Page 1

hbo De verpleegkundige in het ziekenhuis Deel 2

Redactie: Dominique Roeffen Joke Zoet-Lavooi


Colofon ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs,

Auteurs Susan Hol Jos Kaldenhoven Nienke Lokhorst Ellen Moerman Barbara Peels Dominique Roeffen Sandra Verbeek Patricia Willemsen Joke Zoet-Lavooi Irene Zollinger

Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Onderwijs. Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16 ISBN 978 90 06 95255 1 Eerste druk, eerste oplage, 2012 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij

Inhoudelijke redactie Dominique Roeffen Ton Vermeij Joke Zoet-Lavooi

elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen

Ontwerp Binnenwerk: DeltaHage, Den Haag

te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

2

1201705_binnenwerk.indd 2

10-04-12 13:36


Inhoud Woord vooraf Deel 1

OriĂŤntatie op de zorgcategorieĂŤn 1 Graviditeit, partus en kraambed 1.1 De kraamzorg in Nederland 1.2 Visie op de kraamzorg in Nederland 1.3 Samenwerking in de kraamzorg 1.4 Ethische kwesties 1.5 De zorgvraag 2 Kinderen en jongeren 2.1 Intramurale zorgsetting 2.2 Extramurale zorgsettings 2.3 Transmurale en semi-murale zorg 3 De ontwikkeling van zuigeling tot volwassene 3.1 De ontwikkeling van (gezonde) kinderen en jongeren 3.2 Kinderen en jongeren met gezondheidsproblemen 3.3 Kinderen en jongeren met een chronische ziekte, aandoening of handicap 4 De verpleegkundige in de kraamzorg in het ziekenhuis 4.1 Kraamzorg door verpleegkundigen 4.2 Specifieke beroepshouding 5 De verpleegkundige in de zorg voor kinderen en jongeren 5.1 Beroepsprofiel van de kinderverpleegkundige 5.2 Professionalisering en specialisatie 5.3 Ethische vraagstukken 6 Het verpleegproces in de zorg voor kinderen en jongeren 6.1 Vaststellen van de benodigde zorg en de planning 6.2 Uitvoeren van de zorg 6.3 Rapporteren en evalueren 6.4 Preventie en voorlichting geven 7 Verpleegkundige competenties in de zorg voor kinderen en jongeren 7.1 Kennis 7.2 Vaardigheden 7.3 Persoonlijke eigenschappen 7.4 Beroepshouding

8 11 12 13 13 16 17 18 30 31 36 37 40 41 50 52 56 57 60 66 67 68 70 74 75 77 85 86 88 89 92 93 94

3

1201705_binnenwerk.indd 3

10-04-12 13:36


Deel 2

CategorieĂŤn van zorgvragers 1 Verpleegkundige zorg bij graviditeit 1.1 De gezonde graviditeit 1.2 Fertiliteitsstoornissen 1.3 Bloedverlies in het begin van de zwangerschap 1.4 Bloedverlies in de tweede helft van de graviditeit 1.5 Hypertensie tijdens de zwangerschap 1.6 Negatieve discongruentie 1.7 Premature weeĂŤn en vroeggeboorte 1.8 Infecties en hun invloed op de zwangerschap 1.9 Seksueel overdraagbare aandoeningen 1.10 Diabetes gravidarum Verwerkingsopdracht 2 De pathologische partus 2.1 Het inleiden van de partus 2.2 Toediening van analgetica tijdens de partus 2.3 Afwijkende liggingen van de foetus 2.4 De kunstverlossing 2.5 Afwijkingen aan de placenta, de navelstreng en het vruchtwater 2.6 Perinatale sterfte Verwerkingsopdracht 3 De verpleegkundige zorg voor de kraamvrouw met complicaties 3.1 Complicaties door de partus: hechtingen 3.2 Fluxus post partum 3.3 Complicaties in het kraambed 3.4 Infecties in het kraambed 3.5 Psychische problemen in het kraambed 3.6 Aangepaste zorg Verwerkingsopdrachten 4 Verpleegkundige zorg voor de gezonde pasgeborene 4.1 Vlak na de partus 4.2 De verpleegkundige zorg 4.3 Voeding 4.4 Ondersteuning tijdens de kraamperiode Verwerkingsopdracht

97 98 99 99 103 108 113 116 118 120 122 124 127 128 129 133 135 138 142 147 150 152 153 156 157 160 166 167 172 174 175 180 186 188 191

4

1201705_binnenwerk.indd 4

10-04-12 13:36


5 Verpleegkundige zorg voor de zieke pasgeborene 5.1 Prematuur, dysmatuur, macrosoom en serotien geboren kinderen 5.2 Pathologische icterus 5.3 Pasgeborenen met verworven afwijkingen 5.4 Pasgeborenen met aangeboren afwijkingen 5.5 Begeleiding van ouders van de zieke pasgeborene Verwerkingsopdracht 6 Verplegen van kinderen die kortdurend worden opgenomen 6.1 De kinderafdeling 6.2 Voorbereiding 6.3 De opname 6.4 Gezondheidsproblemen bij zuigelingen 6.5 Gezondheidsproblemen bij de peuter en kleuter Verwerkingsopdracht 7 Verplegen van kinderen die langdurig worden opgenomen 7.1 Opeenvolgende settings 7.2 Gezondheids- en bestaansproblemen van zuigelingen 7.3 Gezondheids- en bestaansproblemen van peuters en kleuters 7.4 Gezondheids- en bestaansproblemen van basisschoolkinderen 7.5 Gezondheids- en bestaansproblemen van adolescenten 7.6 Kinderen met een handicap 7.7 De begeleiding van de ouders Verwerkingsopdrachten 8 Verplegen van kinderen met leefregels 8.1 Leefregels en hun invloed 8.2 Het verplegen van kinderen met leefregels 8.3 Leefregels bij aangeboren of verworven afwijkingen 8.4 Leefregels bij voedselintolerantie en voedselallergie 8.5 Anorexia nervosa en boulimia nervosa Verwerkingsopdracht 9 Ge誰soleerd verplegen van zieke kinderen 9.1 Vormen van ge誰soleerd verplegen 9.2 Infectieziekten 9.3 Verplegen van kinderen in isolatie Verwerkingsopdracht 10 Verplegen van kinderen met een bewegingsbeperking 10.1 Kinderen met een permanente bewegingsbeperking 10.2 Kinderen met een kortdurende bewegingsbeperking Verwerkingsopdracht

192 193 200 202 206 213 215 218 219 219 220 222 226 235 238 239 241 244 246 248 250 250 252 254 255 256 259 264 266 270 272 273 277 281 285 286 287 297 303

5

1201705_binnenwerk.indd 5

10-04-12 13:36


11 Verplegen van kinderen na vergiftiging 11.1 Vergiftiging 11.2 Handelen bij vergiftiging 11.3 Ouderbegeleiding 11.4 Preventie van vergiftiging Verwerkingsopdrachten 12 Verplegen van kinderen met een chronische ziekte 12.1 Kinderen met een chronische ziekte 12.2 Zorg voor kinderen met een chronische ziekte 12.3 Ziektebeelden 12.4 Verpleegkundige zorg 12.5 Begeleiding van ouders Verwerkingsopdracht

304 305 308 311 312 314 316 317 317 318 327 330 333

Literatuur

334

Verklarende woordenlijst

338

Register

355

6

1201705_binnenwerk.indd 6

10-04-12 13:36


7

1201705_binnenwerk.indd 7

10-04-12 13:36


Woord vooraf Je hebt een opleiding gekozen voor een geweldig en fascinerend beroep: verpleegkundige. Je zult te maken krijgen met ontzettend veel mensen, die in talloze opzichten van elkaar verschillen. Je gaat ze helpen, ondersteunen, verzorgen bij allerlei aandoeningen. Eerst ontwikkel je algemene kennis over alle patiënten- en cliëntencategorieën, daarna ga je je richten op specifieke categorieën. In het in maart 2012 gepresenteerde Beroepsprofiel verpleegkundige zijn verschillende ontwikkelingen geschetst in de maatschappij en in de verpleegkundige beroepsuitoefening. Wat daarin opvalt zijn de tegenstellingen. Deze bijvoorbeeld: de zorg wordt steeds meer persoonsgericht, maar tegelijkertijd ook zakelijker en meer gestandaardiseerd. Verpleegkundigen richten zich op de behoeften en vragen van de individuele patiënt, maar moeten ook zo efficiënt mogelijk werken, de kosten in de hand houden en gebruikmaken van wetenschap. Nog een tegenstelling: van een verpleegkundige wordt zowel generalistische als specialistische kennis en vaardigheid verwacht. In alle settings is behoefte aan verpleegkundigen die veel weten over alles, maar ook aan verpleegkundigen die de diepte in gaan met specifieke expertise, bijvoorbeeld op het gebied van oncologie, neonatologie, diabetes of forensische psychiatrie. In het beroepsprofiel wordt ook duidelijk dat taakverschuiving van arts naar verpleegkundig specialist - naar verpleegkundige - naar zorgkundige door blijft gaan. De oude domeingrenzen vervagen en verpleegkundigen focussen zich steeds meer op de complexe zorgsituaties. Dit alles betekent dat verpleegkundigen een zeer brede kennis- en vaardigheidsbasis moeten bezitten. Bovendien moeten ze evidence-based leren werken. De in 2011 door het Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde ontwikkelde Body of Knowledge and Skills benadrukt dat nog eens. ThiemeMeulenhoff heeft een serie studieboeken ontwikkeld die daar naadloos op aansluit: De verpleegkundige in het ziekenhuis 1 – Verplegen van volwassenen in het ziekenhuis De verpleegkundige in het ziekenhuis 2 – De obstetrie en het verplegen van kinderen en jongeren De verpleegkundige in de geriatrie De verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg De verpleegkundige in de zorg voor chronisch zieken Deze boeken bieden de gedegen kennisbasis waarvan vaak al bij het stagelopen verwacht wordt dat je erover beschikt. Een belangrijk kenmerk van de boeken is dat steeds ingegaan wordt op beide kanten van de eerder geschetste tegenstellingen: persoonsgerichtheid en standaardisering. Dit is een kenmerk van evidence-based werken: je maakt gebruik van het beste beschikbare bewijs en van de in je instelling beschikbare expertise, maar je richt je

8

1201705_binnenwerk.indd 8

Deel

10-04-12 13:36


ook op de persoon van de patiënt. Je raadpleegt richtlijnen en protocollen, maar kunt er in individuele gevallen op een verantwoorde manier van afwijken. Elk boek bevat twee delen: Deel 1: een compacte introductie van de zorgsetting en de verpleegkundige. Hiermee krijg je inzicht in de zorgcategorie en de positie en taken van de verpleegkundige, het verpleegproces, de coördinatie en de zorg voor kwaliteit. Deel 2: hoofdstukken met uitgebreide beschrijvingen van verschillende categorieën van zorgvragers. In dit deel ligt het accent op de directe zorgverlening. De inhoud van de hoofdstukken is volledig evidence-based en put uit actuele landelijke richtlijnen en zorgprogramma’s. Van deel 2 wordt elk hoofdstuk afgesloten met een of meer opdrachten ter verdieping of verbreding. Bijvoorbeeld een kwaliteitszorgopdracht, een opdracht tot klinisch redeneren bij een casus, een argumentatieopdracht of een opdracht tot beantwoording van een PICO-vraag. De verpleegkundige in het ziekenhuis - 2 De obstetrie en het verplegen van kinderen en jongeren De verpleegkundige zorg voor moeder en kind tijdens en na de bevalling in het ziekenhuis is een vak apart. Niet alleen de gezondheidsproblemen waar je mee te maken krijgt maken het bijzonder, maar ook de emoties waarmee zwangerschap, bevalling en geboorte gepaard gaan. Zeker in pathologische situaties is er vaak sprake van angst en verdriet, maar ook van enorme blijdschap als het toch goed is gegaan. ‘Een vak apart’… dat geldt net zo goed voor de zorg aan kinderen en jongeren. Denk bijvoorbeeld aan de problemen die kinderen kunnen ondervinden bij het omgaan met bewegingsbeperkingen of jongeren met opgelegde leefregels. Volwassen hebben meestal wel voldoende aan een korte instructie of een advies, maar bij kinderen en jongeren is het een hele uitdaging om ze te motiveren tot het zich houden aan regels, ook al is het voor hun herstel of gezondheid. Wij wensen je veel succes bij je opleiding en loopbaan als verpleegkundige.

Deel

1201705_binnenwerk.indd 9

9

10-04-12 13:36


Deel 1 Oriëntatie op de zorgcategorieën Zwangerschap en bevalling zijn gebeurtenissen waar geluk, blijheid, angst, bezorgdheid en verdriet heel dicht bij elkaar komen. De zwangerschap wordt door de meeste vrouwen ervaren als een gelukkige en verwachtingsvolle periode, maar ook speelt steeds de vraag of het allemaal wel goed zal gaan. Er hoeft maar iets te gebeuren of er is angst. Dit geldt in nog sterkere mate voor de bevalling. Als je nagaat wat er allemaal fout kan gaan en hoe klein de factoren zijn waar dat van afhangt, kun je je oprecht verwonderen over het feit dat het meestal gewoon goed gaat. Als er sprake is van pathologie is in de meeste gevallen ziekenhuiszorg geboden. We hebben het dan over een pathologische zwangerschap of bevalling, complicaties tijdens het kraambed en pasgeborenen met een ziekte of complicaties. Maar ook als er niets aan de hand lijkt te zijn, geven veel vrouwen en echtparen er de voorkeur aan de bevalling in het ziekenhuis te laten plaatsvinden, waar snel ingegrepen kan worden als er wél iets misgaat. De zorgcategorie kinderen en jongeren vertoont een grote diversiteit aan subcategorieën. In de eerste plaats heb je te maken met een groot aantal leeftijdsklassen: peuters, kleuters, schoolkinderen en adolescenten. In de laatste leeftijdsklasse kun je de tieners nog als een aparte groep onderscheiden. Elk van die ontwikkelingsfasen heeft zijn eigen kenmerken en vereist een andere benadering. Dat geldt voor de manier waarop je communiceert met het kind, voor wat je aan het kind zelf overlaat en wat je voor hem doet, de mate van overleg en niet in de laatste plaats voor wat je de ouders van het kind vertelt. Door het bestuderen van deel 1 kun je je oriënteren op algemene kenmerken van deze verschillende zorgcategorieën, alvorens in deel 2 dieper in te gaan op de specifieke aspecten van het verplegen.

Deel 1

1201705_binnenwerk.indd 11

11

10-04-12 13:36


1

Graviditeit, partus en kraambed

Graviditeit (zwangerschap) wordt wel eens de ‘gezonde ziekte’ genoemd. Er is immers niet echt sprake van ziekte. Graviditeit en geboorte zijn ‘gewone’, gezonde gebeurtenissen. Wel zijn er allerlei lichamelijke en psychische veranderingen. En ook gaat er wel eens iets mis. In dat geval komt de gezondheidszorg, onder andere in de persoon van de verpleegkundige, om de hoek kijken. Als verpleegkundige kun je in het ziekenhuis bij zowel de graviditeit, de partus als de kraamtijd betrokken zijn, op de polikliniek, de afdeling verloskunde en de afdeling neonatologie. De zorg in het ziekenhuis behoort bij het grotere geheel van de kraamzorg. Dit hoofdstuk geeft je een beeld van de omvangrijke keten die de kraamzorg in Nederland is, alvorens dieper in te gaan op de pathologische situaties waarbij ziekenhuiszorg nodig is.

