de Architect september 2022

Page 128

#3 2022 Hoogbouw voor een leefbare stad

Hoogbouw voor een leefbare stad

Hemels wonen – wonen op hoogte, hoe hemels is dat nou? Hoe maak je goede woontorens?

En wat betekent hoogbouw voor de stad en het straatleven? Wil je alle artikelen over dit thema lezen – zowel die uit deze uitgave als de artikelen die alleen online gepubliceerd zijn?

Scan dan deze QR-code voor het overzicht van al onze recente artikelen over hoogbouw.

Uitzicht vanaf het Depot Boijmans van Beuningen op de skyline van Rotterdam met de Zalmhaventoren als hoogtepunt. Foto Ernst Wagensveld
2

Hemels wonen in ‘humble highrise’ Hoogbouw

in Nederland is een lachertje. Goed, we hebben al 220 gebouwen van zeventig meter of hoger en er staan er 180 op de planning. De hoogste, de Zalmhaventoren in Rotterdam, is zelfs 215 meter hoog. Maar daarmee komen we nog niet in de buurt van de top vijftig hoogste gebouwen ter wereld. Was ooit Amerika de koploper als het ging om hoogbouw, nu is dat Azië. Zo staan 21 van de 50 hoogste wolkenkrabbers in China.

’s Werelds letterlijke hoogtepunt is op dit moment de toren Burj Khalifa in Dubai van 828 meter hoog. Een knap staaltje technisch vernuft, mede dankzij uitvindingen als lichtgewicht beton en tuned mass dampers. Die dempers zorgen ervoor dat de uitslag van de toren door de wind binnen de perken blijft door een tegengestelde beweging te maken. Want van een continue schommeling van meer dan een meter raakt ons evenwichtsorgaan van slag.

Ik moet het nog zien dat we die dempers in Nederland ooit nodig hebben. In ons laagbouwlandje heerst nogal wat weerstand tegen hoogbouw. Niet alleen veroorzaakt een wolkenkrabber hinderlijke slagschaduw en wind, ook heeft zo’n injectie met mensen in een buurt een enorme inpakt op de aanwezige infrastructuur en voorzieningen: waar laten die allemaal hun auto, fiets en afval?

En als dat nog niet ingewikkeld genoeg is, heeft een goed functionerende toren een publieke plint om te ‘landen’. Dit betekent dat er op het maaiveld niet alleen plek moet zijn voor de entree, de liften, de fietsenstalling, de afvalcontainers en de constructie, maar ook voor publieke functies als een café of een winkel, of liever zelfs een kinderdagverblijf, een school of een bibliotheek. En dat is een hele puzzel in de dicht bebouwde stad waar de kavels klein zijn en de bestemmingsplannen onverbiddelijk.

Toch moeten vooral de grote steden de hoogte in, willen ze voldoen aan de ruimtevraag en tegelijkertijd zo duurzaam mogelijk omgaan met de beschikbare middelen en de grond, de aanwezige infrastructuur en draagvlak creëren voor een divers voorzieningenaanbod. En dat weten ze. Ze hebben door het bouwen van windfuiken, dichte plinten en anonieme entrees leergeld betaald en scherpen continu hun hoogbouwvisies aan.

Maar hoogbouw hoeft helemaal niet zo hoog. Boven de zeventig meter gelden extra veiligheidseisen, waardoor de bouwkosten snel oplopen en daarbij neemt ook de bouwtijd met elke meter hoger toe. Met enorme torens los je de wooncrisis niet op. Zo duurde het twintig jaar voordat de Zalmhaventoren er stond. Projecten als Little C in Rotterdam laten zien dat je ook met minder hoge torens een relatief hoge dichtheid kunt bereiken. Hoogbouwarchitect en criticus Stefan Al breekt in de podcast Merel en Tracy praten door zelfs een lans voor humble highrises tot zo’n dertig meter hoog. Ik ben benieuwd hoeveel van die geplande 180 torens er over tien jaar staan te schitteren. Hopelijk hebben de stijgende bouwkosten de torens niet te veel uitgekleed, betaalt het leergeld zich uit, hoeven de Nederlandse steden niet meer jaloers te kijken naar Vancouver en is er een begin van een eigen hoogbouwtraditie. Eentje om serieus te nemen.

Merel Pit, hoofdredacteur

3 Redactioneel

Beeldessay wonen

Rotterdamse hoogbouw Enclaves voor de allerrijksten

Internationaal

ESSAY Singapore, Hong Kong, en Vancouver zijn levendige hoogbouwsteden

PROJECT 111 West 57th Street New York ’s Werelds smalste wolkenkrabber

Architectuur

Stedenbouw

ESSAY Lessen voor de wolkenkrabberstad

PROJECT Haasje Over, Eindhoven Hoogvlieger met sociaal hart

INTERVIEW Socioloog Frans Soeterbroek over ‘echte participatie bij hoogbouwprojecten’

PROJECT De Binckhorst en het Central Innovation District Den Haag zoekt de lucht op

Interieur

INTERVIEW Stedenbouwkundige Jeroen de Willigen breekt lans voor de plint

PROJECT Hotel Casa, Amsterdam Onderkomen voor studenten en toeristen

Architectuur

ESSAY De verticale stad als utopie

PROJECT Woon- en kantoorgebouw Valley Spektakel aan de Zuidas

35 53 94 108
42
60
98
112
130
123
23 4 Hemels
0912 1815 Mevr. De Architect Winka Dubbeldam ‘Vrouwen moeten brutaler zijn’ De tekening De geliefde Indonesische stad van Arida Yasmin 154 156 Nieuw erfgoed Bolwoningen in Den Bosch (1984) door Dries Kreijkamp De achterdeur Museum Arnhem Uitgang naar een levendig verdomhoekje juni t/m 20 jaar stedelijke vernieuwing in de Westelijke Tuinsteden & Meer... → Audiotour → Lezingen → Wandelingen → Tentoonstelling → Buurtexposities 18 december 2022 30 juni t/m www.vaneesterenmuseum.nl m Te doen Boek, film, expo, podcast Nooit gebouwd Een uitroepteken van Carel Weeber 81 84 86 Meubel Studio Joshua Klappe timmert aan de weg met afvalhout Opinie ‘Goede architectuur verdient een gezonde werkcultuur’ Het eerste huis Liesbeth Brink Het Verkoolde Huis in Oostvoorne 77 Start-up Studio Abacaxi ‘Overdag ben ik architect, ’s avonds bouwvakker’ 14 Briefwisseling: Ariadne Onclin en Michelle Gulickx: ‘Wolkenkrabbers en luchtkastelen’ 16 Joost Roefs ‘Stop verheerlijking van mislukte woonexperimenten’ 85 Vincent Kompier ‘Het dak op’ 153 Gert Kwekkeboom ‘Rijp voor de psycholoog’ 150 Architectuurtaal Pronken met schuurpaleizen 147 Product Keramische tegelwand door Laura van Sante Columns 5 Rubrieken

Loes Sikkes is grafisch ontwerper en zij ontwierp de nieuwe opmaak van de Architect. Na haar studie aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam startte zij verschillende ontwerpbureaus, werkte als docent en coördinator en een jaar als creative manager in Shanghai. Foto Frank Hanswijk.

Aaron Betsky is hoogleraar aan de School of Architecture and Design aan Virginia Tech. Hij schrijft over architectuur, kunst en ontwerp. De in Amerika geboren Betsky was directeur van het Nederlands Architectuurinstituut (2001-2006). In dit nummer recenseert hij de superhoge 111 West 57th Street-toren in Manhattan.

Merel van Casteren was de afgelopen maanden stagiair bij de Architect. Ze studeert Bouwkunde aan de Technische Universiteit Eindhoven. Merel is breed geïnteresseerd, van techniek tot literatuur, en houdt zich het liefst bezig met het ontdekken van en experimenteren met architectuur.

Stefan Al is een Nederlandse architect en stedenbouwkundige, werkzaam in New York. Hij ontwerpt on der meer hoogbouwtorens in Azië en Noord-Amerika. Al is tevens hoogleraar aan Virginia Tech en Columbia University. In dit nummer van zijn hand een essay over hoogbouw in Singapore, Hong Kong, en Vancouver.

Loes van Duijvendijk is een fotograaf uit Rotterdam. Met haar werk wil zij uitdagen om de stedelijke omgeving met andere ogen te bekijken. Voor het beeld essay in deze de Architect ging zij op zoek naar hoe hoogbouw het aanzien van en het leven in Rotterdam beïnvloedt.

en verder

Daan van Roggeveen is oprichter en creatief directeur van MORE Architecture, een bureau voor onderzoek en architectuur, met kantoren in Amsterdam en Shanghai. Hij realiseerde gebouwen in Shanghai en Nederland en schrijft boeken en columns, onder meer over hoogbouw – waarover hij voor dit nummer een essay schreef.

Arjan den Boer, Marcel van der Burg, Mitchell van Dijk, Ossip van Duivenbode, René Erven, Job Floris, Hans Fuchs, Michelle Gulickx, Pieter Hoexum, Vincent Huijbers, Vincent Kompier, Christian van der Kooy, Gert Kwekkeboom, Alice Lucchinelli, David Meulenbeld, Jeroen Musch, Ariadne Onclin, Joost Roefs, Hans Teerds, Harm Tilman

Merel Pit Hoofdredacteur Maarten Ettema Eindredacteur Afke Laarakker Vakredacteur Charlotte Thomas Vakredacteur Astrid de Wilde Webredacteur Hanna Veltman Junior redacteur Loes Sikkes Grafisch ontwerper Maciek Piasecki Uitgever Wilco Druk colofon de Architect #3 2022 Cover: Valley, Amsterdam Foto Ossip van Duivenbode Redactieadres Utrechtseweg 44 3704 HD Zeist T redactie 088 5840760 redactiedearchitect@vakmedianet.nl www.deArchitect.nl Hoogbouw voor een leefbare stad de Architect is een uitgave van VMN media www.vmnmedia.nl 6 Aan dit nummer werkten mee

let light create spaces

louispoulsen.com De vergaderruimte van Nauta Dutilh, een internationaal advocatenkantoor, heeft een indrukwek kend uitzicht. De verlichting van de vergadertafel is al even indrukwekkend: twee imposante LP Grand hanglampen met een diameter van Ø 1480 mm verlichten de ruimte. LP Grand combineert direct en gereflecteerd licht in zijn kap en tussen de mooie gebogen open ringen. Op deze manier zorgt het voor een verblindingsvrije verlichting van de hoogste kwaliteit en creëert het een warme en uitnodigende sfeer. Contact / bemonstering via info@louispoulsen.nl / +31 850655774 LP Grand hanglamp bij Nauta Dutilh, Amsterdam Lichtontwerper: Studio Rublek Fotograaf: Peter Baas
Vertegenwoordiging voor Nederland: Hateha Elektrotechnische Handelsonderneming B.V. HATEHA.NL JUNG.NL 2.–6.10.2022 Hall 1 1.1/B56 MADE TO TOUCH. DESIGNED TO CONTROL. LS 1912 IN ALUMINIUM DARK Bruno Lambart House in Düsseldorf, Germany by Nidus Studio

Mevr. Architect Winka Dubbeldam zijn geen slachtoffer, maar ze moeten wel brutaler zijn’

In de nieuwe rubriek Mevr. De Architect een interview met een architect die je zou moeten kennen, maar van wie dat misschien dat niet het geval is: Winka Dubbeldam. Ze vertrok in 1990 naar Amerika en richtte daar haar eigen bureau op. Ook is ze hoogleraar en leidt al bijna tien jaar een architectuuropleiding. ‘Ik kan echt dagen hebben dat ik denk: Wauw! Ik word hiervoor betaald!’

de
‘Vrouwen
TEKST MEREL PIT | FOTO’S ALICE LUCCHINELLI
9 Interview

Eindvorig jaar mailde Winka Dubbeldam (1966) me: ‘Geweldig dat er een vrouw de “baas” is bij de Architect! Je kent mij niet waarschijnlijk […]. Het zou leuk zijn eens met je te praten over de rol van de vrouw in architectuur!’ Tot mijn schroom moest ik bekennen dat ik inderdaad niet wist wie ze was.

De meeste Nederlandse architecten die haar wel kennen, zijn van haar generatie of ouder, vaak van haar studietijd aan de Rotterdamse Academie van Bouwkunst. Want na haar afstuderen verliet ze Nederland. Ze kreeg een beurs om naar de Architectural Association School of Architecture in Londen te gaan – maar dan overlijdt plotseling directeur Alvin Boyarski. ‘Geen goed moment om te gaan: chaos was het daar.’ Ze vraagt opnieuw met succes een beurs aan, maar dan voor de Columbia University in New York, want daar is op dat moment Bernard Tschumi decaan. ‘Columbia leek me ook een geschikte plek om me meer te verdiepen in architectuurtheorie en -filosofie.’

In Amerika bouwt Dubbeldam aan een indrukwekkende carrière. Ze werkt eerst twee jaar voor de architect Peter Eisenman, waarna ze besluit

haar eigen bureau op te richten: Archi-Tectonics. In 2003 wordt ze hoogleraar architectuur en tien jaar later decaan aan de Stuart Weitzman School of Design van de Universiteit van Pennsylvania, Philadelphia. En nu is Dubbeldam in Nederland voor de lancering van alweer haar vierde boek: Strange Objects, New Solids and Massive Things in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam.

Een paar uur voor de boekpresentatie heb ik met haar afgesproken in de lobby van het Bilderberg Park Hotel. Ze is tien minuten te laat en komt met grote passen en een stralende glimlach aangelopen. ‘Sorry, ik moest even naar buiten. Vanochtend was ik al om vijf uur op om een editorial te schrijven voor PLAN Magazine [ze is gasthoofdredacteur, red.]. Het moest eigenlijk gisteren af zijn.’

Maak je lange werkdagen?

‘Bij Peter Eisenman maakte ik lange dagen, soms tot drie uur ’s nachts. Het was super intens. Ook leuk hoor. Als je langer blijft, wordt het wel beter, maar dat heb ik niet volgehouden. Op ons bureau werken we normale dagen en alleen als we prijsvragen hebben werken we door, in de weekenden sowieso niet.

Maar goed, ik denk altijd: ik heb gekozen voor een beroep dat gaat over onderzoek doen en ontwerpen. Onderzoek is heel belangrijk en dat kost tijd.’

Tijdens het gesprek springt Dubbeldam soepel als een hinde van het ene naar het andere onderwerp. Ze lacht veel. Nergens een spoortje van vermoeidheid te merken. ‘Gelukkig vind ik het zo leuk wat ik doe.’

Hoe ben je nu bezig met onderzoek?

‘Ik ben net een grote re searchafdeling begonnen, waar we proberen onze studenten te leren hoe ze onderzoek kunnen doen, en goede papers schrijven die worden gepubliceerd. De scope van architecten is zo breed, daar zouden we veel meer gebruik van moeten maken. Wij weten over veel dingen vaak veel meer dan de ambtenaren die de beslissingen nemen. Met goed onderzoek probeer ik het vakgebied open te breken. Daar gaat mijn boek ook over, het is nadrukkelijk een manual en geen monografie. Ik probeer duidelijk te maken hoe we als architecten ook andere rollen op ons kunnen nemen die ons vakgebied kunnen uitbreiden.

‘Er zijn meer architecten die

structureel onderzoek doen hoor, zoals Rem Koolhaas en Ben van Berkel. Misschien omdat ik een vrouw ben, vind ik dat ik daar ook mijn steentje aan moet bijdragen.’

Vind je het daarom ook geweldig dat er een vrouw de baas is bij de Architect?

‘Ja. Hè hè, eindelijk, dacht ik.

‘Toen ik Nederland verliet had ik echt het idee dat mannen en vrouwen gelijkwaardig waren.

In de jaren negentig was het voor mijn gevoel heel gewoon dat vrouwen op leidinggevende posities zaten bij bureaus. Waar zijn al de vrouwen gebleven?’

Wat denk je zelf?

‘Ik denk dat het van twee kanten komt. Als vrouw moet je meer proactief zijn en als maatschappij moet je ervoor zorgen dat je vrouwen niet buitensluit. Maar vrouwen zijn geen slachtoffer hoor. Ik denk dat wij brutaler moeten zijn en beter onze mening naar voren moeten brengen. Ik stap overal op af. Soms krijg ik “nee”, soms krijg ik “ja”.’

Een grote “ja” kreeg Dubbeldam van een Engelse bankier, een van haar eerste opdrachtgevers.

‘Hij belde me op, want hij was op zoek naar een architect om zijn appartement onder handen

‘Als vrouw moet je proactief zijn en als maatschappij ervoor zorgen dat je vrouwen niet buitensluit’
10
1. 2.

1. Herenhuis in Manhattan.

Beeld Alexander Sipkes

2. Terras boven op het herenhuis in Manhatten. Beeld Evan Joseph

3. Interieur van het herenhuis.

Beeld Evan Joseph

4. Strange Objects, New Solids and Massive Things. Uitgever Actar

5. Impressie van de Blaak Toren. Beeld Archi-Tectonics

6. Geveldetail stadion Asian Games. Beeld Men Ge

7. Masterplan Asian Games. Beeld Men Ge

De verbouwing trok veel aandacht en werd gepubliceerd in The New York Times. ‘Dat hielp wel met mijn vervolgopdrachten.’ Maar eerst ontwierp ze voor de bankier nog een multifunctioneel gebouw met een gevouwen glazen gevel. In de 3D-tekening stonden coördinaten, in plaats van afmetingen voor de fabrikant. ‘Toen parametrisch ontwerpen nog niet zo heette, deden wij het al!’ Daarna volgden er gebouwen over de hele wereld.

Alleen in Nederland niet, zelfs het prefabhuis dat ze voor haar ouders ontwierp staat net over

de grens in Duitsland, in Vreden, terwijl Dubbeldam hier ook graag zou bouwen. Ze deed daarom mee aan verschillende prijsvragen, zoals die voor het Drents museum en voor de Pontsteiger in Amsterdam, beide in 2007. En ze presenteerde drie jaar geleden een ontwerp, De Blaak Tower in Rotterdam voor een Nederlandse ontwikkelaar. Het was te zien tijdens de solotentoonstelling Flat Lands and Massive Things – From NL to NYC & Beyond in Aedes Berlijn.

Waarom wil je zo graag hier bouwen?

Weer die brede glimlach. Zonder enig spoortje van twijfel antwoordt ze: ‘Ja, ik probeer het altijd. Optimistisch hè. Het ontwerp voor die toren bij de Blaak is fantastisch. Als die ontwikkelaar niet opschiet ga ik hem ergens anders bouwen. Maar ik zou het liever hier doen. Ik ben uiteindelijk een Nederlander.’

De Blaak Tower valt op – net als veel van haar werk – door zijn futuristische architectuur die vanaf impressies lastig te doorgronden is. Naar eigen zeggen is deze esthetiek niet het doel, maar zet ze vooral in op klimaat- en technologische innovaties. Ze wil dat gebouwen beter functioneren, zoals auto’s.

‘Als ik in mijn auto zit druk op een knopje en dan gaat het raam naar beneden. Maar op mijn kantoor moeten we met vijf man sterk aan een raam hangen om het open te krijgen. De bouw loopt zó achter.’

Maar een gebouw is toch geen gadget?

‘Hoezo? Goede gadgets kunnen toch ook tijdloos zijn? Voor een smalle kavel in Manhattan ontwierp Archi-Tectonics een acht verdiepingen hoog herenhuis. Voor de glazen gevel en balkon bevindt zich een soort 3D-zonnescherm, een frame met panelen van inklapbare lamellen,

die scharnieren als de vleugels van een vogel. Zo kunnen de bewoners zelf de panelen open of dicht zetten. Dat gaat zo gemakkelijk dat ze het de hele dag door doen.

‘Die lamellen zijn trouwens gemaakt van trespa, een fantastisch Nederlands materiaal. Je hoeft het niet te onderhouden, het blijft altijd mooi en het gaat nooit krom staan.’

Ik ken maar weinig Nederlandse architecten die trots vertellen dat ze trespa toepassen.

‘Ja ik weet het. Iedereen denkt hier meteen aan slechte sociale woningbouw.’

Ze neemt een slok van haar koffie. Grijnst. Dan vastberaden: ‘Ik vind het leuk om dingen anders te doen.’

11 te nemen en vroeg of ik mijn portfolio wilde presenteren. Ik kreeg de opdracht. Later zei hij dat ik het kleinste portfolio had.’ Ze bouwde voor hem een loft van 500 vierkante meter. ‘Hij liet me letterlijk alles doen wat ik wilde. Sculpturale dingen, hydraulische objecten, de eerste flatscreen op een paal.’
3. 4. 5. 6. 7.

De tekening Arida Yasmin ‘Banyuwangi is meer dan Bali’s buur’

Alsmensen mij vragen waar in Indonesië ik vandaan kom, zeg ik uit gemak “vlak bij Bali”. Maar met deze tekening wil ik laten zien dat Banyuwangi veel meer is dan Bali’s buur.’ Op haar studentenkamer in Groningen tekende Arida Yasmin een eerbetoon aan haar geboortestad. ‘Met architectuurtekeningen visualiseer je herinneringen’, stelt Arida Yasmin. De PhD-kandidaat architectuurgeschiedenis zit al een aantal jaar in Groningen en woont sinds haar achttiende niet meer in Banyuwangi. Toch blijft deze plek haar thuis. Door in de tekening elementen te vervlechten die haar stad maken, geeft Yasmin de toeschouwer een beeld van deze nog bij het grote publiek onbekende Indonesische stad. Maar de collage is ook heel persoonlijk.

Totaalplaatje

‘Ik reis graag. De steden die ik bezoek zijn mijn grootste inspiratiebron, vooral de oude centra. Door gebouwen te tekenen leer ik details en kenmerken zien waarvan ik me anders nooit bewust was geweest.’

Door die onderzoekende lens kijkt ze met de tekening naar haar geboortestad, haar thuis. ‘Ik heb altijd al iets willen tekenen wat dicht bij mij staat. Banyuwangi is een vrij kleine stad in het oosten van Java. De stad is omringd door uiteenlopende landschappen – van stranden tot bergen. Ik hoop dat ik met mijn tekening een totaalplaatje geef waardoor mensen verder kijken dan de toeristische trekpleisters.’

Dat betekent niet dat Yasmin in haar tekening helemaal voorbijgaat aan die toeristisch hotspots – zoals het Ijen-kratercomplex, de savanne in Baluran en een plek bij Red Beach die populair is bij surfers. ‘Daarnaast heb ik herkenbare elementen getekend, zoals een tempel, traditionele huizen en shophouses.’

Oud en nieuw

De tekening is vol en kleurrijk. In die vrolijke chaos is een hoofdrol weggelegd voor een traditionele festivaloptocht, met daarin Barong, een mythisch wezen. ‘De stad heeft de afgelopen jaren heel wat ontwikkelingen doorgemaakt. Tijdens deze festivals staat de stad juist in het teken van traditie – mensen dragen klederdracht en dansen op traditionele muziek. Terwijl Banyuwangi verandert is het fijn om een herinnering te hebben aan hoe de stad was.’

Toch heeft Yasmin wel degelijk ook oog voor het hedendaagse Banyuwangi. Zo verwijst ze naar het jazzfestival en de fietstoer die er plaatsvinden. ‘Met de tekening wil ik laten zien hoe oud en nieuw zich mengen in het stadsbeeld. Dat vind ik het mooiste aan Banyuwangi: hoe de stad moderniseert terwijl hij zijn lokale tradities in stand houdt.’

12 Favoriete Indonesische stad
13

Laat naast wolkenkrabbers ruimte voor luchtkastelen

Hé Michelle,

Wat is voor jou de definitie van hemels wonen? Is het wonen op grote hoogte in een gat in de lucht of is jouw paradijs op een ander level te vinden? Na ruim dertig jaar wonen op (grote) hoogte heeft het toeval mijn liefde en voorkeur voor wonen in het hemelgewelf laten kelderen tot niveau maaiveld.

Opgegroeid in een appartement op de tweede etage in Amsterdam snapte ik niet waarom vrienden de stad verlieten voor een huis met een tuin. Waarom zou je de grote stad verlaten voor een kleinere, of – nog erger – voor een dorp?

Mijn wereld was compleet op hoogte en ik had nooit de ambitie om over een tuin te beschikken, ook niet in Amsterdam.

Mijn droomwoning bevond zich namelijk al jaren in de Wolkenkrabber aan de Vrijheidslaan. Het twaalfverdiepingenhuis was de eerste hoge torenflat van de stad – een markant herkenningspunt ontworpen door J.F. Staal begin jaren dertig. Mijn beste vriendin woonde er op de zesde etage en had rondom een spectaculair uitzicht over de stad. Bij goed weer kon je de haven zien en zelfs nog verder. Dit maakte dat ik toen ik vijf was al wist dat mijn droomwoning in de Wolkenkrabber was en dus op grote hoogte.

Hoge woontorens binnen de Ring waren in mijn jeugd een uitzondering. Nu staan er zoveel dat ik ze niet eens allemaal kan opnoemen. Deze nieuwe standaard in woontypologie heeft geen invloed gehad op mijn ommezwaai in perceptie op hemels wonen. Of misschien toch wel? Allebei zijn gekoppeld aan de woningcrisis.

