Theorieboek voor de sector Techniek
Traject
Nederlands J.H.M. Mol Drs. W.A. ’t Hart
redactie Petra van Donkelaar, Marknesse
ontwerp Enof ontwerp + communicatie, Utrecht
beeldredactie en opmaak Studio Imago, Amersfoort ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor:
• primair onderwijs; • algemeen voortgezet onderwijs; • beroepsonderwijs en volwasseneneducatie; • hoger beroepsonderwijs.
Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen:
www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 81361 6
Derde druk, eerste oplage ThiemeMeulenhoff, Utrecht/Zutphen/Baarn, 2010 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd,
opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in
enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën,
opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond
van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals
gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Reprorecht (Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp). Voor het over-
nemenvan gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere
compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. 2
Woord vooraf Taal speelt een grote rol. In je vrije tijd, op school en op je werk. Je gebruikt in
elke situatie je taal: soms bewust, soms doe je maar wat. Maar altijd heeft het effect. Kun je goed lezen en luisteren? Met die vaardigheden kom je nieuwe dingen te weten. Hoe staat het met je spreekvaardigheid en schrijfvaardigheid? Daarmee kun zeggen wat je denkt of opschrijven wat je voelt, zodat
anderen je goed begrijpen. Als je goed met taal kunt omgaan, communiceer je gemakkelijker. Met Traject Nederlands verbeter je je taalvaardigheden.
Dit is het theorieboek van de methode Traject Nederlands voor de sector
Techniek van het middelbaar beroepsonderwijs. Je vindt hierin aanwij-
zingen en aandachtspunten. Taalvaardigheden leer je door ze toe te passen.
En met Traject Nederlands zul je je taal veel oefenen. Traject Techniek
bestaat uit dit theorieboek, enkele opdrachtenboeken en een internetsite www.thiememeulenhoff.nl/traject.
Traject Techniek Theorieboek gebruik je zolang je je opleiding volgt. Maar ook
na school zul je het theorieboek als naslagwerk kunnen gebruiken. In dit boek vind je de theorie (= kennis). De theorie hoort bij alle communicatie op school, in je werk en in je vrije tijd.
De theorie in Traject Techniek Theorieboek is verdeeld over zeven afdelingen.
Dat zijn: A Communicatie, B Spreken en Luisteren, C Lezen, D Schrijven, E Spelling, F Grammatica en G Stijl.
Bij voorbeeldzinnen komt wel eens een asterisk (*) voor. In dat voorbeeld staat iets wat niet helemaal goed is. In de toelichting staat wat de fout is.
Bij voorbeeldteksten zie je in de kantlijn cijfers. Zie bijvoorbeeld op blz. 36, 37, 38 en 39. Die cijfers verwijzen naar punt-voor-puntlijsten in de theorie erna.
Zoals op blz. 40 en 41. Daarmee heb je snel een goed overzicht.
Met het register achter in het boek kun je informatie opzoeken. Wij hebben gekozen voor de mannelijke vorm, zoals ‘schrijver’, ‘lezer’, ‘hij’ en ‘verkoper’. Hiermee willen we de vrouwelijke lezers niet tekortdoen.
Dit theorieboek geeft je steun bij het verder ontwikkelen van je taalvaardigheid. We wensen je hierbij veel succes. J.H.M. Mol
Drs. W.A. ’t Hart
3
Inhoud Afdeling A 1
2
Inleiding 14 2.1
2.2 3
2.3 3.1
3.2 3.3 4
3.4 4.1
4.2 5
Communicatie
4.3 5.1
5.2
Communicatiemodel 14
Verbale en non-verbale communicatie 15 Situatie 15
Feedback en directe communicatie 16 Doelen van de zender 17 Informerend doel 17
Overtuigend doel 18 Expressief doel 18
Vermakend doel 19
Structuur van de boodschap 19 Inleiding 19 Kern 21 Slot 21
Inhoud van de boodschap 23
Feiten en meningen 23
Formuleren en interpreteren 24
5.2.1 Informatiedichtheid 24
5.2.2 Achtergrond van de ontvanger 25 6
5.2.3 Taalgebruik 26 6.1
CommunicatiestrategieĂŤn 27 Communicatiemiddelen 27
6.2
Communicatie binnen het bedrijf 28
6.4
OntvangerstrategieĂŤn 30
6.3
Communicatie buiten het bedrijf 29
6.4.1 Informatie zoeken via het internet 31
Afdeling B 1
1 2
1.1
1.2 1.3 2.1
2.2 2.3
Spreken en Luisteren Inleiding 34
Wat is luisteren? 35
Wat is gesprekken voeren? 35 Inleiding 36
Wat is spreken? 36
Informerende presentatie 36 Voorbeeld: informerende presentatie 36
Spreekschema 41
Non-verbale communicatie 42
2.3.1 Houding 42
2.3.2 Audiovisuele hulpmiddelen 43 4
Inhoud
3
4
5
Overtuigende presentatie 45 4.1
4.2
4
6 5
Vraaggesprekken 48 Interview 49 EnquĂŞte 51
Baliegesprek 51
Vraaggesprekken 51 6.1
Verkoopgesprek 53
Verkoper-klant 53 Baliegesprek 53
6.1.1 Voor het gesprek 54 6.1.2 Begroeting 55
6.1.3 Koopwensonderzoek 55
6.1.4 Tonen en demonstreren 56
6.1.5 Tegenwerpingen en onderhandelingen 56 6.1.6 Bijverkoop 57
6.1.7 Afsluittechnieken 58 6.1.8 Sellogram 58 6.2
Buitendienstmedewerker-klant 59
6.2.1 Voorbereiding 59
6.2.2 Verkoopgesprek en vertrouwen winnen 59 6.2.3 Presentatiemap 61
6.2.4 Follow-up en aftersales 62 7
8
6.3
Gesprekken volgens een script 62
7.1
Verkoper-klant 64
7.2 8.1
Klachtengesprek 63
Leidinggevende-medewerker 65 Sollicitatiegesprek 66 Solliciteren 66
8.1.1 Voorbereiding 68
8.1.2 Gespreksonderwerpen 68 8.1.3 Rollenpatroon 68
8.1.4 Vragen van de sollicitant 69 8.2
Leiden van een sollicitatiegesprek 69
8.2.1 Voorbereiding door de bedrijfsfunctionaris 69 9
8.2.2 Gespreksverloop 70
Gesprekken met medewerkers 71
9.1
Introductiegesprek 71
9.3
Voortgangsgesprekken 73
9.2
Instructiegesprek 72
9.3.1 Functioneringsgesprek 74 9.3.2 Coachingsgesprek 75
9.3.3 Assessmentgesprek 76
9.3.4 Beoordelingsgesprek 77 9.4 9.5
Slechtnieuwsgesprek 78
Informele gesprekken 81
5
Inhoud
10
Telefoneren 81
10.1 Telefoongesprek 82
10.2 Telefoonalfabetten 85 10.3 Servicenummers 85 11
10.4 Internationale telefoongesprekken 86 11.1
Spreken in groepsprocessen 86 Oriënteren 87
11.2 Brainstormen 88
11.3 Samenwerken 90
11.3.1 Feedback geven 90 11.3.2 Motiveren 90 11.3.3 Delegeren 91
11.3.4 Werken volgens een stappenplan 92 12
11.3.5 Evalueren 92
Werkbespreking, werkoverleg, vergadering 94
12.1 Werkbespreking 94 12.2 Werkoverleg 94 12.3 Vergadering 96 12.3.1 Voorzitter 96 12.3.2 Agenda 98
12.3.3 Notulist 99 13
12.3.4 Deelnemers 100
Aanwijzingen voor het spreken 102
14
Aanwijzingen voor het luisteren 103
Afdeling C 1 2
1.1 2.1
Lezen Inleiding 106
Wat is lezen? 106
Manieren van lezen 107 Oriënterend lezen 107
2.1.1 Informatie opzoeken 107 2.2
Globaal lezen 110
2.4
Tekst beoordelen 112
2.3 3
3.1
3.2 3.3 4
3.4 4.1
4.2 4.3 6
Intensief lezen 111 Tekstsoorten 113
Informerende tekst 113 Overtuigende tekst 113 Expressieve tekst 113
Vermakende tekst 113
Structuur van de tekst 113 Driedelige structuur 114 Alinea’s 114
Alineaverbanden 115
Inhoud
4.4
Signaalwoorden 116
4.6
Voorbeeld: tekststructuur 118
4.5 5
5.1
Verwijswoorden 116 Woordbetekenis 119
Letterlijke betekenis 119
5.1.1 Woordenboek en encyclopedie 121 5.1.2 Vergelijkingsmethode 121 5.1.3 Contextmethode 121 6 7
5.2
7.1
7.2
Afdeling D 1 2
1.1 2.1
2.2 2.3
2.4 2.5
2.6 2.7
2.8
2.9
Figuurlijke betekenis 122
Betrouwbaarheid van informatie 122
Samenvatten 123
Schematiseren van studieteksten 123 Samenvattingen 125
Schrijven Inleiding 132
Wat is schrijven? 132
Bedrijfsformulieren 133 Begeleidingskaart 133
Memo en telefoonmemo 134 Bestelformulier 135 Vrachtbrief 135
Werkopdracht 136
Plan van aanpak 138 Controlelijst 139 Draaiboek 140
Logboekformulier 141
2.10 Formulier voor het vastleggen van gesprekken 143 3
4
2.11 Evaluatieformulier 144 Persbericht 145
4.1
4.2 4.3
4.4 5
4.5 5.1
5.2 5.3
5.4 5.5
Advertentie 149
Huisstijl van de organisatie 149
Reclameadvertentie en affiche 150 Briefing 151
Personeelsadvertentie 152 Visitekaartje 154
Folder, brochure en internetsite 155
Verschillen tussen folder en brochure 156
Overeenkomsten tussen folder en brochure 156 Antwoordkaart/antwoordcoupon 158 Internetsite 159
Handleiding/gebruiksaanwijzing/helpbestand 161
7
Inhoud
6
6.1
6.2 6.3
6.4 7
6.5 7.1
7.2 7.3
7.4 7.5
7.6
Gespreksverslaglegging 162 Bordschrijven 162 Besluitenlijst 162
Discussieverslag 163
Notulen; het uitwerken van notities 163 Gespreksverslag 165
Correspondentie 166
Correspondentie algemeen 166 Briefindeling 167
Inhoud van een brief 173 Briefopdracht 174
Verzoek om informatie 175
Behandelen van verzoek om informatie en de offerte 176
7.6.1 Behandelen van een verzoek om informatie algemeen 176 7.6.2 Prijsopgave of offerte 178 7.7
Bestellen per brief 181
7.9
Circulaire 184
7.8
Orderbevestiging 182
7.10 Klachtenbrief 185 7.11
Behandelen van een klachtenbrief 188
7.12 Herinnering en aanmaning 190 7.12.1 Herinnering 190 7.12.2 Aanmaning 192
7.12.3 Laatste aanmaning 193 7.13 Uitnodiging 195
7.14 Verkoopbrief 197
7.15 Sollicitatiebrief 200 7.16 Enveloppe 205 7.17 Fax 206 8
7.18 E-mail 207 8.1
Scriptie/opstel/werkstuk/nota/rapport 210
8.3
EnquĂŞterapportage 213
8.2 8.4 8.5
8.6 8.7
8.8 9
8
Schriftelijk verslag 210
8.9
Stageverslag 212 Logboek 215
Knipselmap 216 Projectmap 217 Dossier 218
Portfolio 218
Verzorging en inhoud van het schriftelijk verslag 219 Aanwijzingen voor het schrijven 223
Inhoud
Afdeling E 1
2
Spelling Inleiding 226
2.1
Spelling van de werkwoorden 227 Werkwoordsvormen 227
2.1.1 Persoonsvorm 227
2.1.2 Voltooid deelwoord 228
2.1.3 Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt 229 2.1.4 Heel werkwoord (= infinitief) 229 2.2
Schrijfwijze 229
2.2.1 Schrijfwijze van de persoonsvorm 230
2.2.2 Schrijfwijze van het voltooid deelwoord 231
2.2.3 Schrijfwijze van het voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt 231 2.2.4 Schrijfwijze van het hele werkwoord (= de infinitief) 232
2.2.5 Schrijfwijze van werkwoorden van Engelse herkomst 232 2.3
Voorbeelden 233
2.3.1 Regelmatige (zwakke) werkwoorden 233 3
2.3.2 Werkwoorden met onregelmatige tegenwoordige tijden 234 Lettergrepen 234
4 5
6
Aaneenschrijven van woorden 236 5.1
5.2
7
Tussenletter s in samenstellingen 237
Tussenletters e of en in samenstellingen en afleidingen 238 Meervoudsvormen 239 Verkleinwoorden 240
8
Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden 240
9
10
Tussenletters in samenstellingen en afleidingen 237
Hoofdletters 241
Leestekens 243
10.1 Punt 243
10.2 Komma 243
10.3 Puntkomma 244
10.4 Dubbelepunt 244 10.5 Vraagteken 245
10.6 Uitroepteken 245
10.7 Aanhalingstekens 246 11
10.8 Haakjes en gedachtestrepen 246 11.1
Lettertekens 247
Koppelteken 247
11.2 Trema 248
11.3 Apostrof 248
11.4 Vervangingsteken 249 11.5 Uitspraaktekens 249
9
Inhoud
12
C of k? 250
14
Ie, i of y? 251
16
Lastige woorden 253
13
Ei of ij? 250
15
Sommige of sommigen? 252
Afdeling F 1
2
3
Grammatica Inleiding 258
2.1
2.2 3.1
3.2 3.3
3.4 3.5
3.6
Zin 258
Persoonsvorm 258
Zin en zinsdelen 259 Woordsoorten 260
Zelfstandig naamwoord 260 Lidwoord 261
Telwoord 262
Bijvoeglijk naamwoord 263 Voorzetsel 264
Werkwoord 264
3.6.1 Acht werkwoordstijden 267 3.6.2 Hoofdwerkwoord 267 3.6.3 Hulpwerkwoord 268 3.7
3.8 4
3.9 4.1
4.2 4.3
4.4
Voornaamwoord 269 Bijwoord 269
Voegwoord 270
Zinsdelen 271
Zinsdelen algemeen 271 Persoonsvorm 272 Onderwerp 273 Gezegde 273
4.4.1 Werkwoordelijk gezegde 274
4.4.2 Naamwoordelijk gezegde 275
4.4.3 Controlemiddel werkwoordelijk/naamwoordelijk gezegde 275 4.5
Lijdend voorwerp 276
4.5.1 Lijdend voorwerp (bedrijvende vorm) 276 4.5.2 Lijdende vorm 277 4.6 5
Meewerkend voorwerp 277
4.7
Bijwoordelijke bepaling 278
5.1
Hoofdzin en bijzin 280
Samengestelde zin 279
5.1.1 Hoofdzin 280 5.1.2 Bijzin 280
5.1.3 Zinsbouw 280
10
Inhoud
5.1.4 Bijzinstest 281 5.2
Verbindingswoorden 281
5.2.1 Voegwoord 281
5.2.2 Betrekkelijk voornaamwoord 282 5.3
Beknopte bijzin 282
Afdeling G Taalgebruik en taalverzorging 1
2
Inleiding 286 2.1
Woordkeus en zinsbouw 286 Woordkeus 286
2.1.1 Concrete taal 286 2.1.2 Synoniemen 286 2.1.3 Vaktaal 287 2.2
Zinsbouw 287
2.2.1 Bedrijvende vorm 287
2.2.2 Omkering van onderwerp en persoonsvorm 288 2.2.3 Twee voegwoorden naast elkaar 288
2.2.4 Gebruik van zullen, kunnen en moeten 288
2.2.5 Onnodig gebruik van om 289
3 2
2.2.6 Positieve vorm 289 3.1 3.2 3.3
3.4 3.5
3.6
Stijlfouten 289
Als of dan? 289
Woordkeus en zinsbouw 289 Omdat of doordat? 290 Hen, hun, zij of ze? 290
Met wie of waarmee? 290 Die, dat, wie of wat? 290
Veelvoorkomende stijlfouten 291
3.7
Dubbele ontkenning 292
3.9
Verwijsfouten 293
3.8
Incongruentie 292
Register 295
11
Afdeling A
Communicatie
Afdeling A Inleiding
1
Inleiding Als je e-mailt, chat of een boek leest, communiceer je. Als je een bekende op
straat tegenkomt, groet je hem. Je geeft hem bijvoorbeeld een hand. Je lacht
naar hem en praat met hem. Dat is communicatie. Als je een bekende niet
groet, communiceer je ook.
Je communiceert soms gedachten en gevoelens die je liever verbergen zou. Bijvoorbeeld als je bloost tijdens een spreekbeurt en veel te snel gaat praten. Dan weet iedereen dat je zenuwachtig bent.
Op het werk, onder vrienden en op school draait alles om communicatie. Je bent altijd aan het communiceren: in je houding, in je manier van omgaan met an-
deren en bij het leren. In deze afdeling komt alles over communicatie aan bod.
2
Communicatiemodel
Situatie idee 1 zender
formuleren
➞
boodschap
interpreteren
➞
idee 2 ontvanger
Communicatie houdt in: met elkaar in verbinding staan. Een spreker en een
luisteraar (of een groep luisteraars) staan in verbinding; een schrijver en een lezer ook.
Communicatie speelt zich dus af tussen twee of meer personen. In het communicatiemodel zie je een zender en een ontvanger.
De zender brengt een boodschap over naar de ontvanger. De zender formuleert zijn idee in een boodschap.
De ontvanger interpreteert die boodschap. De ontvanger probeert die bood-
schap te begrijpen. Hij haalt daar zijn idee uit. Het zou mooi zijn als idee 1 (dat
de zender heeft) hetzelfde is als idee 2 (dat de ontvanger eruit haalt). Maar dit ideaal bereik je nooit.
Veel factoren maken het interpreteren van een boodschap lastig. Een luisteraar is bijvoorbeeld ongeïnteresseerd. Of juist op dat moment passeert een vrachtwagen. Of de luisteraar moet een trein halen.
Communicatie vindt plaats in een situatie, dat wil zeggen in een bepaalde con-
text. Die situatie heeft invloed. Op het werk bijvoorbeeld gedragen mensen zich anders dan in een café.
14
Afdeling A Communicatiemodel
Verbale en non-verbale communicatie
A
2.1
knipoog is ook communicatie: non-verbale communicatie. Met bijvoorbeeld je
plaats in de ruimte, lichaamshouding, gezichtsuitdrukking, gebaren, uiterlijk en
manier van praten communiceer je. Woorden vormen maar een klein deel van alle signalen die je uitzendt.
• Een ontvanger interpreteert voor vijftien procent de boodschap door de betekenis van de woorden (‘Er is brand in de keuken’).
• Voor dertig procent interpreteert hij op basis van de manier waarop de boodschap is geformuleerd en uitgesproken (‘Help, de hele zooi staat in de fik!’).
• De ontvanger is het meest onder de indruk, voor vijfenvijftig procent, van
wat hij ziet (vader met geschroeid hoofdhaar, keukenschort aan flarden, verwarring op het anders zo zelfverzekerde gezicht, wilde armbewegingen).
2.2
Situatie Mensen die in de wachtkamer van de dokter zitten, gedragen zich anders dan mensen in een discotheek. Situaties, zoals op kantoor, in het magazijn, op een beurs, op visite en op school beïnvloeden de communicatie tussen mensen.
Een situatie wordt soms bepaald door elkaar aanvullende rollen (rollenpatroon), zoals de baliemedewerker en de klant, de dokter en de patiënt, de sollicitant en
de personeelschef, de leraar en de leerling. In sommige situaties reken je op een bepaald gedrag. Een dokter toont interesse voor de ziekte van een patiënt. Doet
hij dat niet, dan raakt de patiënt in verwarring. En een baliemedewerker die een klant niet wil helpen, maakt de mensen boos.
15
Communicatie
Verbale communicatie bestaat uit woorden. Maar communicatie is meer. Een
Afdeling A Communicatiemodel
Een situatie wordt bepaald door:
• wanneer (de tijd), zoals het moment van de dag, het moment van de week; • waar (de plaats), bijvoorbeeld in het kantoor van de directeur, in een zaal met honderd luisteraars, in gezelschap van vreemden in een lift;
• hoe (het medium), zoals mondelinge of schriftelijke communicatie, door de •
2.3
telefoon, op video, via internet;
met wie (de context), bijvoorbeeld met een vriend met wie je vaak chat, met een journalist, met je leidinggevende.
Feedback en directe communicatie De boodschap van de zender bestaat uit een verbale uiting en non-verbale signalen (zie 2.1, blz. 15).
Bij directe communicatie staan de zender en de ontvanger direct met elkaar in contact. Bij directe communicatie geeft de ontvanger voortdurend informatie aan de zender terug. Dat heet feedback geven. Feedback is voornamelijk
non-verbaal. Knikken of schudden met je hoofd zijn vormen van feedback. De zender weet hoe zijn bericht overkomt. Hij kan meteen bijsturen. Een goed
luisteraar geeft actief feedback, waarmee hij de spreker aanmoedigt. Feedback
geven is een luistervaardigheid.
Bij indirecte communicatie krijgt de zender niet meteen een reactie. Hij krijgt dus geen feedback. Als de zender via een brief of folder een boodschap over-
brengt, staat hij niet direct met de ontvanger in contact. Of liever: de ontvanger 16
Afdeling A Communicatiemodel
A
staat niet direct met de zender in contact. De zender kan niet controleren of de
ren’ van zijn boodschap.
Feedback tijdens een popconcert
3
Doelen van de zender Als zender heb je vaak een duidelijk doel voor ogen met je boodschap.
Als zender geef je informatie. Maar informeren is niet altijd je hoofddoel. Als je
bijvoorbeeld iemand wilt overtuigen (overtuigend doel), moet je ook argumenten geven.
3.1
Informerend doel Een zender wil de ontvanger informeren over een gebeurtenis of situatie. Hij vertelt niet zijn mening en geeft alleen feiten.
Voorbeeld: informerend doel Altijd een blinkende auto met zelfherstellende lak
Autolak is straks zelfherstellend. Dat voorspellen Marek Urban en Biswajit Ghosh
van de universiteit van Southern Mississippi. Alle auto’s zien er dan jarenlang uit alsof ze nieuw uit de showroom komen. Dat scheelt enorm veel frustraties, veel
uren in de garage, en tonnen chemisch afval.
17
Communicatie
ontvanger hem begrijpt. Schriftelijke communicatie is vaak indirect. Bij indi-
recte communicatie moet de zender extra aandacht besteden aan het ‘formule-
Afdeling A Doelen van de zender
Zelfreparerende materialen zijn hot. Acht jaar geleden kwamen onderzoekers van de universiteit van Illinois met een kunststof waarin microscopisch kleine bolletjes reparatiekunststof waren verwerkt, die in geval van beschadiging of scheu-
ren openbarstten en eventuele schade herstelden. De eerste commerciële toepassingen van deze vondst worden nog dit jaar verwacht. Andere onderzoekers
werken aan zelfherstellende materialen voor bijvoorbeeld vliegtuigonderdelen.
De coating van Urban en Ghosh is gebaseerd op een mengsel van polyurethaan en chitosaan, een stof gemaakt uit chitine, het materiaal waar insecten hun
pantser van maken. Deze coating absorbeert uv-licht, en de hierbij vrijkomende
energie zorgt ervoor dat de moleculen zich opnieuw netjes ordenen. Scheurtjes
verdwijnen als sneeuw voor de zon. De nieuwe verf hoeft niets meer te kosten dan de huidige verfsoorten. Al zullen er wel wat insecten voor sneuvelen.
3.2
Overtuigend doel De zender wil de ontvanger overtuigen van zijn mening. Als hij dat doet door
een beroep te doen op het verstand van de ontvanger, heeft hij een overtuigend doel. Natuurlijk moet de zender de ontvanger daarbij ook informeren. Bij een overtuigend doel gaat het om de betrouwbaarheid van die informatie.
Voorbeeld: overtuigend doel Vrouwen hebben meer geduld dan mannen. Ze kunnen eindeloos in de wachtkamer van het geluk verblijven. Denk maar eens aan al die vrouwen die een relatie hebben met een getrouwde man en jaren blijven wachten. Of aan het gedweep van schoolmeisjes over een onbeantwoorde liefde. Mannen zijn anders, doelge-
richter. Die denken al gauw: nou, dan maar niet.
In de oertijd moesten vrouwen het hebben van hun talent voor geduldkarwei-
tjes, zoals kinderen opvoeden, knollen zoeken, landjes ontginnen. Dus: op je post blijven. Mannen zijn meer gebouwd op het snelle succes. (Yvonne Kroonenberg)
3.3
Expressief doel De zender wil de ontvanger overtuigen van zijn mening. Als hij dat doet door een beroep te doen op het gevoel van de ontvanger, heeft hij een expressief
doel. Bij een expressief doel gaat het de zender vooral om begrip te krijgen voor zijn boosheid, verwondering of ontroering.
18
Afdeling A Doelen van de zender
A
Voorbeeld: expressief doel
Communicatie
Fijn dat het kabinet het voor elkaar heeft: we mogen langer werken. Wij, mensen in de bouw, zijn hier hartstikke blij mee. Het vooruitzicht wat langer te mogen doorgaan is met veel plezier in de bouwkeet ontvangen.
Er zal straks wel een probleem ontstaan als er kromgetrokken oudere werklui bij de klant voor de deur staan. Misschien moet de sector overgaan tot de aanschaf van een witte rollator voor de schilder, een bruine voor de timmerman en bij-
voorbeeld een blauwe voor de loodgieter. Wellicht is het goed nog langer door te werken. Tegen die tijd weten we toch niks meer en kunnen we niet meer zeuren.
3.4
Vermakend doel De zender wil de ontvanger vermaken. Hij vertelt een verhaal op een leuke
manier. Bij een vermakend doel gaat het eigenlijk niet om de informatie, maar
om de amusementswaarde ervan. Moppen, liedjes en gedichten zijn bedoeld om te amuseren.
Het vermakende doel is vaak niet het hoofddoel van de zender. Een zender
biedt een boodschap graag aan in een leuke verpakking. Of hij nu informeren of overtuigen wil. Hij krijgt meer aandacht. Het vermakende doel steunt een van de andere doelen.
Voorbeeld: vermakend doel Waarom ben je niet getrouwd?
Mijn schoonouders hadden geen kinderen.
4
Structuur van de boodschap Geschreven of gesproken teksten geef je meestal een driedelige structuur: de inleiding (zie 4.1), de kern (zie 4.2) en het slot (zie 4.3).
4.1
Inleiding In de inleiding moet je de interesse van de ontvanger wekken, want die is met zijn gedachten ergens anders.
19