Issuu on Google+

Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena - verspreidingsatlas 2000 t/m 2007 -

Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Colofon © Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur 2010. Informatie uit deze uitgave mag worden overgenomen, wanneer als volgt aan deze uitgave wordt gerefereerd: Natuurbeschermingvereniging Altenatuur. 2010. Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena, verspreidingsatlas 2000 t/m 2007. Altenatuur.

Samenstelling: E.J. van Haaften Foto’s: C. van Elzelingen, E.J. van Haaften, J. van Haaften, B. Verhoeven Waarnemers: C. van Andel, R. van Beem, A. van den Berg, Fam. Boot, J. van’t Bosch, L. Bruining, E. Capelle, J. van Diggelen, E.J. van Haaften, J. van Haaften, L. van Haaften, W. de Haas, A. van der Herik, J. Koekkoek, H. Kraaij, H. van Krieken, R. Mulder, T. Muusse, A. van der Pluijm, J. Pollema, R. Punt, M. Renders, P. van Ruth, H. Schalk, M. Sijberden, P. Stierman, IJ. van Straaten, H. Talsma, H. Tromp, T. van Tuijl, B. Verhoeven, A. Veth


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena - verspreidingsatlas 2000 t/m 2007 -


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

3 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Inhoudsopgave Voorwoord ................................................................................................................................. 6 1.

Inleiding .......................................................................................................................... 8

2. 2.1 2.2

Gebiedsbeschrijving....................................................................................................... 10 Begrenzing onderzoeksgebied.................................................................................... 10 Landschapstypen ........................................................................................................ 10 2.2.1 Zeekleilandschap.................................................................................................. 10 2.2.1 Stroomruglandschap ............................................................................................ 10 2.2.1 Komkleilandschap................................................................................................ 12 2.2.1 Uiterwaardenlandschap........................................................................................ 12

3. 3.1 3.2

Methode ......................................................................................................................... 14 Doelstelling................................................................................................................. 14 Werkwijze................................................................................................................... 14

4. 4.1 4.2

Resultaten....................................................................................................................... 16 Aantal waarnemingen en onderzoeksintensiteit ......................................................... 16 Resultaten dagvlinders................................................................................................ 20 4.2.1 Waargenomen soorten ......................................................................................... 20 4.2.2 Soortenrijkdom .................................................................................................... 21 4.3 Resultaten libellen....................................... ............................................................... 24 4.3.1 Waargenomen soorten ......................................................................................... 24 4.3.2 Soortenrijkdom .................................................................................................... 24 5. 5.1 5.2 5.3

Soortbesprekingen.......................................................................................................... 28 Toelichting op de soortbesprekingen.......................................................................... 28 Dagvlinders................................................................................................................. 29 Libellen....................................................................................................................... 56

6.

Tot besluit ...................................................................................................................... 96

Literatuur................................................................................................................................ 100

4 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

5 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Voorwoord Deze verspreidingsatlas gaat over de dagvlinders en libellen die in het Land van Heusden en Altena voorkomen. Het gaat niet goed met de vlinders in ons land horen en lezen we steeds. Op voorhand kan ik u zeggen dat het bij ons gelukkig meevalt. In het Grieks betekent het woord psyche zowel 'vlinder' als 'ziel'. Voor mij vormen de dagvlinders de ziel en het hart van de natuurbescherming. De complexiteit van de levenscyclus en de specialisatie van zowel de rups op zijn waardplant en in mindere mate het imago op zijn voedselplanten, brengen met zich mee dat de meeste vlindersoorten erg kritisch zijn op hun leefomgeving. Bovendien is er een sterke afhankelijkheid van het weer en zijn sommige soorten blauwtjes aangewezen op mieren omdat hun rupsen in mierennesten overwinteren. Al die afhankelijkheden maken vlinders erg kwetsbaar. Het jaarlijks voorkomen van bijvoorbeeld een Oranjetip in een bepaald gebied, betekent dat er aan een omvangrijk complex van eisen aan de leefomgeving is voldaan. Vlinders zijn als het ware thermometers die rondfladderend de gezondheid van de natuur aangeven. Namen van libellen geven aan dat men ze vroeger gevaarlijk vond, denk aan paardenbijter, dragonfly, augenstecher. In de symboliek worden libellen vanouds zelfs geassocieerd met zonde en kwaad. Ook voor deze bijzondere insecten geldt dat ze indicatief zijn voor milieukwaliteit. Een groot deel van hun levenscyclus (larvestadium) speelt zich af in sloot en plas waarvoor ze gezond water nodig hebben. In tegenstelling tot de vlinders gaat het de libellen in onze streek redelijk voor de wind. Kennelijk is de waterkwaliteit in onze omgeving de afgelopen decennia zo toegenomen dat er maar liefst 38 soorten werden aangetroffen! Niemand weet welke soorten er 40 jaar geleden hier voorkwamen. Ik weet alleen dat ik ze in mijn jeugd (jaren zestig) best veel zag, dat dit later minder werd en dat je ze nu weer meer ziet. Ziehier in een zin aangetoond wat het belang van nauwkeurige inventarisatie is: wat is 'best veel', 'minder' en 'meer' als je niet eens de soorten kent? Het is dit jaar ongeveer 30 jaar geleden dat Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur werd opgericht. Naast bescherming van de natuur in onze streek en educatie, het bijbrengen van natuurkennis aan zoveel mogelijk streekgenoten, was inventarisatie een van de speerpunten waar de vereniging zich voor zou gaan inzetten. Het Land van Heusden en Altena was een witte vlek op de kaarten van inventarisatieatlassen waarvan toen de eersten verschenen. Het werd hoog tijd dat onze streek wat betreft natuurwaarden 'op de kaart zou worden gezet'. In de jaren die volgden lukte dat aardig: we leverden bijdragen aan de SOVON Atlas van de Nederlandse vogels, vlinders werden in kaart gebracht voor de Vlinderstichting en door planteninventarisaties werden bijdragen geleverd aan het FLORON-project. Het rapport dat u nu in handen heeft gaat veel verder dan een bijdrage van Altenatuurleden aan een landelijk inventarisatie project. Voor de eerste maal zijn we er in geslaagd een inventarisatieatlas te maken die uitsluitend onze streek betreft. In de periode 2000 tot 2007 zijn er gigantisch veel waarnemingen van dagvlinders en libellen in onze omgeving verzameld die een compleet verspreidingsbeeld opleveren van de verschillende soorten. Voor de vlinders betekent dit een vernieuwd en meer compleet beeld dan in eerdere 6 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

atlassen werd gepubliceerd (Tax, 1989; Bos e.a. 2006). Voor het eerst kunnen we nagaan hoe het voorkomen van een diergroep, de dagvlinders in dit geval, in dertig jaren is veranderd in onze streek. Voor de libellen is dit atlasrapport het eerste complete beeld dat verschijnt voor ons gebied. In de Atlas van de libellen van Nederland (NVL, 2002) dat inventarisaties 1997 bevat, is onze streek nog steeds de gehate witte vlek op de kaart. In tegenstelling tot hoe we ooit begonnen met het opsturen van waarnemingskaartjes naar SOVON en het insturen van nog ingewikkelder formulieren in drievoud naar de Vlinderstichting, is dit inventarisatieproject verregaand gedigitaliseerd tot stand gekomen. Initiator van en grote motor achter dit project, Ernst-Jan van Haaften, heeft vanaf het begin bestanden met waarnemingen bijgehouden en die uiteindelijk vertaald in verspreidingskaartjes op de schaal van kilometerhokken. Veel gegevens werden via Email aangeleverd en direct in spreadsheets opgenomen. Dank allereerst aan alle waarnemers voor het aanleveren van gegevens. Uiteindelijk zijn eindoverzichten over 8 jaren samengesteld en is voor elke waargenomen vlinder- en libellensoort een verspreidingskaartje en een beschrijving over uiterlijk en voorkomen opgenomen. Tenslotte werden ook nog van verschillende soorten foto's opgenomen zodat u een beeld bij de soort krijgt. Het mag dan in hoge mate gedigitaliseerd zijn, het blijft monnikenwerk om alles nauwkeurig bij te houden en uit te werken. Al deze werkzaamheden heeft ErnstJan als enige auteur van dit rapport uitgevoerd. Het bestuur van Altenatuur brengt hem daarom alle lof en dank voor zijn grote inzet en de vele uren werk die hij belangeloos heeft besteed. Het eindresultaat is het schitterende rapport dat nu voor u ligt. Deze verspreidingsatlas is een benchmark, een soort nulmeting voor beide insectengroepen aan het begin van de 21e eeuw. Ik spreek de hoop uit dat we bij een herhaling van dit project, ergens in het decennium tussen 2020 en 2030, de meeste van de hier beschreven soorten opnieuw zullen aantreffen en hopelijk ook nog nieuwe. Natuurbehoud is niets anders dan behoud van biodiversiteit. Laten we daar als Altenatuur aan blijven werken!

Jaap van Diggelen, voorzitter Altenatuur.

7 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

1 Inleiding Dankzij de inzet van een groot aantal waarnemers is het gelukt een overzicht te maken van de dagvlinders en libellen in het Land van Heusden en Altena. Van begin 2000 tot eind 2007 zijn duizenden waarnemingen verzameld. Dit rapport geeft een overzicht van de behaalde resultaten. Zo wordt duidelijk waar veel soorten voorkomen, maar ook op welke plaatsen er maar weinig te vinden zijn. Per soort zijn verspreidingskaartjes gemaakt en wordt in een begeleidende tekst aanvullende informatie gegeven over het voorkomen. De atlas is hiermee zeker ook een hulpmiddel om zowel beginnende als gevorderde vlinder- en libellenliefhebbers in contact te brengen met de grote variatie aan soorten die deze streek rijk is. Elke verspreidingsatlas levert naast informatie, ook vragen en reacties op. Er is gestreefd naar maximale betrouwbaarheid van de weergegeven informatie. Een atlas is echter nooit volledig. De kaarten geven per definitie ‘slechts’ de verspreiding van bekende waarnemingen. Laat het een uitdaging zijn om juist ook buiten het aangegeven gebied naar soorten te zoeken. Er valt nog veel te ontdekken! Hopelijk levert dit rapport u als lezer veel leesplezier. Maar vooral veel plezier bij het buiten kijken naar en genieten van onze vlinders en libellen!

8 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

9 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

2 Gebiedsbeschrijving 2.1 Begrenzing onderzoeksgebied Als uitgangspunt voor de begrenzing van het onderzoeksgebied is gekozen voor het werkgebied van Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur (zie ook Van Diggelen e.a., 1992). Dit omvat het Land van Heusden en Altena voor zover gelegen binnen de gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem. Om het onderzoeksgebied enigszins in omvang te beperken is ervoor gekozen het westelijke deel van de gemeente Werkendam buiten beschouwing te laten. Het gebied is daarmee begrenst door het Steurgat in het westen, de Boven-Merwede in het noorden, de Afgedamde Maas in het oosten en de Bergsche Maas in het zuiden (zie kaart 1). Het onderzoeksgebied is circa 181 km2 groot. 2.2 Landschapstypen Landschappelijk is het Land van Heusden en Altena in te delen in verschillende landschapstypen met elk hun eigen kenmerken. Deze kenmerken zijn vaak van invloed op het voorkomen van dagvlinders en libellen. Een eenvoudige indeling onderscheidt het zeekleilandschap, stroomruglandschap, komkleilandschap en uiterwaardenlandschap (zie kaart 2). 2.2.1 Zeekleilandschap Het gebied westelijk van de lijn Werkendam-Almkerk-Dussen kan worden gekarakteriseerd als een zeekleilandschap. Ook de dorpen Hank en Nieuwendijk liggen in dit gebiedsdeel. Het gebied is grotendeels open en in agrarisch gebruik. Het landgebruik bestaat voor een belangrijk deel uit grootschalige teelt van akkerbouwgewassen zoals graan, aardappelen en suikerbieten. Kenmerkende elementen zijn de kreken die door het gebied lopen. Voorbeelden hiervan zijn Steurgat, Bruine kil, Bakkerskil en Bleke kil. Door de hoog opgaande begroeiing langs de kreken hebben verschillende delen van het gebied een enigszins besloten karakter. Een opvallend gebied is de Aakvlaai waar natuurontwikkeling is gecombineerd met recreatie. 2.2.2 Stroomruglandschap De structuur van het oostelijk deel van het gebied wordt sterk bepaald door de ligging van verschillende stroomruggen. Van oudsher is de bebouwing op deze hoger gelegen delen geconcentreerd. De Almstroomrug is gevormd door de oeverwallen van het riviertje de Alm, welke slingerend van Giessen via Uitwijk en Waarhuizen naar Almkerk loopt. Enkele kilometers naar het noorden ligt de Rijswijkse stroomrug. In het zuiden van het gebied loopt de Dussense stroomrug van Wijk en Aalburg via Genderen, Eethen en Meeuwen naar Dussen. Vooral rond de dorpen is het landschap relatief kleinschalig. Het agrarisch landgebruik bestaat uit akkerbouw en veeteelt. De oppervlakte natuurgebied op de stroomruggen is zeer beperkt.

10 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Kaart 1 Het onderzoeksgebied 11 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

2.2.3 Komkleilandschap Tussen de stroomruggen zijn de komgronden gelegen. De bodem bestaat grotendeels uit rivierklei. Plaatselijk is de bodem venig. In het agrarisch landgebruik domineren melkveebedrijven, waardoor de oppervlakte grasland relatief groot is. Verschillende natuurgebieden liggen in dit landschapstype. In het noordelijk komgebied ligt het Uitwijksche Veld, een voormalige eendenkooi waarvan de gronden deels agrarisch worden gebruikt. In het zuidelijk komgebied liggen de fraaie reservaten Kornsche Boezem en Pompveld. Eerstgenoemd gebied bestaat uit wilgenbos, natte ruigten en goed ontwikkelde dotterbloemhooilanden. Het Pompveld is een gevarieerd moerasgebied met een eendenkooi, grienden, loofbos en natte graslanden.

Komkleilandschap tussen Dussen en Almkerk (foto EJvH). 2.2.4 Uiterwaardenlandschap De uiterwaarden vormen het overstromingsgebied van de rivieren. De verschillende uiterwaarden verschillen onderling sterk in karakter en gebruik. Langs de Bergsche Maas bestaan de uiterwaarden volledig uit grasland en zijn in agrarisch gebruik. De buitendijkse gebieden langs de Afgedamde Maas hebben verschillende functies: de Wijksche Waard is in agrarisch gebruik; de Veense putten zijn als recreatiegebied ingericht en de Struikwaard is een natuurontwikkelingsgebied. Langs de Boven-Merwede zijn deze gebruiksvormen ook aanwezig. De Groesplaat en Sleeuwijkerwaard zijn natuurgebied. Tussen beide gebieden ligt een jachthaven. De gorzen tussen Sleeuwijk en Werkendam zijn natuurgebied. Uiterwaard de Kwellingen / de Cloppenwaard bij Werkendam is in agrarisch gebruik. De dynamiek van de rivier zorgt voor speciale omstandigheden waardoor vaak bijzondere natuurwaarden aanwezig zijn. 12 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Kaart 2 Indeling in landschapstypen (naar Sonneveld, 1958).

Uiterwaardenlandschap in de Groesplaat bij Sleeuwijk (foto EJvH). 13 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

3 Methode 3.1 Doelstelling De doelstelling van deze inventarisatie was het per kilometerhok verkrijgen van een representatief beeld van de aanwezige dagvlinder- en libellensoorten. Daarmee is eveneens gestreefd naar een totaaloverzicht van alle in het gebied voorkomende dagvlinder- en libellensoorten en het verzamelen van kennis over het voorkomen en de verspreiding van deze soorten. 3.2 Werkwijze Het onderzoeksgebied is verdeeld in hokken van ĂŠĂŠn vierkante kilometer; zogenaamde kilometerhokken. Voor de beschrijving van de kilometerhokken is gebruik gemaakt van het systeem van Amersfoort-coĂśrdinaten. In totaal 212 kilometerhokken overlappen met het onderzoeksgebied. Om per kilometerhok een representatief beeld te krijgen van de aanwezige soorten is ernaar gestreefd elk kilometerhok meerdere keren, op verschillende momenten in het jaar te bezoeken. Binnen een kilometerhok zijn daarbij vooral de potentieel meest interessante plaatsen bezocht.

Waargenomen soorten dagvlinders en libellen tijdens de door Altenatuur georganiseerde 1001-soortendag in de Struikwaard (2005) zijn ook verwerkt in dit rapport (foto EJvH).

14 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Gedurende een bezoek aan een kilometerhok zijn gegevens verzameld over de voorkomende soorten door het verzamelen van zichtwaarnemingen. Een waarneming is de met zekerheid vastgestelde aanwezigheid van tenminste één exemplaar van een dagvlinder- of libellensoort op een bepaalde locatie op een bepaalde datum. Van elke waarneming zijn de volgende kenmerken verzameld: soortnaam, datum, locatie (in Amersfoort-coördinaten), geslacht/stadium, aantal individuen en waarnemer. De waarnemingen zijn voor het grootste deel verzameld door leden van Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur. Via oproepen in het ledenblad ’t Altenatuurtje zijn deze gevraagd waarnemingen door te geven. Na afloop van het project is op de website www.waarneming.nl gezocht naar aanvullende waarnemingen van met name de minder algemene soorten. Verschillende aanvullende waarnemingen zijn, met toestemming van de waarnemers, overgenomen ten behoeve van dit project. Alle waarnemers van wie de waarnemingen zijn gebruikt in de project zijn staan vermeld in de colofon van dit rapport. Alle opgenomen waarnemingen zijn via een eenvoudige procedure op juistheid gecontroleerd. Elke waarneming is beoordeeld op de combinatie van soort, datum en locatie. Speciale aandacht is hierbij uitgegaan naar de zeldzame soorten. Bij twijfel is navraag gedaan bij de waarnemer om de waarneming extra toe te lichten en eventueel gemaakte foto’s of een beschrijving door te geven. Alle waarnemingen zijn opgenomen in een Excel-spreadsheetbestand. Op basis van dit bestand zijn de overzichten in deze eindrapportage tot stand gekomen. De kaarten zijn gemaakt in ArcView. Alle waarnemingen zijn doorgeven aan De Vlinderstichting en EIS-Nederland, waarmee ze zijn opgenomen in de landelijke databestanden.

15 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

4 Resultaten 4.1 Aantal waarnemingen en onderzoeksintensiteit In de periode van 1 januari 2000 t/m 31 december 2007 zijn door 32 waarnemers (zie colofon) in totaal 5130 waarnemingen van dagvlinders en 4426 waarnemingen van libellen verzameld. Binnen de onderzoeksperiode zijn er grote verschillen in onderzoeksintensiteit tussen de verschillende jaren. Figuur 1 toont het aantal verschillende kilometerhokken per jaar waarin tenminste ĂŠĂŠn dagvlinder- of libellenwaarneming is verzameld. Het totaal aantal onderzochte kilometerhokken bedraagt 212. Duidelijk is dat vooral in de jaren 2003 t/m 2005 veel hokken zijn bezocht en dus veel waarnemingen zijn verzameld. De verschillen tussen de aantallen dagvlinder- en libellenwaarnemingen zijn gering. Dit is vooral een gevolg van het feit dat door de meeste waarnemers dagvlinder- ĂŠn libellenwaarnemingen zijn verzameld. Meer of minder activiteit van waarnemers leidt dan tot meer of minder waarnemingen van beide soortgroepen.

Het oranjetipje is elk jaar in klein aantal waargenomen (foto BV).

16 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

180 160 140 120 100

dagvlinders libellen

80 60 40 20 0 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

Figuur 1 Aantal onderzochte kilometerhokken per jaar.

Kaart 3 Onderzoeksintensiteit dagvlinders. Het aantal waarnemingsdagen per kilometerhok is ingedeeld in vier klassen: 1 of 2 dagen (kleinste stip), 3 of 4 dagen, 5 of 6 dagen en >6 dagen (grootste stip). 17 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Dat er grote verschillen zijn in onderzoeksintensiteit tussen de verschillende maanden is, gelet op de activiteitsperiode van de beide soortgroepen, niet onverwacht. Figuur 2 laat het aantal verschillende kilometerhokken per maand zien waarin tenminste één dagvlinder- of libellenwaarneming is verzameld. Duidelijk is dat in maart en april al volop dagvlinderwaarnemingen zijn verzameld, terwijl libellenwaarnemingen pas in mei op gelijk niveau komen. In de drie daarop volgende maanden zijn veel verschillende kilometerhokken bezocht. Aan het einde van de zomer, in september, loopt het aantal waarnemingen snel terug. De laatste waarnemingen zijn gedaan in november. Gedurende het inventarisatieproject zijn niet alle kilometerhokken even intensief onderzocht. Op de kaarten 3 en 4 is de onderzoeksintensiteit weergegeven. Per kilometerhok is het aantal dagen waarop tenminste één waarneming is genoteerd weergegeven. Hiertoe is dit aantal dagen ingedeeld in vier klassen: 1 of 2 dagen, 3 of 4 dagen, 5 of 6 dagen en >6 dagen. In alle kilometerhokken is tenminste eenmaal een dagvlinder- en libellenwaarneming genoteerd. In de best onderzochte kilometerhokken ligt het aantal waarnemingsdagen boven de 100.

De grote keizerlibel is de grootste libel in het Land van Heusden en Altena (foto EJvH).

18 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Grafiek 2 Aantal onderzochte kilometerhokken per maand.

Kaart 4 Onderzoeksintensiteit libellen. Het aantal waarnemingsdagen per kilometerhok is ingedeeld in vier klassen: 1 of 2 dagen (kleinste stip), 3 of 4 dagen, 5 of 6 dagen en >6 dagen (grootste stip).

19 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

4.2 Resultaten dagvlinders 4.2.1 Waargenomen soorten In totaal zijn 26 verschillende soorten dagvlinders waargenomen (zie tabel 1). Het klein koolwitje is in de meeste kilometerhokken waargenomen, gevolgd door oranje zandoogje, atalanta, klein geaderd witje en kleine vos. Het klein koolwitje is ook de soort waarvan de meeste waarnemingen zijn doorgegeven. Opvallend is dat meer dan 50% van alle waarnemingen betrekking heeft op de vijf meest algemene soorten. Een vrij grote groep soorten is in minder dan 10% van de kilometerhokken aangetroffen. Verschillende soorten hiervan zijn maar een enkele keer waargenomen. De gele luzernevlinder is zelfs maar eenmaal gezien. Nederlandse naam

wetenschappelijke naam

aantal hokken

aantal waarnemingen

1

Klein koolwitje

Pieris rapae

194 (91,5%)

846 (16,5%)

2

Oranje zandoogje

Pyronia tithonus

187 (88,2%)

374 (7,3%)

3

Atalanta

Vanessa atalanta

177 (83,5%)

647 (12,6%)

4

Klein geaderd witje

Pieris napi

170 (80,2%)

462 (9,0%)

5

Kleine vos

Aglais urticae

156 (73,6%)

463 (9,0%)

6

Zwartsprietdikkopje

Thymelicus lineola

134 (63,2%)

236 (4,6%)

7

Distelvlinder

Vanessa cardui

131 (61,8%)

288 (5,6%)

8

Argusvlinder

Lasiommata megera

129 (60,8%)

311 (6,1%)

9

Groot koolwitje

Pieris brassicae

113 (53,3%)

332 (6,5%)

10

Dagpauwoog

Inachis io

77 (36,3%)

257 (5,0%)

11

Icarusblauwtje

Polyommatus icarus

68 (32,1%)

161 (3,1%)

12

Bont zandoogje

Pararge aegeria

53 (25,0%)

140 (2,7%)

13

Gehakkelde aurelia

Polygonia c-album

50 (23,6%)

227 (4,4%)

14

Landkaartje

Araschnia levana

29 (13,7%)

64 (1,2%)

15

Boomblauwtje

Celastrina argiolus

28 (13,2%)

106 (2,1%)

16

Kleine vuurvlinder

Lycaena phlaeas

24 (11,3%)

58 (1,1%)

17

Oranjetipje

Anthocharis cardamines

24 (11,3%)

40 (0,8%)

18

Bruin blauwtje

Plebeius agestis

20 (9,4%)

31 (0,6%)

19

Koevinkje

Aphantopus hyperantus

19 (9,0%)

25 (0,5%)

20

Citroenvlinder

Gonepteryx rhamni

14 (6,6%)

19 (0,4%)

21

Koninginnepage

Papillio machaon

13 (6,1%)

21 (0,4%)

22

Oranje luzernevlinder

Colias croceus

9 (4,2%)

10 (0,2%)

23

Rouwmantel

Nymphalis antiopa

5 (2,4%)

6 (0,1%)

24

Bruin zandoogje

Maniola jurtina

2 (0,9%)

2 (0,04%)

25

Groot dikkopje

Ochlodes faunus

2 (0,9%)

3 (0,06%)

26

Gele luzernevlinder

Colias hyale

1 (0,5%)

1 (0,02%)

Tabel 1 Alle waargenomen dagvlindersoorten. Achter elke soort staat het aantal kilometerhokken waarin de soort is waargenomen en tussen haakjes het percentage ten opzichte van alle 212 kilometerhokken. In de laatste kolom staat het aantal waarnemingen van de soort en tussen haakjes het percentage ten opzichte van alle 5130 dagvlinderwaarnemingen.

20 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

4.2.2 Soortenrijkdom Tussen de verschillende kilometerhokken zijn grote verschillen in het aantal waargenomen soorten. In enkele gevallen zijn veel soorten gezien, soms echter slechts een paar. Deze verschillen zijn vooral te verklaren door de omgeving die bepaalt welke soorten kunnen voorkomen, maar voor een belangrijk deel ook door de ‘waarnemersactiviteit’ die bepaalt hoe vaak en goed het gebied geïnventariseerd is (zie ook hoofdstuk 4.1). Kaart 5 laat het aantal waargenomen soorten per kilometerhok zien. In algemene zin valt op dat de soortenrijke kilometerhokken veelal samenvallen met natuurgebieden of dorpen. In twee hokken zijn 22 soorten waargenomen. Dit zijn hok 126-425 (De Groesplaat tussen Sleeuwijk en Oudendijk) en hok 127-421 (De Alm tussen Almkerk en Uitwijk). In hok 124-420 (Almkerk) zijn 21 soorten genoteerd. In 14 kilometerhokken zijn tussen de 16 en 20 soorten gezien. De minst soortenrijke kilometerhokken zijn vooral gelegen in de open poldergebieden. Hier zijn weinig verschillende dagvlinderbiotopen aanwezig. Ook in de hokken waarvan maar een klein deel binnen het onderzoeksgebied ligt, zijn weinig verschillende soorten gezien. Het gemiddeld aantal waargenomen soorten per kilometerhok is 8,6.

Kaart 5 Soortenrijkdom dagvlinders. Het aantal soorten per kilometerhok is ingedeeld in vijf klassen: 1-5 soorten (kleinste stip), 6-10 soorten, 11-15 soorten, 16-20 soorten en >20 soorten (grootste stip).

21 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Het kilometerhok met de coรถrdinaten 127-421 (de Alm) is een van de twee meest soortenrijke dagvlinderhokken: er zijn 22 soorten waargenomen (foto Google Maps).

Het bont zandoogje is hier een groot deel van het jaar te vinden (foto EJvH). 22 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Ook goed beheerde bermen, zoals langs de Weerensteinweg tussen Werkendam en Nieuwendijk, zijn erg rijk aan dagvlindersoorten (foto EJvH).

Deze bermen zijn belangrijk als leefgebied voor het zeldzame bruin blauwtje (foto BV). 23 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

4.3 Resultaten libellen 4.3.1 Waargenomen soorten In totaal zijn 38 verschillende soorten libellen waargenomen (zie tabel 2). Het lantaarntje is in de meeste kilometerhokken waargenomen, gevolgd door bloedrode heidelibel, gewone oeverlibel en variabele waterjuffer. Van het lantaarntje zijn ook verreweg de meeste waarnemingen verzameld; bijna 20% van alle waarnemingen is van deze soort. De waarnemingen van de vier algemeenste soorten zijn samen zelfs meer dan 50% van alle libellenwaarnemingen. Maar liefst 19 libellensoorten zijn in minder dan 10% van de kilometerhokken gezien. Alle waarnemingen van deze 19 soorten zijn slechts 6% van alle waarnemingen. De zwervende pantserjuffer, tengere pantserjuffer, tengere grasjuffer, zuidelijke glazenmaker, metaalglanslibel en plasrombout zijn slechts in een kilometerhok aangetroffen.

De platbuik is regelmatig bij tuinvijvers waargenomen (foto JvH). 4.3.2 Soortenrijkdom Net als bij de dagvlinders zijn er grote verschillen in soortenrijkdom tussen de verschillende kilometerhokken. Een aantal gebieden springt er duidelijk uit als soortenrijk ten opzichte van de omgeving. Dit zijn met name gebieden waar een grote variatie aan watertypen te vinden is. Daarbij wordt juist in dit soort ‘interessante’ gebieden vaker naar libellen gekeken, waarmee deze twee factoren elkaar versterken (zie ook kaart 4 onderzoeksintensiteit libellen)

24 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Kaart 6 laat het aantal waargenomen soorten per kilometerhok zien. De meest soortenrijke hokken vertonen vaak een duidelijke overlap met de natuurgebieden. Het meest soortenrijke kilometerhok is 126-425 (de Groesplaat tussen Sleeuwijk en Oudendijk) met 31 soorten. In twee hokken zijn 24 soorten gezien. Dit zijn hok 127-421 (de Alm tussen Almkerk en Uitwijk) en hok 130-419 (het Pompveld bij BabyloniĂŤnbroek). In hok 131-423 (de Struikwaard bij Giessen/Rijswijk) zijn 23 soorten waargenomen. In zes hokken zijn 20 of 21 soorten gezien. Soortenarme kilometerhokken zijn vooral in de open poldergebieden aanwezig. Er is hier weinig variatie aan watertypen, waardoor het aantal soorten dat er zich thuisvoelt wordt beperkt. Per kilometerhok zijn gemiddeld 8,6 soorten libellen waargenomen, wat precies gelijk is aan het gemiddeld aantal waargenomen dagvlindersoorten.

Kaart 6 Soortenrijkdom libellen. Het aantal soorten per kilometerhok is ingedeeld in vijf klassen: 1-7 soorten (kleinste stip), 8-14 soorten, 15-21 soorten, 22-28 soorten en >28 soorten (grootste stip).

25 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Nederlandse naam

wetenschappelijke naam

aantal hokken

aantal waarnemingen

1

Lantaarntje

Ischnura elegans

205 (96,7%)

849 (19,2%)

2

Bloedrode heidelibel

Sympetrum sanguineum

191 (90,1%)

487 (11,0%)

3

Gewone oeverlibel

Orthetrum cancellatum

174 (82,1%)

491 (11,1%)

4

Variabele waterjuffer

Coenagrion pulchellum

152 (71,7%)

394 (8,9%)

5

Paardenbijter

Aeshna mixta

137 (64,6%)

251 (5,7%)

6

Steenrode heidelibel

Sympetrum vulgatum

108 (50,9%)

207 (4,7%)

7

Grote roodoogjuffer

Erythromma najas

104 (49,1%)

223 (5,0%)

8

Houtpantserjuffer

Lestes viridis

103 (48,6%)

208 (4,7%)

9

Kleine roodoogjuffer

Erythromma viridulum

103 (48,6%)

167 (3,8%)

10

Grote keizerlibel

Anax imperator

88 (41,5%)

170 (3,8%)

11

Bruine glazenmaker

Aeshna grandis

79 (37,3%)

150 (3,4%)

12

Watersnuffel

Enallagma cyathigerum

67 (31,6%)

121 (2,7%)

13

Glassnijder

Brachytron pratense

36 (17,0%)

78 (1,8%)

14

Vuurjuffer

Pyrrhosoma nymphula

31 (14,6%)

73 (1,6%)

15

Vroege glazenmaker

Aeshna isoceles

30 (14,2%)

45 (1,0%)

16

Blauwe glazenmaker

Aeshna cyanea

29 (13,7%)

83 (1,9%)

17

Platbuik

Libellula depressa

28 (13,2%)

98 (2,2%)

18

Viervlek

Libellula quadrimaculata

23 (10,8%)

40 (0,9%)

19

Bruinrode heidelibel

Sympetrum striolatum

22 (10,4%)

30 (0,7%)

20

Weidebeekjuffer

Calopteryx splendens

21 (9,9%)

38 (0,9%)

21

Azuurwaterjuffer

Coenagrion puella

19 (9,0%)

49 (1,1%)

22

Rivierrombout

Gomphus flavipes

13 (6,1%)

59 (1,3%)

23

Vuurlibel

Crocothemis erythraea

9 (4,2%)

16 (0,4%)

24

Gewone pantserjuffer

Lestes sponsa

8 (3,8%)

23 (0,5%)

25

Bruine korenbout

Libellula fulva

7 (3,3%)

19 (0,4%)

26

Smaragdlibel

Cordulia aenea

7 (3,3%)

13 (0,3%)

27

Zwervende heidelibel

Sympetrum fonscolombii

4 (1,9%)

4 (0,1%)

28

Zwarte heidelibel

Sympetrum danae

4 (1,9%)

4 (0,1%)

29

Geelvlekheidelibel

Sympetrum flaveolum

3 (1,4%)

4 (0,1%)

30

Beekrombout

Gomphus vulgatissimus

3 (1,4%)

3 (0,1%)

31

Blauwe breedscheenjuffer

Platycnemis pennipes

2 (0,9%)

8 (0,2%)

32

Bruine winterjuffer

Sympecma fusca

2 (0,9%)

2 (0,05%)

33

Zwervende pantserjuffer

Lestes barbarus

1 (0,5%)

10 (0,2%)

34

Zuidelijke glazenmaker

Aeshna affinis

1 (0,5%)

3 (0,1%)

35

Tengere grasjuffer

Ischnura pumilio

1 (0,5%)

2 (0,05%)

36

Metaalglanslibel

Somatochlora metallica

1 (0,5%)

2 (0,05%)

37

Tengere pantserjuffer

Lestes virens

1 (0,5%)

1 (0,02%)

38

Plasrombout

Gomphus pulchellus

1 (0,5%)

1 (0,02%)

Tabel 2 Alle waargenomen libellensoorten. Achter elke soort staat het aantal kilometerhokken waarin de soort is waargenomen en tussen haakjes het percentage ten opzichte van alle 212 kilometerhokken. In de laatste kolom staat het aantal waarnemingen van de soort en tussen haakjes het percentage ten opzichte van alle 4426 libellenwaarnemingen.

26 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Het kilometerhok met de coรถrdinaten 126-425 (de Groesplaat) is het meest soortenrijke libellengebied met 31 verschillende soorten (foto Google Maps).

Zwervende pantserjuffers zijn alleen in dit kilometerhok gevonden (foto EJvH). 27 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

5 Soortbesprekingen 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden alle waargenomen dagvlinder- en libellensoorten besproken. Van elke soort wordt een korte omschrijving gegeven (van het volwassen stadium) en de biotoop wordt kort genoemd. Vervolgens wordt het voorkomen en de status van de soort binnen Nederland en het Land van Heusden en Altena beschreven. Bij elke soort is een verspreidingskaart opgenomen waarop met een zwarte stip de kilometerhokken zijn aangegeven waarin de soort tussen 1-1-2000 en 31-12-2007 is waargenomen. Voor de teksten over de omschrijving van de soorten, de biotoop en de verspreiding en status binnen Nederland is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: Bink, 1992; Bos e.a. 2006; NVL, 2002, Van Swaay e.a., 2006, De Vlinderstichting, 2008 en De Vlinderstichting / Werkgroep Vlinderfaunistiek, 2008.

28 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Dagvlinders

29 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola) Omschrijving: Het zwartsprietdikkopje is met een lengte van 12-14 mm de kleinste dagvlindersoort in de regio. De vleugelkleur is egaal lichtbruin tot oranje. Deze soort is makkelijk te verwarren met het geelsprietdikkopje (T. sylvestris). Hoewel deze laatste in de regio niet is gevonden, is het voorkomen niet uit te sluiten. De kleur van de onderkant van de sprietknop biedt uitsluitsel bij het onderscheiden van beide soorten. Biotoop: Zwartsprietdikkopjes zijn vaak talrijk op ruige overhoekjes met een gevarieerde vegetatie. Daarnaast zijn ze ook in brede bermen of op dijken veel te vinden. Vooral de aanwezigheid van veel nectarrijke planten zoals akkerdistel (Cirsium arvense) jakobskruiskruid (Senecio jacobaea) en knoopkruid (Centaurea jacea) lijkt daarbij van belang. Als waardplant worden diverse grassoorten gebruikt. Voorkomen: Het zwartsprietdikkopje breidt zich binnen Nederland langzaam maar zeker uit en komt inmiddels bijna overal voor. In het Land van Heusden en Altena is het een algemene verschijning die op veel plaatsen is aangetroffen. In grote lijnen lijkt de soort op minder plaatsen en in lagere aantallen voor te komen in de open akkerbouwgebieden op zeeklei (bijvoorbeeld de Oostwaard), dan in het resterende gebied.

30 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Groot dikkopje (Ochlodes faunus) Omschrijving: Het groot dikkopje is een vrij kleine, donker-oranjekleurige vlinder. Op de bovenzijde van de vleugel zitten verschillende lichtere vlekjes. Bij het mannetje is een duidelijk zwart streepje, de geurstreep, op de vleugel zichtbaar. Het meest lijkt de soort op het veel algemenere zwartsprietdikkopje, maar deze is iets kleiner en egaler van kleur. Biotoop: Groot dikkopjes vliegen meestal op beschutte, vrij vochtige graslanden, ruigten, langs bosranden en boven wegbermen. Als waardplant worden diverse grassoorten gebruikt. In natuurgebied het Pompveld, op de belangrijkste vliegplaats, bestaat de biotoop uit beschut gelegen bloemrijk grasland. Voorkomen: In Nederland is het groot dikkopje een vrij algemene soort op de zandgronden. Op klei- en veengronden komt deze soort slechts weinig voor, wat het voorkomen in deze regio bijzonder maakt. Het groot dikkopje is regionaal een zeer zeldzame soort, welke uitsluitend binnen twee hokken tussen Waardhuizen en Babyloniënbroek is waargenomen. De linker stip op de kaart betreft een eenmalige waarneming van één vlinder in 2004. De rechterstip, in het Pompveld, heeft betrekking op meerdere waarnemingen; in 2003 werd één exemplaar gezien op een pad in de griend bij de eendenkooi. In 2007 werden tenminste vijf vlinders gezien op de Potkade.

31 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Gele luzernevlinder (Colias hyale) Omschrijving: De gele luzernevlinder is een middelgrote vlinder. De grondkleur is bleek- tot citroengeel. De vrij spitse voorvleugels hebben een opvallend donkere tekening. Op de achtervleugels is een klein en bleek oranje vlekje aanwezig. In rust houdt de vlinder de vleugels meestal gesloten bijeen. Biotoop: Gele luzernevlinders die ons land binnentrekken hebben een voorkeur voor vrij open gebieden met bloemrijke graslanden en ruigten. Ook de aanwezigheid van waardplanten, zoals luzerne (Medicago sativa) en rode klaver (Trifolium pratense), lijkt daarbij van belang. In deze regio voldoen natuurgebieden en de rivierdijken aan dit beeld. Voorkomen: In Nederland is de gele luzernevlinder een schaarse trekvlinder. De soort wordt jaarlijks in wisselende aantallen waargenomen. Gele luzernevlinders kunnen op verschillende plaatsen verspreid door het hele land worden waargenomen. De herkomst van de in Nederland waargenomen vlinders ligt waarschijnlijk in Zuidoost Europa. In het Land van Heusden en Altena is de soort sinds 2000 slechts eenmaal waargenomen; op 30 augustus 2005 was ĂŠĂŠn exemplaar aanwezig in natuurgebied de Struikwaard.

32 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Oranje luzernevlinder (Colias croceus) Omschrijving: De oranje luzernevlinder is een oranjegele vlinder van gemiddeld formaat. Vrouwtjes kunnen opvallend geel van kleur zijn. De zwarte rand langs de voorrand van de voorvleugels is bij mannetjes geheel zwart en bevat bij vrouwtjes gele stippen. De vlinder rust uitsluitend met gesloten vleugels. Biotoop: Oranje luzernevlinders zijn goede vliegers en kunnen daardoor in principe overal worden waargenomen. Tijdens deze trektochten worden de vlinders bijzonder aangetrokken door bloemrijke plaatsen zoals graslanden, ruigten en pioniervegetaties. De vlinders vinden hier nectar en waardplanten zoals rode klaver (Trifolium pratense). Voorkomen: De oranje luzernevlinder is een vrij schaarse trekvlinder, die vooral langs de kust en in Zuid-Nederland wordt waargenomen. De aantallen kunnen jaarlijks vrij sterk wisselen. In het Land van Heusden en Altena is de soort met tien waarnemingen in negen verschillende hokken zeldzaam te noemen. Van deze tien waarnemingen werden er negen gedaan in de jaren 2003 en 2004, blijkbaar goede trekvlinderjaren. Er is geen duidelijk patroon te vinden in de locaties waar de soort is waargenomen.

33 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Oranjetipje (Anthocharis cardamines) Omschrijving: Het oranjetipje is een vrij kleine vlinder. Het mannetje valt goed op door de oranje vleugelpunten. Bij vrouwtjes ontbreken de oranje vlekken waardoor ze makkelijk voor koolwitjes worden aangezien. De onderzijde van de achtervleugel biedt eenvoudig uitsluitsel. Het oranjetipje heeft hier een gemarmerde groene vlekkentekening. Biotoop: Oranjetipjes vliegen vooral boven vochtige, beschut gelegen graslanden en langs zonnige bosranden in een overwegend kleinschalige omgeving. In graslanden is pinksterbloem (Cardamine pratensis) de belangrijkste waardplant, langs bosranden is dit look-zonder-look (Alliaria petiolata). Voorkomen: Het oranjetipje komt door het hele land voor, maar is in Oost-Nederland aanmerkelijk talrijker dan in het westen. Regionaal lijkt het voorkomen zich te concentreren rond twee gebieden: In het Pompveld is het oranjetipje jaarlijks een vaste verschijning boven de natte graslanden en langs bospaden. Tussen Werkendam en Woudrichem is de soort in aanmerkelijk lagere aantallen aanwezig; de meeste stippen op de verspreidingskaart zijn hier gebaseerd op slechts ĂŠĂŠn of enkele waarnemingen. Dit laatste geldt ook voor de meer verspreide plaatsen waar het oranjetipje verder nog is gezien.

34 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Groot koolwitje (Pieris brassicae) Omschrijving: Het groot koolwitje is aanmerkelijk groter dan de andere witjes, een kenmerk waarmee ook langsvliegende groot koolwitjes zijn te herkennen. Ten opzichte van klein koolwitje (P. rapae) en klein geaderd witje (P. napi) is ook de verder doorlopende zwarte vleugelpunt langs de buitenste vleugelrand een goed kenmerk. Biotoop: Het groot koolwitje is een goede vlieger en kan daardoor op allerlei uiteenlopende plaatsen worden gezien. De waardplanten, diverse soorten kruisbloemigen, groeien in ruigten en langs bosranden. Daarnaast worden eitjes afgezet op gecultiveerde koolsoorten (Brassica sp.) welke in groentetuinen vaak volop te vinden zijn. Voorkomen: In Nederland behoort het groot koolwitje tot de zeer algemene soorten. Met een voorkomen in meer dan de helft van het aantal kilometerhokken in het Land van Heusden en Altena kan de soort in de regio algemeen worden genoemd. Groot koolwitjes zijn verspreid door het hele gebied waargenomen al lijkt de soort een voorkeur te hebben voor plaatsen waar een zekere variatie in het landschap en bijbehorende beschutting te vinden is. In open poldergebieden is de soort slechts in lage dichtheden of geheel niet aangetroffen.

35 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Klein koolwitje (Pieris rapae) Omschrijving: Het klein koolwitje is een vlinder van gemiddelde grootte. De grondkleur van de vleugels is crème-wit. De vleugeltip is grijs tot zwart. Vrouwtjes zijn van de mannetjes te onderscheiden door de donkere bestuiving van de vleugelbasis en de veel duidelijkere zwarte stippen op de bovenzijde van de vleugel. Biotoop: Het klein koolwitje is een niet-kritische vlindersoort welke overal kan worden gezien; in tuinen, boven wegbermen en dijken, langs akkers en in natuurgebieden. Een geschikte plaats om eitjes af te zetten, op diverse soorten kruisbloemigen, wordt vooral gezocht op beschutte plaatsen zoals in rommelige tuinen of aan bosranden. Voorkomen: Binnen Nederland is het klein koolwitje is de meest algemene standvlinder. De soort komt vrijwel overal voor. In het Land van Heusden en Altena blijkt dit niet anders te zijn. Er zijn maar liefst 846 waarnemingen van gedaan in 194 verschillende kilometerhokken. Het klein koolwitje wordt op deze beide punten door geen andere soort overtroffen.

36 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Klein geaderd witje (Pieris napi) Omschrijving: Het klein geaderd witje is een overwegend witte vlinder van gemiddeld formaat. De soort lijkt sterk op het verwante klein koolwitje (P. rapae). De aders op de onderzijde van de achtervleugels zijn echter duidelijk donker bestoven. Biotoop: Op allerlei plaatsen kunnen klein geaderd witjes worden gezien, zoals in tuinen, parken, langs bosraden en boven weilanden. De voorkeur van deze soort gaat uit naar gemiddeld vochtiger terreinen dan het klein koolwitje. Als waardplant worden vooral pinksterbloem (Cardamine pratensis) en look-zonder-look (Alliaria petiolata) gebruikt, maar ook diverse andere kruisbloemigen. Voorkomen: Het klein geaderd witje behoort met klein koolwitje, oranje zandoogje (Pyronia tithonus) en atalanta (Vanessa atalanta) tot de ‘zeer algemene’ soorten van het Land van Heusden en Altena. De soort kan vrijwel overal worden aangetroffen. De grootste aantallen worden gevonden in natuurgebieden en uiterwaarden. In tuinen en bermen lijkt het klein geaderd witje duidelijk in lagere aantallen voor te komen dan het klein koolwitje.

37 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) Omschrijving: Mannetjes van de citroenvlinder zijn opvallend citroengeel van kleur. Vrouwtjes zijn meestal duidelijk bleker, waardoor ze soms voor witjes worden aangezien. Op de onderzijde van de vleugels heeft de citroenvlinder een oranje stip. Wanneer de vlinder in rust met gesloten vleugels zit lijkt de soort sterk op een boomblad. Biotoop: De citroenvlinder komt vooral voor op plaatsen waar tenminste ĂŠĂŠn van de waardplanten sporkehout en wegedoorn (Rhamnus frangula en R. cathartica), voorkomen. Deze groeien vaak in bosranden, houtwallen, erfbeplantingen en plantsoenen. Overwintering vindt plaats in bossen en tuinen. De citroenvlinder is een zeer mobiele soort die daardoor ook op flinke afstand van de voortplantingsplaats kan worden gezien. Voorkomen: Hoewel de citroenvlinder in Nederland een algemene standvlinder is, blijkt de soort in het Land van Heusden en Altena vrij zeldzaam te zijn. Alleen in het Pompveld is de soort jaarlijks waargenomen wat een populatie in dit gebied aannemelijk maakt. Dit is mogelijk ook het geval in enkele dorpen waar meerdere waarnemingen zijn gedaan zoals in Dussen, Almkerk, Sleeuwijk en Wijk en Aalburg.

38 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas) Omschrijving: De kleine vuurvlinder behoort tot de kleinere soorten maar is vrij eenvoudig te herkennen. De voorvleugel is oranje met zwarte vlekjes. De achtervleugel is bruin met een oranje achterrand. Wanneer de vlinder met gesloten vleugels zit is de grijsbruine onderkant van de achtervleugels te zien. Biotoop: De kleine vuurvlinder is een soort die vooral in schrale graslanden en bloemrijke ruigten wordt gevonden. Vlinders zitten vaak op bloemen of op stukjes kale grond. Als waardplant worden veldzuring en schapenzuring (Rumex acetosa en R. acetosella) gebruikt. Voorkomen: Landelijk is de kleine vuurvlinder een algemene soort, die door het hele land voorkomt. Binnen het Land van Heusden en Altena komt de soort verspreid voor. De meeste waarnemingen zijn gedaan in natuurgebieden, ecologische verbindingszones, brede bermen en op dijken. In tuinen wordt de kleine vuurvlinder maar zeer zelden waargenomen.

39 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Boomblauwtje (Celastrina argiolus) Omschrijving: Het boomblauwtje heeft een zilverachtige tot blauwgrijze kleur op de onderkant van de vleugels en wordt daarom ook wel zilverblauwtje genoemd. De bovenkant van de vleugels is bij deze kleine vlinder lichtblauw gekleurd. Vooral het vrouwtje heeft brede zwarte vleugelpunten. Biotoop: Boomblauwtjes worden vooral aangetroffen in bossen, parken, tuinen en andere plaatsen met bosjes en struwelen. De rups kan worden aangetroffen op verschillende waardplanten waaronder sporkehout (Rhamnus frangula), klimop (Hedera helix) en grote kattenstaart (Lythrum salicaria). Voorkomen: Binnen Nederland is het boomblauwtje een algemene standvlinder die door het hele land voorkomt. Op basis van de verzamelde waarnemingen kan het voorkomen in het Land van Heusden en Altena als ‘schaars’ worden betiteld. De soort is in 28 verschillende kilometerhokken waargenomen. Boomblauwtjes zijn vooral aangetroffen in en de rond de dorpen, in tuinen en plantsoenen Daarbuiten zijn enkele waarnemingen gedaan in natuurgebieden. De soort komt in relatief lage dichtheden voor; bijna alle waarnemingen betreffen één exemplaar. In de open poldergebieden is het boomblauwtje niet aangetroffen; hier zijn de omstandigheden voor deze soort niet geschikt.

40 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Bruin blauwtje (Plebeius agestis) Omschrijving: Zowel het mannetje als vrouwtje heeft bruin gekleurde bovenvleugels. Meestal is langs de achterrand een duidelijke rij oranje vlekken aanwezig. Op de lichtbruine onderzijde bevindt zich een tekening met zwarte vlekken. De afwezigheid van wortelvlekken vormt het onderscheid met het icarusblauwtje (Polyommatus icarus). Biotoop: Het bruin blauwtje is een kenmerkende soort van vrij schrale graslanden met ooievaarsbek-soorten (Geranium sp.). Vaak zonnen de vlinders hier op stukjes kale grond of drinken op gele composieten zoals jakobskruiskruid (Senecio jacobaea) of klein streepzaad (Crepis capillaris). Voorkomen: In Nederland komt het bruin blauwtje vooral voor langs de kustduinen en in het rivierengebied. De soort is zeker niet algemeen en de aantallen zijn vaak laag. Dit laatste is ook het geval op de vliegplaatsen in het Land van Heusden en Altena. De biotoopeisen maken dat de soort op specifieke plaatsen wordt gevonden. Dit zijn vooral dijken, brede wegbermen, braakliggende bouwterreinen en zomerkaden of oeverwallen in de uiterwaarden.

41 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Icarusblauwtje (Polyommatus icarus) Omschrijving: Het icarusblauwtje is een kleine soort. De mannetjes zijn lichtblauw gekleurd. De vrouwtjes zijn bruin gekleurd, met soms een blauwe bestuiving over de vleugelbasis. De onderkant van de voorvleugel bevat twee wortelvlekken, een onderscheidend kenmerk ten opzichte van onder andere het bruin blauwtje (Plebeius agestis). Biotoop: Het icarusblauwtje is vooral te vinden in bloemrijke graslanden. Daarnaast kan deze soort ook in kruidenrijke ruigten en pioniersituaties worden aangetroffen. Verschillende algemene soorten uit de vlinderbloemigenfamilie worden als waardplant gebruikt, waaronder gewone rolklaver (Lotus corniculatus) en hopklaver (Medicago lupulina) Voorkomen: In Nederland komt het icarusblauwtje algemeen en wijdverspreid voor. Binnen het Land van Heusden en Altena is de voorkeur voor bloemrijke graslanden goed terug te zien in de verspreiding. De soort komt vooral voor langs de rivierdijken (en in uiterwaarden) van met name de Afgedamde Maas en Boven-Merwede. Op deze plaatsen kunnen ze zeer talrijk zijn. Daarnaast is de soort regelmatig aangetroffen in extensief beheerde en daardoor soortenrijke graslanden zoals brede wegbermen en in natuurgebieden. In tuinen worden icarusblauwtjes slechts weinig waargenomen.

42 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Dagpauwoog (Inachis io) Omschrijving: Vrij grote vlinder met opvallend uiterlijk. De bovenkant van de vleugels is roodbruin. Op zowel de voor- als achtervleugel is een duidelijke oogvlek aanwezig. De onderkant van de vleugels is egaal zwart van kleur. Biotoop: De dagpauwoog is een goede vlieger en daardoor op allerlei plaatsen tegen te komen. De soort bezoekt vaak tuinen waar ze onder andere veel op de vlinderstruik (Buddleja davidii) foerageren. Eitjes worden afgezet op grote brandnetel (Urtica dioica). Groeiplaatsen in vochtige omgeving hebben daarbij de voorkeur zoals waterkanten, vochtige graslanden, ruigten en bosranden. Voorkomen: Dagpauwogen komen in Nederland vrijwel overal voor. Binnen het Land van Heusden en Altena zijn dagpauwogen verspreid door het hele gebied waargenomen. Op de verspreidingskaart is te zien dat, uitzonderingen daargelaten, de waarnemingen vooral gedaan zijn in en rond de dorpen en in de natuurgebieden. In de open poldergebieden is de soort niet of nauwelijks gezien. Op verschillende, ogenschijnlijk geschikte plaatsen waar regelmatig naar vlinders is gekeken is de dagpauwoog niet aangetroffen, een teken dat de soort niet talrijk aanwezig is.

43 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Distelvlinder (Vanessa cardui) Omschrijving: De distelvlinder is een vrij grote soort. De grondkleur van de vleugelbovenzijde is geelbruin tot oranje met zwarte vlekjes. De punt van de voorvleugel is zwart met een witte vlekkentekening. De onderkant van de vleugels is voornamelijk bruin met wit gekleurd. Langs de achterrand zijn kleine oogvlekjes te zien. Biotoop: Deze trekvlinder uit Zuid-Europa kan goed vliegen en wordt daardoor op allerlei plaatsen aangetroffen. De vlinders foerageren veel in tuinen met een groot aanbod van bloeiende planten. Ook in ruigten met veel distels (Cirsium sp. en Carduus sp.) welke ’s zomers hier ook als waardplant kunnen worden gebruikt, kan deze soort vaak worden gevonden. Voorkomen: De distelvlinder is een zeer algemene trekvlinder die door het hele land wordt waargenomen. Ook in het Land van Heusden en Altena is de soort verspreid door het hele gebied waargenomen. Het jaar 2003 was een buitengewoon goed jaar voor de distelvlinder. Van de in totaal 288 waarnemingen zijn er 150 afkomstig uit dit jaar. Ter vergelijking: in de daaropvolgende jaren met vergelijkbare waarnemersactiviteit werden 24, 3, 39 en 45 waarnemingen gedaan. De soort is in vrijwel alle denkbare biotopen waargenomen zoals tuinen, natuurgebieden en open poldergebieden.

44 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Atalanta (Vanessa atalanta) Omschrijving: De atalanta is een vrij grote en opvallende vlinder. De grondkleur van de vleugels is zwart. Op de punt van de voorvleugel zijn enkele witte vlekken aanwezig. Meest in het oog springend is de brede oranje band die midden over de voorvleugel en langs de achterrand van de achtervleugel loopt. Biotoop: Deze trekvlinder kan op allerlei plaatsen worden waargenomen. De atalanta zoekt de geschikte waarplanten (grote en kleine brandnetel (Urtica dioica en U. urens)) vooral op plaatsen in de halfschaduw zoals aan bosranden. De vlinders foerageren op diverse nectarrijke bloemen en zijn in de herfst vaak drinkend op rottend fruit aan te treffen. Voorkomen: Atalanta’s zijn in het hele land zeer algemeen en worden de laatste jaren in toenemende mate overwinterend aangetroffen. Binnen het Land van Heusden en Altena is de soort eveneens zeer algemeen. De atalanta is jaarlijks op allerlei plaatsen aangetroffen. Net als bij de distelvlinder geldt dat ze in 2003 bovengemiddeld veel is gezien. Waarnemingen in tuinen en ruigten (vooral in de uiterwaarden) hebben vaak betrekking op foeragerende of zonnende exemplaren terwijl in open polders vaak vooral laagvliegende individuen worden gezien.

45 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Kleine vos (Aglais urticae) Omschrijving: De kleine vos is goed herkenbare vlinder van gemiddeld formaat. De bovenkant van de vleugels heeft een oranje-bruine (vosbruine) grondkleur. Langs de voorrand is een zwart-witte blokkentekening aanwezig terwijl langs de achterrand een rij blauwe vlekjes te zien is. De onderkant van de vleugels is donkerbruin met langs de rand een lichtbruin veld. Biotoop: In het voorjaar is de als vlinder overwinterende kleine vos vaak zonnend op beschutte plaatsen aan te treffen. Later kan deze goede vlieger overal worden waargenomen; drinkend op akkerdistels (Cirsium arvense) of op bloeiende tuinplanten of snel langsvliegend. Eitjes worden afgezet op grote brandnetel (Urtica dioica) groeiend in bosranden, verruigde terreintjes of slootkanten. Voorkomen: De kleine vos is binnen Nederland een zeer algemene standvlinder die door het hele land wordt waargenomen. Binnen het Land van Heusden en Altena is de soort op basis van waarnemingen in ruim 70% van de kilometerhokken algemeen te noemen. Als het gaat om het aantal waarnemingen neemt de kleine vos zelfs de derde plaats in. De hokken waar geen kleine vossen zijn waargenomen zijn met name open polders en dorpen waarvan geen, of slechts weinig tuinwaarnemingen bekend zijn.

46 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Landkaartje (Araschnia levana) Omschrijving: Het landkaartje is een vrij kleine vlinder. De voorjaarsgeneratie heeft een roodbruine grondkleur met vele zwarte vlekken. De zomergeneratie heeft een zwarte grondkleur met midden over de vleugels een witte band. Op de onderkant van de vleugels is een ingewikkelde, landkaartachtige tekening te zien. Biotoop: Ruige graslanden, ruigten en bosranden zijn de plaatsen waar het landkaartje meestal wordt aangetroffen. De vlinder lijkt een voorkeur te hebben voor wat vochtiger omstandigheden. In het Pompveld wordt de vlinder vaak waargenomen langs zonbeschenen paden welke grenzen aan bos of grienden. In uiterwaarden worden ze vooral in distelruigten gezien. Als waardplant gebruikt het landkaartje de grote brandnetel (Urtica dioica). Voorkomen: Het landkaartje komt door het hele land algemeen voor. Binnen het Land van Heusden en Altena is de soort in 29 kilometerhokken waargenomen en kan daarmee ‘schaars’ genoemd worden. De soort is vooral aangetroffen in natuurgebieden: voornamelijk in het Pompveld, enkele uiterwaarden en langs een aantal kreken in de Oostwaard zijn regelmatig landkaartjes gezien. Daarnaast zijn verschillende waarnemingen gedaan in tuinen. Meestal zijn dit grotere tuinen met ruigten en rommelige overhoekjes. In open polders is het landkaartje niet aangetroffen.

47 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Gehakkelde aurelia (Polygonia c-album) Omschrijving: Gehakkelde aurelia’s hebben een gemiddelde grootte. De grondkleur van de bovenvleugels is roodbruin. Langs de buitenrand van de vleugels is vaak een bruine band met lichte vlekjes aanwezig. De kleur van ondervleugels is licht- tot donkerbruin. In het midden van de achtervleugel staat een witte c getekend. Biotoop: De gehakkelde aurelia is een goede vlieger die gemakkelijk het landschap verkent en geschikte plaatsen weet te bereiken. De soort heeft een voorkeur voor open bossen, parken en tuinen. De vlinders worden vaak zonnend waargenomen in een bosrand. Als waardplant worden onder andere grote brandnetel (Urtica dioica), hop (Humulus lupulus) en wilg (Salix sp.) gebruikt. Voorkomen: Binnen Nederland is de gehakkelde aurelia een algemene soort die door het hele land kan worden aangetroffen. Binnen het Land van Heusden en Altena is de soort relatief vaak aan de noordkant waargenomen. Een aannemelijke verklaring hiervoor is niet te geven. Veel waarnemingen zijn gedaan in bloemrijke tuinen. Ook in de meeste natuurgebieden is deze soort regelmatig aangetroffen. In open gebieden zonder beschutting is de gehakkelde aurelia niet aangetroffen.

48 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Koevinkje (Aphantopus hyperantus) Omschrijving: Het koevinkje is van gemiddeld formaat en donkerbruin gekleurd. Op de onderzijde van de vleugels zijn enkele vrij grote, zwarte vlekken aanwezig met elk een witte kern en gele buitenrand. Op de bovenzijde van de vleugels kunnen deze vlekken ook aanwezig zijn, maar dan altijd aanmerkelijk kleiner. Biotoop: Het koevinkje komt vooral voor in ruige graslanden in de buurt van bossen of struwelen, maar ook langs bospaden en in laat gemaaide, ruigere wegbermen. Vooral in dit soort bermen is de soort in deze regio waargenomen. Als waardplant worden verschillende grassoorten gebruikt waaronder kweek (Elytrigia repens) en kropaar (Dactylis glomerata). Voorkomen: Binnen Nederland is het koevinkje een algemene standvlinder die vooral voorkomt op de zandgronden in Zuid- en Oost-Nederland en in de duinen. Daarbuiten is de soort aanmerkelijk minder algemeen. Binnen het Land van Heusden en Altena is het koevinkje, met waarnemingen in 19 kilometerhokken, vrij zeldzaam. De soort lijkt het meest talrijk voor te komen langs de Alm. In een 20 meter brede oeverzone met bloemrijk grasland en struweel zijn over 400 meter lengte maximaal 20 exemplaren geteld. Op de andere vliegplaatsen, meestal wegbermen, zijn de dichtheden lager.

49 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Oranje zandoogje (Pyronia tithonus) Omschrijving: De bovenkant van de vleugels is bij dit zandoogje oranje gekleurd met aan de buitenranden een brede, bruine rand. De voorvleugel bevat bij de punt een zwarte oogvlek met daarin een dubbele witte kern. Aan de onderzijde van de voorvleugel is de vlek ook te zien. Mannetjes zijn gemakkelijk herkenbaar aan de donkere geurstreep op de voorvleugel. Biotoop: Volgens diverse vlinderboeken komt het oranje zandoogje vooral voor in halfbeschaduwd ruig grasland langs bosranden en houtwallen. Hier is echter gebleken dat de soort niet kritisch is. In alle soorten grasland is de soort aan te treffen, ook boven wegbermen in volledig open landschap vliegen flinke aantallen. Op dijken en in natuurgebieden komen de grootste aantallen voor. Tuinen worden bijna niet bezocht. Voorkomen: Binnen Nederland vertoont het oranje zandoogje een zeer opvallende verspreiding. De soort is globaal aanwezig in de drie zuidelijke provincies ĂŠn Drenthe. In het tussenliggende gebied komt ze maar schaars voor. Regionaal is het een zeer algemene soort, die ondanks de vrij korte vliegtijd (vooral van half juli tot half augustus) in bijna alle kilometerhokken is aangetroffen.

50 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Bont zandoogje (Pararge aegeria) Omschrijving: Het bont zandoogje is een redelijk opvallende vlinder van gemiddelde grootte. De vleugels zijn donkerbruin gekleurd met daarin verspreid lichtgele vlekjes. Langs de achterrand zijn zwarte oogvlekken met een witte kern te zien. De onderkant van de vleugels in lichtbruin gekleurd. Biotoop: Bont zandoogjes zijn vooral te vinden op open plekken in bossen en aan bosranden. Daarnaast worden ze ook regelmatig in tuinen en parken gezien. Vooral zonbeschenen, beschut gelegen plaatsen hebben hier de voorkeur. Als waardplant worden diverse grassoorten gebruikt, waaronder kropaar (Dactylis glomerata) en gestreepte witbol (Holcus lanatus) Voorkomen: In Nederland is het bont zandoogje een algemene soort die door het hele land voorkomt. Gedurende de twintigste eeuw heeft deze vlinder zich flink uitgebreid. Binnen het Land van Heusden en Altena lijkt de soort tijdens de onderzoeksperiode toegenomen te zijn. Op verschillende, regelmatig ge誰nventariseerde plaatsen is de soort na 2000 verschenen. De huidige verspreiding concentreert zich vooral rond de dorpen en in natuurgebieden waar het voorkeurshabitat voldoende aanwezig is.

51 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Argusvlinder (Lasiomata megera) Omschrijving: De argusvlinder is van een gemiddeld formaat. Zowel de voor- als de achtervleugel heeft een oranje grondkleur. De vleugels bevatten duidelijk zichtbare oogvlekken. De onderkant van de vleugels is grijsbruin met enkele scherp getekende lijnen en oogvlekken. Biotoop: De argusvlinder komt vooral voor in graslanden. Met name gevarieerde graslandtypen met open plekken, zoals molshopen, waar de vlinders zonnen hebben de voorkeur. De soort komt ook vaak voor in wegbermen en op dijken. In tuinen en parken worden daarentegen weinig argusvlinders gezien. Verschillende soorten grassen, waaronder rood zwenkgras (Festuca rubra) en kropaar (Dactylis glomerata) worden als waardplant gebruikt. Voorkomen: In Nederland is de argusvlinder een algemene verschijning. De soort lijkt de laatste jaren sterk achteruit te gaan. Over de oorzaak van deze afname is niets bekend. Binnen het Land van Heusden en Altena is de argusvlinder waargenomen in 129 kilometerhokken, waarmee de soort algemeen is te noemen. Argusvlinders komen verspreid door het hele gebied voor. Met name in brede wegbermen langs polderwegen en graslanden in natuurgebieden is deze vlinder veel gezien.

52 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Bruin zandoogje (Maniola jurtina) Omschrijving: De mannetjes van het bruin zandoogje hebben een egaal bruine vleugelbovenzijde. De vrouwtjes hebben hier een vrij groot oranje veld. Het oogje in de top van de vleugel bevat een enkel wit stipje, dit in tegenstelling tot het oranje zandoogje waarbij in elk oogje twee witte stipjes te zien zijn. Biotoop: Beschut gelegen bloemrijke graslanden en kruidenrijke ruigten vormen een goed biotoop voor het bruin zandoogje. De waarnemingen in deze regio zijn ook op dit soort plaatsen gedaan. Verder komt de soort voor in bermen, bloemrijke ruigten en langs bosranden. Vele grassoorten waaronder rood zwenkgras (Festuca rubra) en grote vossenstaart (Alopecurus pratensis) dienen als voedsel voor de rupsen. Voorkomen: Het bruin zandoogje is in grote delen van Nederland een algemene soort. De soort vliegt in grote aantallen; op de vliegplaatsen is het vaak de talrijkst voorkomende dagvlinder. In deze regio is het echter een zeer zeldzaam voorkomende verschijning die slechts tweemaal is gezien. De waarnemingen langs de Alm (2004) en in de Struikwaard (2005) betreffen in beide gevallen waarnemingen van ĂŠĂŠn enkel exemplaar. Aangezien in beide gebieden veel naar vlinders is gekeken, is het aannemelijk is dat dit zwervers waren en er geen populaties aanwezig zijn.

53 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Koninginnepage (Papillio machaon) Omschrijving: De koninginnepage is een makkelijk herkenbare soort. Het is een grote tot zeer grote vlinder. De grondkleur van de vleugels is helder geel met langs de achterrand een sterk contrasterende donkerblauw met zwarte band. Verder vallen de ‘staartjes’ aan de achtervleugel goed op. Door het formaat en de kleuren is de koninginnepage ook in vlucht goed te herkennen. Biotoop: De koninginnepage is een goede vlieger die gemakkelijk geschikte plaatsen in een gebied kan opsporen. De soort heeft een voorkeur voor droge tot natte bloemrijke graslanden en pioniervegetaties. Als waardplant worden diverse soorten schermbloemigen gebruikt, waaronder venkel (Foeniculum vulgare) en wilde peen (Daucus carota). Van de laatste soort wordt ook de gecultiveerde variant door de rupsen gegeten. Voorkomen: In warme jaren kunnen zwervende koninginnepages in heel het land worden gezien, terwijl in koelere jaren de verspreiding zich beperkt tot Zuid-Nederland. Regionaal is dit ook merkbaar; de meeste waarnemingen zijn gedaan in de warme zomers 2003 en 2006. De soort is hier vooral gezien in natuurgebieden en tuinen. Tweemaal is zelfs voortplanting vastgesteld. In 2006 werden namelijk in Genderen en Hank respectievelijk twee en vijf rupsen gevonden op gecultiveerde peen in een groentetuin.

54 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Rouwmantel (Nymphalis antiopa) Omschrijving: De rouwmantel is een grote en opvallende vlinder die nauwelijks met andere soorten te verwarren is. De grondkleur is donker rood-bruin tot bijna zwart. De achterrand van de vleugel bevat een brede lichtgele band. Voor deze band is een rij blauwe vlekjes aanwezig. Biotoop: Oorspronkelijk komt de rouwmantel voor in gevarieerde, vochtige bossen met zonnige open plekken. In Nederland komt de soort alleen nog voor als zwerver. Langsvliegende vlinders kunnen in principe overal worden gezien. Rustend worden ze vaak aangetroffen op beschutte plaatsen met nectarrijke planten zoals de vlinderstruik (Buddleja davidii). Voorkomen: De rouwmantel is al sinds 1964 als standvlinder uit Nederland verdwenen, maar bijna elk jaar worden in ons land lage aantallen zwervers uit het buitenland waargenomen. In sommige jaren is er ineens sprake van een heuse invasie waarbij honderden exemplaren het land binnenkomen. In 2006 was dit het geval, hetgeen deze regio de eerste gedocumenteerde waarnemingen ooit opleverde. Tussen 4 augustus en 16 september 2006 werden zes Rouwmantels gezien in vijf verschillende kilometerhokken.

55 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Libellen

56 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Weidebeekjuffer (Calopteryx splendens) Omschrijving: De weidebeekjuffer is een zeer opvallende soort. Met name de mannetjes zijn onmiskenbaar; op de vleugels bevindt zich een brede donkerblauwe band. De vleugels van de vrouwtjes zijn geheel doorschijnend groen van kleur. Het lichaam is metaalglanzend blauw tot groen. Biotoop: De weidebeekjuffer is een typische soort van stromend water. Vooral langs stromende, onbeschaduwde beken en kanalen kunnen hoge dichtheden worden aangetroffen. Daarnaast komt de soort langs de grote rivieren voor. In deze regio is de soort ook duidelijk gebonden aan de rivieren. Voorkomen: Weidebeekjuffers zijn op de zandgronden in Zuid- en Oost-Nederland een vrij algemene verschijning. De soort breidt zich uit in westelijke richting en komt dan vooral langs de grote rivieren voor. In het Land van Heusden en Altena lijken tenminste twee populaties van de weidebeekjuffer aanwezig te zijn. Zowel langs de Bergsche Maas (vooral in de omgeving van Drongelen) als de Boven-Merwede (in de Groesplaat) is de soort namelijk een vaste verschijning. Op diverse plaatsen zijn waarnemingen gedaan van ‘losse’ exemplaren. In de meeste gevallen gaat het om zwervers. In Wijk en Aalburg werden echter twee eiafzettende vrouwtjes waargenomen bij een stromende sloot.

57 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Zwervende pantserjuffer (Lestes barbarus) Omschrijving: De zwervende pantserjuffer is met een lengte van 40 tot 45 mm een vrij grote en stevig gebouwde pantserjuffer. Het lichaam is overwegend glanzend metaalgroen tot bruin-koperkleurig. Een opvallend kenmerk zijn de tweekleurige pterostigma’s; de binnenzijde is bruin, de buitenzijde wit gekleurd. Biotoop: Zwervende pantserjuffers worden op allerlei uiteenlopende plaatsen waargenomen. Als voorplantingsbiotoop hebben voedselarme tot matig voedselrijke wateren die in de zomer deels opdrogen de voorkeur. De enige plaats waar de soort in deze regio is waargenomen is bij een ondiepe poel met een begroeiing van vooral gewone waterbies (Eleocharis palustris) en kleine waterpest (Elodea nuttallii). Voorkomen: In het verleden werden zwervende pantserjuffers alleen in invasiejaren in Nederland waargenomen, waarna de soort weer verdween. In 1994 werd voor het eerst voortplanting vastgesteld en sindsdien lijkt de soort zich, onder invloed van het warmere klimaat, goed te handhaven. In het Land van Heusden en Altena werden de eerste exemplaren in 2006 waargenomen bij een ondiepe poel in de Groesplaat. Er werden maximaal 20 exemplaren gezien waaronder eiafzettende tandems. In 2007 werd op dezelfde locatie een pas uitgeslopen exemplaar gezien waarmee voortplanting zeker is.

58 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Gewone pantserjuffer (Lestes sponsa) Omschrijving: De gewone pantserjuffer heeft een metaalgroen lichaam. Het ptertostigma is donkerbruin tot zwart. Bij mannetjes zijn de eerste en laatste twee segmenten van het achterlijf grijsblauw berijpt. Bij vrouwtjes ontbreekt deze berijping meestal. Biotoop: Gewone pantserjuffers kunnen bij diverse watertypen worden aangetroffen. Buiten de hogere zandgronden lijkt deze soort vrij kritisch in de biotoopkeuze. Locaties waar in deze regio voortplanting is vastgesteld zijn een ondiepe, weinig begroeide uiterwaardpoel welke grotendeels droogvalt en brede (kwel-)sloten met veel waterplanten waaronder krabbenscheer (Stratiotes aloides). Voorkomen: De gewone pantserjuffer komt in het hele land voor, al zijn in het rivierengebied en in de veengebieden de dichtheden aanmerkelijk lager dan op de zandgronden. In het Land van Heusden en Altena is de soort slechts weinig waargenomen. In het Pompveld is een kleine populatie aanwezig, de soort wordt hier verspreid door het hele gebied aangetroffen. In een poel in De Groesplaat is eveneens voortplanting vastgesteld. Hier zijn maximaal 36 exemplaren geteld. De overige stippen op de verspreidingskaart staan allen voor een enkele waarneming van ĂŠĂŠn exemplaar.

59 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Tengere pantserjuffer (Lestes virens) Omschrijving: De tengere pantserjuffer is de kleinste van de Nederlandse pantserjuffersoorten. De soort heeft een duidelijke scheiding tussen metaalgroen en geel op de achterzijde van de kop. Bij mannetjes zijn het achtste en negende segment blauw berijpt. Bij vrouwtjes ontbreekt deze berijping. Biotoop: Tengere pantserjuffers komen vooral voor bij heidevennen. De soort lijkt daarbij een voorkeur te hebben voor enigszins verstoorde en relatief voedselrijke vennen met een verlandingsvegetatie. In het Land van Heusden en Altena is de soort gevonden bij een vrij voedselrijke sloot met vooral liesgras (Glyceria maxima) als oeverbegroeiing. Voorkomen: De tengere pantserjuffer is een in Nederland vrij algemene soort waarvan de verspreiding zich concentreert op de hogere zandgronden. De laatste jaren lijkt deze soort enigszins toe te nemen, mogelijk mede een gevolg van warmere zomers. In het Land van Heusden en Altena is één tengere pantserjuffer waargenomen. Op 21 augustus 2005 werd een vrouwtje aangetroffen langs een smalle sloot tussen Oudendijk en Sleeuwijk. Gelet op het feit dat slechts eenmaal één individu is waargenomen en geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig is, betreft dit vrijwel zeker een zwerver.

60 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Houtpantserjuffer (Lestes viridis) Omschrijving: De houtpantserjuffer is een grote juffer waarvan het lichaam glanzend metaalgroen is gekleurd. Het belangrijkste kenmerk om deze soort van andere pantserjuffers te onderscheiden is het ‘schiereilandje’, een uitstulping van de metaalgroene tekening op de zijkant van het borststuk. Biotoop: Houtpantserjuffers komen vooral voor bij allerlei typen stilstaand water. De aanwezigheid van bomen of struiken met overhangende takken is van groot belang, aangezien eitjes worden afgezet in de bast van houtige soorten. Deze soort wordt ook vaak op afstand van geschikt voortplantingswater aangetroffen, veelal op beschutte plaatsen. Voorkomen: De houtpantserjuffer is binnen Nederland een algemene soort die op vrijwel alle plaatsen waar houtige soorten langs stilstaand water staan voorkomt. Ook binnen het Land van Heusden en Altena is de soort algemeen te noemen. Houtpantserjuffers zijn aangetroffen op allerlei verschillende plaatsen zoals in natuurgebieden, langs beschut gelegen sloten in agrarisch gebied en in tuinen. Meestal worden slechts enkele individuen waargenomen. Een uitzondering hierop is een waarneming van 53 tegelijkertijd eiafzettende tandems in een knotwilg langs een smalle sloot.

61 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Bruine winterjuffer (Sympecma fusca) Omschrijving: De bruine winterjuffer is een lichtbruine juffer met een donkerbruine tekening. De bruine winterjuffer onderscheidt zich van de noordse winterjuffer (S. paedisca) door de rechte onderkant van de rugstreep. Beide winterjuffers vouwen in rust de vleugels langs één kant van het achterlijf. Biotoop: Bruine winterjuffers worden vooral waargenomen bij voedselarme tot matig voedselrijke wateren. Ook een ondiepe oeverzone met beschutting van bijvoorbeeld riet (Phragmites australis) lijkt belangrijk. Voor de overwinterende imago’s is het van belang dat er geschikt winterbiotoop aanwezig is, bijvoorbeeld ruigten of open bos. Voorkomen: Op de zandgronden van Zuidoost-Nederland is de bruine winterjuffer vrij algemeen. De afgelopen vijftien jaar heeft deze soort zich flink uitgebreid. In het Land van Heusden en Altena zijn twee waarnemingen van deze soort bekend. Op 26 april 2004 werden drie exemplaren waargenomen bij een poel in de Struikwaard. Op 3 juni 2007 werd één exemplaar gezien bij een brede waterloop op Bedrijventerrein De Rietdijk in Giessen. Zeker na de eerste waarneming in intensief gezocht naar de mogelijke aanwezigheid van een populatie. Hier zijn echter geen aanwijzingen voor gevonden.

62 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Azuurwaterjuffer (Coenagrion puella) Omschrijving: Mannetjes van de azuurwaterjuffer zijn voor een groot deel azuurblauw gekleurd. Het tweede achterlijfssegement bevat een zwarte U-vormige tekening. Vrouwtjes zijn overwegend donker gekleurd. De beperkt aanwezige lichte delen zijn meestal groen (borststuk) en blauw (achterlijf) van kleur. Biotoop: Azuurwaterjuffers komen vooral voor op de hogere zandgronden. Hier vormen met name stilstaande wateren de voortplantingsbiotoop. In mindere mate wordt deze soort ook langs zwakstromende beken en kanalen waargenomen. In de voortplantingswateren is de aanwezigheid van waterplanten met drijvende bladeren van groot belang. Voorkomen: In Nederland is de azuurwaterjuffer een algemene soort op de hogere zandgronden en in de duinen. Daarbuiten komt deze soort slechts zeer beperkt voor. In het Land van Heusden en Altena kan de azuurwaterjuffer op basis van waarnemingen in 19 kilometerhokken vrij zeldzaam worden genoemd. De meeste waarnemingen hebben betrekking op slechts ĂŠĂŠn of enkele exemplaren, al vindt op enkele plaatsen ook voortplanting plaats. Dit is in ieder geval aangetoond bij twee poelen in het Pompveld en een tuinvijver in Sleeuwijk.

63 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Variabele waterjuffer (Coenagrion pulchellum) Omschrijving: De variabele waterjuffer is een vrij slanke juffer die in verschillende variĂŤteiten voorkomt. De mannetjes zijn meestal te herkennen aan de onderbroken schouderstreep, die lijkt op een uitroepteken. De zwarte tekening op het tweede achterlijfssegment is Y-vormig. Biotoop: Variabele waterjufers komen vooral voor bij matig tot zeer voedselrijke, stilstaande wateren met veel water- en oeverplanten. Voorbeelden hiervan zijn sloten, plassen en poelen. Zeker in klei- of veensloten met een goede waterkwaliteit en gevarieerde watervegetatie kunnen hoge dichtheden van deze soort voorkomen. Voorkomen: Door het hele land zijn variabele waterjuffers aan te treffen, maar vooral in laag-Nederland is de soort het meest talrijk. In het Land van Heusden en Altena is de variabele waterjuffer algemeen; na het lantaarntje (Ischnura elegans) is het de meest waargenomen juffer. Bij vrijwel alle sloten en andere kleine wateren in het rivierkleigebied zijn variabele waterjuffers aangetroffen. De waargenomen aantallen in agrarisch gebied zijn hier wel aanmerkelijk lager dan in de natuurgebieden. In het zeekleigebied komt deze soort slechts in zeer lage dichtheden voor.

64 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Grote roodoogjuffer (Erythromma najas) Omschrijving: Grote roodoogjuffers zijn eenvoudig te herkennen. Door de rode oogkleur is deze soort alleen met de kleine roodoogjuffer (E. viridulum) te verwarren. Bij mannetjes ontbreekt ten opzichte van de laatstgenoemde soort de blauwe tekening op het tweede en achtste segment. Vrouwtjes onderscheiden zich door de onderbroken schouderstreep. Biotoop: De grote roodoogjuffer komt vooral voor bij stilstaande of langzaamstromende, veelal grotere wateren, zoals plassen, brede sloten, kreken en kanalen. Vooral de aanwezigheid van waterplanten met grote drijfbladeren zoals gele plomp (Nuphar lutea) lijkt een belangrijke voorwaarde. Voorkomen: Grote roodoogjuffers komen door het hele land voor. De grootste aantallen worden aangetroffen in de laagveengebieden en het rivierengebied. In het Land van Heusden en Altena komt de soort algemeen voor en is het een van de meest waargenomen juffersoorten. Grote aantallen zijn vooral waargenomen bij grotere, beschut gelegen wateren met veel waterplanten zoals de Bakkerskil, de Alm, de gracht van Fort Giessen en een plas in De Cloppenwaard. In open polders met niet al te brede en vrij intensief beheerde sloten is deze soort slechts zelden waargenomen.

65 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Kleine roodoogjuffer (Erythromma viridulum) Omschrijving: Samen met de grote roodoogjuffer (E. najas) onderscheidt deze soort zich van andere juffers door de rode tot bruine oogkleur. Ten opzichte van de grote roodoogjuffer zijn kleine roodoogjuffers duidelijk slanker. Bij mannetjes zijn de blauwe zijkanten van het tweede en achtste segment een goed kenmerk. Biotoop: De kleine roodoogjuffer is een weinig kritische soort van voedselrijke en stilstaande tot zwakstromende wateren zoals poelen en sloten. Geschikt voortplantingswater bevat vaak een uitbundige vegetatie van fijnbladige waterplanten zoals smalle waterpest (Elodea nuttallii) of gedoornd hoornblad (Ceratophyllum demersum). Voorkomen: De kleine roodoogjuffer is tegenwoordig een in Nederland zeer algemene soort, terwijl het voor 1980 nog een zeer zeldzame verschijning was. Waarschijnlijk hebben vooral de gemiddeld warmere zomers en zachtere winters nadien gezorgd voor een spectaculaire kolonisatie van Nederland. Binnen de regio is deze soort algemeen te noemen. Kleine roodoogjuffers komen verspreid voor op bijna alle ogenschijnlijk geschikte locaties. Op veel plaatsen is het in de vliegtijd de talrijkst aanwezige libellensoort.

66 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Vuurjuffer (Pyrrhosoma nymphula) Omschrijving: De vuurjuffer is een eenvoudig te herkennen soort. Door het grotendeels rode achterlijf kan alleen verwarring met de koraaljuffer (Ceriagrion tenellum) optreden. Vuurjuffers zijn van deze soort te onderscheiden door de zwarte poten, de rode schouderstreep en het donkere pterostigma. Biotoop: Vuurjuffers komen voor bij verschillende soorten wateren waaronder sloten, afwateringskanalen, poelen, plassen en tuinvijvers. Belangrijk lijkt de aanwezigheid van een rijke watervegetatie en een beschutte ligging. In deze regio zijn de grootste aantallen vastgesteld in het Pompveld, waar de soort vliegt bij brede sloten met veel waterplanten zoals fonteinkruiden (Potamogeton sp.). Voorkomen: Binnen Nederland is de vuurjuffer algemeen op de zandgronden en in laagveenmoerassen. Daarbuiten, zoals in het rivierengebied, is de soort aanmerkelijk minder algemeen. Tijdens de inventarisaties in het Land van Heusden en Altena is de soort in 31 kilometerhokken aangetroffen en daarmee ‘schaars’. Vooral in het Pompveld, maar ook in de Kornsche Boezem zijn de grootste aantallen waargenomen; vaak vele tientallen. De verspreid gelegen waarnemingen buiten deze twee gebieden hebben nooit betrekking op meer dan vijf exemplaren.

67 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Watersnuffel (Enallagma cyathigerum) Omschrijving: Mannetjes van de watersnuffel zijn overwegend blauw gekleurd. De brede schouderstreep en de zwarte vlek in de vorm van een paddenstoel op het tweede segment zijn goede kenmerken. Bij de overwegend donker gekleurde vrouwtjes zijn de lichte delen meestal lichtgroen. Biotoop: De hoogste dichtheden van de watersnuffel worden aangetroffen op de zandgronden. Vooral bij zure vennetjes kan de soort zeer talrijk zijn. In de kleigebieden vormen schone, heldere sloten de biotoop. Het is gebleken dat de soort zich ook bij poelen en plassen in de uiterwaarden kan voortplanten. Voorkomen: De watersnuffel staat bekend als typische soort van de zandgronden. Daar is het één van de algemeenste soorten. Op andere plaatsen waar de soort voorkomt is vaak kunstmatig een geschikte biotoop gecreëerd. Tijdens de inventarisaties in het Land van Heusden en Altena is de soort in circa 30% van de kilometerhokken waargenomen. Grote aantallen zijn aangetroffen bij sloten in het Pompveld waar regelmatig meer dan 100 exemplaren zijn geteld. Ook bij ondiepe slootjes in het akkerbouwgebied ten zuiden van Werkendam zijn vergelijkbare aantallen aangetroffen. In beide gebieden plant de soort zich voort. Dit is ook vastgesteld bij enkele uiterwaardplassen zoals in de Struikwaard.

68 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Lantaarntje (Ischnura elegans) Omschrijving: Het lantaarntje is een eenvoudig te herkennen juffer. Het achterlijf is geheel zwart, met uitzondering van het achtste segment; deze is meestal blauw gekleurd, maar soms groen of bruin. Het pterostigma is tweekleurig: de binnenzijde is zwart (of soms grijs), de buitenzijde wit. Biotoop: Lantaarntjes stellen weinig eisen aan de kwaliteit van het voortplantingswater. De soort kan bij allerlei watertypen worden aangetroffen, maar bij matig voedselrijk, helder en stilstaand water met een brede en gevarieerde oeverbegroeiing komt deze soort het meest talrijk voor. Voorkomen: Als meest algemene libellensoort in Nederland kan het lantaarntje bijna overal worden aangetroffen. Ook in het Land van Heusden en Altena is deze soort het meeste waargenomen. In totaal 849 waarnemingen, bijna 20% van alle libellenwaarnemingen, hadden betrekking op het lantaarntje. De soort is in slechts zeven kilometerhokken niet waargenomen. Vooral langs mooie poldersloten zijn grote aantallen waargenomen. Voortplanting is erg vaak vastgesteld, onder andere in poelen, sloten, tuinvijvers en in grotere wateren zoals kreken en uiterwaardplassen.

69 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Tengere grasjuffer (Ischnura pumilio) Omschrijving: De tengere grasjuffer heeft een donker achterlijf. Bij het mannetje is een deel van het achtste en geheel het negende segment blauw gekleurd. Dit vormt een goed onderscheid met het iets grotere lantaarntje (I. elegans). Het achterlijf van vrouwtjes van de tengere grasjuffer is geheel donker gekleurd. Biotoop: Tengere grasjuffers zijn echte pioniers. De soort heeft een duidelijke voorkeur voor ondiepe, weinig begroeide wateren die snel opwarmen zoals poelen en vennetjes. Door successie zijn deze wateren vaak maar enkele jaren geschikt. Dankzij het uitstekende verbreidingsvermogen is de soort echter goed in staat nieuwe leefgebieden te koloniseren. Voorkomen: In Nederland is de tengere grasjuffer vrij zeldzaam. Het verspreidingsgebied ligt vooral op de hogere zandgronden en in de duinen. In het Land van Heusden en Altena is de soort op één locatie aangetroffen. Bij een in de zomer bijna opdrogende en ogenschijnlijk geschikte poel in De Groesplaat werd op 23 augustus 2006 één mannetje waargenomen. Op 4 juni 2007 werden op dezelfde plaats twee mannetjes geteld. Met name door deze laatste waarneming, relatief vroeg in de vliegtijd, rijst de vraag of er op deze locatie sprake is geweest van voortplanting.

70 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Blauwe breedscheenjuffer (Platycnemis pennipes) Omschrijving: De blauwe breedscheenjuffer is een opvallende verschijning en als enige Nederlandse breedscheenjuffer onmiskenbaar. De poten zijn wit met enigszins verbrede schenen. De mannetjes zijn bleek blauw en vrouwtjes licht bruin of beige van kleur. Verder is de dubbele schoudernaadstreep een goed kenmerk. Biotoop: Blauwe breedscheenjuffers zijn om zich te kunnen voortplanten afhankelijk van zuurstofrijk water. De soort komt meestal voor bij langzaamstromende wateren zoals beken, kanalen en rivieren. Soms worden exemplaren bij stilstaande wateren zoals zandafgravingen gevonden. Voorkomen: In Nederland wordt de blauwe breedscheenjuffer vooral aangetroffen op de hogere zandgronden van Zuid- en Oost-Nederland. Binnen het Land van Heusden en Altena is de soort zeer zeldzaam. In 2003 werd een kleine populatie ontdekt langs de Afgedamde Maas ter hoogte van Woudrichem; een bijzonderheid in het westelijk rivierengebied. Sindsdien is de soort hier jaarlijks waargenomen, met een maximum van 20 exemplaren. Na 2003 is vrijwel jaarlijks speciaal naar blauwe breedscheenjuffers gezocht in de aangrenzende kilometerhokken langs de Afgedamde Maas en de BovenMerwede. Vrijwel zonder resultaat; pas in 2007 werd in de Groesplaat, twee kilometer westelijk van Woudrichem, een zwervend exemplaar waargenomen.

71 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Zuidelijke glazenmaker (Aeshna affinis) Omschrijving: De zuidelijke glazenmaker is een vrij kleine glazenmakersoort. Bij mannetjes zijn de ogen en het achterlijf opvallend blauw. De zijkant van het borststuk is groen gekleurd, met smalle donkere naden. Bij vrouwtjes zijn de ogen groenig en het achterlijf bruin met groene of gele vlekken. De schouderstrepen zijn bij deze soort kort. Biotoop: De voortplantingsbiotoop van de zuidelijke glazenmaker bestaat uit kleine en ondiepe stilstaande poelen of plassen met veel watervegetatie. De enige plaats waar de soort in deze regio is waargenomen voldoet vrij goed aan dit beeld. Het betreft een poel met rijke vegetatie van smalle waterpest (Elodea nuttallii) waarvan de ‘s zomers droogvallende oevers met jonge schietwilgen (Salix alba) zijn begroeid. Deze zuidelijke soort vertoont zwerfgedrag en kan daardoor op allerlei plaatsen worden waargenomen. Voorkomen: Na een invasie van deze soort in 1995 worden in Nederland jaarlijks zuidelijke glazenmakers waargenomen. Op diverse plaatsen, vooral in de kustduinen, is inmiddels voortplanting vastgesteld. In het Land van Heusden en Altena is deze soort op één plaats waargenomen. Van 5 t/m 7 augustus 2006 werd een mannetje aangetroffen bij een poel in de Struikwaard. Regelmatig werden patrouillevluchten uitgevoerd boven de poel, maar ook daarbuiten boven beschut gelegen grasland. Na enkele minuten keerde hij steeds terug, om aan dezelfde wilg te gaan hangen.

72 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Blauwe glazenmaker (Aeshna cyanea) Omschrijving: De blauwe glazenmaker is een grote libel die, anders dan de naam doet vermoeden, overwegend groen gekleurd is. Alleen bij de mannetjes zijn de lichte delen van de laatste achterlijfssegmenten blauw gekleurd. De aan elkaar verbonden vlekken op de laatste achterlijfssegmenten zijn een belangrijk kenmerk. Biotoop: Als voortplantingsbiotoop gebruikt de blauwe glazenmaker verschillende stilstaande tot zwakstromende wateren. Blauwe glazenmakers worden jagend aantroffen op grote afstand van water. Het jagen gebeurt vaak laag bij de grond op beschutte en (half)beschaduwde plaatsen zoals in tuinen, parken en langs bosranden. Voorkomen: In Nederland is de blauwe glazenmaker algemeen op de zandgronden en in het rivierengebied. In het overwegend open laagveen- en zeekleigebied is de soort schaars. In het Land van Heusden en Altena kon in 29 kilometerhokken de aanwezigheid van de blauwe glazenmaker worden vastgesteld. In alle gevallen zijn dit tuinen, natuurgebieden of andere kleinschalige, beschutte plaatsen. Meermalen zijn eiafettende vrouwtjes waargenomen; onder andere bij sloten en een tuinvijver. In de open poldergebieden is de soort geheel niet aangetroffen.

73 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Bruine glazenmaker (Aeshna grandis) Omschrijving: De bruine glazenmaker is een vrij grote libel met een opvallend uiterlijk. Het achterlijf en de ogen hebben een geheel bruine grondkleur. Op achterlijf en borststuk is enige gele en blauwe tekening aanwezig. Een opvallend kenmerk is de bruinige vleugelkleur. Hierdoor kan deze soort ook vliegend goed worden gedetermineerd. Biotoop: Bruine glazenmakers gebruiken diverse watertypen als voortplantingsbiotoop, al lijken rijkbegroeide, stilstaande wateren de voorkeur te hebben. Als foerageerbiotoop is een kleinschalige omgeving favoriet, waarbij bos wordt afgewisseld met open percelen. In uitsluitend open polders komt de bruine glazenmaker duidelijk minder voor. Voorkomen: In grote delen van Nederland is de bruine glazenmaker een algemene soort. In West-Nederland en in delen van Zuid-Nederland is de soort schaars te noemen. Binnen het Land van Heusden en Altena lijkt de verspreiding op landschapsschaal te verklaren door de biotoopvoorkeur. In grote lijnen zijn waarnemingen gedaan in kleinschalige natuurgebieden en in de omgeving van dorpen. In open gebieden is de soort beperkt aangetroffen. Waarnemingen van meer dan tien exemplaren zijn uit slechts drie gebieden bekend: de Kornsche Boezem (15 ex.), de Zevenbansche Boezem (20 ex.) en het Pompveld (80 ex.). Bij vrijwel alle andere waarnemingen is er sprake van slechts ĂŠĂŠn of twee exemplaren.

74 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Vroege glazenmaker (Aeshna isoceles) Omschrijving: De vroege glazenmaker is een middelgrote glazenmakersoort die vrij goed herkenbaar is. Het achterlijf is oranjebruin gekleurd. De ook in vlucht goed zichtbare groene ogen en de doorzichtige vleugels onderscheiden deze soort van de enigszins gelijkende bruine glazenmaker. Biotoop: Vroege glazenmakers worden vooral aangetroffen bij wateren met hoge oeverplanten zoals riet (Phragmites australis) en een goed ontwikkelde watervegetatie. Vaak groeien hierin soorten als krabbenscheer (Stratiotes aloides) en gele plomp (Nuphar lutea). Een redelijke tot goede waterkwaliteit is eveneens een voorwaarde. Voorkomen: In Nederland komt de vroege glazenmaker vooral voor in de laagveenmoerassen. Daarnaast wordt de soort in toenemende mate gezien in het rivierengebied en bij voedselrijkere vennen op de zandgronden. In het Land van Heusden en Altena is de vroege glazenmaker in 30 kilometerhokken waargenomen. De laatste jaren lijkt de soort, gelet op het toenemend aantal waarnemingen, duidelijk in de lift te zitten. Sinds 2003 lijken populaties aanwezig bij de Wijde Alm, Zevenbansche Boezem en de Bakkerskil. In 2006 en 2007 zijn ook meerdere exemplaren gezien in het Pompveld en de omgeving van Hank. Verschillende stippen op de verspreidingskaart betreffen enkele waarnemingen van jagende exemplaren. Dit zijn waarschijnlijk zwervers.

75 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Paardenbijter (Aeshna mixta) Omschrijving: De paardenbijter is een vrij kleine glazenmakersoort. Een opvallend kenmerk zijn twee evenwijdige lopende gele banden op de zijkant van het borststuk. Op het eerste segment zit een gele, spijkervormige figuur. Bij het mannetje zijn de vlekken op het achterlijf blauw gekleurd, bij het vrouwtje zijn deze bruin. Biotoop: Paardenbijters jagen vaak in kleine groepjes op grote afstand van water. Hierdoor zijn ze vrijwel overal tegen te komen, bijvoorbeeld in tuinen. De voortplantingsbiotoop bestaat meestal uit kleinere wateren met een opgaande oeverbegroeiing van bijvoorbeeld riet (Phragmites australis). Voorkomen: In heel Nederland komt de paardenbijter algemeen voor. Waarschijnlijk bestaat een deel van de in ons land waargenomen exemplaren zwervers uit Zuid- en OostEuropa. Ook in het Land van Heusden en Altena behoort de paardenbijter tot de meest algemene soorten; slechts vier soorten zijn meer waargenomen. De 251 waarnemingen komen uit 137 kilometerhokken waarmee de soort ‘algemeen’ mag worden genoemd. Veel waarnemingen betreffen vijf tot tien exemplaren, met uitschieters tot 100 individuen. Plaatsen waar de paardenbijter niet is gezien, betreffen meestal open polders zonder opgaande begroeiing.

76 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Grote keizerlibel (Anax imperator) Omschrijving: De grote keizerlibel behoort met een lengte van maximaal 82 mm tot de grootste Nederlandse libellensoorten. Het borststuk is vrijwel geheel groen. Het achterlijf is bij mannetjes hemelsblauw, bij vrouwtjes is het fletsblauw tot blauwgroen. Over de rug loopt een donkere lengtestreep. In vlucht is het achterlijf licht gekromd. Biotoop: Grote keizerlibellen worden aangetroffen bij allerlei wateren zoals poelen, sloten, grote plassen en brede afwateringskanalen. Geschikt voortplantingswater is meestal voedselrijk en vaak is een rijke water- en oevervegetatie aanwezig. Boven grasland en ruigten kunnen jagende individuen worden waargenomen. Voorkomen: In de eerste helft van de twintigste eeuw was de grote keizerlibel nog een zeldzame verschijning. Na een sterke toename wordt deze soort inmiddels in het hele land waargenomen en is nu zeer algemeen. In het Land van Heusden en Altena is de aanwezigheid in 88 verschillende kilometerhokken, verspreid door het hele gebied vastgesteld. Er lijken geen grote verschillen te zijn in het voorkomen in de verschillende landschapstypen. Grote keizerlibellen worden gezien in volledig open en meer besloten landschap op zowel zeeklei, rivierklei als de stroomruggen. Vooral de aanwezigheid van middelgrote tot grote wateren lijkt van doorslaggevend belang te zijn.

77 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Glassnijder (Brachytron pratense) Omschrijving: De glassnijder is een van de kleinere glazenmakersoorten. Op de zijkant van het opvallend behaarde borststuk zijn duidelijke gele banden aanwezig. De tekening op het achterlijf, bij mannetjes blauw en bij vrouwtjes geel, bestaat uit een plaatselijk onderbroken zijstreep met op de rug ronde vlekken. Biotoop: Het voortplantingswater van de glassnijder is matig voedselrijk tot voedselrijk en heeft een goed ontwikkelde en gevarieerde oevervegetatie. Vaak gaat het om brede sloten, plassen en wielen, soms om zwakstromende kanalen. Op veel plaatsen waar de glassnijder voorkomt is op korte afstand van het water bos aanwezig. Voorkomen: Glassnijders worden verspreid door heel Nederland aangetroffen. De soort is duidelijk het meest talrijk in de laagveengebieden in de Vechtstreek en de Kop van Overijssel. In het rivierengebied kunnen plaatselijk hoge dichtheden worden aangetroffen. In het Land van Heusden en Altena is de glassnijder schaars. De plaatsen waar glassnijders zijn waargenomen kunnen worden ingedeeld in twee categorieĂŤn: bebouwd gebied en bos- of natuurgebied. In bebouwd gebied zijn glassnijders aangetroffen in tuinen, parken en grotere wateren. Daarnaast is deze soort in vrijwel alle bos- en natuurgebieden aanwezig. De glassnijder is in open gebied niet waargenomen.

78 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Rivierrombout (Gomphus flavipes) Omschrijving: De rivierrombout is een middelgrote geelzwarte libel die vooral aan de schoudertekening goed te herkennen is. De rugstreep, schouderstreep en schoudernaadstreep staan op gelijke afstand van elkaar waardoor een regelmatige afwisseling van gele en zwarte banden te zien is. Biotoop: Rivierrombouten komen vrijwel uitsluitend voor langs de grote rivieren. De larven leven in het zand op de bodem van de rivieren. Volwassen individuen kunnen jagend of rustend worden aangetroffen in graslanden en ruigten in de uiterwaarden. Een groot deel lijkt echter de directe omgeving van de rivier te verlaten. Voorkomen: In 1996 werd de rivierrombout in Nederland aangetroffen na een afwezigheid van ruim 90 jaar. Na deze herontdekking heeft deze soort de meeste grote rivieren in hoog tempo gekoloniseerd. Alleen langs de Maas is de rivierrombout nog erg zeldzaam. In het Land van Heusden en Altena is de soort vanaf 2000 alle jaren waargenomen. Alle kilometerhokken langs de Boven-Merwede zijn bezet. Daarnaast werd in 2005 ĂŠĂŠn exemplaar aangetroffen langs de Afgedamde Maas in de Struikwaard; dit was vrijwel zeker een zwerver. Grote aantallen zijn vooral aangetroffen in de Groesplaat. Begin juli 2001 werden hier 128 larvehuidjes verzameld op 500 meter strand. Vijf dagen later werden op hetzelfde traject 116 huidjes aangetroffen.

79 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Plasrombout (Gomphus pulchellus) Omschrijving: De plasrombout heeft net als alle rombouten duidelijk van elkaar gescheiden ogen. De zwarte schouderstreep en schoudernaadstreep zijn bij deze soort erg smal waardoor het borststuk overwegend licht is gekleurd. De ogen van de plasrombout zijn lichtblauw. Biotoop: Plasrombouten komen voor bij zowel stromend als stilstaand water. In stromend water wordt de biotoop gevormd door beken, kanalen en riviertjes. In stilstaand water betreft het meestal zand- of grindafgravingen. Waarschijnlijk is voldoende zuurstofrijk water van belang. Voorkomen: In Nederland is de plasrombout vrij algemeen te noemen en komt vooral voor bij grotere plassen en waterlopen op de zandgronden en in het rivierengebied. Het voorkomen in Nederland is in de recente periode vrij stabiel. In het Land van Heusden en Altena is in de inventarisatieperiode ĂŠĂŠn plasrombout aangetroffen. Dit individu werd op 5 mei 2007 waargenomen in de Groesplaat. Waarschijnlijk betreft het een zwerver uit de vrij grote populatie plasrombouten welke voorkomt langs de Linge ten noorden van Gorinchem, hemelsbreed op ongeveer vier kilometer afstand van de Groesplaat.

80 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Beekrombout (Gomphus vulgatissimus) Omschrijving: De beekrombout onderscheidt zich van de rivierrombout (G. flavipes) en plasrombout (G. pulchellus) door de geheel zwarte poten. De schouderstreep is erg breed en de rugstreep op het achterlijf loopt niet helemaal door tot het einde van het achterlijf. Hierdoor maakt deze soort een vrij donkere indruk. Biotoop: Beekrombouten komen vooral voor bij beken en rivieren. Een goede waterkwaliteit vormt een belangrijke voorwaarde voor de aanwezigheid van deze soort. Verder is het van belang dat het water stromingsluwe delen heeft. Het omliggende landschap is vaak gevarieerd met bosjes, ruigten en weilanden. Voorkomen: In Nederland is de beekrombout een vrij zeldzame soort. Na een lange periode waarin het slecht ging nemen de aantallen sinds 1990 weer toe. De soort is het meest talrijk langs de Beerze en verschillende beken en rivieren in het oosten van het land. In 2000 werden in de Sliedrechtse Biesbosch langs de Nieuwe Merwede enkele vers uitgeslopen exemplaren gevonden. Naar aanleiding van deze vondst is ook in het Land van Heusden en Altena gericht gezocht. Dit resulteerde in 2004 in het aantreffen van enkele larvehuidjes in de Cloppenwaard / Kwellingen. Volwassen dieren zijn hier niet gezien. In 2005 werd ĂŠĂŠn volwassen exemplaar aangetroffen in de Kornsche Boezem, wat vrijwel zeker een zwerver moet zijn geweest.

81 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Smaragdlibel (Cordulia aenea) Omschrijving: De smaragdlibel is een libel van gemiddeld formaat met een vrij gedrongen uiterlijk. Het achterlijf en borststuk zijn groen-bruin metaalglanzend van kleur. Een goed kenmerk is het geheel donkere voorhoofd. Bij het vrouwtje is het achterlijf cylindrisch van vorm, bij het mannetje is het knotsvormig. Biotoop: Smaragdlibellen komen in Nederland vooral voor bij matige voedselrijke wateren, met name laagveenmoerassen en vennen of plassen op de zandgronden. Het voortplantingswater is vaak deels beschut door hoge begroeiing. In deze regio is de smaragdlibel voornamelijk aangetroffen bij brede watergangen en grotere plassen. Voorkomen: De smaragdlibel is in Nederland vrij algemeen en komt verspreid voor op de hogere zandgronden en bereikt de hoogste dichtheden in enkele laagveenmoerassen. In het Land van Heusden en Altena is de soort zeldzaam. Alleen in de Zevenbansche Boezem bij Sleeuwijk is de soort in meerdere jaren waargenomen. De hier aanwezige populatie is waarschijnlijk erg klein, aangezien maximaal slechts vier exemplaren tegelijkertijd zijn gezien. In de Wijksche Waard zijn in 2007 twee exemplaren waargenomen bij ’t Maske. De overige stippen op de kaart; Kornsche Boezem, afwateringskanaal Kerkeinde, Sleeuwijk, Alm en Zwaansheuvelse put, hebben allen betrekking op een eenmalige waarneming van één individu.

82 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Metaalglanslibel (Somatochlora metallica) Omschrijving: De metaalglanslibel is een metaalgroen glanzende libel. De oogkleur is eerst dofgroen, maar later felgroen glimmend. Het voorhoofd bevat een gele tekening. De vrouwtjes hebben een opvallende, haaks afstaande legboor. Biotoop: De metaalglanslibel komt in Nederland vooral voor bij grote wateren zoals plassen, zwakstromende kanalen en kreken. Daarnaast wordt de soort aangetroffen bij beken en vennen. Met name de aanwezigheid van bos in de directe omgeving van het water is een belangrijke voorwaarde. Voorkomen: In Nederland is de metaalglanslibel een algemene soort. De verspreiding concentreert zich op de zandgronden. Daarnaast is de soort te vinden in enkele laagveenmoerassen en in het rivierengebied. In de Biesbosch komt de metaalglanslibel voor langs buitendijks gelegen, beschaduwde kreken. In het Land van Heusden en Altena zijn twee waarnemingen bekend. Zowel op 3 juni 2003 als op 11 juni 2006 werd ĂŠĂŠn exemplaar waargenomen bij een brede sloot langs de Visserskade in Hank. Deze sloot staat in verbinding met de nabijgelegen Bleeke kil. Het is zeker niet ondenkbaar dat in de omgeving een populatie van de metaalglanslibel aanwezig is.

83 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Platbuik (Libellula depressa) Omschrijving: De platbuik is een korte libel met een breed achterlijf, waardoor deze soort zeer fors overkomt. Bij jonge dieren is het achterlijf oranjebruin van kleur. Bij mannetjes verandert dit spoedig in blauw, bij vrouwtjes in bruin. Aan de basis van de vleugels bevindt zich een grote donkere vlek. Biotoop: Platbuiken zijn echte pioniers. Vooral allerlei pas gegraven of intensief geschoonde en daarnaast relatief ondiepe wateren zoals poelen, plasjes, tuinvijvers en slootjes hebben de voorkeur. Voortplanting gebeurt vrijwel uitsluitend bij wateren met kale oevers en daarnaast weinig of geen waterplanten. Voorkomen: In Nederland is de platbuik zeer algemeen te noemen. De soort komt door het hele land voor, al zijn de aantallen in de kustprovincies duidelijk lager dan elders in het land. De laatste decennia lijkt de soort zich uit te breiden, mogelijk als gevolg van toenemende menselijke activiteiten waaronder stadsuitbreiding en natuurontwikkeling. In het Land van Heusden en Altena is de platbuik in 28 kilometerhokken waargenomen. Een deel van de waarnemingen is gedaan in natuurgebieden, vooral bij poelen. Ongeveer evenveel is de platbuik aangetroffen in tuinen waar ook voortplanting in vijvers is aangetoond. In gebieden met uitsluitend sloten of grote wateren wordt de platbuik niet aangetroffen.

84 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Bruine korenbout (Libellula fulva) Omschrijving: De bruine korenbout is een libel van gemiddeld formaat. Uitgekleurde mannetjes hebben een lichtblauw achterlijf. Bij vrouwtjes is het achterlijf bruin, met een zwarte rugstreep die naar achter toe breder wordt. Meestal zijn de topjes van de vleugels donker gekleurd. Biotoop: Bruine korenbouten komen vooral voor bij vrij grote wateren zoals plassen en kanalen. Meestal is een goed ontwikkelde oevervegetatie aanwezig en beschutting door opgaande begroeiing in de directe omgeving. Aan de waterkwaliteit worden geen zware eisen gesteld, maar te voedselrijk water wordt gemeden. Voorkomen: De bruine korenbout is in Nederland minder algemeen. De soort komt vooral voor in de laagveenmoerassen en plaatselijk in het rivierengebied. In het Land van Heusden en Altena is de soort in zeven kilometerhokken aangetroffen en daarmee zeldzaam te noemen. In 2000 werd één exemplaar aangetroffen in de Groesplaat. In 2003 werd een kleine populatie ontdekt langs het afwateringskanaal in de Zevenbansche Boezem, waar sindsdien jaarlijks circa tien individuen worden gezien. Buiten de Zevenbansche Boezem is de soort langs dit kanaal niet aangetroffen. In 2007 werd één individu gezien in de Aakvlaai en meerdere in de Groesplaat. Het is onduidelijk of zich hier populaties bevinden.

85 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Viervlek (Libellula quadrimaculata) Omschrijving: Viervlekken hebben een vrij kort en breed achterlijf, dat in een punt eindigt. Naast een donkere vleugelbasis en een donker pterostigma, heeft de vleugel ook halverwege de voorrand een donkere vlek. Dit kenmerk komt bij geen andere libellensoort voor. Biotoop: De viervlek komt voor bij verschillende watertypen. Zowel kleine poelen en vennen als relatief voedselrijke sloten met veel waterplanten worden gebruikt als voortplantingswater. In het Pompveld, waar de soort zeer talrijk is, vindt voorplanting plaats in brede sloten met veel kleine watereppe (Berula erecta). Voorkomen: In Nederland is de viervlek zeer algemeen. Vooral op de zandgronden komt de soort vaak in hoge aantallen voor. In de veen- en kleigebieden en in de duinen is de soort aanmerkelijk schaarser en zijn de aantallen lager. In het Land van Heusden en Altena is de soort in 23 verschillende kilometerhokken aangetroffen. Met name in het Pompveld is de soort talrijk. Hier zijn meermalen tussen de 25 en 50 individuen waargenomen langs brede sloten. Verder is de soort vooral in de omgeving van poelen of kleine plasjes aangetroffen. Deze waarnemingen hebben meestal betrekking op ĂŠĂŠn tot vijf individuen.

86 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum) Omschrijving: Het mannetje en vrouwtje van de gewone oeverlibel verschillen sterk van elkaar. Mannetjes hebben een bruin borststuk en grotendeels blauw berijpt achterlijf. De achterlijfspunt is zwart. Bij vrouwtjes is het borststuk geel of bruin van kleur. Het achterlijf is geel met twee opvallende zwarte lengtestrepen op de bovenzijde. Biotoop: De gewone oeverlibel is weinig kritisch in de biotoopkeuze. De soort komt voor bij allerlei stilstaande of zwak stromende watertypen, mits niet sterk beschaduwd. Het voortplantingswater is matig tot zeer voedselrijk. De soort heeft een voorkeur voor wateren met plaatselijk kale oevers, waar de imago’s kunnen opwarmen in de zon. Voorkomen: In Nederland is de gewone oeverlibel zeer algemeen. Alleen in de zeekleigebieden lijkt de soort schaarser dan daarbuiten. Gemiddeld genomen lijken de aantallen in het noorden van het land lager dan in het midden en zuiden. In het Land van Heusden en Altena kan de gewone oeverlibel zeer algemeen worden genoemd. Na lantaarntje (Ischnura elegans) en bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) is het de meest algemene soort met waarnemingen in 174 van de 212 kilometerhokken. De soort komt wijdverspreid voor en ontbreekt slechts daar waar weinig open water te vinden is. De grootste aantallen komen voor bij brede waterlopen zoals de Alm of open water met kale oevers zoals de grote plas in de Struikwaard.

87 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Vuurlibel (Crocothemis erythraea) Omschrijving: Vuurlibel-mannetjes zijn door hun lakrode uiterlijk vrijwel onmiskenbaar. Vrouwtjes zijn vooral geelbruin gekleurd en daardoor veel minder opvallend. Beide geslachten hebben oranjegele basisvlekken in de vleugels en een afgeplat achterlijf. Biotoop: Voortplantingswateren van de vuurlibel in Nederland zijn kleine tot vrij grote, matig diepe en beschut gelegen plassen. Veelal is een rijke onderwatervegetatie en een zone met hogere oeverbegroeiing aanwezig. Alle waarnemingen van de soort in deze regio zijn gedaan op korte afstand van wateren die voldoen aan deze beschrijving. Ook de aanwezigheid van een structuurrijke vegetatie (bloemrijk grasland en ruigte) in het gebied rond deze wateren is een overeenkomstig kenmerk. Voorkomen: De vuurlibel werd in het verleden uitsluitend als dwaalgast uit zuidelijker streken waargenomen. Vanaf 1993 zijn ook populaties in Nederland aangetroffen en breidt de soort zich uit. In het Land van Heusden en Altena werden de eerste exemplaren in 2004 gezien, in het Pompveld en de Struikwaard. In beide gebieden lijkt de soort zich voort te planten. Na 2004 werden ook langs de Alm, in de Groesplaat en in een poel langs de provinciale weg bij Genderen vuurlibellen waargenomen. Hoewel de vuurlibel elk jaar op nieuwe plaatsen wordt gezien zijn de waargenomen aantallen laag.

88 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Zwarte heidelibel (Sympetrum danae) Omschrijving: Zwarte heidelibellen zijn in de meeste gevallen goed van andere heidelibel-soorten te onderscheiden door de uitgebreide zwarte tekening op de zijkant van het borststuk. Jonge dieren zijn erg contrastrijk door het zwart en geel. Bij oudere exemplaren worden de gele delen grijsbruin tot zwart. Biotoop: De zwarte heidelibel is vooral talrijk bij heideplassen, vennen en hoogveen. Deze voedselarme, zure en vaak ondiepe wateren vormen de optimale voortplantingsbiotoop voor deze soort. Een modderige bodem en de aanwezigheid van watervegetatie in de vorm van veenmossen (Sphagnum sp.) is kenmerkend. Waarnemingen buiten de zandgronden hebben vrijwel uitsluitend betrekking op zwervers. Deze kunnen op allerlei plaatsen worden aangetroffen. Voorkomen: Binnen Nederland komt de zwarte heidelibel vooral voor op de zandgronden waar de soort algemeen is. Ook in de duinen zijn verschillende populaties aanwezig. Buiten deze gebieden vindt voorplanting slechts incidenteel plaats. De exemplaren die in het Land van Heusden en Altena zijn waargenomen zijn allen zwervers. Alleen in Sleeuwijk zijn twee exemplaren tegelijk waargenomen, de andere stippen staan voor ĂŠĂŠn individu. Alle vier de waarnemingen zijn gedaan in de maanden augustus en september van 2004 en 2005.

89 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Geelvlekheidelibel (Sympetrum flaveolum) Omschrijving: De geelvlekheidelibel is meestal redelijk eenvoudig te herkennen aan de grote oranjegele vlekken in de vleugels. Het achterlijf heeft in zijaanzicht een vrijwel aaneengesloten zwarte lengtestreep. De poten van deze soort zijn zwart met geel gestreept. Biotoop: De geelvlekheidelibel komt voor in allerlei stilstaande wateren. Met name snel opwarmende wateren, zoals ondiepe oeverzones, hebben de voorkeur. Alleen zeer voedselrijke milieus worden gemeden. Zwervers van deze treklustige soort kunnen overal worden aangetroffen. Voorkomen: Het voorkomen van de geelvlekheidelibel in Nederland is sterk afhankelijk van de instroom uit het oosten. In goede jaren is de soort zeer algemeen. Er zijn echter ook jaren waarin geen of slechts weinig geelvlekheidelibellen worden waargenomen. In de meeste jaren lijkt de soort zich wel in Nederland voort te planten, vooral op de zandgronden. In het Land van Heusden en Altena is de soort vier keer waargenomen in drie verschillende kilometerhokken. Alle waarnemingen zijn gedaan in 2005. Er zijn geen aanwijzingen dat de soort zich heeft voortgeplant in de regio, de waargenomen individuen zijn vrijwel zeker zwervers.

90 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Zwervende heidelibel (Sympetrum fonscolombii) Omschrijving: De zwervende heidelibel lijkt sterk op de algemenere ‘rodeheidelibellen’. De belangrijkste kenmerken van deze soort zijn de geel tot rood gekleurde aderen aan de vleugelvoorrand, de blauwgrijze onderkant van de ogen en de lichte pterostigma’s. De poten zijn zwart, vaak is een gele lengtestreep aanwezig. Biotoop: Vooral kleine tot middelgrote, ondiepe wateren zijn favoriet bij de zwervende heidelibel. Vaak betreft het pioniersituaties en is geen of slechts weinig water- en oevervegetatie aanwezig. In de Groesplaat zijn de meest waarnemingen verricht bij een ondiepe poel met kale oevers. Voorkomen: De zwervende heidelibel was tot 1996 een zeer zeldzame soort in Nederland, met slechts enkele waarnemingen. In 1996 vond een grote invasie plaats uit Zuid-Europa. Nadien wordt jaarlijks voortplanting vastgesteld en lijkt deze nieuwkomer zich te handhaven. In het Land van Heusden en Altena is de soort pas voor het eerst vastgesteld in 2007, wat ook landelijk een goed jaar was voor de zwervende heidelibel. In juni werden bij een poel in de Groesplaat twee territoriale mannetjes gezien. Elders in het gebied werd een vrouwtje gevonden. In augustus werd op korte afstand van deze poel een vers vrouwtje waargenomen, wat zou kunnen wijze op geslaagde voortplanting op deze locatie. Bij Andel werd in juli van hetzelfde jaar een mannetje waargenomen.

91 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) Omschrijving: De bloedrode heidelibel behoort tot de gemakkelijkst te herkennen soorten van de vele heidelibellen. De poten zijn geheel zwart en het borststuk is donkerbruin van kleur. Op de bovenzijde van het achtste en negende segment zit een zwart lengte streepje. Het verder bloedrode mannetje heeft een duidelijk knotsvormig achterlijf. Biotoop: Bloedrode heidelibellen zijn weinig kritisch in de biotoopkeuze. Allerlei rijkbegroeide, matig tot zeer voedselrijke wateren zoals sloten, plassen, poelen en vijvers worden gebruikt als voorplantingswater. Volwassen exemplaren zijn vaak te vinden op ruime afstand van water op allerlei zonnige en beschutte plaatsen. Voorkomen: In vrijwel heel Nederland komt de bloedrode heidelibel algemeen voor, alleen in de zeekleiregio en Zuid-Limburg is de soort minder algemeen. In het Land van Heusden en Altena is de bloedrode heidelibel na het lantaarntje (Ischnura elegans) in de meeste kilometerhokken waargenomen. In slechts 21 van de 212 kilometerhokken is deze zeer algemene soort niet gezien. De grootste aantallen zijn gezien op plaatsen met een groot aanbod van geschikt voortplantingswater op beschutte plaatsen. In grotendeels open gebied zijn meestal slechts enkele exemplaren aangetroffen.

92 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Bruinrode heidelibel (Sympetrum striolatum) Omschrijving: De bruinrode heidelibel lijkt sterk op de steenrode heidelibel (S. vulgatum). Een kenmerk dat bijna altijd uitkomst biedt is de ‘snor’, een donkere streep op de frons die tegen de oogrand eindigt. Bij vrouwtjes is de relatief weinig afstaande legschede een goed aanvullend kenmerk. Biotoop: Bruinrode heidelibellen zijn echte pioniersoorten. Bij pas gegraven poelen en plassen is het een van de eerste soorten die zich er voorplant. Bij ontwikkeling van wateren oevervegetatie wordt de biotoop minder geschikt. Bruinrode heidelibellen hebben een sterk verbreidingsvermogen en kunnen daardoor op allerlei plaatsen worden aangetroffen. Voorkomen: De bruinrode heidelibel komt in heel Nederland voor. In Noord-Nederland is deze soort echter duidelijk schaarser dan in het zuiden van het land. In Zuid-Nederland zijn de dichtheden op de zandgronden duidelijk hoger dan in het rivierengebied en het veenweidegebied. In het Land van Heusden en Altena is de bruinrode heidelibel ‘schaars’. Hoewel de soort elk jaar is aangetroffen hebben bijna alle waarnemingen betrekking op een enkel exemplaar. Op tenminste één plaats is met zekerheid voorplanting vastgesteld. In 2005 werd bij een pasgegraven poel in Sleeuwijk een flink aantal pas uitgeslopen exemplaren gevonden.

93 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum) Omschrijving: Steenrode heidelibellen zijn niet eenvoudig te onderscheiden van de bruinrode heidelibel (S. striolatum). De zwarte basisstreep op de frons loopt bij de steenrode heidelibel echter onder de oogrand naar beneden. Vrouwtjes van deze soort hebben een sterk afstaande legschede. Biotoop: Voor de voortplanting maakt de steenrode heidelibel gebruik van diverse watertypen zoals sloten, poelen, vijvers, vennen en zwakstromende waterlopen. Geschikte wateren hebben vaak een moerassige oever. Volwassen exemplaren worden vaak op aanzienlijke afstand van water aangetroffen. Voorkomen: De steenrode heidelibel komt in heel Nederland zeer algemeen voor. Ten opzichte van de verwante bruinrode heidelibel (S. striolatum) is de steenrode heidelibel talrijker in Noord-Nederland en het westelijke rivierengebied met het aangrenzende veenweidegebied. In het Land van Heusden en Alten is de soort algemeen te noemen en is in iets meer dan de helft van het aantal kilometerhokken aangetroffen. In veruit de meeste gevallen betreft het waarnemingen van ĂŠĂŠn tot vijf exemplaren op beschutte plaatsen. Op de verspreidingskaart is duidelijk te zien dat de soort in open agrarisch gebied weinig of niet is aangetroffen.

94 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

95 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

6 Tot besluit Zoals in de inleiding al wordt gesteld is een verspreidingatlas nooit volledig. In dit project is geprobeerd op regionaal niveau toch een representatief beeld van de verspreiding van de aanwezige soorten te kunnen geven. Nu, aan het einde van het project, bestaat de indruk dat dit redelijk goed is gelukt. Duidelijk is welke soorten wel en niet voorkomen en of ze algemeen of zeldzaam zijn. Gelukkig zijn diverse waarnemers ook na 2007 gewoon doorgegaan met het vlinder- en libellenspeurwerk. Hierdoor zijn er alweer leuke ontwikkelingen te melden zoals de waarneming van een geelsprietdikkopje bij Sleeuwijk, tengere grasjuffers, metaalglanslibellen en zwervende heidelibellen bij Dussen en bruine korenbouten bij Waardhuizen. De vlinder- en libellenfauna is en blijft in beweging. Het verzamelen van gegevens maakt het mogelijk om eens terug te kijken, zoals is gedaan in de navolgende kadertekst. Minstens zo interessant is het om vooruit te kijken en de nieuwe ontwikkelingen te volgen en weer in kaart te gaan brengen!

Het geelsprietdikkopje, te herkennen aan de geelrode sprietknoppen van de antennen, werd in 2009 gefotografeerd in een berm bij Sleeuwijk (foto CvE).

96 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Ontwikkelingen van de dagvlinderfauna in de afgelopen 30 jaar door Jaap van Diggelen Begin jaren tachtig van de vorige eeuw heb ik dagvlinders in de omgeving van Genderen en in de natuurgebieden Pompveld en Kornsche Boezem geïnventariseerd. Deze gegevens zijn verwerkt in de verspreidingsatlassen voor dagvlinders (Geraedts, 1986; Tax, 1989) en in het boekje Natuur tussen Maas en Merwe (Van Diggelen e.a., 1992). Hoewel deze inventarisatie niet het gehele Land van Heusden en Altena betreft, biedt een vergelijking van deze gegevens met die van dit rapport een unieke mogelijkheid om iets te zeggen over de ontwikkelingen van de dagvlinderstand in onze streek in de afgelopen dertig jaren. Wat opvalt is dat vrijwel alle soorten na bijna dertig jaar nog voorkomen. In absolute zin zijn er weinig verschuivingen. Dat is een mooi resultaat gezien de negatieve landelijke tendens. Helaas is dertig jaar geleden veel minder intensief geïnventariseerd waardoor over voor- of achteruitgang van aantallen van de meeste soorten niet veel kan worden gezegd. Opvallend zijn de koninginnepage en de rouwmantel. Beide soorten werden begin jaren tachtig vorige eeuw niet waargenomen en staan nu wel op de lijst. In dit rapport is te lezen dat de waarnemingen van de rouwmantel uit het invasiejaar 2006 zijn. De kans om in de jaren tachtig een rouwmantel te zien was veel kleiner omdat dit geen invasiejaren waren. De koninginnepage is duidelijk een ander verhaal. Deze soort heeft zich vast gevestigd in Zuid-Nederland en het aantal zwervers dat door het land trekt, neemt toe. Voor de andere soorten die in minder dan 10% van de kilometerhokken werden aangetroffen geldt dat ze 30 jaar geleden ook al weinig algemeen tot zeldzaam waren. Het bruin zandoogje bijvoorbeeld werd nu als toevalstreffer tweemaal gezien en die status had deze soort begin jaren tachtig ook. Van het groot dikkopje kan met zekerheid gezegd worden dat de soort is achteruitgegaan. Ik trof deze soort in het verleden niet alleen aan in het Pompveld, waar hij nu nog steeds zit, maar ook in de Kornsche Boezem en in de bermen in het buitengebied rond Genderen. Daar lijkt hij nu verdwenen. Dit beeld van achteruitgang van deze soort wordt ook landelijk geconstateerd (Bos e.a., 2006). Het geelsprietdikkopje was in de jaren tachtig ook al een bijzonderheid die ik nooit heb waargenomen maar wel door andere waarnemers is gemeld. In de periode die in dit rapport wordt beschreven is de soort niet gemeld. In 2009 werd er wel een exemplaar gemeld nabij Sleeuwijk (www.waarneming.nl). Er is maar één soort echt verdwenen die vroeger algemeen was: het hooibeestje. Deze kleine zandoog danste vroeger voor je uit als je door een gemaaide berm of over zomaar een grasveld liep. Werkelijk overal kon je dit kleine licht oranje vlindertje tegenkomen. In een stukje in een van de eerste nummers van het Altenatuurtje duidt ik deze soort aan als algemeen (Van Diggelen, 1982). De sterke achteruitgang wordt ook in de meest recente vlinderatlas (Bos e.a., 2006) genoemd maar tegelijkertijd noemt dit boek het hooibeestje 'een algemene standvlinder van schrale gevarieerde graslanden'.

97 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

De verspreidingskaartjes tonen een ander beeld dan 'algemeen': in de periode 1980 – 1994 werd het hooibeestje in vrijwel alle uurhokken gesignaleerd, daarna zijn er vooral in het binnenland grote witte vlekken waar de soort totaal is verdwenen. Hieruit blijkt weer hoe kwetsbaar dagvlinders zijn: zelfs algemene soorten kunnen plotseling sterk achteruitgaan. Volgens Bos e.a. (2006) viel in 1991 de grote klap voor het hooibeestje, met als voornaamste oorzaak het ongunstige weer. In ons gebied is hij in de loop van de jaren van algemene soort waarschijnlijk snel zeldzaam geworden en geruisloos verdwenen. Geruisloos, want het gebeurde in onze directe omgeving en we hebben het gewoon gemist. Voor mij komt dit vooral doordat ik in de periode1983 – 1995 aanzienlijk minder heb 'gevlinderd'. Incidentele waarnemingsnotities melden nog 5-10 exemplaren van het hooibeestje in de Kornsche Boezem op 6 augustus 1986 en op 11 augustus 1990. Daarna is het stil. Pas toen ik vanaf 1995 weer vlinders ging inventariseren in de Struikwaard miste ik het hooibeestje, dat dus ergens tussen 1990 en 1995, misschien wel in het beruchte jaar 1991, was verdwenen. Een witte vlek op de verspreidingskaart door ontbreken van waarnemingen is niet te onderscheiden van een witte vlek door het verdwijnen van een soort. Gelukkig geldt dat laatste in onze streek alleen voor het hooibeestje. Hij schijnt landelijk weer wat te herstellen. Ik hoop dat er in een volgende streekatlas weer hooibeestjesstippen staan!

Het hooibeestje was vroeger algemeen in het Land van Heusden en Altena, maar is recent niet meer waargenomen. Misschien in de toekomst weer…? (foto BV). 98 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

99 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Dagvlinders en Libellen in het Land van Heusden en Altena

Literatuur Bink, F.A. 1992. Ecologische atlas van de dagvlinders van Noordwest-Europa. Schuyt & Co., Haarlem. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff. 2006. De dagvlinders van Nederland: verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden, KNNV Uitgeverij, Utrecht, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. De Vlinderstichting. 2008. Libellennet – http://www.libellennet.nl/ (gebruikt in 2009). De Vlinderstichting / Werkgroep Vlinderfaunistiek, 2008. Vlindernet, versie 2 – http://www.vlindernet.nl/ (gebruikt in 2009). Diggelen, J. van. 1982. Vlinders in en rond Genderen. Altenatuurtje nr 4. Diggelen, J. van, J.H. Koekkoek, J.B. van Buuren & G. Holl (red.). 1992. Natuur tussen Maas en Merwe; een ontdekkingstocht door het groene Land van Heusden en Altena. Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur. Geraerdts, W.H.J.M. 1986. Voorlopige atlas van de Nederlandse dagvlinders Rhopalocera. De Vlinderstichting, Wageningen. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. 2002. De Nederlandse Libellen. KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Sonneveld, F. 1958. Bodemkartering en daarop afgestemde landbouwkundige onderzoekingen in het Land van Heusden en Altena. Verslagen Landbouwkundige Onderzoekingen 64.4. Staatsdrukkerij, ’s-Gravenhage. (Ook verschenen als De Bodemkartering van Nederland, dl. 18). Swaay, C.A.M. van, Groenendijk, D. & C. Plate. 2006. Vlinders en libellen geteld. Jaarverslag 2005. Rapport VS2006.020, De Vlinderstichting, Wageningen. Tax, M.H. 1989. Atlas van de Nederlandse dagvlinders. Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland / De Vlinderstichting, 's Graveland / Wageningen.

100 Natuurbeschermingsvereniging Altenatuur


Verspreidingsatlas Vlinders en Libellen 2000 2007