Voor mij eindigde de eeuwige zoektocht naar een huis toevallig bij een woning op de begane grond, met tuin. En nu, drie jaar later, ben ik verpest.

Mijn Olympus is ingestort, want ik ben verknocht geraakt aan een tuin. Ik wil nooit meer terug de hoogte in. Opeens snap ik die vrienden die uit Amsterdam weg verhuisden. Misschien ga ik ze ooit nog achterna. Vanuit stedenbouwkundig, architectonisch en historisch perspectief blijf ik wel gefascineerd door hoogbouw, maar wonen doe ik voortaan met beide voeten op de grond.

Wat betekent hemels wonen voor jou?

Ha Ariadne,

Deze zomer kreeg ik een prachtig inkijkje in ‘hemels wonen’ en wat dat betekent voor een stad. Ik organiseerde namelijk een summerschool voor studenten uit Hong Kong. Deze jonge mensen zijn opgegroeid in een stad waar de ruimte nóg schaarser is dan in Nederland. Op hun geboortegrond neemt hoogbouw indrukwekkende vormen aan.

Ter vergelijking: de Zalmhaventoren in Rotterdam is met 215 meter het hoogste gebouw van Nederland. In Hong Kong zou dit gebouw maar nét de top veertig van hoogste gebouwen halen. De ICCtoren, het hoogste punt van Hong Kong, krabt de wolken op maar liefst 484 meter boven de zeespiegel. Meer dan dubbel zo hoog.

Ik was daarom benieuwd hoe de studenten keken naar steden als Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. Wat viel hen op? Ik verwachtte wat observaties te horen over onze compacte huizen of de historische architectuur. Maar tot mijn grote verrassing noemden meerdere studenten direct hetzelfde: dat je in Nederland overal de lucht kunt zien, vanwege de laagbouw. Volgens de studenten zorgt een goed uitzicht op de hemel ervoor dat je veranderingen in het weer sneller en vaker ervaart. En dat de natuur daarmee dichterbij voelt. Een student vond de lucht een belangrijke brenger van kleur in het straatbeeld. Niet alleen vanwege de betere lichtinval zonder al die schaduwen van torens, maar ook door het kleurenspel van de lucht zelf. Een mooi inzicht: onze ‘Hollandse luchten’, met stapelwolken en wisselende tinten, zijn blijkbaar een stedelijke kwaliteit. In de discussie over hoogbouw dacht ik voor deze gesprekken vooral aan de invulling en het ontwerp van al die woontorens. Dat we een goede, open plint moeten ontwerpen, en dat interactie in een toren optimaal gefaciliteerd moet worden. Maar de reactie van de studenten deed me nadenken over het belang van de ruimte tússen al die torens. Want hoe meer hoogbouw we maken, hoe minder er overblijft van onze Hollandse hemel. Laten we het daarom soms ook bij luchtkastelen houden.

TEKST ARIADNE ONCLIN EN MICHELLE GULICKX | FOTO MAYLAN VAN DER GRIFT Is het hemels wonen in hoogbouw? Ariadne Onclin heeft haar positieve mening moeten bijstellen. Want als je eenmaal een tuin hebt, dan valt het niet mee om nog van een balkon te kunnen genieten. Michelle Gulickx kreeg een nieuw inzicht dankzij een groep studenten uit Hong Kong. Verliezen we het zicht op onze Hollandse luchten, met al die hoogbouw?
14 Briefwisseling

Nooit gebouwd Woontoren Kijkduin

Hetbadplaatsje Kijkduin ontwikkelt zich razendsnel – luxe middenbouw neemt de kustlijn in beslag. Had het aan Carel Weeber gelegen dan stond er nu ook een woontoren van 120 meter hoog. Het appartementencomplex is alleen nooit gebouwd.

‘Op korte afstand van het woongebouw ligt de badplaats Kijkduin. Een badplaats die de laatste jaren een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt en nu uitgegroeid is tot een aantrekkelijk uitgaans- en vakantiecentrum’, schrijft Weeber in 1983 over zijn Kijkduin-toren. De locatie was perfect voor hoogbouw van 120 meter, meende de architect.

Weebers visie van een 42 verdiepingen tellende toren steekt vreemd af bij het open kustlandschap ten zuidwesten van Den Haag. Toch liep de architect met de grootschalige ontwikkelingen ver op de tijd vooruit. Op dit moment wil Den Haag Kijkduin transformeren tot ‘de meest luxe en mooiste badplaats van Nederland’, meldt Omroep West.

Precies op de kruising

Vorig jaar brak de sloopkogel de oude boulevard en het winkelcentrum af om ruimte te maken voor nieuwe, chiquere versies. Ook zijn er appartementengebou-

wen bijgekomen – middenbouw pal aan het strand. Op de kruising tussen de Laan van Meerdervoort en de Ockenburghstraat – die het centrum van Den Haag verbindt met zijn buitenwijken Ockenburgh en Kijkduin – verrezen vorig jaar ook nog eens 132 woningen, verdeeld over 54 huizen en vijf middelhoge appartementengebouwen.

Precies op die kruising miste Weeber een hoog gebouw, schrijft hij in het project boekje. Wat de as van de Laan van Meer dervoort nodig had, was een soort uitroepteken dat het einde van Den Haag en het begin van Kijkduin aankondigt.

Gekleurde tegeltjes

Dat moest een slanke, blauwgrijzige toren voor 160 grote appartementen worden. De gekleurde geëmailleerde tegeltjes waren het werk van kunstenaar Peter Struycken en verwijzen naar de tinten van de zee en wisselende luchten. Op een terrein van 5000 vierkante meter ontwierp Weeber ook nog eens een parkeergarage met daktuin en een zwembad – allemaal exclusief voor de toekomstige bewoners. Toren en garage zijn van elkaar gescheiden door een voetpad dat de Ockenburghstraat en de bestaande sportvelden verbindt. De toren bestaat uit veertig woonlagen, gebouwd op een zwarte natuurstenen

sokkel van nog eens zes meter hoog. Per verdieping is er ruimte voor vier appartementen van zo’n 65 vierkante meter. Tot en met de 29ste verdieping vind je driekamerappartementen, tot en met de 41ste vierkamerversies. Door de kern van het gebouw sjezen vier liften, die allemaal één woning per verdieping aandoen.

‘Niet misselijk’

Het plan is nooit zover gekomen dat de verkoopprijzen van de appartementen be kend zijn geworden. Maar die zouden ‘niet misselijk’ zijn, schreef journalist Paul Koop man destijds in dagblad Het Binnenhof. De appartementen waren dan ook bedoeld voor mensen die ruim en comfortabel wil den wonen, maar niet teveel slaapkamers nodig hadden. Het leeuwendeel van het woonoppervlak was voor de woonkamer en serre bestemd.

Luxe en comfort spelen de hoofdrol in Weebers Kijkduin-toren. De gigantische hoogbouw is misschien ondenkbaar aan de Nederlandse kust, maar de exclusiviteit die het project uitstraalde maken ontwikkelaars vandaag de dag meer dan waar.

De Kijkduin-toren moest in de as van de Laan van Meerdervoort komen. Collectie Het Nieuwe Instituut / WEEB 1972-1 TEKST HANNA VELTMAN
15 Hoogbouwdroom van Carel Weeber

Stop verheerlijking van mislukte woonexperimenten

DeKashbah en de Kubuswoningen van Piet Blom en Habitat ’67 van Moshe Safdie zijn uniek in hun soort. Geen enkele architect daarna heeft een opdrachtgever van een 2.0-versie kunnen overtuigen.

Maar terwijl architecten zich verlekkerden aan dit soort excepties, is Nederland volgebouwd met middelmatige Vinex-woningbouw.

Een kunstenaar wil niet dat zijn of haar werk wordt gekopieerd. Dat ontneemt het kunstwerk zijn uniciteit en daarmee zijn relevantie. Maar architectuur is toegepaste kunst. In architectuur krijgen – als het goed is – goede ideeën navolging. Toch is dat lang niet altijd zo.

Neem Habitat ’67 in Montreal door Moshe Safdie, een project waar destijds de architectuurtijdschriften mee vol stonden. In de jaren zestig was Safdie getuige van de ver dichting van de Canadese steden. Hij zocht naar manieren om de voordelen van de voorsteden – tuinen, frisse lucht, privacy – te integreren in de dichtheid van een modern appartementencomplex in de stad. Op 29-jarige leeftijd ontwierp hij voor de wereldtentoonstelling van Montreal Habitat ’67. Nog steeds kan het project rekenen op grote waardering van architecten, merkte ik tijdens een georgani seerde architectenrondreis door Canada.

Onze reisgids noemde Habitat ‘een baanbrekend ge bouwtype dat vandaag de dag nog steeds resoneert’.

Van die resonantie was in Montreal weinig te merken. De stad wordt in rap tempo volgebouwd met zogenaamde condominiums: immense torens van aluminium en glas. De relatief betaalbare kleine appartementen, gecombineerd met goede collectieve voorzieningen zijn architectonisch niet interessant, maar onder ontwikkelaars en bewoners razend populair.

Maar als Habitat ’67 zo baanbrekend was, waarom zijn er dan geen kopieën of doorontwikkelingen van dit woonex periment? Het antwoord is eenvoudig: iedere ontwikkelaar die dit gebouw ziet snapt meteen dat het nooit rendabel kan zijn. Elk appartement heeft niet alleen grote oppervlak tes buitengevel, maar ook grote delen vloer- en dakopper vlakte die aan de buitenlucht grenzen. Een dramatische vormfactor met bijbehorende bouw- en exploitatiekosten. En toch zijn wij architecten nog steeds gefascineerd. We kijken graag naar de uitzondering en niet naar de regel.

En dat terwijl de regel zo belangrijk is, nu we voor enorme uitdagingen staan: woningen zijn onbetaalbaar, de CO2- en stikstofuitstoot moeten drastisch naar beneden en er dreigt een groot tekort aan vaklieden als metselaars en loodgie ters. Architecten moeten experimenteren en innoveren om het hoofd te bieden aan deze problemen. Daarbij moeten we over de grenzen van ons eigen vakgebied heen kijken. De frivoliteit van het excentrieke experiment volstaat niet meer.

Als post-superdutchgeneratie zullen we met breed gedra gen en schaalbare nieuwe oplossingen moeten komen om antwoord te bieden aan de uitdagingen van onze tijd. Dus geen gebouwen meer waar architectuurtijdschriften mee vol staan, maar dorpen en steden.

TEKST JOOST ROEFS | BEELD VINCENT HUIJBERS
16 Column

Als Habitat ’67 zo’n baanbrekend woonexperiment was, waarom is het dan niet doorontwikkeld? Omdat het nooit rendabel kan zijn

17

Te doen boek, film, expo, podcast

Deredactie van het Jaarboek Architectuur in Nederland 2021/2022 vindt het de hoogste tijd om architectuur niet alleen te laten zien en te beschrijven, maar ook om het gesprek erover aan te gaan. Zij geeft zelf het goede voorbeeld met beschouwingen over de geselecteerde projecten.

Dat doet zij het meest verrassend en overtuigend in het gesprek met Afaina de Jong (Afaria) en Ninke Happel (Happel Cornelisse Verhoeven architecten). De vergelijking tussen de tijdelijke huisvesting van Eerste Kamer en Raad van State door Happel Cornelisse Verhoeven en het ontwerp voor de tentoonstelling Slavernij in het Rijksmuseum door Afaina de Jong pakt goed uit en blaast enkele heilige huisjes in de architectuur doeltreffend omver.

Streepje voor

Zoals het een jaarboek betaamt, bevat ook deze editie een overzicht van de opmerkelijkste en meest toonaangevende gebouwen in Nederland. De uitverkoren architecten krijgen daarmee een streepje voor – en zo een springplank naar toekomstige opdrachten –, terwijl het voor anderen een bron van frustratie kan zijn – vanwege het mislopen van datzelfde voordeel. Een voormalige redacteur merkte ooit op dat van driekwart van de projecten de selectie eigenlijk al bij voorbaat vaststaat.

Toch gaat deze redactie verder, onder meer door echte in houdelijke keuzes te maken. Een paar jaar geleden zou het ondenkbaar zijn geweest dat niet het Depot Boijmans door MVRDV op de cover zou pronken, maar de voorkeur werd gegeven aan de tijdelijke huisvesting van de Eerste Kamer en Raad van State. En in de tweede plaats omdat ze de ge kozen projecten betrekt bij de beschouwingen die aan het jaarboek zijn toegevoegd – anders dan in vorige jaarboe ken waarin beide vaak geheel langs elkaar heen liepen.

Prijsgeven

Op dit punt had de redactie een stapje verder mogen gaan. In zijn inleiding memoreert Teun van der Ende de

aanbeveling van de vorig jaar overleden architectuurcriticus Hans van Dijk dat een redactie de onderweg gevoerde gesprekken over de projecten best prijs zou mogen geven. Hoe cool was het geweest als de redactie haar coverkeuze voor Happel Cornelisse Verhoeven architecten – en niet voor Zecc, of voor Marjolein van Eig – openbaar had gemaakt? Het zou het gesprek over architectuur beslist verder hebben verdiept.

Zo zijn er meer blinde vlekken. De woorden ‘architectuur’ en ‘ontwerp’ lijken inwisselbaar, wat ze toch echt niet zijn. Ook is er weinig aandacht voor de typisch Nederlandse experimentencultuur, en de vraag waarom het toch maar niet lukt om experimenten op te schalen.

Meer dan showcase

In het jaarboek wordt gesignaleerd dat diverse architectuurinstellingen zichzelf opnieuw moeten uitvinden. Ook zou de cultuur van opdrachtgeverschap moeten veranderen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de jaarboekredactie deze opdracht ook zichzelf heeft gegeven. Ze positioneert zich als het medium waar het gesprek over de waarde van architectuur kan worden gevoerd. Het is een nieuw begin dat de komende jaren hopelijk verder wordt uitgebouwd. Door geselecteerde projecten en begeleidende teksten op elkaar te betrekken is het jaarboek meer dan een showcase van de Nederlandse architectuur en bewijst het dat architectuur inderdaad tot verandering in staat is. Voorafgaand aan de publicatie verspreidde fotograaf Bart van Hoek via twitter enkele statistieken over het jaarboek. De lijst van meest gepubliceerde architecten wordt aangevoerd door Erick van Egeraat, die van de bureaus door de Architecten Cie. Met de keuze voor HCVA op de cover kondigt het jaarboek nieuwe tijden in de Nederlandse architectuur aan.

Het jaarboek is meer dan een showcase van de Nederlandse architectuur en bewijst dat architectuur tot verandering in staat is
LEZEN
Verdiepend en met verrassende coverkeuze
18 Tips van de redactie

Midden in Moskou stond jarenlang een enorme, vervallen elektriciteitscentrale: GES 2. In 2014 werd ze gekocht door een kunstenaarsstichting. De Italiaanse architect Renzo Piano kreeg de opdracht tot de transformatie van het complex naar een nieuw centrum voor de kunsten.

Tijdens het transformatieproces raakte kunst verwik keld met architectuur en de alledaagse beslomme ringen op de bouw. Vijf jaar lang volgde filmmaker Nastia Korkia met een camerateam de stichting en de realisatie van het nieuwe gebouw. Het resultaat is een caleidoscopische collectie aan beelden en impressies die goed de gangbare Russische visie op kunst en bouwen weerspiegelen.

De beelden zijn dromerig, maar hebben tegelijkertijd een zekere afstandelijkheid. Als kijker word je in beslag genomen door de filmische beelden, gespannen in teracties en filosoferende kunstenaars. Gaat deze film over Rusland? Over architectuur? Over de mensen? Over kunst? Met niet meer dan een fragmentarisch in kijkje geeft Korkia de kijker het gevoel ingewijde te zijn van een geheim, een compleet beeld van het gebouw dat eigenlijk niet aan het licht had mogen komen.

Zaterdag 8 oktober is de film GES 2 te zien tijdens het Architecture Film Festival Rotterdam (AFFR) in Lanta renvenster. De film wordt ingeleid door de Russische architectuurjournalist Asya Zolnikova en afgesloten door een gesprek met filmmaker Nastia Korkia. Het AFFR 2022 loopt van 5 tot 9 oktober. Zie affr.nl voor het programma en tickets.

HetVan Eesteren Museum neemt tot en met 18 december met de tentoonstelling SuperWest twintig jaar stadsvernieuwing onder de loep.

Het karakter van de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam is in die periode sterk veranderd.

Van licht, lucht en ruimte in de modernistische tuinsteden van stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren naar een compacte stad anno nu. Het woningaantal (25.312 woningen) nam exponentieel toe en nieuwe generaties Amsterdammers bevolken het vernieuwde stadsdeel. Het gebied is dichtbewoond, supergroot, superdivers en dus SuperWest.

SuperWest is meer dan een expositie. Het is een manifestatie waarmee het gelaagde verhaal van een stad in ontwikkeling wordt verteld. Zes maanden lang groeit de tentoonstelling in het museum. Net als in het vernieuwingsproces zelf worden er in opeenvolgende fasen telkens nieuwe buurten en projecten aan de tentoonstelling toegevoegd. Centraal staan 22 prijswinnende of genomineerde architectuurprojecten van onder meer Dok architecten, Rapp+Rapp en Office Winhov. Met maquettes, plattegronden en fotografie wordt de stedelijke vernieuwing in de Westelijke Tuinsteden letterlijk en figuurlijk in kaart gebracht. Elke vijf weken wordt SuperWest aangevuld met nieuwe buurtverhalen, verzameld en verbeeld in het werk van kunstenaars uit de Westelijke Tuinsteden. Gedurende de tentoonstelling in het museum popt SuperWest ook op in de vier buurten in West met een buitententoonstelling. Deze bestaat uit bouwborden rondom de bouwprojecten, een audiotour en een activiteitenprogramma met lezingen, wandelingen en fietstochten. Met elkaar bespreken we hier het leven in de Westelijke Tuinsteden en werpen een blik op de toekomst.

TEKST MEREL VAN CASTEREN
19
TEKST CHARLOTTE THOMAS juni t/m 20 jaar stedelijke vernieuwing in de Westelijke Tuinsteden Noordzijde 31, 1064 GV aan de Sloterplas in Amsterdam & Meer... → Audiotour → Lezingen → Wandelingen → Tentoonstelling → Buurtexposities Woontank, Heutink Groep en architectenbureaus Dok architecten, Geurst Schulze architecten, Inbo, Rapp+Rapp, Team Paul Vroom Sputnik, VenhoevenCS, WDJArchitecten en OFFICE WINHOV 18 december 2022 30 juni t/m www.vaneesterenmuseum.nl m KIJKEN AFFR: Russische transformatieperikelen BEZOEKEN Superwest: Amsterdamse stadsvernieuwing van toen en straks Still uit de film GES 2. Beeld AFFR

In Rotterdam schieten de woontorens uit de grond, zoals de Zalmhaventoren, en ‘zustertorens’ The Muse en CasaNova. Waarom kiest de gemeente voor hoogbouw om te verdichten? Waar gaat dat goed en waar niet? En: welke impact heeft dat op de stad en zijn inwoners? Om antwoorden te vinden gaan hoofdredacteur Merel Pit en journalist Tracy Metz in gesprek met Caro van de Venne, architect en oprichter Barcode Architects, en met Emiel Arends, senior planoloog bij de gemeente Rotterdam en daar onder meer verantwoordelijk voor de gemeentelijke hoogbouwvisie.

Hoogbouw is een relatief nieuwe typologie. Pas sinds 1992 bouwen we in Nederland boven de zeventig meter. Dat maakt het verleidelijk om sceptisch te zijn over verdichting met hoogbouw. Is dat terecht? ‘We gaan naar zestigduizend inwoners toe, en daar hebben we die torens hard bij nodig’, aldus Arends over de consensus in Rotterdam. ‘Dat hoeft helemaal niet erg te zijn. Zolang je het maar koppelt aan openbaar vervoer en nabijheid.’

Leergeld

Toch herinnert het streven van de gemeente aan een vorige generatie misstappen, zoals de Ponskaart en de Blaaktoren. ‘Dat zijn UFO’s in de stad, die landen niet. De nieuwste generatie torens doet dat beter’, aldus Arends. ‘Er wordt nagedacht over klimaat, de plint is goed. Als je naar zo’n gebouw kijkt, zie je eigenlijk dat al dat leergeld dat we hebben betaald telkens terugkomt.’

Torens als The Muse en CasaNova hebben een prettige woonomgeving omdat is nagedacht over sociale interacties in de plint, aldus Van der

Venne. ‘Op weg naar huis fiets ik altijd langs een hofje, waar je vaak mensen samen ziet zitten. Die zijn elkaar dan op weg naar huis tegengekomen. Dat hebben we bij The Muse proberen te bewerkstelligen door het onmogelijk te maken vanuit de parkeergarage direct je woning in te gaan, maar altijd een collectieve ruimte te passeren.’

Die ‘knip tussen parkeergarage en woonprogramma’ is ondertussen zelfs beleid van de gemeente, onder meer om ondermijning en eenzaamheid in torens tegen te gaan. Maar bovenal zet de gemeente in op diversificatie en verdichting in de binnenstad, vooral rond ov-knooppunten. Arends: ‘Daarnaast zijn we heel erg druk met goede groei, dus zorgen voor sport, spel, gezondheid, maatschappelijke voorzieningen.’

Happy few

De hoogbouwvisie is de afgelopen tien jaar een aantal keren aangepast of aangevuld. Zo bouwde Van de Venne met heel andere spelregels dan die nu gelden. ‘Toen wij begonnen met het project woonden er weinig mensen in het centrum van Rotterdam. De stad wilde grotere gezinnen of mensen waarvan de kinderen al uit huis waren naar de stad te trekken’, vertelt ze. ‘Nu zou ik pleiten voor mening van inkomensgroepen in torens. Het zou jammer zijn als je door de stad loopt en je moet realiseren dat de torens alleen maar bewoond worden door de happy few.’ ‘Het is nu sowieso lastig een woning te krijgen in de binnenstad, ook als je geld hebt om te wonen waar je wil’, vult Arends aan. ‘We zijn ooit begonnen met het aantrekken van midden- en hoge inkomens omdat we naar een gezonde mix van huishoudens wilden. Maar de vraag is: moeten we dat voortzetten?’

TEKST MEREL VAN CASTEREN FOTO’S FLORIAN BRAAKMAN
LUISTEREN
Podcast Hemels wonen: ‘UFO’s in de stad, die landen niet’
Merel en Tracy praten door In de driedelige podcastserie Hemels wonen praten hoofdredacteur Merel Pit en journalist Tracy Metz door over wonen in hoogbouw. In de serie gaan ze het gesprek aan met architecten en stedenbouwkundigen. Aflevering 1: Diederik Dam (Dam & Partners) en Irma van Oort (KCAP). Aflevering 2: Caro van de Venne (Barcode) en Emiel Arends (gemeente Rotterdam). Aflevering 3: Daan Roggeveen (MORE Architecture) en Stefan Al. Scan de QR-code voor alle podcasts.
20
D21DKV, roestvrij staal V4A, geborsteld Individueel aanpasbaar, echt messing gepolijst Individueel aanpasbaar, speciaalmessing
SLIMME VEELZIJDIGHEID DoorBird – de IP-video deurstation in meer dan 50 oppervlakken en RAL-kleuren. Alle bezoekers per smartphone zien en spreken of de deur openen vanuit elke locatie. Ook individueel aanpasbaar: www.doorbird.com/configurator DoorBird representeert de combinatie van exclusief design met innovatieve IP-technologie voor deurcommunicatiesystemen. www.doorbird.com van

De deur die de belangrijke dingen in het leven beschermt.

Daloc appartementsdeuren houden niet alleen treinrovers tegen. Ze houden ook vervelende geluiden buiten de deur en zijn vuur- en rookbestendig. Door het unieke design beschermt de deur jou jarenlang en gaat zelf jarenlang mee. Een veilige investering voor jou en alles om je heen.

Lees alles over de ultieme appartementsdeur op daloc.nl

Introverte enclaves voor de allerrijksten

In Rotterdam schieten de torens als paddenstoelen uit de grond. Fotograaf Loes van Duijvendijk maakte een foto-essay van het straatleven rondom oude en nieuwe torens. Afke Laarakker ontmoet haar bij een bejubeld maar ook fel bekritiseerd exemplaar: de de

23
de Zalmhaventoren –
hoogste woontoren van
Benelux. TEKST AFKE LAARAKKER | FOTO’S LOES VAN DUIJVENDIJK
Beeldessay Rotterdamse hoogbouw van Zalmhaventoren tot CoolTower B’Tower ontworpen door Wiel Arets.
24 Bright door OurDomain.
25 CoolTower van V8.
26

Netbuiten Rotterdam Centraal doemt al de nieuwe Zalmhaventoren van Dam & Partners Architecten voor me op. Ik heb met Loes van Duijvendijk afgesproken bij de toren, maar waar is in dit geval ‘bij de toren’, vraag ik me af. Als de toren een paddenstoel zou zijn, bevond ik me al ruimschoots onder de hoed. Maar er is geen hoed. Als ik dichter bij de kale steel kom blijft de toren afstandelijk. ‘Van een afstand vormen torens in een stad een bepaal de gelaagdheid met hun omgeving, maar als je ernaast staat is er geen verhouding met de men selijke maat’, observeert Van Duijvendijk. Door dat gebrek aan menselijke maat is het alsof de Zalmhaventoren niet is bedoeld voor mensen. De toren staat als een enorme kolos in de stad geparkeerd, met massieve glimmende gevels. ‘To rens vormen de skyline van Rotterdam, maar als je niet betaalt kun je er niets mee.’ Dan blijven het objecten. Je hebt sleutels, pasjes en codes nodig om deuren te openen en met liften omhoog te gaan. De appartementen zijn alleen voor de aller rijksten. Voor het uitzicht van de Zalmhaventoren moet je betalen.

