voorbeeld hoofdstuk
3de editie
Perspectief godsdienst/levensbeschouwing voor de onderbouw
vmbo
leergids deel
Désiré Brokerhof Hilde van Halm Mattijs Bron
Methode-overzicht Perspectief: vmbo Lesboek 1
978-9006-48480-9
Leergids 1
978-9006-48481-6
Lesboek 2
978-9006-48483-0
Leergids 2
978-9006-48484-7
Leer-opdrachtenboek 3/4
978-9006-48486-1
Een Leergids als leidraad
vmbo-t/havo/vwo
Dit is een proefkatern om kennis te maken met de
Leer-opdrachtenboek 1
978-9006-48488-5
vernieuwde editie van Perspectief.
Leer-opdrachtenboek 2
978-9006-48489-2
Perspecief is op dit moment een van de drie meest
Leer-opdrachtenboek 3
978-9006-48490-8
gebruikte methodes voor het vak godsdienst/
Leer-opdrachtenboek 4/5/6
978-9006-48492-2
levensbeschouwing. Het eigene is de thematische ordening van de leerstof en de vergelijking van
digibordbij
levensbeschouwelijke denkbeelden en uitingen aan
1 vmhv
978-9006-48494-6
de hand van levensvragen. Het doel van de methode
2 vmhv
978-9006-48495-3
is, dat de leerlingen in de jaren van de middelbare
3/4 vmhv
978-9006-48496-0
school gaandeweg een eigen, zij het voorlopige
4/5/6 hv
978-9006-48497-7
levensbeschouwing ontwikkelen. Nieuw is de Leergids waarvan u het proefkatern nu
Redactie- en auteursgroep:
in handen hebt. De term leergids is nieuw en vraagt
Désiré Brokerhof, Hilde van Halm, Mattijs Bron
om enige uitleg. De leergids neemt de leerlingen aan de hand om de stof uit het lesboek stap voor
Aan deze methode werkten verder mee:
stap te verkennen en zich eigen te maken. Hij
Zehra Bal, Bill Banning, Greet Brokerhof-van der Waa, Naomi
stippelt de leerweg voor de leerlingen nauwgezet
Bronkhorst, Antoinette Dröge, Gerrie de Haan, Trudy Labuschag
uit. Het is dus een gids die methodisch gezien
ne, Anne Stael, Bas van der Sijde, Rawie Sewnat, Anne Claudine
voorafgaat aan het lesboek.
Tuller, Pieter Ruigrok van der Werve, Jeroen Windmeijer, Gepco Wolters.
De methode wordt digitaal ondersteund door extra materiaal via de applicatie Digibordbij Perspectief.
Vormgeving:
Met deze applicatie komt er een grote hoeveelheid
Ontwerpbureau Neo, Velp
extra lesstof beschikbaar voor de docent. Lesstof die verheldert, verdiept en visualiseert.
Ontwikkeling, samenstelling en opmaak: Oase Media b.v., Hoevelaken
De delen 1 van de derde editie zullen verschijnen in maart/april 2012.
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012
De delen 2 en het deel 3hv zullen in de verdere loop
Alle rechten voorbehouden
van 2012 volgen.
www.thiememeulenhoff.nl
0
Bekijk het leven Dit boek is van: School: Klas:
u Plak hiernaast een (pas)foto van jezelf w
of maak een tekening van jezelf:
Begin altijd met deze leergids. Bij de opdrachten staat welke teksten je in het lesboek moet lezen.
1
1. Heb je op de basisschool ‘Godsdienst’ of ‘Levensbeschouwing’ gehad?
u w Kruis aan/vul in: Nee Ja, q q het vak heette: Het vak Lees in het lesboek de tekst ‘Kijk op het leven’ (blz. 4). 2. Dit boek gaat over levensbeschouwingen.
u w Schrijf in je eigen woorden op wat een levensbeschouwing is.
2
3. Wat vind jij belangrijk in je leven?
u w Maak eerst een Top 5 van dingen die jij belangrijk vindt. Belangrijk
Top 5 van jezelf:
u w Kijk daarna wat de Top 5 van de hele klas is en vul die in.