12

1201705_binnenwerk.indd 12

Deel 1

10-04-12 13:36


1.1 De kraamzorg in Nederland Nog niet zo lang geleden wist een vrouw die voor het eerst zwanger was (primi gravida) niet goed wat haar te wachten stond. Als de partus begon, stonden ervaren vrouwen uit haar omgeving haar bij en de aanstaande vader wachtte op de gang totdat het kind geboren was. Er werden veel kinderen geboren, maar de omstandigheden waaronder deze kinderen werden geboren waren vaak heel slecht. Daarom stierven veel moeders en kinderen tijdens het kraambed. Inmiddels hebben kennis over hygiĂŤne en medische en verpleegkundige inzichten ervoor gezorgd dat complicaties tijdens graviditeit, partus en kraambed tegenwoordig tot een minimum zijn beperkt. Kraamzorg is de zorg voor moeder en kind vanaf de zwangerschap tot de eerste dagen daarna. Kraamzorg bestaat onder meer uit assistentie bij de graviditeit en partus, verzorging van moeder en kind, vroege signalering van afwijkingen bij moeder of kind, voorlichting en advisering tijdens de graviditeit over de partus en verschillende vormen van kraamzorg tijdens en na de partus, voorlichting en instructie rondom de verzorging van het kind en eventueel assistentie bij huishoudelijke taken. Het systeem van kraamzorg zoals het in Nederland is geregeld, is uniek binnen westerse culturen. In de Nederlandse cultuur beschouwen de meeste mensen de graviditeit, partus en het kraambed niet als iets pathologisch, hoewel sommige mensen het wel zien als iets dat risicovol is. In elk geval is kraamzorg in Nederland niet per definitie zorg die binnen een klinische setting gegeven wordt. Het is een systeem waarin verantwoorde zorg wordt verleend en waarbij de zorgvrager zo veel mogelijk in haar eigen omgeving wordt verzorgd, zowel tijdens de graviditeit, als tijdens de partus of het kraambed.

1.2 Visie op de kraamzorg in Nederland In Nederland zijn er verschillende opvattingen over hoe de kraamzorg eruit moet zien. Dit komt mede doordat er verschillende culturen binnen Nederland zijn die allemaal hun eigen gewoonten rondom de kraamzorg kennen. Deze opvattingen worden beĂŻnvloed door vorderingen in de medische wetenschap, door financieel-economische aspecten en door demografische ontwikkelingen. In deze paragraaf vind je een overzicht van de verschillende opvattingen, de algemene visie en de culturele verschillen rondom de kraamzorg in Nederland. 1.2.1 Verschillende opvattingen De verschillende opvattingen in Nederland betreffen veelal de keuze voor een partus thuis of een poliklinische partus, de vraag of pijnbestrijding bij de partus wenselijk is en de vraag of kunstvoeding of borstvoeding beter is.

Deel 1

1201705_binnenwerk.indd 13

13

10-04-12 13:36


Thuis of (poli)klinisch bevallen Net als op andere gebieden in de gezondheidszorg wordt de zorgvrager in de kraamzorg mondiger. Mensen worden kritischer, willen de geboorte van hun kind tot in detail plannen en gaan desnoods verschillende kraamklinieken en verloskundepraktijken af om te kijken waar en op welke manier ze hun kinderen ter wereld willen brengen. Vrouwen stellen hogere eisen aan zichzelf en aan de omgeving waarin hun kinderen worden geboren. Een ziekenhuis heeft te maken met een toenemende concurrentie van andere klinieken en zal zich sterk bezighouden met het verhogen van de kwaliteit van zorg en het vergroten van de mogelijkheden voor gravida, barenden, kraamvrouwen en pasgeborenen. De kraamzorg in Nederland is zo georganiseerd dat ongecompliceerde partussen thuis kunnen plaatsvinden. Het aantal thuispartussen neemt al jaren af. In 2008 vond 29% van de bevallingen thuis plaats. Het systeem in Nederland is erop gericht graviditeit en partus als iets natuurlijks te zien. Daarom moet deze ook op een zo natuurlijk mogelijke wijze plaatsvinden. Onder een natuurlijke – ofwel fysiologische – partus wordt verstaan: een vaginale partus waar geen enkel hulpmiddel aan te pas komt (dus ook geen pijnbestrijdingsmiddel). Van een kunstmatige partus spreek je als er wél een hulpmiddel aan te pas komt – dus van het zetten van een episiotomie of het drukken op de uterus tot een sectio caesare. Vooral Nederlandse verloskundigen bepleiten een natuurlijke wijze van bevallen, het liefst bij de gravida thuis, in haar eigen omgeving. Het zorgnetwerk voor bevallen in de thuissituatie is in Nederland dan ook uitgebreid geregeld. Thuis bevallen kent voor- en tegenstanders. Voorstanders voeren onder meer de volgende standpunten aan: de prettige, ontspannen sfeer in de eigen omgeving; de andere kinderen kunnen gewoon thuisblijven en direct na de geboorte kunnen ze hun nieuwe broertje of zusje zien. Tegenstanders hebben onder meer de volgende standpunten: een thuisbevalling geeft veel ‘rommel’; mocht er onverhoopt iets misgaan, dan kost het relatief veel tijd voordat er medisch kan worden ingegrepen. Gemiddeld worden er in Nederland 200.000 kinderen per jaar geboren, van wie zo’n 20% op medische indicatie in het ziekenhuis. Verder bevalt er een steeds grotere groep binnen een andere setting dan thuis, niet klinisch maar poliklinisch: de verplaatste thuisbevalling. Doordat steeds meer mensen in de huidige samenleving inzicht hebben in en gebruikmaken van moderne mogelijkheden zoals pijnbestrijding, zie je steeds meer zorgvragen naar een klinische setting komen. Een poliklinische partus kent volgens voorstanders de volgende voordelen: er kan bij complicaties snel worden ingegrepen; het kan de gravida en haar partner een veilig gevoel geven.

14

1201705_binnenwerk.indd 14

Deel 1

10-04-12 13:36


De tegenargumenten zijn: er wordt soms onnodig of te snel ingegrepen met de hulpmiddelen die voorhanden zijn; klinisch en poliklinisch bevallen is relatief duur. Pijnbestrijding Waar in het buitenland, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, vaak de opvatting heerst dat pijn niet meer hoeft en waar standaard analgetica durante partu worden gebruikt, wordt dat in Nederland doorgaans niet nodig bevonden. De meeste verloskundigen en verpleegkundigen proberen de angst voor pijn bij de zorgvragers zo veel mogelijk weg te nemen, omdat volgens hen het natuurlijke proces van bevallen beter is. De barende zou dan namelijk beter in staat zijn om op de juiste momenten en op een goede manier te persen. Kunstvoeding of borstvoeding Gezien vanuit biologisch, medisch en psychologisch perspectief biedt borstvoeding een kind de beste start in het leven. Het is wetenschappelijk bewezen dat borstvoeding de beste voeding is voor baby’s. Baby’s die geen borstvoeding krijgen, hebben aantoonbaar verhoogde kansen op het krijgen van allerlei ernstige en minder ernstige ziekten en aandoeningen, waaronder sommige soorten kanker, wiegendood, diabetes, stoornissen in de spijsvertering, luchtwegaandoeningen, allergieÍn en middenoorontsteking. Wat dus beter is, kunstvoeding of borstvoeding, is al lang geen discussie meer. Soms is er geen andere mogelijkheid, bijvoorbeeld als de baby allergisch is voor de moedermelk of als er geen of te weinig voedingsstoffen in de moedermelk zitten. Dan wordt er gebruikgemaakt van voeding op basis van koemelk. 1.2.2 Verschillende culturen Nederland heeft een multiculturele bevolking. Een culturele achtergrond bepaalt de gewoonten rondom voeding, geloofsovertuiging en bijvoorbeeld ook rond zwangerschap en geboorte. Enkele voorbeelden van andere dan de Nederlandse gewoonten zijn: Er zijn culturen waarbij een gravida geen strobreed in de weg mag worden gelegd; de gravida moet alles kunnen doen waar zij zin in heeft. Alleen dan krijgt het kind wat het nodig heeft, zo wordt gedacht. Het komt voor dat de gravida pas aan het einde van haar graviditeit een verloskundige of een arts bezoekt, omdat ze niet bekend is met de prenatale controles zoals die in ons land worden gedaan. In sommige culturen wordt er voorafgaand aan de partus niets voor de baby gekocht. Pas als het kind gezond en wel geboren is, mag de babyuitzet worden aangeschaft. De placenta en de navelstomp hebben voor ouders vaak een speciale waarde. De placenta wordt bijvoorbeeld begraven in de tuin als voedingsbodem voor een boom. Het navelstompje heeft bij sommige culturen een beschermende werking. De schoongemaakte navelklem wordt vaak bewaard uit emotionele overwegingen.

Deel 1

1201705_binnenwerk.indd 15

15

10-04-12 13:36


1.3 Samenwerking in de kraamzorg De kraamzorg is in ons land ingewikkelder dan in enig ander land. Bij de kraamzorg zijn veel gediplomeerde hulpverleners betrokken, zowel medische als verpleegkundige, die vaak met elkaar samenwerken. De partus kan thuis, in het ziekenhuis, in een kraamcentrum of in een kraamhotel plaatsvinden. 1.3.1 Taakverdeling Voor de fysiologische partus verlenen in beginsel de verloskundige of de huisarts hulp. De gynaecoloog treedt op bij pathologie of mogelijk te verwachten pathologie. Bij de normale partus en het normale kraambed kan, naast de verloskundige, hulp worden geboden door een verpleegkundige of een kraamverzorgende.

post partum

kraamzorghotel

16

1201705_binnenwerk.indd 16

De verloskundige De taken van de verloskundige lopen vanaf de eerste controle tot en met de partus en het kraambed. Officieel wordt het kraambed zes weken post partum afgesloten. De verloskundige stelt tijdens de graviditeit vast in hoeverre er complicaties te verwachten zijn. Daarvoor is er een lijst met indicaties die precies beschrijft in welk geval overleg tussen de verloskundige en de gynaecoloog moet plaatsvinden, in welke gevallen de gravida naar de gynaecoloog wordt doorverwezen en in welke gevallen de verloskundige zelf de zorg voor de gravida op zich neemt. Bij een fysiologische graviditeit en partus is de verloskundige dus degene die bepaalt wat er gebeurt. Uiteraard is de gravida, barende of kraamvrouw ook erg bepalend in het verloop van de graviditeit, partus en kraamtijd, maar de verloskundige heeft de leiding. De verloskundige voert ook alle controles uit en kan soms aan de kraamverpleegkundige of kraamverzorgende de opdracht geven een van haar taken over te nemen. De kraamverpleegkundige en kraamverzorgende Kraamcentra zijn er in vele vormen. Er zijn thuiszorgorganisaties die veelal worden gefinancierd door de ziektekostenverzekeraar. Maar er zijn ook veel particuliere kraamcentra en kraamzorghotels. In een kraamcentrum werken kraamverpleegkundigen en kraamverzorgenden. Zij assisteren bij de partus en zorgen voor moeder en kind gedurende een aantal dagen post partum. Het verschil in taken tussen de kraamverpleegkundige en de kraamverzorgende is dat de verpleegkundige ook verpleegtechnische handelingen kan uitvoeren. Zij kan dus een aantal taken van de verloskundige overnemen, zoals de tensie meten, de hielprik geven, een infuus prikken en medicijnen toedienen per injectie, terwijl de kraamverzorgende zich meer toelegt op de verzorging van moeder en kind. Een belangrijke taak van de verpleegkundige en de verzorgende is de voorlichting. Tijdens de zwangerschap geven verpleegkundigen vaak voorlichting aan zwangeren op speciale voorlichtingsavonden of zwangerschapscursussen. Tijdens het kraambed geven de kraamverpleegkundige en de kraamverzorgende

Deel 1

10-04-12 13:36


veel begeleiding en voorlichting over het kraambed, de verzorging van de baby en het geven van borstvoeding. Gynaecoloog en obstetrieverpleegkundige Als een gravida, barende of kraamvrouw een medische indicatie heeft, zal de zorg binnen een klinische setting worden uitgevoerd. In academische of perifere ziekenhuizen werken gynaecologen samen met verpleegkundigen. De gespecialiseerd obstetrieverpleegkundige (of O&G-verpleegkundige) ondersteunt de gynaecoloog met verpleegtechnische handelingen.

1.4 Ethische kwesties abortus

Hoe ver kunnen we gaan in de medische wetenschap? Wat is ethisch verantwoord en wat niet? Aan de orde van de dag zijn onderwerpen als genderonderzoek, abortus en zwangerschap bij mensen met een verstandelijke beperking. In deze paragraaf staan de huidige ontwikkelingen en regels rondom deze onderwerpen beschreven. 1.4.1 Genderonderzoek Genderonderzoek is onderzoek naar het geslacht van het ongeboren kind. Als ouders een vruchtwaterpunctie laten doen, kan de arts hun bij de uitslag met zekerheid informatie verschaffen over het geslacht van het kind. Het geslacht van het ongeboren kind is in sommige gevallen van groot belang. Er zijn ernstige ziekten die geslachtsgebonden zijn. EĂŠn ouder of beide ouders kunnen drager zijn van een ziekte die bijvoorbeeld voor jongetjes een zeer slecht verloop kan hebben. Voor deze ouders is het van belang om een kind van het vrouwelijke geslacht te wensen. Soms zijn er ook andere overwegingen. Sommige ouderparen hebben een uitgesproken voorkeur voor een bepaald geslacht. Zij hebben bijvoorbeeld al twee zonen en willen nu graag een meisje. Of ze hebben een dochter en willen graag dat het tweede kind weer een dochter is. Het komt ook voor dat ouders een stamhouder willen hebben. Het krijgen van een zoon is voor hen van groot belang. Een genderkliniek biedt behandelingen aan die de kans vergroten op de geboorte van een kind met een vooraf bepaald geslacht. Geslachtskeuze op niet-medische gronden is zeer omstreden. Artsen proberen zaadcellen naar geslacht te onderscheiden, waardoor het via kunstmatige inseminatie mogelijk wordt te kiezen voor een jongen of een meisje. Ouderparen die op medische gronden de voorkeur hebben voor een jongen of een meisje kunnen terecht bij het Academisch Ziekenhuis Utrecht. 1.4.2 Abortus Een zwangerschap is niet altijd gewenst. Er kunnen verschillende redenen zijn die een zwangere ertoe brengt om de zwangerschap af te laten breken. Mogelijke redenen voor een abortus provocatus zijn:

Deel 1

1201705_binnenwerk.indd 17

17

10-04-12 13:36


De vrouw is zwanger geraakt na een verkrachting. Het is bewezen dat de foetus een ernstige afwijking heeft. De vrouw ziet geen kans het kind een redelijke toekomst te bieden. Wat voor de ene vrouw een goede reden is om te kiezen voor een abortus, is voor de andere vrouw absoluut geen reden. Dat is heel persoonlijk. Het beëindigen van de zwangerschap is geregeld in de Wet Afbreking Zwangerschap. In deze wet worden de voorwaarden beschreven waaraan moet worden voldaan voordat de arts abortus provocatus mag uitvoeren. Deze voorwaarden zijn: De arts moet in het gesprek met de zwangere zorgvuldig nagaan of de vrouw werkelijk een abortus wil. De zwangere moet altijd minimaal vijf dagen bedenktijd krijgen. De abortus mag alleen in een abortuskliniek worden uitgevoerd als de vrucht niet ouder is dan 13 weken of, als de zwangere aan extra eisen voldoet, tot 22 weken zwangerschap. In een ziekenhuis mag de abortus tot een zwangerschap van 24 weken worden uitgevoerd. Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan men in Nederland op legale wijze een abortus laten verrichten. 1.4.3 Zwangerschap bij mensen met verstandelijke beperkingen Begin 2004 heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid gezegd dat mensen met een verstandelijke beperking moeten worden ontmoedigd om kinderen te krijgen als ze die niet zelfstandig kunnen opvoeden. Zij wil met een speciale richtlijn vaststellen of zij in staat zijn tot ‘verantwoord ouderschap’. In een reactie noemt de directeur van de Landelijke Federatie Belangenvereniging Onderling Sterk het betreurenswaardig dat de staatssecretaris zo veel nadruk legt op de tekortkomingen van mensen met een verstandelijke beperking. Dat (weer) mensen met een verstandelijke beperking aan voorwaarden moeten voldoen om een kind te krijgen, vindt hij een vorm van discriminatie. Daarnaast constateert hij dat de staatssecretaris ingaat tegen het advies van de Gezondheidsraad. Het mag duidelijk zijn dat de discussie of mensen met een verstandelijke beperking kinderen mogen krijgen, nog volop aan de gang is. Er zijn voor- en tegenstanders, maar vooralsnog kunnen mensen met een verstandelijke beperking kinderen krijgen in Nederland.

1.5 De zorgvraag De graviditeit verloopt met de lichamelijke en psychische ongemakken die erbij horen. Zo ook de partus en de kraamtijd. De zorg van de verpleegkundige kan verschillen per fase. De fase waarin de zorgvrager zich bevindt, bepaalt namelijk zijn zorgvraag. In het algemeen

18

1201705_binnenwerk.indd 18

Deel 1

10-04-12 13:36


Deel 2 Categorieën van zorgvragers In deel 2 wordt dieper ingegaan op verschillende ‘categorieën van zorgvragers’, van vrouwen met een pathologische zwangerschap tot en met kinderen met een chronische ziekte. We hebben hierin niet de ziektebeelden centraal gesteld, maar de zorgvragers; de kinderen en jongeren. Hoewel er heel wat aandoeningen bestaan die alleen of vooral bij kinderen voorkomen gaat het in de zorg voornamelijk om wat de kinderen zelf ervaren. Een ziekte met een moeilijke naam zegt een kind niet zo veel, maar wel dat hij in zijn beweging beperkt is, niet mag knuffelen met zijn moeder, zich aan strenge regels moet houden, nare onderzoeken moet ondergaan of dat hij pijn heeft. Voor een verpleegkundige zijn dit de zorgaspecten waar ze zich op richt. In elk hoofdstuk worden aandoeningen beschreven, de oorza(a)k(en), de diagnostiek en de behandeling. Vervolgens wordt ingegaan op de verpleegkundige zorg. Dat wil zeggen de verpleegkundige zorg die aansluit op de medische diagnostiek en/of behandeling en de zorg die beoogt ondersteuning te bieden bij de gezondheids- en bestaansproblemen die samenhangen met de aandoening. Elk hoofdstuk eindigt met een verwerkingsopdracht, die je kunt doen om je de materie eigen te maken, en/of deze te koppelen aan andere kennis of vaardigheden. Het zijn competentiegerichte opdrachten, ook in déze betekenis: ze doen een beroep op eigenschappen die hbo-verpleegkundigen in de praktijk nodig hebben, zoals initiatief nemen, keuzes kunnen maken, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. De meeste van deze opdrachten kun je zowel individueel, in tweetallen als met een groep uitvoeren.

Deel 2

1201705_binnenwerk.indd 97

97

10-04-12 13:36


11

Verplegen van kinderen na vergiftiging

Elk jaar belanden duizenden kinderen van nul tot twaalf jaar op de Spoedeisende Hulp of bij de huisarts met een vergiftiging. Ongeveer 2300 kinderen worden vervolgens in het ziekenhuis opgenomen. Per jaar overlijden drie kinderen door vergiftiging. Dit zijn jonge kinderen die per ongeluk iets hebben ingenomen, maar ook jongeren die geĂŤxperimenteerd hebben met drank of drugs komen in het ziekenhuis terecht. Ook dat kan dodelijk zijn. Er zijn meerdere middelen waarmee een kind vergiftigd kan raken. Elk middel vraagt een eigen aanpak. Belangrijk is dus te weten wat het kind heeft ingenomen. Een verkeerde behandeling kan de gevolgen van een vergiftiging juist verergeren. En zelfs in onze ogen onschuldige middelen kunnen grote gevolgen hebben. Als verpleegkundige kun je in aanraking komen met vergiftigde kinderen. Dit zijn bijvoorbeeld kinderen die van de afdeling Spoedeisende Hulp op de verpleegafdeling terechtkomen. Het is dan belangrijk dat je weet wat je wel en niet moet doen. Elke soort vergiftiging vergt een andere aanpak en behandeling. Een goede observatie en rapportage van het kind en zijn ziekteverschijnselen helpen de arts de juiste diagnose te stellen. In dit hoofdstuk zullen verschillende vergiftigingen bij kinderen en de verschijnselen daarvan aan bod komen. Ook komt aan de orde hoe te handelen bij vergiftigingen. De verschillende middelen waarmee een kind vergiftigd kan raken, worden kort besproken.

304

1201705_binnenwerk.indd 304

Deel 2

10-04-12 13:37


11.1 Vergiftiging

RIVM

Vergiftiging wil zeggen dat er contact is geweest met een stof die schadelijk is voor het lichaam en zelfs de dood tot gevolg kan hebben. De meeste vergiftigingen vinden in en rond het huis plaats. Veel ouders zullen, als ze ontdekken dat hun kind een schoonmaakmiddel of pillen tot zich genomen heeft, de huisarts overslaan en zich in paniek direct naar de Spoedeisende Hulp van een ziekenhuis haasten. Het is van het grootste belang dat de verpleegkundige die hen daar opvangt de juiste vragen stelt, waardoor zo min mogelijk tijd verloren gaat. De gegevens die zij wil krijgen zijn de leeftijd van het kind, het gewicht, het vermoedelijke tijdstip van de vergiftiging en de reactie van het kind, het middel en de vermoedelijke hoeveelheid. Heeft het kind na de vergiftiging gebraakt, verloor het zijn bewustzijn of kreeg het meteen uitslag? Als ouders met hun kind naar de EHBO-post komen, doen zij er verstandig aan het vermoedelijke middel mee te nemen. De huisarts of eerstehulparts kan het RIVM raadplegen over de te volgen behandeling. Vergiftigingsongevallen komen vooral bij jonge kinderen voor. Zij hebben geen benul van het gevaar en stoppen alles in hun mond, ook als de smaak vies is. Dat is hun manier van de omgeving verkennen. En omdat ze zo klein zijn, kunnen de kleinste hoeveelheden al schadelijk zijn. Bij kleine kinderen gaat het bijna altijd om onbewust gedrag. Bij jongeren is vergiftiging vaak het gevolg van experimenteren met drank en drugs. 11.1.1 Kinderen Kleine kinderen nemen giftige middelen onbewust tot zich. Het is dus echt een ongeluk. Het kind weet niet wat de gevolgen kunnen zijn van zijn actie. Er zijn verschillende categorieĂŤn van schadelijke stoffen. De grootste, belangrijkste categorieĂŤn zijn: medicijnen; bijtende producten; petroleumachtige producten; giftige planten. Medicijnen Medicijnen zien er voor kinderen vaak uit als snoepjes. Vele drankjes en pillen hebben een felle kleur. Zeker drankjes die speciaal voor kinderen bedoeld zijn, ruiken vaak erg zoet en hebben een felle, vrolijke kleur. De kinderdrankjes worden zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt voor de kinderen die ze moeten slikken. Daarbij komt dat het kind vaak te horen krijgt dat het van de medicijnen moet afblijven, waardoor het extra spannend wordt. De schade die een medicijn kan aanrichten is afhankelijk van het soort medicijn en de hoeveelheid. Enkele voorbeelden: Paracetamol: kan een ernstige beschadiging van de lever veroorzaken. Aspirine: kan stollingsstoornissen en maagbloedingen veroorzaken. Ibuprofen: heeft hetzelfde effect als aspirine. Ibuprofentabletten zijn felroze van kleur, dus extra aantrekkelijk voor kinderen.

