CODEX Historiae
Frontiers
Jaargang 42 | Nummer 4 | 2022
2
Redactioneel Met trots presenteren wij het nieuwe nummer van CODEX Historiae! Dit nummer staat geheel in het teken van Frontiers; een breed thema dat op veel verschillende manieren geïnterpreteerd kan worden. Frontiers, of grenzen, zijn leidend geweest in de loop van de geschiedenis. Natuurlijk in letterlijke zin, bijvoorbeeld als landsgrenzen, maar ook als kloven tussen groepen en culturen. Grenzen functioneren als afbakeningen, die mensen of zaken buiten of binnen houden. Het zijn echter ook barrières, die beperkend werken en vernieuwing tegenhouden. Door de geschiedenis heen zijn grenzen dan ook nooit absoluut geweest; ze zijn constant in beweging. Oude grenzen worden verlegd en opengebroken en nieuwe grenzen doen hun intrede. In dit nummer komen een paar van die historische grenzen aan bod. De redactie heeft onder andere geschreven over de begrensde visie op de Elgin Marbles als antiek kunstwerk, over de klimaatcrisis die een nieuw tijdperk inluidt en over de begrenzingen van historisch onderzoek doen. Daarnaast hebben we weer interessante bijdragen van gastschrijvers (dit keer zijn dat er maar liefst zes), onder andere over vroegmoderne dierenhandel en over vernieuwingen in de scheepvaart. In ‘Op de VU’ lees je berichten van studieverenigingen Merlijn en Kliché en een interview met de nieuwe hoogleraar Pepijn Brandon. Wij wensen jullie veel leesplezier! Dit is het eerste nummer met ons als de nieuwe hoofdredacteuren. Wij willen de voormalige hoofdredacteur Ellen hartelijk danken voor haar inzet en doorzettingsvermogen waarmee ze CODEX naar een hoger niveau heeft gebracht. Daarnaast willen we Daan bedanken, die ook recent ons team heeft verlaten. Heel wat jaartjes en op allerlei posities (van vormgever tot redacteur en hoofdredacteur) heeft hij zich ingezet om het beste uit CODEX te halen. Ook nemen wij dit nummer afscheid van onze trouwe eindredacteur Lucas. Bedankt voor jullie inzet, mannen! Wij zijn heel blij dat we dit nummer weer gedrukt kunnen publiceren. Ook de oude nummers die tijdens de coronaperiode online te lezen waren, verschijnen binnenkort in druk. Daar kunnen jullie naar uitkijken! Natuurlijk werken wij ook weer aan toekomstige nummers, waar wij heel graag inzendingen voor ontvangen. Heb jij iets geschreven voor een vak of ben je geïnteresseerd om iets nieuws te schrijven voor het volgende nummer? Twijfel niet, stuur het naar ons op! info@codexhistoriae.nl
De deadline voor het volgende nummer, ‘Myth’, is 13 februari We proudly present to you the new issue of CODEX Historiae! This issue is all about Frontiers; a broad theme which can be interpreted in a myriad of ways. Frontiers, or boundaries, have had a great influence on history. Of course in the sense of literal borders between countries, but also as splits between groups and cultures. Frontiers function as demarcations, which include and exclude. They can also be seen as barriers, that have a restrictive influence and thwart renewal. All throughout history, frontiers have never been set in stone; they have always been in motion. Old boundaries have been shifted and broken open, while new boundaries are being set out. In this issue a few historical frontiers will be highlighted. The editors have reflected on the limited vision on the Elgin Marbles as an antique artifact, on the climate crisis as a new era and on the boundaries of doing historical research. We also have some very interesting contributions in store for you from our guest writers (no less than six!), about early modern animal trade for example, and about innovations in the shipping industry. In our ‘On the VU’ section, you can read messages from study associations Merlijn and Kliché, and an interview with new professor Pepijn Brandon. We hope you enjoy reading this issue of CODEX! This issue is the first with us as new chief editors. We want to thank former chief editor Ellen for all her hard work and her determination, with which she has brought CODEX to a whole new level. We also want to thank former (chief) editor and graphic designer Daan, for his years of hard work and beautiful designs. We also want to say thank you to our former copy editor Lucas, who has always been so loyal and involved in the CODEX editorial board. Thank you all for your hard work! We are very glad to be able to publish this issue in print again. We are also able to print the older issues, which were published online during the lockdowns. We are looking forward to printing again! Of course we are also working on future issues, for which we want your input. Have you written something for a course, or are you interested in writing something for our coming issue? Don’t hesitate and send your work over to us! info@codexhistoriae.nl
The deadline for our coming issue, ‘Myth’, is the 13th of February
3
In dit nummer Margit Hilde Anna Dullaart
(NL)
Nickel Koch
(NL)
Vrijheid, Gelijkheid, Graan
Pagina 4
Het verband tussen weersomstandigheden en de uitbraak van de Franse Revolutie
De stoommachine; voor zeilschepen de enige zee te hoog
Pagina 7
Over de geleidelijke transitie van zeil- naar stoomvaart
Leah Niederhausen
(EN)
Recolouring the Elgin Marbles
Pagina 12
Overcoming the Myth of Classical Whiteness
Lars Brull
(NL)
De impact van 750 duizend doden De Amerikaanse burgeroorlog en haar gevolgen
Nica de Korte
(NL)
Sahara-tentoonstelling in het Tropenmuseum
Pagina 16 Pagina 20
Hoe de woestijn naar het museum werd gebracht
Lisa Bakhuizen van den Brink
(NL)
Thymo Gieltjes
(NL)
Toussaints onzichtbare bondgenoot
Pagina 24
Hoe de verspreiding van gele koorts Haïti bevrijdde
De neolithische revolutie en de klimaatcrisis
Pagina 28
Een multidisciplinaire blik op verleden en toekomst
Daan Jansen
(EN)
Dogs and Elephants at Sea East India Company Animal Trade in the 18th Century Indian Ocean
Claire Majoor
(NL)
De grens van historisch diagnosticeren Liedewij de heilige maagd van Schiedam
Pagina 34 Pagina 38
Op de VU Eva van Roozendaal (NL)
Interview
Pagina 41
De nieuwe aanstelling van Pepijn Brandon
(EN)
Message from Kliche
Pagina 43
(EN)
Merlijn Update
Pagina 44
Thymo Gieltjes
(NL)
Laplandse sneeuw, rendieren, kermis en orkestmuziek
Pagina 45
Claire Majoor
(EN)
Book Review
Reviews Een recensie van Midnattssolens son
Pagina 49
The Midnight Library by Matt Haig
Mies van Tiel
(NL)
G-Spotcast: taboedoorbrekend of schaamteloos bodyshamen?
Pagina 50
4
(I) Bestorming van de Bastille
Margit Hilde Anna Dullaart
Vrijheid, Gelijkheid, Graan Het verband tussen weersomstandigheden en de uitbraak van de Franse Revolutie Op 14 juli 1789 bestormden duizenden woedende mensen in Frankrijk de Bastille. De Bastille, die dienstdeed als gevangenis, was voor velen het symbool van de macht van koning Lodewijk XIV. Hoewel de koning op 14 juli in zijn dagboek ‘geen nieuws’ noteerde, begon die dag de Franse Revolutie met als motto ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’.1 Aan deze revolutie lagen verschillende oorzaken ten grondslag. Zo bestond ten eerste onrust onder de adel, omdat steeds meer mensen hun adellijke titel kochten. Deze praktijken schaadde het vertrouwen in de monarchie en de adel. Daarnaast stegen de voedsel- en huurprijzen in de tweede helft van de achttiende eeuw, wat het armste deel van de bevolking hard raakte. De derde oorzaak voor het uitbreken van de Franse Revolutie waren misoogsten in 1787 en 1788 die leidden tot een forse stijging van de graanprijzen.2 Deze misoogsten vonden plaats als gevolg van klimaatveranderingen, zoals een toename van droogte, kou en natte periodes. Dit wekt de vraag op wat het verband was tussen de veranderende weersomstandigheden in Frankrijk in de achttiende eeuw en het uitbreken van de Franse Revolutie. In de jaren voorafgaand aan de Franse Revolutie waren de weersomstandigheden ongunstig voor de graanoogst in Frankrijk. Zowel droogte, met hoge temperaturen in de zomer, evenals een zeer strenge winter in de jaren 1788 en 1789 waren ongunstig voor de productie van graan. Het resulterende tekort aan graan zou grote gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van voedsel in Frankrijk. Historisch onderzoek naar weersomstandigheden voorafgaand aan de Franse Revolutie is mogelijk, doordat in Europa vanaf de achttiende eeuw weermetingen plaatsvinden. In Frankrijk werd het weer voor het eerst instrumenteel gemeten in 1688, met de plaatsing van een regenmeter bij het astronomisch Observatorium van Parijs.3 Uit deze gegevens blijkt dat in de achttiende eeuw weersveranderingen hebben plaatsgevonden die ingrijpende gevolgen hadden voor de mens.4 In 1783 ondervond het grootste deel van het noordelijk halfrond de gevolgen van een great dry fog. Deze mist zou het gevolg zijn van een grote vulkaanuitbarsting op IJsland in 1783. In juni van dat jaar barstte de Lakagígar vulkaan uit. Deze uitbarsting duurde tot februari 1784 en had grote gevolgen voor IJsland. Naast een lavastroom die 580 vierkante kilometer bedekte, stootte de vulkaan giftige dampen en gassen uit die, verspreid door de wind, vegetatie aantastten. Vee dat van deze vegetatie at werd ziek, wat leidde tot een enorm verlies van vee
op IJsland. Hierop volgde een hongersnood die ‘The Famine of the Mist’ wordt genoemd.5 De gevolgen van deze vulkaanuitbarsting waren merkbaar tot in Klein-Azië. Ook Europa ondervond de nadelige gevolgen. De wolk van as en stof die richting Europa waaide, wordt ook hier de great dry fog genoemd. De great dry fog hield drie maanden aan en had, net als in IJsland, een negatieve invloed op de oogst. Een ander gevolg van de vulkaanuitbarsting was de daling van de gemiddelde temperatuur in Europa. Over dit directe verband tussen de vulkaanuitbarsting op IJsland en de daling van de gemiddelde temperatuur in Europa bestaat enig debat.Wat echter opvalt in de data die is gemeten tussen 1659 en 2021 is dat de periode van 1780 tot 1790 een van de koudste periodes is.6 Daarnaast vond tussen 1784 en 1786 een daling plaats in de gemiddelde temperatuur tot soms wel 1 graad Celsius onder het normale gemiddelde.7 Een temperatuurverschil van 1 graad Celsius ten opzichte van het gemiddelde lijkt verwaarloosbaar, maar had grote gevolgen voor de agricultuur in Europa. Deze agricultuur is zeer gevoelig voor temperatuurverschillen, waarbij zelfs het kleinste temperatuurverschil grote invloed had op de oogst.8 In Frankrijk was, in de achttiende eeuw, naast een daling van de gemiddelde temperatuur en de gevolgen van de wolk vulkanisch
5 as vanuit IJsland, nog een probleem van invloed op de agricultuur. De gemiddelde hoeveelheid neerslag nam af. In de maanden april, mei en juni in 1788 en 1789 viel gemiddeld gezien minder neerslag in Frankrijk dan in de jaren hiervoor. De maanden april, mei en juni zijn cruciaal voor de cultivering van graan en de hoeveelheid neerslag in deze periode is bepalend voor het slagen van de oogst.9 Gemiddeld gezien was in Frankrijk, in de maanden april, mei en juni, in 1788 een watertekort van 35 procent. Naast deze droogte stegen de temperaturen in Frankrijk in het voorjaar van 1788 tot 35 graden. Voor jonge graanplantjes zijn deze temperaturen te hoog om te overleven. Op deze hete, droge zomer volgde een zeer strenge winter. Gedurende 86 dagen kwam in Parijs de temperatuur niet boven het nulpunt uit.10 Deze winter leidde ertoe dat het graan niet vervoerd kon worden over de rivieren. Ook stegen de stookkosten, waardoor de mensen meer geld kwijt waren aan hun levensonderhoud. Dit heeft bijgedragen aan de hongersnood.11 Rond 1789 behoorde 98 procent van de Franse samenleving tot de derde stand bestaande uit arbeiders, boeren en de gegoede burgerij. Deze grootste en gemiddeld gezien armste stand betaalde de meeste belasting in Frankrijk.12 Daarnaast was het grootste gedeelte van de gehele Franse bevolking, 75 tot 80 procent, werkzaam in de agrarische sector. Zij ondervonden direct de gevolgen van de veranderende weersomstandigheden. Fransen die tot de armste klasse behoorden, leefden op een dieet van voornamelijk graan, in de vorm van brood of pap die gemaakt werd van rogge of haver, omdat tarwe vaak te duur was. Om te overleven was het dus van groot belang dat de graanprijs laag bleef.13 In 1788 echter besteedde de gemiddelde arbeider ongeveer 50 procent van zijn inkomen aan brood of andere
graanproducten. In 1789 liep dit percentage op tot 80 procent.14 De adel bezat het grootste gedeelte van bossen en meren, waardoor de armste Fransen, die de meerderheid van de bevolking vormden, hun dieet niet konden aanvullen met vis of vlees.15
’’De idealen van de Franse Revolutie waren minder ideologisch dan de beroemde woorden ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ doen vermoeden.” Daarnaast bestonden een aantal problemen binnen de agrarische sector die verband hielden met het voedseltekort. Zo bezat maar een op de drie mensen die werkzaam was in de agrarische sector eigen land. De mensen die het geluk hadden een eigen stukje land te bezitten, hadden vaak te weinig ruimte om voedsel te kunnen verbouwen voor het hele gezin.16 Hiervoor waren ongeveer 12 acres, 4.8 hectaren, nodig, maar de boeren die grond bezaten, bezaten vaak minder dan 5 acres.17 Behalve deze versnippering van land, bestond er ook een achterstand in de landbouwsector in Frankrijk die cultivering belemmerde. Landbouwgrond lag regelmatig braak en er werd geploegd met houten ploegen in tegenstelling tot sterkere metalen ploegen.18 Meerdere historici hebben de interactie tussen veranderingen in het weer en de invloed van deze veranderingen op allerlei aspecten van het leven op aarde in kaart gebracht, waarbij ver-
(2) Bestorming van de Bastille
6 schillende fases worden onderscheiden. In eerste instantie hebben veranderingen in het weer invloed op de natuur. Daarna ontstaan er gevolgen voor de beschikbaarheid van voedsel. Vervolgens ontstaan pas consequenties voor het welzijn van de mens. In deze fase kunnen ook sociale conflicten ontstaan. Als laatste hebben veranderingen in het weer invloed op de sociale aanpassing van de mens aan de nieuwe situatie.19 Het gebrek aan regen en de warme zomer van 1788 is dus geen directe oorzaak van de Franse Revolutie, maar had wel invloed op deze gebeurtenis. Ook vanuit een economisch perspectief past deze case study in een breder theoretisch verband. Zo bestaat er een verband tussen een tekort aan regenval in een bepaald land en de mogelijkheid tot democratische hervormingen in datzelfde land.20 Een periode van droogte leidt tot misoogsten, waardoor de voedselprijzen stijgen en waardoor mensen weinig te eten hebben. Dit veroorzaakt een algehele verslechtering van de economie, wat vervolgens de mogelijkheid voor democratische veranderingen creëert. In een periode van economische achteruitgang zijn mensen sneller geneigd te protesteren tegen de bestuurlijke gang van zaken. Immers, de meeste mensen hebben niks te verliezen. De autocratische machthebbers zijn vervolgens door de druk van de bevolking genoodzaakt democratische veranderingen door te voeren. Deze democratische veranderingen zijn niet eenvoudig terug te draaien, omdat burgers hun nieuw gewonnen rechten niet zomaar zullen opgeven.21 Of de Franse Revolutie leidde tot de verbetering van democratische instituten in Frankrijk is een historisch debat op zich, maar tijdens deze periode van economische recessie in de achttiende eeuw probeerde men dit wel te bereiken. Gesteld kan worden dat de idealen van de Franse Revolutie minder ideologisch waren dan de beroemde woorden ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ doen vermoeden. De revolutie was ook
(3) De droogte in het voorjaar van 1788, vergeleken met het gemiddelde van 1781-1790.
een reactie van wanhopige mensen die geen voedsel meer konden betalen. Zij konden het zich niet veroorloven om te stoken en zichzelf daarmee warm te houden tijdens een zeer strenge winter. Afbeeldingen 1 Bestorming van de Bastille (William Nutter, Bestorming van de Bastille, 14 juli 1789, (1792)) 2 Bestorming van de Bastille (Jean-Pierre Houël, The Storming of the Bastille, 14th July 1789, olieverf op doek, 39x51 cm, Musée de la Ville de Paris, Musée Carnavalet, Parijs, Frankrijk). 3 De droogte in het voorjaar van 1788, vergeleken met het gemiddelde van 1781-1790. (B. Neumann (1990), ‘Great historical events’, 34). Verwijzingen J. Merriman, A History of Modern Europe (New York 2019) 462. 2 Merriman, A History, 454. 3 J. Neumann, ‘Great historical events that were significantly affected by the weather: 2, The year leading to the Revolution of 1789 in France’, Bulletin of the American Meteorological Society 58:2 (1997) 163-168, aldaar 165. 4 Damodaran e.a., ‘The 1780s: Global Climate Anomalies, Floods, Droughts, and Famines’, in: S. White, C. Pfister and F. Mauelshagen eds., The Palgrave Handbook of Climate History (London 2018) 517550, aldaar 519. 5 Damodaran, ‘The 1780s: Global Climate’, 520. 6 Idem. 7 D.E. Parker, T.P. Legg en C.K. Folland, ‘A new daily Central England Temperature Series, 1772-1991’ International Journal of Climatology, Vol 12 (1992) 317-342. 8 F.C. Ljungqvist, A. Seim en H. Huhtamaa, ‘Climate and society in European history’, WIREs climate change 12:2 (2020) 1-28, aldaar 4. 9 Neumann (1977), ‘Great historical events’, 165. 10 J. Neumann en J. Dettwiller, ‘Great historical events that were significantly affected by the weather: Part 9, The Year leading to the Revolution of 1789 in France (II), Bulletin of the American Meteorological Society 71:1 (1990) 33-41, aldaar 38. 11 M. Waldinger, Drought and the French Revolution: The effects of adverse weather conditions on peasant revolts in 1789 (Research project London School of Economics, 2020) 2. 12 S. Neely, A Concise History of the French Revolution (Maryland 2007) 7. 13 Neumann (1977), ‘Great historical events’, 163. 14 Neely, A Concise History, 72. 15 Waldinger, Drought and Revolution, 8. 16 Neumann (1977), ‘Great historical events’, 163. 17 Acre: oude Franse landmaat; gelijk aan 50 are. 18 Neumann (1990), ‘Great historical events’, 34. 19 Ljungqvist, ‘Climate and society’, 4. 20 M. Brückner en A. Ciccone, ‘Rain and the democratic window of opportunity’, Econometrica 79:3 (2011) 923-947, aldaar 923. 21 Brückner, ‘Rain and the democratic window’, 944. 1
Nickel Koch
De stoommachine; voor zeilschepen de enige zee te hoog
7
Over de geleidelijke transitie van zeil- naar stoomvaart Elke vijf jaar herinnert ‘SAIL Amsterdam’ de wereld aan de gloriedagen van de zeilvaart. Tientallen twee-, drieen zelfs viermasters trekken dan aan het oog voorbij. De periode in de geschiedenis waarbinnen deze schepen de wereldzeeën domineerden wordt ‘The Age of Sail’ genoemd. Wie overtuigd is dat schepen nauwelijks groter kunnen zijn dan deze imposante bouwwerken moet zijn verwachtingen bijstellen.Traditionele zeilschepen verbleken naast moderne koopvaardijschepen van honderden meters lang. De overstap van voortstuwing door de wind naar fossiele brandstoffen lijkt onomkeerbaar. Het is inmiddels een kleine eeuw geleden dat stoomschepen ten koste van zeilschepen het absolute monopolie op zee verkregen. De strijd tussen wind- en kolenenergie leek van begin af aan een verloren zaak voor de zeilvaart.Toch waren zeilschepen decennia na de ingebruikname van het eerste commerciële stoomschip, ‘De Clermont’ (1807), nog steeds belangrijk in het internationale handelsnetwerk.1 Het duurde tot 1883 voordat stoomschepen meer dan de helft van de wereldwijde vrachtvaart voor hun rekening namen.2 De transitie van zeil- naar stoomvaart heeft zich opmerkelijk langzaam voltrokken. Een proces dat ook wel ‘The Advent of Steam’ wordt genoemd. Het tijdperk van ‘The Age of Sail’ is met een sisser en lange nasleep afgelopen. In dit artikel zullen de belangrijkste oorzaken voor deze moeizame transitie in kaart worden gebracht. Dit wordt gedaan aan de hand van drie invalshoeken: technologie, geografie en economie. Er waren namelijk meerdere kantelpunten in verschillende ma- ritieme takken die elk hun eigen belang hadden in deze ontwi kkeling. Het artikel richt zich voornamelijk op het Britse Rijk en Nederland, aangezien zij koplopers waren in maritieme techniek en met name het Britse Rijk had een pioniersrol in de toepassing van stoomkracht.
(1)
Technologische innovaties Op het moment dat het eerste schip succesvol door een stoommachine werd voortgestuwd, was de achterstand ten opzichte van zeilschepen nog immens. Pas na veelvuldig innoveren, moderniseren en verbeteren werden stoomschepen lucratief. Omwille van deze processen is de scheepvaart al eeuwenlang representatief voor de ontwikkeling van de wetenschap.Vernuftige uitvindingen vonden aan boord vaak een functie en schepen zijn tegelijkertijd ook een goede voedingsbodem voor uitvindingen. Het hoogtepunt van ‘The Age of Sail’ correspondeerde met de wetenschappelijke revolutie.3 De wetenschappelijke ontwikkeling heeft na deze revolutie echter niet stilgestaan. De technologische vooruitgang van de zeilvaart was cruciaal in het vertragen van de transitie naar stoomvaart. Dit proces is vergelijkbaar met een hardloopwedstrijd. De deelnemers rennen allemaal vooruit (technologische vooruitgang), maar wanneer een achterloper (het stoomschip) harder rent dan de koploper (van oudsher het zeilschip) zal de achterstand uiteindelijk overbrugd worden door het snelheidsverschil. Zo ontwikkelde de zeilvaart zich op topsnelheid, maar door de nog efficiëntere ontwikkeling van de stoomvaart behaalde het stoomschip de overwinning. Zou de zeilvaart stil hebben gestaan, dan was het stoomschip van begin af aan de uitgewezen winnaar. Echter, door de continue modernisering duurde dit inhaalproces veel langer.
8 Aan dit proces is een term toegedicht: ‘The Sailing Ship Effect’.4 De gloriedagen van ‘The Age of Sail’ waren volgens aanhangers van deze theorie niet in de zeventiende, maar begin negentiende eeuw wanneer schepen in formaat en snelheid hun toppunt bereikten.Voor de dreiging van de stoomvaart werden ook al belangrijke innovaties in de zeilvaart gedaan. De geleidelijke transitie is namelijk mede te verklaren door het adopteren van technieken die zich in de zeilvaart al hadden bewezen. Technologische ontwikkelingen in de zeilvaart kwamen logischerwijs stoomschepen ook ten goede. Efficiëntie is het sleutelwoord in technologische ontwikkeling. Continu waren rederijen op zoek naar manieren om met minder brandstof meer vracht mee te nemen en grotere afstanden te overbruggen. Het nadeel van stoommachines was echter dat ze veel ruimte in beslag namen. Kostbare ruimte ging verloren aan motoren, boilers en brandstofbunkers. Een zeilschip daarentegen nam voornamelijk bovendeks ruimte voor tuigage in beslag. Daardoor had een zeilschip een leeg ruim. Cruciaal waren daarom hervormingen in het verminderen van verbruik en opvoeren van de druk in de boilers. De succesvolle toepassing van compoundstoommachines rond 1860 door Alfred Holt is een belangrijk kantelpunt, omdat dit het vermogen aanzienlijk bevorderde.5 De nog effectievere triple-expansiemachine rond 1870 was de genadeslag in de strijd tussen zeilen stoomboten.6 In het omzetten van stoomkracht in voorwaartse snelheid is ook veel winst behaald. De eerste stoomschepen werden voortgestuwd door schoepenraderen. De omvangrijke raderen werkten goed voor de binnenvaart (rivieren, kanalen en meren) maar kregen slecht grip op de zeedeining. De uitvinding van de voortstuwingsschroef bracht daar verandering in. De schroef was minder kwetsbaar en de as en machine stonden laag in het schip. In de jaren na 1840 werd de schroef steeds vaker gebruikt. De stoommachines moesten hiervoor echter wel in staat zijn een hoog toerental te draaien.7 Zonder deze uitvinding zouden zeilschepen veel langer hun voordeel behouden hebben. Het is niet zo dat er altijd een sterke scheidslijn tussen zeil- en stoomschepen is geweest. Er is namelijk een groot aantal historische voorbeelden waarin de twee soorten voorstuwing elkaar complementeerden. Deze combinatie was een voorwaarde voor de ontwikkeling van stoomschepen. In de decennia waarin de transitie zich voltrok zijn veel schepen ge-
(2) Op de afbeelding is duidelijk te zien hoe de absolute afstand aanzienlijk werd verkleind door de aanleg van het Suez-kanaal.
bouwd die werden voortgestuwd door een combinatie van zeil en kolen. Zelfs na 1870 hadden stoomschepen die volledig op eigen kracht fungeerden nog een significante hoeveelheid zeil aan boord.8 Windenergie werd door velen beschouwd als integraal onderdeel van een zeegaand schip. Het nadeel van deze combinatie van wind en stoom is dat zeilen en een voortstuwingsschroef/rad zorgen voor extra weerstand wanneer ze niet in gebruik zijn. Dit vertraagde het schip en bleek een extra uitdaging in het behalen van de maximale snelheid. Een tweede nadeel is dat een zeilend schip altijd schuin over een boord ligt. De kolenvoorraad verschoof of verzakte hierdoor regelmatig, waardoor het schip slagzij maakte en matrozen in het bedompte ruim midden op zee met scheppen aan de slag moesten.9 De stoomvaart deed flink haar best om kosten te drukken en efficiëntie te bevorderen. Er werd grootschalig geëxperimenteerd met rompvormen en andere variabelen. Vanaf 1840 maakte de zeilvaart echter weer een inhaalslag. Zeilklippers deden hun intrede; snelle, ranke schepen met veel tuigage die minder beladen, maar aanzienlijk sneller waren. Ze vervoerden veelal thee en passagiers; vracht waarvoor de snelheid belangrijker was dan kwantiteit.10 Er werden ook investeringen gedaan op zeilschepen ten koste van de veiligheid. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat veel schepen overbeladen en op leeftijd waren. Bovendien was er vaak sprake van achterstallig onderhoud. Daarnaast bleken de schepen onderbemand en de voedsel- en drinkwatervoorraad gering. Wel hadden de zeilschepen een hulpstoommachine aan boord, die hielp bij het beladen van het schip en manoeuvreren in havens.11 Rederijen zagen lang beren op de weg van stoomvaart en waren vaak behoudend in het investeren in deze nieuwe vorm van transport. Ook de Britse Admiraliteit was afwachtend in het implementeren van stoomkracht.12 Desalniettemin kwam in 1871 een rapport uit waarin het Comité van Ontwerp stelde dat definitief afgestapt moest worden van zeil. In 1873 werd het eerste volledig door stoom aangedreven marineschip gebouwd, een project dat voor de marine officieel de moderne tijd inluidde. Strijd met de elementen De transitie van zeil- naar stoomvaart werd gedirigeerd door een voortdurend gevecht met de elementen. De mens zoekt al eeuwenlang naar oplossingen om de natuur de baas te zijn, maar
9 de mens kan niks veranderen aan de enorme afstanden die ten behoeve van de wereldhandel overbrugd moeten worden. De relatieve afstand kan echter wel verkleind worden. Matrozen, kapiteins, reders en scheepsarchitecten deden hiertoe pogingen de natuur zo goed mogelijk te bedwingen. Sommige geografische factoren werkten in het voordeel van zeevarenden, andere vormden een ingewikkelde hobbel. Een van de grootste ‘problemen’ van de handelsvaart was dat de Europese economie afhankelijk was van grondstoffen uit kolonies. Veel producten waren alleen verkrijgbaar aan de andere kant van de wereld, waar het klimaat en ecosysteem anders was. Hiervoor moesten schepen enorme afstanden reizen. Door slim gebruik te maken van de passaatwinden vlogen zeilschepen de hele wereld over, en waren ze nog lang in het voordeel ten opzichte van stoomschepen. Zeilschepen konden echter niet altijd de wind in de rug hebben. Korte, binnenlandse reizen op vlak water werden vroeg vervangen door stoomschepen. Daar was de wind variabel in richting en kracht, beïnvloed door temperatuurwisselingen van het land. Het waarborgen van continue handelsstromen was op binnenwateren voor zeilschepen nagenoeg onmogelijk. Zeilschepen behielden echter lang hun belang voor intercontinentale reizen. Er zijn historische verslagen waarin wordt gesteld dat zeilschepen tot midden jaren twintig van de vorige eeuw gewaagd waren aan stoomschepen in snelheid en productiviteit.13 Een belangrijke bijnoot is wel dat dit enkel gold voor de breezy (passaatwinden) routes. Dit zijn routes waar men ver verwijderd was van land en veilige havens. Zolang communicatie op zee nog beperkt was, waren zeilen onmisbaar in het geval van falende motoren. De transitie naar stoomvaart kon zich daarom pas volledig voltrekken nadat schepen waren voorzien van effectieve communicatiemiddelen.14 De zeilvaart nam zelfs tot in de jaren vijftig het grootste deel van de handel rondom de Oostzee voor haar rekening. De kleine havens van de Baltische staten waren namelijk traag in het beladen van schepen; een proces dat te kostbaar was voor stoomschepen. Dit is een voorbeeld van de zogenaamde spatial differentation (ruimtelijke differentiatie) in de ingebruikname van stoomschepen. Deze theorie verklaart de bovengenoemde verschillen tussen intercontinentale- en binnenvaartreizen, en richt zich dus met name op de geografische verschillen wat betreft gebruik.15 Deze differentiatie ging echter verder dan het verschil in inzet van stoomschepen. Onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat in verschillende landen sprake was van verschillende ontwikkelingsprocessen wat betreft de kennis(overdracht) van stoommachines en de toepassing van deze kennis op scheepswerven. Kortom, de internationale verschillen tussen stoomschepen in ontwerp, bouw en toepassing waren groot.16 Het gevecht met de zee belemmerde zoals benoemd een snelle transitie van zeil- naar stoomvaart. De eerste schepen werden namelijk aangedreven door middel van een schoepenrad, dat op vlak water effectief was, maar met hoge deining nauwelijks grip kreeg op de golven. De schroef volgde het rad op en was minder kwetsbaar en effectief in de voortstuwing. De succesvolle toepassing van de schroef wordt gezien als van
groot historisch belang om intercontinentaal te kunnen concurreren met zeilschepen. Op vlakke binnenwateren was het gebruik van een schroef namelijk veel minder noodzakelijk.17 Zoals eerder vermeld moesten stoomschepen grote voorraden kolen meenemen om lange overtochten te kunnen maken. Ondanks de grote bunkers was het vaak toch noodzakelijk om onderweg opnieuw kolen te bunkeren. Dit vormde echter een probleem. Op de traditionele tussenstops (‘maritories’) waar water en voedsel werd ingeslagen, was geen grote kolenvoorraad beschikbaar.18 Daarnaast moesten de stoomschepen met veelkoppige bemanning veel levensmiddelen inslaan; meer dan de onderbemande zeilschepen. De maritories konden niet altijd voorzien in de behoeften van deze schepen.19
(3) William Turner, The Fighting Temeraire tugged to her last Berth to be broken up
In 1869 kreeg de stoomvaart in één klap een grote voorsprong op de zeilvaart. Het Suez-kanaal, dat de Rode Zee met de Middellandse Zee verbindt, werd geopend. De absolute afstand naar de kolonies verminderde dramatisch. Ongetwijfeld een investeringsproduct van de belofte van stoomvaart, want de zeilvaart behaalde hier geen voordeel uit. Het kanaal was voor zeilschepen ongeschikt, omdat de wind in het door land omringde kanaal zwak was en maar een kant op bezeild: tegen de wind in kon niet gezeild worden. Het Suez-kanaal had ingrijpende gevolgen voor de betekenis die zeilen hadden op een schip. Zeilen werden vanaf 1869 niet meer beschouwd als de hoofdvoortstuwing, maar eerder als back-up.20 De invloed van de markt Op basis van technologische en geografische invalshoeken zijn meerdere oorzaken voor de geleidelijke transitie van zeil- naar stoomvaart vastgesteld. Een belangrijk economisch argument is echter dat niet de technologische ontwikkeling, maar de conjunctuur de snelheid van de transitie heeft bepaald.21 Met conjunctuur wordt de schommeling van economische groei bedoeld. Zoals eerder benoemd correspondeerde ‘The Age of Sail’ met de wetenschappelijke revolutie. Evenzo correspondeerde ‘The Advent of Steam’ grofweg met de industriële revolutie. Deze revolutie ging gepaard met de opkomst van het
10 kapitalisme. De technologische ontwikkeling van stoommachines was daarom afhankelijk van het economische gewin dat ermee te behalen viel en werd gedirigeerd door vraag en aanbod. Met deze gedachte in het achterhoofd blijkt er sprake te zijn van een valkuil voor auteurs. De nadruk wordt namelijk al snel gelegd op technologische vooruitgang, maar niet op de economische factoren waardoor deze innovaties het licht konden zien.22 Deze factoren waren echter evenzo belangrijk. De marine en koopvaardij worden in historisch onderzoek over de ontwikkeling van stoomvaart vaak los van elkaar beschouwd. Dat komt doordat deze maritieme takken andere belangen en doelen hebben.Waar rederijen winstmaximalisatie als doel hebben, is voor de marine de fysieke overredingskracht van schepen het belangrijkst. De afwachtende houding van rederijen in het investeren in stoomschepen in contrast tot de marine is dan ook slechts het product van een rekensom. Zolang de te behalen winst met zeilschepen groter was, zagen investeerders geen reden af te stappen van de zeilvaart. Wanneer rederijen in zwaar weer verkeerden was het zelfs zo dat ze hun handelsvloot lieten zeilen in plaats van stomen. Zeker in de periode waarin schepen beide vormen van voortstuwing aan boord hadden, werd veel gespeeld met de verhouding tussen stomen/zeilen.23
(4) Edwin Weedon, Het Dundee schroef-stoomschip Hibernia
Een vaak aangehaald voorbeeld over de rol van vraag in de ontwikkeling van zeevaart is de vraag naar thee in de negentiende eeuw. Langzame zeilschepen konden niet in de vraag voorzien en daarom ontworpen scheepsarchitecten het snelle klipperschip, een geduchte concurrent voor stoomschepen. Een abstractere vorm van vraag is die van personen- en informatieverkeer. De wereld raakte steeds meer met elkaar in contact en deze toenemende globalisering vroeg om snellere internationale connecties. Zodoende ontstonden passagiers- en pakketdiensten, waarop snelheid belangrijker was dan tonnage. Stoomschepen vervoerden ook, vaker dan zeilschepen, conjunctuurgevoelige lading. Voor populaire producten was de markt immers bereid grote bedragen neer te leggen. Alleen dan werden de dure stoomschepen lucratief.24 De overheid heeft ook altijd in meerdere of mindere mate een
invloedrijke rol gespeeld in het sturen van de conjunctuur. In de eerste plaats omdat de stoomvaart een prestigieuze branche werd om in te investeren.25 De rederijen waren bovendien afhankelijk van wat de overheid toestond. Zij bepaalden tarieven, heffingen en quota waar de koopvaardij zich aan diende te houden. Het was daarom cruciaal dat oude wetten continu herzien werden, om mee te bewegen met de explosieve groei van de internationale handel. Ook in Nederland had de overheid direct invloed op de innovatie en financiering van de stoomvaart.Voornamelijk het Ministerie van Koloniën, dat regelmatig opdracht gaf tot de bouw van nieuwe schepen. De stoomvaart kon in feite onmogelijk concurreren met de snelle klipperschepen zonder overheidssubsidie, omdat de vervoerskosten dusdanig prijzig waren.26 Aan de langzame transitie van zeil- naar stoomvaart heeft de wetenschap een economische term overgehouden:‘The Sailing Ship Effect’, dat eerder al is aangehaald. De theorie wordt gebruikt om de versnelde innovatie van concurrerende branches aan te duiden. Zo zou de efficiëntie van zeilvaart vertienvoudigd zijn in de periode dat zeilschepen werden uitgedaagd door stoomschepen. Een innovatieproces dat volgens de economische invalshoek van deze theorie een direct gevolg is van de concurrentiestrijd.27 Bovenstaande voorbeelden tonen aan dat de conjunctuur direct de ontwikkeling en toepassing van stoomschepen beïnvloedde. Er was echter altijd sprake van een wederkerige invloed tussen conjunctuur en stoomschepen. De stoomvaart speelde namelijk een grote rol in de modernisering van handel en beleid. Er ontstonden nieuwe vormen van zakendoen die mogelijk werden dankzij deze nieuwe uitvinding. De stoomvaart bracht nieuwe firma’s en vurige concurrentie.28 Transport en handel kwamen los van elkaar te staan. Zo werd in 1834 het Lloyd Register of Shipping nieuw leven ingeblazen. Dit was een transparante instelling die erop toe zag dat de standaard van schepen hoog werd gehouden en bouwde een zekerheid in voor investeerders.29 Door de stoomvaart werden ook grotere risico’s genomen; de kosten werden hoger, maar de potentiële winst groter. In 1824 sloeg de markt echter door in de investeringen in de nieuwe uitvinding. Tijdens de zogenaamde ‘steamship-mania’ die ruim een jaar duurde werden in een atmosfeer van koortsachtige bedrijfspromotie en overenthousiasme honderden nieuwe bedrijven opgericht, die later werden gefuseerd tot slechts drie rederijen. De stoomvaart werd dus niet alleen beïnvloed door de conjunctuur, maar beïnvloedde ook op haar beurt de conjunctuur.30 Conclusie Dat de transitie van zeil- naar stoomvaart geleidelijk verliep kan op verschillende manieren worden verklaard. Verschillende invalshoeken en verschillende argumenten leveren ook verschillende conclusies op. Er is in de eerste plaats een duidelijk verschil tussen de marine en de koopvaardij. Vanaf 1871 wordt geen enkel zeilend gevechtschip meer gebouwd. De transitie van de koopvaardij daarentegen blijkt ontzettend lastig te periodiseren.Technologische superioriteit ten opzichte van zeilschepen
11 had de stoommachine in theorie al vroeg in de negentiende eeuw. Desalniettemin hebben geografische factoren altijd een sturende rol gespeeld in de transitie naar stoomkracht. De opening van het Suez-kanaal was de grootste overwinning die de mens behaalde in de strijd tegen de natuur, maar door de ruimtelijke differentiatie betekende dit nog niet de absolute genadeslag voor de zeilvaart. Ten slotte hebben de conjuncturele ontwikkelingen invloed gehad op de transitie. Vanuit economische invalshoek kan gesteld worden dat als geld geen rol had gespeeld, de handelsvaart al vroeg over was gestapt op stoomkracht. Deze stellingname wordt ondersteund door het voorbeeld van de marine, die inderdaad al veel vroeger louter met stoomboten opereerde. De stoomvaart kon zich in de koopvaardij alleen maar manifesteren dankzij de grote vraag naar grondstoffen. De lange nasleep van de transitie van zeil- naar stoomvaart zou zomaar nog lang kunnen duren, en zelfs de basis kunnen vormen voor de komst van een nieuwe ‘Age of Sail’. Als het aan onderzoeksjournalist Andrew Willner ligt, zal rond 2030 een grootschalige opleving van de zeilvaart plaatsvinden. Ditmaal niet gestuurd door economische belangen, maar vanuit klimatologische overwegingen.31 Dit rooskleurige toekomstbeeld kampt ironisch genoeg met het gevecht tegen ‘The Sailing Ship effect’: de fossiele brandstofindustrie blijft immers ook innoveren. Desalniettemin hoop ik dat zich een omgekeerde transitie in zal zetten waarbij de zeilvaart het wint van de ‘dieselvaart’ en dat historici in de toekomst kunnen stellen dat de hoogtijdagen van het zeiltijdperk hun wortels vinden in de jaren dertig van dit millennium. Afbeeldingen 1: Langsdoorsnede stoomkanonneerboot 1e klasse Bulgia, uit. B.J. Tideman, memoriaal van de Marine, 1887-1880. Op de tekening zijn duidelijk de voortstuwingsschroef, boiler en voorraadruimtes zichtbaar. 2: https://www.geobronnen.com/opstopping-in-het-suezkanaal.html 3: William Turner, The Fighting Temeraire tugged to her last Berth to be broken up, 1839, olieverf op doek, 90,7 x 121,6 cm, National Gallery, Londen. Technologische innovaties 4: Edwin Weedon, Het Dundee schroef-stoomschip Hibernia, 1865, gravure, privécollectie. Het schip toont de keuzemogelijkheid van een rederij/kapitein tussen zeil- en stoomvoortstuwing.” Verwijzingen D.M. Williams & J. Armstrong, ‘An appraisal of the progress of the steamship in the nineteenth century’ in: G. Harlafstis, S.Tenold & J.M. Valdaliso eds., The World’s Key Industry. History and Economics of International Shipping (Basingstoke 2012) 43-63. 2 S. Mendonça, ‘The “sailing ship effect”: Reassessing history as a source of insight on technical change’, Research Policy 42:10 (2013) 1724-1738. 3 L.D. Ferreiro, Bridging the seas: the rise of naval architecture in the industrial age, 1800-2000 (Massachusetts 2020). 4 N. de Liso, S. Arima & G. Filatrella, ‘The “sailing-ship effect” as a technological principle’, Industrial and Corporate Change (2021). 5 A.G. Mendoza, ‘The Advent of Steam’ (1995). 1
G.P.Allington,‘Sailing Rigs and Their Use on Ocean-Going Merchant Steamships’ (2004); M. Lynn, ‘From Sail to Steam: The Impact of the Steamship Services on the British Palm Oil Trade with West Africa, 1850-1890’, The Journal of African History 30:2 (1989) 227-245. 7 H.W. Lintsen, Geschiedenis van de techniek in Nederland (Zutphen 1992). 8 G.P.Allington,‘Sailing Rigs and Their Use on Ocean-Going Merchant Steamships’ (2004). 9 Ibidem; Capt. A.T. Mahan, From sail to steam: recollections of naval life (New York 1906). 10 L.D. Ferreiro, Bridging the seas (2020). 11 A.I. Kane, ‘Reviewed work: The Persistence of Sail in the Age of Steam: Underwater Archaeological Evidence from the Dry Tortugas by Donna J. Souza’, American Anthropologist 102:3 (2000) 640. 12 B.B. Schofield, ‘From Sail to Steam: From Wood to Steel (“review article”)’, Journal of the United Service Institution 125:3 (1980) 83-85. 13 L.D. Ferreiro, Bridging the seas (2020); Capt. A.T. Mahan, From sail to steam: recollections of naval life (New York 1906). 14 G.P. Allington, ‘Sailing Rigs and Their Use on Ocean-Going Merchant Steamships’ (2004). 15 L.U. School & M. Hinkkanen, ‘Reviewed work: Sail and Steam: Selected Maritime Writings of Yrjo Kaukiainen’, Research in Maritime History 27 (2004) 265-267. 16 P. Brandon & M. Dondorp, ‘Nodes of knowledge, managing transfer: Shipbuilding and repair during the transformation from sail to steam’, History of Science (2020) 1-21. 17 H.W. Lintsen, Geschiedenis van de techniek (1992); A.G. Mendoza, ‘The Advent of Steam: The Merchant Ship before 1900’, The Journal of Transport History 16:1 (1995) 103-104. 18 Op internet is geen directe vertaling van dit begrip vindbaar. Het begrip wordt desalniettemin in het Engels vaak gebruikt en is door mij vrij vertaald naar ‘tussenstops’. 19 J. Armstrong, The impact of technological change: the early steamship in Britain (St. John 2011). 20 L.D. Ferreiro, Bridging the seas (2020). 21 Y. Kaukiainen, ‘Coal and canvas: aspects of the competition between steam and sail, c. 1870-1914.’, International Journal of Maritime History 4:2 (1992) 175-191. 22 A.G. Mendoza, ‘The Advent of Steam’ (1995). 23 Y. Kaukiainen, ‘Coal and canvas: aspects of the competition between steam and sail, c. 1870-1914.’, International Journal of Maritime History 4:2 (1992) 175-191. 24 Capt. A.T. Mahan, From sail to steam: recollections of naval life (New York 1906); H.W. Lintsen, Geschiedenis van de techniek (1992). 25 P. Brandon & M. Dondorp, ‘Nodes of knowledge, managing transfer’ (2020). 26 H.W. Lintsen, Geschiedenis van de techniek (1992); J. Armstrong, The impact of technological change (2011), aldaar Chapter 3: The Steamboat, Safety and the State: Government Reaction to New Technology in a Period of Laissez-Faire. 27 J. Armstrong, The impact of technological change (2011). 28 M. Lynn, ‘From Sail to Steam’, The Journal of African History (1989). 29 S. Mendonça, ‘The “sailing ship effect”’ (2013). 30 J. Armstrong, The impact of technological change (2011), aldaar Chapter 8:The Steamship as an Agent of Modernisation, 1812-1840. 31 New age of sail looks to slash massive maritime carbon emissions, https://news.mongabay.com/2021/03/new-age-of-sail-looks-to-slashmassive-maritime-carbon-emissions/ (geraadpleegd op 8 juni 2021). 6
12
Leah Niederhausen
Recolouring the Elgin Marbles Overcoming the Myth of Classical Whiteness
(1)
The Elgin Marbles, part of the Parthenon Marbles, are some of the most contested cultural objects of our time. Created between 447 and 433 BC, the sculptures picturing multiple figures during a procession in honour of Athena were removed from the Parthenon’s frieze on the Athenian Acropolis in 1801 by, then, British ambassador in Istanbul Lord Thomas Bruce Elgin (1766 – 1841) and shipped to England.1 In 1816, the British government acquired the marbles from Elgin and since then they have been exhibited in the British Museum in London.2 Soon after the removal from Istanbul, voices emerged demanding their return to Athens, marking the beginning of a restitution debate which has lasted to this day. Lately, this debate experienced new pressure by the announcement of the Italian government in November 2021 to restore a fragment of the frieze to Greece.3 Because of the attention drawn to this debate, another historical injustice done to the marbles often seems to be ignored: the erasing of their polychromy in the 1930s. “The collection is a unique resource to explore the richness, diversity and complexity of all human history, our shared humanity. The strength of the collection is its breadth and depth which allows millions of visitors an understanding of the cultures of the world and how they interconnect – whether through trade, migration, conquest, conflict, or peaceful exchange. […] The Parthenon Sculptures are an integral part of that story and a vital element in this interconnected world collection, particularly in the way in which they convey the influences between Egyptian, Persian, Greek and Roman cultures.”4 So reads the British Museum’s official statement on the importance of the Elgin Marbles for its collection. Whilst the relationship of the sculptures with Egyptian or Roman culture is emphasised, the museum remains remarkably silent on their history with British culture. One especially momentous part of that history is nowhere to be mentioned: the scraping of their rather colourful surfaces at the instigation of the art dealer Baron Joseph Duveen (1869 – 1939) in 1937 and 1938.
“Whiteness erases time and place.”
In 1928, Duveen, who had achieved major wealth from the US art market, offered to pay £100,000 for a new gallery in the British Museum to exhibit the Elgin Marbles, which had previously been on display in a temporary room. Duveen felt that British ‘national honour’5 depended on how artistic masterpieces in its possession were presented to the world and, therefore, wanted to exhibit the marbles in a luxurious gallery made of white marble to resemble the in his opinion natural state of the Parthenon.6 Already in 1931, he expressed his wish to whiten the marbles ‘so thoroughly that he would dip them into acid.’7 At the time, the marbles were covered in traces of a brown patina as a result of ageing marble as well as traces of their former polychromy.8 Today we know that the marbles had been painted in blue, red, green and some yellow in ancient Greece.9 However, Duveen wanted them to be white, and after his official request to whiten them had been rejected, he paid external workmen to scrape the marbles with chisels to erase the few traces of colour in 1937. In the process, they removed the top layer of the marbles’ surfaces, an unretrievable loss.10 When the scraping was detected in 1938, museum officials immediately ended the process since any damage to the marbles would lead to a reduction of their value. Nevertheless, they chose not to sufficiently inform the public about the damage, making the act widely unknown until the late 1990s when historian William St Clair published extensive research on the topic, leading to a rise of attention for antique polychromy in
13 general.11 This rise of attention can be seen in the hugely successful travelling exhibition “Gods in Color” by Vinzenz Brinkmann, most recently on display at the Liebieghaus in Frankfurt Main.12 The British Museum itself does not mention the Duveen scraping in their presentation of the Elgin Marbles which are still exhibited in the gallery named after its chaperone, Duveen Gallery. Thus, what societal background does Duveen’s obsession with whiteness have and why is it important to talk about it now? Even though we know today that antique sculptures used to be polychrome, they are still mostly presented as white in museums, movies, or video games.The myth of Classical whiteness goes back to the fourteenth and fifteenth century European Renaissance when artists wanted to recreate ancient Greece and Rome which, at the time of emerging humanism, were seen as ideal states. They started copying Classical statuary which they believed to had been white. This belief was based on excavation finds of antique statues such as the Apollo of Belvedere in 1509 that appeared to be white because former traces of colour had faded through weather and time. As a result, artists of the time saw white as the pure and sublime form of sculpting.13 “Leonardo da Vinci claimed that sculptors need not concern themselves with color; Vincenco Borgini explained, ‘the strength of the sculptor is the outline given by the chisel, and if some clumsy [sculptor] in this art uses color, [he] transcends the nature of that art.’”14
“Whilst in the Renaissance, the assumption of Classical whiteness amongst scholars and artists had been a mistake, in the following centuries it became a choice.” In the centuries that followed, monochromy in Classical statuary was emphasised. However, whilst in the Renaissance, the assumption of Classical whiteness amongst scholars and artists had been a mistake, in the following centuries it became a choice. Through a major increase in excavations at antique Roman and Greek sites, as well as written sources, the evidence for antique polychromy had become overwhelming.15 Yet, when traces of colour on statues were found,
(3)
(2)
they were often either not paid attention to or not acknowledged to be Roman or Greek. For example, when German archaeologist Johann Joachim Winckelmann (1717 – 1768) found a partially coloured Artemis statue during the excavations of Pompeii, he claimed that because of its polychromy it had to be Etruscan and could not be Greek or Roman. According to him, ‘a beautiful body will be all the more beautiful the whiter it is.’ 16 Today, the statue is believed to be a Roman copy of a Greek original.17 Others were eager to say that if colour could not be neglected, the ancient Greeks and Roman had simply been wrong or had had bad taste and also that the white versions of the antique sculptures were more fitting.18 The sublimity of whiteness was widely accepted in the art world as well, as art critic Charles Blanc (1813 – 1882) put it: ‘The union of design and colour is necessary to beget painting
14 just as is the union of man and woman to beget mankind, but design must maintain its preponderance over colour. Otherwise painting speeds to its ruin: it will fall through colour just as mankind fell through Eve.’19 When the Elgin Marbles arrived in London in 1806, a rise of “new nationalism”20 was emerging in Europe. This new nationalism was characterised by a sense of simultaneous comradeship and overarching national narratives to help bind people to national communities.21 Material objects like statues or monuments played a crucial role in making these national narratives visible. Consequently, “European nation-states would dig into the past to produce material evidence of the common ‘myths and memories’ that legitimated them.”22 Ancient Greece and Rome which, deriving from the Renaissance, were still seen as ideal states were especially popular in creating narratives that were supposed to support emerging nation-states. Therefore, a race of antiquities started, with most European states acquiring classical antiquities. For example, Germany’s exhibition of the Pergamon Altar in Berlin since 1901.23
“The Elgin marbles quickly became icons of British nationalism and imperialism, supporting the narrative of the British as ancestors of the glorious Ancient Greeks.” For the British Empire, whose imperial influence after the defeat of France in the Napoleonic Wars grew continuously, finding connections to antiquity in material objects was especially important. Hence, the aim was not only to secure already existing sentiments about special qualities of a British nation but, “as an international power, Britain also needed symbols whose meaning and potency transcend national borders and communicate with a diverse audience of rivals and imperial subjects.”24
Therefore, the Elgin marbles quickly became icons of British nationalism and imperialism, supporting the narrative of the British as ancestors of the glorious Ancient Greeks. In the words of British anatomist Robert Knox (1791 – 1862), “the ancient Greeks had been an ideal European, blue-eyed, white race, closely related racially to the modern northern European races.”25 It becomes clear that the scraping of the Elgin Marbles in the 1930s is part of a century-long process of neglecting polychromy in antique sculptures. The narrative of this negligence that is expressed in the scraping can be recognised in three factors. Firstly, monochrome Western art is presented in opposition to polychrome non-Western art. When, for example, the Egyptian bust of Nefertiti was excavated in 1912, nobody questioned its polychromy which was a known characteristic of non-Western art in the early 20th century. It was not part of Western art and its polychromy allegedly being less pure than monochrome art, supported Western imperialism in being above the non-Western world.26 Secondly, by including the whiteness of antique sculptures in national master narratives, People of Colour are not only excluded from but also degraded by these narratives. 27 They are not represented in what is seen as the nation’s high art, therefore, being devalued not only in an inter- but intranational hierarchy.28Thirdly, whiteness erases time and place. When the Elgin Marbles were scraped, it was not only their traces of colour but also their traces of Greekness that were erased, making it possible for them to be absorbed by British nationalism.29 Upon Joseph Duveen offering his payment for the new gallery, then Prime Minister Stanley Baldwin (1867 – 1947) thanked him for his ‘plans so generously conceived for the provision of new and noble settings for the nation’s art treasure entitle you to the lasting esteem of the people of this country.’30 When they were chiselled off the Parthenon in 1801, the Elgin Marbles lost their architectural and historical Greek context and, in the following century, this became central for British national thought.31 Consequently, their place in British national identity is still one of the arguments against restitution. “We’re committed to ensuring the Museum is run in an open and honest way.”32 The British Museum decided to not publicise the scraping of the Elgin Marbles in 1939 and, to this day, does not offer background information on the act. By not openly discussing the whitening, the museum defaults its own aim of honesty, not asking visitors to reflect on the backgrounds of the marble’s whiteness. In conclusion, the scraping of the Elgin Marbles in the 1930s is an expression of a long process of imperial negligence of polychromy to foster European national identities. Colonialism and imperialism still affect us, they shape the world as we know and experience it, and they influence who is in- or excluded in certain narratives and identities. If we truly want to engage with our colonial past, we must not ignore the imperial impact on objects like the Elgin Marbles. Material objects as part of natio-
(4)
15 nal narratives influence our perception of who is represented in those narratives. Therefore, it is on us on us to critically reconsider the way we see and experience objects with national meaning. It is not about condemning all whiteness in statuary but more about publicly reflecting on its historical background, its imperial impact, and how it influences our view on historical and societal representation, in antiquity and today. If monochromy means ignorance, polychromy can mean openness. Images 1: Reconstruction of the Parthenon Frieze, 1024 x 487, https://www.reddit.com/r/ColorizedStatues/comments/9jum b9/partially_colourised_reconstruction_of_the/. 2: Part of the Elgin Marbles. The Trustees of the British Museum (registration number: 1816,0610.96), https://www.britishmuseum.org/collection/image/1612976846. 3: The Elgin Marbles, 2560 x 1770, Photograph by Tony French / Alamy, https://media.newyorker.com/photos/5dd44dfbac14140008e 0f90b/master/pass/Norris-ParthenonMarbles-1.jpg. 4: Part of the Elgin Marbles. The Trustees of the British Museum (registration number: 1816,0610.103), https://www.britishmuseum.org/collection/image/5071370. 5: A section of the Parthenon Marbles, also known as the Elgin Marbles, in the British Museum in 2014.Matthew Fearn / Press Association Images File, https://www.nbcnews.com/storyline/isis-terror/isis-rout-palmyra-reignites-museum-debate-n361996 References Vinzenz Brinkmann, “The Polychromy of Ancient Greek Sculpture,” in The Color of Life: Polychromy in Sculpture from Antiquity to the Present, ed. Roberta Panzanelli (Los Angeles: J. Paul Getty Museum and the Getty Research Institute, 2008), 30. 2 Ibid. 3 Amah-Rose Abrams, “In a Breakthrough, Italy Will Return a Piece of the Parthenon Frieze to Greece,” Artnet (December 1, 2021), https://news.artnet.com/art-world/parthenongreece-swap-italy-2042252. 4 The Trustees of the British Museum, 2021, “The British Museum’s Position,” The Parthenon Sculptures, (December 31, 2021), https://www.britishmu 1
seum.org/about-us/british-museum-story/contested-objectscollection/parthenon-sculptures. 5 Elisabeth Kehoe, “Working hard at giving it away: Lord Duveen, the British Museum and the Elgin Marbles,” Historical Research, no. 198 (November 2004), 507. 6 “Elgin Marble’s New Setting,” The Northern Whig and Belfast Post, March 27, 1939, 5. 7 Kehoe, “Working,” 516. 8 Ibid, 503 – 507. 9 Brinkmann, “Gods”, 31. 10 William St Clair, “The Elgin Marbles: Questions of Stewardship and Accountability,” International Journal of Cultural Property,Vol 8, no. 2 (1999), 418. 11 Ibid, 447. 12 Liebieghaus, 2020, “Gods in Color: Polychromy in Antiquity Golden Edition,” (December 15, 2021), https://buntegoetter.liebieghaus.de/en/. 13 Roberta Panzanelli, “Beyond the Pale: Polychromy and Western Art,” in The Color of Life: Polychromy in Sculpture from Antiquity to the Present, ed. Roberta Panzanelli (Los Angeles: J. Paul Getty Museum and the Getty Research Institute, 2008), 8. 14 Ibid. 15 Brinkmann, “Gods in Color,” 40. 16 Johanna Hanink, The Classical Debt. Greek Antiquity in an Era of Austerity, (Harvard: Harvard University Press, 2017). 17 Ibid. 18 St Clair, “Elgin Marbles,” 410. 19 David Batchelor, Chromophobia (London: Reaktion Books: 2000), 23. 20 Benedict Anderson, Imagined Communities. Reflections on the Origin and Spread of Nationalism, 4th ed. (London and New York: Verso, 2016), 195. 21 Fiona Rose-Greenland, “The Parthenon Marbles as Icons of Nationalism in Nineteenth-Century Britain,” Nations and Nationalism 19, no. 4 (October 2013), 656 – 657. 22 Rose-Greenland, “Parthenon,” 657. 23 Lea Albrecht, “The Pergamon Altar’s long and winding road to Berlin,” Deutsche Welle, (November 10, 2016), https://p.dw.com/p/2SSaE. 24 Ibid, 656. 25 St Clair, “Elgin Marbles,” 410. 26 Rose-Greenland, “Icons,” 666. 27 Batchelor, Chromophobia, 13. 28 Judy Giles and Tom Middleton, Writing Englishness 1900 – 1950, An Introductory Sourcebook on National Identity (London and New York: Routledge, 1995), 6. 29 Rose-Greenland, “Icons,” 667. 30 Kehoe, “Working,” 507. 31 Rose-Greenland, “Icons,” 655. 32 The Trustees of the British Museum, 2022, “Governance,” (January 2, 2022), https://www.britishmuseum.org/aboutus/governance.
(5)
16
Lars Brull
De impact van 750 duizend doden
De Amerikaanse burgeroorlog en haar gevolgen ‘Four score and seven years ago our fathers brought forth on this continent, a new nation, conceived in Liberty, and dedicated to the proposition that all men are created equal. Now we are engaged in a great civil war, testing whether that nation, or any nation so conceived and so dedicated, can long endure.We are met on a great battlefield of that war. We have come to dedicate a portion of that field, as a final resting place for those who here gave their lives that that nation might live. It is altogether fitting and proper that we should do this.’1 Dit citaat is afkomstig uit een speech van Abraham Lincoln (1809-1865), gegeven op 19 november 1863. Lincoln wijdde met deze speech de nationale begraafplaats in op het slagveld van Gettysburg, waar een van de bloedigste slagvelden van de Amerikaanse Burgeroorlog plaatsvond.2 De Slag bij Gettysburg had een slachtofferaantal (doden en gewonden) van 51.000 soldaten. Deze slag had daarmee het hoogste aantal slachtoffers van de gehele burgeroorlog. Ter vergelijking vielen er 47.000 militaire slachtoffers bij de Slag bij Waterloo.3
‘De slag bij Gettysburg had een slachtofferaantal (doden en gewonden) van 51.000 soldaten en had daarmee het hoogste aantal slachtoffers van de gehele burgeroorlog.’ De Amerikaanse Burgeroorlog was een conflict tussen de zuidelijke staten, die zich wilden afscheiden van de Verenigde Staten, en de noordelijke staten, die de Unie wilden behouden.4 Voorafgaand aan dit conflict was er een duidelijk economisch verschil merkbaar tussen het noorden en het zuiden. Zo investeerden de noordelijke staten vanaf 1815 in de industrialisatie, waardoor nieuwe manieren van transport en communicatie ontstonden, zoals wegen, treinsporen, kanalen en het telegram.Toch bleef de agrarische sector nog steeds van groot belang. De arbeidskracht binnen deze sectoren bestonden voornamelijk uit arbeiders, aangezien de slavernij in verschillende noordelijke staten al was afgeschaft. Daarentegen was de economie van de zuidelijke staten afhankelijk van plantages, waarvan de arbeidskracht voornamelijk bestond uit slaafgemaakten. In 1850 steeg de prijs voor
katoen, waardoor tegen 1860 de welvaart van de inwoners in de zuidelijke staten hoger lag dan in de noordelijke staten. Daarnaast droeg het feit dat de slaafgemaakten onbetaald werkten ook bij aan de hogere welvaart, aangezien de volledige opbrengst naar de plantagehouder ging.5 Gedurende deze periode breidden de Verenigde Staten zich uit, door nieuwe gebieden te bezetten ten tijde van oorlog of door doormiddel van vestigingskolonialisme. Deze nieuwe territoria werden geïncorporeerd als nieuwe staten en kregen de keuze om slavernij toe te staan of te verbieden. De noordelijke politici waren vanuit moreel oogpunt tegen de slavernij en wilden veelal de vrije arbeidskracht beschermen. Daarentegen hoopten de politici uit het zuiden de slavernij uit te breiden in deze nieuwe, geïncorporeerde staten. Beide partijen probeerden de nieuwe staten aan hun zijde te trekken, wat zorgde voor polarisatie in de politiek.6 Uiteindelijk zou de polarisatie in de politiek een hoogtepunt bereiken bij de presidentsverkiezingen in 1860, die werd gewonnen door de republikeinse Lincoln. De zuidelijke staten zagen dit als een bedreiging, aangezien zowel Lincoln als zijn partij abolitionistisch waren. Hierdoor besloten de zuidelijke staten zich af te scheiden van de Verenigde Staten. Vervolgens zouden deze staten de Confederatie vormen, terwijl de noordelijke staten de Unie vormden. Deze afscheiding was het begin van de vier jaar durende Amerikaanse Burgeroorlog: een met het hoogste militaire dodental in de Amerikaanse geschiedenis.7 Het dodental van de Amerikaanse Burgeroorlog is onderzocht door de demografische historicus J. David Hacker, die heeft vastgesteld dat er 750.000 militaire doden zijn gevallen.8 Dit staat ongeveer gelijk aan 7,5 miljoen doden vandaag de dag, gezien het huidige inwonersaantal van Verenigde Staten.9 De bruikbaarheid van deze resultaten kan echter in twijfel getrokken worden,
17 omdat er bijvoorbeeld geen onderscheid gemaakt kan worden tussen het aantal doden aan beide kanten. Daarnaast is het ook lastig om met kwantitatieve data vast te stellen waaraan soldaten zijn overleden, aangezien dat niet altijd werd bijgehouden.10 Toch is het wel degelijk mogelijk om een aantal conclusies te trekken, aangezien er diverse tellingen en onderzoeken zijn gedaan naar het dodental van militairen bij conflicten zoals bij de Amerikaanse Burgeroorlog.11 Wellicht klinkt het militair dodental van de Amerikaanse Burgeroorlog minder significant wanneer dit vergeleken wordt met die van andere oorlogen, zoals de Mexicaanse Revolutie met 1.250.000 doden, de Indiase opstand met 5.400.000 doden of de Napoleontische oorlog met 5.250.000 doden.12 Diagram 1 toont echter iets anders aan: het militair dodental van de Amerikaanse Burgeroorlog lag wel degelijk hoger in vergelijking met andere oorlogen waarin de Amerikanen een rol speelden.13 De impact van dit hoge dodental zal het brandpunt van dit artikel vormen.
‘Hoewel de Eerste Wereldoorlog doorgaans gezien wordt als eerste moderne oorlog, zou de Amerikaanse burgeroorlog ook zo aangeduid kunnen worden…’ Karakteristieken Van de 3.263.363 Amerikaanse soldaten die hebben gevochten tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog is 23 procent gestorven.14 Hoewel de Eerste Wereldoorlog doorgaans gezien wordt als eerste moderne oorlog, zou de Amerikaanse burgeroorlog ook zo aangeduid kunnen worden; nieuwe technologieën werden stelselmatig ingezet, zoals het telegram, het gepantserd schip, onderzeeërs, mijnen, nieuwe vuurwapens en observaties vanuit de lucht met luchtballonnen.15 Vanwege het gebruik van nieuwe vuurwapens zoals de Gatling gun werd het makkelijker om vijandelijke soldaten te raken van een verre afstand. Hierdoor werden gevechten van dichtbij al snel verleden tijd. Daarnaast kon men met deze nieuwe vuurwapens ook sneller schieten, zonder te herladen.16 Het gebruik ervan zal ongetwijfeld hebben bijgedragen
(1) Een Amerikaanse soldaat (kant onbekend) duwt de Gatling Gun. Dit was een nieuw wapen dat tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog werd gebruikt.
aan het aantal oorlogsdoden onder de militairen. Naast het gebruik van nieuwe vuurwapens werden gepantserde schepen en onderzeeërs volop ingezet door zowel de Unie als de Confederatie. Hoewel de Confederatie aan het begin van de oorlog geen vloot had, is het ze toch gelukt om een vloot met gepantserde schepen en onderzeeërs te bouwen. Later in de oorlog werden daardoor meer gevechten op zee gevoerd, met veel slachtoffers tot gevolg.17 Het is de Confederatie echter niet gelukt om volledige dominantie op zee te realiseren. Als gevolg hiervan kon de Unie met haar gepantserde schepen de havens blokkeren van de Confederatie. Hierdoor kampten de legers en de burgers van de Confederatie met tekorten van onder andere voedsel, die vervolgens resulteerden in ondervoeding, waardoor nog meer soldaten de oorlog niet overleefd hebben.18 Hoewel de nieuwe technologieën hebben bijgedragen aan het dodental tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog, gingen de meeste soldaten dood aan ziektes, waarvan de meest voorkomende buiktyfus, pokken en diarree waren.19 De Unie verloor hier ongeveer 190.000 soldaten aan.20 Bij de Confederatie is dit aantal echter onbekend.21 Wel had de Confederatie een goed werkend medisch departement, ondanks dat er minder zusters voltijd werkten dan bij de Unie. Aan het begin van de oorlog was dit departement vrij goed in het verzorgen van de gewonde en zieke soldaten. Naarmate de oorlog zich vorderde in het voordeel van de Unie, kregen ze ook hier te maken met tekorten.22 Er kan dus gesteld worden dat het dodental van 750.000 soldaten lag aan nieuwe technologieën, tekorten aan medisch materiaal en voedsel en aan ziektes. Impact van het dodental De gevolgen van de 750.000 doden waren vooral merkbaar in het gezinsleven. De groep die hierdoor economisch werd geraakt waren voornamelijk weeskinderen en weduwen. Er werd daarom in 1862 een wet aangenomen die deze groep verzekerde van een maandelijks inkomen tussen de acht en dertig dollar, hetzelfde als dat van een veteraan destijds. Doorberekend naar 2022 zou dit ongeveer 220 tot 820 dollar per maand bedragen. De weduwe ging er dus aanzienlijk op vooruit, aangezien zij het gemiddelde inkomen van een man kreeg. Rond 1885 verdiende een vrouw doorgaans namelijk 3/5 minder dan het andere geslacht. Het weduwen inkomen zorgde in veel gevallen dus voor financiële stabiliteit.23 Door de burgeroorlog steeg niet alleen het aantal weduwen, maar ook het aantal weeskinderen aanzienlijk. Sommige weeskinderen werden opgevangen door familieleden, maar een groot aantal kreeg onderdak in een groepswoning. Weeskinderen die uit een armer gezin kwamen, waren vaak afhankelijk van liefdadigheidsorganisaties om aan hun eten te komen, hoewel deze organisaties op hun beurt afhankelijk waren van giften.24
18 Zo schreef mevrouw Wade H. Burde die onderdeel was van een liefdadigheidsorganisatie tijdens de burgeroorlog, een brief aan Lincoln met de volgende boodschap:
‘I appeal to you in behalf of the destitute Orphans of this town and vicinity many of them children of Soldiers deprived of their Fathers by this ‘Cruel War’ others refugees who have fled to us for protection leaving all their worldly goods behind them many of them are living in tents and others are without shelter living as best they can […] there is very little of that in the Treasury not more than $700. We wish to get a shelter for these children before winter and are compelled to solicit subscriptions from abroad. Our Citizens will do all they can but they have been heavily taxed during the war and are unable to raise the whole amount—We need at least $4000. Our farm will cost us $5000. Will you not assist us?’25 Het bovenstaande citaat laat zien dat er niet genoeg plek was om alle weeskinderen op te vangen, waardoor de weeskinderen genoodzaakt waren om in tenten te leven. Daarnaast waren de liefdadigheidsorganisaties ook sterk afhankelijk van geld vanuit de overheid of andere instanties.Verder kregen de weeskinderen te maken met schurft, ondervoeding en diarree, omdat ze in erbarmelijke omstandigheden terecht kwamen, zoals hierboven is omschreven.26 De manier waarop met overleden soldaten werd omgegaan veranderde ook door de oorlog. Het was gebruikelijk om overleden soldaten te begraven in de buurt van veldslagen, ziekenhuizen of gevangenissen. In de buurt van veldslagen zoals Gettysburg kwamen nationale begraafplaatsen. Deze begraafplaatsen werden opgekocht door de overheid, aangezien de grond in bezit was van particulieren. Ze waren uniek, omdat de gedachte over overleden soldaten was veranderd. Voorheen werden de soldaten herdacht met een groot monument, waardoor de nadruk lag op één begraafplaats. De nationale begraafplaatsen die ontstonden tijdens en na de Amerikaanse Burgeroorlog legden nadruk op de herdenking van individuele soldaten.27
Conclusie De Amerikaanse Burgeroorlog was een oorlog met het hoogste aantal militaire doden in de geschiedenis van Amerika; er vielen naar schatting 750.000 doden. Nieuwe technologieën, zoals nieuwe vuurwapens en gepantserde zeeschepen, hebben bijgedragen aan het dodental. Daarnaast werden gepantserde schepen door de Unie gebruikt om de Confederatie te blokkeren van goederen, wat leidde tot voedsel- en medicijntekorten bij de Confederatie. Deze tekorten waren fataal voor de zieke en gewonde soldaten aan dit front. Veruit de meeste Amerikaanse soldaten stierven aan ziektes, zowel bij de Unie als de Confederatie. De gevolgen van het hoge dodental van de burgeroorlog waren te merken in het gezinsleven.Weduwen en weeskinderen kregen een maandelijkse betaling van de overheid. Deze maandelijkse betaling bevorderde zelfs de financiële situatie van weduwen in vergelijking met andere vrouwen. Ook was er een groei in het aantal weeskinderen. Zij werden vaak opgevangen door familieleden of in groepswoningen, hoewel ze niet allemaal daar terecht kwamen. Sommige kwamen terecht in tenten of hadden geen onderdak, waardoor deze kinderen al snel ondervoed of ziek werden. Een ander belangrijk gevolg was het ontstaan van nationale begraafplaatsen, waarbij er meer nadruk lag op individuele soldaten in plaats van nadruk op één begraafplaats.
‘Het weduwen inkomen zorgde in veel gevallen dus voor financiële stabiliteit.’
(2) Het dodental van Amerikaanse militairen in verschillende oorlogen waarbij Amerikaanse inmenging betrokken was.
19
(3) De slag bij Gettysburg
Afbeeldingen (1) Op deze tekening duwt een Amerikaanse soldaat (kant onbekend) de Gatling Gun. Dit was een nieuw wapen dat gebruikt werd tijdens de Amerikaanse burgeroorlog. (Georgebog, ‚Gatling gun’, Wikimedia (10 november 2010) https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Gatling_Gun_(PSF).p ng, geraadpleegd op 7 januari 2022). (2) Diagram 1: Het dodental van Amerikaanse militairen in verschillende oorlogen waarbij sprake was van Amerikaanse inmenging. (Veterans affairs, ‘America’s Wars’, https://www.va.gov/opa/publications/factsheets/fs_americas_w ars.pdf.; Hacker, ‘A census-based’, 348). (3) De slag bij Gettysburg. Bron: Wikipedia, ‘De slag bij Gettysburg’, https://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_bij_Gettysburg#/media/Bestand:Battle_of_Gettysburg,_by_Currier_and_Ives.png. Verwijzingen Abraham Lincoln, Gettysburg Adress (toespraak, opening nationale begraafplaats van Gettysburg, Gettysburg, 19 november 1863). 2 M. Paul Holsinger, ‘Gettysburg Adress (speech)’, in: M. Paul Holsinger ed., War and American popular culture: A historical Encyclopedia (Westport 1999) 102-103, aldaar 102-103. 3 Bas Machielsen, Big-Data-Big-Questions/battles_and_deathcounts.csv, (versie 28 April 2020), https://github.com/basm92/Big-Data-BigQuestions/blob/master/battles_and_deathcounts.csv (24 mei 2020). 4 Jennifer L. Weber en Warren W. Hassler, ‘American Civil War‘, Britannica, https://www.britannica.com/event/American-CivilWar, geraadpleegd op 24 mei 2020. 5 Ibidem. 6 Ibidem. 7 Ibidem. 8 J. David Hacker, ‘A census-based count of the Civil War dead’, Civil War History 57 (2011) 4, 307-348, aldaar 348. 1
Ibidem, 310. Ibidem. 11 J. David Hacker, ‘Recounting the dead’ New York Times (20 september 2011), https://opinionator.blogs.nytimes.com/2011/09/20/recountingthe-dead/, geraadpleegd op 24 mei 2020. 12 Machielsen, Wars_deathcount https://github.com/basm92/BigData-Big-Questions/blob/master/wars_deathcount.csv. 13 Departement of veterans affairs, ‘America’s Wars’, VA (November 2019), https://www.va.gov/opa/publications/factsheets/fs_americas_wa rs.pdf, geraadpleegd op 24 mei 2020. 14 Veterans affairs, ‘America’s Wars’, https://www.va.gov/opa/publications/factsheets/fs_americas_wa rs.pdf. 15 Richard F. Selcer en Richard Balkin ed., Civil war America 1850 to 1875 (New York 2006) 225. 16 Kevin Hillstrom, ‘Equipment’, in: Steven E. Woodworth ed., American Civil war. Gale library of daily life. I, A-N (Detroit 2008) 22-24, aldaar 22-24. 17 Weber en Hassler, ‘Civil War‘ https://www.britannica.com/event/American-Civil-War. 18 Kevin Hillstrom, ‘food and rations’, in: Steven E. Woodworth ed., American Civil war. Gale library of daily life. I, A-N (Detroit 2008) 15-18, aldaar 17-18. 19 Bernard Rostker, Providing for the Casualties of War.The American experience through World War II (Santa Monica 2013) 141. 20 Ibidem, 129. 21 Hacker, ‘A census-based’, 307-311. 22 Rostker, Casualties of War, 139-141. 23 Ibidem. 24 Ibidem. 25 Ibidem. 26 Ibidem. 27 Timothy B. Smith, ‘National cementeries’, in: Steven E. Woodworth ed., American Civil war. Gale library of daily life. II, N-Z (Detroit 2008) 269-272, aldaar 269-272. 9
10
20
Nica de Korte
Sahara-tentoonstelling in het Tropenmuseum Hoe de woestijn naar het museum werd gebracht Op 30 mei 1961 werd er een bijzondere tentoonstelling geopend in het Tropenmuseum in Amsterdam, die geheel in het teken stond van de Sahara. De museumbezoeker waande zich in het woestijnlandschap, waar de vloer van de expositieruimte bedekt was met een laag zand. Ook was er een gereconstrueerde oasewoning te bezichtigen. Bovendien waren er grote fotoafdrukken te zien en speelden er authentieke geluiden uit de regio, zoals een brullende dromedaris, het balken van een ezel en traditionele muziek. Het was voor het eerst dat het museumpubliek op deze manier kennis kon maken met het leven in de Sahara. Tot voor kort had het Tropenmuseum zich enkel gefocust op de (voormalige) koloniale gebieden van Nederland. Wat was de drijfveer bij het maken van deze tentoonstelling? En hoe werd het materiaal verzameld en geëxposeerd in het museum? Het Tropenmuseum werd in 1864 opgericht door Frederik Willem van Eeden, die in eerste instantie op zijn eigen zolder een collectie van producten en curiosa uit de Nederlandse koloniale gebieden samenstelde. Deze collectie vormde de basis voor het Koloniaal Museum dat in 1871 werd geopend in Haarlem. Het museum had als doel om het publiek over het gebied van de Nederlandse overzeese bezittingen en kolonies te onderwijzen. In de beginperiode was het Koloniaal Museum met name een productenmuseum. Men kon hier terecht voor informatie over de grondstoffen en producten uit koloniale gebieden (zoals tabak, suiker, thee, cacao en rubber) en de exploitatie daarvan. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw groeide de collectie van het Koloniaal Museum gestaag, door objecten aan te kopen, te verkrijgen uit schenkingen en nalatenschappen, of door ze te roven en in beslagnemingen. Door de uitbreiding van de collectie kregen volkenkundige objecten steeds meer aandacht binnen het museum. De uitbreiding betekende echter ook dat het Koloniaal Museum te maken kreeg met een gebrek aan ruimte. Hierdoor verhuisde het museum in 1926 naar Amsterdam. Hier werd de collectie, die nu onderdeel was van het Koloniaal Instituut, ondergebracht in een monumentaal pand aan de Mauritskade, waar het Tropenmuseum zich tot op de dag van vandaag bevindt.1
‘In 1950 werd de gehele tropische wereld het werkterrein van het Tropenmuseum.’
Koerswijziging De oprichting van het Tropenmuseum was sterk verbonden met de koloniale ondernemingen van Nederland. Het museum hield zich bezig met het verzamelen en tentoonstellen van objecten uit de kolonies, met als doel om het Nederlandse publiek op de hoogte te brengen van de activiteiten in de kolonies.Toen de Nederlandse kolonies na 1945 steeds meer in verzet kwamen tegen de onderdrukking door het koloniale bestuur en begonnen te strijden voor onafhankelijkheid, had dat ook gevolgen voor het Koloniaal Museum. Na 1945 lag de focus van het museum in eerste instantie alleen op Nederlands-Indië. Al snel werd echter een nieuwe koers gevaren; in 1950 werd de gehele tropische wereld het canvas van het museum. Deze beslissing volgde op de erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië in 1950. Het Koloniaal Museum ging verder als het Tropenmuseum en keek nu niet meer alleen naar de (voormalige) kolonies, maar ook naar de mensen in regio’s die niet waren gekoloniseerd door Nederland, zoals Afrika, het Midden-Oosten, Zuid-Amerika en Zuid-Azië.2 Een van de museummedewerkers die in de praktijk vormgaf aan de transformatie van het Tropenmuseum was antropoloog Joop Jager Gerlings (1917-2010). Vanaf 1947 was Jager Gerlings conservator bij het Tropenmuseum. Omdat de collectie nog erg was gefocust op Indonesië, werd het de missie om deze in korte tijd flink uit te breiden. Het museum kampte in deze periode, gedurende wederopbouw, echter ook met een tekort aan financiële middelen. Jager Gerlings en andere museummedewerkers gingen opzoek naar nieuwe en creatieve manieren om meer diversiteit in de collectie te brengen en deze te internationaliseren. Zo initieerde Jager Gerlings bruiklenen en duplicatenruil met andere musea. Daarnaast ontving het mu-
21 seum ook nieuwe objecten van amateurverzamelaars, schenkingen en legaten van andere particulieren.3 In de visie van Jager Gerlings was er nog een manier waarop andere gebieden vertegenwoordigd konden worden in de collectie van het Tropenmuseum: het op locatie verzamelen door het museum zelf. Dit betekende dat het museum verzamelreizen zou organiseren, waarbij conservatoren naar een specifieke regio zouden trekken om daar in de lokale cultuur objecten te accumuleren. Het voordeel hiervan was dat de museummedewerkers gericht op zoek konden naar specifieke voorwerpen. Bovendien kon het zoeken naar objecten gecombineerd worden met veldwerk, waarbij de lokale culturen werden onderzocht en gedocumenteerd door middel van fotografie en film. Dit was noodzakelijk aangezien niet alleen de objecten uit de niet door Nederland gekoloniseerde gebieden ontbraken in de museumcollectie, maar ook de kennis over hun leefwijzen, die van net zo’n groot belang is bij het maken van een tentoonstelling.4
‘Na de reis van 1955 kwamen Jager Gerlings en Jongmans terug in Nederland met nieuwe aanwinsten voor de museumcollectie.’ Reis naar Marokko De nieuwe visie van Jager Gerlings werd voor het eerst in de praktijk gebracht in 1955. In dat jaar reisde de conservator naar de Sahara in Marokko, samen met zijn rechterhand Douwe Jongmans, antropoloog en Noord-Afrikaspecialist aan de Universiteit van Amsterdam. Dat Noordwest-Afrika een van de eerste regio’s was waar het Tropenmuseum zich na 1950 op ging focussen, heeft een praktische verklaring. Het gebied was relatief makkelijk bereikbaar vanuit Nederland; met de auto reisde men via Spanje, waarna men na een korte oversteek in Marokko aankwam. Er hoefde geen vliegtuig of lange boottocht aan te pas te komen. Daarnaast heerste er relatieve politieke stabiliteit en doordat het gebied in het verleden gekoloniseerd was geweest door Frankrijk was er ook een redelijke infra-
(1) Tentoonstellingsaffiche Tropenmuseum: Sahara 1961
structuur aanwezig. Ook speelde mee dat er in Noord-Afrika ondanks deze opkomende modernisering nog wel traditionele culturen te vinden waren, die de interesse van het museum wekte. Gedurende een aantal weken deden Jager Gerlings en Jongmans onderzoek naar de Berber gemeenschappen en hun sociale en maatschappelijke ontwikkeling in de jaren ’50. Ze maakten een antropologische analyse van de cultuur door het leven in de Sahara te observeren en contact te leggen met veel mensen uit het gebied en tijd met hen door te brengen, bijvoorbeeld tijdens de maaltijden.5 Tegelijkertijd verzamelden Jager Gerlings en Jongmans voorwerpen die door de lokale bevolking werden gebruikt. Zo bezochten ze de Marokkaanse markten en kochten daar de koopwaren die ze aan de museumcollectie wilden toevoegen, zoals weefsels en aardewerk. Ook kregen Jager Gerlings en Jongmans schenkingen aangeboden van de bevolking. Een bijzonder voorval was de ontmoeting met een Marokkaanse archeoloog, die zo enthousiast was over het werk van Jager Gerlings en Jongmans voor het Tropenmuseum, dat hij het museum zijn uitgebreide verzameling van Marokkaanse muziekinstrumenten als schenking aanbood.6 Bij de studie- en verzamelreis maakten Jager Gerlings en Jongmans ook gebruik van de nieuwe technologische middelen om het Saharagebied vast te leggen. Ze fotografeerden het landschap en de mensen, maakten video-opnamen en legden de geluiden van de omgeving als audio vast.7 Woestijn geëxposeerd Na de reis van 1955 kwamen Jager Gerlings en Jongmans terug in Nederland met nieuwe aanwinsten voor de museumcollectie, zoals antropologische kennis over de Saharagemeenschappen, objecten uit het gebied en audio- en beeldmateriaal van de omgeving. Een aantal jaar later vormde dit materiaal, aangevuld met bruiklenen uit de collecties van onder andere het Musée de l’Homme in Parijs, de basis voor een tentoonstelling die aandacht schonk aan allerlei aspecten van het leven in de Sahara. De expositie opende in het voorjaar van 1961 en zou oorspronkelijk vijf maanden te zien zijn. Het werd een groot succes en er kwam veel publiek op af, waardoor de tentoonstelling werd verlengd en bijna een jaar te zien was. Een belang-
(2) De Sahara-tentoonstelling in de lichthal van het Tropenmuseum
22 rijk deel van het succes was te wijten aan de manier waarop de tentoonstelling was ingericht. Net als bij de voorbereidende reis, waren ook hier de ideeën van Jager Gerlings leidend. Volgens hem moest de vernieuwing van het museum op het gebied van de collectie samengaan met nieuwe presentatiemethoden in de exposities. Hij wilde dat er niet enkel objecten in vitrines werden tentoongesteld, maar dat er werd gepoogd om de complete sfeer van de cultuur in kwestie over te brengen naar het publiek. Dit kon bijvoorbeeld gedaan worden door grote fotoafdrukken op te hangen, levensechte replica’s van bepaalde culturele elementen te maken en door authentieke geluiden te laten horen. Bij de Saharatentoonstelling bracht Jager Gerlings deze ideeën in de praktijk.8
(3)
lijkse markt, een belangrijk deel van het leven van de oasebewoners aangezien zij hun inkomsten met name uit handel haalden, werd op deze manier vertoond. Er werd een impressie gegeven van een zogenoemde ‘souq’ (markt), met marktkraampjes en een smid die op de markt aan het werk is (een pop, gekleed als een smid, met geluid van smeden).10 Het leven van de tweede groep Saharabewoners, de nomaden, was uitgebeeld door middel van replica’s van de tenten waarin zij woonden. De tenten waren gemaakt van authentieke materialen, verzameld tijdens de voorbereidende expeditie, en hadden een inrichting met onder andere wollen vloerkleden die door nomadenvrouwen waren geweven. Naast de nomadententen was een opgezette kameel te zien, een dier dat een centrale rol had voor de trekkende nomaden.11 Naast de reconstructies was ook het afspelen van authentieke geluiden uit de regio een essentieel element waarmee de sfeer van de Sahara in het museum tot leven werd gewekt. Krantenartikelen die vertelden over de expositie legden uit dat er rondleiders waren die bandrecorders bij zich droegen waarop audio-opnamen stonden van geluiden uit de omgeving. Deze werden tijdens de rondleiding bij verschillende afdelingen afgespeeld. Dit droeg bij aan de ervaring van de bezoekers, die zich met het horen van de geluiden een betere voorstelling konden maken van het leven in de Sahara. De verslaggevers noemden in hun artikelen verschillende geluiden die zij via de bandrecorder hadden gehoord: het ritueel van het water putten, het brullen van een dromedaris, het balken van een ezel, exotische muziek, conversatie en het oproepen tot het gebed.12
‘De tentoonstelling toonde de gevolgen van de modernisering in het gebied.’
In de lichthal van het museum, waar de tentoonstelling was opgesteld, kon de bezoeker zich in het Noord-Afrikaanse woestijngebied wanen. Dat het museum er alles aan deed om dat doel te bereiken, blijkt wel uit het feit dat de vloer van de gehele ruimte bedekt was met zand. Een verslaggever die aanwezig was bij de opening beschrijft het geheel doeltreffend: ‘Een deel van het Tropenmuseum te Amsterdam is herschapen in een zandwoestijn. Vandaag is namelijk daar een tentoonstelling geopend over de Sahara en om de bezoekers zoveel mogelijk in de juiste stemming te brengen, heeft men de gehele oppervlakte van de expositie bestrooid met zand. Het zand is weliswaar afkomstig uit de duinen bij Zandvoort, maar het geeft toch wel een idee van de Afrikaanse zandwoestenij. Om de tentoonstelling goed te bekijken moet men zich dezelfde ontberingen getroosten als de bewoners van de Sahara: men dient door het zand te ploeteren.’9
Aan het einde van de tentoonstelling werd ingegaan op de economische veranderingen die het gebied had ondergaan in de periode van modernisering na de Tweede Wereldoorlog. De tentoonstelling liet naar voren komen hoe de winning van olie en aardgas in het gebied ervoor zou kunnen zorgen dat er een moderne economische sector zou kunnen opkomen. Deze zou dan naast de ‘primitieve’ economische structuur leven, die draaide om zelfvoorzienendheid en het ruilen van goederen. Daarnaast toonde de tentoonstelling door middel van foto’s en voorwerpen de andere gevolgen van de modernisering: de komst van onderwijs, technologie die ambachten verving en nieuwe media zoals de radio.13
Sahara tot leven gebracht Het museumpubliek kwam oog in oog met de leefwijze van de bevolking van de Sahara. Er werd onderscheid gemaakt tussen twee groepen: mensen die in oasen (nederzettingen in de woestijn met landbouw) leefden en nomaden. De leefstijl van beide groepen werd in het museum toegelicht door middel van reconstructies. Om de bezoekers te laten zien hoe het dagelijks leven van de oasebewoners eruit zag, was er een reconstructie van een woning uit een oasedorp gerealiseerd. Ook de weke-
Receptie Met het diverse materiaal, bestaande uit foto’s, objecten, teksten, geluiden en replica’s van woonomgevingen, slaagde de tentoonstelling erin om alle aspecten van de Saharaculturen tot leven te brengen in het museum. De expositie was voor het Tropenmuseum een groot succes. Er kwamen veel bezoekers en journalisten schreven enthousiaste verslagen. Volgens journalisten was de Saharatentoonstelling ‘een boeiend geheel’14 en een ‘bijzondere en met veel zorg opgebouwde tentoonstel-
23 ling’,15 die de bezoeker ‘[o]p voortreffelijke wijze confronteert (…) met [het] milieu en [de] sfeer van de woestijnbewoners.’16
‘De vloer van de hele tentoonstellingsruimte was bedekt met zand.’ Vanuit het perspectief van vandaag de dag zal de Saharatentoonstelling iets anders worden beoordeeld. Bij het maken van de tentoonstelling in 1961 vond er geen samenwerking plaats tussen museumpersoneel en mensen uit de Sahara of Noord-Afrika zelf. Dit soort input vindt bij vergelijkbare hedendaagse exposities steeds meer plaats, om een inclusiever karakter te kunnen realiseren. Naast de manier waarop de tentoonstelling werd gemaakt, kan ook kritiek worden geuit op het beeld dat van de woestijnbewoners werd neergezet. De museummedewerkers en tentoonstellingsmakers hebben zich berust op stereotypen; het zand, de geluiden van ezels en dromedarissen en de opgezette dieren maakten dat de tentoonstelling een clichématig beeld gaf van de cultuur. Er werd sterk onderscheid gemaakt tussen traditie en moderniteit en daarmee werden de verschillen tussen de Saharacultuur en het leven in Nederland benadrukt; de woestijnbewoners waren de vreemde ‘ander’.
(4)
Desondanks kan de Saharatentoonstelling geprezen worden om hetgeen de expositie met succes heeft bereikt; het Nederlandse publiek kon op een laagdrempelige manier kennis maken met de mensen in de Noord-Afrikaanse woestijn. In de samenleving van eind jaren ‚50 en begin jaren ‚60 hadden veel mensen een verkeerd beeld van de Saharagemeenschappen. De tentoonstelling slaagde erin de heersende misvattingen te ontkrachten.Waar men bij een oase bijvoorbeeld vaak een romantisch beeld voor zich zag met ‘wuivende palmen’ en ‘het lieflijk klaterende koele water’, maakte de tentoonstelling duidelijk dat dit beeld niet overeenkomt met de werkelijkheid, waarin men het moet doen ‘met armzalige nederzettingen, waar gemiddeld zo’n vijf- tot zeshonderd mensen zich met moeite in leven kunnen houden.’17 Hoewel de tentoonstelling op clichés berustte, bewees ze dat de Sahara een interessante en veelbewogen cultuur kende, die voor veel Nederlanders in die tijd nog onbekend was.
Afbeeldingen (1) Tentoonstellingsaffiche Tropenmuseum: Sahara 1961, maker onbekend, 1961, Amsterdam, Nationaal Museum van Wereldculturen (TM-5877-24). (2) De Sahara-tentoonstelling in de lichthal van het Tropenmuseum – Nieuwe verschijningen in de Sahara, fotograaf onbekend, 1961-1962, Amsterdam, 13 x 16,5 cm, Nationaal Museum van Wereldculturen (TM-60057800). (3) Sahara-tentoonstelling 30 mei 1961-20 mei 1962, fotograaf onbekend, 1961-1962, Amsterdam, 13 x 15,1 cm, Nationaal Museum van Wereldculturen (TM-60057789). (4) Opening van de Sahara-tentoonstelling in de lichthal van het Tropenmuseum, fotograaf onbekend, 30 mei 1961, Amsterdam, 13 x 18,3 cm, Nationaal Museum van Wereldculturen (TM-60049266). Verwijzingen D. van Duuren, 125 jaar verzamelen:Tropenmuseum, Koninklijk Instituut voor de Tropen (Amsterdam 1990); ‘Universiteiten en musea gaan koloniale kunstcollecties onderzoeken’, https://nos.nl/artikel/2359648-universiteiten-en-musea-gaan-koloniale-kunstcollecties-onderzoeken (7 december 2020), geraadpleegd op 20 december 2020. 2 Van Duuren, 125 jaar verzamelen; C. Kreps, ‘Changing the rules of the road: Post-colonialism and the new ethics of museum anthropology’, in: J. Marstine (red.), The Routledge companion to museum ethics: Redefining ethics for the twentieth-century museum (Londen 2011) 70-84, aldaar 73. 3 Van Duuren, 125 jaar verzamelen, 33; P. Faber, S. Wijs & D. van Dartel, Africa at the Tropenmuseum (Amsterdam 2011) 33 en 35. 4 Faber et al., Africa at the Tropenmuseum, 35. 5 D.G. Jongmans & J.H. Jager Gerlings, Van bron tot bron: onder de Berbers van de Marokkaanse Sahara (Amsterdam 1955). 6 Ibidem, 53-55, 61-63, 180 en 182. 7 M. Shatanawi, Islam at the Tropenmuseum (Arnhem 2014) 48-50; Van Duuren, 125 jaar verzamelen, 33 en 35. 8 R.A.M. Bergman (red.), Sahara: Koninklijk Instituut voor de Tropen Amsterdam, 30 mei-29 oktober 1961 (Amsterdam 1961); ‘Saharatentoonstelling in Tropenmuseum wordt verlengd’, Het Parool (13 oktober 1961); Faber et al., Africa at the Tropenmuseum, 35;Van Duuren, 125 jaar verzamelen, 33. 9 ‘Sfeervolle tentoonstelling over de Sahara’, Algemeen Handelsblad (31 mei 1961). 10 ‘In de Sahara niet alleen maar zand…’, Trouw (2 juni 1961); ‘Sfeervolle tentoonstelling’, Algemeen Handelsblad (31 mei 1961). 11 Faber et al., Africa at the Tropenmuseum, 33; ‘In de Sahara’, Trouw (2 juni 1961); Bergman (red.), Sahara; Foto’s in de collectie van het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW) met inv.nr. TM-60057801, TM-60057803, TM-60057804 en TM-60057805. 12 ‘Expositie over de Sahara in Tropenmuseum’, Gereformeerd gezinsblad (2 juni 1961); ‘In de Sahara’, Trouw (2 juni 1961); ‘Sfeervolle tentoonstelling’, Algemeen Handelsblad (31 mei 1961). 13 Bergman (red.), Sahara; Foto in de collectie van het NMVW met inv.nr. TM-60057800. 14 ‘In de Sahara’, Trouw (2 juni 1961). 15 ‘Sfeervolle tentoonstelling’, Algemeen Handelsblad (31 mei 1961). 16 ‘Sahara-tentoonstelling in Instituut voor de Tropen’, Leeuwarder courant (19 september 1961). 17 ‘In de Sahara’, Trouw (2 juni 1961). 1
24
Lisa Bakhuizen van den Brink
Toussaints onzichtbare bondgenoot Hoe de verspreiding van gele koorts Haïti bevrijdde Terwijl de jonge Franse Republiek druk was met de Revolutionaire oorlogen in Europa, zag de bevolking van SaintDomingue (het huidige Haïti), Frankrijks belangrijkste kolonie, de kans voor een succesvolle onafhankelijkheidsstrijd. Ze slaagde erin zich uit de slavernij te bevrijden en zich te ontwikkelen tot een de facto autonoom land. Echter, zodra Napoleon te horen kreeg dat ze dit in de grondwet wilde vastleggen, stuurde hij zijn leger erop af om de veranderingen terug te draaien en de winstgevende plantage-economie te herstellen. Binnen twee jaar gaf hij op. Hoe kwam het dat de voormalige slavenbevolking sterker was dan Napoleons goed uitgeruste leger? Dat kwam omdat ze de Aedes aegypti aan hun kant hadden. Deze mug heeft met het gele-koortsvirus meer soldaten gedood dan de Haïtianen ooit konden. Ontstaan Saint-Domingue De kolonisatie van Saint-Domingue begon in 1492 toen Columbus het eiland Hispaniola bereikte. Het gehele eiland was twee eeuwen lang in handen van de Spaanse kroon, totdat in 1697 met het Verdrag van Rijswijk het westelijke deel van het eiland aan het Franse rijk werd overgedragen en het de naam SaintDomingue kreeg. Binnen een eeuw werden meer dan 700.000 tot slaaf gemaakte mensen uit Afrika naar de kolonie gebracht om op één van de vele suikerriet- en koffieplantages te werken. Overigens kwamen ook veel Franse kolonisten vrijwillig naar de kolonie. Hoewel sommige van hen erin slaagden om rijke plantagehouders te worden, moesten de meeste Fransen er in armoede leven. Saint-Domingue groeide uit tot Frankrijks rijkste kolonie en de grootste producent van suiker ter wereld. Tegen de jaren 1780 had Saint-Domingue ongeveer 8.000 plantages, waarop een half miljoen tot slaaf gemaakte mensen werkten. De gehele bevolking van de kolonie groeide alleen door immigratie. De tot slaaf gemaakten hadden een slechte gezondheid, vanwege de erbarmelijke omstandigheden waarin ze moesten werken. Jaarlijks ging tot 10% van de mensen op de plantages dood aan uitputting, honger en ziekte. Onder de kolonisten heerste ook een hoog sterftecijfer. Zij waren bovenal gevoelig voor de infectieziekten die breed verspreid waren in de kolonie, zoals malaria, pokken en tyfus. De meeste van hen kwamen uit Frankrijk en liepen een hoog risico op tropische ziektes als ze naar het Caribisch gebied reisden, maar de ziekte die zij het meest vreesden was gele koorts.1
Gele koorts Het gele-koortsvirus wordt gedragen door de Aedes aegypti, een muggensoort waarvan de vrouwtjes de ziekte kunnen overdragen op mensen. Mensen kunnen het virus niet aan elkaar overdragen, maar zij kunnen het wel aan onbesmette muggen geven als ze door hen gestoken worden. De muggen komen veelvuldig voor in West- en Centraal-Afrika en zijn waarschijnlijk na Columbus via slavenschepen van West-Afrika naar het Caribisch gebied gebracht. De ziekte geeft in milde gevallen slechts griep met spierpijn en hoofdpijn. De symptomen houden dan een paar dagen aan en verdwijnen daarna. In de ernstige gevallen komen de symptomen opnieuw tevoorschijn, met geelzucht, interne bloedingen en het ‘zwarte’ braken. Hierna komt de persoon vaak te overlijden. Kinderen ervaren slechts milde symptomen en na de ziekte te hebben doorstaan is de persoon immuun voor het leven.2
‘In de ernstige gevallen komen de symptomen opnieuw tevoorschijn, met geelzucht, interne bloedingen en het ‘zwarte’ braken.’ Bedreiging Het sterftecijfer van historische gele-koorts epidemieën is moeilijk vast te stellen, doordat het overgrote deel van de ziektegevallen niet werd vastgelegd.Tegenwoordig is het sterftecijfer van mensen die met gele koorts geïnfecteerd raken ongeveer 3-13%, maar dat zou vroeger aanzienlijk hoger zijn geweest. Sommige historische verslagen stellen dat meer dan 80% van
25 de geïnfecteerden overleed aan de ziekte, al lag het aantal in werkelijkheid lager.3 Voor mensen van Europese afkomst was de ziekte in ieder geval berucht. Ze wisten dat de ziekte in vochtige, hete en lage gebieden heerste (waar muggen van houden) en vermeden daarom de havens van Saint-Domingue, maar wisten verder niet waar hij vandaan kwam. Europese nieuwkomers hadden nog minder kennis over de ziekte en velen kwamen al bij aankomst in de havens te overlijden. Dat muggen de ziekte bij zich droegen en konden overbrengen op de mens wist helemaal niemand: men dacht dat de ziekte van het klimaat zelf kwam.
(1767-1820), die later zijn vertrouwelingen zouden worden. Frankrijk stuurde haar soldaten op de kolonie af om de opstand te onderdrukken, maar de voormalige slaven waren standvastig. Geïnspireerd door de Franse Revolutie bleven ze doorvechten. Na twee jaar chaos werd in 1793 slavernij op de kolonie afgeschaft. Dit kwam doordat de Fransen het al druk hadden met de Revolutionaire oorlogen in Europa: ze hadden net aan GrootBrittannië de oorlog verklaard en konden zich niet nog een oorlog veroorloven.Veel kolonisten verlieten in deze tijd de kolonie omdat hun privileges waren ingeperkt.5
‘Deze mug heeft met het gelekoortsvirus meer soldaten gedood dan de Haïtianen ooit konden.’ Kudde-immuniteit Tot en met de jaren 1750 waren er nog regelmatig vlagen van gele koorts in de kolonie, omdat een groot deel van de bevolking uit Franse nieuwkomers bestond. In de havens brachten slavenschepen ook jaarlijks nieuwe varianten van gele koorts met zich mee. Dit in combinatie met de groei van het aantal suikerrietplantages, waarop veel water wordt opgeslagen, leidde ertoe dat de muggenpopulatie toenam. In het regenseizoen, dat ongeveer van april tot en met oktober duurde, explodeerde het aantal muggen. Maar vanaf de jaren 1760 was het overgrote deel van de kolonie in gele-koorts gebieden in Afrika of in Saint-Domingue zelf opgegroeid, waardoor groepsimmuniteit was bereikt. Het virus kon zich nauwelijks buiten de havensteden verspreiden, omdat de meeste mensen er immuun voor waren. Voor een nieuwe gele-koorts epidemie was een grote toestroom van niet-immune nodig en dit is wat de Haïtiaanse revolutie zou brengen.4 Slavenopstand De Franse Revolutie begon in 1789 en haar ideeën bereikten ook de Franse koloniën. Twee jaar later begon een slavenopstand in Saint-Domingue, die zich uitmondde in een onafhankelijkheidsstrijd. Toussaint Louverture (1743-1803), een voormalig slaafgemaakte die zo rijk was geworden dat hij zelf ook tot slaafgemaakte mensen in dienst had, nam de leiding. Hij had buitengewone medische kennis en begon als arts van het revolutionaire leger, maar ontwikkelde zich al snel door tot commandant van het leger en kreeg zijn eigen groep volgelingen. Hij ontmoette daar andere belangrijke opstandelingen, zoals Jean-Jacques Dessalines (1758-1806) en Henri Christophe
(I) Portret van Toussaint Louverture
Hoewel de ziekte een bedreiging vormde voor de kolonisten, was hij onbelangrijk voor de tot slaaf gemaakte bevolking. De mensen die uit West- en Centraal-Afrika kwamen, hadden de ziekte al als kind doorstaan, of hadden enige weerstand van hun voorouders geërfd en de ziekte daardoor overleefd. De meesten waren zich er echter niet van bewust dat ze immuun waren en besteedden er geen aandacht aan.
Brits tusenspel Terwijl Franse kolonisten Saint-Domingue verlieten, vielen in 1793 de Britten de kolonie binnen. Ze kwamen om de slavenopstand te onderdrukken en de plantage-economie te herstellen, omdat ze vreesden dat het revolutionaire sentiment zich ook naar hun Caribische kolonies zou verspreiden. Toussaint moest het toen tegen de Britten opnemen, maar hij kreeg wel Franse steun. Hij gebruikte guerrillatactieken tegen de ervaren Britse soldaten en maakte goed gebruik van zijn inlichtingen netwerken in de kolonie. Vijf jaar lang hadden de Britten de strijd volgehouden, maar ze moesten uiteindelijk opgeven omdat ze te veel soldaten aan ziekten verloren. Nadat ze waren vertrokken trok Toussaint alle macht naar zich toe en ontwikkelde hij zich tot koloniale gouverneur. Formeel gezien bleef Saint-Domingue een Franse kolonie, maar hij regeerde als een alleenheerser.6 Ingrijpen van Napoleon In juli 1801 stelde Toussaint een nieuwe grondwet op, die hem tot gouverneur-voor-het-leven zou benoemen. Napoleon vreesde dat Toussaint uiteindelijk de onafhankelijkheid zou ver-
26 Medische praktijken klaren en stuurde zijn schoonbroer generaal Charles Leclerc (1772-1802) op de kolonie af. Zijn plan was om de Franse koloniën weer winstgevend te maken door de plantage-economie nieuw leven in te blazen. Leclerc bereikte Saint-Domingue in februari 1802. Hij kreeg zo’n 42.000 soldaten en scheepslieden mee die dankzij Napoleons imperialistische ambities goede training en uitrusting hadden. Toussaint had zo’n 34.000 soldaten aan zijn kant staan en had een beperkt militair budget: ze waren nauwelijks getraind en hadden minimale uitrusting.7 Toussaints strategie Toussaint en Leclerc waren zich er echter beiden van bewust dat Toussaint een veel krachtiger wapen had: het regenseizoen. Toussaint had zijn strategie hierop gebaseerd. Hij zou tot en met augustus verdedigend vechten, en vanaf september, wanneer de Fransen zouden bezwijken aan gele koorts, aanvallend vechten. Leclerc wilde zo snel mogelijk met de oorlog klaar zijn en het regenseizoen ontwijken, maar hield verder weinig rekening met de ziekte. Dankzij de uitbreiding van de dienstplicht in Frankrijk waren er genoeg soldaten om het leger aan te vullen.8 In april begon het regenseizoen langzaam, maar het zag er nog goed uit voor Leclerc. Zijn leger was groter, rijker en beter bewapend. Daarom stapten veel van Toussaints soldaten over naar de ‘winnende’ partij. Zelfs Dessalines en Christophe, zijn trouwe generaals, maakten de overstap, terwijl zij op de hoogte waren van Toussaints plan. Als de ‘zwakkere’ partij gebruikte Toussaint wederom guerrillatactieken als verrassingsaanvallen en tactische verplaatsing.9
‘Toussaint en Leclerc waren zich er echter beiden van bewust dat Toussaint een veel krachtiger wapen had: het regenseizoen.’
Napoleons soldaten die vochten op Saint-Domingue kwamen uit verschillende Europese landen.Vele van hen hadden goede militaire training en hadden al in Europa en Noord-Afrika gevochten, maar geen van hen had ervaring met gele koorts. De medische praktijken van het leger verergerden de situatie. De dokters wisten niet wat de ziekte veroorzaakte en hun geneesmethodes deden meer kwaad dan goed. Ze volgden verouderde medische tradities en bovenal de humorenleer. Volgens deze leer wordt ziekte veroorzaakt door een onbalans van de lichaamssappen (humores) en moeten deze weer in balans gebracht worden. Griep zou veroorzaakt worden door een overmaat aan bloed en kon dus het best behandeld worden met aderlaten, waarbij bloed uit het lichaam wordt onttrokken. Militaire dokters hadden in het algemeen een slechte naam en daarom bleven veel zieken uit hun buurt.13
Geheim plan In mei verloor Leclerc dagelijks zo’n 40 soldaten aan gele koorts. Maar in dezelfde maand trok Toussaint zich na onderhandelingen met Leclerc onverwachts terug uit de strijd. Leclerc dacht dat hij de overwinning had, maar wist niet dat Toussaint een geheim plan had. Hij wilde wachten met aanvallen totdat het regenseizoen zijn piek had bereikt en de Fransen verzwakt waren door gele koorts. Daarnaast hadden de opstandelingen die naar de Fransen waren overgestapt krachtige wapens van hen gekregen, en Toussaint verwachtte dat ze, met betere uitrusting, uiteindelijk weer naar zijn kant zouden komen. Toussaints plan werd echter al snel ontdekt door de Fransen. In juni werd hij gevangengenomen en naar Frankrijk gestuurd, waar hij later overleed. Ondanks dat de opstandelingen geen leider meer hadden bleven ze doorstrijden. In juli en augustus groeide het dagelijkse dodental van het Franse leger tot meer dan 100. Het overgrote deel stierf aan gele koorts. Leclerc schreef in september dat hij zo’n 25.000 soldaten extra nodig had om de opstand te onderdrukken. Het dodental bleef oplopen, en het zag ernaar uit dat als de ziekte tot eind november in het leger zou blijven heersen hij definitief zou verliezen. De sterfte onder de Europese soldaten was zo groot dat Leclerc afhankelijk werd van opstandelingen die nog aan de Franse kant stonden. De strijd werd nu met name gestreden tussen mensen van Afrikaanse afkomst omdat zij als enige over waren gebleven. Afgang Leclerc Halverwege oktober sloten Christophe en Dessalines zich weer aan bij de opstand, en andere afvallige opstandelingen volgden hen waardoor Leclerc de meerderheid van zijn overgebleven soldaten verloor. Begin november overleed hij zelf aan gele koorts en werd zijn bevel overgedragen aan Donatien Rochambeau (1755-1813). Maar de strijd was toen al bijna verloren. Na-
(II) De Aedes aegypti
27 poleon stuurde in december nog zo’n 12.000 soldaten op de kolonie af en hierdoor kon Rochambeau de strijd nog even volhouden. Totdat in april 1803 het regenseizoen weer begon, de gele-koortsmuggen kwamen en de Franse soldaten weer massaal kwamen te overlijden.10
leger (Originele illustratie van Auguste Raffet, gravure van César-Auguste Hébert, Combat et prise de la Crête-à-Pierrot, 1839, ingekleurde gravure, M. de Norvins, Histoire de Napoléon.)
Het einde van de strijd Tot overmaat van ramp verklaarde Groot-Brittannië in mei Frankrijk weer de oorlog. Hierdoor konden de Fransen niet langer hun overzeese leger bevoorraden zonder dat de Britten hun schepen zouden onderscheppen. Napoleon wist dat de oorlog verloren was en liet het aan Rochambeau over om hem af te ronden. Door de Britse blokkade op zee verloor Rochambeau steeds meer gebied, en in november vond de beslissende slag plaats waarbij hij zich overgaf. Binnen een paar dagen verlieten de Fransen het land.11
1
Op 1 januari 1804 riep Dessalines de Republiek Haïti uit. Het is tot op de dag van vandaag het enige land dat is ontstaan uit een slavenopstand. Het aantal doden van de Haïtiaanse opstandelingen is onzeker. In ieder geval overleden de meeste opstandelingen in de strijd en slechts een klein deel aan ziekte. Van de Franse soldaten die naar de kolonie waren gestuurd was meer dan 80% overleden, en daarvan was de overgrote meerderheid overleden aan gele koorts. Ze waren niet opgewassen tegen de Aedes aegypti: de mug die een belangrijke rol speelde in de succesvolle onafhankelijkheidsstrijd van Haïti.12 Afbeeldingen (I) Portret van Toussaint Louverture (Onbekend, Toussaint Louverture Chef des Noirs Insurgés de Saint Domingue, ca. 1800, ingekleurde gravure, 29,2 x 20,7 cm, John Carter Brown Library, Providence, Rhode Island.) (II) De Aedes aegypti (A.J.E. Terzi, An anopheles mosquito (Aedes aegypti), ca. 1925, inkt met waterverf op papier, 33,5 x 34,1 cm, Wellcome Library, Londen. Deze afbeelding valt onder de Creative Commons licentie Naamsvermelding 4.0 Internationaal.) (III) De Haïtiaanse opstandelingen in strijd met het Franse
Verwijzingen The Colonial Williamsburg Foundation, ‘Haiti (Saint-Domingue)’, Slavery and Remembrance http://slaveryandremembrance.org/articles/article/?id=A0111 (geraadpleegd 1 januari 2022); C.S. Martz, ‘Haiti’s Slave Revolt and War for Independence’, Bill of Rights in Action 35:2 (2020) 1-4 aldaar 1; J.R. McNeill, ‘Atlantic Empires and Caribbean Ecology’ in: Ibidem, Mosquito Empires: Ecology and War in the Greater Caribbean, 1620–1914 (New York 2010) 15-62, aldaar 33-34; Ibidem, ‘Revolutionary Fevers, 1790–1898: Haiti, New Granada, and Cuba’ in: Ibidem, Mosquito Empires 235-303, aldaar 236-242. 2 McNeill, ‘Atlantic Empires’, 33-34. 3 Ibidem, 37. 4 Ibidem, ‘Deadly Fevers, Deadly Doctors’ in: Ibidem, Mosquito Empires 63-87, aldaar 72; Ibidem, ‘Revolutionary Fevers’ 238242. 5 Ibidem, ‘Revolutionary Fevers’, 243-249. 6 Ibidem, 248-251. 7 Ibidem, 251-253; P.R. Girard, ‘Napoléon Bonaparte and the Emancipation Issue in Saint-Domingue, 1799-1803’, French Historical Studies 32:4 (2009) 587-618, aldaar 603. 8 Ibidem, ‘Revolutionary Fevers’, 240, 252-254; A. Forrest, ‘Policing, Rural Revolt and Conscription in Napoleonic France’, in: M. Broers, P. Hicks en A. Guimerá (red.), The Napoleonic Empire and the New European Political Culture.War, Culture and Society, 1750–1850 (Londen 2012) 49-58. 9 McNeill, ‘Revolutionary Fevers’, 238-242, 252-256. 10 Ibidem, 253-259. 11 Ibidem, 258; Girard, ‘Napoléon Bonaparte’, 616. 12 McNeill, ‘Revolutionary Fevers’, 257-259. 13 Ibidem, ‘Deadly Fevers’ 68-70, 86; Ibidem, ‘Revolutionary Fevers’ 252; J.S. Marr, en J.T. Cathey, ‘The 1802 Saint-Domingue Yellow Fever Epidemic and the Louisiana Purchase’, Journal of Public Health Management and Practice 19:1 (2013) 77-82, aldaar 81.
(III) De Haïtiaanse opstandelingen in strijd met het Franse leger
28
Thymo Gieltjes
De neolithische revolutie en de klimaatcrisis Een multidisciplinaire blik op verleden en toekomst (1)
Het stereotiepe beeld van jager-verzamelaars als wilden die zich noodgedwongen bevonden in een strijd om te overleven is al keer op keer abuis verklaard door onderzoek uit de afgelopen decennia.1 Jager-verzamelaars kenden over het algemeen een overvloed aan gevarieerd voedsel, waarvoor ze relatief weinig arbeid hoefden te verrichten in vergelijking met de eerste landbouwmaatschappijen.2 Bovendien tonen archeologische bronnen aan dat ze gezonder waren dan de meeste agrarische samenlevingen; pas in de laatste anderhalve eeuw is de gemiddelde gezondheid van de mens weer hetzelfde geworden als die van het late Pleistoceen, de periode voor de overgang naar landbouw.3 Het is dan ook niet met zekerheid te stellen waarom die drastische overgang, de neolithische revolutie of de landbouwrevolutie, zich ooit voltrok. Een dergelijke revolutie lijkt onwaarschijnlijk zonder direct zichtbare voordelen. Net zoals de neolithische revolutie een totaal keerpunt was voor mensen circa tien millennia geleden, staat ook de moderne mens op een drempel: die van de klimaatcrisis. Door antropogene aantasting van het milieu zijn de ecologische en klimatologische omstandigheden op aarde dusdanig aangetast dat onze huidige manier van leven niet veel langer in stand te houden is. Eén van de pijlers van ons bestaan, landbouw, zal de impact van de klimaatcrisis sterk voelen.4 Het verleden kan ons belangrijke inzichten geven met het oog op de transformaties van de komende decennia. Door het ontstaan van landbouw te beschouwen, is het mogelijk om de huidige klimaatcrisis vanuit een andere hoek te observeren. Kan landbouw worden verduurzaamd, of misschien zelfs mee worden afgedaan, indien dat nodig blijkt te zijn? Kunnen we iets leren van de mensen die leefden zonder landbouw? Door parallellen te trekken tussen jager-verzamelaars en mensen uit de 21e eeuw kan een nieuw perspectief op het heden worden geboden. Verreikende veranderingen Eén van de meest ingrijpende gebeurtenissen in de menselijke geschiedenis is de neolithische revolutie, waarvan de eerste sporen circa 10.000 jaar oud zijn. De overgang van een jager-verzamelaarmaatschappij naar een sedentair-agrarische bracht grootschalige veranderingen met zich mee, waarvan hier een grof overzicht zal worden gegeven. Sociaal gezien betekende landbouw de stap van een vrijwel compleet egalitaire gemeenschap, zoals die van de jager-ver-
zamelaars, naar een sterk hiërarchische samenleving.5 Hoewel deze verandering zich langzaam voltrok, had het drastische gevolgen voor de toekomst van de mens. Met de intrede van de landbouw kreeg privébezit een grotere rol, door bijvoorbeeld de verdeling van landbouwgrond, wat de weg vrijmaakte voor institutionele machtsstructuren. De meeste mensen in de eerste landbouwmaatschappijen ondergingen een slaafs bestaan in een kastenstelsel.6 Deze nieuwe maatschappij betrof ook andere verreikende sociale hervormingen: archeologisch bewijs duidt op veranderingen in huisvesting, begrafenispraktijken, kunst, etc.7 Dit moet behoorlijk onthutsend zijn geweest voor de mens, wiens psychologie evolutionair is afgesteld op het jager-verzamelaarsbestaan, maar die sinds de neolithische revolutie te kampen krijgt met een scala aan concepten die niet passen in de menselijke denkwijze. Het zou onjuist zijn om het jager-verzamelaarsbestaan aan te duiden als inherent voordeliger of nobeler, maar natuurlijker is het wel. Deze grootschalige sociale en, in diens verlengde, culturele veranderingen hebben de natuurlijke staat van leven grondig aangetast. ‘Natuurlijk’ wordt hier gebruikt om iets aan te duiden dat zonder post-agrarische invloed voorkomt in de natuur, waaronder jager-verzamelaars zelf en alle niet-antropogene ecologische processen. Nieuwe concepten, zoals een sterke onderverdeling in rangordes in de maatschappij waarin men leefde, waren intrinsiek verweven met de opkomst van de landbouwwereld en vinden dan ook hun oorsprong in de neolithische revolutie.8 Jager-verzamelaars hadden bovendien meer tijd voor vertier dan de vroege agrarische maatschappijen. Dit kwam door hun lagere werkdruk, alsmede de afwezigheid van mogelijkheden tot voedselopslag binnen hun maatschappijen: doordat
29 ze niet in staat waren om voorraden aan te leggen, was al het eten dat niet opraakte vanzelf een verspilling, waardoor het niet rendabel was om meer voedsel te vergaren dan nodig voor de dag. Daarnaast miste het boerenbestaan de jacht: een sociale, plezierige bezigheid.9 Sensationele activiteiten zoals jagen en rondreizen werden achtergelaten voor het meer eentonige boerenbestaan. Een nuttig voorbeeld van de ingrijpende sociaal-culturele veranderingen en het daaraan gelinkte verschil in denkwijze van agrarische gemeenschappen en die van jager-verzamelaars, is te vinden in het boek Mutual Aid van Pjotr Kropotkin, waarin hij het leven van Inuit jager-verzamelaars uit de 19e eeuw als voorbeeld neemt: ‘Wat wordt verkregen door jagen en vissen behoort tot de clan. Maar in meerdere stammen, vooral in het westen, onder invloed van de Denen, is privébezit binnengedrongen in hun instituties. Ze hebben echter een originele manier om ongemakken te voorkomen die kunnen ontstaan door het persoonlijke accumuleren van welvaart, hetgeen de saamhorigheid van de stam zou verstoren. Wanneer een man rijk is geworden, roept hij de mensen van zijn clan bijeen en organiseert een groot feest, en verdeelt, na veel eten, zijn fortuin onder hen.’10 Jager-verzamelaars hadden dan ook een sterker gevoel van groepscohesie en hechtten minder waarde aan privébezit. Dit in tegenstelling tot de eerste agrarische maatschapijen, waarin persoonlijk succes en welvaartsvermeerdering voorop stonden en het schenken van giften schaarser werd.11 De eerste boerengemeenschappen gingen er bovendien fysiek op achteruit. De voeding in dergelijke maatschappijen bevatte minder voedingsstoffen dan die van jager-verzamelaars en er was eerder sprake van schaarste en hongersnood.12 Landbouw is gevoeliger voor klimatologische veranderingen dan jagen en verzamelen. Plotselinge weersverschijnselen zoals aan-
(2)
houdende droogtes kunnen bij agrarische gemeenschappen leiden tot hevig voedselgebrek. Jager-verzamelaars waren hier minder vatbaar voor wegens hun manier van leven.13 Overblijfselen van menselijke gebitten tonen daarnaast aan dat de opkomst van landbouw gepaard ging met een sterke verslechtering van de mondgezondheid. De aanwezigheid van dieren vormde bovendien een broeihaard voor de eerste zoönotische epidemieën. Door de domesticatie van bijvoorbeeld veedieren en het nauwe contact dat mensen met deze dieren onderhielden, konden ziektes sneller worden uitgewisseld tussen mens en dier.14 We ondervinden nog steeds de nadelen van het domesticatieproces door zoönosen als ebola.
’’Jager-verzamelaars hadden dan ook een sterker gevoel van groepscohesie en hechtten minder waarde aan privébezit.’’ Bovendien bestaat er een correlatie tussen absentie van een natuurlijke omgeving en mentale klachten; zo heeft grootschalige verstedelijking gezorgd voor een toename in geestelijke aandoeningen,15 en is er geen reden om te veronderstellen dat dit niet het geval zou zijn geweest in de eerste urbane centra. In vergelijking met de stedelijk-agrarische mens is het menselijk brein beter aangepast aan de leefwijze van jager-verzamelaars, aangezien dezen directer in aanraking komen met het ecologische systeem waarin de menselijke hersenen evolutionair zijn ontwikkeld.16 Daarnaast tonen huidige jager-verzamelaars aan dat ze menen in een staat van harmonie te verkeren met de omringende natuur. In tegenstelling tot landbouwmaatschappijen, die veelal geneigd zijn de natuur te zien als iets dat ‘getemd’ moet worden en zichzelf als een ‘eiland van cultuur’, spreken non-agrarische gemeenschappen van de natuur als onvoorwaardelijk vrijgevend.17 Deze overstap van een zogeheten giving environment naar een manipulating environment, die inherent is aan de neolithische revolutie, heeft gezorgd voor omvangrijke veranderingen in de manier waarop mensen de wereld zien;18 een verandering die nooit is omgekeerd, maar louter is versterkt in de afgelopen millennia. Een permanente scheiding tussen natuur en cultuur is ontstaan. De wereld waarin de mensheid zich ontwikkelde en naar welke deze is gemodelleerd, is vreemd geworden.
30 De neolithische ‘revolutie’? Meerdere onderzoekers pleiten om de term ‘neolithische revolutie’ te vervangen met ‘neolithische transitie’. Dit komt door associaties die worden opgewekt bij het woord ‘revolutie’ van snelheid en onomkeerbaarheid, wat in het geval van de neolithische revolutie allebei niet klopt. Het was een proces dat zich gedurende enkele millennia verwezenlijkte; een gemixte leefwijze waarin zowel landbouw als jagen en verzamelen werden bedreven, lijkt dan ook gangbaar te zijn in de transitieperiode.38 Het ontlook zich een grove tien millennia geleden in het Nabije Oosten en verspreidde tussen de achtduizend en vierduizend jaar geleden naar Europa. De neolithische revolutie was dan ook een langdurig proces met ingrijpende veranderingen op sociaal, cultureel, technologisch, ecologisch, economisch, filosofisch, politiek en institutioneel vlak, waaruit logischerwijs volgt dat het zich niet in korte tijd heeft ontplooid. Het proces van domesticatie duurt eveneens eeuwen en is een van de steunpilaren van de neolithische revolutie:39 misschien dat ‘revolutie’ inderdaad misplaatst is. Radicaal was het echter wel: een onmiskenbaar attribuut van iedere revolutie.
Oorzaken en verklaringen De neolithische revolutie had een geweldige invloed op het totaal van de menselijke geschiedenis: zonder die radicale omslag in leefwijze waren er geen massale maatschappijen ontstaan en was er hoogstwaarschijnlijk geen sprake geweest van politiek, schrift, wetenschap of complexe sociaal-economische systemen.19 Het is echter nog onbekend wat jager-verzamelaars precies heeft geleid tot het ondernemen van de sprong naar een agrarische leefstijl. De klassieke redenatie is een klimatologische: sommige jagerverzamelaars zouden tot landbouw zijn gedwongen door veranderingen in het klimaat. Deze uitleg genoot lange tijd de voorkeur binnen antropologisch en archeologisch onderzoek. Vaak wordt hierbij de zogeheten ‘oasentheorie’ van Raphael Pumpelly aangehaald. Volgens deze hypothese zouden de eerste jager-verzamelaars op savannes hebben geleefd, die onbewoonbaar werden door een plotselinge opwarming van het klimaat die zich grofweg 14.000 tot 17.000 jaar geleden voltrok en sterfte van prooidieren veroorzaakte. Hierdoor moesten die gemeenschappen wegtrekken naar meer leefbare gebieden langs rivieren, zoals te vinden zijn in het Nabije Oosten. Langs de oevers van de Nijl, de Eufraat en de Tigris ontstonden dan ook de eerste landbouwsamenlevingen.20 De oasentheorie kent echter twee grote problemen. Allereerst waren er voorafgaand aan de periode die Pumpelly en zijn latere volgelingen noemen al fluctuaties in het klimaat. De theorie verliest dan ook snel houvast wanneer wordt gezien dat die eerdere klimaatveranderingen niet tot landbouw leidden. Bovendien ontbreekt bewijs voor temperatuursstijgingen gedurende het aangegeven tijdsbestek.21 Dat wil niet zeggen dat klimaat geen rol heeft gespeeld in de neolithische revolutie: bepaalde gebieden ervoeren alsnog een latere start in landbouw wegens het plaatselijke klimaat,22 en klimaatgerelateerde omstandigheden hebben een onmiskenbare invloed gehad op het construeren of belemmeren van de sociaal-culturele en technologische omstandigheden die de neolithische revolutie mogelijk maakten.23 Klimaat is waarschijnlijk een factor
geweest, maar niet de enige, noch de doorslaggevende. Bovendien had een positieve klimatologische alteratie evenzo kunnen leiden tot landbouw: jager-verzamelaars zouden in een gunstig klimaat meer tijd hebben gehad om te experimenteren met het cultiveren van planten en het domesticeren van dieren.24
’’Bevolkingsdruk kan een andere aanleiding zijn geweest voor de neolithische revolutie.’’ Bevolkingsdruk kan een andere aanleiding zijn geweest voor de neolithische revolutie. Sommige hypothesen stellen dat jagerverzamelaars een malthusiaans plafond bereikten. Dat wil zeggen dat de bevolkingsgroei niet langer kon worden bijgehouden door de hoeveelheid voedsel die men kon vergaren. Hierdoor zou verdere voortzetting van hun leefwijze niet langer uitvoerbaar zijn geweest. Landbouw moest wel overgenomen worden, zodat meer eten beschikbaar werd. Ook hier is echter sprake van een lacune betreffende archeologisch bewijs. Er zijn geen vondsten om aan te tonen dat er sprake was van hongersnood vóór het ontstaan van agrarische gemeenschappen.25 Bovendien hadden pre-agrarische jager-verzamelaars al toegang tot de zogeheten preventive checks die een malthusiaanse instorting van een gemeenschap konden voorkomen. Een dergelijke instorting zou geschieden wanneer grootschalige crises zouden ontstaan door een ontoereikende hoeveelheid voedsel, maar jager-verzamelaars hielden hun populatie al in toom ‘via uitgesteld trouwen, langdurige borstvoeding, geïnduceerde abortus of infanticide’.26 Daarnaast was landbouw in zijn beginselen niet productief genoeg om onmiddellijk een gangbaar alternatief te vormen.27 Een derde beweegreden achter de neolithische revolutie, is een hoofdzakelijk sociale. Door de aanwezigheid van juist een surplus aan voedsel, niet een tekort, kon een gemeenschap jagerverzamelaars zich wellicht focussen op luxegoederen. De productie van dergelijke objecten was arbeidsintensief, wat potentieel opnieuw heeft geleid tot vraag naar meer voedsel, wat
31 tot een landbouwtransitie heeft kunnen leiden.28 Voor een prevalentie aan luxegoederen onder sedentaire jager-verzamelaars is ruimschoots bewijs.29 Sommige onderzoekers leggen echter de nadruk op het feit dat sociale en culturele tradities voortgang juist belemmeren en dat dit ook het geval geweest kan zijn in de neolithische revolutie. De totale transformatie van de sociaaleconomische orde kan niet eenvoudig zijn geweest om te verwerken. Enkele eerdere veranderingen in de zogenoemde Natufische cultuur, die tussen circa 12.000 en circa 9.000 v.Chr. in de Levant leefde, kunnen echter de basis hebben gevormd voor de neolithische revolutie, waardoor een soepelere overgang mogelijk was; de Natufiërs woonden namelijk al voor de overgang naar landbouw in permanente nederzettingen.30
’’Door de domesticatie van bijvoorbeeld veedieren en het nauwe contact dat mensen met deze dieren onderhielden, konden ziektes sneller worden uitgewisseld tussen mens en dier.’’
(3)
De hoofdgedachte wordt adequaat samengevat in het volgende citaat van Avi Gopher et alii: ‘Een culturele en sociale infrastructuur was nodig die adequaat ontworpen was om veranderingen te ondersteunen en van tevoren volledig was aangepast om die veranderingen te doen slagen. Er moest tevens sprake zijn geweest van een culturele drijfveer – een socio-culturele stimulans (en stress kan worden gezien als een dergelijke stimulans) die een noodzakelijke en toereikende voorwaarde vormt om het proces van start te brengen en te doen slagen. In andere woorden, de reactie op externe (milieu-)stress […] op zichzelf leidt niet noodzakelijk tot domesticatie en landbouw’.31 Eén oorzaak achter de neolithische revolutie valt momenteel niet (en wellicht nooit) aan te duiden; meerdere oorzaken die elkaar door
tijd en ruimte heen ondersteunen, aanvullen en beïnvloeden daarentegen wel. De neolithische revolutie en de klimaatcrisis Het huidige Antropoceen is het gevolg van twee revoluties: de neolithische en de industriële.32 De neolithische revolutie heeft de mens gescheiden van de natuurlijke wereld; de industriële revolutie heeft ervoor gezorgd dat we haar ook kunnen vernietigen. Er zijn bovendien sterke banden met landbouw: de neolithische revolutie markeerde het begin van landbouw, terwijl de industriële revolutie haar uitbreidde tot haar moderne vorm. Landbouw is ecologisch gezien uitdagend, zo niet onmogelijk, zeker wanneer men de gehele mensheid ermee tracht te voeden zonder het milieu (verder) aan te tasten. Bovendien zal landbouw alleen maar vermoeilijkt worden door de klimatologische en ecologische transformaties die zullen plaatsvinden in de komende eeuwen, als blijkt dat door mensen teweeggebrachte klimaataantasting haar huidige koers blijft begaan. Gebrekkige landbouw is een voorname, al dan niet de voornaamste, oorzaak voor het vallen van beschavingen. John Gowdy, evolutionair en ecologische econoom, stelt dat ‘het verlies van bodemvruchtbaarheid, erosie door afhankelijkheid van eenjarige planten, bodemverzilting, wanbeheer van de watervoorziening en het onvermogen om langdurige droogten te doorstaan’ de katalysatoren waren achter de ineenstorting van enkele van de grootste wereldrijken.33 Het merendeel van de effecten van antropogene CO2-verhoging is pas recentelijk detecteerbaar geworden. De metingen zijn extreem kwalijk. Zo heeft het grootste deel van de temperatuurverhoging plaatsgevonden tussen 1980 en het heden, en 75% van het toepassen van fossiele brandstoffen tussen 1970 en nu.34 Bovendien zijn deze effecten niet omkeerbaar in een reëel tijdsbestek; ze kunnen louter afgeremd worden. De huidige klimaatverandering heeft een zeer negatieve invloed op het bedrijven van landbouw op een manier waarbij voldoende opbrengsten worden ge-
32 produceerd. In de komende decennia zal het dan ook onmogelijk worden om de huidige wereldpopulatie van voedsel te voorzien als er geen drastische veranderingen plaatsvinden; binnen enkele eeuwen kan landbouw algeheel onmogelijk worden. Bovendien zal en kan landbouw niet terugkeren na een potentiële teloorgang: het klimaat zal te wisselvallig zijn, huidige gewassen zullen uitsterven zonder menselijk ingrijpen en eventuele toekomstige jager-verzamelaars hebben geen reden om te kiezen voor landbouw.35 Wellicht dat een toekomst als jager-verzamelaars een mogelijkheid is. Het is daarentegen ook mogelijk dat men winstbejag ten koste van de natuur niet in toom weet te houden en dat de totale desintegratie van beschaving onontkoombaar is. Maar misschien is de tijd aangebroken om een verandering in wereldbeeld teweeg te brengen. Het is van belang dat de mens inziet dat hij een natuurlijk wezen is dat weinig verschilt van alles om hem heen. Het onderscheid tussen natuur en cultuur is dan ook ongefundeerd, en een toekomst is alleen mogelijk als de mens de twee weet te herenigen.36 De mens kan leren van zijn verleden, maar weet niet waar hij vandaan komt: het is onbekend waarom jager-verzamelaars stopten met rondtrekken en jagen en begonnen met bouwen en telen. In een tijd van grote onzekerheid wordt het zaak om te filosoferen over de afkomst van de mens, onszelf in een historische context te plaatsen en na te denken over hoe de toekomst eruit moet zien. De jager-verzamelaars die ten tijde van de neolithische revolutie leefden, stonden op een drempel: hoe gaat onze toekomst eruitzien? De moderne mens heeft te maken met eenzelfde vraagstuk.
(4)
Het doel van dit artikel is niet om een naïeve panacee te bieden voor alle kwalen van het moderne, geïndustrialiseerde bestaan. Zo is de schijnbare onmogelijkheid om de mondiale bevolkingsgrootte te voeden zonder enige vorm van landbouw een aanzienlijke impasse. Het voornaamste doel van dit artikel is echter om aan te tonen dat het verleden onbekend is en dat er nog voldoende te leren is over de mens. Homo sapiens heeft 99,5% van zijn levensduur als soort doorgebracht als jager-verzamelaar, om nog maar te zwijgen van voorgaande mensachtigen. Het is dan ook goedgelovig om de huidige wereld natuurlijk te noemen en om te stellen dat de mens hier fysiek en mentaal op is ingesteld. Misschien dat het geloof in een rationele menselijke geest dan ook stamt uit een diepgewortelde koppigheid: halsstarrig vol- houden dat
de mens buiten de natuur staat om zo een onnatuurlijke staat van leven te rechtvaardigen. Het terugkeren naar een bestaan dat niet ver afstaat van dat van de jager-verzamelaars, betekent het teruggaan naar mens-zijn. ‘Opnieuw verbinden met de natuurlijke wereld maakt ons menselijker, niet minder menselijk.’37
’’De huidige klimaatverandering heeft een zeer negatieve invloed op het bedrijven van landbouw op een manier waarbij voldoende opbrengsten worden geproduceerd.’’ Afbeeldingen 1 Grottekeningen in het welbekende Lascaux van een oerrund en meerdere paarden. (Foto door gebruiker Traumrune op Wikipedia, Lascaux IV-01, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:LascauxIV_01.jpg) 2 Veeteelt is een eminente oorzaak van klimaatverandering. (Foto door gebruiker Steven Walling op Wikipedia, Livestock market in Mali, 6 september 2006, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Livestock_market_in_Ma li.jpg) 3 Het immense bouwwerk Göbekli Tepe dat hoogstwaarschijnlijk is gebouwd door jager-verzamelaars om religieuze redenen. Is er landbouw nodig voor grootschalige, collaboratieve projecten zoals deze? (Foto door gebruiker Teomancimit op Wikipedia, Göbelki Tepe, Urfa, 6 september 2011, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:G%C3%B6bekli_Tepe,_U rfa.jpg) 4 Een kamp in Kenia voor klimaatvluchtelingen die vanwege aanhoudende droogte migreerden. Droogten komen dankzij antropogene klimaatveranderingen steeds vaker voor. (Foto door Pete Lewis, Refugee shelters in the Dadaab camp, northern Kenya, July 2011, 16 juli 2011, https://www.flickr.com/photos/dfid/5961213058/)
33
Verwijzingen 1 In dit stuk zal de term ‘jager-verzamelaars’ gebruikt worden om mensen te omschrijven die voor de neolithische revolutie leefden. Er zijn echter genoeg gemeenschappen die een dergelijke leefstijl erop nahouden in onze tijd; zij worden hier niet mee bedoeld, omdat veel van hen al zijn aangetast door de moderne manier van leven. Ook is het zo dat het altijd generaliserend is om alle samenlevingen van jager-verzamelaars die bestonden onder één term te scharen. Met deze term spreekt men over talloze verschillende groepen mensen die anders leefden en door het leven gingen. Om enige beknoptheid te behouden zal de term ‘jager-verzamelaars’ gehandhaafd worden, maar dit betekent niet dat het een term is zonder nadelen. 2 Serge Svizzero, ‘Persistent Controversies around the Neolithic Revolution’, Journal of Historical Archaeology & Anthropological Sciences 1:2 (2017) 53-61, aldaar 54. 3 John Gowdy, ‘Our Hunter-Gatherer Future: Climate Change, Agriculture and Uncivilization’, Futures 115 (2020) 1-9, aldaar 2. 4 Ibidem, 4-7. 5 Avi Gopher, Shahal Abbo en Simcha Lev-Yadun, ‘The “when”, the “where” and the “why” of the Neolithic Revolution in the Levant’, Documenta Praehistorica 28 (2001) 49-62, aldaar 58; Svizzero, ‘Persistent Controversies’, 54. 6 Gowdy, ‘Our Hunter-Gatherer Future’, 2. 7 M. Mazoyer en L. Roudart, A History of World Agriculture: From the Neolithic Age to the Current Crisis, vert. James H. Membrez (New York 2006) 82. 8 Gopher, ‘The “when”, the “where” and the “why”’, 57-59. 9 Svizzero, ‘Persistent Controversies’, 54, 57. 10 Pjotr Aleksejevitsj Kropotkin, Mutual Aid. A Factor of Evolution (New York 2006) 79. Mijn vertaling. Hoewel deze jager-verzamelaars uiteraard behoren tot de moderne tijd, wijst Kropotkin er terecht op dat deze gebruiken een kenmerk zijn van jager-verzamelaars. Het nog steeds voorkomen van deze gebruiken onder de Inuit valt te verklaren door hun relatief late integratie in de moderne wereld. 11 Gopher, ‘The “when”, the “where” and the “why”’, 58. 12 K. J. Latham, ‘Human Health and the Neolithic Revolution: an Overview of Impacts of the Agricultural Transition on Oral Health, Epidemiology, and the Human Body’, Nebraska Anthropologist ( 2013) 95-102, aldaar 98-99; Svizzero, ‘Persistent Controversies’, 54. 13 Gopher, ‘The “when”, the “where” and the “why”’, 57; Mazoyer, A History of World Agriculture, 75, 80; Svizzero, ‘Persistent Con-
troversies’, 55. 14 Latham, ‘Human Health and the Neolithic Revolution’, 95-98. 15 Bijv. Junus M van der Wal e.a., ‘Advancing urban mental health research: from complexity science to actionable targets for intervention’, Lancet Psychiatry 8:11 (2021) 991-1000. 16 Gowdy, ‘Our Hunter-Gatherer Future’, 1; Eric Alden Smith en Bruce Winterhalder, ‘New Perspectives on Hunter-Gatherer Socioecology’ in: Eric Alden Smith en Bruce Winterhalder eds., Hunter-Gatherer Foraging Strategies: Ethnographic and Archeological Analyses (Chicago 1981) 1-12, aldaar 1. 17 Nurit Bird-David, ‘The Giving Environment: Another Perspective on the Economic System of Gatherer-Hunters’, Current Anthropology 31:2 (1990) 189-196, aldaar 190. 18 Gopher, ‘The “when”, the “where” and the “why”’, 51. 19 Dat wil zeggen, zoals wij nu over die concepten denken. Het is onmogelijk te voorspellen hoe de loop van de geschiedenis eruit had gezien zonder de neolithische revolutie. 20 Svizzero, ‘Persistent Controversies’, 56. 21 Ibidem; Mazoyer, A History of World Agriculture, 75. 22 Svizzero, ‘Persistent Controversies’, 56. 23 Gopher, ‘The “when”, the “where” and the “why”’, 57-59; Svizzero, ‘Persistent Controversies’, 57-58. 24 Svizzero, ‘Persistent Controversies’, 57. 25 Ibidem; Mazoyer, A History of World Agriculture, 79-81. 26 Svizzero, ‘Persistent Controversies’, 57. Mijn vertaling. 27 Ibidem, 54-55; Gopher, ‘The “when”, the “where” and the “why”’, 56; Mazoyer, A History of World Agriculture, 78-79. 28 Svizzero ‘Persistent Controversies’, 57-58. 29 Gopher, ‘The “when”, the “where” and the “why”’, 58. 30 Ibidem, 57. 31 Ibidem, 58. Mijn vertaling. 32 Sommigen onderscheiden meerdere industriële revoluties, of zouden hier nog andere revoluties in de geschiedenis bij betrekken. Daar wordt hier verder niet op ingegaan. 33 Gowdy, ‘Our Hunter-Gatherer Future’, 2-3. 34 Ibidem, 3. 35 Ibidem, 4-7. 36 Voor meer hierover, zie: Bruno Latour, Nous n’avons jamais été modernes (Parijs 1991). 37 Gowdy, ‘Our-Hunter Gatherer Future’, 8. 38 Svizzero, ‘Persistent Controversies’, 55. 39 Mazoyer, A History of World Agriculture, 75-79.
Daan Jansen
34
Dogs and Elephants at Sea East India Company Animal Trade in the Eighteenth Century Indian Ocean Ships fill a unique and unusual ecological role. They are little mobile islands, bringing in close proximity animals which would usually never be near one another. Land animals, be it humans, rats, chickens or elephants, are brought far from the coast, farther than they might ever swim.i Birds, such as gulls, nesting on decks or ship masts, can also find their way far from the coasts that they would usually patrol. On the high seas, they may encounter strange marine creatures in a bizarre predator/prey relationship. On land, the creatures that survived the voyage might leave ships as new and disruptive members of the local ecology. History provides us with countless examples of species going extinct after ships filled with dogs, rats, and other highly adaptable creatures arrived. In this way, ships unite, disrupt and entangle the ecologies of the world. So it’s high time that the research possibilities around this subject start getting more attention. What drove animal trading voyages and how did animals and humans alike experience these trips? To explore these issues, I have taken the Dutch East India Company, or VOC, as a case study. The VOC was a joint-stock company that was founded in 1602 and would eventually go bankrupt in 1799. During the two centuries it existed, the Company sought to outcompete other European traders in the Indian Ocean and to gain as much profit from trade as possible. To accomplish these aims, the VOC was granted powers which were somewhat unusual for a private company. It was allowed to conduct diplomatic negotiations with states; claim, administer and defend territories; and develop instruments of government to do so.While the VOC was officially a company, striving to maximise profit above all, it behaved like a state in its own right.The Company is most well known in the Netherlands for bringing spices from the Indonesian archipelago to Europe (and committing the occasional genocide), but this trade was not actually the Company’s most profitable venture. Instead, the VOC
1 - The ports and regions animals were exported from by the VOC. Note the large amount of animals sourced from Indonesia.
focused on trying to take over trade between the many ports of the Indian Ocean.Trade between Africa,Arabia, India and Southeast Asia was central to the VOC’s thinking. The Company often took over trade that was already in place, either through market competition or force.The VOC also actively experimented with new trade routes and, in its colonies, experimented with creating new supplies. The cargo holds of VOC ships were often full of coffee, sugar, spices, a wide variety of textiles, or a combination of all four. However, this is certainly not all they traded. Based on fragmentary cargo manifests left behind by the so-called Bookkeeper-General Batavia (BGB) – a department responsible for logging all trade between VOC establishments in the Indian Ocean – I was able to find 432 distinct voyages undertaken by over 300 different ships throughout the eighteenth century,
35
2 - The ports and regions animals were imported to by the VOC. Note the dominant position of Batavia as animal importer, as well as routes leading to China and Japan.
which almost certainly carried live animals. The species listed on the manifests range from dogs to birds of paradise, and even to silkworms. The data provided by the BGB, which was digitised a few years ago and is accessible online, provides a unique glimpse of the scale of the VOC’s trade, both in living animals and other types of cargo. More information about the BGB as a source can be found in the text box [below/above/wherever]. Based on this source, I have roughly two findings: the VOC’s animal trading strategies, and the living conditions of animals aboard ships. Animal trading strategies Using information on visited ports per animal voyage, I was able to determine where animals were taken from and where they were brought by their human couriers. Here (image 1 & 2) we see information that largely reflects already-established trading
patterns of the VOC: most trade revolves around Java, especially Batavia (current-day Jakarta), Ceylon (Sri Lanka), Ambon (Amboina) and Banda-Neira. Some of these journeys could take creatures thousands, or even over ten thousand kilometres. Interestingly, the number of places that the animals were imported from was much higher than the places they were exported to. Many regions specifically exported and imported certain animals. Only Batavia demonstrated a wide range of both imports and exports, ranging from silkworms, to peafowl, and to cattle. Other ports, such as Ambon, Colombo and Mocha exported only what I tentatively call ‘exotic’ animals – animals whose main appeal was likely that they were rare and prestigious elsewhere. These animals, such as elephants and birds of paradise, were usually listed as gifts, either to the VOC or from the VOC to rulers of allied states. Ports such as Ambon often imported domesticated animals for agricultural use, such as
The Boekhouder-Generaal Batavia as source The Boekhouder-Generaal Batavia was essentially an instrument of control by the VOC. It made yearly reports of the cargoes of every VOC ship, including the values of each piece of cargo as well as their quantities. These reports were then sent to the Republic to be checked, which is why they can be found in the National Archives instead of the VOC archives in Jakarta. Most of the Bookkeeper-General’s books were lost after the VOC was nationalised, but about 50 years’ worth of books were preserved. These were digitised and made freely accessible on a website for analysis. The database ranges from 1701-1790, with the years 1705, 1716-1720, 1733, 1736, 1744-1749, 1770, 1788 missing entirely, and gaps in several more years. The journals began in September and ended in August, so while a journal might be missing for a year, some portion of that year’s trade may have survived in the previous or next year’s journal. This leaves the journals of 55 years entirely intact. The journals contain all sorts of information, but the BGB digitisation project decided to only digitise cargo manifests. On the database, each ship’s voyage is given a unique identifying code, which can be used to find the full cargo manifest used on board of that ship on that specific voyage. The database can also be searched through ship names, to see all the voyages present in the BGB by ship(s) under that name, or through cargo type, ranging from enslaved children, various types of fabrics, and to dozens of different types of animal species. The BGB provides us with quantitative data, which can be extremely useful in uncovering information we might not otherwise find with sources that provide more detail on singular events. However, there are certainly other issues involved with this source. Firstly, it is highly fragmentary. After the VOC went bankrupt at the turn of the nineteenth century, the books ended up in private hands and only about a quarter of them have found their way into the National Archives. Secondly, the cargo manifests do not, of course, include any information on anything that was not part of the cargo.To name one example, ship rats, ubiquitous throughout maritime history, cannot be found in the manifests. Finally, information on the cargo itself is highly limited, usually using single-word descriptors or occasionally brief specifications such as these dogs, ‘hondjes’, being specified as ‘Siamese’. This led to some confusion when I saw that two ships carried ‘eenhorns’, meaning unicorns. As it turns out, these were actually Narwhal teeth and not mythical equines.
36 3 - A heatmap of the general animal routes travelled. The darker the line, the more animal voyages passed along this route. The routes are approximations. [The most travelled route was Ternate to Batavia, carrying birds of paradise and frequently also enslaved men, women and children.]
sheep and cattle. This data can provide some glimpses into the strategic political thinking of VOC traders during this time. Exotic animals generally found their way to states whose goodwill the VOC required to continue functioning, such as Bengal, Japan, and the Maratha Empire.These animals served as gifts or tribute to facilitate the continuation of trade. It should be noted that many of these voyages included not only exotic animals, but also human tribute in the form of enslaved people. The Indian Ocean slave trade was, after all, another market the VOC was an enthusiastic participant in. Exotic creatures – elephants, tropical birds, ostriches, lions, and so on – were almost all taken from the established VOC colonies: the Cape Colony, Ceylon and the Moluccas. The export of exotic animals as a means of paying tribute was already well-established in these locations before the Dutch organisation’s arrival, and was co-opted by the VOC to support the Company’s diplomatic efforts.The fact that domesticated ‘non-exotic’ animals were brought to these established ports might indicate attempts at permanent agricultural settlements under Dutch rule, which would of course make the colonies more profitable since they would rely less on the import of foodstuffs.
’’Animal care experts may have hired out their services at port towns.’’ Multispecies living conditions aboard ships Other, more tentative conclusions we can draw based on these data are on how life over the course of these voyages may have been for both animals and humans. Several points of data provide information about this, notably the route travelled; the degree to which a ship specialised in animal trade; and the relative and absolute values of animals in ships’ cargoes.
The route travelled, which we can determine using the ports of departure and arrival, can indicate whether ships traversed different climate zones during their voyages. Depending on the voyage, certain ships with animals in their cargo holds travelled from exceptionally warm climates to quite cold ones or back, for example in the case of ships travelling to the Netherlands. This would likely have been quite a shock to animals used to tropical or arid lands, or for animals used to the wet and te perate climate of Europe. About half of the animal voyages I could find in the data was performed by ‘first-timers’, meaning ships which had never transported animals before or since, at least as far as the data can reveal. The other half, then, was performed by ships which somewhat regularly transported animals. Some ships appear to have specialised in transporting certain types of animals. For example, 6 of 22 voyages by the Nederland carried horses, donkeys or camels: relatively valuable and large mammals. On 3 of 32 voyages, the Anthonia Dorothea’s cargo was made up entirely of horses, travelling from Ceylon to India. The Andromeda made two animal voyages, one with 50 dogs and another with 117 dogs on board, both travelling in the Indonesian archipelago. The fact that several ships specialised in the transportation of certain animals indicates that they were likely, at least partially, built to accommodate them. Ships which regularly transported equids or cattle probably had stalls; those which regularly carried birds or dogs likely had cages within which these animals could be kept. These ships also probably hired crew members specialised in the care and maintenance of these animals, to ensure their survival and vitality upon arrival. The only two ships which noted that animals had died on the journey had never carried live animals in their cargoes before. Ships which specialised in animal voyages were perhaps more likely to guarantee the safe passage of these animals and saved money in the costs of rebuilding the ship to accommodate animals as well as in lost investments in cases of death or disease.
37
4 - Experiens Sillemans, Ships at a dock, 1649. Rijksmuseum Amsterdam.
We should not overestimate the ships’ specialisations, however. About half of all animal voyages were undertaken by ships which had no prior experience in the transportation of animals. Ship crews are flexible, and so are ships’ cargo holds. Placing stalls in a ship for a single journey might have carried extra costs, but it could be done, and animal care experts may have hired out their services at port towns to any vessels carrying them. Further research into such professions will likely reveal much more about maritime animal trade. Finally, the value of animals on board ships can give us a glimpse of how important their survival was to members of the crew. The relative values of animals aboard ships compared to other cargo ranged from a tiny fraction of a percent to a full 100 percent on several voyages. On the voyage of the Andromeda mentioned previously, dogs made up over 93 percent of the value of the ship’s cargo. In the case of almost half of the voyages I collected, namely 201, the value of the animals on board a ship was less than one percent of the total value. In fewer than a quarter of the voyages with animals on board did these animals make up more than 5 percent of the total value. This likely means that animals were often a peripheral concern for crew members, at least from a financial perspective, even on ships that carried animals more often.
Examining where animals were taken from and where they were brought to can, depending on the species, indicate the power dynamics of those places vis-a-vis the VOC: exotic animals intended as gifts were likely brought to ports under the influence of rulers the VOC needed to curry favour with. This says little of the agency or experiences of animals in history. It is, however, valuable information for writing a history of animals. It demonstrates how the pasts of animals do not just inform us of the histories of other species, but also yields insights into human history through their interspecies relationships. The value of animals on board ships, as well as crews’ experiences with animal voyages, may prove an indication of how important animal care was to the crew and how likely it was for animals to experience a safe voyage with their basic needs being met. Further research is, of course, necessary and can likely be found in ship’s logs, invoices and other texts contained in VOC archives scattered around the Indian Ocean world. References 1 Rats were essentially omnipresent on board ships at least well into the twentieth century. Archival evidence demonstrates that live chickens were the standard issue on ships owned by the VOC for use by the crew.
38
Claire Majoor
De grens van historisch diagnosticeren Liedewij, de heilige maagd van Schiedam ‘In de eerste drie jaar van haar ziekbed voedde Liedewij zich met een halve pint Maaswater per week, tot in het negentiende jaar van haar ziekte. Naar eigen zeggen at of dronk zij de volgende negentien jaar tot haar dood toe in het geheel niet.’1 Liedewij, de heilige maagd van Schiedam (1380-1433), verliet 38 jaar haar bed niet. Ze had in die jaren nauwelijks gegeten of gedronken, haar lichaam werd geteisterd door koortsaanvallen en wormen vraten zich een weg bij haar naar binnen.2 Liedewij leed aan anorexia sacra; door niet meer toe te geven aan lichamelijke verlangens zou ze heilig worden.3 Ze koos deze lijdensweg om dichter bij God te komen. Anorexia sacra wordt door sommigen in verband gebracht met het hedendaagse anorexia nervosa, maar is dit terecht? Waar ligt de grens tussen een volwaardige diagnose en een anachronisme? Liedewijs ziektebeeld Het verhaal van de heilige Liedewij is een perfect voorbeeld van anorexia sacra. Op 18 maart 1380 werd Liedewij geboren. Ze was 12 toen ze besloot geen man te willen en nooit te willen trouwen; ze wilde alleen God liefhebben. Dit terwijl haar vader haar juist wilde uithuwelijken.4 Op haar zestiende viel Liedewij tijdens het schaatsen, waarbij ze haar rib brak. In de jaren die volgden werd Liedewij ernstig ziek door deze botbreuk. De hagiografie (biografie van een heilige) van Liedewij beschrijft dat ze zichzelf niet meer kon voeden en zelfs geen water meer kon binnenhouden.Van 1398 tot 1414 zou Liedewij soms een klein stukje appel of wat brood gegeten hebben, maar na verloop van tijd kon zij deze dingen ook niet meer verdragen en at ze soms wat suiker of een dadel. Later werd ook dit voedsel onverdraaglijk voor haar en dronk ze enkel nog een halve pint Maaswater per week. Vanaf 1414 verslechterde Liedewijs conditie verder, ze at niets meer en sliep slechts twee nachten per week. Bovenop deze malaise werd Liedewij ook geteisterd door koortsaanvallen. Tot haar dood bleef ze last houden van deze aanvallen, die haar met vlagen licht van geest maakten.Tijdens de koortsaanvallen zou Liedewij visioenen ontvangen hebben, en zou ze met God en verschillende engelen hebben gecommuniceerd. Na het overlijden van haar moeder in 1403 begon Liedewij te verlangen naar de gesacreerde hostie. Eerst consumeerde ze vijf keer per
1 - Liedewij krijgt bezoek van een engel
jaar een hostie, maar de laatste twee jaar van haar leven werd dit elke twee weken.5 In de middag van 14 april 1433 overleed Liedewij. Ze was toen 53 jaar oud en had 38 jaar lang haar bed niet verlaten.6 Moderne anorexia nervosa Tegenwoordig wordt anorexia nervosa gelinkt, door bijvoorbeeld de media, aan het moderne, westerse schoonheidsideaal; vrouwen en jonge meisjes raken geobsedeerd met diëten en het behalen van een onmogelijk ideaal. Deze interpretatie van
‘Ze had in die jaren nauwelijks gegeten of gedronken, haar lichaam werd geteisterd door koortsaanvallen en wormen vroten zich een weg bij haar naar binnen.’
39 de ziekte is echter vrij recent. Het streven naar ‘slank zijn’ en de angst voor het dik zijn werden pas vanaf de jaren zestig gezien als de belangrijkste aspecten van deze eetstoornis.7 Voor die tijd was een psychoanalytische theorie leidend: de patiënt zou vooral streven naar autonomie en controle. Bij een gebrek aan controle over het eigen leven (of bepaalde aspecten daarvan, zoals emoties) zoekt iemand met anorexia de controle bij voedsel en het lichaam.8 Aan het begin van deze eeuw deed een totaal andere theorie zijn intrede: de Adapted to Flee a Famine Hypothesis, ook wel de Migration Theory genoemd. Volgens deze theorie is het zich onthouden van voedsel geen symptoom, maar juist een aanleiding van het ontwikkelen van de eetstoornis. Door een tekort aan voedsel past het lichaam zich aan een hongersnood aan; hongersignalen verdwijnen, men wordt euforisch en hyperactief. Dit alles om te overleven met minder voedsel, om zich aan te sporen tot migratie, en dus op zoek te gaan naar eten.9 De genoemde theorieën sluiten elkaar echter niet uit. Zoals bij vele mentale stoornissen kunnen er meerdere aanwijsbare oorzaken zijn.
ten het begrijpelijk kunnen maken voor iedereen. Met het diagnosticeren van historische figuren verbinden historici het heden met het verleden, en worden de personen uit het verleden weer menselijk gemaakt. Op die manier kan men zien dat Liedewij niet enkel een toegewijd christen was, maar waarschijnlijk ook een vrouw met een gebrek aan controle en een mens dat haar best deed om te overleven.
Liedewijs diagnose Liedewij, en andere heiligen met een vergelijkbaar levensverhaal, zijn door onderzoekers in verband gebracht met anorexia sacra, een middeleeuwse, religieus gemotiveerde vorm van de moderne anorexia nervosa. Het werkelijk diagnosticeren van iemand uit de vijftiende eeuw is echter onmogelijk, al is het alleen al vanwege de betrouwbaarheid van de bronnen. Een hagiografie is weliswaar gebaseerd op een waargebeurd verhaal, maar door de toevoeging van Bijbelse elementen en verhalen is de betrouwbaarheid zwak.Toch is het een interessant discussiepunt. Liedewij was namelijk een van de vele middeleeuwse vrouwen met het hiervoor beschreven ziektebeeld, waardoor het toch zou kunnen dat er sprake is van een vorm van anorexia. Nadenken en discussiëren over het achteraf diagnosticeren van historische figuren, heeft echter wel degelijk nut. Van historici wordt verwacht dat zij het verleden weer kunnen verbinden met onze tijd en maatschappij, ongeacht hoe groot de verschillen zijn. Door na te denken over anorexia sacra, wordt de universele menselijkheid door de eeuwen heen belicht. De heiligen uit de middeleeuwen kunnen nog steeds relevant zijn; ze leden aan dezelfde pijnlijke ziekten als mensen vandaag de dag. Daarnaast kan het verklaren en duiden van gebeurtenissen in het verleden als dé belangrijkste taak van historici worden gezien. Hoe onbegrijpelijk en raadselachtig het verleden ook kan lijken, historici moe-
Afbeeldingen 1: Liedewij krijgt bezoek van een engel (Ludwig Seitz, ‘Tekening van Liedewij’ in: Sendbote des Göttlichen Herzens Jesu (1910)) 2: Drie heilige vrouwen (Jacques Bellange, ‘Drie heilige vrouwen’, 1602-1616, Rijksmuseum via: https://www.rijksmuseum.nl/nl/zoeken/objecten?q=Heilige+vrouw&p=2&ps=12&st=Objects&ii=5#/R P-P-2001-178,17, geraadpleegd op: 11-01-2022) Verwijzingen L. Jongen en C. Schotel, Eds. en vert., Het leven van Liedewij, de maagd van Schiedam, (2e druk, Hilversum 1994), 27. 2 L. Jongen en C. Schotel, Eds. en vert., Het leven van Liedewij, de maagd van Schiedam, 51-65. 1
2 - Drie heilige vrouwen
R. van Deth en Walter Vandereycken, Van vastenwonder tot magerzucht; anorexia nervosa in historisch perspectief (Meppel 1988), 238. 4 L. Jongen en C. Schotel, Eds. en vert., Het leven van Liedewij, de maagd van Schiedam, 83-85. 5 Ibidem, 39-45. 6 Ibidem, 132. 7 S. Guisinger, ‘Adapted to Flee Famine: Adding an Evolutionary Perspective on Anorexia Nervosa’, Psychological Review, vol. 110 nr. 4 (2003), pp. 745-761, aldaar 746. 8 S. Guisinger, ‘Adapted to Flee Famine: Adding an Evolutionary Perspective on Anorexia Nervosa’, aldaar 747. 9 Ibidem, 747-748. 3
Op de VU
Eva van Roozendaal
Interview
41
De nieuwe aanstelling van Pepijn Brandon “Je bent econoom, dan houd je je met cijfers bezig; je bent socioloog, dan kijk je naar processen in de samenleving; je bent politicoloog, dan kijk je naar politieke theorievorming. Maar in de realiteit zijn al die aspecten natuurlijk met elkaar verbonden. En als historicus, ook als je focust op een specifiek deelterrein, word je altijd geconfronteerd met die verbondenheid. Je wordt dus altijd gedwongen om grotere vragen te stellen...” De VU heeft er een nieuwe hoogleraar bij. Vanaf februari 2022 bekleedt Pepijn Brandon de leerstoel Mondiale Economische en Sociale Geschiedenis. Zijn NWO-vidi project naar landonteigening in het Nederlandse wereldrijk gaat dan ook van start. Zijn oratie vindt pas later plaats, maar wij van CODEX hebben alvast een interview met de nieuwe hoogleraar over lesgeven, onderzoek doen en de wonderlijke combinatie van beide.
(1) Pepijn Brandon gefotografeerd door Anne van Gelder
De focus “Wereldwijd kapitalisme en de bijzondere rol van geweld daarbinnen”, dat is de focus van Pepijn Brandon in zijn eigen onderwijs. Die focus is ook duidelijk te zien in de onderzoeken die hij tot nu toe op zijn naam heeft staan: in 2020 kwam De Slavernij in Oost en West: Het Amsterdam-onderzoek uit, waarin de kennis over het Amsterdamse slavernijverleden in de volle breedte is blootgelegd. Volgens hem heeft in de afgelopen tien tot vijftien jaar een kennis omslag plaatsgevonden. Lang werd slavernij op een heel beperkte manier onderzocht, waarbij de eindconclusie vaak was: het was wel erg de slavernij, maar het stelde niet zo veel voor. “Een heel bagatelliserende toon. In de afgelopen jaren is ontzettend veel onderzoek verschenen dat dit bagataliserende verhaal weerlegt en wij hebben willen laten zien: we weten al heel veel meer dan je denkt.” Brandon vertelt verder over zijn eigen onderwijs. “Je kan de geschiedenis van het kapitalisme benaderen als een lange triomftocht van de vrije markt en individuele vrijheid, maar ik zie het toch als geschiedenis van dwang, onderwerping en hele grote structurele ongelijkheid.” Hij vindt het belangrijk om aandacht te schenken aan de oorsprong van deze geschiedenis. Daarbij wordt de invulling van economische en sociale geschiedenis (en global history) gevormd door de vragen die studenten bezighouden. “De interesse in dit onderzoeksgebied komt vanuit grote structurele vragen die voortkomen uit de situatie waarin we ons vandaag de dag bevinden.” Als voorbeeld noemt hij problemen
rondom klimaatverandering. “Vragen als: hoe worden de gevolgen van klimaatverandering verdeeld over de wereldbevolking? Wat doet het met een maatschappij als de ecologische basis van zo’n maatschappij aan het schuiven raakt? Een ander voorbeeld is de opkomst van nieuwe autoritaire politiek. Als je dit twintig jaar geleden met mensen had besproken, was het idee geweest dat de natiestaat juist zou verdwijnen, omdat we zo hard aan het globaliseren waren. De natiestaat heeft echter juist een enorme comeback gemaakt met de naarste elementen uit de geschiedenis ervan; denk aan extreem nationalisme, xenofobie en militarisme in bijvoorbeeld de verhoudingen tussen de VS en China.” Hij vindt dat dit soort vragen op een relevante manier moeten worden behandeld in het programma van de studie.
‘Dat was altijd al zo en dat zal altijd wel zo blijven’, de geschiedenis leert ons keer op keer dat dat voor niets geldt. Daarbij is het zijn doel om het onderwijsaanbod diverser te maken door niet alleen vanuit Nederlands oogpunt naar processen in de wereld te kijken, maar ook juist vanuit andere landen, zoals Peru of Argentinië. Daar biedt het gemengde karakter van de opleiding aan de VU volgens hem enorme kansen voor. “Geleefde ervaring uit allerlei delen van de wereld is natuurlijk een prachtig startpunt om je bezig te houden met global history.
42 Het betekent dat niet iedereen een college binnenkomt met de preoccupaties die voortkomen uit toevallig geboren zijn in Nederland en daar onderwijs hebben doorlopen. Het betekent dat je een diversiteit hebt aan ervaringen en dat kan denk ik een enorme verrijking zijn van ons onderwijs.” Wisselwerking met studenten Ervaring is uiteraard niet het enige wat studenten met zich meebrengen de collegezaal in: ook de kritische blik waardeert Brandon enorm. “Studenten dagen je uit als het gaat om je eigen ervaringen en je eigen beperkingen in je blikveld. Alleen al gedwongen zijn om je eigen onderzoekskeuzes uit te leggen aan een groep studenten die vanwege hun eigen achtergrond en ervaringen jouw keuzes niet automatisch deelt, is een enorm verrijking.” Studenten stellen scherpe vragen die hem zo verder helpen in zijn onderzoek. Hij is lovend over deze wisselwerking. “Ik denk dat studenten zich niet altijd realiseren hoe veel zij bijdragen aan het onderwijzen van hun docenten, maar dat doen studenten echt. Jullie inbreng is heel erg vormend.”
’’Ik struikel elke dag over grote mysteries die ik niet kan oplossen’’ Als hem wordt gevraagd wat hij studenten mee zou willen geven, hoeft hij daar niet lang over na te denken: durf grote vragen te stellen. “Er is een enorme discussie over de relevantie van de Geesteswetenschappen, maar we bevinden ons op zo’n interessant en ook gevaarlijk moment in de wereldgeschiedenis. Er zijn op dit moment veel grote processen waarvan je kan zien dat ze ontwrichtend werken op onze samenleving. Durf dus die grote thema’s aan te gaan, ook als het in eerste instantie niet duidelijk is hoe je deze kunt onderzoeken. Het is natuurlijk veel makkelijker om te denken: nou, ik heb hier vijf bronnen en die ga ik helemaal van begin tot eind lezen. Maar, we willen graag relevante wetenschap bedrijven, de samenleving heeft dat nodig.” Hij legt de nadruk op die relevantie van de wetenschap bij het tweede punt dat hij noemt: “Zoek de manieren waarop je deze grote vragen relevant kan maken op menselijk niveau. Klimaatverandering is geen abstract proces dat je simpelweg in cijfers kan vatten of waarbij je kan zoeken naar een aantal langetermijntrends; het gaat er om wat het betekent voor de mens. Daarbij moet je altijd inzoomen op het niveau van families, gemeenschappen en samenlevingen die er door onder druk komen te staan.” Hij noemt de manier van ‘Geschiedenis van onderaf’, ontwikkeld in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. “Het idee was: leuk wat daar allemaal gebeurt op macroniveau, wat politici allemaal beslissen, maar wat betekent het voor gewone mensen en hun mogelijkheden om te leven? Welke invloed kunnen zíj uitoefenen op hoe de samenleving georganiseerd is?” Volgens Brandon is dit nog steeds belangrijk: “Maak die grote vraag ook tastbaar door te bedenken op welk niveau het mensen raakt”.
Het belang van de historicus We praten verder over het belang van het bestuderen van de geschiedenis en het belang van de historicus. Hij vertelt dat hij niet van de partij is die uit antiquarische interesse naar de geschiedenis kijkt. “Ook al is dat óók waar. Ik raak, zoals de meeste vakgenoten, compleet enthousiast van de speurtocht naar de kleinste historische details.” De relevantie ligt daar volgens hem echter niet. Die ligt in grote processen van sociale verandering in het verleden die iets kunnen zeggen over processen van sociale verandering in het heden. Daarbij vindt hij het belangrijk te benadrukken dat de geschiedenis te complex is om ‘“een soort een-op-een ‘vissen naar lessen’” te hanteren. “Academische specialisaties hebben de neiging om alle onderdeeltjes van het menselijk leven los te koppelen en ze allemaal te zien als hun eigen te bestuderen eilandjes: je bent econoom, dan houd je je met cijfers bezig; je bent socioloog, dan kijk je naar processen in de samenleving; je bent politicoloog, dan kijk je naar politieke theorievorming. Maar in de realiteit zijn al die aspecten natuurlijk met elkaar verbonden. En als historicus, ook als je focust op een specifiek deelterrein, word je altijd geconfronteerd met die verbondenheid. Je wordt dus gedwongen om grotere vragen te stellen: hoe functioneren samenlevingen of grote processen in hun totaliteit en wat is de invloed van menselijk handelen daarbinnen?” Hij geeft een voorbeeld uit zijn eigen onderzoek naar de afschaffing van de slavernij, omdat deze gebeurtenis kan worden bekeken vanuit verschillende perspectieven: grote economische en sociale processen en ook processen van interventie van onderaf (bijvoorbeeld de opkomst van ideeën over mensenrechten). “En al die aspecten werken op elkaar in. Die kan je eigenlijk niet los van elkaar koppelen, want ze zorgen sámen voor een omslag die wereldhistorisch is. Als historicus ben je in staat dat soort processen in al hun dimensies te onderzoeken.” En daarmee geeft dit ons volgens hem een belangrijk inzicht. Het leert ons dat elementen waarvan we overtuigd zijn dat ze voor altijd zullen blijven – denk bijvoorbeeld aan de slavernij - tóch kunnen veranderen. “De geschiedenis leert ons keer op keer dat alles wat ooit door mensen gecreëerd is in de samenleving, ook weer op andere manieren kan worden georganiseerd.” Daarmee is het volgens Brandon een hoopvolle wetenschap: “De geschiedenis confronteert ons aan de ene kant met verschrikkelijke voorbeelden van onderdrukking, ongelijkheid, armoede en ellende, maar aan de andere kant ook met álle pogingen - van het meest individuele tot het meest collectieve - om tot verbetering te komen.” Mysteries en eigen bijdragen Om de vraag wat het grootste mysterie is dat hij nog moet oplossen, moet hij glimlachen. “Ik struikel elke dag over grote mysteries die ik niet kan oplossen, maar de grootste puzzel die mij dagelijks bezighoudt, is de enorme flexibiliteit die zorgt voor het enorme aanpassingsvermogen en daarmee de enorme overlevingskracht van het kapitalisme als een vorm van sociale en economische ordening”. Hij vertelt dat het kapitalisme vroeger werd begrepen langs afgebakende definities van de vrije markt, loonarbeid en in maar één vorm van staat, namelijk de democratie.
43 Daar is men in deze tijd toch vanaf gestapt. Nu wordt juist meer gekeken naar de verschillende omstandigheden waarin kapitalisme kan functioneren; van autocratische regimes tot open democratieën.
’’Ik denk dat studenten zich niet altijd realiseren hoe veel zij bijdragen aan het onderwijzen van hun docenten.’’ De interessantste bijdrage die hij heeft geleverd, heeft dan ook te maken met het debat rondom de werking van kapitalisme. Hij blijft bescheiden over zijn inbreng: “Ik vind het al heel interessant om überhaupt aan die discussie te kunnen deelnemen”. Specifiek noemt hij in dit kader de wereldwijde aanwezigheid van Nederland. “Elk land heeft zijn eigen exceptionalisme en ik denk dat heel lang – en misschien nog steeds – de gedachte was: in andere landen gaat kapitalistische ontwikkeling wél samen met allerlei vormen van koloniale expansie, geweld, slavernij, oorlog en andere ellende, maar hier achter de dijken werkte dat compleet anders. Wij hadden een overlegeconomie, een handelsgeest en hele slimme manieren van organiseren en daarom is Nederland het eilandje van ‘gezellig kapitalisme’.” Brandon ziet het als zijn historische bijdrage om dat idee te bevragen. ‘Nieuw realisme in de Nederlandse geschiedschrijving’ noemde de Groene Amster-
dammer dit. Hij vond dit het grootste compliment dat hij kon krijgen.“Dat is waar geschiedschrijving inderdaad voor een groot deel om draait: het doorbreken van een aantal hardnekkige mythes over de Nederlandse geschiedenis en de plaats van die Nederlandse geschiedenis in die wereld.” Als hij vanuit zijn positie als global historian kijkt, ziet hij dat vaak wordt gesuggereerd dat het triomfverhaal van wereldwijd kapitalisme bestaat uit protestante republieken met een sterke marktsector. “Er wordt een continuïteit verondersteld tussen hoe Nederland georganiseerd was in de zeventiende eeuw, hoe Engeland georganiseerd werd in de achttiende en negentiende eeuw en hoe de Verenigde Staten dat nu zijn. Daarin speelt Nederland een buitenproportioneel grote rol, terwijl wij hier toch een soort calimero-nationalisme op na houden: ‘Wij zijn klein en zij zijn groot en dat is niet eerlijk’. Wat dat betreft heeft het uitdagen van die triomfantilistische kijk op het Nederlandse verleden ook direct een impact op hoe we de wereldgeschiedenis kunnen duiden.” Wij wensen Pepijn Brandon heel veel succes met zijn nieuwe functie als hoogleraar Mondiale Economische en Sociale geschiedenis. Afbeeldingen: (1) Pepijn Brandon gefotografeerd door Anne van Gelder
Message from Kliche Kliché is the study association for students of Communication and Information Studies (CIS), Literature & Society (L&S), and Media Arts Design & Architecture (MKDA). We provide an environment and community in which students can make new friends, participate in educational activities related to their studies, but most importantly enjoy social events that we organize! These social events consist of borrels or parties, scavenger hunts through Amsterdam, a prom at the end of the year and of course, our most beloved event: the annual study trip. Unfortunately, covid has brought along a lot of uncertainty, so we do not have any concrete plans yet. However, we adapt and overcome and we will find a way to organize fun things for our members, even in lockdown. Some of the events mentioned above we do not plan on our own, but together with the so called GecCo (Humanities committee). We also plan events together with other study associations such as: Merlijn, Icarus, Synkratos and KalioPPE. Last November, for example, we organized a big Halloween party, which turned out to be a great success! We cannot wait to plan more of these events in the nearby future. All in all, Kliche is a fun addition to your time as a student. It can make studying on the VU way more fun. That’s why you shouldn't hesitate to join!
Nils Buitenhek (Treasurer) Emma Makkink (Internal Affairs) - Red dress Paulien van der Kruijs (Secretary) Renée Zwagerman (External Affairs) - Black dress Michael van Straelen (Chair)
44
Niels Koopmans
Merlijn Update Grand Tour of Leiden Once again, the majestic griffin of Amsterdam has been locked away for weeks due to the pandemic. Some of our plans for the past month had to be suspended. `For instance, doing another borrel was out of the question. Nonetheless, study association Merlijn was able to go on a trip to the beautiful city of Leiden with a nice group of first- and second year students (Sorry third years, we haven’t forgotten about you!).We visited the Museum of Oudheden on the 1st of December to complement and animate their Ancient History course. Thereafter, we went on a city tour under the supervision of professional tour guide Beau, who took us to the Young Rembrandt Studio where we experienced the ‘Rembrand experience’ and saw The Crowned Gate of Love (Gekroonde Liefdepoort), the Leiden Pyramid (Burcht van Leiden), the Leiden Notre Dame (Hooglandse kerk), the Leiden Pantheon (Van Hartebrugkerk), and much more. At the Museum of Oudheden, we held a photo competition that was won by first year student Merlijn’s pharaonic phallic photography – we did not rig the game because of his name – making him the proud owner of a costly mummy crocodile plushie. This trip would not have been possible without the cooperation of the student mentors, especially Brenda Bakker who put in amazing work. Thank you, Brenda! Some students could, unfortunately, not make it due to (awaiting) test results.We wish you
By Luca Sorrentino Jansen
By Luca Sorrentino Jansen all the best of health, and we hope that you will be able to join us next time! By the time this CODEX is published we will have also held an online borrel on the 13th of January. We hope to soon share a drink in real life again in the social room (HG-12A-43), but we’ll make this online borrel a nice moment to talk about our holidays and kick off the new year. More plans for activities will soon follow, among which, our trip abroad! We wish all CODEX readers, Merlijn members and VU students a magical and healthy 2022!
By Luca Sorrentino Jansen
45
Thymo Gieltjes
Laplandse sneeuw, rendieren, kermis en orkestmuziek Een beschouwing van Midnattssolens son In Midnattssolens son (Zoon van de middernachtzon), een Zweedse film uit 1939 geregisseerd door Thor Brooks en Rolf Husberg, volgt de kijker het Sami-koppel Nila en Marja op de hoogte- en dieptepunten van hun leven op de Laplandse vlaktes. Het is een erg traditionele film: op de soundtrack klinken prachtige, voor de film gecomponeerde klassieke stukken en de zwart-witbeelden van het ondergesneeuwde landschap worden veelvuldig becommentarieerd door een verteller, een man met een bijna clichématig diepe radiostem en bijpassende intonatie. Het is dan ook een lichtelijk onalledaagse kijkervaring voor het gros van de moderne kijkers, inclusief mijzelf. Hoe ik bij dit knap staaltje kino terecht ben gekomen, is het vertellen waard. Iedereen kent het fenomeen ‘Netflix doorscrollen in bed, weigerende te gaan slapen’; dit was dan ook hoe ik Midnattssolens son tegenkwam. Ik maakte mezelf wijs dat een film van een magere anderhalf uur nog wel kon voordat mijn nachtrust zich afdwong, en dus klikte ik op Play. Ik merkte echter al snel dat dit een lang uur en 21 minuten zou worden. Gaarne zet ik hier dit boeiende stukje filmgeschiedenis uiteen om zowel de lezer de moeite van het kijken te besparen, alsmede jullie te waarborgen voor hersenschade ten gevolge van het daadwerkelijk bekijken van deze Zweedse rariteit. Hierbij dan ook expliciet de vermelding: ik spoor niemand aan deze film te kijken. Nila en Marja De film opent met beelden van een winters landschap; het duurt daarom dan ook een tijdje voordat de kijker doorheeft dat het een zwart-witfilm is. Het verhaal begint met Nila, een Samische man, die op bezoek gaat bij zijn verloofde Marja en een oudere vrouw van wie pas later wordt benoemd dat ze Marja’s moeder is. Ik weet niet of Nila en Marja een vrij afstandelijk koppel zijn of dat ik een bepaalde culturele nuance mis, maar het komt nogal vreemd over dat het toekomstige echtpaar aan weerszijden van Marja’s tent zitten. Het bekoelde koppel spreekt af om met Pasen te gaan trouwen.
keuze te zijn om de kijker een ‘buitenstaandersperspectief’ te geven. Het zorgt er tevens wel voor dat sommige passages lichtelijk onbegrijpelijk worden, dus bij voorbaat excuses voor een ambigue resumptie.
’’Hierbij dan ook expliciet de vermelding: ik spoor niemand aan deze film te zien.’’ De film neemt al snel een dramatische wending. De rooskleurige toekomst van Nila en Marja wordt verstoord door de plotselinge dood van het merendeel van Nila’s rendierkudde; in een meeslepende reeks shots zien we hoe wolven de rendieren een klif afdrijven. Nu ben ik me ervan bewust dat er in de jaren 30 andere normen golden aangaande dierenrechten, maar de beel-
De verteller legt in de openingsscène uit waar de personages het over hebben, want dit is een van de vele stukken in de film waarin de dialoog niet is ondertiteld – dit schijnt een bewuste
(1) Nila en Marja in een van de zeldzame momenten dat ze lachen.
46 (2) Labba zwerft door de Stockholmse straten. Een leven hervat Nila verdient genoeg geld om een nieuwe kudde aan te schaffen en pakt zijn oude leven weer op. De lente breekt aan en we zien Nila en Marja struinen door bedauwde weiden en dalen. Pasen nadert snel en ze treden het huwelijk in als gelukkig stel. Weeral getuigen ze echter niet van een teveel aan affectie, want terwijl Marja hun huwelijksnacht in bed doorbrengt, slaapt Nila op de grond naast haar. Dit is een van de vele momenten in de film dat een Samisch gebruik expliciet wordt benadrukt om een contrast te vormen met de Zweedse burgercultuur.
den van levende rendieren die een afgrond in worden gestort laten nog een ietwat nare smaak achter.Ter benadrukking: de in de afgrond tuimelende dieren zijn echt. Die avond heerst er een grimmige sfeer in de tent van Nila en zijn familie. Voor de traditionele levenswijze van de Sami zijn rendieren van essentieel belang; het verlies van een kudde is dan ook behoorlijk onthutsend. Nila’s grootvader hangt zijn hond op en loopt daarna de sneeuw in om zelf te sterven, wat volgens de verteller een van de Samische gebruiken is. De traditie en stoïcijnse acceptatie van de barre omstandigheden vormen een sterk contrast met de moderniteit van de jaren 30, hoewel deze boodschap wellicht subtieler kon worden gepresenteerd. Dit kan ook een kwestie van tijdsgeest zijn: tegenwoordig is men het wellicht niet zo gewend de moraal van de film subiet medegedeeld te krijgen door een verteller.
’’Ter benadrukking: de in de afgrond tuimelende dieren zijn echt.’’ Vanwege het verlies van zijn voornaamste bron van inkomsten, wordt Nila gedwongen om ander werk te zoeken, weg van zijn traditionele nomadenbestaan. De film portretteert dit als een tragische gebeurtenis: Nila’s romantische leven, geworteld in eeuwenoude gebruiken, wordt opgegeven voor het donkere, geïndustrialiseerde bestaan. Hij ontmoet Heikola, een migrerende arbeider met ‘een duister verleden’, aldus de verteller (van show, don’t tell was in die tijd schijnbaar geen sprake). Er wordt duidelijk gemaakt dat Heikola gezocht wordt voor smokkel door de politie.Tijdens zijn arbeid met Nila krijgt Heikola een ongeluk waarbij zijn voet terecht komt tussen een paar boomstammen; Nila helpt hem en Heikola wordt naar het ziekenhuis gebracht. Later komt de politie langs bij Nila om te vragen waar de voortvluchtige Heikola is, en Nila vertelt ze dat hij te vinden is in het ziekenhuis. Ondertussen werkt Marja op een school voor Samikinderen, waar ze lesgeeft. Een tergend trage scène van kinderen die voorlezen uit Zweedse, nationalistische jeugdliteratuur volgt.
Als de twee op een dag genotvol kijken naar de pasgeboren kalveren die vreedzaam in een weide staan te grazen, verschijnt Labba, een wat oudere man uit hun gemeenschap. Hij legt uit dat er verderop kermis is en biedt aan om op Nila’s rendieren te passen, zodat hij en zijn vrouw kunnen gaan. Dit aanbod nemen ze maar al te graag aan. Labba let ook op een aantal andere kuddes van leden van hun groep en al snel huppelt er een enthousiaste, schare Sami door velden en beekjes, op weg naar de kermis. Eenmaal op de kermis komen we echter tot een schokkende ontdekking: de beruchte Heikola van eerder is daar werkzaam. We zien hoe hij met twee handlangers een plan bekokstooft om de Sami te ontdoen van hun rendierkuddes.Wanneer Nila onraad ruikt, snelt hij huiswaarts om zijn dieren te redden. De misdadigers komen aan bij de Samische verblijfplaats, waar ze de nietsvermoedende Labba vastbinden en de kuddes bijeen drijven. Nila komt hierachter en bevrijdt Labba; daarna zet hij de achtervolging in op Heikola. Die is inmiddels per roeiboot een fjord aan het doorkruisen met de opperbok van de kudde aan een touw, waardoor de rest van de rendieren er mak achteraan zwemt. Een spannende achtervolging op het water doet zich voor, waarbij Nila uiteindelijk Heikola weet te overmeesteren in een korte confrontatie. Nu wordt duidelijk dat Heikola een kunstvoet heeft, te wijten aan het eerdere ongelukkige voorval met de boomstammen. Hierdoor komt hij vast te zitten in enkele touwen en verdrinkt hij. Nila keert met de rendieren terug naar zijn vrienden en familie; de overige dieven ontkomen, maar dit is niet het laatste wat de kijker van hen zal horen. Rendierenroof, zwangerschap en Stockholm Alles lijkt weer pais en vree in het idyllische Lapland. Nila en Marja brandmerken hun rendieren terwijl de winter weer aanvangt. We krijgen te horen dat Marja zwanger is. De film lijkt haar ietwat achterwege te laten; blijkbaar docht zij de regisseurs te oninteressant. In plaats daarvan zien we hoe de twee eerdere rendierdieven opnieuw de kudde bedreigen. Na een kolderieke achtervolging in de sneeuw worden de boeven gearresteerd door een politieman die (toevallig!) langskomt. Hopelijk is dat het laatste wat we van die ongure sujetten horen. Als Nila terugkomt, heeft Marja ernstige koorts. Een verpleegster, voor wiens acteerwerk het woord ‘houterig’ ontoereikend is, zegt dat Nila de dokter moet halen. Op het horen van die
47 ene zin draait Nila zich zwijgend om en loopt weg, de sneeuw in, zonder dat zijn mimiek zelfs de geringste emotie verraadt. Na enig verloop van tijd komt hij bij een gebouw waar hij kan telefoneren, maar door een sneeuwstorm kan hij de dokter niet bereiken.Verslagen (maar nog steeds emotieloos als altijd) keert Nila terug. Wat nu? Ze moeten de koortsige Marja wel naar de dokter brengen, maar dat gaat toch niet in zo’n heftige sneeuwstorm? Zijn trouwe vriend van eerder, Labba, bedenkt een briljant plan: als ze de rendieren voor zich uit drijven, maken die een spoor in de sneeuw. Daarachter kan Marja dan halvelings gemakkelijk volgen in een slee. Op deze manier leggen ze vijftig kilometer af door de dikke laag sneeuw. Niet alleen Marja, die inmiddels meer op een ijspegel lijkt, heeft het zwaar: de kijker ziet de rendierherders ploeteren en zwoegen door de sneeuw. Tot slot komen de Sami aan bij het dorp waar de dokter woont. Een mooi plaatje overigens, de kolossale massa rendieren die zich beweegt tussen de pittoreske huizen door, terwijl de bewoners de nomaden vol ontzag nastaren. Marja wordt naar de dokter gebracht en alles lijkt goed te komen. De film heeft echter nog een laatste twist voorhanden: de twee dieven die Heikola hielpen en later Nila van zijn rendieren bestalen, hebben de politie ervan weten te overtuigen dat Heikola is gedood door Nila’s toedoen in plaats van per ongeluk.Tijdens het wachten buiten het ziekenhuis wordt Nila gearresteerd. Even lijkt het alsof de film niet goed af zal lopen, en dat met nog maar een magere 4 minuten op de klok.
(3) Om Nila’s onschuld te bewijzen, verlaat Labba de Sami-gemeenschap om naar Stockholm te reizen. Daar tracht hij de koning te vragen om gratie. Hier volgen enkele van de meest amusante passages van de film: we zien Labba’s gedrongen gedaante zwerven door de straten
van de Zweedse hoofdstad. Hij steekt geweldig af in zijn traditionele klederdracht, dat met zijn felle kleuren en bonte patronen een sterk contrast vormt met de pakken in aardetinten die de Stockholmse burgerij typeren. Constant wordt hij nagekeken op straat, maar dat schijnt de goedgehumeurde Sami niets te schelen. Met enige naïviteit vraagt hij ‘waar de koning woont’ aan een wachter, die hem de goede kant op wijst. Hij loopt door het grandioze paleis, waarna hij wordt binnengelaten in de kamer van de koning. De film eindigt met een ietwat zoetsappige epiloog: de lente begint, Nila is weer op vrije voet en we zien de baby van de weer herstelde Marja in een wieg, bevestigd aan een rendier – uiteindelijk begint en eindigt hun bestaan bij die prachtbeesten, die zoveel in de film voorkomen.
’’Verslagen (maar nog steeds emotieloos als altijd) keert Nila terug.’’ Verdere analyse Ergens is het nogal ongerijmd om een oordeel uit te spreken over Midnattssolens son. Het blijft een film uit 1939 en het is, bekeken door moderne ogen, op sommige vlakken simpelweg bagger. Het acteerwerk is buitengewoon statisch, soms in zulke mate dat het lijkt alsof de acteurs onder schot worden gehouden vanachter de camera. Er zijn momenten van oprechte emotie die goed werken, bijvoorbeeld Nila’s blik wanneer hij hoort dat de dokter niet naar de ernstig zieke Marja komt, maar het merendeel van het acteren is van een vrij lage standaard, wat zelfs te bemerken is door de taalbarrière heen. De film is daarentegen wel beeldschoon. Het landschap leent zich goed voor de wijde shots van de Laplandse natuur en van het gebrek aan kleur merk je al gauw niets meer. Natuurbeelden vormen dan ook een aanzienlijk deel van de speelduur: constant zien we de vlaktes en de bergen, onder een dikke laag sneeuw, terwijl kalmerende muziekstukken sfeer creëren. Die muziek is dan ook een van de sterkste elementen van de film.
48
(4) Rendieren
Het plot van de film, of eerder de volledige absentie van een overkoepelend plot, moet echter wel benadrukt worden.Tegenwoordig zijn we gewend aan films met één verhaal, maar het dunkt me dat daar anders over werd gedacht door filmgangers en -makers in de dertiger jaren. In Midnattssolens son... gebeuren dingen gewoon. Er is sprake van een overkoepelend verhaal met Heikola en de twee dieven die Nila het leven zuur maken, maar het wordt zo gefragmenteerd getoond dat het niet echt voelt als een geheel.
’’In Midnattssolens son... gebeuren dingen gewoon.’’ Dat wil overigens niet zeggen dat de film een gebrek aan structuur heeft; de seizoenen vormen een duidelijk raamwerk waarbinnen de gebeurtenissen van de film zich afspelen. Het is dan ook extra romantisch wanneer de film eindigt met de aanbrekende lente en de geboorte van het kind van Nila en Marja. Het verhaal van de film wordt gepresenteerd alsof het ‘gewoon een jaar’ is uit het Samische leven, alsof de pieken en dalen van het nomadische doen en laten zich keer op keer herhalen als de seizoenen. De thematiek die door de hele film te zien valt is dan ook het contrast tussen natuur en beschaving, tussen het ‘wilde leven’ en de industrie, tussen traditie en moderniteit. Een geromantiseerde weergave van het Samische leven volgt, waar wellicht niet één centraal oordeel over valt te vellen; van sommige dingen moet nou eenmaal genoten worden zoals ze zijn. Een ding is zeker: ze worden niet zo gemaakt als vroeger.
(5) Filmposter Afbeeldingen 1- Nila en Marja (Afkomstig van IMDB), https://www.imdb.com/title/tt0031646/mediaviewer/rm3554362880/) 2- Labba zwerft door de Stockholmse straten. (Beeld uit Midnattssolens son.) 3- Heikola steekt de fjord over. (Afkomstig van IMDB, https://www.imdb.com/title/tt0031646/mediaviewer/rm836519424/) 4- Rendieren (Afkomstig van IMDB), https://www.imdb.com/title/tt0031646/mediaviewer/rm937182720/) 5- Filmposter https://www.imdb.com/title/tt0031646/mediaviewer/rm1037846016/)
Book review
49
The Midnight Library by Matt Haig “It was twenty past eleven. She only knew one thing with absolute certainty: she did not want to reach tomorrow. (…) It was, she decided, a very good time to die.”
Claire Majoor Nora Seed, an unemployed, partnerless and depressed woman, decides one day that she is done living. After overdosing on pills, she finds herself in a never-ending library with her old school librarian Mrs. Elm, who explains that Nora is situated in between life and death. In this part of the universe, people who have taken their own life get a chance to correct their mistakes and undo their regrets. On the shelves, Nora finds an infinite number of books: tall, fat, short, green and blue.All these books represent an alternative version of Nora’s life. Now that she has entered The Midnight Library, she has the chance to try out other lives – something a lot of us would kill for. The plot follows Nora while she tries out different lives, trying to undo all of her biggest regrets and mistakes. Nora goes from being an Olympic swimmer to an international rockstar, a wife, a mother and even an Arctic explorer. In all these lives, however, Nora slowly fades away, back to The Midnight Library, once she finds dissatisfaction or disappointment in the test life. In the end, after trying a great number of lives, she finds that her original life was not so bad after all. She realizes that she does not need a new, perfect life, she just has to appreciate the imperfect life she already had. Even in her happiest try-out life, where she is a writer, and most importantly for her a full-time mother and wife, she can’t help but find disappointment. The fact that Nora’s happiest life was the one where she felt she was destined to be a mother somehow does not sit right with me. She dwells constantly on how much she loves this child and how much she loves the role she has in the family. It feels outdated, especially considering the book was published in 2021, that the one thing in her life that she was missing, the thing that makes her ‘whole again’, is
fulfilling a stereotypical gender role. Since the book is meant to entertain all age groups, Haig could have thought more about the message this could send to the younger readers. Haig wrote the book with a good sense of humor, and despite how depressing the subject is, it still feels lighthearted. In her original life, there is a moment where Nora, in all her self-loathing pain, ponders how she could keep on living when she could not even keep her cat alive.When she finds out her cat dies in all of her lives, the irony of it all becomes clear, even to her. But, because of the humorous approach, the book sometimes feels somewhat childish. Near the end of the book, Nora has a breakthrough; her original life was not as bad as it had seemed.The message the book wants to send is beautiful and very important: we should all aim to appreciate the things we do have in life.The breakthrough comes too soon, however. The last chapters are sappy, tooth-achingly sweet and cliché. Nora goes from this down-in-the-dumps kind of person, to this perfectly happy ray of sunshine. It is a shame, because the book starts so promisingly. Nora is a realistic, well-rounded character, and her character development is crucial to the plot.The book also reads like a dream; before you know it you are already halfway through. If Haig hadn’t dragged the reader along for pages of sappy remarks about how great life is, then the book would have been much more successful at convincing the reader of its message. Life is beautiful, and all the small things should be appreciated. Release date: February 2021, Number of pages: 304 Publisher: Canongate Books Ltd EAN: 9781786892737 Picture of The Midnight Library (via: The Works Co UK)
50
Column
Mies van Tiel columnsdoormies
G-Spotcast: taboedoorbrekend of schaamteloos bodyshamen? Waar vele mannen al snel het idee hebben dat hun alledaagse uitspraken behoefte hebben aan een scala van luisteraars, ligt deze drempel wat hoger voor het tegengestelde geslacht. Het praten over seks legt deze drempel nog een stuk hoger voor de vrouwen. Vriendinnen Sascha en Kaylee durfden dat taboe te doorbreken door het maken van een podcast over seks, namelijk de ‘G-Spotcast’. Baanbrekend en feministisch, zou je denken. Seksistisch en ordinair is daarentegen een accuratere beschrijving. Het is goed dat deze vrouwen niet te bang zijn om duidelijk aan te geven wat ze willen en blijkbaar is dit ook nodig, gezien de orgasmekloof tussen mannen en vrouwen. Bij heteroseksuele stellen komt maar 65 procent van de vrouwen regelmatig of altijd klaar tijdens de seks, tegenover 95 procent van de heteroseksuele mannen.1 Echter is er een verschil tussen het educatief praten over seks, om jonge mensen iets bij te brengen, en het belachelijk maken van mannen op seksueel gebied. Zeker in deze tegenwoordige cancelcultuur, verbaast het me dat deze podcast nog geen bakken van kritiek over zich heen heeft gekregen.
smileys. Zo staat een aardappel voor een ‘kleine pik’, een aubergine voor een goede pik en een pepermolen voor een ‘gekke pik’. Ik ben benieuwd wat er zou gebeuren wanneer twee mannen in een podcast hun lijstjes aan elkaar zouden toelichten met: ‘’Deze worst-emoji staat voor salamitepels en dit mes staat voor te grote schaamlippen.’’ Wel slaan de twee de spijker op zijn kop wanneer ze kritiek leveren op de orgasmekloof tussen man en vrouw, en wanneer ze benoemen dat seks meer is dan alleen penetratie. Het is alleen jammer dat juist deze punten totaal worden overschreeuwd door het oeverloze bodyshamen. Zinvoller zou het zijn om uit te leggen hoe je alsnog iemand kan bevredigen, ook al heb je een zogenaamde ‘aardappel lul’.
Zo geven Sascha en Kaylee hun bedpartners (of in hun woorden: ‘’neukertjes’’) sterren aan de hand van hoe leuk en knap ze zijn. En op basis van hoe groot zijn pik is. Om je een beeld te geven van hoe tenenkrommend de gesprekken zijn: ‘’Fucking knap. Fucking leuk. Maar pik alsof hij een duimpje in me stak. Dan heb je al een kleine lul en dan val je ook nog eens uit bed. Echt gênant.’’ Het bodyshamen van sekspartners is eerder een Uno-reversekaart opleggen dan het taboe rondom seksualiteit doorbreken. Om zo goed mogelijk online kritiek te kunnen leveren, houden Sascha en Kaylee een lijstje bij met namen van hun voormalige bedpartners. Hier is an sich natuurlijk niks mis mee. Echter worden de namen op het lijstje opgevolgd met een reeks aan
Voor behulpzamer seksadvies kan je de volgende bronnen beter raadplegen: sense.info/nl scarleteen.com o.school talktabu.com J. Compton, ‘The 'orgasm gap': Why it exists and what women can do about it’, NBC News (6 april 2019), via https://www.nbcnews.com/better/lifestyle/orgasm-gap-why-it-exists-what-women-can-do-aboutncna983311, geraadpleegd op: 15-12-2021.
Colofon
CODEX Historiae
Theme: Myth Voorjaar/Spring 2022
Hoofdredactie Chief editor Redactie Editors
Eindredactie Copy Editors
Dit thema is breed in te vullen en CODEX is zeer benieuwd naar jullie perspectieven en ideeën. Heb jij iets geschreven dat met Myth te maken heeft (of niet) en wil je het graag laten publiceren? Neem contact met ons op! De deadline is 13 februari. Mail ons op info@codexhistoriae.nl. Blijf op de hoogte via onze social mediakanalen of via onze website codexhistoriae.nl. The next issue of CODEX Historiae will appear in March/April and will be all about Myth. This is an incredibly broad theme and we at CODEX would love to hear your perspectives and ideas. Have you written something related to Myth (or not) and want to publish it? Contact us! The deadline is the 13th of February. Email us on info@codexhistoriae.nl. Stay up to date through our social media channels or via our website codexhistoriae.nl.
Amanda van Dord Thymo Gieltjes Niels Koopmans Leah Niederhausen Eva van Roozendaal Brenda Bakker Quinty Frankvoort Amber Jarigsma Hosoo Kim Bram Roelofs Lucas Smarius
Gastschrijvers Guest writers
Lisa Bakhuizen van den Brink Lars Brull Margit Hilde Anna Dullaart Nickel Koch Daan Jansen Mies van Tiel
Vormgeving Graphic design
Erin Dekker
Omslag Cover In maart/april verschijnt het nieuwe nummer van CODEX Historiae. Deze editie staat helemaal in het teken van Myth.
Nica de Korte Claire Majoor
Men standing with pile of buffalo skulls (1892) Michigan Carbon Works
Jaargang 42, nummer 4, februari 2022 Postadres: Redactie CODEX Historiae Vrije Universiteit Faculteit der Geesteswetenschappen T.a.v. CODEX Historiae De Boelelaan 1105 1081 HV Amsterdam Mail voor meer informatie over abonneren, publiceren of adverteren naar info@codexhistoriae.nl. Financieel mogelijk gemaakt door de Vrije Universiteit Amsterdam. Abonnement: voor studenten en personeel aan de faculteit geesteswetenschapen aan de VU: gratis Voor anderen €15 per jaar. Email ons voor meer informatie over abonneren. Subscription: For students and employees at the faculty of humanities at the VU: Free For others €15 per year. Email us for more information about subscribing. ISSN: 2666-9048 e-ISSN: 2666-9056 CODEX Historiae maakt gebruik van de Creative Commons CC-BY-NC licensie: inhoud mag worden hergebruikt voor niet-commerciele doeleinden, mits de bron goed wordt aangegeven.
Codexhistoriae.nl