Page 1


AMSTERDAM

Barbara Laan Esther de Haan Alexander Westra Met bijdragen van Jeroen van den Biggelaar Martijn de Jong Coert Peter Krabbe Meindert Stokroos

INTERIEUR­ PORTRETTEN VAN GRACHTENHUIZEN 1875 —1945

Stokerkade cultuurhistorische uitgeverij Stichting Historische Interieurs in Amsterdam Amsterdam 2017


INHOUD 4 Voorwoord

8 Inleiding

20 Beerputkoorts: de hygiënische 1 revolutie en een veranderend stadsbeeld 122 Uit de kinderjaren van de stofzuiger

24 1

Liever ‘levend’ water dan ‘dood’ water uit de waterleiding

210

Noten

216

Bronnen

219

Lijst van Illustraties

220

Register


42

58

74

90

Huis Fuld-Den Tex Cornelis Outshoorn en Eduard Cuypers

Huis Mezger Coenraad Wiegand

Huis Van Marwijk Kooy Jan Springer

Huis Van Eeghen Dolf van Gendt

104

128

146

162

Huis Rosenthal Isaac Gosschalk

Het Staetshuys Van der Vliet-Borski

Huis Rehbock-Janssen

Huis Caron Franรงois Caron

178

196

Huis Van Ogtrop Karel de Bazel

Advocatenkantoor G.A.H. Grosheide Jacob van der Veen


[11] Het schilderij van de bocht van de Herengracht van Gerrit Adriaensz. Berckheyde uit 1671-1672, met boven een uitsnede met daarop in de kademuren per grachtenhuis de afvoeren zichtbaar.

24


De oude en de nieuwe elite De oude Amsterdamse families koesterden een levensideaal, dat van generatie op generatie werd doorgegeven, waarin de eigen familie voor alles kwam. Het familievermogen ging over via vererving en werd uitgebreid door goede huwelijken te sluiten binnen de eigen kring. In deze ‘erfeniseconomie’ was het vinden van de juiste huwelijkskandidaten cruciaal.17 Naast het afleggen van ‘visites’ en het bezoeken van soirees en diners in de diverse familiehuizen was het uitgaansleven belangrijk voor het ontmoeten van geschikte huwelijkspartners. Het besloten dansgezelschap Het Casino was in Amsterdam het centrum van de huwelijksmarkt gedurende een groot deel van de negentiende eeuw. Het organiseerde allerlei soorten dansfeesten, waaronder de zeer geliefde gekostumeerde bals.18 Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw doofde de populariteit van het elitaire dansgezelschap langzaam uit.19 De nieuwe vrijheid en de mogelijkheden om op eigen kracht hogerop te komen gaven ruim baan aan een andere samenleving, waarin oude en nieuwe families nauwe banden aangingen. Ze woonden bij elkaar in de buurt, liefst in de oude grachtenhuizen. Amsterdamse koopmansfamilies van de zogenaamde ‘eerste coterie’ waren vanouds hervormd en hadden daarmee toegang tot de openbare ambten die hen in de gelegenheid stelden politieke invloed uit te oefenen, zoals de families Van Loon, Six, Dedel, Backer en De Graeff. Dit privilege was niet weggelegd voor andersdenkenden zoals katholieken en doopsgezinde families, en dat is zo gebleven tot aan de invoering van de grondwet van 1848. De niet hervormde, welgestelde koopmansgeslachten die geen bestuurlijke invloed hadden behoorden tot de zogeheten ‘tweede coterie’, waaronder de families Van Eeghen, Van Heukelom, Van Lennep, Den Tex, Boissevain, Sillem, Heldring, Van der Vliet en Luden. [12]

[12] Portret van Christiaan Pieter van Eeghen (18161889), telg uit een oude doopsgezinde familie en vooral bekend geworden als initiatiefnemer en drijvende kracht achter de aanleg van het Vondelpark (1865).

INLEIDING

25


42


HUIS FULD–DEN TEX DOOR CORNELIS OUTSHOORN EN EDUARD CUYPERS

EEN REIS DOOR DE TIJD

Coert Peter Krabbe

Het grachtenhuis Keizersgracht 452, een in het oog springende verschijning op de hoek met het Molenpad, kan bogen op een rijke bouwgeschiedenis. De historische gelaagdheid, die kenmerkend is voor veel grachtenhuizen, vormt een rode draad in dit verhaal, waarbij de nadruk ligt op twee ingrijpende verbouwingen – respectievelijk uit 1860-1861 en vervolgens omstreeks 1895. Daardoor heeft het huis, zowel van binnen als van buiten, een sterk negentiende-eeuwse uitstraling die grotendeels dateert uit de periode van de neostijlen. Toch gaat de geschiedenis ervan aanmerkelijk verder terug. Het huis kwam in 1685 tot stand, in opdracht van een zekere Joannes Vinckel.1

Het stadspaleis van Joannes Vinckel [1] Voorgevel van Keizersgracht 452 na de verbouwing in 1860-1861 door Cornelis Outshoorn.

Op de plek waar het huis in 1685 verrees, stond eerder in de zeventiende eeuw de stadsbeeldhouwerij. Het jaar van oprichting is niet overgeleverd, maar het is

43


56


doorgetrokken, hetgeen de helderheid van de plattegrond ten goede is gekomen. Onder de verlaagde plafonds van de kamers op de eerste verdieping kwamen aan de voorzijde stucplafonds met rijke (midden)ornamenten tevoorschijn, maar in zwaar beschadigde toestand. Van één van deze ornamenten is een mal gemaakt, en vervolgens zijn hiervan drie nieuwe exemplaren afgegoten, die zijn aangebracht onder de oorspronkelijke plafonddecoraties. In de gang op dezelfde verdieping kwam na verwijdering van een verlaagd plafond een bovenlicht met glas in lood in het zicht – waarschijnlijk een restant van de verbouwing door Cuypers. Deze ontving natuurlijk licht dankzij een niet meer aanwezige lichtkoker. Het bovenlicht is door de huidige eigenaar gerestaureerd. Door erboven kunstlicht aan te brengen is het door Cuypers beoogde effect weer te ervaren. Met de restauratie is ook elders in het huis de oorspronkelijke glans van de bewaard gebleven afwerkingen weer opgepoetst. Dat maakt een bezoek aan dit pand, met zijn verscheidene verbouwingsfasen, een fascinerende reis door de tijd.

[16] De (thans verdwenen) linkerachterkamer op de beletage, historische foto van de ‘inglenook’ met schoorsteenpartij.

[17] De rechterzijkamer op de bel-etage, de in de wandbetimmering weggewerkte deur en de trap naar het souterrain.

HUIS FULD-DEN TEX DOOR CORNELIS OUTSHOORN EN EDUARD CUYPERS

57


70


[16] Salon, schilderingen met kinderen die touwtrekken, hoepelen en bellenblazen, van Nicolaas van der Waay en Ernst Witkamp.

betrekking als gymnastiekleraar was Mezger heilig overtuigd van het belang van lichaamsbeweging. Verantwoordelijk voor de schilderingen waren de kunstenaars Nicolaas van der Waay (1855-1936) en Ernst Witkamp (1854-1897), die werden geassisteerd door Hendrik Johannes Haverman (1857-1928).10 Het is echter niet duidelijk wat de inbreng van laatstgenoemde precies was. De schilderingen waren in 1879 gereed. Voordat ze hun vaste plaats op het plafond van Amstel 179 kregen, waren ze in de herfst van dat jaar, als bruikleen van Mezger, te zien op een expositie in de tentoonstellingslokalen van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae aan het Rokin in Amsterdam.11 Hier werden ze aan het plafond van de tentoonstellingszaal opgehangen. De organisatoren verzuimden echter het publiek hierop te wijzen: ‘De tentoonstellingbezoekers dachten er niet aan hunne oogen niet alleen op de wanden, maar ook eens naar boven te slaan. Het plafond had daardoor niet het succes, dat het verdiende.’12 Witkamp en Van der Waay leerden elkaar al op zeer jeugdige leeftijd kennen. Ze kregen tegelijkertijd tekenles aan de Amsterdamse ambachtsschool. De jongelingen waren toen 13 à 14 jaar oud. Beiden waren in 1871 toegelaten tot de hoofdstedelijke Rijksacademie, waar ze les kregen van onder anderen A. Allebé en B. Wijnveld. Van der Waay zou in 1891 de laatste opvolgen als hoogleraar aan de academie. De samenwerking werd bevorderd door de frequente aanwezigheid van Van der Waay op het atelier van zijn kunstbroeder gedurende een periode van meer dan tien jaar, namelijk vanaf de academietijd tot 1884, toen hij een reis naar Italië ondernam. Beide kunstenaars maakten zich verdienstelijk als schilder, tekenaar en etser en beoefenden verscheidene genres, zoals portret, stadsgezicht, landschap en figuurstudie. Ze onderscheidden zich hiermee niet van het gros van de kunstenaars uit die tijd. Meer uitzonderlijk is dat beiden tevens actief waren op het

HUIS MEZGER DOOR COENRAAD WIEGAND

71


HUIS VAN MARWIJK KOOY DOOR JAN SPRINGER

Esther de Haan Alexander Westra

[1]  Herengracht 474.

EEN HUIS VOL GRILLIGE ZWIERIGHEID

Aan de Gouden Bocht van de Herengracht staat op nummer 474 een grachtenhuis met een fraaie gevel in Lodewijk XV-stijl. [1] [2] Langs de Gouden Bocht, het tussen de Leidsestraat en de Vijzelstraat gelegen deel van de Herengracht, lieten zeer vermogende eigenaren na het gereedkomen van de Vierde Uitleg vanaf 1668 de meest prestigieuze grachtenhuizen van de Amsterdamse grachtengordel bouwen. Deze huizen werden bij voorkeur gebouwd op dubbele kavels met een brede gevel aan de gracht. Het grachtenhuis op nummer 474 is, in tegenstelling tot de buurpanden, op een enkele kavel gebouwd. Aangezien het een achterhuis heeft dat zich tot ver in de achtertuin uitstrekt heeft het echter een woonoppervlak dat niet misstaat in deze buurt. Het in 1669 gebouwde huis onderging rond 1756 een ingrijpende verbouwing, waarbij het pand een extra verdieping en een nieuwe gevel in rococostijl kreeg.1 De ingang met stoep werd verplaatst van de

75


[6] Overzicht van het begin van het trappenhuis in het souterrain.

80


leidt naar het tochtportaal van het souterrain. Vervolgens leidt een lange gang naar het trappenhuis in het tussenlid. Naast de gang vinden we de oude keuken en een aan de straat gelegen vertrek, dat vroeger waarschijnlijk als bijkeuken dienst deed. De bel-etage van het voorhuis bestaat uit een ruime voorkamer, een aan de binnenplaats gelegen binnenkamer en een gang. Deze indeling herhaalt zich op de eerste en tweede verdieping; op de tweede verdieping is aan de voorzijde een apart kamertje gemaakt en is er tussen de voorkamer en de binnenkamer plaats ingeruimd voor de trap naar de derde verdieping. Deze verdieping bevat een aan de binnenplaats gelegen vertrek en de vroegere mangel- en strijkkamer. Tussen beide kamers is de trap naar de zolder geplaatst. De binnenplaats is tot en met de eerste verdieping gedeeltelijk bebouwd, met op het niveau van de beletage de uit de achttiende eeuw stammende pruikenkamer. Het achterhuis heeft op de begane grond links een gang naar de tuin en rechts een tuinkamer. De eerste, tweede en zolderverdieping bestaan uit ongedeelde ruimtes waarbij de eerste verdieping plaats bood aan de vroegere ‘sael’ van het achttiendeeeuwse grachtenhuis.

Het interieur In de tweede helft van de negentiende eeuw was het in welgestelde kringen gebruikelijk om de woonvertrekken in neostijlen te laten uitmonsteren. Renaissance, barok, rococo en neoclassicisme vormde de inspiratiebron van de diverse neostijlen. Architecten als Jan Springer ontwierpen huizen en interieurs in deze oude stijlen, waarbij zij deze doorgaans niet klakkeloos imiteerden maar er een eigen draai en interpretatie aan gaven en ze zelfs trachtten te verbeteren.6 In het geval van bestaande grachtenhuizen kon dit betekenen dat het oudere interieur, ingegeven door persoonlijk smaak en de mode en mede bepaald door de staat van het oudere

[7] De trappaal met vrouwelijke herme.

HUIS VAN MARWIJK KOOY DOOR JAN SPRINGER

81


de salon en aan de achterzijde de eetzaal; door schuifdeuren zijn de vertrekken met elkaar verbonden. [5] In de aanbouw langs de gang is het privaat geplaatst. De tweede verdieping heeft aan de straatzijde een ontbijtkamer en aan de tuinzijde een slaapkamer; in het midden bevindt zich de badkamer. [6] Ook deze verdieping heeft een privaat, dat precies boven dat van de eerste verdieping ligt. De derde verdieping heeft een indeling vergelijkbaar met die van de verdieping eronder; hier bevonden zich oorspronkelijk de logeerkamer, een bergruimte en nog een slaapkamer. [7]

Jonkheer Hendrik Maximiliaan Huydecoper

[3] Toilet op de eerste verdieping.

Eind 1884 betrok Hendrik Maximiliaan Huydecoper het grachtenhuis. Hij is in 1857 te Zeist geboren als telg van het bekende Amsterdamse burgemeesteren patriciërsgeslacht Huydecoper. Diverse leden van deze familie vervulden hoge bestuurlijke functies binnen de VOC en WIC, de stad Amsterdam, de admiraliteit en het Rijk. In 1814 was één van de Huydecopers door koning Willem I benoemd in de ridderschap van Holland, waarmee hij en zijn nakomelingen tot de Nederlandse adel gingen behoren. De Huydecopers waren zeer welgesteld en hadden omvangrijke familiebezittingen, onder andere in en rond Zeist. Zijn grootvader, jonkheer Jan Elias Huydecoper (1798-1865), was gehuwd met een dochter van J.A. baron Taets van Amerongen. Na het overlijden van zijn schoonvader kocht Jan Elias Huydecoper in 1829 uit de erfenis de buitenplaats Wulperhorst, de ridderhofstad Blikkenburg en enkele hofstedes, alle in en rond Zeist. Een jaar later kocht hij tevens Slot Zeist, waarvan hij het bijbehorende park in 1831 door de tuinarchitect J.D. Zocher liet transformeren tot een landschapspark, waarbij door middel van een zichtlijn de Wulperhorst en Slot Zeist visueel aan elkaar werden gekoppeld. Eén van zijn zoons, de vader

94


1m

2

2

1

2

1

1

5 3

3

3

2

4

4

4

3

5

4

1

2m

5m

0m

1m

2m

5m

N

beg1

N

Plattegronden op basis van de in 1884 door A.L. van Gendt gemaakte plattegronden van de nieuwe situatie. In de legenda staan de functies zoals weergegeven op de plattegrond uit 1884 vermeld.

beg 1

12

1 2

23

[4] Begane grond.

[5] Eerste verdieping.

[6] Tweede verdieping.

[7] Derde verdieping.

1 2 3 4 5

1 Gang 2 Privaat 3 Eetzaal 4 Salon

1 Gang 2 Privaat 3 Slaapkamer 4 Badkamer 5 Ontbijtkamer

1 2 3 4

Vestibule Gang Kamer huisbewaarder Alkoof Keuken

HUIS VAN EEGHEN DOOR DOLF VAN GENDT

95

Gang Privaat Slaapkamer Logeerkamer

2


LIEVER ‘LEVEND’ WATER DAN ‘DOOD’ WATER UIT DE WATERLEIDING Meindert Stokroos

Prent van een ‘waterlegger’ in een bevroren Brouwersgracht. te Amsterdam. De leggers werden gebruikt voor de verkoop van elders aangevoerd water aan particulieren.

124


Van oudsher was men voor drinkwater aangewezen op ‘levend’ water: regenwater, putwater of gewoon oppervlaktewater – dat water was wel van wisselende kwaliteit. Met de toenemende bevolkingsdruk, waardoor onder meer epidemieën uitbraken, raakte men steeds meer doordrongen van het belang van centrale drinkwatervoorziening en na een lange tijd van voorbereiding kwam in 1854 in Amsterdam de eerste drinkwaterleiding tot stand. Via een 23 kilometer lange gietijzeren buis werd bij Vogelenzang opgepompt duinwater naar de Willemspoort, de huidige Haarlemmerpoort, geleid. Voor 1 cent per emmer kon men daar schoon drinkwater verkrijgen. Het was een project van de Duinwater-Maatschappij waarin Engels geld zat en waarvan de aanleg ook door Engelse technici werd uitgevoerd. In 1856 volgde de waterleiding in Den Helder. In 1868 verscheen het ‘Rapport aan den Koning’, waarin onder meer werd gepleit voor de aanleg van een landelijke drinkwaterleiding. Pas na 1880 werd de rest van ons land – in hoog tempo – voorzien van drinkwaterleidingen. Aanvankelijk waren de aanleg en exploitatie in particuliere handen, maar uiteindelijk nam de overheid die rol over. Rond de eeuwwisseling beschikte ruim 40% van de bevolking over een drinkwateraansluiting en daarmee zo’n zestig bedrijven gemoeid. Het drinkwater kwam uit

Advertentie uit 1912 van H. Hammelrath & Co uit Keulen. Het bedrijf laat zien over welke technische installaties rijke particulieren konden beschikken. Centrale verwarming, elektriciteit, uitgebreide

125

sanitaire voorzieningen een stofzuiginstallatie enz. Rechts in de kelder is een drukvat ten behoeve van de waterleiding te zien (Timo de Rijk, Het elektrische huis, Rotterdam 1998, p. 22).


142


van het personeel. De bel-etage was bedoeld voor representatie. Hier bevonden zich de salon, ontvangstkamer, kantoor, eetkamer en een zaal voor feestelijke diners en partijen. De eerste verdieping herbergde de slaapkamers en privĂŠvertrekken van het gezin. De zolder was het domein van bedienden die zich konden terugtrekken in simpele kamers met houten wanden en bedden. Eetkamers, dienkamers, studeerkamers, bibliotheken, rookkamers, salons en boudoirs behoorden tot de vaste vertrektypen op de bel-etage. Het karakter van een vertrek had sterk te maken met de persoon die het meest van deze kamer gebruik maakte. De vrouw des huizes ontving in haar eigen salon of boudoir, de heer des huizes beschikte over een werkkamer, bibliotheek of rookkamer. Verschillende stijlen waren favoriet voor de verschillende ruimtes en men aarzelde niet om elke ruimte in een eigen architectonische stijl vorm te geven. Voor de vertrekken waar de vrouw des huizes haar stempel op drukte en haar rol als gastvrouw diende te vervullen, zoals de salons, waren elegante en vrolijke stijlen favoriet. Voor de vertrekken van de heren werden meer ingetogen, ernstige stijlen gebruikt.6

Het huis van mevrouw

[15] De traphal gezien naar de toegangsdeuren tot de rechtervoor- en achterkamer, links de deur naar de grote tuin­ kamer (thans eetkamer) en rechts de deur naar de vestibule met bovendeurstukken van Johannes Stortenbeker.

Het sociale en huishoudelijke leven van Anna van der Vliet-Borski en later Mathilde Luden-Van der Vliet op Herengracht 460 vormde een dagtaak ondanks de aanwezigheid van personeel. Anna van der Vliet was een beheerste, zeer huiselijke en gelovige vrouw. Het regelen van het huishouden, de zorg voor de representatieve vertrekken en het onderhouden van de juiste sociale contacten was een hele klus. De ochtend, middag en avond waren gebonden aan specifieke daginvullingen die zich afspeelden in verschillende vertrekken van het huis. Het in optimale conditie houden van het interieur was de taak van de vrouw des huizes, haar dochters en dienstmeisjes. Ontvang-

HET STAETSHUIS VAN DER VLIET-BORSKI

143

[14] Bovendeurstuk in de hal boven de deur naar de huidige eetkamer van Johannes Stortenbeker.


7

7

1 2 3 4 5 6 7

Portiek Vestibule Gang Magazijn Wc Overdekte binnenplaats Keuken

6 5

6

5

4

3 3

2 1

2

1

1m

2m

5m N

0m

2m

St. Liduina Pension te Purmerend, waar hij na een lang ziekbed tegen het einde van de oorlog overleed. Op enkele ongedateerde vooroorlogse foto’s van de Keizersgracht die zich in het Amsterdams Stadsarchief bevinden staat ook nummer 329 afgebeeld. [3] Op één van deze foto’s blijkt na sterk inzoomen een naar buiten kijkende man achter het raam te staan. [4] Hij bevindt zich op de bel-etage van nummer 329 en kijkt over de lage vitrages heen richting de gracht. We zien een man van middelbare leeftijd, met bril en stropdas. Waarschijnlijk is het François Caron, die bij toeval is vastgelegd op de foto; enigszins vergelijkbaar met de modefotograaf Thomas uit de film Blow-up van de Italiaanse regisseur Antonioni, die bij uitvergroting van enkele door hem in een park gemaakte foto’s ontdekt dat hij onbedoeld getuige is geweest van een moord.

De gevel

4

5m N

m

[5] Plattegrond souterrain, op basis van de in 1901 door Caron gemaakte plattegrond van de nieuwe situatie.

Keizersgracht 329 en 331 zijn rond 1740 gebouwd als tweeling; het linkerhuis voor Jan Isaak Fremeux, en het rechter voor Jacobus van Dijk. De huizen hadden identieke voorgevels met een driepasvormige bekroning met twee vazen, met daarbinnen een hartvormig venster omringd door decoraties. Nummer 329 heeft de gevel uit 1740 behouden; die van nummer 331 is in de negentiende eeuw vervangen door een rechte lijstgevel.7 Het huis op nummer 329 bestaat uit een souterrain, bel-etage en drie verdiepingen. Het huis heeft een achterhuis van een aantal verdiepingen, dat door middel van een tussenlid verbonden is met het voorhuis. Tussen voor- en achterhuis bevindt zich een binnenplaats, die op de begane grond dichtgezet is. Bij de verbouwing door Caron is de voorgevel van het souterrain tot en met de eerste verdieping ingrijpend gewijzigd.8 De links geplaatste stoep werd gesloopt en de entree, ter hoogte van de bel-etage, werd verplaatst naar het straatniveau; tevens kwam

166

BEGANE GROND


[6] De trap ter hoogte van de bel-etage, met trappaal en glas-in-loodramen aan de zijde van de binnenplaats.

HUIS CARON DOOR FRANÇOIS CARON

167


HUIS VAN OGTROP DOOR KAREL DE BAZEL

EEN VAN DE BAZELS MEEST IMPOSANTE ENSEMBLES

Jeroen van den Biggelaar

Het woonhuis aan de Herengracht 280 werd gebouwd in het eerste kwart van de zeventiende eeuw, toen het stadsbestuur had besloten tot de Derde Uitleg van Amsterdam. De woning kreeg de bijnaam ‘het Klockhuys’, refererend aan een gevelsteen met daarop drie klokken die vermoedelijk boven de voordeur was ingemetseld.1 Vermoedelijk, want van de originele gevel is weinig bekend. De huidige zandstenen voorgevel stamt uit 1710, toen eigenaar Jacob Danckerts (1659-1726) besloot het huis te moderniseren. Het is tot op heden onbekend wie de bouwmeesters waren van de zeventiende- en achttiende-eeuwse ontwerpen. Tweehonderd jaar later werd het huis wederom grondig gemoderniseerd, in opdracht van mr. Henricus Joannes van Ogtrop (1866-1914), een Amsterdamse effectenhandelaar die het pand in 1909 had aangeschaft. De verbouwing, die voornamelijk gericht was op het interieur en de tuin, werd geleid door Karel de Bazel (1869-1923). [1] [2]

[1] Voorgevel Herengracht 280.

179


ADVOCATENKANTOOR G.H.A. GROSHEIDE C.S. DOOR JACOB VAN DER VEEN

EEN VERBORGEN GLAS-IN-LOODSCHAT

Alexander Westra

Keizersgracht 586 maakt onderdeel uit van een oorspronkelijk door de architect Hans de Cerf als vierling ontworpen blok van grachtenhuizen uit 1687. [1] In de huidige situatie is dit minder goed herkenbaar: nummer 586 heeft een rechte lijstgevel uit het midden van de negentiende eeuw en heeft in dezelfde periode bovendien de oorspronkelijke stoep en entree op de bel-etage verloren; tevens is de gevel witgepleisterd. Nummer 584 heeft als enige van de vierling de stoep uit de tweede helft van de zeventiende eeuw behouden, maar ook hier is de oorspronkelijke halsgevel later door een lijstgevel vervangen. De nummers 582 en 580 hebben de uit 1687 stammende halsgevel met festoenen en gebogen fronton goed behouden. [2] De vier huizen kregen in de loop der tijd verschillende eigenaren en gingen alle hun eigen weg.1 Keizersgracht 586 werd in 1929 gekocht door het advocatenkantoor van G.H.A. Grosheide c.s., dat

[1]  Keizersgracht 586 t/m 580, van links naar rechts. Nummer 586 is herkenbaar aan de witte gevelbepleistering

197


[15] Glas-in-loodraam op de eerste verdieping van het trapportaal.

[14] Het trapportaal op de eerste verdieping met de gedecoreerde trapbalustrade en houten hekwerk.

204


ADVOCATENKANTOOR G.H.A. GROSHEIDE C.S. DOOR JACOB VAN DER VEEN

205


[16] Overzicht van het trapportaal op de tweede verdieping, met in de hoek de uit 1929 stammende wc en rechts de trap naar de derde verdieping waar zich de conciĂŤrgewoning bevond.

campus aan de De Boelelaan in Buitenveldert. Na het doorlopen van het Gereformeerd Gymnasium schreef de jonge Grosheide zich in 1905 in aan de juridische faculteit van de Vrije Universiteit. Hij promoveerde in 1913 cum laude met een dissertatie getiteld ‘Oprichting van Naamloze Vennootschappen naar Nederlands Recht’. Deze en latere publicaties van zijn hand zouden jarenlang gelden als standaardwerken op het gebied van bedrijfsrecht. Naast zijn rechtenstudie studeerde hij tevens voor accountant. In 1913 vestigde hij zich te Amsterdam als accountant en advocaat, waarbij hij zich meer en meer op de advocatuur richtte. Hij was een befaamd kenner van het verenigings- en vennootschapsrecht. De organisatie en het recht van de binnenscheepvaart hadden zijn bijzondere interesse. Zijn praktijk was een van de grotere en meer bekende kantoren van Amsterdam. Talloze krantenberichten uit de jaren dertig van de vorige eeuw, toen ten gevolge van de economische crisis het ene na het andere bedrijf failliet ging, vermelden de naam van Grosheide als curator voor de afhandeling van het faillissement. In de gereformeerde kerken gaf hij leiding aan de Amsterdamse diaconie. Zijn liefde ging evenals die van zijn vader vooral uit naar de Vrije Universiteit; van de vereniging waarvan die universiteit uitgaat was hij meer dan dertig jaar, eerst penningmeester en later voorzitter, beide veelomvattende honoraire bezigheden in het subsidieloze tijdperk en in de tijd van uitbreiding na 1945. Hij had een groot aandeel in de oprichting van de faculteit der wis- en natuurkunde in 1930 en in die van de economie in 1947. Grosheide huwde in 1916 Geertruida Elske Johanna Hendrika Schut; zij kregen samen zes kinderen. Aanvankelijk woonden zij aan het Singel 303, waar zich tevens het kantoor van Grosheide bevond. Met de komst van steeds meer kinderen en de groei van de advocatenpraktijk verhuisde het gezin in 1918 naar de Amsteldijk. Het feit dat zowel Grosheide als Van der Veen zeer actief was in het gereformeerde leven in

206


Amsterdam en zij zich bovendien allebei inzetten voor het gereformeerde onderwijs maakt het begrijpelijk dat Van der Veen de opdracht voor de verbouwing van het nieuwe kantoor van Grosheide kreeg.

Bij het bekijken van de bouwtekeningen uit 1928 valt bij één van de lengtedoorsnedes de roedenverdeling op van de aan de binnenplaats gelegen vensterramen. Deze hebben een bijzondere, geometrische indeling bestaande uit een compositie van rechthoeken en vierkanten met asymmetrische verspringingen. Na het betreden van het trapportaal op de eerste verdieping wordt de reden voor deze roedenverdeling duidelijk en wacht de bezoeker een schitterende en kleurrijke verrassing in de vorm van een groot glas-inloodraam en een sierlijk vormgegeven trapbalustrade. [11] [14] [15] [16] [17] Deze ervaring herhaalt zich in het trapportaal van de tussenverdieping. Na nog een trap beklommen te hebben, naar de tweede verdieping, ziet de bezoeker dat hier de vroegere glas-in-loodinvulling is vervangen door vensterglas; alleen de roedenverdeling uit 1929 is nog aanwezig. Bijzonder in dit trapportaal is de nog aanwezige wc-ruimte, die om praktische redenen een kwartronde deur heeft. [16] Het is niet bekend hoe het interieur van het huis vóór de verbouwing van 1929 afgewerkt was. Voordat de advocatenpraktijk van Grosheide c.s. het pand betrok had dit reeds een bedrijfsfunctie: de N.V. Amsterdamse Groothandel in Rookartikelen, voorheen C. de Rijk & Zonen, was hier langere tijd gevestigd. Gezien de moderne vormgeving van de trapportalen en het stalen raam met horizontale roeden in de vroegere wachtkamer mogen we voorzichtig aannemen dat Grosheide en Van der Veen voor het gehele kantoor voor een tamelijk strakke en eigentijdse vormgeving hebben gekozen, waarbij eventuele oudere interieurafwerking verwijderd is. Ook het volgende wijst in deze richting. Van der Veen maakte

in 1933 het ontwerp voor een wijziging van de begane grond van het ontvangstgebouw van de in Amsterdam-West gelegen begraafplaats Vredenhof.4 Dit gebouw was in 1897 uitgevoerd op basis van een ontwerp van de architect Abraham Salm. Salm koos voor de vormgeving van het interieur voor een tamelijk weelderige en overwegend klassieke stijl met overvloedige decoraties. Jacob van der Veen liet dit interieur integraal moderniseren, waarbij alles een strakker en minder monumentaal uiterlijk kreeg en de ramen van de aula een nieuwe, fraaie glas-in-loodinvulling kregen. Dit was uiteraard deels een kwestie van smaak, maar hield waarschijnlijk ook verband met de gereformeerde achtergrond van Van der Veen. Gereformeerden hebben sinds jaar en dag een sterke afkeer van uiterlijke pracht en praal. De wijze waarop bestaande katholieke kerkinterieurs na de Reformatie versoberd werden is illustratief op dit punt. Dit neemt niet weg dat de glas-in-loodramen op de Keizersgracht bijzonder sierlijk, kleurrijk en expressief vormgegeven zijn; maar hun pracht is slechts vanuit het inwendige van het grachtenhuis zichtbaar, niet vanaf de straat. Uit de ramen spreekt tevens een zekere ingetogenheid. De abstracte vormen nodigen uit tot geestelijke verdieping, waarbij de vraag rijst wat de abstracte voorstellingen nu precies betekenen. Opvallende elementen in het glas in lood op de eerste verdieping vormen de rolmotieven in de omlijsting, de oogachtige motieven en de op vellen papier lijkende lichtere delen van het glas. Dit zou kunnen verwijzen naar het centrale uitgangspunt van de Gereformeerde Kerk waarin de letterlijke lezing van de oude bijbelteksten centraal staat. Het glas-in-loodraam in het trapportaal van de tussenverdieping is zo mogelijk nog raadselachtiger. [17] [18] Met enige fantasie lijkt dit raam in de omlijsting een abstracte voorstelling van bazuinen te bevatten. Aangezien bazuingeschal op verschillende plaatsen in de Heilige Schrift een rol speelt bij de aankondiging van belangrijke gebeurtenissen zou dit een

ADVOCATENKANTOOR G.H.A. GROSHEIDE C.S. DOOR JACOB VAN DER VEEN

207

Het interieur


eerste aanknopingspunt kunnen zijn voor het achterhalen van de diepere betekenis van de abstracte voorstelling. Jacob van der Veen en Henri Grosheide zullen de symbolische betekenis van de glas-in-loodramen zeker gekend hebben; beiden kunnen het ons echter niet meer vertellen. Maar ook zonder de precieze betekenis te kennen is het een genot om de ogen over de kleuren, vormen en verspringingen van deze bijzondere en unieke beglazingen te laten dwalen.

[17] Overzicht van het trapportaal op de tussenverdieping, met rechts de trap naar de tweede verdieping.

208

[18] Detail van het glas-inloodraam op de tussenverdieping.


ADVOCATENKANTOOR G.H.A. GROSHEIDE C.S. DOOR JACOB VAN DER VEEN

209

Amsterdam interieurportretten van grachtenhuizen 1875 1945  

In de periode rond 1900 beleefde Amsterdam een bloeitijd. De oude elite van kooplieden en regenten kreeg gezelschap van ondernemende burgers...

Advertisement