Deel 2

1201705_binnenwerk.indd 305

305

10-04-12 13:37


Kalmeringstabletten: kunnen slaperigheid veroorzaken bij kinderen en bij hogere doseringen hersenschade veroorzaken. Deze tabletjes zijn vaak erg klein en dus makkelijk in te nemen. Codeïne: zit in veel hoestdrankjes voor volwassenen. Dit is een middel dat licht verdovend werkt. Een klein slokje kan er bij een klein kind al voor zorgen dat het stopt met ademen. Bijtende producten Voorbeelden van bijtende producten zijn ammonia, toiletreiniger en ontstoppingsproducten. Bij inname kunnen deze middelen verbranding van de slokdarm en keel veroorzaken. Deze producten zijn ook schadelijk voor de ogen en de huid. Petroleumachtige producten Onder petroleumachtige producten vallen onder andere wasbenzine, lampenolie, terpentine en meubelolie. Bij inname kan er een kleine hoeveelheid in de longen komen en dat veroorzaakt een chemische longontsteking. Bij een lage dosering treden meestal alleen maagdarmproblemen op, zoals diarree en overgeven. Overgeven vergroot in zo’n geval echter wel weer de kans op een chemische longontsteking. Bij een hoge dosering (meer dan één milliliter per kilogram lichaamsgewicht) kan er schade ontstaan aan het centraal zenuwcentrum. Giftige planten Tal van gewone (kamer)planten zijn giftig, en tegelijk aantrekkelijk voor kinderen. Bijvoorbeeld een plant die rode besjes draagt. Als een kind na het eten van een plant ziek wordt, is het erg belangrijk dat de ouders de arts of verpleegkundige op de Spoedeisende Hulp kunnen vertellen om welke plant het gaat. Desnoods nemen ze de plant waar het kind vermoedelijk van gegeten heeft mee. 11.1.2 Jongeren Op steeds jongere leeftijd beginnen kinderen met drugs en alcohol te experimenteren. Alcohol Er zijn vele drankjes op de markt die eruit zien als limonade, ruiken en smaken als limonade, maar een hoog percentage alcohol bevatten. Ondanks alle maatregelen en voorlichtingscampagnes neemt het gebruik nog steeds toe. Volgens het Trimbos-instituut krijgen kinderen van ouders ook steeds eerder alcohol aangeboden. Zelfs op de leeftijd van tien à elf jaar geven de ouders al alcoholhoudende dranken aan hun kind. Jongeren zijn echter nog niet gewend aan alcohol, waardoor zij eerder dan volwassenen vergiftigingsverschijnselen kunnen krijgen. Bovendien hebben zij een lager lichaamsgewicht dan een volwassene. Hierdoor zijn de effecten van alcohol sterker. Bij een vergiftiging met alcohol kan de jongere nauwelijks nog op zijn benen staan, hij kan gaan braken en zelfs het bewustzijn verliezen. Soms moeten jongeren opgenomen worden in het ziekenhuis in verband met een ‘alcohol-

306

1201705_binnenwerk.indd 306

Deel 2

10-04-12 13:37


coma’, de jongere is dan gemiddeld drie uur buiten bewustzijn (www.trimbos.nl, december 2011). Uit de HBSC-studie in 2009 (www.trimbos.nl, december 2011) blijkt dat in groep acht van de basisschool jongens al wat vaker ervaring hebben met alcohol dan meisjes (35% versus 22%). In het voortgezet onderwijs hebben ongeveer evenveel meisjes (64%) als jongens (67%) ooit alcohol gedronken. Meer jongens dan meisjes geven aan meer dan tien glazen te drinken tijdens een weekenddag (12% versus 7%). Op zestienjarige leeftijd gaf 58% van de jongens en 39% van de meisjes aan ooit wel eens dronken te zijn geweest. In 2009 vonden er 887 ziekenhuisopnames plaats onder kinderen van zestien jaar of jonger vanwege aan alcohol gerelateerde problematiek. Drugs In Nederland wordt een onderscheid gemaakt tussen soft- en harddrugs. Softdrugs zijn de licht bedwelmende producten van de cannabisplant: hasj en marihuana. Deze middelen worden vooral gerookt, het zogeheten blowen. In Nederland wordt dit gedoogd, dat wil zeggen dat het in de wet nog wel strafbaar is, maar in de praktijk wordt het niet bestraft. Er zijn wel beperkingen. Eén persoon mag niet meer dan 30 gram in zijn bezit hebben en hij mag niet meer dan vijf cannabisplanten in zijn bezit hebben. Een coffeeshop mag niet meer dan 5 gram per keer aan één persoon verkopen. Jongeren onder de achttien jaar zijn wel strafbaar als zij in het bezit zijn van softdrugs. Het is nog niet duidelijk in welke mate deze middelen verslavend en schadelijk zijn. Harddrugs zijn drugs met een groter risico voor de gezondheid. Voorbeelden hiervan zijn XTC en andere partydrugs, heroïne, cocaïne en LSD. Deze middelen zijn verboden. Onder jongeren zijn vooral de partydrugs erg in trek. Een groot probleem bij partydrugs is dat het uitdroging kan veroorzaken. Deze drugs worden vaak ingenomen op feesten waar het al erg warm is, waardoor het vochtverlies extra snel optreedt. Bovendien zijn er niet zelden pillen in omloop die de dood tot gevolg kunnen hebben. Ook een combinatie van drugs (en eventueel alcohol) kan een dodelijke afloop hebben. De pillen bevatten soms een te hoge dosering van het werkzame middel of ze bevatten andere stoffen die veel gevaarlijker kunnen zijn. In 2008 werd de verkoop van paddo’s verboden, waardoor het aantal vergiftigingen door paddo’s is gedaald. Sinds 2009 is er wel een stijging te zien in het aantal vergiftigingen met de partydrugs GHB en GBL (www.rivm.nl, december 2011). GHB (GammaHydroxyButyraat) is van oorsprong een slaapmiddel waarvan je in een roes raakt. Het werkt ontspannend en maakt je vrolijk. Er is een groot risico op bewusteloosheid en ernstige ademhalingsproblemen met soms de dood tot gevolg. De drug is zeer verslavend en afkicken is erg moeilijk. Toch is het een populaire drug omdat het relatief goedkoop is en makkelijk zelf te maken. Op internet staan zelfs recepten om GHB te maken. Het gebruik van GHB komt onder scholieren relatief weinig voor, slechts 1% heeft hiermee kennis gemaakt. Jongeren, die clubs en dansfeesten bezoeken, hebben vaker kennis gemaakt met GHB: 14,3% heeft het wel eens gebruikt. (Poel et al., 2010).

Deel 2

1201705_binnenwerk.indd 307

307

10-04-12 13:37


GBL (GammaButyroLactone) is van oorsprong een schoonmaakmiddel en heeft dezelfde effecten als GHB. 11.1.3 Koolmonoxidevergiftiging Een aantal maal per jaar belanden er kinderen in het ziekenhuis met koolmonoxidevergiftiging. Koolmonoxide wordt ook wel de sluipmoordenaar genoemd, het is een reukloos, kleurloos, niet irriterend gas dat vrijkomt bij de onvolledige verbranding van hout, gas en kolen. Koolmonoxide hecht zich aan de rode bloedcellen in het bloed in plaats van zuurstof. Als de ruimte niet goed geventileerd is, stapelt dit gas zich op en langzaam krijgen de personen in de ruimte last van hoofdpijn, duizeligheid en later braakneigingen. Als de personen in de ruimte blijven, dan zullen zij het bewustzijn verliezen en na een tijdje overlijden. Er ontstaat zuurstofgebrek in de vitale organen, zoals het hart, lever en hersenen. Kinderen zijn hier eerder het slachtoffer van dan hun ouders. De symptomen worden vaak aangezien als een beginnende griep, vooral omdat griep en koolmonoxidevergiftiging dezelfde piekperiode hebben in de winter. De behandeling bestaat in eerste instantie uit het geven van zuurstof. Er zijn koolmonoxidemelders voor huiselijk gebruik om vergiftiging te voorkomen (www. rijksoverheid.nl, december 2011).

11.2 Handelen bij vergiftiging Bij inname van alcohol, drugs, tabak, medicijnen en giftige planten is het bewustzijn van het kind vaak verlaagd. Kinderen reageren niet of nauwelijks op prikkels, ze kunnen vaak niet meer lopen en spreken wartaal. Het kind oogt suf en slaperig. Soms kan het buiten bewustzijn raken. Een rode huid en hevige pijnen, ademhalings- en slikproblemen en brandwonden op de lippen en in de mond kunnen duiden op een vergiftiging met reinigingsmiddelen, ontkalkingsmiddelen en bleekmiddelen. Soms treden er bloedingen op in de mond, keelholte en slokdarm. Bij vergiftiging met waspoeder en afwasmiddelen heeft het kind pijn in de maag en darmen, moeilijkheden met ademhalen en brandwonden op de lippen, tong en gehemelte. 11.2.1 Handelen bij kinderen Verschillende soorten vergiftigingen vereisen verschillende behandelingen. Voordat de arts gaat behandelen is het erg belangrijk te weten wat het kind heeft ingenomen. Daarnaast wil de arts weten hoeveel het kind van de giftige stof opheeft, hoeveel tijd er is verstreken tussen inname en het contact met de arts, of het kind nog gegeten of gedronken heeft en wat het gewicht van het kind is. Een belangrijk criterium voor het handelen bij kinderen is de mate van bewustzijn.

308

1201705_binnenwerk.indd 308

Deel 2

10-04-12 13:37


Onderneem de volgende acties als een kind tabak heeft gegeten of een giftige plant: Maak de mond van het kind leeg. Verwijder eventuele resten. Geeft een kind dat nog kan drinken eerst water en laat het dan braken. Braken opwekken kan door een vinger in de keel te steken of de steel van een lepel of vork langs de huig te bewegen. Laat een kind dat niet voldoende bewust is om te drinken nooit braken. Het kind loopt dan de kans op een longontsteking als het braaksel de maag inloopt. Op de Spoedeisende Hulp brengt de verpleegkundige een dikke maagsonde in en de arts spoelt de maag met actieve kool. De actieve kool bindt zich aan de giftige stof.

antidotum

Soms schrijft de arts een laxeermiddel voor om ervoor te zorgen dat de achtergebleven giftige resten het lichaam sneller verlaten. De ouders krijgen van de arts en de verpleegkundige uitleg over de handelingen. De ouders zijn bij de hele procedure aanwezig. Zij kunnen het kind troosten en geruststellen. Het kind kan op schoot bij een van de ouders tijdens de handelingen. Als het kind goed bij bewustzijn is, krijgt het uitleg over de handelingen. Het inbrengen van de dikke sonde gaat makkelijker als het kind meewerkt en dat kan alleen als het kind weet wat er gaat gebeuren. Het inbrengen van de sonde via de neus gaat beter als het kind slikt, dus soms kan het kind tijdens het inbrengen bijvoorbeeld op een speen sabbelen of water drinken. Als de sonde via de mond wordt ingebracht kan dit niet. Tijdens het inbrengen van de sonde houdt de verpleegkundige het kind vast. De ouders kunnen hun kind ondertussen geruststellen. De vitale functies van het kind, zoals de ademhaling, hartslag en bloeddruk worden bewaakt door middel van een monitor. Bij kinderen die medicijnen hebben ingenomen is het erg belangrijk de vitale functies (het bewustzijn, de hartactie, de ademhaling en de bloeddruk) in de gaten te houden. Een aantal medicijnen kunnen een ademhalingsstilstand, afwijkingen in het hartritme, epileptische aanvallen of een daling van de bloeddruk veroorzaken. Als deze symptomen optreden, worden ze bestreden met medicijnen. Pas als bekend is waarmee het kind is vergiftigd, kan de oorzaak van de problemen worden weggenomen. Voor een aantal medicijnen is er een tegengif, een zogeheten antidotum. Zo is Naloxon het antidotum van morfine. Bij vergiftiging met alcoholhoudende producten, zoals parfum en drank, krijgt het kind extra suiker toegediend, bijvoorbeeld in de vorm van zoete limonade. Een alcoholvergiftiging kan namelijk leiden tot een hypoglykemie. Bij vergiftiging met bijtende stoffen mag het kind nooit braken. De bijtende stof komt dan nogmaals langs de slokdarm, mond- en keelholte, waardoor het letsel kan verergeren. Deze kinderen moeten veel water of melk drinken waardoor de bijtende stof verdund wordt en minder schadelijk is. Het kind moet zelf kunnen drinken. Als het kind niet genoeg bij bewustzijn is om zelf te drinken, moet het een maagsonde krijgen. Een kind dat een schuimend middel heeft ingenomen, krijgt een ontschuimend middel. Als dat niet voorhanden is, dan krijgt het iets vets, zoals koffiemelk, slagroom, mayonaise, volle melk of een klontje boter. Vet gaat het schuimen tegen. Daarna moet het kind veel water

Deel 2

1201705_binnenwerk.indd 309

309

10-04-12 13:37


drinken als het dat zelf kan. Als dit niet mogelijk is, krijgt het via een maagsonde vocht toegediend. Bij vergiftiging met petroleumachtige producten mag het kind niet braken, omdat het braaksel makkelijk de longen inloopt en dan een chemische longontsteking kan veroorzaken. 11.2.2 Handelen bij adolescenten Drugs en alcohol kunnen ernstige uitdroging veroorzaken. Alcohol onttrekt vocht aan het lichaam. De zogenoemde partydrugs, zoals XTC, ontregelen de temperatuurregulatie, waardoor oververhitting ontstaat. Bovendien dansen de jongeren die ze nemen vaak de hele nacht door en drinken te weinig. Als de oververhitting te erg wordt, kan de jongere overlijden. Een aantal harddrugs en alcohol veroorzaken een hypoglykemie. Een jongere kan door het gebruik van drugs last krijgen van hallucinaties. Hij ziet bijvoorbeeld overal beestjes. Belangrijk is hier niet tegenin te gaan. De jongere denkt deze beestjes echt te zien en niets zal hem ervan overtuigen dat het niet zo is. Na het gebruik van een aantal drugs kan het zijn dat de jongere beestjes onder zijn huid voelt kruipen. Dit zijn de bestanddelen van de drugs die gaan kristalliseren. Als een jongere hallucineert, krijgt hij medicijnen om hem te kalmeren. Observaties De vitale functies kunnen bij vergiftiging door alcohol of harddrugs ernstig verstoord raken. Daarom moet je die functies goed in de gaten houden. De verpleegkundige voert regelmatig controles uit. Soms zal een jongere via een monitor worden bewaakt. Het glucosegehalte moet regelmatig worden bepaald vanwege de kans op hypoglykemie. Behandeling De patiĂŤnt heeft veel extra vocht nodig, in verband met uitdroging, en krijgt daarom een infuus. Via dat infuus wordt er ook extra glucose gegeven. Wanneer bekend is welk middel de patiĂŤnt heeft gebruikt, kan er eventueel een antidotum gegeven worden. Verder worden vooral de symptomen behandeld. Zo kan er bij hallucinaties kalmerende middelen worden gegeven. De ouders Een jongere ziet meestal erg tegen de confrontatie met zijn ouders op. Als verpleegkundige kun je hem of haar adviseren zo eerlijk mogelijk te zijn. Het vertrouwen van de ouders is al beschaamd en als de ouders er later achter komen dat hun kind niet alles heeft verteld, kan het vertrouwen onherstelbaar beschadigd raken. Als de patiĂŤnt het wil, kun je bij het eerste gesprek met de ouders aanwezig zijn. Als het nodig is, kun je daarbij zaken verduidelijken.

310

1201705_binnenwerk.indd 310

Deel 2

10-04-12 13:37


11.3 Ouderbegeleiding Ouders schrikken enorm als hun kind met vergiftigingsverschijnselen wordt opgenomen. Als ouder doe je alles om je kind te beschermen en dan gaat er toch iets mis. Dit kunnen ouders erg moeilijk accepteren. Zij hebben het idee dat hun kind door hun falen in het ziekenhuis is beland. Het blijkt dat meerdere factoren een rol spelen bij het innemen van giftige stoffen door kinderen. Stressvolle gezinssituaties kunnen ertoe leiden dat een kind iets gevaarlijks inneemt. Zo’n situatie kan bijvoorbeeld een ernstige ruzie tussen de beide ouders zijn. Vaak nemen kinderen iets als ze merken dat iedereen druk bezig is. Sommige kinderen hopen zo meer aandacht van hun ouders te krijgen. Bij de ouderbegeleiding is het goed ouders hun gevoelens te laten uiten. Zij voelen zich schuldig en die gevoelens willen ze uiten. De verpleegkundige is meestal de aangewezen persoon om de ouders de ruimte en de tijd te geven hun gevoelens te uiten. De ouders willen vaak uitleggen hoe het kind vergiftigd is geraakt. De ene ouder zal zoeken naar redenen om zichzelf vrij te pleiten, de andere zal juist de schuld op zich nemen. De verpleegkundige oordeelt niet. Het is veel belangrijker ouders advies te geven, zodat ze deze situatie in de toekomst kunnen voorkomen. Er zijn vele situaties in en om het huis denkbaar die gevaar kunnen opleveren: Medicijnen: alle medicijnen moeten opgeborgen zijn op een plek waar het kind niet bij kan. Ook de relatief onschuldige medicijnen, zoals paracetamol, mogen nooit open en bloot ergens liggen. Tabak en alcoholhoudende stoffen: flesjes parfum en andere toiletartikelen staan vaak op een toilettafel waar het kind bij kan. Ook al smaakt iets afschuwelijk, dat zal een kind niet weerhouden van het eten of drinken ervan. Flessen drank moeten op een veilige plek worden neergezet waar kinderen niet bij kunnen en een asbak moet steeds leeggegooid worden. Schoonmaakmiddelen: het moment waarop ouders snel iets gaan halen, terwijl alle schoonmaakmiddelen al klaar staan, is het ideale moment voor het jonge kind om iets uit te proberen. Bovendien zitten schoonmaakmiddelen meestal in vrolijk gekleurde flessen, waardoor de aantrekkingskracht voor kinderen extra groot is. En de kindveilige sluiting is meestal niet zo veilig als ouders denken. Als een kind een aantal keren heeft gezien hoe de sluiting werkt, dan zal hij het zelf na kunnen doen. Giftige planten: ouders kunnen bij een tuincentrum navraag doen welke planten in huis of tuin giftig zijn. Informeer bij de ouders of zij de gifwijzer in huis hebben. Dit is een boekje waarin staat wat de ouders kunnen doen bij een vergiftiging. Deze gifwijzer is te koop bij alle apotheken in Nederland. Ouders van een schoolgaand kind of adolescent worden geconfronteerd met heel andere gevoelens. Zij zijn vaak erg kwaad op hun kind. Zij voelen het verdriet en de angst van de ziekenhuisopname ook, maar zij voelen zich erg bedrogen. Buiten hun medeweten gebruikt

Deel 2

1201705_binnenwerk.indd 311

311

10-04-12 13:37


hun kind drugs of alcohol. Het kost dan ook de nodige tijd het vertrouwen tussen ouders en kind te herstellen.

11.4 Preventie van vergiftiging Een onderdeel van het RIVM, het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC), houdt zich bezig met het voorkomen en registreren van vergiftigingen. Het NVIC is vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week bereikbaar voor hulpverleners die vragen hebben over een mogelijke vergiftiging. Het centrum verstrekt alleen informatie aan hulpverleners. Het NVIC registreert het aantal vergiftigingen over een bepaalde periode. Als zij een ernstige toename zien van een soort vergiftiging, melden zij dit en wordt er actie ondernomen. Er zijn enkele wetten die als doel het voorkomen van vergiftigingen hebben. Zo schrijven de Warenwet en de Wet op de Geneesmiddelen Voorziening voor welke middelen een kindveilige sluiting moeten hebben en welke middelen in bijzondere materialen verpakt moeten worden om lekken te voorkomen. Bovendien kan de regering bepaalde middelen verbieden als deze te veel gevaar opleveren wanneer kinderen de stoffen inslikken. Dat kan bijvoorbeeld speelgoed zijn dat gevaarlijke kleurstoffen bevat. Vaak volgt een wet op het advies van het NVIC. Een van de wetten die betrekking hebben op een veiligere omgeving voor kinderen is het Besluit Kinderveilige Verpakkingen Geneesmiddelen van 24 oktober 1989. In dit besluit staat dat bepaalde medicijnen zoals paracetamol en aspirine niet in grote verpakkingen verkocht mogen worden. In de wachtkamer van de huisarts, het consultatiebureau en andere gezondheidsinstellingen waar ouders met hun kind komen, hangen posters en liggen informatiebrochures waarin staat hoe vergiftiging is te voorkomen. Bij alle apotheken is de gifwijzer te verkrijgen. In de media zijn regelmatig spotjes te zien en te horen die ouders waarschuwen voor het risico van vergiftiging.

312

1201705_binnenwerk.indd 312

Deel 2

10-04-12 13:37


Samenvatting Jaarlijks belanden er kinderen in het ziekenhuis na een vergiftiging. Dit kunnen kleine kinderen zijn die per ongeluk iets hebben ingenomen, maar het kan ook om adolescenten gaan die geĂŤxperimenteerd hebben met drank of drugs. Beide gevallen vragen een andere aanpak. Bovendien verschilt de behandeling per vergiftiging. Een kind dat vergiftigd is, moet je goed observeren. Een kind kan buiten bewustzijn raken of zelfs overlijden. De eerste opvang van het vergiftige kind vindt plaats op de Spoedeisende Hulp. Als het kind stabiel genoeg is, zal het meestal ter observatie worden opgenomen op de kinderafdeling. Een belangrijke taak is het begeleiden van de ouders. Bij een accidentele vergiftiging voelen de ouders zich erg schuldig. Zij hebben het idee dat het hun falen als ouders is waardoor het kind vergiftigd is geraakt. De verpleegkundige is meestal de persoon die de ouders hierin begeleidt. Bij drugs- of alcoholgebruik zijn ouders vaak erg boos op de jongere en teleurgesteld. De jongere heeft de middelen meestal ingenomen zonder medeweten van zijn ouders.

Deel 2

1201705_binnenwerk.indd 313

313

10-04-12 13:37


Verwerkingsopdrachten

Casus 1 Joke is een hardwerkende moeder, die ook thuis graag alles netjes heeft. Ze heeft alle benodigdheden klaar staan om de ramen te gaan zemen. Ze is alleen het krukje vergeten en gaat het even halen uit de andere kamer. Als ze terugkomt ziet ze haar zoon Edwin van drie jaar net een slok nemen van de ammonia. Ze neemt Edwin direct mee naar de SEH.

Opdracht Beschrijf wat de SEH-arts en de verpleegkundige gaan doen.

Casus 2 Het is een mooie zomeravond. Yasmine heeft avonddienst op de kinderafdeling. Als de telefoon gaat, krijgt zij een moeder aan de telefoon die in paniek is: ‘Mijn dochter van drie heeft van de bessenstruik gegeten toen we zaten te barbecuen. Haar mond is helemaal rood van de bessen. Ze ziet er slaperig uit. Help mij, wat moet ik doen?’

Opdracht Welke adviezen kan Yasmine de moeder het beste geven?

Casus 3 Sven van vijftien jaar wordt binnengebracht, nadat hij op een feest is flauwgevallen. Het is ondertussen vijf uur ’s ochtends. De arts vermoedt dat hij XTC heeft gebruikt. Twee vrienden van Sven zijn meegekomen. De arts vraagt hen ernaar, maar zij doen er een beetje lacherig over. De ouders van Sven komen even later aan op de EHBO. Vader is woest, Sven zou met een vriend naar de film gaan en nu ligt hij in het ziekenhuis. Vader hoort uiteindelijk van de vrienden dat ze wat XTC hebben geprobeerd, gewoon voor de lol. Vader is erg boos op de vrienden, maar hij wil vooral weten wat XTC is, wat het met je doet en wat de gevaren zijn. De vader van Sven gaat naar de verpleegkundige toe en vraagt haar om informatie over XTC.

Opdracht Geef uitleg aan de vader van Sven. Hij heeft de volgende vragen: Wat is XTC? Wat is het effect van XTC? Wat zijn de gevolgen van XTC? Is XTC verslavend?

314

1201705_binnenwerk.indd 314

Deel 2

10-04-12 13:37


De verpleegkundige in het ziekenhuis deel 2  

De verpleegkundige in het ziekenhuis deel 2

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you