, waarin je de balans vindt tussen de eisen van

15


VITRUVIUS

NUMMER 22

DE ERFGOEDACADEMIE EN DE

JANUARI 2013

de samenleving en de waarden en het ambacht van je professie.’ Het vinden van de balans tussen kennis en de eisen vanuit de maatschappij? Hoe deden onze vakvoorouders dat? Kunnen we, net als Neutelings voorstelt, uit de geschiedenis van ons vak putten? Wat waren onze erfgoedspecialisten 1.0? Denk aan Victor de Steurs die zich in het welbekende ‘Holland op z’n smalst’ (1873) druk maakte om het verval in Hollandse binnensteden, de monumentenzorger die te midden van de bouwwoede van de jaren vijftig en zestig vocht voor de instandhouding van bouwkunstsporen uit vervolgen tijden of architectuurhistoricus Manfredo Ta-

furi, die in de jaren zestig weigerde om vanuit de geschiedenis aanwijzingen te geven voor het heden. De emancipatie van het vakgebied was volgens hem juist gebaat bij duimdikke en onbaatzuchtige studies. Of recenter: architectuurhistoricus Wouter van Stiphout die in 2005 schreef, ‘Dat architectuurgeschiedenis meer kan zijn dan het schrijven van de geschiedenis van de architectuur, dat je er ruzie over kunt maken, je je ermee van anderen kan onderscheiden en er generatieconflicten mee kan entameren, spreekt mij zeer aan.’

boordevol kennis en met een open houding aan te sluiten bij de ruimtelijke ordeningspraktijk. Inmiddels mogen we als vakgebied het zelfvertrouwen hebben dat, terwijl de gehele ruimtelijke ordening op z’n kop ligt, wij de stabiele factor zijn. Cultuurhistorie is het hart van de nieuwe opgave. Zoals mijn beide werkgevers eerder in een interview zeiden: ‘de erfgoedspecialist moet geen bedelende houding van ‘neem ons alsjeblieft serieus’ aannemen: ontwerpen voor een plek begint met de gelaagdheid van een plek te kennen en daarvoor is een cultuurhistoricus nodig!’. 쮿

En anno 2012? De basis van het vak blijft hetzelfde: kennis en ambacht. Met de juiste houding biedt deze tijd ons de kans zelfverzekerd,

1 – Een willekeurig boerenerf illustreert de dilemma’s van een monumentenambtenaar goed. Wat is hier van waarde en hoe wil je dat beschermen? Denk bijvoorbeeld aan de hoofdbebouwing, de opstallen, de verharding, het hekwerk, de boomgaard, de ligging in het landschap, het landschap zelf en de onderliggende archeologische waarden. En, wat vindt de eigenaar er eigenlijk van?

Monique van Drunen

De erfgoedzorgen van een gemeentelijke monumentenambtenaar

n november 2009 stemde de Tweede Kamer in met de modernisering van de monumentenzorg (hierna MoMo), drie grote veranderingen stonden centraal: het herbestemmen van monumenten die hun functie verliezen; krachtiger en eenvoudiger regels en het meewegen van cultuurhistorische belangen in de

I

16

ruimtelijke ordening. Deze veranderingen hebben een grote invloed op het werk van de gemeentelijke monumentenambtenaar. Vanuit mijn eigen werkpraktijk als monumentenambtenaar bij een kleine gemeente, beschrijf ik in dit stuk hoe Mo-Mo mijn werk heeft veranderd.

De aanloop van enkelvoudige naar meervoudige opgaven Drie jaar geleden startte ik als monumentenambtenaar bij een kleine gemeente. Het werk was overzichtelijk en interessant. Ik behandelde alle aanvragen om monumentenvergunningen en de bijbehorende bouwvergunningen. Alle werkzaamheden waren ver-


ROL VAN DE ERFG OEDPROFESSIONAL gunningplichtig, dat was eenvoudig uit te leggen aan de burgers. Op dat moment was de adviesplicht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed al beperkt tot de ingrijpende wijzigingen aan de rijksmonumenten. Deze uitgebreide adviezen maakten duidelijk wat er wel en niet mogelijk was. Hier leerde ik van en gebruikte deze kennis voor mijn eigen beoordelingen van de aanvragen voor werkzaamheden aan gemeentelijke monumenten. Ik vond het als startende monumentenambtenaar een hele verantwoording om dat zelf te moeten bepalen. Ik dacht: “Ik moet nog meer leren over historische bouwstijlen en -technieken”. Al snel kwamen archeologievragen in mijn postvakje terecht met de vraag of ik die ook kon behandelen. Dat was een logische gedachte omdat ik de enige monumentenambtenaar binnen de gemeente ben. Voor een bouwkundige is archeologie echter een heel nieuw vakgebied. Ik miste zowel de kennis over de weten regelgeving als de kennis over het vakgebied archeologie. Gelukkig heeft het provinciale steunpunt archeologen in dienst, maar ik vond dat ik me eigenlijk eens moest verdiepen in de archeologiewetgeving. Een zekere basiskennis is immers noodzakelijk om te weten wanneer bijvoorbeeld een bureauonderzoek wel of niet nodig is.

VITRUVIUS

standpunten verdedigen en verkopen. De adviesrol van de plaatselijke welstands- en monumentencommissie werd veel belangrijker, maar zat daar eigenlijk wel voldoende kennis en kwaliteit aan tafel? Ik moest bovendien voldoende overtuigingskracht bezitten zodat ook in een vergunningsvrije situatie eigenaren mijn adviezen ter harte zouden nemen. Ik dacht: ”ik zou eigenlijk mijn adviesvaardigheden wat meer moeten trainen”.

NUMMER 22

JANUARI 2013

tuurhistorisch onderzoek te laten verrichten. Dit is immers ook de gewoonte bij het maken van bijvoorbeeld archeologische bureauonderzoeken waarop de archeologische kaarten van het bestemmingsplan gebaseerd zijn. In dit geval bleek het budget voor de bestemmingsplannen geen ruimte te bieden voor een dergelijk uitgebreid onderzoek. De monumentenambtenaar werd gevraagd om de cultuurhistorie in de bestemmingsplannen te beschrijven.

De cultuurhistorische revolutie Op 1 januari 2012 veranderde er meer. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Het doel van deze wetwijziging is dat er in de monumentenzorg niet alleen oog is voor het monument zelf, maar ook voor de omgeving ervan en het gebied op zichzelf: het zogenaamde gebiedsgerichte erfgoedbeleid. Burgers krijgen hier-

Dat was natuurlijk een prachtige uitdaging en tegelijkertijd een onmogelijke opgave. Cultuurhistorie is een heel breed vakgebied waarin je alle aspecten van de geschiedenis van een gemeente kan laten samenkomen. Alle tijdslagen in het landschap kunnen worden geïnventariseerd. Dit biedt houvast, kaders en inspiratie voor nieuwe ontwikkelingen. Een dergelijk omvangrijk onderzoek kost echter tijd en geld. Bovendien lag er al de uitdrukkelijke wens van het bestuur om voor zowel panden zonder beschermde status binnen het beschermde gezicht als de boerderijen in het landelijke gebied toch enige vorm van bescherming te bieden. In de afgelopen jaren was namelijk gebleken dat veel van deze panden vrij eenvoudig konden worden gesloopt. De nieuwe bestemmingsplannen zouden aan de bescherming van deze panden, de zogenaamde karakteristieke panden, kunnen meehelpen. Het inventariseren van de karakteristieke panden stond al gelijk bovenaan het wensenlijstje. Gezien de tijdspanne waarin de opgave voltooid moest worden door één persoon, zou dit uiteindelijk de enige nieuwe toevoeging aan het beschreven, cultuurhistorische palet van deze gemeente zijn.

...de gemeentelijke monumentenambtenaar zou verstand moeten hebben van bouwkunst, bouwhistorie, stedenbouw, planologie, historische geografie, landschapsarchitectuur, archeologie, recht en communicatie...

Daarnaast werd in 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van kracht. Deze wet verkorte de proceduretijd voor de behandeling van aanvragen om vergunningen. De aanvragen om omgevingsvergunningen voor gemeentelijk monumenten vielen onder de reguliere procedure van 8 weken en de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonument viel onder de uitgebreide procedure van 26 weken. Per 1 januari van 2012 geldt, na een volgende wetswijziging, de reguliere procedure ook voor aanvragen om omgevingsvergunning voor een rijksmonument waarvoor geen advies van de rijksdienst nodig is. Dit betekent dat er minder tijd is om tot een volledige en kwalitatief goede vergunning te komen ten opzichte van de oude regelgeving. Bovendien is een aantal kleinere ingrepen vergunningsvrij geworden. Ik moest dus sneller tot een advies komen en de aanvrager moest ook sneller zijn aanvraag aanpassen. Ik kon minder gebruik maken van de autoriteiten in mijn vakgebied en moest zelf mijn

mee het recht om bij de planning van bouwwerkzaamheden aan te geven of er cultureel erfgoed wordt geraakt. De kleine gemeente waar ik werk, heeft het ambitieuze plan opgevat om in juni 2013 de gehele gemeente in drie nieuwe bestemmingsplannen vast te stellen. Eén voor het landelijk gebied, één voor het stedelijk gebied en één voor het industriegebied. Het proces was al in gang gezet om deze drie bestemmingsplannen vorm te geven. Al snel werd duidelijk dat de wetswijziging gevolgen had voor deze bestemmingsplannen. Cultuurhistorie zou in al deze drie bestemmingsplannen een plek moeten krijgen. Dat was een interessante kans. Op die manier kon de cultuurhistorie van de gemeente in één keer op de kaart gezet worden. De praktijk bleek weerbarstiger. In eerste instantie leek het voor de hand te liggen om een bureau in te huren om een cul-

Deze laatste vernieuwing in de wet- en regelgeving laat zien welke mogelijkheden er zijn voor de monumentenambtenaar, maar ook welk eisenpakket er aan die ambtenaar komt te hangen. Door de verandering van de reikwijdte van de monumentenzorg van objectgericht naar gebiedsgericht, veranderen ook de werkzaamheden van de gemeentelijke monumentenambtenaar. Hij moet zijn blik verleggen van de gebouwde monumenten naar de omgeving van die monumenten. Die omgeving bestaat zowel uit de straat, de ondergrond, de wijk, de stad, de geschiedenis en de verhalen van zijn (vroegere) bewoners. De ambtenaar zou verstand moeten hebben

17


VITRUVIUS

NUMMER 22

DE ERFGOEDACADEMIE

JANUARI 2013

van bouwkunst, bouwhistorie, stedenbouw, planologie, historische geografie, landschapsarchitectuur, archeologie, recht en communicatie om zijn taak goed te kunnen volbrengen. Maar is het reëel om te verwachten dat al die kennis in één persoon aanwezig is? Nee! De nieuwe rol van de ambtenaar is om deze informatie te verzamelen en beschikbaar te maken. De monumentenambtenaar wordt een cultuurhistorische kennismakelaar. Hij moet weten wie wat weet en wie wat doet. Zowel binnen de eigen organisatie als binnen de eigen gemeente als bij de professionele partners. In de eigen gemeentelijke organisatie moet hij op zoek gaan naar (erfgoed)kennis. Het archief, het gemeentemuseum en de cultuurcollega zijn de voor de hand liggende bronnen. Daarnaast zijn er ook collega’s bij groenbeheer, toezicht en ruimtelijke ordening die kennis hebben van onderdelen van het erfgoed van de gemeente. Maar ook bij burgers kan kennis verstopt zitten. Niet alleen bij de lokale historische kring, maar ook bijvoorbeeld bij de plaatselijke architecten en aannemers. De professionele partners zijn de collega’s in de regio, de provincie en de Rijks dienst voor het Cultureel Erfgoed.

Het weten waar de kennis te vinden is, is echter niet voldoende. De kennis zal ook gedeeld moeten worden. Door mensen bij elkaar te brengen, kan die kennisuitwisseling plaatsvinden. Dit vraagt om organisatietalent en een wil tot samenwerking. De monumentenambtenaar kan niet langer solitair opereren vanachter zijn bureau. Hij moet contacten met al zijn bronnen onderhouden en weten wanneer en hoe hij deze mensen kan gebruiken om zijn doel te bereiken: het beschermen van het erfgoed. Het vraagt ook een nog stevigere houding richting het bestuur van de gemeente. Het behoud van gebouwde monumenten in de gemeente is een onderwerp wat leeft bij zowel wethouders als raad. Iedereen is trots op de mooie, oude gebouwen die de sfeer van de stad bepalen. Het behoud daarvan wordt vrijwel door iedereen onderschreven. Het wordt lastiger uit te leggen dat behalve de gebouwen ook de bomen in de straat van belang zijn, of dat het slotenpatroon in het landelijk gebied ook een verhaal vertellen van de ontstaansgeschiedenis van de stad. Dit maakt dat de ambtenaar niet alleen moet weten waar de kennis te halen is, maar dat hij de kennis ook paraat moet hebben. Hij moet de verhalen vertellen

The best De actualiteit van internet, de distinctie van drukwerk: De uitgaves van Educom combineren de voordelen van beide media. Maak tijd vrij voor uw ‘core business’ en gebruik de ervaring van Educom om ook uw communicatie optimaal te redigeren, vorm te geven en te kanaliseren via web en/of druk. Bespreek de mogelijkheden: 010-425 6544. www.uitgeverijeducom.nl.

18

van de stad zodat het bestuur ook overtuigd raakt van het belang ervan.

De Mo-Mo ambtenaar is in ontwikkeling Goed, de nieuwe monumentenambtenaar, de Mo-Mo ambtenaar, bezit nogal wat kwalificaties: een samenwerkende, organiserende, verhalen vertellende, overtuigende netwerker. Hij bezit zelf misschien niet zo veel kennis, maar hij weet wel waar hij deze kennis kan achterhalen. En toch lijkt tenminste één specialisatie op zijn plaats. Wie adviseert er anders op aanvragen om omgevingsvergunning om een monument te onderhouden, te restaureren, te veranderen of te slopen? Dat vraagt nog steeds om een ambtenaar met kennis van architectuurgeschiedenis en (historische) bouwtechnieken. Het is zaak om de juiste balans te vinden tussen de eigen kennis en het vertrouwen op de kennis van een ander. Het zal tijd kosten om deze rol op de juiste manier te vervullen. Ik heb inmiddels al gemerkt dat in alle deelterreinen mensen werken met interesse voor het vakgebied. Wees niet bang om hulp of informatie te vragen. Vaak krijg je meer dan waar je om vroeg. Erfgoed blijft tenslotte het mooiste vakgebied dat er is. 쮿

of both worlds


VITRUVIUS

L.J.T. (Loes) Janssen Erf-goed advies

NUMMER 22

JANUARI 2013

1 – Mechanisch booronderzoek naar bodemcondities in werelderfgoed Bryggen, Bergen (Noorwegen)

I.M.J (Irene) Velthuis Archeologische Monumentenwacht Nederland

M. (Michel) Vorenhout Archeologische Monumentenwacht Nederland

m.m.v. B. (Bertil) van Os Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

archeologie In situ behoud van archeologie: naar een beter keuzemodel heoretisch heeft in situ behoud en -beheer van archeologische vindplaatsen nog altijd de voorkeur boven opgraven binnen de archeologische wereld1. Dit blijkt uit een veelvoud aan archeologische onderzoeksrapporten waarin geadviseerd wordt een vindplaats in situ te behouden, tenzij het niet anders kan. Het percentage behoud-in-situ bewaarde terreinen wordt door RIGO geschat

T

op 20% (Zijlstra, 2012), gebaseerd op een enquête binnen de beroepsgroep. RAAP schat in hun rapport ‘Wie wat bewaart die heeft wat’ (Schute et al, 2011) dat zij 38,2% van de behoudenswaardige terreinen heeft aangedragen voor in situ behoud. Op de aard van dit beoogde in situ behoud is veel af te dingen, zoals het gebrek aan monitoring van de effecten van dat voordragen, maar het laat wel zien dat artikel 4 van het

In de archeologische wereld bestaat grote discussie over welke mate van degradatie van archeologische resten acceptabel is als deze resten in de bodem blijven zitten. Mede hierdoor blijkt in situ behoud van archeologische resten lastig te bewerkstelligen. Over de mate van degradatie kan echter weinig zinnigs gezegd worden, tenzij er informatie beschikbaar is over de bodemcondities ter plaatse, de kwaliteit van de archeologische resten en de invloed van de toekomstige verstoring. In dit artikel bepleiten de auteurs dat het van groot belang is om al tijdens de eerste stappen van de AMZ cyclus informatie

Verdrag van Malta (artikel 4.2, Verdrag van Malta, 1992) en de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz, 2011) worden meegenomen in de beoordeling van sites. Het Verdrag en de Wet schrijven voor dat het ondergrondse erfgoed zoveel mogelijk ter plaatse geconserveerd en in stand gehouden moet worden. Daarnaast stellen ze ook dat het erfgoed over een langere periode behou-

te vergaren over de bodemgesteldheid en de kwaliteit van de resten. De gepresenteerde methodiek loopt parallel aan de huidige AMZ-cyclus en is er een aanvulling op. De methodiek kan eenvoudig in bureaustudies of veldonderzoek toegepast worden. De kennis en de richtlijnen voor in situ behoud zijn namelijk, vooral voor het Holocene deel van Nederland, al beschikbaar in de SAM. Naar verwachting maakt deze methode de keuze voor in of ex situ behoud gemakkelijker, met alle voordelen van dien.

19


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

duidelijk is of in situ behoud überhaupt tot de mogelijkheden behoort, gegeven de heersende bodemcondities?

2 – Schematische weergave van voorgestelde methodiek binnen de AMZ cyclus

den moet worden. Dit betekent dat we zorg dienen te dragen voor de resten die we in de bodem laten zitten, middels passende beheersmaatregelen, monitoring en een goede beoordeling wanneer behoud in situ wel of niet mogelijk is. Hier schiet de praktijk volgens ons te kort. Zowel het maken van meer gefundeerde keuzes, het opzetten van passende beheersmaatregelen alsook monitoring van sites komt slechts mondjesmaat van de grond, hoewel een aanzet hiertoe in de praktijk gemakkelijk is, zeker voor het Holocene deel van Nederland. Uit een onderzoek uit 2010 door Hoogeboom (Hoogeboom, 2010) blijkt dat slechts één van de twaalf ondervraagde gemeentes in de provincie Utrecht rekening houdt met degradatie van archeologische resten door verdroging2. Een opmerkelijke conclusie, gezien de officiële voorkeur voor in situ behoud en de hoeveelheid studies en publicaties3. In programma’s van eisen en aanbestedingsdocumenten worden wel langzaam en mondjesmaat eisen opgenomen voor in situ behoud 4. In slechts enkele gevallen blijkt dat het daadwerkelijk om in situ behoud gaat met inachtneming van de lange termijneffecten en een inventarisatie van de bodemcondities ter plaatse. Ondanks de goede bedoelingen van de opstellers van de PvE’s wordt behoud in situ vaak gedegradeerd tot

20

enkel planologische bescherming, als dat al het geval is. Mogelijk speelt de onzekerheid rond de veilige termijn voor in situ behoud in deze een rol, een discussie die terug komt in Caspers et al. (2011). Het wordt algemeen aanvaard dat meer kennis nodig is over wat er gebeurt met archeologische resten in de bodem. Zeker wanneer we tot een gefundeerde keuze voor in situ behoud en bijbehorende beheersmaatregelen willen komen. Welke parameters zijn van belang wanneer we een uitspraak willen doen over duurzaam behoud van archeologische resten in de bodem? Uit diverse studies gepresenteerd op de congressen Preserving Archaeological Remains In Situ, in onder andere Amsterdam (2006) en Kopenhagen (2011) blijkt dat de mate van duurzaam behoud sterk afhankelijk is van de bodemcondities en de toestand van de archeologische resten ter plaatse. In Nederland blijft de aard en gesteldheid van de bodemcondities binnen sites echter slecht bekend, uitzonderingen als enkele (Rijks)monumenten (Vorenhout, 2008), Schokland en Vlaardingen (Vorenhout & Janssen, in prep) buiten beschouwing gelaten. Gebrekkige kennis van de bodemcondities en de toestand van de resten geeft een probleem bij het maken van de keuze voor het ex situ of in situ behoud. Immers hoe kan een goede afweging gemaakt worden als niet

Dit brengt ons bij de kern van dit artikel. Om te bepalen of het mogelijk is om een vindplaats in situ te behouden dient er niet alleen gekeken te worden naar het intrinsieke belang (behoudenswaardigheid) van de vindplaats, maar is ook een grote rol weggelegd voor de bodemcondities ter plaatse. Het is daarmee een must om vroegtijdig de bodemgesteldheid te inventariseren en eventueel een nulmeting van het bodemmilieu op te starten. Juist deze informatie is nodig om een onderbouwde keuze te maken voor in of ex situ behoud en om een te uitgebreide nulmeting achteraf te voorkomen. Er is een wereld te winnen wanneer in een vroeg stadium binnen de AMZ cyclus gekeken wordt of: 1. de archeologische resten belangrijk genoeg zijn om te behouden (zoals reeds is opgenomen in de KNA); 2. de resten van goede kwaliteit zijn om te behouden op langere termijn; en 3. of de bodemcondities geschikt zijn om de resten duurzaam in situ te behouden. We stellen een eenvoudige methode voor om op een eerder tijdstip en met een hoger detailniveau te inventariseren wat de mogelijkheden zijn voor behoud in situ. Deze methode wordt al tijdens de inventarisatiefase van de AMZ cyclus ingezet om kennis te nemen van de bodemgesteldheid van de (mogelijke) vindplaats. Dit zelfs ongeacht de vraag of er op het onderzoeksgebied een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is.

De methodiek Doelstelling van de onderzoeksmethodiek is om tijdig een inschatting te maken of het mogelijk is om vindplaatsen in de toekomst in situ te behouden. De methodiek staat los van de vraag of er überhaupt een vindplaats aanwezig is en of deze behoudenswaardig is. De schematische weergave laat goed zien hoe de methodiek in de AMZ cyclus past (figuur 2). De methodiek is deels gebaseerd op de onderzoeksmethodiek die in de gemeente Almere is voorgesteld (IGBA unpublished report) en in de binnenstad van Vlaardingen is toegepast (Vorenhout & Janssen, in prep.). De huidige AMZ cyclus richt zich op het bepalen of het landschap geschikt was voor vroegere bewoning en of het bodemprofiel nog voldoende intact is (verkennende fase), en het bekijken of er archeologische resten aanwezig zijn en op welke diepte (karterende fase). De voorgestelde methode vult de AMZ aan met informatie over de gesteldheid van


VITRUVIUS

de bodem en de kwaliteit van het archeologisch materiaal. Anders gezegd, we willen niet alleen weten of het landschap geschikt was voor bewoning, maar ook of deze eventuele resten bewaard kunnen zijn gebleven onder de heersende en vroegere bodemcondities. In een klein aanvullend onderzoek tijdens de inventariserende fase wordt de fysieke (fysische en chemische) kwaliteit van het landschap bepaald. Door te kijken naar de conserverende condities van de bodem (o.a. Vorenhout, 2011, Vorenhout, 2008) kan gelijktijdig een afweging gemaakt worden over de waardering/kwaliteit van archeologische resten en de mogelijkheid voor behoud in situ (IGBA unpublished report 2008).

Belang Waarom is het belangrijk om de bodemcondities en de kwaliteit van het bodemmateriaal te kennen in een vroeg stadium van de AMZ cyclus? Ten eerste verschaft het de mogelijkheid om in situ behoud te onderzoeken. Immers wanneer in een vroeg stadium blijkt dat behoud niet mogelijk is in situ, is de keuze voor opgraven snel gemaakt. Ten tweede komt er meer en sneller informatie beschikbaar over de fysieke gesteldheid van de bodem, naast de inhoudelijke waardering van de site. Omdat de huidige degradatie en potentiële conservering van de bodem wordt meegenomen, kan daarom een eerlijkere afweging gemaakt worden tussen in situ en ex situ behoud (Van der End en Janssen, 2010). Ten derde beschikken we nu vroeg over belangrijke voorkennis, die nodig is voor een latere nulmeting aan een site. Door het vroegtijdig beschikbaar hebben van informatie kunnen we potentieel voorkomen dat er nog een te uitgebreide nulmeting van de bodem en bodemwatergesteldheid moet plaatsvinden na karterend en waarderend onderzoek en het selectiebesluit van bevoegde overheid5.

Bureauonderzoek De eerste stap van het in kaart brengen van de bodemcondities ligt bij het in kaart brengen van de hydrologie van een site. Dit is vooral van belang voor Holoceen Nederland. Met name de beschikbaarheid van zuurstof in de bodem is van grote invloed op de conserverende capaciteit van de bodem. In de Nederlandse natte (Holocene) bodems is de grondwaterstand de belangrijkste bepalende factor of de bodem zuurstofrijk of juist zuurstofarm is.6 Over het algemeen is een zuurstofarm milieu onder de grondwaterspiegel gunstig voor de conservering van met name de organische resten.7 Echter vanwege de aanwezige natuurlijke fluctuatie in grondwaterstand is het van belang goed de lokale grondwaterstand in beeld te brengen. Al tijdens het bureauonderzoek kan een indicatie gegeven worden van de hydrologische omstandigheden van een site. In openbare databases kan eenvoudig worden opgezocht wat de grondwaterstand en het ingestelde oppervlaktewaterpeil (grondwatertrap) van de site of omgeving is8. Deze parameters geven aan hoe het grondwater waarschijnlijk fluctueert en tussen welke dieptes en hoeveel drainage er in het gebied plaatsvindt.

Booronderzoek Tijdens booronderzoek wordt de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB) gebruikt. Enkele parameters uit de ASB geven een goede indicatie van de conservering van een site. Helaas worden deze cruciale parameters tot nu toe niet altijd

NUMMER 22

JANUARI 2013

meegenomen in de boorbeschrijving. Het betreft ‘kleur’, ‘kwaliteit van veen’, ‘grondwaterstand voor en na boring’ en ‘oxidatiereductie grens’. De kleur (ASB kenmerkcode L4.2) geeft een indicatie van de diepte waar zuurstof nog wel of juist niet meer aanwezig is. Het nauwkeurig optekenen van de kleur is daarom belangrijk voor het bepalen of er sprake is van een oxiderend of reducerend milieu. In organische c.q. venige bodems is de gevoeligheid voor oxidatie te zien aan het wel of niet direct verkleuren van het materiaal vlak na de boring. Zodra het organische materiaal in aanraking komt met zuurstof begint het afbraakproces, en treedt een verkleuring op. Aangezien het een kwestie van seconden is, is het wel van belang dat dit specifiek geregistreerd wordt tijdens het boren. Indien er veen aanwezig is en indien dit veen veraard is, heeft er al aantasting door zuurstof plaatsgevonden en is de kwaliteit of conservering van de archeologische resten in die laag waarschijnlijk lager. De kwaliteit van veen kan eenvoudig worden beschreven door onderscheid te maken in intactheid van de veenresten (ASB kenmerkcode L9.2),9 het vochtgehalte en kleur c.q. verkleuring van het veen. Tijdens het booronderzoek kunnen we ook een beter beeld krijgen van de ruimtelijke variatie in de grondwaterstand en de algemene complexiteit van de hydrologie van de site. Hiervoor dient de grondwaterstand na einde boring (ASB kenmerkcode KL 4.1) en de oxidatie-reductiegrens (ASB kenmerkcode KL 4.4) bepaald te worden. De grondwaterstand na einde boring kan eenvoudig geme-

De praktijk De omstandigheden in de bodem bepalen grotendeels of een archeologische site in situ bewaard kan blijven. Om te kunnen bepalen of de aanwezige (of verwachte) archeologische materialen (vondsten en sporen) geconserveerd kunnen blijven in de bodem, is het belangrijk om het bodemmilieu in beeld te brengen. We bespreken een aantal parameters, die al vroeg in het proces een goede indicatie van het bodemmilieu kunnen geven. Ook laten we zien in welke fase van de AMZ cyclus deze parameters bepaald dan wel gemeten kunnen worden.

3 – Inventariserend booronderzoek.

21


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

ten worden met een dompelklokje met meetlint. De oxidatie-reductiegrens geeft informatie over de diepte waarop de bodem continue gereduceerd is. Tevens geeft het een indicatie van de ruimtelijke variatie in waterstanden. De oxidatie-reductiegrens ligt op het punt waar de geoxideerde kleuren (bruin) overgaan in de gereduceerde kleuren (grijs). Indien er roestvlekken (roestkleurig) of mangaanconcreties (zwart) aanwezig zijn, ligt de grens onder de diepst voorkomende vlekken. Naast de parameters uit de ASB, kan ‘geur’ tijdens het booronderzoek informatie geven over de conditie van de site. Geur geeft soms aanwijzingen over de zuurstofconditie van de site. Ruikt het bijvoorbeeld naar rotte eieren, dan is er zeker geen zuurstof aanwezig en daarmee de potentie voor conservering van de site goed.10 Nota bene: de genoemde parameters (grondwaterstand, grondwatertrap, bodemprofiel, kleur, geur, GWS na boring, oxidatie-reductiegrens en veenkwaliteit) zijn alleen bruikbaar wanneer ook de diepteligging van de archeologische laag bekend is en er bekend is welke soort materialen er zijn of verwacht worden. Aangezien de conserverende omstandigheden op verschillende dieptes ook kunnen verschillen, is het van belang de archeologische waarden of verwachtingen ruimtelijk in beeld te hebben. Een specialist Fysiek Behoud kan door het combineren van de archeologische en de milieu informatie inschatten hoe de condities in de bodem zijn en of behoud in situ mogelijk is. De wijze waarop dit advies exact tot stand komt is geen onderdeel van dit artikel.

Waarderende proefsleuven Wanneer gekozen wordt voor waarderend onderzoek is het van belang om de aangetrof-

fen archeologische resten te beoordelen op mate van degradatie. Dit kan bijvoorbeeld bepaald worden door monsters te nemen en de degradatie in het lab te bekijken. Op dit moment is dit onderzoek goed mogelijk op hout, pollen en bot (Huisman (ed.) 2009). Methoden voor andere materiaalsoorten zijn in ontwikkeling. De organische resten zijn de meest fragiele en daarom zeer veelzeggend voor de conserverende omstandigheden van de bodem. Degradatieprocessen die zich in andere materialen pas later openbaren, kunnen in deze categorie al in een eerder stadium worden aangetoond. Tevens kan aan de mate en soort aantasting van het organische materiaal ook worden afgeleid welke degradatieprocessen een rol spelen in het betreffende bodemmilieu. Hierbij is het van groot belang om een combinatieonderzoek te doen aan de bodemopbouw, gerichte monstername toe te passen en eventueel redoxmetingen uit te voeren. In veel gevallen is de grondwaterstand tijdens het proefsleuvenonderzoek een gemakkelijk controleerbare parameter. Door de grondwaterstand te noteren kan in het eventuele vervolgtraject – en wanneer gekozen is voor behoud in situ – de grondwaterstand gemonitord worden. Ook kan met deze informatie de grondwaterstand, indien noodzakelijk, gereguleerd worden via bijvoorbeeld een ander peilbesluit of aanpassingen in de infiltratie mogelijkheden voor regenwater.

Conclusie Een simpele en kleine toevoeging aan de onderzoeken in de AMZ cyclus levert voor het verdere proces veel informatie op. Hierdoor krijgen we inzicht in de vraag of de kwaliteit van de bodem en de archeologische materialen voldoende is voor behoud in situ. Daar-

naast levert het voorkennis op voor een nulmeting, waardoor mogelijk een minder uitgebreide nulmeting kan volstaan. Tevens maakt het aan het begin van het proces reeds duidelijk of er aanpassingen in de chemische samenstelling, grondwatersamenstelling of grondwaterstand van de site noodzakelijk zijn. Meer informatie aan het begin van het proces, levert mogelijk besparingen in tijd en geld en zorgt voor een beter en langduriger behoud van het archeologische erfgoed in de bodem.

Aanbevelingen Wij beseffen dat de beschreven methodiek mogelijk een extra druk legt op het inventariserende en waarderende onderzoek. Wij stellen echter dat met deze extra inspanning grote voordelen behaald kunnen worden bij de keuze voor in situ of ex situ behoud, zowel op het inhoudelijke vlak alsook op het financiële vlak en in tijdsduur. Om van deze voordelen te kunnen profiteren dienen ten eerste de offertevragen, PvA’s en PvE’s voor bureau-, boor-, en proefsleuvenonderzoeken aangepast te worden met toevoegingen zoals hierboven besproken. Ten tweede dienen voor deze onderzoeken mensen ingezet te worden die in het veld deze parameters kunnen herkennen, registreren en interpreteren. Mogelijk is een aanvullende cursus voor prospectoren noodzakelijk. Daarnaast pleiten wij ervoor om de Standaard Archeologische Boorbeschrijving te allen tijden volledig te volgen tijdens onderzoeken. Dat wil zeggen dat er in rapportages werkelijk beschreven wordt wat er in het veld is waargenomen, naast de gangbare interpretaties van de gegevens. Op deze manier zijn de gegevens op een later tijdstip, wanneer alsnog besloten wordt om over te gaan tot bescherming van een site, nog te interpreteren door een specialist Fysieke bescherming. Uiteindelijk pleiten wij ervoor om bij elke archeologische opgave een instandhoudingsparagraaf op te stellen, zodat van te voren richting gegeven kan worden aan verdere vervolgstappen op het gebied van instandhouding van archeologische resten in de bodem.

Literatuur

4 – Munsell kleurbepaling en weerstandsmeting in het veld.

22

– Andriesse, J.P., (1988): Nature and management of tropical peat soils: 5 Classification. In: FAO Soils Bulletin 59, Rome. Internet: http://www.fao.org/docrep/ x5872e/x5872e07.htm. – Boogert, D., R. van Eerden. H. Huisman en R. Isarin, (2006): 2 Het behoud van archeologische monumenten, In: NOaA, Amersfoort. – Bosch, J.H.A., (2008): Archeologische


VITRUVIUS

Mogelijkheden voor het uitbreiden van onderzoek aan bodemparameters

vooronderzoeken kan blijken of bepaalde parameters geen invloed hebben op het risico voor een site. Dit is bijvoorbeeld het geval als de grondwaterstand ver boven of onder de archeologische resten staat. De marge moet echter ruim zijn in verband met de fluctuaties binnen een jaar en tussen jaren onderling. Verder is er veel te zeggen voor de suggestie om bijvoorbeeld ook de zuurgraad (pH) van een site mee te nemen, evenals de samenstelling van veen, de aanwezigheid van pyriet, gips of jarosiet om te bepalen of er sprake is van oxidatie danwel reductie.11 Onderzoek naar de aanwezigheid van hangwater, ondoordringbare kleilagen en lokaal sterk variërende hydrologische omstandigheden12 kan erg nuttig zijn bij het bepalen van de aard en uitgebreidheid van een eventuele nulmeting en monitoring.

Enkele parameters zijn bewust niet meegenomen in de eerste waarnemingen. Doel is namelijk om de belasting in het veld zo laag mogelijk te houden en alleen die parameters langdurig te meten die ook echt bijdragen aan de inschatting van in situ behoud. Indien bij een site wordt gekozen voor in situ behoud, is een nulmeting noodzakelijk. De opbouw van deze nulmeting volgt uit de resultaten van de beoordeling zoals wij voorstaan. Soms kan op basis van het vooronderzoek blijken dat de site niet in situ bewaard kan worden. Meestal zijn echter meetgegevens van tenminste een jaar (13 maanden) nodig om met enige zekerheid iets te zeggen over de natuurlijke variatie in variabelen in het gebied. Uit de

Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1. Deltaresrapport 2008-U-R0881/A. – Caspers S., W. Knol en H. Kars, (2011): Richtlijnen voor maatwerk, Onderzoeksrapport project Archeologievriendelijk bouwen & fysiek behoud. IGBA, Amsterdam. – End, van der S. & L. Janssen, (2010): Behouden of opgraven, Pleidooi voor een betere afweging: In: ArcheoBrief 14: 9-12. – Gemeente Gouda, (2010): Persbericht: Congres over archeologievriendelijk bouwen en fysiek behoud in Gouda (01-06-2010). www.gouda.nl/ Nieuws/Persberichten/Archief_persberichten/Persberichten_2010/Persbericht_Congres_over_ archeologievriendelijk_bouwen_en_fysiek_behoud_in_Gouda_01_06_2010 – Groenendijk, M., (2011): Richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen. In: Vitruvius 16: 32-36. – Hogenboom, F. (2010). Tot hier… en nu verder. Archeologie als gemeentelijk taakveld in de provincie Utrecht, een evaluatie. Milieudienst Zuidoost-Utrecht, Utrecht. – Huisman D.J. (ed), (2009): Degradation of Archeological remains. SdU Den Haag. – Huisman, D.J., M. Vorenhout, A. Smit, B.J.H. van Os, (2009): Preservation and monitoring of archaeological sites, In: D.J. Huisman (ed.), (2009), Degradation of Archaeological Remains, SdU, Den Haag. – Janssen, L., S. Hornikx & A.V.A.J. Bosman, (2010), Programma van Eisen Groesbeek Hüsenhoff, projectnummer AL 1373, Woerden. – Kroes, R & R. Isarin, (2008). Programma van Eisen met Plan van Aanpak Fysieke Bescherming archeologische vindplaatsen, Nieuwland Oost, Brielle. ArcheoLogic rapportage 315. Woerden.

– Schute, I., M. Verbruggen & M. Lobbes, (2011): Wie wat bewaart, die heeft wat, Kanttekeningen bij de werking van de Wet op de archeologische monumentenzorg; RAAPrapport 2525. Weesp. – SIKB, (2011): KNA 3.2, KNA Landbodems, Protocol 4005 Fysiek Beschermen. – Smit, A., R.M. van Heeringen & E.M. Theunissen, (2006) Standaard Archeologische Monitoring (SAM) Richtlijnen voor het nondestructief beschrijven en volgen van de fysieke kwaliteit van archeologische vindplaatsen. Versie 1.0. SIKB, Gouda. – Verdrag van Malta, 1992, artikel 4.2. – Vorenhout, M., (2008) Veenterpen MatslootRoderwolde en Peizer- & Eeldermaden: beperkte nulmeting en advies voor monitoring. iGBA report 2008-06, Vrije Universiteit Amsterdam. – Vorenhout, M., (2011): In situ site preservation and monitoring with a special application to Star Carr. In: Journal of Wetland Archaeology 11: 56-62. – Vorenhout, M & L. Janssen, (in prep): Richtlijnen in situ behoud Stadshart Vlaardingen. – Wet op de Archeologische Monumentenzorg, d.d. 5 oktober 2011. – Zijlstra, H. (De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), (2012): Brief aan De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dd 7 februari 2012: Betreft Beleidsreactie evaluatie archeologiewetgeving.

Noten 1

De recente wetsevaluatie van de WAMZ wees uit dat behoud in situ nog steeds hoog op de agenda staat. Dit blijkt ook uit een druk bezocht congres van de VNG in juni 2010 (Persbericht ge-

NUMMER 22

JANUARI 2013

meente Gouda). Verder kunnen genoemd worden de NOaA, de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (Boogerd et al, 2006) en de KNA, de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (SIKB 2011), waaraan de Standaard Archeologische Monitoring (Smit et al 2006) is toegevoegd; diverse publicaties omtrent het onderwerp (o.a. Huisman, Vorenhout, Smit en van Os, 2009, Huisman, 2009, van der End en Janssen, 2010, Bonnie, 2011, Vorenhout, in press); en de onderzoeken en monitoringsmethodieken die onder andere worden ontwikkeld voor de gemeentes Almere, Vlaardingen en Gouda (Groenendijk, 2011). Hoewel dit ook verklaard kan worden uit het feit dat fysieke verstoring in de provincie Utrecht van grotere invloed is op de resten dan verdroging. 3 Zie o.a. de genoemde publicaties uit voorgaande noten. 4 Bijvoorbeeld de PvE’s van plangebieden in Groesbeek (Janssen et al, 2010), Brielle (Kroes & Isarin, 2008). 5 Een minder uitgebreide nulmeting is bijvoorbeeld mogelijk indien de ruimtelijke bodemvariatie in het onderzoeksgebied gering is. 6 Enige nuance moet hier aangekaart worden: de samenstelling van de grondlagen en de doorlatendheid hiervan bepalen de consumptie van zuurstof en de beweging van het grondwater. (pers. comm. B. van Os, RCE) Het meten van de grondwaterstand is echter een eenvoudige eerste stap om een beeld te krijgen. 7 Hardere materialen als vuursteen, baksteen en aardewerk zijn weliswaar minder beïnvloedbaar door deze bodemcondities, ze blijven daarom er echter niet minder goed door bewaard. 8 Denk bijvoorbeeld aan gegevens van het DINO-loket van TNO. 9 Classificatie van intactheid veen: Andriesse, 1988. 10 De redoxpotentiaal zal hier laag zijn. 11-12 Pers. Comm. B. Van Os.

Auteurs Loes (L.J.T.) Janssen MSc Eigenaar en adviseur Erf-goed advies. Specialist in archeologievriendelijk bouwen en het creëren van meerwaarde met erfgoed. loesjanssen@erf-goedadvies.nl Irene I.M.J. Velthuis MA. Adviseur Stichting Archeologische Monumentenwacht Nederland. Specialist monitoring zichtbare en niet zichtbare monumenten. ivelthuis@archeomw.nl Drs Michel (M) Vorenhout Directeur Stichting Archeologische Monumentenwacht Nederland. Specialist in situ behoud en monitoring. Voorheen werkzaam als onderzoeker in situ behoud en monitoring aan de Vrije Universiteit, sinds 1 januari 2011 werkzaam voor de AMW. Aldaar brengt Michel de specifieke kennis in die nodig is voor het monitoren en behouden van niet zichtbare archeologische monumenten. mvorenhout@archeomw.nl 쮿

23


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

Maarten Hell Onafhankelijk historicus en publicist

Will Brouwers werkzaam voor het maritiem programma van de RCE

EEN FLUITSCHIP MET EEN BIJZONDERE NAAM

1 – Wrak effectief beschermd met steigerdoek.

De Vrede van Nijmegen p 2 oktober 1710 lagen 24 koopvaardijschepen in de rede bij Texel klaar voor vertrek. Met zuidoostelijke wind en ‘moij, lief weer’ waren de omstandigheden ideaal voor een rustige zeiltocht naar Noorwegen. Om twaalf uur vertrok de handelsvloot naar de plaatsen Bergen en Drammen om er hout te halen. Fluitschip de Vrede van Nijmegen kwam echter niet ver. Rond zeven uur ’s avonds was het nog maar zeven mijl verwijderd van de kust toen er plotseling een groot schip aan stuurboordzijde opdoemde. Een botsing was onvermijdelijk: de Vrede van Nijmegen raakte lek en zonk naar de bodem van Noordzee.

O

Maritiem erfgoed De wateren rondom Nederland zijn, onzichtbaar voor het blote oog, bezaaid met scheepswrakken. Het zijn stille getuigen van ons maritieme verleden. Vandaag de dag hebben overheid en marktpartijen op zee regelmatig met dit onderwater erfgoed te maken. Wan-

24

neer deze partijen vindplaatsen als scheepswrakken aantreffen, melden zij dit bij de Rijksdienst.1 Het fysieke bestand van het aantal bekende scheepswrakken groeit relatief snel door bijdragen van verschillende partijen zoals amateurduikers, Rijkswaterstaat (RWS) en de beroepsvisserij. De gegevens worden in databases ondergebracht en in kaart gebracht. Een dergelijk systeem waar in dit gebeurt is het MACHU GIS systeem. Archeologische data (wrakken) worden gekoppeld aan informatie over bodemgebruik, erosie en biologische bedreigingen.2 Daarnaast is een begin gemaakt om de veelheid aan historische data in archieven en andere bronnen te ontsluiten en via databases te koppelen aan fysieke archeologische resten. Het maritiem programma van de RCE omvat het Wrakken in Documentenproject (WID) waarin een begin is gemaakt met het verzamelen en ontsluiten van deze historische bronnen.

Een houten scheepswrak dat op de bodem van de Waddenzee eeuwenlang diep onder het zand heeft gelegen en door bodemerosie plotseling gedeeltelijk boven de zeebodem uit gaat steken, begint direct aan een proces van verval. Een van de grootste vijanden van houten wrakken, naast menselijke activiteiten, is de paalworm (Teredo Navalis). De paalworm kan in relatief korte tijd de blootliggende wrakdelen vernietigen. Een effectieve manier om dergelijke blootliggende wrakken fysiek te beschermen, is afdekken met steigerdoek (polipropyleen netten). Door de structuur van de netten wordt zand vastgezet en zo ontstaat een kunstmatige zandheuvel op het wrak.3

Een deel van het erfgoed onderwater is vanuit cultureel oogpunt van groot belang en het behouden waard. Maar dat is helaas niet voor elk wrak mogelijk. Er moeten keuzes worden gemaakt. Het is daarom van belang een goede inventarisatie van scheepswrakken in de Nederlandse wateren – en daarbuiten, denk aan VOC schepen – te maken. Kennisopbouw is een van de prioriteiten van het in 2012 gestarte Maritieme Programma van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De kennis die deze inventarisatie oplevert zorgt ervoor dat we steeds meer in staat zijn: – de cultuurhistorische waarde van scheepswrakken vast te stellen en om keuzes te maken;


VITRUVIUS

Wrakken in Documenten (WID), onderdeel van het maritiem programma van de RCE, bevat 409 vermeldingen van gezonken schepen rond Texel uit de periode van de Republiek (1575-1795). De online historische schependatabase geeft een unieke inkijk in het reilen en zeilen van schippers en schepen, zoals de Vrede van

2 – Fluit zeilend aan de wind (Claes Jansz. Rietschoof ca. 1680).

– onderzoeksmethoden en -technieken te ontwikkelen die nodig zijn voor het van wrakken in situ; – verfijndere manieren van opgraven te ontwikkelen. Een scheepswrak is bijna altijd de stille getuige van een dramatische gebeurtenis. Het zijn tijdmachines die ons inzicht kunnen geven in het leven en werken van mensen uit vervlogen tijden; een fenomeen dat bijvoorbeeld bij landarcheologie zelden geëvenaard kan worden. We hebben enerzijds een (groeiend) bestand aan fysieke wrakken die, meestal anoniem, soms met naam en toenaam bekend zijn, anderzijds is er nog een immense schat aan nauwelijks aangeboord historisch materiaal.4 In archieven liggen notariële akten, verzekeringspapieren, couranten, brieven en andere berichten over scheepsrampen en ongelukkige reizen die inzicht kunnen geven in handel en scheepsvaart en zelfs kunnen helpen bij het voorspellen waar de wrakken zouden kunnen liggen.

Wrakken in Documenten (WID) Het Wrakken in Documentenproject (WID) is slechts een eerste bescheiden poging om in

NUMMER 22

JANUARI 2013

Nimwegen. Deze fluit van een houtschipper uit Hindeloopen is in 1710 gezonken na een aanvaring. Tussen 1600 en 1800 zijn er veel fluiten gebouwd maar in Nederlandse wateren is er nooit een geïdentificeerd. Ook de Vrede van Nimwegen ligt nog altijd anoniem op de zeebodem, tenzij het wrak is weggespoeld of vergaan.

3 – Twee gestrande, onbewapende Noordvaarders anno 1707 (ets van Jacob l’Admiral 1699-1770)

een beperkt gebied wrakken in beeld te brengen die tussen 1595-1795 rond Texel zijn vergaan. Dit leverde tot nu toe 409 schepen op die veelal met naam, lading, namen van de bemanning (en soms meer) bekend zijn. Deze historische schependatabase geeft een unieke inkijk in het reilen en zeilen van schippers en schepen in een klein maar belangrijk stukje van de Nederlandse wateren; het gebied rondom Texel. De Rede van Texel was eeuwenlang het gebied waar (handels)schepen zich verzamelden die naar Oost Indië, West Indië (Caraïben), het Oostzeegebied, Noorwegen en de Middellandse Zee voeren. Meestal ging het goed, want de rede van Texel was een relatief veilig ankergebied. Toch kwamen alleen al rond Texel tussen 1595-1795 honderden schepen op de bodem terecht. Eén van de schepen in de WID database is de Vrede van Nijmegen. Het was een doodgewone vrachtvaarder, type fluitschip. Het schip zonk na een aanvaring in 1710 ten noordwesten van Texel. Wat lading, opvarenden of scheepstype betreft is het geen bijzonder schip. Het is ook niet teruggevonden of opgegraven en toch is juist dit schip met die bijzondere naam exemplarisch voor een groot deel van de gezonken vrachtvaarders. Bovendien krijgen we zo een inkijkje in

de vaarpraktijk van zeventiende-eeuwse zee varenden.

De Vrede van Nijmegen onder de golven Riskante vaarjaren van een Hindelooper schipper (1702-1713) Voor de Amsterdamsche Courant was de ondergang van de Vrede van Nijmegen in oktober 1710 slechts één van de vele incidenten. Ruim twee weken later meldde de krant summier dat het schip enkele mijlen uit de kust was overzeild en gezonken.5 Zulke ongelukken werden bijna terloops gemeld in de zeetijdingen: er zonken jaarlijks altijd enkele schepen langs de Noord-Hollandse kust. Tussen 1700 en 1710 zijn er in de wateren rond Texel zeker 48 schepen ten onder gegaan, door stormen, strandingen, brand, aanvaringen of andere oorzaken.6 Ook op Texel leidde de ondergang van de Vrede van Nijmegen tot weinig ophef. Vanaf het eiland berichtte Theodora de Clercq aan de Directie van de Oostersche Handel in Amsterdam over de maritieme toestand daar. Zij schreef dat de vloot was vertrokken, maar verzweeg het onfortuinlijke lot van de Vrede van Nijmegen.7 In de notariële archieven is het scheepsongeluk beter gedocumenteerd. Het

25


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

4 – Op dit schilderij van Henri Gascard wordt de vrede getekend tussen Spanje en Frankrijk in 1679. MUSEUM HET VALKHOF

fluitschip was immers gezonken ten gevolge van een aanvaring, zodat er financiële belangen meespeelden. De eigenaren en verzekeraars van de Vrede van Nijmegen hoopten de schade te kunnen verhalen op de tegenpartij. De bemanning wist tijdig te ontkomen en legde in Amsterdam op verzoek van de schipper notariële verklaringen af. Op basis van deze en andere archiefbronnen is een beeld te schetsen van de geschiedenis van de Vrede van Nijmegen.

Houthandel op Noorwegen De vroegste vermelding van de scheepsnaam Vrede van Nijmegen dateert van februari 1702.8 Het schip was toen eigendom van Hidde Tjeerds, éen van de vele houtschippers uit het Friese stadje Hindeloopen. Deze Hidde was in dat jaar zeker veertig jaar oud, aangezien hij in 1684 was getrouwd en daarbij meerderjarig moet zijn geweest.9 Vóórdat hij begon aan zijn zeemansbestaan, was hij actief als houthandelaar. Tussen 16981700 kwam zijn naam voor in bevrachtingscontracten, waarbij hij grote ladingen houten balken liet importeren uit de Zweedse plaats Narva (nu de derde stad in Estland). Hindelooper schippers hadden in deze periode een belangrijk aandeel in de scheepvaart op het Oostzeegebied en Noorwegen. Dit is deels te verklaren vanuit hun overwegend doopsge-

26

zinde geloofsovertuiging. Die verbood hun namelijk om wapens te dragen, het ‘weerloosheidsbeginsel’. Daarom kozen zij liever voor de relatief rustige vaart op Noorwegen dan voor risicovollere routes naar Indië of het Middellandse Zeegebied.10 Wel voeren Hindelooper koopvaardijschepen meestal in konvooi, begeleid door bewapende admiraliteitsschepen. De Hindelooper vloot bestond aan het begin van de achttiende eeuw uit ruim honderd zeegaande vaartuigen. Deze lagen in winterlaag (in veilige haven overwinteren) in Amsterdam, waar de schippers opdrachten aannamen van lokale reders en bevrachters. Als hun schepen in het voorjaar gereed moesten worden gemaakt, brachten binnenvaartschepen de bemanning van het Friese stadje naar de metropool aan het IJ. Eventueel konden zij daar ter plaatse nog aanvullend personeel werven, want Amsterdam was het centrum van de arbeidsmarkt voor zeelieden. Op de heenreis naar de Noorse havens voeren de schippers in ballast of met producten als brandewijn, wijn, hop, vlas, tabak, steenwerk en Leidse kazen. Op de terugweg naar Amsterdam vervoerden zij Scandinavische houtwaren voor de scheepsbouw.11 Het hout uit Noorwegen werd gelost en ge-

veild in Amsterdam. De invoer naar de Zaanstreek, die eind zeventiende eeuw uitgroeide tot centrum van de scheepsbouw, was verwaarloosbaar, aangezien de zware zeeschepen wegens de ondiepten de Zaan niet konden opvaren. Het in Zaandam geveilde hout was grotendeels afkomstig uit de Rijnstreek. Toch onderhielden de Hindelooper schippers goede contacten met Zaanse scheepsbouwers. Zij lieten er massaal hun vaartuigen bouwen, zoals blijkt uit notariële akten.12

Problemen met schippers Ook Hidde Tjeerds zal de Vrede van Nijmegen in de Zaanstreek hebben laten bouwen, nadat hij zijn bestaan als koopman had ingewisseld voor een leven op zee. Die carrièreswitch was niet zo opmerkelijk, want schippers traden in vreemde havens gewoonlijk op als koopman. Helaas is er geen bouwbestek of contract van de fluit van Hidde Tjeerds terug te vinden in de archieven van Zaanse notarissen. Het volledige eigendom had hij niet. Verschillende Amsterdamse kooplieden bezaten een aandeel, zoals dat indertijd gebruikelijk was. Dankzij deze ‘partenrederij’ waren zowel de winst als het risico bij eventuele schade verspreid over een grote groep investeerders. De Vrede van Nijmegen was verdeeld in tenminste 96 ‘parten’ of aandelen. De totale waarde van het schip was ruim 14.000 gulden.13 Onder de eigenaren vinden we rijke


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

De Vrede van Nijmegen 1676-1679 Een pan-Europese vredesconferentie Scheepsnamen met het woord ‘vrede’ erin waren buitengewoon populair onder Hindelooper schippers. Dat schipper Hidde Tjeerds zijn eerste schip specifiek naar de Vrede van Nijmegen vernoemde, is echter opvallend. Waarschijnlijk waren er namelijk al decennia verstreken tussen het van stapel lopen van het schip en de sluiting van deze peis, in 1679. We kunnen niet met zekerheid zeggen

telgen uit het Amsterdamse regentenpatriciaat, zoals de families Rendorp en Roeters, maar ook eenvoudigere burgers. Vanaf het begin van de achttiende eeuw voer Hidde Tjeerds geregeld met de Vrede van Nijmegen op Noorwegen. De houthandel was lange tijd belemmerd geweest door maatregelen van de koning van Denemarken, waartoe Noorwegen toen behoorde. In 1701 hadden Hollandse kooplieden echter gunstige voorwaarden voor houtverschepingen uit Noorwegen geregeld en konden zij weer vrij inkopen.14 Een jaar later haalde Hidde Tjeerds een lading hout uit Kopervik, gelegen boven Stavanger. De terugreis verliep voorspoedig, totdat hij de Hollandse kust in zicht kreeg. Daar werd de fluit aangevaren door een passerende schipper uit Workum. Een deel van de boegspriet was afgebroken, de boeg beschadigd en de schacht van het tuianker was kromgebogen.15 Schipper Hidde Tjeerds kwam wel vaker in problemen met andere schippers. In juni 1703 lag hij klaar om vanuit Texel in konvooi uit te varen, toen een gerechtsdienaar beslag liet leggen op de Vrede van Nijmegen. Hij bleek zelf een ander schip, de Faam, te hebben aangevaren, dat daarbij beschadigd was geraakt. De scheepseigenaar, Cornelis Hobbe, wilde geld zien en liet de Vrede van Nijmegen confisqueren totdat in de betaling was voorzien. Hidde Tjeerds was het daarmee niet eens. Hij had de schade willen laten taxeren door twee neutrale scheepstimmerlieden, maar daarmee was Hobbe niet akkoord gegaan. Via de notaris wees hij een bevriende zeilmaker en scheepstimmerman aan als borgen. Op zijn beurt eiste Hidde Tjeerds een forse schadeclaim, omdat hij nu niet kon uitvaren terwijl er gunstige wind was en het konvooi al was vertrokken.16

Nieuwe eigenaar Ook voor de jaren 1708 en 1709 zijn reizen naar Noorwegen met de Vrede van Nijmegen

wanneer het schip precies gebouwd werd, maar dat zal zijn gebeurd vóór 1697; anders had Hidde Tjeerds zijn schip wel genoemd naar de in dat jaar gesloten Vrede van Rijswijk. De voorgaande Negenjarige Oorlog (1688-1697) was immers desastreus geweest voor de noordvaarders. Zo was in 1696 een groot deel van hun in het Vlie gereedliggende handelsvloot in handen gevallen van Franse kapers.26

gedocumenteerd. Het schip voer altijd zonder bewapening, maar wel in konvooi. De groep van acht tot twaalf bemanningsleden bestond uit bekenden uit Hindeloopen en kundige zeelieden van Ameland. In augustus 1710 duikt plotseling een andere naam op in de scheepslijsten17: dan is Boudewijn (Boldewijn) Tjeerds kapitein van de Vrede van Nijmegen. Hij was ongetwijfeld een familielid en gezien zijn leeftijd (47) hoogstwaarschijnlijk een broer van Hidde Tjeerds. Op 2 augustus 1710 vertrok Boudewijn Tjeerds wederom met de Vrede van Nijmegen vanuit Amsterdam naar Noorwegen.18 In twee dagen voeren zij over de Zuiderzee naar Texel, waar zij achttien dagen moesten wachten op gunstige wind en het vertrek van het konvooi. Bij het uitzeilen bleek de wind echter te krachtig te zijn voor het oude schip: de grote mast brak af. Schipper Boudewijn Tjeerds zette koers naar Medemblik waar de mast werd hersteld. Op 2 oktober vertrok hij opnieuw in konvooi vanuit Texel, maar na zeven mijl werd zijn schip aan stuurboordzijde geraakt door de Zwarte Kat, een andere koopvaarder. Vanaf een stelling probeerden de timmerman en bootsman het ontstane gat nog te dichten, maar ook de boeg had ernstige schade opgelopen en het water stroomde naar binnen. De goederen in het ruim dreven al heen en weer en de bemanning begon uit alle macht te pompen. Omdat de Zwarte Kat was doorgevaren na de aanvaring, bleven Boudewijn Tjeerds en zijn mannen verstoken van hulp terwijl hun schip langzaam zonk. De schipper liet met vuur een noodsein geven. Ook werd de reddingsboot uitgezet om hulp te halen, maar deze sloeg door een harde golf aan stukken. Intussen bleef het schip water maken. De opvarenden zagen het somber in, totdat een andere schipper te hulp schoot en hen aan boord nam. De verlaten Vrede van Nijmegen werd spoedig verzwolgen door de golven.19

Zaak tegen de Zwarte Kat De Zwarte Kat, het schip dat de Vrede van Nijmegen zo ongenadig had geraakt, stond onder leiding van schipper Lolke Fredericksz. Net als Boudewijn Tjeerds was hij afkomstig uit Hindeloopen en voer hij op Noorwegen. Wel had hij een groter schip: een fluit van 219 last met twintig bemanningsleden aan boord. De rol van kapitein Lolke Fredericksz bij de aanvaring was weinig heldhaftig: hij gaf het commando door te varen, terwijl zijn bemanning de noodsignalen van de Vrede van Nijmegen konden zien en wisten dat het schip zwaar beschadigd was.20 Volgens het zeerecht moesten de kosten van een gezonken schip bij een aanvaring worden gedeeld tussen de beide partijen, indien er tenminste sprake was een ongeluk. Bij moedwil of opzet kwamen de kosten geheel op het bordje van de veroorzaker.21 Recente getuigenverklaringen van de opvarenden speelden een doorslaggevende rol in schadezaken. Bij terugkeer in Amsterdam spoedden de bemanningsleden van de Vrede van Nijmegen zich dan ook naar de notaris om hun versie van de werkelijkheid te laten vastleggen. Op verzoek van Boudewijn Tjeerds legden drie matrozen op 29 oktober 1710 een uitgebreide verklaring af. Voor hen was er geen twijfel mogelijk; zij waren overzeild door de Zwarte Kat. In het avondlicht hadden zij het schip herkend aan de opvallend kleine voorsteng: geen enkel ander schip met dat kenmerk was uit Texel vertrokken. Ook zeven bemanningsleden van de Zwarte Kat lieten een verklaring vastleggen bij de notaris. Volgens hun relaas was het juist de Vrede van Nijmegen die hun schip had geschampt.22 Een dag na deze verklaring kwamen de reders van de Vrede van Nijmegen in actie. Namens hen liet de Deense firma Laasbye & Nieugaard schipper Boudewijn Tjeerds expliciet verklaren te zijn overzeild door de Zwarte Kat. Ook vijf bemanningsleden van de Zwarte Kat kregen opnieuw een uitnodiging om voor de notaris te verschijnen. Dit-

27


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

5 – Links een fluit ca. 1650, rechts een fluit ca. 1690. De karakteristieke peervormige achterkant wordt steeds minder uitgesproken aan het einde van de 17e eeuw.

maal verklaarden zij de Vrede van Nijmegen te hebben aangevaren en duidelijk te hebben gezien dat het schip daarbij zware schade had geleden. Met deze getuigenverklaringen op zak begonnen de schipper en reders van het gezonken schip een rechtszaak voor de Amsterdamse schepenen. Zji eisten financiële genoegdoening van Lolke Fredericksz en confiscatie

van diens goederen om deze kracht bij te zetten. De Amsterdamse schepenen ontzegden hun echter die eis.23 De afloop van de rechtszaak is niet terug te vinden in de gerechtelijke archieven. Mogelijkerwijs is de zaak in der minne geschikt. Ook over de verdere lotgevallen van schipper Boudewijn Tjeerds tasten we in het duister. Hidde Tjeerds, de voormalige eigenaar van de Vrede van Nijmegen, voer intussen weer op

6 – Details van het Ghostwreck: links een boeganker, rechts en het hennegat (waar het roer naar buiten komt). De afwezigheid van de paalworm en het zuurstofarme water van de Oostzee zorgen er voor dat wrakken daar vaak goed bewaard blijven.

28

Noorwegen. Zijn nieuwe schip, kortweg de Vrede genaamd, was gebouwd op de werf van scheepsbouwmeester Pieter Jansz Ouwejan in Zaandam. Het was een grote fluit van 129 ¼ voet (ca. 37 meter) lang en 217 last.24 De Hindelooper schipper was optimistisch over de toekomst. Met de Vrede van Utrecht was in 1713 een einde gekomen aan de langdurige en bloedige Spaanse Successieoorlog tegen Frankrijk. Geïnspireerd door dit heuglijke feit doopte Hidde Tjeerds zijn nieuwste schip Vrede van Utrecht.25 De zeventiende eeuw was een bloedige eeuw, waarin Europa verscheurd werd door voortdurende conflicten en oorlogen. De landkaart van Europa werd grondig herschikt en mercantilistische belangen speelden een hoofdrol. De Republiek der Zeven Verenigde Provinciën was een succesverhaal in economisch en politiek opzicht. Bij andere Europese staten, vooral Engeland en Frankrijk, zette dit kwaad bloed, in het Rampjaar 1672 culminerend in een aanval op de Republiek door Frankrijk met Engeland, Zweden, Münster en Keulen als bondgenoten. De waterlinie behoedde het gewest Holland voor een Franse invasie en de sterke vloot onder leiding van Michiel de Ruyter kon de Engelsen van landingen afhouden.


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

De ronde peervormige achterkant maakte de fluit tot een zeer herkenbaar schip. De bewapening werd tot een minimum beperkt; ook dit zorgde voor meer vrachtruimte. De zeileigenschappen waren zo gunstig dat met een relatief kleine bemanning kon worden volstaan. Het scheepstype was een doorslaand succes in de strijd om handel, vracht en kostenbesparing in de zeventiende eeuw. Het bleek het ideale vrachtschip voor de middellange afstand te zijn en het gaf de Hollanders een grote voorsprong in de handel binnen Europa. De fluit groeide zo uit tot het werkpaard van de Gouden Eeuw.

Wrakken en fluiten 7 – Op deze afbeelding is nogmaals de typische peervormige spiegel of achtersteven van fluitschepen te zien. Het tweede schip van links heeft een platte spiegel.

Een militaire patstelling ontstond waarbij de tol van de oorlog al snel voor alle partijen te hoog werd. De coalitie, onder leiding van Frankrijk, viel uit elkaar toen Engeland niet langer bereid was aan de oorlog deel te nemen. In 1674 stelde de Engelse koning Karel II zich op als bemiddelaar tussen de belangrijkste kemphanen Frankrijk en de Republiek. Een geschikte plek om onderhandelingen te beginnen werd gevonden in de centraal gelegen en voor alle partijen acceptabele stad Nijmegen. De vredesconferentie duurde van 1676 tot 1679.27 Deels door de precaire verhoudingen en langdurige protocollen duurde het diplomatieke steekspel in de provinciestad veel langer dan beoogd. Jarenlang onderhandelen resulteerde in een vrede met grote gevolgen voor geheel Europa. Er werd namelijk niet alleen vrede gesloten tussen de Republiek en Frankrijk, maar ook tussen Spanje en Frankrijk, het Duitse Rijk en Frankrijk, Zweden en de Republiek. De onderhandelingen in Nijmegen mondden dus uit in een pan-Europese vrede. De verschillende vredesverdragen werden collectief bekend onder de naam ’Vrede van Nijmegen’ (Treaties of Peace of Nijmegen, Paix de Nimègue). De Vrede van Nijmegen inspireerde vele tijdgenoten tot het maken van schilderijen, pamfletten gedenkpenningen en zelfs muziek. In Parijs werd speciaal ter ere van de vrede de ‘Place des Victoire’ ingericht, met een ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV. De componist Marc-Antoine Charpontier componeerde een Te Deum ter gelegenheid van de vrede. Inmiddels is de Prelude van dit muziekstuk bij praktisch elke Europeaan bekend, omdat het wordt gebruikt als intro-tune van het Eurovisie Songfestival.

Voor schipper Hidde Tjeerds waren de maritieme bepalingen van het Nijmeegse vredesverdrag significanter dan al deze pracht en praal. In het traktaat van commercie, navigatie en marine, een afzonderlijk onderdeel van de vrede van 1679, hadden de koning van Zweden en de afgevaardigden van de StatenGeneraal afspraken gemaakt over de behandeling van schepen en schippers. Naast algemene bepalingen over de vrijheid van scheepvaart en koophandel werden praktische maritieme zaken geregeld. Zo zouden confiscatie van elkaars schepen, lading en zeelieden voortaan tot het verleden behoren, terwijl ook de procedures bij bergingen werden gereguleerd. In de praktijk was de goede verstandhouding van korte duur: tijdens de Grote Noordse Oorlog (1700-1721) leed de Hollandse Oostzeevloot opnieuw grote schade door Zweedse kapers.

Het fluitschip: Dutch design in de zeventiende eeuw De Vrede van Nijmegen was een vrachtschip van het type fluit. De fluit was het meest succesvolle vrachtschip in de zeventiende en begin achttiende eeuw. De fluit ontstond rond 1600 in Hoorn uit al bestaande scheepstypen zoals de gaing en buis. De fluit werd ten opzichte van bestaande vrachtschepen verlengd. De gebruikelijke lengte breedte verhouding was 1:3,5. Fluiten werden 1:4 en zelfs 1:5 en werden daarmee smaller en beter bezeilbaar. De fluit had toch een bol ruim voor extra vrachtruimte. Het dek was zeer smal en leek als het ware ‘ingesnoerd’. Door de hoge graad van specialisatie en mechanisatie (houtzagerijen Zaanstreek) van de scheepsbouw in Holland was de fluit goedkoop te bouwen.

Tussen ca. 1600-1800 zijn er veel fluiten gebouwd maar er zijn tot nu toe slechts drie min of meer complete wrakken gevonden (in Zweedse wateren) die ook als fluit geïdentificeerd worden. In Nederlandse wateren is kon tot nu toe geen fluit worden geïdentificeerd.28 Begin jaren ’60 werd in de Zweedse haven Dalarö een wrak gevonden dat als fluit kon worden geïdentificeerde en stamt uit dezelfde periode als de Vrede van Nijmegen. Het schip heette de Anna Maria, was gebouwd in 1693 in Amsterdam en werd verkocht aan een Zweedse rederij. De Anna Maria voer in 1709 van Stockholm naar Portugal, maar werd door winterse buien overvallen en moest wachten in de haven van Dalarö. De bemanning die was overgebleven om schip en lading te bewaken en onderhouden, was naar de haven gevaren om op te warmen en een borreltje te drinken. Het was tijdens dit ‘personeelsuitje‘ dat de Anna Maria vlam vatte en jammerlijk zonk. Helaas is de achtersteven met de meest in het oog springende fluitkenmerken geheel verloren gegaan.29 De twee andere fluitachtige wrakken respectievelijk het zogenaamde Ghostwreck (ontdekt in 2007) en het Lionwreck (ontdekt in de buurt van Stockholm 2009) worden ruwweg tussen 1630-1650 gedateerd.30

Doopsgezinde schippers De fluit was door de geringe of zelfs afwezige bewapening alleen voor de handelsvaart op bestemmingen in veilige wateren geschikt. En dat waren er in de zeventiende eeuw niet veel. Bestemmingen die onbewapend konden worden bezeild, waren hooguit Noorwegen en de Oostzee. Hidde Tjeerds, de schipper van de Vrede van Nijmegen, kwam uit Hindeloopen, waar veel schippers doopsgezind waren. Centraal thema van deze protestantse stroming, ontstaan tijdens de Reformatie in Zürich (1524), was de wedergeboorte en de daarmee gepaard gaande hernieuwde doop. De doopsgezinden streef-

29


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

den naar een geweldloze samenleving. Het is voorstelbaar dat een succesvolle vredesconferentie die daadwerkelijk langdurige vrede opleverde – in ieder geval voor de Republiek – een positieve uitstraling had op tijdgenoten. Eén van die tijdgenoten was Hidde Tjeerds. De periode van vrede en voorspoed waarin Hidde opgroeide werd rechtstreeks door hem in verband gebracht met de Vrede van Nijmegen uit 1679. De positieve werking van de Nijmeegse Vrede werd zelfs decennia later nog door hem ervaren. Zodanig dat hij er zijn nieuw gebouwde fluitschip naar vernoemde als bron van voorspoed en welvaart. Voor de Hindelooper schippers braken inderdaad gouden tijden aan. Tussen 1700 en 1747 domineerden zij de vaart op Noorwegen en later vooral op havenplaatsen als Reval (Tallinn) en Narva in het Oostzeegebied. In de winter van laatstgenoemd jaar kwam er echter een abrupt einde aan deze voorspoed: door een hevige storm in de Russische houthaven Narva werd de Hindelooper vloot gedecimeerd.31 Doorgaans wordt de terugval van het aandeel van het Friese stadje in de Oostzeehandel toegeschreven aan politiek-economische oorzaken. Uit vrees dat de Russische bossen uitgeput zouden raken, had tsarina Elisabeth in 1756 namelijk de houtexport aan banden gelegd.32 Slechte weersomstandigheden hadden echter al negen jaar eerder het lot van de Hindelooper scheepvaart bezegeld. Nader onderzoek naar scheeps- rampen zou meer licht kunnen werpen op deze onbekende kanten van onze maritieme geschiedenis.

Archivalia – Nationaal Archief Den Haag: Toegangnr. 1.01.02, Staten-Generaal, ‘Liassen Moscoviën’, 1615-1795. – Stadsarchief Amsterdam (SA): Archief 78, Archief van de Directie van de Oostersche Handel en Reederijen. Archief 5036, Archief van de Burgemeesters: zeebrieven. Archief 5061, Schout en schepenen, geprivilegieerde rol. Archief 5075, Notariële Archieven (NA). – Tresoar: Trouwregister Gerecht Hindeloopen 1594-1685, DTB.

Literatuur – Amsterdamsche Courant. Manders, M. & Brouwers W.: Het ‘Ghostwreck’. Een fluitschip in de Oostzee, Archeobrief 3, jaargang 13, september 2009, 2-8. – Groenveld, S., Het ‘doopsgezind eigene’ in historisch perspectief, Doopsgezinde bijdragen, nieuwe reeks, 7 (1981) 11-30. – Hart, S., Geschrift en getal een keuze uit de

30

demografisch-, economisch- en sociaal-historische studiën op grond van Amsterdamse en Zaanse arachivalia, 1600-1800 (Dordrecht 1976). – Jonge, J.C. de, Geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen, deel III (Haarlem 1860). – Hell , Maarten & Gijsbers, Wilma, Geborgen of gezonken Papieren getuigen van scheepsrampen rond Texel (1575-1795) in Tijdschrift voor Zeegeschiedenis, jaargang 31, 1, 2012 – Lemmens, G. (ed.), De vrede van Nijmegen. Catalogi van het kunstbezit van de Gemeente Nijmegen nr. 1 (Nijmegen 1978). – Lindblad, J.T., Dutch trade on Narva in the eighteenth century, in: Around Peter the Great: three centuries of Russian-Dutch relations (Groningen 1997) 103-114. – Lootsma, S., De zeevaart van Hindeloopen in de zeventiende en achttiende eeuw, Economisch-Historisch Jaarboek 21 (1940) 218-296. – Nievelt, C. van, Bronnen van de Nederlandse codificatie van het zee- en assurantierecht, 1798-1822 (Leiden 1978). – Royen, P.C. van, Zeevarenden op de koopvaardijvloot (Amsterdam 1987). – Sprunger, M., ‘Hoe rijke mennisten de hemel verdienden: een eerste verkenning van de betrokkenheid van aanzienlijke doopsgezinden bij het Amsterdamse zakenleven in de Gouden Eeuw’, Doopsgezinde bijdragen, nieuwe reeks, 18 (1992), pag. 39-52.

Noten 1

Zie voor programma maritiem erfgoed: www.cultureelerfgoed.nl/Maritiem%20programma%20 2 MACHU GIS www.machuproject.eu. Een groot voordeel van deze aanpak is dat men zonder dure duikexpedities veel gegevens kan verzamelen en op afstand interpreteren. Op grond van deze gegevens kunnen eerste keuzes worden gemaakt betreffende behoud en bescherming van het erfgoed onderwater. 3 Zie voor meer informatie: www.machuproject.eu. 4 In Wrecks in Situ (WIS) zijn de eerste resultaten te zien van wrakken en sites die zowel archeologisch als historische bronnen combineren. www.maritiemprogramma.nl/WIS.htm 4 Amsterdamsche Courant, 17-10-1710. 5 Cijfers ontleend aan Wrecks in Documents, zie: www.maritiemprogramma.nl/WID.htm [geraadpleegd op 16-3-2012]. 7 Stadsarchief Amsterdam (SA), Archief 78, inv. nr. 445. 8 SA, Notariële Archieven (NA), Archief 5075, inv. nr. 5624, p. 250, boedelinventaris d.d. 27-2-1702. 9 Trouwregister Gerecht Hindeloopen 1594-1685, DTB 407. 10 S. Groenveld, ‘Het "doopsgezind eigene" in historisch perspectief’, Doopsgezinde bijdragen, nieuwe reeks, 7 (1981) 11-30, aldaar 24. Vgl. M. Sprunger, ‘Hoe rijke mennisten de hemel verdienden: een eerste verkenning van de betrokkenheid van aanzienlijke doopsgezinden bij het Amsterdamse zakenleven in de Gouden Eeuw’, Doopsgezinde bijdragen, nieuwe reeks, 18(1992), pag. 39-52, aldaar 43-44. 11 S. Lootsma, ‘De zeevaart van Hindeloopen in de zeventiende en achttiende eeuw’, Economisch-Historisch Jaarboek 21 (1940) 218-296; vgl. de kritiek op het aandeel Hindelooper schippers in de vaart op

Noorwegen in: P.C. van Royen, Zeevarenden op de koopvaardijvloot (Amsterdam 1987) 27-29 en 37. 12 Lootsma, ‘Zeevaart’, 238; S. Hart, Geschrift en getal een keuze uit de demografisch-, economisch- en sociaal-historische studiën op grond van Amsterdamse en Zaanse arachivalia, 1600-1800 (Dordrecht 1976) 71-85. 13 SA, NA 7717/847, transportakte d.d. 19/25-6-1708. 14 Hart, Geschrift en getal, 85. 15 Twee jaar later, in 1704, speelde er nog steeds een rechtszaak tussen hem en de Workumse schipper, zie: SA, NA 5294/993, procuratie d.d. 7-10-1704; NA 5290/995, attestatie d.d. 29-9-1702. 16 De afloop van de schadezaak is onbekend. SA, NA 7291/1817, insinuatie d.d. 1-6-1703. 17 Te vinden in: SA, Archief van de Directie van de Oostersche Handel en Reederijen (archiefnr. 78), inv. nrs. 169-171. 18 In de registers van de zeebrieven vinden we op 2-8-1710 ‘Jan Harmansz van Amsterdam’; mogelijk de boekhouder van de reders. SA, Archief van de Burgemeesters: zeebrieven (archiefnr. 5036), inv. nr. 1. 19 SA, NA 5920, scheepsverklaring 23-4-1711; NA 5918/597, attestatie d.d. 29-10-1710. 20 SA, NA 5920, scheepsverklaring d.d. 27-4-1711. 21 Carel van Nievelt, Bronnen van de Nederlandse codificatie van het zee- en assurantierecht, 1798-1822 (Leiden 1978) 138-139. 22 SA, NA 5920, scheepsverklaring d.d. 23-4-1711; NA 5918/597, attestatie d.d. 29-10-1710. 23 SA, Archief 5061, Geprivilegieerde rol, inv. nr. 1953. 24 Een van de partenreders is zijn vriend, zeilmaker Jacob Fransz Overzee, zie: SA, NA 5427/1143, boedelscheiding d.d. 5.12.1710; Lootsma, ‘Zeevaart’, 290. 25 SA, Zeebrieven (archiefnr. 5036), inv. nr. 1. 26 J.C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen, deel III (Haarlem 1860) 496-504. 27 G. Lemmens (ed.), De vrede van Nijmegen. Catalogi van het kunstbezit van de Gemeente Nijmegen nr. 1 (Nijmegen 1978). 28 In de Waddenzee is een wrak onderzocht dat er nog het dichtst bij komt. Het wrak is bekend als Scheurrak SO1 en zonk ca. 1590. Het wrak werd uitvoerig onderzocht en opgegraven in de jaren ’90. Het was een handelsschip dat op de Oostzee voer (Oostvaarder). Scheurrak SO1 heeft een aantal fluitkenmerken maar was geen fluit. MACHU WIS: www.machuproject.eu/wrecksites-cms.htm. 29 Zie voor de Anna Maria: www.machuproject.eu/ machu_cms/index.php?mode=standalone_viewe&wr eck_id=15&puid=undefined. 30 Voor Ghostwreck zie ook: Will Brouwers en Martijn Manders, Het Ghostwreck, in Archeobrief jaargang 13, nr. sept 2009. Het schip is bijna in haar geheel bewaard gebleven, met twee van de drie masten nog altijd overeind staand. Voor het eerst kunnen we de originele vorm van het schip van buiten en van binnen nauwkeurig onderzoeken. 31 Nationaal Archief Den Haag, toegangnr. 1.01.02, inv. nr. 7376, 29-09, 2-10-1747. 32 J.T. Lindblad, ‘Dutch trade on Narva in the eighteenth century’, in: Around Peter the Great: three centuries of Russian-Dutch relations (Groningen 1997) 103-114. 쮿


V O O R

U

gelezen

VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

Jubileumboeken Brabants Landschap & Landschap Overijssel BRABANTS LANDSCHAP AUTEURS

Thijs Capers tekst, foto’s Huub Smeding UITGAVE

PicturesPublisers RECENSENT

Edwin Raap DETAILS

488 pagina’s, 2012 ISBN 9789073187764 PRIJS

€ 39,95 LANDSCHAPPEN VAN OVERIJSSEL

meld, zodat je het ook in het echt kunt beleven. In Brabant is voor een andere opzet gekozen. Naast Brabants Landschap heeft het Brabant Particulier Grondbezit ook iets te vieren, te weten een 20 jarig jubileum. Samen hebben ze een boek gemaakt over de landgoederen in Brabant. Dat 2012 ook het themajaar was van de buitenplaatsen zal ook meespelen, al is dat niet expliciet vermeld. Alle rond de 150 gelegen Brabantse landgoederen staan overzichtelijk op kaart vermeld en komen allemaal terug in de tekst. De één uitgebreider dan ander. Ook hier zijn de foto’s af en toe van verbijsterende kwaliteit en wil je het boek bij wijze van spreken inkruipen. Alle lof derhalve voor fotograaf Huub Smeding.

AUTEURS

Ineke Baan, Henk Hengeveld, Martien Knigge Henk van der Ve lde, foto’s Michiel Pothof UITGAVE

WBooks DETAILS

192 pagina’s, 2012 ISBN 9789040007637 PRIJS

€ 24,95 n ons land zijn verschillende grote terreinbeherende organisaties actief. Sommige landelijk, zoals Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer, sommige provinciaal of regionaal. De provinciale landschappen zijn, zoals hun naam al doet vermoeden, actief in de provincies. Hun geschiedenis is start vanaf eind jaren ’20 van de vorige eeuw. Op initiatief van Natuurmonumenten werden in die periode door het land stichtingen in het leven geroepen met als doel het natuur- en landschappelijk schoon te behouden en te beschermen. Dit mondde uit in wat we tegenwoordig de provinciale landschappen noemen en waar iedereen lid van kan worden (doen!).

I

We zijn nu gemiddeld 80 jaar verder en dus jubileert het ene na het andere landschap. Dit jaar is het de beurt aan Brabant en Overijssel om hun 80-jarig bestaan te vieren. Dat hebben beide organisaties luister bijgezet met een jubileumboek. Ze worden in dit stuk tegelijk besproken.

Overeenkomsten en verschillen in insteek De nadruk in beide boeken ligt duidelijk op het visuele: kijk eens hoe mooi onze provincie toch is. We zijn er trots op en willen dat delen met de lezer. In beide boeken levert dat werkelijk schitterende platen op. Michiel Pothoff maakte de foto’s in Overijssel. Hij was enkele jaren terug ook verantwoordelijk voor de foto’s uit de Canon van het Nederlandse landschap, samen met Dirk Sijmons. Uit het voorwoord blijkt dat de canon ook de inspiratie vormde voor het Overijsselse boek. In feite is het boek de Canon van de Landschappen van Overijssel in 34 platen. Van alle foto’s in het boek is keurig in een kader de precieze GPS-locatie ver-

Zakelijke toon Het Overijsselse boek begint met een verhandeling over hoe de provincie een mensenlandschap werd. Het stuk is van de hand van Henk van de Velde, (oud-) redacteur van Vitruvius. Prima geschreven, maar het verraadt toch ook zijn achtergrond als archeoloog. Een groot deel van de tekst gaat over de archeologische sporen, met een nadruk op de Romeinse tijd. De Middeleeuwen en de periode erna, die toch bepalender zijn geweest voor het huidige landschap dan de tijd ervoor, komen er bekaaid van af. Het zou beter geweest zijn als een andere auteur had meegeschreven. Dit is geen verwijt aan van de Velde; ikzelf ben historisch-geograaf en zou waarschijnlijk in zo’n geval de archeologie er een beetje bij laten hangen. Het Brabantse boek heeft een heel andere toonzetting. De auteur heeft gekozen voor een veel informelere aanpak. Het is alsof je als lezer door de gids bij de hand wordt genomen en onderweg de smeuïge anekdotes over diverse adellijke lieden krijgt voorgeschoteld. Aanvankelijk is dit populaire taalgebruik heel aardig, maar gaandeweg ga je je eraan storen. De hoeveelheid landschappelijk informatie is daarnaast beperkt en na het zoveelste stuk over een bewoner van een landgoed weet je het wel. Jammer, hoewel het wel te begrijpen valt bij een boek over landgoederen dat is geschreven met de particuliere grondbezitters.

Waar zijn de bronnen? Landschappen in Overijssel brengt per landschapstype een aantal karakteristieke voorbeelden in beeld en voorziet ze van commentaar. De landschappelijke ontwikkeling wordt kort beschreven en af en toe staat er in een kader een verhaal uit het landschap bijgevoegd. Hierin komen bewoners uit de buurt van de locatie aan het woord en vertellen wat hun band met de plek is. Dit maakt het boek persoonlijker dan alleen de tekst en het werkt dus prima. De historische informatie is prima. Maar waar de auteur(s) hun informatie vandaan hebben gehaald, blijft in nevelen gehuld. Er ontbreekt namelijk een literatuurlijst. Dat in de tekst niet gekozen is om met noten te werken kan ik begrijpen, maar zet dan

31


V O O R

gelezen

U

VITRUVIUS

achterin het boek in ieder geval een lijst met relevante boeken, artikelen en websites. We moeten er nu maar vanuit gaan dat alle informatie klopt. Als het boek zelf gebruikt zou worden als bron, dan zou ik daar vraagtekens bij stellen. De gebruikswaarde in het (populair) wetenschappelijke veld is dus beperkt. Een dergelijk opmerking geldt ook voor het Brabantse boek.

Conclusie Voor beide boeken zijn de foto’s belangrijker zijn dan de tekst. Om de donateurs tevreden te stellen en het grote publiek te bereiken is die keus gerechtvaardigd. Het is jammer dat als men zich iets meer moeite had getroost, de boeken ook in de weten-

NUMMER 22

JANUARI 2013

schappelijke wereld gebruikt zouden kunnen worden. Nu is dat beperkt het geval. Beiden boeken tonen aan dat Nederland veel moois herbergt. Jubileumboeken als deze behoren dat te doen. Weet echter ook, dat het de parels zijn in ons land en laat niemand denken dat het allemaal zo goed gaat met ons landschap. Heel duidelijk blijkt uit beide boeken dat het niet dankzij recent overheidsbeleid is dat parels in stand zijn gehouden. Dat was vooral particuliere bevlogenheid, her en der ondersteund door overheidsregelingen. De Natuurschoonwet 1928(!) is het belangrijkste gebleken, alles erna veel minder. Dat geeft toch te denken. 쮿

Roodbaards Rijkdom – Landschapsparken Noord Nederland 1800-1850 Friesland, Groningen en Drenthe AUTEURS

Els van der L aan-Meijer, Willemieke Ottens UITGAVE

Bonas, stichting Bonas-Nederlands architectuur-instituut, Rotterdam RECENSENT

Gerdy Verschuure DETAILS

Paperback, 231 pagina’s Geillustreerd in kleur

analyse en archiefonderzoek) waardoor veen thema’s worden behandeld. Hierin reflecteert de achtergrond van beide auteurs, een landschapsarchitecte en architectuurhistorica. Het boek kent twee delen. Het inleiding, het eerste deel, is een veelkleurig verhaal met schitterende prenten, waarin zowel de levensbeschrijving van Roodbaard, zijn opdrachtgevers, zijn collega-landschapsarchitecten en de tijdgeest wordt neergezet met bijbehorende (ontwerp)projecten. Daarnaast kent de inleiding ook een analyse van zijn ontwerptekeningen en een analyse van zijn tuinontwerpen en ontwerpstijl, die in tien thema’s wordt samengevat. En met dit laatste deel is het historisch landschap architectonische onderzoek vertaald naar de huidige ontwerppraktijk, waarin ontwerphandvatten worden aangeboden aan eigenaren en beheerders van Roodbaardtuinen en parken.

ISBN-EAN 978-90-76643-55-7 PRIJS

€ 30,00 oodbaards Rijkdom is een monografie in de Bonasserie over het leven en de tuinen van landschapsarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851). Roodbaard ontwierp indrukwekkende landschapstuinen en parken voornamelijk in de Engelse (late) landschapsstijl in Friesland, Groningen en Drenthe. Na zijn opleidingen tot hovenier en tekenaar in Assen en Groningen, verhuisde Roodbaard in 1824 naar Leeuwarden waar hij zou blijven wonen. Zijn opdrachten varieerden van de aanleg van buitenplaatsen, zoals Lyndenstein, Oranjestein, Roptastate, Staniatate en vele anderen tot de openbare wandelparken voor stadsbesturen, zoals de Leeuwarder Bolwerken waaronder de Prinsentuin, de Harlinger Bolwerken en de Algemene Begraafsplaats van Leeuwarden.

R

Het boek kent een multidisciplinair karakter door de viertraps onderzoeksmethode (cartografie, genealogie, ruimtelijke

32

Het tweede deel is een vernieuwde inventarisatie van Roodbaardtuinen, begeleidt met enkele heldere overzichtskaarten waaruit ook de rijkdom van het buitenplaatsenlandschap van het noorden terug in is te vinden. Deze inventarisatie is sterk uitgebreid door nieuw archief onderzoek, dat niet alleen op tekeningen en rekeningen is gebaseerd, maar ook op andere bronnen, zoals bijvoorbeeld een tabaksdoos met inscriptie. Wellicht zou nader onderzoek het onderzoek overtuigender kunnen maken in hoeverre Roodbaard het gehele ontwerp of slechts enkele aanpassingen maakten en in hoeverre er echt sprake is van een Roodbaard tuin. Hoewel Roodbaard al onderwerp al eerder was verschenen in de Bonasreeks, was de omvang en inhoud van dit onderzoek de reden voor deze vernieuwde uitgave; een terechte keuze. Het is een goed leesbaar boek geworden met schitterende prenten en analysetekeningen, waardoor het voor zeer uiteenlopende professionals een aanvulling is. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

recent V E R S C H E N E N Hertogen van Gelre AUTEUR

Gerben Graddesz Hellinga UITGAVE

Walburg Pers DETAILS

Gebonden, 176 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-5730-831-4 PRIJS

€ 29,95 ( € 34,95 na 1 januari 2013) ot halverwege de zestiende eeuw was Gelre een belangrijk vorstendom, van groter gewicht dan Holland en Zeeland bijvoorbeeld, ook ‘internationaal’. Het graafschap, later hertogdom, omvatte vrijwel de hele oostelijke helft van het huidige Nederland. De graven en hertogen die Gelre regeerden tussen 1100 en 1543 voerden vele oorlogen met

T

Monumentengids Lochem (Monumenten in Gelderland nr.8) AUTEUR

CeesJan Frank UITGAVE

Matrijs (i.s.m. Gemeente Lochem) DETAILS

Genaaid gebrocheerd, 192 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-905345-457-2 PRIJS

€ 19,95 ussen IJssel en Berkel ligt de uitgestrekte plattelandsgemeente Lochem, een lappendeken van historische landschappen, rijk bedeeld met natuurschoon, rivieren en beken, bezaaid met kerkdorpen en buurtschappen, oude enkgronden en lommerrijke landgoederen. De grootste kern is Lochem, stad sinds 1233, maar van oudsher nauw verbonden met

T

Historische atlas van Rotterdam

AUTEURS

Paul van de Laar, Mies van Jaarsveld UITGAVE

VanTilt DETAILS

Paperback, 80 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-94-6004-105-1

Frankrijk, het hertogdom Brabant, het bisdom Utrecht en Duitse vorsten. De Noordelijke Nederlanden hadden allemaal gedurende tientallen jaren te lijden tijdens de Gelderse Oorlogen die hertog Karel voerde met zijn grootste tegenstrever: keizer Karel de Vijfde. Leven en werken van alle Gelderse vorsten woren in aparte hoofdstukken beschreven, en omdat niemand los gezien kan worden van de tijd waarin hij leefde, zijn tussen die hoofdstukken korte beschrijvingen ingelast van allerlei aspecten van het leven in de middeleeuwen. Wat was een ridder? Hoe zat het feodale systeem in elkaar? Hoe zat het met de kruistochten, en de Honderdjarige Oorlog? Hoe ontstonden het hertogdom Brabant, het bisdom Utrecht, het graafschap Holland? Hoe voerde men oorlog in die tijd? Hoe leefden boeren en stedelingen? Hertogen van Gelre biedt naast een portrettengalerij van de Gelderse vorsten daarom tevens een overzicht van de tweede helft van de middeleeuwen. 쮿

het agrarische ommeland. Het roemrijke verleden weerspiegelt zich in de omgrachte binnenstad en de Gudulakerk met haar meer dan duizendjarige geschiedenis. Eind negentiende eeuw kwam rond Lochem, niet veel later gevolgd door Gorssel en omstreken, het toerisme op gang. Fraaie landschappen, gezonde boslucht en uitstekende accommodaties lokten vele gefortuneerden in de zomermaanden naar het land achter de IJssel. Velen vestigden zich er permanent in aantrekkelijke villa’s en landhuizen, onder meer in nieuwe Lochemse villabuurten en langs de oude lanen rond Gorssel. Ze vormen met de historische boerderijen en de oude kastelen en buitenplaatsen het belangrijkste bouwkundige erfgoed van de gemeente Lochem en zijn ruim vertegenwoordigd op de rijks- en de gemeentelijke monumentenlijst. In de Monumentengids Lochem worden ruim honderd van de belangrijkste monumenten gepresenteerd en ingeleid door thematische verhalen over het ontstaan van de nederzettingen, de boerderij- en de villabouw. Zo nodigt de gids u uit voor een verrassende ontdekkingstocht naar het verleden van deze mooie gemeente! 쮿

e atlas laat zien hoe Rotterdam van een landstad veranderde in een fraaie koopmansstad, vol prestigieuze gebouwen en deftige koopmanshuizen. Na 1880 groeide Rotterdam uit tot een moderne, bloeiende havenstad, waarvan in mei 1940 de binnenstad door het Duitse bombardement bijna volledig werd verwoest. De bewogen, van tijd tot tijd onstuimige geschiedenis van onze belangrijkste havenstad wordt door kaarten en illustraties toegankelijk in beeld gebracht. 쮿

D

PRIJS

€ 19,50

33


recent

VITRUVIUS

Van volkskerk tot kathedraal De St.-Jozefkerk in Groningen AUTEURS

E.O. van der Weff (eindred.) UITGAVE

Philip Elchers DETAILS

Genaaid gebonden, hardcover, 192 pagina’s, geheel in kleur, ruim 130 illustraties, ISBN 978-90-5048-128-1 PRIJS

€ 29,50 n 2012 is het 125 jaar geleden dat de St.-Jozefkerk aan de Radesingel in Groningen door de aartsbisschop van Utrecht is ingewijd. Deze katholieke hoofdkerk van de stad

I

Het Grote Jaren 50 Boek AUTEUR

Paul Brood, René Kok en Erik Somers UITGAVE

WBooks DETAILS

Gebonden, 310 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-90-4000-710-1 PRIJS

€ 49,50

n Het Grote Jaren 50 Boek wordt aan de hand van bijna vierhonderd foto's een beeld geschetst van de jaren vijftig. De publicatie is tot stand gekomen in samenwerking met het Nationaal Archief. Het boek is van de hand van de makers van Het Grote 40-45 Boek, een soortgelijk fotoboek over de

I

1599 km tussen Amsterdam en Gouda Een ontdekkingstocht langs Nederlandse plaatsnamen in Zuid-Afrika

AUTEUR

Bart de Graaff UITGAVE

Scriptum DETAILS

Paperback, 136 pagina’s, geïllustreerd in kleur, ISBN 978-90-5594-892-5 PRIJS

€ 15,99 msterdam en Utrecht. Amersfoort en Ermelo. Haarlem en Dordrecht. Dorpen en dorpjes die diep verscholen liggen in het binnenland van Zuid-Afrika, waar nooit of vrijwel

A

34

NUMMER 22

JANUARI 2013

V E RS C H E N E N

Groningen is tevens de kathedraal van het bisdom GroningenLeeuwarden. Hij werd in 1887 ontworpen door de bekende Nederlandse architect P.J.H. Cuypers, eveneens verantwoordelijk voor de bouw van het Rijksmuseum in Amsterdam. Ter gelegenheid van dit jubileum verscheen bij Philip Elchers een boekuitgave waarin uitgebreid aandacht wordt besteed aan de bouw- en parochiegeschiedenis, de rijke collectie voorwerpen voor de eredienst, de orgels en luidklokken en de geschiedenis van het liturgische gebruik van de kerk. De uitgave is bestemd en aantrekkelijk voor een breed publiek en gebaseerd op nieuw en origineel wetenschappelijk onderzoek. De samenstellers van het boek zijn Prof. dr. S.L. de Blaauw (kunsthistoricus), Dr. A.A.M.J. van Eck (adviseur orgels), R.C.M. van Glansbeek (historicus), Dr. A. Hilhorst (filoloog) en Drs. E.O. van der Werff (historicus), die tevens de eindredactie voerde. En dat betekent dat een buitengewoon deskundig en breed team auteurs het uitgebreide verhaal over dit bijzondere bouwwerk tot leven brengt. 쮿

Tweede Wereldoorlog dat afgelopen jaar genomineerd was voor de Libris Geschiedenis Prijs. In de nieuwe uitgave wordt het Nederland van de jaren vijftig in beeld gebracht. Dit aan de hand van bijna vierhonderd foto’s, waarvan een groot deel in kleur met korte begeleidende teksten. De uitgever over het boek: In dit boek staat het besef centraal dat in de jaren vijftig maatschappelijke veranderingen de basis legden voor onze huidige welvaart. Hoe lukte het ons op de puinhopen van de oorlog een nieuwe samenleving op te bouwen? Dat roept natuurlijk gevoelens van nostalgie op, van heimwee naar een tijd van zekerheden, waarin het gezag van kerk en overheid nog vanzelfsprekend was. Het boek geeft volgens de uitgever een "nieuwe visie op de jaren vijftig". Volgens de makers is het in ieder geval onzin te denken dat het een saaie en onbenullige tijd was. Het sluit aan bij de 'revival of the fifties' en brengt Nederland en de Nederlanders in beeld, met bekende en minder bekende foto's van vele fotografen. 쮿

nooit bezoekers komen. Dit boek diept de verrassende verhalen op achter Utrecht, dat zijn naam dankt aan een chanterende dominee, en andere 'Hollandse' plaatsen in het land onder de zuidersterren. Wat deed het schaap in de ambulance van Haarlem? Wat zoeken Urkers in de woestijn? En wat hebben krokodillen met Amsterdam van doen? 1599 Kilometer van Amsterdam naar Gouda is een reisverslag vol lieg-, lag- en hartseer stories die hier en vaak ook in Zuid-Afrika zelf vergeten zijn. Bart de Graaff is historicus, filmschrijver en hoofdredacteur van het maandblad Zuid-Afrika. Voor dit boek reisde hij 5.000 kilometer door Zuid-Afrika en sprak hij baasvertellers van Gouda tot Amsterdam, van Delft tot Marken en van Haarlem tot Middelburg. Aangevuld met persoonlijke reiservaringen, laat hij de lezer met dit boek een verborgen, fascinerende kant van Zuid-Afrika zien. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

recent V E R S C H E N E N

Tekens aan de wand – Geschilderde muurreclames in Nederland AUTEURS

J.J. Havelaar, P. Nijhof UITGAVE

Trichis DETAILS

Genaaid, harde kaft, 172 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur, ISBN 978-94-9060-814-9 PRIJS

€ 29,95

Superieur interieur – Van Coco Chanel tot Marcel Wanders AUTEUR

Dominic Bradburry/ Richard Powers (foto) UITGAVE

WBooks DETAILS

Gebonden, 352 pagina’s, ca. 400 kleurillustraties, ISBN 978-90-4000-749-1 PRIJS

€ 49,50

S

uperieur interieur omvat honderd van 's werelds belangrijkste en meest invloedrijke interieurs ontworpen door de grote talenten van de 20ste en 21ste eeuw, en vertelt de vaak intieme verhalen van deze opmerkelijke ontwerpen, hun makers en hun klanten. Van minimalisme tot maximalisme

Wat een held! – Tien vaderlanders op een voetstuk AUTEUR

Martin Sommer UITGAVE

Veen Media DETAILS

Gebonden, 112 pagina’s, ISBN 978-90-8571252-7 PRIJS

€ 9,50

W

ie de krant leest, ontkomt niet aan de indruk dat de Nederlandse geschiedenis vooral een beschamende

p markante plaatsen in dorpen en steden resteert nog een klein aantal van de honderden historische reclames die er ooit zijn geweest. Het zijn vooral de muurschilderingen die sterk tot de verbeelding spreken. Soms zijn ze vaag herkenbaar of verborgen onder een laag verf. Deze reclames hebben door hun duidelijke beeldtaal en zeldzaamheid een bijzondere historische betekenis gekregen. Het zijn representanten van een kenmerkende reclamestijl. De Stichting Tekens aan de Wand zet zich in voor behoud en restauratie van deze reclames. Deze bijzondere publicatie is naast een eerste landelijke inventarisatie ook de manier om het cultuurhistorische belang van muurreclames te onderstrepen. Het geeft tevens de mogelijkheid om dit erfgoed onder de aandacht van een breed publiek te brengen. 쮿

O

en alles daartussen: bij deze stilistische odyssee komt iedereen van Alvar Aalto tot Coco Chanel, van Henry Moore tot Piero Fornasetti, van Marcel Wanders tot Axel Vervoordt en van Marc Newson tot Karim Rashid aan bod. Elke denkbare stijl is vertegenwoordigd, waaronder sommige die de benaming interieur tarten. Variërend van Gesamtkunstwerk of ruimten met ingebouwd meubilair, tot pittige essays in textuur en stof, adembenemende decoratieve follies, onvoorstelbaar vakmanschap en elegante composities van nuance en terughoudenheid. Bondige, informatieve teksten en levendige illustraties, gecombineerd met fotografie die speciaal voor deze uitgave werd gemaakt, bieden gedetailleerde documentatie, terwijl een bibliografie en een geografisch index handige informatie verstrekken. De interieurs bewijzen dat gevestigde smaak en echte creativiteit de toets van de tijd weten te doorstaan. Met honderden ideeën voor de hedendaagse huiseigenaar, architect en designer, bevat deze uitgave voor iedereen genoeg inspiratie voor het inrichten van zijn huis. 쮿

geschiedenis is. Jan Pieterszoon Coen was een moordenaar en koningin Wilhelmina had zich veel krachtiger moeten uitspreken tegen de Jodenvervolging. Terwijl Nederland een verrassende rijkdom aan dappere, grootmoedige, aardige en intelligente historische helden heeft. Zij zijn en blijven de hoofdschotel van de vaderlandse geschiedenis. Want de verbinding met het verleden loopt via spannende verhalen over tastbare mensen, voorbeelden aan wie je je kunt optrekken. Martin Sommer neemt het op voor vaderlandse helden. In zijn nieuwe boek Wat een held! zet hij tien helden uit de vaderlandse geschiedenis op een voetstuk. Van de ouderwetse held-vechtersbaas Julius Civilis tot de held van de soberheid Willem Drees en de heldin van de onschuld Anne Frank. Met als slotsom dat de Nederlandse held vooral een ‘gewone’ held is. 쮿

35


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

recent V E R S C H E N E N Oren van steen AUTHEURS

Lilian Grootswagers, Erik Janssen (tekst); Joop Koopmanschap (foto’s) UITGAVE

Donatus Verzekeringen DETAILS

Gebonden, 120 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-90-8163-160-0 PRIJS

€ 29,95 (via www.160jaardonatus.nl) et boek ‘Oren van steen’ is een absolute ode aan het Nederlandse monument. Het boek bevat 24 onorthodoxe verhalen over evenzoveel rijksmonumenten. De illustratie van de verhalen bestaat uit oogstrelende fotografie gevat in een onopvallend fraaie vormgeving. Door zijn robuuste formaat van 30 bij 30 is het bij uitstek een koffietafelexemplaar. Het wordt na openslaan echter wel lastig het boek weer weg te leggen voordat het uit is. De foto’s trekken je naar binnen en de vreemde invalshoeken en denklijnen van het begeleidend proza laten je niet meer los. Uit elke provincie worden twee gebouwen besproken, waardoor het boek ook een interessante dwarsdoorsnede geeft van de Nederlandse geschiedenis.

H

Ode aan de branche Het boek is een initiatief van Lilian Grootswagers van Erfgoed.nu en tekstschrijver Erik Janssen aangevuld met het

Vir ons men swat Hollands praat – Een kennismaking met het Afrikaans AUTEUR

P.A.M.M. Dingemans UITGAVE

Trichis DETAILS

Paperback, 96 pagina’s, rijk geïllustreerd, ISBN 978-94-9060-847-7

talent van fotograaf Joop Koopmanschap en vormgeefster Jolanda van Nuenen. Het idee is voorts omarmd door Donatus verzekeringen die het boek cadeau doet in het kader van haar 160 jarig bestaan. De kracht van het boek schuilt in de intentie de onderwerpen anders dan anders aan te vliegen. In het stof, het steen en het staal van historische gebouwen staan schitterende verhalen geschreven. Of ze moeten nog geschreven worden. Het zijn echter die verhalen die een monument uit de vergetelheid en de anonimiteit tillen. Het zijn niet de jaartallen die blijven hangen, maar de heldendaden uit de periferie. Een Hollandse molen is geen plaatje in een Japans fototoestel, maar een belangrijke getuige van de Nederlandse geschiedenis. Een sympathieke noeste waterdrager die letterlijk de vorm van Nederland heeft bepaald, maar die bijvoorbeeld ook ten grondslag ligt aan de term ‘polderen’.

Vooroordelen aanpakken Omdat ‘Oren van steen’ op een andere manier insteekt op onze monumenten, is het ook boeiend voor de monumentenen geschiedenisleek. Sterker nog, daar lijkt het geknipt voor te zijn. Het is een boeiende entree in de wereld van oude gebouwen en de dingen die voorbij zijn. Want alles dat riekt naar saaie geschiedenis, suffe jaartallen of stoffige bouwstijlen is achterwege gelaten. Wel wordt er telkens opnieuw gepoogd te verrassen. Zo kun je rijmend door Middelburg, je kunt ontdekken dat de reformatie van de 21ste eeuw momenteel in Den Haag plaatsvindt en dat de waarheid in Limburg woont. Maar ook de rol van de zwaan, de eekhoorn en de eenhoorn zijn de moeite van het ontdekken waard. En daarmee bewijst het boek dat gebouwen een heleboel te vertellen hebben, maar dan moet je wel ‘Oren van steen’ hebben. 쮿

worden op het talent van de gebruikers van het Afrikaans, om treffende vertalingen te vinden voor woorden die wijzelf klakkeloos overnemen uit het Engels. Nee, dan de Afrikaners. Die zeggen liever ‘dwelms’ dan ‘drugs’, ‘rappers’ heten daar ‘rymkletsers’ en een laptop is een ‘skootrekenaar’. Het hilarische facet aan het Afrikaans zal echter gauw genoeg naar de achtergrond verdwijnen. In de plaats daarvan komt dan diep respect voor de rijkdom van deze taal die ondanks alle andere invloeden toch vooral verwant is aan het Hollands van de 17e eeuw. De taal kent ook grote verschillen met het huidige Nederlands in spelling, uitspraak, grammatica, woordenschat en woordbetekenissen.

PRIJS

€ 17,95 ls wij Nederlanders naar Zuid-Afrika reizen komen wij daar uitingen van een taal tegen die lijkt op de onze. Tegelijkertijd is die taal zo anders. Afrikaans is voor onze ogen en oren in de eerste plaats léúk. Je kunt zelfs een tikje jaloers

A

36

Dit boek kan het proces van gewenning aan het prachtige Afrikaans gemakkelijker maken. Met wetenswaardige informatie, frivole intermezzi, een heuse opdracht begrijpend lezen, en als illustratieve elementen een reeks afbeeldingen van Afrikaanse bordteksten, hoopt de schrijver ‘ons mense wat Hollands praat’ dichter bij het Afrikaans te brengen. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

recent V E R S C H E N E N De Hollandse metropool – Ontwerpen aan de kwaliteit van interactiemilieus AUTEUR

Maurits de Hoog

winkelen, een film pakken, uit eten gaan of dat allemaal combineren.

UITGAVE

THOTH (i.s.m. TU-Delft) DETAILS

Gebonden, 208 pagina’s, ca. 300 kleurillustraties, ISBN 978-90-6868-589-3 PRIJS

In onze verstedelijkte delta is in de afgelopen decennia vooral geïnvesteerd in logistieke interactie: in havens, stations, vliegvelden en veilingen. Voor de kwaliteit van metropolen is het echter minstens zo belangrijk om te investeren in grootstedelijke interactie: in campussen, zakencentra, musea, convention centres, metropolitane parken, cultuurclusters, badplaatsen, uitgaanscentra en winkelgebieden – in plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten.

€ 34,50

at maakt een grote stad tot een metropool: een sublieme ligging, aan en af rijdende metro’s, een inspirerende geschiedenis, een concentratie van hoofdkantoren, een veelkleurige bevolking, een opwindend nachtleven? Metropolen trekken vooral veel bezoekers: zakelijke bezoekers, binnen- en buitenlandse toeristen, congresgangers, vluchtelingen, expats én regiobewoners die komen

W

De TU Delft, de gemeente Amsterdam en de Vereniging Deltametropool deden in de afgelopen jaren, samen met allerlei partners, onderzoek naar dit fenomeen. De Hollandse Metropool doet verslag van dit onderzoek. De recente theorievorming rond metropoolvorming wordt geschetst, lopende projecten in en rond de grote steden worden geanalyseerd en vergeleken met internationale voorbeelden en nieuwe perspectieven worden verkend. 쮿

Beplantingen op verdedigingswerken AUTEURS

Martijn Boosten, Patrick Jansen en Ido Borkent UITGAVE

Matrijs (i.s.m. Stichting Probos) DETAILS

Genaaid gebonden, hardcover, 180 pagina’s, rijk geïllutreerd zw/w en kleur, ISBN 97890-5345-448-0 PRIJS

€ 24,95

anaf de late middeleeuwen, maar mogelijk ook al eerder, werden beplantingen van bomen en struiken gebruikt bij de verdediging van gebieden, steden en vestingen. Eerst op bijvoorbeeld individuele landweren, schansen en vestingsteden, maar later ook op militaire verdedigingslinies, zoals de

V

Grebbelinie, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. In de hoogtijdagen werden er uitgebreide bestekken geschreven met ingewikkelde, ingenieuze beplantingsplannen, waarbij de beplantingen bijvoorbeeld werden aangelegd als barrière tegen vijandige troepen, voor het leveren van gebruikshout of het bieden van extra camouflage, dekking en stevigheid aan de verdedigingswerken. Deze beplantingen hebben echter al lang geen militaire waarde meer en ze werden de afgelopen decennia dan ook niet meer al zodanig beheerd. De beplantingen ‘verwilderden’ en steeds meer vervaagde de herinnering aan het militaire verleden er van. De laatste jaren is de aandacht voor de beplantingen op verdedigingswerken echter sterk toegenomen en is er veel kennis over verzameld. Het boek beschrijft de geschiedenis van de verdediging van Nederland met verdedigingswerken en linies. Verder geeft het boek handreikingen voor het beheer van beplantingen, waarbij nadruk wordt gelegd op de vier meest voorkomende militaire beplantingsvormen: opgaande bomen, hakhout, knotbomen en heggen. Afsluitend worden er praktijkvoorbeelden gegeven voor de inrichting en het beheer van verdedigingswerken met het oog op de cultuurhistorische, de natuur- en recreatieve waarde van de beplantingen. 쮿

37


kor t

VITRUVIUS

NUMMER 22

JANUARI 2013

Rijk investeert in samenwerking gebiedsgerichte erfgoedzorg

e rijksoverheid is gestart in samenwerking met provincies, gemeenten en private partijen met het uitvoeringsprogramma van de Visie erfgoed en ruimte. Voor een eerste selectie projecten en samenwerkingsprogramma’s is € 8,7 miljoen gereserveerd. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zet hiervoor zijn expertise in.

D

Er zijn plannen van aanpak opgesteld voor alle vijftien werelderfgoedgebieden (inclusief de gebieden van de Voorlopige Lijst). – Er worden kennis- en visieprojecten gestart voor het verbinden van erfgoed- en wateropgaven bij de grote rivieren, kust en Noordzee. – Voor de herbestemming van karakteristiek

erfgoed wordt de ontwikkeling van gebiedsgerichte strategieën gefaciliteerd, in het bijzonder voor economische topregio’s en demografische krimpregio’s. – Voor dertig geselecteerde gebieden uit de wederopbouwperiode (1940-1965) wordt ingezet op verkenning en versterking van de cultuurhistorische karakteristieken en worden voorbeeldprojecten gestart (onder andere voor het dorp Nagele en de wijk Kerschoten in Apeldoorn).

Afspraken met partners De komende tijd maken de (bestuurlijke) partners afspraken over te bereiken resultaten en de wederzijdse inzet van mensen en middelen. Tegelijkertijd werkt de Rijksdienst

aan de verdere uitbouw van het uitvoeringsprogramma door samenwerking te zoeken met bestaande en nieuwe partners.

Kiezen voor karakter Met de Visie erfgoed en ruimte (nota Kiezen voor karakter, 2011) heeft het Rijk het belang van gebiedsgerichte erfgoedzorg onderstreept. Publieke en private partijen werken samen op vijf thema’s: Werelderfgoed, Eigenheid en veiligheid, Herbestemming als gebiedsopgave, Levend landschap en Wederopbouw. Voor de periode 2013-2015 is vanuit de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in totaal € 24 miljoen beschikbaar voor het uitvoeringsprogramma. 쮿

In Europees verbandscheepswrakken beschermen lf organisaties uit zeven Europese landen hebben de samenwerking gezocht om in Europees verband onderzoek te doen naar archeologisch erfgoed onder water. Dat resulteerde in september 2012 in de start van een driejarig Europees project met als doel het ontwikkelen en testen van methoden en technieken om archeologische vindplaatsen onderwater op te sporen, te onderzoeken en in-situ te beschermen. Dit project, Development of Tools and Techniques to Survey, Assess, Stabilise, Monitor and Preserve Underwater Archaeological Sites (SASMAP), wordt gefinancierd door de Europese Commissie. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is met zijn Maritiem Programma een van de elf organisaties. Verder nemen universiteiten, musea, organisaties voor cultureel erfgoed, overheidsinstanties en bedrijven deel aan het project.

E

Eén van de belangrijkste doelen van het Maritiem Programma van de Rijksdienst is het in de bodem behouden van archeologische sites voor volgende generaties. Dit principe heet in-situ bescherming en is tevens een van de speerpunten in de UNESCO Conventie voor de Bescherming van het Onderwater Cultureel Erfgoed uit 2001. Voor dit project zal de Rijksdienst onder andere nieuwe in-situ beschermingsmaatregelen testen op het scheepswrak Burgzand

38

Noord 10, dat ten oosten ligt van Texel. Op deze locatie Burgzand, door natuurlijke erosie bedreigt, gingen 300 jaar lang (tussen 1500-1800) schepen voor anker om geladen en gelost te worden voor de haven van Amsterdam. Ondanks de beschutting die het eiland bood tegen de noordwestenwind, zijn er door de eeuwen heen vele schepen vergaan. Dit is dan ook een plek van hoog archeologisch belang, waar al tientallen wrakken zijn ontdekt. De recent verschenen publicatie van de Rijksdienst over de rede van Texel onderschrijft het onderzoekspotentieel

van dit gebied en laat tegelijkertijd zien hoe ernstig het bedreigd wordt. Daarnaast zal onderzoek worden gedaan naar degradatie van beschermingsmaterialen. Ook worden nieuwe monitoringsmethoden ontwikkeld en ingezet die moeten bijdragen aan een beter inzicht in de effectiviteit van actieve in-situ bescherming. Onder andere zal gebruik worden gemaakt van een nieuw systeem waarbij driedimensionaal tot enkele tientallen meters diep in de bodem kan worden gekeken. 쮿


Op de foto: “In het park van Huize Middenburg staan eeuwenoude kastanjes, eiken en beuken. Er zijn vijvers en aan de achterkant stroomt de Vliet. Het huis zelf staat hoger; dat geeft een statige, imposante aanblik.” “Mijn vader is gepensioneerd aannemer, met een voorliefde voor oude gebouwen. Hij wordt al lyrisch bij het zien van een authentieke steen of tegel. Na twee boerderijen in oude staat te hebben hersteld, kocht hij dit huis en restaureerde het. De groene luiken waren totaal verwaarloosd. Alle houtjes zijn stuk voor stuk door zijn handen gegaan. Het koetshuis, waarin ik zelf woon, hebben we samen verbouwd.” “Het eerste huis - Oud Middenburg - stamt uit 1659; het werd aangelegd door een schepen uit Delft. Huize Middenburg zoals we het nu kennen werd in 1917 grondig gerestaureerd. Aan het gebouw en het park is sindsdien nooit meer iets veranderd. Het gebouw vertoont een mix aan stijlen, wat het extra mooi maakt. Ik vind het een prachtig huis op een prachtige plek.” J.E. Vink, medebeheerder (46) Huize Middenburg

D

onatus verzekert vertrouwd

Monumenten worden met veel zorg omgeven door eigenaren en beheerders. Dat is belangrijk en nodig. Net als het kiezen van de juiste verzekering. Al sinds 1852 heeft Donatus ervaring in het verzekeren van monumentale kerken en gebouwen. Als onderlinge maatschappij werken wij zonder winstoogmerk. Wij hebben dan ook geen klanten, maar leden. Maak vrijblijvend kennis met Donatus. Onze expertise zal u verbazen en verrassen, evenals onze jaarlijkse premierestitutie.

sinds 1852

nu verkrijgbaar nu verkrijgbaar

bijzonder kijk- en leesboek bestellen: bijzonder www.160jaardonatus.nl kijk- en leesboek bestellen: www.160jaardonatus.nl

www.donatus.nl tel. 073 - 5221700


Stadsherstel Midden-Nederland Stadsherstel zet zich in om het monumentale vastgoed in het hart van Nederland te behouden. Momenteel is zij verantwoordelijk voor het behoud en beheer van zo’n 250 monumenten in Amersfoort en Utrecht. Restauraties en herbestemmingen worden met zorg Ên oog voor cultureel erfgoed gerealiseerd. Op deze manier houdt Stadsherstel Midden-Nederland de binnensteden van Amersfoort en Utrecht levendig en blijft het cultureel erfgoed ook voor volgende generaties behouden.

www.shmn.nl Stadswandelingen Actualiteiten Huren Historie panden Lopende projecten

Stadsherstel Midden-Nederland Muurhuizen 104 3811 EL AMERSFOORT 033- -460 46050 5020 20 T : 033 info@shmn.nl E : info@shmn.nl www.shmn.nl W : www.shmn.nl @StadsherstelMN

Profile for Uitgeverij Educom

Vitruvius januari 2013  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius januari 2013  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur