Page 1

JAARGANG 3

I

I

NUMMER 10

JANUARI 2010

ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS

V R

T

E

E

LT

N

U

O

C

G IN ID ET E IN M LAG E L D E N L E K OU I N G E B E IJ B IK H EL RI TW BE I K K S T O ON IN T W R H I

O

H

U

U

A R C H E O L O G I E

C U LT U U R LA N D S C H A P

MONUMENTENZORG


JAARGANG 3

I

NUMMER 10

I

JANUARI 2010

B. FLAMMAN C . KO OT

36

HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN DELFLAND:

ARCHEOLOGISCHE MONUMENTENZORG

13

W.A.M. HESSING

DE OOGST VAN DE

M.M.M ALKEMADE C.E.M. KAPTEIN

ERFGOED AKADEMIE

44

– DE DERDE WEG – VERDER MET ERFGOED – WELSPREKENDHEID & WIJSBEGEERTE IN DE ERFGOEDDISCIPLINE

VERDER MET VALLETTA

W. OVERMARS

NATUURLANDSCHAPPEN EN ERFGOED: DEEL I

55

HET EEUWIGE LANDSCHAP

Rijk vorstengraf uit prehistorie • Kunsten ’92 en erfgoedorganisaties bieden politiek erfgoedagenda aan • Pilot restauratiewerken Koninklijk Paleis Amsterdam • Drufabriek geopend • Oudste orgel van Nederland • Architectenbureau Fritz gekozen voor restauratie Sint Hubertus • Vlaamse community rondom erfgoed en diversiteit • NOaA lezingen • Schepenroute maakt Romeins verleden zichtbaar • Romeinse beekbrug Tungelroy wint Ym van der Werffprijs • Regeldruk ongekend hoog in Monumentenzorg • Beeckestijn weer open • Tweede leven steenfabriek Bosscherwaarden • Amsterdam investeert in eigen monumenten • P A G I N A 4 - 12

KORT

R. STENVERT

BOUWHISTORIE: DEEL I GEWAPEND BETON

22

GESTOLDE MASSA HOBÉON: MARKTWERKING IN DE M O N U M E N T E N Z O R G PA G 4 2 - 4 3 R E C E N T V E R S C H E N E N PA G 4 8 - 5 4

VOOR U GELEZEN AGENDA

PAG 30-35

PAG 62-63


2

VITRUVIUS

SUB-SPONSORS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

MEDE-ONDERSTEUNERS

Past2PresentArcheoLogic Postbus 1600, 3800 BP Amersfoort Tel. 033-421 7421 www.cultureelerfgoed.nl

Vitruvius is een informatief, promotioneel, onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht te bevorderen en belangstelling te kweken voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap en monumentenzorg.

Postbus 15, 3870 DA Hoevelaken Tel. 033-253 9439 info@restauratiefonds.nl www.restauratiefonds.nl

Pelmolenlaan 12-14 3447 GW Woerden Tel. 0348 - 437 788 Fax 0348 - 437 789

info@archeologic.nl www.archeologic.nl

Nijverheidsweg-Noord 114 Tel. 033-299 8181 3812 PN Amersfoort Fax 033-299 8180 Postbus 1513 800 BM Amersfoort www.archeologie.nl

EEN UITGAVE VAN Postbus 842, 3800 AV Amersfoort Tel. 033-460 5020 www.stadsherstelamersfoort.nl

Scheveningseweg 46, 2517 KV Den Haag Tel. 070-306 6800 Fax 070-306 6870 www.hobeon.nl

Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort Tel. 033-277 9200 www.vestigia.nl

Uitgeverij Educom BV Mathenesserlaan 347 3023 GB Rotterdam Tel. 010-425 6544 Fax 010-425 7225 info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

COLOFON UITGEVER/ BLADMANAGER Robert Diederiks REDACTIE Drs. J.E. Abrahamse Drs. H.G. Baas mw. Drs. P. J. Braaksma R.P.H. Diederiks Ir. M. van Hunen Dr. H.C.M.Kleijn Dr. R.C.G.M. Lauwerier S.A. Muller mw. Dr. E.M. Theunissen

Doetinchemseweg 61A 7007 CB Doetinchem Tel. 0314-36 99 40 www.synthegra.com

REDACTIERAAD Dr. C.H.M. (Chris) de Bont Wageningen Universiteit Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester Synthegra Drs. D.E. (Dorien) Fröling ADC Drs. B. (Boudewijn) Goudswaard Past2Present/Archeologic Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, Rijksuniversiteit Groningen Ir. F.G.M. (Frank) Véhof NRf Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip TU Delft

ABONNEMENTEN Nederland 4 nrs/jaar E 45.België 4 nrs/jaar E 55.Voor betaling wordt een factuur verzonden. Vermeld bij correspondentie altijd het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert regelmatige toezending. Abonnementen lopen automatisch door. Opzeggingen (uitsluitend schriftelijk per aangetekend schrijven) dienen uiterlijk twee maanden voor afloop van de abonnementsperiode in ons bezit te zijn.

LEZERSSERVICE / NABESTELLINGEN Adresmutaties/abonnementen en nabestellingen doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl © Copyrights Uitgeverij Educom BV januari 2010 .

Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd door middel van boekdruk, foto-offset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever. ISSN 1874-5008


VAN

3

DE REDACTIE

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

EEN KLEIN FEESTJE

n uw handen ligt het tiende nummer van Vitruvius. De eerlijkheid gebied ons te zeggen dat we twee jaar geleden niet voorzagen dat het blad zo’n vlucht zou nemen: het is een gevestigde naam in de wereld van ons erfgoed geworden, met een groeiend abonneebestand en uitgegroeid tot een echt vaktijdschrift. Bijdragen van studenten, hoogleraren, medewerkers van bedrijven, overheidsinstellingen, universiteiten en stichtingen etc. over een keur aan onderwerpen leveren, wanneer je alle edities doorbladert, een gevarieerd beeld op. En ook deze tiende Vitruvius biedt voor elk wat wils met soms

I

poëtische titels als ‘Stampen, spuiten en schokken’ (over beton) en iets minder poëtische als ‘Verder met Valletta’ en ‘Archeologische Monumentenzorg door het Hoogheemraadschap van Delfland’, maar daarom niet minder interessant. Bijzonder trots zijn we op de presentatie van ‘De oogst van de Erfgoed Akademie’, een tweetal essays en column van en voor de nieuwe erfgoedprofessional. Voor meer informatie of het leveren van een bijdrage zie: www.vakbladvitruvius.nl of mail naar info@uitgeverijeducom.nl — De redactie

Zit elk kwartaal klaar...

...voor de nieuwste kennis op erfgoedgebied. Ontvang als abonnee 4 keer per jaar vakblad Vitruvius in uw brievenbus. Neem contact op met Uitgeverij Educom: 010-425 6544, info uitgeverijeducom.nl.


KO R T

4

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Kunsten’92 en erfgoedorganisaties bieden politiek erfgoedagenda aan ijdens het jaarlijkse Museumcongres overhandigde Ad ’s-Gravesande, voorzitter van Kunsten ’92, de erfgoedagenda aan Rob van Dooren, wethouder van onder andere Cultuur en Economische Zaken van Vlissingen. De erfgoedagenda is een initiatief van Vereniging Kunsten ’92 en groot aantal erfgoedorganisaties.

T

Kansen voor gemeenten Door de toenemende decentralisering en veranderende wetgeving ligt er een steeds grotere verantwoordelijkheid voor erfgoed bij gemeentes. De kansen die erfgoed biedt worden nog lang niet overal gezien en benut. Kunsten ’92 en verschillende erfgoedorganisaties – waaronder de Nederlandse Museumvereniging – hebben daarom een erfgoedagenda samengesteld. Deze biedt een aantal hand-

reikingen waarmee gemeenteraadsleden en wethouders een slagvaardiger erfgoedbeleid kunnen waarmaken, met een stevig draagvlak.

Erfgoed betekent veel voor een gemeente Ieder gemeente heeft erfgoed: opgeslagen in de gebouwen, verhalen, archieven, musea en zelfs in de bodem ligt een schat aan materiaal te wachten. In de komende jaren is het voor gemeenten extra belangrijk aantrekkelijk te blijven voor burgers en bedrijven. Erfgoed is dus niet alleen een culturele, maar ook een economische factor van belang. Het draagt bijvoorbeeld in hoge mate bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. En daarbij is cultuurhistorie een grote werkgever. 

Rijk vorstengraf uit de prehistorie onderden minuscule bronzen voorwerpen hebben archeologen van de Universiteit Leiden gevonden in het ongewoon rijke graf van een prehistorische vorst. Het graf ligt ten zuiden van Oss onder een van de grootste grafheuvels van Nederland. Een jonge vorst is hier 2600 jaar geleden midden in een uniek en uitgestrekt ritueel landschap uit de late prehistorie met veel uiterlijk vertoon begraven. Donderdag 5 november werd in Museum Jan Cunen in Oss een speciale tentoonstelling geopend waarin voor het eerst alle vondsten zijn gepresenteerd.

H

CSI De vondsten zijn uniek en de CSI-achtige wijze van onderzoek is dat ook. De resten zijn niet ter plaatse opgegraven, maar het graf is in blokken gelicht. De archeologen van de Universiteit Leiden en restauratoren van Restaura hebben de blokken vervolgens in een laboratorium onderzocht. Door middel van röntgenonderzoek vonden ze maar liefst 525 minuscule en zeer fragiele bronzen voorwerpen die normaal gesproken vrijwel niet te

bergen zouden zijn. Een voor een zijn de voorwerpen uitgeprepareerd en geconserveerd. Zo konden ze de details van een prehistorische begrafenis uit de vroege ijzertijd reconstrueren zoals dat maar zelden lukt.

Prehistorische begrafenis Van eikenhout bouwde men een grote brandstapel, na eerst op een hoger gelegen punt in het landschap de begroeiing weggehaald te hebben. Met palen markeerden ze een kleine processieweg. Op de brandstapel lag de overledene – een jongeman van tussen de 25 en 40 jaar – samen met de rijkelijk met brons en tin beslagen leidsels van een span paarden. Na de crematie ruimden zijn nazaten de processieweg op en bedekten de resten van de brandstapel en het paardentuig met zorgvuldig geschikte heideplaggen. Ze verzamelden zijn stoffelijke resten in een urn die ze tussen de plaggen plaatsten. Uiteindelijk werd de plek een rond grafmonument van bijna 40 m in doorsnee en minstens 1,5 m hoog.

Ritueel landschap De grafheuvel ligt in een uitgestrekt ritueel landschap waarvan ook het beroemde Vorstengraf van Oss deel uitmaakt. De vorst in dit graf is in 1933 opgegraven. Hij lag onder de grootste grafheuvel van Nederland. De archeologen vermoeden dat er een derde vorst ligt onder een grafheuvel die in 2004 is onderzocht. Opmerkelijk is dat deze kennelijk met een minimalistisch grafritueel is begraven. Het voorkomen van meerdere vorstengraven uit het begin van de ijzertijd is uniek voor Nederland, net als de tientallen meters lange palenrijen die tussen de grafheuvels zijn opgericht en waarvan de functie moeilijk is vast te stellen.

Zevenbergen De spectaculaire vondst is gedaan langs de A50 bij het verkeersknooppunt Oss-Paalgraven, in een gebied dat van oudsher wordt aangeduid als Zevenbergen. De grafheuvels die liggen ingeklemd tussen snelwegen, zijn na het onderzoek gerestaureerd. In de nabije toekomst wordt het unieke stukje prehistorisch landschap ontsloten voor bezoekers. 


KO R T

5

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Pilot van start voor restauratiewerken aan gevel Koninklijk Paleis Amsterdam p 29 oktober jl. ging de pilot van start voor de restauratie van de gevel aan het Koninklijk Paleis te Amsterdam. Aanleiding is de bouwvergunning die, door het Stadsdeel Centrum van Amsterdam, aan de Rijksgebouwendienst (Rgd) is verleend. Ook start de Rgd met het technisch herstel van de gevel en, daar waar noodzakelijk, het vervangen van slechte zandstenen blokken. De gevelrestauratie beoogt de architectonische beleving van de gevel te verbeteren.

O

Pilot De pilot is bedoeld om de technieken ten behoeve van het visuele herstel van de gevel, die uitgebreid zijn getest, op de zandstenen gevel zelf te kunnen beoordelen. Het proefvlak van de pilot bevindt zich op de achterzijde van de toren. Het visueel herstel beoogt de bonte vlekkerigheid van de gevel te verzachten door de contrasten tussen heel donkere en heel lichte stenen terug te dringen, zonder deze uit te wissen. Daartoe worden een aantal van de volgende behandelingen ingezet: stoomreinigen, droog microstralen, laseren, retoucheren met silicaatkrijt en/of verneveling van minerale verf. Uitgangspunt van de Rgd is om terughoudendheid in de behandelingen te betrachten, maar tegelijkertijd het beoogde effect te bereiken. Het resultaat van de pilot wordt beoordeeld door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), Bureau Monumenten en Archeologie (BMA, gemeente Amsterdam) en de Commissie voor Welstand en Monumenten (gemeente Amsterdam). Deze partijen hebben het Stadsdeel Centrum ook geadviseerd bij de

vergunningverlening. Het visueel herstel is minder uitgebreid dan voorheen, doordat het budget naar beneden is bijgesteld met 6 miljoen euro. Dit draagt bij aan de oplossing van de Rijksbrede begrotingsproblematiek. Het visueel herstel richt zich op de gevels tot en met de daklijst en het timpaan aan de Damzijde. Aan het dak, de beelden, de schoorstenen en de toren wordt het noodzake-

lijk technisch herstel uitgevoerd om te zorgen dat het gebouw waterdicht en veilig blijft.

Planning De renovatie en restauratie wordt eind 2011 afgerond. Het Paleis op de Dam blijft gedurende de bouw in gebruik, zowel voor Koninklijke evenementen als voor bezichtiging door het publiek. 

Regiocanons.nl gelanceerd S

tichting Entoen.nu heeft een nieuwe website gelanceerd waar regionale en lokale canons uit heel Nederland gepubliceerd kunnen worden: www.regiocanons.nl.

Regiocanons.nl De website sluit aan bij de opzet van www.entoen.nu en bevat koppelingen met de vensters van de canon van Nederland. De website zal per provincie worden beheerd door het provinciale erfgoedhuis of een aanverwante instelling. 


KO R T

6

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Drufabriek met toestemming van de goden officieel geopend e inwoners van gemeente Oude IJsselstreek hadden al kunnen proeven van het culturele programma van de Drufabriek, tijdens meerdere kennismakingsdagen in september en oktober. Woensdag 28 oktober jl. werd de transformatie van ijzergieterij tot cultuurfabriek officieel voltooid. Daarvoor werd in een muzikale en theatrale openingsceremonie de instemming van de god van ijzer en de godin van de kunsten gevraagd door een zestal sprekers, waaronder Commissaris van de Koningin Cornielje, burgemeester Alberse, directeur De Kok en de heer Piet Wijkamp die ruim 42 jaar bij de DRU werkte. Onder toeziend oog van ruim 300 genodigden werden de goden door hen verleid, met mooie woorden en giften. De sprekers boekten succes: de goden hebben zich verenigd en de officiële opening van de Drufabriek is nu een feit.

D

Van Portierscomplex tot culturele verzamelplaats De Drufabriek is het eerste gebouw op het terrein van de voormalige DRU waarvan de metamorfose compleet is. Vroeger bood het – als Portierscomplex – onderdak aan de portiersloge, het schaftlokaal, de dokterskamer en de stamperij. In haar nieuwe gedaante bundelt het gebouw een diversiteit aan culturele organisaties. Een bibliotheek, kunstgalerie, VVV-kantoor, theaterzaal, poppodium, grand café en een muziekschool. Daarnaast biedt het onderkomen en faciliteiten aan culturele stichtingen, verenigingen, ROC’s, en oefenruimtes voor muzikanten. Naast de Drufabriek staan er op het 14 hectare grote terrein nog zes rijksmonumenten die een nieuwe toekomst krijgen. Samen vormen zij

het Cité Industrielle van herstructureringsproject Het Gietelinck. Dit project is een samenwerkingsverband van de gemeente Oude IJsselstreek, de Nationale Maatschappij tot Behoud, Ontwikkeling en Exploitatie van industrieel erfgoed (BOEi), woningcorporatie Wonion en projectontwikkelaar Klaassen. De industriële monumenten worden gerestaureerd en herbestemd. Aan de randen van het terrein worden nieuwbouwwoningen gerealiseerd. De oever van de Oude IJssel wordt op een natuurlijke wijze ingericht en biedt ruimte aan flora en fauna. Zo transformeert deze historische industriële locatie tot een unieke plek voor wonen, werken en cultuur en ontspanning. 

ORGELMAKERIJ REIL IN HEERDE BOUWT MOMENTEEL EEN STUDIEKOPIE VAN HET NICOLAÏ-ORGEL. FOTO : R C E

oorlog werd het orgel gedemonteerd en opgeslagen. De Nederlandse Staat, eigenaar van het orgel, gaf in 1957 de orgelkas omwille van de wederopbouw aan de Koorkerk in Middelburg. Het binnenwerk werd opgeslagen.

Het oudste orgel van Nederland et vijftiende-eeuwse Gerritsz-orgel van de Nicolaïkerk in Utrecht is het oudste orgel van Nederland. Jarenlang is onder meer door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed intensief onderzoek gedaan naar dit bijzondere instrument. De resultaten zijn gebundeld in een monografie getiteld ‘Het oude orgel van de Nicolaïkerk te Utrecht’.

H

Het Gerritsz-orgel, gebouwd in 1479, is van grote cultuurhistorische en ook musicologische waarde. Het boek beschrijft uitvoerig de ontstaansgeschiedenis, de kunsthistorische en de liturgische aspecten van het orgel. Het

onderzoek heeft met name veel kennis opgeleverd over de oudste, oorspronkelijke bouwfase van het instrument. De uitkomsten maken het mogelijk een goed onderbouwde reconstructie te kunnen maken van die vroegste bouwperiode. Een unicum in de Europese orgelcultuur. Orgelbouwer Peter Gerritsz bouwde het orgel voor de Nicolaïkerk, waar het eeuwenlang dienst heeft gedaan tot in 1886. Toen werd het middeleeuwse orgel overgebracht naar het gloednieuwe Rijksmuseum. Hier hing het orgel, niet bespeelbaar, tot 1940. Bij de ontruiming van het museum wegens dreigende

De Stichting Peter Gerritsz-orgel ijvert er samen met het Rijk voor om kas en binnenwerk te herenigen in de ruimte waar het orgel ooit is gebouwd: de Utrechtse Nicolaïkerk. Tijdens de bijeenkomst wordt op de mogelijke orgelrestauratie en het initiatief tot hereniging ingegaan. Ter voorbereiding op een eventuele restauratie wordt een studiekopie van de oudste bouwfase van het orgel gemaakt in opdracht van de Stichting het Orgelpark. Het oude orgel van de Nicolaïkerk te Utrecht: Kroongetuige van de Nederlandse Muziekgeschiedenis, Bini Biemans-van der Wal, Wim Diepenhorst, Rogèr van Dijk e.a., Nederlandse orgelmonografieën 10, Walburg-pers, Zutphen, 296 pag., gebonden, € 34,95, ISBN 978 90 5730 576 4, verkrijgbaar via de boekhandel. Het boek is verschenen onder auspiciën van de Stichting Nederlandse OrgelmonografieÎn in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 


KO R T

7

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Architectenbureau Fritz gekozen voor de restauratie van Jachthuis Sint Hubertus rchitectenbureau Fritz uit Bussum is gekozen als restauratiearchitect voor de restauratie van Jachthuis Sint Hubertus, gelegen in Het Nationale Park De Hoge Veluwe.

A

In het kader van de gunningsfase van de Europese aanbesteding gaven in totaal vijf architecten een visie op het project. De visie van Architectenbureau Fritz sloot het beste aan op de wensen van de opdrachtgever en de daarop gebaseerde selectiecriteria. Deze waren vooraf vastgelegd in de uitnodigingsbrief.

zakelijk vanwege brandveiligheid, gebouwbeveiliging, persoonsbeveiliging, binnenklimaat, elektravoorzieningen en verlichting. Het inpassen van deze voorzieningen vereist inventieve oplossingen waarbij behoud van het monument voorop staat. Na de restauratie van het Jachthuis wordt het huidige gebruik voortgezet.

Omdat er in de komende jaren voor vele voorzieningen (vervangings-)onderhoud nodig is en er samenhang bestaat tussen alle onderdelen van het ensemble, wordt een integrale en daarmee geoptimaliseerde restauratie uitgevoerd. Op deze manier kan eveneens overlast voor het pand, de inrichting en het gebruik tot een minimum beperkt blijven. 

De beoordelingscommissie bestond uit L. van der Pol (Rijksbouwmeester en voorzitter), baron S.E. van Voorst tot Voorst (directeur Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe), W. Eggenkamp (rijksadviseur Cultureel Erfgoed), D. Baalman (directeur van Het Oversticht), A. Hoek (restauratieadviseur Rijksgebouwendienst), H. Jansen (integraal projectverantwoordelijke Rijksgebouwendienst), B. Wouters (projectmanager Rijksgebouwendienst), J. van Asseldonk (projectmanager Rijksgebouwendienst). De rijksbouwmeester is de belangrijkste adviseur van het Rijk op het terrein van architectuur en ruimtelijke kwaliteit. Zij is verantwoordelijk voor de architectenkeuze voor huisvestingsprojecten van de Rijksgebouwendienst. Het Jachthuis is in verschillende opzichten toe aan groot onderhoud. Dit geldt in het bijzonder voor de technische installaties, de dakbedekking en het metselwerk. Er zijn daarnaast ook nog aanpassingen nood-

Vlaamse community rondom erfgoed en diversiteit aro, het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed heeft een online community rondom erfgoed ingericht.

F

Met deze ‘groep’ wil Faro nieuwe ontwikkelingen, documentatie en goede praktijken omtrent diversiteit signaleren. Aandacht gaat naar diversiteit als een dynamisch gegeven.

Waar relevant wordt ook gewezen op verschillende mogelijkheden van diversiteit: interculturaliteit, vergrijzing, gender, kinderen en jongeren, enz. Deelname en gebruik staat open voor iedereen. Registratie kan via de website van Faro, www.faronet.be/groepen/diversiteit. 


KO R T

8

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

NOaA-lezingen eerste helft 2010

D

e Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is weer gestart met een nieuwe serie lezingen in het kader van de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA). De NOaAlezingen worden maandelijks, meestal op een donderdagochtend gehouden, in het auditorium van het gebouw van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. De lezingen duren 45 minuten, waardoor er veel tijd is voor vragen en discussie.

Data en onderwerpen eerste helft 2010 28 JANUARI

INDUSTRIËLE ARCHEOLOGIE

18 FEBRUARI

AGRARISCHE GESCHIEDENIS

18 MAART

RURALE GEMEENSCHAPPEN IN HET RIVIEREN GEBIED

15 APRIL

VROEGE STADSONTWIKKELING

Wederopbouwdatabank weer online

D Wij zijn voor de lezingen altijd op zoek naar actuele ontwikkelingen in de archeologie en de presentatie van (ver)nieuw(end) onderzoek. Omdat de NOaA-hoofdstukken niet constant worden bijgewerkt, zijn juist de lezingen een goed middel om aan te sluiten bij de ‘agendapunten’ uit de hoofdstukken. Als u zelf een NOaA-lezing zou willen verzorgen, dan kunt u contact opnemen met mw. T. (Tessa) de Groot: t.degroot@cultureelerfgoed.nl. Ook voor vragen, opmerkingen of aanmeldingen kunt u contact met haar opnemen. Voor actuele informatie en meer informatie: www.noaa.nl. 

e Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed deed de afgelopen jaren onderzoek naar de architectuur en stedenbouw uit de wederopbouwperiode. De wederopbouwdatabank vormde hierbij het inventarisatie-instrument. Het bevat de objectgegevens van de onderzochte gebouwen uit de periode 1940-1965 en incidenteel ook van latere jaren. Na een aanpassing in de rijkshuisstijl is deze weer online. Door het ontsluiten van deze databank wil de Rijksdienst laten zien welke objecten onderzocht zijn. De site biedt ook de mogelijkheid om objectgegevens te wijzigen en informatie en afbeeldingen toe te voegen. Zo ontstaat een goed overzicht van de architectuur uit deze periode, dat kan bijdragen aan een weloverwogen selectie van te beschermen objecten. www.wederopbouwdatabank.nl 

Schepenroute maakt Romeins verleden zichtbaar

W

oerden is de stad met een rijke cultuurhistorie. Het interessante Romeinse verleden wordt nu extra zichtbaar en tastbaar gemaakt door middel van de schepenroute, een wandelroute langs belangrijke vindplaatsen geïllustreerd met foto’s en archeologische vondsten. Woerden ligt aan de Limes, de noordelijke grens van het Romeinse Rijk. De resten hier-

van uit het verleden zijn op veel plaatsen nog duidelijk zichtbaar, echter heel veel is ook niet te bewonderen maar wel bekend. Om dit deel uit de historie van Woerden meer bekendheid te geven en geïnteresseerden informatie te bieden over de Romeinse periode en de archeologische ontdekkingen die gedaan zijn, zijn informatiezuilen en -borden geplaatst op de vindplaatsen van Romeinse schepen. Tezamen

vormen deze zuilen en borden de schepenroute. De informatiezuilen bevatten naast uitleg over het verleden ook foto's. De zuilen hebben zelfs een vitrine waarin een archeologische vondst wordt tentoongesteld. Zo staat er een informatiezuil op het plein bij de bibliotheek aan de Meulmansweg. Van deze locatie is bekend dat er nog een deel van een Romeins schip in de bodem aanwezig is. Bij de bouw van de parkeergarage werd de Woerden 7 (foto) opgegraven. Het achtersteven van dit schip, het deel dat geconserveerd kon worden, wordt in de loop van volgend jaar tentoongesteld in de parkeergarage. Loes Ypma, wethouder van cultuurhistorie: ‘Dat Woerden een rijke cultuurhistorie en een rijk Romeins verleden heeft is wel bekend. Met deze schepenroute maken we dit zichtbaar en zelfs tastbaar. Ook bezoekers bieden we nu de mogelijkheid het Romeinse verleden te beleven in onze prachtige binnenstad. Daar ben ik best trots op.’ 


KO R T

9

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Romeinse beekbrug in Tungelroy wint Ym van der Werff-prijs

D

e Ym van der Werff-prijs 2009 voor archeologische monumentenzorg is gewonnen door de vrijwilligers van de Werkgroep Romeinse Beekbrug in het Limburgse Tungelroy. Aan de prijs is een geldbedrag van € 4000,- verbonden. De prijs werd uitgereikt tijdens de Reuvensdagen in Middelburg. De jury kende ook een eervolle vermelding toe aan het project Reconstructie van de ringwalburg in het Zeeuwse Burgh, een project van Staatsbosbeheer. Beide projecten laten zien hoe archeologie zichtbaar gemaakt kan worden in een veranderende stedelijke of landelijke omgeving. Bij de sanering van de ernstig vervuilde bodem van de Tungelroyse beek en het herstel van de natuurlijke bochten, legden archeologen eind 2005 de restanten van een houten brug uit de Romeinse brug bloot. Het was de eerste maal dat in Nederland een brug uit de Romeinse tijd werd gevonden. In maart 2007 won de Dorpsraad in Limburg de prijsvraag ‘maak eens een ommetje’ met een uitgewerkt plan voor de ontsluiting van de wandelpaden rond het dorp en het herstel van Romeinse brug. Ruim een jaar later werd de met duurzame materialen nagemaakte brug door twee legionairs geopend. De stichting IKL droeg de werkgroep voor de archeologieprijs voor, vanwege de wijze waarop zij draagvlak wist te creëren voor de aanleg

van een historisch ommetje en het herstel van een Romeinse brug. IKL is van mening dat de gevolgde aanpak buitengewoon illustratief is voor het enthousiasme en de daadkracht die lokale mensen aan de dag kunnen leggen bij het herstel van historische en archeologische voetnoeten in het landschap. In samenspel met diverse partijen herstelden ze niet alleen een brug uit het begin van onze jaartelling, maar ze slaagden er ook in om de verborgen oude luister nieuw te verbinden met de beekgebonden natuur die hier tot ontwikkeling komt. Tenslotte legt de werkgroep nadrukkelijk ook een relatie met de schooljeugd die hier onder de begeleiding van plaatselijke mensen het beheer en onderhoud aan het groen heeft geadopteerd. De tweejaarlijkse prijs is in het leven geroepen door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig

Bodemonderzoek en de Stichting voor de Nederlandse Archeologie. Vanaf 2007 wordt de prijs uitgereikt door Erfgoed Nederland in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De prijs is bedoeld voor een bijzondere, duurzame prestatie op het gebied van de archeologische monumentenzorg en kan worden toegekend aan zowel overheden, instellingen als particulieren. Juryvoorzitter Jan van de Voorde reikte de prijs uit tijdens de 39ste Reuvensdagen (12-13 november) in Middelburg. In 2007 was gemeente Woerden de winnaar van deze prijs. De prijs is genoemd naar historicus-bestuurder Ymenus P.W. van der Werff (overleden 1993), jarenlang een onvermoeibaar pleitbezorger van de archeologie en de monumentenzorg. 

Regeldruk blijft ongekend hoog in Monumentenzorg

O

p 16 november jl. debatteerde minister Plasterk met de Tweede Kamer over de toekomst van de monumentenzorg. Na 2 jaar voorbereiding (Modernisering Monumentenzorg; MoMo) ligt hiervoor een beleidsbrief ter tafel. Ondanks de bedoeling regels af te schaffen gaat de monumentenzorg nog steeds gebukt onder veel regels; milieu, arbo, ‘Brussel’ en brandweer maken een nieuw gebruik van monumentale gebouwen extreem kostbaar en tijdrovend. Monumenten staan meer dan ooit midden in de belangstelling van burgers, de belangstelling voor de cultuurhistorie is groter dan ooit, het maatschappelijk debat over de toekomst van kerken wordt in dorpen en steden volop

gevoerd, monumenten krijgen nieuwe bestemmingen en staan midden in de economie en samenleving; monumenten zijn ankers van onze identiteit en toekomst. De Federatie Instandhouding Monumenten (FIM), dit jaar opgericht door onder meer de Vereniging Hendrick de Keyser, Bond Heemschut, BOEi en de Stichting Oude Groninger Kerken, vraagt nadrukkelijk bij de Kamerleden aandacht voor de regeldruk vanuit andere wetgeving dan de monumentenzorg. Zeker nu vanuit crisisgelden middelen beschikbaar komen voor de aanpak van grootschalige restauraties, blijkt dat bijvoorbeeld ‘Brussel’ al ruim een half jaar studeert op de vraag of er sprake is van ongeoorloofde staatsteun. De

gebouwen vervallen, de crisis gaat voorbij. FIM vraagt in een 9-punten memorandum aandacht voor 9 zaken die niet of onvoldoende uitgewerkt zijn in de tekst die de basis moet zijn voor de nieuwe monumentenwet. Deels gaan deze over regeldruk maar ook over de kwaliteit van gemeentelijke monumentenbeleid (zwak) en over categorieën die ‘vergeten’ zijn zoals de groene monumenten (parken, begraafplaatsen, landgoederen) en interieurs van monumenten. Voor alle 9 zaken doet de FIM concrete voorstellen om deze alsnog te verankeren, aan te pakken en te verbeteren. Overigens is de FIM tevreden over de wijze waarop het ministerie het nieuwe beleid tot stand heeft gebracht en de wijze waarop ‘het veld’ bij dit nieuwe beleid betrokken is. 


KO R T

10

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Beeckestijn gaat weer open Nieuw Nederlands podium voor tuin- en landschapscultuur

e 18de-eeuwse buitenplaats Beeckestijn in Velsen-Zuid krijgt een nieuwe functie als nationaal podium voor tuin- en landschapscultuur. Voor het publiek worden binnen- en buitententoonstellingen ingericht over de relatie van de mens met zijn natuurlijke omgeving. Voor de wetenschappelijke wereld wordt Beeckestijn het podium voor congressen en debatten, naast de aanjaagfunctie die het landgoed gaat vervullen op het vlak van onder meer onderzoek en publicaties.

D

Het initiatief voor de nieuwe bestemming is genomen door de Vereniging Hendrick de Keyser (de nieuwe eigenaar van het hoofdgebouw), Natuurmonumenten (die het landgoed in beheer gaat genomen), Piet van den Bos (van de naastgelegen buitenplaats Waterland) en de Stichting Vrienden van Beeckestijn. Gezamenlijk hebben zij een stichting in het leven geroepen om de plannen te realiseren,

FOTO’S: STICHTING PROJECTREALISATIE BEECKESTIJN


KO R T

met een fonds voor het verwerven van aanvullende financiĂŤle middelen. Door de combinatie met horecavoorzieningen en congresfaciliteiten wordt het mogelijk Beeckestijn kostendekkend te exploiteren. Aan het plan is een uitgebreide marktverkenning vooraf gegaan. Beeckestijn is een van de best bewaarde

11

buitenplaatsen in Nederland. Op het landgoed, dat gratis toegankelijk blijft voor bezoekers, is de oudste landschaptuin van Nederland te vinden. De gemeente Velsen redde in de jaren zestig de buitenplaats voor de sloop door het aan te kopen en te restaureren. Tot voor enkele jaren

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

was er in het hoofdgebouw een museum met stijlkamers gevestigd. De nieuwe plannen worden op een bijzondere wijze gepresenteerd in het hoofdgebouw tijdens een reeks speciale bijeenkomsten voor publiek, politiek, omwonenden, bedrijfsleven, fondsen en potentiĂŤle samenwerkingspartners. 


KO R T

12

Tweede leven voor steenfabriek Bosscherwaarden

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Een nieuw leven voor de steenfabriek Het is de eerste locatie in de provincie Utrecht waar industrieel erfgoed een publieke bestemming krijgt gelijk aan die van een natuurgebied. De steenfabriek is in het verleden uitsluitend toegankelijk geweest voor medewerkers. Na de sluiting heeft het terrein jaren braak gelegen. De Bosscherwaarden krijgt een tweede leven als podium voor natuur en cultuur. Vanwege zijn ligging aan de Lek en de nieuwe ontvangstruimte voor groepen is het bij uitstek de plek om mensen te informeren over het Nationaal Landschap Rivierenland. Het is de bedoeling dat vanaf 2010 een werkgroep hier natuurexcursies zal verzorgen, al dan niet in combinatie met een vaartocht over de Lek.

N

a anderhalf jaar uitgebreide restauratie en renovatie is de steenfabriek Bosscherwaarden in Wijk bij Duurstede op zondag 25 oktober jl. feestelijk voor het publiek geopend. Voortaan kan het publiek dagelijks genieten van dit voormalige fabrieksterrein en het omringende rivierenlandschap. Het terrein en de monumentale ringoven worden tussen zonsopgang en zonsondergang opengesteld.

De restauratie en renovatie Stichting Het Utrechts Landschap is de nieuwe eigenaar van de steenfabriek Bosscher-

waarden. Zij heeft ervoor gezorgd dat dit industriële erfgoed de afgelopen anderhalf jaar een metamorfose heeft ondergaan. De monumentale ringoven, de 40 meter hoge schoorsteen en een fabriekshal zijn gerenoveerd. Tevens is er een nieuwe ontvangstruimte gebouwd, waarvan het ontwerp refereert aan de droogloodsen die hier in het verleden hebben gestaan. Het project is mede mogelijk gemaakt door steun van de Provincie Utrecht, gemeente Wijk bij Duurstede, VSBfonds, KF Hein Fonds, Vrede van Utrecht en Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

In de hal en de droogloods wordt een nieuwe dimensie toegevoegd: beleven van cultuur, zoals locatietheater, muziek, film en exposities. Uitgangspunt voor de programmering is dat de activiteiten een wisselwerking hebben met de locatie en een raakvlak hebben met industrieel erfgoed, natuur of landschap. Incidenteel zal in samenwerking met een productiebureau een groter cultureel evenement worden georganiseerd. Daarnaast beschikt de locatie over een mooie ruimte voor de organisatie van lunches en diners voor selecte gezelschappen. 

Amsterdam investeert in haar eigen monumenten p 2 november jl. hebben Hans Gerson, wethouder Monumenten en Pieter Siebinga, directeur van het Nationaal Restauratiefonds een samenwerkingsovereenkomst getekend voor het beheer van het Amsterdams Restauratiefonds. Els Iping, voorzitter dagelijks bestuur stadsdeel Centrum heeft de eerste beschikkingen uitgereikt aan twee monumenteneigenaren in stadsdeel Centrum. Voor de start van het fonds is €3,4 miljoen beschikbaar.

restauraties. Monumenteneigenaren in alle stadsdelen kunnen gebruik maken van het Amsterdamse fonds. De regeling wordt uitgevoerd door het Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam. Het beheer van het Amsterdams Restauratiefonds is ondergebracht bij Nationaal Restauratiefonds dat ruime ervaring heeft met het beheer van dergelijke fondsen. Amsterdam als grootste monumentenstad van Nederland

Het Amsterdams Restauratiefonds

Amsterdam is de grootste monumentenstad van Nederland met 7.484 rijksmonumenten en 1.379 gemeentelijke monumenten. Onderhoud en restauratie van monumenten is soms kostbaar. Eigenaren van rijksmonumenten kunnen in de regel een beroep doen op financiering en subsidie van het rijk. Voor particuliere eigenaren van gemeentelijke monumenten in Amsterdam zijn er nu geen faciliteiten

O

Het Amsterdams Restauratiefonds is een revolverend fonds waarvan de rente en aflossing weer terugvloeien zodat er ook in de toekomst geld beschikbaar blijft voor het restaureren en onderhoud aan gemeentelijke monumenten. Met het fonds investeert Amsterdam in een duurzame voorziening voor de financiële ondersteuning van monumenten-

beschikbaar. Het oprichten van het Amsterdams Restauratiefonds voorziet in financiële ondersteuning bij het restaureren van gemeentelijke monumenten.

Particuliere eigenaren monumenten Het college van B&W heeft op 30 juni 2009 ingestemd met het oprichten van een Amsterdams Restauratiefonds. Vanaf 16 november 2009 kunnen particuliere eigenaren van monumenten een lening met een lage rente aanvragen uit het Amsterdams Restauratiefonds voor de renovatie van hun pand bij Bureau Monumenten & Archeologie. Twee Amsterdamse eigenaren van gemeentelijke monumenten hebben meegewerkt aan een pilot waarin de regeling uitvoerig is getest. Voor de start van het fonds is €3,4 miljoen beschikbaar. Stadsdeel Centrum is het eerste stadsdeel dat hieraan een bijdrage heeft geleverd met een storting van €700.000. 


E R FG O E D A K A D E M I E

13

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

De Oogst van de

Erfgoed Akademie

M

et de modernisering van de monumentenzorg wordt de veranderende rol van de Erfgoedprofessional manifest. Met het nieuwe beleid verandert de positie van cultuurhistorie in ruimtelijke planprocessen. Dit vraagt deels om andere

kennis en vaardigheden van de erfgoedprofessional. In zijn beleidsbrief van de MoMo vraagt de minister dan ook om aandacht voor kennisoverdracht en informatieontwikkeling. Ook maakt hij al melding van het initiatief van de Erfgoed Akademie. Begin dit jaar is daartoe een pilot gestart, gesteund door een groot aantal organisaties en ontwikkeld door Projectbureau Belvedere. Naast het opdoen van actuele kennis stond hier vooral het ontwikkelen van vaardigheden centraal evenals de reflectie op het eigen denken en handelen. In het aprilnummer van VITRUVIUS is hier

al kort over bericht. Voor de zomer is de pilot van de Akademie succesvol afgesloten. Op basis van een evaluatie en een voorverkenning voor een businesscase hebben de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Erfgoed Nederland en het Nationaal Restauratiefonds in principe besloten de Erfgoed Akademie gezamenlijk voort te zetten. Op dit moment wordt onderzocht of en hoe dit concreet vorm

VAN NELLE ONTWERPFABRIEK; RIJKSMONUMENT HERBESTEMD ALS LOCATIE VOOR COMMUNICATIE, DESIGN EN ARCHITECTUUR. FOTO: VERA CERUTTI


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

kan krijgen vanuit de ambitie om de Erfgoed Akademie als organisatieconcept te ontwikkelen waarin een samenhangend aanbod aan scholing- en debat rondom erfgoedvraagstukken kan plaatsvinden. De bedoeling is om in het voorjaar van 2010 te starten met een leergang die grotendeels gebaseerd is op de pilot, getiteld: ‘Erfgoedfilosofie voor erfgoedprofessionals’. Terug naar de oogst van de pilot. Voor het met goed gevolg mogen afsluiten van de leergang produceerden de deelnemers ‘een meesterwerk’. Daartoe werd een essay geschreven waarbij gereflecteerd wordt op inhoudelijke dilemma’s van het vak en de grondslagen van erfgoedfilosofisch handelen. Dat alles tegen de achtergrond van de bovengenoemde veranderende rol van de erfgoedprofessional. In een aantal van deze meesterwerken stond de modernisering van de monumentenzorg centraal. Een drietal essayisten is bereid om hun deel van de meesterproeve op persoonlijke titel openbaar te maken. Die oogst treft u bijgaand aan. Mocht u nieuwsgierig zijn naar de Erfgoed Akademie of u willen opgeven voor de cursus ‘Erfgoedfilosofie voor erfgoedprofessionals’, neem dan contact op met dhr. Sim Visser, hoofd afdeling Landschap, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: s.visser@cultureelerfgoed.nl of telefoon 033-421 7632. 

HET ARSENALE IN VENETIË; VOORMALIGE SCHEEPSWERF ALS INSPIRERENDE OMGEVING VOOR KUNST- EN ARCHITECTUURBIËNNALES. FOTO: VERA CERUTTI

14

E R FG O E D A K A D E M I E


15

E R FG O E D A K A D E M I E

TJ E E R D D E B O E R

en lust, geen last. Met die boodschap startte minister Plasterk eind 2008 de publieke discussie over de modernisering van de monumentenzorg. Een goed gekozen leitmotiv waar je moeilijk op tegen kan zijn. Je moet wel zwaar calvinistisch zijn om de last te prefereren boven de lust. Politiek is het ook een zekere koers: voor bestuurlijke lastenverlichting gaan de handen van links tot rechts nog steeds stevig op elkaar, voor lustenverzwaring is nog nooit een minister met spoed naar de kamer geroepen. Al zou de introductie van dit begrip bepaalde fracties zomaar op ideeën kunnen brengen.

E

De grap is nu dat in de monumentenzorg deze titel minder gemakzuchtig is dan zij in eerste instantie lijkt. Erfgoed zien als last, is immers een grondhouding in de monumentenzorg. En dan bedoel ik niet de last in de zin van hindermacht, van sta in de weg bij de voortvarende ruimtelijke ontwikkeling van ons land. Ik doel op de problematiserende, defensieve en paternalistische grondslagen, waarop de monumentenzorg – het woord zegt het al – vanaf zijn ontstaan begin twintigste eeuw is gebouwd. Verklaarbaar. Nodig ook, in die tijd. Maar het heeft geleid tot tamelijk zwaar op de maag liggende geloofsbrieven. Vreemd genoeg betekent dit niet dat de sector ook van zurigheid en zwaarmoedigheid aan elkaar hangt. Integendeel, je moet je best doen om en sector te vinden waar men zo met passie preekt. Waar iemand helemaal uit zijn dak kan gaan op een authentiek tegeltje, om maar iets te noemen. De last van de monumentenzorg is voor de meeste betrokkenen onmiskenbaar een dierbare last. De idee van erfgoed als lust is niet door Plasterk uitgevonden. De luststroming is al zeker een halve eeuw oud en kent verschillende representanten. Van de deconstructivisten tot de replicateurs. Van vrijgevochten vrijzinnigen tot heidense handelsgeesten. Van belvederebelievers tot monumentenmakelaars. Zij onderscheiden zich van de lastdragers doordat zij niet de dreigende vernietiging van het erfgoed als grootste probleem zien, maar de dreigende irrelevantie. Het monument als maatschappelijk kapitaal staat voorop, in plaats van het monumentenbestand als collectie. De laatste decennia heeft de lustbenadering sterk aan kracht gewonnen, gesteund door een maatschappelijk besef dat

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

De derde weg het erfgoed waarde heeft in economische, sociaal verbindende en educatieve zin. Op dit moment weten twee typen vertegenwoordigers van de lustbenadering zich bijzonder goed te manifesteren: de lustige verkopers die in het karakter van erfgoed (louter) toegevoegde waarde en brandingsmogelijkheden zien. En de lustige verbouwers die, gelovend in de pracht en zeggingskracht van het erfgoed, de transformatie ervan tot en zeer smakelijke aangelegenheid maken. De lust en de last. Ze houden elkaar niet gevangen. Visies en interventies op basis van een van de twee scholen kunnen prima naast elkaar bestaan. Zelfs binnen een persoon: eigentijdse erfgoedzorgers kunnen schakelen tussen beide benaderingen, naar gelang de opgave, de opdrachtgever of hun eigen smaak en stemming. Dit vraagt wel eens om wat uitleg, bijvoorbeeld wanneer het bij adviseurs of toezichthouders zoeken is naar een lijn in de smaak van de oordelen, onwerkbaar is het niet. En we houden elkaar gerust scherp in het debat over de vraag of de slinger niet te ver naar het genot, dan wel naar het geploeter doorslaat. Het probleem is alleen dat de dichotomie van last en lust ons niet meer verder brengt. Het leidt tot veel improductief debat en te vaak tot de conclusie dat de waarheid in het midden ligt. Zij draagt ook bij aan gespleten zelfbeelden van erfgoedprofessionals en

aan onheuse bejegening van collega’s, omdat we bewust of onbewust de neiging hebben om iemand, of althans zijn handelen, in te delen in een van beide kampen. Is er een derde weg voorstelbaar die deze tegenstelling overbrugt? Een nieuwe toonsoort die ons kan verbinden in een productieve en preservatieve omgang met ons erfgoed? Ik denk het wel. En ik denk ook dat we die nodig hebben. Het zal een benadering moeten zijn die de opgave centraal stelt om voor elke plek te komen tot een kwaliteitsverbetering in culturele zin. Anders geformuleerd: een erfgoedbenadering die onze voortgaande beschaving – als leesbare gelaagdheid en niet aflatende ontwikkelingsdrift – als uitgangspunt durft te nemen. Niet het bewaren, noch het benutten, maar het voortdurend verbeteren (mooi, duurzaam en functioneel) van de door onze soort geschapen leefomgeving is de centrale opdracht. De ontplooiing van de genius loci. Het ons overgeleverde erfgoed is daarbij dan primair een kwaliteitsstandaard, die we koesteren en die ons uitdaagt. Dat is wat het gebouwde erfgoed in deze eeuw zou kunnen zijn. Geen lust, geen last, maar een leest. Een in het verleden gevormde mal die we doorgeven en die ons steeds weer uitnodigt het vakmanschap en de verbeeldingskracht van onze voorgangers te overtreffen. 

CULTURELE FUNCTIES IN HET KLOKGEBOUW WERKEN ALS 'PLACE-MAKING' VOOR HERBESTEMMING VAN HET VOORMALIG PHILIPS TERREIN STRIJP-S IN EINDHOVEN. FOTO: VERA CERUTTI


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

16

E R FG O E D A K A D E M I E

G E S I E N V A N A LT E N A A DV I S E U R R U I M T E L I J K E K WA L I T E I T E R FG O E D , H E T OV E R S T I C H T

GIETHOORN

Verder met erfgoed Naar een 21ste eeuwse omgang met erfgoed e monumentenwereld in Nederland is volop in beweging. Ik noem drie zaken om dit te illustreren. Vorig jaar werd in verschillende werkgroepen van deskundigen uitvoerig gediscussieerd over vernieuwing van het monumentenbeleid, bekend als de discussie Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Aanbevelingen vanuit de werkgroepen aan minister Plasterk volgden. Zo ook reacties van verschillende organisaties in het land op de concept-visie van de minister Een lust, geen last. Inmiddels is de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg daar, zijn de pijlers voor het toekomstig beleid bekend en wordt uitgekeken naar de behandeling in de Tweede Kamer in november. Dan was er in de maand mei de naamsverandering van de Rijksdienst. Na jarenlang Rijksdienst voor de Monumentenzorg geheten te hebben en vervolgens heel kort Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (na de fusie in 2006 met de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek – red.). Aangenomen mag worden dat deze metamorfose niet zonder betekenis is en meer behelst dan een nieuwe huisstijl van de rijksoverheid en een nieuwe behuizing in het centrum van Amersfoort. Als laatste noem ik het feit dat aan het eind van 2009 projectbureau Belvedere haar deuren sluit, na tien jaar het belang van de inzet van cultuurhistorie bij ruimtelijke ontwikkelingen op de kaart te hebben gezet. Wat er met die erfenis gebeurt, staat te bezien. De laatste nieuwsbrief droeg de titel Next_Belvedere en eindigde met het antwoord op de vraag ‘what's next?’: ‘you’re next!’. 1

D

Voortdurende dynamiek Er zijn dus duidelijk veranderingen op komst.

Ook de rol die monumenten in de samenleving spelen veranderde in de afgelopen periode. Bij de selectie van eerbiedwaardige historische gedenkplaatsen, symbolen van geschiedenis en identiteit, speelden nationalistische gevoelens een rol. Esthetische verlangens bepaalden de keuze voor kunsthistorische monumenten, als materiële bronnen van architectonische kennis en schoonheid. De aanwijzing tot beschermd monument van grote hoeveelheden objecten van sociale geschiedenis weerspiegelt de democratisering van erfgoed in de 20ste eeuw. De hedendaagse inzet van de cultuurhistorie fungeert als remedie om de snel transformerende leefomgeving herkenbaar te houden. En nu zijn monumenten wederom bakens van identiteit èn bronnen van trots, aldus Plasterk, die de term ‘beschaafd nationalisme’ in zijn beleidsbrief introduceert.2

Maar voor ik naar Plasterks pijlers spring, eerst even een korte terugblik. Een bepaalde beweging in de monumentenwereld is op zich niets nieuws. Al sinds de opkomst van de monumentenzorg als overheidstaak in het laatste kwart van de negentiende eeuw, is er een verrassende dynamiek te zien. Het takenpakket van de monumentenzorg beperkte zich aanvankelijk tot de inventarisatie, beschrijving en restauratie van het – los van zijn omgeving beschouwde – bijzondere en belangwekkende monument van geschiedenis en kunst. In de twintigste eeuw verschoof de aandacht van het enkele object naar het behoud van ensembles, de historische stads- en dorpsgezichten, en strekte zich verder uit naar de grotere schaal van stedenbouwkundige en landschappelijke structuren. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is de monumentenzorg betrokken geraakt bij het realiseren van ruimtelijke kwaliteit in onze leefomgeving.

Uiteenlopende visies als stabiele factor

Het monument veranderde dus in de loop van de tijd van karakter. Zo kregen de traditionele kerken, kastelen en raadhuizen opvolgers in bijvoorbeeld woonhuizen, molens en boerderijen. De landelijke inventarisatie van ‘jongere bouwkunst’ uit de periode 1850-1940 wekte interesse voor nieuwe categorieën monumenten, zoals begraafplaatsen en industrieel erfgoed. Het onderzoek naar het tijdvak van de wederopbouw staat nu in de belangstelling en heeft vooralsnog de zogenaamde top 100 van Plasterk opgeleverd, met aandacht voor weer andersoortige monumenten als infrastructurele werken. De verbreding van het monumentenbegrip wordt op verschillende wijzen geduid: van punt naar lijn naar vlak (‘upscaling’); van het bijzondere naar het algemene (‘heritage sprawl’); van het historische naar het actuele. Alles is, kortom, erfgoed.

Maar ondanks al deze verschuivingen kwam er, vreemd genoeg, nooit een echt diepgaande herbezinning op het takenpakket van de monumentenzorg op gang. De verbreding van het monumentenbegrip en de wisselende maatschappelijke betekenis van monumenten leidden niet tot een herformulering van het antwoord op de primaire vraag: ‘wat is een monument in deze tijd?’. Onduidelijk bleef hoe de traditionele objectgerichte en de nieuwere gebieds- en ontwikkelingsgerichte monumentenzorg zich precies tot elkaar verhouden. Terwijl volstrekt helder is dat de instandhouding van wettelijk beschermde monumentale panden een andere aanpak vergt dan de integrale cultuurhistorische benadering van een gebied bij ruimtelijke ontwikkelingsprocessen, waarbij de hogere schaalniveaus als monumentale categorieën onhanteerbaar zijn. Zo kan het dat monumentenzorgers tot op


E R FG O E D A K A D E M I E

de dag van vandaag verschillend blijven omgaan met vraagstukken rond behoud en vernieuwing. Voor de een gaat het vooral om de conservering en instandhouding van de authentieke materiële bouwsubstantie. Een gebouw wordt gezien als een stenen archief, een leesbaar historisch tijdsdocument. Bij een ander telt het behoud van een bepaald historisch beeld. In dat geval houdt ook een reconstructie, namaak, de herinnering aan het bouwkundig verleden levend. Voor weer een ander is de (zichtbare) historische gelaagdheid van het gebouwde erfgoed van heden en verleden van belang. Dan is er angst voor verlies door grootschalige ontwikkelingen. Door in te zetten op hergebruik en herbestemming blijft de samenleving herkenbaar. En een vierde monumentenzorger brengt juist de vitaliteit en kracht van de cultuurhistorische waarden in stelling. Het verleden inspireert en blijft behouden door ontwikkeling. De veranderende leefomgeving ontleent hieraan een nieuwe identiteit. Dergelijke vraagstukken hebben in de geschiedenis van de monumentenzorg een grote rol hebben gespeeld en doen dat nog steeds. Het blijven vraagstukken waarover al snel een levendige discussie, en vaak onenigheid, ontstaat. In het laatste nummer van het Tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt de commotie over de aanpak van het exterieur van het paleis op de Dam in Amsterdam aangeduid als ‘Richtingenstrijd op de Dam’.3 Ook in de pilot Erfgoed Akademie waren de bekende issues volop onderwerp van gesprek. Aan de orde kwamen de volgende vragen: wat is authenticiteit? wat willen we behouden? keuzes maken in historische gelaagdheid; wiens erfgoed is het eigenlijk? En ook in dit gezelschap bleek de altijd passievolle, maar behoorlijk uiteenlopende accenten die gelegd worden in de omgang met erfgoed: die varieerden van pleidooien voor het behoud van het kleinste detail tot de globalere afweging van de toekomstwaarde van erfgoed bij ontwikkelingsopties. Soms schoot door mijn hoofd: ‘and never the twain shall meet’.4 Tegelijkertijd stelden we vast dat ons vakgebied verandert. Een kwestie is dan misschien of we met de oude vragen wel voldoende toegerust zijn op de toekomst?

Welke koers vaart het rijk? Nu is er dan Plasterks beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg. In het rijksbeleid tekende zich al langere tijd een aantal richtingen voor de toekomst af. Sinds de gewijzigde

KASTEEL HEESWIJK-DINTHER

17

Monumentenwet van 1988 is een begin gemaakt met de decentralisatie van bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het gebied van archeologie en monumentenzorg naar de lagere overheden. In de praktijk bleef de Rijksdienst echter bij alles betrokken. Pas met de aangepaste wetgeving per 1 januari 2009 wordt de adviesrol van de Rijksdienst in de objectbescherming voor het eerst daadwerkelijk beperkt en treedt de rijksoverheid een stukje terug. Daarmee krijgen de gemeenten meer de kans hun monumententaken op te pakken. Sterker, ze moeten nu. De verschuiving in aandacht van de objectgerichte naar de omgevings- en ontwikkelingsgerichte monumentenzorg is een andere voorloper van een gemoderniseerd rijksbeleid. Plasterk bouwt duidelijk voort op de Belvederegedachte met het adagium ‘behoud door ontwikkeling’. Hij ziet niet alleen verbanden tussen een vernieuwde monumentenzorg en de ruimtelijke ordening, maar wil ook een beleid dat betrokken is bij maatschappelijke vraagstukken, zoals de herstructurering van aandachtswijken en de wateropgave. Plasterks visie op de modernisering van de monumentenzorg stoelt op drie pijlers: 1. verankering van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening; 2. krachtiger en eenvoudiger sectorale regelgeving; 3. bevorderen van herbestemming. Hoe dit alles concreet gestalte krijgt zal in de komende jaren moeten blijken. Zo is de

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

verbinding van cultuurhistorie met ruimtelijke ontwikkelingsprocessen na bijna 10 jaar Belvedere nog lang geen gesneden koek, zo erkent ook Plasterk. Waarborgen voor het ondergronds erfgoed zijn geregeld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van 2007. Voor het bovengronds erfgoed was het vooralsnog experimenteren en zoeken naar de meest effectieve aanpak. Straks wordt het bestemmingsplan een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden vroeg in het planproces mee te wegen in de ruimtelijke ordening en wordt de beleidsmatige ambitie beschreven in structuurvisies. Plasterk laat in zijn beleidsbrief nog meer instrumenten de revue passeren, die de cultuurhistorie moeten borgen, bijvoorbeeld de Milieu Effectrapportage, de Beheersverordening en de Natuurbeschermingswet. Maar hij geeft toe dat de nodige ervaring met deze instrumenten ontbreekt of dat ze nog niet eerder zijn toegepast. Het wordt dus spannend. Wat als een paal boven water staat, is dat in de dagelijkse erfgoedpraktijk de gemeenten aan zet zijn. Zij moeten vormgeven aan breed erfgoedbeleid. Dat is geen eenvoudige klus. Het Oversticht, waar ik werk, is een onafhankelijke kennis- en adviesorganisatie voor ruimtelijke kwaliteit en erfgoed. Als adviseur erfgoed volg ik de ontwikkelingen in het vakgebied op de voet. En natuurlijk wil ik graag weten wat ik de gemeenten het beste kan adviseren, wat nou echt het gewenste resultaat oplevert en het meeste effect sorteert. Om invulling te geven aan de missie van mijn organisatie èn het


VITRUVIUS

NUMMER 10

18

JA N U A R I 2 0 1 0

gezamenlijke publieke belang: ‘de bevordering en instandhouding van het landelijk en stedelijk schoon’ in de provincies Overijssel en Flevoland.

Een nieuwe jas De modernisering van de monumentenzorg, zoals verwoord in Plasterks pijlers, vraagt iets van de verschillende spelers in het veld. Weliswaar kunnen erfgoedprofessionals de toekomst met vertrouwen tegemoet zien, want het vakgebied heeft in een bepaald opzicht de wind in de zeilen. De betrokkenheid van mensen bij hun leefomgeving is bijzonder groot, zo blijkt uit protesten en procedures van burgers tegen ongewenste ontwikkelingen. De vele historische verenigingen en belangenorganisaties getuigen ervan dat erfgoed op warme belangstelling kan rekenen. De ongerustheid over de algehele ‘verrommeling’ van Nederland is een nationaal gespreksthema. Er is dus draagvlak voor het realiseren van nieuwe schoonheid, van ruimtelijke kwaliteit. Maar om kansen te verzilveren is ook een andere ‘organisatiecultuur’ binnen de erfgoedwereld vereist. De vaak verdeeld opererende monumentenzorgers zijn dan een valkuil. De monumentenzorg van ‘behoud gaat voor vernieuwing’ ademt teveel de cultuur van de angst voor het verlies. Die cultuur is defensief, gesloten en afwerend. Dat levert gesprekspartners die ervaren worden als hindermacht en als blok aan het been. Na 10 jaar Belvedere is het nu de tijd om daadwerkelijk de stap te zetten naar een charmeoffensief dat denkt in mogelijkheden en winst. Die cultuur is stimulerend, inspirerend en uitnodigend. De nieuwe erfgoedprofessional is in staat een verbindende rol te spelen en het erfgoedbelang met overtuiging te koppelen aan andere belangen.

Verder met erfgoed Willen we succesvol verder met ‘behoud door ontwikkeling’ dan moeten de erfgoedprofessionals kritisch blijven. Vooral op zichzelf! Uit de praktijkvoorbeelden van zowel kleinere als grootschaliger transformatieopgaven die in de pilot Erfgoed Akademie besproken werden èn uit de ervaringen van de cursisten zelf bleek meer dan eens dat een goede uitkomst geenszins een vanzelfsprekendheid is. Ook niet als de bedoelingen van betrokken partijen dezelfde kant uitwijzen, het proces voorbeeldig doorlopen is, de liefdevol gemaakte cultuurhistorische analyse van een gebied de essentie goed verwoord heeft, de waardering specifiek is toegesneden op de situatie… Dan nog kan het resultaat ronduit teleurstellend zijn. Erfgoedprofessionals moeten zich veel meer bewust worden van het effect van hun

handelen. Soms is de geleverde specialistische kennis te impliciet, te onbegrijpelijk, te technisch, te… voor niet-vakgenoten. Een andere keer loopt het spaak in de koppeling van kennis met de ontwerpende discipline. Conclusie: je kunt niet volstaan met je ding doen en dat was het dan. Wat wel? De pilot Erfgoed Akademie leverde de volgende ingrediënten:  Richt de aandacht in de cultuurhistorische verkenning op de toekomstwaarde van erfgoed.  Benoem de essentie en intrinsieke cultuurhistorische waarden.  Ga op zoek naar de ruimte voor verandering  Koppel de dilemma’s vanuit het erfgoed met de dilemma’s van de transformatieopgave.  Snijdt specifiek toe op de situatie.  Verbindt cultuurhistorische kennis met de ontwerpopgave.  Geef helder aan wat de spelregels zijn. Verder met erfgoed, al dan niet via de Erfgoed Akademie: ‘what's next?’: ‘you're next!’.

Noten 1 De Erfgoed Akademie, die als pilot van februari

tot en met mei van dit jaar draaide, is inmiddels tot één van die erfgenamen benoemd. 2 Beschaafd nationalisme is een term van socioloog Kees Schuijt en impliceert het ‘wij-denken’. Plasterk schrijft in zijn beleidsbrief Modernisering

E R FG O E D A K A D E M I E

Monumentenzorg dat monumenten een rol te vervullen hebben in het nieuwe ‘wij-denken’. Trots op een gemeenschappelijk verleden en trots op de historische omgeving kunnen bijdragen aan dergelijk ‘wij-denken’, dat mensen niet buitensluit. Plasterk stelt dat de zorg voor erfgoed een factor van grote sociale betekenis kan zijn. 3 Tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel

Erfgoed (Jaargang 1, nummer 2, herfst 2009). De richtingenstrijd gaat over het schoonmaken of, zoals het genoemd wordt het ‘ontstoren’ van de gevel: ‘Enerzijds zijn er de voorstanders van beeldherstel: het weer proberen te benaderen van de oorspronkelijke situatie, waardoor de architectuur beter beleefbaar wordt en representatiever oogt. Anderzijds zijn er de voorstanders van behoud van de huidige situatie, die immers de doorleefdheid van het monument in zich draagt, het een eerbiedwaardigheid verleent die hoort bij een gebouw van meer dan driehonderd jaar oud. Voorstanders van deze benadering achten het ‘blonderen’ een modegril, een spook dat tegenwoordig door heel Europa waart. Alhoewel beide richtingen door experts worden gedragen, was er niet bepaald consensus. Tegenover het verwijt ‘modegril’ stond de uitspraak ‘kunsthistorisch gezeur’ (pp. 15-16). 4 De frase komt uit Rudyard Kipling’s Barrackroom ballads (1892): ‘Oh, East is East, and West is West, and never the Twain shall meet’. 

OLDENHOVE, DEN HAAG, 1930, ARCHITECT F.A. WARNERS.


19

E R FG O E D A K A D E M I E

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

CHARLOTTE VAN EMSTEDE

OPNIEUW OP ZOEK NAAR HET HOE EN WAAROM VAN MONUMENTENZORG

DE ERFGOED AKADEMIE OP LOCATIE IN DE CABALERO FABRIEK IN DEN HAAG. FOTO: VERA CERUTTI

Wil de echte erfgoedfilosoof nu opstaan? edereen is erfgoedfilosoof!’ was de kreet waarmee Fons Asselbergs de eerste Erfgoed Akademie opende. In zijn bezielende toespraak riep hij ons op om het niveau van ons vakgebied naar een hoger plan te tillen. De daaropvolgende maanden bogen wij ons over actuele thema’s in de erfgoedzorg. De verschillende gastsprekers toonden elke keer weer hoeveel visie en inspanning nodig is om, te midden van alle verschillende belangen, het credo ‘Behoud door ontwikkeling’ ook daadwerkelijk te belijden. Onderwerpen als herbestemming, gebiedsontwikkeling en transformatie van wijken en het landschappelijk gebied zetten aan tot reflectie over de uiteenlopende invullingen van begrippen als authenticiteit, cultuurhistorie en erfgoed. Levendige discussies maakten duidelijk hoe verschillend er werd gedacht over ieders rol en verantwoordelijkheid binnen het krachtenveld van behoud en ontwikkeling van monumenten.

‘I

Binnen de Erfgoed Akademie zijn de eigen opvattingen gescherpt en is een beter begrip van de drijfveren van ‘de ander’ ontstaan. Al met al heeft het de benodigde handvatten opgeleverd om het cultuurhistorische argument meer inhoud en overtuiging te geven. Nu is de tijd aangebroken om de academische leerstof in praktijk te brengen. En dan vraag je jezelf al snel af wat je er aan hebt als iedereen erfgoedfilosoof is. Velen zullen beamen dat het teveel is gevraagd van de in de visie Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo) zo op een voetstuk geplaatste burger om eerst het brede scala aan wijsgerige, theoretische en

Welsprekendheid en Wijsbegeerte in de

Erfgoeddiscipline sociale aspecten van monumentenzorg tot zich te nemen voordat hij mee mag denken over bescherming en instandhouding. ‘Iedereen is erfgoedfilosoof?’ en ‘Wat is de meerwaarde van deze wijsgeer?’ zijn vragen die een antwoord verdienen.

Alles is erfgoed, dus niets is erfgoed Nadat Plasterk zijn visie op de modernisering van de monumentenzorg heeft uitgebracht, staat het beleidsveld wederom voor de taak om de inrichting van het monumentenbestel aan te laten sluiten op de wensen en verwachtingen vanuit de samenleving. Een exercitie die sinds de start van de geïnstitutionaliseerde Nederlandse monumentenzorg in 1875 al enkele malen is doorlopen. Iedere keer resulteerde het in een uitbreiding van het begrip ‘monument’ en een nadere uitwerking van de uitgangspunten van monumentenzorg. Ook in de jaren negentientachtig was vanuit de samenleving een roep om verandering van de monumentenzorg te horen. Deze resulteerde in de opname van Monumentenzorg in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening, de start van het Monumenten Inventarisatie Project en de herziening van de Monumentenwet uit 1961.