Eindeloze herhaling

De Zalmhaventoren is slechts een van de vele torens die Van Duijvendijk afgelopen weken bekeek. Ze fotografeerde hoe ze landen in de stad. Ze onderzocht waar de torens plint worden, hoe ze het maaiveld raken. Ze keek hoe nieuwe torens samen met de bestaande stad nieuwe composities vormen. Hoe ze een decor vormen en dat blijven. En dus hoe ze het straatleven beïnvloeden.

Op de ingekaderde foto’s laat staan op de voorgrond hints naar het dagelijks leven: een volle prullenbak, iemand die een hond uitlaat. Als achtergrond vormen de torens een eindeloze her haling van vlakken en lijnen. Soms zijn de ritmes boeiend, soms monotoon en saai. Voor de foto’s werkt beide. ‘Ik hou ervan om banale, onopvallen de plekken uit te lichten.’

De ene toren is de andere niet. In de Wijnhaven vormen de plinten van The Muse en Casa Nova door Barcode Architects samen een stadsblok dat de straat definieert, terwijl de Zalmhaven toren van de stad is losgezongen. CoolTower door V8 op zijn beurt is gebouwd in de poreuze binnenstad, en maakt van een nauwe straat een tunnel met deels blinde muren. Soms zijn delen van de torens onderdeel van de stad, terwijl de toppen ergens ver weg en abstract boven de stad cirkelen.

Wind fotograferen

We lopen verder rondom de drie torens van de Zalmhaven, waarvan de Zalmhaventoren veruit de hoogste is. ‘Als ik zou kunnen zou ik ook de wind fotograferen’, zegt Duijvendijk. Als we tussen de plint en de gebouwen aan de overkant doorlopen waait het plotseling hard. Op een rit selende plastic zak na die wappert aan een stapel bouwmaterialen, is er niets waaraan je dat kan zien. Alles is nog steen en glas. Ook in de daktuin met onvolgroeid groen is het windering. En het is er verlaten. ‘Het waait hier al tijd’, vertelt een bewoner die ons het dak op laat. Hij zit daarom zelf liever beneden voor zijn deur dan in de gemeenschappelijke daktuin. We zijn de enigen die er over het slingerende wandelpad lopen. We voelen ons indringers. Alsof er vanachter de strakke glazen gevels hon derden bewoners op ons neerkijken. Tussen de drie torens op het dakterras zijn we nog kleiner dan op straat.

The Muse en CasaNova door Barcode Architecten in de Wijnhaven.
27
Daktuin op de Zalmhaven
28
door Dam & Partners.
Op de voorgrond de Willemstoren van IWT en Studio For New Reality, op de achtergrond de Zalmhaventoren door Dam & Partners.
29
30 New Orleans door Álvaro Siza.
31 De Zalmhaventoren door Dam & Partners vanuit De Rotterdam van OMA.

De inzendingen voor de ARC Awards zijn binnen!

De afgelopen weken was de redactie druk met bekijken, beoordelen en vooral bewonderen! Wat een prachtige projecten hebben we weer ontvangen. Na een lang en intensief beraad hebben we uiteindelijk de lange lijst met inzendingen teruggebracht tot een vijftal longlists.

Architectuur Stedenbouw Jong Talent

ARC22 Awards is een initiatief van de Architect in samenwerking met partners: Partner Innovatie Award Architectuur AwardInterieur Award Partner Stedenbouw Award Partner Detail Award
32
Partner
Partner
Interieur Detail Innovatie
Oeuvre

Architectuur Ferskûle Schiermonnikoog, Denkkamer

Kaappark Rotterdam, Studio Architectuur MAKEN Eden District Rotterdam, Studio Architectuur MAKEN en Arons & Gelauff

Architecten

Het Groote Museum Amsterdam, Merk X Sociale huisvesing Lode Zielenslaan Antwerpen (B), De Nijl Architecten Woning SL Gentbrugge (B), ae architectenbureau EDGE Amsterdam West Amsterdam, de Architekten Cie.

Central Park Utrecht, Group A De Nieuwe Herdgang Berkel-Enschot, Studio Architectuur MAKEN Refuge Bonheiden (B), NWLND Rogiers Vandeputte

Straf! School met lef. Beringen (B), a2o architecten en AAC Architecture

JGE Intergeneratie-pool Etterbeek Etterbeek (B), URA Yves Malysse Kiki Verbeeck Museum Arnhem Arnhem, Benthem Crouwel Architects Schoenenkwartier Waalwijk, Civic Architects Eikenburg Eindhoven, FAAM Architects

Bruges Meeting & Convention Centre (BMCC) Brugge (B), META architectuurbureau en Eduardo Souta de Moura Kramatweg, Amsterdam, ANA architecten

The Grid Amsterdam, KCAP Wolphaert 1555 Rotterdam, Superuse Zeesluis IJmuiden IJmuiden, ZUS [Zones Urbaines Sensibles]

Aeres Hogeschool Almere Almere, BDG Architecten 0100 De Harmonie, Antwerpen (B), Atelier Kempe Thill en RE-ST architects Agrotopia Roeselare (B), van Bergen Kolpa Architecten en META architectuurbureau

GO! talent Dendermonde (B), B-architecten Nieuwe Nor Heerlen, diederendirrix architectuur & stedenbouw

In de Stad Mechelen (B), dmvA Stadhuis Antwerpen Antwerpen (B), HUB en Origin i.s.m. Bureau Bouwtechniek Wilhelminawerf Utrecht, Dok architecten

Nationaal Holocaust namenmonument Amsterdam, Studio Libeskind en Rijnboutt De Voortuinen Amsterdam, Elephant S-West Eindhoven, Orange Architects

Malieklos Rotterdam, DP6 architectuurstudio Tijdelijke huisvesting

Tweede Kamer Den Haag, Zecc Architecten Basisschool de Wereldburger Amsterdam, Moke Architecten Monicahof Utrecht, Studio Ramin Visch The Natural Pavilion Almere, DP6 architectuurstudio

Villa Gasthuiskwartier s-Hertogenbosch, Thomas Kemme Architecten Grootstadsblok Cadix Antwerpen (B), Bovenbouw, BULK en Sergison Bates De Zalmhaven Rotterdam, KAAN Architecten

HAUT Amsterdam, Team V Architectuur Kindcentrum de Samenstroom Hellevoetsluis, De Zwarte Hond

Amare Den Haag, NOAHH, JCAU en NL Architects Beeldbuizenfabriek Eindhoven, HILBERINKBOSCH architecten Groenmarkt Amsterdam, Ronald Janssen Architecten, Bastiaan Jongerius Architecten en Buro Harro Isala Diaconessenhuis Meppel, Vakwerk architecten

ANNA Stay Model 2022, de Biesbosch, ANNA OurDomain Rotterdam, Tangram Architekten Startblok Wormerveerstraat Amsterdam, KENK architecten Floating Office Rotterdam Rotterdam, Powerhouse Company

Valley Amsterdam, MVRDV Museum Singer Laren Laren, Bedaux de Brouwer Architecten Campus Cadix Antwerpen (B), Korteknie Stuhlmacher Architecten

Innovatie Biolaminaat Mauritshuis

Den Haag, Tom Postma Design

Kaappark Rotterdam, Studio Architectuur MAKEN Workspace (R)evolution n.v.t. (gerealiseerd A’dam), W-Architectuurstudio Eden District Rotterdam, Studio Architectuur MAKEN Urban Farming Singapore (Singapore), KuiperCompagnons

High Profile Rotterdam, MVRDV

Puntloodsen NDSM Amsterdam, Beyond Space

VANBOOM huis Amsterdam, VANBOOM

Tegelwand Schoenenkwartier

Waalwijk, la-di-da design & architecture

Land met een plan Nederland, KuiperCompagnons

WikiHouse de Stripmaker Almere, Ontwerpburo

MULLER

Hennephuis, Oudega, Werkstatt

HAUT Amsterdam, Team V Architectuur

Woongemeenschap

Ebbingehof Groningen,

Moriko Kira architect

Venetië kast in het informatiecentrum het Baken Schiermonnikoog, NRJ architectuur

Flexwonen Oosterdreef

Nieuw-Vennep, Humanex/ FARO Architecten

Walkability Tool n.v.t., PosadMaxwan

HAVEP Goirle, Paul de Ruiter Architects

The Natural Pavilion Almere, DP6 architectuurstudio

The Butterfly Effect n.v.t., VerhoevenCS Huis van de gemeente Voorst Twello, De Twee Snoeken Een huis voor de meervleermuis Amsterdam, RUIMTELAB

ANNA Stay Model 2022 de Biesbosch, ANNA

Stedenbouw

Hembrug Zaandam, BURA urbanism

Geestwater Lisse, Delva Landscape Architecture / Urbanism

Waterlandkwartier Pur merend, BURA urbanism & LOLA Landscape Architects

Binnenstadsvernieuwing Assen, OKRA Landschapsar chitecten

Buurtschap Crailo Crailo, OKRA Landschapsarchitec ten & SVP Architectuur & Stedenbouw

Kleine Zennepark Brussel (B), OKRA Landschapsarchi tecten & BRUT Brainpark I Rotterdam, Gemeente Rotterdam Vitaal Nijmegen Winkel steeg Nijmegen, PosadMaxwan Slachthuiswijk Antwerpen (B), PosadMaxwan, LOLA Landscape Architects & Sweco belgium

Duurzame wijk Lincolnpark Hoofddorp, PosadMaxwan Kastanjehof Veenoord, Specht architectuur en stedenbouw Buurtskap de Tuunen Texel, FARO Architecten & La4sale Carnisse Eiland Rotterdam, Keizer Koopmans

Klaprozenbuurt Amster dam, Bureau B+B stedenbouw en landschapsarchitectuur Oostenburg Amsterdam, Urhahn stedenbouw & strategie

Lanen van Zuidwest Den Haag Den Haag, Flux Landscape Architecture Na Corona Zuid-Holland, Flux Landscape Architecture Utrechts Heuvelland Utrechtse Heuvelrug, Flux Landscape Architecture Codrico Terrein Rotterdam, Powerhouse Company

Interieur

Space Houses Modernes Utrecht, better space; better people

Puntloodsen NDSM Am sterdam, Beyond Space Campus Cadix Antwerpen (B), Korteknie Stuhlmacher Architecten Mobiquity Europe Amster dam, OOK Architecten Swisscom Rotterdam, Cushman & Wakefield

Tijdelijke huisvesting Eerste Kamer en Raad van State Den Haag, Happel Cornelis se Verhoeven ING Louvain-La-Neuve Louvain-La-Neuve (B), ncbham Het Groote Museum Amsterdam, Merk X Ferskûle Schiermonnikoog, Denkkamer House Be België, a2o archi tecten Winkel Parfuma Hove (B), PUUR interieurarchitecten Jeroen Pit huis Amsterdam, Concrete Kantoor Bruneel Antwer pen, PUUR interieurarchitecten L’Oréal Hoofddorp Hoofddorp, Six Senses en Tétris Design & Build B.V. De Huidenclub Rotterdam, Atelier Tomas Dirrix Het Baken Schiermonni koog, NRJ Architectuur SchoenenKwartier Waalwijk, Civic Architects Stedelijk onderwijsland schap voor Zadkine Rotterdam, Studio Architectuur MAKEN Museum Arnhem Arnhem, Studio Modijefsky Dentista Amsterdam, i29 Volare & Bomboloni’s, Am sterdam, Studio Modijefsky Canal House Amsterdam, i29 Frederiksplein 1 Amster dam, Office Winhov Richemond monumen tale grachtenpanden Amsterdam, M+R Interior Architecture RAADhuis Schijndel, Ten BrasWestinga Stadsloft Lage Duin Den Haag, ANAROCHA archi tecture OurDomain Rotterdam, Pubblik&Vos Cliffort Chance Amster dam, Fokkema&Partners Architecten Nationale Nederlanden Rot terdam, Fokkema&Partners Architecten Museum Singer Laren Laren, Bedaux de Brouwer Architecten Clair-obscur Amsterdam, Bureau Fraai Hourglass Amsterdam, Powerhouse Company Vijzelgracht Amsterdam, Benthem Crouwel Archi tects

Transformatie Kapel Helmond, JYB Architecten Oever Gallery, Oostende (B), 5AM Museum van Bommel van Dam Venlo, BiermanHenket Veldhuis Noord-Brabant, LMNL office

Ronald McDonald Huis kamer Nijmegen, EGM Architecten

Detail Boomvruchtenlampen Groote Museum Amster dam, Merk X OurDomain Rotterdam, Tangram Architekten MECC Maastricht, cepezed Woning GN Gent (B), ae architectenbureau CPO Iamsteldream Amster dam, studio YAA Woongebouw De Warmoes Amsterdam, Workshop architecten

De Nieuwe Herdgang Berkel-Enschot, Studio Architectuur MAKEN Stadhuis Leiden Leiden, Office Winhov

Woning SL Gentbrugge (B), ae architectenbureau

Lichtkronen het Groote Mu seum, Amsterdam, Merk X Woonhuis van Hoof Den Hout, Studio Architectuur MAKEN en Reynaers

Winkels Ferdinand Bol straat Amsterdam, DAMAST architects

Marktboxen Waterlooplein Amsterdam, Atelier PUUUR Veldhuis, Noord-Brabant, LMNL office

Uitbreiding en renovatie tandartspraktijk Bavel, havermans:hielkema archi tecten

Sinfonia Utrecht, Marlies

Rohmer Architecture & Ur banism en DOK Architecten Basisschool de Wereld burger Amsterdam, Moke Architecten HAUT Amsterdam, Team V Architectuur Kleuronderzoek Clifford Chance Amsterdam, Fokke ma&Partners Architecten Houten huis Monster, derksen|windt architecten Eindgemaal Rivierenbuurt Amsterdam, BureauVanEig Huis in de duinen Terschel ling, Unknown Architects

ANNA Stay Model 2022 de Biesbosch, ANNA Noordsingel, Rotterdam HP architecten Koperen kozijnen herbe stemming Walburgiskerk Arnhem, Atelier Blik Huis Vaneker Enschede, Groothuisje de Boer archi tecten

Kindcentrum Zuiderkroon Hoogezand, De Zwarte Hond

Nominaties Jong talent

Kevin Veenhuizen Kumiki Nassim Razavian studio illinx

Loes Thijssen NOAHH | Net work Oriented Architecture Alessandra Covini en Giovanni Bellotti Studio Ossidiana Martijn de Geus maison h

Vanaf nu is het aan de onafhankelijke jury’s. Zij bespreken de projecten en komen per award met een shortlist van drie projecten. Deze projecten bezoeken ze begin oktober om op 2 november tijdens een feestelijke uitreiking de winnaar bekend te maken.

Nieuwsgierig naar de geselecteerde en genomineerde projecten? Kijk op dearchitect.nl/arc22

Meer info over de ARC22 Awards: arc-awards.nl

33

When the world changes, design does too.

Gezien op ARCHITECT@WORK Rotterdam | 14-15 september 2022

Duurzame en gezonde gebouwen creëren, daar draait het om. Flexibele, multifunctionele zones met gedeelde werkplekken. Inspirerende interieurs waar mensen zich prettig voelen, zich beter kunnen concentreren en ontspannen. Overtref alle verwachtingen met de akoestische oplossingen van Rockfon. Je kent ons van onze hoogwaardige systeemplafonds met uitmuntende akoestische prestaties. We zetten onze 60 jaar ervaring nu in om innovatieve, duurzame designoplossingen te introduceren waarmee je van jouw briljante ontwerpen, buitengewone belevingen maakt.

soundsbeautiful.com

Wolkenkrabbers voor een leefbare stad

Steeds meer Nederlandse steden denken na over de voordelen van hoogbouw voor de stad. En over de nadelen – denk aan gebrek aan groene ruimte, meer verkeer, een tekort aan menselijke maat en geblokkeerde uitzichten. Een kijkje over de grens leert dat deze problemen overkomelijk zijn. Singapore, Hong Kong en Vancouver laten zien dat hoogbouw kansen biedt om de levenskwaliteit van de bewoners te verbeteren.

In dit Parkroyal hotel in Singapore zitten de hotelgasten tussen de tropische bomen en planten. de Architect Internationaal Essay
35
|
Hoogbouwvisies uit Singapore, Hong Kong en Vancouver
In Singapore is het groene landschap niet alleen verweven door de stad, maar ook in de wolkenkrabbers.
36

In mijn werk als hoogleraar stedenbouw en architect van hoogbouw in de Verenigde Staten en Azië, ken ik interessante voorbeelden van steden met een goed beleid op het gebied van wolkenkrabbers. Een doordachte benadering maakt het mogelijk om te zorgen voor meer groen, beter openbaar vervoer en stadse levendigheid. Zo heeft in Singapore het beleid geleid tot een nieuwe generatie ‘groene’ wolkenkrabbers: hoge gebouwen met geïntegreerd groen. In Hong Kong maken metrostations onderdeel uit van hoogbouwcomplexen, waardoor het misschien wel ’s werelds beste voorbeeld is van transit oriented development (verkeersgeleide ontwikkeling). En Vancouver illustreert hoe de impact van hoge gebouwen op het uitzicht geminimaliseerd kan worden en hoe tegelijkertijd een voetgangerservaring op menselijke maat mogelijk is.

Natuurlijk hebben deze voorbeelden hun eigen sociale, culturele, politieke en klimatologische context die niet zomaar kan worden nagebootst. En dat moet ook niet.

Maar er zijn lessen die Nederlandse stedenbouwkundigen hiervan kunnen leren.

De verticale tuinstad

Vergroening van wolkenkrabbers in Singapore

Vaak wordt aangenomen dat hoogbouwverstedelijking gekenmerkt wordt door een betonnen jungle, een dicht geplant bos van wolkenkrabbers gehuld in luchtvervuiling. In sciencefiction wordt het stedelijke landschap vaak afgeschilderd als een dystopische, dichte stad van asfalt, waar geen enkele boom of blad te vinden is. In de film Blade Runner bijvoorbeeld, zijn stedelijke scènes permanent donker vanwege een enorme hoeveelheid aan gebouwen. Maar het kan anders, laat een stad als Singapore zien. In die dichtbevolkte stad gaan wolkenkrabbers samen met natuur. Tegenwoordig wordt meer dan de helft van de landmassa van Singapore bedekt door bomen en vegetatie, meer dan welke andere grote stad dan ook. Binnen al dit groen staan meer dan zesduizend hoge gebouwen, waardoor de stad een van de meest indrukwekkende skylines ter wereld heeft. Zelfs de wolkenkrabbers hebben groene muren en weelderige daktuinen.

Een miljoen bomen Singapore is niet zo begonnen. In de jaren zestig was de stad vervuild en ontbraken behoorlijke sanitaire voorzieningen. In plaats van dit te accepteren als de prijs van ontwikkeling, zagen stedenbouwkundigen

het als aanleiding om (groen) te innoveren. Sindsdien heeft de stad zijn groendek vergroot tot meer dan vijftig procent van het landoppervlak van Singapore, de rivieren schoongemaakt en meer dan een miljoen bomen geplant. Bovendien heeft de stad het afgelopen decennium bouwvoorschriften doorgevoerd die van belang zijn voor hoogbouwontwikkelingen. Als ontwikkelaars in een open ruimte bouwen, moeten ze het groen dat daar zou kúnnen groeien, vervangen door groen elders in het project.

Via zogeheten LUSH-stimulansen (landscaping for urban spaces and high-rises), kunnen stadsontwikkelingen met dakterrassen en -tuinen aan deze vereisten voldoen. De overheid moedigt ontwikkelaars zelfs aan om planten met een groter bladoppervlak op te nemen, om daarmee het klimaatvoordeel te maximaliseren. Inmiddels is Singapore een broedplaats voor echt groene wolkenkrabbers.

Net ten zuiden van Singapore’s Marina Bay ligt Marina One, een stadsontwikkeling met verschillende torens voor 20.000 bewoners en kantoorpersoneel. In de kern ligt een terrasvormige tuin met kronkelende houten loopbruggen, de thuisbasis van meer dan 350 dier- en plantsoorten. In tegenstelling tot standaard gebouwen hebben de vloeren diepe bedden van beplanting voor drainage en het vasthouden van water bij stortbuien.

Net ten westen van Marina Bay is het Parkroyal Collection Pickering Hotel omhuld door bomen en vegetatie. Op elk van de vier niveaus staan tropische planten in de daktuinen, zoals palmbomen en bloeiende frangipani’s. Een andere wolkenkrabber, het Oasis Hotel Downtown, is omsloten door rood aluminium gaas, dat geleidelijk gevuld wordt met 21 soorten klimplanten. De klimplanten en bloemen vormen een uniek patroon. De wolkenkrabber zal een record aan groen vervangen: meer dan tien keer het groene gebied dat op de grond verloren is gegaan.

Minder hitte-effect

Om de negatieve stereotypen rond openbare hoogbouw te ontkraqchten, bouwde de Housing and Development Board van de stad in 2009 de Pinnacle@ Duxton, het hoogste sociale woningbouwproject ter wereld. De zeven torens van vijftig verdiepingen zijn onderling verbonden via verhoogd aangelegde tuinen, waardoor bewoners dagelijks kunnen hardlopen tussen de palmbomen, meer dan 150 meter boven de grond.

Deze groene gebieden verminderen het hitte-effect, bufferen regenwater en zorgen voor recreatiegebied voor bewoners. Toch blijft de vraag hoe duurzaam deze groene ‘verticale’ buurten echt zijn, gezien hun gebrek aan biodiversiteit en publieke toegankelijkheid. Bovendien missen andere steden die een soortgelijk beleid overwegen meestal de sterke grondpositie van Singapore, dat negentig procent van het land in de stad beheert en er daardoor strikte controle over heeft. Desondanks is Singapore een voorbeeld als proeftuin voor een duurzamere stedelijke toekomst – een toekomst gecentreerd rond de groenste wolkenkrabbers.

‘De overheid moedigt ontwikkelaars aan om planten met een groter bladoppervlak op te nemen, om het klimaatvoordeel te maximaliseren’
37 de Architect | Internationaal Essay

The Transit City Bouwen rond metro’s in Hong Kong

Hongkong wordt vaak gezien als de belichaming van dichtheid, het eindspel van verstedelijking, de ultieme betonnen jungle. De stad heeft het grootste aantal gebouwen hoger dan honderd meter ter wereld, ongeveer tweeduizend – meer dan het dubbele van New York City. Voor wie nieuw is in Hong Kong met zijn zeven miljoen inwoners, kan de dichtheid van de stad overweldigend zijn. Ik herinner me de vele keren dat ik me verloren voelde in het doolhof van verhoogde loopbruggen en luchtbruggen in de wirwar van wolkenkrabbers. Maar hoe meer tijd je in de stad doorbrengt, des te beter snap je de onderliggende logica achter de schijnbare chaos.

Hong Kong functioneert als een uurwerk. Je kunt binnen veertig minuten bijna elk deel van de stad bereiken. Dit is allemaal te danken aan het uitstekende metrosysteem. Hoewel een ondergronds metrosysteem op zich niet nieuw is, heeft Hong Kong geleerd van Japan. In de twintigste eeuw waren de Japanse geprivatiseerde spoorwegen gediversifieerd, met name in vastgoed. Een beroemd voorbeeld is het Shinjuku-spoorwegknooppunt, een bruisende ov-hub op meerdere niveaus, die floreert met warenhuizen erbij.

Winst maken

In de jaren zestig had Hong Kong een oplossing nodig voor zijn steeds drukkere straten. Stedenbouwkundigen beseften dat ze niet zomaar méér bussen konden inzetten. In 1972 stichtte de regering van Hong Kong

– naar het voorbeeld van Japan – de Mass Transit Railway Corporation (MTRC) om metrolijnen en vastgoed te bouwen. Zo begon het businessmodel Rail plus Property. De overheid verleent de MTRC ontwikkelingsrechten op de stations die het bouwt. De MTRC verkrijgt deze rechten tegen een gunstig tarief, zodat zij een deel van de kosten van haar transportinvesteringen terugkrijgt en winst kan maken. Het systeem heeft veel voordelen. In een dichtbevolkte stad als Hong Kong zit er een premie op het land dicht bij treinstations. Als resultaat is Hong Kong een van de weinige steden waar het openbaar vervoer daadwerkelijk winstgevend is. De transportautoriteit speelt in op de grondwaardering die haar nieuwe stations mogelijk maakt. Het is zoals Disney World, dat bekendstaat als een themapark, maar waarvan de magische formule draait om de winsten van het omliggende onroerend goed van het bedrijf. Bovendien kreeg Hong Kong een soepeler integratie tussen metro en aangebouwde gebouwen – in tegenstelling tot andere steden waar transportbedrijven losstaan van onroerendgoedontwikkelaars. Ontwikkelingen werden al snel groter, met de typische aanleg van een ondergronds metrostation, een winkelcentrum in het midden en wolkenkrabbers erboven. Deze in het spoor geïntegreerde complexen zijn een van de belangrijkste bouwstenen van Hong Kong, zoals de wolkenkrabber voor Manhattan is.

In Hong Kong is hoogbouw naadloos geïntegreerd in het metrosysteem.
38

Topje van de ijsberg

Union Square in Hong Kong, voltooid in 2010, is het grootste bouwproject van de MTRC. Het huist meer dan een dozijn wolkenkrabbers in een enkel complex, inclusief de hoogste toren van de stad, het 484 meter hoge International Commerce Centre. Dit is slechts het topje van de ijsberg. Toen ik voor het eerst het project bezocht en door een raam de drukte beneden zag, realiseerde ik me dat mijn voeten niet op de grond stonden en dat ik ‘zweefde’ op gebouwen. Ik stond op het dak van een winkelcentrum, dat zelf boven op een van de grootste stations stond. Deze monoliet is het grootstedelijke alternatief voor een traditionele wijk bestaande uit verschillende huizenblokken en aparte gebouwen. Het complex voegt al deze functies samen in één groot volume met meerdere verdiepingen, compleet met kantoren, appartementen, winkels en destijds het hoogste hotel ter wereld. Het project staat op Kowloon Station, op een kruispunt van metro’s, buslijnen, en de spoorlijn naar de luchthaven. Het biedt veel gemak voor de bewoners, het winkelend publiek en de werknemers van de kantoren. Het complex is de thuisbasis van 70.000 bewoners en kantoorpersoneel, en komt daarmee in de wereld het dichtst bij een verticale stad – ongeveer twintig keer zo dichtbevolkt als New York City.

Niet vrijblijvend

Door deze bouwmethode is het openbaar vervoer goed voor meer dan negentig procent van alle reizen in Hong Kong. Daardoor heeft Hong Kong het laagste transportgerelateerde energieverbruik van alle ontwikkelde steden.

Maar hoe ingenieus en efficiënt de megastructuren van Hong Kong ook zijn, ze komen niet vrijblijvend. De kern van veel van de in het spoor geïntegreerde ontwikkelingen van de MTRC is het winkelcentrum. Deze centra tillen het idee van winkelgebieden naar een hoger niveau. Negentiende-eeuwse winkelgalerijen en twintigste-eeuwse winkelcentra vereisen een reis om er te komen als je niet in de buurt woont. Nu is het winkelcentrum nabij – en de bezoeker wordt niet gehinderd door het hete en vochtige zomerweer.

De kruisingen tussen winkelcentrum en wolkenkrabber in Hong Kong zorgen voor een comfortabel leven dankzij hun integratie met het openbaar vervoer.

Deze gebouwen zijn voorbeelden van een holistische ontwerpmethodologie, een fusie van stadsplanning, openbaarvervoer- en wolkenkrabberarchitectuur. Wat nog belangrijker is: ze laten zien dat een hoge dichtheid niet per se tot overbelaste wegen leidt. Als het tenminste wordt ondersteund door een geïntegreerd systeem voor openbaar vervoer.

Door de bouwmethode is het openbaar vervoer goed voor meer dan negentig procent van alle reizen in Hong Kong
De hoogste toren van de stad en andere wolkenkrabbers staan boven op Kowloon Station in Hong Kong. de Architect | Internationaal Essay
39

De leefbare stad

Toren en herenhuizen in Vancouver

Wolkenkrabbers van meer dan honderd meter hoog zijn zeker niet het meest milieuvriendelijk ter wereld, gegeven de hoeveelheid materiaal die nodig is voor de structuur en de ruimte voor liften en mechanische voorzieningen. Bescheiden wolkenkrabbers hebben daarentegen aanzienlijke milieuvoordelen, in het bijzonder op stedelijk niveau. Door mensen in hoge gebouwen te plaatsen, komen ze dichter bij meer activiteiten, waardoor hun energiegebruik daalt. Met meer mensen per gebied, kunnen steden meer investeren in infrastructuur zoals openbaar vervoer en hoogwaardige open ruimte. Tegelijkertijd draagt dichte stedelijke ontwikkeling bij aan het behoud van land voor milieu- of landbouwdoeleinden. Maar hoogbouw brengt ook problemen met zich mee. Hoogbouw kan uitzichten blokkeren en de enorme schaal kan mensen op de straten beneden reduceren tot kabouters. Veel wolkenkrabbers in steden maken geen contact met de omliggende straten, en confronteren buren met blinde muren, dienstingangen, liftlobby’s en expeditieverkeer. Kortom, stedenbouwkundigen moeten in hun streven naar dichtheid de opsmuk van de grote schaalprojecten van de Amerikaanse stadsplanoloog

Robert Moses vermijden. Ooit werden zijn projecten geïdealiseerd, maar achteraf gezien hebben ze grote schade aangericht aan lokale gemeenschappen.

Jane Jacobs-stijl

Vancouver in Canada staat bekend om zijn gevierde vorm van stedenbouw genaamd Vancouverisme, een nieuwe manier om hoge gebouwen in steden te ‘vermenselijken’ met ‘ogen op straat’ in Jane Jacobs-stijl. In de jaren zeventig besloot de stad af te stappen van de standaard stadsontwikkeling. Vancouver wilde stedelijke wildgroei voorkomen, en in plaats daarvan de binnenstad nieuw leven inblazen met de nadruk op leefbaarheid en openbare ruimte van hoge kwaliteit. De stad zag potentieel voor herontwikkeling op verschillende centrale locaties die industrieel en vervallen waren, zoals de zuidkust van False Creek.

De strategie van Vancouver is tweeledig. Allereerst voorziet ze in het bouwen van slanke woontorens. Voldoende gespreid van elkaar hebben die een beperkte impact op uitzichten. Vancouver beschermde tientallen zichtlijnen om uitzichten op de North Shore-bergen te behouden.

Hoogbouw gecombineerd met rijtjeshuizen en winkels geven het straatbeeld van Vancouver een menselijke maat.
40

Hierdoor kunnen voetgangers genieten van een ononderbroken uitzicht op de bergen, de skyline van de binnenstad en de kades.

Ten tweede worden de torens op een gemengd terrein geplaatst, vaak met herenhuizen, winkels en kantoren.

Deze herenhuizen staan dicht bij de straat, terwijl de hoge gebouwen meer naar achteren zijn gebouwd. Hierdoor verdwijnen de wolkenkrabbers van het maaiveld.

De slanke torens en herenhuizen samen vergroten de dichtheid met behoud van uitzicht en een aantrekkelijke straat voor voetgangers.

‘Hongcouver’

Vancouverisme werd een synoniem voor slanke torens op herenhuizen en uitzonderlijke uitzichten. Deze strategie is alleen toegepast in bepaalde delen van de stad, zoals

in de wijken False Creek, Coal Harbor en de straat Beach Avenue, en typeert niet de stad als geheel. Daarnaast is er kritiek op de architectuur van de torens, meestal luxeappartementen met glazen vliesgevels. Dit heeft bijgedragen aan de kleinerende bijnaam ‘Hongcouver’, die verwijst naar investeerders uit Hongkong, migranten die eind twintigste eeuw naar de stad kwamen.

Ten slotte is het Vancouverisme een uniek product van de topografische en culturele context van de stad, waardoor het niet gemakkelijk toepasbaar is op andere plaatsen. Toch is het een belangrijk voorbeeld van hoe bij hoogbouw rekening kan worden gehouden met de menselijke schaal in de straten beneden.

Vancouvers slanke torens zijn zo geplaatst dat ze het uitzicht op de bergen en het water zo min mogelijk belemmeren. de Architect | Internationaal Essay
Vancouver beschermt tientallen zichtlijnen om uitzichten op de North Shore-bergen te behouden
41

Het bitterzoet van ’s werelds slankste woontoren

Wolkenkrabber in Manhattan, New York, door SHoP Architects
De 435 meter hoge woontoren van SHoP Architects is het smalste en op een na hoogste gebouw in New York. De architecten creëerden een elegant gebouw met een simpele constructie. Wel is het de vraag wat de toegevoegde waarde van het gebouw is, aangezien de enorme investering aan materialen slechts een paar rijke individuen ten goede komt. TEKST AARON BETSKY | FOTO’S DAVID SUNDBERG
rubriek de Architect |Int ernationaal Project

Wewilden een technologisch wonder creëren dat alleen in New York zou passen, met het DNA van New York zonder dat het een imitatie was’, vertelt Gregg Pasquarelli, partner van SHoP Architects, over de net afgeronde supertall op 111 West 57th Street. Dit flinterdunne appartementengebouw verrijst 435 meter hoog – de architecten noemen de laatste 50 meter de ‘torenkroon’ – naast de voormalige pianoshowroom met dezelfde naam, op de plek van de Steinway Tower.

Op zijn breedst is de woontoren 18 bij 25 meter, en daarmee onwaarschijnlijk smal. De oost- en westgevels zijn bedekt met terracotta platen in een computergegenereerde golfbeweging om het licht te vangen en windturbulentie op te wekken. In combinatie met open ‘windbrekingsverdiepingen’ blijft de druk op het smalle gebouw aanvaardbaar. De noord- en zuidgevels bestaan volledig uit glas. Zo heeft het gebouw iets weg van een gladde ijspegel, die gek genoeg weigert te smelten in de zomerse hitte van Manhattan.

Efficiënt en stabiel SHoP is meer dan twintig jaar geleden opgericht als experimenteel bedrijf dat de grenzen van technologie en vorm wilde verleggen. Nu is het een grote producent van wolkenkrabbers over de hele wereld – waaronder de Codrico Toren, een van de hoogste torens van Rotterdam. Nu verleggen ze hun onderzoek en ontwikkeling naar het prestatievermogen van dit soort grote gebouwen. In dit geval hadden ze de taak een efficiënte en stabiele stapeling van wooneenheden te

bouwen – één voor alle 84 verdiepingen – op een klein perceel naast, en deels op het kenmerkende Steinway Building.

Hun oplossing was om twee betonnen constructieve wanden te storten, de oost- en westgevels, die door hun gewicht een fundering uit nagenoeg volledig wapeningsstaal vroegen. Hierdoor zijn de noord- en zuidgevels, die uitkijken over Central Park, bijna volledig vrij. Een ranke kern, met slechts twee liftschachten waarin de dienstlift boven op een van de personenliften is geplaatst, en twee trappen, is afgewerkt met vier kolommen. Boven in het gebouw zorgt een massademper van 725 ton ervoor dat het gebouw niet merkbaar uitbuigt, ook niet bij harde wind.

Lichte setback

‘Toen beseften we dat we twee bouwstijlen hadden samengevoegd’, herinnert Pasquarelli zich van het ontwerpproces. ‘We keken naar de traditionele torens van Manhattan, vaak bekleed met terracotta, zoals het neogotische Woolworth Building uit 1913, het gebouw waarin we werken, of de flatblokken van na de Tweede Wereldoorlog’, legt hij uit. ‘Vervolgens voegden we een lichte setback toe ter herinnering aan de indelingseisen waar het gros van onze wolkenkrabbers hun vorm aan te danken heeft.’

Het resultaat is een gebouw dat inderdaad zinspeelt op de bekende wolkenkrabbers van Manhattan, zoals het Woolworth en het RCA Building van het Rocke feller Center, en het Chrysler Building, waarvan de schacht niet veel hoger is dan die van 111 West 57th

De slanke wolkenkrabber is een markante verschijning aan de rand van Central Park.
44

Street. De zorgvuldig uitgevoerde terracotta panelen bestaan uit 26 verschillende profielen en een verscheidenheid aan tinten – van rood- tot blauwachtig gebroken wit. Samen met de door de gevels geweven bronzen strengen doen ze denken aan die gebouwen van vroeger. Van een afstand herinnert het ook aan de abstractere blokken die Wallace Harrison, de architect van het RCA Building, in de jaren zestig ontwierp voor de grote zakelijke opdrachtgevers op Sixth Avenue. Met al deze verwijzingen blijft 111 57th Street een veel simpelere en stelligere toren dan zijn eveneens nieuwe buren, die zijn ontworpen door onder anderen Jean Nouvel, Adrian Smith en BIG. Al deze gebouwen geba-

Zo heeft het gebouw iets weg van een gladde ijspegel, die gek genoeg weigert te smelten in de hitte van Manhattan
Situatie 45 de Architect | Internationaal Project 0'100'200'500'

ren, stapelen en kringelen omhoog in een poging hun vreemde proporties en buitenproportionele hoogte te vereffenen. Het bouwwerk van SHoP, met de smalste afmetingen, heeft als voordeel dat het precies genoeg vorm en structuur heeft om te doen wat een wolkenkrabber moet doen: uitstijgen tot een punt waar het aan de wolken kan krabben. Dat doet dit gebouw met een duidelijke verwijzing naar zijn voorgangers – zonder ze te imiteren.

Bladgoud en koper

Helaas stopt de architectuur bij de voordeur. De publieke binnenruimtes – waaronder de gebruikelijke barokke lobby en voorzieningen voor bewoners zoals een zwembad en verschillende ontmoetingsplekken – maar ook het interieur, zijn ontworpen door Bill Sofield in luxueuze art-decokitsch. De oppervlakken zijn versierd met bloemige en geometrische patronen en het interieur bestaat uit marmer- en onyxgroeven, bladgoud en koper zover het oog reikt. Schijnbaar valt dat in de smaak bij de kopers die zich 20 miljoen dollar of meer voor een appartement kunnen veroorloven – volgens Pasquarelli heeft geen van de kopers deze pracht en praal ingeruild voor iets anders.

Dat neemt niet weg dat de appartementen adembenemend zijn. Op elke verdieping bestaat de volledige noordzijde van het appartement uit een achttien meter lange woonkamer. Vandaaruit kijk je uit over de stad door een rij glazen panelen van vloer tot plafond. Met een plafondhoogte van meer dan vier meter is het effect adembenemend.

De voorzieningen en ruimtes zoals badkamers zijn weggestopt tussen de kern en de constructieve wanden – gelukkig konden de architecten daar nog kieren in maken waardoor er licht in de woonruimtes komt. Het zuidelijke deel van de verdieping bestaat uit drie slaapkamers met badkamers en suite. Een goede ontwerper zou staan te popelen om het interieur opnieuw vorm te geven met deze duidelijke en rijkelijke structuur, om de schoonheid van de indeling van het gebouw volledig tot haar recht te laten komen.

Kauwgumstrips

Wat we van een dergelijke stapel rijkdom tot aan de hemel moeten vinden, is natuurlijk een andere kwestie. De hoeveelheid beton en staal die nodig was voor deze elegante, flinterdunne wolkenkrabber – door Pasquarelli ook wel vergeleken met een pakje kauwgum waarvan de kauwgumstrips in waaiervorm uitsteken – is verbijsterend. Bovendien komt de toren slechts een handjevol mensen ten goede. De vraag is of de bijdrage van het gebouw aan de skyline van Manhattan en de technologische innovatie achter de vorm, genoeg zijn om zo’n grote milieu- en sociale schuld te compenseren. Het antwoord is een kordaat ‘nee’. Wel kunnen we zeggen dat de slankste van de supertall superthins voor de superrijken het veel beter doet dan zijn concurrenten – zowel technologisch als esthetisch.

De toren op 111 West 57th Street in Manhattan is de slankste wolkenkrabber ter wereld en daarmee een nieuw herkenningspunt in de stad..
De hoeveelheid beton en staal voor deze flinterdunne wolkenkrabber is enorm
46
de Architect |Int ernationaal Project Door de getrapte opbouw van de bovenste verdiepingen lijkt de toren naar boven toe te delamineren.
48

Architectonische top: 435,25

Bovenste bewoonde verdieping: 345,50

Begane

49 de Architect |Int ernationaal Project 1. Massademper 2. Technische ruimte 3. Windbreker 4. Terras 5. Voorzieningen 6. Commerciële ruimte 7. Expeditie 8. Kelder 2 3 2 1 1 3 3 2 2 2 2 2 2 2 2 22 4 6 6 7 8 8 2
m
m
grond 5

Plattegrond van de twee woningetages elke woning Kleedzaal Facilitaire ruimte Natte ruimte

Begane grond Porte-cochère Portier Laadgebied Noordelijke Ovaal Toilet Postkamer Hoofdlobby Conciërge Zuidelijke Ovaal Zuidelijke galerij Lobbygalerij Monumentale ruimte Commerciële ruimte

111 WEST 57TH STREET, NEW YORK, VERENIGDE STATEN

Opdrachtgever JDS development group, property markets group, spruce capital partners Ontwerp SHoP architects Interieurontwerp studio sofield Oorspronkelijke ontwerp van de Steinway hall warren & wetmore Restauratie jan hird pokorny associates

Adviseur MEP jaros, baum & bolles Adviseur constructie WSP cantor seinuk Lichtontwerp l’observatoire international Adviseur vliesgevel buro happold Juridisch adviseur AKRF engineering, p.c. Adviseur akoestiek longman lindsey Adviseur geotechniek mueser ruttedge consulting engineers Programma Wonen Opening 2022

50
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9. Lobby 10.
11.
12.
13. Vestibule 14.
15.
1 2 4 3 6 8 9 7 10 11 12 13 14 15 9
van
1. Privélift 2. Galerij 3. Duplexlift 4. Damestoilet 5. Gang 6. Woonzaal 7. Eetkamer 8. Keuken 9. Slaapkamer 10. Badkamer 11. Inloopkast 12. Woonkamer 13. Hoofdslaapkamer 14. Hoofdbadkamer 15.
16. Foyer 17. Bibliotheek 18.
19.
9 917 14 10 1618 1 1 2 5 15 15 11 11 10 19 13 14 6 2 3 3 5 8 7 9 10 11 1 1 4 5 12

Architecturale zonwering

Architecturaal design Strakke rechthoekige lamelvorm Maximum aan diffuus daglicht Minimale zonnehitte Dynamische uitstraling Motorisch verstelbaar
DucoSun Cubic We inspire at www.duco.eu

EEN DESIGNERS KIJK OP DE DOUCHEWC

Behling woont en werkt in Londen en werkt voor klanten als TAG Heuer, Nokia, Dior, Versace, Fred Lacoste en reeds enkele jaren voor Geberit. Vijf jaar geleden is hem gevraagd de beste douchewc van de wereld te ontwerpen, zonder enkel compromis; de Geberit AquaClean Mera.

HET ONTWERPPROCES

“De AquaClean Mera moest de beste douchewc ter wereld worden zonder daarin compromissen te sluiten. Mijn werk als ontwerper is ervoor te zorgen dat dit product er niet uit komt te zien als een technische machine. Naast alle innovatie en de gepatenteerde technologie, die in de Mera ingebouwd zijn, moest het een object worden voor in ons dagelijks leven, voor ons welzijn, voor de meest mooie badkamers. Daarom moesten we een toilet ontwerpen dat slim, slank en gestroomlijnd is en waarbij de techniek onzichtbaar is. Je kan de technologie ervaren, maar niet zien.”

GEEN COMPROMISSEN SLUITEN

“Het naar het toilet gaan is met de Mera plotseling een plezierige beleving geworden in plaats van een plek, die je in verlegenheid brengt. Zonder compromissen houdt in dat de douchestraal

goed en zacht reinigt, met enkel een klein beetje water. Compromisloos betekent dat ongewenste geurtjes direct verwijderd worden door de geurafzuiging. Compromisloos betekent dat onder het toilet een subtiel lichtje aangaat, zodra je het toilet nadert. Is het nachtlichtje noodzakelijk? Bij mij thuis wel. Nu wordt er niemand meer wakker van het licht als ik ’s nachts naar het toilet moet. Hetzelfde geldt voor de TurboFlush. Veel mensen trekken ’s nachts niet door vanwege het geluid. De TurboFlush spoelt fluisterend door en reinigt ook nog eens grondig met een minimum aan water.”

ESTHETIEK

“Alle innovatie en gepatenteerde technologie is ingebouwd in het achterste en het onderste gedeelte van het toilet. Dit gedeelte hebben we chroom gemaakt, waardoor het toilet lijkt te zweven.”

AquaClean Mera en gebruiksvriendelijke afstandsbediening.

Meer informatie over deze luxe douchewc: www.geberit-aquaclean.nl/mera

Ontwerper Christoph Behling neemt je mee in zijn ontwerpvisie “Ik ben niet alleen enthousiast vanwege het uiteindelijke design, maar juist vanwege de cultuurverandering van papier naar water, die de AquaClean Mera stimuleert. Het reinigen met water op het toilet is echt een must naar mijn idee.”
52

Hoogbouw? Maak het mooi

De Nederlandse steden moeten verdichten willen we op een duurzame manier met ons land omgaan. Hoogbouw is daarvoor een van de manieren – en inmiddels zijn er 220 gebouwen hoger dan 70 meter, en zo’n 180 in ontwikkeling. Maar wat voor steden levert dit op? En hoe maak je een echt goed hoog gebouw? Architect Daan Roggeveen doet dat in acht lessen uit de doeken.

Shanghai, een van de dichtst bebouwde steden ter wereld. de Architect | Architectuur Essay
53
Acht lessen voor de Nederlandse hoogbouwagenda
TEKST EN FOTO’S DAAN ROGGEVEEN

Hetis een klamme zaterdagmiddag eind juni. Op ons balkon spelen de kinderen, en kijk ik vanaf de negende verdieping uit over de stad: tot aan de horizon zie ik een zee aan woon- en kantoortorens, met daartussen groen en gebouwen van een laag of vier. Rondom het metrostation, waar de lijnen 2 en 10 elkaar kruisen, staan een paar torens gebroederlijk naast elkaar.

Ons balkon is ruim, en biedt voldoende privacy omdat de torens van ons complex slim gedraaid staan ten opzichte van elkaar. Met ruim driehonderd appartementen en zo’n achthonderd inwoners is het complex een dynamisch eiland in de stad, met een restaurant, een gym, een winkel, een massagesalon en een squashbaan. Zo’n dertig meter onder me liggen bewoners en bezoekers in de zon rond het gedeelde zwembad. Welkom in het centrum van Shanghai.

Gebrek aan debat

Azië staat nu bekend om zijn hoogbouw, maar tot eind negentiende eeuw waren kerken de hoogste gebou wen ter wereld, en die stonden vooral in Europa. De kathedraal van Straatsburg was met zijn 142 meter zo’n honderdvijftig jaar lang (!) het hoogste gebouw ter wereld. Eind negentiende eeuw was de Eiffeltoren het eerste niet-religieuze gebouw dat het hoogste gebouw werd.

In 1929 verplaatste de ‘strijd om de hoogte’ zich naar de Verenigde Staten en met name het kantoorgebouw – mede door de uitvinding van de lift. Inmiddels komen in de lijst met de vijftig hoogste gebouwen ter wereld

(hoger dan 350 meter) nog slechts zes Amerikaanse wolkenkrabbers voor. De helft van alle superwolken krabbers staat in China. Europa ontbreekt op de lijst volledig. Hoogbouw is een Aziatisch thema geworden. Toen ik na ruim een decennium wonen en werken in China weer terugkwam in Nederland, was ik verbijsterd over het gebrek aan debat over hoogbouw. De verdich tingsopgave leek nauwelijks een inhoudelijke discussie op gang te brengen. Pas recent lijkt er een gesprek te ontstaan over de kwalitatieve kant van hoogbouw en verdichting. Hoog tijd, wat mij betreft. Want de laatste jaren zijn Nederlandse steden plotsklaps in een race for the skies terechtgekomen. Rotterdam positioneert zich met zijn hoogbouwagenda al langer als ‘Manhattan aan de Maas’. Niet geremd door de bal last van een historische binnenstad, ontwikkelde de stad in de afgelopen decennia op allerlei plekken hoogbouw. Maar ook andere steden – zowel binnen als buiten de Randstad – gaan de hoogte in. Daarom acht lessen.

Het balkon in de woontoren is ruim, en biedt voldoende privacy omdat alle torens slim gedraaid staan ten opzichte van elkaar.
54

Nu pas ontstaat er een gesprek over de kwaliteit van hoogbouw en verdichting. Hoog tijd, wat mij betreft

2.

Combineer hoogbouw met hoogwaardig openbaar vervoer

1.

Verdicht, want dat is duurzaam

Als we spreken over hoogbouw, moeten we het eerst hebben over verdichting: de strategie om binnenstedelijk gebouwen toe te voegen. Binnenstedelijk verdichten biedt de kans om gebruik te maken van bestaande voorzieningen en infrastructuur. Verdichten zorgt voor minder vervoersbewegingen, en daarmee voor efficiëntere steden. Aangezien 65 procent van de woningvoorraad in Nederland bestaat uit eengezinswoningen, kan hoogbouw een nieuw type woning aanbod aan de bestaande voorraad toevoegen. Als verdichten duurzaam is, is het van belang hoogbouw ook op een zo duurzame en natuurinclusieve manier te ontwerpen. Bijvoorbeeld door het gebouw te zien als een verticaal landschap, waarin meerdere microklimaten kunnen heersen. Zo kunnen in daklandschappen op hoogte, bewoners elkaar ontmoeten in een groene omgeving en kunnen kinderen spelen. Die groene daktuinen kunnen bovendien de overgang vormen tussen de stad en de individuele woning.

De woningbouwopgave in Nederland is groot. Om al deze nieuwe woningen bereikbaar, en het vervoer duurzaam en betaalbaar te maken, moeten we radicaal anders denken over de bestaande vormen van stedelijke ontwikkeling. Transit oriented development (TOD) zoals in Hong Kong, biedt een antwoord. Infrastructuur wordt betaald uit de grondwaardestijging die ontstaat door de ontwikkeling van woningbouw op ov-knooppunten. Dat maakt de stad op een duurzame manier bereikbaar en bovendien dynamisch. Deze aanpak kan een manier zijn om gecompliceerde binnenstedelijke gebiedsontwikkelingen vlot te trekken. De snelheid zal hierdoor ook toenemen – immers, een goed bereikbaar stadsdeel is een aantrekkelijk gebied om te ontwikkelen.

3. Zorg voor draagvlak

Voor overheden en opdrachtgevers met ambities die voor verdichting kiezen, dient heldere communicatie vroeg in het proces hoog op de agenda te staan. Hoogbouw levert in Nederland veel weerstand op, en is in de planfase een makkelijke kop van jut. Burgers en buurtbewoners weten zich (online) goed te mobiliseren in hun verzet tegen verdichtingsplannen waarbij het argument vaak is: ‘Geen Bijlmer in mijn achtertuin.’ Goede en werkelijk open participatieprocessen kunnen hierbij helpen. Dan kunnen de uitdagingen en ook de kansen die hoogbouw biedt in beeld komen. Immers, de toenemende ruimtedruk die met hoogbouw gepaard gaat, biedt kansen voor extra voorzieningen zoals winkels, zorg en cultuur.

55 de Architect | Architectuur Essay
Een zee aan woon- en kantoortorens, met daartussen groen en gebouwen van zo’n vier lagen.
56

4.

‘Mix to the max’

Hoogbouw moet aantrekkelijk zijn voor verschillende doelgroepen – inclusief gezinnen. Als een groot huis met tuin geen optie is, moeten we andere typologieën zoeken die op een slimme manier kwaliteit bieden. Waarin kleiner wonen misschien niet gaat om het delen van de woonkamer, maar om het samen gebruiken van allerlei andere functies – de wasmachine, de schuur met gereedschap, de logeerkamer, de fietsenberging, de auto. En niet te vergeten het machinepark om de woning energieneutraal te maken.

Wonen op hoogte moet betaalbaar zijn. Het gevaar bestaat dat er een stedelijke typologie ontstaat die alleen bereikbaar is voor hoge-inkomensgroepen –woontorens als iconen van ontoegankelijkheid in onze steden. Maximaal mengen betekent: sociaal, middenhuur en vrije sector in torens met gezamenlijke entrees, gezamenlijke lobby’s en gezamenlijke liften. Torens als emancipatiemachines in plaats van symbolen van segregatie.

5. Maak de plinten publiek

Het binnenstedelijk toevoegen van woningen en werkplekken levert meer vraag op naar andere voorzieningen – scholen, kinderdagverblijven, gezondheidszorg, sportvoorzieningen. Het combineren van die voorzieningen in hoogbouw is vaak lastig. In de plint komt een hoop techniek naar beneden, waardoor er weinig ruimte overblijft voor andere zaken dan vuilcontainers en elektriciteitsstations.

Als er al ruimte is voor meer programma lijkt het ingewikkeld om een levendige mix te creëren in deze plint. De supermarkt houdt het doorgaans bij een dichtgestickerde glazen gevel met reclame. Tandarts, huisarts, fysiotherapeut blinderen eveneens hun ramen, vanwege privacy van de patiënten. Ook de toename van distributieclubs als Gorillaz belooft wat de levendigheid op straatniveau betreft niet veel goeds.

Verdichting biedt mogelijkheden voor publieke programma’s als theaters en scholen in de plint van torens. Maar dan wel met voldoende hoogte, en voldoende ruimte om te sporten en buiten te spelen. En met ook betaalbare bedrijfsruimte – voor het pottenbakkersatelier, de dansschool en de groenteman. Dat vergt dus een andere manier van naar binnenstedelijke verdichting kijken, en misschien ook een andere manier van financieren.

De grote uitdaging bij de realisatie van een diverse stad is niet alleen het behoud van woningen voor midden- en lage inkomens, maar juist ook het in de stad houden van andere werkgelegenheid dan die in kantoren. De ruimtelijk-economische modellen daarvoor zijn nog wankel. Maar met de verdere verdichting van de steden schreeuwt dit om oplossingen.

6.

Wees slim want financiële haalbaarheid is complex

Beleggingsfondsen richten zich op dit moment op kantoren, op wonen of op winkelen: CIAM meets finance. Een gemengd programma ontwikkelen binnen één gebouw – wat binnenstedelijke hoogbouw diverser en interessanter maakt – is daardoor ingewikkeld.

Dat geldt ook voor de plint: het minst interessante gebouwdeel voor de belegger is het belangrijkste onderdeel van het gebouw voor de stad. Oplopende bouwkosten zetten de haalbaarheid van hoogbouw verder onder druk – zeker voor torens boven de zeventig meter die extra kostbaar zijn. Dat vraagt om duidelijke keuzes over waarin geïnvesteerd wordt: extra kwaliteit in de vorm, de gevel en de buitenruimtes, de duurzaamheid of juist in een divers programma?

Om dit te doorbreken is vertrouwen nodig tussen overheden, ontwikkelaars en ontwerpers. Werken met een systeem van ‘open boeken’ kan daarbij helpen.

Dan kunnen duidelijke keuzes gemaakt worden tussen grondkosten en stichtingskosten. Dit vertrouwen levert betere kwaliteit op voor de stad.

7. Denk groot

Bij de realisatie van hoogbouw gaat het om grote aantallen. Je kunt hoogbouw beschouwen als een vorm van gebiedsontwikkeling met enorme impact op de rest van de stad in termen van schaduw, wind, bereikbaarheid en verkeersaantrekkende werking.

Maar je kunt het ook omdraaien. Hoogbouw kan strategisch ingezet worden om extra kwaliteit te bieden op kwetsbare plekken. Het grote aantal woningen kan een toevoeging zijn in een gebied met een beperkt aanbod, of de verhoogde ruimtedruk kan extra voorzieningen mogelijk maken. Dan wordt de vraag dus: waar maken we de stad beter door er hoogbouw neer te zetten?

57 de Architect | Architectuur Essay

Ontwerp met aandacht – niet alleen de grote gebaren maar ook de details

8.

Maak het mooi!

Hoge gebouwen zijn van grote afstand zichtbaar en beïnvloeden het silhouet van de stad. Voor lange tijd drukt een ontwerper van hoogbouw daarmee zijn stempel op de stad.

Decennialang werkten de beste Nederlandse architecten aan woningbouw. Maar de focus is verschoven van kwaliteit naar kwantiteit, en in het ontwerpproces domineren de bruto-nettoverhoudingen het gesprek. Dit heeft schrikbarende invloed op de architectuur: extrusies van bouwplots met Isokorf-balkons die als een soort megacactussen onze steden beginnen te vullen. Opdrachtgevers zijn blij als appartementen onder de vijftig vierkante meter blijven, want dan is er geen balkon nodig. Dit soort schraalheid begint zorgelijke vormen aan te nemen. Ons land heeft bovendien geen hoogbouwtraditie en relatief lage bouwbudgetten – zeker in vergelijking met steden als Londen, New York en Hong Kong. Het maken van goede gebouwen met goed ontworpen gevels is in zo’n omgeving een hele uitdaging. Toch is het simpel. Zorg voor goede woonkwaliteit: woningen met goede plattegronden, voldoende hoogte en goede buitenruimtes. Gebruik goede materialen, die lang meegaan – Dauerhaftigkeit zoals de Duitsers dat noemen. Ontwerp met aandacht – niet alleen de grote gebaren maar ook de details.

Rijke stedelijke ervaring Hoogbouw gaat niet om de banale discussie over hoogte op zichzelf. Het gaat erom dat goede hoogbouw dynamische steden oplevert. Levendige straten met bijbehorende sociale veiligheid – ook ’s avonds. Winkels, restaurants en publieke voorzieningen die floreren, omdat er voldoende ruimtedruk is. Gereduceerd autogebruik, doordat stedelijke ontwikkeling hand in hand gaat met ov-gebruik. In centra van veel Aziatische steden kun je zien dat juist een fijnmazige stedelijke structuur gecombineerd met hoogbouw leidt tot een rijke stedelijke ervaring.

Al met al draait het om hoogwaardige binnenstedelijke verdichting rondom centra van openbaar vervoer, met daarin een inclusieve en duurzame stedelijke leefomgeving met goede gebouwen. Want we moeten hoogbouw gaan zien als een cultureel product, en niet slechts als een in beton gegoten Excel-sheet. Maak het dus mooi.

58
de Architect | SCHUKO Stekkers en koppelingen Kwalitatief hoogwaardig en duurzaam dankzij Elamid Beschermingsklasse SCHUKO Professional IP55 SCHUKO Hightech IP44 Zelfverklarende montage *extreem belastbare high performance kunststof The power of www.abl.de/nl
Haasje Over sluit naadloos aan op het industriële erfgoed van Strijp-S. Foto Marcel van der Burg

Hoogvlieger met hart voor de gewone man

Op Strijp-S, het voormalige industriegebied van Philips in Eindhoven, schiet de hoogbouw de lucht in. Naast commerciële partijen is ook woningcorporatie Trudo daarbij betrokken. De corporatie verkent nieuwe hoogstedelijke woontypologieën, functiemening en levendige plinten. Vorig jaar leverde Trudo twee woontorens op: de Trudo Toren van Stefano Boeri Architetti en Haasje Over van VMX Architects – beide 70 meter hoog, met uitsluitend sociale huurwoningen.

TEKST RENÉ ERVEN | FOTO’S MARCEL VAN DER BURG EN MITCHELL VAN EIJK
Haasje Over, Strijp-S Eindhoven de Architect |Ar chitectuur Project

In2002 verkocht Philips Strijp-S aan de gemeente Eindhoven en VolkerWessels. Woningcorporatie Trudo haakte snel aan. Vanaf het begin was één ding duidelijk voor de corporatie: Strijp-S moest een hoogstedelijk gebied worden. Daarin stonden drie uitgangspunten centraal: een mix aan functies, wonen in hoge dichtheid en 24/7 levendigheid. Trudo hield consequent vast aan deze drie thema’s bij de herontwikkeling van het gebied. De drie elementen zijn herkenbaar in de ontwikkeling van de Trudo Toren én Haasje Over. Eerder legde de corporatie zich toe op de herbestemming van een aantal forse monumentale fabrieksgebouwen op Strijp-S. Het Klokgebouw werd succesvol omgebouwd tot cultuurfabriek waar creatieve en innovatieve ondernemers onderdak vonden. Twee andere monumentale fabrieksgebouwen – herdoopt tot Gerard en Anton – werden verbouwd tot sociale huurappartementen. Hier introduceerde Trudo loftwoningen, een nieuwe woontypologie waarin creatieve bewoners de vrijheid kregen om de 4,5 meter hoge ruimte naar hun hand te zetten. Het concept werd razend populair. In de gebouwplinten kwamen winkels, restaurants en cafés tot bloei, stuk voor stuk uitgebaat door lokale ondernemers. Bovendien verleidde Trudo kwartier makers om het verlaten terrein naar hun hand te zetten. Strijp-S werd daardoor een populair gebied voor festivals en markten. Een aantal enthousiaste skaters mocht aan de slag in de lege fabriek Area51, die met 2800 vierkante meter uitgroeide tot Nederlands grootste indoorskatepark, met internationale uitstraling. Zo kreeg in het gebied in de loop der jaren een ‘24 uurs-vibe’.

Sociale loftwoningen

In 2016 startte Trudo met de ontwikkeling van zijn eerste nieuwbouw op Strijp-S, op twee bouwvelden naast de fabrieksgebouwen Gerard en Anton. Voor de ontwikkeling van deze twee woontorens werd vooraf een financiële contour vastgesteld om de kosten overzichtelijk en beheersbaar te houden. Geïnspireerd door het succes van de loftwoningen in Gerard en Anton zette Trudo in op de ontwikkeling van compacte sociale loftwoningen. De Italiaanse architectuurstudio Stefano Boeri Architetti werd uitgenodigd om de Trudo Toren te ontwerpen, en het Amsterdamse bureau VMX Architects werd betrokken bij de ontwikkeling van het bouwveld met de populaire skatehal. Al snel werd duidelijk dat de sloop van deze hal een culturele en sportieve aderlating voor het bruisende gebied zou betekenen. Trudo besloot om de skatehal te behouden en er deels overheen te bouwen. Zo ontstond het plan voor Haasje Over. Het programma van eisen stelde dat er minimaal 140 individuele units in de woontoren en 28 maisonnettes in de brug over de skatehal moesten komen. VMX Architects verkende de mogelijkheden om, binnen de financiële contour, woningen te maken met de hoogst mogelijke kwaliteit. Die vond VMX Architects in onder

Strijp-S in volle glorie met drie (her)ontwikkelingsprojecten van Trudo, van links naar rechts: het Klokgebouw, de Trudotoren en Haasje Over. Foto Mitchell van Eijk
62
Haasje Over vanuit een gemeenschappelijke galerij. Boven op de toren het pas geplaatste ‘powernest’ met installaties voor energieopwekking. Foto Mitchell van Eijk de Architect | Architectuur Project
63
De aansluiting van Haasje Over op het omliggende gebied, met de brug naar Anton. De plinten met winkels en horeca zijn ondergebracht in een aparte holding omdat woningcorporaties maatschappelijke activiteiten moeten scheiden van commerciële. Foto Mitchell van Eijk
64

meer extra verdiepingshoogte, grote ramen en gemeen schappelijke voorzieningen. Elke ‘miniloft’ heeft welis waar een compact oppervlak van 50 vierkante meter, maar is opgeleverd met een vrije hoogte van 3,5 meter. Ze zijn bovendien uitgevoerd met één groot raam, dat bijna de hele muur overspant. Dit resulteert in een aan gename ruimtelijkheid en in uiteenlopende indelingsmo gelijkheden voor de bewoners. De maisonnettewonin gen, met standaard verdiepingshoogte, beschikken over een hoge vide bij de raampartij. Ook deze draagt bij aan een bijzondere ruimtebeleving in de woning.

Brug naar Anton

De forse ramen hebben ook een nadeel. In hete zomers kan de binnentemperatuur behoorlijk oplopen, vooral in de woningen aan de zuidkant. Het Bouwbesluit stelt weliswaar regels voor het isoleren van woningen om het warmteverlies in de wintermaanden te beperken – in het licht van de klimaatverandering is het inmiddels hoog tijd dat er ook afspraken komen over het koelen van woongebouwen in de zomerperiode. Minstens zo belangrijk voor de woonkwaliteit zijn de uitnodigende gemeenschappelijke ruimtes én de

nabijheid van het bruisende Strijp-S. VMX Architects stelde voor om – op dertig meter hoogte – een brug te bouwen naar de daktuin van het naastgelegen gebouw Anton. Een dure ingreep, maar een vondst die het sociale leven in Haasje Over een impuls geeft. Deze verbinding draagt samen met aangrenzende grote gemeenschappelijke ruimte bij aan een levendige en uitnodigende sfeer in het woongebouw en compenseert het gemis van een eigen balkon.

Die ingrepen werken goed. Bewoners kunnen zich terugtrekken in hun woning, maar beschikken ook over plekken om samen te koken, te barbecueën, of gewoon met elkaar te kletsen. De exclusieve Haasje Over-app speelt in deze sociale dynamiek een katalyserende rol.

Industriële sfeer

‘Van overal naar ergens’, luidt een ontwerpuitgangspunt van VMX Architects. Het bureau wil architectuur maken die geworteld is in plaats en tijd. Bij de materialisatie en detaillering lieten ze zich inspireren door typische industriële kenmerken van Strijp-S zoals de gebouwen en kleuren in de directe omgeving. De prefab gevelelementen met geïntegreerd raam zijn zo

Bewoners ontmoeten elkaar op de brug tussen gebouw Anton en Haasje Over. Foto Marcel van der Burg de Architect | Architectuur Project
De kleur oranje verwijst naar de pannendaken van de arbeiderswoningen die Philips hier tussen 1910 en 1940 bouwde
65

140 studiowoningen van 50 m2

Gemeenschappelijke buitenruimte van 155 m2, tevens de brug naar het naastgelegen gebouw Anton

Gemeenschappelijke ruimte van 60 + 150 m2

Opslagruimte

bijschrift bij de tekening

Commerciële ruimte van 600 m2

48 maisonnettes van 50 m2

66
67 de Architect | Architectuur Project Tiende, vierdev verdieping, begane grond/ Tenth, fourth, ground floor 1 hoodentree/main entrance 2 café-restaurant 3 commerciële ruimte/commercial space 4 muziekschool/music school 5 maisonettes 6 studio 7 gemeenschappelijke ruimte/common room 8 dakterras/roof terrace 9 opslagruimte/ storage room 5 Doorsnede 1. Hoofdentree 2. Café-restaurant 3. Commerciele ruimte 4. Muziekschool 5. Maisonettes 6. Studio 7. Gemeenschappelijke ruimte 8. Dakterras 9. Opslagruimte Tiende verdieping Vierde verdieping Begane grond 1 2 3 4 7 7 8 6 7 5 9 6 7 8
68

Entreegebied in de plint van het gebouw. De oranje interieuraccenten zijn een knipoog naar de sprekende gevelkleur. Foto Marcel van der Burg

ontworpen dat het regenwater op de gevel via naden wordt afgevoerd. Deze detaillering is geïnspireerd op een nabijgelegen Philipsgebouw SFF, beter bekend als het Boschgebouw. De kleur oranje is een ‘gemiddelde’ van het oranjerood van de pannendaken van de arbeiderswoningen die Philips tussen 1910 en 1940 in de directe omgeving van Strijp-S bouwde. Het buizenstelsel onder brug met de maisonnettes zou aanvankelijk gecamoufleerd worden, maar de stalen constructie met kronkelende afvoerbuizen bleek uitstekend te passen bij de industriële sfeer van het voormalige Philipsterrein en is daarom in het zicht gelaten. Boven op Haasje Over verrees onlangs een zogeheten ‘powernest’, een installatie die naar schatting 1,4 mil-

joen kilowattuur stroom per jaar gaat leveren. Genoeg voor 100 kleine woonappartementen. De installatie is uitgerust met vier windturbines en 296 tweezijdige zonnepanelen. Door de vormgeving van de lamellen werken windstromen in de turbines op elkaar in, wat de energieopwekking versterkt. Bovendien koelt de luchtstroom de zonnepanelen waardoor die eveneens efficiënter werken. Powernest is een Eindhovense vinding. Ibis Power, het bedrijf dat deze unit ontwikkelde, huist in het Klokgebouw op Strijp-S. Een lokale innovatie met wellicht een wereldwijde impact: ‘van ergens naar overal’.

Het interieur bestaat uit strakke betonnen elementen met oranje details. Foto Marcel van der Burg de Architect | Architectuur Project
69
70

De extra verdiepingshoogte maakt, bij een minimaal woonoppervlakte van 50 vierkante meter, de ruimte veel aantrekkelijker. Bewoners maken er creatief gebruik van door bijvoorbeeld boven op een kast hun bed te plaatsen. Foto Mitchell van Eijk

71 de Architect | Architectuur Project
In het uitzicht van de studio staat de Trudo Toren van Stefano Boeri Architetti. Foto Mitchell van Eijk
72 HAASJE OVER, STRIJP-S EINDHOVEN Opdrachtgever Trudo Architect VMX Architects, Amsterdam Projectteam VMX Don Murphy, Daniel Bakker, Shaya Fallahi, Sven Hoogerheide, Chayasombat, Darren van der Waat Bouw Stam en de Koning Adviseur constructies Adviesbureau Tielemans Technisch management Ten Hooven Adviseur bouwfysica Peutz Aluminium systemen en kozijnen Reynaers Aluminium Prefab betonelementen Westo Staalconstructies Voortman Steel Construction Bouwadvies TGM Aluminium gevelbouw Thermo Konstrukties Oplevering 2021 – 2022 Minstens zo belangrijk voor de woonkwaliteit zijn de uitnodigende gemeenschappelijke ruimtes én de nabijheid van het bruisende Strijp-S

De bouwsector omarmt E-Board steeds vaker en dat gaat nog veel meer worden. E-Board, een lichtgewicht totaalge velsysteem van isolatieplaten met daarop baksteenstrips gemonteerd, neemt een steeds belangrijkere plaats in naast het traditionele metselwerk. Voor de architect biedt E-Board een grote mate van vrijheid in het ontwerpen van gevels.

‘Het E-Boardsysteem biedt antwoord op dilemma’s die we zien in de maatschappij en de bouwsector, zoals energiebesparing, woningschaarste, materialentekort en arbeidsmarktkrapte’, vertelt Roland Classen, marketing manager bij steenproducent Vandersanden. Acquisiteur Cees Groot: ‘Bij een bouwplan is het nu nog vaak de aannemer die met het idee komt om E-Board toe te passen, bijvoorbeeld omdat dat een betere oplossing is voor een complex reliëf in de gevel. Als de architect vanaf het begin E-Board in gedachten heeft, dan hoeft de bouwtekening niet te worden aangepast. Bovendien kan de architect allerlei patronen in de gevel bedenken zonder dat het ingewikkeld is om uit te voeren.’

Wat is E-Board© en hoe werkt het?

Het ATG-gecertificeerde E-Board gevelsysteem bestaat uit waterdichte en dampdoorlatende EPSHR-isolatieplaten met een dikte van 40 mm tot 306 mm met daarop baksteenstrips van 20 tot 28 mm dikte. Met de meegeleverde bevestigingsmaterialen worden de isolatieplaten op het binnenblad gemonteerd. De baksteenstrips worden op de platen bevestigd en kunnen al na 48 uur gevoegd worden. Geveldragers, lateien, metselprofielen en stelkozijnen zijn niet meer nodig. E-Board weegt 32 kg/ m2, tegenover traditioneel metselwerk 180 kg/m2. Het gevelsysteem werkt op kalkzandsteen, metselwerk, beton, staalframes en houtskelet. Classen: ‘Wij adviseren in een vroeg stadium in trajecten en leveren voor bijvoorbeeld kantoorgebouwen, appartementencomplexen, woontorens en woonwijken. Het kan gaan om renovatie of transformatie, maar meestal is het nieuwbouw.’ ‘Het systeem kun je ook in prefab-gevelelementen maken’, vult Groot aan.

Driedubbele negge

‘Als architect ben je met E-Board veel vrijer in de vormgevingsstructuur. Niet gehinderd door de zwaardere belasting van volle gevelstenen kun je makkelijk allerlei patronen maken’, zegt Cees Groot. Groot illustreert dit met een voorbeeld uit een project: ‘De oorspronkelijke tekening van een appartementencomplex, op basis van traditioneel metselwerk, was technisch complex én kostbaar volgens de opdrachtgever/aannemer. Dit kwam onder meer door negges in de gevel die drie keer een sprong van 10 cm naar buiten maakten en in totaal 30 cm van het binnenblad afkwamen. Samen met de opdrachtgever/aannemer, applicateur en de architect hebben we toen aan de hand van gevelfragmenten verschillende opties uitgewerkt met E-Board. E-Board bleek technisch en financieel de beste oplossing. Bovendien houd je met het slankere E-Board meer vloeroppervlak en binnenruimte over.’

Ontzorgd

Je kunt van Vandersanden meer verwachten dan bakstenen leveren. ‘We zijn geveladviseurs die aan het begin van het proces het verschil kunnen maken in een heel bouwproject’, stelt Classen vast. Groot: ‘Daar komt bij dat wij als compleet systeemhouder van E-Board alle materialen leveren en werken met door ons opgeleide gevelmontagebedrijven. Met minder mensen in deze tijd kun je toch gewoon doorbouwen. Wij bieden met E-Board één specialisme om de hele gevel op te trekken.’

Dit artikel is gesponsord door Vandersanden.

E-Board gevelsysteem een meerwaarde voor de architect en alle betrokkenen in het bouwproces
73
Sponsored content

BIM-software voor teamplayers in de bouw

Een BIM-samenwerking in optima forma. Zo kun je het partnership tussen Rijnboutt en SBB Ontwikkelen en Bouwen bij het project Sluis eiland Vianen gerust noemen. BIM-software Archicad speelde hierbij een cruciale rol.

44 appartementen van 8000 m², een parkeergarage met 44 plaatsen, een buurtkamer van 140 m², en op de eerste verdieping een publiek toegankelijke daktuin. Dat zijn de programmaspecificaties van het ruimtelijke Noordblok op Sluiseiland Vianen, een project waar Rijnboutt een grote bijdrage aan levert (zie kader). ‘In eerste instantie heeft Rijnboutt een prijsvraag gewonnen en een stedenbouwkundig plan voor het hele Sluiseiland ontworpen’, zegt Max Both, BIM manager bij Rijnboutt. ‘Daarna is het project opgesplitst in kleinere blokken. Wij werden verantwoordelijk voor het Noordblok en het Centrumblok. Dit zijn L-vormige appartementenblokken die als het ware in elkaar haken.”