1
u Kies uit de volgende dingen:
2
rijk worden
andere mensen helpen
3
mooi zijn
vrije tijd hebben
4
naar de kerk/moskee gaan
eigen geld verdienen
5
eerlijk zijn
respect hebben voor anderen
trouwe vriend(in) zijn
van het leven genieten
goed voor dieren zorgen
voor mezelf opkomen
1
leren
gelukkig zijn
2
aardig gevonden worden
gezond leven
3
bidden
sporten
4
meehelpen in huis
in God geloven
5
geen energie verspillen
beroemd worden
Top 5 van de klas:
0 Bekijk het leven
3
3
Lees in het lesboek de tekst ‘Alleen of met elkaar’ (blz. 5). 4. Bij wat voor soort levensbeschouwing hoort jouw eigen Top 5?
Levensbeschouwingen 5. Waaruit blijkt dat de klas geen gemeenschappelijke levensbeschouwing heeft?
Lees in het lesboek de tekst ‘Religieus of niet’ (blz. 5). 6. Is jouw levensbeschouwing religieus of niet… of een beetje?
u w Geef het aan op de schaal hiernaast:
niet religieus
religieus
s
s
Lees in het lesboek de informatie over de acht levensbeschouwingen (blz. 6 t/m 9). 7. Welke levensbeschouwingen worden in Perspectief behandeld?
u w Zet de naam en één opvallend kenmerk bij de acht symbolen.
?
X
8. Welke levensbeschouwing past bij jou?
u w Kies een van de acht symbolen uit dit boek dat bij jou past en teken dat in de cirkel hiernaast. Of teken een symbool dat beter bij jou past. Schrijf erbij waarom dat het symbool is van jouw levensbeschouwing.
9. Hoe zijn de levensbeschouwingen in de klas
30
vertegenwoordigd?
20
u w Ga na hoeveel leerlingen bij de verschillende levensbeschouwingen horen.
10
u w Vul de aantallen in en maak een staafdiagram. u w Kleur de kolommen in de juiste kleur
4
Leergids Perspectief deel 1
? X
1·1 Thuis zijn In deze les bekijken we wat er nodig is om je ergens thuis te voelen. En hoe belangrijk de plek en de mensen thuis zijn. Wat maakt jouw huis tot thuis? Wat is het gevoel dat bij thuis hoort? 1. Iedereen woont ergens. Maar niet iedereen woont in een gewoon huis.
1
u w Vul in waar de onderstaande mensen wonen: u Kies uit: iglo, klooster, verzorgingshuis, kazerne, ziekenhuis, asielzoekerscentrum, straat,
Wonen
pastorie, paleis en tent.
dakloze
op straat
eskimo
koningin
monnik
zieke
dominee
soldaat
asielzoeker
kampeerder
oudere
2. Waar wil jij het liefst wonen?
u w Vul je antwoord in en zet erbij waarom.
3. Er zijn nog meer woonvormen. Bijvoorbeeld: een kindertehuis, een huis van bewaring, een aanleunwoning, een studentenhuis, een woonwagen, een woonboot.
u w Kies één woonvorm die je niet kent. Zoek op wat dat is en geef een korte omschrijving.
2
Lees in het lesboek de tekst ‘Een dak boven je hoofd’ (blz. 12). 4. Waarom is een huis een eerste levensbehoefte?
Een dak
u w Schrijf de 3 belangrijkste redenen op waarom mensen een huis nodig hebben.
boven je hoofd
Onderstreep wat volgens jou de allerbelangrijkste reden is. w
Bekijk het leven
5
3
5. In wat voor een huis woon jij?
u w Teken in de grote cirkel hoe jouw huis Bij jou thuis
eruit ziet,
u w Zet in de kleine cirkels de namen van jou en de anderen
ik:
die bij jou thuis wonen.
Lees in het lesboek de tekst ‘Een eigen plek’ (blz. 13). 6. Hoe ziet jouw kamer eruit?
u w Teken hier een schets of plattegrond van jouw kamer.
7. Waaraan kun je zien dat het jouw kamer is?
u w Geef dat aan in je tekening. Als dat niet gaat, leg het dan uit:
6
Leergids Perspectief deel 1
4
Veel mensen hebben een hond of een kat. Een hond hecht zich vooral aan de mensen in
Je thuis
huis. Een kat meer aan de plek, aan het huis zelf.
voelen
8. Lijk jij meer op een kat of op een hond?
u Ik lijk meer op een: w u w Leg je antwoord uit.
Lees in het lesboek de tekst ‘Het gevoel dat bij thuis hoort’ (blz. 13). 9. Welke gevoelens horen bij thuis?
u w Schrijf met een blauwe pen alle gevoelens die in het lesboek staan in het vak hiernaast.
u w Schrijf met een andere kleur pen de gevoelens erbij, die volgens jou ook bij thuis horen.
10. Wat is het verschil tussen ‘huis’ en ‘thuis’?
u w Leg in je eigen woorden het verschil uit.
Lees in het lesboek de tekst ‘thuisgevoel’ (blz. 13) en bron 1 t/m 4. 11. Wat betekent thuis voor jou?
w u Schrijf ook een kort verhaaltje over waar of bij wie jij je echt thuis voelt.
1·1 Thuis zijn
7
1·2 Gewoonten, gebruiken en leefregels In deze les gaan we na welke gewoonten en gebruiken er thuis zijn en welke leefregels er gelden. Waar komen die leefregels vandaan? En wat is de basisregel om goed met elkaar om te gaan? Veel mensen hebben een
1
uitspraak die ze vaak zeggen of die ze erg mooi
Tegeltjes-
vinden.
wijsheid
12. Welke uitspraak op
Vele handen maken licht werk
Samen uit,
samen thuis
Spreken is
zilver, zwijgen is goud
de tegeltjes hiernaast past bij jou thuis?
u Kies één tegeltje uit en schrijf op waarom w dat bij jou thuis past.
Oost west, thuis best
Heer,
zegen dit huis
en allen die er binnentreden
Vertrouwen
is moed, trouw
u w Vul het blanco tegeltje in met een spreuk die
is kracht
jij zelf thuis zou willen ophangen.
Lees in het lesboek de tekst ‘Leefregels thuis’ (blz. 15). 2
13. Om goed met elkaar te kunnen samenleven, zijn er regels nodig.
u w Noem een goede regel bij jou thuis. Waarom vind je die goed? Regels
u w Noem een regel van thuis die je zou willen afschaffen. Waarom?
u w Noem een leefregel die voor je vader of moeder zou moeten gelden. Waarom?
È 8
Leergids Perspectief deel 1
È 14. Leefregels zeggen wat je thuis wel en niet mag.
2
Regels
u w Zijn er bij jou thuis veel of weinig leefregels?
weinig
veel leefregels.
u w Heb je veel vrijheid of weinig vrijheid?
weinig
veel vrijheid.
u w Gaan de regels vooral over wat je wel mag? Of meer over wat je niet mag? Leg je antwoord uit.
Lees in het lesboek de tekst ‘Goed met elkaar omgaan’ (blz. 15) en bron 5. 3
15. Wat is volgens jou goed met elkaar omgaan?
w u Schrijf je eigen antwoord op. Samen leven
16. Hoe luidt de Gulden Regel?
w u Schrijf de Gulden Regel in je eigen woorden op.
w u Schrijf de regels om naar elkaar te luisteren en elkaar niet te pesten op in dezelfde vorm als de Gulden Regel.
w u Zoek een plaatje dat past bij ‘Goed omgaan met elkaar’. Plak het hiernaast op.
1·2 Gewoonten, gebruiken en leefregels
9
Lees in het lesboek de tekst ‘Tien Bijbelse leefregels’ (blz. 16) en bron 6. 4
17. Met welke van de Tien Woorden hebben de onderstaande trefwoorden te maken?
w u Vul in de eerste kolom de juiste regel van de Tien Woorden in. Tien
w u Vul in de tweede kolom in of het een gebod is of een verbod.
Woorden
Doden
Rustdag
Vloeken
Trouw
Geloven
Leugen
Jaloezie
Eerbied
Verraad
Diefstal
Je mag iemand niet doodslaan
verbod
w u Welke van de ‘Tien Woorden’ vind je zelf het allerbelangrijkst?
Lees in het lesboek de tekst ‘Levensbeschouwelijke gebruiken…’ (vanaf blz. 16). 5
18. Welke gebruiken hebben jullie bij jou thuis?
u w Vul het lijstje in en voeg een gebruik toe dat ontbreekt. Gebruiken
Ja/Nee
Ja/Nee
thuis
Bidden
q q Zondagse kleren aandoen
q q
Halal eten
q q Vasten
q q
Sabbatskaarsen branden
q q Wierook branden
q q
Bijbel lezen
q q Taart eten op een verjaardag
q q
Een foto van een overledene neerzetten q q
Handen wassen voor het eten
q q Kaarsje branden voor iemand
q q
Offeren
q q Vlees eten
q q
Even stil zijn voor het eten
q q
q q 19. Welke gebruiken horen bij de verschillende levensbeschouwingen?
u w Schrijf hieronder bij elk symbool drie gebruiken op die bij die levensbeschouwing horen.
10
Leergids Perspectief deel 1
1·3 Gastvrijheid Hoe is het wanneer er andere mensen bij je huis komen? Zijn ze welkom? En wat zeggen de verschillende levensbeschouwingen over gasten ontvangen? 20. Jullie krijgen thuis gasten. Welke voorbereidingen tref je?
1
u w Schrijf twee dingen op die je van tevoren doet.
Gasten
21. Hoe word jij het liefst door iemand anders ontvangen?
u Schrijf twee dingen op, die je fijn vindt als je ergens te gast bent. w
Lees in het lesboek de tekst ‘Verschillen’ (blz. 19). 22. Komen er bij jullie veel of weinig gasten?
weinig
veel
23. Vind je het leuk of vervelend als er gasten zijn?
vervelend
leuk
24. Los de rebus op.
25. Hieronder staan de cartoons uit het lesboek. Geef aan welke vijf verschillen jou het meest opvallen.
1·3 Gastvrijheid
11
Lees in het lesboek de tekst ‘Kleurrijk Nederland’ (blz. 20). 2
26. Mensen uit allerlei landen hebben hun gerechten en eetgewoonten mee naar Nederland genomen. Uit welk land komen deze?
Mengel-
u w Zet de landen in de goede volgorde met de bijbehorende letters in de twee kolommen.
moes
w
Welk woord vormen de letters in de laatste kolom? Schrijf dat onderaan.
eten met stokjes
frankrijk
(a)
wijn drinken
engeland
(v)
bier drinken
duitsland
(s)
hamburgers
turkije
(i)
thee drinken
italië
(j)
rauwe vis eten
china
(g)
saté
spanje
(h)
pizza
japan
(r)
paella
indonesië
(i)
curry
marokko
(d)
baklava
amerika
(t)
muntthee
india
(e)
Lees in het lesboek bron 7. 3
27. Hoe geef je iemand het gevoel dat hij of zij welkom is?
u w Overleg met degene die naast je zit. Bedenk samen vijf dingen. Schrijf ze hieronder op. Welkom
u w Bespreek met elkaar in de klas wat jullie allemaal bedacht hebben. u Hoor je van iemand anders nog een goed idee? Schrijf het ook op.
È 12
Leergids Perspectief deel 1
È 28. Je gasten blijven langer dan je wilt.
3
Te t laa
Hoe kun je op een aardige manier duidelijk maken dat het tijd is?
u w Schrijf op wat je doet om ze te laten vertrekken.
29. Hoe kun je het woord gastvrijheid omschrijven?
Blader terug in het lesboek naar bron 5 over de Gulden Regel (blz. 15). u w Maak een omschrijving van gastvrijheid op de manier van de Gulden Regel.
Lees in het lesboek de informatie op blz. 21 t/m 23. 30. In jodendom, christendom en islam worden verschillende redenen gegeven voor gastvrij heid. Bij welke godsdienst past je omschrijving van hierboven het meest?
u w Kruis het juiste symbool aan. u w Schrijf erbij waarom.
q
q
q
Lees in het lesboek blz. 22. 31. Wat zijn de zeven Werken van Barmhartigheid?
u w Schrijf ze alle zeven op.
1·3 Gastvrijheid
13
1·4 Zonder thuis Hoe is het om je thuis te moeten missen? Heb je wel een thuis als je ouders zijn gescheiden? Kun je je ergens thuis voelen als je hebt moeten vluchten? We maken kennis met mensen zonder thuis. 32. Hoeveel kinderen met gescheiden ouders
1
zitten er in de klas?
u w Vul samen met de klas het lijstje hiernaast in. Gescheiden
aantal
%
aantal leerlingen in de klas aantal leerlingen met gescheiden ouders. aantal leerlingen die de meeste tijd bij hun vader wonen aantal leerlingen die de meeste tijd bij hun moeder wonen aantal leerlingen die ‘half om half’ bij vader en moeder wonen
Lees in het lesboek de tekst ‘Twee huizen, geen thuis…’ (blz. 26). 33. Vinden de leerlingen van gescheiden ouders in jouw klas dat de titel van de tekst klopt?
w u Schrijf hieronder de reacties van je klasgenoten.
Lees in het lesboek de tekst ‘Ontworteld’ (blz. 26) en bron 8. 2
34. Wanneer je in een ander land woont en moet vluchten, is dat ook een soort scheiding. Waarvan?
Vluchten
35. Wat bedoelt Naema Tahir met: ‘Ik wortel in mensen’?
36. Waarom is dat voor Naema Tahir extra kostbaar?
Lees bron 8 en blader terug naar vraag 8 van dit hoofdstuk in de Leergids. 37. Lijkt Naema Tahir op een kat of op een hond? Leg je antwoord uit.
È 14
Leergids Perspectief deel 1
È Stel je voor dat je plotseling moet vluchten. Je hebt vijf
2
minuten de tijd om wat spullen te pakken. 38. Wat neem je mee?
Vluchten
u Overleg eerst met degene die naast je zit. u w Schrijf dan maximaal 4 dingen op die jij zou meenemen.
39. Stel je voor dat je vanmorgen hebt gehoord dat je plotseling moet vluchten. Je hebt één sms-bericht om afscheid te nemen van vrienden of familie.
u w Schrijf een afscheids-sms (maximaal 160 tekens dus!), zonder te veel te verraden, want dan kun je jezelf of je familie in gevaar brengen. Schrijf erbij aan wie je je bericht stuurt.
Aan:
Lees in het lesboek de tekst ‘Gevlucht’ (blz. 27) en de bronnen 9 en 10. 40. Wat zou voor jou een reden zijn om uit Nederland te vluchten?
41. Amadou en Saman zijn om verschillende redenen gevlucht.
u w Schrijf op waarom ze zijn gevlucht en schrijf erbij wat de verschillen zijn in hun verhalen. Waarom:
Verschil:
42. Dagelijks zijn er mensen ergens in de wereld op de vlucht.
u w Zoek in kranten en tijdschriften naar berichten of foto’s van mensen die een thuis missen. u w Knip één bericht of foto uit. u w Plak dat in het kader op de volgende bladzijde. u w Schrijf een passende titel bij het bericht of een bijschrift bij de foto.
È 1·4 Zonder thuis
15
È 2
Plak hier je bericht of foto van mensen die een thuis missen.
Vluchten
Blader terug naar vraag 8 van dit hoofdstuk in de Leergids. 3
43. Veel vluchtelingen hebben last van heimwee. Als jij zou moeten vluchten, zou je dan katten- of hondenheimwee hebben? Leg je antwoord uit.
Heimwee
Lees in het lesboek de tekst ‘Dagboek van Zlata’ en bron 11. 44. Waarnaar heeft Zlata heimwee? Leg je antwoord uit.
45. Wat is je reactie op het dagboekfragment?
u w Schrijf een brief aan Zlata.
16
Leergids Perspectief deel 1
1·5 Wereldburgers In deze laatste les van dit thema kijken we naar de wereld als geheel. Waar je ook thuis bent, uiteindelijk is de wereld je thuis, net als van alle andere mensen. Dat schept een band. 46. Waar woon jij? En waar ben je geboren?
1
u w Schrijf je woonadres in de eerste kolom. u w Zet daaronder de namen van de steeds grotere gebieden waar je woont, totdat je niet meer
Woonplaats
groter kunt.
Zet hier je naam: woonadres
geboorteadres
Straat en huisnummer: Wijk: Plaats: Streek: Provincie: … en verder: … etc.
Lees in het lesboek de tekst ‘Buitenland’ (blz. 29). 2
47. In welke landen van Europa en buiten Europa ben jij geweest?
u Schrijf links de landen binnen Europa en rechts de landen buiten Europa. Wereld
48. Welke dingen in het buitenland waren heel anders?
49. En welke dingen waren hetzelfde als in Nederland?
È 1·5 Wereldburgers
17
È Bekijk de poster (lesboek blz. 29). 2
50. Welke spullen uit andere landen gebruik jij?
Wereld
u Denk ook aan: kleding, elektronica, films, games, etc.
u w Maak een poster, net zoals die op blz. 29, maar dan speciaal met dingen die voor jou gelden.
Lees in het lesboek de tekst ‘Globalisering’ (blz. 29). 51. In het woord ‘Globalisering’ zit het woord ‘Globe’.
u Zoek de betekenis van ‘Globe’ op en schrijf die op. w
u Schrijf hieronder de betekenis van ‘globalisering’ in je eigen woorden. w
Lees in het lesboek bron 12. 52. Hoe komt het dat Enoh zichzelf ziet als wereldburger?
Lees in het lesboek de tekst ‘Wereldgodsdiensten’ (blz. 30). 53.
Leg uit waarom alle gelovigen van de wereldgodsdiensten wereldburgers zijn.
54. Zie jij jezelf als wereldburger? Leg je antwoord uit.
18
Leergids Perspectief deel 1
2路1 @
1
@
2路1 @
19