Page 1

1 Word een van ons, vreemdeling

I

k klom in de riksja, een 125cc motorfiets met een pickuplaadbak die op niet bijzonder schokbestendige achterbanden vast gelast was. De riksja had metalen zijkanten en een bordeauxrood dak van zeildoek, dat over een metalen geraamte gespannen was en versierd met slingerende, rode kwastjes. Stukken plastic bedekten de ruimte tussen wand en dak, waardoor juist onder ooghoogte een soort halfdoorzichtig raam ontstond. De achterzijde was open; daar kon je instappen. Binnen in de laadbak boden twee smalle, metalen bankjes met dunne, rode kussentjes elk juist genoeg ruimte aan vier personen, mits die heup aan heup aanschoven, met de knieĂŤn ingeklemd tussen die van de passagiers aan de overzijde. In de riksja zaten twee mannen, een met een grijze baard en de ander met een lange zwarte. Zodra ze mij zagen, schoof de zwartgebaarde man naast de andere. Ze maakten plaats voor mij, zodat ik in mijn eentje aan de andere kant van de riksja kon zitten. Dat was de juiste handelwijze en ik was blij dat 9


ze zich aanpasten. De regels in Afghanistan zijn duidelijk en iedereen moet ze opvolgen. Met één hand tilde ik mijn lange jas op, trok mijzelf omhoog met de andere en klom naar binnen, behoedzaam om de knieën van de mannen niet te raken. Ik wrong mijn hand tussen het metalen dakframe en het zeildoek daaroverheen, hield me stevig vast, boog mijn hoofd en keek uit op de straat achter ons. De jonge chauffeur schakelde en we stuiterden over een van de weinige verharde wegen in de Afghaanse stad waar ik woonde. Toen ik naar binnen klom, had ik een zacht ‘Salaam’ gemompeld. Dat is beleefd, hoewel een vrouw bedekt met een alles verhullende blauwe boerka het waarschijnlijk nagelaten zou hebben. De twee mannen keken naar mij. Dat was onbeleefd en ze zouden me zeker niet aangestaard hebben als mijn gezicht verborgen was geweest. Ik was eraan gewend. Vrijwel alle Afghaanse mannen staarden mij aan waar ik ook ging, totaal onbeschaamd – nog een prijs die je betaalt als buitenlandse vrouw in Afghanistan. Het was vroeg in de winter, het seizoen van veel kou, regenval en modder. Ik droeg een lange, donkerblauwe jas van een gabardine-achtige stof. Losjes om mijn hoofd was een dunne bordeauxrode sjaal gedrapeerd. Mijn bruine pony viel tegen de rand van mijn zonnebril. Ik droeg een kleine, zwartleren tas over één schouder. Een karabijnhaak klonk daar een sleutelbos en felgeel telefoonhoesje aan vast. Vaak vertelden goedbedoelende mannen me dat ik mijn telefoon en sleutels ergens moest wegstoppen waar ze niet gestolen zouden worden: ‘Je kunt hier niemand vertrouwen.’ Ze hadden geen idee hoe sterk die karabijnhaak was. Ik had zo mijn eigen bedoelingen. De telefoon was onmisbaar voor mijn veiligheid. Ik moest hem altijd kunnen horen en snel tevoorschijn kunnen trekken. Ik woonde in Afghanistan 10


zonder bewapende bewakers of prikkeldraad. Mijn wapenrusting bestond uit een katoenen sjaal en gabardine jas, mijn legerkistjes waren sandalen of instappers, mijn telefoon was een reddingslijn – letterlijk. In Amerika nemen mensen hun mobiele telefoons overal mee naartoe omdat ze er emotioneel aan gehecht zijn. Ze kunnen zich niet indenken onbereikbaar te zijn. In Afghanistan draag ik de mijne mee omdat ik geen keus heb. Stel dat een van mijn collega’s gekidnapt wordt of dat er gedreigd wordt met een bomaanslag. Hoe zou ik dat te weten komen? In het beste geval zou ik een telefoontje of sms ontvangen. En wat als iemand probeerde mij te ontvoeren? Ik moest mijn telefoon altijd binnen handbereik houden. De sleutels waren een ander verhaal. Gewoonlijk verzamelde ik hele zwermen kinderen om me heen, telkens wanneer ik door mijn straat liep. Ze kenden mij allemaal en waren graag dicht bij me. In zo’n situatie wilde ik absoluut niet in m’n tas moeten graven om iets te vinden. Alles wat een vreemdeling heeft of doet is fascinerend. Ik wilde mijn poortsleutel altijd bij de hand hebben. Ik droeg een zonnebril met donkere glazen, zelfs als het bewolkt was. Een vrouw met een zonnebril was altijd een ongebruikelijk gezicht, maar het was prettiger om een zonnebril te dragen dan overal mijn helderblauwe ogen te tonen. Afghanen zeiden dat het goed was dat ik mijn ogen verborg achter de zonnebril. Zij vertelden me dat het goed was dat ik mezelf conservatief kleedde, ook al kleedde ik me niet precies hetzelfde als een Afghaanse vrouw. Vanwege mijn lange jas en hoofddoek dachten mensen vaak dat ik moslim was. Het was nooit mijn bedoeling mezelf anders voor te doen dan ik was; wel om te vermijden dat woedende mensen stenen naar me gooiden. 11


De twee mannen, de grijsbaardige en de zwartbaardige, bestudeerden me nauwlettend. Ik klemde me vast aan het frame, trok m’n knieën dicht naar me toe en keek uit over de verharde weg achter ons. Ik verwachtte dat ze de stilte zouden doorbreken en hoopte dat ze het niet zouden doen. Ik wachtte en dacht terug aan andere ritjes die ik maakte in het gezelschap van andere willekeurige mannen. Eens, in een andere stad, vroeg een Afghaanse taxichauffeur mij hem mee te nemen naar Amerika. Ik vertelde hem dat ik dat niet kon; het was niet mogelijk. ‘Waarom niet?’ ‘Omdat u geen familie van mij bent.’ ‘Geen probleem. Ik trouw met u. Dan kunt u me naar Amerika brengen.’ Ik zag zijn lachende gezicht in de achteruitkijkspiegel nog voor me. Hij was opgetogen over zijn eigen slimheid. Talloze Afghaanse mannen boden aan met me te trouwen. Afghaanse vrouwen vroegen me altijd te trouwen met hun zoon of broer. Eerst dacht ik dat ze dat wilden gewoon omdat ik exotisch was, een goedlachse, blauwogige vreemdelinge. Uiteindelijk ontdekte ik hoe ik dergelijke voorstellen kon plaatsen. Ik was veel te ‘anders’ om veilig of zelfs maar begrijpelijk te zijn. Als ik daar ging wonen, tussen Afghanen, hadden zij er behoefte aan dat ik een van hen werd, dat ik in hun sociale structuur paste. In Afghanistan is er geen plaats voor een onaf hankelijke, ongetrouwde, volwassen vrouw. Ik was totaal niet logisch. En daarnaast, in Afghanistan is het huwelijk een juridische, praktische regeling. Het is niet bedoeld als de innige, romantische kameraadschap die we in het Westen zo hoog hebben staan. Met de taxichauffeur in die andere stad had ik een gokje gewaagd. ‘Weet u, niet iedereen in Amerika is moslim. Er zijn maar heel weinig vrouwen die een hoofddoek dragen.’ 12


Daarop keek hij met grote ogen in zijn achteruitkijkspiegel. ‘Maar u wel.’ Ik antwoordde lachend: ‘Niet in Amerika.’ Hij boog zich naar achteren om mij aan te kunnen kijken en reed bijna van de weg af. ‘U loopt daar rond met uw hoofd onbedekt?’ Ik grinnikte. ‘Ja.’ Ik wilde eraan toevoegen: ‘Of je het nu gelooft of niet, vriend’, maar dacht dat ik wel al genoeg gezegd had. Zijn reactie was de klassieke van een Afghaanse man. Hij fronste zijn wenkbrauwen, hield zijn hoofd schuin en las me de les via de achteruitkijkspiegel: ‘U zou zich moeten schamen. En als Amerika zo is, wil ik er niet heen.’ Zijn huwelijksaanzoek was in rook opgegaan. Arme ik, weer een kans gemist. Met een dankbare glimlach reageerde ik vriendelijk: ‘Ik weet het, u bent geen Amerikaan.’ Voor hem was de ander, de vreemdeling, degene die niet is zoals wij, eenvoudigweg onbegrijpelijk. Aan die chauffeur dacht ik terug terwijl de twee mannen in de bak van de metalen riksja mijn kleding bestudeerden. Ze konden het randje van mijn enkellange, marineblauwe rok zien en de onderste centimeters van de dunne, zwarte broek die daar onderuit stak. Ze bekeken mijn uitheemse schoenen, enkelhoge, leren instapschoenen zonder hak en met klittenbandsluiting. Zeker niet de typische, glimmend zwarte, plastic instappers of puntige, hooggehakte schoenen waar Afghaanse vrouwen de voorkeur aan geven. Waarschijnlijk observeerden ze zelfs mijn sokken. ’s Winters droeg ik altijd dikke, bruine, wollen sokken die iemand me vanuit Amerika had toegestuurd. Die waren het beste tegen de kou. Het zou alleen fijn zijn als ze zwart waren geweest, zodat ze niet opvielen onder mijn broek. 13


Nog steeds hobbelde, remde en gierde ons metalen riksja’tje door de hoofdstraat van onze kleine stad. Ik klemde me vast aan de metalen dakspant en bleef kijken naar de straat achter ons. Het zou slechts enkele minuten kosten om het centrum van de stad te bereiken. Dan kon ik eruit springen, een handjevol Afghaanse munten betalen en aan het werk gaan. Ik vroeg me af of het zou lukken daar te arriveren zonder in gesprek te raken, maar nee, ditmaal niet. Vanuit mijn ooghoek zag ik de grijsbaardige over zijn baard strijken, bedenkend welke vraag hij stellen ging. Uiteindelijk vond hij er een. ‘Waar komt u vandaan?’ Een eenvoudige vraag, maar zoals ieder gesprek in Afghanistan vol potentieel gevaar of hoffelijk welkom. Mijn ogen lieten de straat niet los. ‘Amerika’, zei ik, zonder verontschuldiging, arrogantie of trots. Ik beantwoordde eenvoudig zijn vraag. In mijn deel van Afghanistan is Duitsland populairder dan Amerika. De meeste plaatselijke bewoners houden niet van Amerika en hebben mij dat veelvuldig onomwonden duidelijk gemaakt. Eens vertelde een bebaarde man in een andere riksja mij dat Amerikanen zwarte harten hadden, slecht waren en wreed. Duitsers waren goed. Ik gedroeg me erg beleefd en vroeg: ‘Gelooft u dat ik een zwart hart heb, slecht ben en wreed?’ Daarmee bracht ik hem in het nauw. Ik wist dat hij mij absoluut niet kon beledigen. Ik was zijn gast. De man had snel geantwoord, hakkelend bijna. ‘Nee, nee. U bent onze gast. Het is duidelijk dat u een goed persoon bent. U moet hier wel zijn om ons te helpen. Werkt u voor een nongouvernementele organisatie? Welke? Wat voor soort projecten heeft uw ngo? Ah, dat is heel goed. Ziet u wel, u bent hier om ons te helpen. U bent goed.’ Die dag had ik een belediging genegeerd en was ik confron14


tatie uit de weg gegaan. Voordat ik uit de riksja klom, had ik een zegenwens over de man uitgesproken: ‘Moge God u en uw familie zegenen.’ Hij was verguld geweest. Vandaag echter zat ik achter in een riksja met twee andere mannen, die mij nauwkeurig bestudeerden. Ik wachtte, hield me vast aan de dakspant en vroeg me af waar het gesprek heen zou gaan. Op sommige ritjes naar het stadscentrum kreeg ik een riksja te pakken die oncomfortabel volgepakt zat met vrouwen en kinderen. Dan kon ik er zonder probleem of angst bij klimmen. Soms zat de riksja vol mannen. Die maakten plaats voor mij. Dan stond ik op straat en wachtte totdat ze allemaal opgeschoven waren en ik ervan overtuigd was dat ze een gepaste zitplaats voor mij gecreëerd hadden. Zo deden ze altijd. De regels zijn duidelijk. Eens klom ik in een oude Russische taxi, met ruimte voor drie personen achterin en twee op de passagiersstoel voorin. Toen ik instapte, zat er slechts één mannelijke passagier voorin, plus de chauffeur. Ik zat op de verder lege achterbank. We reden van het ene naar het andere dorpje buiten de stad. Deze taxi reed een lijndienst, keer op keer dezelfde route, heen en weer. Iedereen die een lift wil, neemt hij mee. De ruimte wordt gedeeld. Als er binnenin geen ruimte meer is, zitten de kinderen op het dak en de vrouwen in de achterbak. Het is een makkelijke manier om te reizen en bovendien spotgoedkoop. De betreffende lijn kostte zo’n tien cent voor een tochtje van twintig minuten. Eerst zat ik dus in m’n eentje achterin. Het was een mooie rit. Toen de taxi stopte om een andere man op te pikken klom hij meteen voorin, naast de andere passagier die daar al zat. Ik had nog steeds de hele achterbank voor mijzelf. Vervolgens stopte 15


de chauffeur weer, om nog een andere man mee te nemen. Die nam plaats op de ruime achterbank naast mij en onmiddellijk stapte ik uit. Ik zei tegen de twee mannen voorin dat ze achterin moesten gaan zitten en dat deden ze. Ze lachten wat schaapachtig, maar deden het wel. Ik schoof op de voorstoel. Er zijn regels en die zijn belangrijk. Ze moeten gehoorzaamd worden. Eens verhuisde ik zelfs passagiers in een vliegtuig. Ik vloog met een late avondvlucht van Istanbul naar Kabul. Er zat één andere vrouw in de lounge, een Franse hulpverleenster die in Kabul woonde. Ik vroeg of ze naast mij wilde zitten, wat ze prima vond. Het vliegtuig zat stampvol. Ongeveer de helft van de passagiers arriveerde in de vertrekhal met handboeien om. Het waren illegale vluchtelingen die door de Duitse regering uitgezet werden. Hun bewakers verwijderden hun boeien juist voordat ze het vliegtuig binnengingen. De Franse had een zitplaats toegewezen gekregen midden in een rij van drie. De mijne was bij het raam in een rijtje van twee. Ik stond in het gangpad naast de mij toegewezen reisgenoot, een jonge man die zojuist van zijn Duitse boeien bevrijd was, en vertelde hem luidop van plaats te wisselen met mijn reisgenoot. Hij aarzelde. De stewardess vroeg of ik wilde gaan zitten, maar ik weigerde. ‘Dat is niet gepast. Hij moet verhuizen.’ De andere Afghaanse mannen die in de buurt zaten, lachten om de jongen en bevalen hem toe te geven. Mijn Franse reisgenoot en ik namen onze plaats in en sliepen vredig, de hele vlucht naar Kabul. Er zijn regels – regels over wat te dragen, waar te zitten, wanneer te trouwen, en zo meer. Ze moeten gehoorzaamd worden. De grijsbaardige man die samen met mij achter in de riksja zat, kende de regels ook. Hij kon met mij praten, maar me niet aanraken. Ik kon met hem praten, maar mocht hem niet recht 16


in de ogen kijken. In plaats daarvan bestudeerde ik het kapotte wegdek vol gaten en wachtte. Uiteindelijk leunde hij een klein beetje naar mij toe en informeerde eenvoudig of er moskeeën waren in Amerika. Zijn gezichtsuitdrukking was ontspannen. Ik haalde opgelucht adem. Dat was geen bedreigende vraag. Ik heb een standaard antwoord gereed en gaf dat zonder hem aan te kijken: ‘Ja, er zijn moskeeën in Amerika. Amerika is een vrij land en mensen kunnen God aanbidden zoals zij willen.’ De grijsbaardige man knikte nadenkend. Hij streek langs zijn lange baard. Toen stelde hij mij de voor de hand liggende vraag: ‘Bent u moslim?’ Ik aarzelde. Het was een gewone vraag, die ik al vele malen beantwoord had. Wat ik ook zei, mijn antwoord zou hem niet bevallen. Ik overwoog mijn opties, de situatie en de riksja die mij zowel vervoerde als opsloot. De man had niet gevraagd of ik in Amerika naar de moskee ging. In Afghanistan gaan vrouwen niet naar de moskee. Enkele uitzonderingen daargelaten, maar die zijn buitengewoon zeldzaam. De meeste vrouwen die ik in Afghanistan ken, letterlijk honderden, hebben gedurende hun volwassen leven nog nooit een moskee betreden. In Afghanistan zijn de cultuur en de regels synoniem met de heilige Koran en de Hadith. Een moslim is iemand die zich onderwerpt aan deze regels. De Koran is natuurlijk het meest heilige boek in de islam en wordt beschouwd als de woorden van Allah zelf, gesproken in het Arabisch, de taal van Allah. De Hadith, en daarvan zijn er veel, zijn geschreven collecties van het onderwijs en de voorbeelden van de profeet Mohammed. Het grootste deel van de sharia, de islamitische wet, is geput uit de Hadith. 17


In Afghanistan dragen vrouwen boerka’s, de blauwe chador met gaas voor de ogen. Boerka’s worden verplicht gesteld door de Koran en de Hadith. Vrouwen mogen geen mannelijke arts of verpleger zelfs maar hun bloeddruk laten meten, laat staan laten luisteren naar hun hart, want dat wordt verboden door de Koran of de Hadith. Vrouwen moeten hun echtgenoot toestemming vragen voordat ze hun ommuurde woning en erf verlaten kunnen. Dit zijn allemaal geboden. Of het islamitische heilige boek deze werkelijk bevat als geboden of niet, is niet relevant in Afghanistan. Als de plaatselijke moellah, de religieuze leider van de buurt, zegt dat dit is wat de profeet Mohammed leerde, dan is het zo. Er valt niet over te discussiëren. Er zijn regels en die moeten zonder meer opgevolgd worden. Ik heb vijf jaar in Afghanistan gewoond. Ik leerde de regels. Ik moest wel. De grijsbaardige en de zwartbaardige achter in de riksja keken mij aan. De grijze had me gevraagd: ‘Ben je moslim?’ Voor hem had het woord moslim een strikte definitie. Hij bedoelde niet: ‘Ben je onderworpen aan God?’ Daarop had ik kunnen antwoorden: ‘Ja, natuurlijk.’ Hij bedoelde iets preciezers: ‘Onderwerp je je aan de wetten van de profeet Mohammed, zoals opgeschreven in de heilige Koran en Hadith en onderwezen door de moellahs?’ Welk eerlijk antwoord ik ook gaf, het zou niet welkom zijn. Toch kon ik maar één antwoord geven. Ik reageerde rustig en opnieuw zonder arrogantie of verontschuldiging. ‘Nee, ik ben geen moslim. Ik ben een volgeling van de Achtenswaardige Jezus Messias.’ Ik keek niet recht naar een van de mannen. Dat was ongemanierd. Ik hield mijn ogen op de knoestige handen van de 18


grijsbaardige, die rustig op zijn knieën lagen. Ze verstrakten niet. Ik ontspande. Hij had mijn antwoord geaccepteerd. Ik wierp een heel snelle blik op hem en sloeg meteen mijn ogen weer neer. Hij droeg een lichtbruine, wollen deken, een pathu, die om zijn schouders vastgemaakt was en neerhing tot net boven zijn knieën. Daaronder had hij een kaki salwar kameez: een knielang, katoenen shirt met lange mouwen en bijpassende, wijde broek. Hij droeg rubberen laarzen, iets als Engelse wellington boots, maar dan goedkoper. Om zijn hoofd was een tamelijk kleine, lichtgrijze turban gewikkeld. De kleur van zijn turban gaf aan dat hij waarschijnlijk geen moellah was. In onze omgeving droegen de meeste moellahs witte turbans. Sommigen hadden een zwarte, maar dat is de talibanstijl. De grootte van zijn turban wees erop dat hij waarschijnlijk Tadzjiek was. De meeste Pashtunmannen droegen grotere turbans, áls ze er al een droegen. In dezelfde korte glimp ving ik de zwartbaardige man. Hij droeg een zwarte turban, net iets kleiner, in de noordelijke stijl. Hij was waarschijnlijk conservatief en misschien een moellah. Zijn baard reikte tot op zijn borst, zoals die van zijn Profeet. Daaronder droeg hij een bruine pathu, net als de oudere man, en een lichtbruine salwar kameez. Heel even zag ik ook zijn gezicht en ik verstrakte: ik was nog niet buiten gevaar. Hij keek kwaad, met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen, zoals iemand kan kijken naar een ongeliefd kind of een zwerf hond. Hij boog zich te dicht naar mijn gezicht en staarde recht in mijn afgewende ogen. Zijn woorden kwamen eruit als een bevel, kort en abrupt: ‘U zou moslim moeten worden. Dat zou beter voor u zijn in dit leven en het volgende.’ Er trok een rilling door mijn lichaam. Het was niet ongebruikelijk dat Afghanen probeerden me tot bekering te dringen. Ik denk dat er geen week voorbijging 19


zonder dat iemand een poging deed. Gewoonlijk moedigden ze me aan om in het Arabisch de sjahada te zeggen, de islamitische geloofsbelijdenis. Ik weet wel beter. Als ik die zin reciteer, ben ik automatisch moslim en is mijn bekering onherroepelijk. Deze man was volstrekt niet uniek in zijn poging me te bekeren. De felle toon en nauwelijks verholen furie waren echter niet normaal. Ik woonde al vijf jaar in Afghanistan en had eerder dergelijke mannen ontmoet. Dit was een gevaarlijke situatie. Ik overwoog mijn reactie. Ik keek hem recht aan. Ik zat rechtop op mijn plaats, knikte en zei: ‘Dank u.’ Meteen keek ik weer weg. Mijn daad was strijdlustig, maar mijn woorden verzoeningsgezind. De man was niet tevredengesteld. Hij leunde nog dichter naar mijn afgewende gezicht en herhaalde: ‘U zou moslim moeten worden. Dat zou beter voor u zijn in dit leven en het volgende.’ Zijn woorden ketsten af op mijn hart en joegen mijn bloeddruk omhoog. ‘Uw leven zou beter zijn in deze wereld en de volgende.’ Enkele ogenblikken geleden verliet ik het huis van een Afghaanse vriendin die mij het zoveelste afschuwelijke verhaal verteld had. Daarvan had ik er honderden gehoord – hartverbrekende verhalen van Afghaanse vrouwen over misbruik, onderdrukking en geweld. Ik dacht: ‘Mijn leven zou beter zijn in deze wereld? Weet u iets van het leven van Afghaanse vrouwen? Hebt u daar al eens één keer over nagedacht?’ Afghanistan was een gevaarlijke plaats, de jaren dat ik er woonde. Ik hoorde bomexplosies en zag het glas in de ramen van mijn huis trillen. Ik moest mijn huis verlaten omdat ik persoonlijk bedreigd werd met ontvoering. Ik ben het land uitgeglipt over actief gevechtsterrein, verborgen onder de beschermende dekmantel van een alles bedekkende, blauwe boerka. Toch is 20


mijn grootste angst in dit land altijd geweest dat ik ontvoerd zou worden en verkocht aan een of andere oorlogsheer als zijn vierde of vijfde vrouw, verbannen naar zijn huishouden en overgeleverd aan seksuele slavernij achter een drieënhalve meter hoge, stenen muur met vergrendelde poort. Zelfs de mildste levensverhalen van Afghaanse vrouwen vormen een spookbeeld. Ik overdacht de uitdagende woorden van de zwartbaardige, zijn zelfvertrouwen en zijn onwetendheid. Verhalen van andere Afghaanse vrouwen kwamen in mijn herinnering. Vrouwen die terugkeerden na tientallen jaren in Iran geleefd te hebben, moslima’s die de bittere uitdagingen van het leven in Afghanistan hadden leren kennen. Vaak begon hun verhaal met hoop en opwinding. Ze spraken over het zware leven in Iran, over hoe ze niet geaccepteerd werden door de Iraanse gemeenschap. Daar werden ze snerend ‘Afghani-gaks’ genoemd, Afghaantjes. Geregeld werd hun onderwijs ontzegd terwijl hun Iraanse buren wel naar school gingen. Als hun vaders en broers al een baan hadden, verrichtten ze zwaar, ongeschoold werk tegen een laag loon. Hun talen leken genoeg op elkaar. Dari en Hazaragi zijn beide verwant aan de Farsitaal van Iran. Hun religie, de sjiitische stroming binnen de islam, kwam overeen met die van hun buren. Desondanks waren ze in Iran buitenstaanders en niemand wil een buitenstaander zijn. De meesten van deze vrouwen droomden ervan terug te keren naar Afghanistan, een thuis dat ze nooit gezien hadden of waar ze als jong kind vandaan gevlucht waren. Ze groeiden op in een land dat het hunne niet was. Toen de taliban uiteindelijk verdreven waren, keerden velen vol hoop en valse beloften terug naar ‘huis’. Een groep zussen en schoonzussen vertelde hun verhaal tot 21


in detail. Ze kwamen terug om te gaan wonen bij een broer die opschepte over zijn schoenenfabriek in Afghanistan. Een fabriekseigenaar, dat moest een belangrijk man zijn! Al hun eigendommen werden ingepakt, in Iran verworven spullen en enkele dingen die ze meegenomen hadden toen hun familie een van de vele regionale oorlogen in Afghanistan ontvluchtte. Ze bezaten kleding, prachtige vloerkleden en gouden armbanden, handmatig aangedreven naaimachines, potten, pannen, theeketels, kopjes, borden en verder alles wat bij een bescheiden Afghaans huishouden hoort. Aan deze familie was een huis beloofd om in te wonen en ze hadden zo hun verwachtingen over hoe dat eruit zou zien. In Iran hadden ze warm en koud stromend water in huis, keukens met aanrecht en gootsteen, gaskachels en doorlopend elektriciteit. Ze hadden koelkasten en gasovens. Ze beseften niet hoe goed ze het hadden. Deze familie, zo’n acht mannen en vrouwen plus enkele jonge kinderen, huurde een taxi om hen over de grens naar Afghanistan te brengen, vlak bij de oude stad Herat. Ze waren vol opwinding, vol hoop. Ze waren onderweg naar huis – eindelijk. Naar huis! Ze verwachtten dat hun leven beter zou worden. Hun vreugde vervloog zodra ze de grens overstaken. Eerst werden ze beroofd, niet door de Iraniërs, die hen verachtten, maar door hun eigen landgenoten, Afghanen met kalasjnikovs. Bevend van verdriet, teleurstelling en angst – hoe konden ze zich settelen zonder spullen? – zetten ze hun reis voort. Terugkeren was onmogelijk. Toen ze overeenkwamen Iran te verlaten, verloren ze hun recht om te blijven of er zelfs maar terug te keren. Dat was de deal die Iran sloot met zijn Afghaanse vluchtelingen – een overeenkomst die niet volledig doorzien werd wanneer vluchtelingen Iraanse hulp aanvaardden. De groep reisde verder, met het ene voertuig na het andere. 22


Eindelijk bereikten ze hun ‘thuis’, de stad van hun toekomst, zoals beloofd door hun broer de fabriekseigenaar. Nog steeds hadden ze hoop. Ze hadden het gered! Alles zou goed komen. Maar het was niet zoals ze verwacht hadden. De compound van de broer was een verzameling kleine, stenen huisjes achter de gebruikelijke bijpassende drieënhalve meter hoge, stenen muur. De vloeren waren van aarde. Ze herkenden de houten deuren en glazen ramen niet als ongewoon extraatje voor terugkerende vluchtelingen. Die hadden ze, maar verder niets. De tuin van de compound telde geen enkel groen blaadje of scheutje. Het toilet was in de tuin, een gat in de grond achter een stuk zeilstof. Was het warm, dan rook je de penetrante stank in de hele compound. De keuken was een lemen schuurtje, met een lemen oven in de muur. Er was geen elektriciteit. De waterpomp was twee blokken verderop in de straat. De vrouwen huilden. Ze dachten dat hun leven erop vooruit zou gaan. Dat was de belofte en die hadden ze geloofd. Ze ontdekten dat hun welvarende broer met zijn schoenenfabriek in werkelijkheid de eigenaar was van één enkele handgeslingerde machine om schoenen te maken. Dagelijks zat hij op een deken op de stoep in het stadscentrum schoenen te naaien, lijmen en repareren. Als hij klanten kreeg, kocht hij zijn lunch bij een straatverkoper. Als er iets van overbleef, gaf hij dat aan zijn vrouw en kinderen. Er was niet veel. In die tijd was de stad vol terugkerende vluchtelingen. Sommigen kwamen uit Pakistan, de meesten uit Iran. De westerlingen zorgden voor tijdelijke baantjes voor de mannen, maar na het eerste jaar in het juist bevrijde Afghanistan droogde dat werk veelal op. Ondertussen bleef de bevolking toenemen. Voor de zussen was de eerste zomer erg zwaar. Er waren geen bomen in hun omgeving, geen waaiers of elektriciteit om die 23


aan te drijven, en de wind – áls hij waaide – bedekte alles met een dik tapijt fijn Afghaans stof. Ze sloten hun ramen tegen het stof en sliepen buiten op het dak. ’s Morgens voor zonsopgang stonden ze weer op, om te ontsnappen aan de ogen van hun buren, die allemaal hetzelfde deden. De winter was nog erger. Dagelijks hurkten ze op de bevroren grond, zelfs toen de winter op z’n koudst was, vulden hun pannen met rijst en ijswater, bouwden een vuurtje en kookten het voedsel voor hun gezin. Als ze tomaten, uien of komkommers hadden, sneden ze die met stijve, pijnlijke handen in plakken. Ze hadden geen aanrecht, geen snijplank en geen stromend water. Binnen in hun donkere huis wierpen kerosinelampen ’s avonds een vage lichtcirkel. Onder een met dekens omhangen tafel leverden houtskoolvuurtjes de warmte voor hun huisgezin. Het moeilijkst hadden de zussen het echter met de cultuur, de regels van dit land dat ze het hunne noemden. Toen ze mij hun verhaal vertelden, hadden de vrouwen mij ernstig aangekeken en instemmend geknikt toen een van hen zei: ‘Iran was vrij – modern en vrij.’ Het duurde lang voordat ik deze opvatting begreep. Ik ben Amerikaanse. In mijn ogen is Iran allesbehalve vrij – modern misschien, maar vrij? Ik bekeek de wereld door mijn Amerikaanse ogen. Ik kom uit een land van tolerantie, een land waarvan de grote diversiteit onbegrijpelijk is voor zelfs de meest modern denkende Afghaan. Toen de zussen in Afghanistan arriveerden, droegen ze kleine, witte hoofddoeken die ze onder hun kin vastmaakten. Ze droegen enkellange, zwarte mantels die ze over hun hoofd drapeerden. In Iran, een land van hoofddoekjes en lange mantels, waren ze conservatief. Ze waren eraan gewend om ongesluierd door de straten te lopen. Ze konden de bus nemen en 24


boodschappen doen zonder lastiggevallen te worden. Vrouwen in Iran hadden een gezicht. Daarmee waren ze opgegroeid, dat begrepen ze. In Afghanistan werden ze snerend ‘Irani-gaks’ genoemd, Iraneesjes. Op straat noemden mannen hen ‘naakt’ omdat hun gezicht niet verborgen was. Al snel kochten de jongste zussen boerka’s en leerden ze om van daaronder hun zeer beperkte leven in het openbaar te leiden. En ze huilden. Dat hele eerste jaar huilden ze. Hun leven was er absoluut niet beter op geworden. Elke zus vertelde mij haar verhaal. Allemaal vertelden ze over hun tranen. Het vuil, de armoede, de onwetendheid brak hun hart. Dit was niet het land waarvan ze gedroomd hadden, het leven waar ze naar verlangden, de toekomst waarop ze hadden gehoopt! Maar er was niets aan te doen. Ze waren Afghaanse vrouwen geworden. De man in de riksja met de zwarte turban en de zwarte baard had gezegd: ‘Dat zou beter voor u zijn in dit leven.’ Ik vroeg me af of hij opzettelijk wreed was. Had hij enig idee hoe goed mijn leven was? Had hij er ooit over nagedacht hoe hard en zwaar het leven van een Afghaanse vrouw is? Zag hij deze sterke, prachtige vrouwen wel, die in het openbaar hun gezicht en stem verborgen, maar achter gesloten deuren wisten wat lachen was? Mijn hart en gedachten zijn vol met hun gezichten, hun stemmen en hun verhalen. Te veel verhalen van armoede, oorlog, onwetendheid en onderdrukking. ‘Word moslim … Dat zou beter voor u zijn in dit leven.’ Innerlijk protesteerde ik fel. Ik klemde me vast aan de riksja en keek strak naar de weg. Ik moest een andere reactie vinden, een rustig maar waar antwoord geven. Eerst moest ik echter mijn emoties de baas worden. 25


Ik dacht aan de hemel. Hij had per slot gezegd: ‘Uw leven zou beter zijn in deze wereld en de volgende.’ Vele Afghaanse mannen hebben me in verbluffend detail verteld hoe de hemel eruitziet. Mannen krijgen hun vrouwen terug plus, als ze heel goed geweest zijn, zeventig maagden die hun maagdelijkheid terugkrijgen telkens wanneer deze hen afgenomen wordt. Er zal verrukkelijk voedsel zijn, zelfs vlees. Ah, het goede leven! Precies waar iedere Afghaanse man van droomt. Eens, nadat een mannelijke Afghaanse vriend uitgebreid zijn beeld van de islamitische hemel tentoongespreid had en mij had bestraft voor mijn zeer incomplete begrip van hoe de hemel volgens Jezus is, vroeg ik een Afghaanse vrouw wat zij verwachtte in de hemel te vinden. Zou er iets voor haar zijn? Haar reactie was schokkend. Ze droeg een groot, rond, aluminium dienblad vol vuile vaat naar de tuin. Ik volgde met haar baby in mijn armen. ‘Is er voor jou iets in de hemel?’ Ze sloeg haar ogen neer, haalde haar schouders op en zei: ‘Machem’, wat in de Afghaanse volksmond zoveel betekent als: ‘Hoe moet ik dat weten?’ Ze zette het blad op de grond en pakte haar baby weer over. Als er een glimpje van zoete, hemelse hoop in haar antwoord geweest was, had ik het gemist. Ik keek recht naar de zwartbaardige man, net lang genoeg om mijn antwoord uit te spreken. Ik glimlachte, knikte even en zei opnieuw: ‘Dank u.’ Hij had zijn advies gegeven, ik had het gehoord. Dat moest genoeg zijn. Met deze man wilde ik geen gesprek aangaan of welke godsdienstige discussie dan ook. Ik zou hoe dan ook verliezen en mijn verlies zou groot zijn. Ik zat achter in een metalen riksja in een stadje in Afghanistan met slechts een hoofddoek en mobiele telefoon om me te beschermen. Ik wilde deze man niet tarten. 26


Hij was niet tevredengesteld. Nog dichter boog hij zich naar mij toe en snauwde: ‘U zou nu moslim moeten worden.’ Het was geen advies. Het was een bevel, de derde maal dat hij hetzelfde bevel gaf. Er zijn regels. Afghanistan is een islamitisch land. De vreemdeling in ons midden moet een van ons worden. Ik wierp een snelle blik op de grijsbaardige man. Zou hij mij hieruit redden? Zou hij deze toorn sussen? Maar hij hield zich stil, zijn handen gevouwen, zijn ogen neergeslagen. Hij zou niets zeggen. De ander was een moellah. Zijn zwarte turban versloeg het grijs in de baard van zijn reisgenoot. Ik stond er alleen voor. Ik haalde diep adem, ging zo mogelijk nog meer rechtop zitten, drukte mijn achterhoofd tegen het zeildoeken dak achter me en antwoordde zo vriendelijk mogelijk: ‘Ik ben een volgeling van de Achtenswaardige Jezus Messias. Hij is mijn Verlosser. Ik geloof dat ik het juiste pad gekozen heb. Dank u wel voor uw advies.’ De zwarte man ging weer rechtop zitten, waarschijnlijk om deze volgende uitdaging te overwegen. Ik benutte de ruimte voor mij en beduidde de jonge bestuurder dat ik wilde uitstappen. Het was nog enkele blokken tot mijn bestemming, maar lopen was nu veiliger. Ik sprong naar buiten, betaalde het equivalent van vijftien cent voor een ritje dat tien cent waard was en stapte de stoep op. Ontsnapt. Opgelucht zette ik koers richting het centrum. Aan de ene kant was een groot park, omringd door een lage, betonnen muur. Zoals altijd was het park vol mannen; sommigen hingen wat rond, anderen groepten bijeen, weer anderen voetbalden. Wie mij zag, bleef staren. Op de stoep langs de muur hurkten straatverkopers op 27


dekens. Ze verkochten stoffen, kruiden en allerhande elektronische apparaten. Op de straat stalden rijen verkopers hun waren uit op karachi’s, houten handkarren: fruit, groente, make-up, kammen en borstels, telefoonhoesjes en draagbare opladers. Iedere man, elke jongen stopte en staarde. Sommigen porden hun buren aan. ‘Kijk, een buitenlandse!’ Ik liep langzaam, zocht mijn weg tussen groepjes mannen en jongens, karachi’s en dekens vol koopwaar. Ik maakte me zo groot ik kon en met één meter zeventig is dat groot genoeg om op te vallen. Mijn blik hield ik recht vooruit. Ik passeerde starende jongemannen en ontkende hun bestaan. Ik passeerde gebogen, oude, witbaardige mannen, plaatste mijn rechterhand op mijn hart en f luisterde een respectvol ‘Salaam.’ Ik negeerde de opgeschoten jongens die hun Engels op mij uitprobeerden of openlijk met hun kameraden over mij praatten. Ik dacht weer aan de zwartbaardige man in de riksja. ‘U zou moslim moeten worden. Dat zou beter voor u zijn in dit leven en het volgende.’ Zijn wereldbeeld, ervaring, geloof en handelwijze konden niet verder van de mijne afstaan. Mijn ogen f litsten over de mannen die tegen de karachi’s leunden en bij hun koopwaar neerhurkten. Ik dacht na over hen, Afghaanse mannen in een gendergescheiden samenleving. Ik dacht na over de Afghaanse vrouwen met wie ik gedurende al die jaren gesproken had. Ik wist zeker dat ik met veel meer Afghaanse vrouwen lange, diepe gesprekken gevoerd had dan van wie deze mannen ooit het gezicht gezien hadden, laat staan mee gesproken hadden. De zelfverzekerde, zwartbaardige man kon het eenvoudigweg niet weten. De harten en gedachten van Afghaanse vrouwen waren totaal onzichtbaar voor hem. Ja, hij ziet zijn moeder of zijn vrouw en dochters bezig met koken, het huis vegen, de vloerkleden neerleggen en zijn thee en maaltijden serveren. Maar dat is de manier waarop het 28


altijd gegaan is. Dat is de regel. Voor hem is het leven van een vrouw niet iets om over na te denken. De islam die hij kent, uitgedrukt in zijn cultuur, moet gewoon de beste manier van leven zijn. Hij geloofde werkelijk dat hij mij een beter leven aanbood. Hij kende gewoon niet het leven dat hij mij beval te aanvaarden. En hij kende al helemaal niet het leven dat hij mij gebood op te geven. En God? En Jezus? En het geloof dat ieder aspect van mijn leven, mijn gedachten en mijn daden bezielt? En de belofte van de hemel, eeuwig leven in de aanwezigheid van de God Die ik lief heb, de God Die zo wonderbaar goed en heerlijk is? Wat weet deze man met zijn zwarte turban en zijn zwarte baard over mijn God, mijn geloof, mijn hoop? Wat kon ik antwoorden? Welke woorden zouden enigszins passen in het kader van zijn wereldbeeld? Ieder alternatief dat ik hem kon laten zien, zou slechts werelds schijnen – het overwegen niet waard en misschien zelfs een aanval op de islam zelf. Kon ik hem ervan overtuigen dat mijn leven als Afghaanse vrouw in zijn wereld niet beter zou zijn? Het idee is angstaanjagend, zelfs zonder mijn geloof in een God Die lief heeft en een Profeet Die redt. En wat betreft Jezus, de Profeet Die redt, voor geen goud zou ik Hem inruilen voor de Profeet van de islam. Gedurende mijn tijd in Afghanistan heb ik nagedacht over de profeet Mohammed, de islam, en in het bijzonder over de tak van de islam die in Afghanistan gepraktiseerd wordt. Vrijwel dagelijks vertelden Afghanen me over hun godsdienst. Soms omdat ze wilden dat ik iets begreep, soms omdat ik een bepaalde vraag stelde. Praktisch iedere vraag naar cultuur of geloof gaat terug op hun Profeet, de heilige Koran of de Hadith. Vaak legden ze iets uit omdat ze wilden dat ik inzag 29


dat hun Profeet de echte en laatste profeet van God is, en dat hun godsdienst de ware en laatste godsdienst is. Ik ontmoette de profeet Mohammed door zijn volk in Afghanistan. Ik leerde over zijn leven door wat ik las en door de verhalen die mijn Afghaanse buren vertelden. Ik heb de islam leren kennen door hun leven, hun cultuur en de leerstellingen die zij me uitlegden. Vijf jaar lang kreeg ik de vraag: ‘Wij geloven dit … Wat gelooft u?’ Vele Afghanen hebben mij diepgaand bevraagd over wat ik geloof, hoe ik mijn geloof in praktijk breng en waarom. Daarover gaat altijd het tweede echte gesprek. Het eerste verloopt verschillend, al naar gelang de gesprekspartners. Bij mannen gaat het meest interessante gesprek over regering en oorlog, bij vrouwen over huwelijk en gezin. Onderwerp van het tweede gesprek is echter altijd ons geloof en onze levenswandel. Van mijn Afghaanse buren leerde ik over de profeet Mohammed en de islam. Van mij leerden ze over Jezus en wat het betekent Hem te volgen. We wisselden onze verhalen uit. Stel je voor dat je met een groep collega’s rond de lunchtafel zit. Misschien zitten jullie op plastic stoelen rond een plastic tafel. Een van je collega’s kijkt je vol belangstelling aan en vraagt: ‘Bidt u weleens?’ Iedereen aan tafel valt stil en wacht vol interesse op je antwoord. In Amerika voeren we zulke gesprekken normaal gesproken niet, maar in Afghanistan wel. Voortdurend zelfs. ‘Bidt u?’ ‘Echt waar?’ ‘Hoe?’ ‘Waarom bidt u niet op dezelfde manier als wij?’ ‘Vast u ook?’ ‘Echt waar?’ ‘Hoe?’ ‘Waarom vast u niet op dezelfde manier als wij?’ ‘Wat doen jullie met jullie doden?’ ‘Echt waar?’ ‘Hoe doen jullie dat?’ ‘Waarom begraven jullie overledenen niet zoals wij doen?’ ‘Hoe verwacht u in de hemel te komen?’ ‘Echt waar?’ 30


Telkens wanneer ik deelnam aan een gesprek, moest ik mijn antwoorden goed doordenken. Afghanen stelden vragen over Amerika vanuit de veronderstelling dat heel Amerika christelijk is en dat alle christenen dezelfde dingen doen. Hun vragen dwongen mij helder onderscheid te maken tussen wat ik geloof als Amerikaanse en wat ik geloof als volgeling van Christus. Dat zijn niet altijd dezelfde dingen. De Amerikaanse cultuur is tenslotte geen rechtstreekse vertaling van wat de Bijbel leert. Afghaanse vrouwen, bijvoorbeeld, dragen hoofddoeken, gewoonlijk zelfs binnenshuis. Dat doen ze omdat de heilige Koran het gebiedt en de islam het vereist. Dat is wat zij me vertellen. Ze vragen: ‘Dragen vrouwen in Amerika een hoofddoek?’ En ik moet antwoord geven. Ik zou kunnen beginnen hen eraan te herinneren dat Amerika een vrij land is en dat de bevolking allerlei verschillende godsdiensten praktiseert, of zelfs geen enkele godsdienst. Ik zou kunnen uitleggen dat Amerika geen wetten uitvaardigt die voorschrijven hoe men moet leven of God dienen. Vervolgens zou ik kunnen vertellen waarom ik, als volgeling van Jezus, in Amerika geen hoofddoek draag. Vaak zijn ze verbaasd door mijn antwoorden, en soms ben ik tevreden over wat ik gezegd heb. Andere keren denk ik terwijl ik wegloop: ‘Waarom vertelde ik dit niet?’ Of: ‘Ik had dat moeten zeggen.’ Soms vergat ik onderscheid te maken tussen wat ik geloof als Amerikaanse vrouw en wat ik geloof dat de Bijbel leert. Amerika is mijn cultuur, Jezus is mijn Verlosser. Soms is het moeilijk om die twee van elkaar te onderscheiden. Afghanen zorgen ervoor dat ik het probeer. Dit boek is een reis die wil doordringen in Afghanistan, in enkele van deze gesprekken. Ik nodig jou uit. Reis met me mee! Kom naast me zitten in de riksja’s en taxi’s, loop mee over de bazaars, vergezel me in de kantoren en Afghaanse huizen. Je 31


bent onze gast. Luister naar onze gesprekken, waarin we ons leven en ons geloof met elkaar delen. Het is een voorrecht om in zo’n heel andere maatschappij te leven, ondergedompeld te worden in een andere cultuur. Het delen van verhalen met Afghanen heeft mij geholpen om na te denken over wie ik ben en wat ik geloof. Gedurende deze reis is mijn geloof duidelijker en sterker geworden. Misschien zal ook jij, als je me vergezelt naar Afghaanse huizen, in taxi’s en over de straten, groeien in je begrip van wat je gelooft, waarom je gelooft en wat het betekent om je geloof uit te leven. Gedurende de reis zul je Afghanen ontmoeten, echte mensen met echte zorgen, hoop en dromen – mensen zoals wij, waardevolle mannen en vrouwen die net als wij hun eigen geloofsreis maken.

32

inhetlandvandeblauweboerkas  
inhetlandvandeblauweboerkas