BIM-expertise Rijnboutt Bij een omvangrijk project als dit is een goede samenwerking met alle interne en externe betrokkenen vereist. Daarbij komt de brede BIM-expertise van Rijnboutt goed van pas. Het bureau past BIM toe in alle projecten, van ontwerpfase tot uitvoering. BIM stelt Rijnboutt onder meer in staat om goed samen te werken met andere partijen in de keten, om gestructureerd te modelleren en om betrouwbare projectgegevens uit te wisselen. ‘BIM is natuurlijk heel breed’, vertelt Lennart Brink, BIM-coördinator en technisch ontwerper bij Rijnboutt. ‘Als een mogelijke klant BIM ter sprake brengt, vragen we dan ook altijd goed door wat hij precies van ons verlangt. Dat gebeurde ook bij Sluiseiland. We onderzochten welke specifieke BIM-aanpak het beste zou passen bij de wensen van SBB.’

Lennart Brink Both visual: Rijnboutt
Sponsored content 74
Max

Met Archicad ontwerpen van DO tot UO Het bruggetje van BIM naar Archicad is klein. Archicad is BIM-software waarmee architecten al hun projecten kunnen ontwerpen en waarvan KUBUS in Nederland de exclusieve distributeur is (zie kader). Archicad is bij Sluiseiland op een bijzondere manier gebruikt. Brink: ‘Vanaf het Definitieve Ontwerp tot en met het Uitvoerend Ontwerp hebben we het ontwerp in Archicad gedetailleerd uitgewerkt. We konden met één model door alle verschillende fases heen, waardoor er geen verschillende typen software nodig waren.’ Daar was wel vertrouwen van de aannemer voor nodig, stelt Both. ‘De kwaliteit van ons DO gaf SBB dat vertrouwen. Het komt voor dat aannemers in de laatste fase externe tekenbureaus inschakelen.’ Zij zijn doorgaans wat goedkoper, maar focussen alleen op de technische uitwerking en kunnen eventuele ontwerpuitdagingen niet zelf oplossen volgens de visie van architect. ‘De beslissing van SBB om het aan ons over te laten, leverde per saldo meer voordelen op voor het bouwproces. Door alles in één hand te houden, hebben wij continu betrouwbare informatie kunnen leveren en efficiënter kunnen werken. Bijvoorbeeld dankzij onze kennis over producten, materialen en eventuele alternatieven konden we SBB adviseren, zoals over welke bezuinigingen er mogelijk waren. En doordat we dicht op de uitvoering zaten, konden we ontwerpen met de garantie dat het ontwerp ook integraal uitvoerbaar is. Uiteindelijk hebben we een bijzonder gedetailleerd uitvoeringsmodel opgeleverd waarin alle informatie van aannemers, onderaannemers en leveranciers is geïntegreerd.’

Rijnboutt

Rijnboutt is een architectenbureau, landschaps bureau en stedenbouwkundig bureau waar circa 70 medewerkers op een open en multidisciplinaire manier aan projecten werken.

Rijnboutt werkt aan de stedelijke uitdagingen van morgen: verdichting, herbestemming en transformatie, klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen, en veranderende mobiliteit. Daarbij gebruiken Rijnboutt steeds meer technologieën van morgen. Niet alleen is BIM onlosmakelijk verbonden met de werkwijze van Rijnboutt, maar ook maken ze in toenemende mate gebruik van bijvoorbeeld VR en parametrisch ontwerpen.

Bijzondere samenwerking

De enorme hoeveelheid data in Archicad speelde een essentiële rol bij het slagen van het project, denk aan het 3D-modelleren van de 2D-details van de aansluitingen van de buitenruimtes rondom. Ook de unieke werkwijze van SBB leverde een belangrijke bijdrage. ‘Zij hebben eigen digitale informatiekaarten ontwikkeld voor comakers en leveranciers’, legt Brink uit. ‘Deze kaarten, onderdeel van het BIM-protocol, laten specificaties zien van alle onderdelen in het bouwproces. Daarmee wordt tot in detail gevisualiseerd hoe een product eruitziet.’

Zo is de samenwerking bij Sluiseiland gekenmerkt door de BIM-expertise van Rijnboutt, de bijzondere uitvraag van SBB en de talloze mogelijkheden die Archicad biedt. Deze onder architecten meest gebruikte software is intuïtief – gebruiksvriendelijk en flexibel – en bovendien kun je er heel veel mee. Both: ‘Je kunt een ontwerp dankzij Archicad heel ver brengen, tot aan de oplevering. Het stopt niet bij een DO.’ Het einde van de mogelijkheden is daarbij nog niet in zicht. ‘Archicad maakt bijvoorbeeld ook parametrisch ontwerpen mogelijk, in combinatie met Rhino/Grasshopper-tools.’ Last but not least is het prettig als de samenwerking met de distributeur soepel verloopt. En dat doet het. ‘Met KUBUS is het fijn samenwerken’, besluit Brink. ‘Als we een uitdaging hadden, meestal betrof dat een technische vraag, konden we razendsnel met ze schakelen. Mede dankzij die service is ook het project Sluiseiland een succes geworden.’

Dit artikel is gesponsord door KUBUS.

KUBUS

Klanten blij maken met BIM. In een notendop is dat wat KUBUS sinds 1992 doet. Het bedrijf levert BIM-software voor de ontwerpende en uitvoerende bouw: van ontwerpsoftware tot tools voor modelchecking en issuemanagement voor het verbeteren van modelkwaliteit. Ook adviseert en ondersteunt KUBUS bedrijven bij de transitie naar het werken met BIM. KUBUS is met BIMcollab wereldwijd marktleider op het gebied van cloud-based BIM issuemanagement, geïntegreerd met modelvalidatie. Daarnaast is KUBUS exclusief distributeur van Archicad in Nederland en Vlaanderen.

Project Sluiseiland Vianen

Op het historische Sluiseiland in Vianen, nabij Utrecht, verrijzen op een rustige plek in het groen en vlak bij de Lek tientallen appartementen en eengezinswoningen. In vier fases worden de in totaal 184 duurzame woningen gebouwd tussen oud en nieuw Vianen. De tender is gewonnen door een ontwerpteam bestaande uit opdrachtgever SBB Ontwikkelen en Bouwen, Witteveen+Bos, heren 5 architecten, Daring Dutch en Rijnboutt. Daarbij is Rijnboutt onder meer verantwoordelijk voor het landschapsontwerp en voor twee woonblokken: het Centrumblok en het Noordblok, oftewel Kop Noord.

75 aluminium kozijn glazen hekwerk terras tegels vensterbank as stelkozijn 3d model doorsnede 2d detail

Luchtbewegingen zorgen ervoor dat onderdakfolies sneller kunnen verouderen en minder lang meegaan, zo blijkt uit onderzoek van Dörken. Dit is op te lossen met speciaal aangepaste materialen en nieuwe technologie. Dankzij Missie XX kan de levensduur aanzienlijk worden verlengd.

Onderdakfolies spelen een hoofdrol in de dakconstructie. Alleen als ze een langdurige functionaliteit bieden, kan het dak optimaal tegen weersinvloeden beschermd worden. Idealiter zou het membraan, samen met dakpannen en dakspanten, de hele levensduur van het dak moeten meegaan. De laatste jaren maken dakdekkers echter steeds vaker melding van daken waarvan onderdakfolies het al na enkele jaren begeven, hoewel ze de verouderingsprocedures volgens de geldende normen hebben doorstaan. Hoe is dit mogelijk?

Innovatie voor de daken van morgen De ingenieurs bij Dörken hebben nu een doorbraak bereikt. Ze ontdekten dat de grootste en tot nu toe volledig onderschatte factor onder de dakbedekking ligt: de luchtbeweging ter hoogte van de tengellatten. Deze schadelijke invloed, die op het eerste gezicht miniem lijkt, belast de folie door de jaren heen. Uiteindelijk leidt dit tot vroegtijdige veroudering en beperking van het functioneren van het dak. Met behulp van een combinatie van speciaal aangepaste materialen en het gebruik van vernieuwende technologie slaagde het team van ingenieurs erin het verouderingsproces van onderdakfolies aanzienlijk te vertragen. Voor Dörken was dit het begin van Missie XX – de ontdekking van een lange levensduur.

Ontdek hier de hele Missie XX

Ingenieurschap en expertise van DELTA

Om de doeltreffendheid van deze innovatie aan te tonen, is een geschikte testprocedure bijzonder belangrijk. Omdat er geen testprocedure was die in de vereiste mate rekening hield met luchtbeweging, ontwikkelde Dörken de zogenaamde ‘stormoven-test’. Deze wordt nu ook door een onafhankelijk testinstituut aangeboden en is een vast onderdeel van het Europees beoordelingsdocument (EAD) voor onderdakfolies. De test bevat een unieke thermo-oxidatieprocedure waarbij de membranen niet alleen aan hoge temperaturen worden blootgesteld, maar ook aan een permanente sterke luchtbeweging – gedurende een periode van 64 weken. Deze test simuleert meerdere decennia van gebruik in het dak, terwijl de huidige standaard verouderingsprocedure zekerheid biedt voor een periode van slechts drie jaar. Onderdakfolies die onvoldoende verouderingsbestendig zijn, kunnen nu herkend worden door ze aan een kunstmatig verouderingsproces te onderwerpen met de ‘stormoven-test’. Deze nieuwe procedure zal in de toekomst aan alle fabrikanten en gebruikers een hoge mate van zekerheid geven. Deze baanbrekende ontwikkeling zal een nieuwe norm stellen voor onderdakfolies – gemaakt voor daken die lang meegaan.

Dit artikel is gesponsord door Dörken.

Vroegtijdige veroudering een uitdaging voor onderdakfolies
76 Sponsored content

Start-up Martine Duyvis, Studio Abacaxi

Voor Martine Duyvis, oprichter van Studio Abacaxi, architectuur pleit maken
‘Overdag ben ik architect, ’s avonds bouwvakker’
is
een puzzel. Ze
voor het
van verbindingen tussen mensen op kleine en grote schaal – en wel zo duurzaam, eenvoudig en minimalistisch mogelijk. TEKST CHARLOTTE THOMAS | FOTO’S DAVID MEULENBELD 77
Interview

Ik stap binnen door een rondboogdeur van een historisch pand aan de Voorhaven, de oude haven in Rotterdam-Delfshaven. Martine Duyvis groet me in een kleurrijk pak dat ze speciaal voor dit gesprek heeft aangetrokken. Later blijkt dat de kleurstelling feilloos aansluit op de kleu ren van de muur met materi aalstaaltjes. Het plaatje klopt en geeft daarmee een glimp weer van haar visie. Voordat we met het interview beginnen, geeft Duyvis me een rondleiding door het voor malige vispakhuis. ‘De studio is hier vorige maand naartoe verhuisd.’ Onder één dak zitten meerdere jonge architectenbu reaus, waaronder Studio Acte en Frederik Pöll Bureau voor Architectuur. Samen hebben ze het pand gehuurd. Ze kre gen de vrijheid om het interieur flink aan te pakken. ‘Eerst slopen, nu opbouwen. Overdag zijn we architect, ’s avonds

bouwvakkers.’ Dit was een leerrijke periode voor Duyvis en haar stagiair: ‘Gisteren hebben we er nog een gipswand in gezet.’ Dat het hier afgelopen maanden een bouwplaats was, is niet meer te zien, op een rondslingerende rol ducttape na. ‘Ik heb alles net even strak getrokken voor je komst.’

Dat is nogal een project dat je bent aangegaan! Ben je in alles zo gedreven?

Duyvis glimlacht van oor tot oor: ‘Ja! Ik hou heel erg van nieuwe dingen en het aangaan van avontuur.’

Dat verklaart meteen waarom ze tijdens haar studie bouw kunde aan de TU Delft ook een tijdje studeerde aan de techni sche universiteit in Stockholm, en vervolgens aan de faculteit voor architectuur en steden bouw (FAU) aan de universiteit van São Paulo in Brazilië.

Waarom ben je naar Zweden gegaan?

‘Vanwege de kwaliteit van het onderwijs. Het vak biomimicry was een ware eyeopener voor mijn eigen praktijk. Biomimicry is de wetenschap van het imiteren van biologische processen in de natuur om menselijke toepassingen uit te vinden, te verbeteren en duurzamer te maken. Ook trok Scandinavië me door de materialisatie en het minimalisme. Simpel en eerlijk omgaan met materiaal en ruimtes ligt mij na aan het hart.’

Vervolgens ruilde je het Scandi navische minimalisme om voor het Braziliaanse minimalisme. Hoe kwam je daar terecht?

‘Ik kwam in contact met de FAU in São Paulo. Daar heb je ook minimalisme, maar dan in beton. In São Paulo ontdekte ik het sociale oeuvre van Lina Bo Bardi waar de verbinding tussen mensen centraal staat. Dat draag ik mee in mijn ontwerpvisie.’

Na je afstuderen deed je ervaring op bij bureaus als OMA, V8 Architects en Atelier Bow-Wow.

‘Daar heb ik veel geleerd. Ik deed commercieel werk maar ook publieke gebouwen, leerde efficiënt ontwerpen, kreeg technisch inzicht en voeling met verschillende soorten opdrachtgevers.’

En toen begon je in 2020 je eigen bureau.

‘Ik zat in 2017 in Londen, de brexit was net een feit en ik kon nergens aan de bak komen. Om me niet te vervelen ben ik begonnen aan een woonboerderij voor mijn ouders, Berwout in Egmond. Het conceptboekje van Berwout voor de eerste welstandsvergadering werd de aanzet voor een nieuw woonproject: Zomerlaan in Heemstede. Dit werd ineens serieus. In 2020 kreeg ik officieel de titel architect en begon ik volledig voor mezelf.’

De naam Studio Abacaxi komt van een Braziliaans gezegde over de ananas. Presentatie van enkele materiaalstaaltjes.
‘De eerste week na oplevering moesten de opdrachtgevers wennen, maar nu vinden ze het geel helemaal passend’
78

Wat vind je van de Nederlandse architectuurwereld als je met je wereldse blik kijkt?

Duyvis lacht. ‘Klein! En ik vind het nog steeds een mannenwereld. Twee keer per week krijg ik een mail gericht aan “Geachte heer Duyvis”. Bij veel organisaties is het helemaal niet standaard dat een jonge vrouw een eigen bureau runt. Ik moet mezelf steeds bewijzen.

‘De tendercultuur in Nederland is ook een ramp. Je moet hier vier brandweerkazernes hebben gerealiseerd om je in te mogen schrijven voor een brandweerkazerne-opdracht – dat slaat nergens op.

‘Een museum ontwerpen is mijn grote droom. Dus ik moet proberen buiten de tenderomgeving om iets van een museaal paviljoen te maken en zo stap voor stap doorgroeien om ooit een grote culturele opdracht te krijgen, anders lukt het niet.’

Vanwaar de naam Studio Abacaxi?

Weer die grijns. ‘Ook bij de opdrachtgevers veroorzaakt de naam regelmatig verwarring, maar het is altijd leuk om toe te lichten, want het verklaart de identiteit van mijn bureau. De naam komt van mijn studietijd in Brazilië. Daar heb je een

gezegde “descascar o abacaxi”, wat “het schillen van een ananas” betekent. Dit is een lastig klusje, maar de beloning is zoet. Zo kijk ik ook naar mijn werk. Ik heb een ruimtelijk probleem dat moet worden opgelost.’

Wat kun je oplossen als architect?

‘Ik denk niet dat ik de grote sociale problemen kan oplossen. Maar ik denk wel dat ik mijn steentje kan bijdragen. Van hele kleine schaal, bijvoorbeeld een gezin optimaal in een huis kunnen laten samenleven en bewegen, tot de grote schaal van een publiek gebouw waar diverse groepen bij elkaar worden gebracht. De oplossing zit hem vaak in een goede verbinding.

‘Op elke schaal kan je als architect het goede voorbeeld geven en mensen inspireren.’

Als architect heb je het alleen niet altijd voor het zeggen. Hoe verhoud jij je tot de opdrachtgever?

‘Ik daag graag de opdrachtgever uit en probeer mijn creatieve ruimte te vinden in een opdracht. Tuurlijk is er altijd iets wat niet lukt, maar daar probeer ik een draai aan te geven. Zo heeft de Tuinstudio die ik ontwierp in Bergen een

sprekende gele balustrade waar de opdrachtgevers eigenlijk een zwarte wilden. Toen heb ik doorgezet. De eerste week na oplevering moesten ze wennen, maar nu vinden ze het geel helemaal passend.’

Het werk van Studio Abacaxi bevindt zich in de culturele tentoonstellingsontwerpen en privéwoningen. Een opvallende combinatie.

‘Dat is zo gegroeid. Mijn vader is grafisch vormgever bij de Museummakers, waar ik ondertussen ook bij zit. Dat is een groep museumontwerpers, grafisch vormgevers, tekstschrijvers en animatoren. Ik pak de ruimtelijke projecten op. Zo werk ik nu aan het Nijntje-museum.’

Een tijdelijk tentoonstellingsontwerp staat ver af van het permanente karakter van architectuur.

‘Dat is inderdaad een grappige contradictie. Ik merk dat ik altijd materiaalbewust bezig ben. Dus ook bij tentoonstellingsopdrach ten ijver ik voor materialen die de tijd doorstaan. Hierin ben ik een meerwaarde bij de Muse ummakers die vaak vanuit het tijdelijke en grafische denken. ‘Ook levert het een goede balans op binnen het bureau.

Als er superveel stress is op een architectuurproject vanwege grote vragen, dan kunnen we ons tussendoor focussen op een kleiner tentoonstellingsproject. Ik hoop dit 50/50 te blijven doen.’

Wat is je droomopdracht?

‘Nu ontwerp ik al veel voor exposities, maar ik zou ook graag aan het exterieur van publieke gebouwen werken, en aan het landschap eromheen – vooral om daar grotere groepen te kunnen verbinden, zoals Lina Bo Bardi ook deed.

‘Ik wil niet alleen maar esthetisch bezig zijn. Het gaat niet om de duurste materialen, maar om de functie.’

Maquettes van projecten van Studio Abacaxi.
‘Pas als je vier brandweerkazernes hebt gerealiseerd mag je meedingen naar een brandweerkazerneopdracht – dat slaat nergens op’
79

1. Voor een typische Noordoostpolder-boerderij ontwierp Studio Abacaxi een veranda – simpel maar onderscheidend. Beeld Studio Abacaxi

2. Visualisatie van het gebruik van de tuinstudio in het weekend. Beeld Studio Abacaxi

3. Voor de renovatie van een sociaal woningbouwcomplex in Rotterdam-Noord maakte Studio Abacaxi het gevelontwerp. Beeld Studio Abacaxi

4. Voorgevel met glazen pui van de Tuinstudio in Bergen. Voor twee creatieve opdrachtgevers ontwierp Studio Abacaxi een werkruimte naast de woning. In de weekeinden kan de ruimte worden verhuurd als vakantieverblijf. Foto Aiste Rakauskaite

5. De gele balustrade is het kleuraccent binnen de houten constructie. Foto Aiste Rakauskaite

6. Visualisatie van het interieur van Berwout, de toekomstige woning van de ouders van Martine Duyvis. Beeld Studio Abacaxi

7. Zomerlaan in aanbouw met zicht op de voor- en de zijgevel. Beeld Studio Abacaxi

8. Visualisatie van de achtergevel met tuin bij Zomerlaan, een woning voor een jong gezin. Beeld Studio Abacaxi

9. In Egmond ontwerpt Studio Abacaxi ‘Berwout’, een duurzame schuurwoning als aanbouw bij een monumentale stolpboerderij in de duinen. Beeld Studio Abacaxi

10. De verassende plaatsing van de ramen zorgt voor een optimale verbinding tussen het interieur en het omliggende groen. Beeld Studio Abacaxi

Meer weten? Scan de QR-code het project Tuinstudio, Bergen door Studio Abacaxi.

80
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
voor

Meubel Joshua Klappe en Hester Poortinga

‘Wij maken het toepassen van massief hout in meubels weer relevant’
TEKST CHARLOTTE THOMAS | PORTRETFOTO LUUK SMITS Industrieel ontwerper Joshua Klappe onderzocht samen met architect Hester Poortinga en meubelmaker Rutger Graas de mogelijkheden van restanten oude lariks spanten, blokken kruislaaghout en resthout uit een kozijnenfabriek. Het resultaat is drie robuuste en toch verfijnde meubels. 81
Haarscherpe meubels uit massief afvalhout

OpObject Rotterdam

2022 maakte ik kennis met het creatieve koppel Joshua Klappe en Hester Poortinga. Hun eenvoudige houten meubels sprongen in het oog tussen de soms wat hysterische designobjecten.

‘Massief hout is zo mooi van zichzelf, dat wil je in een ontwerp tot uiting brengen’, aldus een enthousiaste Klappe.

Joshua Klappe heeft een ontwerpstudio in Rotterdam. De ontwerper hield zich de afgelopen jaren vooral bezig met

opblaasbare campeershelters, maar maakte al af en toe een uitstap naar de meubelsector. Zo merkte hij op dat meubelma kers steeds vaker plaatmateriaal gebruiken in plaats van massief hout. ‘Zonde’, verzucht Klappe, ‘want meubels van plaatmateriaal gaan zo snel stuk.’

Massief hout

Samen met zijn vriendin Hester Poortinga van Holto Architec ture kwam hij op het idee om zelf meubilair te ontwerpen. Klappe: ‘Hester werkt in haar

architectuur veel met hout.’ Iedere keer als het tweetal bij een houtbedrijf kwam, dachten ze: “we moeten eens iets met massief hout gaan doen.” Vooral constructiehout in de bouw, dat vaak gelamineerd en fors van formaat is, heeft hun aandacht: ‘Daar hoef je eigenlijk alleen nog maar de freesmachine op te zetten.’

Poortinga en Klappe verzamel den talloze voorbeelden van grenen meubilair van Friis & Moltke, Lina Bo Bardi en Ate van Apeldoorn. ‘Dat zware en

modernistische karakter van dik ke grenen meubels uit de jaren zeventig vinden wij prachtig’, verklaart Klappe. Ze combi neerden deze voorkeur met het afvalprobleem van de houtin dustrie en de mogelijkheden van moderne freestechnieken. ‘Als je met halffabricaten gaat werken, zoals gelamineerd hout uit de bouw, kan je in combinatie met moderne geautomatiseerde technieken een productieproces opzetten. Dit maakt het gebruik van massief hout in meubels weer relevant’, licht Klappe toe.

Detail van de zwaluwstaarttafel. Foto Riccardo De Vecchi
82

Trial-and-error

Sinds 2020 onderzoeken Klappe en Poortinga hoe je massief houten meubels kunt maken met geautomatiseerde bewerkingstechnieken. Voor hun onderzoeksproject, getiteld ‘de vorm van massiviteit’, kregen ze een subsidie van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, wat hielp om de productiekosten te dekken. Spantenfabriek Heko Spanten leverde restmaterialen en meubelmaker Rutger Graas bracht de ontwerpideeën tot leven.

Er ontstond een symbiose tussen het afvalhout, de houtfreesmachine en de software die de machine aanstuurt. Met de nodige trial and error kregen de meubels hun karakteristieke vorm. Om de eigenheid van het hout te benadrukken, vergroten Graas en Klappe de standaard houtverbindingen uit. Dankzij de droge ‘Japanse’

verbindingen is geen lijm nodig. De kruk zit in elkaar met een pen en gatverbinding en de bank is stabiel dankzij de ligger die in een driehoekige vorm valt. Voor de zwaluwstaartverbindingen van de tafel maakten ze een speciale frees.

‘Het is alsof je stukjes van een puzzel maakt. De assemblage, die veel handarbeid vraagt, kan je overslaan’, legt Klappe uit. Bij wijze van spreken kan je de onderdelen opsturen naar de koper die ze vervolgens zelf in elkaar schuift. ‘Doordat de objecten uit één materiaal bestaan, zonder lijm en schroeven, is demonteren en recyclen makkelijk’, vervolgt hij trots.

Haarscherp en functioneel

Met hun onderzoek willen Klappe en Poortinga een duurzaam voorbeeld stellen. De zware oerdegelijke meubels maakten ze met lokaal Nederlands hout.

Het zijn nu nog enkelvoudige en dus kostbare objecten. Maar seriematige productie is rendabel en dus mogelijk denkt Klappe. De tafel met zwaluwstaartverbinding is daarvoor het meest interessant. ‘Deze heeft een dik blad en zware poten, maar is vanwege het technisch detail toch haarscherp en functioneel.’ Bovendien: ‘Een enkele tafel is productietechnisch goed te doen, maar in serieproductie wordt het pas echt interessant.’ Tegen een toekomstige serie zegt Klappe dan ook geen nee: ‘Wij hebben nu de juiste freesstrategie te pakken waarmee we efficiënt in verschillende maten kunnen produceren. Of het nu een bijzettafel is of een flinke salontafel, dat maakt voor de machine niet uit. Hierdoor is het ontwerp breed toepasbaar.’

