Skip to main content

Een Held in Afrika

Page 1

Een Held in Afrika

tekst Hubert Klaver tekeningen Astrid Mulder muziek Eva Waterbolk Rock Ink


Een Held in Afrika


Š 2017 Alle rechten voorbehouden Tekst: Hubert Klaver Tekeningen: Astrid Mulder Muziek: Eva Waterbolk Redactie: Bill Mensema Ontwerp: Ebel Kuipers Lettertype: Infini van Sandrine Nugue Schutbladen: djolo.net


Een Held in Afrika tekst: Hubert Klaver tekeningen: Astrid Mulder muziek: Eva Waterbolk

Rock Ink  Groningen | Sappemeer  2017


Via dit symbool in de marge kunt u naar de bijbehorende muziek luisteren. Lukt dit niet met klikken, ga dan naar www.rockink.nl/boeken/heldinafrika.html. Via de website is ook de cd met de muziek en een voordracht van de tekst door de auteur te bestellen.


Mijn naam is Adolf. Eens was ik op zoek naar goede weidegrond en vruchtbare aarde om gierst te verbouwen. Mijn eigen grond was uitgedroogd. Twee jaar lang was er geen regendruppel meer gevallen. De zon brandde onbarmhartig op de velden en de klei vertoonde diepe krimpscheuren. Geen zaadje dorst er nog te ontkiemen. Ik had de hele dag het vee opgedreven in de richting van de bergen, naar de plek waar de zon nooit aan de hemel staat. Uiteindelijk kwam ik aan bij een nederzetting aan de rand van een vlakte, met manshoog olifantsgras, met flesvormige boomstammen en doornige struiken. Hier wilde ik me vestigen. De dorpelingen waarschuwden me. Ze zeiden dat er een Lokka heerste die de weg versperde. ‘Pas op! Het is er gevaarlijk. Je kunt niet verder. Er zit een Lokka,’ zeiden ze. ‘De Lokka is een vogel, een monster met grote klauwen en messcherpe nagels, die de mensen naar een stille, afgelegen plek lokt, om ze daar in alle rust in kleine stukjes te rijten en op te peuzelen!’ Dat zeiden ze. Ja, ze wilden me wel vertellen hoe ik zonder problemen daar m’n hut kon bouwen. Dat ge-

5


heim wilden ze wel prijsgeven, maar dan moest ik mijn hele veestapel afstaan. Dan zouden ze het pas verklappen. ‘Niemand kan de verlokkingen van de Lokka weerstaan!’ zeiden de dorpelingen. ‘Helemaal niemand. Er is slechts één middel. Wij weten het. Wij kennen het. Wij willen het je wel geven. In ruil voor al je koeien, al je varkens en alle kippen en schapen die je bij je hebt.’ Ik vond dat wat teveel gevraagd.

6

Nou heb ik altijd al graag een keer de held willen uithangen, dus ik dacht: ik zit hier nou toch net midden in een verhaal; waarom ook niet? Wat houd me tegen? Wat kan me gebeuren? Grijp deze kans!


Toen ik me een weg van enkele meters door het gras had gebaand, hoorde ik reeds van verre de met veel tamtam aangekondigde verleidingen. ‘Adolf, kom eens hier. Ik heb een maaltijd voor jou klaargemaakt met gierst en grote stukken lendenvlees.’ Ik rook de geuren van geroosterd vlees, verfijnd met fijngestampte kruiden en op smaak gebracht met peperoni. Maar ik ben vegetariër, dus het raakte me niet echt. Het vee dat ik had, dat at ik niet zelf op, dat was immers gewoon handel. Ik schoof het gras opzij en dwaalde verder. ‘Adolf, het eten wordt opgediend door een schone maagd. Zij is voor jou. Zij zal voor je dansen. Ze zal eten voor je koken en ze zal je je leven lang lekker verwennen.’ Een schone maagd. Voor mij. Dat is heel andere koek. Dat maakt het toch echt heel anders. Dan eens hoorde ik het geluid van links, dan weer kwam het van rechts, van voor me of van achteren. Ik tuurde naar de toppen van de bomen, tussen de grote, handvormige bladeren, die me de weg leken te wijzen, maar ik zag geen Lokka. Wel zag ik een glimp van …

7


‘Adolf, kom, ze heeft palmwijn ingeschonken, het is de hele dag feest.’ … een glimp van haar. Van overal klonken de verlokkingen van het aardse paradijs en de zoete klanken brachten me in vervoering, verweekten mijn geest, tornden aan mijn wil en zogen me naar een uitgedroogde modderpoel, in de schaduw van de baobab, in het hart van de savanne. Daar zag ik op een dikke tak de Lokka zitten. Een kromme snavel. Priemende ogen. Een lange zwanenhals. Een kale nek. Z’n klauwen gekromd om het hout. Haakvormige, ijzingwekkende nagels. ‘Zo Feestmaal, ben je er dan eindelijk? Hier vreet ik je op.’ De Lokka laste een korte pauze in en mij bekroop het beangstigende gevoel dat ik aan een vleeskeuring werd onderworpen. Daarbij kreeg ik het vage idee dat de heldenrol misschien niet helemaal voor mij was weggelegd en dat het beter voor me zou zijn om de vlucht te overwegen. ‘Nee Feestmaal, je kunt niet meer terug. Je bent reddeloos verloren.’ Kon de Lokka nou gedachten lezen? Misschien

9


10

was het een geschikt moment om te onderhandelen. ‘Lokka, ik zoek goede weidegrond en vruchtbare aarde om gierst te verbouwen. Ik wil hier wonen. Je kunt van me een koe en een bosvarken krijgen om op te eten.’ ‘Zo Feestmaal, ben je niet meer waard dan een koe en een bosvarken?’ ‘Twee koeien en twee bosvarkens dan.’ ‘Ah, je wilt me omkopen. Goed, daarvoor zuig ik alleen je hoofd leeg en zal ik de rest van je lichaam sparen. Je zult, zo je dat al niet deed, als een leeghoofd de dood ingaan.’ De Lokka schuifelde op z’n tak en keek me recht in de ogen. Ik stond oog in oog met de dood en op zulke momenten trekt je hele leven dus in een flits aan je voorbij. Vreemd. Ik heb die beelden nooit terug kunnen krijgen. En nu zie ik ze weer voor me. Ik ben vijf. M’n vader slacht een kip. Mijn kip. Mijn moeder kookt soep. Kippensoep. Van mijn kip. ’s Avonds moet ik mijn bordje leegeten. Ik walg ervan. Van mijn kip.


Ik haat kip. Kip stinkt. Ik haat ook al die mensen die kip eten, waar ik bij ben. ‘Tja Feestmaal, jeugdsentiment, daar hebben we nou geen tijd voor.’ Dat vond ik nou zo vreselijk gemeen van die Lokka. Hij gunde me gewoon de tijd niet om de film nog eens af te spelen. Hij speelde een spelletje met mij. Hij geilde op macht. En ik werd woedend. ‘Lokka!’ schreeuwde ik, ‘Ik snijd je strot door. Ik ga je villen. En de botjes zijn voor de ratten!’ ‘Toe maar Feestmaal. Nog een laatste wens?’ ‘Stomme lokvogel! Rot op! Vlieg naar de hel!’ Het klonk niet helemaal overtuigend. ‘Ik trek al je veren uit je lijf,’ probeerde ik het nog eens. ‘Eén voor één. Mijn speer spaart je niet. Ik spies je aan het spit en rooster je op houtskool. Ik zal je tot op het bot afkluiven.’ Dat klonk al een stuk beter. De Lokka had zo’n houding van ‘het moet er even uit, het slachtoffer moet het niet opkroppen. Anders verzuurt zijn vlees. Dat gaat ten koste van de vleeskwaliteit en dus van de smaak.’ Toch kon de Lokka het niet nalaten om me nog even te sarren.

11


‘Ha Feestmaal. Ik geloof er niks van. Je bent vegetariër.’ De Lokka was me in alle opzichten de baas. Ik was als een kip zonder kop het heldendom binnengerold, zonder me een paar essentiële dingen daaromtrent af te vragen.

12

Wat bezielt een held? Wat zijn z’n motieven? Hoe brengt hij het tot een goed eind? Wie is een held? Zou hij me als voorbeeld dienen? Wanneer word je een held? Moet je altijd je leven in de waagschaal zetten? Kun je ook een klein beetje held zijn? Kon ik in deze laboratoriumsituatie waarin ik toch alle factoren in de hand had, kon ik daar nog als held uit te voorschijn komen? Of was dit per definitie uitgesloten? Was het voldoende om alleen grote moed te vertonen, zoals ik hier gedaan had, door de vlakte te betreden, hoofdschuddend nagekeken door de dorpelingen? Of was het nodig dat er een derde persoon bij betrokken werd die ik moest zien te redden, zodat het een zekere maatschappelijke relevantie zou hebben met positieve gevolgen voor dat individu of de maatschappij als geheel en dat ik daarbij on-


baatzuchtig, dat wil zeggen zonder dat ik er zelf voordeel bij zou hebben (dat het me zelfs kon schaden), te werk zou gaan? Concreet: moest ik Afrika bevrijden van de Lokka? En was ik in dat geval een grotere held dan wanneer ik alleen de schone maagd, waarvan ik toch een glimp meende te hebben opgevangen en die ongetwijfeld als lokaas van de Lokka in een benarde situatie verzeild was geraakt, zou bevrijden? Tenslotte: is het heldendom ook voor meisjes weggelegd? Zou de schone maagd mij kunnen redden uit de hachelijke positie waarin ik nu vertoefde? Ik zag de Lokka denken: ‘Die Adolf, dat is een intelligente jongen. Daar zit een hoop in. Die stelt goeie vragen. Een paar daarvan moest je zelfs twee of drie keer doorlezen. Een kat in het nauw maakt ook rare sprongen.’ Daar stond ik dan, als held, oog in oog met de Lokka. Ik had Jung gelezen. En Adler. En Freud die van z’n voetstuk gevallen was. En Heidegger en Sartre, die me niet meer konden bekoren. Ik had Einstein begrepen. En God. Ik had Van Basten bewonderd, en Nick Cave natuurlijk. En ze lieten me allemaal in de steek. Ik werd helemaal

13


op mezelf teruggeworpen. Ik stond er alleen voor. Als in de diepste psychose. Daar stond ik dan. Als held. Oog in oog met de Lokka. ‘Hoe voel je je, Adolf?’ ‘Het is doodeng.’ ‘Je hebt een kip liefgehad, hè?’ ‘Ja, de kip was mij lief.’ Ik hoorde wat instemmend gekakel op de achtergrond en verder bleef het stil. Het was duidelijk dat de Lokka me volledig doorgrondde. Ik stond er bedremmeld bij te kijken. ‘Een beetje de held uithangen hier in Afrika, hè. Heb je niets beters te doen?’ Het beest schudde meewarig z’n kop. ‘Afrika willen verlossen van de Lokka. De mensen hier weten zelf het beste hoe ze hun problemen kunnen oplossen. Ken je geen Afrikaanse helden? Noem er eens één.’ ‘Pik Botha,’ antwoordde ik. ‘Paul Krüger.’ Helemaal fout. ‘Even geen grapjes, Feestmaal. Dat kennen we nou wel. Kleed je maar uit. Geef je maar bloot.’ De Lokka klapperde met z’n vleugels om me aan te sporen. Zelden had ik zoveel tijd nodig om m’n lendendoekje af te leggen. Maar in het hart van de

15


16

savanne kwam ik mezelf behoorlijk tegen en ik probeerde tijd te rekken. ‘Wanneer ben je eigenlijk een held?’ vroeg ik. ‘Je komt uit Nederland, hè. Nooit op school geleerd wie jullie helden zijn? Jullie gaan toch prat op het goeie onderwijs. Piet Hein, zegt je dat iets?’ ‘Ja, maar dat is zo lang geleden. Voor mij is hij geen held.’ ‘Schiet nu maar op.’ Misschien als ik de Lokka wat stroop om de mond zou smeren, dat het beest me dan eindelijk zou laten gaan. ‘Babangida. Finidi. Kanu! Hij speelde bij Ajax! Hij is nog maar 19 jaar oud! Hij komt uit Nigeria!’ ‘Dat zijn overlopers,’ zei de Lokka. ‘Mandela!’ Nu keek de Lokka me goedkeurend aan. ‘Die heeft me nog een vrije avond verpest,’ ging ik verder, ‘toen ik achter de bar moest staan bij de Stichting Mensenrechten. Hij werd onverwachts vrijgelaten. Ze gaven een feestje.’ ‘Leg dat lendendoekje nu maar neer! En schiet op!’ Was ik nu een held of was ik gewoon een mafkees door de vlakte op te stengelen en de uitdaging aan te gaan?


‘Leg dat lendendoekje nu maar neer, heb ik gezegd. Ik heb geen zin om me er straks in te verslikken.’ Het was David tegen Goliath. Ik had geen schijn van kans. Hij speelde met me. Kat en muis. Kon ik een list verzinnen? Moest ik bidden, slijmen, smeken? ‘Onze Lokka die in de hemelen zijt. Uw naam worde geheiligd. Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemelen alsook hier in Afrika. Geef ons heden ons dagelijks brood.’ ‘En waar moet ik dan wel niet van eten?’ De Lokka was nogal praktisch. ‘Eer de haan kraait heb je me drie keer verloochend.’ Er kraaide een haan. ‘Kom feestmaal. Je moet opschieten. Ik heb honger.’ Moest ik werkelijk de heldendood sterven? Een uitweg was er niet. Ik was erin gestapt en ik mocht hopen dat ik het er levend vanaf zou brengen. Anders zou ik een naamloze held worden en dat was nu ook weer niet de bedoeling. ‘Lokka, wat heb je mooie veren, mooie ogen, een prachtige snavel.’ ‘Ja, met die ogen, daar kan ik mijn prooi goed

17


mee zien. Met die veren kan ik me op jou storten. En met die vlijmscherpe snavel kan ik er lekker op inhakken en reepjes vlees van je botten afscheuren.’ De Lokka verzette zich op z’n tak en ging er eens goed voor staan. Hij kwijlde uit z’n snavel toen ik eindelijk mijn lendendoekje liet vallen. ‘Genade,’ smeekte ik, ‘Laat me niet sterven. Wat moet er van mijn vee terecht komen? Ik houd scharrelkippen!’ Ik hoorde een kip luidruchtig kakelen. Mijn einde was nabij. 18

Ik ben een jaar of drie. Mijn kip moet eten. Ik haal Vim. Voor mijn kip. Ik strooi de bus leeg in de ren. Voor mijn kip.


Een koor van kippen kakelde heftig. Ik had iets op te biechten. We zijn verhuisd. Ik ben een paar jaartjes ouder. De buren houden kippen. Ik haal een fles Jonge Jenever uit de kelder. Ik giet de fles leeg in het drinkbakje. Mijn kippen zijn het niet. ‘Lokka, ik heb gezondigd. Ik heb kippen dronken gevoerd.’ ‘Ja, dat weet ik wel. Dat hoef je mij niet te vertellen.’ ‘Ik heb er spijt van.’ ‘Dat geloof je zeker zelf.’ Wat je als held allemaal wel niet moet doormaken. De seconden tikten weg. Het kippenkoor voerde de boventoon. De meester houdt kippen. In het leghok liggen fopeieren. Ik haal ze eruit. ‘Je kunstgebit moet er nog uit.’ De Lokka hield me een spiegel voor. ‘Je bent helemaal geen held,’ daagde hij me uit. ‘Wat ik zie is een klein opdondertje dat zich in

19


allerlei bochten wringt. Je bent zo glad als een aal. Ga de strijd eens aan. Kom maar op! O ja, je kunstgebit moet er nog uit!’ Het beest zette z’n veren overeind. Het pad van een held ging niet over rozen. Ik ben infanterist. We moeten overleven. Ik weiger dienst. Ik had een kip moeten slachten.

20

‘Ik ben wel een held!’ schreeuwde ik het uit. ‘Ik heb dienstgeweigerd. Ik had in de gevangenis gezet kunnen worden.’ ‘Denk je echt dat je zo de oorlog wint. Kom, vecht! Je kunstgebit moet er nog uit.’ Luid kakelde een koppel kippen. Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Ik loop stage op de landbouwpraktijkschool. Kippen moeten worden afgevoerd naar het slachthuis. In het duister laten ze zich gewillig oppakken. Ik weiger. ‘Op school heb ik de kippen niet in de vrachtauto gezet!’ zei ik tegen de Lokka. ‘Ik ben in het gras in de zon gaan zitten. Zie je wel dat ik een held ben. Ik heb mijn carrière op het spel gezet.


En met anatomie heb ik ze ook niet opengesneden.’ ‘Je was er gewoon vies van. Vecht!’ Ik was de uitputting nabij. Het zou zo nog een tijdje door kunnen gaan, en ik zou onherroepelijk zijn opgevreten, als ik hem niet net op tijd had doorzien. Onderzoekend keek de Lokka me aan. Het begon me te dagen: ik kwam mezelf hier tegen, in een akelige vermomming. Het beest fladderde op en kwam een stapje dichterbij. Nu wist ik van horen zeggen dat je in Afrika met kralen en spiegeltjes een heel eind kunt komen. ‘Je kunstgebit. Ik word ongeduldig,’ snauwde de Lokka. Hij kromde zijn tenen. Ik gooide de knuppel in het hoenderhok. ‘Je veren. Ik word ongeduldig,’ snauwde ik terug. Ik kromde mijn tenen. Ik vocht tegen mezelf. Een haan kraaide victorie. Ik was er nog niet: de Lokka sloeg z’n vleugels uit. Hij was er nog niet: ik sloeg mijn armen uit. Ik hoorde een ijzingwekkende kreet. Hij stortte zich op mij.

21


Hij hoorde een ijzingwekkende kreet in spiegelschrift. Ik stortte me op hem. We hielden elkaar in een knellende houdgreep, drukten ons dicht tegen elkaar aan, draaiden om elkaar, dansten om elkaar. Hij duwde me weg. Ik duwde hem weg.

22

De Lokka staarde me aan. In een reflex dacht het beest me een poot uit te trekken. Het beest in mij dacht exact hetzelfde. Ik keek hem recht in de ogen. Een kip kakelde heftig. Hij pikte naar mij. Ik beet naar hem. Hij liet een veer. Ik een bos haren. We draaiden weer, we dansten weer. We drukten ons dicht tegen elkaar aan. Ik hield hem in een worggreep. We snakten naar adem. Toen omhelsden we elkaar. Ik had het beest getemd. Een kip scharrelde in het olifantsgras. Hij kakelde tevreden. De bewonderende blikken van de dorpelingen zal ik nooit vergeten. Ik voelde me kiplekker. Ik was een held.


24

ro ck i n k is een samenwerkingsverband tussen de twee jeugdvrienden schrijver Bill Mensema (Groningen) & grafisch ontwerper Ebel Kuipers (Sappemeer) om – nu we nog leven – geregeld e-books uit te brengen, grotendeels over muziek, zo nu & dan in het Engels & dan weer in het Nederlands, ontworpen zoals wij het zien. De e-boekjes zijn gratis te lezen op internet. Ons doel is de verspreiding van ons werk over de hele wereld & in Finland in het bijzonder. www.rockink.nl


Rock Ink

Hubert Klaver (* 1951) is een onafhankelijk en veelvoorlezend undergroundschrijver. Bij Rock Ink zijn twee bloemlezingen uit zijn Mega Watje-reeks verschenen – in 2013 en in 2015. Astrid Mulder (* 1988) maakt authentieke pen&inkt-illustraties. Ze werkte voor Rock Ink al mee aan Spinnetje (2016) en Hongerige Wolf (2013). Eva Waterbolk (* 1992 ) is een singer/songwriter met een groot hart en een licht morbide gevoel voor humor.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook