Page 1

Waarom het internet een super efficiënt informatienetwerk is ”By means of electricity, the world of matter has become a great nerve, vibrating thousands of miles in a breathless point of time. Rather the round globe is a vast head, a brain, instinct with intelligence! …” Daniel Hawthorne (geschreven in 1851!)

Van grotschilderingen naar het internet In 1844 seinde Samuel Morse per telegraaf de eerste woorden ooit over. “What hath God wrought?” Ook achteraf gezien een vraag met veel diepgang. Aan dit experiment gingen heftige discussies vooraf in het US-Congres, dat het experiment moest betalen. De argumenten die toen werden gebruikt klinken nog steeds heel modern. Zo betoogde de afgevaardigde F.O.J. Smith, één van de voorstanders: “Space will be of all practical purposes of information, completely annihilated between the States of the Union, as also between the individual citizens thereof”. Hij voorspelde ook: “The influence of this invention over the political, commercial and social relations… will ….. of itself amount to a revolution unsurpassed in moral grandeur by any discovery that has been made in the arts and sciences.” Tien jaar later in 1854 lag er al meer dan 50.000 kilometer aan telegraafkabel. In 1858 werd de eerste trans-Atlantische kabel gelegd. De hype die ontstond rond de opkomst van de telegraaf had model kunnen staan voor de recente internethype. “Er zou nooit meer oorlog komen dankzij de telegraaf. We gaan een nieuwe economische bloeiperiode tegemoet door de elektronische handel.” Natuurlijk waren er ook de nodige kritische geluiden over de telegraaf. Heftige discussies braken los over de vraag of het moreel wel verantwoord was om per telegraaf, dus via streepjes en puntjes, ‘met de handschoen’ te trouwen. Dat doet denken aan de discussies over cyberseks nu. Er waren toen ook al hackers. Mensen die inbraken op de telegraafdraden en berichten aftapten. En dat allemaal “omdat we tegenwoordig kunnen communiceren met de snelheid van het licht”. We spreken over de tijd rond 1850! Deze prachtige geschiedenis is heel boeiend beschreven in het boek ‘The Victorian internet’ van Tom Standage. De telegraaf bracht ons echter niet de eerste informatierevolutie. Sommige mensen denken dat ICT staat voor Internet, Computers en Telefoons, maar ICT, of voluit informatie- en communicatietechnologie, is al veel ouder. De uitvinding van het schrift en later van de losseletterdrukpers vormden ook al belangrijke verbeteringen van de informatie- en communicatietechnologie. We zagen eerder al hoe de drukpers zich over Europa verspreidde en hoe dit deed denken aan de snelheid waarmee het internet zich nu over de wereld heeft verspreid. Nog verder terug in de tijd waren de uitvinding van symbolen en de voorlopers van het schrift misschien nog wel veel grotere ICTrevoluties. Voor het eerst in de geschiedenis werd het daardoor mogelijk informatie door te geven ‘door de tijd heen’ en zelfs los van de persoon. Informatie was daarmee niet meer gebonden aan een mens als informatiedrager. De geschiedenis van de mensheid is dus ook de geschiedenis van een lange reeks ICT-uitvindingen. Te beginnen met het ontdekken van het gebruik van symbolen, ging dit via het schrift, de boekdrukkunst, de telegraaf, de radio, de film, de fax, de telefoon, de tv, de pc, het internet en recent de mobiele telefoon. Het tempo waarin deze uitvindingen elkaar opvolgen, neemt daarbij toe. Van millennia, naar eeuwen, naar decennia, naar hooguit enkele jaren.


Radio, film en tv hebben in de vorige eeuw binnen enkele decennia de wereld veel kleiner gemaakt. De hele wereld komt sindsdien via de magische kijkbuis onze huiskamer binnen. En de laatste 15 jaar is er met internet, computers en mobiele telefoons nog weer een verdere versnelling opgetreden. Het is al weer ruim vijftig jaar terug dat in 1961 twee computers met elkaar werden verbonden. De ene stond aan de Universiteit van Californië in Los Angeles en de andere in een laboratorium in Palo Alto. Dit vormde het begin van wat nu het internet heet. Al snel kwamen er nog twee bij en tien jaar later in 1971 was er al een netwerk met daarin 24 computers. Dit zogenaamde ArpaNet was overigens een militair project en was bedoeld om een netwerk te ontwikkelen dat ook in oorlogstijd kon blijven communiceren. Dat netwerk groeide verder en weer tien jaar later waren er al zo’n 3200 computers met elkaar verbonden. In 1985 gingen ook universiteiten en wetenschappers gebruikmaken van het netwerk. In 1991, dus weer tien jaar later, waren er wereldwijd al meer dan een miljoen computers aangesloten op het netwerk. Dat was ook het jaar van het World Wide Web, waardoor je voor het eerst makkelijk over het internet kon ‘surfen’. In 1996 waren er al meer dan 40 miljoen aansluitingen en daarna ging het gewoon door, met in 2012 meer dan 4 miljard aangesloten computers. De vraag is nu hoe al deze informatie- en communicatiemiddelen de samenleving verder zullen doen veranderen. De exacte gevolgen zijn niet te voorspellen, maar één ding is zeker. Informatie gaat steeds sneller, makkelijker en goedkoper de wereld rond. Dit heeft gevolgen voor alle aspecten van de samenleving. Alles wordt anders en dat roept terecht of onterecht bij vele mensen vragen en zorg om de toekomst op. Toch kunnen we niet terug naar het verleden. De geschiedenis leert ons dat de technische vooruitgang zich niet of in ieder geval heel moeilijk laat remmen. Het is daarom weinig zinvol om ons af te vragen of die ontwikkelingen goed of slecht zijn, wenselijk of onwenselijk. Behoudzucht is in ieder geval een slechte raadgever. Want wat willen we behouden? In ieder geval niet de oorlogen uit het verleden, de ziekten (pest, cholera), de uitbuiting van slaven en horigen, de honger tijdens koude winters of na mislukte oogsten. En ook niet de kleingeestigheid van heksenverbranders en fundamentalistische godsdienstfanaten, of de onwetendheid en het bijgeloof van onze voorouders. Maar waarschijnlijk wel de warmte van de kleine groep, de familie, het dorp of de overzichtelijke gemeenschap waartoe we ooit behoorden.

Sneller, gemakkelijker en goedkoper Informatie gaat dus dankzij ICT steeds goedkoper en sneller de wereld rond. De steeds snellere en steeds ruimere beschikbaarheid van al die informatie beïnvloedt en verandert alles. Van het gedrag van gewone mensen tot aan de totale sociale organisatie van de samenleving. Dit proces van ‘informatisering’ speelt – zoals we zagen - al eeuwen maar verloopt wel steeds sneller. Hoe komt het nu dat die informatisering de laatste decennia steeds sneller verloopt? Een van de belangrijkste verklaringen hiervoor staat bekend als de Wet van Moore, geformuleerd in 1965 door Gordon Moore, medeoprichter van Intel, de bekende producent van computerchips. Moore voorspelde in 1965 dat de prijs van computerkracht (of beter processorkracht) iedere 18 maanden zou halveren en dat dit zeker tot het jaar 1990 door zou gaan. Iedere 18 maanden gehalveerd betekent dat we voor hetzelfde geld na 18 maanden tweemaal zoveel, na 36 maanden viermaal zoveel, na 54 maanden achtmaal zoveel, na 72 maanden 16 maal zoveel, en zo verder computerkracht kunnen kopen. Moore had meer dan gelijk met zijn voorspelling want dit voorbeeld van exponentiële groei is nu al 40 jaar aan de gang en zal naar verwachting nog zeker zo´n 20 jaar doorgaan. De gevolgen van 40 jaar exponentiële groei zijn voor een gewoon mens eigenlijk niet voor te stellen. Zo’n verdubbeling op een verdubbeling gaat al heel snel ons voorstellingsvermogen te boven. Je zou je voor moeten stellen dat een Boeing 747, met een nieuwprijs in 1974 van meer dan 150 miljoen euro, nu te koop is tegen een nieuwprijs van 15 euro. En het is niet alleen allemaal veel goedkoper geworden, maar ook veel kleiner. Het is een raar voorbeeld, maar alle passagiers zouden nu passen in een Boeing ter grootte van een luciferdoosje. Of als de Wet van Moore zou gelden voor auto's, zou je nu een Rolls-Royce kunnen kopen


voor één eurocent. Die Rolls zou 100 miljoen kilometer lopen op één liter benzine. De motor zou genoeg energie leveren voor heel Nederland. En je kon er gemakkelijk een paar miljoen in een luciferdoosje stoppen. Deze gigantische prijsdalingen vormen de drijvende kracht achter de digitalisering van de wereld om ons heen. In bijna alle elektrische apparaten zitten nu chips en bijna allemaal zijn ze ook in prijs gedaald. (Of ze kunnen meer voor hetzelfde geld). Dat geldt voor auto’s, telefoons, videorecorders, televisies, centrale verwarmingsketels, maar ook voor de machines die onze andere spullen maken. En dat proces gaat nog verder, totdat chips vrijwel niets meer zullen kosten en (dat zijn de voorspellingen) straks overal in zullen zitten. Van schoenen tot stropdassen en van pakken koffie tot koffiezetapparaten. Van overhemden, keukenpapier en gloeilampen tot zakjes drop. Die chips kunnen dan met elkaar communiceren. Apparaten en producten worden dan ‘intelligent’ en kunnen met elkaar gegevens uitwisselen. Het leven wordt daardoor steeds gemakkelijker en steeds aangenamer. De gevolgen van de Wet van Moore worden nog versterkt door twee soortgelijke ontwikkelingen. De eerste daarvan is de snelle prijsdaling van opslagcapaciteit voor digitale informatie. 20 jaar terug moest ik de informatie op mijn pc nog wegschrijven op grote en dure floppy’s waarop 360 kilobyte aan informatie paste. Daarna volgden diskettes met 720 Kb en later 1440 Kb ofwel 1,4 Megabyte. Ook de eerste harde schijven waren nog heel duur en konden nauwelijks meer dan 20 Mb informatie bevatten. En daarna ging het steeds sneller. De prijs van harde schijven is de laatste twintig jaar zelfs nog sneller gedaald dan de prijs van computerchips en de opslagcapaciteit van harde schijven wordt nu al uitgedrukt in Terrabytes en dat bij steeds verder dalende kosten. De tweede hiermee samenhangende ontwikkeling is de prijsdaling en snelheid van transport van digitale informatie. De eerste modems voor de consumentenmarkt verschenen ook zo’n 20 jaar terug en waren voor hedendaagse begrippen ongelofelijk traag. De glasvezelnetten zoals die nu ook voor de consumentenmarkt worden aangelegd, kunnen in theorie in één seconde een praktisch onbeperkte hoeveelheid informatie doorgeven. Deze tweede ontwikkeling zien we bijvoorbeeld terug in de prijs van internationale telefoongesprekken. Een gesprek met de USA kost op dit moment zo’n 15 cent per minuut, terwijl het nog maar enkele jaren geleden bijna 2 euro kostte. Daarom kunnen we de Wet van Moore ook uitbreiden tot de prijs van digitale opslagcapaciteit en van communicatiecapaciteit. Die voortdurende prijsdaling is de drijvende kracht achter de digitale revolutie van de laatste veertig jaar. Ik wil daarom de Wet van Moore uitbreiden tot wat ik de 1e Wet van de Informatiesamenleving noem. Voluit luidt deze dan:

De 1e Wet van de Informatiesamenleving: Computerkracht, opslagcapaciteit en digitale transportcapaciteit worden al meer dan 40 jaar iedere 18 maanden de helft goedkoper. Deze 1e Wet van de Informatiesamenleving is een belangrijke verklaring voor de voortdurende versnelling in de informatisering. Overigens zal dat proces van voortdurende prijsdalingen naar verwachting zeker de komende 10 jaar nog gewoon verder gaan. Dan is er nog een tweede, minder bekende wet, die genoemd is naar Metcalfe. Deze wet staat ook wel bekend als de Wet van de toenemende meeropbrengsten. Deze wet beschrijft hoe apparaten die in een netwerk met elkaar communiceren, hun waarde ontlenen aan de grootte van het netwerk. Volgens deze wet neemt de waarde van een netwerk kwadratisch toe met het aantal aangesloten apparaten, of eenvoudig gezegd, hoe meer apparaten onderdeel zijn van het netwerk, hoe meer waarde het netwerk heeft voor de gebruikers. Aan één losse telefoon, bijvoorbeeld, heb je niets, want er is dan niemand om mee te praten. Pas als er twee telefoons met elkaar worden


verbonden zijn ze nuttig. Je kunt dan bellen en gebeld worden. Komt er nu nog een telefoon bij dan vergroot deze het nut van die twee andere telefoons. En dat gaat verder met vier telefoons en zo verder. Iedere uitbreiding van het netwerk vergroot zo het nut van de andere telefoons, faxen, internetaansluitingen, e-mailadressen, et cetera. De Wet van Moore en de Wet van Metcalfe versterken elkaar onderling. Goedkopere computerkracht maakt immers telefoons, pc’s en andere apparaten goedkoper en dat versnelt weer de uitbreiding van het netwerk. Een groter netwerk betekent weer schaalvergroting en geeft dus weer ruimte voor verdere prijsdalingen. Door de werking van de Wet van Moore en de Wet van Metcalfe worden de kopieerkosten en de verspreidingskosten van informatie steeds lager. Informatie kan steeds sneller, goedkoper en makkelijker over de wereld worden verspreid. Ik zou dat dan ook de 2e Wet van de Informatiesamenleving willen noemen.

De 2e Wet van de Informatiesamenleving: Informatie gaat steeds sneller, goedkoper en gemakkelijker de wereld rond.

Netwerktheorie en het verspreiden van informatie Tot zover dus het ontstaan van communicatie netwerken op aarde. Deze worden steeds efficiënter in het verspreiden van informatie. Dan nu de netwerktheorie. Binnen een zwerm vogels, een groep mensen of elk ander systeem dat bestaat uit levende wezens wordt voortdurend informatie uitgewisseld. Dat maakt het mogelijk om als de leden van groep het gedrag op elkaar af te stemmen. We hebben het dan eigenlijk over netwerken en netwerkeffecten. De netwerktheorie is een onderdeel van de wiskunde en biedt verrassende inzichten in de manier waarop informatie zich binnen groepen verspreid.

De netwerktheorie is oorspronkelijk afkomstig uit de geografie. Men ontdekte daar dat transportbedrijven (zoals luchtmaatschappijen of logistieke dienstverleners) hun lijndiensten bij voorkeur organiseren in hub-and-spoke netwerken om zo een maximaal aantal overstapmogelijkheden te creëren. Later zijn deze relaties ook wiskundig beschreven en zo werd de netwerktheorie een onderdeel van de wiskunde. In de netwerktheorie worden verschillende soorten netwerken onderscheiden afhankelijk van het aantal en het soort onderlinge relaties. We kennen allemaal de netwerken waarin vanuit een centraal punt alle informatie wordt verspreid. Dit is het traditionele netwerk dat we kennen uit de massamedia, zoals kranten, radio en tv. Ook de kansel, gecentraliseerde wereldrijken en top-down georganiseerde bedrijven en organisaties gedragen zich op deze manier. Ook daar wordt de informatie vanuit het centrum verspreid naar alle onderdelen van het netwerk. We spreken dan ook wel van hiërarchische of centralistische netwerken. Alle informatie wordt vanuit het centrum naar de individuele leden van het netwerk verspreid en omgekeerd gaat alle informatie van de afzonderlijke onderdelen terug naar het centrum. De kracht van zo’n netwerk wordt bepaald door het aantal ontvangers, abonnees of leden van het netwerk. Dit staat wel bekend als de Wet van Sarnoff. David Sarnoff was ooit de CEO van RCA (Radio Corporation of


America). Hij formuleerde de regel dat de waarde van een centralistisch netwerk gelijk is aan het aantal leden van het netwerk. En inderdaad wordt de waarde van een krant of tijdschrift nog steeds afgeleid van het aantal abonnees en de waarde van een omroepvereniging van het aantal leden. Een variant op deze vorm van communicatie is het gedecentraliseerde netwerk. Hierbij is er nog steeds sprake van een centraal punt, maar dit centrale punt bedient verschillende decentrale knooppunten. Een gedecentraliseerd netwerk is minder kwetsbaar dan een gecentraliseerd netwerk. Het centrum raakt minder snel overbelast en het eventueel wegvallen van het centrum betekent niet meteen dat alle communicatie wegvalt. Informatie in zo’n gedecentraliseerd netwerk hoeft ook niet altijd via het centrum te verlopen als het binnen een decentraal deel van het netwerk kan worden afgehandeld. Geen wonder dat de vliegtuigmaatschappijen en transportbedrijven al vroeg kozen voor het hub and spokes model. Dit model zien we ook toegepast in multinationals met een centraal hoofdkantoor naast de lokale vestigingen. Ook de RK kerk is een mooi voorbeeld van zo’n gedecentraliseerd netwerk. Naast deze vormen van traditionele massacommunicatie bestaat er echter nog een eeuwenoude vorm van massacommunicatie. Namelijk de peer-to-peer communicatie. Dit is de vorm die we kennen van de dorpspomp, het verjaardagsfeestje of de koffieautomaat. “Heb je het al gehoord?” In een peer-to-peer, of gedistribueerd netwerk ontvangen alle onderdelen van het netwerk de informatie via de onderdelen in hun onmiddellijke nabijheid. Deze vorm van communicatie is minder snel, in een aantal opzichten minder betrouwbaar, maar fungeert ook al van oudsher als bron van informatie. Als een deel van het netwerk wegvalt, blijft de rest gewoon door functioneren. Dat is een groot voordeel in onzekere tijden. Informatie die via-via in een gedistribueerd netwerk tot ons komt is echter niet altijd even betrouwbaar. Wie kent niet het beroemde spelletje waarbij de deelnemers in een kring een bepaalde zin aan elkaar moeten door fluisteren? Onderweg kunnen “de paarden die dit jaar al vroeg op stal stonden” makkelijk veranderen in “het paar dat vroeg om een broodje halal” of nog vreemdere mutaties. Naast slecht luisteren kunnen ook de menselijke neiging tot overdrijven en dramatisering en onze slechte geheugens makkelijk leiden tot vervorming van de oorspronkelijke boodschap. Vreemd genoeg wordt de informatie uit deze bron echter door veel mensen als betrouwbaarder aangeslagen dan de ‘formele’ top down informatie.

Superefficiënte informatienetwerken Er bestaat een netwerk met een nog hogere waarde; het Internet. Op het internet kunnen alle deelnemers in principe rechtstreeks met alle andere deelnemers communiceren. We zagen hiervoor al hoe de wet van Metcalfe beschrijft hoe de onderdelen die in een interactief netwerk met elkaar communiceren, hun waarde ontlenen aan de omvang van het netwerk. Volgens deze wet neemt de waarde van een netwerk kwadratisch toe met het aantal aangesloten elementen. Iedere uitbreiding van het netwerk vergroot immers het nut van alle andere onderdelen van het netwerk. We noemen zo’n netwerk, waarin alle onderdelen rechtstreeks met alle andere onderdelen kunnen communiceren wel een netwerk van de 2e orde, als onderscheid ten opzichte van een centralistisch netwerk, dat we daarom ook wel een netwerk van de 1e orde noemen. Wanneer binnen een interactief netwerk ook nog eens sprake is van subgroepen, die ook weer onderling met elkaar verbonden zijn, neemt de waarde van het netwerk niet kwadratisch toe, maar exponentieel. Dit staat bekend als de Wet van Reed. David Reed was ooit werkzaam bij HP en bij het MediaLab. Hij was de eerste die het belang in zag van de zogenaamde ‘weak ties’ (de zwakke verbindingen buiten de eigen groep) en deze in een wiskundige formule wist te gieten. In dit soort netwerken


bestaan verbindingen tussen mensen die zich nader verbonden voelen bij elkaar in subgroepen van ‘peers’ (de sterke verbindingen). Voordat mensen in dit soort netwerken een keuze maken of zich een mening vormen, gaan ze vaak eerst te rade bij de leden van hun subgroep, hun ‘peers’. Deze invloedrijke peers vormen hun referentiegroep. Omdat groepen nooit helemaal samenvallen, hebben deze peers ook weer contacten met personen die niet tot deze groep behoren. Via deze weak ties zijn ze zo indirect ook weer verbonden met andere groepen. De kracht van dit soort netwerken is vele malen groter dan die van netwerken met een centrale ‘zender’. Een mooie illustratie van die kracht is het zogenaamde ‘six handshakes’ effect. Volgens dit mechanisme zijn alle mensen op de aarde maximaal zes handshakes van elkaar verwijderd. Iedereen kent iedereen via maximaal zes andere mensen. In een wereld met 7 miljard mensen is de sociale afstand tussen mensen daarmee vrij kort. Het wil niet alleen zeggen dat een willekeurige lezer gemiddeld via slechts zes tussenliggende personen een connectie heeft met bijvoorbeeld Obama of Poetin, maar ook dat hij eenzelfde korte verbinding kan leggen naar een willekeurige nomade op de Mongoolse steppe of een Bosjesman in de Kalahari Woestijn. Dit soort netwerken noemt men ook wel gedistribueerde interactieve netwerken of netwerken van de 3 e orde. Sociale netwerken zoals Facebook en Twitter zijn gedistribueerde interactieve netwerken. In centrale of hiërarchische netwerken is er één boodschap voor alle aangesloten deelnemers aan het netwerk. In interactieve netwerken zijn alle deelnemers onderling met elkaar verbonden. In gedifferentieerde interactieve netwerken participeren alle deelnemers in meerdere elkaar overlappende subgroepen. Het interessante voor het verspreiden van ideeën, opvattingen, nieuwe modes of meer in het algemeen van memen is nu dat de we tegenwoordig leven in de tijd van web 2.0 waarin we gebruik maken van een combinatie van netwerken. Radio en TV zijn ‘oude’ netwerken van de 1e- orde met een centrale zender en één boodschap voor alle ontvangers. De telefoon, email en andere web 1.0.-toepassingen vormen interactieve netwerken van de 2 e-orde. Alle ontvangers kunnen immers ook zender zijn en met elkaar contact zoeken. Bij web 2.0. is sprake van communities en sociale netwerken. De deelnemers aan deze netwerken maken tegelijkertijd ook weer deel uit van verschillende subgroepen of sociale netwerken binnen het grote netwerk. Web 2.0. is een voorbeeld van een netwerk van de 3e- orde, met een hoge mate van contact en een hoge dichtheid. Binnen web 2.0. of binnen sociale netwerken kan informatie zich razendsnel verspreiden, veel sneller dan binnen een web 1.0. of een centralistische of hiërarchisch netwerk. We kunnen de waarde van de netwerken ook wiskundig formuleren. In gewone taal staat hieronder dat de waarde van een netwerk toeneemt met het aantal deelnemers. De waarde van een sociaal netwerk of gedistribueerd interactief netwerk, zoals het internet neemt zelfs exponentieel toe met het aantal deelnemers. Centralistisch netwerk Interactief netwerk (internet) Social media

: waarde is (n) : waarde is (n²) : waarde is (2ⁿ)

(waarbij n gelijk is aan het aantal deelnemers) Deze waarde kun je in geld uitdrukken, maar eigenlijk gaat het om de efficiency waarmee informatie binnen zo’n netwerk kan worden verspreid. Dat laatste is vooral interessant voor mensen die sociale processen willen sturen. Binnen iedere subgroep zijn invloedrijke peers (opinieleiders) die in hoge mate bepalend zijn voor de meningsvorming binnen deze subgroep. Tussen de subgroepen in functioneren de connectors die informatie en ideeën van de ene subgroep naar de andere subgroep overdragen. Zij vormen met hun ‘weak ties’ de verbindingen tussen de verschillende subgroepen. Het


herkennen van deze netwerken en het vervolgens aansluiten bij deze netwerken is een veel effectievere strategie dan het ‘domweg’ uitzenden van één centrale boodschap via de massamedia. De ‘zender’ die er in slaagt om zijn boodschap via connectors te verspreiden, heeft een boodschap die precies past in de wensen en ideeën van de verschillende subgroepen. Zo’n ‘2.0.’ zender krijgt een veel groter bereik dan de traditionele zender. De netwerktheorie beschrijft de efficiency waarmee informatie zich via informatienetwerken verspreidt over onze planeet. We leven allemaal in zulke informatienetwerken. Netwerken van de 1 e, 2e, en zelfs van de 3e orde. Tijdens een groot muziekfestival, zoals DanceValley of Mysteryland, maken we onderdeel uit van een peer-to-peer netwerk als we ons laten beïnvloeden door de festivalgangers om ons heen, van de netwerk van de 1e orde als we ons laten beïnvloeden door muziek van de DJ en van de 3e orde als we via onze smartphone contact houden met onze vrienden elders. Kennis van de eigenschappen en de effectiviteit van de verschillende typen informatienetwerken is een uiterst nuttig instrument om informatie effectief te verspreiden en zo de publieke opinie, of de opvattingen en interesses binnen een groep te beïnvloeden.

Waarom het internet een super efficient informatie netwerk is  

Internet is veel effcienter dan 'oude' netwerken. Waarom? Een stukje netwerktheorie geeft inzicht.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you