Page 1

codex

Historiae

Jaargang 39 | Nummer 1 | 2018

Seks & Gender


2

Redactioneel Seksualiteit is een hot item in het huidige maatschappelijke debat. De ‘populariteit’ van #MeToo typeert de seksuele oriëntatie in de huidige maatschappij. Natuurlijk is de menselijke visie op seksualiteit en gender, net als ons wereldbeeld in het algemeen, aan verandering onderhevig. Zo staat de strikte scheiding tussen twee genders, de man en de vrouw, tegenwoordig sterk ter discussie. Onze cover wordt daarom gesierd door vlinders, een diersoort waarbij het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk niet te maken is. Meer over het verschil tussen mannen en vrouwen en de manier waarop we dat nu anders beschouwen dan vroeger, lees je in het artikel op pagina 11. Onze huidige visie op seksualiteit kan echter ook van invloed zijn op hoe we naar het verleden kijken. Hedendaagse ontwikkelingen kleuren onze kijk op historische gebeurtenissen en denkbeelden. Nu seksualiteit opnieuw zo sterk in de maatschappelijke spotlight staat, is het van belang dat we ons hiervan bewust zijn. In dit nummer besteden we aandacht aan seksualiteit in de Oudheid, de Roman de la Rose en de invloed van ideeën over gender op de beeldvorming over Harriet Tubman. Meer over dit thema lees je op onze website, codexhistoriae.nl/themas/seks. Sexuality is a hot item in the current debate. The ‘popularity’ of #MeToo shows the contemporary sexual orientation. Evidently, the human viewpoint on sexuality and gender is changeable, as is our world view in general. For example, the strict difference between men and women is no longer self-evident. The cover of this volume is therefore decorated with butterflies, an animal species with no clear difference between man and woman. However, our current view on sexuality can also influence the way we see the past. Contemporary developments influence the way we look at historical events and ideas. Now that sexuality is in the spotlight again, it’s important to remember this fact. For example, we consider the difference between men and women to be different nowadays then in the past. In this volume, we write about these issues and about sexuality in Ancient Greece, the Roman de la Rose and the role of gender and race in the conceptualisation around Harriet Tubman. On our website, codexhistoriae.nl, you can find more information about the magazine and about this edition’s theme.

Colofon Hoofdredactie Berith van Pelt Chief editor

Gastschrijvers Ilan Peled Guest writers Monica Preller

Redactie Berend Mul Editors Bob Vek Emilia Salerno Jasmijn Groot Jedidja Stikkelorum

Eindredactie Julia Steiner Copy editor Emma Kemp Sophia Busselaar Vormgeving Berith van Pelt Graphic design Cover Drie vlinders, ca. 1683 - ca. 1726, Herman Henstenburgh, Rijksmuseum Amsterdam.

Mail voor meer informatie over abonneren, publiceren of adverteren naar info@codexhistoriae.nl. Financieel mogelijk gemaakt door de Vrije Universiteit Amsterdam. Amsterdam, april 2018.


3

In dit nummer Actualiteiten Berith van Pelt

pagina 4

“Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen” Het Homomonument in Amsterdam Berith van Pelt

pagina 6

De strijd om de Roos Het eeuwenlange debat over de Roman de la Rose Jedidja Stikkelorum

pagina 8

Gender gap Gender, geslacht en vroegmoderne anatomie Berend Mul

pagina 11

“Oh, wat zijn wij een laag en geil ras!” Over vrouwelijk seksueel gedrag in het oude Griekenland Jasmijn Groot

pagina 17

Telling the (gendered) difference Biblical and Ancient Near Eastern Concepts of Legal Gender Otherness Ilan Peled

pagina 23

Harriet Tubman Anderhalve Eeuw Vertraging Bob Vek

pagina 26

Yesterday (not) as today pagina 31 Differences between sexuality in ancient Rome and in modern Western society Emilia Salerno Doosje? Spleetje? Wat is de meisjesvariant van het woord piemel? Monica Preller

pagina 36

Seks! Boekrecensie Jasmijn Groot

pagina 37

Rectificatie: In de vorige editie van CODEX Historiae (Taal, januari 2018), is helaas in de inhoudsopgave de naam van de gastschrijver foutief weergegeven. Zijn naam is niet Rients de Groot, maar Rients de Boer. Tevens is een kader waarnaar op pagina 9 wordt verwezen onbedoeld niet weergegeven.


4

Actualiteiten Amsterdam Sexmuseum De museumcollectie die het best aansluit bij dit thema vind je natuurlijk in het Amsterdam Sexmuseum. Dit eerste en oudste seksmuseum, dat ook wel de Venustempel genoemd wordt, herbergt een verzameling erotische beelden, objecten, schilderijen, opnames en foto’s. Daarom bracht de redactie van CODEX Historiae een bezoek aan dit museum. Benieuwd hoe dat eraan toeging? Je leest een verslag van ons uitje op de website: codexhistoriae.nl/themas/seks.

Collectie Amsterdam Sexmuseum. 100 jaar geschiedenis aan de VU Dit jaar bestaat de opleiding Geschiedenis aan de Vrije Universiteit 100 jaar. Om dit te vieren organiseerde de universiteit samen met het Historisch CafĂŠ op 26 januari een feestelijk evenement in de Singelkerk in Amsterdam. Daarnaast wordt het jubileum dit jaar groots gevierd op de VU met een congres op 15 juni en een publieksevenement op 16 juni. Meer informatie over de aankomende jubileumactiviteiten vind je op codexhistoriae.nl.


5 Berith van Pelt

Porno op papier Van 22 maart t/m 24 juni 2018 is in Museum Meermanno in Den Haag de tentoonstelling Porno op papier. Taboe en tolerantie door de eeuwen heen te zien. In de tentoonstelling staat de relatie tussen porno en de (historische) maatschappij centraal. En dat gaat niet alleen over vieze boekjes, maar ook over de macht van de kerk en de politiek en over verbod en verzet. Meer informatie over de tentoonstelling vind je op codexhistoriae.nl/themas/seks.

Collectie tentoonstelling Porno op papier, Museum Meermanno.

Promovendi Het onderzoek aan de Faculteit der Geesteswetenschappen staat niet stil. In elk nieuw nummer van CODEX vind je een overzicht van recent gepromoveerden aan deze faculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam. Meer informatie over de proefschriften vind je op codexhistoriae.nl/themas/seks.

Maart 2018 Keeping in touch in a changing world: Network dynamics and the connections between the Aegean and Italy during the Bronze Age-Iron Age Transition (ca. 1250-1000 BC) K.A.M. van den Berg


6

“Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen”

Het Homomonument in Amsterdam Nederland is relatief vooruitstrevend als het op de acceptatie van homoseksualiteit aankomt. In artikel 1 van onze Grondwet is het recht op gelijke behandeling opgenomen, dat stelt dat discriminatie wegens geslacht of op welke grond dan ook, niet is toegestaan. Bovendien is Nederland het eerste land dat het homohuwelijk bij wet heeft bekrachtigd. Het ‘zichtbare hart van het homoleven in de hoofdstad’, zoals het op de website wordt vermeld, wordt gevormd door het Homomonument (Homomonument, z.j.). Deze granieten driehoek bevindt zich achter de Westerkerk, aan de Keizersgracht.

Na 1945 schoten de monumenten als paddenstoelen uit de grond, eerst voor het herdenken van de Tweede Wereldoorlog als geheel en later ook ter herinnering van specifieke groepen slachtoffers, zoals de Joden. Historicus Bas Kromhout (2007) laat zien dat het perspectief aanvankelijk lag bij vaderlandse (verzets)helden. Zo eert het Amsterdamse monument de Dokwerker de Nederlanders die joodse landgenoten te hulp schoten. Tien jaar na het einde van de oorlog kwam er ook aandacht voor de slachtoffers, met bijvoorbeeld de openstelling van het Anne Frankhuis in 1957. Na de Joden kregen ook Sinti en Roma

Het Homomnument in Amsterdam. Foto: Markus, via Wikimedia.


7 Berith van Pelt

en homoseksuelen hun eigen gedenktekens (Kromhout, 2007). Hoewel de roep om een herdenkingsplaats voor homoseksuelen al direct na de Tweede Wereldoorlog begon, werd het Homomonument pas in 1987 opgericht. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog moest er door homoseksuelen een roze driehoek op de kleding worden gedragen om hun seksuele geaardheid kenbaar te maken. De roze driehoek vormde het uitgangspunt voor het ontwerp van het monument dat Karin Daan indiende. De homogemeenschap heeft de negatieve herinnering aan dit symbool omgevormd tot een symbool van trots. Socioloog Régis Schlagdenhauffen formuleert de visie van Daan op het monument als “niet enkel een gedenkteken voor de oorlogsslachtoffers, maar bovenal een oproep tot waakzaamheid” (2011, p. 117). Het homomonument is niet alleen een plaats waar de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog worden herdacht; er vinden ook verschillende vieringen plaats, zoals de start van de Gay Pride. Op het monument prijkt een dichtregel: ‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’. Deze regel is afkomstig uit het gedicht Aan eenen jongen visscher. Het gedicht is afkomstig uit een bundel van de joodse schrijver en dichter Jacob Israël de Haan (1881-1924). De Haan wordt vanwege zijn turbulente leven op verschillende manieren herinnerd, onder meer door zijn orthodoxe geloof en zijn politiek activisme. Tien jaar nadat De Haan toetrad tot de Nederlandse Zionistenbond, brak hij met het zionisme. Dit kostte hem uiteindelijk zijn leven: hij werd in Jeruzalem doodgeschoten (Van Bork, 2004). De reden dat een van zijn dichtregels het homomonument siert, is dat hij voor zijn tijd vooruitstrevend was in het uiten van zijn homoseksuele geaardheid. Vooral zijn romans zorgden voor ophef door de homo-erotische scènes die daarin werden beschreven. Zijn poëzie is vooral religieus van aard, maar in het gedicht waaruit de regel afkomstig is, is de verwijzing naar een homoseksuele liefde niet te missen (Van Bork, 2004). Bovendien heeft De Haan bijgedragen aan de erkenning van homoseksualiteit (Schlagdenhauffen, 2011). De dichtregel op het monument typeert datgene wat in de homo-emancipatie nog steeds centraal staat: het verlangen naar acceptatie. Verantwoording • Homomonument. (z.j.). Sinds 1987. Geraadpleegd van http://www.homomonument.nl/sinds1987/. • Kromhout, B. (2007). Oorlogsmonumenten in Nederland. Historisch Nieuwsblad, 4. • Schlagdenhauffen, R., & Spiessens, A. (2011). De Dodenherdenking aan het Homomonument in Amsterdam: herdenking van de slachtoffers van het naziregime en politiek gebruik van de herinnering. Temoigner: entre histoire et memoire, 110, 114-126. • Van Bork, G.J. (2004). Haan, Jacob Israël de. Schrijvers en dichters (dbnl biografieënproject I). Geraadpleegd van http://www.dbnl.org/tekst/bork001schr01_01/ bork001schr01_01_0415.php.

Jacob Israël de Haan. Publiek domein. Aan eenen jongen visscher. Rozen zijn niet zoo schoon als uwe wangen, Tulpen niet als uw bloote voeten teer, En in geen oogen las ik immer meer Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen. Achter ons was de eeuwigheid van de zee, Boven ons bleekte grijs de eeuwige lucht, Aan ’t eenzaam strand dwaalden alleen wij twee, Er was geen ander dan het zeegerucht. Laatste dag samen, ik ging naar mijn Stad. Gij vaart en vischt tevreden, ik dwaal rond En vind in stad noch stiller landstreek wijk. Ik ben zóo moede, ik heb veel liefgehad. Vergeef mij veel, vraag niet wat ik weerstond En bid dat ik nooit voor uw schoon bezwijk. Jacob Israël de Haan, in Liederen, 1917, via dbnl.org.


8

De strijd om de roos

Het eeuwenlange debat over de Roman de la Rose De Roman de la Rose is misschien wel het populairste werk uit de Franse middeleeuwse literatuur. Het liefdesgedicht is in veel opzichten een controversieel werk vol tegenstrijdigheden en onduidelijkheden. Het gedicht heeft de vorm van een allegorie, waarin metaforen en vergelijkingen samen één symbolische voorstelling vormen. De symbolische aard van het werk maakt het moeilijk een eenduidige betekenis eraan te ontlenen. De negentiende-eeuwse cultuurhistoricus Johan Huizinga (1872-1945) beschreef bijvoorbeeld dat het werk enerzijds een overgang naar de Renaissance weergeeft, maar anderzijds nog typisch middeleeuwse elementen bezit. Bovendien lijken zowel het seksuele motief als de hoofse,

edele liefde in het verhaal centraal te staan (Huizinga, 1984). Historici discussiëren al eeuwenlang over de betekenis van het veelbesproken en vaak vertaalde liefdesgedicht. Wat voor mogelijke betekenissen zijn er aan de Rose toe te kennen? Guillaume de Lorris In 1236 schreef de Franse dichter Guillaume de Lorris (ca. 1200-1240), over wie vrij weinig bekend is, de eerste 4.000 versregels, waarna het verhaal vrij abrupt stopte. Pas zo’n veertig jaar later werd het verhaal hervat en afgerond door de Franse dichter en vertaler Jean de Meun (ca. 1240-1305) met een toevoeging van wel 17.000 regels. De eerste 4.000 regels verhalen over een droomachtige wereld waarin de ik-persoon verliefd raakt op een rozenknop, onbereikbaar opgeborgen in een omheinde tuin. In zijn liefde voor de Roos is de verteller in een strijd verwikkeld tussen hoffelijke conventies en seksuele verlangens. Ook de lezer wordt meegezogen in deze strijd. Verleidelijke sensuele krachten met veelzeggende namen als Venus en Openheid moedigen de minnaar aan om de Roos te plukken, terwijl morele krachten als Schaamte, Gevaar en Jaloezie optreden als beschermers van de Roos en de ik-persoon hiervan proberen te weerhouden. De Roos staat hierbij symbool voor vrouwelijke maagdelijkheid, als de meest waardevolle der vrouwelijke deugden. Het verhaal van De Lorris wordt afgebroken wanneer Jaloezie de Roos opsluit in een toren om de minnaar buiten te houden (McWebb, 2007). De minnaar blijft buiten de muren, eenzaam en diep ongelukkig.

Roman de la Rose is dankzij haar symbolische, allegorische karakter een ingewikkeld verhaal waar veel verschillende betekenissen aan kunnen worden ontleend.

Manuscript van de “Roman de la Rose” uit het einde van de 15e eeuw, ca. 1475.


9 Jedidja Stikkelorum

Hoofse liefde? Het verhaal van De Lorris lijkt wel wat weg te hebben van de hoogmiddeleeuwse troubadourverhalen over ridder Lancelot en zijn innige liefde voor Guinevere, de vrouw van de koning. Vanuit zijn onuitputtelijke liefde overwint Lancelot iedere keer alle obstakels en hindernissen die op zijn pad komen en weet hij zijn geliefde steeds weer opnieuw te bevrijden, uit de handen van de slechterik Meleagant bijvoorbeeld, die haar in Lancelot of De ridder van de kar ontvoert (De Troyes, vert. 2001). De liefde tussen Lancelot en Guinevere blijft echter een onmogelijke romance, omdat Guinevere al getrouwd is. Met evenveel overgave strijdt de minnaar in de Rose voor het hart van een onbereikbare vrouw, voorgesteld als een roos. Tegenstrijdig met de algemene positie van vrouwen in de middeleeuwse samenleving lijkt de onbereikbare geliefde in de verhalen van Lancelot op een voetstuk te worden gezet. Guinevere is immers het doel van al Lancelots inspanningen en weet hem vrijwel volledig aan haar te onderwerpen. Toch komt Lancelot zelf als held naar voren, omdat hij wordt neergezet als de ideale ridder, die zich houdt aan alle hoffelijke conventies van die tijd door grenzeloze trouw te betonen. De liefde zoals zij zich in deze hoogmiddeleeuwse troubadourliteratuur openbaart, wordt op scholen en in musea vaak weergegeven als ‘hoofse liefde’. Dit begrip werd geïntroduceerd door de negentiende-eeuwse Franse literatuurhistoricus Gaston Paris als een “verzamelnaam voor twaalfde- en dertiende-eeuwse opvattingen over de (buitenechtelijke) liefde tussen man en vrouw” (DBNL, 2012). Satire? Er is onder historici veel onenigheid over de precieze invulling van het begrip hoofse liefde. De twintigste-eeuwse literatuurwetenschapper D.W. Robertson Jr. pleitte zelfs voor de complete afschaffing van het begrip, omdat het een moderne term is die oogkleppen creëert bij de bestudering van middeleeuwse teksten. Volgens hem waren de ridderverhalen zoals die over Lancelot geenszins een afspiegeling van de middeleeuwse samenleving, maar een platform om de afgodische passie te bespotten en overspel te bekritiseren (Robertson, 1968). Zou de Rose ook kunnen worden gezien als een satire of kritisch traktaat? De lezer zou de strijd tussen morele en sensuele krachten kunnen opvatten als een morele les die eindigt met de overwinning van de vrouwelijke deugd. Haar maagdelijkheid moet worden beschermd tegen de avances van de man die haar probeert te veroveren. Toch geven veel historici, waaronder Marc M. Pelen, Frans literatuurwetenschapper, aan dat deze ethische betekenis niet de enige is. Hij ging op zoek naar de verborgen ironie in de Rose en vond een complexe reeks literaire zinspelingen die zowel in de details als in de structuur van het verhaal naar voren komen. Doordat het verhaal van De Lorris niet af is, blijft het echter lastig de exacte rol van zijn ironie en humor in de tekst aan te duiden (Pelen, 1987). Volgens Douglas Kelly, Amerikaans professor in Franse en middeleeuwse studies, zorgt het brede lezerspubliek, getrouwd en ongetrouwd, leek en geleerd, rijk en arm, voor veel verschillende reacties en interpretaties door de eeuwen heen. Deze verschillen maken de dubbelzinnigheid van de plot en de betekenis ervan zichtbaar (Kelly, 1995).

Jean de Meun De Rose ging een heel andere koers varen met de toevoeging van 17.000 regels door De Meun in 1275 om het verhaal tot voltooiing te brengen. Nadat de Roos door Jaloezie is weggestopt in de toren probeert de minnaar haar, aangemoedigd door Vriend, te bevrijden. Vriend vertelt de minnaar hoe hij Jaloezie en de wachters van het kasteel kan misleiden. Na een aantal mislukte pogingen slagen de minnaar en zijn hulptroepen er dankzij Venus in om het kasteel te veroveren. Het kasteel gaat in vlammen op en de minnaar krijgt de Roos in handen (De Weever, 1996). Volgens Huizinga hield De Lorris het hoffelijke ideaal nog in ere, maar was het De Meun “die aan Venus, Nature en Genius de stoutste verdediging van zinnelijke levensdrang in de mond legde” (Huizinga, 1984, p. 110). Zo kwam volgens hem het seksuele motief in het middelpunt te staan. Christine McWebb, professor aan het Franse departement van de Universiteit van Waterloo, benadrukt vooral het filosofische karakter van De Meuns aanvulling. Plotseling lijkt de plot er niet meer zoveel toe te doen, maar draait het verhaal vooral om de strijd tussen verschillende allegorieën, waarin onderwerpen als liefde en vriendschap een grote rol spelen (McWebb, 2007). Wat voor betekenis kan aan dit vervolg worden toegekend?

Worden verkrachting en vrouwenhaat daadwerkelijk goedgekeurd en zelfs verheerlijkt in de Rose? Erotiek? Hoewel De Lorris zijn verhaal niet heeft afgemaakt, gaf hij wel een korte aankondiging van wat de lezer te wachten stond. Zo kondigde hij aan hoe de Liefde de opgetrokken kasteelmuren zou veroveren met zijn gewapende aanval. De Meun gaf het verhaal echter een andere wending door niet Liefde, maar Venus het kasteel te laten bestormen. Deze veranderde rol van liefde is ook duidelijk in het gebruik van misleiding en verraad als geaccepteerde middelen om het kasteel te veroveren. Opeens spelen vrijgevigheid en trouw niet langer een rol in de verleiding van de Roos, maar nemen hebzucht en bedrog het voortouw (Kelly, 1995).Wat probeert De Meun met deze ‘krachten’ te bewerkstelligen? Mark Miller, Amerikaans professor gender- en seksualiteitstudies, ziet de Rose als onderdeel van Geoffrey Chaucers literaire erfenis, omdat deze bekende vijftiende-eeuwse auteur een Engelse vertaling heeft gemaakt van het gedicht van De Lorris. Daarom besloot Miller in zijn onderzoek naar liefde en seks in de werken van Chaucer ook het erotische gehalte van de Rose te onderzoeken. Hij vraagt zich af in hoeverre er sprake is van een zekere sadistische erotiek, waarin mannelijke genoegdoening centraal staat. Het advies van Vriend om de Roos met geweld te plukken en de brute inname van de toren lijken deze aanname te bevestigen. Het plukken van de Roos zou gelijk kunnen worden gesteld aan de verkrachting van de vrouw en de aanval op het kasteel als de dominante positie van de man tijdens het vrijen


10

(Miller, 2004). Worden verkrachting en vrouwenhaat dan daadwerkelijk goedgekeurd en zelfs verheerlijkt in de Rose? Vrouwenhaat? Christine de Pizan (ca. 1364-1430), een Frans schrijfster die zich met haar hoogwaardige literaire werken staande wist te houden in een samenleving die gedomineerd werd door mannen, was woedend over de immorele boodschap die de Rose volgens haar verkondigde. Samen met theoloog Jean Gerson (1363-1429) verwierp ze het verhaal als een misdrijf tegen publieke moraliteit. Beiden oordeelden dat de lasterlijke passages uit de Rose jegens vrouwen bij konden dragen aan de plichtsverzaking van de lezers. Was het verhaal door het gebrek aan een morele boodschap immers niet een vrijbrief voor mannen om vrouwen ruw en respectloos te behandelen? De humanistische schrijvers Pierre en Gontier Col (1350/55-1418) en Jean de Montreuil (1354-1418) waren het hier niet mee eens en pleitten voor een duidelijk onderscheid tussen de woorden van de personages, de intentie van de auteur en de ethiek van een tekst. De polemiek die hieruit ontstond, wordt ook wel de Querelle de la Rose genoemd (Guynn, 2009). Dit intellectuele debat is, alhoewel in andere vormen, in zekere zin nog altijd gaande onder (literatuur)historici. Miller betoogt dat de Rose niet zo’n seksistisch werk is als de kritiek van De Pizan doet geloven. Het plukken van de roos draait volgens hem niet alleen om de penetratie van de man en het verlies van de maagdelijkheid van de vrouw. De minnaar heeft het verlangen om de Roos in haar ongeschondenheid te bezitten. De Roos is immers nog slechts een knop, ver verwijderd van het verwelkproces dat onvermijdelijk na de bloeiperiode zal volgen. De minnaar wil de bloem in haar huidige staat behouden en haar misschien zelfs wel behoeden voor de dood. Miller beweert bovendien dat hij, door de Roos te plukken, zich juist afkeert van de seksuele daad en afstand houdt, op een bijna masochistische manier. In plaats van verkrachting te verheerlijken, beschrijft de Rose volgens Miller de kunst van de liefde (Miller, 2004). Zijn analyse maakt duidelijk hoe de Rose ook op een psychologische manier kan worden benaderd.

Christine de Pizan verwierp het verhaal als een misdrijf tegen publieke moraliteit. Conclusie Al met al blijft Roman de la Rose dankzij haar symbolische, allegorische karakter een ingewikkeld verhaal waar veel verschillende betekenissen aan kunnen worden ontleend. Is het een satire ter bekritisering van de maatschappij of beoogt het verhaal daadwerkelijk de verkrachting van vrouwen aan te moedigen? Staat de erotiek of eerder de hoofse liefde centraal? Moet het werk worden verworpen als schaamteloze laster of kunnen we er nog altijd iets van leren? Het zijn antwoorden waar waarschijnlijk nooit een eenduidig antwoord op gegeven kan worden. Daarom zal het debat over de Rose onder historici naar verwachting nog wel even voortduren. Verantwoording • De Troyes, C. (vert. 2001). Lancelot of De ridder van de kar. Amsterdam, Nederland: Singel Uitgevers. • De Weever, J. (1996). Chaucer Name Dictionary. New York, Verenigde Staten van Amerika: Garland Publishing, Inc. • Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. (2012). Algemeen letterkundig lexicon. Geraadpleegd op 30 december 2017, van http://www.dbnl.org/tekst/ dela012alge01_01/dela012alge01_01_01153.php • Guynn, N. (2009). Le Roman de la rose. In S. Gaunt & S. Kay (Reds.), The Cambridge Companion to Medieval French Literature (pp. 48-62). Cambridge, Groot-Brittannië: Cambridge University Press. • Huizinga, J. (1984). Herfsttij der Middeleeuwen. Studie over levens- en gedachtevormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden (16e ed.). Groningen, Nederland: Wolters-Noordhoff. • Kelly, D. (1995). Internal Difference and Meanings in the Roman de la rose. Wisconsin, Verenigde Staten van Amerika: The University of Wisconsin Press. • McWebb, C. (Red.). (2007). Debating the Roman de la rose. A critical anthology. New York,Verenigde Staten van Amerika: Taylor & Francis Group. • Miller, M. (2004). Philosophical Chaucer. Love, Sex, and Agency in the Canterbury Tales. Cambridge, Groot-Brittannië: Cambridge University Press. • Pelen, M. (1987). Latin Poetic Irony in the Roman de la Rose. New Hampshire, Verenigde Staten van Amerika: Francis Cairns. • Robertson, D. (1968). The Concept of Courtly Love as an Impediment to the Understanding of Medieval Texts. In F. Newman (Red.), The Meaning of Courtly Love (pp. 1-18). Albany, Verenigde Staten van Amerika: SUNY Press.

Christine de Pizan die een groep mannen lesgeeft, olieverf op doek, British Library, ca. 1413.


11 Berend Mul

Gender gap

Gender, geslacht en vroegmoderne anatomie Met het concept van geslacht wordt het biologische onderscheid tussen man en vrouw aangeduid, terwijl gender doorgaans verwijst naar alle sociaal-cultureel geconstrueerde – en dus veranderlijke – eigenschappen die met dit onderscheid in verband worden gebracht. Maar werd deze distinctie in het verleden ook gemaakt? Is het biologische onderscheid tussen mannen en vrouwen inderdaad een universeel, onveranderlijk gegeven van alle tijden? Verschillende historici hebben betoogd dat veel van de biologische verschillen tussen de geslachten die tegenwoordig bekend zijn, pas tijdens de Verlichting in de achttiende eeuw ontdekt of zelfs ‘uitgevonden’ werden. In een artikel uit 1986 getiteld Skeletons in the closet: the first illustrations of the female skeleton in eighteenth-century anatomy deed de Amerikaanse wetenschapshistorica Londa Schiebinger onderzoek naar de eerste anatomische illustraties in de achttiende eeuw waarin expliciet skeletten en schedels van vrouwen werden weergegeven. Schiebinger betoogde dat de nieuwe interesse onder anatomen voor de verschillen tussen man en vrouw niet het resultaat was van ontwikkelingen in de wetenschap zelf, maar dat deze samenhing met sociale ontwikkelingen als gevolg van de Verlichting en de opkomst van een nieuwe politieke liberale ideologie. In Making sex: body and gender from the Greeks to Freud uit 1990 bouwde de Amerikaanse historicus en seksuoloog Thomas Laqueur voort op deze theorie. Laqueur ging in zeker opzicht echter verder en stelde explicieter dan Schiebinger dat het biologische onderscheid tussen man en vrouw waar wij nu zo bekend mee zijn pas gedefinieerd werd in de achttiende eeuw. Daarvoor hadden filosofen, anatomen en artsen sinds Hippocrates vrouwen slechts als een andere of zelfs inferieure vorm van mannen beschouwd. Hoewel Laqueurs bevindingen aanzet gaven tot veel nieuwe studies werd zijn werk ook van verschillende kanten op historische èn wetenschapsfilosofische gronden bekritiseerd. Was de uitvinding van de twee seksen inderdaad een reactie op de Verlichting? Was er daarvoor überhaupt sprake geweest van een zogenaamd ‘one-sex model’? En zijn historici bevoegd om op basis van hun onderzoek uitspraken van algemene wetenschapsfilosofische aard te doen over de relatie tussen wetenschap en politiek?

Biologische verschillen: tussen uitvinding en uitvergroting Hoewel Laqueurs Making sex wellicht meer discussie op gang heeft gebracht (Harvey, 2002), was het niet het eerste historische werk waarin de ideeën en illustraties van vroegmoderne anatomen over de verschillen tussen de geslachten werden onderzocht. In het eerdergenoemde artikel van Londa Schiebinger beschreef zij de ontwikkeling van de eerste anatomische illustraties van skeletten en schedels, waarin een onderscheid werd gemaakt tussen mannen en vrouwen in de achttiende eeuw. Daarvoor, zo toonde Schiebinger aan, waren anatomen er altijd van uitgegaan dat er afgezien van de geslachtsorganen geen biologische verschillen tussen mannen en vrouwen bestonden. Een anatomische beschrijving in 1600 van een mannelijk skelet bood zo evengoed een accurate weergave van een vrouwelijk skelet. De oorzaak hiervan lag niet aan een ‘gebrek’ aan anatomische dissecties van lichamen van vrouwen en evenmin aan de nauwkeurigheid en het detail van de anatomische prenten. Al sinds de publicatie van Andreas Vesalius’ (1514-1564) De humani corporis fabrica libri septem (Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam) werd het lichaam op basis van dissectie en observatie zeer nauwkeurig bestudeerd en gedetailleerd afgebeeld. De impact van dit boek op de medische wetenschap wordt ook wel vergeleken met de impact van het werk van Galileo Galilei (1564-1642) op de astronomie. Hoewel Vesalius’ revolutionaire tekeningen en die van zijn opvolgers ook nu nog een realistische en accurate indruk op ons mogen maken, interpreteerden de makers ervan de verschillende lichaamsdelen, de organen en hun functies echter wel op een heel andere manier. De anatomische verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke skeletten en schedels werden daarbij simpelweg nog niet relevant of interessant bevonden. Vanaf de jaren 1750 kwam de vraag naar het anatomisch onderscheid tussen mannen en vrouwen prominent op de agenda terecht: elk bot en elke spier, ader en zenuw werd nauwkeurig onderzocht op mogelijke relevante aanwijzingen die wezen op verschillen tussen de seksen. Hoe, zo vroeg Schiebinger zich af, kan deze plotselinge interesse in sekseverschillen in de achttiende eeuw verklaard worden? Het antwoord op deze vraag moet volgens haar niet gezocht worden in verbeterde


12

ontleedtechnieken of nieuwe wetenschappelijke inzichten, maar in de veranderende verhoudingen tussen mannen en vrouwen, als gevolg van nieuwe Verlichte politieke ideologieën. Volgens Verlichte natural law-filosofen waren goed bestuur en onontvreemdbare rechten ten behoeve van gelijkheid en individuele vrijheid gefundeerd in de inherente waardigheid en het natuurlijke vermogen tot de rede van elk mens. Evenzo zouden er aan politieke verschillen dan ook natuurlijke, biologische oorzaken ten grondslag kunnen liggen. De verschillen tussen mannen en vrouwen, waar anatomen zich in eerste instantie op toelegden, betroffen dan ook geen esoterische vraagstukken, maar juist die verschillen die een politieke impact zouden hebben. Zo begonnen de meeste anatomen vrouwelijke schedels een stuk kleiner en kinderlijker voor te stellen, omdat dit aansloot bij het idee dat de mentale en intellectuele capaciteiten van vrouwen inferieur waren aan die van mannen. De smallere schouders en kortere botten in de ledematen werden in verband gebracht met een verminderd vermogen tot lichamelijke arbeid. De pelvis werd juist (overdreven) uitvergroot om te benadrukken dat het de primaire taak van vrouwen was om kinderen te baren.

Vanaf de jaren 1750 kwam de vraag naar het anatomisch onderscheid tussen mannen en vrouwen prominent op de agenda terecht. Zo werd de rol van de vrouw als moeder en als hoofd van het huishouden steeds meer toegeschreven aan en verankerd in natuurlijke, biologische eigenschappen. Mannen werden daarentegen geacht verantwoordelijk te zijn voor zaken buiten de persoonlijke sfeer, zoals het openbaar bestuur, de handel en de wetenschap. Sociale en politieke verschillen en ongelijkheden kregen zo een nieuwe biologische onderbouwing en rechtvaardiging, aldus Schiebinger. Zij benadrukt dat zij daarmee niet wilt ontkennen dat er wel degelijk fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan, maar dat de wetenschappelijke interesse naar deze verschillen het resultaat is geweest van

Afbeelding van een skelet in Andreas Vesalius’ De humani corporis fabrica libri septem (1543). Bron: Wellcome Library, fotonummer L0002229.

specifieke sociale en politieke omstandigheden (Schiebinger, 1986). Twee seksemodellen Thomas Laqueurs Making sex volgt in grote lijnen de bevindingen en de argumenten van Schiebinger. Zoals de ondertitel van zijn boek, body and gender from the Greeks to Freud echter al verraadt, houdt hij wel een veel langere chronologie aan. En waar Schiebinger de geschiedenis van de anatomie van het skelet bestudeerde, richt Laqueur zich op de ontwikkeling van ideeën over de anatomie van de geslachtsorganen als zodanig. Nog explicieter dan Schiebinger kwam Laqueur daarbij tot de conclusie dat er onder anatomen en artsen vóór 1750 alleen maar sprake is geweest van één geslacht: het mannelijke. Sinds de Griekse arts Hippocrates (460-370 v.Chr.) en de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v.Chr.) werden vrouwen simpelweg beschouwd als een inferieure of minder ontwikkelde vorm van mannen. Volgens Laqueur moeten wij dit zeer letterlijk interpreteren: de voortplantingsorganen kwamen volgens deze denkers letterlijk overeen. Bij mannen werden zij echter buiten het lichaam aangetroffen, terwijl zij bij vrouwen verborgen bleven. Deze voor ons toch ietwat bizarre voorstelling hing samen met de dominante humorenleer, waarin het lichaam uit vier sappen of humoren bestond, die gekoppeld waren aan vier eigenschappen: warmte, koude, droogte en vochtigheid. De humorenleer diende als basis ter verklaring van zowel alle aandoeningen en ziekten als de bouw en werking van het lichaam en dus ook de verschillen tussen de geslachten. Pas halverwege de achttiende eeuw moest dit one-sex model plaatsmaken voor het two-sex model, waarbij het mannelijke en het vrouwelijke


13 Berend Mul Afbeelding van een mannelijk skelet in John Barclays The anatomy of the bones of the human body (1829). Bron: Wellcome Library, fotonummer L0048590.


14

geslacht niet meer in een hiërarchisch verband stonden, maar als twee geheel verschillende, aparte entiteiten werden voorgesteld. Ondanks het feit dat Schiebinger meende dat voor vroegmoderne anatomen de geslachtsorganen juist het enige noemenswaardige anatomische verschil was tussen de seksen, sluiten de bevindingen van beide auteurs in chronologisch opzicht dus goed op elkaar aan. Ook de verklaring die Laqueur voor deze ontwikkeling gaf komt overeen met Schiebingers werk. De twee geslachten werden volgens hem ‘ontdekt’ om de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen te benadrukken en de laatsten zo zekere ‘universele’ politieke en burgerrechten te ontzeggen, die gelijktijdig door politieke denkers in de achttiende-eeuwse Verlichting werden verdedigd. In de loop van de negentiende eeuw werd de rol van de vrouw steeds passiever voorgesteld (Laqueur, 1990). Volgens Schiebinger was de wetenschappelijke belangstelling voor de anatomische verschillen tussen mannen en vrouwen in de achttiende eeuw het gevolg van bredere intellectuele en politieke ontwikkelingen die samenhingen met de Verlichting. Andersom beïnvloedden anatomen met hun uitspraken de sociale verhoudingen. Laqueur ging in Making sex echter een stap verder door te stellen dat het fundament voor zowel het one-sex model als het two-sex model nooit had gelegen in de empirische bevindingen van de klassieke en vroegmoderne anatomen. Juist omdat beide modellen verweven waren met de alomvattende humorenleer en met bredere machtsverhoudingen en culturele waardes, waren zij als het ware a priori bepaald; de producten van hun politieke en sociaal-culturele context. Voor beide modellen wisten onderzoekers empirisch ‘bewijs’ te vinden terwijl zij hetzelfde bewijs, namelijk het menselijk lichaam in materiële zin, voor zich hadden liggen. Het one-sex model en two-sex model waren door hun verwevenheid met de stand van kennis en de machtsverhoudingen niet falsifieerbaar door middel van observaties. Daarom konden volgens Laqueur alleen de politieke en sociaal-culturele invloeden van de Verlichting erin slagen om het one-sex model omver te gooien en te vervangen met het two-sex model. Laqueur verwees hierbij naar de Duhem-Quine-these die, simpel geformuleerd, stelt dat het niet mogelijk is om één wetenschappelijke hypothese afzonderlijk empirisch te toetsen, omdat deze hypothese altijd samenhangt met andere hypothesen of aannames. Door deze samenhang is het nooit precies duidelijk welke hypothesen er nog meer worden getoetst. Thomas Kuhns The structure of scientific revolutions (1962), waarover ik in het voorgaande nummer van CODEX schreef, kan wel worden beschouwd als de historische tegenhanger van de Duhem-Quine-these (Laqueur, 1990; Soble, 2003). Met Laqueur zouden wij dus kunnen stellen dat in de vroegmoderne tijd de hypothese dat mannen en vrouwen feitelijk van hetzelfde geslacht waren samenhing met allerlei aannames ofwel ‘hypothesen’ in relatie tot de humorenleer en de verhouding tussen man en vrouw.

Voor beide modellen vonden onderzoekers empirisch bewijs. ‘Hetzelfde, maar dan anders’ Making sex is een belangrijke inspiratiebron geweest voor veel historisch onderzoek naar genderopvattingen. Dit nieuwe onderzoek heeft naast de nodige aanvullingen echter ook een aantal belangrijke vraagtekens geplaatst bij Laqueurs oorspronkelijke bevindingen en argumenten. De geschiedkundige kritiek op Laqueurs werk betreft vier aspecten: representativiteit, gebrek aan differentiatie, chronologie, en het one-sex model als concept. Wat de representativiteit betreft van de anatomische en medische werken die Laqueur onderzocht, hebben verschillende historici aangetoond dat de ideeën die daarin beschreven stonden niet per se breed gedragen werden onder de gewone bevolking, en slechts bekend of gesteund werden door een kleine elitegroep van artsen en onderzoekers (Harvey, 2002). Anderen hebben kritiek geuit op Laqueurs verhandeling van de klassieke en vroegmoderne denkers alsof zij in één traditie stonden en één en hetzelfde (one-sex) model onderbouwden. In werkelijkheid bestonden er grote en zelfs fundamentele verschillen tussen de Hippocratische en Aristotelische tradities, en er kan dus geen sprake zijn geweest van een model dat door beiden gedeeld werd (Park en Nye, 1981).

Dat anatomen mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen vergeleken kan ook juist worden geïnterpreteerd als een indicatie dat zij een onderscheid veronderstelden. Het derde punt van kritiek, de chronologie waarin Laqueur de gebeurtenissen beschrijft, is een belangrijk punt van discussie geweest (Laqueur, 2003). De Duitse medisch historicus Michael Stolberg deed in een artikel in 2003 een uitgebreide poging om aan te tonen dat anatomen al vanaf de renaissance een onderscheid maakten tussen twee


15 Berend Mul

geslachten en dat dit onderscheid ook toen al een object van onderzoek was. Als dit inderdaad het geval is, dan moet er een alternatieve verklaring worden gezocht voor de totstandkoming van het two-sex model: in de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw lag de Verlichting immers nog ver in de toekomst (Park en Nye, 1991; Stolberg, 2003). Daarbij verdwenen bepaalde ideeën die Laqueur met het one-sex model associeerde na de achttiende eeuw niet van de ene op de andere dag, maar waren zij nog voor langere tijd te traceren (Harvey, 2002). In zijn antwoord op Stolberg liet Laqueur weten niet van zijn kritische argumenten te zijn overtuigd: de voorbeelden die Stolberg had aangedragen waren slechts figuren in de marge, en het feit dat zij slechts een marginale positie innamen diende volgens hem juist als onderbouwing dat er nog geen sprake was van een overgang naar het two-sex model (Laqueur, 2003). Tenslotte is het one-sex model zelf onder vuur komen te liggen. Klassieke en vroegmoderne anatomen voor 1750 waren zich volgens deze lijn van argumentatie wel degelijk bewust van twee verschillende geslachten. Het feit dat zij niet overal een woord voor hadden en dikwijls een vrouwelijk of mannelijk orgaan vergeleken of nauw lieerden aan een anatomische ‘tegenhanger’ hoeft hier niks aan af te doen. Dat anatomen mannelijke en vrouwelijke organen vergeleken, zij het soms zelfs onder dezelfde termen, kan ook worden geïnterpreteerd als een indicatie dat zij een onderscheid veronderstelden: ‘hetzelfde, maar dan anders’. Deze tegenargumenten worden nog versterkt doordat allerlei (karakter)eigenschappen en metafysische aspecten die met de humorenleer samenhingen, die wij nu wellicht onder de noemer ‘gender’ zouden plaatsen, in de vroegmoderne tijd net zo realistisch werden bevonden als biologische eigenschappen. Met andere woorden, het zou dus een vergissing zijn om het huidige onderscheid tussen ‘geslacht’ en ‘gender’ op het verleden te projecteren en op basis daarvan te concluderen dat er in de pre- en vroegmoderne belevingswereld slechts een biologisch geslacht was (Park en Nye, 1991; Harvey, 2002). Kuhniaanse valstrik Naast deze inhoudelijke kritiek van geschiedkundige aard kon Laqueurs Making sex ook rekenen op filosofische weerstand. Het artikel waarin deze kritiek werd geuit had niet alleen betrekking op Laqueurs werk zelf, maar ook op een bredere tendens in de wetenschapsgeschiedenis. Het kan dan ook relevant zijn voor geschiedenisstudenten en historici die zich niet met de geschiedenis van gender bezighouden. Laqueur, zo stelde de Amerikaanse filosoof Alan Soble, had zichzelf met zijn verwijzing naar de Quine-Duhem-these in de voet geschoten, aangezien deze these een wetenschapsfilosofisch standpunt inneemt en aldus poogt een universele uitspraak te doen over de wetenschap. In dit geval betrof dit een standpunt aangaande de mogelijkheid om een individuele hypothese afzonderlijk empirisch te toetsen. Als Laqueur stelt dat het

one-sex model noch het two-sex model het gevolg waren van empirisch onderzoek, dan zou hij daar best gelijk in kunnen hebben. Als hij echter stelt dat zij niet empirisch bewezen konden worden omdat de Quine-Duhem-these de mogelijkheid daartoe bij voorbaat weerspreekt, dan roept dat volgens Soble de vraag op waarom Laqueur het nog nodig vond om hiernaar een gedetailleerde historische studie te doen. Als de Quine-Duhem-these klopt, stond de conclusie van deze studie immers ook al vast voordat Laqueur zelfs maar aan zijn onderzoek was begonnen. Het two-sex model kon nooit slechts het gevolg zijn van nieuw empirisch onderzoek in de anatomie, evenmin als het voor doorslaggevend bewijs zou kunnen dienen voor het one-sex model. Had Laqueur zijn conclusies dan bij voorbaat al getrokken? Waarschijnlijk niet: Soble suggereert dat hij de implicaties van de Quine-Duhem-these vermoedelijk over het hoofd heeft gezien toen hij deze aandroeg ter versterking van zijn historische argumenten (Soble, 2003). Volgens Soble was Laqueur niet de enige historicus die in deze filosofische val was gelopen. Zoals ik hierboven al vermeldde, kan het geschiedkundige werk van de Amerikaanse historicus en filosoof Thomas Kuhn, The structure of scientific revolutions uit 1962, beschouwd worden als de historische uitwerking van de Quine-Duhem-these. Voor een uitgebreidere uitleg van The structure verwijs ik naar het vorige winternummer van CODEX (38:4 2017). Hier volstaat het te zeggen dat Kuhn in The structure poogde aan te tonen dat grote wetenschappelijke revoluties nooit veroorzaakt worden door slechts één of enkele observaties, maar ook het gevolg zijn van een gestalt-switch (een andere manier van ‘kijken’ of ‘zien’) en van bepaalde sociale factoren. Bovendien heerst er tussen de oude en nieuwe paradigma’s, of modellen in Laqueurs terminologie, een zogenaamde ‘incommensurabiliteit’: ze zijn onderling niet te vertalen of te evalueren door fundamenteel verschillende zienswijzen op de wereld (Kuhn, 1962).

Volgens Soble was Laqueur niet de enige historicus die in deze filosofische val was gelopen. Kuhns invloed op de wetenschapsgeschiedenis en de filosofie is bijzonder groot geweest en is tot op de dag van vandaag voelbaar. In hun haast om de (natuur-) wetenschappen van hun sokkel te werpen hebben verschillende historici zich volgens Soble blind achter Kuhn-Quine-Duhem geschaard. Daarbij hebben ze over het hoofd gezien dat hun relativistische uitspraken met betrekking tot de natuurwetenschappen óók van toepassing


16

Afbeelding van een vrouwelijk skelet in John Barclays The anatomy of the bones of the human body (1829). Bron: Wellcome Library, fotonummer L0048591.

zouden moeten zijn op de geschiedschrijving en de geesteswetenschappen in het algemeen. Sterker nog, zo vroeg Soble zich af, zijn historici en letterkundigen doorgaans niet veel vatbaarder voor allerlei culturele en politieke invloeden op hun werk dan de gemiddelde bioloog (Soble, 2003)?

revolutions bijvoorbeeld naar het werk van Thomas Fuchs, dat de stelling opwierp dat ook na de zogenaamde Kuhniaanse paradigm shifts geen volledige breuk met het verleden plaatsvindt en dat aspecten van de oude zienswijze op de lange termijn weer kunnen opduiken in de wetenschap.

Besluit Werd het biologische onderscheid tussen de geslachten werkelijk pas in de achttiende eeuw ontdekt, of – in relativistische termen – uitgevonden? Laqueur komt in zijn werk tot opmerkelijke conclusies en weinigen (zelfs Soble niet) zullen ontkennen dat hij een zeer originele blik op het bronnenmateriaal heeft geworpen, die een inspiratie is geweest voor veel nieuw onderzoek. Tegelijk zijn er sterke argumenten tegen zijn bevindingen ingebracht. Welke positie men ook inneemt ten aanzien van Schiebinger, Laqueur, Stolberg en Soble, zoals ook de andere artikelen in dit nummer duidelijk maken: de discussies omtrent genderverhoudingen en de culturele en biologische verschillen die daaraan ten grondslag liggen, lijken in elk geval niet los gezien te kunnen worden van politieke en sociaal-culturele factoren.

Verantwoording • Fuchs, T. (2001). The Mechanization of the heart: Harvey and Descartes (M. Grene, Vert.). Rochester en Suffolk, Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk: University of Rochester Press. • Harvey, K. (2002). The substance of sexual difference: change and persistence in representations of the body in eighteenth-century England. Gender & History, 14(2), 202-223. • Kuhn, K. S. (2012). The Structure of Scientific Revolutions, 50th Anniversary Edition (4e ed.). Chicago en Londen, Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk: The University of Chicago Press. • Laqueur, T. (1990). Making sex: body and gender from the Greeks to Freud. Cambridge, MA en Londen, Verenigde Staten en Groot-Brittannië: Harvard University Press. • Park, K., & Nye, R. A. (1991, 18 februari). Making sex: body and gender from the Greeks to Freud by Thomas Laqueur. The New Republic, 204(7), 53-57. • Schiebinger, L. (1986). Skeletons in the closet: the first illustrations of the female skeleton in eighteenth-century anatomy. Representations, 14, 42-82. • Soble, A. G. (2003). The history of sexual anatomy and self-referential philosophy of science. Metaphilosophy, 34(3), 229-249.

Uit de bovenstaande discussie is tevens duidelijk geworden dat historici beter voorzichtig kunnen zijn in hun omgang met wetenschapsfilosofische stellingen in hun werk. Zouden zij zich daarvan helemaal afzijdig moeten houden? Zover zou ik niet willen gaan. Historisch onderzoek kan bij uitstek geschikt zijn om dergelijke stellingen kritisch te benaderen. Zo verwees ik in mijn artikel over The structure of scientific


17 Jasmijn Groot

“Oh, wat zijn wij een laag en geil ras!” Over vrouwelijk seksueel gedrag in het oude Griekenland

Penelope by Franklin Simmons. De Young Museum, San Fransisco, USA.


18

De #MeToo-discussie die sinds vorig jaar gaande is, heeft niet alleen gezorgd voor heel veel publieke aandacht voor slachtoffers van seksueel geweld, het heeft ook discussies in het leven geroepen over hoe mannen en vrouwen met elkaar horen om te gaan – in algemene sociale termen, maar ook op seksueel gebied. Er zijn zelfs een aantal betrokkenen die de hoop koesteren dat de affaire een nieuwe seksuele revolutie zal ontketenen, in het bijzonder voor vrouwen. Maar daar lijken we echter aan voorbij te rennen: in het debat worden nog steeds veel achterhaalde theorieën opgeworpen die heel duidelijk uitgaan van nature of nurture en genderspecifiek seksueel gedrag, die het voorval van seksueel geweld niet serieus nemen of het zelfs accepteren als een ‘normale’ realiteit. Bovenal worden er noties aangehaald die een ongelijkheid tussen de twee seksen continueert: de zogenaamde dubbele standaard. Het idee dat mannen bijvoorbeeld van nature jagers zijn, schuift de schuld weg bij de voornamelijk mannelijke misdaadplegers en legt die bij de slachtoffers (Van Lunsen & Laan, 2017). De discussies die nu gaande zijn, zijn zeker niet de eerste die worden gevoerd over (wenselijk) seksueel gedrag en de rollen die mannen en vrouwen daarbij horen te spelen. En in tegenstelling tot wat men vaak denkt zijn dit soort gesprekken ook niet pas acceptabel geworden na de seksuele revolutie van de jaren 60 en 70. Mensen discussiëren al eeuwenlang over seks – de preutse onderbrekingen daargelaten. In Europa gebeurde dat al in het oude Griekenland. Schrijvers, filosofen en medici hebben veel nagelaten over allerlei verschillende onderwerpen die te maken hebben met liefde, aantrekking en seks. Zo ook over wat zij zagen als specifiek mannelijk en vrouwelijk gedrag. Er was niet één doorslaggevende theorie die voor waar werd aangenomen door de gehele Griekse bevolking. Er waren veel auteurs die over het onderwerp nadachten en die verschillende mogelijke oorzaken zagen voor de verschillen in seksueel gedrag tussen mannen en vrouwen. Wat wel duidelijk zal worden, is dat toen – in sommige opzichten net als nu – mannelijk gedrag werd genormaliseerd, zelfs gemoraliseerd, en dat vrouwelijke seksualiteit werd geproblematiseerd. Schrijvers, filosofen en medici Oudgriekse schrijvers en wetenschappers hadden een grote interesse voor seksualiteit in al zijn uitingen. Er zijn dan ook veel geschriften van filosofische, medische en poëtische aard aan ons overgeleverd, die ons laten zien hoe een hogere, geletterde klasse in Griekenland over seksualiteit dacht. De lijst is lang en men was het zeker niet altijd met elkaar eens. Maar er zijn een aantal belangrijke opvattingen die vaak terugkomen. Zo zagen de Grieken seksueel plezier als datgene in het leven waar de godin Aphrodite zich mee bezighield. De woorden die hiermee te maken hadden verwezen dan ook naar haar naam: zo was aphrodisia (ἀφροδισια) het Oudgriekse woord voor seks, letterlijk ‘de zaak van Aphrodite’. Ook de zoon van Aphrodite, de liefdesgod

Eros, was terug te vinden in de terminologie: eros (ἔρως) was het woord voor het obsessieve verlangen naar een ander persoon, eran (ἐραν) betekende ‘liefde’ en erasthenai (ἐρασθῆναι) stond voor ‘het verliefd worden op iemand’ (Dover, 2002). Het gedrag dat mensen vertoonden wanneer ze dan eenmaal bijeenkwamen voor de zaken van de liefdesgoden werd op zijn beurt bepaald door de samenstelling van het lichaam. In het voorgaande artikel noemde Berend Mul al de klassieke humorenleer, de theorie over de lichaamssappen of humoren die ten grondslag lagen aan kwaaltjes en andere aandoeningen. Deze theorie werd ook gezien als een belangrijke uitleg voor gedrag dat als typisch mannelijk of vrouwelijk werd gezien, zo ook bij het bedrijven van de liefde. Volgens de humorenleer waren mannen droog en heet. Zij waren daardoor in staat hun emoties en hun lusten te bedwingen. Vrouwen daarentegen waren vochtig en koud (Dirven, 2010). Volgens de bekende medicus Hippocrates (ca. 460-370 v.Chr.) was het vlees van een vrouw poreus, waardoor het meer vocht opnam vanuit de buik dan het vlees van een man deed (Hippocrates, vert. 2009). De vrouw had daardoor van nature een vochtige gesteldheid en was daarmee gevoelig voor weekmakende emoties en niet in staat om seksuele instincten te bedwingen (Hippocrates, vert. 2012; Dirven, 2010). Over het algemeen werden vrouwen gezien als veel lustvollere wezens dan mannen. Zij zouden seks veel intenser beleven dan mannen en een groter verlangen hebben naar de daad. Er waren geleerde Grieken die van mening waren dat vrouwen geslachtsgemeenschap nodig hadden om fysiek en psychologisch gezien gezond te kunnen blijven. Zo beschreef de filosoof Timaeus van Locri (420–380 v.Chr.) in een briefwisseling met Plato (428-348 v.Chr.) het ontstaan van seksueel verlangen en hysterie bij vrouwen. Volgens hem waren het de goden die de mens hadden voorzien van een verlangen naar geslachtgemeenschap. Zij hadden vrouwen daarbij een dierlijk wezen meegegeven dat binnenin hen leefde en dat conceptie wenste. Wanneer een vrouw echter niet zwanger raakte, werd dat beest binnen in de vrouw boos en ellendig. Het zou ronddwalen in het hele lichaam en luchtwegen afsluiten, waardoor allerlei ziekten ontstonden. Die ziekten konden alleen worden verholpen door geslachtsgemeenschap (Plato, vert. 1997). Ook Hippocrates had het over een natuurlijk verlangen naar conceptie. Wanneer een vrouw niet zwanger was geworden na haar vruchtbaarste periode – die volgens hem direct na de menstruatie plaatsvond – “[weerhield niks haar er van] om [haar] echtgenoot [...] op te zoeken, daar de gewoonte haar verlangens opwekte en haar doorgangen openden” (Hippocrates, vert. 2012).

De vrouw zou niet in staat zijn om seksuele instincten te bedwingen.


19 Jasmijn Groot

Problematiek Al vanaf het begin van de Archaïsche periode (800 – 480 v.Chr.) werden vrouwen op allerlei manieren heel negatief in beeld gebracht – in zijn ergste uitingsvorm zelfs als brenger van alle ellende op aarde. Zo vertelde de schrijver Hesiodus (ca. 8ste of 7de eeuw v.Chr.) in zijn Werken en Dagen de legende van Pandora. Zij was de eerste vrouw op aarde, geschapen door de god Hephaistos, als straf voor de mensheid, omdat Prometheus het vuur van de goden had gestolen. Zij opende een kruik waar de Griekse oppergod alle kwaden van de mensheid in had gestopt, waardoor deze zich over de aarde uitspreidde (Hesiodus, vert. 2006). Niet alleen de vrouwelijke aard, maar ook de vrouwelijke seksualiteit werd als iets problematisch of zelfs gevaarlijks gezien. Ook deze trend kunnen we al aan het begin van de Archaïsche periode waarnemen. De dichter Semonides van Amorgos (ca. 7de v.Chr.) schreef bijvoorbeeld een gedicht van ongeveer honderd regels, waarin verschillende typen vrouwen het onderwerp zijn. Om een indruk te krijgen: een aantal voorbeelden zijn het varkentype dat haar huis niet schoonmaakt, het vossige type die het pure kwaad belichaamt, en het hondtype, “a no-good bitch”. Semonides kan dus niet veel aardigs kwijt over de verschillende karakters die vrouwen bezitten. Maar ook over haar

seksualiteit in het algemeen laat hij zich negatief uit met versregels als: “en als het gaat om seks, […] zij verwelkomt elke man die passeert” (Semonides, vert. 1995). Hippocrates beweerde ook dat zulk seksueel gedrag typisch was voor vrouwen. Hij zei dat meisjes daarom moesten worden getemd en daarmee illustreerde hij de ‘vormbaarheid’ van jonge vrouwen. Hippocrates zag meisjes die nog nooit seks hadden gehad als wild: ze verlangden ernaar, zoals natuurlijk was voor vrouwen, maar door het gebrek eraan hoopte er bloed op rond het hart wat tot een psychologische onbalans zou leiden. Ze zouden zelfs zó gefrustreerd kunnen raken dat ze zich zouden verhangen. Hun seksuele gevoelens moesten volgens Hippocrates dan ook zo snel mogelijk in banen worden gebracht. En dat kon maar op één manier: ze moesten zo jong mogelijk trouwen. In verschillende stadstaten trouwden meisjes uit de hogere klassen al als ze dertien waren (Dover, 2002; Fantham et al., 1994).

Vrouwelijke seksualiteit werd als iets problematisch gezien. De komedieschrijver Aristophanes (446-386 v.Chr.) schreef vele toneelstukken over vrouwen. Maar het is vooral de Lysistrata waarin hij de problematiek van vrouwelijke seksualiteit tentoonstelt. In dit toneelstuk worden door het gelijknamige hoofdpersonage de vrouwen van een groot aantal stadstaten overgehaald om een revolutie te organiseren, zodat hun mannen de Peloponnesische Oorlog beëindigen. Het toneelstuk beschrijft hoe die revolutie gewelddadige eigenschappen aanneemt, onder andere wanneer de vrouwen de Acropolis hardhandig overnemen. De belangrijkste actie die ze ondernemen, is het afleggen van een eed waarmee ze beloven zich te onthouden van alle vormen van seksueel plezier. Hiermee proberen ze een statement te maken voor hun oorlogvoerende echtgenotes: als de mannen van huis zijn om oorlog te voeren, krijgen de vrouwen geen seks, met alle gevolgen van dien (Aristophanes, vert. 2000). Naarmate het verhaal zich ontrafelt, wordt op verschillende manieren de seksualiteit van de Griekse vrouwen door Aristophanes op de voorgrond gezet en vergroot, en overdrijft hij deze om zijn publiek te amuseren. In de eerste akte creëert hij bijvoorbeeld al een komisch moment met een hilarische anticlimax: in meer dan honderd regels weet hij de spanning goed op de bouwen als hij vertelt over de eerste bijeenkomst van allerlei vrouwen uit de vele windstreken van Griekenland. Het wordt steeds duidelijker dat Lysistrata een belangrijke mededeling wil doen, maar het is nog niet duidelijk wat het is. Wanneer iedereen er

Aphrodite, Pan en Eros. Een beeld uit Delos, ca. 100 v.Chr. Nationaal Archeologisch Museum Athene.


20

is, vertelt Lysistrata haar publiek op cryptische manier dat er maar één manier is om de mannen hun wapens neer te laten leggen. De andere vrouwen hangen aan haar lippen: “Vertel het ons!” roepen ze uit. Als Lysistrata zegt dat het om het opgeven van seks gaat, antwoorden twee andere personages, Myrrhine en Calocine, meteen met: “Laat de oorlog maar doorgaan!” (Aristophanes, vert. 2000). Nadat Lysistrata de andere vrouwen uiteindelijk over weet te halen, raken de vrouwen steeds seksueel gefrustreerder. De ontwikkelingen die Aristophanes hierbij beschrijft, vertonen overeenkomsten met de medische opvattingen dat vrouwen naar seks verlangden, er veel plezier aan beleefden en dat ze vanwege hun fysieke en psychische gesteldheid niet lang zonder geslachtsgemeenschap konden. De vrouwen worden daarmee in zijn vertelling karikaturen van het type vrouw dat verwerpelijk was binnen de Griekse maatschappij. En het zijn voornamelijk de vrouwen zelf die dat in zijn stuk uitdragen. Zo laat hij een aantal personages zelf leuzen uitroepen als: “Volgens de mannen zijn we in staat om elke vorm van kattenkwaad uit te halen” en “We zijn onzedig tot de laatste druppel in de kleinste ader” (Aristophanes, vert. 2000). Kuisheid Vergeleken met de man, die zijn seksuele lusten kon beheersen, werd de vrouw gezien als de sekse die dat van nature niet kon. Er werd van hen echter wel verwacht dat zij zich bescheiden en kuis opstelden tegenover mannen.

Dit credo zien we zoals in eerdere voorbeelden terug in de literatuur, maar ook op vaasschilderingen. Romantiek, liefde en seks waren ook bronnen van inspiratie voor vaasschilders. Bovenal de verhalen uit de Griekse mythologie werden in de Klassieke periode (480-323 v.Chr.) erg populair. Die stond bol van verhalen over relaties tussen goden en mensen – de meest voorkomende godheid binnen dit thema was toch wel de oppergod Zeus, die relaties had met talloze stervelingen, zoals Europa, Leda en Ganymedes (Dirven, 2010). De vaasschilderingen over dit soort verhalen richtten zich op het moment net vóórdat een jongen of een meisje werd geschaakt door een godheid: de achtervolging van die begeerde persoon. De voorstellingen worden dan ook wel achtervolgingsscènes genoemd. De afbeeldingen volgen allemaal vrijwel exact hetzelfde iconografisch schema: er is altijd sprake van een god die een jongeling achtervolgt, de jongens en de meisjes kijken achterom naar hun belager en er wordt duidelijk oogcontact tussen de twee individuen uitgebeeld (Dirven, 2010).

Er werd van vrouwen verwacht dat ze zich kuis opstelden tegenover mannen.

Zeus achtervolgt een meisje. Amfoor van de Providence schilder, ca. 450 v.Chr. Amsterdam, Allard Pierson Museum.


21 Jasmijn Groot

De betekenis van deze achtervolgingsscènes is in de loop der tijd verschillend geïnterpreteerd. Tot het midden van de jaren 80 van de vorige eeuw was men vrij neutraal en sprak men over een schaking, een roof of een ontvoering. Daar kwam in 1985 verandering in toen de bekende historicus Eva Keuls haar controversiële boek The reign of the phallus; sexual politics in ancient Athens publiceerde. Daarin verklaarde zij dat de afbeeldingen waarop een god een meisje najaagt feitelijk verkrachtingsscènes zijn. De belangrijkste stadstaat Athene was volgens haar een door mannen gedomineerde samenleving en de achtervolgingsmythen en -scènes, zo stelde zij, moesten de seksuele en sociale onderdrukking van hun vrouwen legitimeren (Dirven, 2010; Keuls, 1985).

In de literatuur vanaf de Archaïsche periode zien we dezelfde verwachtingen van vrouwen, zelfs al in wat wordt beschouwd als het eerste literaire werk binnen de Griekse beschaving: de Homerische epen. In de Odyssee van Homeros, het verhaal over de omzwervingen van koning Odysseus van Ithaka, vormen Penelope en Nausikaä de belichaming van kuisheid. Niet alleen worden zij in verband gebracht met correct gedrag, zij staan ook in sterk contrast met iemand als Helena van Troje, die haar man Menelaos verliet voor de knappe Paris; met Klytemnestra, die een minnaar had terwijl haar echtgenoot Agamemnon oorlog voerde in Troje; en met godinnen als Circe en Calypso, die affaires aangingen met Odysseus (Homerus, vert. 1959).

Sindsdien is het gebruikelijk geworden om in de context van achtervolgingsscènes te spreken van verkrachting. Ook de oudheidkundige Christiane Sourvinou-Inwood stelde in haar boek Reading Greek Culture: Texts and Images, Rituals and Myths dat afbeeldingen van goden die meisjes najagen als afspiegelingen dienen van de ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen. Volgens haar stond de achtervolging van de meisjes symbool voor de jacht en daarmee de domesticering van de vrouw (Sourvinou-Inwood, 1991).

Penelope deed er in de twintig jaar dat haar echtgenoot afwezig was alles aan om hem trouw te blijven. Zelfs toen het paleis van haar man was overspoeld door koningen en prinsen die naar haar hand wilden dingen, verzon zij een smoes om een antwoord uit te stellen: zij zei dat ze bezig was met een rouwgewaad voor haar schoonvader en dat wanneer dit af was, ze dan een keuze zou maken tussen de vele vrijers. Midden in de nacht haalde ze er echter uit wat ze gedurende de dag had gewoven, waardoor ze een nieuw huwelijk kon uitstellen en trouw kon blijven aan Odysseus (Homerus, vert. 1959).

Maar in de afgelopen jaren zijn er een aantal wetenschappers geweest die in de achtervolgingsscènes belangrijke Oudgriekse gedragscodes terugzien. Kunsthistorica Lucinda Dirven en classica Marilyn B. Skinner denken dat de voorstellingen de normen en waarden tonen die van toepassing waren bij hofmakerij in het oude Griekenland. Dat er geen sprake is van seksueel geweld is volgens Dirven te bevestigen met andere vaasschilderingen van dezelfde tijd. Er zijn afbeeldingen aan ons overgeleverd die duidelijk seksueel geweld verbeelden: een goed voorbeeld hiervan is de held Ajax de Kleine die Kassandra verkracht. Het iconografische schema van dergelijke afbeeldingen vertonen precies de tegenovergestelde aspecten van die van de achtervolgingsscènes: de meisjes zijn naakt of halfnaakt, ze proberen zich duidelijk te verzetten en ze kijken hun belager niet aan. Daarnaast ziet Dirven het niet als toeval dat er zo veel overeenkomsten zijn tussen de verschillende groepen achtervolgingsscènes en de gelijktijdige ontwikkeling ervan. Daarom stelt ze dat ze allemaal dezelfde betekenis hebben. Het wegvluchtende meisje in de afbeelding toont geen verzet of angst: het is een teken van zelfbeheersing en het suggereert dat de Griekse man van goed opgevoede meisjes precies hetzelfde gedrag verwachtte. Dirven denkt dat bij het najagen van een liefdesrelatie de vrouw dus een ingetogen en bescheiden houding diende aan te nemen (Dirven, 2010). Skinner beaamt dit. Zij legt daarbij voornamelijk de nadruk op het oogcontact tussen de god en het jonge meisje in de voorstellingen: de achtervolgers kijken gericht naar hun doel, terwijl de meisjes in kwestie enigszins neerkijken. Die houding ziet zij ook als een soort toonbeeld van bescheidenheid (Skinner, 2005).

Ondertussen probeerde Odysseus thuis te komen na de oorlog in Troje. Toen hij aanspoelde op een strand in het land der Faiaken, ontmoette hij de koningsdochter Nausikaä. Hij vroeg haar om hulp en gastvrijheid. Toen zij hem die schonk en hem ervan verzekerde dat hij welkom zou zijn in het paleis van haar vader koning Alkinoös, stond zij er echter op om er gescheiden heen te reizen. Want, zo zei zij:

“…dan meed ik wel graag alle praatjes, zoals het domme volk die er uit flapt. Hoe gemakkelijk komt zo’n vlegel er niet toe om te zeggen: “Kijk toch eens, wie daar achter Nausikaä’s wagen aanloopt? […] Wie mag hij wel zijn? Misschien wordt die nog haar bruidegom! […] ja, zo zullen ze over mij roddelen, en dit niet zonder reden, want ook ik zou het bij anderen laken, lieten zij zich voor de verloving openlijk samen zien met een man” (Homerus, vert. 1959).

Kuisheid werd dus in zeer strenge mate verwacht van jonge, ongehuwde meisjes. Zelfs de simpelste vormen van contact met een man voor het huwelijk kon als bron dienen voor roddel en achterklap en zou de reputatie van het meisje in kwestie onherstelbaar verwoesten (Skinner, 2005). Ook de dichter Archilochus (7de eeuw v.Chr.) benadrukte het belang van kuisheid bij een vrouw in zijn gedichten. In


22

zijn zogenaamde Cologne epode geeft hij aan hoezeer hij een kuis meisje verkiest boven een onkuis meisje en dat hij zich zal inhouden om de eerbaarheid van zijn geliefde te behoeden: I shall be tame, I shall behave [...] I shall come no farther than the garden grass. Neobulé I have forgotten, believe me, do. Any man who wants her may have her. Aiai! She’s past her day, ripening rotten. The petals of her flower are all brown. The grace that first she had is shot. [...] A source of joy I’d be to the neighbours With such a woman as her for a wife! (Archilochus, vert. 1975). Dit gedicht staat parallel aan Nausikaäs dialoog met Odysseus, waarin vrouwen het onderwerp van achterklap worden door hun seksuele gedrag. Het gaat daarnaast in op het tegenovergestelde van kuisheid, namelijk promiscuïteit. Archilochus heeft het over een oude vlam, ene Neobulé, die duidelijk wisselende seksuele contacten heeft. De regels van het gedicht haken in op theorieën dat het gevaarlijk zou zijn om vrouwen te veel van geslachtsgemeenschap te laten genieten. Vrouwen die te veel werden voorzien van het plezier van seks, zouden verslaafd raken aan de daad. En te veel seksuele activiteit was niet wenselijk, want dat zorgde er weer voor dat ze snel verouderden (Skinner, 2005). In dit gedicht wordt dat omschreven met woorden als rijpend, rottend en “bruine bloemblaadjes”. Tot nu toe gingen de meeste voorbeelden over de gedragsregels gedurende het leven vóór het huwelijk. Maar het is ons duidelijk geworden dat er binnen het huwelijk geen fundamenteel verschillende gedragscodes van kracht waren. De mate van bescheidenheid en kuisheid die ik hiervoor heb geïllustreerd, werd ook van getrouwde vrouwen verwacht. Overspel en verkrachting waren serieuze vergrijpen die konden resulteren in rechtszaken, en zelfs de dood. De man die het waagde om seks te hebben met een getrouwde vrouw of haar zelfs maar probeerde te versieren – tegen haar zin of met haar toestemming maakte daarbij niet veel uit – kon door de echtgenoot van de betreffende vrouw voor het gerecht worden gesleept. Dat was een sisser vergeleken met betrapping op heterdaad: wanneer een man zijn vrouw betrapte met een andere man, dan had de echtgenoot van de vrouw het recht om de andere man te doden. Wat daarbij belangrijk is om in het achterhoofd te houden, is dat het bij dit soort ‘misdrijven’ draaide om de schande die tegen de echtgenoot was begaan. Bij verleiding of verkrachting van een getrouwde vrouw was het de eer van haar man die in de waagschaal werd gelegd (Dover, 2002; Skinner 2005).

Zoals eerder aangegeven zijn dit slechts een aantal bronnen met relatief duidelijke richtlijnen. Niet alleen zijn er nog vele andere auteurs met een andere mening, er zijn nog talloze andere zaken die volgens de oude Grieken een belangrijke rol speelden bij seksueel gedrag,Alles in overweging nemend ontstaat er een heel complex beeld over seksualiteit onder Grieken, vol onduidelijkheden en inconsistenties. Door al die overkoepelende aspecten is seks in de Oudheid net zo’n complex onderwerp als dat het nu is – voor historici om het te onderzoeken, maar wie weet, misschien was dat het ook wel voor de Grieken zelf. Verantwoording • Dirven, L. (2010). ‘Neen’ betekent soms ‘ja’. Erotische achtervolgingsscènes op Atheens roodfigurig aardewerk. Lampas, 43(2), 3-21. • Dover, K.J. (2002). Classical Greek attitudes to sexual behaviour. In: L.K. McClure (Red.), Sexuality and gender in the classical world, pp. 19-33. Oxford, Verenigd Koninkrijk: Oxford University Press. • Fantham, E., Foley, H. P., Kampen, N. B., Pomeroy, S. B., & Shapiro, H. A. (1994). Women in the Classical World. Image and Text. Oxford, Groot-Brittannië: Oxford University Press. • Keuls, E. C. (1985). The Reign of the Phallus: Sexual Politics in Ancient Athens. Berkeley, CA, Verenigde Staten: University of California Press. • Skinner, M. B. (2005). Sexuality in Greek and Roman culture. Malden, MA,Verenigde Staten: Blackwell. • Sourvinou-Inwood, C. (1991). Reading Greek Culture: Texts and Images, Rituals and Myths. Oxford, Verenigd Koninkrijk: Oxford University Press. • Van Lunsen, E., Laan, E. (2017) Seks! Een leven lang leren. Amsterdam, Nederland: Prometheus. Primaire Bronnen • Archilochus, Cologne epode. Vertaald door J. Van Sickle (1975). The Classical Journal, 71(1), 1-15. • Aristophanes, Lysistrata. Vertaald door J. Henderson (2000). Cambridge, MA, Verenigde Staten: Harvard University Press. • Hesiodus, Works and days. Vertaald door G.W. Most (2006). Cambridge, MA, Verenigde Staten: Harvard University Press. • Homerus, Ilias & Odyssea. Vertaald door F. Van Oldenburg Ermke (1959). Retie, Nederland: Kempische Boekhandel. • Hippocrates, Diseases of women. Vertaald door K. Whiteley (2009). Pretoria, Zuid-Afrika: University of South Africa. • Hippocrates, On the nature of women. Vertaald door P. Potter (2012). Cambridge, MA, Verenigde Staten: Harvard University Press. • Plato, Timaeus. Vertaald door D.J. Zeyl (1997). Cambridge, MA: Hackett Publishing Company. • Semonides, Women.Vertaald door D.A. Svarlien (1995). Geraadpleegd op 15 december 2017, van http://www. stoa.org/diotima/anthology/sem_7.shtml.


23 Ilan Peled

Telling the (gendered) difference Biblical and Ancient Near Eastern Concepts of Legal Gender Otherness

In biblical and ancient Near Eastern societies masculine gender identity included several compulsory features. Lacking any of these features would classify the individual as a man whose gender identity deviated from the standard social model of masculinity. One of these features was the ability and intention to sire offspring.The acceptable parameters of masculinity in the Hebrew Bible and the ancient Near East were marked by several different social mechanisms – one of which was official law. How did biblical and ancient Near Eastern societies address such cases of individuals who deviated from the normative social order, which included a clear-cut dichotomy between two categories, masculine and feminine? How did those who belonged to a different gender class fit in their society? What was the legal stance in such cases? These men, who did not conform to the customary model of masculine identity in their societies, formed a class of their own, which can be defined as a “third gender”, a term widely used in social theory circles for describing multiple gender identities. They belonged to a distinct group in society, and bore clearly defined titles. In this sense, they were socially defined, rather than having formed a segregated social abnormality. But what did they have in common? What were their defining characteristics, the underlying markers of their gender identity? And how was it related to the legal framework of biblical and ancient Near Eastern societies? In my book, Masculinities and Third Gender: the Origins and Nature of an Institutionalized Gender Otherness in the Ancient Near East, I have used the theory of hegemonic masculinity as a paradigmatic framework, developed by sociologist R. W. Connell. I found it necessary to employ a theory from the fields of social sciences and gender theory in order to clarify the above-mentioned questions, since philological and

historical analyses could have not been sufficient for this end. According to this theory, hegemonic men ruling social elites worldwide aspire to maintain their power and authority by suppressing all those who do not belong to their class, namely, non-hegemonic men, and women.The book analyzes a group of title-holders in ancient Near Eastern texts, in light of Connell’s theory, as non-hegemonic men who were attested in lexical lists, literary compositions, and other records. Some of these persons had parallels in biblical texts as well. The most notable – that is, the best attested ones – of these titles were kalû, assinnu, kurgarrû and ša rēši. Other similar titles that were documented less frequently were kulu’u, girseqû, tīru, SAG-UR-SAG, pilpilû, nāš pilaqqi, sinnišānu and parû. Most of these terms cannot be translated into modern languages, but rather formed professional titles in the ancient Akkadian language. Each one of them had its own attributes, but they were mostly cult attendants of Ištar, the Mesopotamian goddess of eroticism and war. The ša rēši, girseqû, and tīru were different: they were palace personnel, most probably eunuchs.The non-hegemonic features of their masculine gender identity were materialized through social (that is behavioral) or physical manners. They all shared one common feature: lack of procreativity. Siring descendants was one of the key emblems of masculinity in biblical and ancient Near Eastern societies. It was related to the exhibition of sexual potency, maintaining and securing the familial structure, and the perpetuation of one’s name and legacy. The importance of producing children in the Hebrew Bible and the ancient Near East cannot be stressed enough. Hence, any man who utterly lacked this capacity belonged by definition to a class of non-hegemonic men. This was a marker of flawed manliness, but not necessarily of effeminacy,


24

because some of the persons discussed in my book were clearly masculine – other than the fact that they could not produce offspring. These were palace eunuchs, who served in royal courts throughout the ancient Near East, and are also attested in the Hebrew Bible. The masculinity of these persons was manifested by the fact that they held important political – and at times military – offices, and in Mesopotamia they were portrayed in art as strong, muscular men. These officials held high positions in local political systems, but as castrated men they could not procreate. Therefore, the only way for them to have children was to adopt, and the significance of this issue is highlighted by the fact that official laws addressed it. But adoption merely served their need to have descendants to whom they could give their assets as inheritance; it did not change their unique gender class. The best-known term for a Mesopotamian palace eunuch was known in the Akkadian language as ša rēši, or in Sumerian lú-sag. The ša rēši had an equivalent term in the Hebrew Bible: sārîs. Other Mesopotamian terms that designated palace attendants that may have been castrated are girseqû and tīru. The evidence concerning the castration of the latter two is merely circumstantial, but the fact that they were typically childless is almost certain. The famous law collection of King Hammurabi of Babylon (ca. 1795-1750 BC) contains three statutes that mention some of these persons, as well as other palace officials, in relation to adoption practices. These are the pertinent quotes:

These statutes were meant to secure the adoption process by the girseqû and the sekretu (a female palace attendant who was typically childless), and prevent from their adopted children to leave them. These officials needed to have children to whom they could transfer their wealth, and since they did not beget, the laws were meant to make sure that their adopted children could not abandon them. This was the reason for the harsh punishments stipulated in the above-mentioned laws.

The acceptable parameters of masculinity in the Hebrew Bible and the ancient Near East were marked by several different social mechanisms – one of which was official law. The Hebrew Bible mentions palace eunuchs several times, and this office seems to have been considered as a foreign practice rather than an inherent Israelite one. When it comes to bodily mutilation, however, biblical law shows unequivocal objection: “And you shall not make a scratch on your flesh for the dead!” (Leviticus 19:28)

“A(n adopted) child of a girseqû who is a palace attendant, and a(n adopted) child of a sekretu shall not be reclaimed.” (Laws of Hammurabi §187) “If the (adopted) child of a girseqû or the (adopted) child of a sekretu says to the father who raised him or to the mother who raised him, ‘You are not my father,’ or ‘You are not my mother’: they shall cut out his tongue.” (Laws of Hammurabi §192) “If the (adopted) child of a girseqû or the (adopted) child of a sekretu identifies with his father’s house and repudiates the father who raised him or the mother who raised him and departs for his father’s house: they shall pluck out his eye.” (Laws of Hammurabi §193)

“And they shall not make a scratch in their flesh!” (Leviticus 21:5) “…or he who has damaged testicles: no descendant of Aaron the priest who has any defect is to come near to present the food offerings to God” (Leviticus 21:20-21) “You shall not lacerate yourselves!” (Deuteronomy 14:1) “No one who has been emasculated by crushing or cutting may enter the assembly of God!” (Deuteronomy 23:2)

The Laws of Hammurabi (detail). Musée du Louvre, Paris. Photo: Deror avi, via Wikimedia.


25 Ilan Peled

We can see that the Bible shows an ambiguous attitude to castration and bodily mutilation: while the office of eunuchs was not condemned, bodily mutilation was. This implies that eunuchs and castration formed a distinct category in biblical thought, of men who did not conform to the standard categorization of masculinity in biblical times. How should these references to legal attitudes to castration and institutionalized lack of progeny be evaluated? As much as gender identity is concerned, ambiguity and deviation are not qualities that necessarily stem from extreme abnormality. It was enough for eunuchs to deviate sufficiently from the paradigmatic customary models of biblical and ancient Near Eastern masculinities, in order to be included in their distinct “third gender” class. This distinct class was a social construct, meant for delineating the social norms typical of the ruling men. As such, hegemonic masculine men used the concepts of ‘other’ or ‘different’ for emphasizing their own characteristics of conformity. Such concepts of otherness are essential for marking social boundaries. These boundaries, in turn, delineate patterns of normative conduct. Social identity is defined by its limitations: where it begins and ends, and

what exists beyond it. The ‘other’ demonstrates what the ‘common’ is not, and hence, inevitably and conversely, what the ‘normative’ actually is.These boundaries are constructed by using social mechanisms of norms and prohibitions, as exhibited most efficiently in the realms of official law. These castrated men, as attested in the Hebrew Bible and ancient Near Eastern records, should be viewed as the products of social mechanisms that were meant to enforce control and perpetuate gender division and male superiority, because hegemonic men used such mechanisms for perpetuating those rules and norms that served their needs. We should bear these lessons from ancient human history in mind as we reflect on contemporary social structure, conformity and the division between the genders. At times the similarities between the remote past and the present can be illuminating indeed. References • Peled, I. (2016). Masculinities and Third Gender:The Origins and Nature of an Institutionalized Gender Otherness in the Ancient Near East (Alter Orient und Altes Testament, no. 435). Münster: Ugarit-Verlag.

Ben jij onze volgende gastschrijver? Stuur een abstract van het artikel, de column of de recensie die je wilt schrijven of publiceren naar info@codexhistoriae.nl. Wie weet zie je je eigen naam terug in een volgende editie!

Are you our next guest writer? Mail an abstract of the article, column or (book) review you want to write or publish to info@codexhistoriae.nl. Your name might show up in one of our next volumes!


26

Harriet Tubman

Anderhalve Eeuw Vertraging Ik was acht jaar lang conducteur van de Underground Railroad en ik kan zeggen wat de meeste conducteurs niet kunnen zeggen – ik reed mijn trein nooit van de rails en ik verloor nooit een passagier (Larson, 2004, p. 276).

Harriet Tubman, ca. 1860-1875. Publiek domein.

Deze tot de verbeelding sprekende uitspraak deed Harriet Tubman (1822-1913) in november 1896, toen de vrijheidsstrijdster een bijeenkomst voor vrouwenkiesrecht bijwoonde in Rochester, New York. Ondanks dit indrukwekkende track record, had zowel de persoon Harriet Tubman als haar herinnering te maken met tegenwerking door een maatschappij die haar, een ongehuwde, Afro-Amerikaanse voormalige slavin, niet bepaald gunstig gezind was. Hardnekkige ideeën over ras en gender speelden een rol in het leven van en de beeldvorming over Harriet Tubman. Harriet Tubman en de Underground Railroad Nog geen tien jaar na het uitroepen van de Amerikaanse onafhankelijkheid (1776) hielp een groep abolitionistische christenen met de naam ‘Society of Friends’ op systematische wijze slaven vluchten naar het noorden van het land. Het betrof onder meer het bevoorraden, kleden, verbergen, adviseren en van het ene naar het andere onderduikadres transporteren van Afro-Amerikanen die aan de slavernij ontkomen waren. Dit alles kwam niet voort uit het verlangen om heldendaden te verrichten, maar

overwegend uit humanitaire of christelijke overtuiging. Toen in 1793 de Fugitive Slave Act werd doorgevoerd, die het slavenhouders toestond hun ‘bezit’ terug te halen buiten de grenzen van hun eigen staat, leidde dit tot een intensivering en uitgebreidere organisatie van het vluchtnetwerk, dat als de Underground Railroad bekend is komen te staan. Met het aannemen van een nieuwe Fugitive Slave Act in 1850, ten dele een reactie op het succes van de Railroad, werd het verboden ontsnapte slaven te helpen. De noorderlingen waren nu wettelijk verplicht deze personen te achterhalen en aan hun eigenaars terug te geven. Mogelijke strafmaatregelen waren gevangenneming en terdoodveroordeling. Omdat de wetgeving vooral in het Zuiden werd nageleefd, werden de lijnen van de Railroad doorgetrokken tot aan de noordelijke grenzen van de Verenigde Staten, waarna de voormalige slaven hun toevlucht zochten in Canada (Korgan, 2006). Hoewel zij vaak in de schaduw kwamen te staan van hun mannelijke partners of familieleden, vervulden vrouwen belangrijke taken in de Underground Railroad. Hun rol was niet slechts ondersteunend van aard, in de zin dat zij hun


27 Bob Vek

man het daadwerkelijke zorgen voor de vluchtelingen uit handen namen. Zij namen ook actief deel aan de gevaarlijke activiteiten van de Railroad buiten de vertrouwde omgeving van hun eigen huis. Hiermee begaven zij zich ook figuurlijk op voor vrouwen onbekend terrein (Korgan, 2006).

Hoewel zij vaak in de schaduw kwamen te staan van hun mannelijke partners of familieleden, vervulden vrouwen belangrijke taken in de Underground Railroad. Van groot belang waren de zogenaamde ‘conducteurs’ die zich in de Zuidelijke staten begaven en van hieruit vluchtelingen meevoerden naar het Noorden. Misschien wel de bekendste en zeker een van de succesvolste van deze figuren was Harriet Tubman. In het najaar van 1849, destijds ongeveer 27 jaar oud, was zij op eigen kracht en met hulp van mensen van de Railroad van haar bestaan als slaaf uit het Zuidelijke Maryland weggevlucht. Tussen december 1850 en november 1860 ondernam Tubman naar schatting dertien reizen terug naar het Zuiden, waarbij zij ongeveer zeventig personen direct naar de vrijheid leidde en nog eens zeventig met raad bijstond en zo bijdroeg aan het slagen van hun vlucht. Met de ondersteuning van vrije en in slavernij levende zwarten en abolitionistische blanken wist zij een groot aantal van haar familieleden in veiligheid te brengen. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) begaf ze zich als verpleegster in de kampen van de Unie, als spionne en verkenner hield ze zich op in de gebieden die onder controle stonden van de Confederatie. Ook na de oorlog was haar vuur nog niet gedoofd, gezien de nauwe betrokkenheid bij onder meer de strijd om meer rechten voor de vrouw. Daarnaast zette zij zich in voor de minderbedeelden in de samenleving, ondanks het feit dat zij het zelf niet al te breed had doordat een pensioen haar door het leger werd onthouden. Uiteindelijk stierf zij op 10 maart 1913 op 91-jarige leeftijd (Calarco, 2008).

Het leven als ongehuwde, zwarte vrouw Harriet Tubman was gedurende haar actiefste jaren ongehuwd, aangezien zij de vrije John Tubman in 1849 bij haar vlucht had achtergelaten. Deze was een nieuwe relatie begonnen toen zij in 1851 naar Maryland terugkeerde. Ze hertrouwde pas in 1868. Hierdoor was zij niet aan huis gebonden en kon zij zich naar eigen goeddunken tussen Noord en Zuid bewegen. Echter, dit betekende ook dat zij niet voldeed aan de destijds en in sommige kringen nu nog geldende idealen van de vrouw als echtgenote en moeder. Tubman begaf zich dus in het publieke leven zonder de bescherming van de echtgenoot, iets dat gehuwde vrouwen wel genoten. Zij en andere alleenstaande activisten als Frances Watkins Harper en Sojourner Truth werden in de negentiende-eeuwse literatuur dan ook steevast ambivalent gepresenteerd: aan de ene kant rustte er een zeker stigma op de ongehuwde status van deze vrouwen die zich niets aantrokken van de autoriteit van de man of zelfs van de natuurlijke voorbestemming, aan de andere kant ontvingen zij lof voor hun onzelfzuchtigheid die hun dienstbare leven in de strijd tegen de slavernij vergemakkelijkte (Williams, 2014).

Tubman voldeed niet aan de destijds en in sommige kringen nu nog geldende idealen van de vrouw als echtgenote en moeder. Tubman leefde in een milieu dat de betrokkenheid van zwarte vrouwen ontmoedigde en hen vaker dan blanke vrouwen voorstelde als hyperseksuele wezens, criminaliseerde en met disfunctionele families en samenlevingen in verband bracht. Daarbij had zij ook nog eens te maken met “opvattingen en praktijken die alleenstaande personen stereotyperen of benadelen en economische stimulansen en publieke legitimiteit verlenen aan heteroseksuele koppels” (Williams, 2014, p. 101). Andreá N. Williams (2014), specialiste op het gebied van Afro-Amerikaanse en negentiende-eeuwse Amerikaanse literatuur, stelt dat Tubman onder andere door een retoriek van ‘single blessedness’ deze negatieve geluiden tegenging. Volgens deze theorie, waarin het uitblijven van een huwelijk aan een hogere roeping werd toegeschreven en die in Amerika een hoogtepunt beleefde tussen 1810 en 1860, droegen ongehuwde individuen bij aan de omstandigheden waarin de maatschappij én andere echtparen goed konden gedijen. Door middel van ‘single blessedness’ konden ook andere inspanningen in de sociale sfeer dan het huwelijk en het ouderschap op enige waardering rekenen. Dit betekende echter nog steeds dat de vrouw een dienstbaar leven moest leiden.

Opsporingsbericht voor Harriet Tubman (geboren als Araminta “Minty” Ross) en haar twee broers, na hun vlucht gepubliceerd in de Cambridge Democrat (1849). Publiek domein.


28

Door middel van ‘single blessedness’ konden ook andere inspanningen in de sociale sfeer dan het huwelijk en het ouderschap op enige waardering rekenen. Hoewel Tubman zelf analfabeet was, is het volgens Williams (2014) mogelijk haar eigen standpunt te leren kennen door het bestuderen van de door haar gedicteerde of gedirigeerde levensbeschrijvingen, aangezien hieruit blijkt hoe zij zichzelf graag presenteerde. Het duidelijkst blijkt dit uit het volgende in 1865 door Ednah Dow Cheney opgetekende fragment waarin de scheiding van John Tubman wordt besproken: [Harriet] dacht… “als hij zonder haar kon, kon zij zonder hem,” en dus “verdween hij uit haar hart,” en ze besliste haar leven te wijden aan moedige daden. Dus verdwenen alle persoonlijke doelen uit haar hart; en met haar eenvoudige dappere motto, “ik kan maar één keer sterven,” begon ze het werk dat haar Mozes maakte, – de verlosser van haar volk (Humez, 2003, p. 219). Tubman aanvaardde haar missie met een grote mate van zelfopoffering, waardoor haar leven als alleenstaande Afro-Amerikaanse vrouw alsnog de invulling kreeg die het volgens velen door het uitblijven van een huwelijk en het moederschap miste.

Tubman in de wetenschap Ter gelegenheid van Tubmans honderdste sterfdag werd in het weekend van 8 tot 10 maart 2013 een symposium georganiseerd door het departement van Vrouwen-, Gender- en Seksualiteitsstudies van de Universiteit van Albany. Het themanummer van het feministische en op de gekleurde vrouw gerichte tijdschrift Meridians dat hierop volgde, stelde onder meer de gemankeerde herinnering aan Tubman aan de kaak. Deskundige Janell Hobson, ook verbonden aan het hierboven genoemde departement, legt de vinger op de zere plek: Harriet Tubman was een complexe vrouw en in veel opzichten blijft ze een paradox. Ze is wellicht de bekendste Afro-Amerikaanse vrouw van de wereld en toch wordt ze vaak over het hoofd gezien of slechts als een voetnoot genoemd wanneer de gebeurtenissen waar ze beroemd om is – abolitionisme, vrouwenkiesrecht, emancipatie en de Amerikaanse Burgeroorlog – worden herdacht (Hobson, 2014b, p.1). Tubman leidde een strijdvaardig leven en trotseerde de beperkingen die de maatschappij haar ras en sekse oplegden in een tijd waarin gelijke rechten voor vrouwen nog ver weg waren. Des te opmerkelijker is het daarom dat Tubman een weinig diepzinnige aandacht geniet in de Afro-Amerikaanse studies en vrijwel geheel genegeerd wordt in de Women’s Studies. Hobson (2014b) haalt feministe Barbara Smith aan, die in een discussie op het symposium tot de conclusie kwam dat in figuren als Harriet Tubman een aantal verschillende onderdrukte groepen samenkomen. In dit geval die van de Afro-Amerikanen en de vrouwen, waardoor ze als het ware tussen de disciplines in vallen die zich met deze verschillende aandachtsgebieden bezighouden. Een discussie over dergelijke personen wordt bemoeilijkt door het feit dat een goed begrip van zowel ras, klasse en gender nodig is.


29 Bob Vek

Tubman leidde een strijdvaardig leven en trotseerde de beperkingen die de maatschappij haar ras en sekse oplegden in een tijd waarin gelijke rechten voor vrouwen nog ver weg waren. Ook moet gewezen worden op de aard van Tubmans inspanningen. De Railroad was niet voor niets Underground. De activiteiten vonden plaats met een grote mate van geheimhouding en bovendien grotendeels buiten de publieke sfeer. Een brief van de Afro-Amerikaanse abolitionist Frederick Douglass op 29 augustus 1868 aan Tubman maakt dit duidelijk: Het verschil tussen ons is opvallend. Het meeste dat ik heb gedaan en heb geleden in dienst van onze zaak vond plaats in het openbaar en ik heb veel aanmoediging ontvangen bij iedere stap op de weg. Jij aan de andere kant hebt gezwoegd op een persoonlijke manier. Ik heb gewerkt in het daglicht – jij in de nacht. Ik heb het applaus van de menigte en de voldoening gekregen die komt van de goedkeuring van de massa, terwijl het meest wat jij hebt gedaan werd aanschouwd door enkele bevende, gehavende en uitgeputte slaven en slavinnen, die jij uit het huis van de slavernij hebt weggeleid (May, 2014, p. 43). Hoogleraar Vrouwen- en Genderstudies Vivian M. May (2014) stelt voorop dat Tubman zeker niet vergeten is, zoals zo vele andere zwarte vrouwen. Haar nagedachtenis is echter dikwijls gefragmenteerd en wordt beperkt en verstoord door de inpassing in bestaande historische interpretatiekaders. Ten eerste heeft de voorstelling van Tubman als een uitzonderlijk individu tot gevolg dat de zwarte vrouw eens te meer in de Amerikaanse geschiedenis wordt voorgesteld als een bovenmenselijk figuur, een anomalie. Dit uit haar context halen van Tubman drukt het verzet en het lijden van zoveel anderen naar de achtergrond. Daarnaast leidt de fragmentarische bestudering van haar leven en de hieruit voortkomende

Later in haar leven trouwde Harriet Tubman (uiterst links) met Nelson Davis (vooraan, met stok), hier met adoptiedochter Gertie (naast Harriet) en familie en buren (c.1887). Publiek domein.

overheersing van dit levensverhaal door de periode van de Underground Railroad en de Amerikaanse Burgeroorlog ertoe dat Tubmans relevantie kunstmatig wordt beperkt tot het tijdperk van de slavernij. Ten slotte wordt ook haar radicalisme afgezwakt door haar militante houding aan humanitaire motieven toe te schrijven. Zo past Tubman mooi in het positieve verhaal dat velen graag over de Amerikaanse samenleving horen. Deze matiging vindt vaak plaats door haar voor te stellen als een moederlijke verlosser, onder andere door het oproepen van het beeld van de ‘Mammy’, een met ras en gender verbonden stereotype dat uit het slavernijtijdperk stamt. De zwarte vrouw wordt hierin als een dienstbaar moederfiguur neerzet. De strijdvaardige Tubman vervalt hiermee tot een leven van onzelfzuchtigheid en zorgdragen. Harriet in het collectieve geheugen Toch is Harriet Tubman in het collectief geheugen niet verloren gegaan als symbool van verzet, onafhankelijkheid en het streven naar vrijheid. Hier speelt gender echter ook een rol. Janell Hobson (2014a) spreekt over de “visuele masculinisering” (p. 57) van Tubman, die in werkelijkheid juist een vrouwelijk en frêle postuur had. Niet alleen omschreven tijdgenoten haar als het “meest [gelijkend op] een man” (p. 57), ook maakt haar militante levenswijze haar tot een ‘geschikt’ onderwerp in de Afro-Amerikaanse kunst en geschiedenis. Met haar ‘mannelijke’ eigenschappen voldoet Tubman aan “een van de mannelijke ervaring afgeleide norm van grootsheid” (Hobson, 2014a, p. 57). Door deze vertekening is ze het blijkbaar ‘waard’ om herinnerd te worden.

In het collectief geheugen is Harriet Tubman niet verloren gegaan als symbool van verzet, onafhankelijkheid en het streven naar vrijheid. Daarnaast is er voor Harriet Tubmans heldenverhaal vooral plek in jeugdliteratuur en Afro-Amerikaanse geschiedenis, waardoor ze buiten de algemene nationale geschiedenis is komen te staan. Met name in de periode van de Burgerrechtenbeweging (jaren 1950-1960) en de decennia die daarop volgden kwam Tubman als icoon bovendrijven, aangezien zij als een krachtig symbool kon dienen voor Afro-Amerikanen en in het bijzonder zwarte vrouwen. Tubman werd ook onderdeel van het debat over de traditionele rolverdelingen tussen man en vrouw dat in de Afro-Amerikaanse gemeenschap werd gevoerd. Het ideaal van de dominante man en de ondergeschikte vrouw zou in de vroegere slavensamenleving zijn ondergraven. Op het politieke vlak en in de kunsten werd Tubman nu door feministen aangevoerd om de onderwerping van de zwarte vrouw aan te vechten. Tegelijkertijd wilden zij mensen


30

herinneren aan het aandeel van vrouwen in het neerhalen van het systeem van de slavernij. Bovendien verworpen zij het idee dat Tubmans verzet uitzonderlijk was. Dit gold alleen voor de mate waarin zij zelf en anderen haar verhaal hadden weten te consolideren. Door de rol van de zwarte vrouw in haar eigen bevrijding en emancipatie te negeren, wordt hen in feite hun agency en individualiteit ontnomen (Hobson, 2014a). Hoop voor de toekomst Gedurende haar leven was Harriet Tubman voortdurend genoodzaakt haar actieve deelname aan het verzet tegen de slavernij te rechtvaardigen, wat haar onder meer lukte door het idee van ‘single blessedness’ te omarmen. In de wetenschap ging de aandacht voor Tubman óf niet al te diep óf ontbrak deze in zijn geheel, onder meer door de complexiteit en de geheimzinnigheid van deze historische figuur. Het beeld dat decennialang van de vrijheidsstrijdster bestond, was dan ook vertekend door de onvolledige bestudering van haar leven en afzwakking van haar radicalisme door haar voor te stellen als een moederfiguur. In het collectieve geheugen is Tubmans beeldvorming enigszins aangetast door een zekere vermannelijking, maar ze wordt eveneens aangehaald om de vrouw uit haar ondergeschikte positie los te maken. Desalniettemin leert een recent onderzoek van Sam Wineburg en Chauncey Monte-Sano (2008) dat het Amerikaanse volk de laatste jaren wel degelijk kennis heeft genomen van Harriet Tubman. Zij onderzochten wie de bekendste Amerikanen in de geschiedenis zijn, door 2.000 middelbare scholieren en 2.000 in Amerika geboren en geschoolde volwassenen van boven de 45 jaar oud te interviewen. Presidenten en hun vrouwen waren uitgesloten, omdat zij te zeer voor de hand lagen. Bij de studenten bekleedden drie Afro-Amerikanen de topposities: Martin Luther King met stip op de eerste plek, gevolgd door Rosa Parks en, hier van belang, Harriet Tubman als nummer drie. De grootste verschillen waren op te merken tussen leerlingen van verschillende raciale achtergronden. Zwarte studenten noemden twee keer vaker de naam van Tubman dan blanken, maar bij beide groepen stond ze in de top tien. Eenzelfde onderscheid valt op bij de volwassenen, waar Tubman op de negende plek staat, terwijl de verschillende leeftijdsgroepen van hetzelfde ras juist meer overlap vertoonden. Wel prijkt Tubman meer dan vier keer zo vaak op de lijstjes van de jongelingen als op die van de oudere groep. Hoe diep de kennis van hun historische helden gaat bij de Amerikanen is nog maar de vraag, maar dat Tubman zo veelvuldig wordt genoemd, biedt goede hoop.

Het onderzoek naar de Amerikaanse historische helden wijst echter uit dat een groot deel van de bevolking haar tot de belangrijkste personen uit haar geschiedenis rekent. Zo is Harriet Tubman eindelijk gearriveerd, zij het met enige vertraging. Verantwoording • Appelbaum, B. (2017, 31 augustus). Mnuchin Doesn’t Endorse Placing Harriet Tubman on the New $20 Bill. The New York Times. Geraadpleegd van https://www. nytimes.com/2017/08/31/us/politics/mnuchin-harriet-tubman-jackson-money.html. • Calarco, T. (Red.). (2008). People of the Underground Railroad: A Biographical Dictionary. Westport, Verenigde Staten: Greenwood Press. • Hobson, J. (2014a). Between History and Fantasy: Harriet Tubman in the Artistic and Popular Imaginary. Meridians: feminism, race, transnationalism, 12(2), 50-77. • Hobson, J. (2014b). Harriet Tubman: A Legacy of Resistance. Meridians: feminism, race, transnationalism, 12(2), 1-8. • Humez, J. M. (2003). Harriet Tubman: The Life and the Life Stories. Madison, Verenigde Staten: University of Wisconsin Press. • Korgan, A. (2006). Heroes in Petticoats: The Role of Women in the Underground Railroad (Senior Research Projects). • Larson, K. C. (2004). Bound for the Promised Land: Harriet Tubman, Portrait of an American Hero. New York, Verenigde Staten: Random House. • May, V. M. (2014). Under-Theorized and Under-Taught: Re-examining Harriet Tubman’s place in Women’s Studies. Meridians: feminism, race, transnationalism, 12(2), 28-49. • Williams, A. N. (2014). Frances Watkins (Harper), Harriet Tubman and the Rhetoric of Single Blessedness. Meridians: feminism, race, transnationalism, 12(2), 99-122. • Wineburg, S., & Monte-Sano, C. (2008). “Famous Americans”: The changing pantheon of American heroes. The Journal of American History, 94(4), 1186-1202.

President Barack Obama besloot in het laatste jaar van zijn ambtsperiode zelfs dat Tubman in 2020 de plek van de controversiële oud-president Andrew Jackson op het twintig dollarbiljet zou innemen, hoewel de uitvoering van dit plan door de huidige regering Trump, een groot fan van Jackson, op losse schroeven is gezet (Appelbaum, 2017).

Harriet Tubman aan het eind van haar leven (1911). Publiek domein.


31 Emilia Salerno

Yesterday (not) as today

Differences between sexuality in ancient Rome and in modern Western society Sex is one of the few certainties of mankind. Almost everyone in every civilization of every era has had sex, talked about having sex or about how and why to avoid it; everyone has used, represented or made jokes about sex. There is nothing more ancestral than the physical union of two bodies (sometimes more) and it is surprising to see how such a simple, almost daily act connects people of all cultures far apart in time and space. The ‘practicality’ of sex, so to speak, hardly changes throughout the ages. Just go around Pompeii’s remnants, especially in the supposed Lupanar (brothel) (see figure 1), to giggle at very familiar scenes as if they were in a movie or in one of those racy magazines. What changes, sometimes drastically, is the cultural construction of sex, namely what ensues from sexual activity in terms of social relationships, morality and gender identity. In other words, what does it mean to have sex with a man or a woman? How is our social life and identity influenced by what we do in the bedroom? Answers to these questions are never the same and strongly depend on many complex factors, such as the historical evolution of a people, its cultural features and its social structure. However, the cultural roots of modern Western society are often linked to Graeco-Roman civilization, to the extent that the past is often used to discuss the present. It is not uncommon for works and ideas of antiquity to be employed in modern debates. And sex is one of the most frequently discussed issues, together with politics and religion (in fact these three topics are often related to each other). But contemporary conceptions of sexuality in the

past are often distorted by long standing ideas that are hard to dismantle, such as the conviction that Greeks and Romans had a more dissolute sexual life than we do. Things are actually more complicated than this. Obviously, two thousand years of human development have brought along profound differences between the cultural construction of sexuality in antiquity and in modern times. However, upon a closer look, we cannot help but realize that, despite those differences, modern conceptions of masculinity and femininity in Western societies are deeply affected by the norms regulating men and women’s sexual behaviour in the ancient world. The pillar of society The fact that the Roman society was a male chauvinist one is a hyper-simplification, which is, however, based on a truth: everything pivoted around the penis and what it did. Sexual labels and activities were always constructed and interpreted upon the concept of penetration, aside from who the penetrator was. In other words, a person’s gender did not depend solely on the biological sex, but especially on sexual activity, which was naturally either active or passive. This means that men and women were not ascribed with a masculine or feminine gender because of their biological sex, but because of how they acted during sex. The gender-sex match that has characterized modern Western culture for centuries is the result of the eighteenth-century development of medical studies regarding human reproductive organs. The rising modern scientific research had just invented a two-sex model, which attributes a specific gender to each sex, which lasts until


32

Figure 1: Erotic fresco from the Lupanar (VII, 12, 18) at Pompeii in Italy. Source: Wikimedia.

today. According to this model, male and female genders are different because of women and men’s different physiology. As a consequence, masculinity and femininity ended up representing two separated spheres of reality, which are, to put it simply, two worlds apart. But in Roman construction of sex and gender there was just one world: the male one (Laqueur, 1990). In antiquity, sexuality was based on a one-sex model, focusing on the ideal of the male body. Real bodies could

thus be more or less perfect versions of this ideal, which in Rome was defined as vir. The vir was embodied by the sexually active man, the “impenetrable penetrator” (Butler, 1993, p. 50), representative of a sacred creative power as much as of the conquering strength of Roman society. Such grand metaphors were based upon the fact that control over sexuality had an important socio-political meaning as well. A sexual active attitude and political authority were indeed related, so that men in power were always supposed to take the active role in the bedroom – whether with


33 Emilia Salerno

women or other men. Consequentially, passivity meant a lack of power, under the sheets as well as in socio-political life. This is why the perfect antithesis to the vir was the femina, namely the woman who embraced her role of a passive, ‘penetrated’ object. If maleness was expressed in a sexually active behaviour, femaleness meant passivity, thus absence of power and authority (Edwards, 1993; Swancutt, 2006). However, in Roman culture, these two poles were by no means rigidly separated. The male/female binary is the product of a modern construction of sexual attitudes, resulting from the two-sex model, which states a strict correspondence between sexes (male and female bodies) and respective genders (masculine and feminine attitudes) (Hekma & Herdt, 1994). As for antiquity, we better talk about a spectrum, whose extremities were occupied by the vir, the perfect masculinity incarnation, and by the femina, the least perfect version of that ideal. The sexual categories in between these two extremities were, thus, perceived as more or less successful enactments of the active penis-bearer ideal.

As long as a man inserted his penis, whether in another man or in a woman, the behaviour was socially acceptable. No gays nor straights Without the male-female dualism, same-sex or other-sex relationships acquire a very different meaning from modern societies, as they occur in a male-centred system. In light of this, modern sexual categories like hetero- and

homosexuality are hardly applicable to Graeco-Roman society (Taylor, 1997, p. 322). As observed by Parker in his compelling study, The Teratogenic Grid (1997), sexual behaviours in antiquity were classified and judged according to a phallocentric scheme based on either active or passive sexual behaviours. As discussed, being active (that is penetration) was commonly linked to masculinity, whereas being passive (that is being penetrated) characterized femininity. Although these traits were related to the ideals of the ‘man-penetrator’ and the ‘woman-penetrated’, they could be found in both male and female beings, and were, thus, allocated independently of the actors’ sexual identity. Therefore, in both cases of homosexual or heterosexual relationships (to use modern definitions), the gender of individuals was determined by the sexual ‘role’ they assumed. As explained by Swancutt (2006, 17-18), “whether ‘active/insertive’ or ‘passive/receptive’, sex acts in Rome were therefore gender-identifying acts”. Today, in the attempt of tearing down the constraints of gender definitions, classifications have been developed to respond to the diverse (self)perception of sexuality. Therefore, categories such as agender, cisgender or genderfluid are meant to represent the variety of gender identities, in an inclusiveness effort (Green-Maurer, 2015). The Roman culture presented a similarly various terminology, which was meant, however, to stress the anomalies, the cases that fell outside the normal. If normality was identified with the active man and the passive woman, behaviours that contradicted this scheme were deemed shameful or even monstrous (see the following table, modelled on the one presented by Parker, 1997, p. 49). Such stigmatization of transgressing behaviour was due to the strict connection between sexual activity and social status. Acting as a fututor, a pedicator or an irrumator, namely a ‘penetrator’ respectively of the vagina, the anus or the mouth, was not in contradiction with the construction of socio-political authority. Given that the anus and the mouth could belong to other men, it was not a matter of being gay or straight. As long as a man inserted his penis, whether in another man or in a woman, the behaviour was socially acceptable.


34

It was the ‘receptive’ role that was marked by shamefulness. Being penetrated was a female role. Men who behaved like women renounced their natural dominating position and therefore had to be exposed to public scorn. Ancient authors, such as Cicero (Tusculan Disputations, 4.71) and Pliny (Natural History, 10.63 (83)172), considered it unnatural to play the role of passive male partners. In fact, being a pathicus suited (or should suit) only boys, slaves and non-citizens, meaning those who did not have any political authority or right by law. This explains why accusations of playing a passive role were often used for character assassination, for example, as happened with bad emperors like Nero. Moreover, according to the sources, men could be forcedly turned into pathici, as legal punishment for adultery. In this case, whereas women, who were passive by nature, could be repudiated, men were condemned to public humiliation through anal rape, if not castrated or even sentenced to death (see Apuleius, Metamorphoses, 9.27-28). A peculiar case of a passive man was the cunnilictor (he who performed cunnilingus on a woman). Although it is the man who carries out the performance, in the Romans’ eyes he was not only deemed as the passive party, but also became the object of the passive creature par excellence, the woman. He became twice as passive, so to speak. This way, an abominable gender swap occurred at the same time: as what should be active – the man – became passive and what should be passive – the woman – became active. This kind of sexual intercourse, thus, was considered particularly disgusting because it broke one of the main gender rules in Graeco-Roman culture: a woman shall never be active. No penis, no party? In Seneca’s words (Epistles, 95.21), women are pati natae, that is “born to suffer”. In sexual terms, this means that women are made to be penetrated, so that in the Roman dominant culture their sexual activity was limited to the role of object. As shown in Parker’s table, the very word femina was simply a synonym for the “one who is fucked in the vagina” (Parker, 1997, p. 50). This idea was basically due to the concept exposed in the first section of this article, namely the fact that the focus of Roman sexuality was the penis. This means that without a penis, no active role could be assumed. Obviously, this condition of the female gender was strictly related to its lack of socio-political authority: women had to be passive both inside and outside the domestic walls. However, according to some scholars (Sullivan, 1991; Skinner, 2005; Swancutt, 2006), things slightly changed from the Augustan era (1st century BCE - 1st century CE). In those years, in fact, wealthy women (matronae) started acquiring more power in household management, as well as in socio-political life. Thanks to the introduction of a new

law, the so-called Lex Julia, for example, they could divorce more easily and gain control over their property. Such a new freedom was often ‘castrating’ in the Roman men’s view, to the extent that imperial authors frequently showed their concern with women’s increased authority (Martial, Epigrams, 8.12). This was of particular concern when it was employed in the highest spheres of political power (let us think, for example, of the apparently despotic empress Livia, Augustus’ wife (see Tacitus, Annals, 1.4.5)). As mentioned before, socio-political authority and sexual activity was a common match in Roman culture, at least in the construction of masculinity. But when it comes to femininity, this association generated confusion and disgust. Sexually active women were, in fact, a contradiction in terms.

This means that, since no sexual active attitude could occur without a penis, women in same-sex relationships could not be real women. How could women possibly be active without a penis, anyway? It was either a depraved man (the cunnilictor) who demeaned himself to the point of becoming a woman’s object, or it was the woman who deviated from gender classifications so much, that she turned into a monstrous androgynous being. This means that, since no sexual active role could be assumed without a penis, women in same-sex relationships could not be real women. They were, thus, ‘masculinized’ and addressed with a series of epithets that highlighted their abnormal nature, such as tribas (a Greek term for androgynous women), fricatrix (‘she who rubs’), landicosa (‘she with a huge clitoris’) and the most telling of them, virago (‘she who is a man’). An impressive example of virago was Bassa, whom the ancient author Martial defined fututor (Epigrams, 1.90.6), using the same term usually describing a sexually active man. Therefore, women who took an active role in sexual intercourse, whether with a man or a woman, were considered gender-deviances, as much as men assuming a passive role. Interestingly, there is no record of epithets for passive women, even in same-sex relationships. As for men, thus, it was not simply having sex with another woman that was deemed unnatural. It was the role a woman took that determined the observance or the transgression of gender norms.


35 Emilia Salerno

In the gender-spectrum, a woman becoming sexually active moved towards the pole of masculinity, as much as a passive man moved towards femininity. In either case, with whomever the actors were involved, the penetrativeinsertive binary was disregarded, questioning in this way not only the cultural construction of gender, but also the very grounds of socio-political dynamics.

Are modern Western societies really free from a phallocentric gender construction? The description of how our cultural ancestors interpreted sexuality might go on and on, as the visual and literary material handed down to us is impressively abundant. Here, I have tried to expose in a nutshell the three main characteristics of Roman gender construction. First and foremost, masculinity was the pivotal parameter of gender definition, so that sexual actors were more or less appropriate enactments of the male ideal. Secondly, a person’s gender was defined rather by his/her sexual activity than by biological sex. Finally, while the lack of penis was an evident drawback for women, the fact that the sources appear mostly disgusted by their sexually active attitude is actually a hint of the threat they began to represent for the male-centred society. I would like to conclude this piece with a question: are modern Western societies really free from a phallocentric gender construction? Of course, contemporary gender categories are utterly different from the ancient ones and, luckily, always in evolution within a more inclusive society. But in light of the continuous battles against homophobia or the struggles for the ratification of basic rights for women, could we honestly state that the concern with the penis and what it does is over?

References • Butler, J. (1993). Bodies that matter: On the discursive limits of “sex”. Hove, UK: Psychology Press. • Edwards, C. (1993). The politics of Immorality in ancient Rome. Cambridge, UK: Cambridge University Press. • Green, E. R. & Maurer, L. (2015). The Teaching Transgender Toolkit: A Facilitator’s Guide to Increasing Knowledge, Decreasing Prejudice & Building Skills. Morristown, New Jersey: Center of Sex Education. • Hekma, G. & Herdt, G. (1994), Third sex, third gender: Beyond sexual dimorphism in culture and history. Brooklyn, NY: Zone Books. • Laqueur, T. W. (1990), Making sex: Body and gender from the Greeks to Freud. Cambridge, US: Harvard University Press. • Parker, H. N. (1997), ‘The teratogenic grid’. In J. P. Hallet & M. B. Skinner (Eds.), Roman sexualities (pp. 47-65). Princeton, New Jersey: Princeton University Press. • Skinner, M. B. (2005). Sexuality in Greek and Roman culture. Hoboken, New Jersey: Wiley. • Sullivan, J. P. (1991). Martial: the unexpected classic. Cambridge, UK: Cambridge University Press. • Swancutt, D. M. (2006), ‘Still Before Sexuality: Greek Androgyny, the Roman Imperial Politics of Masculinity and the Roman Invention of the Tribas’. In T. Penner & C. V. Stichele (Eds.), Mapping Gender in Ancient Religious Discourses (pp. 11-61). Leiden: Brill. • Taylor, R. (1997), ‘Two pathic subcultures in ancient Rome’. Journal of the History of Sexuality 7(3), 319-371. Ancient sources • Apuleius, Metamorphoses (The Golden Ass) (1996). Edited and translated by J. Arthur Hanson. Loeb Classical Library, Cambridge, MA: Harvard University Press. • Cicero, Tusculan Disputations (1927). Translated by J. E. King. Loeb Classical Library, Cambridge, MA: Harvard University Press. • Martial, Epigrams (1993). Edited and translated by D. R. Shackleton Bailey. Loeb Classical, Cambridge, MA: Harvard University Press • Pliny, Natural History (1962). Translated by D. E. Eichholz. Loeb Classical Library, Cambridge, MA: Harvard University Press. • Seneca, Epistles, Volume III: Epistles 93-124 (1925). Translated by R. M. Gummere. Loeb Classical, Cambridge, MA: Harvard University Press. • Tacitus, Annals: Books 1-3 (1931). Translated by C. H. Moore, J. Jackson. Loeb Classical Library, Cambridge, MA: Harvard University Press.


36 Monica Preller

Doosje? Spleetje?

Wat is de meisjesvariant van het woord piemel? In 1995 stelde de toenmalige Klokhuis-redacteur en Onze Taal-columnist Jeroen Kramer de volgende vraag over zijn peuterdochter: “Waarom zou Sofie dat spleetje tussen haar benen alleen mogen benoemen in ijskoud dokterslatijn, terwijl jongens daar zo’n vertederende piemel of plasser, of zelfs een lulletje hebben hangen?” Het is een vraag die nog altijd niet afdoende is beantwoord, want 21 jaar later merkte NRC-columniste Renske de Greef hetzelfde op: “Jongens hebben een piemel, meisjes hebben een … Tijdens doktersbezoeken en seks komen we er wel uit, maar het zorgeloze, olijke woord ontbreekt.”

‘Piemel’ is te herleiden tot het negentiende-eeuwse woord voor ‘water’ of ‘urine’. Urineren Volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (2009) is piemel te herleiden tot het negentiende-eeuwse pimel, het woord voor ‘water’ of ‘urine’. Pimele was in diezelfde periode kindertaal voor ‘urineren’. “Bij piemel ging het altijd om het orgaan dat je met je hand kunt vasthouden bij het plassen”, aldus historisch taalkundige Marlies Philippa desgevraagd. “Het woord is nooit op meisjes en vrouwen van toepassing geweest.” Handig is natuurlijk dat een piemel net zo goed iets kan zijn waar de bezitter seks mee heeft. Bij meisjes kan dat niet: het is óf plassen óf seks. Om het zichzelf makkelijk te maken, kiezen sommige ouders ervoor om de hele zaak dan maar met plasser aan te duiden, ook al is dat anatomisch niet helemaal correct: “Dat het niet alleen is om mee te plassen, daar komen ze vanzelf achter”, is te lezen op een van de vele internetfora waar het onderwerp wordt besproken. Poekie Maar wat als je het toch apart over de vagina wilt hebben, bijvoorbeeld als onderdeel van de seksuele voorlichting? “Kutje, doosje, spleetje, het klinkt allemaal zo vreemd”, vindt ene Mariska, blogger op Mamaplaats.nl.

Naakte vrouwen, Kawanabe Kyôsai, ca. 1870 - ca. 1880. Rijksmuseum Amsterdam.

Enkele taalgebruikers lijken een oplossing te vinden van over de landsgrenzen. Punani, afkomstig uit een dialect van het Surinaams, wordt door De Greef aangedragen als “feestelijk alternatief”. Als een van de ouders anderstalig is, wordt soms het woord uit die taal gebruikt (poekie of nonnie uit het Indonesisch). Anderen zoeken hun heil bij meisjesnamen (Joke, Miep, Truus) of fruit (pruim of flamoes, afgeleid uit de zuidelijke dialectvorm flamboos, wat ‘framboos’ betekent). Voorbips of voorbillen komen opvallend vaak terug, al is de exacte betekenis van dit woord wat schimmig. Voorbips is sinds 2006 te vinden in de grote Van Dale als “kindertaal” voor vagina, maar wordt door sommigen voor zowel het urine- als het baringskanaal gebruikt. Schaamte Lieve woordjes maken het spreken over seks over het algemeen ietsje minder beladen, maar toch is niet iedereen daar tevreden over. “Bij mij was het altijd gewoon vagina. (…) Waarom moet je een naam verzinnen voor iets dat al een naam heeft?”, zegt een vrouw op Mamaplaats.nl. “Door daar zo spastisch over te doen, maak je het beladen”, aldus iemand op het Viva-forum. “En hoe meer idiote termen je verzint, hoe duidelijker je je dochter maakt dat er iets aparts, iets beschamends mee is”, luidt een andere reactie. Volgens deze taalgebruikers is het ontbreken van een kinderwoord voor vagina niet alleen een onhandige taalkwestie, maar een bewijs van schaamte omtrent vrouwelijke seksualiteit. Of dat echt zo is, laat ik hier in het midden. Feit is dat dochterlief op een dag vragen gaat stellen – heb dan uw woordje klaar. Dit artikel is eerder verschenen in het juli/augustusnummer 2017 van Onze Taal.


37 Jasmijn Groot

Seks!

Boekrecensie Laat ik maar meteen vooropstellen dat deze recensie niet over een geschiedenisboek zal gaan. Er zijn genoeg historici die ontzettend interessante werken hebben geschreven over seks – binnen afgebakende perioden, specifieke grenzen, maar ook in meer algemene of historiografische termen. En de interesse voor het onderwerp lijkt onder historici toe te nemen, want zeker gedurende de laatste jaren verschijnen er steeds meer monografieën. Waarom dan een recensie wijden aan iets anders dan een geschiedenisboek?

Seks! Een leven lang leren Rik van Lunsen & Ellen Laan

Uitgeverij Prometheus, 2017 ISBN: 9789044631043 Paperback 374 pagina’s €24,99

Eerlijk gezegd was het voornamelijk de pakkende titel van dit boek, Seks! Een leven lang leren, dat de aandacht trok van deze CODEX-recensent. Maar ik was wellicht ook wat meer geneigd om juist dit boek te behandelen, omdat het mede is geschreven door één van mijn academische heldinnen: Ellen Laan, seksuoloog aan de Universiteit van Amsterdam. In haar baanomschrijving schuilt al de bevestiging dat dit geen werk van historische aard is: dit boek is geschreven door twee seksuologen. Desondanks kunnen Laan en haar collega Rik van Lunsen historici en


38

geschiedenisfanaten een nieuw perspectief bieden voor het historische onderzoek naar seks. De auteurs lijken daar meteen al heel geschikte kandidaten voor. Laan en Van Lunsen gaan in hun hoedanigheid als seksuologen uit van de biopsychosociale benadering, wat neerkomt op een heel simpel credo: seks is niet alleen een biologisch fenomeen, maar wordt ook bepaald door psychologische, culturele en maatschappelijke factoren – je opvoeding, de maatschappij waarin je opgroeit, je afkomst, de religieuze groep waartoe je behoort enzovoorts. Het bijna onvermijdelijke debat over wat precies nature en wat nurture is, kaarten de auteurs wel aan, maar ze geven geen doorslaggevende rol aan het één of het ander: we kunnen het gewoonweg niet altijd precies achterhalen. Laan en Van Lunsen vinden het belangrijker de lezer op het hart te drukken dat iedereen een unieke seksualiteit bezit en dat seks moet worden geleerd door elke nieuwe generatie. Met Seks! Een leven lang leren proberen zij hun lezers dan ook uit te leggen hoe seks werkt, in de hoop hen meer plezier te verschaffen – overigens zonder daarbij spannende tips te geven over standjes en dergelijke. De reden daarvoor maken ze duidelijk in het eerste hoofdstuk, over de stand van zaken in de eenentwintigste eeuw. Laan en Van Lunsen menen dat er bij de poging van de overheid om de ‘seksuele gezondheid’ van de Nederlandse bevolking te verbeteren te weinig aandacht is voor seksueel plezier. De moderne seksuele voorlichting in Nederland is voornamelijk geijkt op het voorkomen van problemen, zoals ongewenste zwangerschappen en soa’s. Daarnaast schenken de media veel eenzijdige aandacht aan alles wat er mis kan gaan door seks. Moderne fenomenen als ‘sexting’ en ‘loverboys’ worden onthaald met waarschuwende vingertjes en de voorspelbare opvattingen dat het helemaal fout gaat met de jeugd.Volwassenen zijn in het algemeen veel meer bezig met de gevaren van seks en minder met plezierbeleving. Alles wat Laan en Van Lunsen tijdens hun carrières hebben onderzocht over seks en wat ze belangrijk achten voor het Nederlandse publiek ter bevordering van hun plezierbeleving, lijken ze in de tien hoofdstukken hebben gegoten die het boek rijk is. Nadat ze in het eerste hoofdstuk hun hoofddoel uit de doeken hebben gedaan, beginnen ze in het tweede hoofdstuk bij het begin: de terminologie. Wat bedoelen we precies wanneer we het hebben over ‘seks’? De verschillende associaties en definities – zowel in het heden als in het verleden – maken het best verwarrend, vinden Laan en Van Lunsen. Maar bovenal doen de termen volgens hen geen recht aan de complexiteit van seks en de vele factoren die het beïnvloeden. In het derde hoofdstuk vervolgen ze hun weg naar een van de belangrijkste perioden van een mensenleven: die van baby- tot pubertijd, waarin de seksuele ontwikkeling plaatsvindt. Het is gedurende deze fasen dat mensen zich gaan identificeren met een bepaald

geslacht, met een specifieke seksuele oriëntatie en een hoogstpersoonlijke seksualiteit ontwikkelen. Het is een lange weg die al begint als we klein zijn, die uitmondt in hoe we seks ervaren als volwassenen. In het daaropvolgende hoofdstuk richten de auteurs zich op hetgeen wat voor velen bij de seksuele voorlichting is langsgekomen, namelijk de geslachtsorganen. De auteurs breiden de focus echter uit naar andere onderdelen die belangrijk zijn, zoals de zintuigen en de huid. Zij menen dat deze te weinig worden geadresseerd bij seksueel onderwijs, waarin de nadruk veel meer ligt op de werking van de geslachtsdelen. Om je echt te kunnen richten op plezier moet ook verder gekeken worden dan de geslachtsdelen. Laan en Van Lunsen benadrukken bovendien dat het zeker voor vrouwen belangrijk is om deze organen en zintuigen beter te leren kennen. Volgens hen leren jongens de seksuele responsen van hun lichaam beter kennen dan vrouwen. In de eerste plaats komt dat doordat hun lichaam dat duidelijker aangeeft, bijvoorbeeld door middel van erecties en natte dromen. Maar ook in de tweede plaats omdat er tot zeer recent veel minder aandacht was voor vrouwelijke seksualiteit. In het vijfde hoofdstuk gaan Laan en Van Lunsen dieper in op dit onderwerp en behandelen ze de seksuele responscyclus: de complexe samenhang van lichamelijke en geestelijke factoren die opspelen bij het zin krijgen in seks, het hebben van seks, en het tot rust komen van het lichaam ná seksuele inspanning. In hoofdstuk zes voegen ze vervolgens hormonen toe aan de mix, om in hoofdstuk acht het nieuwe geheel in verband te brengen met liefde en relaties. In hoofdstuk zeven en negen illustreren de auteurs hoe individuen gaandeweg leren over seksualiteit, zowel alleen of samen met iemand. Kinderen hebben al seksuele driften en gaan vanaf jonge leeftijd hun lichaam ontdekken. Wanneer zij in de puberteit te maken krijgen met duidelijkere seksuele gevoelens gaan ze experimenteren met zichzelf en met anderen om te achterhalen welk seksueel gedrag hen plezier geeft en welk niet. Wanneer daar een partner bij komt kijken, vinden Laan en Van Lunsen dat communicatie steeds belangrijker wordt. Door openlijk met elkaar te praten over seks, weten partners beter wat ze van elkaar willen en voorkomen ze dat iemand iets ondergaat wat niet gewenst is. Ten slotte adresseren de auteurs in hoofdstuk tien ‘normaal’ en grensoverschrijdend seksueel gedrag. De #MeToo-beweging van 2017 heeft des te meer aangetoond dat dit onderscheid voor sommige mensen niet helemaal duidelijk is. De auteurs gebruiken het woord ‘normaal’ liever niet, maar stellen wel dat seksueel gedrag problematisch is als het jezelf of anderen in de weg zit. Om de lezer op weg te helpen na het uitlezen van dit boek, stellen de auteurs twee duidelijke regels op als een soort seksueel kompas: “Nee voelen = nee doen. Zeg alleen ja als het goed voelt.” (p. 329)


39 Jasmijn Groot

De auteurs van dit boek staan middenin een lange traditie van verschillende wetenschappers staan die zich hebben geïnteresseerd voor seks en alles wat ermee te maken heeft. Maar hoe verhoudt dit alles zich tot de geschiedwetenschap? Laan en Van Lunsen laten zien dat seks in de breedste zin van het woord op twee fundamentele manieren te maken heeft met tijd, causaliteit en verandering: drie van de belangrijkste pijlers van de historicus. De eerste zit al verborgen in de titel en is mede het belangrijkste ijkpunt van dit boek: seks is iets wat je je hele leven lang leert. Gedurende alle fasen van je leven zal seksualiteit een onderdeel blijven van je persoon en door een mix van factoren zal het blijven veranderen en zich ontwikkelen. Nóg belangrijker, echter, is dat de auteurs van dit boek middenin een lange traditie van verschillende wetenschappers staan die zich hebben geïnteresseerd voor seks en alles wat ermee te maken heeft. Uiteraard begon dat al in de vroege Oudheid, maar Laan en Van Lunsen verhouden zich vooral tot de moderne medische wetenschappen. De manier waarop zij ons denken over seks hebben beïnvloed, zijn met de tijd sterk veranderd, zeker in de afgelopen eeuw. Bij de vele onderwerpen die de auteurs aankaarten, zetten zij de historiografie van de seksuologie in beeld en plaatsen die tegenover hun eigen aanpak. Daarmee bieden ze ook de historicus op een toegankelijke manier een breed arsenaal aan seksuologische onderzoeken uit de twintigste eeuw en een overzicht van de veranderingen in onze kennis over seksualiteit. Een interessant voorbeeld is de zaak van Bruce Reimer. Zijn geboorte in 1965 werd al snel overschaduwd door medische missers die verstrekkende gevolgen hadden, zowel voor hemzelf als voor de medische wereld. Reimers besnijdenis als acht maanden oude baby ging helemaal mis, waardoor zijn penis moest worden geamputeerd. Op advies van de bekende dokter John Money werd besloten om Bruce als meisje door het leven te laten gaan. Money ging namelijk uit van een nieuwe theorie die destijds in trek was. Deze stelt dat baby’s worden geboren als een tabula rasa, waardoor hun genderidentiteit geheel wordt bepaald door opvoeding: meisjes moeten als meisjes worden opgevoed en jongens als jongens.

Bruce onderging tot halverwege zijn tienerjaren verschillende operaties en behandelingen om hem als Brenda te doen voorkomen. Totdat zij zelf op haar vijftiende aangaf dat ze zich altijd man had gevoeld. Op 39-jarige leeftijd pleegde Reimer zelfmoord, na een leven vol psychische problemen en pogingen om weer als man door het leven te gaan. Money’s nurture-theorieën werden gedemoniseerd door nature-voorstanders. Maar tegelijkertijd wijzen nieuwe onderzoeken uit dat ervaringen in de vroege kinderjaren seksuele gedragingen en voorkeuren later in het leven beïnvloeden, wat een verdere wig drijft tussen nature- en nurture-aanhanger. De polariserende reacties op de toegenomen aandacht voor transgenders gedurende de laatste jaren laten zien dat dit nog steeds speelt in de westerse maatschappij. Het verhaal van Reimer is slechts één van de vele tekende voorbeelden in het boek dat aantoont dat seksualiteit een complexe zaak is. Laan en Van Lunsen beamen dit volledig: door hun gehele betoog wijzen zij op de vele verschillende en samenhangende factoren die ten grondslag liggen aan seksueel gedrag, net als in het voorbeeld van Reimer. Door hun methodiek weigeren ze echter een doorslaggevende factor te geven, of om te kiezen voor nurture, nature of een gulden middenweg. De opstapeling van de biologische, psychologische en maatschappelijk te overwegen factoren zal voor de vele hbo’ers en wo’ers van hun publiek nog wel te overzien zijn. Het boek is echter wel bedoeld voor iedereen in Nederland die wil leren over seks. Voor een lager opgeleid publiek wordt het wellicht wat lastiger. Voor sommigen van hen zou dit vooral een (te) grote stroom aan informatie kunnen zijn. Desalniettemin zijn er in het boek wel een aantal duidelijke speerpunten te traceren die de lezer bij zouden moeten blijven na het lezen: seks is meer dan penetratie, houd elkaars wensen in het oog, communiceer en doe niks tegen je zin in. Het zijn dat soort punten die wel eens een goed begin zouden kunnen vormen voor het verbeterde seksuele onderwijs waar Laan en Van Lunsen erg naar verlangen. Of dat in de voorziene toekomst wordt doorgevoerd is nog maar de vraag. Niet al te lang geleden bleek dat seks onder politici een onderwerp blijft waar sommigen hun handen liever niet aan willen branden. In mei 2016 sprak de Kamercommissie Onderwijs onder leiding van de Vlaamse seksuologe Goedele Liekens over seksualiteit en jongeren. Verschillende leden van de commissie weigerden echter op te dagen uit angst voor negatieve reacties van de media. het werk van Laan en Van Lunsen de benodigde handvaten, zodat men door de bomen het bos beter kan zien.


40

VLINDERS Farfalla, mariposa papillon, butterfly Vrolijk fladderende vlinders flirten in de wei Denken enkel maar aan sex Is dat een hij - is dat een zij? Larvelevenslang gewacht Eindelijk zijn we vrij! Sommerfugl, Schmetterling Lust en liefde Slechts één ding Eric Hendriks

codexhistoriae.nl

CODEX Historiae - themanummer Seks & Gender - voorjaar 2018  

Seksualiteit is een hot item in het huidige debat. De ‘populariteit’ van #MeToo typeert de seksuele oriëntatie in de huidige maatschappij. N...

CODEX Historiae - themanummer Seks & Gender - voorjaar 2018  

Seksualiteit is een hot item in het huidige debat. De ‘populariteit’ van #MeToo typeert de seksuele oriëntatie in de huidige maatschappij. N...

Advertisement