Page 1

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS A R C H E O LO G I E l C U LT U U R L A N D S C H A P l M O N U M E N T E N l I M M AT E R I E E L E R F G O E D l V O L K S C U LT U U R

JAARGANG 5

I N U M M E R 17 I O K TO B E R 2 011

MARITIEM MUSEUM ROTTERDAM ZET MERCATOR OP DE KAART

MALTA EN HET ARCHEOLOGISCH DEBAT

VOOR U GELEZEN

SPOREN VAN TABAKSSCHUREN


JAARGANG 5 NUMMER 17 OKTOBER 2011

[

[

10

30 FOCUS OP LANDSCHAP

SAMENWERKEN AAN LANDSCHAP

16

35 TABAKSSCHUREN BIJ AMERSFOORT

NIEUWS UIT HET WERKVELD kort

22 DUIZEND JAAR STEDENBOUW IN NEDERLAND

4

voor u gelezen

42

xpo

47

re c e n t verschenen

50


colofon

VITRUVIUS

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed en volkscultuur.

NUMMER 17

OKTOBER 2011

EEN UITGAVE VAN

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

SUB-SPONSORS

Postbus 842 3800 AV Amersfoort Tel. 033-460 5020 info@shmn.nl www.shmn.nl

Postbus 1600, 3800 BP Amersfoort Tel. 033-421 7421 www.cultureelerfgoed.nl

Joint venture van de Alliantie en Mitros

MEDE-ONDERSTEUNERS

Nijverheidsweg-Noord 114 Tel. 033-299 8181 3812 PN Amersfoort Fax 033-299 8180 Postbus 1513 3800 BM Amersfoort www.archeologie.nl

Lange Voorhout 14, 2514 ED Den Haag Tel. 070-306 6800 Fax 070-306 6870 www.hobeon.nl

Pelmolenlaan 12-14 3447 GW Woerden

Tel. 0348-437 788 www.the-missinglink.nl

Ruurloseweg 83 7251 LC Vorden Tel. 0575-519 455 Fax 0575-519 550 www.frisowoudstra.nl Showroom: Battenweg 12, 6051 AD Maasbracht Tel. 0475 - 43 64 39 www.lei-import.nl Exclusieve natuurleien voor dakbedekking in de restauratie

B. Minkenberglaan 2 – 6109 AL Ohé en Laak Tel. 06-11 454 247 / 0475-55 23 30 www.res-nova.nl

COLOFON Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke redactie en redactieraad. Artikelen worden pas gepubliceerd na peer reviews door experts uit het werkveld. UITGEVER/ BLADMANAGER Robert Diederiks

ABONNEMENTEN

4 nrs/jaar: Nederland E 45.- /België E 55.-. Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending.

2

REDACTIE Dr. J.E. Abrahamse Drs. H.G. Baas mw. Drs. P. J. Braaksma R.P.H. Diederiks Ir. M. van Hunen Dr. H.C.M.Kleijn S.A. Muller Drs. E. Raap mw. Drs. F.M.E. Snieder Drs. H. van de Velde

REDACTIERAAD Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Wageningen Universiteit Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester RCE Drs. B. (Boudewijn) Goudswaard The Missing Link/Archeologic mw. Dr. B. (Bernadette) van Hellenberg Hubar Res nova Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft mw. Drs. F.M.E. (Francien) Snieder Afdeling Archeologie gemeente Amersfoort Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, RU Groningen mw. Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft Drs. H. (Henk) van de Velde ADC

Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn.

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN

© Copyrights Uitgeverij Educom BV

Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl.

Oktober 2011 / ISSN 1874-5008

Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.


VITRUVIUS

NUMMER 17

van de redactie

OKTOBER 2011

BROOD EN VOLKSSPELEN itruvius gaat nu ook over immaterieel erfgoed. In de persoon van staatssecretaris Halbe Zijstra zal de Nederlandse regering de UNESCO-conventie inzake het imaterieel erfgoed op termijn ratificeren en 2012 wordt niet alleen het jaar van de Buitenplaatsen, maar ook van het immaterieel erfgoed.

V

Volkscultuur en immaterieel erfgoed worden vaak in een adem genoemd. Dan komen al snel Sinterklaas, beschuit met muisjes, klompendansen, oud hollandsche spelletjes om de hoek kijken. Koninginnedag is nog zo’n fraaie traditie die je als erfgoed en/

of Volkscultuur zou kunnen bestempelen. Of je het nu wilt of niet, maar aan al die Volkscultuur hangt een geur van kneuterigheid. En die geur wordt steeds sterker nu sommige publieke radiozenders verplicht worden een minimum percentage Nederlandstalige muziek te draaien. Wij houden van ons Holland! Wie niet, maar laten we dan ook vanaf nu – alstublieft! – als tegenhanger voor het zaklopen en koekhappen, Herman Brood en zijn tweede (Street) derde (Shpritsz) en vierde (Cha Cha) CD tot ons nationaal immate–– De redactie rieel erfgoed of Volkscultuur rekenen.

Winnaar Arie Kepplerprijs 2011 Winnaar Arie Kepplerprijs 2011

Kodde Architecten is een spraakmakend bureau in Amsterdam, met bijzondere renovaKodde Architecten is eennieuwbouwprojecten. spraakmakend bureau in Amsterdam, bijzondere renovatietie- en binnenstedelijke Kenmerkend voor met het bureau is hoe het met en binnenstedelijke nieuwbouwprojecten. Kenmerkend voor het bureau is hoe het met beperkte ruimte groots omgaat en de combinatie van traditionele materialen en verbinbeperkte ruimte groots omgaat en de combinatie van traditionele materialen en dingsmiddelen met moderne technieken en materialen. verbindingsmiddelen met moderne technieken en materialen. Kodde Architecten heeft de Arie Keppler Prijs 2011 gewonnen voor het ontwerp en de Kodde Architecten heeft de Arie Keppler Prijsvan 2011 gewonnen voor het ontwerp en de realisatie van het vernieuwde schoolgebouw de Dr. Rijk Kramerschool te Amsterdam. realisatie van het vernieuwde schoolgebouw van de Dr. Rijk Kramerschool te Amsterdam.

www.koddearchitecten.nl

3


kor t

VITRUVIUS

NUMMER 17

OKTOBER 2011

Archief West-Indische Compagnie krijgt status World Memory

et archief van de West-Indische Compagnie (WIC) is in mei van dit jaar toegevoegd aan het Memory of the World (MoW) register. Deze ‘Wereld Erfgoedlijst voor documenten’ is in 1992 door UNESCO in het leven geroepen om collectief geheugenverlies tegen te gaan. Met het MoW programma roept UNESCO op tot behoud van waardevolle archieven en bibliotheken en wil men meer zichtbaarheid geven aan deze unieke bronnen.

H

Na VOC nu WIC Het is niet voor het eerst dat archief dat berust bij het Nationaal Archief in Den Haag tot MoW wordt uitgeroepen. In 2003 kreeg het archief van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) deze status al. In 2010 heeft het Nationaal Archief het initiatief genomen om gezamenlijk met de archiefpartners in Brazilië, Ghana, Guyana, Curaçao, Suriname, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten de WIC-archieven eveneens te nomineren. De WIC, (1621-1791) werd opgericht met als voornaamste taak de handelsbelangen in het Atlantische gebied veilig te stellen. De Compagnie kreeg van de Staten-Generaal volgens het octrooi als handelsgebied het Atlantisch gebied, dat zich uitstrekt van Labrador tot aan Vuurland en aan de Afrikaanse kant van de Kreeftkeerkring tot aan Kaap de Goede Hoop toegewezen. Bovendien kreeg de WIC het recht op kaapvaart. De Compagnie werd zo instrument in de strijd tegen Portugezen en Spanjaarden.

In 1674 is de WIC gereorganiseerd nadat een bankroet dreigde voor de Compagnie. Slavenhandel maakte vanaf toen ook onderdeel uit van de activiteiten van de WIC. Zo ontstond een driehoekshandel tussen producten van Europese bodem, slaven uit West-Afrika en de opbrengsten van plantages in de Amerika’s.

117 meter archief Van oudsher heeft de geschiedenis van de VOC meer aandacht gekregen. De WIC wordt vooral geassocieerd met een zwarte pagina uit de geschiedenis: slavernij en slavenhandel. Het onderzoek hiernaar is van grote waarde en levert nog immer belangrijke resultaten op, maar de WIC archieven bevatten zoveel meer. Naast slavenhandel en slavernij kan men onderwerpen bestuderen als vroegmoderne diplomatie en oorlogvoering, handelsnetwerken en het dagelijks leven in de kolonies of handelsposten.

bronnen wereldwijd toegankelijk worden.

Slechts een klein deel van het totale WIC archieven is overgebleven (Het Nationaal Archief herbergt 117 meter aan WIC archief tegenover 1,2 km VOC archief). Als onderdeel van het Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoedprogramma (20092012, geïnitieerd en gefinancierd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Buitenlandse Zaken) heeft het Nationaal Archief een managementplan opgezet voor de WIC archieven. Het archief wordt geconserveerd, gedigitaliseerd en zal op internet geplaatst worden. Zo zullen deze unieke

Het WIC-archief is van grote waarde voor onderzoek naar de Europese expansie in West-Afrika en Noord- en Zuid-Amerika. Op 3 november zal het Nationaal Archief een evenement organiseren in het West-Indisch Huis (Amsterdam) om de nieuwe status van de WIC-archieven te vieren. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Mara de Groot, Project Manager Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed van het Nationaal Archief 070-331 4143 / 06-505 20547 of e-mail mara.de.groot@nationaalarchief.nl. 쮿

Memory of the World

Nijmegen komt met Beleidsnotitie Cultuurhistorie

e gemeente Nijmegen gaat een beleidsnotitie opstellen op het gebied van Cultuurhistorie. Aanleiding zijn ontwikkelingen op rijksen gemeentelijk niveau en de wens om het bestaande, versnipperde beleid te bundelen in een overzichtelijke nota Cultureel Erfgoed. In deze nota wordt ook het nieuwe archeologiebeleid op-

D

4

genomen. Nijmegen wil de nieuwe regels gaan inzetten om zijn ambities op het gebied van cultureel erfgoed te realiseren. Vanuit de landelijke overheid wordt voorgesteld om van een objectgerichte monumentenzorg over te stappen op monumentenzorg die meer gericht is op de hele omgeving. Vanaf januari 2012 is het

wettelijk verplicht om bij bestemmingsplannen rekening te houden met cultuurhistorie. Nieuw is ook duurzaamheid bij monumentenzorg. Het gaat om het informeren van eigenaren over duurzame aanpassingen met behoud van historische kwaliteiten en om herbestemming van karakteristieke gebouwen. In de nota Cultureel Erfgoed wordt ook bestaand beleid op het gebied monumentenzorg, de inzet van subsidies, bouwhistorie en archeologie gebundeld. Ook de manier waarop het verleden van de stad zichtbaar wordt gemaakt vormt onderdeel van de nota Cultureel Erfgoed. Eind 2011/begin 2012 ligt het nieuwe cultuurhistoriebeleid bij de gemeenteraad. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 17

kor t

OKTOBER 2011

Beschermde stads- en dorpsgezich ten online in kaart vóór 1850, vooral in binnensteden zoals in Delft en Sneek, en 170 jongere gezichten uit de periode 1850-1940, variërend van de strafkolonie Veenhuizen in Drenthe tot het veenontginningsgebied Helenaveen-Griendtsveen in Brabant. Het Monumenten Selectie Project (MSP) is voor de aanwijzing van gezichten uit de periode 18501940 nu in de laatste fase. In de eerste helft van dit jaar zijn de beschermingsprocedures afgerond voor onder andere het Oostwold in Groningen, het Westhoutkwartier in Alkmaar en het Prins Hendrikpark in Baarn. Voor waardevolle gebieden van ná 1940 zet de rijksoverheid vooral in op het instrument van de ruimtelijke ordening.

Bescherming

Het havengebied van Spakenburg is aangewezen als landelijk beschermd dorpsgezicht. FOTO: STICHTING VERNIEUWING GELDERSE VALLEI

lle rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten in Nederland zijn vanaf 30 juni jongstleden online in kaart gebracht. Surf naar cultureelerfgoed.nl en roep daar de kaart op in Google Earth. Zoom in op een van de 430 locaties en er verschijnt een venster met aanwijzingsbrief, begrenzingskaart en toelichting op de aanwijzing. Met deze digitaliseringsslag maakt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de gekoppelde informatie voor iedereen beschikbaar. Nuttig voor bewoners en voor professionals die zich bezighouden met ruimtelijke planning.

A

Historisch karakter Alle beschermde gezichten zijn op een of andere

manier van bijzonder cultuurhistorisch belang. Dat kan in de loop van eeuwen gegroeid zijn. Bijvoorbeeld in de binnenstad van Leiden of langs de Lingedijk bij Oosterwijk. Het kan ook speciaal ontworpen zijn, zoals de mijnkoloniën in ZuidLimburg en het tuindorp Agnetapark in Delft. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu wijzen deze gebieden aan als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht om zo het historisch karakter veilig te stellen. Sinds 1961, toen de Monumentenwet van kracht werd, zijn er al zo’n 430 stads- en dorpsgezichten aangewezen; voor een aantal loopt de procedure nog. Het gaat om ongeveer 300 gezichten van

Een aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht betekent niet dat die plek ‘op slot gaat’. Wel dat bij verdere ontwikkelingen rekening wordt gehouden met de bijzondere aspecten ervan. Is een gebied eenmaal aangewezen, dan stelt de gemeente een bestemmingsplan op waarin het cultuurhistorisch belang wordt meegenomen. De online informatie over de aanwijzingen is nuttig voor stedenbouwers, planologen en andere professionals werkzaam bij gemeente, provincie, rijk en adviesbureaus. Zij kunnen deze meenemen bij hun ruimtelijke plannen en planontwikkeling. Ook de eigenaren van panden binnen de gezichten moeten bij voorgenomen wijzigingen rekening houden met de bijzondere karakteristieken ervan. Sommige panden zijn al een gemeentelijk of rijksmonument – voor die eigenaren verandert er weinig. Eigenaren van niet-monumenten in aangewezen stads- of dorpsgezichten zullen bij plannen voor wijziging voortaan ook een omgevingsvergunning moeten aanvragen. Ze kunnen daarvoor terecht bij de gemeente. 쮿

Archeoroute Schokland brengt bodemschatten tot leven rcheologische bodemschatten, die nu nog verborgen blijven, komen medio volgend jaar tot leven op Schokland. Met dank aan een Europese subsidie en een provinciale bijdrage kan het Flevo-landschap een archeoroute ontwikkelen voor het voormalig eiland. Het wandelpad voor kinderen en gezinnen moet bezoekers bewust maken van de archeologie en de bewoningsgeschiedenis van Schokland. 쮿

A

5


kor t

VITRUVIUS

NUMMER 17

OKTOBER 2011

Stadsuitbreiding bij station Meppel wordt beschermd stadsgezicht

ud-Zuid is een statige, groene stadsuitbreiding van eind 19de, vroeg 20ste eeuw bij het destijds belangrijke, nieuwe station van Meppel. De Stationsweg en het Zuideinde met hun chique herenhuizen en bedrijvigheid, en het daaraan gelegen villapark en wandelpark, met lange zichtassen en veel groen vormen zo’n ruimtelijke eenheid dat dit deel van Oud-Zuid de status van beschermd stadsgezicht verdient. In juli overhandigde Cees van ’t Veen, directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het besluit tot aanwijzing tot beschermd gezicht aan wethouder Ton Dohle van de gemeente Meppel.

O

Kruispunt Meppel is ontstaan op een kruispunt van waterwegen vanuit Noord-Nederland, aan een belangrijke route naar het IJsselmeer. Door zijn strategische ligging ontwikkelde Meppel zich al in de 15e eeuw tot de belangrijkste handelsplaats van Drenthe. Toen vanaf de 19e eeuw het vervoer over land steeds belangrijker werd, investeerde Meppel stevig in wegverbindingen met omliggende plaatsen én verwierf zij een halteplaats op de spoorlijnen Zwolle-Groningen en Zwolle-Leeuwarden. Dit gaf de groei van Meppel een nieuwe impuls.

Stadsuitbreiding In de buurt van het nieuwe station (1867) vestigde zich allerhande bedrijvigheid en verrezen fraaie herenhuizen. De Stationsweg werd aangelegd als verbinding met het stadscentrum en bewust ontworpen als zichtas vanaf het station, met een sterke geleding in het profiel en bewust geplaatste heggen, bomen en sierlijk gesmede

hekwerken voor de huizen. Het gebied ingesloten door Stationsweg, Zuideinde en spoorlijn werd vanaf 1914 ingericht als een villa- en wandelpark, naar een ontwerp van de bekende tuinarchitect Leonard Springer: het Wilhelminapark. Het riviertje de Reest werd geïntegreerd in het park en vormt de afsluiting aan de zuidkant. Springer adviseerde de gemeente niet alleen over het park, maar ook over de gebouwen in en rondom het park, met een grote diversiteit aan bouwstijlen. Nog steeds zijn de heggen en de straatprofielen goed herkenbaar en dragen ze bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Veel van de gebouwen zijn al beschermd rijksmonument. Juist de combinatie van park en villagebied, met fraaie zichtassen en wandelpark in landschapsstijl en een rustieke vijver, is de

aanleiding om dit deel van Oud-Zuid aan te wijzen als beschermd stadsgezicht.

Gevolgen Het doel van de aanwijzing tot beschermd gezicht is níet om alle gewenste veranderingen tegen te houden, maar om daar gezamenlijk zorgvuldig mee om te gaan, zodat het waardevolle karakter van het gebied Zuideinde-Stationsweg-Wilhelminapark behouden blijft. De gemeenteraad zal in zijn bestemmingsplannen dan ook rekening houden met de nieuwe status. Voor eigenaren van een gemeentelijk of rijksmonument verandert er weinig. Eigenaren van niet-monumenten zullen bij plannen voor wijziging voortaan ook een omgevingsvergunning moeten aanvragen. 쮿

European Heritage Alliance 3.3 gelanceerd eer dan 25 Europese en internationale netwerken en organisaties, waaronder Erfgoed Nederland, hebben de ‘European Heritage Alliance 3.3’ gelanceerd. Tijdens het congres van Europa Nostra zijn de organisaties en netwerken overeengekomen een gezamenlijke lobby op te zetten en te werken aan een EU

M

6

strategie voor een betere positionering van cultureel erfgoed in het EU beleid.

Artikel 3.3 De alliantie verwijst naar artikel 3.3 in het Verdrag van Lissabon van de Europese Unie: De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed. Door het ontwikkelen van een sterkere synergie tussen de netwerken en organisaties wordt bij-

gedragen aan artikel 3.3 en de positionering van erfgoed in het EU beleid. Gezamenlijk is al besloten om de ‘We are More’ campagne van Culture Action Europe te steunen. Verder zal een gezamenlijke position paper worden opgesteld over de bijdrage van Europa’s cultureel en ruimtelijk erfgoed aan verschillende Europese beleidsprogramma's, in specifiek de EU 2020 Agenda, de Digitale Agenda, de Duurzaamheidsagenda, Creative Europe, Onderzoek en Innovatie, Klimaatverandering en Ruimtelijke Ontwikkeling. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 17

OKTOBER 2011

Een toekomst handreiking voor voor kerken: het herbestemmen e Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft onlangs een nieuwe gids gepubliceerd die dient als handreiking bij de herbestemming van kerkgebouwen. De komende jaren komen gemiddeld twee kerkgebouwen per week vrij. Het maatschappelijk draagvlak voor het behoud van deze gebouwen is groot. Vaak is de kerk met de toren een herkenningsteken in dorp of stad en een baken voor de omgeving. Herbestemming biedt deze kerkgebouwen een toekomst. Om een verantwoorde herbestemming van kerken te stimuleren geeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een gids uit, met de titel ‘Een toekomst voor kerken. Handreiking voor het herbestemmen van vrijkomende kerkgebouwen’.

kor t

D

Kerken omgebouwd tot woning, winkel of kantoor. Er zijn in Nederland al veel voorbeelden van te vinden, zoals de Heilig Hartkerk in Roosendaal waarin een gezondheidscentrum is gevestigd of de inmiddels wereldberoemde Dominicanenkerk in Maastricht waarin een boekhandel zijn intrek heeft genomen. Met deze gids wordt iedereen die professioneel of als eigenaar betrokken is bij de herbestemming van monumentale kerken van praktische adviezen voorzien. Eigenaren, architecten en ontwikkelaars vinden in de gids inspirerende voorbeelden maar ook praktische informatie over bijvoorbeeld regelgeving. Voor gemeenten, monumentencommissies en beleidsmakers biedt de gids handvatten voor de

vormgeving van een eigen, stimulerend monumentenbeleid. De gids biedt tevens ondersteuning bij het opstellen van een gezamenlijke kerkenvisie. Steeds meer gemeenten en provincies ontwikkelen samen met kerkbesturen en andere betrokken partijen een kerkenvisie, op grond waarvan beleid kan worden ontwikkeld voor historische kerkgebouwen. Hiermee anticiperen zij op het vrijkomen en leegstaan van kerken, wat voor kerkgangers en buurtgenoten vaak een emotionele gebeurtenis is. Een kerkenvisie geeft duidelijkheid over welke kerken hun religieuze functie kunnen behouden, welke kerkgemeentes samengevoegd kunnen worden in één gebouw, welke kerken een nieuwe bestemming krijgen en voor welke kerken sloop aan de orde is. Het scheppen van duidelijkheid

is een belangrijke voorwaarde voor een verantwoorde herbestemming. Een goed voorbeeld vanuit de provincie is de kerkenvisie die door de provincie Friesland is opgesteld. Dit ‘Deltaplan Fryske Tsjerken’ richt zich op behoud en ontwikkeling van historische Friese kerkgebouwen. Daarvoor is een Deltateam ingesteld: een groep van onafhankelijke deskundigen die, samen met gemeenschappen rond een vrijkomend kerkgebouw, zoekt naar ideeën en oplossingen. Onderdelen van het Deltaplan zijn het instellen van een Kennispunt, het versterken van de Stichting Alde Fryske Tsjerken en het stimuleren van onderhoud en restauratie, hergebruik en herbestemming. De aanpak is gericht op samenwerking tussen overheden en andere partijen die betrokken zijn bij de kerkgebouwenproblematiek. 쮿

2e Monitor Gebouwd Erfgoed beschikbaar e eerste Monitor inzake de staat van het gebouwd erfgoed 2009 bevat inspectiegegevens uit 2008. Dat was een nulmeting. De tweede monitor betreft de vervolgmeting van 2009. Ook wordt een vergelijking gemaakt tussen de resultaten van 2008 en 2009, zodat te zien is of er een verbetering of verslechtering van het onderhoud is opgetreden. Tot slot zijn resultaten van een steekproef uit 2010 opgenomen. Deze is uitgevoerd onder rijksmonumenten die de Monumentenwacht niet inspecteert om te kijken of de verkregen gegevens representatief zijn voor het gehele bestand van rijksbeschermde gebouwde monumenten. De reguliere metingen van 2008 en 2009 bevatten

D

gegevens van panden met een onderhoudsabonnement bij de Monumentenwacht (21% van het totale bestand). Van 91% verkeerde in 2009 het casco in redelijke tot goede staat. Bij 81% was het onderhoud redelijk tot goed. In 2008 was van bijna 82% van de geïnspecteerde monumenten de staat hetzelfde gebleven. Bij de overige monumenten werd een geringe verandering geconstateerd. De resultaten van de steekproef bevestigen het vermoeden dat de door de Monumentenwacht geïn-

specteerde monumenten een positiever beeld geven van de staat van sommige categorieën rijksbeschermde monumenten. Vooral van woonhuizen en agrarische gebouwen, die 72% van het totale monumentenbestand uitmaken, is het casco slechter dan dat van dezelfde categorie monumenten mét abonnement. De monitor is te bekijken en te downloaden via de site van het RCE www.cultureelerfgoed.nl. 쮿

7


kor t

VITRUVIUS

NUMMER 17

OKTOBER 2011

2012: Jaar van de Historische Buitenplaats

en aantal organisaties heeft de handen ineen geslagen om 2012 het themajaar van de Historische Buitenplaats uit te roepen. Naar het voorbeeld van 2008 (Jaar van het religieus erfgoed) is er een stichting opgericht. De stichting is er op gericht om veel meer mensen in ons land bekend te maken met historische buitenplaatsen en daarmee aandacht te vragen voor het behoud van dit culturele erfgoed. Ooit was de buitenplaats een belangrijk fenomeen en belichaamden zij vooral in de huidige Randstad een bijzondere band tussen stad en land. In voor-

E

bije eeuwen telde Nederland vermoedelijk zesduizend of meer grote en kleine buitenplaatsen. Hiervan resteert nu nog slechts 10%. Deze circa 600 buitenplaatsen zijn in alle provincies te vinden. Zonder een breed gedragen publieke steun voor dit belangwekkend culturele erfgoed, is het behoud ervan een zware taak. Dit doel willen wij bereiken door het organiseren van tal van activiteiten, het stimuleren van het organiseren van activiteiten rondom buitenplaatsen en door media te interesseren om over buitenplaatsen te berichten. Hoe meer mensen weten en zien hoe interessant en mooi historische buitenplaatsen zijn, hoe meer draagkracht zal ontstaan voor het behoud en beheer van deze unieke erfgoederen. De stichting is verantwoordelijk voor de voorbereiding en coördinatie van een aantal activiteiten in het Jaar van de Historische Buitenplaats 2012. Bij coördinatie moet worden gedacht aan het bij-

eenbrengen van betrokken organisaties en partijen die zelfstandig of gezamenlijk activiteiten willen uitvoeren. Ook verzorgt de stichting de gemeenschappelijke communicatie naar de diverse doelgroepen. Daarnaast organiseert de stichting een aantal activiteiten zelf, op basis van door derden bekostigde projectvoorstellen. Er zijn intussen al meer dan 70 organisaties die participeren, waaronder vanzelfsprekend tal van kastelen en musea. Geinteresseerden kunnen zich via de website aanmelden voor de digitale nieuwsbrief. Men is op zoek naar goede initiatieven, waarbij in het achterhoofd gehouden kan worden dat het begrip ‘buitenplaats’ ruim opgevat wordt. Ook historisch groen en verdwenen buitens vallen in de scope van het themajaar. Zie verder www.buitenplaatsen2012.nl of via communicatie@buitenplaatsen2012.nl. 쮿

Vitruvius: elk kwartaal immaterieel welzijn 4x jaarlijks vakblad Vitruvius ontvangen is ook een mooi geschenk. Neem contact op met Uitgeverij Educom: 010-425 6544, info uitgeverijeducom.nl.

8


De praktijk van het waarderen is het schriftelijke verslag van de werkconferentie gehouden op 15 november 2010 op Paleis Soestdijk. Het is een vervolg op de werkconferentie De techniek van het waarderen en de gelijknamige publicatie uit 2009. Werkconferentie en publicatie zijn het resultaat van een krachtenbundeling van het Nationaal Archief, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Rijksgebouwendienst. Deze rijksdiensten werken sinds 2009 samen om de kennisontwikkeling en professionalisering van het waarderen van cultureel erfgoed te bevorderen. Op Soestdijk is de samenwerking bekrachtigd door het ondertekenen van een intentieverklaring. De tekst van deze verklaring treft u achter in de publicatie aan. In opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Amersfoort Nieuw gebruik - Oud gebouw Het thema van de 25e Open Monumentendag is Nieuw gebruik - Oud gebouw en gaat over herbestemming. Door de toegenomen aandacht voor monumenten door de Open Monumentendag is de zorg voor monumenten meer op de politieke agenda komen te staan. Net als bij de Open Monumentendag wordt ook bij herbestemming vooruit gekeken en krijgen monumenten een nieuw leven, nieuwe betekenis, en kunnen zo een verbetering voor hun omgeving betekenen.

Nieuw verschenen bij Uitgeverij Educom

In opdracht van de gemeente Amersfoort.