Niet veel later voorspelde Auke van der Woud in het Bulletin KNOB van januari 1989 dat deze ontwikkelingen er voor zouden zorgen dat binnen twee decennia alles een monument zou zijn en de Monumentenwet zou zijn opgenomen in een Wet op de ruimtelijke ordening. Van der Wouds voorspelling lijkt te zijn uitgekomen. Na 10 jaar Belvedere is niet alles een monument geworden, maar heeft wèl alles de potentie om cultureel erfgoed te zijn. Met de inzet van cultuurhistorie als kwaliteitscriterium voor de inrichting van Nederland is iedereen naarstig op zoek gegaan naar een mogelijke, ontwikkelbare cultuurhistorische component in zijn plannen. Hierdoor is gaandeweg een verbreding van de termen ‘cultureel erfgoed’ en ‘cultuurhistorie’ opgetreden. ‘Cultureel erfgoed’ duidt niet meer alleen op cultuurgoederen die door vorige generaties zijn nagelaten en vanwege hun monumentale of museale waarde van algemeen belang kunnen worden geacht voor onze huidige cultuur. Het betreft inmiddels ook alle zaken die door vorige èn huidige generaties zijn vervaardigd en van lokale, of zelfs individuele, waarde kunnen zijn. ‘Cultuurhistorie’ moet niet meer worden begrepen in de nauwe zin van ‘de


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

geschiedenis van de Nederlandse cultuur’. Het heeft een meer etnografische lading gekregen waarin het ook verwijst naar gewoonten en gebruiken in de ruimste zin van het woord. Met deze verschuiving van exclusieve naar inclusieve begrippen is ook het bijzondere van erfgoed verdwenen. Als alles van cultuurhistorische waarde kan zijn, kan ook alles erfgoed zijn. Uiteindelijk is dan niets nog erfgoed.

Monument of erfgoed, waarde of kwaliteit? Met de verbreding van de inhoud van de termen ‘cultureel erfgoed’ en ‘cultuurhistorie' komt ook het begrip ‘monument’ in troebel vaarwater. Waar ligt de scheidslijn tussen gebouwd erfgoed en monument? Dit heb ik mijzelf op meerdere momenten gedurende de Akademie afgevraagd. Het valt mij op dat in gesprekken over wat een monument is voornamelijk in termen van ‘waarde’ wordt gesproken, terwijl de status van erfgoed veel meer met begrippen als ‘kwaliteit’ en ‘betekenis’ wordt onderbouwd. Iets als erfgoed ervaren en iets monument noemen, zijn dus twee verschillende dingen. Ook bij lezing van de Visie Modernisering Monumentenzorg valt op dat het woord ‘erfgoed’ voornamelijk wordt gebruikt als het gaat om de immateriële waarde die gebouwen voor onze gemeenschap en voor de kwaliteit van leven van haar burgers hebben. De term ‘monument’ wordt gebruikt in de context van belanghouders, beleid en instrumentarium. De reikwijdte van het concept erfgoed is dus groter en de term wordt vooral gebruikt als het gaat over het waarom van monumentenzorg. De begrippen ‘monument’ en ‘monumentenzorg’ daarentegen worden gebruikt als het gaat over de praktische invulling van het beleid en verwijzen naar het hoe van monumentenzorg. Waren deze beide aspecten voorheen het werkveld van de specialist, nu krijgt de burger in de MoMo een stem op beide vlakken om ‘een evenwicht tussen de wetenschappelijke kennis

20

en de belevingskennis’ te bewerkstelligen. Tot nu toe bepaalden specialisten welke onderdelen van ons gebouwd erfgoed van algemeen belang waren en beschermd moesten worden. Als gevolg van decentralisatie van de rijksoverheid naar lagere overheden en de verregaande emancipatie en individualisering van de burger, zal de inbreng van de laatste in de gemoderniseerde monumentenzorg sturen wat wordt behouden. In de MoMo verschijnt de burger in vele gedaanten. Het is de monddode juridisch eigenaar, de betrokken omwonende die een stichting opricht en zelf plannen maakt, de naar vermaak zoekende toerist. Kortom, het is een persoon die in het erfgoed op zoek is naar emotie en sensatie. De expert wordt wat eenzijdig gepresenteerd als de invloedrijke wetenschapper die de gemeenschap en haar burgers voorschrijft wat haar erfgoed is en wat er wel of niet mee mag gebeuren. Ratio en bezinning kenmerken hem. De geschetste tegenstelling is hard, maar volgens de MoMo de kern van het probleem van monumentenzorg als hindermacht. De oplossingen die in de visie worden gegeven, zullen echter niet kunnen voorkomen dat alle belanghebbenden nog steeds, en misschien wel meer dan voorheen, voor de vraag zullen komen te staan of en hoe gebouwd erfgoed kan worden behouden. Wie is dan in staat om helderheid te scheppen in de voor vele burgers abstracte materie van het bepalen van de waarden en de ruimte voor interventie?

Op zoek naar nieuwe houvast Erfgoed is van iets specifieks dat we moeten behouden voor ons nageslacht verworden tot iets algemeens dat we nu, voor de huidige gemeenschap, moeten ontwikkelen. Werd de discussie voorheen tussen monumentenzorgers onderling gevoerd, nu moet dat worden gedaan met een veelheid aan betrokken partijen èn met de burger. Alle belanghebbenden spreken mee en om het cultuurhistorische

E R FG O E D A K A D E M I E

argument over te laten komen, moet de erfgoedzorger welsprekend zijn. Hij moet vlot, indrukwekkend, elegant en overtuigend spreken en het vermogen hebben om sterke, publieke emoties in een treffende en passende taal te vatten. Want ook al praat iedereen mee, uiteindelijk wordt het laatste oordeel overgelaten aan de specialist. Ook al zegt Plasterks visie dat dit juist moet worden beperkt, laat de praktijk een tegenbeweging zien. Universitaire onderzoeksinstituten worden gevraagd om in vastgelopen, complexe herontwikkelingstrajecten helderheid te scheppen. Cultuurhistorici worden steeds vaker als mediator ingezet om de verschillende belangen te benoemen en te verenigen. Als de gemeenschap op zoek is naar een eloquente woordvoerder, dan komt zij terecht bij… de expert. In een tijd waarin alles erfgoed is, elke interventie een opgave voor monumentenzorg wordt en de vox populi meer zeggingskracht heeft gekregen, vragen de experts zich op hun beurt af hoe ver zij mogen gaan met een interventie als het om publiek eigendom gaat dat een belangrijke plaats in de gemeenschappelijke en particuliere herinnering inneemt. Restauratiefilosofie en -ethiek helpen wel bij technische en vakgerelateerde vraagstukken, maar niet als monumentenzorg een sociaal en moreel vraagstuk begint te worden. Op dat vlak blijken de ideeën van De Stuers, Ruskin en Riegl en de uitgangspunten van instituten als de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Rijksgebouwendienst onvoldoende handvatten te bieden. In de academische monumentenzorg zie ik steeds vaker dat dan wordt gegrepen naar de Wijsbegeerte. De ethische beschouwingen van Aristoteles, Kant of Mill lijken langzamerhand een nieuwe lamp te worden die het pad van de erfgoedzorger verlicht en de problematiek rondom de sociale en morele aspecten van monumentenzorg oplost.

IMPRESSIES VAN DE PILOTCURSUS: DE MEESTERS IN DIALOOG MET DE LEERLINGEN EN PARTNERS VAN DE ERFGOED AKADEMIE. FOTO'S: NOUT STEENKAMP FOTOGRAFIE


E R FG O E D A K A D E M I E

21

Enkele voorbeelden

gebied erfgoedzorg. De filosofie gebruiken als toetssteen voor de erfgoedpraktijk is mijn inziens niet de juiste manier. Filosofie is namelijk niet een discipline die klipklare antwoorden geeft. Het is een wetenschapsgebied dat door onderzoek en onderbouwing helderheid probeert te scheppen in problematische vraagstukken en daarbij behorende opvattingen kan aanscherpen. Filosofie kan worden ingezet als een verhelderend middel binnen de immer complexer wordende erfgoedpraktijk.

In 2004 schoof cultuurfilosoof Kees Vuyk aan bij de discussie rond de herontwikkeling van het landelijk netwerk van de 12 aan het spoor gelegen PTT expeditieknooppunten. Het was zijn taak om de impact van het benoemen tot erfgoed van deze jonge gebouwen van het zogenaamde ‘Sternet' te verwoorden. Aanleiding voor de discussie was de inventarisatie van naoorlogse overheidsgebouwen door Atelier Rijksbouwmeester. Nog te jong om onder de hoede van monumentenzorg te vallen, konden deze gebouwen niet officieel worden beschermd. Toch beschouwde het NAi het Sternet als cultureel erfgoed. In 2008 vond er aan de TU Delft onder leiding van hoogleraar Cultuurfilosofie en Techniek Christian Illies de workshop ‘Ethics of Architecture & Urban Planning’ plaats. Ook monumentenzorg, als één van de partijen betrokken bij interventie in de gebouwde omgeving, kreeg hierin een plaats. Begin 2009 werd door Belvedere een studie gepubliceerd waarin het Belvedere beleid kritisch werd bekeken tegen het licht van Nietzsche’s Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben. Eind dit jaar zal het wetenschappelijke architectuurtijdschrift Oase op zoek gaan naar de raakvlakken tussen het ontwerpen en beleven van architectuur enerzijds en continentale filosofie anderzijds. Ook de Erfgoed Akademie wendde zich tot de filosofie. Naast inhoudelijke verdieping beoogt het ook vaardigheden gestoeld op wijsgerige technieken over te brengen. De greep naar de wijsbegeerte kan twee dingen betekenen. Erfgoedzorg wordt nog specialistischer, trekt zich helemaal terug in zijn ivoren, inmiddels aan restauratie toezijnde toren en komt zo nog verder van het publiek af te staan. Òf erfgoedzorg is een op zichzelf staande, volwassen wetenschap geworden die op zoek gaat naar zijn normatieve grenzen. Ik denk dat we in het licht van de visie Modernisering Monumentenzorg en de huidige trends in ons vakgebied moeten inzetten op de tweede optie. Ik duid die beweging aan met ‘meta-monumentenzorg’.

Meta-monumentenzorg Wat moet worden voorkomen is dat wijsgerige overtuigingen worden aangenomen als wetenschappelijke kennis en zo, zonder nadere beschouwing, hun weg vinden in het vak-

Meta-monumentenzorg kan in mijn ogen binnen de erfgoedzorg dezelfde rol vervullen als meta-ethiek binnen de filosofie doet. Metaethiek richt zich op de betekenis van centrale morele begrippen zoals ‘goed’, ‘slecht’, ‘recht’, ‘plicht’ en ‘verantwoordelijkheid’. Het stelt vragen over de herkomst van deze termen en onderzoekt de relatie tussen onze waarden en ons moreel handelen. Meta-monumentenzorg zou zich op vergelijkbare wijze kunnen richten op de centrale begrippen van de erfgoedzorg. Wat is de betekenis van ‘authenticiteit’ en waar komt het begrip vandaan? Wat is de relatie van dit concept tot ons handelen ten aanzien van erfgoed? Middels het bedrijven van metamonumentenzorg zijn wij specialisten in staat om visies en ideeën te onderzoeken en te vertalen naar praktische handvatten en beleidsinstrumenten die direct kunnen worden ingezet. Zo voorkomen we dat er wederom theoretische richtlijnen ontstaan, die eerst te lang naar de letter worden gelezen, om er vervolgens achter te komen dat ze beter naar de geest hadden kunnen worden geïnterpreteerd. Het omzetten van wijsgerige overtuigingen naar de erfgoeddiscipline en -praktijk vraagt niet alleen om welsprekendheid, maar ook om een vertaalslag. Als ik bijvoorbeeld vraag: ‘Vindt u dat cultuurhistorische waarden beter kunnen worden benaderd volgens David Humes criterium uit diens Of the Standard of Taste of volgens Kants model uit diens Kritik der Urteilskraft?’, dan is de kans groot dat het verband tussen deze vraag en de opgaven binnen de erfgoedzorg u ontgaat! Maar als ik vraag of erfgoedwaarden slechts subjectief van aard zijn of dat zij ook enige mate van objectiviteit kunnen of zelfs zouden moeten hebben, dan begint u vast meer te dagen. Als ik het echter aan een leek zou willen uitleggen, dan moet ik inzichtelijk kunnen maken of een

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

gebouw alleen van waarde is voor een enkeling of voor meerdere personen. Inzet van wetenschappelijke kennis is goed en blijft noodzakelijk, ook in de toekomst van onze discipline. Het mag echter niet resulteren in een beperkte, specialistische visie die de belangen van andere partijen buiten beschouwing laat en voor overige betrokkenen onbegrijpelijk is. Zoals we tijdens de Erfgoed Akademie al merkten, betekent dit niet dat de specialist maar overboord moet worden gegooid. Deze zal zich moeten ontwikkelen tot een welsprekende woordvoerder. Ook voor de academische erfgoedzorger geldt niet anders. Beiden zullen zich dan ook moeten blijven inspannen om hun kennis te vertalen naar een verhaal voor de praktijk. Daar is geen methode of richtlijn voor. Het betreft een attitude en inzet. Men moet zeker zijn van zijn eigen kennis, deze uit blijven breiden en strategisch in kunnen zetten doordat men op de hoogte blijft van wat er in het veld speelt. Zoals we allen gedurende de Erfgoed Akademie hebben ervaren, kan dit desnoods met behulp van de Wijsbegeerte. Het zij als communicatietechniek of als middel om de problematiek en opvattingen scherper te krijgen. Zo kan worden voorkomen dat de wetenschappelijke erfgoedzorg zich beperkt tot een beschouwende discipline die zich buiten de maatschappij plaatst.

Dit is een erfgoedfilosoof! Na mijn zoektocht naar het onderscheid tussen monumenten en erfgoed, kom ik uiteindelijk op hetzelfde punt uit als Plasterk in zijn visie: erfgoed is inderdaad publiek eigendom en daarom van en voor de burger. Maar ook dóór de burger? Ik leg het initiatief liever bij onszelf, en pleit ervoor dat wij zelf onze verantwoordelijkheid nemen om de burger op een eloquente en ethische wijze ter dienst te staan in zijn strijd om het behoud van zijn erfgoed. Alleen dan zijn we daadwerkelijk erfgoedfilosofen, meta-monumentenzorgers, die niet slechts denken over het erfgoed, maar dit ook kunnen inzetten als bruikbaar middel om niet alleen het vak voor onszelf, maar ook de praktijk voor de burger en andere betrokkenen naar een hoger plan te tillen. 


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

RONALD STENVERT A R C H I T E CT U U R - E N B O U W H I S TO R I C U S , M E D E O P R I C H T E R E N F I R M A N T VA N B B A : B U R E A U VO O R B O U W H I S TO R I E E N A R C H I T E CT U U R G E S C H I E D E N I S TE UTRECHT

BOUWHISTORIE: GEWAPEND BETON DEEL 1

22

‘Het grauwe gevaar verontrust den liefhebber van onze Nederlandsche architectuur'1, schreef men in 1912. Gewapend beton werd aanvankelijk niet onverdeeld gunstig ontvangen. In het algemeen vond men dat de esthetiek ondergeschikt werd gemaakt aan de verbeterde mogelijkheden voor goedkopere, brandveiligere, waterdichte en robuuste gebouwen met grotere overspanningen. Over de vroegste geschiedenis van beton is al het nodige geschreven.2 Recent bouwhistorisch onderzoek geeft aanleiding tot enkele aanvullingen. Heden ten dage wordt genuanceerder gedacht over het esthetische aspect van de 'grauwe gebouwen' van toen. Diverse daarvan hebben inmiddels een plaats in ons collectieve geheugen verworven. Te denken valt aan Radio Kootwijk, de Van Nelle Fabriek en het Groothandelsgebouw te Rotterdam of het Evoluon in Eindhoven.

Stampen, spuiten & schokken

Gestolde massa Grijs gemalen poeder et octrooi dat de Engelsman Joseph Aspdin (1779-1855) in 1824 op de productie van portlandcement kreeg, markeert het begin van een spectaculaire ontwikkeling. De Romeinen wisten al dat fijngemalen vulkanische aarde (puzzolaanaarde) samen met kalk en water verhardde tot wat zij caementum noemden.3 Aspdin verving deze aarde door een mengsel van kalk en klei dat hij op hoge temperatuur van nabij het smeltpunt brandde. De aldus gesinterde slakken werden vervolgens tot poeder gemalen. Het eindproduct had een grijze kleur die sterk leek op die van de kalksteen uit de groeven van Portland. Daarom kreeg het de naam Portlandcement.

H

Cement is een hydraulisch bindmiddel dat gemengd met toeslag onder invloed van water verhardt tot een vaste, onoplosbare en tevens waterdichte massa. In 1852 werd in Nederland al geschreven over ‘deze kunstmatige steensoort het zoogenaamd Concrete’, waarmee men toen nog ongewapend stampbeton bedoelde.4

Pioniers van de gestolde massa In 1848 kreeg cement een nieuwe toepassing toen de Franse ingenieur Joseph-Louis Lambot (1814-1887) er een gevlochten ijzeren raamwerk mee bestreek tot een kleine waterdichte roeiboot. Gepresenteerd op de Wereld-

1 – STRIJENSAS, VIS-KAZEMAT UIT 1936 AAN HET HOLLANDSCH DIEP GEVECHTSSPOREN EN DAAROP EEN LUCHTWACHTTOREN UIT 1953. FOTO 2009


23

tentoonstelling van 1855 in Parijs bracht dit de Franse tuinman Joseph Monier (1823-1906) op het idee om op eenzelfde wijze plantenbakken te produceren. Hij ging daarna een stapje verder en kreeg in 1867 octrooi op de constructie van waterreservoirs en vervolgens in 1873 op de constructie van boogbruggen. De hernieuwing van zijn patenten in 1878 omvatte ook de aanvraag voor een balk met ‘een skelet van ijzer in de vorm van een traliewerk of metalen weefsel met daarin ronde of vierkante ijzers’. Dit raamwerk diende geheel met cement te worden gevuld waardoor het ‘une très grande résistance et une très grande solidité et d'une durée illimitée presque indéfinie’ kreeg.5 Naast deze ogenschijnlijk bijna onbeperkte levensduur kon het nieuwe materiaal in alle vormen en maten gevormd worden. Wel was daartoe een tijdelijke houten bekisting nodig om de dik vloeibare massa inclusief ijzeren skelet tijdens het uithardingproces te ondersteunen. In de verharde monoliete constructie zorgt het beton voor de opname van de drukkrachten en de ijzeren wapening voor die van de trekkrachten. Een belangrijk voordeel is dat beton en ijzer uitstekend aan elkaar hechten en nagenoeg dezelfde uitzettingscoëfficiënten bezitten en daarom niet van elkaar losscheuren.

Proeven en aannames In eerste instantie moest alle kennis over beton empirisch bepaald worden; de samenstelling, de wapening en vooral de berekening van de krachten in de constructie. In het begin voegde men aan het cement naast zand ook andere toeslagstoffen toe met veelal een kleine

2 – DELFT, SCHILLENMEEL MAGAZIJN VAN DE CALVÉ-FABRIEK NET NA DE OPLEVERING IN 1905 MET ZICHTBARE GIETNADEN. FOTO GEMEENTEARCHIEF DELFT

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Samenvatting Gewapend beton is onbetwistbaar het belangrijkste bouwmateriaal van de twintigste eeuw: belangrijk, maar niet altijd even geliefd. In twee afleveringen wordt in vogelvlucht de hoofdlijnen van de ontwikkeling van dit opmerkelijke materiaal en zijn toepassingen geschetst. Deze eerste aflevering bestrijkt de beginfase met het ontstaan en de ontwikkeling tot een algemeen gangbare constructietechniek, alsmede de innovaties in de eerste vier decennia van de twintigste eeuw. De periode van de wederopbouw staat in de tweede aflevering centraal.

korrelgrootte. Pas vanaf circa 1910 werd duidelijk dat een goede gelijkmatige verdeling van korrelgroottes en bijmenging van meer grind de drukvastheid van het eindproduct verbeterde. In de literatuur van die tijd sprak men vaak over gewapend cement of cement-ijzerwerken. Pas na enige tijd werd gewapend beton de algemene term. Thaddeus Hyatt (1816-1901), die in Amerika in 1878 een patent op een vrijwel identieke constructie als die van Monier had verkregen, stelde toen al vast dat de wapening niet, zoals Monier dacht, in het midden diende te liggen maar constructief pas ten volle zou worden uitgenut door de wapening in het midden van de betonbalk onderin te leggen en bij de steunpunten juist bovenin.6 Het patent van Monier werd in 1884 voor Zuid-Duitsland aangekocht door de firma Freytag & Heidschuch. Een jaar later verleende zij een licentie aan de firma G.A. Wayss om samen met de Pruisische Regierungsbaumeister Matthias Koenen (1849-1924) in Berlijn belastingsproeven uit te voeren. Dit leidde in

3 – DELFT, SCHILLENMEELMAGAZIJN NA DE OMBOUW IN 1952 TOT SCHAFTLOKAAL (LATER BEDRIJFSKANTINE), DOOR TOEVOEGING VAN EEN VERDIEPING EN TRAPPEN. FOTO 2009

1887 tot de publicatie van Das System Monier (Eisengerippe mit Zementumhüllung). De hierin beschreven berekening werd de basis voor de door Emil Mörsch (1872-1950) vervaardigde eerste algemene betonberekeningsmethode uit 1902.7

Van Zeeuws-Vlaanderen naar Amsterdam In 1880 verwierf de Firma Picha & Frerès uit Gent voor België een licentie op de octrooien van Monier. In 1888 richtten de broers samen met L. Stevens in het Zeeuwse Sas van Gent de firma Picha-Stevens op als een bedrijf in ‘cement-ijzerwerken’. Zij maakten de Moniergewelven van de R.K. H. Maria Hemelvaartkerk aldaar (1891) naar ontwerp van Jos Th.J. Cuypers. In 1893 paste Jos samen met zijn vader P.J.H. Cuypers ook Monierwerken toe bij de reconstructie en modernisering van kasteel de Haar te Haarzuilens. Stevens nam in 1890 het initiatief om de ‘Amsterdamsche Fabriek van Cement-IJzerwerken (systeem Monier)’ op te richten.8 In 1895 kwam daar Ludwig Adrian Sanders (1867-1956) als technisch adviseur te werken. Hij ontwikkelde zich tot een vooraan-


25

 4 – KOOTWIJK, RADIO KOOTWIJK,

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

7 – DELFT, DETAIL VAN DE VLOERCONSTRUCTIE BESTAANDE UIT INGEGOTEN IBALKJES RUSTEND OP GELASTE STALEN HOEKPROFIELEN. IN 1905 KON MEN EEN DERGELIJKE LASCONSTRUCTIES NOG NIET MAKEN, IN 1952 WEL, MAAR TOEN WAS DE TOEPASSING VAN 'MONIERDECKE' WAT GEDATEERD GERAAKT. FOTO 2009

1921-1922, MET (VAAG) NOG ZICHTBARE GIETNADEN. FOTO 2007 5 – ROTTERDAM, HOFPLEINVIADUCT, 1905-1906. 6 – GROESBEEK, CENAKELKERK VAN DE HEILIG LANDSTICHTING BIJ GROESBEEK, 1914.

staand expert op dit gebied 9 en publiceerde in 1898 in het blad De Ingenieur een eerste Nederlandstalige betonberekeningsmethode.10 In 1907 verscheen van zijn hand een standaardwerk over de betonontwikkeling.11 De in dit boek gepubliceerde werken hebben hierdoor een grotere bekendheid gekregen dan die van concurrerende firma’s. Sanders stond aan de basis van enkele van de vroegste gewapende betonconstructies in Nederland: de Rijkspostspaarbank te Amsterdam (Van Baerlestraat 27, 1899) en het nieuwe gebouw van de Landsdrukkerij te ’s-Gravenhage (Fluwelen Burgwal 36-54, 1905). Het uit 1902 daterende graanpakhuis Fortuna van de Fa. Swildens & Kuipers te Leeuwarden wordt alom beschouwd als eerste gebouw van gewapend beton met meerdere verdiepingen, maar is helaas in 1986 gesloopt. Uit de beginperiode stamt het in 1905 voor de Calvé-fabrieken in Delft gebouwde schillenmeelmagazijn. Architect Jonas Hegt (18791943) ontwierp een gebouw met een hoge tweebeukige ruimte en weinig ramen voor de opslag van de gemalen doppen van de pinda’s waarvan de firma slaolie maakte. Sanders berekende de constructie (figuur 2)13. Het nog bestaande gebouw, dat al snel zijn functie verloor, kreeg in 1952 een nieuwe functie door de inbouw van een verdieping en trappen (figuur 3). Opmerkelijk is dat toen nog gebruik werd gemaakt van inmiddels ouderwets geachte vloeren met ingegoten I-balkjes die bekend staan als ‘Monierdecke’ (figuur 7)14.

Bredere verspreiding Een andere belangrijke Nederlandse betonpionier was Alphons Constant Charles Godefridus van Hemert (1857-1926), in 1902 oprichter van de Hollandsche Beton Maatschappij. In 1904 publiceerde hij over de theorie van betonberekeningen, maar zijn eerste belangrijke bouwwerk was het ontwerp voor het Hofpleinviaduct voor de Zuid-Hollandsche Electrische Spoorweg-Maatschappij, uitgevoerd in 1905-1906 volgens het ‘systeem Melan’ met forse ingegoten stalen I-liggers (figuur 5).

8 – DÜLMEN (BIJ COESFELD), FIRMA W.M. BENDIX, CONSTRUCTIE VOLGENS HET SYSTEEM KOENEN. FOTO 1995

9 – EINDHOVEN, TORENTJE VAN HET PHILIPSGEBOUW EC AAN DE MATHILDELAAN, 1910. FOTO 2006

Hoewel al in 1898 opgericht, kreeg de N.V. Industriële Maatschappij F.J. Stulemeijer & Co. uit Breda vanaf 1904 bekendheid, onder meer met de bouw van een grote Stoommeelfabriek in Rotterdam (1910). In 1912 kwam daar de civiel-ingenieur Jan Gerko Wiebenga (1886-1974) in dienst. Hij was verantwoordelijk voor de ‘Wiebengahal’ (1912), de nog resterende hal van het uitgebreidere fabriekscomplex van de Société Céramique in Maastricht. Ook verzorgde hij de berekening voor de imposante koepel van de Cenakelkerk van de Heilig Landstichting bij Groesbeek (1914) (figuur 6). In 1916 ging Wiebenga als zelfstandig constructeur verder. De in 1918 tot Internationale Gewapend Betonbouw omge-

doopte firma bouwde vervolgens onder meer in 1921-1922 Radio Kootwijk naar ontwerp van Julius Maria Luthmann (1890-1973) (figuur 4)15. De in 1888 opgerichte Rotterdamse Cementsteenfabriek Van Waning & Co. richtte zich vanaf 1900 op de bouw van gewapend betonconstructies, met als voorbeelden de Katoenspinnerij Eilermark (1907) net over de Duitse grens bij Enschede en het Jobsveem in Rotterdam (1912).16 In tegenstelling tot de andere genoemde firma's verzorgden ze niet zelf de berekeningen maar lieten dat over aan de uitvoerende architecten; in dit geval respectievelijk Arend Gerrit Beltman (1869-1934) en


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Jan Jeronimus Kanters (1869-1920). Een vijfde belangrijke speler was; de in 1912 opgerichte N.V. Gewapend Betonbouw De Kondor uit Amsterdam. Zij bouwde onder meer de DRU-fabriek in Ulft (1913) naar ontwerp van Beltman en de Wolkenkrabber op het Victorieplein (1930-1932) naar ontwerp van Jan Frederik Staal (1879-1940).17

Dominante monolithische constructies Internationaal gezien staat de belangrijkste constructieve innovatie op naam van François Hennebique (1842-1921). Hij toonde in 1892 aan dat gewapend beton niet als een samenstelsel van twee materialen beschouwd diende te worden, maar wel degelijk als één monolithische constructie. Dat jaar kreeg hij zijn eerste patent.18 Na verbeteringen door toevoeging van ijzeren beugels rondom de wapening (1892) en het opbuigen van staven bij de steunpunten (1897) ontwikkelde hij een constructiesysteem waarbij kolommen zware langsbalken ondersteunen die samen met haakse dwarsbalken gezamenlijk de vloer dragen. Omdat in Nederland toentertijd geen octrooiwet van kracht was, stond weinig hier een vroege toepassing in de weg. Toch werd de ‘Hennebiqueconstructie’ ook in Nederland pas na het verlopen van zijn patent in 1907 algemeen gangbaar.

Fabrieken in het oosten en zuiden In Twente en omliggende textielgebieden bestond een grote markt voor brandveilige fabrieksgebouwen.19 De in Berlijn opgeleide Arend Gerrit Beltman speelde hierop in en ontwierp fabrieken van gewapend beton in Eilermark bij Gronau (1907) en Dülmen (1908). Bij de laatste maakte hij nog gebruik van het ‘systeem Koenen’ met tussen de balken aan de onderzijde licht gebogen vloeren (figuur 8). Kort daarop stapte hij over op de Hennebique-constructie en paste die toe in textielfabrieken in Borne (1912; gesloopt 1988), Winterswijk (1912) en Almelo (1914). Via zijn Bornse contacten werkte hij ook in Eindhoven dat destijds vooral een textielcentrum was. Toen Gerard Philips in 1907 overging op de productie van lampen van metaaldraad kreeg Beltman de opdracht voor twee fabrieksgebouwen ten behoeve van de productie daarvan. Het gebouw uit 1908 werd in 1942 verwoest, het deel uit 1910 aan de Mathildelaan bestaat echter nog (figuur 9). In 1920-1921 werd hier naar ontwerp van Dirk Roosenburg (18871962) de bekende Lichttoren tegenaan gebouwd. Voor de genoemde fabrieken maakten Beltman en met name zijn constructeur Marten Jan Christiaan Brouwer (1873-1944) gebruik van Duitse berekeningsmethoden.

26

Toen Philips in 1925 startte met de productie van radio’s verrezen er op het fabriekscomplex Strijp S te Eindhoven in 1927-1930 een drietal meerlaagse apparatenfabrieken, met Roosenburg als esthetisch adviseur en J.R. Bouten (1892-1971) van het Philips Bouwbureau als ontwerper. Het resultaat is een ‘volgroeid’ driebeukig, op de Hennebique-constructie gebaseerd, betonskelet voorzien van stalen ramen (figuur 10)20.

Gewapend Beton Voorschriften Publicaties over verschillende berekeningsmethoden volgden elkaar begin twintigste eeuw in snel tempo op. Toch duurde het tot 1912 voordat in Nederland de eerste ‘Gewapend Beton Voorschiften’ (GBV) van kracht werden. Duitsland had al sinds 1904 ‘Vorläufige Leitsätze’ die in 1907 definitief werden (door Beltman toegepast). Frankrijk publiceerde in 1906 zijn ‘Instructions’. De vermelde publicaties van Sanders stonden aan de basis van de eerste Nederlandse Voorschriften uit 1912. Bij de in 1918 herziene versie was Anthonie Adrianus Boon (1882-1956) betrokken, Sanders’ opvolger bij de Amsterdamsche fabriek voor Cement-IJzerwerken.21 In dit belangrijke jaar 1912 brak de architect Jan Gratema (1877-1947) een lans voor de toepassing van gewapend beton in de burgerlijke bouwkunst. Tot dan toe waren de betonconstructies vooral gezien als ‘ingenieurskunst’. Gratema vond wel dat architecten nog veel te weinig van het materiaal wisten om het artistiek te kunnen verwerken en vervolgde: ‘er wordt wel eens betwijfeld, of gewapend beton tot een goeden stijl zich kan ontwikkelen’. Zelf had hij er echter geen twijfels meer over: ‘Maar spoedig zullen de groote constructies en ook de gevels hun bekleeding van onzuivere architectuur afwerpen en zal het materiaal in zijn volle stijlschoonheid zich ontwikkelen’.22

Jacobskerk te Vlissingen koos men voor een nieuwe spits van gewapend beton. Om zeker van zijn zaak te zijn informeerde het raadslid Staverman schriftelijk bij vijfentwintig (!) architecten naar hun mening ‘of op de duurzaamheid van gewapend even veel te vertrouwen is als op die van ’t beproefde eikenhout’. Berlage durfde beton wel aan te bevelen. Hij had immers al elders gesteld: ‘gewapend beton [is], na het ijzer, wel de belangrijkste uitvinding op het gebied van materialen; misschien wel de belangrijkste, omdat het gewapend beton aan al die eigenschappen voldoet, welke aan het ijzer ontbreken...’.24 Andere architecten, zoals de rijksbouwmeesters W.C. Metzelaar en C.H. Peters, waren meer terughoudend, terwijl Victor de Stuers zich een uitgesproken tegenstander verklaarde.25 In een later ingezonden reactie schaarde Cuypers zich opnieuw nadrukkelijk achter herbouw in beton, mede ook omdat hier niet meer om een oorspronkelijke afdekking ging. Beton werd vaker bij restauraties ingezet, ook de tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigde kathedraal te Reims werd in 1926 voorzien van een geheel nieuwe kapconstructie van betonnen prefab-elementen.26 Inmiddels hadden kerkbestuurders zich het nieuwe materiaal toegeëigend voor het bouwen van nieuwe kerken. De gereformeerde kerken van Heerenveen en Tijnje werden in 1921 door de aannemer H. Diepenbroek in beton uitgevoerd. Op de kerk te Heerenveen staat dan ook op de ‘eerste steen’ passend: ‘De eerste betonstorting...’ (figuur 11). In Friesland had men inmiddels al de smaak te pakken gekregen: ook enkele klokkenstoelen in de omgeving, te Luinjeberd (1921) en Oldehorne (1922), en de Belvédère te Oranjewoud (1924) verrezen in beton.

Iconen van het modernisme Verborgen in kerken Niet enkel in fabrieken, maar opmerkelijk genoeg ook in monumentale gebouwen, werd al vroeg beton toegepast. Kasteel De Haar is al genoemd. Dezelfde architect Cuypers was ook adviseur bij de restauratie van de toren van de Sint-Clemenskerk te Steenwijk. Bij deze opknapbeurt nam men de gelegenheid te baat om er een ijzeren reservoir voor de waterleiding in aan te brengen. De houten balklagen werden in 1913-1915 vervangen door betonnen balkenroosters in de vorm van een randbalk met draagbalken, met daarop een tien centimeter dikke vloer.23 Ook bij de herbouw van de in 1911 afgebrande

Onder invloed van het Dom-Ino huis (1914) van Le Corbusier (1887-1965), een rank gewapend betonskelet dat enkel bestaat uit vloeren en kolommen, vond gewapend beton ook ingang bij de moderne beweging van het functionalisme. Hoogtepunten van deze beweging, die in Nederland ook bekend staat als Het Nieuwe Bouwen, en waarin licht, lucht en ruimte samengaan met gewapend beton en stalen ramen, zijn het sanatorium Zonnestraal te Hilversum (1924-1928) en de Openluchtschool te Amsterdam (1929-1930), beide naar ontwerp van Jan Duiker (1890-1935). Om de constructie nog ranker te maken, liet Duiker de balkoverstekken aan de uiteinden bij de dakrand verjongen tot de vloerdikte.27 Wiebenga zorgde


27

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

10 – EINDHOVEN, HENNEBIQUE-CONSTRUCTIE IN PHILIPSGEBOUW SBP OP FABRIEKSCOMPLEX STRIJP UIT 1930. FOTO 2008

voor de benodigde berekeningen. Het accent van de stalen vliesgevel met daarachter een zo rank mogelijk betonskelet was ook uitgangspunt bij de Van Nelle Fabriek te Rotterdam (1926-1930). De architecten J.A. Brinkman (1902-1949) en L.C. van der Vlugt (1894-1936) bedachten samen om de paddenstoelvloer toe te passen (figuur 12). Opnieuw werd Wiebenga als constructeur ingeschakeld. Dit type vloer was in 1906 gepatenteerd door de Amerikaan Claude A.P. Turner als ‘Mushroom flat-slab system’ en bestaat uit een bredere kolomkop die aparte draagbalken overbodig maakt maar een iets dikkere vloer behoeft. Opmerkelijk genoeg had zijn vader Michiel Brinkman (1873-1925) in 1913 deze constructie al toegepast in de Stoommeelfabriek De Maas te Rotterdam.28 Ook F.P.J. Peutz (1896-1974) paste de constructie in 1933 om dezelfde redenen van rankheid toe bij het modehuis Schunck te Heerlen. Bij het Veemgebouw van Philips op Strijp S uit 1941-1942 komen ze eveneens voor (figuur 13).29 Daar is echter niet de esthetiek, maar het grote draagvermogen en vooral de hoogtewinst

de belangrijkste reden: acht Hennebique-balklagen met draagbalken stonden gelijk aan negen gestapelde paddenstoelvloeren. A.M. Haas, die in 1948 op de berekeningmethode ervan promoveerde, merkte daarbij op, ‘in het algemeen kan gezegd worden, dat in een paddenstoelvloer beduidend minder wapeningsstaal en wat meer beton gaat’.30

Schild ende betrouwen De mogelijkheden van beton voor verdedigingswerken waren de Genie niet onopgemerkt gebleven. Bij de nieuw te bouwen forten van de Stelling van Amsterdam paste men vanaf 1897 ongewapend beton met gebroken natuursteen als toeslagmiddel toe (porfierbeton).31 Ervaringen uit de Eerste Wereldoorlog leerden dat gewapend beton inmiddels onontbeerlijk was geworden. In 1913 had kapitein Pieter Wilhelmus Scharroo (1883-1963) hierover al gepubliceerd.32 Hij was toen werkzaam aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda en ontwikkelde zich tot een invloedrijk publicist en propagandist van dit moderne materiaal33 en de moderne mens.34 In 1918 werden de eerste groepsschuilplaatsen

11 – HEERENVEEN, GEREFORMEERDE KERK UIT 1921. FOTO 2006

van gewapend beton gebouwd, maar een echt plan kwam er pas in 1928 met de publicatie van de Voorschriften Inrichtingen Stellingen (VIS). Op grond hiervan verrezen er ter verdediging van de pas gereedgekomen Afsluitdijk (1932) en op strategische plekken langs de rivieren Rivierkazematten (1936) met een dekking van anderhalve meter gewapend beton (figuur 1).35 Rond die tijd werden ter bescherming tegen oorlogsgeweld diverse kerkkappen en andere belangrijke historische gebouwen, zoals het stadhuis van Maastricht, inwendig door middel van betonwanden en betonvloeren scherfvrij gemaakt. In de mobilisatietijd


VITRUVIUS

NUMMER 10

28

JA N U A R I 2 0 1 0

13 – EINDHOVEN, PADDENSTOELVLOERCONSTRUCTIE IN VEEMGEBOUW (GEBOUW SBM) OP FABRIEKSCOMPLEX STRIJP S VAN PHILIPS UIT 1941-1942. FOTO 2008

12 – ROTTERDAM, VAN NELLE FABRIEK UIT 1926-1930, DETAIL VAN EEN PADDENSTOELVLOER. FOTO 2008

verrezen in hoog tempo nog vele G-, S-, en Bkazematten bij de verdedigingslinies en langs de grenzen. Het relatieve nut van deze statische verdedigingwerken ondervond Scharroo aan den lijve als garnizoenscommandant van Rotterdam tijdens het Duitse bombardement op die stad van 14 mei 1940.

Betontechnologie Ter bevordering van studie en ontwikkeling van de betontechniek werd in 1925 de Betonbond opgericht, later Betonvereniging genoemd. Zij stimuleerde het onderzoek naar betonmengsels, maar ook naar een betere uitvoering van betonwerken. De belangrijkste innovatie rond die tijd was de introductie van

het trillen van het beton. De Fransman Marcel Deniau (1896-1975) had in 1927 een octrooi verkregen op de daarbij gebruikte trilnaald.36 Het maakte een beter verdicht beton mogelijk dan bij het tot die tijd gebruikelijke aanstampen. Ook kon met minder aanmaakwater worden volstaan, hetgeen eveneens de kwaliteit van het beton ten goede kwam. De introductie van de betonpomp maakte het mogelijk om de betonspecie niet enkel te pompen, maar vanaf 1920, ook te spuiten. Bij spuitbeton werd een droog mengsel in de sproeikop met water vermengd en als dunne laag op een bekisting gespoten, waardoor dunne schaalconstructies mogelijk werden. Daarmee was gewapend beton uiteindelijk een volwassen bouwmateriaal geworden met steeds beter begrepen materiaaleigenschappen. Trillen en spuiten kunnen in dit verband beschouwd worden als een afsluiting van de eerste betonrevolutie en als opmaat tot een tweede revolutie, die samen met het – in de volgende aflevering te bespreken – schokken en spannen pas tijdens de Wederopbouw tot volle wasdom zou komen.

Noten 1 V[isser], C., Het grauwe gevaar, De Bouwwereld,

11 (1912)44, 345, 347-348.

2 Hermans, Taco, Michiel van Hunen & Huub

van de Ven (red.), Monumenten in Beton: Ontwikkeling en herstel van historisch beton, Amersfoort 2006; Schippers, Hans, Bouwt in Beton!: Introductie en acceptatie van het gewapend beton in Nederland (1890-1940), Gouda 1995. Een wat ouder, maar nog steeds belangrijk, werk is Scharroo, P.W., Cement en Beton Oud en Nieuw: Geschiedkundig overzicht van de ontwikkeling van de betontechniek van de oudste tijden tot heden, Amsterdam 1946. 3 Haegermann, Gustav, Günter Huberti & Hans Möll, Von Caementum zum Spannbeton: Beiträge zur Geschichte des Betons, Wiesbaden/Berlin 1964. 4 ‘Over de kunstmatige steensoort het zoogenaamd Concrete’, Tijdschrift voor den Handwerksman en het Fabrijkwezen in Nederland, tweede deel, ’s-Gravenhage 1852, 93-101. 5 Bosc, Jean-Louis e.a., Joseph Monier et la naissance du ciment armé, Paris 2001, 100. 6 Zie Newby, Frank (ed.), Early reinforced Concrete, Aldershot e.a. 2001. 7 In 1893 gingen Gustav Adolf Wayss (1850-1917) en Conrad Freytag (1846-1921) samen verder in de nog bestaande firma Wayss & Freytag. E. Mörsch, Der Eisenbetonbau: Seine Theorie und Anwendung, Stuttgart 1902. 8 Sinds 1907 met de toevoeging ‘Wittenburg’. 9 Bouvy, J.J.B.J.J., Dr.-Ing. h.c. L.A. Sanders


29

Nederlands pionier van het gewapend beton 1867-1956, Cement, (1967), 275-282. 10 Sanders, L.A. Berekening van betonconstructies, De Ingenieur, 13(1898), 187, 199, 215, 231, 248. Uiteindelijk leidde dit in 1912 tot de eerste Gewapend Beton Voorschriften (GBV). Voor zijn verdiensten verkreeg Sanders in 1913 te Dresden een eredoctoraat in de technische wetenschappen. 11 Sanders, L.A., Het cement-ijzer in theorie en practijk, Amsterdam s.a. (1907). 12 Stenvert, Ronald, Calvé-fabriek Wateringseweg 4, Delft: Bouwhistorische verkenning met waardestelling en fotodocumentatie, Utrecht 2009. 13 Sanders 1907, 434-437. 14 Rössle, Karl, Der Eisenbetonbau, Berlin/Leipzig 1913, 109-111. 15 Opmerkelijk genoeg betitelde de architect het

materiaal zelf nog als ‘onedel’. Kuipers, Marieke, Beton(t)wikkeling: verkenning in vogelvlucht van de betongeschiedenis in Nederland, 1880-1955, in: Hermans e.a. 2006, 16. 16 Citroen, Hans e.a. (red.), Jobsveem

Rotterdam: Een gebouw in beweging 1912-2008, Rotterdam 2008. 17 Plaatsingslijst van het archief: Aannemings-

maatschappij De Kondor (1912-1970), Rotterdam 2005. Nederlands Architectuur Instituut. 18 Delhumeau, Gwenaël, L’invention du béton

armé: Hennebique 1890-1914, Paris 1999. 19 Stenvert, Ronald, Ontwerpen voor wonen en

werken: 125 jaar bureau Beltman, Utrecht 1996. 20 Vanaf het begin werden alle genoemde

Philipsfabrieken uitgevoerd door de Hollandsche Beton Maatschappij. 21 Boon, A.A., Gewapend beton: Een handleiding voor de studie van materialen enz., Leiden 1920 (derde druk inclusief GBV 1918, eerste druk 1908). Een nadere herziening volgde in 1930 en sindsdien ongeveer elke tien jaar. In 1912 verscheen voor het eerst het tijdschrift Gewapend Beton (1912-1936).

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

ingenieur, constructeur in stuc en staal, Rotterdam 1982. 28 Deze fabriek uit 1913 (Brielselaan 115) ligt aan de zelfde straat als de genoemde door Stulemeijer gebouwde fabriek uit 1910 (Brielselaan 7). 29 Hoeve, J.A. van der, Eindhoven Strijp S Veemgebouw: Bouwhistorische opname, Utrecht 2008. 30 Haas, A.M., Ontwerp en berekening van paddestoelvloeren, ’s-Gravenhage 1949, 211. 31 Heinemann, H.A., R.P.J. van Hees & T.G. Nijland, Concrete: Too young for conservation?, in: D’Ayala, D. & E. Fodde (eds.), Structural analysis of historic construction: Preservation safety and significance, London 2008, 151-159. 32 Scharroo, P.W., Het gebruik van gewapend beton bij militaire verdedigingswerken, Gewapend Beton, 1(1913), afl. 7, 8, 9, en 12, 2(1914) afl. 3. In 1914 omgewerkt tot Der Eisenbeton im Kriegsbau, Beton und Eisen, 13(1914), afl. 16/17. 33 Onder meer: Scharroo, P.W., Inleiding tot de studie van het gewapend beton, Amsterdam 1910 (tweede druk 1916) en Scharroo, P.W., Beton: handleiding voor den betonvakarbeider, ’sGravenhage 1940 (tweede druk 1942). 34 Als bestuurslid van het Nederlandsch Olympisch Comité sinds 1916 stond hij aan de basis van de Olympische Spelen in Amsterdam in 1928. Samen met de latere architect van het Olympisch stadion Jan Wils schreef hij het boek: Gebouwen en terreinen voor gymnastiek, spel en sport: Handleiding voor den bouw, den aanleg en de inrichting, Amsterdam s.a. [1924]. 35 Visser, H.R. & J.S. van Wieringen, Kazematten in het Interbellum, Amsterdam/Utrecht 2002. 36 Visser, S.A., Verdichten van beton met trilapparaten, Cement, 29(1950)21-22, 480-484. 

22 Gratema, J., Gewapend beton en bouwkunst,

Bouwkundig Weekblad, 32(1912), 464-469. 23 Kolman, Olde Meierink & Stenvert, De toren van de Sint-Clemenskerk te Steenwijk: Bouwhistorische documentatie, Utrecht 1996. 24 Berlage, H.P., Over de waarschijnlijke ontwikkeling der architectuur, Delft 1905, 24. In 1911 ontwierp Berlage te Santpoort een gegoten betonnen woonhuis. Voor de ontwikkeling in de volkshuisvesting zie: Kuipers, Marieke, Bouwen in Beton: Experimenten in de volkshuisvesting voor 1940, ’s-Gravenhage 1987. 25 De toekomst van het gewapend beton, Architectura, 20(1912), 47-48 en P.J.H. Cuypers, Ingezonden, Architectura, 21(1913), 27-28. 26 Ontwerp Henri-Louis Deneux (1874-1969), uitvoering Firma Wayss & Freytag. Kleinlogel, A., Fertigkonstruktionen im Beton- und Eisenbetonbau, Berlin 1929 (tweede druk circa 1947), 36-43. 27 Bak, Peter e.a. (red.), J. Duiker bouwkundig

AMSTERDAMSCHE FABRIEK VAN CEMENT-IJZERWERKEN / N.V. INDUSTRIËLE MAATSCHAPPIJ F.J. STULEMEIJER / HOLLANDSCHE MAATSCHAPPIJ TOT HET MAKEN VAN WERKEN IN GEWAPEND BETON. ALLE UIT HET TIJDSCHRIFT ‘HET HUIS OUD EN NIEUW’, JAARGANG 1910.


VOOR

U GELEZEN

Biografie van een weerbare man Cornelis Kraijenhoff 1758-1840 Een loopbaan onder vijf regeervormen Auteur W. Uitterhoeve Recensent Frits Niemeijer

Uitgave Uitgeverij Vantilt Details Paperback 477 pagina's geïllustreerd in z/w en kleur, register ISBN 978-94-6004-013-9

Prijs € 29,95 Panorama Krayenhoff (met een y) is de weidse naam van het zogenoemde 'Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie' (NHW), zoals het in 2006 definitief is opgenomen in de Nota Ruimte van het ministerie van VROM, in samenwerking met drie andere departementen. In de inleiding van de publicatie van het plandocument Linieperspectief 'Panorama Krayenhoff', uit 2003, staat dat de vijf betrokken provincies bij de bescherming en

ontwikkeling van de NHW “tegelijkertijd […] blijven handelen in de geest van de totale structuur, zoals die ooit door Cornelis Krayenhoff werd ontworpen.” We kunnen de koppeling van Kraijenhoffs naam aan dit miljoenenproject, dat er mogelijk ook toe zal leiden dat de waterlinie in de toekomst als Werelderfgoed wordt erkend, beschouwen als de hoogste vorm van waardering voor zijn verdiensten voor het Nederland van de jaren 1785-1840. Opmerkelijk genoeg wordt hier echter met geen woord over gerept in zijn monumentale biografie. Kraijenhoffs naam duikt op talrijke plaatsen op in de Nederlandse geschiedenis van de late 18e en de eerste helft van de 19e eeuw. Zo verdiende hij zijn sporen onder meer in de waterbouwkunde en de waterstaat, in de vestingbouw en de landmeetkunde, als (dissident) politicus en staatsman - en dit alles terwijl hij was gepromoveerd als filosoof en medicus. Geen kleine jongen dus. De auteur, W. Uitterhoeve, stelt in het voorwoord van de handelseditie van zijn dissertatie 'Cornelis Kraijenhoff 1758-1840; Een loopbaan onder vijf regeervormen': ”Zijn naam dook voortdurend op tijdens mijn ronddolen door de literatuur over de geschiedenis van de Noordelijke Nederlanden in de decennia rond 1800. […] Deze merkwaardig veelzijdige man van kennelijke importantie was een biografie alleszins waard, meende ik, en die was er nog niet.” Die biografie is er nu dus wel, maar of het de definitieve beschrijving van het leven en de importantie van C.R.Th. Kraijenhoff is, valt nog te bezien. Want hoewel het leven van de hoofd-

30

VITRUVIUS

persoon breeduit is beschreven, is toch een belangrijk deel van zijn betekenis voor het toenmalige Nederland onderbelicht gebleven. Wanneer de ondertitel van de levensbeschrijving letterlijk wordt genomen, mag de lezer een politieke biografie verwachten en in die zin zal hij meer dan voldoende aan zijn trekken komen. De manoeuvreerkunst tussen verschillende machthebbers en regeervormen die de hoofdpersoon tijdens zijn loopbaan aan de dag blijkt te hebben gelegd, is fenomenaal. Of de noemer opportunist, windvaan of behendig koorddanser hierbij het meest van toepassing is, moet de lezer maar voor zichzelf uitmaken. De jaren rond 1800 waren te rumoerig om daarover een eenduidig en definitief oordeel te vellen: ook over individueel gedrag in de Tweede Wereldoorlog zijn grijstinten uiteindelijk gaan overwegen boven het absolute zwartwit van de jaren '40 en '50. Want hoe moest een zeer begaafde Nederlander als Kraijenhoff in de jaren van de overgang van stadhouderschap en republiek, koninkrijk, naar keizertijd en weer koninkrijk onder zulke prominenten als Lodewijk Napoleon, zijn broer Napoleon Bonaparte en Koning Willem I zich anders staande houden dan door aanpassing? Met elk van hen heeft hij persoonlijk contact gehad en hij bereikte zelfs een post als Minister van Oorlog. Maar dat je ook toen al van de hoogste eer in de samenleving in de diepste ellende kon geraken, ondervond hij eveneens: kort na een verheffing in de adelstand geraakte hij in het cachot. De auteur heeft bij dit interessante en turbulente leven het geluk gehad dat Kraijenhoff zelf zijn eerste biografie op schrift stelde ('Levensbijzonderheden […]'), al moest hij daarbij altijd op zijn hoede zijn: de onbetrouwbaarste biograaf is de autobiograaf. Maar zo'n egodocument geeft in elk geval wel richting

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

aan het verder (noodzakelijke) onderzoek en het heeft Uitterhoeve veel feiten over zijn leven in de context van tijd en ruimte helpen plaatsen. In die zin is het terecht dat het boek genomineerd was voor de Grote Geschiedenisprijs 2009. Maar terwijl er qua positionering en biografische gegevens veel wetenswaardigs wordt aangedragen, is er ook enige teleurstelling. Terwijl veel biografieën van dit genre 'de werken' - in de betekenis van de (materiële) nalatenschap - van hun hoofdpersoon als uitgangspunt hebben, lijkt hier van een omgekeerde aanpak sprake te zijn geweest. Uitterhoeves fascinatie voor Kraijenhoff blijft namelijk meestal steken in 's mans geschriften en in zijn politiek optreden en marchanderen, terwijl de tastbare resultaten van zijn inspanningen slechts zijdelings in beeld komen. Zo lijkt zijn cartografisch werk niet veel meer dan een vlucht naar veiliger oorden in de perioden waarin zijn politieke rol (tijdelijk) is uitgespeeld, terwijl de 'Kaart van Kraijenhoff' (1823) toch als een mijlpaal wordt beschouwd. Het feit dat minimaal twee van de belangrijkste beschrijvers van de kaart en zijn vervaardiger niet in de literatuuropgave voorkomen, kan debet zijn aan deze veronachtzaming: N.D. Haasbroek (1972) en C. Koeman (o.m. 1983). Ook voor wat betreft Kraijenhoffs waterstaatkundige betekenis zijn we in deze biografie niet aan het goede adres. Eigenlijk komen we niet zo gek veel verder dan de wetenschap dat hij ‘eerst en vooral rivierkundige [is] geweest, de man van het systematische inzicht in het hele rivierenstelsel, een inzicht gebouwd op een wetenschappelijk verantwoorde observatie van stroomsnelheid, waterpeil, verval en afvoercapaciteit.’ Verder komt de waterpassing, het overbrengen van Amsterdams Peil, die één van zijn belangrijkste activiteiten was en die uiteindelijk leidde tot ons


VOOR

U GELEZEN

NAP, ternauwernood aan bod. Als er – naast de politieke invalshoek – al een tweede zwaartepunt in de biografie ligt, is het dat van Kraijenhoffs activiteiten op het gebied van defensie en vestingbouw. Het begint ermee dat hij de zoon was van een militair-ingenieur, die hem zijn geambieerde carrière in diezelfde richting ontzegde. Naar moderne inzichten een pedagogische miskleun. Na zijn promotie in de filosofie was er nog even sprake van een militaire opleiding onder de bekende Nederlandse vestingbouwkundige C.D. Dumoulin, maar ook deze keer liep het op niets uit. Kraijenhoff zat echter niet stil en verdiepte zich op persoonlijke titel jarenlang in wat eigenlijk zijn favoriete vakgebied was en gaandeweg werd hij een 'amateur-militair'. En daarin zat de tijd mee: de ene machtswisseling, oorlogsdreiging of werkelijke strijd volgde op de andere en wie iets van de krijgskunde begreep én op voldoende steun kon rekenen, was spekkoper. Zo is hij in 1787 als deskundige geraadpleegd in verband met het wel of niet zetten van inundaties

voor de verdediging van de patriottische hoofdstad tegen de orangisten en hun Pruissische helpers (denk ook aan Goejanverwellesluis). Na het aanvankelijke verlies van de stad, volgde in 1795 een totale ommekeer en is Kraijenhoff benoemd tot militair commandant van Amsterdam onder de Bataafsche Republiek. Deze positie was evenwel niet conform de gedachte van een centraal gezag - dus ook over de strijdkrachten - en was als zodanig alweer een voedingsbodem voor nieuw conflict. Dit eindigde met Kraijenhoffs terugtrekken uit de stad en een dubbelaanstelling als adjunctcontroleur van de Hollandse fortificatiën en van de rivieren. In deze positie heeft hij zich onderscheiden. Niet in de eerste plaats door het ontwerpen en bouwen van revolutionaire fortificaties, maar wel door de kunst van het toepassen van waterstaatkundige kennis bij de realisatie van waterlinies. De eerste keer deed hij dat in 1799, toen hij in Noord-Holland een waterbarrière 'opwierp' die in een halve cirkel van het Haarlemmermeer naar Monnickendam liep. De

DE STELLING VAN AMSTERDAM ANNO 2010: BUNKERS UIT 1917-19

31

VITRUVIUS

linie was bedoeld om een invasie van Engelsen en Russen bij hun strijd tegen Frankrijk de opmars naar Amsterdam te belemmeren. De hindernis werkte en het vervolg was dat Kraijenhoffs uitgebalanceerde systeem van het stellen van waterlinies meer en meer is toegepast. Het bekendst werden de Nieuwe Hollandse Waterlinie (begonnen in 1815) en de Stelling van Amsterdam (begonnen rond 1875). Kraijenhoffs eerste als waterlinie uitgevoerde kringstelling was een voorloper van de Stelling van Amsterdam. Deze kringstelling, die ook wel als de 'Positie van Amsterdam' of als de 'Oude Stelling van Amsterdam met de Posten van Kraijenhoff' wordt aangeduid, is voorbereid en uitgevoerd in de jaren 1805-1810, dus grotendeels onder bewind van Koning Lodewijk Napoleon. Het einde van de aanleg van de positie kwam tegelijk met de inlijving van Nederland in het Franse Rijk. De linie werd mede aangelegd om aanvallers van Frankrijk en van zijn vazalstaten te weren, maar ze was bijna gebruikt om de Fransen zelf bui-

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

ten de stad te houden. De linie is door de politieke situatie echter niet in staat van verdediging gebracht en de ontwerper ervan moest op last van Keizer Napoleon opnieuw het veld ruimen. Toch wist Kraijenhoff nogmaals de weg naar het hof te vinden en nota bene Napoleon zélf voor zijn project van een waterlinie van Gorinchem naar de Zuiderzee te interesseren. Van uitvoering van het project en van realisatie van een IJssellinie is het toen echter niet meer gekomen: in 1813 viel het doek voor Napoleon in de Volkerenslag bij Leipzig. Tot zover zijn Kraijenhoffs militaire werken intussen in het veld nauwelijks meer fysiek waar te nemen. Dat is anders voor wat betreft de Nieuwe Hollandse Waterlinie, zoals al gezegd, begonnen in 1815 en voor wat betreft het zogenoemde Zuidelijke Frontier. Beide linies waren bedoeld om de weerbaarheid tegen het nog steeds als expansieve mogendheid gevreesde Frankrijk te vergroten. Pas later volgden de functies van de NHW als verdediging tegen België en Duitsland. De NHW


VOOR

U GELEZEN

groeide in tientallen jaren letterlijk uit tot het 'pièce de résistance' van de Nederlandse defensie, maar vond zijn oorsprong in de door Kraijenhoff al aan Napoleon geopperde linie, echter verlengd tot aan de Biesbosch. Het is vreemd dat Uitterhoeve hier amper op ingaat en dit bovendien 'verdedigt' met de volgende opmerking: “In Levensbijzonderheden, dat over de jaren vanaf 1815 voor het overgrote deel gewijd is aan de totstandkoming van het Zuidelijke Frontier, spreekt hij verder heel weinig over zijn verdere bemoeienis met de Nieuwe Hollandse Waterlinie, toch ook een enorme onderneming.” Kennelijk was deze duidelijke omissie in Kraijenhoffs autobiografie geen reden voor Uitterhoeve om wat dieper te spitten. En juist op dit punt is er in ons land veel belangstelling, want de NHW staat volop in de

32

schijnwerpers. Eén ding betreffende de NHW is over de jaren ca. 1825-1840 zeker: nadat er zo'n 10 jaar aan inundatievoorzieningen was gewerkt (zo zijn er diverse zogenoemde 'waaiersluizen' gebouwd, die tegen hoog water in geopend konden worden), viel de voortgang vrijwel stil. Eerst vanwege een verlegging van de hoofdaandacht naar het Zuidelijke Frontier in het huidige België en vervolgens door geldgebrek als gevolg van de afscheiding van België. En hierover weidt Uitterhoeve gelukkig wel weer uit, zeker ook omdat het leidde tot verguizing van Kraijenhoff. Sjoemelen met bouwvoorschriften door aannemers met als gevolg instortingen bij nieuw gebouwde forten in onder meer Charleroi en Ieper en het achter zijn rug om, of traag rapporteren door hoge militairen, vormden de inleiding

ISBN 978-90-8506-7351

Prijs € 24,50

Dutch Lowlands Morphogenesis of a Cultural Landscape Auteur Saskia de Wit Recensent Henk Baas

Uitgave Uitgeverij SUN Amsterdam Details Paperback 192 pagina’s

Dutch Lowlands is verschenen als deel van een onderzoeksprogramma 'Urban Landscape Architecture' dat wordt uitgevoerd aan de TU Delft, bij de faculteit Landschapsarchitectuur. Eén van de thema's binnen het onderzoeksprogramma is de landschapsarchitectonische analyse van het Nederlandse landschap. In dat kader is een Engelstalige uitgave verschenen van landschapsarchitecte Saskia de Wit. Het betreft een boek over de morfogenese van het landschap zoals we dat aantreffen in de Nederlandse delta. Dit deel van Nederland is bij uitstek een man-made landschap, dat sinds de eerste ontginningen talrijke transformaties heeft ondergaan. Deze ontginningen staan centraal in dit boek, waardoor het

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

tot het zware diskrediet, dat hem uiteindelijk zelfs bij Koning Willem I in ongenade deed vallen. Hij is publiekelijk beschimpt en zelfs een tijd gevangen gezet. Er heeft uiteindelijk wel eerherstel plaatsgevonden, maar Kraijenhoff kreeg toch een minder prominente plaats in de nationale geschiedenis dan hem wellicht ten deel was gevallen zonder deze affaire. Dus toch een beetje een roemloze aftocht van een groot en veelzijdig man. Uitterhoeve heeft een monumentale bijdrage geleverd tot verdiend eerherstel, zij het dat er ook wel wat puntjes zijn gebleven waar de interesse meer is gewekt dan wordt bevredigd. Vooral daar waar hij zich liet leiden door Kraijenhoffs eigen Levensbijzonderheden is hij soms iets te gemakzuchtig geweest en had een kritischer en meer diepgravende benadering

nog verrassende vergezichten kunnen opleveren. Niettemin is deze biografie – samen met het Panorama Krayenhoff, het naar hem genoemde 'Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie' – een verdiend, postuum eerbetoon aan deze ook op vele andere terreinen actieve militaire waterstaatsman. Kraijenhoff liet immers voldoende tastbaars in ons cultuurlandschap achter om tot de bouwers van ons nationaal landschap gerekend te kunnen worden. Een zeer lezenswaardige biografie die iedereen die zich met Kraijenhoffs fysieke nalatenschap bezig houdt zeker moet raadplegen en die verder de politiek ongewisse positie van een alleskunner in de overgangsperiode van Ancien Régime naar Moderne Tijd fraai in beeld brengt.

vooral een historisch-geografisch overzichtswerk is geworden. Het feit dat het boek is geschreven vanuit landschapsarchitectonisch perspectief zien we terug in de wijze waarop het boek is geïllustreerd. Met behulp van eenvoudige, doch doeltreffende illustraties worden telkens per regio de belangrijkste ontwikkelingen op kaarten ingetekend, schetsmatig, maar toch zeer precies en op gelijke schaal. Deze werkwijze is inmiddels een echt handelsmerk geworden van de 'Delftse school' van Steenbergen en Reh (Polderatlas 2009, Zee van Land 2005).

de auteur hetgeen dat het duidelijkst de expressie weergeeft van alle landschapsvormende processen uit het verleden. En ook veel aspecten die de ruimtelijke kwaliteit van het huidige gebied beïnvloeden en bepalen, zoals infrastructuur, waterbeheer en natuurontwikkeling, zijn direct verbonden met de morfologie van het bestaande polderlandschap. Kennis over de genese van deze morfologie zou aan de basis moeten staan van elk nieuw ontwerp, aldus de auteur. Met het benadrukken van de vorm van het landschap raakt de auteur aan een oude discussie over vorm en functie. Moet de nieuwe functie leidend zijn, of de bestaande vorm? Voor beide valt uiteraard wat te zeggen, maar zeker in een landschap waar de verkavelingsstructuur sinds de middeleeuwen zo onveranderd is gebleven, valt veel te zeggen voor het benadrukken van de

Zoals gezegd focust dit boek op de genese van de vorm. De vorm van het landschap is geen toevalligheid, maar het resultaat van verschillende processen die zich in het verleden hebben afgespeeld. De vorm of morfologie van het landschap is volgens


VOOR

U GELEZEN

vorm als randvoorwaarde voor nieuwe ontwikkelingen. De Hollandse Delta valt ongeveer samen met het gebied dat we de Randstad noemen, maar waarschijnlijk omdat het hier niet zozeer gaat om de stedelijke ontwikkeling, is deze term niet gebruikt. Ten behoeve van de analyse is het gebied in een aantal genetisch en morfologisch samenhangende gebieden onderscheiden: de Grote Waard, de Waarden van Zuid-Holland, Tussen Rijn en IJssel, Tussen de Rijn, de Vecht en de Drecht, Centraal Holland en het Haarlemmermeer-complex. Voor elk gebied is systematisch een aantal zaken op een rij gezet: begrenzing, het natuurlijke landschap van voor de ontginning, de ontginning, de veenwinning, de drooglegging van de plassen, etcetera. Deze werkwijze – ook met dank aan de illustraties – maakt vergelijking tus-

33

sen de regio's mogelijk, wat betreft systematiek een pluspunt. Zo kun je direct zien dat de Waarden van Zuid-Holland een bijzondere continuïteit bezitten, vanaf de periode van ontginning tot nu. Het is een geleidelijk gegroeid landschap, met een enorme genetische samenhang. De auteur doet een voorzichtige uitspraak over de voorbeeldfunctie van deze oude ontginningslandschappen voor de eerste droogmakerijen. Is het verkavelingspatroon van de oudste 'lake-bed polders' inderdaad gebaseerd op dit coherente systeem dat de Waarden zo kenmerkt?

ses een groot gebrek is. We moeten met andere woorden blij zijn dat dit nu wel voor dit deel van het Hollandse landschap is gedaan. Uiteraard met de beperking dat het hier vooral een overzicht betreft van de ontginningsgeschiedenis en de bijbehorende verkavelingspatronen. Uit trendanalyse weten we dat er tegenwoordig meer behoefte bestaat aan een integrale benadering van het cultuurlandschap, waarbij ook archeologische, bouwhistorische, historisch-ecologische en aardkundige aspecten aan bod komen. In die zin is de studie beperkt in de bruikbaarheid.

Inhoudelijk voegt het boek niets toe aan hetgeen ook elders al is gepubliceerd. Wat de meerwaarde is, is dat de bestaande informatie systematisch is geordend en gepresenteerd. Uit de Erfgoedbalans 2009 bleek ook al dat er juist aan dit soort synthe-

De laatste alinea van het boek geeft feitelijk weer wat met deze manier van onderzoek en presentatie wordt beoogd. Dit deel van Nederland zal de komende jaren verschillende ruimteclaims op zich af zien komen, met name vanuit de sectoren natuur,

Recensent Liesbeth Theunissen

aanschaf, maar wat krijgt een nietsvermoedende lezer die het boek in een opwelling net voor Sinterklaas of Kerst koopt? Onder onze voeten is geschreven voor het grote publiek verhaalt de omslagtekst. Het inleidende hoofdstuk – een voorwoord ontbreekt – legt uit dat archeologie een dynamische wetenschap is die de afgelopen 25 jaar grote ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Schaalvergroting in aantasting van het bodemarchief en de ondertekening van het Verdrag van Malta leidden tot een radicale omwenteling: van 200 naar 1000 werkzame archeologen, van 100 naar 2500 onderzoeken per jaar en een steeds grotere stroom opgravingsrapportages. Om de kennis over ons bodemarchief te bun-

Uitgave Uitgeverij Bert Bakker Details Hardcover 334 pagina's geïllustreerd ISBN 978-90-351-3207-8

Prijs € 25,–

Onder onze voeten De archeologie van Nederland Auteurs Evert van Ginkel & Leo Verhart (in opdracht van Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek)

VITRUVIUS

Sinds eind september is Nederland een archeologisch publieksboek rijker. Onder onze voeten. De archeologie van Nederland is een visueel paradijs van het formaat stoeptegel, te verkrijgen voor de zeer schappelijke prijs van € 25. De weldaad aan beelden en de lage prijs zullen vast en zeker drempelverlagend werken bij de

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

water en wonen. Tegelijkertijd is dit het landschap dat vanuit (inter)nationaal perspectief tot onze meest waardevolle landschappen behoort. Met name de veenontginningen zijn hier representatief voor het 'Hollandse polderlandschap' dat internationaal uiterst bijzonder is. Met andere woorden: we moeten voorzichtigheid betrachten met nieuwe ingrepen in dit relatief ongeschonden cultuurlandschap. Wat de auteur betreft zouden deze nieuwe opgaven uit moeten gaan van het bestaande raamwerk van ontginningspatronen, en niet als een 'tabula rasa' over het bestaande landschap heen worden gelegd. Op die manier kunnen nieuwe opgaven bijdragen aan een landschap met behoud van historische kwaliteit. Voor een historisch geograaf een vanzelfsprekendheid, dus ik kan het er alleen maar van harte mee eens zijn.

delen, heeft NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) in het programma Oogst van Malta vier projecten gefinancierd waaruit een aantal doorwrochte proefschriften is voortgekomen. Tegelijkertijd lag er ook de wens een groter publiek nader te laten kennismaken met de hedendaagse Nederlandse archeologie. Hoewel het Verdrag van Malta pas twee jaar geleden daadwerkelijk van kracht is, is het werken 'in de geest van Malta' al veel langer van toepassing: ruim vijftien jaar. Het onderzoek, uitgevoerd in het tracé van de Betuweroute, was het eerste praktijkvoorbeeld, een harde leerschool voor de nog niet


VOOR

U GELEZEN

commercieel georiënteerde generatie archeologen. Wat is eigenlijk onze kenniswinst uit Malta? Wat zijn we de afgelopen vijftien jaar wijzer geworden? Een nieuw boek, een nieuw geluid? De eerste beschouwing van het boek maakt duidelijk dat de vraag naar de recente kenniswinst onbeantwoord blijft. De toppers uit het afgelopen decennium zijn naadloos ingepast in het verhaal van de oudere ontdekkingen. Het is vooral in de korte, intermezzoachtige teksten op de rechterpagina's waarin

recente ontdekkingen of de nieuwste methoden worden toegelicht. Het is een nieuw boek met een iets harder geluid. Op zich is dat een logische aanpak, immers: er is geen tabula rasa. De vorige generaties archeologen ontdekten tal van zaken, schreven hun verhalen, ook voor het grote publiek. Echt nieuw of radicaal anders is een schaars goed. Maar ze zijn er wel, deze kleine hoogtepunten in kennis. Zaken waarvan we vijftien jaar geleden geen weet van hadden; de huizen van de Hazendonkgroep (Schipluiden,

34

VITRUVIUS

foto) of de afwijkende dubbelbegravingen uit de Vroege IJzertijd (Waalsprong). Wat mij betreft, hadden ze meer prominenter naar voren gebracht mogen worden. De eerste indruk, gevoed door de vele illustraties, geeft een beeld van archeologisch Nederland, met een paar terugkerende onderwerpen. Zo bevat het boek opvallend veel metalen voorwerpen (toename metaaldetectie), opvallend veel vondsten van organisch materiaal (goede bewaaromstandigheden in de natte delta), opvallend veel gravende archeologen in het veld (toename van het aantal opgravingen) en opvallend veel skeletten (meer aansprekend dan een concentratie handgevormde scherven). Als beschouwer moet je even zoeken naar de bijbehorende bijschriften aan de hand van de cijfercodes. Bij dit zoekproces onderga je rustmomenten bij de prachtige, beeldvullende landschappelijke illustraties over twee pagina's, van de hand van Ulco Glimmerveen. Bij nadere lezing van de 26 hoofdstukken rijst een helder geschreven verhaal op. Vanaf de oudste werktuigen van de Neanderthaler tot aan de loopgraven uit de Tweede Wereldoorlog wordt de millennialange geschiedenis van ons land beschreven. Dat daarbij keuzes gemaakt moeten worden, is niet meer dan logisch. Volledigheid is een utopie. Het gaat om de grote lijnen, de belangrijkste ontwikkelingen en de parels uit het nationale bodemarchief, gelijkelijk verdeeld naar alle regio's in Nederland. Dat is geen sinecure, zeker voor de jongste episodes uit onze geschiedenis. De auteurs zijn in die strenge afbakening goed geslaagd. Ook het

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

abstractieniveau van de hoofdstukkentekst is evenredig. Het laatste hoofdstuk heeft een wat andere insteek. Het thema is de visualisatie van het verleden 'Van ondergrond naar bovengronds'. Daarin worden lijsten gepresenteerd; de top tien van musea met spraakmakende collecties, tien plaatsen van herinnering (bijzondere zichtbare monumenten) en tien creatieve reconstructies. De lezer die nog verder wil gaan, wordt bediend met een overzichtelijke, naar thema's geordende bibliografie. Is het boek dan boven alle kritiek verheven? Er zijn wel kritische kanttekeningen te plaatsen. Zo had niet ieder mottekasteel een voorburcht en komen in de tekst wat wezen (losse koptitels) voor. Maar een enkele vage vorstwigfoto daargelaten, komt het geheel zeker de omschrijving op de achterflap tegemoet; '… schitterend, standaardwerk, dat iedereen met belangstelling voor ons verleden zal boeien'. De argeloze koper die het boek in een opwelling, verleid door aantrekkelijk beeld en lage prijs, aanschafte, heeft geen kat in de zak gekocht. Als presentje, in schoen of onder de boom, is dit een mooi toegankelijk en inhoudelijk verantwoord boek dat velen zal aanspreken. Aan de vele illustraties zal de gelukkige eigenaar zich uren kunnen laven en dat is een mooi vooruitzicht voor de komende donkere dagen.


VOOR

U GELEZEN

Landwirtschaftliches Bauen im Nordwesten zwischen 1920 und 1950 Auteur Sophie Elpers, Edeltraud Klueting, Thomas Spohn (samenstelling) Uitgave Aschendorff Verlag Münster Details Paperback, 329 pagina's 230 afbeeldingen ISBN 978-3-402-12803-9

Prijs € 47,In deze publicatie zijn 22 bijdragen gebundeld die zijn voorgedragen op het de 20ste jaarbijeenkomst van het Duitse ‘Arbeitsgemeinschaft für Hausund Gefügeforschung in Nordwestdeutschland’ dat in april 2008 in Arnhem heeft plaats gevonden. De diverse bijdragen betreffen de bouw van boerderijen in noordwest Duitsland en Nederland tussen 1920 en 1950. De artikelen zijn grotendeels gericht op Westfalen en Nedersaksen, maar ook Nederland komt enkele malen aan de beurt. En in deze gebieden komt juist het hallenhuis, het type boerderij met gebinten en driebeukige indeling, voor. Doordat de artikelen over zowel Duitsland als

Nederland gaan is hierin het verschil goed zichtbaar tussen nationaal-socialistische Duitsland en het vooruitstrevende Nederland. De Nederlandse bijdragen gaan over de modernisering en standaardisering van de boerderijbouw. Bij de drooglegging van de Zuiderzee, werd het nieuwe land, de Wieringermeer en de Noordoostpolder, bebouwd met gestandaardiseerde boerderijen. Enerzijds moest er een kwalitatief goed gebouw neergezet worden, anderzijds moest er snel veel gebouwd worden en mochten de kosten niet te hoog zijn. Men realiseerde zich dat de landbouw zich verder zou ontwikkelen, waardoor aanpassingen in de toekomst konden worden uitgevoerd bij deze gestandaardiseerde bouw. In navolging van de Noordoostpolder en de Wieringermeer werd ook bij de wederopbouwboerderijen, boerderijen ter vervanging van de vele boerderijen die in de Tweede Wereldoorlog beschadigd of vernietigd waren, een standaardisering doorgevoerd. Bureau Wederopbouw Boerderijen werd opgericht, van waaruit de wederopbouw centraal werd geregeld. Toch waren er in Nederland ook invloeden van organisaties, zoals Bond Heemschut, die voor het behoud van de oude boerderijtypen en het oude plattelandsbeeld waren. De wederopbouwboerderijen werden door regionale architecten gebouwd, zodat deze boerderijen toch een streekeigen karakter kregen. Naast deze bijdragen is er in het boek ook een artikel te vinden over de gebouwen van vliegveld Deelen, een vliegveld op de Veluwe dat door de Duitsers is gebouwd in de Tweede Wereldoorlog. Was in Nederland de standaardisering al vanaf het tweede kwartaal van de 20ste eeuw in gang

35

VITRUVIUS

gezet, in Duitsland werd nog lang aan de Blut-und-Boden ideologie vastgehouden. In de jaren '20 van de 20ste eeuw wordt de afkeer van de nieuwe materialen en hun verschijningsvorm al duidelijk. Dit vormt zich in de loop der jaren tot propaganda tegen 'het nieuwe bouwen'. Enerzijds is men overtuigd van de noodzaak van vooruitgang, anderzijds spelen de tegenstanders van modernisering zo'n grote rol dat het landelijk bouwen weer vorm krijgt, zoals de oude boerderijen er uit zagen. Dit gaat zover dat de wederopbouwboerderijen, boerderijen die worden gebouwd als vervanging van verwoeste of beschadigde boerderijen, tijdens de oorlog weer de vorm van een hallenhuis met een moderne constructie kregen, terwijl dit oude type boerderij eigenlijk vanaf 1900 al niet meer werd gebouwd. De discussie over moderne of traditionele bouw van boerderijen duurt tot halverwege de 20ste eeuw. Pas in de 50-er jaren stapt men af van de Blutund-Boden ideologie en begint ook in Duitsland de standaardisering van boerderijbouw vorm te krijgen. In het boek komen diverse onderwerpen aan bod die een beeld laten zien hoe lang het traditioneel bouwen van boerderijen nog door ging in Duitsland. Daarentegen worden er ook onderwerpen behandeld die gaan over systeembouw, maar dan toch in landelijke stijl. Het compromis tussen traditie en innovatie blijft een onderwerp dat in veel artikelen terug komt. De verschillen en overeenkomsten van de verschillende gebieden in Duitsland blijken uit de artikelen. De invloed van de oorlog speelt daarin ook duidelijk een rol. In het boek zijn zowel specifieke bouwprojecten opgenomen als ontwikkelingen in een bepaalde regio. Daarnaast komen ook de tijdelijke noodonderkomens in de

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

naoorlogse tijd aan bod. Toegevoegd zijn enkele biografiën van landbouwarchitecten zoals H.J. van Houten, Jan Jans en Gustav Wolf. Van Houten was Rijkslandbouwarchitect in Nederland en adviseerde boeren bij het efficiënter maken van hun boerenbedrijf. Vanuit de staat werd deze modernisering bevorderd. Van Houten moest als landbouwarchitect een weg zoeken tussen enerzijds de moderniseringen die voor efficiëntere boerderijen zorgde. Anderzijds had hij te maken met Heemschutorganisaties die juist de oude boerderijtypen en het oude plattelandsbeeld wilden behouden. Welke gewetensproblemen en compromissen zijn typisch voor het werk dat Van Houten leverde. Jan Jans bouwde in zijn werk als architect in Nederland juist nieuwe boerderijen in de stijl zoals ze in Twente als eeuwen voor kwamen. Bij zijn ontwerpen vond de moderne bedrijfsvoering plaats in een gebouw dat een streekgebonden uitstraling had. In Duitsland bouwde Wolf eveneens moderne bedrijfsvoeringen in traditionele gebouwen. In het levenswerk van Wolf zijn zijn activiteiten als architect, monumentenzorger en bouwhistoricus verweven. Het boek is een bundeling van onderwerpen die te maken hebben met het gevecht tussen traditioneel en innovatie van boerderijbouw tussen 1920 en 1950 uit zowel Nederland als Duitsland. Doordat het een bundeling is van lezingen van een symposium is dit natuurlijk niet dekkend voor alle onderwerpen die dit veld omvat, maar het geeft wel een beeld van wat er in die tijd speelde.


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

HET VERLEDEN BOVEN WATER

36

Wie nu ter hoogte van Rijswijk over de A4 rijdt, ziet juist ten zuiden van afslag 11 aan de oostkant het nieuwe landschap van de ingrijpend veranderde Harnaschpolder. Tot 2003 keek iedere voorbijganger uit over weilanden en kassen, terwijl het gezichtsveld nu wordt bepaald door Nederland’s grootste afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI). Als het mogelijk zou zijn om de weg terug te nemen naar ongeveer 1500 na Chr. dan was een geheel ander landschap zichtbaar, wat op zijn beurt weer verschilde van het landschap rond 150 na Chr. Wie nog verder terugreist tot ruim 3500 voor Chr. zal zich misschien verbazen niet in een woest en verlaten streek terecht te zijn gekomen, maar in een dan ook al door mensen bewoond en ingericht landschap.

Archeologische monumentenzorg door het Hoogheemraadschap van Delfland

FOTO: JEROEN FLAMMAN

Afvalwater Haagse Regio In de jaren ’90 van de vorige eeuw startte het Hoogheemraadschap van Delfland de plannen voor de uitbreiding van de afvalwaterzuiveringcapaciteit in de Haagse regio. De reden hiervoor was tweeledig; de toename van de hoeveelheid afvalwater door meer mensen, woningen en bedrijven en de stringentere eisen die de Europese Unie stelt aan het gezuiverd water vanaf 1 januari 2006. De oplossing lag niet verscholen in enkel de uitbreiding of modernisering van de al bestaande afvalwaterzuiveringinstallaties. Nadat verschillende vestigingslocaties voor een nieuw te bouwen AWZI op hun geschiktheid waren bestudeerd, viel de keuze uiteindelijk op de Harnaschpolder te Schipluiden.

I

De bouw van deze AWZI is gepaard gegaan

met forse grondingrepen. Dat geldt allereerst voor de 25 ha grote bouwlocatie in de Harnaschpolder. Op dit terrein zijn 28 bassins gebouwd met een doorsnede variërend tussen de 47 en de 65 m. De bodem van de bassins liggen ruim 4,5 m onder het maaiveld en onder de bassins zijn duizenden heipalen geslagen. De aanleg van de leidingen voor de aan- en afvoer van respectievelijk afval- en gezuiverd water impliceert ook grondingrepen. In totaal is ongeveer 40 km nieuw leidingenstelsel in de Haagse regio aangelegd. De leidingen met een diameter van 2 m zijn overwegend gelegd in open ontgraven sleuven van gemiddeld 4 m breed en 4 m diep, bij elkaar opgeteld een ruimtebeslag van bijna 10 ha. Zulke grootschalige bodemingrepen zijn bedreigingen voor archeologische vindplaatsen. Hun aanwezigheid is te verwachten gezien

de hoge trefkans op archeologische resten voor grote zones in de Haagse regio, om nog maar te zwijgen over de al bekende vindplaatsen in dit gebied. Het wekt dan ook geen verbazing dat het Hoogheemraadschap van Delfland eind jaren ’90 tijdens de procedure van de Milieu Effect Rapportage (MER) is geattendeerd op de verantwoordelijkheid die zij heeft voor de archeologische monumentenzorg als initiatiefnemer voor deze bodemingrepen, vooruitlopend op de toen aangekondigde wijziging van de Monumentenwet 1988.

Inzet van expertise en ervaring Bij het opstarten van de archeologische monumentenzorg voor het project in 1998 was het gehele archeologie-bestel in Nederland volop in ontwikkeling en verandering. De eerste verdeling van rollen en taken, gescheiden in


37

bevoegd gezag, voorbereiding en uitvoering, kwam tot stand en menigeen moest de inhoud van zijn nieuwe positie in het werkveld nog ontdekken. In eerste instantie kwamen archeologen die in uitvoerende zin in het gebied Midden-Delfland en de Haagse regio werkzaam waren bij elkaar. Deze groep bereidde de eerste fase van het project voor door de inbreng van inhoudelijke expertise over diverse perioden en praktische ervaring met archeologisch onderzoek. Uiteindelijk werd de archeologische monumentenzorg in het AHR -project gewaarborgd door een convenant tussen het Hoogheemraadschap van Delfland, provincie Zuid-Holland, de betrokken gemeentes Den Haag, Schipluiden (tegenwoordig MiddenDelfland) en Rijswijk, het Samenwerkingsverband Ypenburg, de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (tegenwoordig Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en het Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC) van de Universiteit van Amsterdam. Dit convenant, ondertekend op 31 januari 2000, nam een voorschot op de implementatie van het Verdrag van Valletta (1992) in de Nederlandse wet- en regelgeving dat pas vele jaren later z’n invoering meemaakte. De leemtes en gebreken in het tot dan toe gevoerde beleid werden met dit convenant ondervangen. Taken en verantwoordelijkheden van het hoogheemraadschap werden gedefinieerd, maar belangrijker waren de bepalingen dat de provincie Zuid-Holland optrad als overkoepelend bevoegd gezag en dat de Projectgroep Archeologie AHR (PAAHR ), bestaande uit de vertegenwoordigers van de convenantpartners, de archeologische monumentenzorg onder leiding van het hoogheemraadschap coördineerde. Voor deze coördinatie en het projectmanagement stelde Delfland een projectleider van Vestigia BV aan.

Commitment In opdracht van het Hoogheemraadschap van Delfland heeft de projectgroep zelf de kaders van de archeologische monumentenzorg bepaald, waarvoor de participerende instellingen capaciteit en expertise beschikbaar hebben gesteld. Het hoogheemraadschap bood de afdelingen archeologie van de betrokken gemeentes en het AAC de mogelijkheid om veldonderzoeken te verrichten, waarvan uit-

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

1 – IN DE NOORDELIJKE REGIO VAN HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN DELFLAND IS EEN WIJDVERBREID NETWERK VAN LEIDINGEN AANGELEGD VOOR HET TRANSPORT VAN AFVALWATER NAAR DE AWZI HARNASCHPOLDER EN VAN GEZUIVERD WATER NAAR ZEE. DIT BOOD EEN UITGELEZEN KANS OM EEN GOEDE DOORSNEDE VAN HET LANDSCHAP TE ONDERZOEKEN IN DE METERS BREDE EN DIEPE EN KILOMETERS LANGE ONTSLUITINGEN. A F B E E L D I N G H O O G H E E M R A A D S C H A P VA N D E L F L A N D

eindelijk alleen de gemeentes Rijswijk en Den Haag gebruik hebben gemaakt. De PAAHR heeft echter besloten ten behoeve van een heldere scheidslijn tussen verantwoordelijkheden en taken, dat de vertegenwoordiger in de projectgroep niet de primaire verantwoordelijkheid had voor de uitvoering van dergelijke opdrachten. Tot aan de uitvoering van het verkennend booronderzoek in het AHR -transportsysteem en de proefsleuven in de Harnaschpolder is het merendeel van het werk, zoals het opstellen van de ontwerpen, door de leden van de PAAHR verricht. Tijdens de uitvoering van de grote veldwerkzaamheden bleek de behoefte te ontstaan aan een verdere ontwikkeling van de organisatie, waardoor naast de projectcoördinator Archeologie bij het hoogheemraadschap ook twee directievoerders werden aangesteld. Naar aanleiding van de uitkomsten van het vooronderzoek in het AHR -transportsysteem en de Harnaschpolder is besloten diverse vindplaatsen te onderzoeken door middel van opgravingen en archeologische begeleidingen.

Voor deze onderzoeken zijn negen ontwerpen opgesteld, waarbij gebruik is gemaakt van ontwerpteams. In een ontwerpteam zaten één of meer vertegenwoordigers van de beoogde archeologisch uitvoerder en een vertegenwoordiger van de opdrachtgever of de PAAHR . Op deze wijze werd een commitment aangegaan met de uitvoerder. Deze wist vanaf het begin wat de mogelijkheden voor het onderzoeken van de vindplaatsen inhield en kon zo direct meedenken over de wijze van onderzoek. Anderzijds hield de opdrachtgever tegelijkertijd in de gaten of de voorgestelde methoden van onderzoek realiseerbaar waren binnen de kaders van tijd, geld en beoogde kwaliteit. Voor het onderzoek in het tracé van de transportleidingen waren er twee ontwerpteams, één met de gemeenten Den Haag en Rijswijk voor de archeologische begeleiding en één met het opgravingsbedrijf Jacobs en Burnier voor het pro-actieve onderzoek van een vijftal vindplaatsen. Voor de opgraving van de neolithische vindplaats in de Harnaschpolder was het ontwerpteam aangevuld met medewerkers van

Samenvatting Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft in de periode 2001 tot 2007 uitgebreid archeologisch onderzoek verricht in het kader van het project Afvalwater Haagse Regio. Ruim voor het begin van de bouw van zowel de grote afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Harnaschpolder als de kilometers lange in- en effluentleidingen door Rijswijk en Den Haag zijn

tientallen vindplaatsen uit het Midden-Neolithicum, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd onderzocht. De vooronderzoeken en opgravingen hebben geleid tot prachtige resultaten. Deze zijn weergegeven in diverse onderzoeksrapporten, permanente presentaties op en rond de AWZI Harnaschpolder en een wetenschappelijke eindbundel.


VITRUVIUS

NUMMER 10

38

JA N U A R I 2 0 1 0

2 – ONDERZOEK VAN EEN ROMEINSE VINDPLAATS IN HET LEIDINGENTRACÉ

3 – IN DE NOORDELIJKE PUNT VAN DE HARNASCHPOLDER WERD OP 2,5 TOT 4,5

NABIJ HET ZUIDERPARK, DEN HAAG. VOORAFGAAND AAN DE AANLEG VAN DE LEIDINGEN WAS ER DE TIJD VOOR HET ONDERZOEK VAN DEZE NIEUWE VINDPLAATS. FOTO D S B A R C H E O LO G I E D E N H A AG

M BENEDEN MAAIVELD EEN DUIN AANGETROFFEN MET EEN NEDERZETTING UIT HET MIDDEN NEOLITHICUM, CA 3500 CAL BC. VAN DE GEHELE VINDPLAATS IS RUIM 5500 M 2 MINUTIEUS ONDERZOCHT. FOTO C L A U D I A D O H M

de Universiteit Leiden, Universiteit Groningen, BIAX Consult en ArcheoBone, voor de opgraving en archeologische begeleiding van de vindplaatsen uit de Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd met vertegenwoordigers van ADC ArcheoProjecten. De bij het opstellen van de onderzoeksontwerpen betrokken organisaties hebben nadien ook het betreffende onderzoek uitgevoerd.

De PAAHR-onderzoeksagenda Geheel nieuw binnen de archeologische bestel van Nederland anno 2000 was het gebruik van een onderzoekskader voor de archeologische monumentenzorg binnen één specifiek project. Op basis van de resultaten van het eerste bureauonderzoek is door de PAAHR en RAAP Archeologisch Adviesbureau een regionaal onderzoekskader opgesteld.1 Er was op dat moment nog geen concreet voorbeeld van een dergelijk kader, de NOaA stond destijds nog in de steigers. Het eerste deel schetste de kennis en verwachting van de holocene ontstaansgeschiedenis en de bewoning van de Haagse regio. Op basis hiervan en de onderzoeksinteresses van de participerende instellingen zijn in het tweede deel onderzoeksvragen geformuleerd voor de feitelijke onderzoeksagenda van dit project. Behalve vragen over het voormalig menselijk handelen bevatte het onderzoekskader een serie evaluatievragen met betrekking tot de archeologische verwachting, prospectie, waardering en selectie. Met dit onderzoekskader heeft de PAAHR de coherentie in het onderzoek bewerkstelligd, omdat de aandacht niet lag op individuele vindplaatsen maar op de rol en betekenis van vindplaatsen ten opzichte van elkaar, waardoor het regio-

nale aspect van het onderzoek duidelijk op de voorgrond trad.

Prospectie en selectie In de periode 2001-2002 zijn de prospectieve onderzoeken uitgevoerd. In de Harnaschpolder volgde het onderzoeksproces het klassieke schema van verkennend booronderzoek, karterend booronderzoek en proefsleuven, waarbij een zo groot mogelijke dekking van het gehele gebied heeft plaatsgevonden. De nog aanwezige tuinbouwkassen en bebouwing zorgde wel voor enkele blinde vlekken. Het vooronderzoek in de leidingtracés bood vanwege de ligging van de vele leidingen de mogelijkheid op diverse manieren een landschappelijke doorsnede te maken van het gebied tussen de Harnaschpolder en de Zuid-Hollandse kust (figuur 1). Hiertoe werden bijna negenhonderd boringen geplaatst binnen soms dichtbebouwde of bestraatte situaties. Pas ná het volledig uitvoeren van het inventariserende vooronderzoek heeft de evaluatie van de resultaten geleid tot een selectiebesluit van het bevoegd gezag welke vindplaatsen in aanmerking kwamen voor vervolgonderzoek. Afhankelijk van de grootte van de vindplaats in de leidingtracés en de mogelijkheid deze ‘in alle rust’ te onderzoeken is voor twee vindplaatsen uit het Midden-Neolithicum, twee uit de Romeinse tijd en een uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd besloten deze pro-actief, dus voorafgaande aan de aanleg van de leiding, te onderzoeken (figuur 2). Naast diverse tracés met een gemiddelde en hoge verwachting op archeologische resten werden nog eens twee locaties geselecteerd voor onderzoek door middel van een archeologische begeleiding.

Tijdens de begeleiding van twee tracédelen met een hoge verwachting werden nog eens twee vindplaatsen, uit de IJzertijd en de Late Middeleeuwen, aangesneden. De behoudenswaardige vindplaatsen in de Harnaschpolder waren een midden-neolithische nederzetting, twee Romeinse nederzettingen en het verkavelde landschap uit de Romeinse tijd. Aangezien zij niet in situ waren te behouden, zijn zij grootschalig en intensief opgegraven. Bij het afgraven van de veenlaag die het duin met daarop de midden-neolithische vindplaats bedekte, werd een groep van bijna 20 aangepunte paaltjes uit de overgang Laat Neolithicum naar Vroege Bronstijd van een tot dan toe onbekende vindplaats aangetroffen. Tegelijkertijd zijn vijf huisplaatsen en twee historische verkavelingen uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd geselecteerd voor archeologische begeleiding, aangezien die pas konden worden onderzocht na sloop van de bebouwing.

Van 3500 v.Chr. tot 20ste eeuw In totaal zijn over het gehele AHR-project 44 vindplaatsen onder de aandacht geweest, waarvan 21 daadwerkelijk via een of ander veldonderzoek zijn onderzocht. Het onderzoek heeft een schat aan nieuwe informatie opgeleverd. Door het zeer uitgebreide fysisch geografische onderzoek in alle veldcampagnes, waarbij ook zeer veel monsters uit de diverse bodemlagen zijn genomen, is een veel gedetailleerder beeld ontstaan van de ontwikkeling van het milieu en landschap in deze regio. Dankzij micromorfologisch en botanisch onderzoek is bijvoorbeeld meer inzicht verkregen over het ontstaan van het landschap en haar vegetatie vanaf het Midden


39

Neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Vooral archeobotanisch onderzoek heeft achterhaald in welke milieus de condities geen belemmering zijn geweest voor bewoning. Zo valt op dat in de Oude Duinen ook ten tijde van de Bronstijd droge gronden zijn, maar blijft het de vraag waarom er nauwelijks tot geen sporen van menselijke aanwezigheid worden aangetroffen, terwijl de gebieden wel zijn beakkerd en deze gedurende de perioden daarvoor en daarna ook zijn bewoond. Voor de periode na de Romeinse tijd blijft het aantal bronnen voor de vegetatie flink achter ten opzichte van de eerdere perioden, maar fysisch geografisch is wel duidelijk dat de mens steeds meer grip en invloed krijgt op het landschap.2 Rond 3500 v.Chr. leefde in het gebied van de huidige Harnaschpolder een klein locale groep van ongeveer 25 personen. De opgraving van hun permanent bewoonde duin in 2003 heeft veel nieuwe informatie opgeleverd over de ontwikkeling van de neolithische samenleving in het westen van Nederland. Het grootste deel van de nederzetting is minutieus onderzocht, waarbij ruim 4500 sporen en ongeveer 50.000 vondsten over een oppervlakte van 5500 m2 zijn gedocumenteerd en verzameld (figuur 3). De bewoners leefden van wat de natuur hun bood in de verschillende ecozones zoals de zee, de duinen en de kwelders en wat zij als opbrengst van de akkerbouw en veeteelt overhielden. Voor (vuur)steen waren zij afhankelijk van de contacten met andere groepen verder naar het oosten en zuiden. Daar tegenover staat dat de gebruiksvoorwerpen wel op locatie

VITRUVIUS

werden vervaardigd, gelijk aardewerk, sieraden en andere werktuigen van hout en been. Een opmerkelijke vondst betrof de begraving van een volwassen man (46-49 jaar). Niet zo zeer het graf en het skelet waren bijzonder, maar juist de bijgiften en de plek waar zij werden gevonden. De man hield drie vuurslagen en een stuk pyriet in zijn handen voor zijn gezicht, alsof hij de vonken van het vuur maken wilde aanblazen. Zo’n concrete aanwijzing voor het maken van vuur in het Neolithicum was in Nederland nog niet eerder aangetroffen. Volgens de onderzoekers kan de nederzetting te Schipluiden gezien worden als een representant van de laatste fase van het neolithisatieproces, met nog veel kenmerken uit het voorafgaande Mesolithicum en de Swifterbantcultuur.3 Het onderzoek naar de bewoning en het landgebruik gedurende de Romeinse tijd in de Haagse regio richtte zich tot het einde van de twintigste eeuw enerzijds op de sporenconcentraties zoals nederzettingen of in het oogspringende elementen als wegen en de gracht van Corbulo en anderzijds op de inrichting van het landschap en de ligging van nederzettingen en andere elementen daarin. Het onderzoek in het AHR-project heeft vanaf begin af aan juist de combinatie van die twee invalshoeken nagestreefd. Daarnaast zijn bij het onderzoek in de Harnaschpolder ook het concrete landgebruik, de agrarische bedrijfsvoering en de voeding aan bod gekomen. Rond 125 n.Chr. werd daar een nagenoeg natuurlijk landschap inge-

4B – IN DE ROMEINSE NEDERZETTING IN DE HARNASCHPOLDER WERD EEN NAGENOEG COMPLEET WIJNVAT AANGETROFFEN, GEBRUIKT ALS BESCHOEIING VAN EEN WATERPUT. VAN DE OMBOUW VAN DE PUT, GEMAAKT VAN ESSENHOUTEN PALEN, ZIJN ENKELE ELEMENTEN TERUGGEVONDEN. HET VAT DATEERT UIT DE 1E EEUW N.CHR. HET IS AAN HET BEGIN VAN DE 2E EEUW N.CHR. INGEGRAVEN. DE OMBOUW IS IN 247 N.CHR. VERVANGEN.

4A – OVERZICHT VAN DE ROMEINSE NEDERZETTING IN DE HARNASCHPOLDER, GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND. HET ERF KENT VIER FASES VAN GEBRUIK, TUSSEN 125 EN 260 N.CHR. OP HET HOOGTEPUNT TUSSEN 175 EN 225 N.CHR. STONDEN ER TWEE HUIZEN WAARVAN ÉÉN MET PORTICUS, BEIDE MET EEN EIGEN WATERPUT. A F B E E L D I N G A D C A R C H E O P R OJ E CT E N

FOTO A D C A R C H E O P R OJ E CT E N

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

richt met een stelsel van sloten en greppels voor akkerbouw en veeteelt. Kort daarna werden ook twee nederzettingen gesticht, bestaande uit één of meerdere gelijktijdige huizen, bijgebouwen maar ook waterputten (figuur 4a-b). Gedurende een periode van 150 jaar hebben de nederzettingen en het tussengelegen landschap continu aan verandering blootgestaan. Onder invloed van de verschuiving van akkerbouw naar meer veeteelt als bestaansbron werden de inrichting en de grootte van de kavels in de loop van de tijd aangepast.4 Uit het historische onderzoek was reeds gebleken dat de 20e eeuwse bewoning in de Harnaschpolder zich nog steeds bevond op de locaties die vanaf de 17e eeuw zijn bewoond. Na de sloop van de moderne huizen zijn bij de archeologische begeleiding diverse sporen van de oude erven aan het licht gekomen. Waterputten, beerputten, mestkuilen en de sloten die de erven indeelden, waren de voornaamste sporen. De sporen van de oude bebouwing beperkte zich echter tot enkele afgebroken muurresten. Een beeld van de gebouwen uit die tijd blijft voorlopig alleen nog van historische prenten en schilderijen bekend.5

Archeologie voor het publiek Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft zich als publieke instelling ten doel gesteld zich te kwijten van goed, verantwoord rentmeesterschap over ons kwetsbare archeologische verleden. Deze doelstelling heeft zich onder andere ook vertaald in een weloverwogen en geplande publieksvoorlichting. Die


5 – IN DE VRIJ TOEGANKELIJKE GROENZONE ROND DE AFVALWATERZUIVERINGSINSTALLATIE IN DE HARNASCHPOLDER IS EEN DEEL VAN EEN HUISJE UIT HET MIDDEN NEOLITHICUM NAGEBOUWD. TEKSTPANELEN GEVEN NADERE INFORMATIE OVER DE BEWONERS UIT DEZE PERIODE. FOTO: CLAUDIA DOHM


41

Bureauonderzoek

Opgegraven

VITRUVIUS

HNP

Tracés

Inventariserend veldonderzoek HNP Tracés

HNP

Tracés

Archeologisch begeleid HNP Tracés

Neolithicum

-

3

1

3

1

2

-

1

Bronstijd

-

-

-

-

-

-

1

+

IJzertijd

-

1

-

1

-

-

-

1

Romeinse tijd

2

6

1

1

3

2

-

1

Vroege Middel.

-

-

-

-

-

-

-

-

Late Middel./ Nieuwe tijd

17

3

2

1

-

1

7

1

Totaal

19

13

4

6

4

5

8

4*

*Wel stuifmeel aangetroffen, geen sporen of vondsten.

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

6– DE EINDBUNDEL PRESENTEERT NAAST DE EVALUATIE VAN HET PROJECT OOK SYNTHETISERENDE ARTIKELEN OVER DE REGIONALE ONTWIKKELING VAN LANDSCHAP EN VEGETATIE EN DE MENSELIJKE AANWEZIGHEID DAARIN.

TABEL – OVERZICHT AANTAL VINDPLAATSEN UIT DE VERSCHILLENDE PERIODEN: BEKEND UIT HET BUREAUONDERZOEK / NIEUW NAAR AANLEIDING INVENTARISEREND VELDONDERZOEK / OPGEGRAVEN VINDPLAATSEN / ARCHEOLOGISCH BEGELEIDE LOCATIES, WAARBIJ NIEUWE VINDPLAATSEN UIT DE BRONSTIJD. DE IJZERTIJD EN DE LATE MIDDELEEUWEN ZIJN AANGETROFFEN.

bleef niet beperkt tot de goed bezochte wekelijkse rondleidingen op de opgraving van het duin met de Neolithische bewoningssporen in de Harnaschpolder en de persvoorlichting rondom dit veldwerk. In twee van de huisvestingen van het hoogheemraadschap en in het hoofdgebouw van de AWZI Harnaschpolder zijn vondsten en resultaten van de opgravingen tentoongesteld, waarmee de aandacht die Delfland heeft voor de historie van haar gebied ook bij de medewerkers en bezoekers van het hoogheemraadschap wordt getoond. Maar ook buiten is het verleden beleefbaar gemaakt. De openbare groenstrook rondom de AWZI biedt plaats aan verschillende vegetaties, die in het verleden groeiden in de Haagse regio. Aan de hand van soortenlijsten uit het Romeinse onderzoek is een selectie gemaakt van de kruiden en gewassen die tussen de bomen en struiken zijn gezaaid. Voor de vegetatiereconstructie uit het Neolithicum, eveneens gebaseerd in de opgraving aangetroffen vondsten, is zelfs een deel van het duin nagebootst. Op het duin is een deel van een huis gereconstrueerd, inclusief een stuk van het hekwerk dat langs de voet van het duin is aangetroffen (figuur 5). Langs het wandelpad staan informatiepanelen die toelichting geven op de vegetatie en verhalen over andere wetenswaardigheden van het onderzoek.

onderzoekskader en de -resultaten. Dit is uiteindelijk gerealiseerd in ‘Het verleden boven water’.6 Het vormt het sluitstuk in de cyclus van de archeologische monumentenzorg, de koppeling tussen de resultaten van de opgravingen en de modellen die aan de basis staan van nieuw archeologisch onderzoek. Het is een bundeling van vijftien wetenschappelijke artikelen aan de hand waarvan aandacht wordt geschonken aan de opzet, de aanpak en de uitkomsten van de archeologische monumentenzorg binnen het AHR -project. Aspecten als het prospectief onderzoek in het voortraject en het gebruik van het onderzoekskader worden geëvalueerd. Daarnaast geven tien synthetiserende artikelen een overzicht van de geschiedenis van het landschap en de bewoning van de Haagse regio vanaf het Midden Neolithicum tot de Nieuwe tijd. Een unicum is verder dat achter in het boek een CDrom is opgenomen waarop alle projectgegevens staan vermeld; het convenant, het onderzoekskader en de elf onderzoeksontwerpen, de twaalf onderzoeksrapporten en de digitale databestanden van alle campagnes. Met de verzamelde informatie kan het bewoningsmodel voor de verschillende perioden in de verschillende milieus worden verfijnd.

Noten 1

‘Het verleden boven water’ De Projectgroep Archeologie AHR heeft voorkomen dat het archeologisch onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg verzandde en vervolgens verdorde in een stroom van individuele, niet samenhangende rapporten. Daarom is aan het begin van het project in de omschrijving opgenomen dat één van de projectresultaten een wetenschappelijke publicatie zou zijn, gebaseerd op het

Bult et. al 2002 en Koot en Waasdorp 2000. Rieffe et. al 2006. 3 Louwe Kooijmans 2006, pg 485. 4 Goossens 2006. 5 Lohof 2007. 6 Flamman en Besselsen 2008. 2

Literatuur – Bult E.J., J.M. Koot, H. van Londen, D.C.M. Raemaekers en J.A. Waasdorp 2002: Archeologische Monumentenzorg in het AHR-

project. Deel 1: het voorbereidende werk. Haagse Oudheidkundige Publicaties 6, Den Haag. – Flamman, J.P. en E.J. Bult 2003: Archeologische Monumentenzorg in het AHRproject. Deel 2: verkennend archeologisch onderzoek in de Harnaschpolder. Haagse Oudheidkundige Publicaties 7, Den Haag. – Flamman, J.P. en E.A. Besselsen 2008: Het verleden boven water. Archeologische monumentenzorg in het AHR-project. Rapportage Archeologische Monumentenzorg 148, Delft/Amersfoort. – Goossens, T.A. 2006: De bewoning in de Romeinse tijd in de Harnaschpolder. Samenvatting en slotbeschouwing. In: Goossens, T.A. en J.P. Flamman, Schipluiden, ‘Harnaschpolder’. De inrichting en bewoning van het landschap in de Romeinse tijd (125-270 na Chr.), ADC ArcheoProjecten rapport 625, Amersfoort, pagina’s 423-440. – Koot, J.M. en J.A. Waasdorp 2000: Standaard Archeologische Inventarisatie inen effluent leidingen Afvalwaterzuivering Haagse Regio, Den Haag (intern rapport). – Lohof, E. 2007: Schipluiden, ‘Groenzone AWZI Harnaschpolder’ (gem. Midden-Delfland). Een archeologische begeleiding, ADC ArcheoProjecten rapport 820, Amersfoort. – Louwe Kooijmans, L.P. 2006: Schipluiden: a synthetic view. In: L.P. Louwe Kooijmans en P.F.B. Jongste, Schipluiden. A Neolithic settlement on the Dutch North Sea coast c. 3500 cal bc. Analecta Praehistorica Leidensia 37/38, Leiden, pagina’s 485-516. – Rieffe, E.C., L.I. Kooistra, E.E.B. Bulten en J. van Dijk 2006: Archeologisch onderzoek in- en effluentleidingen Afvalwaterzuivering Haagse Regio, Zoetermeer, DSB-rapport 0619. 


DRS. M. MARING H O B É O N C E R T I F I C E R I N G , D E N H A AG

Marktwerking i n d e

monumentenzorg

Een auditteam van Hobéon Certificering bestaande uit adviseurs van Hobéon en restauratiedeskundigen bezoekt de Pieterskerk in Leiden. Foto: E.J. Nusselder

‘Erfgoed blijft, monumentenzorg verandert’ met deze kop opent de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg van minister Plasterk. De beleidsbrief is de afronding van de decentralisatie die ingezet is met de monumentenwet van 1988. In de

gemoderniseerde monumentenzorg organiseert de overheid zich anders dan voorheen. Zij vertrouwt meer op zelfsturing van marktpartijen; van hen wordt verwacht dat ze een meer prominente rol in gaan nemen in de borging een branchebrede kwaliteit.1


www.hobeon.nl zie onder kwaliteitszorg, monumentenzorg

Een korte blik op de beleidsbrief leert dat drie kwantiteit als in kwaliteit. Het terugtreden van aan hun zorg over de afname van de restauratiethema's centraal staan in de nieuwe erfgoedzorg. een centrale overheid in de monumentenzorg kwaliteit in de hele keten en verklaarden zich in Het individuele monument wordt onderdeel van heeft het proces zeker versneld. te zetten voor de formulering van termen en crieen gebiedsgerichte bescherming. teria waarmee de kwaliteit van het architectenHerbestemming van monumenten wordt gestiAl deze erkenningssystemen staan open voor werk in de monumentenzorg kan worden muleerd en de regelgeving wordt vereenvoudigd. ieder bedrijf (of persoon: de restauratoren kennen gewaarborgd 2. Sinds die tijd heeft een flink aantal architecten zich laten Dit houdt onder andere in dat een deel van de ‘Nog sterker dan voorheen leunt de monumentenzorg erkennen. Ook ambachtelijke bedrijven als steenhouwers, regels verdwijnt, deels nieuwe stijl op de kwaliteit van de uitvoerende en molenmakers, smeden en omdat veel in het kader beherende marktpartijen in de hele ‘restauratieketen’ restauratieschilders hebben van de ruimtelijke ordehun eigen kwaliteitseisen ning geregeld zal woropgesteld. Naast erkenningsregelingen kan den, deels omdat de vergunningsplicht voor veel bijvoorbeeld een persoonscertificering) dat aan kwaliteit ook geborgd worden door bijvoorbeeld kleinere ingrepen wordt afgeschaft. De de eisen voldoet. De regelingen zijn openbaar uitvoerings- of beoordelings-richtlijnen, door Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed vervult opvraagbaar en dus transparant en worden het garanderen en monitoren van opleidingen, haar traditionele adviestaak alleen nog bij sloop, beheerd door een onafhankelijke instantie. door het opstellen van bestekstermen of door reconstructie of herbestemming. Haar nieuwe rol organisatie in een gilde-achtige structuur. wordt die van kenniscentrum. Om een objectieve beoordeling te garanderen De nieuwste ontwikkeling is het initiatief van worden gespecialiseerde certificerende instelmonumenten adviesbureaus, georganiseerd in Nog sterker dan voorheen leunt de monumentenlingen ingeschakeld. Eén van deze bedrijven is de vereniging adviesbureaus monumentenzorg zorg nieuwe stijl op de kwaliteit van de uitvoeHobéon Certificering uit Den Haag. Dit bedrijf is al (VAM)3, om samen met Hobéon tot een kwalirende en beherende marktpartijen in de hele meer dan tien jaar betrokken bij het ontwikkelen teitsnorm te komen. Een nieuwe gekwalificeerde 'restauratieketen'. Van erkende organisaties als en uitvoeren van erkenningsregelingen in de marktpartij treedt daarmee toe tot de Stadsherstel NV en Vereniging Hendrick de Keyser, monumentenzorg. Doel bij het ontwikkelen van gemoderniseerde monumentenzorg. via de architecten naar de ambachtslieden op de de regelingen is de gehele ‘restauratieketen’ te steigers. Vanuit het rijk wordt de toekomstige faciliteren; van opdrachtgevers en beheerders via Noten situatie ondersteund met kennis. De Rijksdienst architecten, adviseurs, bouwbedrijven tot (gespe1 Zie: www.minocw.nl/moderniseringmonumentenzorg/ voor het Cultureel Erfgoed zal in haar nieuwe rol cialiseerde) onderaannemers. De ontwikkeling index.html bijvoorbeeld standaard bestekstermen ontwikkevan een kwaliteitsnorm is een vak apart waarbij 2 Zie: www.vawr.nl len maar ook de ontwikkeling van kwaliteitsliefde voor erfgoed en kennis van bedrijfsvoering 3 Zie: www.verenigingadviesbureausmonumentenzorg.nl normen door de verschillende branches gaan en kwaliteitszorg samen komen. ondersteunen. In de nabije toekomst zal steeds Er wordt samengewerkt met restaumeer werk uitgevoerd worden door gekwalifiratiespecialisten uit de betreffende ceerde marktpartijen. branches. Sinds de jaren ‘80 van de vorige eeuw Vanuit het beleid bekeken zijn deze ontwikhebben steeds meer branches eigen kelingen nieuw. In de voor restauratie verantkwaliteitsnormen vastgelegd. De reswoordelijke branches is echter al langer een trend tauratie-aannemers lieten als een waarneembaar die zich karakteriseert door een van de eersten een erkenningsregegroeiende aandacht voor restauratiespecifieke ling ontwikkelen. Een erkende kwaliteit en het vastleggen daarvan in door de aannemer kan zich aansluiten bij de branches zelf gedefinieerde eisen. De aanleiding Vakgroep Restauratie, een vereniging werd gevormd door de achteruitgang, soms zelfs met inmiddels 34 leden. In 2004 de bedreiging, van het vakmanschap, zowel in gaven restauratie-architecten uiting Foto: E.J. Nusselder


VITRUVIUS

NUMMER 10

44

JA N U A R I 2 0 1 0

D R S . W.A.M. H E S S I N G

D R S . M.M.M. A L K E M A D E

D R S . C.E.M. K A P T E I N

M A N AG I N G PA R T N E R E N S E N I O R A DV I S E U R V E S T I G I A B V A R C H E O LO G I E & C U LT U U R H I S TO R I E

S E N I O R A DV I S E U R ( B E L E I D ) V E S T I G I A B V A R C H E O LO G I E & C U LT U U R H I S TO R I E

O M G E V I N G S M A N AG E R E N S E N I O R A DV I S E U R B O D E M & WAT E R DHV BV

Verder met

1 – ARCHEOLOGIE TREKT ALTIJD VEEL BELANGSTELLING. OP DE OPEN DAGEN TIJDENS DE OPGRAVINGEN OP HET VOORMALIGE VEILINGTERREIN IN WIJK BIJ DUURSTEDE IN 2007 KONDEN SCHOOLKINDEREN ZELF MEEGRAVEN. FOTO: WINFRIED LEEMAN WIJK BIJ DUURSTEDE

Valletta

De aanloop ie de geschiedenis overziet weet dat de meeste zaken zich langs de weg van de geleidelijkheid voltrekken, maar dat er soms ook korte perioden zijn van snelle verandering. Alles lijkt tegelijk te gebeuren. Het is misschien wat vroeg om terug te kijken, maar in de Nederlandse archeologie heeft zich tussen 1999 en 2008 een mini-revolutie voltrokken. Kenmerkte de archeologiebeoefening in ons land zich vanaf haar ontstaan in het midden van de 19e eeuw vooral door beslotenheid, kleinschaligheid, overzichtelijkheid en wetenschappelijk debat in de luwte van de maatschappelijke ontwikkelingen, in het laatste decennium zijn de luiken aan alle kanten opengegaan. In korte tijd zijn wet- en regelgeving fundamenteel gewijzigd, overheids-

W

taken herschikt en gedecentraliseerd, de financieringsbasis verbreed, de uitvoering van (voor)onderzoek grotendeels geprivatiseerd en is daartoe een kwaliteitssysteem geïntroduceerd, alsmede het toezicht aangescherpt. De basis voor dit alles werd al in 1992 gelegd met de ondertekening van het Europese Verdrag van Valletta (Malta). De implementatie daarvan raakte in Nederland pas vanaf 1999 in een stroomversnelling , toen bleek dat de bestaande (gecentraliseerde) systematiek niet meer aansloot op de maatschappelijke behoeften en de realiteit van het ruimtegebruik in Nederland. Wat heeft tien jaar bouwen aan een nieuw archeologiebestel ons gebracht? Dat zal de centrale vraag worden wanneer in 2011 de herziene Monumentenwet geëvalueerd gaat

worden. Op dit moment staan we nog midden in het veranderingsproces, moeten veel zaken nog verder uitkristalliseren en zullen velen nog moeten wennen aan de nieuwe taken en rollen. Terecht is nu de behoefte aan meer duidelijkheid. Begrijpelijk, ook in dat licht, is de vaak bij gemeenten geproefde weerstand tegen een zoveelste taakverzwaring. Wellicht is eveneens terecht de kritiek dat het bestel rond zo'n klein taakveld (te) ingewikkeld is geworden. Onjuist en prematuur is in onze ogen echter het oordeel dat het vroeger allemaal beter was.

De handreiking De Handreiking Verder met Valletta beoogt een steentje bij te dragen aan de beantwoording van het eerste punt: de grote informatiebehoefte bij de gemeenten. De pocket is op de


45

eerste plaats geschreven voor gemeentelijke beleidsmedewerkers bij afdelingen Monumenten, Ruimtelijke ordening, Vergunningen, Milieu enz. die steeds vaker met aspecten van de archeologische monumentenzorg geconfronteerd worden. Natuurlijk hopen we dat het ook voor anderen, van bestuurders tot vakarcheologen, die op een of andere manier bij de archeologie betrokken zijn, een handig naslagwerkje zal zijn. De uitgave heeft lang op zich laten wachten. Al in 2006 is met de voorbereidingen begonnen. Doordat het wetgevingstraject van de Monumentenwet/Wamz een aantal malen vertraging opliep heeft de VNG besloten de definitieve versie van de wet af te wachten. Vervolgens liep ook de invoering van de nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) vertraging op. Ondertussen bleef ook het archeologiebestel volop in beweging: nieuwe procedures rond de vergunningverlening, aanpassingen in het kwaliteitssysteem, de excessieve kostenregeling, de overgang van ROB via RACM naar RCE, enz. De veranderingen zijn zo goed mogelijk in de uiteindelijke versie meegenomen en afgestemd met de redactieraad, waarin vertegenwoordigers uit de RCE, de provincies en de gemeenten zitting hadden. Echter, de ontwikkelingsfase waarin de archeologische monumentenzorg zich nu bevindt, maakt dat ook deze uitgave bij het verschijnen alweer enigszins gedateerd is.

Stof tot nadenken Het schrijven aan de handreiking was voor de auteurs tegelijk ook een proces van bezinning. Op basis van onze eigen ervaringen bij de advisering van gemeenten en ontwikkelaars en

VITRUVIUS

uit de vele gesprekken met betrokken collega’s ontstaat een beeld van de huidige archeologiepraktijk. Dat beeld is natuurlijk subjectief, maar wat wel opvalt, is dat bepaalde topics steeds terugkeren. Dat zijn zowel zaken waarin het nieuwe bestel zich in positief opzicht onderscheidt van de voorgaande periode, als knelpunten waar blijkbaar nog geen antwoord op gevonden is. De belangrijkste daarvan willen we hier kort de revue laten passeren. Nadrukkelijk stellen we dat dat onze waarnemingen zijn, en niet de opvattingen van de VNG of een van de andere bij Verder met Valetta betrokken partijen. Hopelijk worden ze herkend, bieden ze stof tot nadenken in de aanloop naar de komende evaluaties, en kunnen betrokkenen hierop anticiperen in hun eigen dagelijkse werk. Eerst uiteraard de positieve zaken...

De winst van Valletta Zonder twijfel is de grootste vooruitgang in de afgelopen tien jaar de verbreding van de aandacht voor de archeologie geweest. Of dit nu zozeer te wijten is aan de hervorming in het bestel of eerder aan een meer algemene maatschappelijke trend, waardoor geschiedenis weer ‘in’ is – het Geert Mak-effect – doet er eigenlijk niet zoveel toe. Feit is dat geen bestuurder of ontwikkelaar tegenwoordig een archeologische vindplaats nog zo maar terzijde kan schuiven. De archeoloog is geen roepende meer in de woestijn. Dat was niet eens zo lang geleden nog weleens anders. Archeologie als – om te beginnen – onzichtbaar onderdeel van de cultuurhistorie is bezig een vast facet te worden bij integrale ruimtelijke afwegingen. Er mag dan best nog een lange weg te gaan zijn voordat de meeste grondeigenaren en ontwik-

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

kelaars archeologie ook werkelijk als een uitdaging en niet alleen als een belemmering beschouwen, het gedachtengoed van Belvedere is wel degelijk geland. De weerslag daarvan in bestemmingsplannen, milieueffectrapportages en structuurvisies vormt een niet te onderschatten, fundamentele eerste stap. Een grotere zichtbaarheid, herkenbaarheid en beleefbaarheid zal de tweede moeten worden. Amateurarcheologen en leden van historische verenigingen zijn intussen niet alleen meer schatgravers en vrijetijdsonderzoekers, maar bespelen in toenemende mate hun eigen gemeenteraad. De verbeterde financiering van het archeologisch onderzoek is wel een direct gevolg van de manier waarop in Nederland de principes uit het Verdrag van Valletta zijn geïmplementeerd. Het veroorzaker-betaalt-principe heeft er voor gezorgd dat er nauwelijks nog financieringsproblemen bestaan rond archeologisch vooronderzoek en opgravingen als gevolg van bouw- en inrichtingswerken (het vroegere noodonderzoek). Extra winst is de opname van de rapportageplicht, die ervoor zorgt dat er geen enorme achterstanden meer ontstaan bij de uitwerking van de resultaten en de ontsluiting van de informatie..Natuurlijk, alle financieringsproblemen voor de archeologie, en zeker die voor de academische archeologie, zijn daarmee niet opgelost. Maar we moeten niet vergeten dat die ook in de oude systematiek al bestonden, en de problematiek van de archeologische monumentenzorg overstijgen.1 Om aan de toegenomen vraag naar tijdig en efficiënt opsporings- en onderzoekswerk te kunnen voldoen, is de personele capaciteit,

Samenvatting De implementatie van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz 2007) in de Monumentenwet en de recente veranderingen in het Nederlandse archeologische bestel hebben nogal wat gevolgen gehad voor de gemeenten. In het verlengde daarvan zijn op dit moment veel gemeenten bezig met het ontwikkelen of implementeren van eigen archeologie- of erfgoedbeleid. Een veelgehoorde klacht is dat de Wamz, met zijn vele dwarsverbanden met andere wetten, maar ook het nieuwe archeologische bestel met een groot scala aan procedures, spelers en kwaliteitseisen, lastig te doorgronden is voor hen die niet dagelijks met archeologie te maken hebben. Daartoe behoren bij veel gemeenten ook de portefeuillehouders en beleidsmedewerkers monumentenzorg en ruimtelijke ordening. Speciaal voor deze groep heeft de Vereniging van Nederlandse

Gemeenten (VNG), in samenwerking met onder andere het Convent van Gemeentelijke Archeologen (CGA) en de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE), een handreiking laten opstellen voor de gemeentelijke archeologische monumentenzorg. In deze handreiking wordt op overzichtelijke wijze uitleg gegeven over die (nieuwe) gemeentelijke taken en het bijbehorende instrumentarium, mede in samenhang met dat van andere overheden en spelers in het bestel. De pocket bevat bovendien een model voor een gemeentelijke erfgoedverordening en, op de bijgevoegde CD-rom, een voorbeeldbeleidsplan met alle benodigde ingrediënten voor archeologiebeleid dat iedere gemeente vervolgens naar eigen inzichten kan aanvullen en uitwerken.


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

zoals was verwacht, zeer snel meegegroeid. Het aantal archeologische instellingen en bedrijven, zowel particulier als overheidsgerelateerd, bedroeg in 2007-2008 ca. 200, het aantal betaalde arbeidsplaatsen ca. 1200. Dat is minimaal een verdubbeling ten opzichte van de vijf jaar daarvoor en een verdrievoudiging ten opzichte van tien jaar geleden.2 In principe betekent dit meer keuze mogelijkheden voor opdrachtgevers, meer mogelijkheden tot specialisatie van de bedrijven en instellingen en ruimere carrièremogelijkheden voor archeologen. Conclusie? De echte archeologische rampen behoren tot het verleden, de stroom aan beschikbare archeologische informatie is enorm toegenomen en de archeologische branche emancipeert en professionaliseert in hoog tempo.

Knelpunten Toch is het niet allemaal koek en ei. Binnen de sector bestaan er veel zorgen, met name over de kwaliteit van het archeologisch werk. Steeds meer belanghebbenden van buiten de sector roeren zich als het gaat om de rechtsgevolgen van het gevoerde archeologiebeleid, stijgende kosten, het ontbreken van eenduidige kaders en het gebrek aan transparantie bij waardestellingen en selectiebesluiten. Nu de luiken opengaan, zal de archeologie moeten wennen aan ‘anderen’ die ook een mening hebben over de eigen vakuitoefening. Een mening die meestal niet is ingegeven door

2 – PUBLICATIE ‘VERDER MET VALLETTA’.

46

dezelfde motieven als die van archeologen. Dat is de prijs voor het grotere draagvlak en de maatschappelijke emancipatie. Belangrijke vraag is of archeologen hiermee kunnen en willen omgaan, en of het bestel al voldoende toegerust is om die andere belanghebbenden en betrokkenen de duidelijkheid en rechtvaardiging te bieden waar zij recht op hebben. Ook overheden hebben hierin nog een weg te gaan. De decentralisatie van de archeologische monumentenzorg betekent dat in korte tijd meer dan 400 gemeenten, 12 provincies en nog een heel aantal andere overheidsinstellingen archeologisch beleid moeten (her)formuleren en ook nog eens in hun eigen organisatie implementeren. De vorm die daarvoor gekozen is varieert van plaats tot plaats. Zeker op lokaal niveau ontbreken de praktische uitvoeringskaders nogal eens (verordeningen, standaard planregels, toetsingsrichtlijnen, enz.) of zij zijn ontoereikend. Specifieke deskundigheid is schaars, zeker waar het de combinatie van juridischbeleidsmatige en archeologische kennis betreft. Kortom, de beleidsmatige aandacht en invulling is aan het versnipperen. Door gebrek aan ervaring of specifieke deskundigheid worden bij de beleidsuitvoering soms persoonlijke opvattingen of interesses ingebracht, waarbij wat betreft de rechtmatigheid en doelmatigheid de nodige vraagtekens geplaatst kunnen worden. Wat ons in dat kader ook zorgen baart is de tendens bij gemeenten om de verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de nieuwe rol van bevoegd gezag op afstand te plaatsen en bijvoorbeeld onder te brengen bij een regionaal samenwerkingsverband, een erfgoedhuis of zelfs een milieudienst. Het gevaar is dat de gemeente zich niet altijd realiseert dat zij verantwoordelijkheden overhevelt naar partijen (incl stichtingen die soms tegelijk geheel of gedeeltelijk marktpartij zijn) die niet vallen onder de democratische controle van de gemeente. Daarmee worden de rollen van de verschillende spelers in archeologische krachtenveld steeds diffuser. Dat maakt dat belanghebbende burgers steeds meer geneigd zijn om de wettelijke grondslag van gemeentelijke besluiten voor de rechter te brengen. Archeologen en gemeenten kunnen naar onze mening niet langer de ogen sluiten voor de oorzaken van de juridisering van de archeologie. Het gebrek aan transparantie betekent in de praktijk vaak een aanslag op het zo noodzakelijke maatschappelijke draagvlak voor

archeologie Een andere constatering is dat tussen de doelstellingen van de Wamz ten aanzien van een goede archeologische monumentenzorg en de praktische uitwerkingen daarvan in bijvoorbeeld de Wro/Bro, de Grondexploitatiewet, het Besluit MER en de nieuwe Omgevingsvergunning nog allerlei weeffouten zitten. Deze geven op dit moment aanleiding tot veel discussie over de juiste interpretatie. Een recent voorbeeld hiervan is de oplaaiende discussie over planschade bij het aanwijzen van archeologische verwachtingsgebieden in gemeentelijke bestemmingsplannen.

Kosten En dan is er natuurlijk het geld. De investeringen in archeologische (voor)onderzoek zijn de afgelopen tien jaar snel gestegen. Veruit het grootste deel van de, misschien wel 100 miljoen euro op jaarbasis, wordt opgebracht door bouwende en ontwikkelende particulieren, ondernemers en, niet te vergeten, gemeenten. Belangrijke vragen zijn of dit geld ook het gewenste rendement oplevert en in hoeverre er meer regie over die bestedingen gevoerd zou moeten worden. Archeologen, en dan vooral zij die zich met wetenschappelijk onderzoek bezighouden, kijken vooral naar de kenniswinst. Als we meer uitgeven aan onderzoek, zou dit toch ook meer kennis over het verleden moeten opleveren? Bouwers en ontwikkelaars, en voor het gemak rekenen we daartoe ook maar even de bouwende gemeenten, kijken vooral naar het rendement op hun investeringen: kan ik door met het proces, beperk ik de uitvoeringsrisico's en levert het aan het eind ook nog iets bruikbaars voor het plan op? Die doelstellingen zijn dus niet dezelfde en het is wel belang beide doelstellingen bij de evaluatie te betrekken. Dat er zorg is over de kenniswinst is overigens wel begrijpelijk. Er wordt in Nederland op dit moment veel archeologisch onderzoek uitgevoerd dat niet leidt tot aansprekende resultaten. Dat is op de korte termijn, macrogeredeneerd, misschien nog niet zo erg, omdat het ook andere doeleinden dient. Op de lange termijn kan dit echter veel goodwill kosten en het draagvlak voor het bestel ondermijnen. Een grondige evaluatie hoe de besluitvorming rond het wel of niet uitvoeren van archeologisch onderzoek op dit moment verloopt, kan een beter inzicht verschaffen over hoe in de toekomst wellicht een meer proportionele inzet gerealiseerd kan worden. Verschillende


47

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

belangen lijken elkaar hier te beïnvloeden en zelfs te versterken: het belang van de overheidsarcheoloog die het risico op het ongezien verstoren van archeologische waarden zo klein mogelijk wil houden, het commerciële belang van het grootste deel van de bedrijfstak voor wie meer, en liefst complexer, onderzoek meer omzet betekent en het belang van de wetenschap die uiteindelijk behoefte heeft aan zoveel mogelijk basisinformatie en soms terechte twijfels uit over de beperkte zeggingskracht van de goedkopere onderzoekstechnieken of (te) summiere rapportages. Daarbij mag dan wel de vraag gesteld worden wie op dit moment de regie in handen heeft en of het ook niet tot de maatschappelijke verantwoordelijkheid van alle archeologen behoort om na te denken over de financiële beheersbaarheid van het proces en de proportionaliteit van de te plegen inzet. Het is te eenvoudig om daarbij alleen met een beschuldigende vinger te wijzen naar de commerciele markt.

Gemeentelijke kaarten Een laatste knelpunt vormt de informatievoorziening. Een wellicht onverwacht gevolg van de inrichting van het nieuwe bestel is dat ook de archeologische informatie in hoog tempo decentraliseert. Vormde tot voor kort het nationale archeologische informatiesysteem Archis nog een redelijke afspiegeling van wat er zich archeologisch gezien in Nederland afspeelde, inmiddels lijkt er een zekere wildgroei te ontstaan in allerlei lokale schaduwbestanden en kartografische overzichten. Vanwege de wettelijke eis worden onderzoeksmeldingen nog wel doorgegeven aan het systeem, maar of dat voor andere archeologische waarnemingen eveneens gebeurt, is bij de steeds ingewikkelder taakverdeling tussen rijk, provincie, steunpunten, regioarcheologen en gemeentelijke medewerkers zeer de vraag. Een basaal manco is het ontbreken van een landelijk overzicht van de gemeentelijke archeologische beleids- en waarden- en verwachtingenkaarten. Dat is niet alleen lastig voor betrokkenen die zich met de archeologie in een bepaalde regio bezighouden, maar het betekent in de praktijk ook dat allerlei nieuwe archeologische informatie die ten behoeve van die kaarten op lokaal niveau is gegenereerd niet meer aan het landelijke systeem wordt toegevoegd. Het is zelfs zo erg dat belangrijke basisinformatie die in dat soort kaarten is verwerkt, vaak niet eens meer bij de betreffende

3 – ARCHEOLOGISCHE WAARDEN- EN VERWACHTINGENKAART VAN DE GEMEENTE TEXEL, 2008. OOK DE ARCHEOLOGIE ONDER WATER IS IN DIT OVERZICHT MEEGENOMEN. BRON: VESTIGIA BV ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE AMERSFOORT/GEMEENTE TEXEL.

gemeente terechtkomt, maar in bezit blijft van het bedrijf of de instelling die de betreffende kaart heeft opgesteld. Op die manier wordt archeologische informatie gemonopoliseerd die uiteindelijk immers op kosten van de gemeenschap is gegenereerd! Ook hier is heel duidelijk de regiekwestie aan de orde en zouden overheden zich minder passief moeten opstellen.

Hoe nu verder? De VNG peilt op dit moment de behoefte onder de eigen leden aan één of meer introductiedagen om op een praktische manier met de Handreiking Verder met Valletta aan de slag te gaan. Daarbij zal ook gelegenheid worden geboden om de eigen, prille, ervaringen met het nieuwe archeologiebestel met elkaar uit te wisselen. Met de handreiking zal het laatste woord over de gemeentelijke archeologische monumentenzorg dan ook zeker niet gezegd zijn.

Basisgegevens Monica Alkemade, Wilfried Hessing (beiden Vestigia BV Archeologie & Cultuurhistorie) en Kees Kaptein (DHV), 2009: Verder met Valletta, Handreiking voor de gemeentelijke

archeologische monumentenzorg (AMZ), VNGpublicaties, ’s-Gravenhage, 212 pagina’s. Aan deze publicatie zijn toegevoegd de Modelerfgoedverordening van de VNG en het Voorbeeldbeleidsplan Gemeentelijke Archeologische Monumentenzorg van het Convent van Gemeentelijke Archeologen (op CD-ROM).

Bestellen Deze publicatie wordt gratis verspreid onder de bij VNG aangesloten gemeenten. Voor anderen is de publicatie te bestellen bij het informatiecentrum van de VNG: info@vng.nl.

Notes 1 Zie hiervoor: De toren van Pisa rechtgezet, Verkenningen van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, 2007. 2 Bron: K.E. Waugh, 2008: Op zoek naar de archeologen van Europa: Nederland, informatie over en overzicht van de archeologische arbeidsmarkt 2007-2008, Vestigia-rapport V595, (ook als deelrapport in het kader van Discovering Archaeologists in Europe, een project van de Europese Unie/Leonardo da Vinci).




RECENT

48

VERSCHENEN

Vanwege de bijzondere fotografie van Daniel van de Ven en Harry Mosch is dit boekje een heerlijk meepakkertje geworden voor iedereen die geinteresseerd is in de Rotterdam, het voormalige vlaggenschip van de Holland Amerika Lijn (HAL).

Op reis met de Rotterdam Auteur Sandra van Berkum Uitgave Scriptum Details Paperback 108 pagina's full-colour ISBN 978-90-5594-690-7

Prijs € 9,95

In het voorwoord schreef Klaas Krijnen, voorzitter van de Stichting behoud stoomschip Rotterdam er het volgende over: Welkom aan boord van het grootste passagiersschip dat ooit in Nederland is gebouwd. De Rotterdam is in 1959 als vlaggenschip van de HollandAmerika Lijn in de vaart gekomen en heeft alle wereldzeeën bevaren. Zij is gebouwd voor 'crossing & cruising’, dus zowel voor de lijndienst op New York,

Auteur onder redactie van Brian Fagan Uitgave Waanders Uitgevers i.s.m. Davidsfonds, Leuven Details Gebonden, 240 pag. 250 kleurenfoto’s ISBN 978-90-4008-631-1

Prijs € 24,95

IJstijd - Het complete verhaal Klimaatveranderingen op onze aarde

De wereld waarin we leven wordt bedreigd door een stijgende zeespiegel en een opwarmend klimaat. Nog nooit was het zo belangrijk om

als voor vakantiereizen. In de eerste tien jaar voer de Rotterdam regelmatig vanuit haar thuishaven via Le Havre en Southampton naar New York en weer terug, maar al snel werd het gebruikt voor wereldwijze cruises. Tot 1997 maakte de Rotterdam meer dan 1.000 reizen, waarvan 30 wereldcruises. Daarna voer het nog drie jaar als Rembrandt voor de Amerikaanse rederij Premier Cruises, waarna het in 2000 uit de vaart ging. Omdat sloop dreigde voor dit prachtige schip heeft een aantal liefhebbers in 2001 de Stichting behoud stoomschip Rotterdam opgericht om het schip een stem te geven. Hoewel de stichting niet tot doel heeft het schip te bezitten of te exploiteren, heeft zij er wel aan bijgedragen dat de Rotterdam nu door u te bezoeken is. De Rotterdam is nu eigendom van rederij De Rotterdam B.V. De Rotterdam moest behouden blijven omdat het het laatste grote Nederlandse passagiers-

inzicht te hebben in klimaatveranderingen en de aanpassingen daaraan van mens en dier. In dit boek vertellen vier vooraanstaande wetenschappers een samenhangend en intrigerend verhaal op basis van de meest recente ontdekkingen in het ijstijdonderzoek. Ze leggen uit hoe het groeien en slinken van de ijskappen enorme schommelingen in het klimaat met zich meebracht. Ze vertellen ook over de manieren waarop mens en dier zich staande hielden in een veranderende wereld. Toen de gletsjers 10.000 jaar geleden

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

schip is dat nog bestaat. Illustere andere passagiersschepen zoals de Nieuw Amsterdam, Willem Ruys en Oranje zijn allemaal verloren gegaan. Wereldwijd zijn er nog maar enkele van de klassieke oceaanreuzen over. Bovendien was de Rotterdam na meer dan veertig jaren trouwe dienst nog in verrassend goede staat. Het resultaat van het vakmanschap van tientallen architecten, kunstenaars en duizenden werfarbeiders is nog steeds te zien. Uniek is de enorme stoomturbine-installatie die nog geheel in het schip aanwezig is. Bedenk hoe bijzonder het is dat u met dit boekje in de hand door het schip kunt wandelen, met prachtige authentieke zalen en zes machinekamers met een totale lengte van wel negentig meter lengte. De Rotterdam is maritiem, cultureel en technisch erfgoed van wereldklasse. Geniet er van!

smolten, kregen onze voorouders te maken met een stijging van de zeespiegel van maar liefst 120 meter. Dat is veel meer dan de relatief bescheiden stijging die voor de 21ste eeuw is voorspeld en die toch zo rampzalig kan zijn. 'IJstijd - Het complete verhaal' is schitterend geïllustreerd met indrukwekkende foto's, afbeeldingen van het leven van onze voorouders en verklarende grafieken. Daarmee toont het boek de kwetsbaarheid aan van ons klimaatsysteem.


RECENT

49

VERSCHENEN

De 300 belangrijkste scènes in de religieuze kunst Auteur Jo Claes, AlfonsClaes, Kathy Vincke Uitgave Waanders Uitgevers i.s.m. Davidsfonds, Leuven Details Paperback 392 pagina’s ISBN 978-90-8526-103-2

Prijs € 29,95

Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft in de periode 2001 - 2007 uitgebreid archeologisch onderzoek laten uitvoeren voor het project Afvalwater Haagse Regio (AHR).

Het verleden boven water Archeologische monumentenzorg in het AHR-project Auteur onder redactie van J.P. Flamman en E.A. Besselsen Uitgave Hoogheemraadschap van Delfland Details Gebonden, hardcover, 416 pagina’s full colour ISBN 978-90-5799-108-0

Prijs € 39,50

Voorafgaand aan de bouw van de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Harnaschpolder is onderzoek gedaan, maar ook bij de aanleg van de persleidingen door Rijswijk en Den Haag. Hierbij zijn tientallen vindplaatsen uit het Midden-Neolithicum, de Romeinse tijd, de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd onderzocht. De vooronderzoeken en grote opgravingen hebben geleid tot prachtige resultaten. Deze zijn weergegeven in diverse onderzoeksrapporten en permanente presentaties op en rond de AWZI Harnaschpolder. 'Het verleden boven water' vormt het sluitstuk van de archeologische monumentenzorgcyclus. Dit boek slaat de brug tussen de resultaten van de opgravingen en toekomstig archeologisch onderzoek. Het is een bundeling van vijftien wetenschappelijke artikelen die aandacht schenken aan de opzet, de aanpak en de uit-

VITRUVIUS

Al eeuwen is het christendom een bron van inspiratie voor kunstenaars. Scènes uit de bijbel werden uitgebeeld als eerbetoon aan God of als didactische illustratie voor de ongeletterde gelovigen. Maar vandaag de dag weten nog maar weinigen wat de verhalen achter die religieuze kunstwerken betekenen.

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

scènes in de christelijke kunst. Telkens wordt de tekst waarop de scène teruggaat geciteerd en kort geïnterpreteerd. Ook de overeenkomsten en verschillen met andere legendes, mythes of religieuze teksten worden aangehaald. Mede dankzij de uitgebreide indexen een onmisbaar naslagwerk voor kunstliefhebbers!

'De 300 belangrijkste scènes in de religieuze kunst' biedt een handig overzicht van de driehonderd meest uitgebeelde

komsten van de archeologische monumentenzorg binnen het AHR-project. Aspecten als het prospectief onderzoek in het voortraject en het gebruik van het onderzoekskader worden in drie artikelen geëvalueerd. Daarnaast geven acht synthetiserende artikelen een overzicht van de geschiedenis van het landschap en de bewoning van de Haagse regio vanaf het

Midden-Neolithicum tot de Nieuwe tijd, de productie en het gebruik van voorwerpen van (vuur)steen, aardewerk en been. Twee diachrone artikelen gaan over de relatie tussen hond en mens en over de historie van het waterbeheer in Delfland. Bij deze bundel is een CD toegevoegd met zeven onderzoeksontwerpen, twaalf eindrapporten en zesentwintig databases van alle onderzoeken.

Op 29 oktober 2009 heeft M. van Engelshoven - Huls, gedeputeerde van Cultuur van de Provincie Zuid-Holland, het eerste exemplaar van het boek 'Het verleden boven water' ontvangen van Hoogheemraad P. van den Ende.


RECENT

50

VERSCHENEN

987 pagina's, rijk geïllustreerd kleur/z/w ISBN 978-90-5345-335-3

Prijs € 75,(tot 1 januari 2010 daarna € 89,95)

‘Bruit van d’Eem’ Geschiedenis van Amersfoort Auteur Rob Kemperink en Burchard Elias Uitgave Uitgeverij Matrijs i.s.m. Stichting Historie Amersfoort Details Genaaid gebonden, in cassette, 2 delen

Amersfoort kreeg in 1259 het stadsrecht, maar daar ging een lange ontwikkeling aan vooraf. De vroegst bekende vermelding van de naam dateert van 1028, al was toen nog niet van een echte nederzetting sprake. Amersfoort speelt een belangrijke rol in de Middeleeuwen, onder meer op religieus en economisch gebied. Na een betrekkelijke stilstand in de daaropvolgende eeuwen ontwaakte de stad eind negentiende eeuw als het ware uit een winterslaap. Er volgde een stormachtige ontwikkeling die bekroond werd met de aanwijzing als groeistad. Deze geschiedenis is globaal in

Details Gebonden, 256 pagina's, 300 illustraties in kleur ISBN 978-90-6868-518-3

Prijs € 34,90

De 75 beroemdste bouwwerken van Nederland Auteur Theo van Oeffelt Fotografie Jan Derwig Uitgave Uitgeverij THOTH

Deze monumentale uitgave toont de vormgeving van wat wel eens 'een land van nut en noodzaak' wordt genoemd. In acht thema's, zoals huisvesting, verdediging en infrastructuur, komen bouwwerken aan de orde waarvan gesteld kan worden dat zij de bakens zijn gaan vormen bij de inrichting en vormgeving van Nederland. Van de grachtengordel, via het Hollandse rijtjeshuis tot aan de Blauwe Stad; van de Afsluitdijk en de Rotterdamse haven tot de Acoustic Barrier langs de A2 en van het Binnenhof en de Sint Servaaskerk tot het voormalige

VITRUVIUS

vijf tijdvakken verdeeld: de vroege middeleeuwen tot 1579, 1579-1800, 1800-1890, 18901975 en de groeistadperiode vanaf 1975. De begrenzingen van de periodes zijn niet star, voor de kerkgeschiedenis bijvoorbeeld liggen ze anders dan voor de economische ontwikkelingen. Binnen de tijdvakken is de geschiedenis thematisch geordend. In ieder deel komen aan de orde: stad en bevolking, economische en sociale ontwikkelingen, politiek en bestuur, kerkgeschiedenis, onderwijs en cultuur. Wat maakt Amersfoort tot Amersfoort? Deze geschiedenis geeft er antwoord op en verhaalt van tabaksteelt, bier, wollen laken en vette ossen, de jaarmarkten, de aansluiting op het spoorwegnet, de spoorwerkplaats en het garnizoen en de kazernes. Ook aan de zorg voor de armen, de verhou-

sanatorium Zonnestraal en de Noord/Zuidlijn. Het boek laat zien dat bouwkundige of landschappelijke schoonheid samen kan gaan met de zo typisch pragmatische, Hollandse nuchterheid. Dat een langzaam gegroeide bouwtraditie, naast soms schokkende ingrepen, nu tot veel waardering kan leiden. De 75 bouwwerken overspannen een periode die begint bij 3500 voor Christus en eindigt bij de nog onvoltooide werken in de komende decennia. Van

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

dingen met Holland en Gelre, de Mariaverering en het Mariabeeldje, de Zonnehof, Kamp Amersfoort, het Mondriaanhuis, Museum Flehite, en Amersfoort als groeistad met de nieuwe wijken met hun bijzondere architectuur is uitgebreid aandacht besteed. 'Bruit van d'Eem'. Geschiedenis van Amersfoort biedt de lezer een toegankelijk geschreven en rijk geïllustreerd historisch overzicht van de stad Amersfoort. Het geheel wordt geleverd in een luxe cassette en bestaat uit twee delen van respectievelijk 544 en 443 pagina's. De beide delen zijn van onschatbare waarde voor iedere inwoner van Amersfoort, maar tevens voor iedere geïnteresseerde in de geschiedenis van deze 'Bruit van d'Eem' zoals Vondel de stad in 1657 in een gedicht noemde.

deze 75 bouw-werken wordt de ontstaansgeschiedenis beschreven, de architectuur en de technische constructie. De teksten, ondersteund door veel foto's en illustraties, zijn geschreven voor een breed publiek, maar ook de technisch onderlegde lezer kan het hart ophalen.


RECENT

51

VERSCHENEN

Amsterdam en de grachtengordel Auteur Boudewijn Bakker Uitgave Uitgeverij THOTH Details Gebonden, 60 pagina's, 35 illustraties in kleur, ISBN 978-90-6868-506-0

Prijs € 17,50

Bruggen in Nederland Auteur Nederlandse Bruggen Stichting Uitgave Walburg Pers Details 2 gebonden delen in cassette, incl. dvd, 640 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur ISBN 978-90-5730-636-5

Prijs €125,De serie Bruggen in Nederland van de Nederlandse Bruggen Stichting belicht de bruggenbouw vanuit een techniekhistorische invalshoek. De twee delen zijn geschreven vanuit de behoefte om de ontwikkeling van en de kennis over de Nederlandse bruggenbouw

vast te leggen. Behalve voor specialisten als ingenieurs, historici en monumentenzorgers is deze rijk geïllustreerde en

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

De grachtengordel is een schitterend, uitzonderlijk belangrijk historisch en cultureel document. Deze uitbreiding betekende niet alleen een enorme vergroting van de stad, ze werd ook alom geprezen om haar grote schoonheid. Alle reizigers beaamden dat Amsterdam dankzij de grachtengordel bijna alle andere Europese steden in grandeur had overtroffen.

Tegenwoordig bestaat er niet één bij benadering zo indrukwekkend stedelijk fenomeen uit de zeventiende eeuw, dat vergelijkbaar is in omvang en dat zo goed bewaard, zo aantrekkelijk en zo toegankelijk is. Het boek werd geschreven ter gelegenheid van de nominatie van de 17de-eeuwse grachtengordel voor de UNESCO Werelderfgoedlijst.

toegankelijk geschreven uitgave vooral ook bedoeld voor anderszins geïnteresseerden in Nederlandse bruggen in de periode 1940–2000. Het eerste deel van de serie (1940–1950) behandelt de oorlogsperiode en de direct daarop volgende Wederopbouw. Een bijzonder tijdsdocument dat, behalve aan de lotgevallen van strategisch belangrijke bruggen in de oorlog, ook aandacht schenkt aan bijvoorbeeld de organisatie van het herstel en de vindingrijkheid van bruggenbouwers daarin. Deel twee (1950–2000) belicht de economische groei, de expansie van de infrastructuur

en de technische ontwikkeling van de bruggenbouw. Vele brugspecialisten laten materialen, constructies en ontwerpprocessen de revue passeren. Niet alleen de in Nederland gebouwde bruggen, maar ook de prestaties van Nederlandse bruggenbouwers in het buitenland komen aan de orde. De set Bruggen in Nederland (1940-2000) bestaat uit twee gebonden delen in een cassette en een dvd met onder meer bijzonder filmmateriaal.


RECENT

52

VERSCHENEN

Details Genaaid gebonden, 216 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur ISBN 978-90-5730-605-1

Prijs € 29,95

Geschiedenis van de VOC Opkomst, bloei en ondergang Auteur Femme S. Gaastra Uitgave Walburg Pers

Vier eeuwen geleden verkreeg de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) het monopolie voor de vaart op Azië. De VOC werd in de 17de en 18de eeuw het grootste scheepvaarten handelsbedrijf ter wereld. Met de handel in specerijen als peper en kaneel, en later ook producten als zijde, thee en porselein, bracht de VOC Nederland een periode van ongekende economische en culturele voorspoed. In deze compleet herziene, rijkelijk in kleur geïllustreerde

Uitgave Matrijs i.s.m. Stichting Tuinhistorisch Genootschap Cascade Details Genaaid gebrocheerd 232 pagina’s, rijk geïllustreerd z/w en kleur ISBN 978-90-5345-396-4

Prijs € 19,95

Tuingeschiedenis in Nederland Veelzijdig erfgoed in ‘t groen Auteur Onder redactie van Arinda van der Does en Jan Holwerda

Het Nederlandse groene erfgoed staat bijzonder in de belangstelling. Typische Hollandse landschappen ontvangen internationale waardering. Maar ook historische tuinen en parken als onderdeel van het cultuurlandschap krijgen welverdiende aandacht. De lezerskring van gespecialiseerde boeken en tijdschriften groeit, tuinreizen en -tentoonstellingen trekken een breed publiek.

VITRUVIUS

editie, belicht Femme Gaastra alle facetten van deze unieke onderneming. Waarom kreeg dit commerciële bedrijf zoveel politieke macht? Hoe werden schepen gebouwd? Hoe organiseerde men de bijna 5.000 reizen naar de Oost? Hoe waren de arbeidsomstandigheden aan boord en wat hield de militaire ondersteuning in? Waarom kozen tienduizenden Europeanen vrijwillig voor een reizend leven vol ontberingen en grote risico's? Gaastra brengt op aansprekende wijze in beeld hoe groot het werkterrein van de VOC was, in welke producten werd gehandeld en welke winsten er in die bijna twee eeuwen werden gemaakt. Maar hij belicht ook hoe met vaak harde middelen concurrenten werden verdreven,

De waardering en bescherming van onze groene monumenten is gebaseerd op tuinhistorische kennis. Beplantingsgeschiedenis, ontwerp en ontwikkeling, vormgeving en iconografie, conservering en instandhouding zijn onderwerp van studie geworden. Vakopleidingen en (universitaire) erfgoedstudies besteden meer dan ooit aandacht aan behoud en beheer van his-

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

levering van specerijen werd afgedwongen of oorlog werd gevoerd. Geschiedenis van de VOC toont op boeiende en zeer toegankelijke wijze de opkomst, bloei en neergang van een omvangrijk Nederlands handelsimperium.

torisch groen. In dit boek schrijven vijfentwintig enthousiaste kenners over uiteenlopende tuinhistorische onderwerpen, gebaseerd op recent onderzoek en de alledaagse praktijk. Daarmee draagt deze uitgave bij aan de doelstelling van Tuinhistorisch Genootschap Cascade: het bestuderen van de geschiedenis van de Nederlandse tuinen landschapsarchitectuur.


RECENT

53

VERSCHENEN

Kopstukken van de Gouden Eeuw Zeehelden, Pioniers, Meesters & Leiders Auteur Gerben Graddesz Hellinga

Uitgave Walburg Pers Details 4 gebonden delen in luxe cassette 704 pagina’s, rijk geïllustreerd In kleur ISBN 978-90-5730-577-1

Prijs €125,-

Auteur Diverse auteurs. Onder redactie van Paulina de Nijs en Hans Kroeze Uitgave Waanders Uitgevers i.s.m. Klooster Ter Apel Details Gebonden, 240 pagina's ISBN 978-90-4008-373-0

Prijs € 24,95

De Middeleeuwse kloostergeschiedenis van de Nederlanden

De geschiedenis van de kloosters in de Nederlanden begint in de vroege Middeleeuwen, toen missionarissen hier het christendom brachten, en eindigt in de zestiende eeuw,

VITRUVIUS

In de loop van de 17de eeuw ontwikkelde de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën zich tot de machtigste en meest welvarende natie van de wereld, met handelsnederzettingen en koloniën in alle werelddelen. Bovendien leidde de politieke vrijheid van na de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tot meer ruimdenkendheid ten aanzien van nieuwe culturele en wetenschappelijke ideeën; kunst en wetenschappen kwamen tot ongekende bloei. Er is geen ander tijdperk in de Nederlandse geschiedenis waarin tegelijkertijd zo veel uitzonderlijk begaafde personen op een zo klein oppervlak bij elkaar leefden.

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

barende personen uit deze kleurrijke periode. In het eerste deel, Zeehelden, beschrijft Hellinga de levens en daden van officieren die een rol speelden in de ontstaansgeschiedenis van de jonge Republiek. Een handjevol initiatiefrijke en avontuurlijk ingestelde Pioniers kon ervoor zorgen dat de Nederlandse vlag op de kusten van alle werelddelen wapperde: kaartenmakers, handelaars, ontdekkingsreizigers.Ook op cultureel en wetenschappelijk gebied stond de Republiek aan de top. De belangrijkste cultuurdragers van die periode – natuurkundigen, filosofen, juristen, uitvinders, architecten, dichters, schrijvers en kunstenaars – komen in het deel Meesters aan bod. In Leiders laat Hellinga de belangrijkste machthebbers de revue passeren: stadhouders en regenten, maar ook geestelijk leiders.

De cassette Kopstukken van de Gouden Eeuw bevat vier rijk geïllustreerde portrettengalerijen van de meest opzien-

aan de vooravond van de Reformatie. De eerste kloosters in dit gebied werden in de zevende en achtste eeuw door Frankische en Angelsaksische missionarissen gebouwd als missiecentra. In de loop der eeuwen kwamen benedictijnen, augustijnen, franciscanen, norbertijnen, johannieters, kruisheren en nog vele andere orden, van zowel mannen als vrouwen, naar onze gebieden om er te kerstenen, land te ontginnen, dijken aan te leggen, onderwijs te geven, zieken te verzorgen en wetenschap te bedrijven.

Kloosters in Nederland is een serie van drie boeken waarin de geschiedenis van het middeleeuwse kloosterleven wordt geschetst. Auteurs uit Nederland en Vlaanderen behandelen op heldere en informatieve wijze onder andere thema's als spiritualiteit, architectuur, onderwijs, vrouwen in de kloosters, eten en drinken, het dagelijks leven van een kloosterling. Naast deze artikelen zijn tevens een 'klooster-ABC' en overzichtskaarten van de verschillende orden in ons gebied opgenomen, alsmede vele illustraties in kleur (72) en zwart/wit (43).


RECENT

54

VERSCHENEN

Uitgave NaiPublishers Details Gebonden, 448 pagina’s, geïllustreerd z/w en kleur ISBN 978-90-5662-700-3

Prijs € 69,50

Maakbaar landschap Nederlandse landschapsarchitectuur 1945-1970 Auteur Onder redactie van Marinke Steenhuis en Fransje Hooimeijer

Het ederlandse landschap geldt misschien wel als het meest maakbare van de wereld. Niet toevallig zijn Nederlandse landschapsarchitecten veelal internationaal werkzaam. Het fundament voor hun gezaghebbende positie werd gelegd tijdens de wederopbouw, de periode waarin het land met een ongekende energie gereed werd gemaakt voor een nieuwe samenleving. Verwoeste industrie en infrastructuur moesten worden hersteld en verbeterd, terwijl grootschalige woonwijken de woningnood moesten oplossen.

Auteur Wim Hupperetz, Yvonne LammersKeijsers, Margreet Steiner, Jan Vredenberg Uitgave Matrijs (i.s.m. Erfgoed Nederland) Details Genaaid gebonden, 176 pagina’s, rijk geïllustreerd in kleur ISBN 978-90-5345-318-6

Prijs €24,95

Van bodemvondst tot database – Handboek voor de amateurarcheoloog

VITRUVIUS

Bijna de helft van het nationale grondgebied werd met ruilverkavelingen geschikt gemaakt voor moderne landbouwproductie. Het land raakte dooraderd met een systeem van snelwegen, die leidden naar woonwijken met veel openbaar groen. Op de vrije zondag kon de Nederlander recreëren in speciaal daarvoor aangelegde natuurgebieden, of hij kon zich uitleven in zijn eigen tuin. Het landschap rondom al deze ingrepen werd bewust ontworpen. Maakbaar landschap vertelt hoe een kleine groep legendarische tuin- en landschapsarchitecten deze ruimtelijke opgaven gestalte gaf en daarmee de Nederlandse positie van het grootschalige landschapsontwerp vestigde. Een nieuwe generatie ontwerpers trad naar voren, met mensen als Hans Warnau, Pieter Buys, Wim Boer, Bram Galjaard, Mien Ruys, Ellen Brandes, Harry

Binnen de archeologie is de laatste jaren veel veranderd door nieuwe wet- en regelgeving. De werelden van de professionele archeologie en de amateurarcheologie zijn in de praktijk steeds meer uit elkaar gegroeid. Maar met de juiste voorbereiding is er voor amateurarcheologen nog steeds een centrale rol weggelegd in de archeologie. Amateurarcheologen beschikken over waardevolle historische en archeologische kennis van de streek. Bovendien hebben zij vaak veel ervaring en deskundigheid. Zij kunnen hiermee een belangrijke rol spelen bij opgravingen en onderzoek. Bovendien zijn ze een essentiële schakel tussen de archeolo-

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

de Vroome en Nico de Jonge. Zij waren in dienst van Staatsbosbeheer (ruilverkavelingen, snelwegen en recreatiegebieden) gemeenten (stedelijk groen) of hadden een eigen bureau. Dit boek is een gids door het naoorlogse Nederlandse landschap, aan de hand van de grote naoorlogse thema’s landbouw, stadsgroen, recreatie, verkeer, natuur en de (bedrijfs)tuin. Eén generatie ontwerpers vormde het aanzicht van Nederland tot op de dag van vandaag – het landschap dat nu in veel gevallen opnieuw op de tekentafel ligt voor nieuwe opgaven als waterberging, herstructurering en nieuwe natuur. Maakbaar landschap is een onmisbaar naslagwerk én een monument voor de naoorlogse landschapsarchitectuur en de ontwerpers ervan.

gie en het publiek. Van bodemvondst tot database maakt de lezer wegwijs in de mogelijkheden die er voor de amateurarcheoloog zijn. Het behandelt niet alleen de nieuwste stand van kennis en de huidige situatie in wet- en regelgeving, maar ook de praktische kant van de archeologie. Zo komen onder andere de voorbereidingen, het veldwerk, informatie over materialen en technieken, het uitwerken van de verkregen gegevens en de voorlichting van het publiek aan bod. Er is veel veranderd in de archeologie, maar de belangrijke positie van de amateurarcheoloog is gebleven.


55

DRS. WILLEM OVERMARS KUNSTHISTORICUS EN LANDSCHAPSARCHITECT

N AT U U R L A N D S C H A P P E N E N E R FG O E D DEEL 1

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

Wat is een natuurlandschap? De purist moet er de permafrost gebieden van Canada voor in trekken, waar hij dan weemoedig bedenkt dat er in de negentiende eeuw nog een reiziger door dit dal is getrokken, zodat het landschap niet onberoerd is door mensenhand. In die zin heeft het Europese landschap na de laatste ijstijd geen natuurlandschap meer gekend, er waren immers altijd wel mensen. Schrappen we de mens uit deze enge definitie van natuurlandschap, dan liggen de kaarten ineens heel anders.

Het eeuwige landschap Natuurlandschap n ieder landschap liggen krachten verborgen die specifiek zijn voor dat landschap. Op ieder landschap werken natuurlijke krachten in die het een eigen gezicht en inhoud geeft. Het gaat om simpele zaken als regen en wind, stromend water en stuivend zand, groeiend veen, de enorme neiging van ons landschap om bos te worden, en de tegenkrachten daarop als overstroming, zout, storm, ijzel en begrazing.

1 – AVONDLICHT ROND EEN TERPBOERDERIJ, OP EEN VAN DE HALLIGEN, IN DE DUITSE WADDENZEE.

Mensen exploiteren het landschap, en hebben de sterke neiging om zulke natuurlijke krachten aan banden te leggen door dammen te bouwen, bossen te kappen, venen te ontwateren, en alles heftig te overbegrazen. Het cultuurlandschap dat daardoor ontstaat overleeft bij de gratie van de handhaving van de cultuurdruk. Op hetzelfde moment dat een boer besluit een laag stukje veengebied niet langer te onderhouden, beginnen de veenvormende processen opnieuw. Op het moment dat de voorste duinenrand niet meer jaarlijks in de helm gezet wordt, herstart het dynamische

proces van opbouw en afbraak tussen duin en zee. In dit hoofdstuk is het natuurlandschap de onderliggende neiging van alle natuurlijke processen in ons landschap om weer actief te worden zodra de knevelende cultuurdruk wegvalt. Het is een abstract niet-bestaand landschap waar we alleen op de plekken waar we deze processen toestaan als door een venster een glimp van mogen opvangen. In dit hoofdstuk worden een aantal aspecten van de relatie tussen het natuurlandschap en het cultuurlandschap verkend. Landschappen

I

veranderen voortdurend, maar verschillende landschappen doen dat in heel verschillende tempo’s. Cultuurlandschappen kennen een heel eigen specifieke vorm. Natuurlandschappen daarentegen kunnen over heel lange periode bij gelijkblijvende omstandigheden een heel constant uiterlijk hebben. Vervolgens wordt er in gegaan op een aantal aspecten van de leesbaarheid van het landschap, zoals eenduidigheid, interne logische samenhang en gelaagdheid. Het denken over natuur in de afgelopen eeuwen heeft sterk bepaald hoe de

Samenvatting Er bestaat in Nederland een schijntegenstelling tussen voorstanders van natuur die bij het oude cultuurlandschap hoort, en enthousiastelingen die inzetten op nieuwe natuur en natuurontwikkeling. Daarbij lijkt het alsof het hier om twee elkaar uitsluitende invalshoeken gaat, waarbij natuurontwikkeling het erfgoed zou vernietigen. In dit artikel wordt de relatie tussen natuurlandschappen en erfgoed

uitgewerkt. Alle cultuurlandschappen hebben als grootouders een natuurlandschap. Als cultuurlandschappen hun gebruik verliezen, keren ze terug naar een vorm van natuurlandschap. Er zit dus een duidelijke samenhang tussen die twee. In twee artikelen worden argumenten voor deze visie aangevoerd. In dit nummer het eerste artikel.


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

56

mensen met het landschap omgingen, niet alleen welk gebruik ze ervan maakten, maar ook welke dromen ze erover droomden. In een aantal voorbeelden worden deze overwegingen geïllustreerd. Tenslotte wordt ingegaan op de praktijk van natuurontwikkeling zoals deze zich de laatste decennia heeft ontwikkeld.

Veranderlijkheid in het natuurlandschap Landschappen veranderen voortdurend. Natuurlandschappen zijn onderhevig aan de grote geologische, morfologische en ecologische processen die kenmerkend zijn voor hun geografische ligging en klimaat. Veranderingen in natuurlandschappen hebben een eigen maat in de tijd. Het ritme van eb en vloed heeft een tijdinterval dat voor mensen goed te begrijpen is. Overstromingen die eens in de 200 jaar voorkomen, gaan ons bevattingsvermogen al wat te boven. Het ritme van de ijstijden, waarbij de Noordzee bijvoorbeeld vol- en weer leeg loopt gaat ons inlevingsvermogen ver te boven. Laat staan dus de echt grote geologische processen – waarom er steenkool en kalk voorkomt in Limburg bijvoorbeeld, waarom de Alpen bestaan. Geschiedsschrijving dient ertoe om de menselijke maat van het beleven van de tijd op te rekken. In dit hoofdstuk gaat het om natuurlandschappen in het Europa van de laatste duizenden jaren, waarin een klimaat heerste dat binnen zekere schommelingen gelijk is aan het onze. In deze periode zijn er wel warme en koude periodes geweest, maar geen echt grote variaties. De zee is in deze tijd geleidelijk gestegen – zeker nu we weten dat de Duinkerke-transgressies niet hebben bestaan. In deze korte, relatief stabiele klimaatperiode zijn extreme veranderingen – van loofbos naar toendra bijvoorbeeld – niet voor gekomen. De veranderingen in het landschap hebben zich in deze periode binnen de marges van het gematigde, door de warme golfstroom bepaalde klimaat afgespeeld. De veranderlijkheid ligt daarom binnen de landschapsonderdelen in het gebied. Meanderende rivieren verleggen hun bedding voortdurend, maar dat doen ze binnen de grenzen die door hun dalvorm wordt bepaald. Extreme hoogwaters bepalen de buitengrenzen, en de dagelijkse verschijningsvorm wordt door de gemiddelden bepaald. Natuurlijke, stuivende duinen schuiven onder invloed van het stijgende water langzaam landinwaarts, maar verschillen niet wezenlijk van de duinen die nu langs onze kust zouden kun-

2 - VEENKOEPEL - 8 METER HOOG - DIRECT ACHTER DE DUINEN. NIDA PURV, LETLAND.

nen voorkomen als wij ze uit het keurslijf van windschermen en helm zouden bevrijden. Veel van het lage land heeft een niet te onderdrukken neiging tot veenvorming, die uiteindelijk zou uitmonden in hoge veenkoepels. Catastrofes – grote stormen, barre vloeden hebben successie in zulke processen vaak tijdelijk teruggezet, waarna het hele proces weer opnieuw kon beginnen. De veranderlijkheid in het natuurlandschap is dus op een hoger schaalniveau gevat in een constante staat van bestaan. Met andere woorden: de veranderlijkheid is constant binnen bepaalde grenzen. In de bergen valt sneeuw, rivieren meanderen door hun dalvlakte, en boomgrenzen naar boven en naar het noorden zijn min of meer hetzelfde.

De eeuwige vorm van natuurlijke systemen ‘Twee keer per etmaal komt de Oceaan daar met geweldige watermassa’s over een onmetelijke afstand opzetten en bedekt eeuwig door de natuur omstreden gebied waarvan het onduidelijk is of het bij het vasteland hoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont het arme volk hoge terpen of dammen die ze eigenhandig hebben opgeworpen tot de hoogste waterstand die ze hebben gemaakt. Met hun hutten die ze erop hebben gebouwd lijken ze wel zeelieden wanneer het water het omliggende land bedekt maar schipbreukelingen wanneer het water zich heeft teruggetrokken. (...) Ze drinken uitsluitend regenwater, dat ze in kuilen bij de ingang van hun huis bewaren.’ (Plinius, De

Wereld, vert. Joost van Gelder et al. 2005) Onder gelijkblijvende omstandigheden van klimaat en geologie hebben natuurlijke systemen een kenmerkende, gelijkblijvende vorm. Een waddenzee zag er in Romeinse tijd uit als onze Waddenzee, ook al lag die zee misschien op een wat andere plaats. Als het natuurlijk systeem dat inwerkt op een landschap hetzelfde is, zal het er in grote lijnen ook hetzelfde uitzien en bewoond worden door dezelfde planten en dieren. De mens is te gast in de Waddenzee. Hij heeft een list bedacht in de vorm van een rondlopende dam, een dobbe, die hem beschermt tegen hoogwater, en meteen het regenwater opvangt in een zoetwaterbel die drijft op het zoute water. In Friesland Buitendijks zijn nog steeds van zulke dobbes te vinden, en op de Duitse Halligen staan er nog altijd bewoonde boerderijen op de rand. De Hollandse veenweidegebieden zijn directe afstammelingen van de gigantische veenkoepels die ooit die gebieden overdekten. Dat veenkoepellandschap in door smalle duinenrijen afgesloten baaien langs de zee kwam voor van Vlaanderen langs de Noordzeekust tot in Denemarken. Vandaar ging het verder langs de Oostzeekust tot in de Baltische Staten. In Nederland zijn zulke veenkoepels door ontwatering en landbouwkundige exploitatie vanaf de middeleeuwen vrijwel verdwenen,


57

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

3 - GRINDRIVIER ALLIER.

maar in Letland en Estland overdekken ze nog 10 - 20 % van het land. Heel kenmerkend en karakteristiek voor Nederland, maar onzichtbaar geworden. Een grindrivier als de Allier of de Loire ziet er in de Romeinse tijd hetzelfde uit als in de middeleeuwen, of als nu. Het is ander grind, ander water, er groeien andere bomen, de vorm van de eilanden en zandbanken is anders, maar de karakteristieken zijn het gevolg van het verloop van de natuurlijke processen, en het uiterlijk blijft daarmee constant. Op verschillende plaatsen in Europa komen rivieren voor met soortgelijke karakteristieken: de Donau

4 - ZEELAND AD 50. ZANDEILANDEN LANGS DE KUST, ENORME VEENKOEPELS, EN DE MONDING VAN DE SCHELDE. BRON: PRESENTATIE RWS

voorbij Bratislava (maatje XL), en onze gemeenschappelijke Nederlands - Belgische Maas. Voor de verschillende natuurlijke systemen gelden ook verschillende tijdschalen. Een grindrivier ziet er anders uit na ieder hoogwater. Een veenkoepel groeit millimeter voor millimeter in eeuwen omhoog. Op de Veluwe sta je op een bodem die 100.000 jaar oud is. De kerncentrale van Borssele staat in een landschap waar 100 jaar geleden nog geen land was. De archetypes van de verschillende natuurlijke systemen hebben een vast en oud gezicht, dat

5 -ZEELAND AD 350. NA HET VERTREK VAN DE ROMEINEN KRIJGT DE ZEE VRIJ SPEL, EN BREEKT IN HET GEHELE GEBIED IN.

diep verankerd zit in de eigenschappen van de plaats, in het klimaat en in de kenmerkende fysische en ecologische processen die zich er afspelen. Menselijk gebruik kan de natuurlijke processen dempen of stilleggen, en dan verandert ook het uiterlijk van het landschap. Techniek en organisatiekracht hebben de mens geholpen om de natuur terug te dringen. Het landschap verandert daardoor van een natuurlandschap in een cultuurlandschap. In tegenstelling tot het eeuwige uiterlijk van het natuurlandschap is het cultuurlandschap tijdelijk bepaald – als

6 - ZEELAND AD 1000. DE VEENKOEPELS HERSTELLEN ZICH NIET, MAAR WEL EEN NIEUW NATUURLIJK SYSTEEM: EEN DOOR HET GETIJ BEPAALD SCHORRENLANDSCHAP.


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

de cultuur wijzigt, verandert het landschap mee. De veranderingen die landschappen ondergaan tengevolge van menselijke exploitatie zijn tijdsbepaald, tijdelijk, en raken snel in onbruik. Hoe machtig de aanwezigheid van de mens in het landschap ook is, de natuurkrachten blijven volop werkzaam en zullen toeslaan zodra zij daartoe de kans krijgen. Dat bepaalt het eeuwige gezicht van de natuurlijke systemen. Als het menselijk gebruik van een cultuurlandschap stopt, begint het landschap vanuit die nieuwe startpositie meteen aan een terugkeer naar het daar ter plekke kenmerkende natuurlijke systeem. Een van de mooie historische voorbeelden daarvan is de geschiedenis van de Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden. De Romeinen troffen daar, net als ten noorden en ten zuiden ervan, veenkoepels met enkele riviermondingen aan. Door exploitatie van het veen, ontwatering, landbouw, brandstofwinning en zoutwinning waren de veenkoepels heftig aangetast, en veranderd in een cultuurlandschap dat veel lager lag, en tegen de zee verdedigd moest worden. Toen de Romeinen na ca 275 AD het gebied opgaven, kreeg de zee vrij spel. Het veen werd opgeruimd, overspoeld, verzilt, en het hele gebied raakte onder invloed van de zee. Sedimentatie processen hadden vele eeuwen voor nodig voordat een aantal eilanden hoog genoeg waren opgeslibd om weer een veilige plek te zijn voor mensen op terpen. Het duurde nog langer voordat er met succes bedijkt kon gaan worden. De kennis van het ‘eeuwige beeld’ en de karakteristieke processen van de onderliggende natuurlijke systemen zijn belangrijk voor het begrijpen van de manier waarop de mens in deze systemen heeft ingegrepen, en voor de nieuwe verschijningsvormen die de systemen in hun gedaante als cultuurlandschappen in de loop der geschiedenis achtereenvolgens gehad hebben. Deze kennis is al evenzeer van belang als er bewust of per ongeluk – een cultuurlandschap zo aan zijn lot wordt overgelaten, dat het weer terugkeert naar een natuurlijk systeem. In de discussie over wat natuurontwikkeling is of zo kunnen zijn, speelt dit aspect een grote rol.

Het snelheid van landschappen De veranderingen in landschappen voltrekken zich in heel verschillende tempo's. Binnen de grenzen van hun eigen karakteristieken ontwikkelen zowel natuur als cultuurlandschappen zich op een geheel eigen wijze. In het rivierenlandschap liggen half gefossiliseerde eikestammen van duizenden jaren oud diep

58

7 - HET RIVIERENLANDSCHAP 1938 IN LAGEN: DE GROENE UITERWAARDEN MET ENKELE BOMEN, DE RIVIER MET BOTEN EN KRIBBEN, EN DE HOGE SCHOORSTENEN VAN DE STEENFABRIEKEN. JAC. P. THIJSSE, ONZE GROOTE RIVIEREN, 1938.

onder rvierafzettingen verborgen. Ze hebben een paar honderd jaar geleefd, en zijn al duizenden jaren dood. Het rivierengebied is zo dynamisch, dat het eigenlijk al te snel is voor bosvorming. Langs de Allier bijvoorbeeld is maar een procent of 30 van de bomen in het gebied van de actieve meanders ouder dan 40 jaar. De bomen worden steeds weer opnieuw door de rivier onderuit gehaald. Op de Veluwe daarentegen, zijn bomen gevonden die honderden jaren oud zijn, en nog leven. Ze zijn deels overstoven door zand, maar in de kring van hun kronen is het oude individu nog te herkennen. Het rivierengebied is een snel landschap. De Veluwe is een traag landschap. Ook cultuurlandschappen kennen dit tempoverschil. In sommige landschappen, zoals de oude zandgronden, zijn in de perceelsvormen zeer oude landbouwvormen herkenbaar. Eens ontgonnen blijft ontgonnen, of tenminste blijven de sporen van die ingreep over lange tijd zichtbaar in het landschap. In snelle landschappen als het rivierengebied of het estuarium, vervaagt het cultuurlandschap veel sneller. Een perceelsgrens in een uiterwaard is zelden ouder dan een paar honderd jaar. Het

wegslaan van land op de ene plaats, en het weer aangroeien van land op een andere plaats is zelfs de overheersende karakteristiek. Bij het bepalen van een behouds- of ontwikkelingsstrategie voor landschappen is het tempo van het onderhavige landschap van groot belang. In snelle landschappen kun je nu een maal andere dingen aantreffen en doen dan in langzame landschappen.

De leesbaarheid van het landschap De culturele betekenis van een landschap wordt sterk bepaald door zijn leesbaarheid. Of dat nu onbewust of bewust beleefd wordt, de interne samenhang, de logica en de begrijpbaarheid van een landschap voor de menselijke waarnemer bepalen in hoge mate de kwaliteit ervan. Gewoonlijk wordt deze samenhang uitgedrukt in de gelaagdheid van een landschap. De basis wordt gevormd door de geologie, de fysische omstandigheden en de natuurlijke krachten die er werkzaam zijn (of waren). De tweede laag wordt gevormd door de manier waarop natuurlijke processen daarop inwerken, en een specifieke flora en fauna voortbrengen. De derde laag is de manier


59

waarop de mens gebruik maakt van dat landschap. In die laatste laag zit natuurlijk de cultuurhistorische betekenis van het landschap: wat hebben mensen in de loop der tijd allemaal uitgespookt om het landschap naar hun hand te zetten. Het cultuurlandschap is in zichzelf ook weer gelaagd. Er bestaat een gelaagdheid in de tijd: in Zuid Limburg is de Romeinse perceelsindeling op een aantal plekken nog in het huidige landschap herkenbaar, maar ook lagen van daarvoor en daarna zijn zichtbaar. Er bestaat ook een functionele gelaagdheid: het rivierenlandschap kent een steenfabriekenlaag met fabrieksgebouwen, infrastructuur, kleiputten die logisch met elkaar samenhangen en bij het landschap passen, maar ook een scheepvaart-laag met kribben en bakens, een landbouwlaag met weilanden en afrasteringen, en tegenwoordig ook weer een natuurontwikkelingslaag, waarbij de natuur die bij de rivier hoort een plek heeft. De interne logica van ieder van deze lagen apart, en de logica van de interactie tussen de lagen onderling bepaalt de ruimtelijke kwaliteit van een landschap. Het natuurlandschap dat ten grondslag ligt aan een cultuurlandschap hoort in dit complexe gelaagde bouwwerk van een landschap thuis. Zelfs als het natuurlandschap zelf niet meer levend is, zoals in het veenweidegebied, ligt dat natuurlandschap altijd nog aan de basis ervan. Voor de gedachtenvorming over het herstel van natuurlandschappen in onze tijd is het van groot belang om dit te beseffen. Op het moment dat de druk van het menselijk gebruik van een cultuurlandschap wordt afgehaald, beginnen de natuurlijke landschapsvormende processen die op die specifieke plek kenmerkend zijn weer actief te worden. In het veenweide gebied zal dat veenvorming zijn, in het rivierengebied meandering, erosie en sedimentatie. Als de resultaten van natuurontwikkeling de basiscomponenten van een natuurlandschap waarop het cultuurlandschap ter plekke is gebaseerd weer tevoorschijn tovert, is dat geen uitwissen van de geschiedenis, maar een verijking van de complexe gelaagdheid van het landschap.

Roofbouw en veerkracht Het menselijk gebruik van het landschap is veelal een vorm van exploitatie, en als de bevolkingsdichtheid in een periode groeit, gaat dat al gauw over in overexploitatie en roofbouw. Die roofbouw gaat vaak zover dat er van het geëxploiteerde onderliggende natuur-

landschap nog maar weinig overblijft. Veel van onze landschappen, eigenlijk overal waar geen water, zout of veen voorkomt, zijn beboste landschappen. Bos is altijd zowel een leverancier van grondstoffen geweest als een hinderpaal voor ander landbouwkundig gebruik. Geen wonder dat er een nauwe relatie bestaat tussen de bevolkingsdruk in een gebied en de mate van ontbossing. In Romeinse tijd werden door de economische welvaart en de bevolkingsgroei grote delen van Europa ontbost. Toen de bevolking na de (pest)epidemieën van AD 275 en 542 drastisch terugviel, begonnen de natuurlandschappen zich weer te herstellen, en keerden op heel veel plekken de bossen weer spontaan terug, inclusief de fauna aan grote grazers en roofdieren die daarbij horen. Toen in de eeuwen daarna de bevolking zich langzaam herstelde, begon de overexploitatie van de natuurlandschappen opnieuw, en verdwenen de bossen weer geleidelijk. Na de Zwarte Dood van 1347 kregen de natuurlandschappen weer een nieuwe kans op herstel, maar op het eind van de middeleeuwen resteerde er toch vooral slechts een overgeëxploiteerd cultuurlandschap. Venen waren door ontwatering, gebruik als akkerland en door brandstofwinning vergaan. Bossen waren uit onze landen verdwenen. De landbouw kon de groeiende bevolking niet meer voeden, en de behoefte aan die essentiële grondstoffen graan en hout lagen dan ook aan de basis van de bloeiende Oostzee-handel van Holland. Exploitatie van natuurlandschappen gaat dus vaak zover dat het overexploitatie wordt, het natuurlandschap leeggeroofd wordt, en uiteindelijk de productiecapaciteit instort. Tegelijkertijd is de veerkracht van landschappen zo groot, dat een overgeëxploiteerd cultuurlandschap dat aan zichzelf wordt overgelaten, terugkeert naar zijn eigen kenmerkende natuurlijke systeem. In ons moderne, overbevolkte land komt dat op een speciale manier tot uiting. Vanaf de uitvinding van nieuwe revolutionaire landbouwkundige methodes, zoals de introductie van kunstmest in de negentiende eeuw, en de opbloei van de wereldhandel waardoor veevoer en wol bijvoorbeeld beter elders op de wereldgeproduceerd konden worden, zijn grote delen van ons areaal, met name de droge heidegebieden vrij gekomen van exploitatie. Gedeeltelijk is dit areaal hergebruikt voor intensieve houtteelt in productiebossen, maar voor een groot deel bleven de heidevelden ook gewoon liggen, en kregen langzamerhand de status van natuurgebieden.

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

In de 2de helft van de twintigste eeuw zette zich dat voort. De regelmatig overstroomde, reliëfrijke uiterwaarden waren minder interessant voor de landbouw, en worden nu geleidelijk uit de productie genomen. Ook het veenweidegebied wordt minder geschikt voor de landbouw met zijn zware machines. De duinen hebben een eeuw lang de drinkwatervoorziening van de randstad verzorgd, maar daar komt langzamerhand een einde aan, zodat ook op dat areaal de cultuurdruk afneemt. Als het oude gebruik afneemt, kan het slapende natuurlijke proces terugkeren. Op hetzelfde moment waarop de bevolking van het rivierengebied geen behoefte meer had aan gerief- en brandhout van wilgen, trok het grijsgroen van zich spontaan vestigende wilgenbossen over de uiterwaarden van Rijn, Waal en Maas, even later, ook spontaan, gevolgd door het heldere groen van de ooit bijna uitgestorven zwarte populier. De duinen krijgen nieuwe perspectieven als natuurgebieden, waarbij natte duinvalleien, stuivende duinen en een dynamische zeereep weer mogelijk worden. Allerwege breekt men zich het hoofd over het behoud van de veenweidegebieden - de landbouw is er niet sterk genoeg meer om de functie overeind te houden, en tot dusver is er nog geen goed alternatief, hoewel waterberging zich als nieuwe functie aandient. Daaraan kan nog de spectaculaire herbebossing van suburbia toegevoegd worden: de enorme oppervlaktes aan stadsgebieden met tuinen en tuintjes, vol geplante sierstruiken en bomen, vol open plekken en grasveldjes, waar de gemiddelde bosrandvogel geen verschil met een natuurlijk begraasde bosrand mee ziet. Nederland is de laatste 1000 jaar nooit zo sterk bebost geweest als nu. De ontbossingen die ons van wol, vlees, melk, eieren en hout voorzien zijn verplaatst naar andere werelddelen. Kortom, in de huidige cultuurlandschappen is het onderliggende natuurlandschap helemaal niet verdwenen. Het ligt te wachten op veranderingen in exploitatie, en reageert ogenblikkelijk door spontaan herstel op basis van de natuurlijke omstandigheden ter plekke. drs. Willem Overmars is als kunsthistoricus gespecialiseerd in onderzoek naar en restauratie van historische buitenplaatsen. Als landschapsarchitect is hij gespecialiseerd in het herstel van de fundamentele ecologische en morfologische processen in natuurontwikkelingsprojecten. Hij werkt in 4 kleine bedrijven: adviesbureau De Wildernis, Rombus Internetfilms, Riou natuurontwikkeling vzw en het Historisch Groencollectief. 


i.p.v. drukwerk


Er zijn leukere zaken om je geld aan uit te geven dan aan drukwerk. Maar u kunt niet zonder. En áls het moet: dan goed! Uitgeverij Educom staat al meer dan 20 jaar voor kwaliteit, service en aantrekkelijke tarieven. Of het nu gaat om een huisstijl, nieuwsbrief, brochure of handelsdrukwerk. Wij bereiken ‘meer voor minder’. En met die besparingen kunt u dan iets leuks doen.

Uitgeverij Educom BV

 Personeels- en relatiemagazines

Rotterdam

 Mediacommunicatie

Tel. 010 - 425 6544

 Beurzen en evenementen

www.uitgeverijeducom.nl

 Advies op marketing-, huisstijl- en identiteitsgebied  Websites: concept / bouw / beheer  Drukwerk: concept / druk / distributie


VITRUVIUS

NUMMER 10

62

JA N U A R I 2 0 1 0

 1.4.2010

De Hoge Veluwe EEN BIJZONDER KIJKJE IN DE KELDER

In Het Nationale Park De Hoge Veluwe wordt in de wintermaanden dagelijks een speciale thema rondleiding georganiseerd in het Jachthuis Sint Hubertus. De architect H.P. Berlage staat hierbij centraal. De rondleiding gaat door vertrekken die nog niet eerder voor het publiek zijn opengesteld, zoals de kelders. Geïnteresseerden kunnen via www.hogeveluwe.nl een plek reserveren voor de bijzondere rondleiding.

Eigenzinnige architect Berlage Het in 1920 voltooide Jachthuis Sint Hubertus is één van de belangrijkste monumenten van Nederland. Het Jachthuis is ontworpen door de architect H.P. Berlage. Berlage was in 1913 de meest gezaghebbende architect in Nederland. Hij was het boegbeeld van het vaderlandse architectengilde. Berlage was als persoon en architect eigenzinnig, wat vaak een goed uitgangspunt is voor mooie creaties. Berlage ontwierp vrijwel het gehele interieur en vele gebruiksvoorwerpen. Ook gaf hij de omgeving van het Jachthuis vorm. Het Jachthuis Sint Hubertus wordt dan ook wel een totaalkunstwerk genoemd.

Van linnenkamer tot kelder De rondleiding over Berlage wordt dagelijks gegeven tot 1 april 2010. De rondleiding gaat door de eetkamer, de biljartkamer, de linnenkamer, de privévertrekken van Anton Kröller en door de kelders. De kelders zijn nog niet eerder voor het publiek opengesteld. In de kelder is een expositie opgesteld met o.a. bouwmaterialen en tekeningen. De rondleiding in het Jachthuis duurt 75 minuten. Daarna is er de mogelijkheid om een kopje koffie of thee te drinken bij de Theekoepel en vervolgens zelfstandig een wandeling rond de vijver van het Jachthuis te maken. Zowel het kopje thee als de routebeschrijving van de wandeling zitten bij de prijs inbegrepen. Via www.hogeveluwe.nl kunnen geïnteresseerden zich opgeven. Op maandagen is het Jachthuis gesloten.

dagelijks reguliere rondleidingen georganiseerd. Maar ook kunnen bezoekers in het Park een GPS tocht of een beschreven fiets- of wandelroute doen. Iedere zondag kunnen bezoekers ook aansluiten bij een wandeling met een Natuurgids en daarbij 'zwerven door het bos en over de vlakte'.

 18.4.2010

Amsterdam TENTOONSTELLING OMAN

In de tentoonstelling 'Oman' zijn 250 topstukken uit verschillende museale collecties in Oman te zien. Door zijn ligging aan internationale handelsroutes zoals die van de VOC, is Oman al eeuwenlang een sterke zeehandelsnatie, net als Nederland. De tentoonstelling besteedt aandacht aan de speciale rol van de handel, vooral die in wierook en parfums. Belangrijke thema's zijn ook het sultanaat en het ibadisme, een vroege stroming van de islam, waar de meeste Omani toe behoren. De tentoonstelling concentreert zich op oude zee- en landkaarten, manuscripten, archeologische vondsten, de bijzondere architectuur van de forten en het veelgeroemde zilverwerk in rijk gedecoreerde sieraden, amuletten, wapens en ceremoniële kostuums. De tentoonstelling is t/m 18 april te bezichtigen in De Nieuwe KHANJAR, KROMME DOLK Kerk. © MUSEUM BAIT AL ZUBAIR COLLECTION, MUSCAT

 13.06.2010

Leiden

TERRACOTTA De 'Terracotta' expositie in het Rijksmuseum van Oudheden laat u genieten van een fraaie selectie kunst- en gebruiksvoorwerpen van terracotta, afkomstig uit het oude Nabije Oosten, Egypte, de klassieke wereld en het vroege Nederland. Millennia geleden al maakten beeldhouwers en pottenbakkers uit oude culturen talloze figuren en objecten van gebakken aarde, terracotta dus. De vele bijzondere beeldjes en voorwerpen in deze tentoonstelling zijn het bewijs: terracotta is gebakken aarde op z'n mooist.

Genieten van de herfst

Schoonheid en finesse in terracotta

Naast de thema rondleiding is er de mogelijkheid om aan diverse andere activiteiten deel te nemen. In het Jachthuis worden naast de thema rondleidingen ook

De tentoonstelling 'Terracotta' bestaat uit ruim honderd objecten: sierlijke Griekse damesfiguurtjes, architectuurfragmenten, middeleeuws kinderspeelgoed, prehistorische dierfiguren en godenbeeldjes uit Syrië en Irak. Veel aandacht is besteed aan de positionering en belichting van de terracotta's in de tentoonstelling. Dat zorgt ervoor dat schoonheid en finesse van vormgeving en details optimaal uit de verf komt.


63

Terracotta geschenken en symbolen De terracotta figuren hadden door de eeuwen heen verschillende functies in verschillende culturen. Ze dienden als geschenk aan de goden, of als vruchtbaarheidssymbool. Ze geven daarom een verrassend beeld van de religieuze gebruiken, begraafgewoonten, modeverschijnselen of huisraad uit de tijd waarin ze werden gemaakt. Die uiteenlopende functies ziet u terug in de thema's van de expositie. Bijzondere aandacht is er voor de gebruikte technieken en het vakmanschap van de makers van al dit fraais uit de oudheid. Nog steeds is dat een inspiratiebron voor hedendaagse keramiekkunstenaars. 'Terracotta' is nog tot 13 juni 2010 te bezichtigen.

 14.3.2010

Antwerpen EN TOEN WAS ER REGEN... DE DRAAK IN CHINA

VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

god, dat staat voor wijsheid, voorspoed, deugd en bescherming. Als één van de vier heilige dieren die bij de schepping betrokken waren is hij de heerser van het water, en werd aanbeden om voor regen te zorgen in tijden van droogte of om stortvloeden te doen ophouden. Hij kan zich naar believen zichtbaar of onzichtbaar maken. De tentoonstelling is tot 14 maart 2010 (dinsdag t/m zondag 10-17 uur) te bezichtigen in het provinciehuis van Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22. Meer informatie via www.tangexpo.be

18.1.2010 Utrecht SYMPOSIUM GEMEENTELIJKE CULTUURPOLITIEK In aanloop naar de Gemeenteraadsverkiezingen op 3 maart 2010 organiseert Kunsten '92 op maandag 18 januari 2010 een symposium over gemeentelijke cultuurpolitiek: kunst en cultuur in wijk, dorp en stad – geen luxe maar noodzaak. Een symposium om geïnformeerd en geïnspireerd te worden op het gebied van gemeentelijk kunst- en cultuurbeleid. Na de opening door de burgemeester van Utrecht, Aleid Wolfsen, leidt dagvoorzitter Lennart Booij u door een interactief programma waarin dilemma’s van gemeentelijk beleid worden belicht vanuit cultureel perspectief. Prominente sprekers vanuit uit de wereld van politiek, kunst en wetenschap maken deze onderwerpen tastbaar en debatteren met u en met elkaar. Locatie: Stadsschouwburg Utrecht.

Tentoonstelling Tang-dynastie in provinciehuis Antwerpen Dat er grote culturele verschillen bestaan tussen het Westen en China staat buiten kijf. Noem bijvoorbeeld hier op straat eens iemand een lelijke draak… Gegarandeerd heb je een lelijke mep in je gezicht vast. Maar doe hetzelfde in een straatje in het Rijk van het Midden, en al wegduikend zal je zien dat er een grote glimlach op het gezicht van de persoon in kwestie verschijnt. Je hebt hem of haar zonet één van de mooiste complimenten gegeven. Al moet je die ‘lelijke’ misschien wel weglaten.

Een beeld van een gouden draak uit de Tang-dynastie De draak is in China al eeuwenlang een wezen waar met achting en ontzag naar wordt opgekeken. Het is geen vuurspuwende demon die dood en vernieling zaait door rakelings over de bodem te scheren en alles wat in zijn weg staat tot as te herleiden. Dat is het beeld dat wij westerlingen meteen bovenhalen bij het horen van het woord ‘draak’. Denk aan de aartsengel Michaël die de verpersoonlijking van satan als draak doorboort met zijn speer. Of neem de bewaker van de dwergenschat in ‘De hobbit’, een doortrapte, bezitterige en rancuneuze eenzaat. In China is de draak een wezen met de allures van een

26-28.1.2010 Utrecht 1ST INTERNATIONAL LANDSCAPE ARCHAEOLOGY CONFERENCE (LAC2010) Het Instituut voor Geoen Bioarcheologie en het onderzoeksinstituut CLUE (Cultural Landscape and Urban Development) van de Vrije Universiteit Amsterdam organiseren in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het eerste internationale 3-daagse congres over landschapsarcheologie. Landschapsarcheologie is het interdisciplinaire vakgebied van archeologie, culturele antropologie, fysische geografie en paleo-ecologie welke zich bezighoudt met de relatie tussen mens en natuurlijke omgeving. Archeologen, aardwetenschappers, historisch geografen en paleo-ecologen zijn dan ook van harte uitgenodigd om aan dit congres deel te nemen. Zes verschillende thema’s met betrekking tot alle facetten van de landschapsarcheologie worden behandeld .


VITRUVIUS

NUMMER 10

JA N U A R I 2 0 1 0

64

onderwaterarcheoloog in het archeologisch duikteam van RACM Lelystad, inmiddels de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geheten. In 2005 begon ze met een promotieonderzoek naar laat-middeleeuwse scheepsbouwontwikkelingen in Noordwest-Europa (Universiteit Groningen / Nieuw Land Erfgoedcentrum). De lezing zal gaan over onderwaterarcheologie in Nederland. Onderwaterarcheologie is een relatief jonge tak van de archeologie in Nederland. Het is een moeilijk vakgebied, enerzijds vanwege het troebele water en harde stromingen, anderzijds vanwege de Nederlandse wetgeving en bezuinigingen op dit gebied. Ik zal iets vertellen over het ontstaan en de geschiedenis van de Nederlandse onderwaterarcheologie. Ook de specifieke methoden en technieken die onder water gebruikt worden om onderzoek GEBROKEN WATERKAN (1300-1350 NA CHR) GEVONDEN IN WATERPUT BIJ BOERDERIJ IN LOCHTSVELD.

16.1  28.2.2010 Horst-Melderslo ARCHEO TENTOONSTELLING Stichting Geschiedenis Melderslo en Museum De Locht stellen samen de archeologische vondsten van Melderslo ten toon in het daglonershuisje van museum De Locht in Horst-Melderslo. De vondsten die boven tafel zijn gekomen tijdens de archeologische inventarisatie en de vondsten van de ontginningsboerderij uit de 13e eeuw op het terrein van Museum De Locht te bekijken. In de jaren 2007-2008 heeft in Melderslo een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Hierbij werd naast een bureauonderzoek ook een op de vier huizen in Melderslo huis-aan-huis bezocht. In totaal kwamen 364 meldingen boven tafel. Vierentachtig procent van deze meldingen kwamen niet voor in de officiële archeologische vondstendatabases. Door het onderzoek is het beeld van de menselijke ontginnings- en bewoningsgeschiedenis aanmerkelijk scherper gemaakt. Verschillende jachtkampen en urnenvelden uit de Steentijd of Metaaltijden zijn langs de beken gevonden. Rond 1300 vestigden zich de eerste mensen aan of in de open plekken in het middeleeuwse bos, aan de ontginningsvelden Eikelenbosserveld en Lochtsveld. Dit is een paar honderd jaar ouder dan we tot op heden op basis van schriftelijke bronnen konden vaststellen. In januari 2009 is, tijdens een archeologisch onderzoek – in verband met haar uitbreidingsplannen – op verzoek van Museum De Locht, op het Lochtsveld tegen het Meldersveld aan, een rechthoekige boerderij van 11,2 bij 6,7 meter grote constructiekern (gebint) met waterput en perceelsgreppels gevonden. De verlatingsdatum van de boerderij wordt op basis van een gebroken grote voorraadpot die gevonden werd in de waterput en andere blauwgrijze scherven en Siegburgaardewerk gedateerd rond 1350.

18.3.2010 Schokland ONDERWATER ARCHEOLOGIE Op 18 maart 2010 zal Alice Overmeer in museum Schokland een lezing verzorgen over onderwater archeologie. Alice Overmeer studeerde Pre-and Protohistorie van Noordwest-Europa aan de Universiteit van Leiden. Na haar studie werkte ze ruim 5 jaar als

en opgravingen te doen komen aan bod. Daarnaast wordt kort aandacht besteed aan de conservering en restauratie van voorwerpen die opgedoken worden. Ten slotte zullen enkele scheepswrakken die in Nederlands water liggen en onderzocht zijn, aan de hand van wat foto’s en tekeningen, besproken worden. Museum Schokland is te vinden aan de Middelbuurt 3 in Schokland. De lezing zal om 20.00 uur aanvangen.

16  17.4.2010 Venlo ARCHEOLOGIEDAGEN 2010 Op vrijdag 16 en zaterdag 17 april 2010 worden in het Limburgs Museum in Venlo voor de tweede keer de Limburgse Archeologiedagen georganiseerd. Het centrale thema: Archeologie: politiek en praktijk. De dagen duren van 10–18 uur.


Stad van Cahen opent poorten voor nieuwe bewoners _____________ __________________________________

Stadsherstel koopt, restaureert en beheert monumenten en beeldbepalende panden. Zij verhuurt haar bezit als woonhuis, winkels, atelier, horecagelegenheid of met een bijzondere functie. Op deze manier blijft dit cultureel erfgoed deel uitmaken van ons leven.

_____________ __________________________________

Met de verhuizing van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is het markante bouwwerk aan de Muurhuizen/Kerkstraat vrij gekomen. Stadsherstel Amersfoort heeft het complex overgenomen en er een nieuwe bestemming aan gegeven. Het complex omvat naast het hoofdgebouw dat is ontworpen door de architect ir. Abel Cahen, een tweetal voormalige seminariegebouwen een kapel en een binnentuin. De seminariegebouwen krijgen een woonbestemming. Het spraakmakende hoofdgebouw, een eigen-

zinnige exponent van het structuralisme, is onlangs vernoemd naar zijn architect. Voor dit multifunctionele gebouw is Stadsherstel Amersfoort, die zelf onlangs zijn intrek in de Stad van Cahen heeft genomen, op zoek naar huurders die bij voorkeur zijn gelieerd aan de monumentenwereld. Interessant nieuws voor hen die zie zich willen vestigen op een van de meest inspirerende en onderscheidende locaties die Amersfoort rijk is! Kijk voor meer informatie op www.stadvancahen.nl

Postbus 842 3800 AV Amersfoort Bezoekadres: Muurhuizen 104

Telefoon 033 - 460 5020 Fax 033 - 460 5039 info@stadsherstelamersfoort.nl www.stadsherstelamersfoort.nl

Vitruvius januari 2010  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap & monumentenzorg

Vitruvius januari 2010  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap & monumentenzorg

Advertisement