Page 1

Overdiep Een herinneringensafari met foto’s

Bill Mensema Rock Ink


De Nicola誰kerk


Overdiep


© 2015 Alle rechten voorbehouden Tekst & foto’s: Bill Mensema Auteursfoto: Kees van de Veen Ontwerp: Ebel Kuipers Lettertype: Seravek, Eric Olson, Process Type Foundry


Overdiep Een herinneringensafari met foto’s

Bill Mensema Rock Ink | 2015


Bankje aan de zijarm van het Damsterdiep


Mijn vrouw is net het gezondheidscentrum van Overdiep bin­ nengelopen, waar ze een afspraak heeft met een podoloog die hier een praktijk heeft. Hoelang het consult zal duren, weet ze niet. Een halfuurtje? Een uurtje? –– Je redt je toch wel? –– Prima, hoor. Overdiep is een enkele jaren geleden gebouwde wijk aan de zuidkant van het centrum van Appingedam. Het bevat win­ kels en seniorenappartementen, met in het midden een groot complex waarin onder meer een zeer uitgebreide supermarkt is gevestigd. Deze is in 2011 uitgeroepen tot de beste supermarkt van het land. Het is een Albert Heijn. Aan de ene zijde van het complex is er een enorm parkeerterrein, aan de andere zijde is er een jachthaven, die omsloten is door nog niet allemaal in gebruik zijnde winkelpanden, met daar­ boven appartementen. Het zijn hoge gebouwen die qua vorm doen denken aan de koopmanwoningen in het centrum van Appingedam. Sommige koopmanhuizen in het oude stadshart stammen nog uit de 17e eeuw. De panden in Overdiep zijn daar­ entegen splinternieuw en erg groot, vooral in de hoogte. Bij de meeste panden lijkt het stukje boven loze ruimte te zijn. Bij het haventje is er ook een paviljoen, waar een paar mensen zitten. 5


Ik vind het niet slecht, zoals wij Groningers zeggen als we iets mooi vinden. Middels een brede loopbrug is Overdiep verbonden met het centrum van Appingedam. De officiële benaming van het deel van Overdiep rondom de jachthaven is Havendam. Ik weet niet of dat in de volksmond ook zo gezegd wordt. Ik ben bang van niet. Groningers zijn nog nuchterder dan de meeste Nederlanders. Ze houden niet van poespas. Bovendien ligt mijn geboorteplaats Delfzijl hier op een steen­ worp vandaan, met een zeehaven met hijskranen, een vuur­ toren, loodsen, factoorbedrijven en grote kustschepen langs de kade. Dat is pas een haven. Dit is een jachthaventje. Havendam? Ik weet het niet.

*** Appingedam is het stadje waar ik in de jaren zeventig naar de middelbare school ging. Ik volgde er Atheneum, toen nog op de RSG, de Rijksscholen Gemeenschap. In de middagpauze zwierf ik met Han door het centrum. Aanvankelijk was het steeds weer dezelfde wandeling, door de Solwerderstraat, via een smal bruggetje oversteken naar de Dijkstraat, vandaar door naar de Wijkstraat. Op het bruggetje over het Damsterdiep bleven we altijd even hangen. Voor het merendeel een meanderende rivier is het Damsterdiep in het centrum van Appingedam – of n Daam op z’n Gronings – een brede gracht. Maar het is anders dan een normale gracht. Waar je in steden als Amsterdam, Utrecht en Leeuwarden gezellig kunt wandelen langs de gracht, is het in Appingedam omgekeerd. Er is hier geen enkele ruimte om naast het water te flaneren. Alle koopmanhuizen zijn met de achterzijde naar het water toe gebouwd. Zo konden ze vroeger vanaf het water gemakkelijk worden bevoorraad. Verder wer­ 6


den de zaken uitsluitend gedaan aan de voorzijde, aan de Sol­ werderstraat of aan de Dijkstraat. Vanaf het bruggetje konden we ook de Hangende Keukens zien die boven het Damsterdiep uitsteken, tussen het wandelbrug­ getje waar wij ons op bevonden en de brede, stenen brug van het Gouden Pand verderop. Het Gouden Pand is een vreemde naam voor een straat – want dat is het – maar daar maakten wij ons op die leeftijd niet druk over. Het was nu eenmaal zo. Net zoals de Hangende Keukens. Dat waren gewoon keukens, van wit geverfd hout, die aan de achterzijde van een drietal koopmanwoningen waren beves­ tigd, met niets eronder behalve een paar meter lager het don­ kere grachtwater. Gouden Pand? Hangende Keukens? We wisten dat ze zo heetten. Meer niet. Schouderophalend wandelden we door naar de Dijkstraat waar we checkten welke films er speelden in de bioscoop vlakbij het bruggetje. Niet dat het veel uitmaakte, want de enige films waar wij echt in geïnteresseerd waren, waren die van Terence Hill en Bud Spencer, zoals ‘Twee Vuisten De Lucht In’ en ‘De Twee Vuis­ ten Van De Duivel’. Er was daar een cafetaria om de hoek waar je voor een gulden Raspatat kon krijgen. Voor een dubbeltje extra kreeg je er mayo­ naise bij. Er was een meisje met rood sluik haar waar we allebei op verkik­ kerd waren. Zij at er elke dag Raspatat.

*** In 1994 betrokken mijn ouders een luxe appartement in het centrum van Appingedam. Het was een groot complex waar grotendeels gepensioneerde mensen woonden. Eigenlijk was het een flat, maar er lag tapijt in de altijd verwarmde entree, er was een lift waarin een automatische stem aangaf op welke verdieping je uitstapte, er was een bijzonder actieve bewoners­ 7


commissie en vanzelfsprekend kon je niet zomaar naar binnen lopen. De appartementen zelf waren ruim van binnen, met veel zon­ licht en elk een breed balkon, vanwaar je iedereen op straat kon zien zonder dat het opviel dat je er zat. Om de hoek was er een supermarkt, onderin was er de gedeelde praktijk van een fysio­ therapeut en een huisarts. Op de gevel van het complex stond: ‘De Crabbenstede’. Vanaf die tijd voegde mijn vader op alle correspondentie ‘De Crabbenstede’ toe tussen zijn naam en zijn adres. Inclusief de aanhalingstekens. Hoe mijn vader het ooit voor elkaar gekregen heeft is mij nog steeds een raadsel, maar hij wist voor zichzelf een invaliden­ kaart voor in de auto te bemachtigen. Zo kon hij altijd voor de achterdeur van het complex parkeren in de speciaal aan hem toegewezen parkeerplaats, met een paaltje erbij met daarop een bord met het kenteken van zijn auto. Hij hoefde dan nog maar vijf passen te zetten en dan was hij alweer binnen in ‘De Crabbenstede’. Ook elders maakte hij gebruik van gehandicaptenparkeerplaat­ sen. Hij kon prima lopen, maar hij was nogal lui. Alleen zaterdagnacht was het afzien in het seniorencomplex. Dan verzamelde de jeugd uit Appingedam, Delfzijl en omstre­ ken zich in het centrum, waar het zich tegoed deed aan alcohol en pillen en wat dies meer zij. Er werd dan stevig gedanst in Bar Dancing Temptation. Maar het was vooral het lawaai op straat – als de jongeren weer huiswaarts keerden of met elkaar op de vuist gingen – die de oudere bewoners van ‘De Crabbenstede’ uit hun slaap hield. Mijn moeder stoorde zich er niet aan. Zij was een echt stads­ mens en wist dat dit erbij hoorde. Maar mijn door het rumoer gewekte vader schold er dan flink op los. Met als gevolg dat 8


mijn moeder ook wakker werd. Soms was het zelfs zo erg, dat de buren juist bij mijn ouders kwamen klagen over overlast. –– Het is net alsof je vader met het klimmen der jaren steeds moeilijker in de omgang wordt, zuchtte mijn moeder als ik op zondagavond langskwam en we na de koffie een stukje gingen wandelen met de hond. Dat was het begin van een hele serie klachten over mijn vader. Moedeloos hoorde ik het allemaal aan, terwijl we eerst door de Solwerderstraat liepen, via het bruggetje over het Damsterdiep doorstaken naar de Dijkstraat, om daar weer via een steeg vanaf te buigen naar de Wijkstraat, waar we tussen de oude recht­ bank – inmiddels een grand café met dezelfde naam – en de middeleeuwse, deels verzakte Nicolaïkerk belandden bij een bankje aan de oever van een zijarm van het Damsterdiep dat daar de zuidkant van het centrum van Appingedam begrenst. –– Ik heb het er over gehad met de huisarts, of het normaal is hoe je vader zich gedraagt, zei mijn moeder. –– Die huisarts onder jullie flat? vroeg ik. –– Nee, zei mijn moeder, we zitten nog steeds bij onze oude huisarts in Delfzijl. Ik zat nooit op mijn gemak op dat bankje aan het water, maar dat had niets met het geklaag van mijn moeder van doen.

*** In 1975 gingen Han en ik voor het eerst biljarten. Dat deden we in De Groene Weide. Dat café lag net buiten het centrum van Appingedam, aan de Dijkhuizenweg, in het verlengde van de Wijkstraat waar de in deze contreien immens populaire dis­ cotheek Het Wapen Van Leiden zich bevond. De Groene Weide was een café waar mannen na een dag van arbeid op de plaatselijke strokartonfabriek bier en jenever dron­ 9


ken en soms een gehaktbal verorberden. Ook werd er vaak gesjoeld door moekes uit de buurt. Tussen de middag was het er nog stil. Dan mochten wij er van de uitbater biljarten. Dat deden we samen met Dickie, die een oudere broer had van wie hij het geleerd had. Dickie was stuk­ ken beter dan wij, maar ook hij haalde na driekwartier biljarten niet meer dan tien punten. Han en ik waren al dik tevreden als we vier caramboles hadden gescoord. Wanneer we naar de RSG terugfietsten, passeerden we de cafe­ taria waar Raspatat werd verkocht. Het meisje met het rode sluike haar zat er nog steeds van te smullen. –– Zij kan het hebben, zei Han. –– Wonderlijk dat ze nog altijd zo slank is, zei Dickie. Ik zweeg. Ik was nog steeds smoorverliefd op haar. In 1976 had Han onderhand net zulk lang haar als dat meisje. Of als de hippie die in een van de koopmanhuizen met een han­ gende keuken woonde. Die man was een tekenaar. Een hele goeie ook, want geregeld bewonderden we de tekeningen, die hij in de etalage van zijn huis tentoonstelde. Het waren inge­ wikkelde machines die hij op het papier weergegeven had, met vloeiende penseellijnen en dan weer een ragfijne pen. Adem­ loos staarden we ernaar. Of het machines uit het verleden of juist uit de toekomst waren, dat wisten we niet, en we hadden al helemaal geen idee waartoe de machines dienden, maar we waren enorm onder de indruk van zijn vakmanschap. Tussen de middag ging Han niet langer mee naar De Groene Weide, waardoor Dickie en ik meer speeltijd hadden. We wer­ den daardoor beter in het biljarten. We doorzagen steeds meer de lijnen van het spel, de hoek van in- en uitval, de benodigde effecten tijdens het stoten. Ons gemiddelde ging omhoog. Na een uur spelen hadden we nu elk rond de 30 punten, met dien verstande dat Dickie mij altijd met een of twee punten meer wist te verslaan. 10


Han bezocht intussen De Cirkel, een bruin café aan het Gouden Pand dat net geopend was door twee hippies. Het was er gezel­ lig volgens Han en er werd goede muziek gedraaid. Ik moest echt eens met hem meekomen. Het zou nog een tijdje duren voordat ook ik in het middaguur een reguliere gast zou worden van café De Cirkel, er ’s avonds samen met Han optredens van bluesbandjes zou bijwonen en zo nu en dan beneden in de kelder naast het toilet een stickie zou roken. Tot die tijd bleef ik samen met Dickie biljarten in De Groene Weide, waar we na verloop van tijd steeds meer zin kregen in de op de toog in een grote pot pruttelende gehaktballen. Nochtans waren die te duur. Van ons zakgeld konden we die niet betalen. Had ik al eens wat extra geld, dan reserveerde ik dat voor de schoolfeesten in discotheek Het Wapen Van Leiden. Met een tientje kwam je in 1977 nog een heel end. Samen met Han dronk ik me dan eerst moed in. Daar had ik veel van nodig, anders durfde ik een meisje niet op de schouders te tikken om haar ten dans te vragen. Meestal was het oké, maar daar bleef het bij. Nadien ging zo’n meisje direct weer bij haar vriendinnen staan. Soms mocht ik met een meisje slowen op de dansvloer. Soms probeerde ik iets meer. Meestal kreeg ik dan een tik op mijn vingers.

*** In Het Wapen Van Leiden – ook een naam waar we ons in die jaren nooit van afvroegen waarom een discotheek in Appinge­ dam uitgerekend zo heette – liep ik ettelijke blauwtjes. Han ook. Onder meer bij het roodharige meisje dat zo graag Raspatat at. –– Misschien had ik haar geen drankje moeten aanbieden, mompelde Han, maar in plaats daarvan een frietje met. –– Daar kom je nou pas mee, reageerde ik geërgerd.

11


Ik was al eerder door haar afgewimpeld. Daar bleef het bij. Vol­ gens ons was dat de regel: Heb je eenmaal een blauwtje bij zo’n meid gelopen, dan probeer je het daarna niet nog een keer. Misschien zou Dickie het briljante idee van Han kunnen uitvoe­ ren? Maar dat zat er niet in. Die was aan het begin van de avond al uit de discotheek vertrokken om met zijn meisje te vrijen op het bankje aan de oever van de zijarm van het Damsterdiep. Begin 1978 kreeg ik verkering met een meisje met krullend haar. Zij zou mijn eerste grote liefde worden. Toen ik het nieuws thuis vertelde reageerde mijn moeder opgelucht dat op elk potje uiteindelijk wel degelijk een deksel past, zelfs op zo’n moeilijk potje als haar oudste zoon. Dat was ik. Die – zo liet mijn moeder nooit na te benadrukken – een aardje naar zijn vaartje heeft. Dat was mijn vader. Wat mij verbaasde was dat mijn dekseltje zo dichtbij in de buurt bleek te wonen. Daarvoor had ik immers gedacht dat ik nog heel erg lang zou moeten zoeken naar een vriendinnetje. Han had dat ook verwacht, maar hij was wel blij voor mij. De lente kwam en mijn vriendinnetje en ik hadden nog steeds verkering. De zomer kwam en we hadden nog steeds verkering. Het was de zomer dat we op zeilvakantie in Friesland gingen. Het was de zomer dat we in de bioscoop in de Dijkstraat de film ‘Saturday night fever’ zagen. De herfst kwam. We hadden verkering. Nog steeds. De winter brak aan. Ze wilde met me praten. Na school, waar zij nog op zat. Zelf zat ik inmiddels op de universiteit in Gronin­ gen. We spraken af op het bankje aan de oever van de zijarm. Ik kwam ervoor met de trein uit Groningen. Zij zat er al. Ik ging naast haar zitten, sloeg mijn arm om haar heen en wilde gaan zoenen. –– We moeten echt even praten, Bill, zei ze.

*** 12


Het is vandaag net zo koud als destijds. Er ligt ijs op het water. Ook op de zijarm. Naast de brede loopbrug tussen Overdiep en het centrum van Appingedam is er een groot wak in het ijs waarin eenden zwemmen. Ik ben allang niet meer in dit stadje geweest, maar ik ken het nog steeds als mijn broekzak. Niet Overdiep – dat is nieuw voor me – maar in het oude centrum kan ik niet verdwalen. Terwijl mijn vrouw bij de podoloog zit, begin ik te wandelen. Net als vroeger met Han, maar nu in mijn eentje. Ik steek de brug over naar het centrum en loop door tussen grand café De Oude Rechtbank en de middeleeuwse Nicolai­ kerk. Voorbij nachtclub De Kameleon wandel ik de Wijkstraat in. Het hotel Het Wapen Van Leiden staat er nog steeds, maar de discotheek – in mijn jeugd met dezelfde naam als het hotel, later furore makend als Bar Dancing Temptation – is weg. Waar eens de entree van de danszaal was, staat nu een houten schut­ ting. Gedegen in elkaar gezet, met in de menie gezet hout en in de winterzon schitterend ijzerwerk, zoals de scharnieren van het schuttingdeurtje aan de linkerkant. Over de schutting heenkijkend zie ik een leeg grasveld. Ooit stond hier een discotheek met een met felle bodemlampen ver­ lichte dansvloer, waar de jeugd stampte op danskrakers, waar velen liefde vonden (of iets dat erop lijkt), waar ik ooit Herman Brood zag optreden. Maar daar is niets meer van over. Wat rest is een kaal landje, dat zich uitstrekt van de Wijkstraat tot aan de zijarm van het Damsterdiep. Ik heb geen idee waar de jongeren van vandaag de dag hun ver­ tier in het weekend zoeken. Er zijn nog wel een paar cafés in het centrum van Appingedam. Misschien is er een discoboerderij ergens in de buurt om op die leeftijd dronken te worden, te dan­ sen, te vrijen. Dat weet ik niet. Ik hoop het voor hen. Appingedam. Delfzijl. Het zijn al jarenlang krimpgemeentes. Er is veel werk verloren gegaan. Zoals in Appingedam in de stro­ 13


kartonfabriek of in Delfzijl in de haven. De rest is ook nog eens voor een groot deel geautomatiseerd. De bevolking neemt nog steeds af. Aanwas is er nauwelijks. De generatie van mijn ouders is er blijven wonen, maar velen zijn weggegaan om hun geluk elders te beproeven. Mijn beide ouders zijn helaas al een tijdje terug overleden, maar mochten ze nog in ‘De Crabbenstede’ wonen, dan zouden ze nu ook op zaterdagnacht hoogstwaarschijnlijk wel kunnen door­ slapen. De meeste mensen die ik passeer in de Solwerderstraat zijn zo oud als mijn ouders bij leven nu zouden zijn geweest. Ik herken niemand, ik weet niet of het ouders zijn van vrienden bij wie ik vroeger weleens thuiskwam. Onderwijzers? Leraren? Ik zie dat ze ook naar mij kijken, gravend in hun geheugen. Misschien is hij de zoon van? Kwam hij niet geregeld bij ons in de winkel? Zat hij bij onze zoon in de klas? Wie is het? Wie was het? Wel herken ik het Protestants Militair Tehuis, waar Dickie en ik vroeger weleens biljartten als er ’s ochtends een les uitviel en De Groene Weide nog niet geopend was. Het was een zootje in het Tehuis. Zwarte vochtplekken op het plafond, een krakende vloer, altijd tochtig, koffiekopjes met gebroken oortjes, dikke gaten in het tafellaken van het biljart. Dat laatste kon niet aan de alcohol liggen, want dat werd er nooit geschonken. Zelfs niet aan de militairen uit de kazerne verderop. Je kon er wel goed­ koop koffie krijgen en Rondo’s voor een paar cent. Er hing een bord voor de deur met daarop alleen maar de letters PMT. Dat bord is verdwenen en het pand is grondig gerenoveerd en van buiten opnieuw in de verf gezet. Vermoedelijk woont er nu een gezin in, maar ik kan er niets van zien. Alle gordijnen zijn dicht. 14


Even verderop is er zelfs een hele rij huizen tegen de grond gegaan. Eentje daarvan was van de groenteboer, die in de jaren zeventig elke dag zijn waren op straat uitstalde. Aan het einde van de dag lagen er koolbladeren voor de deur. Soms appels waar vogels in pikten. Ook die winkel is er niet meer. Daarvoor in de plaats staan er nu moderne woningen, die alleen qua contour nog enigszins aan de koopmanhuizen van voor­ heen doen denken. Boven de voordeuren hangen er horizontaal planken die met glimmende schroeven zijn vastgemaakt aan een ijzeren frame. Ik heb geen idee wat het betekent. Maar dat heb ik eerlijk gezegd ook niet van de traditionele trapgevels van koopmanshuizen uit de Gouden Eeuw. Op het smalle loopbruggetje naar de Dijkstraat zie ik pas hoe hoog het oude centrum van Appingedam boven het water ligt. Ruim twee meter. Vroeger zag ik dat vast ook, maar toen nam ik dat gewoon voor lief. Net zoals een straat die het Gouden Pand heet en een discotheek in het hart van Appingedam onder de naam van Het Wapen Van Leiden. Dat de bioscoop in de Dijkstraat niet langer bestaat wist ik al. In het pand kan je tegenwoordig schoenen kopen. Heel veel goed­ kope winterschoenen. Achter in de zaak zie ik een verkoopster staan. Verder is er niemand. De cafetaria waar je vroeger Raspatat kon kopen is ook geslo­ ten. Er hangt een Te Koop-bord in de etalage. Net voorbij de Nicolaïkerk zie ik aan het water het bankje staan, waarop mijn vriendinnetje in 1978 even met me wilde praten. Er gaat nog steeds een steek door mijn hart als ik eraan denk. Toch heb ik er daarna – in de jaren negentig – ook nog vaak met mijn moeder gezeten, als we de hond uitlieten. Dan hadden we al een flink rondje door Appingedam gelopen, maar in de regel was mijn moeder ook daarna nog lang niet klaar met het opsommen van alle onhebbelijkheden van mijn vader. 15


Zij ventileerde. Ik incasseerde. Intussen staarde ik naar de overkant van de zijarm. Ik zag er na verloop van tijd een haventje met vier aanlegplaatsen verschij­ nen, vlakbij de kruising van de zijarm met een smal kanaal, dat Appingedam met het Eemskanaal en het daarachter gelegen Schildmeer verbindt. Ik zag steeds meer parkeerplaatsen ont­ staan aan de overkant van de zijarm. Er kwam een smal loop­ bruggetje tussen de parkeerplaats en het centrum. Mijn vader was echt niet de makkelijkste om mee te leven. Mijn moeder bleef maar klagen. Soms mijmerde ik ondertussen over mijn eerste grote liefde, die vlakbij het Schildmeer op een boerderij opgroeide, zeker als ik dor riet waarnam aan de overkant van de zijarm van het Dam­ sterdiep, wat vandaag de dag Overdiep is. Er is iets aan dor riet dat mij doet denken aan kou, aan de uitge­ strektheid van het boerenland waar ik vlakbij ben opgegroeid, aan kille wind over de akkers. Het doet me denken aan het afwateringskanaal dat in het Schildmeer uitloopt. Het doet me denken aan mijn eerste grote liefde. Ooit was het enige wat zij en ik vanaf dit bankje konden zien het verdorde riet aan de overzijde van het water. Erachter was er niets. Alleen maar braakliggend open land, tot aan de strokar­ tonfabriek van De Eendracht verderop. Het had iets rustgevends. Alles leek nog mogelijk te zijn. Maar er hoefde niets te gebeuren. Nog niet.

16


Het kantoor van De Eendracht gezien vanuit Overdiep


Over de eerste reacties op het boek


Winkelcentrum Overdiep en jachthaven Havendam


Over de eerste reacties op het boek


De brug naar het nieuw gebouwde Overdiep.


Nicola誰kerk, vanaf Overdiep gezien Over de muziek


Wijkstraat, met Hotel Het Wapen Van Leiden


Niets herinnert aan de wilde schoolfeesten op de plek waar ooit de discotheek van het Wapen Van Leiden was.


Van Wijkstraat naar Dijkstraat


Voetgangersbruggetje tussen Dijkstraat en Solwerderstraat


Hangende Keukens


Damsterdiep


Solwerderstraat met in het midden het voormalige (witte) PMT


Het Gouden Pand vanuit de Solwerderstraat met rechts op de hoek wat ooit cafĂŠ De Cirkel was


Rock Ink is een samenwerkingsverband tussen de twee jeugd­ vrienden schrijver Bill Mensema (Groningen) & grafisch ontwer­ per Ebel Kuipers (Sappemeer) om – nu we nog leven – geregeld e-books uit te brengen, grotendeels over muziek, zo nu & dan in het Engels & dan weer in het Nederlands, ontworpen zoals wij het zien. De e-boekjes zijn gratis te lezen op internet. Ons doel is de verspreiding van ons werk over de hele wereld & in Finland in het bijzonder. www.rockink.nl 40


Nieuwedieptil 41


Bill Mensema (*1960) reist vanaf 1993 regelmatig naar de Verenigde Staten en Australië. Daar legt hij de basis voor zijn latere schrijverschap. Muziek speelt daarin een belangrijke rol. Inmiddels heeft Bill Mensema vier romans gepubliceerd (Doem Dada, 2008; Fietsen met Bob Dylan, 2009, Captain Liefie, 2011 en Boem!, 2015) en een bundel muziekverha­ len (Rock 7, 2013).

Rock Ink

Overdiep  

Een herinneringssafari met foto’s door Bill Mensema gesitueerd in Appingedam. Een Rock Ink publicatie.

Overdiep  

Een herinneringssafari met foto’s door Bill Mensema gesitueerd in Appingedam. Een Rock Ink publicatie.

Advertisement