Uitgeverij Educom BV Uitgeverij Marketing Drukwerk Investeringen Internet www.uitgeverijeducom.nl


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Henk Baas ADC ArcheoProjecten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Nils van Beek Henk Baas Curator, SKOR l Stichting ADC ArcheoProjecten Kunst en Openbare Ruimte

FOCUS OP

LANDSCHAP

Edwin Raap Henk Baas ADC ArcheoProjecten Landschapsbeheer Nederland

1 – De Haarlemmermeer tussen Bennebroek en Lisse richting Nieuw-Vennep in 1975 en 2011. Ogenschijnlijk lijkt er weinig veranderd, maar er ís veel gebeurd. Nieuw-Vennep is enorm gegroeid; iets voorbij de hoogspanningsmasten loopt een 4 baans provinciale weg en in het nieuw bebouwde landschap staan nu veel meer bosjes, zoals de rij knotbomen en het bosje rechtsmidden. FOTO HUBERT DE BOER / EDWIN RAAP

D

e enige constante in het landschap is verandering. Veranderen heeft het altijd gedaan, en dat zal het altijd blijven doen. Een blik op oude kaarten laat zien dat de veranderingen van alle tijden zijn, maar toont ook direct aan dat het vanaf circa 1900 – met een versnelling na 1950 – wel heel hard is gegaan. In het begin van de 20ste eeuw was het vooral het omzetten van de ‘woeste gronden’ in landbouwgrond en/of bos dat gezien kon worden als de belangrijkste ruimtelijke verandering. Na de Tweede Wereldoorlog zijn het de ruilverkaveling (de ‘Wederopbouw’) en later de verstedelijking en de bijbehorende verschijnselen (wegen, bedrijventerreinen). Vanaf de jaren negentig van de twintigste eeuw is er ook grootschalige natuurbouw, die voormalige landbouwgronden weer omzet in natuur, of water. In producten als de Balans voor de Leefomgeving (voorheen Natuurbalans) wordt getracht deze veranderingen in het landschap te monitoren. Maar landschapsmonitoring blijkt lastig. Dat blijkt al uit het gegeven dat er nog altijd geen goed monitoringsysteem voor landschap bestaat. Wel is in het recente verleden een aantal pogingen geweest om met behulp van landelijke data-

10

HERFOTOGRAFIE als instrument voor landschapsmonitoring

sets en GIS-technieken tot een dergelijk systeem te komen. Het ‘Meetnet Landschap’ van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beoogde daar een instrument voor te zijn, maar dat systeem wordt nu niet meer (financieel) onderhouden. Ook andere initiatieven, zoals Steekproef Landschap (Alterra) of de Monitor Kleine Landschapselementen (Landschapsbeheer Nederland) ontbreekt het aan middelen om daadwerkelijk zaak te maken van landschapsmonitoring. Het probleem bij landschapsmonitoring is echter dat je in alle gevallen verandering zult meten. Immers, de enige constante in het landschap is verandering. De vraag die beantwoordt moet worden is uiteraard: is dit een vooruitgang of een achteruitgang? Die vraag kan moeilijk beantwoord worden, omdat er geen expliciete landschapsdoelen zijn gesteld. Bij natuur worden vooraf zogenaamde natuurdoeltypen geformuleerd, compleet met bijbehorende aantallen hectaren te behalen ‘natuur’. Bij landschap werkt dat niet, je kunt niet zeggen dat je 100 hectare landschap hebt gemaakt. Er is altijd landschap, de discussie richt zich op welk landschap gewenst is. En het is een misvatting dat landschapsverandering per defini-

tie slecht is. Weliswaar kunnen bestaande waarden verloren gaan, maar als daar nieuwe waarden voor in de plaats komen hoeft dat niet per sé negatief te zijn. De omgevingspsycholoog Freek Couterier heeft dit ook geconcludeerd na vele jaren onderzoek naar de landschapsbeleving van mensen. Hij kwam ook tot de conclusie dat mensen niet tegen veranderingen in het landschap zijn, maar wel tegen verlies aan waarden, zonder dat daar nieuwe waarden voor in de plaats komen. Dit gegeven laat zien dat monitoring van landschap lastig is, omdat je weliswaar veranderingen meet, maar geen uitspraken kan doen over de impact daarvan op mensen. Toch bestaat de ambitie en ook de behoefte aan het vastleggen van veranderingen, ten behoeve van beleid, planvorming, inrichting en beheer. Het is vreemd dat in Nederland nooit geprobeerd is om landschappelijke verandering met behulp van fotografie vast te leggen. Immers, fotografie is als geen ander in staat neutrale beelden te maken van het landschap, al kan tegenwoordig door digitale bewerking – of gekozen camerastandpunt – uiteraard ook worden gemanipuleerd. Dirk Sijmons, voormalig Rijksadviseur voor het landschap, heeft diverse malen opgeroe-


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

2 – Groot Schoordijk, Bornem (Vlaanderen). Massart hield van de kleine elementen in het Vlaamse landschap, zoals van deze rij notenbomen op een oude zomerdijk langs de Schelde. FOTO MASSART 1904 – Dezelfde dijk in 1981, In de jaren vijftig van de 20ste eeuw zijn de notenbomen verwijderd, in 1954 werd de eerste dijkversterking doorgevoerd, en verdwenen ook de knotwilgen, de rietgordel en de overige beplanting. Later werden ook nog rotsblokken tegen de dijk gelegd. FOTO CHARLIER 2006 – De situatie van honderd jaar daarvoor is geheel verdwenen, in niets lijkt het nog op het landschap door Massart gefotografeerd. FOTO KEMPENAERS 2004 / ALLE FOTOS: BRON: P. UYTTENHOVE (RED)

pen om iets dergelijks voor Nederland te doen. Landschapsbeheer Nederland heeft dit in 2006 opgepakt, en heeft de samenwerking gezocht met meerdere partijen, zoals SKOR (Stichting Kunst en Openbare Ruimte), 7Scenes (een ‘mobiel storytelling platform’, een werk-BV van Waagsociety), WOT-Natuur & Milieu, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Landschap NoordHolland. Dit heeft erin geresulteerd, dat momenteel voor het eerst op een systematische wijze in één provincie (Noord-Holland) het landschap wordt geherfotografeerd. We komen daar uitgebreid op terug.

Herfotografie van landschappen – een overzicht Landschappen behoren tot de meest gefotografeerde ‘objecten’ ter wereld. In de negentiende eeuw zijn er al fotografen die vooral het landelijke leven vastleggen. Onder invloed van de industrialisatie gaan ze op zoek naar ‘het oorspronkelijke’, naar het klassieke, pittoreske landschap dat ze kennen van hun voorouders. Een voorbeeld van deze vroege fotografie is het werk van de Engelsman Emerson (1856-1936), die rond 1887 het leven in de Norfolk Broads met camera vastlegt (Gierstberg 2004). In Nederland kennen we deze vroege vorm van landschapsfotografie niet. Wellicht de bekendste fotograaf uit de vroege twintigste eeuw met een voorliefde voor het ‘boerenlandschap’ is Cas Oorthuys. Vanuit zijn socialistische levensovertuiging fotografeerde hij

vooral de mens, tegen de achtergrond van hun boerderijen en het landschap. Maar hoewel het landschap dus een belangrijke rol in zijn werk speelt, is het toch vooral een fotograaf van het ‘arbeidsethos’, van het optimisme van de wederopbouw. Bekend is zijn deelname aan het werk dat onder de noemer Schoonheid van ons land is gepubliceerd (onlangs opnieuw uitgebracht door Uitgeverij Contact). Deze boekenserie met delen over het landschap, de cultuur en de natuur schetsen ‘een fraai, fier en opgeruimd (zwart-wit) beeld van het Nederlandse landschap, dat rijk is aan historie, cultuur en traditie’ (Gierstberg 2004). Opvallend is dat een dergelijke sociaal-geëngageerde fotograaf weinig kritisch naar zijn omgeving was; het was immers de tijd van de enorme transformatie (rationalisatie landbouw) van het Nederlandse landschap (Sijmons 2007). Een andere prachtige serie fotoboeken is in het kader van het 25-jarig bestaan uitgebracht door

de ANWB (1908-1911). Onder de titel ‘Ons Eigen Land’ is in vier delen de schoonheid van Nederland vastgelegd, zowel van steden als van landschappen (inclusief de natuurgebieden). In totaal hebben 126 fotografen gewerkt aan deze uitgave, die waarschijnlijk ook heeft bijgedragen aan de opkomst en verdere groei het binnenlands toerisme. Omdat de meeste foto’s een (summiere) topografische plaatsbepaling hebben meegekregen, zou deze uitgave zich wellicht ook goed lenen voor een herfotografie-project. In 1978 is de serie in facsimile uitgegeven.

Vastleggen met passie Een andere fotograaf met een passie voor het vastleggen van het platteland was Willem van Heemskerck Dücker. Hij fotografeerde min of meer op dezelfde manier als Oorthuys, al had hij meer een volkskundige interesse. Omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de Duitsers is gaan werken, en ook sympathiseerde met het

In Noord-Holland wordt een pilot uitgevoerd van het project 'Focus op Landschap', een herfotografieproject op basis van een fotocollectie uit de jaren zeventig van de twintigste eeuw (Hubert de Boer). Met behulp van vrijwilligers worden plekken in het landschap opgespoord en opnieuw gefotografeerd. Doel hiervan is om de veranderingen in het landschap te duiden en te verklaren, maar ook om het debat hierover met bewoners aan te gaan. Landschap is immers altijd in ontwikkeling, maar hoe waarderen we die veranderingen? Dit project past in een internationale trend om foto's te gebruiken voor het vastleggen van veranderingen in het (gebouwde) landschap.

11


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

3 – Eén van de foto's uit de collectie van Hubert de Boer, gemaakt rond 1975. De foto toont de straatweg van Beverwijk naar Castricum, ter hoogte van Heemskerk. In het kader van het project Focus op Landschap is deze locatie weer opgezocht, en opnieuw gefotografeerd door Edwin Raap.

4 – Ook uit de collectie van Hubert de Boer, gemaakt rond 1975. Genomen vanaf de Rijksstraatweg van Beverwijk naar Castricum. We kijken naar de twee kerktorens van Heemskerk. Op de voorgrond links nog het oude tuinderslandschap, dat bekend stond om zijn aardbeien. De tuinders hebben anno 2011 plaats moeten maken voor nieuwbouw, één kerktoren is nog met moeite zichtbaar.

nationaalsocialistische gedachtegoed, is zijn werk veel minder bekend dan dat van Oorthuys. In het buitenland is wel een aantal initiatieven waar te nemen die het zo objectief mogelijk vastleggen van veranderingen in het landschap als doel op zich hebben. Wellicht wel het mooiste voorbeeld is het Vlaamse ‘Recollecting Landscapes’ (Uyttenhove 2006), een herfotografieproject op basis van de collectie van Jean Massart (1865-1925). Deze botanicus legde zich rond 1900 toe op het fotograferen van het Belgische landschap. Hoewel vooral geïnteresseerd in de botanische kanten van het landschap, vertoond hij ook sterke belangstelling voor cultuurlandschappen en de menselijke invloed op het landschap. Van elke foto heeft hij de ‘metadata’ gedocumenteerd, waardoor de plekken goed terug te vinden waren in het huidige landschap. In twee perioden (rond 1980 door Georges Charlier en rond 2004 door Jan Kempenaers) zijn de plekken bezocht en opnieuw gefotografeerd, waardoor ze een

12

subliem document vormen voor de verandering in het Belgische landschap. Soms zijn deze summier, maar veelal ook angstwekkend ingrijpend van aard.

men het klassieke beeld van Frankrijk dat meer leek op prentbriefkaarten en negentiende-eeuwse landschapsschilderijen bijstellen. Het toont het landschap van elektriciteitsmasten, snelwegen en het met suburbs dichtgeslibd platteland.

Een Noors voorbeeld Soortgelijke projecten hebben ook in andere landen plaatsgevonden. Een mooi voorbeeld is Skog+Landskap in Noorwegen (Puschmann 2006), waar landschappelijke veranderingen vooral het gevolg zijn van de ‘verbossing’ van het landschap. Een soortgelijk project is ook in Finland uitgevoerd (Heikkilä 2007). In de VS is de fotograaf Mark Klett al dertig jaar actief met wat hij noemt Rephotography: het herfotograferen van het westen van de VS (Klett 2004). Genoemd moet ook worden het Franse overheidsinitiatief DATAR om veranderingen in het landschap met behulp van fotografie te monitoren (Latarjet & Hers 1989). Met dit project wilde

Een ander sprekend voorbeeld uit Frankrijk is de L’Observatoire photographique du paysage, een langlopend project (vanaf 1989) waarin simpele reeksen van foto’s op dezelfde plek, met precies hetzelfde camerastandpunt, maar met bepaalde tijdsintervallen worden gemaakt. In deze reeksen zijn zowel de subtiele als de rigoureuze ingrepen en veranderingen in het landschap in de loop der tijd goed te volgen. Dit project moet overigens gezien worden als opvolger van het grote project dat in 1882 is gestart, waarbij berghellingen periodiek vanuit hetzelfde standpunt werden gefotografeerd om ze te controleren op illegale kap en zo erosie te bestrijden (Sijmons 2007). Bij beide projecten waren de Franse ministeries


VITRUVIUS

van Landbouw en Ruimtelijke Ordening de initiatiefnemers. In Nederland zien we projecten die op kleiner schaalniveau als herfotografie van landschap zijn te beschouwen. Siebe Swart (‘de Nederlandse representant van de systematische landschapsfotografie’, aldus Dirk Sijmons) heeft de enorme veranderingen door de aanleg van bijvoorbeeld de HSL en de Betuwelijn vastgelegd (Swart 2007). Maar dit is geen ‘neutrale’ landschapsmonitoring, want het zijn plekken waarvan op voorhand bekend was dat er grote veranderingen gingen plaatsvinden. Een ouder, soortgelijk project is uitgevoerd bij de Bredase uitbreidingswijk Haagse Beemden, waar kunstenaar Piet Hein Stulemeijer vanaf 1977 prachtige opnames heeft gemaakt van de transformatie van het landschap daar (Stulemeijer & Margarita Görri 2003). Stulemeijer legde op verschillende plekken en op verschillende momenten de verandering vast van het agrarisch landschap even buiten Breda. De gepubliceerde series waren in de zomer van 2008 te zien in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam.

Verdwenen Nederland Een interessant project om te noemen in dit kader is ‘Verdwenen Nederland’, waarbij oude schoolwandplaten zijn gebruikt om de veranderingen in het Nederlandse landschap te laten zien (Donker 2006). Bij elke wandplaat is een hedendaagse foto opgenomen, die de grote veranderingen in het landschap, maar ook in de stad laten zien. Hierbij is niet de exacte methode van herfotografie toegepast, maar is meer getracht de verandering bij benadering te vangen in beeld. Omdat er oude schoolwandplaten zijn gebruikt,

heeft het (voor ouderen) een nostalgische inslag. De ‘Canon van het Nederlands Landschap’ (Andela 2009) is een samenwerkingsproject van de provincies en de Internationale Triënnale Apeldoorn 2008. Het betreft een selectie van landschappen uit diverse tijdsperioden. Zo hebben ook ruilverkavelingslandschappen en hedendaagse verstedelijking een kans gekregen en komen niet alleen de historische landschappen van terpen, esdorpen en slagen aan bod. In totaal bestaat de canon uit 61 foto’s, verspreid over Nederland, en geografisch gepositioneerd. Hiermee vormt de collectie een goede basis voor een toekomstig herfotografieproject.

De ‘lelijke’ kant Voor herfotografie zijn – op de Landschapscanon na – geen van bovengenoemde collecties geschikt. Het zijn allemaal ‘gewaardeerde’ collecties, met een specifieke doelstelling en dus met een specifieke landschappelijke setting. Onbedoeld laten ze een ‘ideaal’ Nederlands landschap zien. Bekend is bijvoorbeeld dat de foto’s van Victor de Buck – die het landschap van Bladel rond 1885 fotografeerde – alle moderne verschijnselen zoals landbouwmachines en plattelandskachels zorgvuldig buiten beeld hield (Roosenboom 2007). De ‘lelijke’ kant, de verstedelijking, de infrastructuur, de autonome ontwikkeling van het landschap, komt niet tot uitdrukking in deze fotocollecties. Voor landschapsmonitoring – één van de doelen van het herfotografieproject – is het nodig dat er plekken worden gekozen die statistisch betrouwbaar zijn om uitspraken te kunnen doen over de veranderingen die optreden in het Nederlandse landschap. Er is één collectie gevonden die hieraan lijkt te

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

voldoen: de collectie van Hubert de Boer. Frappant is dat genoemde voorbeelden samen een kleine geschiedenis vormen van de Nederlandse landschapsfotografie, dat wil zeggen dat zich verschillen in benaderingswijze aftekenen die aansluiten bij kunsthistorische ontwikkelingen, zoals de relatie tot de zeer invloedrijke school van Bernd en Hilla Becher aan de kunstacademie van Düsseldorf (seriematige, zo ‘objectief’ mogelijk vastgelegd industrieel erfgoed) of de duidelijk herkenbare conceptuele inslag van hedendaagse Nederlandse vormgevers en kunstenaars. Het spanningsveld tussen een geësthetiseerde (geïdealiseerde) en een meer feitelijke weergave van het landschap gaat al terug tot de Gouden Eeuw, toen, volgens kunsthistorica Svetlana Alpers, schilderkunst en cartografie soms veel overlappingen vertoonden; beide waren in veel verzamelingen terug te vinden. In de hedendaagse kunst zijn conceptuele landschapsfotografie en subjectieve cartografie (vooral in de nieuwe ‘locative’ media) momenteel erg in zwang. SKOR zag een mogelijkheid om een project te ontwikkelen waarin beide verschijnselen met elkaar verbonden worden. Uiteindelijk is het dan ook de bedoeling om een nieuwe collectie landschaps- fotografie te ontwikkelen, door middel van opdrachten aan professionele kunstenaars en fotografen om eveneens het landschap opnieuw vast te leggen en te typeren. Een collectie op museaal niveau, die op verschillende wijzen gepresenteerd kan worden.

De collectie van Hubert de Boer In Nederland hebben we geen ‘nationaal’ project zoals we dat kennen uit bijvoorbeeld België,

5 – Hellesylt, Stranda Kommune (Noorwegen). De linker foto is van Axel Lindahl (1880-90), toen het dorp uit niet veel meer bestond dan een postkantoor en een herberg waar je van paarden kon wisselen. De bouw van de huizen was traditioneel. Nadat het werd opgenomen in de routes van de cruisboten langs de Noorse fjorden, groeide het dorp uit tot een toeristenstadje, met hotels en parkeerplaatsen voor auto's die wachten voor de veerpont naar Geiranger (foto van Oskar Puschmann uit 2004). BRON: O. PUSCHMANN, W. DRAMSTAD & R. HOEL (2006). NORWEGIAN LANDSCAPES IN RETROSPECT. OSLO, P. 95.

13


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Noorwegen of Frankrijk. Er is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vroeg twintigsteeeuwse collecties die als basis gebruikt zouden kunnen worden voor herfotografie van het landschap, maar die blijken er niet te zijn (Kruit en Veer 2009). Het werk van Oorthuys en Heemskerk Dücker geeft weliswaar een goed beeld van het landschap en van Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw, maar de collectie is geen aselecte steekproef van het Nederlandse landschap. Het landschap is bovendien meer ‘bijvangst’ dan onderwerp van studie. Tot slot, en dat is in deze context erg belangrijk, weten we niet waar veel van de opnamen van bekende fotografen gemaakt zijn. Dat probleem doet zich overigens met de meeste – oudere – landschapsfoto’s voor. Wel kennen we dus de collectie van Hubert de Boer uit het midden van de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Deze collectie heeft de potentie om te fungeren als basis voor de herfotografie van het Nederlandse landschap. De collectie is destijds gemaakt voor studenten landschapsarchitectuur aan de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam. Na het vertrek van De Boer en zijn opvolger Dirk Sijmons, is de collectie door laatstgenoemde meegenomen en gearchiveerd bij H+N+S Landschapsarchitecten. Kruit en Veer (2009) hebben in opdracht van WOT Natuur & Milieu een ‘haalbaarheidsstudie’ uitgevoerd naar deze collectie. Uit hun onderzoek bleek dat de foto’s zijn gemaakt in de periode 1975-76, in opdracht van de directie van de afdeling Landschapsarchitectuur van de Academie van Bouwkunst in Amsterdam. De directie vroeg Hubert de Boer bij zijn afscheid als docent

(1974/1975) wat hij miste. Het antwoord was een beeldbank van het Nederlandse landschap voor onderwijsdoeleinden. Om de locaties van de beelden te bepalen, heeft Hubert de Boer zich in grote lijnen laten leiden door de geomorfologische landschapsindeling zoals die op dat moment in zwang was (vergelijk bijvoorbeeld ook Bijhouwer 1977). De collectie van Hubert de Boer geeft het meest uitgebreide en complete beeld van het Nederlandse landschap van ongeveer 30 jaar geleden (Kruit en Veer 2009). Wellicht is het de enige historische beeldcollectie die zich uitgesproken richt op het landschapsbeeld (niet stedelijke buitengebied). Het is een beeldende vertaling in kleur van het ‘Nederlandse landschap’ volgens Bijhouwer (Bijhouwer, 1977). Een nadeel is, dat door het ontbreken van kaarten met een plaatsaanduiding (die zijn verloren gegaan), het vinden van de originele camerastandpunten een tijdsrovende bezigheid wordt. Het project Focus op Landschap heeft deze collectie en dit gegeven tot uitgangspunt genomen.

Voor een discussie over de geconstateerde veranderingen in het landschap moet er een kritische massa zijn aan geherfotografeerde plekken. Hiertoe zijn – samen met de fotograaf Hubert de Boer – gedurende twee volle dagen alle dia’s bekeken en zo goed als mogelijk de locatie bepaald. Van sommigen konden we dat exact vaststellen, van een flink aantal slechts bij benadering. Landschap Noord-Holland voert momenteel op basis van deze 150 dia's het pilot-project uit, ondersteund door het landelijk opererende Landschapsbeheer Nederland.

Het project Focus op Landschap Het gegeven dat de exacte plaats waar de foto’s zijn genomen niet bekend zijn, is als uitgangspunt genomen van een internetspel. De provincie Noord-Holland was bereid haar financiële bijdrage aan het ‘Akkoord van Apeldoorn’ in 2008 in te zetten voor het project Focus op Landschap. Een quick-scan van de collectie De Boer leerde dat van de 650 dia’s er ongeveer 150 in NoordHolland gemaakt waren, waarmee die provincie het vaakst voorkwam in de collectie. Het ontwikkelen van een speciale website als drager van het internetspel was niet nodig. Er

6 – Gevonden! Opnieuw een foto van Hubert de Boer uit 1974/75 gevonden. Het is één van de vaarten van de Wieringermeer in het Robbenoordbos, vlak naast de A7.

14

bestaan al vele websites waar foto’s op kunnen worden geplaatst (Picasa, Flickr), net zoals sites voor mensen die ‘speurtochten’ dan wel georoutes willen doen. In het project werken Landschapsbeheer, SKOR en Landschap NoordHolland samen. 7Scenes is ingehuurd om de iPhone App te ontwikkelen, terwijl flickr.com gebruikt is als platform voor de landschapsfoto’s. Om te kijken of het inderdaad mogelijk is om via bestaande kanalen aan dit project te werken, is een eerste ‘event’ georganiseerd in de Eilandspolder. De resultaten hiervan stemmen hoopvol.

Nadat de dia’s in de werksessie met De Boer min of meer geografisch gepositioneerd waren, was het tijd om de techniek aan te spreken. Landschapsbeheer Nederland – de trekker van het project – heeft daartoe 7Scenes uit Amsterdam opdracht gegeven om een bestaande iPhone ‘App’ aan te passen voor het zogenaamde ‘photomatchen’. Bezitters van een iPhone konden al georoutes lopen, die onderweg informatie over de plek gaven op basis van waar de gebruiker op dat moment is. De App is uitgebreid met de mogelijkheid gebruikers te vragen om op bepaalde plekken foto’s zonder duidelijke plaatsbepaling van een geolocatie te voorzien; het zogenaamde photomatchen. 7Scenes biedt ons de mogelijkheid om op de eigen website (7scenes.com) routes te ontwikkelen voor bezitters van een iPhone (andere smartphones volgen in 2011). Als een route, ‘scene’ geheten in het jargon van 7Scenes, online is gezet, kan deze ‘gespeeld’ worden. Komt een gebruiker die de App activeert met zijn of haar iPhone in de buurt van één van de uitgezette punten (‘places’) in de scene, dan krijgt deze van zijn iPhone een melding dat er iets moet gebeuren. De gebruiker krijgt bijvoorbeeld een foto te zien, ontvangt informatie over de omgeving of wordt naar zijn mening gevraagd over onderwerp X. Vergelijk dit met Geo-caching, maar dan met je telefoon én met meer mogelijkheden. Voor het project Focus op Landschap is de App, zoals gezegd, uitgebreid met het zogenaamde ‘photomatchen’. Als een gebruiker een dergelijke


VITRUVIUS

Literatuur

De dia’s van Hubert de Boer waren destijds door Dirk Sijmons gered uit de kelders van de Academie voor Bouwkunst en keurig bewaard. Toch had de tand des tijds genadeloos toegeslagen en moest er snel gehandeld worden, wilden de dia’s nog bruikbaar blijven. De 6x6 dia’s zijn daarom allemaal uit hun raampjes gehaald, schoongemaakt en ingescand op hoge resolutie. Hierna zijn ze naar de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed overgebracht, waar ze sindsdien onder de juiste klimatologische omstandigheden worden bewaard. Voor het inscannen heeft de RCE een financiële bijdrage geleverd.

Op deze manier wordt als vanzelf een bestand opgebouwd van de locaties van de foto’s van vroeger en nu. Het spelelement zit hem erin, dat een door ons gesuggereerde locatie helemaal niet juist hoeft te zijn. We kunnen er enkele honderden meters naast zitten, of misschien wel kilometers. De gebruikers zullen ons dat dan uiteraard vertellen. Aan één enkele foto uit de jaren ’70 kunnen bovendien meerdere locaties gekoppeld worden. Het is aan ons om de juiste te bepalen. Discussies over de locaties zullen daarbij helpen. Die mogelijkheid is namelijk ook aanwezig op de website van 7Scenes. Het discussieplatform zetten we ook in om de mening te peilen over de kwaliteit van het landschap en de veranderingen sinds de jaren ’70. Voor geïnteresseerden: kijk op www.7scenes.com, ga naar ‘find’ en vul in ‘Eilandspolder’. U kunt 3 gespeelde scenes naspelen en de geüploade foto’s zien. Geen iPhone, wel geïnteresseerd? De opkomst van smartphones is onstuitbaar en zal zeker ver-

O K T O B E R 2 011

internationaal symposium organiseren bij en met het Nederlands Fotomuseum. We zullen daaraan ook een publicatie koppelen.

Waar wordt de collectie De Boer bewaard?

plek – ‘place’ – nadert, dan verschijnt één van de foto’s uit de collectie De Boer op het scherm met verzoek deze zo exact mogelijk te lokaliseren. Heeft de gebruiker de plek gevonden, dan kan deze via de optie ‘match photo’ en de coördinaten van de positie aan de foto worden gekoppeld. Tevens wordt de gebruiker gevraagd om een nieuwe foto van de plek te maken en te uploaden. Als de route gereed is, kan de gebruiker thuis de gevolgde route ‘naspelen’ en nog eens precies zien wat waar is gefotografeerd. De geüploade foto’s kunnen ook direct worden bekeken.

NUMMER 17

der doorgroeien in de komende jaren. Toch heeft een aanzienlijk deel van de potentieel geïnteresseerden in het project nog geen iPhone, maar waarschijnlijk wel een digitale fotocamera. De ‘scenes’ zijn daarom ook als pdf beschikbaar en uit te printen, zodat men dezelfde route kan volgen. De foto’s kunnen echter niet worden geüpload zoals dat met de iPhone foto’s wel gebeurt. Daarom is ook op www.flickr.com een eigen omgeving aangemaakt. Alle Noord-Hollandse foto’s zijn op deze site geplaatst. Per foto is aangegeven waar deze waarschijnlijk gemaakt is. Gebruikers kunnen deze foto’s bekijken, eventueel uitprinten en op zoek gaan naar de juiste plekken. Per locatie kan een gebruiker maximaal 3 foto’s, naar een speciaal mailadres sturen (focus_op_landschap@ yahoo.co.uk ). De redacteur Focus op Landschap (een medewerker van Landschap Noord-Holland) selecteert de beste en plaatst ze vervolgens op Flickr.com (www.flickr.com/photos/ focus_op _landschap). Er is een scheiding tussen de originele foto’s van De Boer de geherfotografeerde plekken, zodat we het overzicht behouden. Het staat gebruikers vrij om op elke foto die geplaatst is commentaar te leveren. Ook dit draagt zeker bij aan de discussie en nadere plaatsbepaling. Zomer 2012 hopen we alle locaties in Noord-Holland te hebben geherfotografeerd. De ambitie is om het project ook in andere provincies te vervolgen. Het streven is om, te beginnen in NoordHolland, minimaal 80% van de plekken die op de dia’s van De Boer staan terug te vinden. Na afloop hiervan en wanneer ook de landschapsfotografen hun werk hebben gedaan, zullen we een

– Alpers, S. (1983) The Art of Describing: Dutch Art in the Seventeenth Century. Chicago. (in Nederlandse vertaling verschenen als De Kunst van het Kijken. Amsterdam, 1989). – Andela, G., H. van Blerck, Ch. de Bont, H. Harsema, K. Leenders, M. Nolden, T. Spek en D. Sijmons (2009), Canon van het Nederlandse landschap. Wageningen. www.canonvanhetnederlandselandschap.nl) – Bijhouwer, J.T.P. (1977), Het Nederlandse Landschap. Amsterdam. – Donker, H. (2006), Verdwenen Nederland. Nederland in oude schoolwandplaten. Groningen. (http://verdwenennederland.bosatlas.nl). – Gierstberg, F. (2004), Het agrarisch landschap in de fotografie. In: G. Andela, Y. Feddes, F.Gierstberg, M. van den Heuvel en J. D. van der Ploeg (2004). Gemengd Bedrijf. De verandering van het agrarisch landschap. Rotterdam, 9-28. Heikkilä, T. (2007). Visual monitoring of Finnish Landscapes. Helsinki. – Klett, M. (ed.) (2004). Third Views. Second sights. A rephotographic survey of the American West. Santa Fé. (www.thirdview.org) – Kruit, J. en P.M. Veer (2009). Herfotografie van landschappen. Landschapsfoto’s van de ‘Collectie De Boer’ als uitgangspunt voor het in beeld brengen van ontwikkelingen in het landschap in de periode 1976-2008. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen. (Werkdocument 129) – Latarjet, B. & F. Hers (1989). Paysages photographies. La mission photographique de la DATAR, Parijs. – Puschmann, O., W. Dramstad & R. Hoel (2006). Norwegian Landscapes in Retrospect. Oslo. (www.tilbakeblikk.no) – Roosenboom, H. (2007). Onvoltooid tegenwoordige tijd. In: S. Swart, Panorama Nederland. Zwolle, 289-299. – Sijmons, D. (2007). Olieverf en emulsie. In: S. Swart, Panorama Nederland. Zwolle, 121-129. Stulemeijer, P. & H. Margarita Görri (2003). Honderd seizoenen, van land tot stad. Breda. – Swart, S. (2007). Panorama Nederland. Zwolle. Uyttenhove, P. (red) (2006). Recollecting landscapes. Herfotografie, geheugen en transformatie 1904-1980-2004. Gent.

Auteurs Henk Baas, hoofd landschap Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Nils van Beek, curator Stichting Kunst in de Openbare Ruimte Edwin Raap, stafmedewerker Landschapsbeheer Nederland 쮿

15


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Ron A. Hulst Senior archeoloog BAAC. b.v. Gedetacheerd bij het Centrum voor Archeologie, gemeente Amersfoort

1 – Tabaksschuur te Leusden uit de 18de/19de eeuw, gesloopt in 1981. De schuur stond op het boerenerf ‘Het Spul’. FOTO: HISTORISCHE KRING LEUSDEN)

S p o re n v a n

tabaksschuren bij Amersfoort

N

2 – Detail van Gezicht op Amersfoort van de schilder Matthias Withoos uit 1670 met tabaksschuren rond de Hogeweg op de achtergrond. De lange gebouwen hebben allen dezelfde oriëntatie. Op de voorgrond de rivier de Eem (naar het zuidoosten gezien).

16

iet veel mensen weten dat Nederland ooit een tabaksexporterend land was. In de 17de en de 18de eeuw voorzag het land in de behoefte aan snuiftabak in onder meer Frankrijk en Engeland. De productie, dus de tabaksplantages, was geconcentreerd in het midden van het land, in de regio’s rond Amersfoort-Nijkerk en de Utrechtse Heuvelrug. In Amerongen staat een tabaksmuseum en in de buurt zijn droogschuren ofwel tabaksschuren nog steeds aanwezig, sommige gerestaureerd, andere doen nog dienst als opslagschuur en weer andere zijn verbouwd tot woningen. Ook tussen Amersfoort en Hoevelaken zijn nog sterk verbouwde tabaksschuren te zien. In Nijkerk en in Leusden, vlakbij Amersfoort, hebben twee schuren zelfs de status van monument verkregen. De schuur in Nijkerk is al in de 19de eeuw verbouwd tot opslagschuur en is nu in bouwvallige staat. Het exemplaar in Leusden was een originele 18de/19de-eeuwse tabaksschuur, maar was dermate bouwvallig dat in 1981 toch


VITRUVIUS

werd besloten de schuur te slopen (figuur 1). In de loop van de 19de eeuw nam de productie van de Nederlandse tabak sterk af onder meer door de goedkopere en betere producten uit Amerika (Virginia) en uit de koloniën. De kwaliteit van de Nederlandse tabak is nooit hoog geweest.

Archeologische resten van tabaksplantages

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

De afgelopen 10 jaar hebben archeologen veel resten van tabakscultuur rond Amersfoort gevonden. Deze sporen uit de 17de tot de 19de eeuw hebben binnen de Nederlandse archeologie nauwelijks aandacht gekregen. In het onderstaande wordt een kort overzicht gegeven aan de hand van de sporen van 17 tabaksschuren, van schriftelijke – en iconografische bronnen en van onlangs nog bestaande resten van deze schuren.

Het gebied tussen Amersfoort en Hoevelaken was ooit tabaksland dat vol stond met tabaksschuren en -plantages (figuur 2). Ze lagen op een dekzandrug langs de weg tussen beide plaatsen, de Hogeweg. Het gebied is nu totaal veranderd en is een bedrijventerrein met de naam Wieken-Vinkenhoef. Deze ontwikkeling noopte natuurlijk tot archeologisch onderzoek vanwege de ligging op een dekzandrug. Het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort begon hiermee in 2001 en de laatste percelen werden in 2010 onder handen genomen. Al snel werd bewoning uit de IJzertijd ontdekt (uiteindelijk zijn in de loop der jaren tientallen erven opgegraven) en aan sporen van tabakscultuur werd totaal niet gedacht.

ologen extra alert op sporen van tabakscultuur. Na de vondst van de kleine schuur werden drie grote concentraties paalkuilen aangetroffen die niets anders dan tabaksschuren konden zijn (met bedden), maar waar geen structuur in te ontdekken viel (figuur 3, zie ook figuur 12).

Totdat een archeoloog (de schrijver) tijdens het veldwerk ‘bloembedden’ vond en dacht: ‘Weg met die recente dingen’. Maar, gelukkig, in de buurt bevonden zich paalsporen die beslist niet op een IJzertijderf hoorden. Toen begon het te dagen en een extra proefsleuf herstelde de fout, en de aanwezigheid van tabaksbedden kon worden vastgesteld. Het betrof de sporen van een kleine schuur en bedden. Nadien waren de arche-

Mogelijk waren het op dezelfde plek herbouwde schuren. Daarna zijn gelukkig de sporen van geïsoleerd liggende schuren gevonden en op grond van die sporenconfiguraties konden de grote concentraties uitgesplitst worden in individuele schuren. Uiteindelijk zijn de paalkuilen van 17 tabaksschuren gedocumenteerd met bijhorende plantages in de vorm van sporen van tabaksbedden. De meeste bedden lagen nabij de

3 – Opgeschoonde veldtekening van een tabaksplantage in fasen (17de?/18de-19de eeuw) langs de Hogeweg (WV-P289, zie ook figuur 4).

4 – Tabaksschuren op oude kadastrale kaart; de paalsporen van 4 van deze schuren zijn teruggevonden.

schuren maar er zijn ook bedden gevonden die verspreid in het gebied lagen1.

Groepsindeling tabaksschuren In de literatuur over tabakscultuur is sprake van twee typen tabaksschuren: het zuid-oost Utrechtse type en het type Amersfoort-Nijkerk. Het eerste type bezat lage wanden met horizontale luiken voor de luchtcirculatie en het type Amersfoort-Nijkerk had hoge wanden met verticale, staande luiken. In dit artikel ligt de nadruk op de omgeving van Amersfoort en het zuid-oost Utrechtse type kwam er nauwelijks voor en wordt buiten beschouwing gelaten. De schuren werden met behulp van een systeem van latten, de hanken, tot in de nok volgehangen met de geplukte

5 – Groepsindeling van tabaksschuren met tijdbalk.

17


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

tabaksbladeren voor het drogingsproces. De schuren konden enorme afmetingen hebben; zo besloegen de sporen van een opgegraven schuur bij Amersfoort een oppervlak van 10 m bij 60 m. De kadastrale kaart uit 1832 van het gebied toont echter een schuur die meer dan 100 m lang moet zijn geweest (figuur 4). De oorspronkelijke aanwijzende tafel (OAT) die bij deze kaart hoort, laat zien dat de tabaksplantages in handen waren van de elite, in enkele gevallen wordt een ‘bouwman’ (boer) of een bakker genoemd2. Het opzetten en exploiteren van plantages met droogschuren vergden grote investeringen en leverden ook risico’s op vanwege het onbetrouwbare Nederlandse klimaat voor tabaksteelt. Maar in een goed jaar kon blijkbaar goed verdiend worden. De locale bevolking werd ingezet als arbeidskrachten op de plantages. Na veel puzzelwerk konden de sporen van de

tabaksschuren op de veldtekeningen ingedeeld worden in drie groepen, die elkaar in tijd hebben opgevolgd hoewel er zeker overlappingen hebben plaatsgevonden (figuur 5).

Groep A, 17de eeuw Van de oudste groep A hebben we de meeste plattegronden gedocumenteerd3. Het in de paalsporen gevonden materiaal duidt op een datering vanaf de 17de eeuw4. De schuren waren voorzien van 2 rijen binnenstijlen, die 2 tot 2.5 m uit elkaar stonden. De wandstijlen stonden gemiddeld 3.5 m buiten de rijen van de binnenstijlen zodat de schuren circa 9 m breed waren. De grootste lengte bedroeg een kleine 40 m. De paalsporen van zowel de binnen- als de wandstijlen lagen in veel gevallen zo dicht bij elkaar dat het wel moet wijzen op reparaties of herbouw op dezelfde locatie. Een aantal plattegronden toonden een

uitbouw waar het restant van een waterput werd aangetroffen (figuur 6). De putten hadden een bakstenen wand met een fundament van een houten krans. In tegenstelling tot de latere schuren zijn van de vroegste schuren geen afbeeldingen bewaard; naar het uiterlijk kunnen we dus alleen gissen. In afbeelding 7 is een poging tot reconstructie gedaan, gebaseerd op bestekken van Noordhollandse boerderijen uit de 17de eeuw5. De weergegeven dwarsdoorsnede is niet meer dan een idee.

Groep B, 17de-18de eeuw De vertegenwoordigers van de volgende groep B blijken een aangepaste constructie te hebben. De rijen binnenstijlen werden naar buiten geschoven en aan één zijde namen ze de functie van wandstijlen over. De andere rij middenstijlen verplaatste zich tot dicht bij de wandstijlen; er

6 – Waterput aangetroffen bij een tabaksschuur. Rond de put is de donkere bouwinsteek te zien.

7 – Reconstructie dwarsdoorsneden 6. 8 – Deze tabaksplantage lag dichter bij de stad dan de Tweede Steeg. De droogschuur is asym-metrisch gebouwd (groep B). Kopergravure uit 1759 van Paul van Liender (naar het westen gezien). Er zijn meer afbeeldingen van tabaksschuren bij Amersfoort en Nijkerk. 9 – Tabaksschuur (groep C) op de Hoogekamp aan het Binnenpad te Nijkerk. Potloodtekening van F. Kragt Hzn. uit 1935. PART. VERZ.: FOTOREPRODUCTIE L.H. WAGENINGEN.

18


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

ontstond een smalle zijbeuk. De gebintbalken werden langer en er ontstond op de begane grond een beter toegankelijke werkruimte voor het ophangen van tabaksbladeren aan de hanken. De opgegraven plattegronden laten zien dat de droogschuren breder konden worden; soms meer dan 10 m, hoewel de lengte afnam. De aangepaste bouwwijze had tot gevolg dat de schuren asymmetrisch werden omdat aan één zijde de wanden hoger waren dan aan de andere (figuur 7). De wanden hadden verticale luiken voor het drogingsproces en het is opvallend dat in alle aangetroffen plattegronden de hoge wanden op het zuidwesten zijn gericht. Deze oriëntatie wordt bevestigd door een gravure uit de 18de eeuw waar de hoge wand met opengeslagen luiken op het zuidwesten staat (figuur 8). Het interieur hangt vol met tabaksbladeren en op de voorgrond staan de tabaksplanten. Te zien is ook dat de plantage werd afgeschermd van de westelijke winden door een haag en om toch een goede luchtcirculatie voor de droging van de bladeren te waarborgen, zijn de hoge wanden met de verticale luiken noodzakelijk. Het vondstmateriaal, scherven van gebruiksaardewerk, pijp- en glasfragmenten en resten van gesmede ijzeren spijkers uit de paalsporen van de plattegronden van groep B, beslaat de ruime periode van de 17de tot in de 19e eeuw. Op het schilderij van Withoos uit 1670 is een aantal tabaksschuren rond de Hogeweg en de Lage weg weergegeven. Duidelijk zijn de verticale luiken te zien. Eén van de schuren is asymmetrisch van bouw (met de hoge wand op het westen gericht), zoals de schuren uit groep B, de overige schuren zijn symmetrisch. Toont de schilder ons hier schuren van groep A? In zijn ‘Beschrijving van de stad Amersfoort’ uit 1760 heeft van Bemmel een opmerkelijke alinea: ‘De twee langste Tabaksschuren worden gevonden buiten de Camppoort, de eene aan de hoge weg by de tweede Steeg, in de voorgaande eeuw na de oude trant gebouwd; en de andere staat ten einde van de Laage weg, op ’t Erf en Goed, genaamd Vinkenhoef, voor enige jaren nieuwlings getimmert door de Heer Jonas Cohen’ 7. Op de kadastrale minuut uit 1832 is de lange schuur aan de Hogeweg bij de Tweede Steeg inderdaad te zien (zie figuur 4). De langste schuur, die Withoos heeft geschilderd, kan heel goed deze lange schuur bij de Tweede Steeg zijn. Hij geeft het weer als drie achter elkaar gebouwde schuren. Van Bemmel vermeldt dat de schuur bij de Tweede Steeg naar de oude trant (17de eeuw, groep A?) is gebouwd en dat de schuur aan de Lageweg niet lang geleden werd getimmerd

10 – Restant van een tabaksschuur aan de Hogeweg. Eetcafé De Tweede Steeg.

(groep B of C, zie beneden). Vinkenhoef bevondzich buiten het weergegeven detail van het schilderij. Van Bemmel geeft ook een aanwijzing over het gebruikte bouwmateriaal: ‘Ze (de schuren) worden gemeenlyk getimmerd aan vakken of gebinten van zwaare greene balken, 12 à 16 voeten van malkander, …’.8 Alle bronnen wijzen op het bestaan gedurende lange tijd van schuren van groep B en sommige exemplaren kunnen een hoge leeftijd hebben bereikt.

schuur (figuur 5). De stijlen stonden niet in diepe paalkuilen maar op bakstenen poeren die niet diep hoefden te worden ingegraven. De kuilen die ze, na het afbreken van de schuur, achter lieten, zaten vol met baksteenfragmenten en soms werd de onderste baksteenlaag van de poer teruggevonden. De aangetroffen poeren, en dus de gebinten, stonden ca. 3.5 tot ca. 4.6 m van elkaar, wat overeenkomt met de maten die van Bemmel opgaf.

Overgang groep A naar groep B?

Tabaksschuren van groep C kwamen al voor in de 2de helft van de 18de eeuw. Tussen de poeren en iets naar buiten moeten, gezien de sporen, de wandstijlen hebben gestaan en, ook aan de hand van de sporen, kon de lengte van de schuren 60 m bedragen. Uit de sporen en uit met de schuren in verband te brengen sporen, zoals een greppel langs een lange zijde, zijn veel fragmenten van rode dakpannen geborgen. De dakbedekking moet uit deze dakpannen hebben bestaan. Niet alleen de schuren van groep C want, hoewel de sporen van de andere groepen nauwelijks dakpanfragmenten bevatten, toont het schilderij van Withoos een rode dakpanbedekking op alle tabaksschuren.

Op een perceel (WV-P280, zie figuur 4) konden uit de wirwar van paalsporen de plattegronden van vijf schuren worden gedestilleerd. De schuren vertegenwoordigen alle groepen (A, B en C) en dat betekent dat de plantage van de 17de tot in de 19de eeuw in gebruik was. Eén plattegrond kan echter niet in de groepsindeling geplaatst worden (figuur 5). De schuur was weliswaar asymmetrisch maar had 2 rijen middenstijlen, niet in het midden van het gebouw (zoals in groep A) maar dichter naar de wandstijlen, zodat 2 smalle en ongelijke zijbeuken ontstonden. Hebben we hier te maken met een overgang van groep A naar groep B? Helaas geeft het weinige in de paalsporen gevonden aardewerk slechts een globale datering van de 17de tot in de 19de eeuw.

Groep C, 18de-19de eeuw De schuren van de volgende groep C kenden weer een andere bouw. De asymmetrische bouw werd verlaten. Middenstijlen waren er niet meer; de stijlen stonden nu dicht tegen de wand en samen met de gebintbalken overspanden ze de gehele breedte (soms meer dan 10 m) van de

De locatie van alle vier opgegraven schuren uit groep C blijkt exact geprojecteerd te kunnen worden op de kadastrale minuut uit 1832 (figuur 4). De tabaksplantages met droogschuren moeten in die tijd nog in functie zijn geweest. Uit de reeds genoemde OAT bij de kadastrale kaart blijkt de plantage, die nu bij ons bekend is als WV-P289, eigendom was van Hendrik Ockhuizen, tabaksplanter te Amersfoort.

19


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

11 – Tekening van Jan Jehee van de Leusder tabaksschuur, gesloopt in 1981.

Oude afbeeldingen van schuren van groep C zijn niet veel voorhanden (figuur 9). Restanten van deze schuren zijn er wel, hoewel sterk verbouwd, bijvoorbeeld langs de Hogeweg. Deze schuren staan ook op de kadastrale kaart uit 1832 en het eetcafĂŠ De Tweede Steeg bestaat nog steeds voor een deel uit de restanten van een tabaksschuur (figuur 10).

20

Tekeningen van schuren bestaan wel, zo is in opdracht van Jan Kops in 1808 een schuur uit groep B opgemeten en getekend waarvan de dwarsdoorsnede in figuur 7 is weergegeven9. Jan Jehee heeft de tabaksschuur in Leusden (groep C) opgemeten en gedetailleerd getekend in 1978 voordat deze schuur helaas werd afgebroken10. De tekening is in afbeelding 11 volledig weergegeven.

Tabakscultuur en toekomstig archeologisch onderzoek In vergelijking tot de vele bronnen over tabaksschuren en plantages rond Amersfoort, maar ook richting Nijkerk, steken de gevonden sporen in aantal schril af. Van de plantages zijn alleen de diepere spitsporen in de ondergrond bewaard (zie figuur 12). Sporen van hagen rond de bedden zijn


VITRUVIUS

niet teruggevonden of niet herkend. Veel sporen van de tabaksteelt zijn in de loop der jaren verploegt en in de bouwvoor opgenomen, zodat ze überhaupt niet meer te vinden zijn. De sporen van tabaksschuren steken dieper in de ondergrond zodat de kans bestaat dat in de toekomst nog resten van deze schuren tevoorschijn komen. Sporen van oudere schuren kunnen zich nog onder de verbouwde 19de-eeuwse tabaksschuren bevinden, bijvoorbeeld langs de Hogeweg.

Het is nu duidelijk geworden dat resten van de oude tabakscultuur in de ondergrond rond Amersfoort zeker nog aanwezig zijn; de paalsporen van de grote schuren hebben een grote kans om herontdekt te worden maar de sporen van plantages c.q. tabaksbedden zullen veel moeilijker te vinden zijn. De kennis die door de opgravingen is opgedaan zal zeker benut worden bij toekomstig archeologisch onderzoek.

Literatuur Voor zover bekend zijn in streken elders in Nederland, waar tabak werd geteeld, geen archeologische gegevens over schuren en bedden gedocumenteerd. Wellicht zijn sporen van deze structuren wel tevoorschijn gekomen (zo zijn in Leusden bij de Tabaksteeg, what’s in a name, in proefsleuven de sporen van schuren uit groep B en C ontdekt), maar zijn ze niet herkend of genegeerd/niet gedocumenteerd als zijnde recente sporen. Vergelijking van de sporen in WiekenVinkenhoef met resten van tabakscultuur elders (b.v. Zuidoost-Utrecht) is dus niet mogelijk. De sporen moesten geïnterpreteerd worden met behulp van historische bronnen en enkele oude tekeningen en prenten, waartoe hierboven een poging is gedaan. Het is vrijwel zeker dat de gebouwen primair zijn opgericht als tabaksschuur voor het gecontroleerd drogen van tabaksbladeren; het waren geen gewone boerenschuren waarin de tabak te drogen werd opgehangen. Het bouwen en onderhouden van de tabaksschuren vergde hoge investeringen. De archeologisch aangetroffen plattegronden zijn in drie groepen in te delen die in tijd van elkaar te onderscheiden zijn, hoewel de groepen elkaar in tijd hebben overlapt. Op de oudste groep na (groep A) worden de twee recentere groepen (B en C) bevestigd door historische bronnen en oude tekeningen en prenten. De schuren van Groep A zijn alleen archeologisch aangetroffen en werden hoogstwaarschijnlijk vanaf de tweede helft van de 17de eeuw gebouwd. Het grootschalige archeologisch onderzoek van Wieken-Vinkenhoef heeft de tabaksteelt rond Amersfoort voor het voetlicht gebracht. Buiten de zichtbare resten aan de hand van de nog bestaande, verbouwde tabaksschuren weten we nu iets meer over de oudere droogschuren die in het gebied hebben gestaan en hebben we een idee gekregen over de omvang van een plantage (zie perceel 289). Aan de hand van oude tekeningen en prenten is het uiterlijk van de tabaksschuren redelijk te reconstrueren (groepen B en C). De hier weergegeven reconstructie van een vroege schuur (groep A) moet echter als zeer hypothetisch worden gezien.

– Bemmel, A. van, 1760. Beschrijving van de Stad Amersfoort, etc. Utrecht, heruitgave 1969, Zaltbommel. – Hekker, R.C. en J.M.G van der Poel, 1967. De Nederlandse boerderij in het begin der 19de eeuw; een documentatie-onderzoek van het Kabinet van Landbouw. Stichting Historisch BoerderijOnderzoek, Arnhem. – Hulst, R.A., et.al., 2011. Tabaksplantages langs de Hogeweg. Sporen van tabaksteelt uit de 17de tot 19de eeuw op de locatie van het toekomstige bedrijventerrein Wieken-Vinkenhoef. Amersfoort onder ons nr. 25. Centrum voor Archeologie, gemeente Amersfoort. – Jong, S. de, 1965. Vijf Noordhollandse boerderijbestekken uit de eerste helft van de 17de eeuw. Een studie over het ontstaan en de bouw van stolpboerderijen. Stichting Historisch BoerderijOnderzoek. Arnhem. – Roessingh, H.K., 1976. Inlandse tabak. Expansie en contractie van een handelsgewas in de 17e en 18e eeuw in Nederland. Gelderse Historische Reeks IX. Zutphen.

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Noten 1 De term ‘bedden’ is misleidend; wat we vonden waren banen spitsporen als gevolg van het opwerpen van de bedden waarin de tabaksplanten stonden, gescheiden door smalle looppaden. 2 Op basis van de OAT werden belastingen geheven. De grote invloed van de elite sluit niet uit dat vele ‘kleine lieden’ ook tabak hebben geteeld en kleine schuren, stallen en zolders voor de droging hebben benut, ook binnen de stadsmuren. Men hing zelfs de zolders in de Sint Joriskerk vol met tabaksbladeren. 3 De veelheid aan paalsporen in de plattegronden dwongen ons door tijddruk keuzes te maken; dus niet alle sporen van een plattegrond werden gedocumenteerd. 4 Midden van de 17de eeuw is in de bronnen voor het eerst sprake van tabaksschuren. Roessingh, 147. 5 Zie S. de Jong, 1965. 6 De volledige tekening in opdracht van Kops is te bezichtigen in het Tabaksmuseum, Amerongen. Zie Hekker en van der Poel, 34-35 en 89-90. De tekening van Aanstoot is afgebeeld in Roessingh 1976, 164. 7

Van Bemmel 1760, 789. Van Bemmel, 1760, 789, afhankelijk van de gebruikte voetmaat is dit ca. 3.6 tot ca. 4.8 m. 9 Jan Kops richtte in 1808 het Kabinet van Landbouw op. 10 Uit de collectie van de voormalige Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek (SHBO-opmeting nr. 471). De tekening bevindt zich thans in de bibliotheek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort. Jan Jehee is oud-medewerker van deze Rijksdienst. 쮿 8

12 – Sporen van tabaksbedden op perceel WV-P289 met paalsporen van een tabakschuur van groep C.

21


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Atlas van de verstedelijking in Nederland Jaap Evert Abrahamse Senior onderzoeker historische stedenbouw bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Een overzicht van

Reinout Rutte

duizend jaar stedenbouw

Universitair docent Geschiedenis bij de Faculteit Bouwkunde aan de TU Delft

1 – De vijfendertig grootste stedelijke gemeenten in Nederland gecategoriseerd in vijf groepen op basis van de wording. Rechts de inwonertallen en het bebouwd oppervlak van de vijfendertig grootste stedelijke gemeenten in Nederland, peiljaar 2006. MENNE KOSIAN/RIJKSDIENST VOOR HET CULTUREEL ERFGOED.

D

e Atlas van de verstedelijking in Nederland richt zich op de ruimtelijke ontwikkeling van steden; hun geografische situering, landschappelijke ondergrond, infrastructuur, stedenbouwkundige morfologie en ruimtegebruik. Als uitgangspunt zijn de vijfendertig stedelijke gemeenten van Nederland gekozen met het hoogste inwonertal – met 80.000 inwoners als ondergrens. Aan de hand

22

van deze groep kan een redelijk representatief beeld worden verkregen van de ruimtelijke ontwikkeling op de lange termijn.2 Bovendien liggen in deze steden de grootste beschermings-, herstructurerings- en bouwopgaven. Bestudeer je de lijst van vijfendertig, dan blijkt dat twintig daarvan in de middeleeuwen ontstonden als handelsnederzetting en markt- en bestuurscentrum. Bijna alle vijftien andere danken

hun plaats op de lijst aan het gegeven dat ze in de decennia rond 1900, en een klein aantal in de laatste vijftig jaar, opbloeiden als industrie- of woonstad.

Oudste steden Groningen, Deventer, Utrecht, Arnhem, Nijmegen, Maastricht en Dordrecht moeten worden gerekend tot de oudste steden van Nederland.3


VITRUVIUS

Waarom zien de Nederlandse steden er tegenwoordig zo uit als ze eruit zien? Deze vraag is van belang voor opgaven rond bescherming, transformatie en stadsontwerp. Een antwoord kan slechts worden gegeven door de lange-termijnontwikkeling van de steden te bekijken, vanaf de prestedelijke situatie tot heden, en in kaart te brengen wat er wanneer in welke vorm is aangelegd, gebouwd en getransformeerd, en dit te analyseren, te vergelijken en trachten te verklaren. Dit gebeurt in de Atlas van de verstedelijking in Nederland, een samenwerkingsverband van de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.1 In dit artikel worden de eerste – nog schetsmatige – onderzoeksresultaten gepresenteerd.

De stadswording vond plaats gedurende de elfde en twaalfde eeuw, bij sommige steden zelfs eerder. Ze liggen verspreid door het land en zijn gesitueerd aan een grote rivier of een zeearm, die een bepalende rol speelde in hun ontwikkeling. Voor hun stadswording en opbloei was die strategische ligging voor lange-afstandshandel van groot belang, evenals de functie als markt en bestuurscentrum. Al deze steden hadden tegen het einde van de middeleeuwen een aanzienlijke omvang. Het grootste deel breidde vanaf de vijftiende eeuw tot het einde van de negentiende eeuw niet meer noemenswaardig uit.4 Pas omstreeks 1900 zette een nieuwe periode van bloei en expansie in. Deze geschiedenis resulteert erin dat de meeste steden uit deze groep tegenwoordig behoren tot de middelgrote steden (120.000-180.000 inwoners). De tegenwoordige binnensteden ontwikkelden zich in de loop van een aantal eeuwen, vaak uit meerdere kernen, die deels teruggingen tot de Romeinse tijd, deels stamden uit de periode van de achtste tot de elfde eeuw. Die ontwikkeling was nauw verbonden met het water – de infra-

structuur – waaraan de steden ontstonden. Uitgezonderd Maastricht en Utrecht lagen ze op één oever van de waterloop. De tegenwoordig goed herkenbare binnensteden lagen er in de late middeleeuwen. De laatmiddeleeuwse stadsmuren werden vanaf het einde van de zestiende eeuw en vooral in de zeventiende eeuw vervangen door nieuwe vestingwerken met bastions en brede grachten, uitgezonderd Dordrecht. Alleen Groningen werd in de zeventiende eeuw op grote schaal uitgebreid. Pas met de aanleg van de spoorwegen in de loop van de negentiende eeuw traden overal ingrijpende veranderingen op. De oriëntatie op het spoor werd belangrijker dan die op het water. Veel steden draaiden daardoor als het ware om. De uitbreiding en ontwikkeling van de stad vond in de decennia rond 1900 vooral plaats in de richting en omgeving van het station, dat in de meeste steden aan de andere kant van de stad lag ten opzichte van de oude waterinfrastructuur. De vestingwerken werden geslecht en omgevormd tot boulevards, wandelparken en mooie woongebieden met villa’s en herenhuizen. Alleen in

NUMMER 17

Amsterdam Rotterdam Den Haag

743.079 588.697 475.627

Utrecht Eindhoven Tilburg

280.949 209.172 200.380

Groningen Almere Breda Nijmegen Apeldoorn Enschede Haarlem Arnhem Zaanstad Amersfoort Haarlemmermeer ‘s-Hertogenbosch Maastricht Dordrecht Leiden Zoetermeer Zwolle Emmen Ede

180.729 178.466 169.709 159.522 156.051 154.377 147.015 142.195 140.270 136.999 135.136 134.717 120.175 118.821 118.069 116.979 113.078 108.589 107.048

O K T O B E R 2 011

Sittard-Geleen Deventer Delft Alkmaar Venlo Leeuwarden Heerlen Helmond Hilversum Hengelo

96.648 96.540 95.090 94.455 92.052 91.817 91.499 85.682 83.652 81.299

Tabel 1 – Inwonertal van de 35 grootste stedelijke gemeenten in Nederland, peiljaar 2006.

Utrecht, Groningen en Deventer bleef de singelgracht deels intact. Voor de rest werden deze gedempt. In de jaren tussen de twee wereldoorlogen verveelvoudigde in bijna alle steden het bebouwde oppervlak door de aanleg van middenstands- en arbeiderswijken in een gordel om de bestaande stad. In Dordrecht, Nijmegen, Arnhem en Deventer bleef de ligging op één rivieroever bepalend, hoewel in Arnhem in de loop van de jaren 1930 werd begonnen met de aanleg van uitbreidingswijken op de zuidoever van de Neder-Rijn.

Casestudies Van twee van de onderzochte steden is hier een casestudy opgenomen. In de Atlas van de Verstedelijking in Nederland, die eind 2012 moet verschijnen, zullen alle vijfendertig steden op deze wijze worden opgenomen. Op de fasenkaart is met behulp van verschillende kleuren bij benadering in kaart gebracht in welke tijd de nederzettingsstructuur werd aangelegd. Hierbij moet niet uit het oog worden verloren dat hoe ouder de nederzettingsstructuur is, hoe groter de kans dat de invulling daarvan, de bebouwing, in de loop der

Casestudie Arnhem REINOUT RUTTE De oorsprong van Arnhem gaat terug tot de tiende eeuw. Toen lag er langs de huidige Neder-Rijn, en langs een beek aan de zuidelijke voet van de Veluwerug, een agrarische nederzetting met een bestuurlijke functie voor de omgeving. Deze

tijd is vervangen. De bebouwing kan dus jonger zijn dan de kleur van het peiljaar op de kaart. Maar nederzettingsstructuren zijn doorgaans erg taai. Dit verschijnsel wordt stedelijke inertie genoemd. Op de zogenaamde schetskaart zijn voor de ruimtelijke transformatie belangrijke elementen weergegeven, zoals landschappelijke ondergrond en infrastructuren. De tijdbalk geeft de bepalende periodes voor de verstedelijking weer.

ontwikkelde zich in de loop van de twaalfde eeuw tot stad. Dit was mogelijk door de gunstige ligging aan de rivier waarover handel werd gedreven tussen het Duitse achterland, het Hollandse kustgebied en verder weg. De stadswording was echter niet alleen te danken aan gunstige economische omstandigheden, maar ook aan de opkomende

graaf van Gelre, die in 1233 vrijheden en rechten, waaronder het marktrecht, verleende aan de inwoners van Arnhem. In 1200 bestond de jonge stedelijke nederzetting uit een gebied ter plaatse van de huidige Grote of Sint-Eusebiuskerk en juist ten noorden daarvan.

23


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Na de Tweede Wereldoorlog nam de uniformiteit van woonwijken toe: aan de stadsranden verrezen overal grootschalige uitbreidingswijken volgens modernistische stedenbouwkundige principes en werd in de loop van de jaren 1970 en 1980 overgestapt op zogenaamde bloemkoolwijken.5 Ook de meest recente uitbreidingswijken lijken erg op elkaar. Bovendien vond opnieuw een ingrijpende infrastructurele verandering plaats: vanaf de jaren 1950 werd de auto steeds bepalender in plaats van de trein. De naoorlogse nieuwbouw-

wijken worden dan ook allemaal ontsloten door een systeem van wegen, dat bij voorkeur werd aangesloten op het rijkswegennet. De variëteit in de ruimtelijke ontwikkeling die de steden in het bijzonder gedurende de twintigste eeuw doormaken, zit hem niet zozeer in de vorm die de stedenbouw aanneemt – die vertoont juist veel overeenkomsten – maar veel meer in de specifieke situering van de oude stad en de geografische en landschappelijke omstandigheden

ter plaatse, en in de loop van de infrastructuren. Op de ligging op één oever van de rivier wezen we al, evenals op de plek waar het station verrees. In Nijmegen, Maastricht en Arnhem speelde het reliëf eveneens een grote rol. Overal was de ligging van een stad ten opzichte van het rijkswegennet en de manier waarop de stad daar op werd aangesloten van invloed op de richting waarin de stad uitbreidde in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Casestudie Arnhem (vervolg) De veel kleinere voorganger van de Sint Eusebius, die was gewijd aan Sint Maarten en ten minste terugging tot de elfde eeuw, fungeerde als stedelijke parochiekerk. De dertiende en veertiende eeuw waren voor Arnhem overwegend een periode van grote bloei. Het oppervlak nam in die twee eeuwen sterk toe met een aantal uitbreidingen, vooral aan de noordwestzijde en aan de oostkant van de oude kern. Vanaf ongeveer 1400 stagneerde de handel. De omvang die de stad toen had en die was vastgelegd door middel van een ommuring en omgrachting, zou tot in de negentiende eeuw niet veranderen. Van de vijftiende eeuw tot de negentiende eeuw bleef de stad verstoken van uitbreidingen. Wel werd in de tweede helft van de vijftiende eeuw de Eusebiuskerk neergezet. Ook verrezen kloosters en gasthuizen. Bovendien werden de laatmiddeleeuwse muren en grachten in de jaren rond 1600 op initiatief van prins Maurits en in verband met de oorlog tegen de Spanjaarden, vervangen door omvangrijke nieuwe vestingwerken met aarden en stenen wallen, bastions en brede grachten. In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw ontstond door de aanleg van buitenplaatsen (bijvoorbeeld Sonsbeek) op de uitlopers van de Veluwerug benoorden de stad een parkachtig landschap.

1 – Fasenkaart van Arnhem

MENNE KOSIAN/RIJKSDIENST

VOOR HET CULTUREEL ERFGOED, ARNOUD DE WAAIJER/TU DELFT

24

De omvorming van de vestingwerken tot stadspark omstreeks 1830 luidde het begin in van een nieuw tijdperk. Nadat in 1845 een spoorlijn richting Utrecht was geopend, gingen de veranderingen snel. Station Arnhem werd gebouwd aan de noordwestkant van de stad en binnen enkele decennia nam het een centrale positie in in het spoorwegnet: vanaf 1856 liep de lijn door naar Duitsland, in 1865 werd een aftakking naar Zutphen geopend en in 1879 een naar Nijmegen. De stad, die vanaf haar ontstaan in de twaalfde eeuw gericht was geweest op de rivier, draaide in de laatste decennia van de negentiende eeuw als het ware om. De eerste grote uitbreidingen van Arnhem sinds de middeleeuwen, na ongeveer 500 jaar, vonden plaats ten noordwesten en noordoosten van de bestaande stad. Initiatiefrijke particulieren begonnen met de aanleg en bouw van buurten met herenhuizen en van villaparken. Niet alleen de aanwezigheid van het station aan de noordkant van de stad en de aangename wandeling over de voormalige bolwerken, maar ook het glooiende parklandschap met de ruggen en valleien van de Veluwerand aan die kant van de oude binnenstad, leenden zich bij uitstek voor wonen op stand. In 1900 waren benoorden de stad, aan beide kanten van de spoorlijn en op de uitgesproken rug aan de westkant tussen de

2 – Schetskaart van Arnhem, waarop in blauw de rivier en de daaraan gerelateerde oude binnenstad zijn weergegeven, in zwart de spoorlijnen en de daaraan gerelateerde bebouwing, in rood de hoofdwegen en de daaraan gerelateerde bebouwing, en in groen het landschap (reliëf, ontginningsstructuur).


VITRUVIUS

Steden vanaf de dertiende eeuw Leeuwarden, Zwolle, Amersfoort, Alkmaar, Haarlem, Leiden, Delft, Breda, ’s-Hertogenbosch en Venlo ontwikkelden zich hoofdzakelijk in de loop van de dertiende en veertiende eeuw tot stad.6 Anders dan de oudste steden zijn ze niet gesitueerd aan een grote rivier, maar langs de Hollandse en Friese binnenwateren of aan kleinere rivieren zoals de Aa, de Eem, de Mark en de Dieze. Venlo aan de Maas is de enige uitzondering. Om de oude kernen waaruit deze steden ontstonden, ver-

schenen in de loop van ongeveer twee eeuwen meerdere uitbreidingen. Halverwege de vijftiende eeuw hadden ze allemaal een aanzienlijke omvang. De meeste van deze steden hadden hun opbloei te danken aan een functie als regionaal markt- en bestuurscentrum, bijvoorbeeld Leeuwarden in Friesland, Alkmaar van het gebied benoorden Wijkermeer en IJ, Haarlem van Kennemerland, Leiden van Rijnland, Delft van Delftland, Breda van de

spoorlijn en de Rijn, met magnifiek uitzicht over het rivierdal, vooral voorname woonwijken verrezen. Ten oosten van de stad, niet ver van de rivier, verschenen de eerste fabrieken en arbeiderswijkjes. Ook in Klarendal stonden arbeiderswoningen, zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken door middenstandswoningen en herenhuizen langs de doorgaande wegen, langs de Velperweg zelfs riante villa’s. Na 1900 en tussen de twee wereldoorlogen ging het bouwen aan de reliëfrijke noordkant rap door. Behalve herenhuizen en villaparken werden ook mooie middenstandswijken neergezet, zoals Hoogkamp, met de tegenwoordig populaire zogenoemde jaren-dertigwoningen, en doordacht ontworpen arbeiderswijken, veelal in de vorm van tuindorpen, zoals Geitenkamp, gerealiseerd op initiatief van woningbouwverenigingen. Men koos bewust voor situering van deze wijken tegen een helling of juist in een vallei (bijvoorbeeld Alteveer). Tussen de groene vingers van het Veluwse parklandschap ontstond een uitzonderlijk fraai geheel van hoog en laag gelegen woonwijken voor verschillende bevolkingsgroepen. De Tweede Wereldoorlog vormde een ingrijpende cesuur. De binnenstad van Arnhem werd zwaar getroffen. Minstens zo ingrijpend was de beslissing de sprong over de rivier, die kort voor de oorlog was ingezet, op grote schaal door te zetten: direct ten zuiden van de rivier verscheen de nieuwe uitbreidingswijk Malburgen volgens modernistische en wederopbouwprincipes, zoals geschei-

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Baronie en ’s-Hertogenbosch van de Meierij. Het zal geen toeval zijn dat een aantal van deze steden in de eerste helft van de negentiende eeuw provinciehoofdstad werd. Het merendeel breidde vanaf de vijftiende eeuw tot het einde van de negentiende eeuw bijna niet uit.7 Alleen Leiden en Haarlem werden in de zeventiende eeuw voorzien van grote stadsuitbreidingen, wat had te maken met hun belangrijke positie binnen Holland als nijverheidscentrum.8

den infrastructuursystemen en strokenbouw van flats en rijtjeshuizen. Benoorden de rivier verschenen volgens vergelijkbare principes ten oosten van het industriegebied in twee fasen Presikhaaf II en III. Met deze wijken vergrootte het bebouwde oppervlak van Arnhem in de jaren 1950 en 1960 met rasse schreden. Eind jaren 1970 en vooral in de jaren 1980 ging het bouwen bezuiden de Rijn gestaag door. Het dorp Elden werd geïntegreerd in een door grote wegen in het groen ontsloten ‘eilandenrijk’ van bloemkoolwijken met woonerven. Centraal verscheen het overdekte winkelcentrum Kronenburg, op pootjes om er onder te kunnen parkeren. Uit de opzet van deze wijken, ontsloten door autowegen en ringwegen, wordt overduidelijk dat de auto gemeengoed is geworden en veel belangrijker dan het spoor. Het is dan ook in deze jaren dat het autowegennet rond en door Arnhem zijn beslag krijgt, waarin twee nieuwe bruggen over de Rijn onmisbare schakels vormen. In de decennia na 1980 blijft Arnhem groeien. Wederom krijgen de uitbreidingen hun beslag in het zuiden. Daar verrijzen nieuwbouwwijken zoals deze ook in de rest van het land verschijnen - de uniformiteit lijkt alleen maar toe te nemen. In Arnhem springt de uniformiteit van de naoorlogse wijken des te meer in het oog omdat de wijken uit de decennia rond 1900 en van tussen de twee wereldoorlogen juist worden gekenmerkt door een grote diversiteit, die wordt versterkt door de voor Nederland uitzonderlijke ligging in een zeer reliëfrijk landschap. De tegenstelling met het vlakke kleigebied bezuiden de rivier kan haast niet groter. Voor de toelichting op de ruimtelijke ontwikkeling van Arnhem is geput uit de volgende literatuur: F. Keverling Buisman e.a. (red.), Arnhem tot 1700 (Utrecht 2008); F. Keverling Buisman e.a. (red.), Arnhem van 1700 tot 1900 (Utrecht 2009); M.H. van Meurs e.a. (red.), Arnhem in de twintigste eeuw (Utrecht 2004); W. Lavooij, Twee eeuwen bouwen aan Arnhem. De stedenbouwkundige ontwikkeling van de stad (Zutphen 1990); W. Lavooij, Gebouwd in Arnhem. Jongere bouwkunst van 1840 (Zutphen 1990); M. Potjer, Historische atlas van Arnhem. Van Schaarsbergen tot Schuytgraaf (Amsterdam 2005).

3 – Jan van Goyen, Panoramisch landschap met gezicht op Arnhem, 1646. MUSEUM KUNSTPALAST, DÜSSELDORF

25


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Tegenwoordig behoren deze tien steden tot de middelgrote en de kleinste van de vijfendertig (zes tussen ongeveer 113.000 en 170.000 inwoners, vier iets meer dan 90.000). Alle tien steden van deze groep worden gekenmerkt door een duidelijk herkenbare binnenstad die tegenwoordig het centrum vormt. Die herkenbaarheid wordt versterkt doordat, in tegenstelling tot de groep oudste steden, de oude

vestinggrachten grotendeels niet zijn gedempt, uitgezonderd Breda en Venlo. In de meeste ligt de binnenstad tegenwoordig ook daadwerkelijk ongeveer in het midden van de stad: in vooral de laatste ruim honderd jaar zijn de steden rondom uitgebreid. In eerste instantie gebeurde dat nog vrij voorzichtig direct rondom de oude vestinggrachten en langs oude uitvalswegen of infrastructuren van water en spoor. Zulke uitgesproken verschuivingen als bij de oudste steden

optraden na de introductie van het spoor en de aanleg van de stations, vonden bij deze tweede groep niet plaats, wat niet wil zeggen dat het spoor geen stimulans vormde voor een hernieuwde opbloei. Tussen de twee wereldoorlogen nam het bebouwde oppervlak van de meeste snel toe door de bouw van middenstands- en arbeiderswijken. Na de Tweede Wereldoorlog nam ook hier de een-

Casestudie Tilburg MARCEL IJSSELSTIJN Tilburg ligt op een middelhoog dekzandplateau dat in het westen afhelt naar het beekdal van de Donge en in het zuidoosten naar het beekdal van de Reusel. Door landbouwontginningen ontstonden op het plateau vanaf de twaalfde eeuw verschillende gehuchten, de zogenoemde herdgangen. Deze gehuchten werden als collectief aangeduid met de naam Tilburg en waren met elkaar verbonden door een onregelmatig wegenpatroon. De bebouwing concentreerde zich aan wegen en driehoekige pleinen waarop het vee ’s avonds bijeengedreven werd. Verschillende pleinen zijn nog herkenbaar, zoals het Wilhelminapark, Julianapark en de Heuvel. De twee belangrijkste gehuchten vormen thans het centrum van de stad: Kerk en Heuvel, met elkaar verbonden door de Heuvelstraat. Omdat de schrale zandgronden te weinig opbrachten om de groeiende bevolking te onderhouden begon men vanaf het einde van de middeleeuwen ook producten van schapenwol op de markt te brengen. De textielnijverheid kwam in het rurale Tilburg tot grote bloei vanwege het goedkope productieproces en de nabijheid van steden als Breda en ’s-Hertogenbosch, waar overslag of verdere verwerking plaatsvond. In de zeventiende eeuw was Tilburg al een geduchte concurrent van de Hollandse steden en in de achttiende eeuw zelfs het onbetwiste landelijke centrum in textielproductie. Toch leidde deze bloei niet tot verstedelijking. De textielnijverheid vond vooral plaats in aparte delen van de woonhuizen of in kleine fabrieken achter de huizen, zodat enkel verdichting van de bebouwing langs bestaande wegen plaatsvond.

1 – Fasenkaart van Tilburg

MENNE KOSIAN/RIJKSDIENST VOOR HET CULTUREEL

ERFGOED, ARNOUD DE WAAIJER/TU DELFT

26

In 1809 kreeg Tilburg stadsrechten van de Franse onderkoning Lodewijk Napoleon. Door de aanleg van enkele belangrijke verbindingswegen en de industrialisatie ontwikkelde Tilburg zich in de tweede helft van de negentiende eeuw tot stad. In 1827 kwam een nieuwe rijksweg tussen Breda en ’s-Hertogenbosch door Tilburg gereed, de Bredaseweg en Bosscheweg. De spoorlijn naar Breda opende in 1863, gevolgd door lijnen naar Boxtel in 1865, Turnhout in 1867 en ’s-Hertogenbosch in 1881. Met de vestiging van de centrale werkplaats van de Staatsspoorwegen in 1870 kreeg de stad er bovendien een belangrijke economische functie bij. De langgekoesterde wens voor een kanaal ging pas in vervulling toen in 1923 het Wilhelminakanaal met de Piushaven gereedkwam. De uitbreiding van de stad vond op particulier initiatief plaats en verliep weinig planmatig, door opvulling van open terreinen tussen de wegen met nieuwe fabrieken en huizen. Door de spoorlijn werd de stad in een noordelijke en zuidelijke helft verdeeld. In de eerste helft van de twintigste eeuw kreeg het stadsbestuur meer invloed op de ruimtelijke ontwikkeling. Het uitbreidingsplan van Johan Rückert uit 1917 stimuleerde de (sociale) woningbouw door de gemeente en woningbouwverenigingen. Ten noorden van het spoor verrezen arbeiders- en middenstandswijken als Molenbochten en Veldhoven. Ten zuidoosten van het spoor werd de Armhoefse Akkers gebouwd met een gedifferentieerde bebouwing voor arbeiders, middenstanders en gegoede burgers. Aan de zuidwestkant werd het villapark Zorgvlied gebouwd. Ook langs de uitvalswegen naar Breda en ’s-Hertogenbosch ontstond villabebouwing. In en om de stad werden openbare parken aangelegd: Julianapark, Wandelbos en Leijpark. Een ander belangrijk voorstel uit het uitbreidingsplan was de aanleg van een ringweg om de stad die zou dienen als bebouwingsgrens en groene wandelboulevard. Deze ringweg werd echter pas na de Tweede Wereldoorlog aangelegd.

2 – Schetskaart van Tilburg, waarop in groen het landschap (landelijke nederzettingen en wegen) zijn weergegeven, in zwart de spoorlijnen en de daaraan gerelateerde bebouwing, in blauw het kanaal en de daaraan gerelateerde bebouwing, en in rood de hoofdwegen en de daaraan gerelateerde bebouwing.


VITRUVIUS

vormigheid toe. Evenals bij de oudste steden verrezen tussen ongeveer 1950 en 1970 grootschalige uitbreidingswijken volgens modernistische stedenbouwkundige principes en in samenhang met nieuwe infrastructuren van wegen en snelwegen. Daarop volgden dan in de laatste dertig jaar, veelal aan een andere kant ten opzichte van de wijken uit de jaren 1950 en 1960, de bloemkoolen Vinexwijken. Ook bij deze groep vallen de verschillen tussen de steden grotendeels te herleiden

tot de situering ten opzichte van infrastructuren en de geografische en landschappelijke omstandigheden ter plaatse en in de omgeving. In Haarlem bijvoorbeeld is de ligging op een strandwal aan de binnenduinrand en langs het Spaarne tot op de dag van vandaag bepalend, in Delft die langs een gegraven waterloop in de veenontginningen, in Amersfoort die aan de Eem op de grens van de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse Vallei.

De periode na de Tweede Wereldoorlog tot omstreeks 1980 werd enerzijds gekenmerkt door nieuwe, grootschalige stadsuitbreidingen en anderzijds door binnenstedelijke transformaties. De uitbreidingen gingen in de beginjaren 1950 eerst in zuidelijke richting langs de ringweg, waar Oerle, Broekhoven, Berkdijk en Groenewoud werden gebouwd, met onder meer de eerste middelhoge flats. De tweede naoorlogse uitbreidingsfase vond vanaf het einde van de jaren 1950 en in de jaren 1960 plaats aan de westkant met de bouw van Het Zand, Het Wandelbos en De Reit. Deze modernistische wijken vallen op door de gevarieerde bebouwing van hoog-, middelhoog- en laagbouw voor verschillende doelgroepen. Een derde uitbreidingsfase volgde tegen het einde van de jaren 1960 en in de jaren 1970 aan de noordkant van de stad waar Stokhasselt, Heikant en Quirijnstok werden gebouwd. In deze wijken is de meeste hoogbouw gerealiseerd, maar altijd subtiel geplaatst aan de randen van de wijk of temidden van veel groen. Vanaf het einde van de jaren 1970 werd in het zuidwesten De Blaak gebouwd, in stedenbouwkundig opzicht te typeren als bloemkoolwijk, maar gevarieerd bebouwd met relatief veel villa’s. Omdat de textielindustrie verdween in de jaren 1960 werd geïnvesteerd in het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid. Langs het kanaal werden de bedrijventerreinen Kraaiven en Loven aangelegd, de laatste met een nieuwe haven. Toen rond 1970 ten zuiden van Tilburg de snelweg A58 gereedkwam werd daarlangs bedrijventerrein Het Laar ontwikkeld.

3 – Luchtfoto van de Tilburgse wijk ’t Goirke in 1952, waar veel textielindustrie was gevestigd. Fabrieksgebouwen, fabrikantenwoningen en arbeiderswoningen staan tussen de lintbebouwing in het voorheen agrarische landschap. KLM AEROCARTO

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Amsterdam, Rotterdam en Den Haag De oorsprong van de drie grootste steden van Nederland (500.000-750.000 inwoners) ligt in de late middeleeuwen. Hun stadswording en eerste bloei vonden plaats in het kielzog van de vorige groep, juist even later. Ze liggen aan de randen van het kerngebied van Holland, het tegenwoordige Groene Hart. Amsterdam en Rotterdam lagen in het veen op locaties die vooral uitblonken door goede bereikbaarheid: waar de Amstel

In de binnenstad werd in de jaren 1950 ten zuiden van de spoorlijn een nieuwe oost-west boulevard aangelegd (Spoorlaan, Hart van Brabantlaan, Prof. Cobbenhagenlaan), van de Bosscheweg naar de nieuwe Katholieke Hogeschool in De Reit. De spoorlijn werd op hoogspoor gebracht en er werd een nieuw centraal station gebouwd. Op veel plekken werden fabrieken gesloopt en vervangen door woningen, winkels of kantoren. Het centrumgebied ten zuiden van de Heuvelstraat onderging in de jaren 1960 en 1970 grote veranderingen, onder meer door de aanleg van de cityring (Schouwburgring, Paleisring), de bouw van de schouwburg, het stadskantoor, verschillende woonwinkelcomplexen en de complete sloop-nieuwbouw van de wijk Koningswei. Bij nieuwbouwprojecten in het centrum werd hoogbouw niet geschuwd. Sinds 1980 concentreert de stadsuitbreiding zich in De Reeshof, aan de westkant van de stad. De aanleg van de verschillende wijken vindt er gefaseerd plaats en bestaat vooral uit vrijstaande woningen en rijtjeshuizen voor gezinnen. Naast de verkavelingsvormen valt op dat oude landschappelijke structuren, zoals de Reeshofdijk en de Langendijk, functioneren als verbindingsroutes tussen de wijken. Omstreeks 2000 is in het westelijk deel van de Reeshof het natuurgebied de Dongevallei aangelegd. Verder is in 1997 het grondgebied van de gemeente aan de oostkant uitgebreid door de annexatie van Udenhout en Berkel-Enschot. In het centrum van de stad wordt met de vestiging van grote kantoorgebouwen langs de spoorlijn duidelijk dat de dienstverlenende sector toonaangevend geworden is. De onderwijsfunctie van de stad is steeds belangrijker geworden met sinds de jaren 1980 de universiteit en sinds de jaren 1990 de Fontys Hogeschool. Voor de toelichting op de ruimtelijke ontwikkeling van Tilburg is geput uit de volgende literatuur: J.P.W.A. van Dijk, Tilburg. Architectuur en stedenbouw in de gemeente Tilburg 1850-1940 (Zwolle 2001); K. Doevendans e.a., Stadsvorm Tilburg, historische ontwikkeling (Eindhoven 1993); C. Gorisse e.a. (red.), Tilburg, stad met een levend verleden. De geschiedenis van Tilburg vanaf de steentijd tot en met de twintigste eeuw (Tilburg 2001); N. Mens, Meer dan wonen. Een eeuw sociale woningbouw in Tilburg (Tilburg 2009); H. Rikhof en R. Rutgers, Stadsvorm Tilburg, ontwikkeling 1975-1995 (Eindhoven 1995).

27


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

en de Rotte uitmondden in het IJ en de Maas. Deze beide steden lagen zeer gunstig ten opzichte van de hoofdinfrastructuur, hadden goede waterverbindingen met het achterland en met zee. De Amstel en de Rotte werden afgedamd en voorzien van sluizen in de periode na de grote ontginning, toen het maaiveld zo ver was gedaald dat het land moest worden bedijkt en de rivieren afgesloten. Bij de dammen vonden op- en overslag en handel plaats. Hier lag de basis voor de ontwikkeling van de beide nederzettingen tot haven- en handelsstad. In Den Haag, dat voortkwam uit de uitgroei van een dorp en het grafelijk hof, ontbraken deze verbindingen. Den Haag lag op een strandwal die parallel aan de Hollandse kustlijn liep. De groei van de nederzetting is vooral te danken aan de aanwezigheid van de residentie van de graven van Holland, die rond 1230 werd gevestigd in de directe nabijheid van het Haagse Bos, het jachtterrein van de graven. De aanwezigheid van voldoende wild was belangrijker dan de bereikbaarheid. De nederzetting rond het hof groeide later aaneen met het dorp Den Haag. Met het Spui en de Trekvliet werd Den Haag kort voor 1350 aangetakt op de hoofdroute door de Hollandse binnenwateren. Dit leidde tot een periode van groei, die duurde tot ongeveer 1450.9

steden vertoonde net zoals we bij de twee oudere groepen al zagen geen grote onderlinge verschillen: de negentiende-eeuwse uitbreidingen waren vooral het werk van particuliere ontwikkelaars die op concessiebasis woningen bouwden binnen een door de gemeente over de polderstructuur heengelegd stratenplan. De gebieden rond de zeventiende-eeuwse begrenzing van de drie steden worden gekenmerkt door dergelijke wijken. Vroeg in de twintigste eeuw maakte het stedenbouwkundig ontwerp zich los van de landschappelijke ondergrond. De straten en pleinen werden niet alleen bebouwd door particulieren, maar ook grotere complexen corporatiewoningen begonnen het beeld te bepalen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de strokenbouw gemeengoed. Snel daarop werd het principe van de functionalistische stempel de gebruikelijke opzet van woonwijken, bijvoorbeeld in Rotterdam-Zuid en bij de verwezenlijking van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam. De laatste decennia volgden ook hier de bloemkool- en de Vinexwijken. In Amsterdam en Rotterdam is herontwikkeling van in onbruik geraakte havengebieden bepalend geweest voor het aanzien en gebruik van de binnensteden en voor de stedenbouwkundige praktijk.

Industriesteden Amsterdam groeide in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw uit tot één van de grootste steden van Europa. In Rotterdam vond in de zeventiende eeuw een flinke havenuitbreiding plaats, maar de stad werd niet veel groter dan Amsterdam rond 1600 was. De groei van Amsterdam stopte in het Rampjaar 1672 voor lange tijd. In het veel kleinere Rotterdam werd op enige schaal buiten de vestingwerken gebouwd, maar uitbreidingsplannen uit 1673 kwamen niet tot uitvoering. Tot 1850 stagneerde de groei van beide steden. Daarna begonnen Amsterdam en Rotterdam, beide voorzien van verbeterde verbindingen met de zee (het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg) en het achterland, aan een periode van groei die tot vandaag voortduurt. De beide zeehavens strekken zich vele kilometers buiten de steden uit in de richting van de Noordzee. In de groeifasen was Den Haag onder de Nederlandse steden een uitzondering. Vanaf het einde van de zestiende eeuw werd Den Haag het bestuurscentrum van de Republiek en later van het Koninkrijk. Waar Amsterdam en Rotterdam sterk groeiden in perioden van economische voorspoed, maar ook perioden van stagnatie kenden, groeide Den Haag vrij constant door, ook in de periode 1700-1850, toen de andere steden in Nederland een periode van stagnatie doormaakten. De stedenbouwkundige praktijk in de drie grote

28

Vanaf ongeveer 1870 vond in Nederland, later dan in de meeste omringende landen, een golf van industrialisatie plaats. Dit leidde tot een sterke groei van de bestaande grotere steden. In Holland was de ligging ten opzichte van de waterinfrastructuur, die werd aangevuld met die van het spoor, bepalend voor de groei van de industrie.10 Maar daarbuiten bloeide een nieuwe groep steden op. Uit een dorpskern, een paar buurtschappen of een klein landstadje ontwikkelden zich in de decennia rond 1900 binnen korte tijd grote industriesteden, die doorgaans gespecialiseerd waren in een beperkt aantal sectoren, zoals textiel, machine- en metaalindustrie of electronica: Enschede, Hengelo, Tilburg, Eindhoven en Helmond.11 Deze steden, gelegen op de zandgronden in het oosten en zuiden van het land, zijn allemaal ontstaan op plaatsen waar tot die tijd weinig stedelijke ontwikkeling was. Daarmee wijken ze sterk af van de steden met grote middeleeuwse stadskernen. De opbloei werd niet bepaald door een gunstige ligging voor de handel aan goed bevaarbaar water of door een functie als markt- en bestuurscentrum, maar door de aanwezigheid van grote aantallen goedkope arbeidskrachten en goedkope bouwgrond. Tussen de verspreide kernen van zo’n niet of nauwelijks verstedelijkte nederzetting was ruimte voor grootschalige industrievestiging. Dit maakte het ontstaan mogelijk van een industrieel cluster van

fabrieken en arbeiderswijken, en vaak ook wijken voor het hogere personeel, fabrikantenvilla’s en soms openbare gebouwen en voorzieningen. Spoorlijnen en kanalen verzekerden de grootschalige aanvoer van grondstoffen en de afvoer van producten. Vaak werd in korte tijd een groot aantal industriegebieden en arbeiderswijken of company towns uit de grond gestampt binnen een stedelijke structuur die daar niet op was berekend, wat in veel gevallen tot fragmentatie leidde. De gerichtheid op een beperkt aantal producten maakte de gespecialiseerde industriesteden kwetsbaar: vanaf het midden van de jaren 1960 vond grootschalige industriële herstructurering plaats. Sinds de economische crisis van 1973 is sprake van de-industrialisatie in de meeste Nederlandse regio’s.12 In de loop van de tijd zijn alle industriesteden hun specifieke industriële karakter kwijtgeraakt. Daarmee zijn grote economische en ruimtelijke veranderingen opgetreden. Het geheel of gedeeltelijk verdwijnen van de industrie leidde tot de noodzaak om de steden nieuwe impulsen te geven door middel van economische, sociale, culturele, stedenbouwkundige en architectonische interventies. Steden met kennisintensieve industrie, zoals Eindhoven, hadden het daarbij gemakkelijker dan bijvoorbeeld de textielsteden, omdat daaruit nieuwe bedrijven ontstaan. De erfenis van Philips bestaat niet alleen uit leegstaande fabrieken en bedrijventerreinen, maar ook uit een groot aantal bedrijven en de High Tech Campus. Enschede kreeg na de jaren 1960 impulsen door nieuwe industrievestigingen, maar ook door overheidsinterventies, zoals de opening van de TU Twente. Ook Tilburg kreeg een universiteit.

Woonsteden Ongeveer tegelijkertijd met de industriesteden verscheen tegen het einde van de negentiende eeuw een tweede nieuwe groep: de woonsteden. Evenals de industriesteden is dit een zeer uitgesproken soort, dat sterk afwijkt van de steden die ontstonden in de middeleeuwen. Hun opbloei werd niet veroorzaakt door handel, markt of bestuursfuncties. Deze steden werden groot vanwege een hoofdfunctie als woonoord. Apeldoorn en Hilversum zijn de oudste van deze groep en worden gekenmerkt door villaparken en herenhuizen.13 Vanaf de jaren 1920 verschenen ook steeds meer middenstandswoningen en -wijken. Beide kwamen tot stand in een fraaie omgeving op het zand met vooral agrarisch grondgebruik, waar veel goede en goedkope bouwgrond beschikbaar was. Belangrijke voorwaarde was de aanwezigheid van een treinstation met goede verbindingen. Bij beide valt ook een


VITRUVIUS

specifieke aanjager te benoemen: in Apeldoorn de aanwezigheid van het koningshuis in paleis Het Loo, die grote aantrekkingskracht uitoefende op welgestelden; in Hilversum de zeer gunstige ligging ten opzichte van zowel Amsterdam als Utrecht, wat de plaats uitermate aantrekkelijk maakte voor forenzen.

jongste woonsteden werd mogelijk. Verschillen tussen steden worden dus in sterke mate bepaald door de manier waarop ze ontstonden, maar ook door de uiteenlopende landschappelijke ondergrond (klei, veen, zand en het type ontginning) en de situering ten opzichte van hoofdinfrastructuren.

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

keling in Nederland (Rotterdam 2008); H. van der Cammen en L. de Klerk, Ruimtelijke ordening. Van grachtengordel tot Vinex-wijk (Utrecht 2003); M. Ubink en T. van der Steeg, Bloemkoolwijken. Analyse en perspectief (Amsterdam 2011); H. Lörzing e.a., Vinex! Een morfologische verkenning (Den Haag 2006). 6

Rutte, Stadslandschappen. A. Thurkow e.a., Atlas van Nederland. Deel 2: Bewoningsgeschiedenis (Den Haag 1984); B. de Pater, Van land met steden tot stedenland. Een kleine historische stadsgeografie van Nederland, Historisch Geografisch Tijdschrift 7 (1989) 2, 41-56. 8 N. Brand, De Randstad volgens de ranksize rule. Acht eeuwen verstedelijking in het westen van Nederland, Holland Historisch Tijdschrift 41 (2009) 3, 168-186. 9 Zie over Amsterdam, Rotterdam en Den Haag bijvoorbeeld: B. Speet, Historische atlas van Amsterdam. Van veendorp tot hoofdstad (Amsterdam 2010); M. Carasso-Kok (red.), Geschiedenis van Amsterdam (vijf delen) (Amsterdam 2004-2007); J.E. Abrahamse, De grote uitleg van Amsterdam. Stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw (Bussum 2010); P. van de Laar en M. van Jaarsveld, Historische Atlas van Rotterdam. De groei van de stad in beeld (Amsterdam 2004); A. van der Schoor, Stad in aanwas. Geschiedenis van Rotterdam tot 1813 (Zwolle 1999); P. van der Laar, Stad van formaat. Geschiedenis van Rotterdam in de negentiende een twintigste eeuw (Zwolle 2000); S. van Schuppen, Historische atlas van Den Haag. Van Hofvijver tot Hoftoren (Amsterdam 2006); J.G. Smit e.a. (red.), Den Haag: geschiedenis van de stad (drie delen) (Zwolle 2004-2005). 10 M. de Schmidt en E. Wever, De Nederlandse industrie: positie, spreiding en struktuur (Assen/ Maastricht 1987), 59-75. 11 P. Nijhof, De ontwikkeling van Nederland tot industrieland, in: P. Nijhof e.a., Op zoek naar ons industrieel verleden: Gids langs monumenten en bedrijf en techniek (Haarlem 1986), 9-16. De Zaanstreek is een uitzondering. Vanaf de vroege zeventiende eeuw werd langs de Zaanoevers een enorm gebied in gebruik genomen voor scheepswerven, bouwbedrijven, zaag- en industriemolens en andere bedrijvigheid. Sittard-Geleen en Heerlen werden in hun ontwikkeling gestuurd door de daar aanwezige delfstoffen. Dit leidde tot de grootschalige bouw van mijnen en mijnkoloniën op afstand van de bestaande stedelijke centra. De koloniën lagen tussen de oude kernen, buurtschappen en mijnen. 7

Emmen, Almere, Zoetermeer en de Haarlemmermeer mogen gerekend worden tot de jonge woonsteden, van na de Tweede Wereldoorlog.14 Hier was niet de ligging in een aantrekkelijke omgeving bepalend, maar het beleid van de rijksoverheid. Emmen, dat tevens kan worden beschouwd als de laatste industriestad, werd welbewust uitgebouwd ter versterking van de zwakke economie in Drente en de veenkoloniën. Zoetermeer en Almere werden bestemd om te gaan fungeren als overloop van respectievelijk Den Haag en Amsterdam. De Haarlemmermeer groeit in de decennia rond 2000 razendsnel doordat er een reeks Vinexwijken uit de grond wordt gestampt.15 Vergelijken we deze jonge woonsteden met de andere, dan mogen ze worden getypeerd als zeer afwijkend, ja zelfs als een curiosum of een anomalie. Er is geen economisch leven van betekenis, alleen een zee van huizen. Wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling staan ze grotendeels op zichzelf, als resultaat van een snel veranderend – en steeds weer niet tot tevredenheid stemmend – concept van wat een geschikte woonstad zou zijn.

Besluit Op basis van de wording van de vijfendertig grootste steden van Nederland kunnen dus vijf groepen worden onderscheiden. De aard van de stadswording is van grote betekenis voor het tegenwoordige aanzien van steden. Voor de meeste van de twintig steden uit de middeleeuwen geldt dat de padafhankelijkheid bijzonder sterk is. Bij veel van de oudste steden bijvoorbeeld, is de situering op de ene oever van een grote rivier tot op heden bepalend voor de ruimtelijke ontwikkeling. Ook de infrastructuren en de ingrijpende veranderingen die daarin optraden, zijn van grote invloed geweest. Eeuwenlang waren waterwegen doorslaggevend. Met de aanleg van een spoornetwerk in de tweede helft van de negentiende eeuw traden in veel van de steden uit de middeleeuwen grote ruimtelijke veranderingen en verschuivingen op. Voor het ontstaan van de nieuwe industriesteden en de eerste woonsteden vormden de spoorwegen een voorwaarde. Toen in de tweede helft van de twintigste eeuw het autosnelwegennet verscheen en de auto gemeengoed werd, traden opnieuw grootschalige veranderingen op, zowel in de oudere als de jongere steden, en de aanleg van de

Noten 1

Het project Atlas van de verstedelijking in Nederland maakt deel uit van het kennisprogramma Erfgoed en ruimtelijke opgaven van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Dit programma richt zich op het leveren van kennis ten behoeve van een duurzame inbedding van het onroerend erfgoed in de (nationale) ruimtelijke opgaven. Yvonne van Mil en Marcel IJsselstijn zijn bij het project betrokken als onderzoekers, Menne Kosian en Arnoud de Waaijer als kaartenmakers. Jaap Evert Abrahamse en Reinout Rutte leiden het project. 2 In M. de Boer (red.), Erfgoedbalans 2009. Archeologie, monumenten en cultuurlandschap in Nederland (Amersfoort 2009) is gebleken dat vergelijkende overzichtstudies ontbreken waarin de ruimtelijke ontwikkeling van steden vanaf het ontstaan tot heden wordt geanalyseerd. Zie ook: J.E. Abrahamse, H. Baas en R. Rutte, Hollands Erfgoed. De stand van het onderzoek naar de geschiedenis van architectuur, stedenbouw en cultuurlandschap, OverHolland 8 (2009), 86-114. Wel verschijnen er de laatste jaren veel historische atlassen en monografieën van Nederlandse steden. Zie daarover: R. Rutte, Bouwstenen voor vergelijkende analyse? Stedenatlassen en het stadshistorisch onderzoek in Nederland, Stadsgeschiedenis 3 (2008) 1, 71-86; R. Rutte, Historische atlassen, stadsmonografieën en het onderzoek naar de ruimtelijke transformatie van Nederlandse steden, OverHolland 8 (2009), 116-131. Helaas ontbreekt het ook aan een actuele bibliografie van de Nederlandse stedengeschiedenis. G. van Herwijnen (red.), Bibliografie van de stedengeschiedenis van Nederland (Leiden 1978) is inmiddels meer dan dertig jaar oud. Zie wel, inclusief uitgebreide literatuurlijsten: R. Rutte en H. van Engen (red.), Stadswording in de Nederlanden. Op zoek naar overzicht (Hilversum 2005); E. Taverne en I. Visser (red.), Stedebouw. De geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1500 tot heden (Nijmegen 1993). 3

R. Rutte, Stadslandschappen. Een overzicht van de stadswording in Nederland van de elfde tot de vijftiende eeuw, in: R. Rutte en H. van Engen (red.), Stadswording in de Nederlanden. Op zoek naar overzicht (Hilversum 2005), 143-170. 4 R. Rutte, Groei en krimp in de Hollandse stad. Stadsuitbreidingen, stedenbouw en ontstedelijking in Holland van de veertiende tot de negentiende eeuw, OverHolland 3 (2006), 27-55. 5 Zie over de stedenbouwkundige ontwikkelingen vanaf 1850: L. de Klerk, De modernisering van de stad 1850‑1914. De opkomst van de planmatige stadsontwik-

12

De Schmidt en Wever, De Nederlandse industrie, 59-75. 13 C. Frank, F. Haans en H. Ummels, Apeldoorn. Architectuur en stedenbouw 1850-1940 (Zwolle/ Apeldoorn 1997); J. de Haan, Gooische villaparken. Ontwikkeling van het buitenwonen in het Gooi tussen 1874 en 1940 (Haarlem 1990). 14

Van de Cammen en De Klerk, Ruimtelijke ordening, 163-231. 15 I. Suárez (red.), Analyse atypische stedelijkheid in Haarlemmermeer (Haarlemmermeer 2008). 쮿

29


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Michiel Purmer Senior beleidsmedewerker cultuurhistorie en landschap Natuurmonumenten

Robert Timmer Adviseur Landschap/ Cultuurhistorie Staatsbosbeheer

1 – Overzichtsfoto van het Geuldal en Gerendal bij Oud Valkenburg. Karakteristieke onderdelen van het cultuurlandschap zijn goed zichtbaar. Het beekdal met graslandbeheer en beplanting langs de beek, op de flank de nederzetting van Oud Valkenburg met kasteel Genhoes, akkers op de hogere delen daarachter en tenslotte de hellingbossen op de voor en achtergrond op de steilere delen van de hellingen. FOTO MICHIEL PURMER, 2009

Samenwerken aan landschap Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten vragen aandacht voor cultuurhistorisch waardevolle landschappen

Daar waren eens zeven wilgen In ene boerenwei. Die droegen grote pruiken op Hun oude harde houten kop En stonden op een rij. En hunne pruik met haren Die kwam nooit tot bedarenZij knikten al maar: ‘ja en neen,’ Wat dat beduidde, wist er geen! Eerste coupl et van een gedicht van Carel Steven Adama van Scheltema uit 1906.

D

e wilgen uit bovenstaand gedicht moeten overduidelijk geknot worden: hun ‘grote pruiken’ behoeven een regelmatige knipbeurt. Het illustreert één van de vele beheerwerkzaamheden die nodig zijn om het Nederlandse cultuurlandschap in stand te houden. In dit artikel laten terreinbeheerders Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten zien hoe zij omgaan met de cultuurhistorisch waardevolle landschappen in hun

30

beheer. Het Zuid-Limburgse landschap dient hier- bij als voorbeeld. Daarnaast proberen we de opgaven voor de nabije toekomst inzichtelijk te maken. Want daarbij zijn meer partijen nodig dan de terreinbeheerders alleen!

Cultuurhistorisch landschap bij de overheid en terreinbeheerders De laatste jaren staat het agrarisch cultuurlandschap sterk in de belangstelling. Dit heeft er ook bij terreinbeherende organisaties toe geleid dat er volop gewerkt wordt aan herstel van dergelijke waardevolle landschappen. Hiervoor is financiering nog wel te vinden, maar structureel geld voor vervolgbeheer ontbreekt vaak. Weliswaar heeft het rijk heeft in 2004, gekoppeld aan de Nota Ruimte, 20 Nationale Landschappen aangewezen met het bijbehorend beleid en financiële middelen, maar de Nationale Landschappen worden als beleidscategorie geschrapt en daarmee verdwijnt de rijksbemoeienis. Het label ‘Nationaal Landschap’ blijft wel bestaan, maar de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt bij de provincies.

De opvolger van het Programma Beheer, het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL), moet de basisfinanciering voor het natuur- en landschapsbeheer gaan garanderen. In hoeverre deze regeling de kosten van het landschapsbeheer gaat dekken is nu nog onbekend.

Cultuurhistorie en natuur in het landschap verweven De unieke landschappelijke kwaliteit in cultuurhistorisch waardevolle gebieden is voor een groot deel een erfenis van het landbouwkundig gebruik. Landschapselementen als houtwallen, singels en boomgaarden zorgen voor een leesbaar landschap, waarin de ontwikkelingsgeschiedenis zichtbaar is. Daarmee draagt het landschap bij aan de regionale identiteit. Boerennatuur heeft echter niet alleen landschappelijke waarden, maar ook natuurwaarden. Met het voortzetten van het historisch voorkomende kleinschalig gebruik en daaraan gekoppelde beheer waarborgen de intact gebleven cultuurhistorische landschappen een gevarieerde flora en fauna. Er huizen veel zeldzame plant- en diersoorten die afhankelijk


VITRUVIUS

Cultuurhistorisch waardevolle landschappen staan onder druk. Gave cultuurlandschappen zijn schaars en de kwaliteit holt vaak achteruit. Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten werken hard aan beheer en herstel. Het meest kleinschalige beheer in deze gebieden vraagt tijd en geld. Zeker nu beheersubsidie onder druk staat zijn nieuwe samenwerkingsvormen nodig. Terreinbeheerders gaan in en met de streek werken aan nieuwe ondernemingsvormen. Het Rijk moet haar verantwoordelijkheid nemen: zonder een duurzaam financieringsstelsel is het dweilen met de kraan open. Het landschap is van ons allemaal, alleen in gezamenlijkheid kunnen we het Nederlandse cultuurlandschap in stand houden.

zijn van het historische gebruik en beheer. Meidoornheggen dienen in Zuid-Limburg bijvoorbeeld als ecologische verbinding voor bijvoorbeeld sleedoornpage, heggenmus en hazelworm. Ze zijn een belangrijke schakel in het ecologische netwerk van het gebied. Het vaak kleinschalige en soms zelfs ambachtelijke beheer in cultuurhistorisch waardevolle gebieden vraagt tijd en geld. Soms is er ook sprake van achterstallig onderhoud. Deze herstel-

opgave, in combinatie met het borgen van het – vaak intensieve – vervolgbeheer is dan ook een opgave voor de komende tijd. Zeker als we deze gebieden duurzaam in stand willen houden op een manier die ook recht doet aan de historische waarden. Het moeten gebieden zijn waar je de geschiedenis kan proeven.

Voorbeeld Zuid-Limburg Zuid-Limburg is een voorbeeld van een cultuur-

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

2 – Eigendommen van de terreinbeheerders in het westelijke Heuvelland. Inzet: een tweetal herstelprojecten: het Savelsbos van Staatsbosbeheer en het Noordal van Natuurmonumenten.

historisch waardevol landschap dat, behoudens het achterstallige onderhoud, plaatselijk goed bewaard is. Het is dan ook niet voor niets begrensd als Nationaal Landschap. In het Zuid-Limburgse landschap is de ontwikkelingsgeschiedenis nog zichtbaar. Het Heuvelland biedt nog aanknopingspunten voor talloze verhalen die iets vertellen over de geschiedenis van de streek. Natuurmonumenten beheert al ruim vijftig jaar een aantal prachtige onderdelen van het ZuidLimburgse cultuurlandschap, Staatsbosbeheer is hier al sinds 1950 actief. Een voor Nederland uitzonderlijk landschap, met veel reliëf, landschapselementen en gebouwen die in de rest van het land niet of nauwelijks voorkomen. Het ZuidLimburgse landschap wordt al sinds het midden van de 19e eeuw geroemd om haar schoonheid en kent ook een oude toeristische traditie. En nog steeds wordt het heuvellandschap hogelijk gewaardeerd: zowel Limburgers als niet-Limbur-

31


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

gers lopen warm voor het reliëfrijke landschap met kastelen, vakwerkhuizen en een afwisseling van beekdalen, meidoornhagen, hoogstamboomgaarden en bossen.

Het Zuid-Limburgs cultuurlandschap in historisch perspectief Net als andere Nederlandse cultuurlandschappen kende het zogenoemde lössontginningenlandschap een zeer functionele indeling. Alle landschapselementen hadden één of meerdere functies, samenhangend met het agrarisch landgebruik: graften bijvoorbeeld hadden een erosiewerende werking maar leverden ook gebruikshout. Meidoornhagen gaven perceelsgrenzen aan, maar hielden ook het vee in de percelen. Het intensieve

gebruik van dit landschap in de 19e eeuw zal voor een relatief open beeld gezorgd hebben. De plateaus en hellingen waren zoveel mogelijk als akker in gebruik. Op de flauwe hellingen werden de akkers onderbroken door als hakhout beheerde graften. De steilere gedeelten van de hellingen waren de hellingbossen te vinden, die eveneens in hakhoutbeheer waren genomen. De beekdalen kenden afwisselend meer open en besloten gedeelten, met vooral hooilanden. Rondom de dorpen, met de huiskavels, boomgaarden en hagen, zal dit beslotener zijn geweest. De omschakeling van akkerbouw naar meer veeteelt en een sterke toename van de hoogstamboomgaarden eind 19e- begin 20e eeuw heeft een beslotener landschap tot gevolg gehad. Op de

3 – Ansichtkaart omgeving Valkenburg, ca. 1950. Het cultuurlandschap nog in gebruik. Mooi te zien is dat hoogstamboomgaarden omgeven waren door heggen en dat de boomgaarden begraasd werden, hier met schapen. VERZAMELING PURMER

4 – Werk in uitvoering: een graft in het Savelsbos, afgezet door Staatsbosbeheer. De hakhoutstoven op de graft verraden het vroegere hakhoutbeheer. FOTO: STAATSBOSBEHEER

32

hellingen maakten akkers plaats voor graslanden en boomgaarden en zorgden ze samen met de graften en meidoornhagen voor een dicht patroon van landschapselementen. Schaalvergroting, intensivering en ruilverkavelingen na de Tweede Wereldoorlog zorgen voor het verdwijnen van deze fijnmazige structuur en directe relatie met het landschap. Het landschap nivelleerde en werd kaler. De voorheen samenhangende patronen van landschapselementen zijn veranderd in geïsoleerde stukjes van deze landschapselementen, die losliggend moeilijk te begrijpen zijn.

Aanwezigheid van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten in Zuid-Limburg Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten kochten gebieden in dit cultuurlandschap aan vanwege de hoge natuurwaarden die samenhingen met de kleinschaligheid en variatie. Desalniettemin was de beheerstrategie vaak gericht op extensivering van het beheer en, geheel in de tijdgeest, in het creëren van grootschalige natuur met veel ruimte voor natuurlijke processen. Dit speelde vooral in de hellingbossen en in de beekdalen, waar het vroegere perceelsgewijze beheer werd vervangen door begrazing op grote schaal. Hans Renes beschrijft dit voor het Geuldal bij Valkenburg. Rond 1900 is dit beekdal vrij intensief maar kleinschalig in agrarisch gebruik, gekenmerkt door veelal kleine graslandpercelen omgeven door heggen. In de loop van de 20e eeuw zorgt de intensivering en schaalvergroting van de landbouw voor verdwijnen van veel landschapselementen. Wanneer natuurbeschermers in de tweede helft van de vorige eeuw gebieden in beheer krijgen, signaleert Renes dat de vanaf dan ingezette extensivering van beheer heeft gezorgd voor verruiging en het verdwijnen van het cultuurhistorische, meer agrarische beeld. De mens lijkt te verdwijnen uit het landschap (Renes, 2000). Toch zijn het juist ook de terreinbeheerders geweest die delen van het Zuid-Limburgse cultuurlandschap hebben behoed voor de ondergang. Voorbeelden zijn de schrale kalkgraslanden met een bijzondere soortenrijkdom, die nu vrijwel uitsluitend in natuurgebieden te vinden zijn. Ondanks alle lof en aandacht voor het Zuid-Limburgse landschap (denk bijvoorbeeld aan de

5 – Folder ‘Aktie Geuldal’, 1977. Limburgs Landschap en Natuurmonumenten zamelden met deze aktie geld in om delen van het Geuldal te kunnen verwerven, inclusief twee watermolens en een vakwerkboerderij. De opbrengsten overtroffen de verwachtingen, zodat er twee extra watermolens verworven konden worden. COLLECTIE BIBLIOTHEEK NATUURMONUMENTEN, ’S-GRAVELAND


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

‘Aktie Geuldal’ in 1977) gaat de kwaliteit van het landschap nog steeds achteruit. De terreinbeherende organisaties in Zuid-Limburg beheren nog enkele gave onderdelen van het Heuvelland, maar ook hier is niet alles op orde. Oude hoogstamfruitbomen sterven af, graften worden minder herkenbaar, meidoornhagen verdwijnen. Het Zuid-Limburgse Heuvellandschap heeft echter nog altijd belangrijke cultuurhistorischeen natuurwaarden. Op de lijst van de Landschapscollectie komen (delen van) Genhoes en het Geuldal voor. Bij de terreinbeheerders is in de laatste decennia wel een omslag gemaakt in het denken over het beheer van cultuurlandschappen en de relatie tussen natuurlijke processen en cultuurhistorische waarden. Dat heeft ook consequenties voor de manier waarop Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer in Zuid-Limburg met het landschap omgaan. Natuur- en landschapsbeheer in ZuidLimburg is niet eenvoudig. De rijkdom aan natuur en cultuurhistorie in dit landschap staat op het spel en de bewoners, belanghebbenden en toeristen gaan er vanuit dat dit landschap wel ‘even’ beheerd wordt. Maar beheer en herstel vereisen maatwerk. Elk perceel kent weer zijn eigen geschiedenis. In de afgelopen jaren zijn zowel Staatsbosbeheer als Natuurmonumenten volop bezig om in Zuid-Limburg het nodige maatwerk te leveren met als doel het behoud van de cultuurhistorische en natuurlijke rijkdom van het ZuidLimburgse Heuvelland van, voor en steeds meer met de gebruikers en bewoners.

Werk in uitvoering De Provincie Limburg heeft een waardevolle aanzet gegeven met haar Landschapsvisie ZuidLimburg, opgesteld in samenwerking met de Wageningen Universiteit (Houwen, J. et al (red) 2007). Het gedachtegoed van dit rapport is in de visies van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer terug te vinden. In 2008 verscheen het Landschapsherstelplan Heuvelland van Staatsbosbeheer (Cultuurland Advies, 2008) en in 2010 kwam een eerste concept gereed van het Advies cultuurhistorie Zuid-Limburg (Natuurmonumenten, 2010). Deze beide rapporten vormen een basis voor een visie op en het herstel en beheer van de gebieden. Basis voor deze rapporten vormt een grondige inventarisatie van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Deze inventarisaties hebben een schat aan gegevens opgeleverd en maakten duidelijk dat landschapselementen in dit gebied een geheel eigen verschijningsvorm hebben. Kennis hiervan is onontbeerlijk voor verantwoord herstel van vervallen of verdwenen landschapselementen en het inpassen van nieuwe landschapselementen.

6 – Een graanakker op de Vrakelberg met vele akkerkruiden in beheer bij Staatsbosbeheer. Naast herstel van landschapselementen zorgt ook een dergelijke invulling van de akker voor een cultuurhistorisch verantwoord landschapsbeeld. FOTO STAATSBOSBEHEER.

Beide organisaties hebben in de afgelopen jaren concreet herstel uitgevoerd. Staatsbosbeheer heeft in 2009 bijvoorbeeld herstelwerk verricht in het Savelsbos. De uitgevoerde werkzaamheden bestaan uit bosrandenbeheer, onderhoud graftbeplantingen, hakhoutbeheer, afbreken en herplaatsen van veerasters, afzetten van oude hagen van meidoorn en haagbeuk, inboet van meidoornscheerhagen en aanplant van hoogstamboomgaarden met streekeigen fruitboomrassen. Natuurmonumenten heeft onder andere in het Noordal veel graften en meidoornhagen hersteld. De beheereenheid Zuid-Limburg ontving in 2008 zelfs de Gouden Mispel voor twee herstelprojecten in het Geuldal en het Noordal. De Gouden Mispel is een prijs van de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap voor personen of organisaties die een essentiële bijdrage hebben geleverd aan de bescherming of ontwikkeling van het cultuurlandschap in Nederland. Het begin is er dus…

Keuzes en kansen voor de toekomst Zaak is nu op de ingeslagen weg verder te gaan. Het betekent in de praktijk oude landschapselementen waar nodig weer in beheer nemen en nieuw en recent herstelde landschapselementen intensief blijven beheren. Er zullen wel keuzes gemaakt moeten worden. De opgave in Zuid-Limburg is groot. Niet overal is een intensief, kleinschalig beheer mogelijk. De terreinbeheerders in Zuid-Limburg moeten gezamenlijk gaan kijken waar de opgave ligt op het schaalniveau van het gehele Zuid-Limburgse landschap. De voorzichtige koppeling van de inventarisatiegegevens van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten leverde al interessante inzichten op: bijvoorbeeld dat waar eigendommen aan elkaar grenzen en beiden onderdelen van

hetzelfde landschapselement beheerden, maar op verschillende manieren. Door gezamenlijk naar gebieden te kijken kan een consistentere en efficiëntere beheerkeuze gemaakt worden. Ook zou een taakverdeling tussen terreinbeheerders voordelen op kunnen leveren. De Landschapscollectie geeft een eerste aanzet voor de discussie over prioritering als het gaat om de cultuurhistorische waarden in de gebieden van de terreinbeheerders. Een intensief beheer kan alleen slagen als er voldoende draagvlak voor is. Lokale kennis is nodig om de juiste beheervormen te vinden voor de landschapselementen. Vrijwilligers kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan beheer en beleving van het landschap. Het besef dat landschapselementen de basisstructuur vormen van het zo geroemde Zuid-Limburgse landschap moet de terreinbeheerders helpen steun te verwerven bij het beheer. En dan gaat het niet alleen om lokale support vanuit bevolking en gemeenten, maar ook om brede erkenning dat het hier om landelijk waardevol cultuurlandschap gaat. Een goede samenwerking met de buren, waaronder boeren, is nodig om de samenhang en de kwaliteit van het landschap te versteken. Punt van zorg blijft de beheervergoeding voor de landschapselementen. Voor het herstel zijn vaak wel, zij het met de nodige moeite, eenmalige subsidies te vinden. Willen de terreinbeheerders het intensieve vervolgbeheer echter kunnen blijven uitvoeren, dan is een realistische beheervergoeding noodzakelijk. Het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) zal hiervoor het fundament moeten bieden. Veel is dan ook afhankelijk van de manier waarop dit in de provincie Limburg gestalte zal krijgen.

33


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Maar er zijn ook andere kansen. De houtopbrengst van hakhoutbeheer kan als biomassa deels de kosten voor beheer dekken en herstel en ontwikkeling op andere plaatsen als economische drager mogelijk maken. De eerste experimenten zijn al gaande in het landschap. Fruit van hoogstamboomgaarden kan worden gebruikt voor streekproducten zoals biologische fruitsappen. Het voorbeeld van Zuid-Limburg schetst een aantal ontwikkelingen in de wereld van het Nederlandse landschap. Een vergelijkbaar verhaal is echter ook voor gebieden in alle andere provincies te houden. In heel Nederland is de aandacht voor cultuurhistorie toegenomen. Dat heeft geleid tot een stroom van documenten, visies en inventarisaties, die de grondslag moeten vormen voor herstel en beheer in het landschap. Zeker ook in Zuid-Limburg – met een sterk versnipperd eigendom – blijkt dan, dat de afzonderlijke terreinbeheerders het niet alleen af kunnen. Logischerwijs kijken de terreinbeheerders eerst naar collega-organisaties en overheden. Maar daar ligt maar een deel van de opgave.

Tijd voor een nieuwe ‘aktie Geuldal’? Het landschap is van ons allemaal. Het is belangrijk dat terreinbeheerders durven kijken naar andere gebruikers van het landschap, of dat nu bewoners, recreanten of boeren zijn. Er zijn nieuwe samenwerkingsvormen nodig. Zeker nu de regionale identiteit steeds belangrijker wordt, is het gemakkelijk en vanzelfsprekend de samenleving nadrukkelijker bij het landschap te betrekken. Om weer even naar het Zuid-Limburgse voorbeeld terug te keren: net als de kleine wegkapel en de vakwerkboerderijen, maar ook de vlaai en het schuttersfeest, maakt het landschap deel uit van de Zuid-Limburgse cultuur. In deze gemeenschap kunnen de terreinbeheerders hun verhaal van natuur en cultuurhistorie in het landschap delen. Dat daarnaast Zuid-Limburg een toeristisch aantrekkelijke regio is, biedt allerlei aanvullende kansen. Naar schatting bezoeken, landelijk gezien, tweehonderd miljoen mensen alleen al de terreinen van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. Dit illustreert dat Nederlanders het landschap niet alleen waarderen, maar ook nodig hebben. En dat er, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit, ook geld verdiend kan worden met het landschap. Terreinbeheerders zullen ondernemender moeten worden. Kunnen vruchten van onze hoogstamboomgaarden gebruikt worden voor streekgerechten en biologische vruchtensappen? Zijn de monumentale watermolens geschikte vergaderlocaties? Kunnen de terreinbeheerders hun product, natuur en landschap, beter verkopen? Vergroten van het draagvlak en het werven van participanten voor dergelijke

34

7 – Een historisch beeld dat nog maar weinig is terug te vinden. Overstaanders in meidoornhagen, in het Geuldal nabij Epen. Knotbomen zorgden voor geriefhout, meidoornhagen dienden als perceelscheiding en veekering. Dit soort oorspronkelijke landschapselementen zijn schaars geworden en kunnen een inspiratie bieden bij herstel. Wellicht maakten veel nu alleenstaande knotbomen in de beekdalen ook deel uit van dergelijke heggen. Bij herstel is het in ieder geval zaak voor de juiste soorten, maar ook het juiste beheer te kiezen. In dit geval door het periodiek knotten van de overstaanders. FOTO MICHIEL PURMER, 2009

initiatieven, lokaal en soms ook nationaal, kunnen hierbij helpen. Als terreinbeheerders hebben en nemen Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten verantwoordelijkheid voor het beheer in hun gebieden. De opgave is niet alleen in Zuid-Limburg groot. In het SNL zijn allerlei cultuurhistorische elementen opgenomen, maar voor een aantal pakketten is geen of beperkte vergoeding beschikbaar gesteld door de provincies. Het duurzaam in stand houden van waardevolle cultuurlandschappen vergt een intensief beheer. Voor een duurzaam beheer is ook een continue beheersubsidie noodzakelijk. Het Rijk schrapt de beleidscategorie Nationale Landschappen. Maar is het realistisch om van de provincies te verlangen dat het beleid verder uitgevoerd wordt als er geen extra geld is? Juist van de rijksoverheid mag je verlangen dat ze zich opstelt als hoeder van kwetsbare gebieden dan wel anderen – zoals de terreinbeheerders – ondersteunt die functie te vervullen. Unieke landschappelijke waarden die verdwijnen krijg je immers niet meer terug. Samenwerkende terreinbeheerders, die optrekken met gebruikers en bewoners van de gebieden, gesteund door een stevig subsidiestelsel, moeten het mogelijk maken het Nederlandse cultuurlandschap in stand te houden. Wij zijn al vast begonnen! Wie doet er mee?

De auteurs willen graag voor hun bijdrage aan dit artikel hartelijk danken: Marcel van Ool (Staatsbosbeheer), Luc Korpel (Staatsbosbeheer) An van Veen (Staatsbosbeheer), Sandra van Lochem (Natuurmonumenten), Hans Massop (Natuurmonumenten), Eduard Habets (Natuurmonumenten) en de heer Stortelder (Alterra).

Literatuur – Cultuurland Advies (2008) Landschapsherstelplan Heuvelland. In opdracht van Staatsbosbeheer – Gorter, H.P. (1986) Ruimte voor Natuur. Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, ’s-Graveland. – Natuurmonumenten (2010) Advies cultuurhistorie Zuid-Limburg. Landschap en landschapselementen in de gebieden van Natuurmonumenten. Concept van een intern rapport. – Nouwen, J. et al (red) (2007). Landschapsvisie Zuid-Limburg. Provincie Limburg en Wageningen Universiteit, Wageningen/Maastricht. – Spek, T. (2011) ‘Unieke landschappen worden verkwanseld, heel spijtig’ artikel in Trouw, 15-06-2011. – Renes, H. (2000) ‘Een zuiver cultuurlandschap, beschaafd en aangenaam voor het oog’ - Het landschap van het Geuldal in de twintigste eeuw. In Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal, Jaarboek 2000, pp 125-144. 쮿


ieuwsuit het werkveld ORGANISATIES IN BEELD

I

O K T O B E R 2 0 11

FRISO WOUDSTRA RES NOVA

KASTEELTJE BRUINHORST KARAKTERANALYSE EN -HERSTEL ADC ARCHEOPROJECTEN

DE BIJDRAGE VA N MALTA AAN HET ACADEMISCH DEBAT

KODDE ARCHITECTEN

DE VOORDELEN VAN KLEINSCHALIGHEID E R F G O E D

I N

U I T V O E R I N G


nieuws

U I T

H E T

W E R K V E L D

VITRUVIUS

NUMMER 17

O K TO B E R 2 011

Kasteeltje Bruinhorst Karakteranalyse en -herstel van een monumentaal ensemble

G

elegen aan de Luntersekade nummer 1, aan de noordelijke rand van Ederveen, ligt het gemeentelijk monument kasteeltje Bruinhorst. Dit in 1879 gebouwde complex omvat een hoofdhuis met groot koetshuis, gelegen in een parktuin. In de loop der jaren is de oorspronkelijk ruim één kilometer lange tuin grotendeels afgestoten. Het deel dat nu nog resteert, heeft omstreeks 1966 haar huidige omvang en verschijningsvorm gekregen. Ook het huis is destijds, na onder andere lange tijd als onderkomen voor repatriërende KNIL-militairen te hebben gediend, flink onder handen genomen. De huidige eigenaar, de familie Dunsbergen, heeft Bruinhorst in 2009 aangekocht en wenst het in oude luister te herstellen, waarbij zo optimaal mogelijk wordt uitgegaan van de kwaliteiten die nog aanwezig zijn en van historische (typologische en cultuurhistorische) waarden. Friso Woudstra Architecten en Res nova zijn bij dit project betrokken om zorg te dragen voor een verantwoorde totstandkoming en realisatie van de nieuwe plannen.

Architectuurhistorisch onderzoek en ontwerptraject Hoewel het exterieur van kasteeltje Bruinhorst vandaag de dag nog in hoofdlijnen representatief is voor de negentiende-eeuwse verschijningsvorm, is van het oorspronkelijke interieur weinig tot niets behouden. Aangezien het de wens was van de opdrachtgevers om bij de herinrichting van Bruinhorst de beleving van het negentiende-eeuwse interieur als uitgangspunt te nemen, heeft Res nova een inspiratiedocument opgesteld, waarin de verschillende karakteristieke aspecten van de interieurarchitectuur uit de periode van de bouw van Bruinhorst worden uitgediept. Aan de hand van nog aanwezige bouwhistorische waarden en sporen en van bronnenonderzoek, waarbij vooral aandacht is besteed aan (historisch) beeld-

FR I S O W O U D S T R A R U B R I E K 36

Kasteeltje Bruinhorst, gezien vanaf de Luntersekade.

Bruinhorst anno 1910. Vanaf de straat was sprake van een rechte laan, gericht op de salon van het huis. De laan liep door een bosje. BRON: GEMEENTEARCHIEF EDE

materiaal van negentiende-eeuwse interieurs, is een beeld geschetst van de wijze waarop het interieur van Bruinhorst in haar gloriedagen zou zijn uitgemonsterd. Hierbij speelde de ‘karakterleer’ een belangrijke rol. Deze leer was toonaangevend bij het inrichten van luxe interieurs in vooral het laatste kwart van de negentiende eeuw. Bij de karakterleer speelt de functie van het vertrek een belangrijke rol bij de aankleding. Salons en tuinkamers waren vaak in een lichte neoclassicistische stijl uitgewerkt. Stucwerk was vaak frivool door het gebruik van florale motieven. De hal is de eerste indruk die bezoekers van een woning kregen en moet daarom imponeren. Centrale hallen kenden daarom meestal een ietwat zwaardere afwerking, waarbij sprake is van rijker aangezet stucwerk. Bij woonvertrekken is de uitvoering vrijwel altijd in een neoclassicistische stijl met lage lambriseringen en een licht kleurenpalet opgezet. Stucwerkplafonds bestonden vaak uit lijstwerk met centrale ornamenten, voorzien van een delicate detaillering. Eetvertrekken en andere meer private kamers als rookkamers, kenmerkten zich echter vaak door meer houtwerk (hogere lambriseringen) en zwaarder aangezette plafonds (stucwerk vaak uitgevoerd als lijstwerk met blinde

vlakverdelingen tussen de binnenste en buitenste lijst). Kleurstellingen in deze kamers waren wat donkerder, waardoor een meer intieme sfeer ontstond. Bij deze historische interieurs was eenheid in stijl dus ondergeschikt. In het verlengde van de negentiende-eeuwse architectuur, waarbij op een soortgelijke wijze per type gebouw werd gezocht naar een (neo)stijl die ‘passend’ was bij de functie van het gebouw, werd dus ook in het interieur per vertrek een passende aankleding gezocht. Op basis van de in het inspiratiedocument omschreven karakterleer heeft Res nova een reeks aanbevelingen opgesteld op basis waarvan Friso Woudstra Architecten haar plannen voor Bruinhorst heeft opgesteld. Hoewel de indeling van het huis niet volledig wordt teruggebracht tot de oorspronkelijke situatie (deze was al grotendeels verdwenen gedurende eerdere bouwactiviteiten), wordt in het ontwerp van Friso Woudstra wel een ambiance neergezet die past bij de historische grandeur van het gebouw. De aanwezige achtzijdige salon zal hierbij weer als spil van het huis gaan dienen, zoals in de gloriedagen van Bruinhorst.

info@frisowoudstra.nl Telefoon 0575 - 519 455 www.frisowoudstra.nl


VITRUVIUS

NUMMER 17

nieuws

O K TO B E R 2 011

De werkzaamheden aan het exterieur zijn tot een minimum beperkt. De grootste ingreep zal het nieuwe terras zijn dat tegen de zuidelijke gevel (de Schauseite) wordt geplaatst. Het grote in 1966 geplaatste terras wordt vervangen door een kleiner exemplaar dat de contouren van de gevel volgt en in verschijningsvorm is geïnspireerd op de situatie zoals deze zichtbaar is op oude foto’s. Door dit nieuwe terras wordt de geleidelijke overgang van huis naar tuin versterkt: huis – salon – terras – tuin. De plannen van Friso Woudstra Architecten zijn, aangevuld met een door Res nova opgestelde effecttoets waarin de gemaakte keuzes in woord en beeld worden onderbouwd, aan de gemeente Ede en haar monumentencommissie gepresenteerd en enthousiast ontvangen.

Tuinhistorisch onderzoek en ontwerptraject De gemeente en haar commissie wensten niet alleen inzicht te krijgen in de plannen die voor de bebouwing van Bruinhorst werden opgesteld, maar wilden vanwege de ensemblewaarde van bebouwing en tuin, ook al in een vroeg stadium inzicht krijgen in de plannen die de familie Dunsbergen eventueel voor de tuin voor ogen had. Res nova heeft in dit kader een cultuur- en tuinhistorische rapportage opgesteld: Bruinhorst, tuinhistorisch onderzoek Luntersekade 1 te Ederveen. Dit had als doel inzicht te geven in de ontwikkelingsgeschiedenis van de locatie Bruinhorst. De basis voor de analyse werd gevormd door de aanwezige cartografische bronnen en de ruim voorhanden zijnde historische foto’s, waarop de oorspronkelijke tuinopzet rondom het huis duidelijk zichtbaar was. De huidige omvang van de tuin van Bruinhorst omvat een al op de kadastrale minuutkaart uit circa 1832 zichtbaar, omgracht terrein en een in het verlengde hiervan gelegen perceel aan de Luntersekade. Waarom de opdrachtgeefster van het landgoedje, mevrouw Fisler-Reiger, juist deze plek had uitgekozen als locatie voor een nieuw landgoed, is onduidelijk. Ederveen is gelegen in de Gelderse Vallei, een relatief laaggelegen veen- en broekgebied tussen de Utrechtse Heuvelrug in het westen en de Veluwe in het oosten. Het overgrote deel van de landgoederen ligt in of aan de rand van de Utrechtse Heuvelrug of in of aan de rand van de Veluwe. In de Gelderse Vallei werden in de negentiende eeuw nauwelijks landgoederen aangelegd. Niettemin liet

info@res-nova.nl Telefoon 0475-552 330 www.res-nova.nl

U I T

H E T

W E R K V E L D

Het door Margreeth Bangert van Res nova opgestelde tuinontwerp voor Bruinhorst.

ze hier bij haar nieuw opgerichte huis een parktuin aanleggen die ruim een kilometer in lengte was. Deze oorspronkelijke in landschappelijke stijl uitgevoerde parktuin is zichtbaar op laat-negentiendeeeuws en vroeg-twintigste-eeuws kaartmateriaal. Vanaf de jaren dertig begint het goed in omvang af te nemen. In verschillende stadia worden delen van de tuin afgestoten. In de jaren vijftig is, ten tijde van de functie van Bruinhorst als onderkomen van KNILmilitairen, nagenoeg alle negentiende-eeuwse aanplant gerooid. Bruinhorst lag lange tijd vrij in het landschap. In 1966 werd de tuin opnieuw aangelegd. De gracht werd behouden, maar werd tot aan de Luntersekade naar het zuiden toe doorgetrokken. Hierbij werd ter plekke van de oorspronkelijke zuidelijke tak een nieuwe vijver aangelegd. Tijdens deze werkzaamheden is ook de oriëntatie van de oprijlaan gewijzigd, waardoor de karakteristieke (door begroeiing begeleide) rechte zichtas vanaf de straat op de Schauseite van het kasteeltje verdween. Op basis van de resultaten van het tuinhistorisch onderzoek heeft Margreeth Bangert namens Res nova een tuinontwerp opgesteld, waarbij de huidige aanwezige waarden én de historische (verdwenen) kwaliteiten tot een samenhangend geheel zijn samengevoegd. Hierbij vormt de huidige opzet, ontstaan omstreeks 1966, de onderlegger van het schetsontwerp. Binnen dit kader zijn enkele wijzigingen aangebracht waarbij de situatie, zoals deze zichtbaar is op historische bronnen, als inspiratiebron en referentiebeeld dient. Hierbij is tevens rekening gehouden met de karakteristieke ecologische kenmerken van de locatie. Uit het historisch beeldmateriaal blijkt dat bij de aanleg uit 1879 ook al rekening was gehouden met het karakter van de locatie. Dit tuinontwerp is samen met een onderbouwing van de gemaakte keuzes naar de gemeente toegestuurd. In deze notitie, Bruinhorst. Notitie bij voorstel tuinontwerp Luntersekade 1 te Ederveen, wordt punt voor punt ingegaan op de ontwikkelingen die in de tuin zullen plaatsvinden.

Tot slot Bij Bruinhorst vormen de onderzoeken, effecttoetsen en notities één geheel met het door Res nova opgestelde tuinontwerp en de door Friso Woudstra

Architecten opgestelde plannen voor het kasteeltje. Door deze nauwe samenwerking waarbij onderzoek en ontwerp één op één op elkaar zijn afgestemd, waarbij is uitgegaan van een karakteranalyse en een karakterherstelplan, ontstaat een totaalbeeld dat recht doet aan de (historische) kwaliteiten die dit negentiende-eeuwse kasteeltje kenmerken. Don Rackham Res nova De rapporten van Res nova met de hier besproken werken van Friso Woudstra Architecten kunnen ingezien worden via: www.res-nova.nl/uitgever.html.

R E S N OVA R U B R I E K 37


nieuws

U I T

H E T

W E R K V E L D

VITRUVIUS

NUMMER 17

O K TO B E R 2 011

Wat heeft de archeologie van Malta bijgedragen aan het academisch debat? H.M. van der Velde ADC ArcheoProjecten

S

inds 2003 functioneert binnen Nederland een bestel waarin het meeste archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd door commerciële bedrijven (cf Van der Velde 2011). De activiteiten worden gefinancierd als gevolg van het zogenaamde veroorzakersprincipe (bij wet vastgelegd in 2007). Het bestel is in hoge mate zelfregulerend. Zo zijn richtlijnen opgesteld waaraan onderzoek moet voldoen (Kwaliteitsnormen Nederlandse Archeologie, KNA), bedrijven hebben zich moeten certificeren en de branche is vertegenwoordigd in een de SIKB. Het gevolg van deze omslag is dat commercieel archeologen niet alleen verplichtingen aangaan ten opzichte van hun (academische) vakgenoten maar ook rekening dienen te houden met eisen die door (nietarcheologische) opdrachtgevers worden gesteld. Bovendien is archeologie niet langer een zuiver wetenschappelijke discipline maar ook onderdeel van het proces van ruimtelijke ordening. Dat hierin andere belangen prevaleren mag duidelijk zijn. Toch mag uiteindelijk niet vergeten worden dat archeologie een publieke zaak is. De studie van erfgoed gaat ons immers allen aan. In 2011 wordt de werking van het huidige bestel geëvalueerd. Dit was een afspraak die samenhing met de politieke goedkeuring van de wet op de archeologische monumenten- zorg in 2007. Dat juist nu de vraag gesteld wordt waar we het allemaal voor doen is hiervan een logisch gevolg. In deze bijdrage wordt daarom de relatie tussen de maltagerelateerde archeologie en de wetenschap centraal gesteld.

Nutteloos onderzoek en de kwaliteit van programma’s van eisen Veel van de kritiek op het huidige stelsel richt zich op de wetenschappelijke resultaten die de Maltagerelateerde onderzoeken hebben bijgedragen, of hadden moeten bijdragen, aan de kenniswinst

van de archeologie zelf. Verschillende auteurs hebben daar de afgelopen jaren hun bezorgdheid over uitgesproken (Bazelmans 2009; Raemaekers 2008, KNAW 2007). De kritiek komt samengevat op hetzelfde neer: er wordt teveel onnodig onderzoek uitgevoerd. De meeste onderzoeken vinden plaats op relatief kleine percelen en de resultaten leveren niet of nauwelijks een bijdrage aan kennisvermeerdering. De onderzoeken waar dit wel mogelijk is zijn schaarser en de analyse van de resultaten blijkt vaak zeer beschrijvend en weinig synthetiserend te zijn. Tenslotte ontbreekt het de traditionele partijen (met name de universiteiten) aan mogelijkheden om op basis van de resultaten synthetiserende studies te schrijven. Daaraan gekoppeld signaleren enkele auteurs nog andere knelpunten rondom de kwaliteit van programma’s van eisen, de inzet van specialistisch onderzoek binnen projecten en het feit dat het merendeel van de projecten nooit het stadium van gravend onderzoek bereikt. Tenslotte constateert een enkeling dat een belangrijk fundament van het verdrag van Malta, namelijk behoud in situ, nauwelijks een rol lijkt te spelen binnen de archeologische sector. De lage prijzen voor archeologisch onderzoek als gevolg van de marktwerking zouden hier debet aan zijn (Bazelmans et al 2005; Lauwerier et al 2006; Bazelmans in koenen 2008). Op deze kritiek zijn door verschillende auteurs reacties gegeven. Uit de meeste valt op te maken dat er ofwel sprake is van onvolkomenheden in het nog prille bestel of dat de kritiek samenhangt met een gebrek aan inzicht in ieders belangen in een archeologische sector die anno 2011 diverser van samenstelling en van belangen is dan ooit tevoren (Wispelwey 2007; Knoop 2008; Hessing 2010). De kritiek die zich richt op de kwaliteit van progra-

ADC ARCHEOPROJECTEN R U B R I E K 38

ma’s van eisen, inhoud van rapporten en een gebrek aan synthesevorming op basis van de resultaten van Malta-gerelateerd archeologisch onderzoek is fundamenteler van aard. Wat het laatste punt betreft is het de vraag of dit het archeologisch bedrijfsleven aangerekend kan worden. Binnen het stelsel wordt deze taak vooral geclaimd door de universiteiten (KNAW 2007). In een reactie van de RCE op vragen over de handhaving van de twee jaren-termijn wordt zelfs gesteld dat het ook niet de primaire verantwoordelijkheid is van bedrijven om synthetiserende studies te schrijven. Het belang van basisbeschrijvingen conform de KNA in relatie tot een oplevering binnen twee jaar na het einde van het veldwerk wordt groter geacht dan een synthetiserende studie waarin verschillende onderzoeken gepresenteerd worden (RCE notitie oktober 2010). Het is ook niet verwonderlijk dat de afkalving van het universitaire bestel (in de afgelopen 15 jaar is het aantal arbeidsplaatsen gehalveerd) gekoppeld aan de groei van de Malta-gerelateerde archeologie leidt tot spanningen. Kreeg in het recente verleden slechts een deel van de Nederlandse bodem aandacht van de universitaire archeologie, tegenwoordig kan gesteld worden dat grote delen van Nederland en verschillende onderzoeksperiodes niet of nauwelijks aandacht krijgen binnen universitaire kring. Duidelijk wordt dat zonder een substantiële uitbreiding van


VITRUVIUS

NUMMER 17

nieuws

O K TO B E R 2 011

mogelijkheden en middelen niet van de universitaire archeologie verwacht mag worden dat zij haar door de sector toebedachte taak volledig kan uitvoeren. In dat licht is het des te opvallender dat verschillende bedrijven wel degelijk actief zijn op dit gebied. Zo participeren verschillende onderzoekers in NWO-projecten, blijken enkele medewerkers van bedrijven in staat om promotieonderzoek uit te voeren en verschijnen de laatste jaren regelmatig grotere overzichtsstudies. Dat het merendeel van de rapporten weinig omvangrijk is en niet veel meer dan een basisbeschrijving met weinig toegevoegde waarde voor de wetenschap heeft, zoals R. Knoop terecht aangeeft, niets te maken met de academische archeologie maar met de uitwerking van het hierboven beschreven kwaliteitssysteem en de daaraan gekoppelde publicatieverplichting (Knoop 2008, 36). We zullen de resultaten helaas nooit kunnen vergelijken met die van een vorige generatie. Het NWOOdyssee programma is wat dat betreft een pijnlijke confrontatie met de erfenis van de sector. Uit een scan van de opgegraven en nooit gepubliceerde gegevens uit de periode voor de invoering van het verdrag van Malta (en daarbij wordt de grens op het jaar 2000 gesteld) komt naar voren dat er minstens 20 miljoen euro nodig zou zijn om een begin te maken met het publiceren van de belangrijkste opgravingen (Hessing & Mietes 2003; Hessing 2005). Daarmee vergeleken is de berg ‘grijze’ literatuur die de Malta-gerelateerde archeologie jaarlijks presenteert een grote stap voorwaarts. Ook de kritiek op programma’s van eisen (PvE) is niet eenvoudig te duiden. Ook hier is sprake van het ontbreken van ervaring uit een voorafgaande periode. Dit wordt duidelijk uit een vergelijking van een onderzoek dat de RCE uitvoerde in 2005, 2007 en 2008 (Bazelmans et al. 2005; Van den Dries en Zoetbrood 2007; Van den Dries en Zoetbrood 2008). Waar in 2005 geconstateerd werd dat de PvE’s die in 2003 en 2004 werden opgesteld in meer dan de helft van de gevallen niet voldeden aan de kwaliteitsnormen, bleek dat in 2006 teruggebracht tot 32%. Uit een onderzoek naar de kwaliteit van de rapporten die in datzelfde jaar verschenen, bleek dat 36,5% als onvoldoende beschouwd werd. Op zich een verbetering ten opzichte van eerder onderzoek maar nog altijd een behoorlijk percentage. Interessant in dit kader is een andere uitkomst uit hetzelfde rapport. Vast-

Postbus 1513, 3800 BM Amersfoort Tel. 033-299 8181 communicatie@archeologie.nl

gesteld werd dat 98% van de veldwerkleiders voldoende op de hoogte waren van de vraag- stellingen uit het PvE en over voldoende kennis beschikten om hun onderzoek volgens de geldende (wetenschappelijke) normen uit te voeren. Bovendien werd geconstateerd dat deze veldwerkleiders vaak over meer kennis beschikten en mondeling de door hen gemaakte keuzes beter konden toelichten dan dat in het rapport zelf het geval was (Van den Dries en zoetbrood 2008, 2930). Blijkbaar zijn de geconstateerde omissies eerder technisch dan inhoudelijk van aard. Bovendien laat het archeologisch bedrijfsleven zien snel van haar geconstateerde tekortkomingen te kunnen leren. Een onderzoek uit 2010 laat zien dat met name de bedrijven (en universiteiten) zich bijzonder goed aan de eisen voor de handhaving van de twee jaren-termijn houden. Het lijkt een teken dat het bedrijfsleven zich goed aan het nieuwe systeem heeft aangepast. Voor veel gemeentes, die pas sinds 2007 geconfronteerd worden met deze eisen, is het nog wennen. Zij scoorden beduidend minder op dit onderdeel (Erfgoedinspectie 2010b). Het is een aanwijzing dat men niet te snel moet oordelen over onvolkomenheden in een jonge sector die laat zien bijzonder snel volwassen te kunnen worden. Tenslotte moet ook niet vergeten worden dat het aantal mensen werkzaam binnen de archeologie binnen korte tijd explosief is toegenomen. De meeste archeologen zullen beamen dat kennis opgebouwd door ervaring van groot belang is (ook de KNA is hier op gebaseerd). Het kost nu eenmaal tijd om ervaring op te doen. Een bijdrage aan de wetenschap? De bovenstaande discussies dreigen vaak het zicht te ontnemen op de werkelijke kwaliteitswinst van de Maltagerelateerde archeologie en wel de regionale spreiding van onderzoek en het ontstaan van nieuwe onderzoekstradities. Op beide aspecten zal hier kort ingegaan worden. In 2002 is door de ROB een archeologiebalans gepresenteerd waarin per archeo-regio de toenmalige stand van kennis is beschreven met betrekking tot een groot aantal kennisvelden (Lauwerier en Lotte 2002). De door dezelfde instelling gepubliceerde erfgoedbalans uit 2009 biedt de mogelijkheid om de gerealiseerde kenniswinst te meten (Beukers 2009, 112 vv). Daaruit blijkt dat op de meeste terreinen kenniswinst is geboekt ten opzichte van 2002. De

www.archeologie.nl

U I T

H E T

W E R K V E L D

meeste winst is behaald in die regio’s waarin zowel bedrijven als universiteiten actief zijn. In het bijzonder onderzoek in Brabant en het rivierengebied heeft veel nieuwe gegevens voortgebracht. De archeologie van West-Brabant (regio Breda waarin zowel de gemeente als het bedrijfsleven actief is geweest) en het rivierengebied (dankzij de aanleg van de Betuweroute) heeft zijn kenniswinst vooral te danken aan de Maltagerelateerde archeologie. Echter, voor Zeeland en het grootste deel van Limburg zijn alleen door bedrijven substantiële rappor-ten voortgebracht. Mede dankzij de Malta-gerelateerde archeologie zijn voor Oost-Neder- land binnen korte tijd twee dissertaties verschenen (Van Beek 2009; Van der Velde 2011). Opvallend is de ondervertegenwoordiging van universitaire publicaties over de archeologie van de stadskern. Het lijkt er op dat de universitaire archeologie de bedrijven en de gemeentelijk archeologen nodig heeft om fundamentele kenniswinst voor alle delen en periodes binnen Nederland te bewerkstelligen. Dat de laatste spelers, wier primaire taak het niet is, daar lang niet altijd volledig aan toekomen is geen punt van kritiek, maar een teken dat individuele archeologen en bedrijven verdere aanmoediging nodig hebben om tot een blijvende bijdrage aan de Nederlandse archeologie te kunnen komen. Een nieuwe ‘Oogst van Malta’ zou bijzonder welkom zijn. Conclusies? Het nog prille bestel heeft geleid tot een grote verschuiving binnen een vak dat jarenlang gedomineerd werd door wetenschappelijke instituten en is op onderdelen misschien ook wat minder academisch georiënteerd. Het is duidelijk dat iedereen hierin zijn positie moet vinden. Zoals uit de onderzoeken naar de kwaliteit van rapporten en programma’s van eisen blijkt, hebben archeologen leertijd nodig om uit te vinden wat er precies van hen verlangd wordt. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen universiteiten en bedrijven. Het aantal publicaties van bedrijven dat er toe doet is vooral de laatste jaren enorm toegenomen. Alleen al ADC ArcheoProjecten heeft sinds 2007 elf monografieën gepubliceerd. Bovendien participeren vijf medewerker in universitaire onderzoeksprojecten of werken aan dissertaties. Het lijkt er dus op dat we, ondanks alle onvolkomenheden op de goede weg zijn. Misschien is het gewoon nog te vroeg om al te zware conclusies te trekken. 쮿

ADC ARCHEOPROJECTEN R U B R I E K 39


nieuws

U I T

H E T

W E R K V E L D

Kodde Architecten

Klein is fijn K

odde Architecten won recent met de verbouwing en uitbreiding van de Dr. Rijk Kramerschool in Amsterdam de Arie Keppler Prijs in de categorie cultuurhistorisch erfgoed. Een gesprek met Jorrit Mulder, een van de twee eigenaren van het architectenbureau. ‘De combinatie van oud en nieuw vinden we het mooist.’ Een betere huisvestingsplek voor een in restauratie gespecialiseerd architectenbureau dan de Amsterdamse grachtengordel is moeilijk denkbaar. Je moet stekeblind zijn om hier niet in de ban raken van de cultuurhistorische sfeer. Kodde Architecten zit gevestigd in de benedenverdieping van een prachtig pand aan de Prinsengracht. Uitnodigend staat de houten buitendeur open. Jorrit Mulder toont de Arie Keppler penning en zegt er trots op te zijn. Begrijpelijk, want de medegenomineerde veelgeroemde restauratie van de Hermitage was de gedoodverfde winnaar van de prijs. Ook de jury was er van onder de indruk (‘ronduit voorbeeldig’), maar ze was nog meer geïmponeerd door de aanpak van de Dr. Rijk Kramerschool door Kodde Architecten. Het juryrapport leest als een lofzang: ‘Alles is dienstbaar, liefdevol en oogstrelend gemaakt.’ En: ‘Oud en nieuw zijn op een zorgvuldige manier van elkaar gescheiden in materiaal kleur en detail en vormen tegelijk een symbiose.’ Mulder is blij met de opmerkingen, omdat ze aansluiten bij de uitgangspunten en de werkwijze van Kodde Architecten. Het bureau houdt ervan om oud en nieuw met elkaar te combineren. Mulder: ‘Daarin schuilt veel kracht. Het oude versterk je door er iets nieuws dichtbij te plaatsen. De school is een goed voorbeeld. We hebben daarin de oude hoofdstructuur gerestaureerd, maar moderne trappen en kastpartijen toegevoegd. Die moderne elementen maken het project spannend, maar zijn ook

40

noodzakelijk om de school qua functie goed bruikbaar te maken.’ Nieuw is ook de ook uit vier lagen bestaande aanbouw tegen de achterzijde van de bestaande school.’ Op een computeranimatie wijst Mulder naar een nieuw lokaal op de vierde verdieping waarin het dak van het oude trappenhuis is te zien. ‘We hadden dat dak kunnen wegslopen, maar omdat het zorgt voor een mooie combinatie van oud en nieuw, hebben we het in tact gelaten. In feite hebben we de nieuwbouw over het oude trappenhuis heen gebouwd.’ Een kunststukje was ook het aan elkaar koppelen van het oude en nieuwe pand, omdat de oudbouw uit twee lagen plus een zolder bestaat, maar de nieuwbouw uit vier lagen. ‘Het kon doordat de lokalen in de oudbouw erg hoog waren en doordat we de

onderste laag van de nieuwbouw een beetje in het maaiveld hebben laten verzinken.’ Lachend: ‘Goed puzzelen is een van onze sterke punten. Wij zijn goed in woekeren met ruimte. Onze eerste prioriteit is altijd dat de machine, in dit geval de school, soepel moet kunnen draaien. Functioneel moet het allemaal kloppen.’ Fiets Kodde Architecten is in 1996 opgericht door Hans Kodde. Twee jaar later kwam Jorrit Mulder erbij. Recent is de samenwerking omgezet in een partnerschap. ‘Hans had een aantal klanten en ik ook. Ik kende hem goed en stelde voor om samen te gaan. Met zijn tweeën is gezelliger, maar ook prettiger voor de klanten, omdat ze meer feedback hebben.’ De samenwerking beviel en het bureau groeide.


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K TO B E R 2 011

Er werken nu zes mensen. Groter hoeft het niet te worden van Mulder. ‘Wij hebben nu nog direct contact met onze klanten, die dat prettig vinden. Maar dat kan alleen doordat we niet groot zijn.’ Er is nog een reden om niet groter te willen worden. ‘Grote kantoren, zo tussen de vijfendertig en honderd medewerkers, komen er in de huidige crisis achter dat groot achterhaald is. Ik ben ervan overtuigd dat de toekomst aan relatief kleine bureaus is. Natuurlijk: voor hele grote projecten zullen altijd grote kantoren als OMA en Mecanoo blijven bestaan, die met vestigingen in meerdere landen architectuurmultinationals zijn. Maar naast deze grote zullen veel meer kleine kantoren zijn, die bij grote projecten met elkaar samenwerken. Het is bijna onmogelijk geworden om alles nog zelf te doen doordat ook in ons vakgebied de specialismen extreem zijn toegenomen. Vroeger werd van een bouwheer verwacht dat hij alles in huis had. Hij moest onder meer electriciën, timmerman, loodgieter en psycholoog zijn. Wij streven ernaar om al die kwaliteiten nog in huis te hebben, maar dat kan alleen bij niet al te grote projecten.’ Het omslagpunt ligt volgens Mulder ongeveer bij een werk als de Rijk Kramerschool. ‘Als projecten groter worden, moeten we gespecialiseerde expertise inhuren. In dat geval worden we de coördinator van kennis. Dat kan ook, maar wij vinden het leuk om zoveel mogelijk kennis in eigen huis te hebben. Dat vinden opdrachtgevers ook prettig, omdat ze dan met minder mensen aan tafel hoeven te zitten.’ Mulder noemt nog een derde reden om niet groter te willen worden. ‘Bij restauratie moet je tot het werk klaar is erbij betrokken zijn. Je kunt je niet na het definitieve ontwerp terugtrekken en het overlaten aan de aannemer. Dat kan misschien bij strakke nieuwbouw, maar niet bij restauratie. Ik zal niet zeggen dat het bij restauratie altijd tegen zit, maar er doen zich altijd onverwachte zaken voor. De complexiteit van het herstel maakt het nodig dat je altijd bereikbaar bent. Als een uitvoerder tegen een probleem aanloopt, kun je niet een week wachten.’ Alleen al daarom is Mulder blij dat de meeste opdrachten voor Kodde Architecten uit de Amsterdamse grachtengordel komen. ‘Als er een probleem is, springen we op de fiets en staan we even later met de uitvoerder op de steiger.’

Prinsengracht 465 1016 HP Amsterdam Tel. +31(0)20 428 2700 info@koddearchitecten.nl www.koddearchitecten.nl

nieuws

U I T

H E T

W E R K V E L D

De Dr. Rijk Kramer school is het grootste cultuurhistorische restauratieproject van Kodde Architecten, maar op het trackrecord van het bureau staan meer bijzondere werken. Mulder licht er drie uit. Stadsdeelkantoor Westerpark ‘We hebben vijf jaar geleden de complete buitenschil – ramen, gevels, dakgoten - gerestaureerd van dit pand, dat op de kop van het Westergasfabriekterrein staat. De originele ramen waren er uitgezaagd en het oorspronkelijke kozijn was gebruikt als stelkozijn voor aluminium kozijnen. Qua restauratie viel er helaas weinig terug te halen. We hebben nieuwe inhaakkozijnen van dubbel glas geplaatst. Helaas konden we er geen schuiframen inzetten, omdat dubbel glas daarvoor te zwaar is. Het zijn tuimelramen geworden, maar als ze gesloten zijn, zie je de vroegere oorspronkelijke opzet. We hebben ook de doorgang van het gebouw naar het park dichtgemaakt. Die passage was er in de jaren tachtig in gebracht om de beleving van het park te stimuleren, maar in de praktijk zorgde hij voor overlast. Ook kostte het veel meters werkruimte. Die zitten nu weer in het gebouw.’

Buurtboerderij Ons genoegen ‘Dat is een project met een lange geschiedenis. Toen Stadsdeel Westerpark een oude vervallen boerderij aan de Spaarndammerdijk wilde slopen, kwam de buurt in opstand en werd hij gekraakt. De politiek draaide 180 graden en besloot de boerderij op te knappen. De geestelijke gezondheidsinstelling Mentrum was bereid om de boerderij als time-outinstelling voor mensen die terugkeren in de maatschappij te huren. Ons uitgangspunt bij de restauratie was: bij voldoende gegevens brengen we zaken terug in de oude staat. De aannemer heeft alles wat van waarde was meteen eruit gehaald om deze zaken als referentiepunten te gebruiken. Op het terrein had hij een soort miniwerfje, waarin vaklieden alles nauwkeurig namaakten. Zonder ervaren vakmensen kun je dit soort projecten niet doen. De boerderij, met er om heen prachtige (moes)tuinen is schitterend hersteld.’

Jockeyhuis ‘Het Jockeyhuis is het clubgebouw en de stallen van de voormalige draf- en renbaan Cruysbergen in Bussum. Het was verkocht aan een particulier, die het wilde restaureren. Er ging iets mis met het bedrijf dat werd ingeschakeld en wij hebben de restauratie weer vlot getrokken. Dit was echt een pur sang restauratie: we hebben alles wat kapot was in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Het Jockeyhuis is uniek, want het ligt in een prachtig besloten landschap. Dat soort plekken zijn zeldzaam in Nederland. Als je het ziet, waan je jezelf in Engeland.’

41


V O O R

U

gelezen

VITRUVIUS

Monumentaal wonen; Gids voor eigenaren van een rijksmonument UITGAVE

Gezamenlijke uitgave RCE, NRF, VNG, FGM en Belastingdienst 1 RECENSENT

Frits Niemeijer DETAILS

38 pagina’s (gedrukt en digitaal). Gratis aan te vragen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort of te downloaden via: http://fd7. formdesk.com/archis/gids_ pdf

De SPIJKER op zijn kop nkele jaren geleden bleek uit een enquête onder 3000 eigenaren van rijksmonumenten dat de grote meerderheid van hen wist dat ze een monument kochten, maar dat de helft niet was geïnformeerd over de consequenties daarvan. Dezelfde enquête leerde dat tweederde van de eigenaren van mening was dat ze voldoende mogelijkheden hebben om het pand aan individuele wensen aan te passen.2 Vooral deze laatste uitkomst is nogal opmerkelijk, omdat er al decennia een door velen kritiekloos doorgegeven ruis gehoord kan worden van: ‘Je mag nog geen spijker in de muur slaan’. Dat blijkt in de praktijk dus nogal mee te vallen en de eigenaren ervaren dat ook niet zo. Dat is een belangrijk informatief punt voor potentiële (nieuwe) eigenaren, die zich anders vast wel tweemaal zouden bedenken – althans als ze alleen met die kletskoek in aanraking zouden komen. Het is vreemd dat de nieuwe gids ‘Monumentaal wonen’ hierover niets zegt. Naar verluidt moest de inhoud een positief beeld uitstralen en in het verlengde hiervan zou dit naar de mening van uw recensent een goed punt voor beïnvloeding van de beeldvorming zijn geweest. Een tussenkopje ‘De spijker op zijn kop’ (tevens een doordenkertje!) in een volgende editie zou een begin van een proces van verandering kunnen zijn.

E

Het is goed dat de gids begint met het niet bij ieder bekende feit dat bescherming van een rijksmonument het hele pand betreft, dus niet alleen de buitenkant of de straatzijde, maar ook de inwendige structuur en indeling en de ‘monumentale onderdelen’. Wat er wordt verstaan onder monumentale onderdelen is echter niet altijd en voor iedereen duidelijk. En al helemaal niet voor nieuwe monumenteigenaren, voor wie de gids in de eerste plaats is bedoeld. Dat alle gevels en muren, de vensters en deuren, de kap, het dak, de kelder en interieur(onderdelen)

42

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

hieronder (kunnen) vallen, spreekt voor ‘kenners’ meestal vanzelf, maar voor (nieuwe) eigenaren is dit soms niet helder. Wat die ‘monumentale onderdelen’ of ‘monumentale waarden’ zijn, kan dan ook vragen oproepen. De discussie hierover kan op verschillende fronten worden gevoerd, maar gewoonlijk heeft de eigenaar daarin geen stem van betekenis. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (of een voorganger) heeft de waarden immers namens de minister of de staatssecretaris van cultuur (benoemd en) vastgesteld en die staan dan ook niet ter discussie. Wat dit betreft is het enigszins vreemd dat de gids de indruk geeft dat een nieuwe eigenaar zich het best als eerste naar de desbetreffende gemeente kan richten. Dat klopt alleen voor zover het de aanvraag van een vergunning voor een wijziging aan het monument betreft, maar dit geldt niet per definitie wanneer het gaat om de omgang mét en vooral niet bij vaststelling van de monumentale waarden. Vooral wanneer het om een pand in relatief slechte staat gaat, zou dan beter de Belastingdienst Bureau Monumentenpanden het eerste aanspreekpunt kunnen zijn, want alles wat er gebeurt voordat én nadat deze dienst zich op de hoogte heeft kunnen stellen van de toestand van het pand, is van blijvende invloed op verdere ontwikkelingen. Niet omdat de dienst de intrinsieke waarden van het monument als zodanig vaststelt, maar wel omdat hij bepaalt wat er eventueel subsidiabel is bij de aanpak van het monument. En dit raakt direct aan de kosten en de tegemoetkomingen daarin: Het is dan ook wat vreemd dat de gids de nieuwe eigenaar de ‘tip’ geeft (of stelt: ‘goed om te doen’) tijdig met de Belastingdienst te overleggen, terwijl níet tijdig overleggen hem van de ene dag op de andere tienduizenden euro’s kan kosten. En dit betreft zowel het al of niet subsidiabel zijn van ingrepen, als de grootte van een eventuele laagrentende lening bij het Nationaal Restauratiefonds (NRF). Zo’n lening (momenteel ca. 1,5 % rente) bedraagt (maximaal) 70% van de door de Belastingdienst vastgestelde subsidiabele kosten voor onderhoud (inclusief restauratie), tot een maximum van 300.000 euro. Gelukkig staat er duidelijk in de gids dat wie al begonnen is met de werken geen lening of subsidie meer kan aanvragen – of het nu met of zonder de door de gemeente (!) te verstrekken vergunning is. Niet subsidiabel zijn onder meer comfortverbeteringen aan het pand. Dit laatste is nogal eens een punt van discussie en van onbegrip omdat bijvoorbeeld zoiets als de vervanging van de elektrische installatie in een 17de-eeuws


V O O R VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

U

gelezen

pand wel subsidiabel is, maar het aanbrengen van dubbele beglazing niet. Het plaatsen van dubbel glas – of andere isolerende ingrepen – is toch al een heikel punt in monumentenland. Dit is niet subsidiabel omdat het zonder twijfel om verbetering gaat, maar bovendien is het in veel gevallen niet wenselijk vanuit monumentaal oogpunt. Vervanging van gebroken glazen door het bijna 10 jaar geleden op de markt gekomen enkel isolerend glas kan daarentegen wel subsidiabel zijn! De gids gaat op meerdere van dergelijke gevallen kort in en verwijst verder naar diverse relevante andere bronnen van informatie. Het ‘subsidiabel’ zijn vraagt overigens nog verdere toelichting. Terwijl het voor de hand lijkt te liggen dat iets wat subsidiabel is in aanmerking kan komen voor subsidie, is dit voor wat betreft monumenten in veruit de meeste gevallen niet het geval. Voor meerdere categorieën monumenten3 is de subsidie afgeschaft en vervangen door een laagrentende hypothecaire lening (of een keuze tussen beide).4 Veruit de meeste monumenteigenaren – en in elk geval de eigenaren van woonhuismonumenten – kunnen een lening aangeboden krijgen die – precies als een normale hypothecaire lening – opeisbaar wordt wanneer niet aan de verplichting tot betaling van de contractuele maandbedragen wordt voldaan. Dit kan leiden tot publieke verkoop van het (onder)pand om uit de opbrengst de schuld te voldoen. Het betreft – voor zover bekend – altijd annuïteitenhypotheken; die dus over de gehele looptijd (maximaal 30 jr.) hetzelfde totaalbedrag voor rente + aflossing vragen. Met in het begin vrijwel uitsluitend een rentecomponent (en dus renteaftrek voor de belasting) en later vrijwel uitsluitend aflossing. Dit is wel iets om even over na te denken: iemand die besluit tot het kopen van een monumentenpand en tot het aangaan van twee mogelijk zeer forse leningen, moet financieel stevig in zijn schoenen staan. Hier staat tegenover – en dat staat niet in de gids – dat de alle subsidiabele onderhoudskosten (dit omvat ook de restauratie) van de belasting aftrekbaar zijn als Persoonsgebonden Aftrek. En dit niet eenmalig – of alleen in het jaar waarin de werkzaamheden zijn betaald, zoals de gids zegt - maar over een reeks van jaren. Wel geldt hierbij een drempelbedrag: de Belastingdienst hanteert deze bouwkundige term helaas om de monumenteigenaar erover te laten struikelen. Aftrek van de inkomstenbelastingen is namelijk (jaarlijks) onderhevig aan een minimumbedrag – ‘de drempel’, die gekoppeld is aan de WOZ-waarde van het pand. De drempel staat de doelstelling van regelmatig onderhoud van het pand uiteraard lelijk in de weg, want de eigenaar zal de noodzakelijke werken gaan uitstellen om in zo weinig mogelijk jaren steeds zo ver mogelijk boven de drempel uit te komen. Hij zal bij wijze van spreken blijven wachten tot de eerste druppels door de dakgoot komen eer hij het zink laat vernieuwen – en dat dan tegelijk met het intussen al achterstallig geworden buitenschilderwerk. Er zal wel heel goed over nagedacht zijn, maar soms bekruipt je het gevoel dat de ene maatregel de andere flink tegenwerkt, tot schade van het monument. Vraag is dan: wat biedt de gids ‘Monumentaal wonen’? Hij bevat veel nuttige informatie in compacte vorm, maar helaas zijn er ook belangrijke zaken ongenoemd of onderbelicht gebleven.

Het advies aan de monumenteigenaar luidt: de gids aanvragen of downloaden en doornemen en vervolgens niets doen tot de Belastingdienst groen licht heeft gegeven. En wetend dat de eerste uitgave van de gids een experiment is, adviseert de recensent de uitgevers deze versie t.z.t. te vervangen door een tweede editie, waarin nog enige puntjes zijn aangescherpt. En vergeet dan vooral de ‘mythe van de spijker’ niet. Want: begonnen met ‘spijkeren’? - dan geen subsidie en geen lening. Meer waarschuwing dan verbod dus. Relevante websites (om verder te zoeken): www.cultureelerfgoed.nl www.restauratiefonds.nl www.belastingdienst.nl www.vng.nl www.monumenten.nl 1

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Nationaal Restauratiefonds, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Federatie Grote Monumentengemeenten [49] en Belastingdienst Bureau Monumentenpanden. 2 Zie: http://www.sam-limburg.nl/sam-limburg/doc/OCenW-brief%20 inzake%20MoMo%20aan%20grote%20monumentengemeenten.pdf 3 De rijksmonumenten zijn om verschillende redenen ingedeeld in categorieën, zoals agrarische gebouwen, kerkelijke gebouwen en woonhuizen. De indeling is in de loop der jaren meer dan eens gewijzigd en ook de toewijzing is tot op de dag van vandaag niet eenduidig. Niettemin kan gesteld worden dat 2/3 deel van de rijksmonumenten bestaat uit verschillende typen woningen. 4 Voor die categorieën waarvoor er sprake is van een keuze, is die echter een farce, want sinds enkele jaren is subsidietoekenning een loterij geworden. Zie hiervoor: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/ default/files/u6/Toelichting%20aanvraagformulier%20Brim%202011% 20gebouwd%20monument.pdf en: http://www.monumenten.nl/ site/nl-nl/Direct+naar/Brim+loting+zit+u+erbij.htm 쮿

43


V O O R

U

gelezen

VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Bloemkoolwijken: analyse en perspectief AUTEURS

Martijn Ubink, Thijs van der Steeg (red.) UITGAVE

SUN RECENSENT

Jaap Evert Abrahamse DETAILS

Paperback, 168 pagina’s, kleur, ISBN 978-94-6105-169-1 PRIJS

€ 34,50

ngeveer een kwart van de Nederlandse woningvoorraad dateert uit de periode 1970-1985, toen per jaar nog meer dan 100.000 woningen werden opgeleverd, met een piek van 155.000 in 1973. Een groot deel van deze woningen liggen in zogenaamde bloemkoolwijken. Deze naam verwijst naar de typische plattegrond van zo’n wijk, met doodlopende straatjes en woonerven, ontsloten door een slingerend, onoverzichtelijk verkeerscircuit, met overal verspringingen in de rooilijnen. De meeste mensen die niet in zo’n wijk wonen komen er waarschijnlijk nooit. Sommige bezoekers zullen het bij één keer laten, nadat zij de wijk vloekend hebben verlaten zonder hun bestemming te bereiken, omdat zelfs de Tomtom er op hol slaat. Dat wil overigens helemaal niet zeggen dat de bloemkoolwijken als woonmilieu slechter zijn dan andere naoorlogse uitbreidingswijken. Bureau Middelkoop heeft met steun van een aantal gemeenten en het Stimuleringsfonds voor Architectuur onderzoek gedaan naar de huidige toestand en de ontwikkelingsmogelijkheden van zulke wijken. Het onderzoek is in boekvorm gepubliceerd, waarbij een complementerende website aanvullende informatie biedt.

O

Het principe van de bloemkoolwijk werd rond het einde van de jaren zestig bedacht in Emmen, waar stedenbouwkundige Niek de Boer voor de gemeente werkte. Hij wilde naar een nieuwe manier van ordening van wijken, waarbij de aanwezigheid van de auto – die tot die tijd ruim baan had gekregen en een nauwelijks te onderschatten impact had op wijken en steden – in de directe woonomgeving werd teruggedrongen. De Boer introduceerde het woonerf, een nieuwe manier van het groeperen van woningen rond collectieve, autoluwe hoven. Het werd voor de eerste keer gerealiseerd in de wijk Emmerhout, trok veel aandacht en ontwikkelde zich in de jaren daarna snel in veel Nederlandse steden. Samen met een architectuur die zich expliciet wilde onderscheiden van de wederopbouw – traditionele materialen als bak-

44

steen, hout en dakpannen, verspringende rooilijnen – ontstond de typische bloemkoolwijk. De bouwsector bleek na een aantal experimentele projecten razendsnel in staat om de systeem- en gietbouw, die tijdens de wederopbouw was ontwikkeld, toepasbaar te maken voor dit nieuwe stedenbouwkundige concept – waarbij de bouwkosten de pan uit rezen in vergelijking met de eerdere modernistische woningbouw. De wijken ogen kleinschalig, maar zijn net als de vroegere naoorlogse wijken op industriële manier geproduceerd. Dat was mogelijk door ‘families’ van verschillende woningtypes te combineren uit verschillende elementen, die allemaal binnen één stramien pasten. Afwisseling werd verkregen door een onregelmatige plaatsing van bergingen, keukens of dakkapellen, liefst allemaal met een eigen schuine kap. Zo kon op grote schaal worden vormgegeven aan de paradoxale ambitie die ten grondslag ligt aan de bloemkoolwijken: geprogrammeerde spontaniteit, opgelegde toevalligheid. De bloemkoolwijken zijn het ultieme product van het idee van maakbaarheid. In 1979 kenschetste de architect Carel Weeber de gehele architectuurproductie van het decennium daarvoor met de term ‘Nieuwe Truttigheid’. Weeber was een verklaard voorstander van ‘objectiviteit’ in de stedenbouw, en van de terugkeer van de (rechte) straat en het bouwblok. Hij pleitte in niet mis te verstane termen voor een nieuwe revolutie in de woningbouw – de zoveelste na de oorlog. Zijn betoog viel in goede aarde, niet alleen vanwege het einde van de maakbaarheidsgedachte, maar ook vanwege de noodzaak om drastisch te bezuinigen op de stichtingskosten van nieuwbouwwoningen. Venserpolder in Amsterdam-Zuidoost was de grootschalige, en ook weer controversiële uitwerking van Weebers ideeën.

De woonerfgedachte verbeeld. TEKENING NIEK DE BOER, GEMEENTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE IN EMMEN, 1972


V O O R VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Maar rond 1980 sloeg de scherpe kritiek van Weeber (en anderen) aan. Dit heeft ertoe geleid dat de bloemkoolwijk lange tijd een sluimerend bestaan heeft geleid en zich heeft onttrokken aan de aandacht van onderzoekers en ontwerpers. Pas de laatste tijd, dertig jaar na dato, wordt de kleinschalige laagbouw incidenteel wel opgevoerd als mogelijke inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld op de Groningse woningbouwmanifestatie Intense laagbouw. Hier wordt het oppassen, want de integratie van stedenbouw en architectuur tot één onontwarbaar systeem – veel bloemkoolwijken waren eigenlijk een soort mini-Bijlmertjes – heeft laten zien kwetsbaar en weinig flexibel te zijn en niet goed in staat om nieuwe ontwikkelingen in zich op te nemen. Op dit punt is Weebers kritiek nog altijd actueel. Inmiddels zijn de meeste bloemkoolwijken een generatie verder. Langzamerhand beginnen de oorspronkelijke bewoners te vertrekken en komen woningen opnieuw op de markt. Door de realisatie van de VINEX is de positie van de bloemkoolwijken op de woningmarkt drastisch gewijzigd. Het boek opent met een terugblik op het ontstaan van de wijken vanaf de jaren zeventig, als reactie op de grootschalige woningbouw uit de periode van de wederopbouw en de hoogbouwgolf van de late jaren zestig. Daarna komen in opeenvolgende hoofdstukken analyses van de situatie waarin deze wijken zich na één generatie bewoning bevinden – waaruit blijkt dat de meeste wijken geleidelijk achteruitgaan – door verschuivingen op de woningmarkt, een veranderde ligging in de stad, demografische dynamiek en fysieke veroudering – zonder

Atlas van Nederland in het Holoceen – Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu AUTEURS

P.C. Vos, J. Bazelmans, H.J.T. Weerts en M.J. van der Meulen (redactie) UITGAVE

Bert Bakker, Amsterdam, 2011 RECENSENT

Reinout Rutte DETAILS

U

gelezen

dat ze te maken krijgen met grootstedelijke problemen als verpaupering of grote sociale onrust. Deze analyses gaan niet alleen over de structuur, maar ook over de woningvoorraad, de sociale opbouw en het eigendom van woningen. Uit de analyses blijkt dat juist de geprogrammeerde diversiteit in woningtypen en collectieve buitenruimtes niet bestand is tegen de toenemende pluriformiteit van bewoners en leefstijlen. Met het boek heeft bureau Middelkoop de veelvormigheid en de onderlinge verschillen tussen de wijken in kaart gebracht en laten zien dat die als woonmilieu, door hun ligging in het landschap en de voor veel mensen aansprekende architectuur, vaak helemaal niet zo slecht zijn. Met Bloemkoolwijken krijgt een van de minder beschreven fasen in de razendsnelle ontwikkeling van de naoorlogse stedenbouw en volkshuisvesting terecht de aandacht, zowel vanuit historisch perspectief als vanuit de praktische noodzaak van instandhouding en transformatie. Uit de website blijkt dat inmiddels een aantal architectenbureaus bezig is om op basis van de analyses van Middelkoop een methodiek te ontwikkelen voor het laten functioneren van deze wijken op de langere termijn. Dat is nodig, want de aanpak van deze wijken zal weinig overeenkomsten vertonen met de herstructurering van de vroeg-naoorlogse wijken, niet alleen vanwege het kerende economische tij, maar ook omdat een flink deel van de woningen in bloemkoolwijken in particulier bezit is door de indertijd geldende premieregelingen en door verkoop naderhand door corporaties. 쮿

van de atlas vormen. In elf kaartbeelden krijgt de lezer een overzicht van de transformatie die het landschap van Nederland in de afgelopen 10.000 jaar doormaakte, om precies te zijn in 9000, 5500, 3850, 2750, 1500 en 500 voor Christus en in 100, 800, 1500, 1850 en 2000 na Christus. Het betreft zogenaamde paleogeografische kaarten, die een momentopname tonen van een oude geografische situatie en zijn samengesteld op basis van tienduizenden grondboringen en veel aanvullend onderzoek, onder meer geologisch, bodemkundig, archeologisch, naamkundig en historisch. Zulk onderzoek en de publicatie daarvan in de vorm van deze atlas, die toegankelijk is voor een breed publiek, is alleen mogelijk door intensieve samenwerking. Behalve Peter Vos werkten er dan ook vele anderen aan. Bovendien is het een coproductie van TNO, Deltares en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Gebonden, 96 pagina’s ISBN 978 90 3513 639 7 PRIJS

€ 24,95

e Atlas van Nederland in het Holoceen is een prachtig boek en het resultaat van jarenlange noeste arbeid, in de eerste plaats door Peter Vos. Hij tekende de kaarten die het hart

D

In enkele inleidende hoofdstukken voorafgaand aan de kaartenreeks wordt de lezer ingewijd in de materie. De periode vóór het Holoceen passeert kort de revue en centrale noties over de stijging van de zeespiegel, het gedrag van de grote rivieren, de groei van het veen en de rol van de mens als inrichter van het landschap worden kernachtig uiteengezet. Ook krijgt de wijze waarop de kaarten tot stand zijn gekomen en de legenda enige aandacht. Daarop volgen de elf kaarten die elk zijn voorzien van een toelichting, waarin eerst wordt ingegaan op de natuurlijke krachten die het landschap vormden en vervolgens op de rol van de mens.

45


V O O R

U

gelezen Iedere kaart met toelichting heeft een pakkende titel meegekregen waarin de meest bepalende verandering wordt getypeerd, zoals: ‘Het water stijgt’, ‘Het veen breidt uit’ en ‘De mens maakt het landschap’. Zo krijgen we binnen kort bestek een fascinerend en verhelderend inzicht in de vorming van Nederland. Op de eerste drie kaarten, tot 3850 voor Christus, springen vooral de grote invloed van de zee en de andere kustlijn dan wij nu gewend zijn in het oog. Op de volgende vijf, tussen 2750 voor Christus en 800 na Christus, overheerst het veen en wordt de vorm van Nederland langzamerhand herkenbaarder. Op de laatste drie kaarten, vanaf 1500 na Christus, treedt de invloed van de mens als vormende kracht steeds meer op de voorgrond. De kaartenreeks is een prestatie van formaat, die een belangrijke stap voorwaarts betekent ten opzichte van de eerbiedwaardige voorganger van Zagwijn (Nederland in het Holoceen, 1986). Op vele punten is het kaartbeeld verfijnd, bijgesteld en uitgewerkt. Wat evenwel ontzettend jammer is, is dat een verantwoording van de kaartbeelden ontbreekt. In het hoofdstuk over de totstandkoming van de kaarten worden enige algemene opmerkingen gemaakt, bijvoorbeeld over de datering van sedimenten en het combineren van verschillende bronnen. En dat voor gebieden waarover minder bekend is, gebruik werd gemaakt van expert knowledge. Maar welke keuzes er zijn gemaakt per kaart, en waarom, dat lezen we nergens. Terwijl natuurlijk voor een groot deel van de kaarten keuzes noodzakelijk waren, aangezien veel niet precies bekend is en op aannames, reconstructie en interpretatie berust, bovendien tot een uniform kaartbeeld over een periode van ongeveer 10.000 jaar moest worden gekomen, wat overigens uitstekend is gelukt. Ik ga er vanuit dat de auteurs zorgvuldige afwegingen hebben gemaakt, maar daar had ik graag wat over gelezen, ook in deze publieksuitgave, waarin op z’n minst per kaart een lijstje van gehanteerde criteria had kunnen worden opgenomen. Ik geef hier een paar voorbeelden waar voor mij de criteria onduidelijk zijn. Het betreft de legenda-eenheden ‘steden’, ‘stedelijk gebied’ en ‘water’ op de kaarten van 1500 en 1850 na Christus. In 1500 zie ik in West-Friesland een hoge dichtheid aan rode stipjes die voor stad staan, terwijl daar toch echt niet zoveel steden lagen. Een reeks bestaande plattelandsnederzettingen kreeg in de late middeleeuwen stadsrechten, maar de meeste ontwikkelden zich nimmer tot stad. Hier is het criterium stadsrecht kennelijk leidend geweest voor het aangeven van steden, wat helaas een

46

VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

weinig representatief beeld oplevert. Wat verder opvalt op de kaart van 1500, is het ontbreken van belangrijke waterlopen in Holland, zoals die waaraan Delft is gesitueerd. Eerst dacht ik dat gegraven waterlopen misschien niet worden weergegeven, maar in 1850 staan bijvoorbeeld wel kanalen in Brabant op de kaart. Hoe zit dit? Overigens ontbreekt in de algemene Toelichting op de legendaeenheden op pagina 35 de eenheid ‘Waterlopen’, die wel in de legenda’s onder de elf kaarten staat. Met de weergave van ‘steden’ (als symbool: een rood puntje) en ‘stedelijk gebied’ (als rode vlek waarvan de contouren de werkelijke grenzen van het stedelijk gebied weergeven) in 1850 is iets bijzonders aan de hand. Een deel van de Friese steden is met het symbool ‘stad’ weergegeven, een deel als rood vlekje. In andere gebieden komt dit eveneens voor, bijvoorbeeld in Twente, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. Ik zou graag weten waarom. Mijn algemene indruk is dat de kaartenreeks een representatief overzicht biedt van de veranderingen over de lange termijn, maar de rol van de mens minder overtuigend weergeeft als het gaat om bewoning, ontginningspatronen en infrastructuren. De keuze om per peiljaar naast de toelichting een kadertekst met een kaartje op te nemen over een casus van een voor die tijd representatieve nederzetting en/of stukje infrastructuur, vind ik niet zo gelukkig. Liever had ik ten minste voor een aantal peiljaren meer aandacht gezien voor bewoningspatronen en/of infrastructuren in heel Nederland, waarvan nevenkaarten naast de paleogeografische kaarten hadden kunnen worden afgebeeld. Dit soort nevenkaarten kan tevens dienen als onderdeel van de verantwoording. Voor wetenschappelijk gebruik van de kaartenreeks is een verantwoording van de gemaakte keuzes per kaart hoe dan ook noodzakelijk. De makers doen zichzelf tekort als zij die niet alsnog publiceren. Met die publicatie, bij voorkeur in het Engels, kan de kaartenreeks een mijlpaal worden in het voortgaande onderzoek naar de verandering en inrichting van ons Nederlandse landschap over de lange termijn. Tot slot moet mij van het hart dat ik het een gemiste kans vind dat de atlas geen besluit heeft. Na de toelichting bij 2000 is het ineens uit. In een besluit was plaats geweest voor het neerzetten van enige hoofdlijnen en hadden aanbevelingen kunnen worden gedaan voor een nieuwe onderzoeksagenda. Voor die onderzoeksagenda vormt deze prachtatlas immers een basis, zoals in het Woord vooraf wordt opgemerkt. Het is jammer dat van deze mogelijkheid geen gebruik is gemaakt. 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

‘Recht zo die gaat! Va re n o p d e k a a r t va n M e rc a t o r ’ Te n t o o n s t e l l i n g 1 6 - 1 0 - 2 0 1 1 t / m 8 - 9 2013 – Maritiem Museum Rotterdam Tekst Ron Brand, conservator Maritiem Museum Rotterdam

Wie tegenwoordig een zeereis maakt, realiseert zich misschien niet dat aan boord een methode wordt gehanteerd die al bijna 450 jaar oud is: de Mercatorprojectie. Ter ere van het 500ste geboortejaar van Mercator organiseert het Maritiem Museum Rotterdam de tentoonstelling ‘Recht zo die gaat! Varen op de kaart van Mercator’.

Het probleem van zeevarenden In de tijd vóór Mercator voer men vooral langs de kust en op de sterren. Dat was vertrouwd. Aan de hand van herkenningspunten, zoals duintoppen of kerktorens kon men bepalen waar men was en hoe lang de reis nog zou duren. Daarnaast gebruikte men eenvoudige navigatie-instrumenten. De wereld is een bol en het is onmogelijk om die op een waarheidsgetrouwe manier op een plat vlak af te beelden. Veel wetenschappers en cartografen hebben geprobeerd dit probleem op te lossen, maar bij elke poging werd de waarheid geweld aangedaan. Want altijd is er wel iets dat niet klopt. Het kaartbeeld is altijd vervormd: oppervlakte, vorm, hoek of afstand. Op een platte kaart kan slechts één van deze eigenschappen tegelijk correct afgebeeld worden.

Hij zag het als zijn taak om een geschikte kaart te maken waarmee zeelieden een rechte koers konden uitzetten. Mercator nam een globe en plaatste daar een cilinder omheen. Die cilinder raakte de globe alleen ter hoogte van de evenaar en daarom was op dat punt alles correct. Alle gebieden boven en onder de evenaar raakten de cilinder niet en daarom projecteerde hij die erop. Hoe verder van de evenaar af, hoe onnauwkeuriger en onbetrouwbaarder. Op een globe lopen de lengtegraden van pool tot pool en komen ze daar bij elkaar. De lengtegraden staan loodrecht Gerard Mercator kwam in 1512 in het Vlaamse Rupelmonde ter wereld. Aan de universiteit van Leuven studeerde hij wiskunde en astronomie. Hij werkte het grootste deel van zijn leven in Duisburg en zou een van de meest invloedrijke geleerden van zijn tijd worden.

Slechts drie wereldkaarten van Mercator zijn bewaard gebleven. Het exemplaar van het Maritiem Museum Rotterdam is extra bijzonder omdat het een zeeatlas betreft die bovendien volledig is ingekleurd.

Mercator’s oplossing De oplossing van cartograaf Gerard Mercator (1512) werd wereldberoemd.

47


op de evenaar, maar hoe verder daar vanaf hoe kleiner de hoek tussen lengte- en breedtegraad wordt. Mercator trok alle lengtegraden recht zodat ze altijd onder een hoek van 90° staan ten opzichte van de breedtegraden. We noemen dat hoekgetrouw. Om zo min mogelijk vervormingen te krijgen, paste hij het principe van de wassende graden toe. De lengtegraden hebben geen van allen dezelfde afstand tot elkaar, de afstanden worden steeds groter. De cilinder waarop de gebieden geprojecteerd waren, rolde hij uit tot een platte kaart. Mercator wilde zijn kaart geschikt maken voor de zeevaart. Het was daarom belangrijk dat de kompasrichtingen op de kaart met de werkelijkheid overeenstemden. Er moest dus gebruik gemaakt worden van een hoekgetrouwe projectie. Het grootste nadeel van zo’n projectie is dat er naar de polen toe enorme vergrotingen optreden. Hierdoor is Groenland bijvoorbeeld veel groter afgebeeld dan in werkelijkheid. Voor zeelieden was dit niet erg, zolang ze hun koers maar konden uitzetten.

Mercator in het Maritiem Museum Rotterdam Het Maritiem Museum Rotterdam beschikt over een van de drie nog bestaande gedrukte wereldkaarten waarop Mercator zijn projectie voor het eerst toepaste. Het exemplaar in Rotterdam is bijzonder, omdat de bladen ingekleurd zijn en bovendien is de wereldkaart in bladen van gelijke grootte versneden en als atlas ingebonden. Mercator heeft zijn kaart waarschijnlijk zelf verknipt en ingeplakt. De Nederlandse vertaling van de titel van de kaart geeft direct aan voor wie hij de kaart bedoelde: ‘Nieuwe en vermeerderde beschrijving van de gehele wereld, verbeterd en aangepast voor het gebruik door zeevarenden’.

In Noordwest Europa maakten zeelieden in de middeleeuwen gebruik van ‘leeskaarten’. Dit waren geen kaarten, maar teksten die vaarroutes beschreven en herkenningspunten noemden, zoals (kerk)torens, duinen en riviermondingen.

waren kaarten kostbaar en hield men nog lang vast aan oude methoden. Vanaf de zeventiende eeuw kwam de Mercatorprojectie steeds meer in gebruik aan boord van onder andere VOC-schepen. Uiteindelijk werd de Mercatorkaart de standaard in de scheepvaart. Mercators methode was echter zo populair dat deze ook gangbaar werd voor kaarten die niet op zee werden gebruikt. Er verschenen wandkaarten en later ook atlassen in Mercatorprojectie. Zo waren tot voor kort alle kaarten in de bekende Bosatlas in Mercatorprojectie en ook bijvoorbeeld de kaarten die in het NOSjournaal werden getoond. Daardoor heeft Mercators kaart vele generaties lang ons beeld van de aarde kunnen vormen.

Nog altijd springlevend Toepassing in de scheepvaart Mercator was een geleerde, die zelf nooit een grote zeereis heeft gemaakt. Bovendien was de Engelsman Edward Wright (1561-1615) ervoor nodig om de projectie van Mercator te berekenen en verbeteren. Bovendien

Mercator maakte vanaf 1541 ook vele globes, waarvan er nog dertig over zijn. Hij hield hier kennelijk direct rekening met zeelieden, want op de globe in het Maritiem Museum Rotterdam bracht hij op de zee lijnen aan. Dit zijn een soort adviesroutes waarmee zeelieden hun koers konden bepalen. De Mercatorglobe is onlangs gerestaureerd in Londen. Hierbij is vast komen te staan dat het papier uit de 16de eeuw dateert en overeenkomt met het papier dat op andere exemplaren van dezelfde globe voorkomt.

48

‘Recht zo die gaat!’ is een tentoonstelling voor zowel jong als oud. Er zijn unieke historische kaarten te bewonderen, maar de bezoekers gaan ook zelf aan de slag. Met globes, zeekaarten, verrekijkers, kompassen, de sterrenhemel en lachspiegels ontdekken ze hoe je kunt navigeren op zee mét maar ook zonder de beroemde projectie van Mercator. En wie had gedacht dat Mercator zelfs in onze huidige tijd nog altijd springlevend is. De kaart op de elektronische monitor van moderne schepen is namelijk nog altijd in Mercatorprojectie. Daarnaast bepaalt de wet dat een schip alle kaarten van zijn vaargebied aan boord moet hebben. Want als de GPS uitvalt, laat klassiek navigeren, aan de hand van hemellichamen en met behulp van goede zeekaarten en ouderwetse navigatieinstrumenten, je immers nooit in de steek.

‘Recht zo die gaat! Varen op de kaart van Mercator’ 16 oktober 2011 t/m 8 september 2013 in het Maritiem Museum Rotterdam. Tijdens het openingsfeest zondag 16 oktober van 12-16 uur activiteiten voor jong en oud (gratis entree). Meer informatie op www.maritiemmuseum.nl 쮿 Uit de Atlas van de Wereld.


VITRUVIUS

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

Nog t/m 8 januari 2012

Amsterdam Nieuw-West ’50-’60 S t a d s a r ch i e f Amsterdam

Het Stadsarchief Amsterdam en Bureau Monumenten & Archeologie, Vijzelstraat 32, organiseren tot en met 8 januari 2012 de tentoonstelling ‘Amsterdam Nieuw-West ’50-’60’. Zestig jaar geleden, op 1 december 1951, werd de eerste paal geslagen voor tuinstad Slotermeer. Het was de eerste van vijf nieuwe wijken aan de westkant van de stad: Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomse Veld en Osdorp – nu samen Stadsdeel Nieuw-West. In vijftien jaar werden hier ruim vijfendertigduizend woningen gebouwd voor talrijke woningzoekenden. De nieuwe wijken waren ruim opgezet, met veel groen, en met als hart de Sloterplas. Wie uit de verwaarloosde krappe binnenstad verhuisde naar NieuwWest waande zich eigenaar van een paleisje. Alles was nieuw: het huis, de straat, de winkels, de scholen en kerken, de recreatieplekken rond de Sloterplas. Kinderen konden overal spelen, op speelplaatsjes, de ringspoordijk en de talrijke nog onbebouwde ‘landjes’. Wonen en opgroeien in Nieuw-West betekende voor velen een onbezorgde tijd – de toekomst kon alleen maar beter worden. De opzet van de buurten was door de ontwerpers goed doordacht: ruim opgezette wijken, met veel groen tussen de huizen, parken in de omgeving, en overal speelgelegenheid voor de grote aantallen kinderen. De eerste jaren was het pionieren in de zandvlakte. Nieuw-West besloeg

Johan Huizingalaan hoek Plesmanlaan, 29 januari 1959

Cornelis Lelylaan bij de kruising met de Hemsterhuisstraat, 17 september 1959

een enorm gebied, en de afstand tot de oude stad was zo groot dat de bewoners zich weliswaar Amsterdammers voelden, maar toch vooral kolonisten, migranten in NieuwWest. Na 1970 veranderde West langzaam in een gewoon stadsdeel. De kleine boompjes uit de beginjaren werden groot, voor klinkers kwam asfalt, kinderen werden volwassen en verlieten de buurt. In de jaren ’80 en ’90 verhuisden vaak ook hun ouders. De bevolking van nu bestaat voor een belangrijk deel uit Amsterdammers van allochtone afkomst, moderne migranten in NieuwWest. Ook tegenwoordig is Nieuw-West nog steeds een bijzondere wijk. Bureau Monumenten & Archeologie belicht bij de tentoonstelling de stedenbouwkundige kwaliteiten, die hun oorsprong vinden in het nu wereldberoemde Algemeen Uitbreidingsplan uit 1934. De stedenbouwkundige vernieuwing van het laatste decennium heeft het aanzien van de wijk ingrijpend veranderd. Toch zijn in de tuinsteden nog steeds veel bijzondere voorbeelden van naoorlogse architectuur aanwezig. De resultaten van breed onderzoek naar architecten en bouwjaren zijn nu voor het eerst te zien. Het in De Bazel gevestigde Maria Austria Instituut heeft in de kofferkluizen van het gebouw een expositie met foto’s van Jan Versnel. De tentoonstelling toont het dagelijks leven tussen 1951 en 1970 aan de hand van veel foto’s, aangevuld met documenten. Een oproep voor amateurfilmpjes heeft vele bijzondere en ontroerende inzendingen opgeleverd. De mooiste zijn op de tentoonstelling te zien. Zo komen de jeugdjaren van Nieuw-West opnieuw tot leven, tussen herinnering en geschiedenis. 쮿 Foto’s: Stadsarchief Amsterdam

Jan Abelszstraat, 1957-1958

49


recent V E R S C H E N E N

VITRUVIUS

Monumentaal Wormerland AUTEUR

Peter Roggeveen (foto’s Jolanda Hoogendoorn) UITGAVE

St. Uitgeverij Noord-Holland DETAILS

Gebonden, 168 pagina’s ISBN 978-90-7838-143-3

Prijs € 19,50 oonhuizen, kerken, boerderijen, molens, pakhuizen, raadhuizen, een pastorie, een polderhuis, een doktershuis en een burgemeesterswoning. Een greep uit de vele tientallen monumenten

W

Geschiedenis van Brabant AUTEUR

J. van Oudheusden UITGAVE

Waanders DETAILS

Gebonden, 720 pagina’s rijkelijk geïll. (kleur & z/w) ISBN 978-90-4007-781-4 Prijs € 59,95

E

euwenlang was het hertogdom Brabant, gelegen in het hart van de Nederlanden, het eerste in de rang van de

Over Holland AUTEUR

K. Tomeï UITGAVE

Scriptum DETAILS

Hardcover, 580 pagina’s ISBN 978-90-5594-422-4

Prijs € 29,95 ederland is werkelijk wonderschoon. Er is zo veel moois op ‘dat hele kleine stukje aarde’. De beroemde fotograaf Karel Tomeï laat ons dat op een verrassende manier zien in zijn luchtfoto-boek ‘Over Holland’. Vanuit een vliegtuigje en helikopter maakte Tomeï opnamen die hij naar thema, stad en provincie rangschikte. De kijker gaat onder meer langs winterse landschappen, havens, rivieren, stranden, buitenwijken, kerken en

N

50

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

die de gemeente Wormerland rijk is. Ze liggen verspreid in de de voormalige gemeenten Wormer, Jisp, Wijdewormer en de buurtschappen Oostknollendam, Spijkerboor en Neck. De aard van de monumenten rijks-, provinciale en gemeentelijke is even divers als gevarieerd. Ze omvatten zowel chique villa’s als houten arbeiderswoningen, de internationaal befaamde fabriekswand met zijn pakhuizen en rijstpellerijen langs de oever van de Zaan, kerkgebouwen van rooms-katholieken, hervormden en doopsgezinden, een herberg met kolfbaan en imposante boerderijen en stolpen met de karakteristieke piramidevorm. Onder de monumenten ook opmerkelijke objecten, zoals een pannenhooihuis en een seinmast als een zeldzaam overblijfsel uit de geschiedenis van de waterbeheersing in Noord-Holland. Een bijzonderheid is ook een tot woning omgetoverd gemaal, een (gedempte) schutsluis en een particuliere begraafplaats met koetshuis. 쮿

zeventien gewesten. Maar niet alleen dat. Brabant vormde met zijn hoofdsteden Brussel, Leuven, Antwerpen en 's-Hertogenbosch ook een brandpunt van bestuur, cultuur en economie. Gebeurtenissen en ontwikkelingen in Brabant hadden daarom vaak ingrijpende gevolgen voor alle Nederlandse gewesten. De Opstand tegen Spanje, die een scheuring teweeg bracht tussen Noord en Zuid, deed ook het hertogdom uiteenvallen in uiteindelijk een Belgisch en een Nederlands deel. De geschiedenis van het hertogdom Brabant en van de gebieden die daaruit voortkwamen, wordt nu voor het eerst beschreven in een samenhangend wetenschappelijk overzicht, met aandacht voor politiek, religie, sociale en economische ontwikkelingen en cultuur. Een keur van gerenommeerde auteurs van beide zijden van de grens brengt tweeduizend jaar geschiedenis op fascinerende wijze in beeld. 쮿

autokerkhoven. Dit resulteert in een fantastisch boek met maar liefst 580 pagina’s. Amsterdam, Rotterdam en Utrecht krijgen in apart de ruimte. Strakke composities kenmerken de in oblongformaat gepresenteerde, haarscherpe full-colour foto's. Tomeï – een erkend specialist – neemt de lezer mee op een kleurrijke fantasievlucht. De fantasie wordt nog extra geprikkeld door de begeleidende, associatieve teksten van auteurs als Jules Deelder, Maarten ’t Hart, Gerrit Komrij, Godfried Bomans en Freek de Jonge. De combinatie van foto's en teksten (Nederlands en Engels) maken dit boek zeer bijzonder. In het voorwoord staat ‘het doel’ van dit boek fraai verwoord: ‘Voor veel mensen is kijken routine. Ze zien altijd hetzelfde. En dus zien ze niets. Een van de functies van een kunstenaar is, mensen opnieuw te leren kijken. Dit boek lijkt speciaal voor dat doel gemaakt. Het staat vol met foto's van een land dat iedere Nederlander kent – of denkt te kennen: zijn eigen land. Maar is dat land ons wel zo vertrouwd als we altijd dachten?’ 쮿


VITRUVIUS

NUMMER 17

recent V E R S C H E N E N

O K T O B E R 2 011

De stadt Alkmaer met haare dorpen AUTEURS

Gijsbert Boomkamp (originele tekst), werkgroep Oud Schrift Regionaal & Archief Alkmaar (transcriptie en hertaling) UITGAVE

St. Uitgeverij Noord-Holland DETAILS

Gebonden, 336 pagina’s ISBN 978-90-7838-136-5

Prijs € 24,95

D

e stadt Alkmaer met haare dorpen is een manuscript uit 1740 met beschrijvingen van dorpen en gehuchten in het

Dordste kleuren – Architectuur ontmoet kleur in de oudste stad van Holland AUTEURS

Kees Rouw, Hendrik Groeneweg UITGAVE

Thoth DETAILS

Gebonden, 160 pagina’s, 180 kleurenillustraties, ISBN 978-90-6868-578-7. Prijs € 29,90 e kleur van de stedelijke omgeving is van grote invloed op het eigen karakter van een stad en wordt bepaald door een eeuwenlange geschiedenis. Het succesvolle project Dordtse Kleuren, dat is ontstaan uit een particulier initiatief van Stichting De Stad, ging van start in 1993 en speelt zich af op het snijvlak

D

Stedelijk verleden in veelvoud AUTEURS

Hanno Brand, Jeroen Benders en Renée Nip (red.) UITGAVE

Verloren DETAILS

Gebonden, 262 pagina’s, geïll. ISBN 978-90-8704-235-6

Prijs € 25,-

noorden van Noord-Holland, geïllustreerd met ruim 70 pentekeningen. Het is vervaardigd door de Alkmaarse geschiedschrijver Gijsbert Boomkamp en wordt momenteel bewaard bij het Regionaal Archief Alkmaar. Het tot dusver nooit in druk verschenen manuscript is vaak de enige bron die ons iets kan vertellen over inmiddels al weer afgebroken kerken en andere monumenten. Deze uitgave bevat de oorspronkelijke tekst van De stadt Alkmaer met haare dorpen, aangevuld met een moderne hertaling, zodat het werk voor iedereen goed leesbaar is. Het geheel geeft een nieuw en verrassend beeld van de Noord-Hollandse dorpen en gehuchten in de achttiende eeuw. Extra aantrekkelijk daarbij zijn de charmante pentekeningen die de dorpsbeschrijvingen illustreren. Moderne foto’s tonen wat er vandaag de dag te zien is op dezelfde plek. Het geheel vormt een onmisbaar naslagwerk voor iedereen die de geschiedenis van Noord-Holland een warm hart toedraagt. 쮿

van historisch onderzoek naar kleurgebruik en de hedendaagse architectonische en stedenbouwkundige ontwerp-praktijk. Het beoogt door middel van een historisch geïnspireerd kleurenpalet van 66 kleuren de architectuur van afzonderlijke gebouwen te preciseren en de ruimtelijke kwaliteit van de stad Dordrecht te vergroten. Woningbouwcorporaties, beleidsmakers op het gebied van monumentenzorg, verfleveranciers, schildersbedrijven en de gebruikers en bewoners van de stad hebben aan dit project hun bijdrage geleverd. Niet eerder is in Nederland op deze wijze aandacht besteed aan de kleur en aan de kennis en toepassing daarvan binnen een historische context. 쮿

e laatmiddeleeuwse stad onderscheidde zich door eigen politieke-, sociaal-culturele en economische structuren die een enorme variatie van levens- en organisatievormen toelieten. De stadsmuren bakenden een organiek geheel af dat door de gehele stedelijke gemeenschap werd gedragen, maar dus telkens anders werd ingevuld. Daardoor trekken steeds weer nieuwe aspecten van de laatmiddeleeuwse stad de aandacht van historici. De bundel Stedelijk verleden in veelvoud is een product van deze fascinatie. In zestien bijdragen worden de centrale functies van steden en de wijze waarop de inwoners de stedelijke samenleving beleefden, nader belicht. Terugkerende thema’s zijn urbanisering, de relaties met rurale omgeving en de Hanze, economie, financiën en kredietwezen, verschriftelijking en stedelijke identiteit, militaire organisatie en religieuze beleving. 쮿

D

51


recent V E R S C H E N E N

VITRUVIUS

Het tegel boek – Hoogtepunten uit het Nederlands Tegelmuseum AUTEUR

Johan Kamermans UITGAVE

Waanders DETAILS

Gebonden, 288 pagina’s ca. 250 kleurenillustraties ISBN 978-90-4007-770-8

Prijs € 19,95

Utrecht – Europese Kerkenstad AUTEURS

G.M.J. Engelbregt en J.B.A. Te rlingen UITGAVE

Matrijs DETAILS

Genaaid gebonden, 128 pagina’s rijkelijk geïllustreerd ISBN 978-90-5345-416-9

Prijs € 19,95

e stad Utrecht heeft een rijke schat aan middeleeuwse kerken gekend. In de loop der eeuwen is het merendeel van deze kerken verdwenen of verminkt geraakt. Onderzoekers Joris Engelbregt en Jan Terlingen hebben de meest markante

D

Panorama Kinderdijk AUTEURS

Peter Egge en Henk Schröder UITGAVE

Uitgeverij Watermerk DETAILS

Geniet, 21 x 30 cm, 56 pagina’s, ISBN 978-907838- 808- 1 Prijs € 9,95

52

NUMMER 17

O K T O B E R 2 011

ederland kende vele eeuwen een bloeiende tegelindustrie, waarvan de producten internationaal geliefd zijn. In buitenlandse paleizen en kerken, maar ook in de huizen van burgers en boeren, zijn de tegels en tegeltableaus op grote schaal toegepast rond de spreekwoordelijke haard. De diversiteit aan voorstellingen is indrukwekkend en vormt een spiegel van de Nederlandse kunstgeschiedenis. Door de samenkomst van deze prachtige hoeveelheid aan erfgoed, is niet alleen de collectie van het Nederlands Tegelmuseum heel bijzonder, maar als afgeleide hiervan ook Het tegel boek een uniek document van onze cultuur. Het Nederlands Tegelmuseum in Otterlo bestaat inmiddels vijftig jaar en heeft de grootste en meest veelzijdige collectie Nederlandse wandtegels en tegeltableaus opgebouwd, vanaf de late middeleeuwen tot heden. 쮿

N

van deze kerken als reconstructiemodellen opnieuw vorm gegeven om ze zo in ongeschonden staat te kunnen laten zien. De heren Engelbregt en Terlingen begonnen al in 1971 met het bouwen van een serie reconstructiemodellen van middeleeuwse Utrechtse kerken. Om deze kerken in hun Europese context te kunnen plaatsen, hebben zij vervolgens een aantal maquettes vervaardigd van belangrijke Europese kerken. Deze kerken hebben een sleutelrol gespeeld in de Europese cultuurgeschiedenis waarop de Utrechtse kerken zijn geïnspireerd. Zo werd een serie kerkmodellen verkregen die een globaal beeld geeft van het kerkgebouw van het Europese christendom vanaf de Romeinse tijd tot in de late middeleeuwen. 'Utrecht. Europese Kerkenstad' presenteert de ontwikkeling van de middeleeuwse kerkelijke bouwkunst in Utrecht aan de hand van de maquettes en in relatie tot de Europese cultuurgeschiedenis. De combinatie van beelden van de maquettes, historische beelden en beelden van de huidige situatie verduidelijkt het zicht op de middeleeuwse kerken in Utrecht. Het boek laat zien dat de middeleeuwse kerken in Utrecht niet op zichzelf staan, maar deel uitmaken va de rijke Europese kerkenschat. De stad Utrecht kan hiermee met recht betiteld worden als Europese Kerkenstad. 쮿

anorama Kinderdijk laat de 19 wereldberoemde watermolens van het UNESCO Werelderfgoed Kinderdijk in alle jaargetijden zien. De korte, begeleidende teksten, zijn zowel in het Nederlands als Engels. De hoofdstukken gaan over de komst van de molen naar Nederland, de watermolens van KInderdijk, het vroegere niet te benijden leven van de molenaar, de gemalen en het watermanagement en de nodige restauraties en onderhoud van de molens. Het fotoboek telt 56 pagina’s met prachtige hoogwaardige kleurenfoto’s van de Lekkerkerkse fotograaf Eppo Notenboom. 쮿

P


Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam

DONATUS VERZEKERT VERTROUWD SINDS 1852

In 1852 laat Napoleon III zich tot keizer van Frankrijk kronen en sticht daarmee het Tweede Franse Imperium. In datzelfde jaar wordt Donatus opgericht. Sinds die tijd verzekeren wij kerkgebouwen, monumenten en zorginstellingen. Zonder winstoogmerk. Met veel expertise. Voor meer informatie zie www.donatus.nl of bel 073 - 522 17 00.


Oog voor cultureel erfgoed

Stadsherstel Midden-Nederland zet zich in om het monumentale vastgoed in het hart van Nederland te behouden. Momenteel is zij verantwoordelijk voor het behoud en beheer van ongeveer 240 monumenten in Utrecht en Amersfoort. Restauraties en herbestemmingen worden met zorg ĂŠn met oog voor cultureel erfgoed gerealiseerd. Op deze manier houdt Stadsherstel Midden-Nederland de binnensteden van Utrecht en Amersfoort levendig en blijft het cultureel erfgoed ook voor volgende generaties behouden.

Postbus 842 3800 AV Amersfoort Bezoekadres: Muurhuizen 104

Tel. 033-460 5020 info@shmn.nl www.shmn.nl

Vitruvius oktober 2011  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius oktober 2011  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement