VLAAMSE BELASTINGSDIENST Onroerende voorheffing Vaartstraat 16 9300 Aalst Per aangetekende brief
30 maart 2021 Geachte Mevrouw, Geachte Heer,
Als bestuurder van de onderneming ****** , met ondernemingsnummer ****, wens ik hierbij bezwaar in te dienen tegen het aanslagbiljet onroerende voorheffing 2021 met het Kohierartikel **** , met betrekking tot het handelspand gelegen te **** . Mijn bezwaar is gebaseerd op het artikel 2.1.5.0.2., §1,3° van de Vlaamse Codex Fiscaliteit en artikel 15 van het federale WIB, welke toelaten dat een proportionele vermindering van onroerende voorheffing kan worden bekomen indien een onroerend goed buiten de wil van de belastingplichtige gedurende minstens 90 dagen volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht. Mijn horecazaak werd verplicht gesloten door de overheid in de volgende periodes: -
1 januari 2021 tot 8 mei 2021 volledig gesloten: 127 kalenderdagen
-
1 januari 2021 tot 9 juni 2021 binnenruimtes volledig gesloten : 159 kalenderdagen
Het handelspand kon dus ten gevolge van de overheidsmaatregelen gedurende in totaal 159 van de 365 kalenderdagen onmogelijk inkomsten opbrengen en om die reden vordert mijn onderneming dan ook een vermindering van onroerende voorheffing van 43,56 % van de onroerende voorheffing 2021, zijnde in totaal *** €. Ik meen dat aan alle wettelijke voorwaarden voorzien in artikel 15 van het WIB voldaan is om deze proportionele vermindering te bekomen: Ten eerste dient de “improductiviteit” van het onroerend goed minimaal 90 dagen te duren. Deze periode van 90 dagen hoeft niet aansluitend te zijn en kan verspreid worden over één volledig kalenderjaar. Voor mijn horecazaak is er een improductiviteit van 159 dagen. Ten tweede moeten de bebouwde onroerende goederen volledig niet in gebruik zijn genomen en mogen ze volstrekt geen inkomsten opgebracht hebben tijdens die periode. Voor mijn horecazaak is dat het geval gedurende de volledige periode van 159 dagen. Ten derde dient de improductiviteit onvrijwillig te zijn. Gezien de sluiting van mijn horecazaak bij wet werd opgelegd is het duidelijk dat improductiviteit onvrijwillig was. Ten vierde stelt artikel 15 WIB dat de onroerende goederen onbemeubeld te zijn. In de Administratieve Commentaar 257/84 tot interpretatie van deze voorwaarde staat evenwel 1