Leonieke Toering
Weggooiangst gedichten
rock ink
Š 2019 Alle rechten voorbehouden Tekst en foto’s: Leonieke Toering Foto auteur: Marcel Alkema Correctie Italiaans: Marco Beasley Met dank aan: Eric Poort Redactie: Bill Mensema Ontwerp: Ebel Kuipers Lettertype: Quadraat van Fred Smeijers
Weggooiangst
Leonieke Toering
Weggooiangst gedichten Rock Ink * Sappemeer | Groningen * 2019
Einde Liever heb ik geen einde, als dat het einde van een zomer is, met parasols en zand en water. Liefst heb ik ook geen einde van een leven, zelfs al was het leven klaar en de zon al dagen onder. Vraag me niet te zwichten voor het einde van een avond, voor de orde van de nacht. Ik zal hier zitten tot mijn hoofd in stil protest zacht wegzakt op je schouder. Maar laat mij liefst nog wakker blijven. Laat mij geen einde zijn.
5
De boot Een jongen had een boot. Op het water waarover de wind hem mee nam kwam iedere dag en ging, zodat hij alle luchten zag en al het water dat spatte op zijn schip, liet zout in zijn haar achter, het touw trok striemen op zijn handen tot de windstille vlakten waarover hij zich boog. Zich spiegelend in diepten, vroeg hij hardop wat daaronder was, maar de wind was gaan liggen, het water was water, de boot een boot. Toen kwam er nog een dag en de jongen meerde aan. Het eerste wat hij zag waren huizen en een strand, en toen de handen van een vrouw. Zij waste rokken in het water dat tot haar enkels stond en keek hem recht in zijn ogen. Hij vroeg haar op zijn boot maar zij zei dat dat niet kon. Hij keek terug en vroeg: ‘Waarom?’ Maar zij wist het niet, dacht misschien dat het huis niet zonder haar kon, het strand niet zonder haar bestond, het water tot haar enkels ander water was dan dat van hem.
6
Zij vroeg hem in haar huis maar in zijn rug voelde hij de zee, moest varen omdat er wind was om te varen, omdat het water in zijn haren spatte, om het zeil tegen alle luchten te zien spiegelen in de diepten onder hem. Zo werd alles hetzelfde, met in haar gedachten zijn ogen, in zijn gedachten haar handen.
7
Angst Als mensenangst een mens zou zijn, zou ik hem vragen toch te lopen. Sluipend op de tenen, zonder sokken als het moest, om geen onnodig zweet te zweten en te stoppen bij gevaar. Dan kalm te zijn en stil te staan. Als mensenangst een mens zou zijn, zou ik hem vragen toch te praten. Desnoods één woord als langzame gedachte, die hij vriendelijk op de vloer laat dalen, als een veertje zonder doel. Dat dan liggen laten. Als mensenangst een mens zou zijn, zou ik hem vragen te begrijpen dat ondanks alle tegenslag er wis nog meer zal komen, en er ook dan geen reden tot paniek zal zijn. Zeggen dat ’t veilig is, ook zonder te bestaan.
8
Feest De oester brak van de rots, vanwege feest op zee. Hij ging erheen, dat had hij eindelijk besloten. Woest en zonder ophouden golfde alles in hem omver omdat ze niet wisten wie hij was, en hij niet wie zij waren. Men zou zelfs kunnen denken dat ik niet eens besta, dacht hij, en vertrok precies zo plots als hij gekomen was. De oester sloot zich stevig en dobberde wat verder eer ik hem tegenkwam die nacht. We zaten op zijn rots en zwegen.
9
Levenswerk voor Eva Besnyö Zij liep en liet achter liep en liet achter Van de straten nam ze op het mooie en lelijke gaf daaraan alles wat daartussen lag Stroopschaduwen hing zij aan gebroken gebouwen zag licht dat zigeunergezichten aaide Boog omlaag naar auto’s om een hoek, omhoog boog ze, strekte zich om de zon op boombladeren, zag steeds iets wat ze later pas wist of nooit precies zou weten Voor Eva buigen de mannen behandschoend met wit katoen, buigen ze fluisterend hoe mooi deze beelden, hoe een kwaliteit zo prachtig – Etcetera
10
– hoe blij het museum – Etcetera – hoe er voor dit alles een veilig plekje – Etcetera zij zit op de bank, knikt herinnnert zich niets, weet alleen haar jaren in dozen geborgen.
11
Haast Ik ben als een mens, dat in een dag leeg en vol raakt, vol en leeg. Als een wijnglas, een lucht met wolken, een straat, een vuilnisbak. In een wonderlijke draaikolk zie ik de mensen, steeds vlug, onder opgeslagen oogleden komen ze door, omhoog, omlaag, en mij, ze zien me en zwaaien terug, ook op een winterdag die ijskoud langs mijn huid jaagt. Gehuld loop ik in laag op laag door deze grijze stad, de geur van sjaal ligt dicht op mijn gezicht vangt eindeloze regen, en ik heb haast voor alles dat sneller is dan ik, voor alles dat zonder mij vertrekt, zonder mij begint en lang voordat ik er ben alweer beëindigd is. Haast om iedereen te spreken, voor een espresso aan de bar, om de boeken terug te brengen, haast om niets te missen, haast om op de terugweg misschien nóg iemand te zien, iemand die ik ken, om tegenaan te leunen (zoals de Arabieren doen). Dan staat daar Tom en stelt: ‘Voor inspiratie is hard werken nodig, alles eromheen is nonsens. Laat ze maar praten, ze weten er niets vanaf.’ En hij beent weg, mijn haast loopt leeg.
12
Nomade Op de bodem van gedachten en oude brieven zit zij, vraagt zich af voor wie heeft ze ontbijt gemaakt, wie liet herinneringen achter? Als nomade vestigt zij zich en laat zich weer los, loopt over markten, schuift kerkbanken in en uit, bewandelt stoffige paden, zingt. Gaat de wereld rond, komt thuis.
13
Afscheid Zacht suizen de stenen onder de banden van de stad, als onzichtbare sporen van de tijd. Er is een tweedeling vandaag, van fietsers en vogels die streeplozer vliegen dan eerst, lijkt het: ze trekken hun eigen lijnen. Geen vleugelslag teveel, geen ademteug tekort. Hoog boven het afscheid vliegen ze, zonder woorden, zonder strijd.
14
De bruiloft Op deze dag zag ik in wind je haar in slierten opgetild, stond je in het licht van zon tegen het groen van bladeren, ik hield je hand Voelde, overal waar ik voelde witte stof om je bruidshuid, wilde je door alles kussen, maar hield je hand Tegen het rood van een groot bruidshuis sta je nu, het zonlicht in je ogen, je haren kortgeknipt houdt hij je vast Had ik toen die dag, had ik denk ik, maar toen die dag was toen Toen die dag hield ik je hand
15
Verlaten auto Het wit van dit papier is zoals zijn wit was lang voordat zij hem verliet als verlaten metaal zich kromt, zich vormt, roest, breekt buigt zij haar rug en voelt met haar handen het oranjebruin voor het laatst keert zij zich bij hem vandaan
16
Storm In ĂŠĂŠn storm breekt zij af hoe hij dacht dat ze was hij vraagt hoe je kunt lachen als je alles breekt, maar daar lacht zij overheen, hoort hem al niet meer, kijkt hem kort aan en zwijgt als gebroken takken in een stille lucht hangen zij nu naast elkaar, bijna net als eerst
17
Donker Jij bent mijn donkere kant en ik jouw lichte, zing ik tot de schemer ons verdooft met slaap ik ben het puntje van je sigaret ik ben de wind buiten ik ben het donker
18
Later Onder een boom staat een vrouw, haar hoofd vol gedachten, haar handen in de zakken van een lange jas. Zij staat daar in een droom en kijkt uit over een onbekende vlakte. Ze knijpt haar ogen samen en vraagt aan de horizon: ‘Wat wil ik later worden?’ Zwaluwen vliegen over. In haar buik schopt het kind.
19
Van binnen In de winter verzamelt hij ideeën. Hij legt ze zorgvuldig op een rij. Zijn woorden wiegen de kamer in, terwijl hij aan het aanrecht koffie zet. Een poes aait zacht zijn been. Hij heeft sokken aan in bed, terwijl de nacht de sterren onbedaarlijk fel laat stralen. Dat is wanneer hij plotseling alle deuren open zet en de uren op het bevroren gras in zijn tuin doorbrengt. Dat is wanneer hij niet kan slapen en zich afvraagt of er meer meisjes zijn dan sterren, terwijl hij stil omhoog kijkt. Zo wacht hij tot hij oud genoeg is om iets te zeggen, iets van belang. Dan, wanneer de lente komt, roept hij: ‘Het is genoeg!’ Ook al is hij moe. ‘Ik had wel willen slapen, maar mijn ogen zijn te ver open!’ Hij staat op, veegt gras van zijn broek en opnieuw begint een dag, simultaan aan die van anderen die hem niet deren kunnen.
20
Kikker Soms ben ik als een kikker op d’r kop, haar pootjes om een tak geklemd – stevig (anders valt ze) Of eentje in een potje die in paniek naar buiten springt halverwege met d’r buik tegen het glas op glibbert terugploft op de bodem en blijft liggen, alleen nog haar adem voelt en de lucht ziet
21
Wie ze is Er komt geen andere naam te staan of tien, hoewel dat zou moeten kunnen, of niet een. Soms vind ik je terug, hoog in een zwarte boom in een ander land, of drijf je in water, de wind, hoor ik de voetstappen die je naast me maakte en de naam die je me gaf. * Op een dag als deze waarop haar naam roepen hetzelfde was als niet haar naam roepen had het geen verschil gemaakt of de zon scheen, het gras zich boog in de wind of een storm zich heldhaftig een weg baande door weerloze dorpen. Zware wolken hingen stil in de lucht. Ze zei me niets. Ik wachtte. * Het was toen dat ik dacht: Ik weet niet wie ze is, en wist niet wat te doen, dus ik zweeg. Ik dacht aan gewoontes, het onophoudelijk voortschrijden dat zich tussen ons ophoopte met of zonder zon,
22
met of zonder zin en dat dat altijd doorging, met of zonder zon, met of zonder zin en dat rennen en stilstaan soms hetzelfde is. Tot ze plotseling weer voor me stond: groots, haar huid de kleur van opgepoetst koper. We waren gelijken geworden en ze sprak. Over het kijken naar de mensen en hoe ze bewegen in volle straten en over de bomen in blad, kaal, in blad. over oude vrienden die opnieuw beginnen of voor wie nooit iets zal veranderen. En over mij die daartussen zit of daarnaast: altijd kijkend altijd het geluk aflezend in hun ogen. * En toen sprak ik. Over het geluk dat zich niet aflezen laat. Niet in tranen, niet in lachen, niet in kinderen of huizen niet niet Daar niet, ik zei: daarin niet!
23
Niet in voor- of nagerechten niet in woorden, niet in een eiland, niet in witte lakens of schelpen. Daar niet. Niet in de weg hierheen, niet in de weg terug. Niet in oude boeken en niet in haar. Ze waaide weg en ik kon niet raden waarom, maar ik wist dat ik gelijk had.
24
Liever steen We lopen waar miljoenen liepen, voelen wat miljoenen voelen. Het klopt, steen blijft van steen, je hebt alweer gelijk. Vaak denk ik aan miljoenen, de steenlozen dan vooral. Hoe delen die hun nachten in, hoe verliezen ze of winnen, willen ze dezelfde dingen, herbergt iemand hun bestaan? Maar dat ben ik, nee, neem dan stenen. Zonder angst of twijfel blijven die van steen.
25
Mist Het was als rennend met haar een trein halen. Toen je viel dacht je: ze komt terug, ze raapt me op. Maar het verlangen was te zwaar. Zo’n mist blijft hangen, ja ze heeft de vorm van pijn, een mateloos houden van.
26
Voorbij Ik sluimer door het huis als een bezoeker die de trappen nog niet kent, mijn ogen staan op slapen, ze turen door een raam, ze zijn op zoek naar iets. Mijn schaduw schilt een appel op de vloer zie ik, aan een tafel die ik al heel lang heb, ik klop er zachtjes op Klop Klop Klop – ja dat ben ik Klop klop klop – ik ben er nog, ik klop Voor het eerst meet ik de traagte van een dag tot aan het einde toe, zo kan ik zien of hij voorgoed verdwijnt.
27
Dat je gaat Dat je gaat is nog tot daaraan toe, de regen hier verlaat, dit grijzende regeltjesland. Het klompen- en koeienland strekt zich, de kaas heeft zich in honderd soorten over de schappen van de supermarkt verspreid. Dat je gaat is nog tot daaraan toe. Maar neem dan mee mijn foto en adres. Laat me hier niet achter als altijd wachtende, als het meisje in mijn dromen, nagejaagd door vuur, of opgesloten achter dichtgetimmerde ramen. Niet zo, dat niet, beloof het.
28
Aarde Een tuin met zaden, met aarde waarin je je vingers wortelde, met bomen om in te klimmen had je gemaakt, met zwarte vingers kwam je thuis waar ik je de zeep aangaf. Ik kuste terug, wit op zwart dacht van een tuin niets te weten, niets van wat ooit onkruid leek allang van zaden tot bomen groeide, zag alleen de aarde aan je handen die je waste en waste en waste
29
De meubelmaker Buigt in eenvoud over arbeid wordt in stilte ĂŠĂŠn met hout, een antwoord zonder uitleg, wordt een opeenvolging van beweging en geluid, wordt als de wind en de zee, als hij boos is hagel, vult de kloven met zijn vingers. Hij schuurt tot stof, hij zweet. Om hem heen houdt alles op.
30
Bewaker Hier bewaker van mijn huis, zie of hier de liefde woont zoals bedoeld en of zij zonder schuld de juiste plek inneemt zoals een plant in eigen aarde, die langzaam groter wordt of een meisje dat geboren werd en mij straks ‘mama’ noemt. Ik spreek omzichtig woorden die weggooiangst verraden, zoals ‘nog niet’ of iets met ‘spijt’, daar in mijn laden stapels foto’s die tot randen reiken, dingen die maar langzaam slijten, die van liefde zijn gemaakt. Hier bewaker van mijn huis, inspecteer de kasten maar, ik wil niets kwijt, nee, ook mijn twijfels niet.
31
Wat nu? Er is een begin en een einde, een weg heen en niet terug, een binnen- en een buitenkant, er zijn lijnen die ons doorkruisen. Dat de mens ook punten heeft is duidelijk, een aantal soorten energie en een huid als huis, zo zeggen de Chinezen. Ook hebben we de wind als voorbeeld om te zien dat ondanks alles, alles continu beweegt maar ook niet-is en niet niet-is. Ja maar, nu? Wat nu? Nu geldt dat nog steeds.
32
Seuntjiepoppie Gee my hierdie seuntjiepoppie Kyk reg, hoe ek hom kos gee en een bietjie water Teen die sonskyn kan hy my donkerbril maar hê – sssh Moenie so luid skreeu nie moenie vir hom wakker maak In my arms sal hy saggies slaap
33
Loop Ek het niks saamgevat nie wat swart is, oorskadu of neer reĂŤn op my Ek het net die son op my kop musiek in die ore die pad vir my voete So loop en loop ek voort terwyl die wĂŞreld langs my trek
34
Ongesien So baie siele gaan ongesien verby los op in die donkerte en kom nie terug nie Ek is skaam te weet hulle gee nie om nie vrae nie hoekom nie gaan net ongesien verby En verdwyn langsaan die ander verlaat siele wat Epako se droĂŤ rooisand alreeds het toegedek Laat vir hulle my oĂŤ oopsluit om te sien my mond oopsluit om te spreek
35
L’ultimo giardino Al cancello ricurvo, un campanello scolorito dal tempo ha suonato quante volte, quante volte quest’entrata in angoli ormai dimenticati, i profumi portati via al cielo, le foglie in terra. Lentamente la sera si avanza. Si svuota uno spazio nel passato. È li, mio nonno, che pianta qualche piantina, pian piano, il suo corpo ogni anno più arcuato dai pensieri nascosti, le sue risposte infallibili, quasi prese da un libro, mentre il suo sguardo si alza per un attimo: vede la mia nonna. L’amore. Il suo sorriso. Sotto la luce dell’ultimo giardino le voci di rimpianti lontani, quasi non si sentono più.
36
La spiaggia Un giorno, camminando sulla terra giusta, bevendo l’acqua giusta, iniziavo a pensare le risposte giuste. Subito la terra diventò molle, i miei piedi sempre più pesanti, più lenti, però avanti, avanti. L’acqua cadeva, velocemente consumata dalla sabbia come se avesse sete, come se non avesse bevuto da 33 anni come se fosse una spiaggia secca, infinita, dove giocavano i bimbi: a centinaia e centinaia, dappertutto giocavano ed urlavano e chiamavano il mio nome: ‘Leoncina! Leoncinaaaa! Perché non giochi?’ Ed io rispondevo. Rispondevo subito, rispondevo. Rispondevo con parole giuste, precise, quelle che avevo cercato da sempre; rispondevo con pensieri antichi, di perdita e libertà, ad alta voce. Quando il sole iniziava a carezzarci di giallo ed arancio mi mandavano a casa. Mi ricordo la sabbia rimasta nei miei capelli e dietro le mie orecchie e sotto le mie unghie. Nello specchio vedevo una bambina, piccola, il naso appena bruciato dal sole. Uno sguardo forte, senza domande. 37
Some thoughts 1 An insult Sometimes, it is difficult to accept things as they are. It means as far as they are concerned, I do not matter. My opinion is not asked for and my presence is not required; I could die and nothing really changes. It is almost an insult. 2 Concessions As long as we don’t have the intention to hurt others, we should not make any concessions on who we are. As trees cannot make concessions on the number of branches they grow, nor the sea can make concessions on the number of fish it contains, the sky – birds, the city – people, our head – thoughts, our heart – love. 3 Value People are brutely robbed, interrupted, bend, destroyed, broken, transformed, crushed, flood. Burned, raped, overtaken, stolen, misjudged, hated, fought over, killed. People are misunderstood, underestimated, and overestimated. They might be beautiful people. And maybe they are seen. Or unseen. But if in the midst of all this, you are good, it simply does not mean anything else. And that is of enormous value. 4 Ships Beers are ships that carry the words to shore, to anyone standing there and waiting to listen to some squeeking masts, some flapping sails, or the cries of dead sailormen lingering above the waves: ships are of enormous value, too.
38
For Noa There it is, a quiet song when the wind lays down at night It might just be a lasting one with a melody so light, carrying a dream so fine that even if the sun seems far in the morning it will shine. And when all leaves let go in fall The trees will still stand strong and proud. They will listen, firm and tall to a song which is quite loud! So don’t stop singing, little one. May we be your trees and sun while you keep moving, on and on.
39
Inhoud Einde 5 De boot 6 Angst 8 Feest 9 Levenswerk 10 Haast 12 Nomade 13 Afscheid 14 De bruiloft 15 Verlaten auto 16 Storm 17 Donker 18 Later 19 Van binnen 20 Kikker 21 Wie ze is 22 Liever steen 25 Mist 26 Voorbij 27 Dat je gaat 28 Aarde 29 De meubelmaker 30 Bewaker 31 Wat nu? 32 Seuntjiepoppie 33 Loop 34 Ongesien 35 L’ultimo giardino 36 La spiaggia 37 Some thoughts 38 For Noa 39
40
rock ink is een samenwerkingsverband tussen de twee jeugdvrienden schrijver Bill Mensema (Groningen) & grafisch ontwerper Ebel Kuipers (Sappemeer) om – nu we nog leven – geregeld e-books uit te brengen, grotendeels over muziek, zo nu & dan in het Engels & dan weer in het Nederlands, ontworpen zoals wij het zien. De e-boekjes zijn gratis te lezen op internet. Ons doel is de verspreiding van ons werk over de hele wereld & in Finland in het bijzonder. www.rockink.nl
Leonieke Toering (*1978, Zoetermeer) studeerde Engelse Taal- en Letterkunde in Groningen, werkte in Afrika, woonde in ItaliĂŤ, en kwam weer terug. Dit is haar eerste poĂŤziebundel.
rock ink