Page 1

THEORIEBOEK NIVEAU 3 &  4

B1-K1-W2 Bereidt de uitvoering van activiteiten voor B1-K1-W5 Stimuleert de ontwikkeling door het aanbieden van activiteiten De leermiddelen uit de serie Traject Welzijn zijn bestemd voor de opleidingen Pedagogisch werk, Maatschappelijke zorg en Sociaal werk. Door de thematische opbouw is Traject Welzijn geschikt voor alle onderwijsvormen en alle leerwegen, past daarnaast in verkorte trajecten en sluit aan bij elke leerstijl. De leerstof is opgebouwd uit: theorie, praktijksituaties en beroepsvaardigheden. Je kunt starten vanuit de theorie of vanuit een (gesimuleerde) praktijksituatie. Wat voor jou het beste werkt.

De praktijksituaties zijn realistische beschrijvingen van situaties uit de beroepspraktijk, inclusief opdrachten gekoppeld aan houdingsaspecten, vaardigheden en kenniselementen. De beroepsvaardigheden bevatten opdrachten voor het stapsgewijs aanleren van sociaalagogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden. Het complete aanbod van Traject Welzijn bestaat uit: - theorieboeken met een heldere en gestructureerde uitleg over de benodigde vakkennis, verduidelijkt met veel praktijkvoorbeelden; - werkboeken met verwerkingsopdrachten, toepassingsopdrachten en evaluatie- / reflectieopdrachten; - digitale omgeving met ondersteunend materiaal voor zowel student als docent. Wil je weten welke materialen er nog meer beschikbaar zijn bij Traject Welzijn? Kijk dan op www.thiememeulenhoff .nl/trajectwelzijn.

Auteur: A.C. Verhoef Onder redactie van: M.H.A.J. Gloudemans R.F.M. van Midde

9 789006 622232

PW Ontwikkeling en activiteiten PW THEORIEBOEK

De theorie bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie bij het betreffende werkproces en bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De verwerkingsopdrachten sluiten aan bij de leerstof in de theorie.

TRAJECT WELZIJN

Deze uitgave Ontwikkeling en activiteiten PW maakt deel uit van de serie Traject Welzijn. De theorie van deze uitgave sluit volledig aan bij onderstaande werkprocessen uit het kwalificatiedossier Pedagogisch werk.

Ontwikkeling en activiteiten PW

pedagogisch werk


Ten geleide

De afgelopen jaren zijn de beroepsopleidingen voor Maatschappelijke zorg, Pedagogisch werk en Sociaal werk aangepast aan de ontwikkelingen in de beroepspraktijk. De veranderde eisen aan het beroep en de beroepsuitoefening zijn uitgewerkt in nieuwe kwalificatiedossiers. Deze kwalificatiedossiers, opgebouwd uit kerntaken en werkprocessen, vormen de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen binnen Welzijn. De leermiddelen van Traject Welzijn zijn ontwikkeld voor en sluiten aan bij deze kwalificatiedossiers. De pedagogisch werker Pedagogisch werkers werken in de kinderopvang, het onderwijs of in een combinatievorm van beide. De student kan kiezen voor het profiel pedagogisch medewerker kinderopvang, gespecialiseerd medewerker kinderopvang of onderwijsassistent. De doelgroep van de pedagogisch werker is zeer divers, en bestaat onder andere uit: • kinderen tot twaalf jaar zonder problemen; • kinderen tot twaalf jaar met een achterstand, een leer- of gedragsprobleem; • jongeren vanaf twaalf jaar zonder problemen; • jongeren met gedrags- en opvoedingsproblemen; • kinderen en jongeren met een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke beperking. Het kwalificatiedossier Pedagogisch werk vormt de basis voor de inrichting van de huidige opleidingen voor beroepen in dit domein. Het leermiddelenaanbod voor de opleiding Pedagogisch werk – die deel uitmaakt van Traject Wel-

zijn – is gebaseerd op vier belangrijke uitgangspunten: • de leermiddelen zijn ontwikkeld vanuit de beroepsuitoefening. Het beroepsonderwijs binnen Traject Welzijn wordt in belangrijke mate bepaald door de aard van de ondersteuningsvragen en door de context waarin de beroepsuitoefening plaatsvindt; • sterk didactisch concept. De leermiddelen zijn ontwikkeld op basis van leerstijlen en leerervaringen van mbo-studenten. Traject Welzijn houdt rekening met de verschillende leerstijlen van mbo-studenten en verschillende onderwijsstijlen van docenten; • bij de indeling van de leermiddelen is rekening gehouden met de basisfase en de profielfase; • er is rekening gehouden met het perspectief van doorstroming tussen mbo-niveau 3 en mbo-niveau 4. Het didactisch concept van Traject Welzijn gaat nadrukkelijk uit van bovenstaande uitgangspunten, waardoor het vakbekwame leren optimaal wordt ondersteund en mogelijk wordt gemaakt. Traject Welzijn houdt bovendien rekening met de mbo-student door het taalniveau (2F voor de basisfase, 3F voor de profielfase niveau 4) af te stemmen op de doelgroep en door (praktijk) voorbeelden en (praktijk)opdrachten zo te formuleren dat de mbo-student zich aangesproken voelt. De leermiddelen zijn zo ontwikkeld dat zowel mbo-studenten met een meer theoretische, als mbo-studenten met een meer praktische inslag er gebruik van kunnen maken. Traject Welzijn is inzetbaar binnen elk didactisch model en biedt


de docent de ruimte om zelf invulling te geven aan zijn rol. Traject Welzijn sluit volledig aan bij actuele opvattingen over flexibiliteit en zelfstandig leren. Dat betekent onder andere dat er gewerkt wordt met uitgaven die ingedeeld zijn in thema’s die bestaan uit theorie en de daarbij behorende verwerkingsopdrachten, praktijksituaties en evaluatie middels de studiehulp. Daarnaast komen de beroepsvaardigheden en de houdingsaspecten van de (beginnende) beroepsbeoefenaar expliciet aan de orde. Deze elementen vormen immers een essentieel onderdeel van de beroepsuitoefening. Theoretische onderbouwing Het onderdeel ‘theorie’ voor de basisfase Pedagogisch werk bevat alle basiskennis en achtergrondinformatie die hoort bij de betreffende werkprocessen. De leerstof bevat veel voorbeelden uit de beroepspraktijk. De theorieboeken voor de profielfase Pedagogisch werk gaan verdiepend in op de verschillende profielen die worden onderscheiden: P1: Pedagogisch medewerker kinderopvang P2: Gespecialiseerd pedagogisch medewerker P3: Onderwijsassistent Werkboeken De werkboeken sluiten, dankzij hun thema- en hoofdstukindeling, naadloos aan bij de leerstof en indeling van de theorie. Dit geldt zowel voor de leermiddelen gericht op de basisfase als voor de leermiddelen gericht op de profielfase. Via de werkboeken kunnen de studenten zich de leerstof eigen maken door middel van: • verwerkingsopdrachten voor de leerstof in de theorie; • praktijksituaties met opdrachten. De praktijksituaties geven realistische beschrijvingen van de praktijk in het Pedagogisch werk. Hierin komen problemen en dilemma’s aan de orde waarmee beroepsbeoefenaren te maken krijgen in hun dagelijkse werk en waarbij van hen

verwacht wordt dat ze met een oplossing en aanpak komen; • het aanleren van beroepsvaardigheden. Het onderdeel ‘vaardigheden’ biedt opdrachten die zijn gericht op het stapsgewijs aanleren van sociaal-agogische, communicatieve, verzorgende en creatieve vaardigheden; • thema-opdrachten gericht op integrale verwerking van de afzonderlijke thema’s; • evaluatie met behulp van de studiehulp en reflectie. Deze onderdelen zijn consequent terug te vinden in het volledige aanbod van Traject Welzijn. De combinatie van deze onderdelen maakt het leren vanuit verschillende invalshoeken mogelijk en kan zowel in een onderwijssituatie als in de beroepspraktijk plaatsvinden. Wij hopen dat gebruikers, zowel mbo-studenten als docenten, op een plezierige en zinvolle manier met Traject Welzijn kunnen werken. Heeft u vragen of suggesties, dan stellen wij het bijzonder op prijs als u contact met ons opneemt.

Amersfoort, 2016 Redactie en uitgever


Inhoud

Thema 1 Inleiding ontwikkeling en activiteiten 1 1.1 1.2 1.3

1.4 1.5

1.6

2 2.1 2.2

2.3

2.4

19

Over ontwikkelingspsychologie 20 Inleiding 21 Korte geschiedenis van de ontwikkelingspsychologie 21 1.2.1 Belangrijke ontwikkelingspsychologen 21 Ontwikkelingspsychologie, wat is dat? 22 1.3.1 Hoe mensen zich ontwikkelen 22 1.3.2 Het begrip ontwikkelingsfasen 22 1.3.3 Ontwikkelingstaken 23 Ontwikkelingsaspecten 24 Factoren die de ontwikkeling bepalen 26 1.5.1 Interne factoren 26 1.5.2 Externe factoren 26 1.5.3 Zelfbepaling 26 Voorwaarden voor ontwikkeling 26 1.6.1 Veilig en vertrouwd voelen 27 1.6.2 Verbaal en non-verbaal contact 27 1.6.3 Stimulerende omgeving 28 1.6.4 Ruimte voor onderzoeken en ervaren 28 1.6.5 Mogelijkheid om te spelen 29 1.6.6 Een kind moet voldoende bewegingsvrijheid krijgen 29 1.6.7 Een kind moet veiligheid en grenzen worden geboden 29 Inleiding activiteiten 30 Inleiding 31 Activiteiten 31 2.2.1 Het motief van activiteiten 32 2.2.2 Gevoelswaarde van activiteiten 32 Algemene indeling van activiteiten 33 2.3.1 Vaste activiteiten 33 2.3.2 Vrije activiteiten 34 Verschillende soorten activiteiten 34 2.4.1 Ontspanningsactiviteiten 34 2.4.2 Creatieve activiteiten 35 2.4.3 Expressieve activiteiten 35 2.4.4 Culturele activiteiten 36

1 7


2.5

2.6

3 3.1 3.2

3.3 3.4

2.4.5 Zelfzorgactiviteiten 37 2.4.6 Sport- en spelactiviteiten 37 2.4.7 Educatieve activiteiten 38 2.4.8 Arbeidsmatige activiteiten 38 Waarom doen mensen activiteiten? 38 2.5.1 Waarom activiteiten in het pedagogisch werk? 2.5.2 Ontwikkelingsgerichte activiteiten 39 Activiteitenprogramma 41 2.6.1 Dagprogramma 41 2.6.2 Weekprogramma 42 2.6.3 Jaarprogramma 43 Spel en ontwikkeling 44 Inleiding 45 Soorten spel 45 3.2.1 Bewegingsspel 45 3.2.2 Imitatiespel 46 3.2.3 Constructiespel 46 3.2.4 Sociaal spel 47 3.2.5 Prestatiespel 48 3.2.6 Digitaal spel 48 Spel en ontwikkeling 48 3.3.1 Spelontwikkeling stimuleren 51 Spelbevorderende en spelbelemmerende factoren

Begrippen

4.3

5 5.1 5.2

52

53

Thema 2 Ontwikkeling van baby’s en peuters 4 4.1 4.2

39

Prenatale ontwikkeling en geboorte 58 Inleiding 59 Van conceptie tot geboorte 59 4.2.1 Miskraam 60 4.2.2 Invloeden op de prenatale ontwikkeling De geboorte 61 4.3.1 Apgar-score 61 4.3.2 Risico’s tijdens de geboorte 61 4.3.3 Vroeggeboorte 62 Ontwikkeling van de baby 64 Inleiding 65 Lichamelijke ontwikkeling 65 5.2.1 Lichamelijke groei 65 5.2.2 Motorische ontwikkeling 65

1 8

60

57


5.3

5.4

5.5 5.6 6 6.1 6.2 6.3

6.4

7 7.1 7.2

7.3

7.4

7.5 7.6

5.2.3 Zintuiglijke ontwikkeling 69 Cognitieve ontwikkeling 70 5.3.1 Het begin van denken 70 5.3.2 Het aanleren van vaardigheden 71 5.3.3 Taalontwikkeling 71 Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling 5.4.1 Lichaamstaal 72 5.4.2 Temperament 73 5.4.3 Ontwikkeling van het ik 74 Emotionele ontwikkeling 74 5.5.1 Hechting 75 Seksuele ontwikkeling 76

72

Activiteiten en spel bij de baby 77 Inleiding 78 Vaste dagelijkse activiteiten bij baby’s 78 Doelgerichte activiteiten bij baby’s 80 6.3.1 Lichaamsgerichte activiteiten 80 6.3.2 Bewegingsactiviteiten 83 6.3.3 Ontdekkingsspel en fantasiespel 84 6.3.4 Taalactiviteiten 85 Vrije activiteiten 87 6.4.1 Spelontwikkeling 87 6.4.2 Spelontwikkeling stimuleren 87 6.4.3 Spelmaterialen 89 Ontwikkeling van de peuter 90 Inleiding 91 Lichamelijke ontwikkeling 91 7.2.1 Motorische ontwikkeling 91 7.2.2 Zindelijk worden 91 7.2.3 Groeiende hersenen 92 Cognitieve ontwikkeling 92 7.3.1 Het denken van de peuter 93 7.3.2 Taalontwikkeling bij peuters 93 Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling 7.4.1 Eerste gevoel van empathie 95 7.4.2 Egocentrisme 96 7.4.3 Ontwikkeling van het normbesef 96 7.4.4 Koppigheid 96 Emotionele ontwikkeling 98 Seksuele ontwikkeling 98

1 9

95


8 8.1 8.2 8.3

8.4

Activiteiten en spel bij de peuter 99 Inleiding 100 Vaste dagelijkse activiteiten bij peuters 100 Doelgerichte activiteiten met peuters 102 8.3.1 Bewegingsactiviteiten 103 8.3.2 Constructieve activiteiten 104 8.3.3 Exploratieve activiteiten 107 8.3.4 Taalactiviteiten 108 8.3.5 Rekenactiviteiten 111 8.3.6 Imitatiespel 112 Vrije activiteiten 113 8.4.1 Spelontwikkeling bij de peuter 114 8.4.2 Spelontwikkeling stimuleren 115 8.4.3 Spelmaterialen 116

Begrippen

118

Thema 3 Ontwikkeling van kleuters 9 9.1 9.2

9.3

9.4

9.5

9.6

10 10.1 10.2

123

Ontwikkeling van de kleuter 124 Inleiding 125 Lichamelijke ontwikkeling 125 9.2.1 Motorische ontwikkeling 125 9.2.2 Ontwikkeling van hersenen en zintuigen 127 9.2.3 Handvoorkeur 127 Cognitieve ontwikkeling 127 9.3.1 Taakgericht bezig zijn 127 9.3.2 Leren door doen 128 9.3.3 Uitgaan van wat je ziet 128 9.3.4 Fantasiedenken en jokken 128 9.3.5 Taalontwikkeling 129 Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling 130 9.4.1 Omgang met andere kinderen 130 9.4.2 Ontwikkeling van zelfbeeld 132 9.4.3 Ontwikkeling van innerlijk geweten 132 Emotionele ontwikkeling 134 9.5.1 Kleuterangsten 134 9.5.2 Sensitief ingesteld 134 Seksuele ontwikkeling 135 9.6.1 Geslachtsgebonden gedrag 135 Activiteiten en spel bij de kleuter 136 Inleiding 137 Vaste dagelijkse activiteiten bij kleuters 137

1 10


10.3

10.4

10.2.1 Overgangsmomenten bso 138 10.2.2 Overgangsmomenten basisschool 139 Doelgerichte activiteiten 141 10.3.1 Sport- en spelactiviteiten 141 10.3.2 Constructieve activiteiten 143 10.3.3 Exploratieve activiteiten 145 10.3.4 Beeldende activiteiten 145 10.3.5 Taalactiviteiten 147 10.3.6 Rekenactiviteiten 150 10.3.7 Digitale activiteiten 150 10.3.8 Imitatiespel 151 Vrij spel bij kleuters 152 10.4.1 Spelontwikkeling bij kleuters 153 10.4.2 Spelontwikkeling stimuleren 154 10.4.3 Spelmaterialen 155

Begrippen

157

Thema 4

Ontwikkeling van schoolkinderen

11 11.1 11.2

11.3

11.4

11.5 11.6 12 12.1 12.2

159

Ontwikkeling van het schoolkind 160 Inleiding 161 Lichamelijke ontwikkeling 161 11.2.1 De invloed van voeding 161 11.2.2 Motorische ontwikkeling 163 11.2.3 Lichamelijk actief 163 Cognitieve ontwikkeling 163 11.3.1 Realiteitsdenken 164 11.3.2 Logisch denken 164 11.3.3 Abstract denken 164 11.3.4 Leren op school 164 11.3.5 Leren buiten school 166 11.3.6 Taalontwikkeling 166 Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling 11.4.1 Omgang met leeftijdsgenootjes 167 11.4.2 Omgang met volwassenen 169 11.4.3 Ontwikkeling van geweten 169 Emotionele ontwikkeling 170 Seksuele ontwikkeling 171 Activiteiten en spel bij het schoolkind 172 Inleiding 173 Vaste dagelijkse activiteiten 173 12.2.1 Vaste dagelijkse activiteiten op de bso

1 11

175

167


12.3

12.4

12.2.2 Vaste dagelijkse activiteiten op de basisschool Doelgerichte activiteiten 179 12.3.1 Werken met thema’s 179 12.3.2 Coöperatief leren 181 12.3.3 Kringactiviteiten 182 12.3.4 Sport- en spelactiviteiten 182 12.3.5 Muziekactiviteiten 185 12.3.6 Constructieve activiteiten 186 12.3.7 Exploratieve activiteiten 186 12.3.9 Beeldende activiteiten 188 12.3.10 Taal en taalactiviteiten 190 12.3.11 Rekenactiviteiten 197 12.3.12 Digitale activiteiten 198 12.3.13 Imitatiespel 201 Vrij spel bij schoolkinderen 201 12.4.1 Buiten spelen 201 12.4.2 Spelontwikkeling bij het schoolkind 202 12.4.3 Spelmaterialen 203

Begrippen

177

206

Thema 5 Ontwikkeling van pubers en adolescenten 13 13.1 13.2

13.3

13.4

13.5

Ontwikkeling van de puber 210 Inleiding 211 Lichamelijke ontwikkeling 211 13.2.1 Groeispurt 211 13.2.2 Seksuele rijping 211 13.2.3 Ontwikkeling van hersenen 212 13.2.4 Slapen 213 13.2.5 Eten 214 Cognitieve ontwikkeling 214 13.3.1 Overgang naar voortgezet onderwijs 215 13.3.2 Leermogelijkheden en intelligentie 215 13.3.3 Abstract denken en kritisch denken 216 13.3.4 Profielkeuze en beroepskeuze 217 Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling 13.4.1 Peergroup 217 13.4.2 Persoonlijke vriendschappen 219 13.4.3 Online contacten 220 13.4.4 Op zoek naar de eigen identiteit 221 13.4.5 Beleving van het uiterlijk 222 Emotionele ontwikkeling 223 13.5.1 Hoog geluksgevoel 224

1 12

217

209


13.6 14 14.1 14.2 14.3 14.4

14.5

14.6 14.7

15 15.1 15.2

15.3

15.4 15.5

15.6

15.7

13.5.2 Stemmingswisselingen Seksuele ontwikkeling 225

224

Ontwikkeling van de adolescent 227 Inleiding 228 De term adolescentie 228 Lichamelijke ontwikkeling 228 Cognitieve ontwikkeling 229 14.4.1 Abstract denken 229 14.4.2 Genuanceerd denken 230 14.4.3 Meer mensenkennis en inlevingsvermogen 230 14.4.4 Lang naar school 230 14.4.5 Beroepskeuze: verder leren of niet? 232 Sociale ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling 232 14.5.1 Relatie met de ouders 232 14.5.2 Op kamers wonen of niet? 233 14.5.3 Vriendengroep 233 14.5.4 Vormgeven aan identiteit 234 14.5.5 Keuzes gericht op de toekomst 234 14.5.6 Idealisme 235 14.5.7 Maatschappelijke betrokkenheid 236 Emotionele ontwikkeling 236 Seksuele ontwikkeling 236 14.7.1 Bewust worden van seksuele identiteit 237 Activiteiten bij de puber en adolescent 238 Inleiding 239 Sport- en spelactiviteiten 239 15.2.1 Sportdagen en sporttoernooien 239 15.2.2 Spelactiviteiten 240 15.2.3 Fair play 240 15.2.4 Het goede voorbeeld geven 242 Educatieve activiteiten 242 15.3.1 Helpen bij huiswerk 243 15.3.2 Leerbevorderende factoren 244 Excursies en andere groepsbezoeken 246 15.4.1 Begeleiden bij excursie 246 Culturele activiteiten 247 15.5.1 Keuze van cultureel-educatief project 249 15.5.2 Begeleiden bij een buitenschoolse culturele activiteit Kookactiviteiten 250 15.6.1 Ruimte en materialen 251 15.6.2 Veilig koken 252 Digitale media-activiteiten 252 15.7.1 Gebruik van digibord 252

1 13

249


15.8 15.9

Recreatieve activiteiten 254 15.8.1 Multitasken 255 Interactievaardigheden 256 15.9.1 Respect voor autonomie 256 15.9.2 Sensitieve responsiviteit 257 15.9.3 Structuur bieden en grenzen stellen 15.9.4 Praten en uitleg geven 257 15.9.5 Stimuleren van ontwikkeling 258 15.9.6 Begeleiden van interacties 258

Begrippen

259

Thema 6

Problemen in de ontwikkeling

16 16.1 16.2

16.3

16.4

257

263

Als de ontwikkeling anders gaat 264 Inleiding 265 Normale en niet-normale ontwikkeling 265 16.2.1 Kijken naar de totale ontwikkeling 265 16.2.2 Uitgaan van objectieve maatstaven 265 Problemen in de ontwikkeling 266 16.3.1 Ontwikkelingsachterstand en ontwikkelingsstoornis 16.3.2 Alarmsignalen 267 16.3.3 Risicofactoren 267 Belang van vroegtijdige onderkenning 269

266

17 17.1 17.2

Ontwikkelingsstoornissen en problemen 270 Inleiding 271 Indelingen van stoornissen bij kinderen en jongeren 271 17.2.1 Kinderen die aandacht nodig hebben 271 17.2.2 Stoornissen bij kinderen en jongeren 273 17.3 Leerstoornissen 274 17.3.1 Lees- en spellingsproblemen 274 17.3.2 Schrijfproblemen 275 17.3.3 Rekenproblemen 276 17.4 Communicatiestoornissen 277 17.5 Motorische stoornissen 278 17.6 Autismespectrumstoornissen 278 17.7 Aandachtsstoornissen 279 17.7.1 Aandachtsstoornissen in combinatie met andere stoornissen 17.8 Gedragsstoornissen 280 17.8.1 Gedragsproblemen 281 17.8.2 Oorzaken van gedragsproblemen 282 17.9 Tics en spanningsklachten 282 17.10 Stemmingsstoornissen 283

1 14

280


17.11 Angststoornissen 284 17.11.1 ReĂŤle en niet-reĂŤle angst 284 17.11.2 Faalangst 285 17.12 Eetstoornissen 285 17.12.1 Anorexia nervosa 286 17.12.2 Boulimia 286 17.12.3 Behandeling bij eetstoornissen 286 17.13 Verslavingen 287 17.13.1 Alcoholverslaving 288 17.14 Hoogbegaafdheid 288 17.14.1 Problemen op school 288 17.14.2 Onderpresteren en gebrek aan motivatie 17.14.3 Verkeerde diagnose 289 18 18.1 18.2 18.3

18.4

18.5

18.6

18.7

18.8

19 19.1 19.2

289

Sociale problematiek 290 Inleiding 291 Wat is sociale problematiek? 291 18.2.1 Achterstandssituaties 291 Kenmerken van sociale problematiek 292 18.3.1 Het probleem is maatschappelijk bepaald 292 18.3.2 Het treft meerdere mensen in de maatschappij 293 18.3.3 Vaak het gevolg van een achterstelling in de maatschappij 18.3.4 Niet gemakkelijk op te lossen 293 18.3.5 Vergroot risico op allerlei andere problemen 293 18.3.6 Overdracht van ouders op kinderen 294 Armoede 294 18.4.1 Oorzaken van armoede 295 18.4.2 Gevolgen van armoede 295 Werkloosheid 296 18.5.1 Oorzaken van werkloosheid 296 18.5.2 Gevolgen van werkloosheid 296 Echtscheiding 297 18.6.1 Oorzaken van echtscheiding 297 18.6.2 Gevolgen van echtscheiding 297 Vluchtelingen 297 18.7.1 Oorzaken van vluchten 298 18.7.2 Gevolgen van vluchten 299 Huiselijk geweld 299 18.8.1 Oorzaken van huiselijk geweld 300 18.8.2 Gevolgen van huiselijk geweld 301 Activiteiten en spel 302 Inleiding 303 Handelingsplan is uitgangspunt 303 19.2.1 Signaleren, observeren en rapporteren

1 15

303

293


19.3

Emotionele ondersteuning 304 19.3.1 Gevoel van eigenwaarde versterken 304 19.3.2 Gebruikmaken van beloningen 305 19.4 Regels, structuur en routine 305 19.4.1 Structuur in de dagindeling 306 19.4.2 Structuur in de ruimte 306 19.4.3 Structuur in de omgang en begeleiding 307 19.5 Verlengde instructie 307 19.6 Specifieke aandachtspunten bij leerstoornissen 308 19.6.1 Volgen van de ontwikkeling met het leerlingvolgsysteem 308 19.6.2 Gebruik maken van protocollen 308 19.6.3 Begeleiden van educatieve activiteiten bij leerstoornissen 309 19.7 Specifieke aandachtspunten bij ASS 310 19.7.1 Tips voor het begeleiden van educatieve activiteiten bij ASS 310 19.7.2 Tips voor het begeleiden van sport- en spelactiviteiten bij ASS 310 19.8 Specifieke aandachtspunten bij aandachtstoornis 311 19.8.1 Tips voor het begeleiden van educatieve activiteiten bij aandachtsstoornis 311 19.8.2 Tips voor het begeleiden van sport- en spelactiviteiten bij aandachtsstoornis 312 19.9 Specifieke aandachtspunten bij gedragsstoornissen en gedragsproblemen 313 19.10 Specifieke aandachtspunten bij hoogbegaafdheid 314 19.10.1 Compacten en verrijken 314 19.10.2 Plusklas 315 Begrippen

316

Register

321

Illustratieverantwoording

327

1 16


1 1


1 THEMA

Inleiding ontwikkeling en activiteiten Kern

Verschillende soorten activiteiten Er zijn verschillende soorten activiteiten, zoals creatieve activiteiten, sport- en spelactiviteiten en educatieve activiteiten. Creatieve activiteiten passen goed bij kinderen, omdat kinderen een natuurlijke drang hebben om dingen te ontdekken. Een sport- en spelactiviteit is vaak een bewegingsactiviteit. Het is belangrijk voor kinderen en jongeren om veel bewegingsactiviteiten te doen. In expressieve activiteiten laten kinderen en jongeren iets van zichzelf zien, van wie zij zijn en van wat zij voelen, denken, willen en vinden.

Als pedagogisch werker houd je je veel bezig met het bedenken, organiseren en begeleiden van activiteiten. Dat doe je met een reden: je stimuleert er de ontwikkeling van kinderen en jongeren mee. Er zijn verschillende soorten activiteiten, met verschillende doelen. Kinderen en jongeren ondernemen natuurlijk ook zelf activiteiten die belangrijk zijn voor hun ontwikkeling. Inleiding in de ontwikkelingspsychologie De menselijke ontwikkeling verloopt in fasen en is een proces van groeien, rijpen en leren. Door aanleg- en omgevingsfactoren verloopt de ontwikkeling per individu verschillend. Mensen kunnen hierbij zelf invloed uitoefenen op hun ontwikkeling door eigen keuzes te maken. Het draait echter zeker niet alleen om eigen keuzes; de eigen aanleg en omstandigheden hebben een grote invloed op de ontwikkeling.

Spel en ontwikkeling Een kind moet spelen om zich te kunnen ontwikkelen. Bij een baby zie je veel functiespel: hij is bewegend bezig met zijn eigen lichaam en met voorwerpen. Bij peuters ontwikkelt zich imitatiespel, waarin de fantasie een belangrijke rol speelt. Hoe ouder het kind, hoe ingewikkelder zijn constructiespel. Bij sociaal spel leren kinderen een taakverdeling te maken, zich aan spelregels te houden en tegen verlies te kunnen. Digitaal spel is tegenwoordig bij veel kinderen en jongeren favoriet. Hoewel leerzaam, is het belangrijk erop te letten dat een kind niet alleen maar gamet.

Inleiding activiteiten Mensen hebben vaste activiteiten nodig om hun tijd zinvol door te komen. Bij vrije activiteiten staat het plezier en de ontspanning voorop. Ontwikkelingsgerichte activiteiten zijn gericht op de brede ontwikkeling van het kind. Ze zijn dus doelgericht. Een pedagogisch werker heeft een belangrijke rol bij ontwikkelingsgerichte activiteiten.

1 19


1 Over ontwikkelingspsychologie Saskia werkt als leidster op peuterspeelzaal Pippeloen. Het is de eerste dag na de vakantie en stipt om half negen komen de eerste kinderen binnendruppelen. Eerst is daar Dennis. De anders zo stoere Dennis kijkt onwennig om zich heen en houdt de hand van zijn vader angstvallig vast. ‘Dag Dennis, wat leuk dat je er weer bent.’ Saskia hurkt bij Dennis, maar Dennis kijkt schuw naar de grond en kruipt weg achter zijn vader. Eerst maar wat laten bijkomen, bedenkt Saskia. Achter Dennis staat Amer te trappelen van ongeduld. Amer is een Syrisch jongetje van oorsprong. Zo te zien heeft Amer geen last van onwennigheid. ‘Halo joef’, roept Amer. ‘Oto. Speel.’ Weg is Amer. Saskia hoopt dat Amer in de vakantie niet teveel is teruggevallen wat betreft zijn taalontwikkeling. Voor haar staan dan Merel en Karlijn, een eeneiige tweeling, met hun moeder. Ze hebben allebei een bosje bloemen in hun handen. ‘Wat lief van jullie’, roept Saskia spontaan als Merel haar de bloemen geeft. Onbewust reikt ze al naar de bloemen van Karlijn, maar deze is niet van plan de bloemen weg te geven. ‘Nee, jij mag ze niet’, zegt Karlijn. ‘Heb ik gekoopt, ze zijn van mij.’ Ze stopt de bloemen achter haar rug. Saskia moet lachen om de eigenwijze opmerking van Karlijn. ‘Typisch iets voor Karlijn, overal dwars tegenin.’ Wat een verschil toch tussen die twee, denkt ze. Je zou nooit denken dat het een eeneiige tweeling is.

1 20


1

1.1

Inleiding

waren er twee grote richtingen. De ene groep dacht dat een kind een onbeschreven blad was, dat je alles kon en moest leren door middel van straffen en belonen. De andere groep dacht dat kinderen mini-volwassenen waren. Zij gingen ervanuit dat als je kinderen maar goed te eten gaf en ze in een gezonde omgeving liet opgroeien, de ontwikkeling wel vanzelf zou gaan.

Kinderen verschillen van elkaar. Volwassenen ook. Geen mens is hetzelfde. Als je erover nadenkt, verwonder je je er misschien wel over dat er zo’n acht miljard mensen op deze planeet leven en dat ieder mensen een eigen ontwikkeling doormaakt. Toch zijn mensen niet 100 procent verschillend van elkaar. Er zijn ook veel overeenkomsten tussen mensen. Zeker als ze dezelfde leeftijd hebben of dezelfde omstandigheden delen. Ook Saskia, de pedagogisch medewerker in de praktijksituatie, merkt de verschillen en overeenkomsten op. In je toekomstige baan werk je met kinderen. Het is belangrijk dat je rekening houdt met hun ontwikkeling. Waar mogelijk stimuleer je die ontwikkeling. Het aanbieden van activiteiten is een van de belangrijkste manieren waarop je de ontwikkeling van kinderen kunt stimuleren. Het is dan belangrijk te weten hoe de ontwikkeling van mensen verloopt.

1.2.1

Belangrijke ontwikkelingspsychologen

Pas in de 20e eeuw zijn geleerden goed gaan kijken naar de ontwikkeling van de mens vanaf de geboorte tot de dood. In het begin was er vooral veel aandacht voor de kinderfase, pas later kwam er ook aandacht voor volwassenen en ouderen. Een belangrijke ontwikkelingspsycholoog was Jean Piaget (1896-1980). Piaget was de eerste ontwikkelingspsycholoog die zich verdiepte in de verstandelijke ontwikkeling bij kinderen. Hij kwam erachter dat kinderen pas op een bepaalde leeftijd eraan toe zijn om een bepaald iets te leren. Een andere belangrijke ontwikkelingspsycholoog was Erik Erikson (1902-1994). Hij beschreef de verschillende stadia in de psychosociale ontwikkeling en maakte duidelijk dat in ieder stadium een bepaald conflict centraal staat. Zo gaat het in de babytijd om vertrouwen tegenover wantrouwen en in de puberteit om identiteit tegenover rolverwarring. De baby moet leren geven en krijgen. De puber moet leren zichzelf te zijn. In Nederland is momenteel Rita Kohnstamm (1937) een belangrijke ontwikkelingspsychologe. Zij is auteur van belangrijke en veelgelezen boeken over de ontwikkelingspsychologie bij kinderen en jongeren. Tegenwoordig zijn er specialisaties binnen de ontwikkelingspsychologie in opkomst, zoals de gerontopsychologie. De gerontopsychologie is een mix van psychologie en gerontologie. Gerontologie is de wetenschap die de ouder wordende mens bestudeert.

Dit hoofdstuk behandelt de volgende onderwerpen: • korte geschiedenis van de ontwikkelingspsychologie; • ontwikkelingspsychologie; • ontwikkelingsfasen; • ontwikkelingsaspecten; • ontwikkelingsfactoren; • voorwaarden voor ontwikkeling.

1.2

Over ontwikkelingspsychologie

Korte geschiedenis van de ontwikkelingspsychologie

Het denken over de sociale en geestelijke veranderingen die de mens in de loop van zijn leven ondergaat, is al heel oud. Al zo’n 400 jaar voor Christus dachten en schreven filosofen over dit onderwerp. Vanaf de 17e eeuw zijn de ideeën over de opvoeding en ontwikkeling van kinderen in hoog tempo veranderd. In eerste instantie

1 21


Inleiding ontwikkeling en activiteiten

1.3.1

Gerontopsychologie richt zich op de ervaring en het gedrag van de ouder wordende mens. Ontwikkelingspsychologie wordt tegenwoordig ook wel levenslooppsychologie of levensfasepsychologie genoemd.

1.3

Hoe mensen zich ontwikkelen

Ontwikkelen wil zeggen dat er sprake is van een verandering. Die verandering kan een vooruitgang of verbetering inhouden, maar kan ook krimp, achteruitgang en afbraak inhouden. Wanneer sprake is van vooruitgang, dan zijn drie processen verantwoordelijk voor deze vooruitgang: 1 groeiprocessen: dit is de lichamelijke groei die het gevolg is van celdeling; 2 leerprocessen: dit is het verwerven van theoretische, praktische en sociaal-emotionele kennis en vaardigheden; 3 rijpingsprocessen, kortweg rijping: dit is het ‘ergens aan toe zijn’, je bent eraan toe om wel of niet iets te leren.

Ontwikkelingspsychologie, wat is dat?

In het begrip ontwikkelingspsychologie liggen twee woorden besloten, namelijk: ontwikkelen en psychologie. De psychologie houdt zich bezig met alles wat de mens doet. Het gaat daarbij om de vraag waarom iemand iets doet, waarom iemand zich op een bepaalde manier gedraagt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de volgende vragen. Waarom gaan sommige jongeren vroegtijdig van school zonder een diploma? Waar worden mensen overspannen van? Waarom raakt de een wel verslaafd en de ander niet? Wat bepaalt of mensen naar iemand luisteren?

Uiteraard hangen deze drie manieren van ontwikkelen met elkaar samen. Het is belangrijk om te weten dat je de groei en het vermogen om te leren wel van buitenaf kunt beïnvloeden, maar dat je geen invloed hebt op rijpingsprocessen. Door voeding groeit een kind in lengte en gewicht, daar heb je invloed op. Door kinderen voor te lezen, leren ze nieuwe woorden. En wanneer ze voldoende ruimte krijgen om te spelen, leren ze ook veel. Je hebt dus ook invloed op het leren. Met rijping of rijpingsprocessen bedoelen we dat je er op een gegeven moment aan toe bent om iets te kunnen. Zo is een zesjarige meestal ‘rijp’ om te leren lezen. Een kind van vier jaar niet. Rijping kun je dus niet versnellen. Wel kun je de voorwaarden scheppen om deze rijping mogelijk te maken.

Psychologie is de wetenschap die het menselijk gedrag bestudeert.

Binnen de psychologie kunnen talloze vragen gesteld worden. De algemene psychologie is daarom opgedeeld in een aantal specialisaties, bijvoorbeeld arbeidspsychologie, sociale psychologie, neuropsychologie en beroepskeuzepsychologie. Ook de ontwikkelingspsychologie is zo’n specialisatie.

1.3.2 Ontwikkelingspsychologie is de wetenschap die het gedrag bestudeert van de mens in de verschillende fasen van zijn ontwikkeling.

Het begrip ontwikkelingsfasen

Binnen de ontwikkeling van de mens kunnen we verschillende ontwikkelingsfasen onderscheiden.

1 22


1

Over ontwikkelingspsychologie

doen we uitspraken over ‘de baby’, ‘de puber’ en ‘de oudere’: mensen verschillen ook altijd veel van elkaar. We geven aan wat algemeen gangbaar is bij een normale ontwikkeling. Bijvoorbeeld: over het algemeen zal een kind met ongeveer tien maanden zijn eerste woordje zeggen. Maar er zijn ook kinderen die dat pas doen als ze vijftien maanden, anderhalf jaar of ouder zijn. Het ene kind belandt ook veel eerder in de puberteit dan het andere kind.

Een ontwikkelingsfase is een periode in het leven van de mens die te onderscheiden is van andere perioden. Bij deze periode horen bepaalde kenmerkende gedragingen.

De ontwikkelingspsychologie houdt zich bezig met de totale ontwikkeling van de mens, dat wil zeggen vanaf de conceptie (bevruchting) tot aan de dood. Deskundigen discussiëren daarbij wel over welke periodes er zijn te onderscheiden in het leven van de mens. Wij hanteren de volgende gangbare indeling: • ongeboren kind (prenatale fase: 40 weken) • baby (0-18 maanden) • peuter (18 maanden-4 jaar) • kleuter (4-6 jaar) • schoolkind (6-12 jaar) • puber (12-17 jaar) • adolescent (17-25 jaar) • volwassene (25-67 jaar) • oudere mens (67 jaar en ouder)

1.3.3

Ontwikkelingstaken

In elke ontwikkelingsfase is sprake van ontwikkelingstaken.

Een ontwikkelingstaak is een stap die ieder kind (0-19 jaar) in zijn ontwikkeling moet nemen om een stap verder te komen in die ontwikkeling.

Ontwikkelingstaken borduren dus op elkaar voort. Door een kind of jongere taken en activiteiten aan te bieden die hij nét nog niet aankan, help je hem verder te komen in zijn ontwikkeling.

1 Voorbeelden van ontwikkelingstaken

• Een baby moet eerst leren zitten en dan optrekken en staan, pas daarna kan hij leren lopen. • Een kind moet eerst een veilige relatie met de opvoeder opbouwen, voordat hij goed kan omgaan met leeftijdsgenoten. • Een kind moet eerst in staat zijn letters te herkennen, voordat hij kan leren lezen. In het begin kan het kind alleen eenvoudige zinnen lezen als ‘de vis in de kom’ en ‘de haan in het hok’; het lezen van woorden met meerdere lettergrepen lukt pas later.

Figuur 1.1 Bij elke ontwikkelingsfase horen eigen, specifieke gedragingen

Voor de ontwikkelingsfase van de baby is het bijvoorbeeld kenmerkend dat de baby leert lopen en zijn eerste woordjes leert. Voor de fase van de oudere mens is kenmerkend dat de werking van de zintuigen achteruitgaat. Ook al delen we het leven van de mens in fasen in, en

1 23


Inleiding ontwikkeling en activiteiten

1.4

Ontwikkelingsaspecten

(de ontwikkeling van de beweging) en de zintuiglijke ontwikkeling (de ontwikkeling van de zintuigen zoals het zien en het horen). Wat betreft de motoriek kun je onderscheid maken tussen de grove en de fijne motoriek. Onder de grove motoriek verstaan we de grove bewegingen van lichaamsdelen (armen en benen). Onder de fijne motoriek verstaan we fijne bewegingen, uitgevoerd met de handen en voeten.

Wanneer je je verdiept in de ontwikkeling van de mens, dan is het handig om uit te gaan van verschillende deelaspecten binnen die ontwikkeling: de ontwikkelingsaspecten. Een eenvoudige indeling is de indeling in lichamelijke, sociale en geestelijke ontwikkeling. Aan zo’n indeling heb je niet genoeg als je in de praktijk met mensen gaat werken. Deze indeling in ontwikkelingsaspecten is beter: • lichamelijke ontwikkeling • cognitieve ontwikkeling • sociale ontwikkeling • persoonlijkheidsontwikkeling • emotionele ontwikkeling • seksuele ontwikkeling

Cognitief aspect Met de cognitieve ontwikkeling van de mens bedoelen we de verstandelijke ontwikkeling. Denk aan de ontwikkeling van het denken en het geheugen, maar ook aan de taalontwikkeling. Bij de taalontwikkeling gaat het om de manier waarop een kind zich ontwikkelt wat betreft woordbegrip én taalgebruik. Taal en denken hangen namelijk nauw met elkaar samen: zonder taal (woorden) ben je niet in staat

Lichamelijk aspect Bij de lichamelijke ontwikkeling van de mens gaat het om de lichamelijke groei of achteruitgang van de mens, de motorische ontwikkeling

Figuur 1.2 Veel kinderen oefenen graag hun motorische vaardigheden

1 24


1

tot denken. Maar ook: zonder denken ben je niet in staat tot taal (spreken).

Over ontwikkelingspsychologie

Persoonlijkheidsaspect Bij persoonlijkheidsontwikkeling gaat het om de vorming van de eigen identiteit, de eigen aard. Ook de ontwikkeling van de eigen wil, de eigen opvattingen (normen en waarden) en de ontwikkeling van het zelfbeeld vallen onder de persoonlijkheidsontwikkeling.

Sociaal aspect Onder sociale ontwikkeling verstaan we de ontwikkeling in de omgang van de mens met andere mensen, de ontwikkeling van empathie (inlevingsvermogen) en de ontwikkeling van sociaal gedrag. Met sociaal gedrag bedoelen we dat iemand in staat is rekening met anderen te houden en niet alleen aan zichzelf denkt. De band tussen de ouders/opvoeders en het kind en de omgang van het kind met leeftijdsgenootjes zijn van groot belang voor de sociale ontwikkeling.

Emotioneel aspect Onder emotionele ontwikkeling verstaan we de ontwikkeling van gevoelens van (basis)vertrouwen en veiligheid. Belangrijke vragen hierbij zijn: hoe ontwikkelen deze gevoelens zich, en onder welke voorwaarden kunnen deze gevoelens zich ontwikkelen? De emotionele ontwikkeling hangt nauw samen met de sociale ontwikkeling. Dat wordt duidelijk in het woord sociaal-emotionele ontwikkeling. De emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling hangen zeker ook met elkaar samen. Seksueel aspect De seksuele ontwikkeling omvat de ontwikkeling van seksueel gedrag, de ontwikkeling van lichaams- en lustbeleving en ontwikkeling van waardering voor het eigen lichaam. Ook gaat het om het ontwikkelen van het bewustzijn dat je een meisje of jongen bent en je daarnaar gedragen (of niet). De seksuele ontwikkeling hangt nauw samen met de lichamelijke ontwikkeling, maar ook met de persoonlijkheidsontwikkeling.

Figuur 1.3 Sociaal gedrag moet zich ontwikkelen

Tabel 1.1 Aspecten van ontwikkeling

Aspecten van de ontwikkeling Lichamelijke ontwikkeling

Lichamelijke groei of achteruitgang, motorische ontwikkeling, zintuiglijke ontwikkeling

Cognitieve ontwikkeling

Verstandelijke ontwikkeling, taalontwikkeling, ontwikkeling van denken en geheugen

Sociale ontwikkeling

Ontwikkeling van de omgang van de mens met andere mensen, de ontwikkeling van empathie (inlevingsvermogen) en de ontwikkeling van sociaal gedrag

Persoonlijkheids-ontwikkeling

Vorming van eigen identiteit, ontwikkeling van de eigen wil, de eigen opvattingen en de ontwikkeling van het zelfbeeld

Emotionele ontwikkeling

Ontwikkeling van gevoelens van (basis)vertrouwen en veiligheid

Seksuele ontwikkeling

Ontwikkeling van seksueel gedrag, ontwikkeling van lichaams- en lustbeleving, ontwikkeling van waardering voor eigen lichaam, ontwikkelen van het bewustzijn dat je een meisje of jongen bent en je daarnaar gedragen (of niet)

1 25

Ontwikkeling en activiteiten PW  

Ontwikkeling en activiteiten PW theorieboek maakt deel uit van de serie Traject Welzijn.

Ontwikkeling en activiteiten PW  

Ontwikkeling en activiteiten PW theorieboek maakt deel uit van de serie Traject Welzijn.