Kruk van Studio Joshua Klappe en Hester Poortinga. Foto Studio Joshua Klappe Een robot werkt aan de productie van de meubels bij Maaklab, Amsterdam. Foto Studio Joshua Klappe
83

Goede architectuur verdient een gezonde werkcultuur

In 2013 zocht ik een menselijk architectenbureau. In mijn definitie was dat een bureau waar ik voor een marktconform salaris vier dagen in de week op niveau kon werken en de meeste dagen op tijd naar huis kon om mijn baby voor sluitingstijd van de kinderopvang te halen. Als het even kon was er ook nog tijd om te kolven, het liefst in een aparte ruimte. Nu weet ik dat dit het minimale is wat je als werknemer van een werkgever mag verwachten, maar toen was daar in mijn ogen de situatie niet naar. De crisis in de architectuur beleefde haar hoogtepunt, er werd bijna niet gebouwd en de banen waren dun gezaaid. Banen voor jonge moeders al helemaal. Zij verlieten juist massaal de branche. Gelukkig vond ik een ‘menselijk’ bureau, de baan paste me niet, maar redelijk was mijn werkgever wel. Ik kreeg de ruimte om zowel mijn werk als mijn kersverse moederschap zo goed mogelijk te doen.

Bijna tien jaar later is de economische situatie omgekeerd. Er wordt volop gebouwd en om al dat werk aan te kunnen, zijn er vacatures in overvloed. Dan is het vast beter gesteld met de arbeidsvoorwaarden, zou je denken. Helaas is het tegendeel waar, de werkcultuur is er niet beter op geworden. Door de enorme hoeveelheid (potentiële) opdrachten is de werkdruk binnen architectenbureaus uitputtend hoog. ‘Veel bureaus zijn nog sterk hiërarchisch opgezet, de vele productie is afhankelijk van slecht betaalde arbeid, personeel wordt vervangbaar geacht en overwerk is de norm’, aldus de Rotterdamse Academie van Bouwkunst in een aankondiging op haar website. Ter gelegenheid van de recente Rotterdamse Architectuurmaand organiseerde de academie in samenwerking met AIR een publiek gesprek. Dat de competitiecultuur deze uitputting en uitbuiting versterkt werd niet meegenomen in de discussie – daarmee is een avond op zich te vullen –, wel wat we aan de werkomstandigheden kunnen doen.

Om een goed beeld te krijgen van de realiteit op architectenbureaus beschreef Charlie Clemoes (redacteur bij Failed Architecture) enkele problematische werksituaties. Deze had hij gedestilleerd uit meer dan dertig reacties op stellige Instagramposts over werkcultuur op het account van Failed Architecture. Clemoes anonimiseerde ze, want de respondenten zijn als de dood dat ze hun baan verspelen. Daarbij is de maatschappelijke tendens dusdanig hard dat je

uitlaten over misstanden vooralsnog niemands carrière vooruit heeft geholpen. Gezien de reacties vraag ik me af waarom je nog in de architectuur zou willen werken. Zo werken veel – vooral jonge en buitenlandse –architecten en stagiaires minstens het dubbele aantal uren van de veertig die in hun contract staan. Clemoes schetste hun werkdagen: je staat om 08.00 op, gaat om 09.00 naar je werk, bent daar tot 21.00. Dan ga je naar huis om te koken, te eten en je lunch in te pakken voor de volgende dag. Uitgeput val je in slaap om de volgende dag hetzelfde riedeltje te herhalen. Als je geluk hebt, ben je in het weekend vrij. Compensatie voor al die extra werkuren is vaak niet geregeld, behalve een pizza. En dit alles onder het mom van dat ‘we hier echt sámen in zitten’, want je bent onderdeel van de familie. ‘Maar zouden ze hun eigen kinderen ook zo behandelen?’, vraagt een van de anonieme respondenten zich af.

Een van de oorzaken van deze problematische werkcultuur is dat de meeste bureau-eigenaren geen benul hebben van oorzaken en gevolgen. Het zijn immers veelal witte mannen uit de sociale middenklasse, die vanuit hun geprivilegieerde positie (onbewust) andere groepen buitensluiten – vrouwen, maar ook mensen uit lagere sociale klassen. Zo houden ze de cultuur in stand, aldus Evelien Pieters, zakelijk leider van AR-TUR en partner van Wiki Women Design Belgium, en Veerle Alkemade, podcastmaker van Response. Niet voor niets zijn de nieuwe partners die onlangs massaal werden aangekondigd, vooral mannen die op de zittende directieleden lijken. Zij hebben hetzelfde maatschappelijke netwerk en ze kunnen dezelfde invulling van hun leven veroorloven: heel veel werken en niet zorgen.

Een bijkomstigheid van hun geprivilegieerde positie is dat niemand tegen ze in durft te gaan. Zo beschreef Clemoes een senior partner die herhaaldelijk tegen stagiaires vloekt, hun inspanningen ondermijnt voor de rest van het kantoor en racistische en seksistische grappen maakt in vergaderingen. Een strijdbare jonge moeder werd door hem weggezet als wakkere feminazi, ‘terwijl ze alleen maar hoopt op een mooie loopbaan in de architectuur’.

Tijd voor verandering. Wat kun je dan als werknemer doen? Je organiseren en vervolgens je mond opentrekken. Bijvoorbeeld bij

de vakbond. Het FNV faciliteert de vereniging van architecten met budget en een platform.

‘Maar je moet de bond wel input geven’, aldus Zamaney Menso, bestuurder Bouwen en Wonen van FNV en voorzitter van de Stichting Fonds Architectenbureaus. Vooralsnog blijkt dat lastig. Een plek om elkaar informeler te spreken is een Discord channel, opgezet door verschillende werknemers bij Nederlandse bureaus. En loop je aan tegen te hoge werkdruk, seksuele intimidatie, discriminatie of pesten dan kun je terecht bij de vertrouwenspersoon van de Stichting Fonds Architectenbureaus.

Natuurlijk ligt de verantwoordelijkheid voor een gezonde werkcultuur in de eerste plaats bij de werkgever. Hoopvol is het dan ook dat BNA-voorzitter Jolijn Valk het debat hierover aanzwengelt. Tijdens het publieke gesprek laat ze weten dat de BNA de genoemde voorbeelden serieus neemt: ‘Elke melding is er een teveel. We hechten grote waarde aan fatsoenlijke en gezonde arbeidsvoorwaarden, zoals de CAO, want werken bij architectenbureaus is ook heel leuk, het is een prachtig vak’. Ook verwees Valk naar de gedragscode die BNA-leden ondertekenen, de rechten die werknemers hebben en voorbeeldland Zweden waar een gelijkwaardigheidsclausule is opgenomen in de tenders. ‘Diversiteit is niet een dingetje om over na te denken, het moet je grondhouding zijn en zal ook helpen om dit soort zaken te tackelen.’ Tegelijkertijd zat het publiek vol met jonge architecten – en niet met hun werkgevers. Architectenbureaus direct aanspreken op de werkcultuur blijft daarmee lastig. Het Instragram account @ministerie_van_vrom heeft hiervoor een eigen vorm gevonden. Het anonieme account stelt als een luis in de pels via memes misstanden of misvattingen in de architectuur aan de kaak. Onlangs was Bjarne Mastenbroek de (on)gelukkige. Toen die op vrijdagavond 24 juni om 22.00 postte ‘Some @search-architects back to work some into the weekend’, was het @ministerie_van_vrom er als de kippen bij met het commentaar: ‘Een goede (maar vermoeiende) aanleiding om […] nog maar eens te beginnen over de schaamteloze (en openlijke) cultuur van opgedrongen slaaptekort en opgeofferde weekenden’ (122 likes).

Mastenbroek reageerde: ‘@search_architects werkt zeer weinig over, eigenlijk nooit in het weekend en betaalt zijn stagiaires normaal. We hebben mensen in vaste dienst en gooien ze er niet uit na de wettelijke periode voor tijdelijke

Slechte betaling, weinig ontwikkelingsmogelijkheden en hoge werkdruk, zodat je in je vrije tijd vaak ook aan het werk bent. Zo vooruitstrevend als hun ontwerpen zijn, zo conservatief zijn veel bureaus georganiseerd. De sleutel tot verandering? Een luisterend oor en generositeit.
84 Opinie

contracten. @search_architects neemt goed werkgeverschap serieus en heeft nog nooit in zijn 20-jarig bestaan het onredelijke gevraagd van een medewerker.’ Binnen de vakgemeenschap is deze zelfreflectie bij werkgevers hard nodig. De sleutel hiertoe is dat ze intern gesprekken faciliteren, waarbij luisteren voorop staat, aldus Ries Meertens, businesscoach voor architecten en ontwerpers. En niet één keer, maar steeds weer. Een ongezonde werkcultuur veranderen kost energie en tijd en daarvoor moeten werkgevers problemen blijven benoemen en zichzelf blijven bevragen.

‘Een onderneming runnen is een organisatie ontwerpen’, aldus Meertens. De waarden die je als bureau aanhangt zijn de bouwstenen. Nu voeren vaak masculiene waarden als daadkracht, discipline en standhouden de boventoon, terwijl waarden als gelijkwaardigheid, empathie en communicatief leiden een gezondere werkcultuur opleveren. Daarnaast stelt Pieters generositeit als belangrijke waarde tegenover de rivaliteit en de competitiedrang waarmee de sector is doordrenkt. Niet alleen tussen bureaus om aan een opdracht te komen, maar ook tussen medewerkers onderling. Meer generositeit leidt op de werkvloer tot meer samenwerking, ervan uitgaande dat je door delen tot meer komt. ‘Een gezonde werkcultuur leidt tot betere architectuur’, voegt Valk daaraan toe. Meer generositeit bij werkgevers betekent gewoon je werknemers iets gunnen, of het nu vrijetijd, een vast contact of een kolfruimte is.

En die laatste kreeg ik. Na mijn suggestie dat ik anders wel met mijn kolfapparaat en bekertjes melk in de glazen vergaderruimte midden op de open werkvloer ging zitten, werd het invalidentoilet omgedoopt tot kolfruimte. Een geurkaars en een gemakkelijke stoel maakten de ruimte wat meer zen.

Het dak op

Eindelijk! Het was vriendin Florien gelukt om in deze overspannen woningmarkt iets te vinden. Dolenthousiast appte ze me met de vraag of ik haar nieuwe appartement wilde komen bewonderen. Huizen kijken? Altijd leuk. Het was compact, maar goed ingedeeld. Toch miste ik iets.

‘Heb je geen buitenruimte?’, vroeg ik. ‘Nou en of, ga maar mee’, zei ze. Voor ik het wist stond ik op een keurig gemanicuurd dakterras met schitterend uitzicht over Amsterdam.

‘Mooi! Helemaal voor jou alleen?’ vroeg ik. ‘Nee, dit is het gemeenschappelijke dakterras voor mij en mijn 245 buren’, zei ze. Dat was even slikken.

Wat wordt het er prachtig, op al die dakterrassen-in-aanleg. Er is bijna geen nieuwbouwproject zonder community-dakterras vol verantwoorde planten met blije mensen in hippe kleren met een goed glas in de hand. De geur van versgebraden vlees van de barbecue walmt je bij wijze van spreken van de renders af tegemoet. Fantastisch uiteraard, want te lang zijn we afgescheept met kleine, onmogelijke buitenruimtes. Daarnaast dragen daken waar louter grind ligt op te warmen, niet direct bij aan een klimaatbestendige wereld.

Hoe werkt zo’n gemeenschappelijk dakterras in de praktijk? De opgelegde gemeenschappelijkheid is in feite niet anders dan een aflaat voor het gebrek aan goede en private buitenruimte. Ontwikkelaarsverkooppraat, om je te laten denken dat de armoe die geen individuele buitenruimte heet iets geweldigs is. Daarnaast: wat je gemeenschappelijk doet is lang niet in overeenstemming met wat je gemeenschappelijk wilt delen.

Naar het uitzicht turend dacht ik terug aan een webinar dat ik had bijgewoond. Een landschapsarchitect en een ontwikkelaar presenteerden enthousiast de verschillende typen gemeenschappelijke dakterrassen in het dichtbebouwde stadsbuurtje in aanleg. Allemaal klimaatbestendig en communityproof. Ik stelde de vraag wat de maandelijkse bijdrage voor het dakterrasonderhoud zou gaan worden. Aan de andere kant van de videocamera bleef het iets te lang ijzig stil. ‘Dat is aan de VVE. Daar gaan wij als ontwikkelaar niet over’, was uiteindelijk het antwoord. Hoe kun je als ontwerper de sluwe marketingboys en -girls weerstaan die je overtuigen dat ‘dit soort community-dakterrassen in Londen/Parijs/ New York/Tokio/Sao Paulo al heel gebruikelijk is’? Probeer maar eens nee te zeggen. Ondertussen trekken al die nieuwe dakterrassen het broodnodige en o zo moeilijk voor elkaar te krijgen straat- en plintleven van de openbare begane grond naar het private dak.

Mijn advies: wees kritisch, want het is in feite mooi verpakte armoe. Het is een opgelegde, vercommercialiseerde vorm van gemeenschappelijkheid die een smet werpt op goed en secuur ontworpen gemeenschappelijkheid die het wonen daadwerkelijk kan verrijken. Nu krijgt het de vorm van een eenmalig wegwerpartikel.

Een appje van Florien: ze had met haar nieuwe buren gemeenschappelijk geborreld en gebarbecued. Het bleef bij één keer. De rest van het appverkeer over wat voor hilarisch vreemde buren er tussen de 245 zaten plus het gekibbel over wie de resten van de uitgedoofde barbecue moest gaan opruimen, maak ik in verband met de privacyregels hier niet bekend.

Een strijdbare jonge moeder werd weggezet als feminazi, terwijl ze alleen maar hoopt op een mooie loopbaan in de architectuur
85
Column

Het eerste huis Liesbeth Brink

Met een knik van 120 graden vouwde architect Liesbeth Brink haar woonhuis om een eik aan de rand van een ecologische zone in Oostvoorne. Verdiepingshoge schuifpuien met tripelglas openen de woning naar de weide en het erf. Brink stak haar ontwerp in als passiefhuis – maar liet het uitzicht prevaleren. Beeldbepalend is de gevelbekleding van gebrande lariksplanken. Brink: ‘Die zet de woning als een zwarte raaf in het landschap.’

TEKST HANS FUCHS | FOTO’S JEROEN MUSCH
86
‘Door dit ontwerp leerde ik mijn vak beter kennen’
87 Het Verkoolde Huis, Oostvoorne

Je bent net te vroeg’, zegt Liesbeth Brink, staand in de grote dubbelhoge keuken van het woonhuis dat ze voor zichzelf en haar gezin ontwierp. Want later op de dag, aan het begin van de middag, trekt de zon hier brede strepen licht over de wanden en de betonnen gietvloer. Dat licht valt binnen door drie schuin opstaande bandramen in het getrapt terugvallende dak.

Tweede linie

De woning ligt aan de rand van een forse open weide – de achtertuin eindigt zeventig meter verderop, bij een smalle sloot met dichtbegroeide kanten. Het open landschap rondom de woning is ingebed in een ring van overwegend vroeg twintigste-eeuwse baksteen architectuur. Die bebouwing vatte Liesbeth Brink op als stenige schil: ‘Wij wonen hier in de tweede linie, midden in het groen.’

Brink kromde de woning om de eik op het terrein. Zo ligt het woonhuis met zijn rug naar de openbare weg en de inrit en schermt het de weide van het erf af. Met twee grote doorzichten bemiddelt de woning tussen erf en landschap.

Liesbeth Brink typeert de lay-out van het huis als ‘eenvoudig’, met een dichte zone aan de noordoostelijke erfzijde, en aan de weide geschakelde ruimtes gericht op zon en landschap. In de 110 centimeter brede zone aan het erf liggen alle dienende functies: de keuken, een bibliotheek met werkplek, natte cellen, bergruimte en de trap naar boven.

Zwart hout

Aan de weide koppelde Brink het kantoor, de keuken en woonkamer tot een lint van ruimtes, die kunnen worden gescheiden met schuifdeuren. Geopend ontstaan er, parallel aan de dienende zone, lange zichtlijnen vanuit de woning

op het landschap. Brink: ‘De zonering die ook mijn andere ontwerpen kenmerkt, is in dit huis geperfectioneerd. Door de verdraaiing van de volu mes kijk je terug het huis in en voel je alle ruimtes.’

Aan de gevels koos Brink voor een bekleding van niet-na bewerkt naoshimahout – een referentie aan de schuren met zwartgeteerde, gepotdeksel de planken in de omgeving. Ter hoogte van de verdie pingsvloer kreeg de villa een horizontale band uit hetzelfde zwarte hout, onder en boven afgebiesd met een champag nekleurig aluminium lekprofiel. Op de kopgevels mondt de band uit in luifels.

Het tripelglas in de schuif puien hangt samen met de wens om een passiefhuis te realiseren – maar Brink liet wel het uitzicht prevaleren: ‘We halen hier 22 kilowatt per uur per vierkante meter, niet de 15 die voor een passiefhuis vereist is. De grote glasvlak ken op het noorden en oosten zorgen toch voor extra koude.’

Op het dak van de woning liggen 30 zonnepanelen die in combinatie met een grondwarmtepomp, zeerlagetemperatuurverwarming en koeling (ZLT) en een vochtregulerende warmte terugwinning, een energie positieve woning opleveren.

Zeven aannemers

Het woonhuis is opgebouwd uit een 47 centimeter dikke gelamineerde houtskeletbouw-constructie die gevuld is met cellulose. De Duitse aannemer die de constructie realiseerde was een van de zeven aannemers die Brink inschakelde: ‘Ik kan het iedere architect aanraden: ontwerp je eigen woonhuis.

Door het aansturen van de aannemers, de betrokkenheid bij het bouwproces en de techniek leerde ik mijn eigen vak veel beter kennen en ook het ontwerpen van het interieur – tot het kleinste detail.’

‘Ik kan het iedere architect aanraden: ontwerp je eigen woonhuis’
‘ 88
Alle woonvertrekken vloeien in elkaar over. Door kamershoge horizontale bandramen heb je binnen overal het gevoel midden in de natuur te zijn.
89

Situatie

Doorsnede 1. Woonkamer 2. Woonkeuken 3. Werkkamer 4. Overdekt terras 5. Hoofdslaapkamer 6. Slaapkamer 7. Balkon Conceptschets van sequentie van woonvertrekken en conceptschets van doorzichten.
Door de lichte kromming van het volume wordt een deel van de voormalige schapenweide ingesloten en als tuin afgeschermd. 44 7 5 6 6 1 2 3 90
zwarthout.com Duurzame gevelbekleding voor het Verkoolde Huis gebrand door onze vuurmeesters Ons nieuwste product met brandklasse B is Yoroi. Kijk voor meer informatie op: foto: Jeroen Musch

Scale-ups krijgen eigen kantooren maakruimte op TU Delft Campus

Spin-offs en startups die uit hun jasje zijn gegroeid krijgen op de TU Delft Campus hun eigen werk- en kantoorruimte in het nieuwe ‘acceleratorgebouw’ NEXT Delft, gevestigd in het zuidelijke deel van de campus, vlak bij de rijksweg A13. Het staat bewust op de campus om jonge, veelbelovende bedrijven naar een next level te tillen. Het gebouw biedt niet alleen volop vergader- en werkruimte, maar ook makerspace om innovaties te ontwikkelen en te testen. Ector Hoogstad Architecten ontwierp het multi-tenantgebouw van ruim 10.000 m2 met een opvallende metalen gevel, die karakter aan het gebouw geeft en tegelijkertijd als zonwering functioneert. NEXT Delft is ontwikkeld in opdracht van Stone 22 en ASR Dutch Science Park Fund en wordt volgend jaar uitgebreid naar 20.000 m2 vloeroppervlakte.

NEXT Delft staat direct naast het door cepezed ontworpen Yes!Delft, het ‘incubatorgebouw’ van de spin-offs die de TU Delft voortbrengt. Deze beginnende technische en natuurkundige bedrijven kunnen in dit gebouw tegen een redelijke prijs ruimte huren. De startups die in YES! ‘volwassen’ zijn geworden, kunnen een next step maken naar NEXT Delft om zich verder te ontplooien naar een scale-up. Het gebouw bevat makerspaces, werkplaatsruimtes om lekker te kunnen knutselen en uit te proberen en om zakelijke afspraken te kunnen maken. Naast de verhuurbare kantoren zijn er ook shared facilities. De gemeente Delft, de TU Delft en ASR vinden het belangrijk dat technisch toptalent elkaar inspireert. Vandaar dat beide gebouwen, die praktisch op hetzelfde type huurder zijn gericht, naast elkaar staan.

Ecosysteem

Inmiddels hebben al verschillende bedrijven hun plek in NEXT gevonden. Het bouwvolume bestaat uit vier bouwla-

gen. De begane grond is extra hoog voor de makerspaces, waar ruimte is voor ontwikkelen en testen van kleinschalige innovatieve technieken. Op de eerste verdieping zitten kantoren gecombineerd met ontwikkel- en testruimtes. De bovenste twee verdiepingen zijn volledig ingericht als kantoorruimte. Het centraal gelegen atrium met veel groen en een in het oog springende houten dakkap vormt het sociale hart van het gebouw.

De innovatieve bedrijvigheid die plaatsvindt binnen deze unieke hub waar technische kennis elkaar ontmoet, past binnen het ecosysteem van de TU Delft Campus. Deze locatie blijft de komende jaren groeien met bedrijven die hun technische innovaties in de markt weten te zetten. Het huren van kantoorruimtes in een gebouw met meerdere gebruikers is op dit moment een trend op de Nederlandse kantorenmarkt. ‘Dit concept past veel beter bij ‘het nieuwe werken’ met flexibele werktijden en werkplekken in een kantoorgebouw dat in alle gemakken voorziet’, zegt Bas

MULTI-TENANT GEBOUW VAN NEXT DELFT BIEDT 10.000 M2 VOOR DOORGROEIENDE STARTUPS
Sponsored content 92

Aarts. Hij is Architectural Advisor bij ontwikkelaar en leverancier van gevelsystemen Kawneer in Harderwijk en hij is als projectadviseur betrokken bij NEXT Delft. Het pand heeft een multifunctioneel atrium en een auditorium, horeca, informele en formele ontmoetingsplaatsen, vergaderzalen, co-working ruimtes, werkplaatsen om prototypes te bouwen en flexplekken. Daarnaast biedt het ruimte voor scale-ups die hun commerciële en technische vaardigheden verder willen ontwikkelen.

Flexibel en duurzaam kantoorgebouw

NEXT Delft is een integraal duurzaam gebouw, mede dankzij een oriëntatie-afhankelijk gevelontwerp waarin 3D-gevouwen en -geperforeerde borstweringen de zoninstraling reguleren. Het gebouw krijgt een BREEAM Excellent certificaat en de principes van de gezonde werk- en verblijfomge-

stallatie met warmtepompen voor energiebesparing. De pv-panelen op het dak hebben dankzij de toepassing van witte dakbedekking een extra hoog rendement.

Horizontale geleding van de gevel De gevels van NEXT Delft passen naadloos in dit energiezuinige concept’, zegt Hougee. Samen met Kawneer heeft Ector Hoogstad Architecten een duurzame, mooie en bijzondere gevel ontwikkeld, met eenvoudige en betaal bare ingrepen. In de basis is de dichte gevel een standaard aluminium cassettegevel, een marktconforme oplossing. ‘Esthetisch gezien is deze gevel allesbehalve een standaard gevel’, zegt Hougee. De gevel bestaat uit geperforeerde en deels driedimensionaal gevouwen cassettes gemonteerd op SIPS-elementen met daartussen gekoppelde kozijnenstroken ter plaatse van de glazen doorzichtdelen. Op de zonbelaste gevels zijn de aluminium gevelelementen ook deels vóór het glas geplaatst. ‘De kozijnen vormen dankzij zorgvuldige detaillering een ranke belijning en zijn daarnaast drager van de gevelelementen voor het glas’, vult Aarts aan. ‘De horizontale geleding past het beste bij dit gebouw’, geeft Hougee aan. ‘Je hebt een borstwering nodig bij elke kantooreenheid, zodat je er een bureau of werktafel tegenaan kunt zetten. Samen met het verlaagd plafond met installaties en de constructieve vloer geeft dit een geleding met een halfopen-halfdicht verdeling.’ De gevel is volledig demontabel gedetailleerd. ‘Dit is ook nodig, want bij de toekomstige uitbreiding wordt een deel van de gevel verwijderd om vervolgens te worden hergebruikt in de volgende fase’, zegt Hougee.

vingen van de WELL Building standard komen op verschillende plekken in het gebouw terug. Binnen dit ontwerp is ruimte gecreëerd voor het principe van biophilic design waarin de directe natuur is geïntegreerd. Veel beplanting in het interieur in de vorm van een vegetatiewand en bomen tot wel negen meter hoogte vergroot de connectie van de gebruikers van het gebouw met de natuurlijke omgeving en werkt positief op de gezondheid en de prestaties van de mensen die er werken. Koert Hougee, architect van Ector Hoogstad Architecten, is betrokken bij het ontwerp van NEXT Delft. EHA ontwierp een zo eenvoudig mogelijk casco voor de verhuurbare ruimtes voor huurders die ten tijde van het ontwerp nog niet bekend waren. Hij legt uit dat naast flexibiliteit duurzaamheid en dan met name klimaatadaptatie een van de uitgangspunten is van het ontwerp. De gebouwschil zorgt onder alle omstandigheden voor een stabiel binnenklimaat, en hittestress in de directe omgeving wordt tegengegaan. ‘Veel groen in en rondom het gebouw is een voorwaarde, met minimale verharding en maximale vergroening van het buitenterrein’, zegt Hougee.

Klimaatadaptief

Daarnaast sluit het gebouw aan bij de ecologische zone langs het water van de aangrenzende polders, waar een hoge biodiversiteit is te vinden. Er groeien veel inheemse bomen en heesters in de buurt en het gebied is een aantrekkelijke leefomgeving voor vogels, insecten en zoogdieren. De voor het gevelonderhoud noodzakelijke zone rondom het gebouw is als grasstrook uitgevoerd en bevat paddocktegels die bestand zijn tegen het gewicht van een hoogwerker en die water infiltreren om terreinverharding zoveel mogelijk te beperken. ‘Deze aspecten hebben we al in het ontwerp meegenomen’, geeft Hougee aan. Naast het gevelontwerp zorgen zonwerend glas en een WKO-in-

Oriëntatie-afhankelijk De driedimensionaal gevouwen gevelbeplating geeft niet alleen een uitstraling die past bij de gebruikers van het gebouw; het levert ook een positieve bijdrage aan het binnenklimaat. De gevels zijn oriëntatie-afhankelijk ontworpen. De oost-, zuid- en westgevel krijgen een bepaalde mate van zonwering waarbij het belangrijk is dat de zon wordt geweerd, maar je toch voldoende uitzicht hebt en daglicht binnenkrijgt. De aluminium panelen aan de gevel vouwen naar buiten uit en vormen een luifel boven het glas. De driehoeken van de luifels zijn geperforeerd zodat ze gefilterd licht doorlaten. ‘Dat zorgt voor een aanzienlijke reductie van directe zonnestraling. Door zo’n driehoek beet te pakken en in een punt naar buiten te trekken, ontstaat veel reliëf in de gevel. In combinatie met de perforatie zorgt dit reliëf voor de markante uitstraling van het gebouw’, aldus Hougee.

Dit artikel is gesponsord door Kawneer.

93

Wie is Frans Soeterbroek?

Frans Soeterbroek studeerde in 1982 af als socioloog aan de Universiteit Leiden. Sindsdien werkt hij als onderzoeker, adviseur en activist aan de gebouwde omgeving of, zoals hijzelf zegt: aan samen stad en gemeenschap maken. Hij is eigenaar van adviesbureau De Ruimtemaker.

94

‘Als je bewoners vraagt mee te praten, zijn ze bijna altijd redelijk’

Echte participatie bij projecten met veel hoogbouw? Volgens socioloog Frans Soeterbroek – pleitbezorger en activist voor maatschappelijke gebiedsontwikkeling – is daar meestal geen sprake van: ‘Bestuurders zeggen: wij weten wat goed is voor de stad en bouwen voor mensen die er nog geen plek hebben. Dat is professionele arrogantie.’

Aan

de Jaarbeurszijde van Utrecht Centraal verrijst een ‘gezonde’ hoogbouwstad. Torens met groene gevels van Stefano Boeri staan in de toekomst om een opgetild maaiveld op de Jaarbeurs. Merwede Kanaalzone, daarachter, wordt met loopbruggen verbonden met het verhoogde stationsplein. Wie bo­

venaan de stationstrappen staat ziet hoe de volkswijk Lombok steeds kleiner lijkt. Jaren geleden probeerde socioloog Frans Soeterbroek als lid van de Utrechtse Ruimtemakers hier en in drie andere wijken voet aan de grond te krijgen om mee te denken over gebiedsontwikkeling. ‘Toen we nog jong en enthousiast waren’, zegt

hij lachend. Er gebeurde vrijwel niks en het collectief is door die en vergelijkbare ervaringen – Soeterbroek gebruikt het woord een paar keer – ‘gedesillusioneerd’ stilgevallen. De gemeente financierde het ‘stadsinitiatief’ in twee andere wijken wel, maar vond het uiteindelijk ‘ingewikkeld’. ‘Het compliceerde hun manier van sturen.’

TEKST AFKE LAARAKKER | FOTO DAVID MEULENBELD
95 de Architect | Interview met socioloog Frans Soeterbroek Stedenbouw Interview

Een document met lessen voor verbetering van participatietrajecten is het enige wat daarvan rest.

Soeterbroek is behalve een Utrechtse Ruimtemaker ook De Ruimtemaker. Zijn zelfstandig adviesbureau draagt min of meer toevallig bijna dezelfde naam als het collectief. De socioloog houdt zich bezig met alternatieve vormen van stadmaken met bewoners, en adviseert met name gemeenten over maatschappelijke gebiedsontwikkeling waarbij bouwen en gemeenschapsdenken hand in hand gaan.

‘Friso de Zeeuw [projectontwikkelaar en emeritus hoogleraar gebiedsontwikkeling, red.] noemt mij een stadskabouter. Een van die mensen die kleinschalige dingetjes willen in de stad.’

Een poging tot een gesprek over hoogbouw, met een man die niks met hoogbouw heeft.

Je bent gedesillusioneerd.

‘We hebben een armzalige participatiecultuur. Ik noem het vaak koekoeksklokparticipatie. De gemeente maakt twee jaar lang plannen met een marktpartij. Of een marktpartij maakt plannen en de gemeente onderhandelt over de randvoorwaarden. Even komt het vogeltje vervolgens naar buiten, zegt: “hallo mensen jullie mogen ook even wat vinden”. Daarna hoor je nooit meer wat.

‘Als het project af is volgt een mea culpa. Iedere dag zegt wel ergens in Nederland een politicus: “dit participatieproces verdient niet de schoonheidsprijs, we moeten in de toekomst bewoners eerder betrekken, duidelijkere kaders stellen... bla bla bla”.’

Soeterbroek trekt een vermoeid gezicht: ‘Bewoners leveren een gevecht maar worden telkens teleurgesteld. Dat leidt niet tot initiatief noch tot grootschalig verzet. Voortrekkers haken af en er komt nauwelijks nieuwe aanwas.’

Participatie en hoogbouw, ik kan me er weinig bij voorstellen. Denk je dat je met participatie dezelfde verdichting kunt bereiken als met grote projecten zoals rondom de Jaarbeurs?

‘Betrek bewoners veel vroeger en actiever bij verdichtingsprojecten en laat hen meedenken over de condities van hoogbouw. In steden als Zurich, München en Wenen bestaan mooie voorbeelden van participatieprojecten met een hoge dichtheid. Dat komt doordat zelfbouwverenigingen daar veel groter zijn. Bewoners ontwikkelen

niet alleen hun eigen woningen, maar ook buurten en gemeenschappen. Daarnaast is het uiteindelijk veel belangrijker dat je overlegt met de bewoners over hóé je de stad verbetert dan of er honderd woningen meer of minder komen.

‘In Leiden en Amersfoort zijn bewonersgroepen die gevraagd en ongevraagd meedenken over hoogbouw in de stad. Dat zijn redelijke verhalen. Ik geloof dat in Amersfoort de conclusie was dat er waarschijnlijk nooit hoogbouw zal komen.’

Soeterbroek werkt aan een essay: Ver dichten met bewoners. Op zijn website publiceerde hij al een voorproefje waarin hij afrekent met het cynische beeld van de hoogopgeleide stedeling die de overheid dwarsboomt, het individuele belang stelt boven het collectieve belang, ook wel de nimby 3.0 (not in my backyard) genoemd.

‘Bestuurders zeggen: “we moeten niet buigen voor het gezeur van egoïsten. Wíj weten wat goed is voor de stad en bouwen voor mensen die er nog geen plek hebben”. Dat is professionele arrogantie. Als je be woners vraagt om mee te denken dan zijn ze vrijwel altijd redelijk. Ik vind dat je moet vertrouwen dat verzet legitiem is. Neem de Klaprozenweg in Amsterdam. Daar zorgde verzet ervoor dat bewoners samen met de grondeigenaren plannen maakten.’

Is de snelheid van grootschalige projecten wel haalbaar met participatie?

‘Ik denk dat het een illusie is dat je met de markt veel grotere stappen kan zetten. In de financiële crisis lagen alle plannen voor sociale huurwoningen als eerste stil, want de ontwikkelaars zaten opeens op de Bahama’s, wachtend op waardestijging van hun grond.

‘Daarnaast, als je participatie op tijd regelt dan win je die snelheid later in het proces terug. Maar het is tegennatuurlijk voor ontwikkelaars om als plannen nog rudimentair zijn, een robbertje te vechten met de buurt. Dat durven ze gewoon niet. Ze hebben allemaal beheersdrift.’

Kunnen we wel zonder commerciële ontwikkelaars?

‘Iemand als Friso de Zeeuw wil doen geloven dat wat mensen zelf kunnen marginaal is vergeleken met wat ontwikkelaars doen. Ontwikkelaars in Nederland willen niet investeren in een andere ontwikkelcultuur omdat ze bang zijn dat die gangbaar wordt. Maar er zijn meer dan genoeg andere mogelijkheden, zoals intensieve

samenwerking met coöperatieve corporaties. Ik zou ook graag de terugkeer van gemeentelijke bouwbedrijven zien.

‘En ik wil júíst mensen in beweging brengen. Je ziet dat als je eenmaal een andere cultuur hebt, die zichzelf versterkt. Mensen gaan het normaal vinden dat een groot deel wordt gebouwd door de coöperatieve sector.’

En als bewoners nu zeggen dat ze hoogbouw willen, dan is het dus best een goed idee?

‘Ik ben niet zo van hoogbouw gecharmeerd. Ik erger me aan skyline denken. Ik begrijp het niet als mensen de zoveelste foto van een ondergaande zon boven de skyline van Rotterdam posten. Of waarom het zo boeiend is dat je hoger kunt bouwen dan de Dom.

‘Ik ben het eens met [de Deense architect en stedenbouwkundige] Jan Gehl, die zegt dat hoogbouw luie stedenbouw is. Het heeft geen moer met de leefbare stad te maken. En het argument dat hoogbouw verkoopt en we het dus moeten toestaan vind ik armoeiig, consumentistisch.

‘We moeten het hebben over gemeenschapsontwikkeling. Als je het vraagt aan de bewoners denk ik dat niemand zal zeggen: “in deze buurt zitten we echt te wachten op een icoon”.’

‘Friso de Zeeuw noemt mij een stadskabouter.
Zo iemand die kleinschalige dingetjes wil in de stad’
96

Pilkington Nederland en maken uw gevel

Met de slimme IoT-Ready gevel oplossing van PHYSEE, geleverd door Pilkington Nederland, kan uw kantoorgevel worden gekoppeld aan slimme gebouwbeheersystemen. Met de informatie over binnenkomende warmte en licht kan er tot wel 30% op energie worden bespaard door de energiehuishouding hierop af te stemmen. Zo creëer je duurzamere en gezondere kantoren en helpt Pilkington Nederland uw #parisproof ambities te realiseren. Daarnaast levert deze slimme oplossing ook een positieve bijdrage aan onder andere de BREEAM en WELL beoordelingen.

Door deze slimme IoT-Ready gevel oplossing van PHYSEE te combineren met onze Cradle to Cradler® zilver certificering geven we verder vorm aan onze duurzaamheidsdoelstellingen en de ambitie om uw meest duurzame partner in glasoplossingen te zijn! Bent u benieuwd naar de mogelijkheden, neem dan contact met ons op.

Pilkington Nederland B.V. | De Hoeveler 25 7547 SB Enschede Telefoon +31 (0)53 483 58 35 | E-mail: pilkington.nederland@nsg.com | www.pilkington.nl

97 rubriek de Architect |
PHYSEE
IoT-Ready!
Aan de Johan Ringerskade is toren de Hoge Vrijheid in aanbouw. Het ontwerp door Martijn van der Hijden architecten berust op een collectief particulier opdrachtgeverschap, waarmee de toekomstige bewoners controle krijgen over delen van het ontwerp.

Den Haag woekert met ruimte en ambitie

In Den Haag voegen zich meer en meer torens in de skyline. Binnenkort start de bouw van de Boogiewoogie, 110 meter hoog, die doet denken aan gestapelde blokken, ontworpen door OZ. De getrapte torenspitsen van de Grotiustorens van MVRDV zijn met 120 en 100 meter opvallende nieuwe verschijningen. Mecanoo’s The Grace, een gelikt ensemble van twee torens van 150 en 180 meter, wordt –voorlopig – de hoogste in Den Haag.

TEKST AFKE LAARAKKER | FOTO’S CHRISTIAN VAN DER KOOIJ Stedenbouw Project de Architect
Hoogbouw voor de Binckhorst en het Central Innovation District
|

Omal die projecten in goede banen te leiden stelde de gemeente Den Haag in 2017 een hoogbouwvisie op: Eyeline en Skyline, onderdeel van de Agenda Ruimte voor de Stad. Vijf jaar later is het tijd voor een evaluatie. Heeft het document geleid tot een goede integratie van hoogbouw in het stedelijk weefsel? En smaakt het naar meer?

Het ontwerp van de toppen van de torens speelt een belangrijke rol voor de Haagse skyline. Elk hoogbouwproject wordt naar voorschrift geaccentueerd met een ‘kroon’ – rechtstreeks verwijzend naar de Haagse hoedentradities en het koningshuis. Maar toen de stedenbouwkundigen van de gemeente de hoogbouwnota opstelden, constateerden ze dat de skyline maar één aspect is. Een vijflaags parkeerdek als basis of een gesloten lobby zijn een gruwel voor elke stad. Geïnspireerd door de ideeën van de Deense architect en stedenbouwkundige Jan Gehl kreeg daarom ook ‘beleving op ooghoogte’ een plek in het document. Gehl maakt zich hard voor de wandelende en fietsende mens en verzet zich tegen de anonimiteit van torens. Den Haag mikte daarom op de ‘levendige plint met menselijke maat’. De nota schrijft publieke functies voor op de onderste bouwlagen en een maximum plinthoogte. Hoogbouw is daardoor altijd onderdeel van een groter bouwblok. De voorgeschreven maximum diameter moet verder voor slanke torens zorgen.

De haven en de Melkwegstraat worden beide groener en breder, als reactie op de nieuwbouw. Binckhorst Laakhavenkwartier Central Innovation District
100

De Binckhorst

De visie beperkt zich grotendeels tot architectonische suggesties, over de stedenbouwkundige inpassing doet het document weinig uitspraken. De Binckhorst is een van de gebieden waar hoogbouw moet komen. Er is een omgevingsplan opgesteld voor de transformatie van het gebied. Dit is echter een globaal kader dat geen richting geeft aan de stedenbouwkundige uitwerking. Achteraf gezien was er daardoor te weinig houvast, vinden zowel de gemeente als ontwikkelaars en ontwerpers die werkzaam zijn in het gebied.

In het industriegebied de Binckhorst waren de hoogbouwambities hoog. De gemeente streefde aan de Binckhorstlaan naar torens van rond de 140 meter om het gebied met loodsen en groothandels naar een

hoogstedelijke woonwijk te transformeren. Om dat te bereiken kwam geen regie vanuit de gemeente en het gebied werd bij wijze van ‘experiment’ aan de markt overgelaten. Een bijlage met bouwregels moest initiatiefnemers houvast bieden. Er werd niet op kavelniveau voorgeschreven waar torens moesten komen, maar er kwamen globale vlakken langs de ontsluitingswegen. Verder konden ontwikkelaars en grondeigenaren samen afspraken maken.

Het traject met weinig voorschriften moest voor een vlotte afhandeling zorgen. ‘Toen de inschrijving in 2017 opende, waren de 5000 woningen binnen zeven minuten vergeven’, vertelt Sander Westerhout, stedenbouwkundige en coördinator van Team Binckhorst. Dat

101 de Architect |S tedenbouw Project

vlotte proces bleek uiteindelijk een stroperig, frustrerend traject van jaren, ervoeren architecten die in het gebied werkten. De visie was abstract, maar de eisen van de verschillende gemeentelijke afdelingen juist extreem precies. Bovendien veranderden de inzichten tussentijds. Daardoor duurde het lang voordat plannen werden goedgekeurd. Omdat veel vrijheid was beloofd werden projecten al in gedetailleerde BIM modellen uitgewerkt, maar ze moesten toch telkens terug naar de tekentafel. ‘Ik had het idee dat de ruimtelijke vraag en het juridische kader te ver uit elkaar lagen’, vertelt Wouter Zaaijer, architect en oprichter bij OZ. Hij werkte aan de Boogiewoogie in het hart van de Binckhorst. Hoewel hij tevreden is met het resultaat, maakte OZ drie ontwerpen voordat de toren van 115 meter aan alle eisen voldeed. ‘We hebben iets van onze idealen moeten loslaten’, vertelt de architect. Het ruimtelijk kader ontbrak aangezien het door de gemeente opgestelde omgevingsplan geen locaties voor de torens aanwees. Bij toeval belandden een aantal torens in clusters bij elkaar. Ook was er geen plan voor de openbare ruimte. ‘Groen, parkeerplaatsen, vuilcontainers – alles moesten ontwerpers op de eigen kavel oplossen’, vertelt Marianne Loof, partner bij Levs architecten. Het bureau ontwierp BinckBlocks, een toren van 130 meter die ‘gelukkig’ met een ‘klassieke tender’ tot stand kwam. Het gebrek aan stedenbouwkundige supervisie, en daardoor het gebrek aan context en sa­

menhang, maakte ontwerpen lastig, constateert Loof. Ze is voormalig voorzitter van de Haagse welstandscommissie en betrokken bij de evaluatie van het proces. In welke context de projecten terechtkomen was voor de architecten onbekend. Sinds 2020 is er een kwaliteitsteam voor de Binckhorst. Daarnaast werkt de gemeente nu alsnog aan een plan voor de programmering en vormgeving van de (tijdelijke) openbare ruimte. Ze bepaalt bijvoorbeeld hoe parken en voetgangersgebieden er rondom de clusters gaan uitzien. ‘Eigenlijk is dat te laat’, vindt Loof. ‘Voor aspecten zoals dubbele bomenrijen is vroeg in het ontwerp ruimte nodig. Je kunt die torens niet een stukje opschuiven.’ Natuurlijk is de Binckhorst ook een industriegebied in transformatie, waar bewoners en autoverkopers nog naast elkaar zitten. Maar alleen ‘levendige plinten’ maken een gebied in dit geval nog geen aangenaam voetgangersgebied.

De BinckBlocks in aanbouw.
Omdat veel vrijheid was beloofd werden projecten al gedetailleerd uitgewerkt, maar ze moesten telkens terug naar de tekentafel
102

Een van de twee Grotiustorens aan het Grotiusplein, ontworpen door MVRDV. Het ontwerp dateert van vóór de Haagse hoogbouwvisie, maar de toppen zijn wel vormgegeven volgens die richtlijnen: met een duidelijke kroon.

Central Innovation District

In het CID (Central Innovation District) waar onder meer de stationsgebieden Centraal Station, Hollands Spoor en Laan van NOI, en de Laakhavens onder vallen, komt de hoogbouw op volledig andere manier tot stand. In combinatie met de stedelijke context geeft de visie Eyeline en Skyline hier wel voldoende kader,

denkt Dick van Gameren, partner bij Mecanoo. Het project The Grace waar hij aan werkt bestaat uit twee torens. Ze zullen bij Het Strijkijzer, aan de andere zijde van het spoor belanden, waar nu onder andere een oud kantoorpand staat. De plint is zoals voorgeschreven open naar de straat. In één gevel komen onder

103 de Architect |S tedenbouw Project

Bouwen in hoge dichtheid kan ook zonder hoogbouw – kijk naar Little-C in Rotterdam. Bovendien is hoogbouw niet de snelste methode

104

meer afleverpunten voor bezorgdiensten, de rest is van glas. De lobby is toegankelijk voor bewoners uit de buurt. Verder vroeg met name de wind om extra richtlijnen. De slanke torens kregen afgeronde hoeken om hoge windsnelheden te voorkomen.

Die slanke torens hebben grote invloed op de plattegronden van de woningen. Er zijn woningen van veertig en zestig vierkante meter, maar twintig procent wordt slechts twintig vierkante meter –met name voor mensen die comfort en uitzicht op de stad willen en weinig koken. Of de huren betaalbaar zijn voor studenten is nog onduidelijk. Remko Slavenburg, stedenbouwkundige bij de gemeente: ‘Dit woonconcept voorziet zeker in een behoefte, maar vier keer The Grace neerzetten is niet de bedoeling.’

Er is nog geen aannemer, maar het project is goedgekeurd door de raad en waarschijnlijk komt het er wel. Veel projecten in het CID zijn echter onzeker of worden afgeblazen. Een 185 meter hoge toren naast het Centraal Station moest na een particpatietraject worden teruggebracht tot 160 meter, waarna de ontwikkelaar het niet meer zag zitten. Slavenburg denkt niet dat de voor ontwikkelaars onaantrekkelijke eis voor slanke torens daaraan bijdraagt. Grotere invloed hebben de toenemende bouwkosten.

Bijgestelde hoogte-ambities

Ook in de Binckhorst krijgen de torens uiteindelijk niet de maximaal toegestane bouwhoogte van 140 meter. Er komen voorlopig één toren van 130 meter en twee van 110. Het gros van de veertien hoogbouwprojecten is rond de zeventig meter of lager. Coördinator van Team Binckhorst Sander Westerhout: ‘Door hoge bouwkosten en wisselende conjuncturen hebben ontwikkelaars er geen vertrouwen meer in. Zeventig meter is haalbaar, daarboven is bouwen duurder door de hogere brandveiligheidseisen.’

Maar er is nog een reden, vermoedt hij. Het denken in de stad over hoogbouw lijkt te veranderen. ‘We stonden er eerst steviger in. Hoewel we in de Binckhorst nog graag vasthouden aan de hoogbouwambities van het omgevingsplan is het behalen van de maximale bouwhoogte geen vereiste.’ Hij wijst op het Rotterdamse project Little C dat is ontworpen door Culd en Inbo. Dat heeft de kijk op verdichtingsprojecten veranderd, ook in de gemeenteraad. Little C illustreert dat bouwen in hoge dichtheid ook zonder hoogbouw kan. Bovendien is hoogbouw niet de snelste methode als je wilt verdichten.

Dat betekent niet dat de gemeente helemaal geen nieuwe torens meer wil. Slavenburg denkt dat er nog ruimte voor is. ‘Torens zijn geen gewone verdichtingsprojecten. Ze zijn ook symbolisch, markeren een plek, drukken macht uit.’ Maar hoogbouw moet geen doel op zich zijn: wie een stad wil die aansluit bij de wandelende en fietsende mens begint op ooghoogte en eindigt bij de skyline. Niet andersom.

De getrapte spitsen van de Grotiustorens (rechts) zijn blikvangers aan de Haagse skyline.
105 de Architect |S tedenbouw Project
Een bonte gevel. De toekomstige bewoners van de Hoge Vrijheid mochten ieder een eigen gevelmateriaal kiezen voor hun woning.
106
107 de Architect |S tedenbouw Project

Wie is Jeroen de Willigen?

Stedenbouwkundige Jeroen de Willigen is partner en creatief directeur bij De Zwarte Hond, ontwerpbureau voor architectuur, stedenbouw en strategie. Hij studeerde aan de TU Delft en de Erasmus Universiteit Rotterdam. Van 2016 tot 2020 was hij stadsbouwmeester in Groningen.

108

‘Een echt goeie plint onder hoogbouw is er nog niet in Rotterdam’

Hoogbouw kan in theorie het straatleven verlevendigen, maar de praktijk wijst vaak anders uit – vooral door onaantrekkelijke plinten, constateert stedenbouwkundige Jeroen de Willigen. ‘De plint lijkt een klein onderdeel van een bouwproject maar hij bepaalt sterk de stadsbeleving. Het is dé plek waar de publieke en private ruimte elkaar ontmoeten.’

Jeroen

de Willigen ontvangt me in het Rotterdamse kantoor van De Zwarte Hond. Sinds 2021 is het bureau gevestigd in het Grotiushuis aan de Westblaak – een van de statige wederopbouwkantoren van de architect Herman Bakker. De kantoorverdiepingen rusten op een stenige plint met een divers winkelaanbod, van een all you can eat-restaurant tot een stoffenwinkel. Het gebouw staat midden in het stadscentrum. Het glazen kantoor van De Willigen kijkt uit op de Zalmhaventoren door Dam & partners. ‘Dit is een voorbeeld van hoogbouw die geen voeling heeft met de context, het is een drama, of op zijn best totaal overbodig.’

Stedenbouwkundige denkers als Jane Jacobs en Jan Gehl verkondigen al decen-

nialang dat we ‘de plint’ niet uit het oog mogen verliezen in het stadsmaken. En niet zonder resultaat, want die gedachte figureert de laatste jaren in vrijwel elke hoogbouwvisie in Nederland. De Willigen: ‘De plint is een allesbepalende plek. Hij mag geen los element zijn maar moet aansluiten op de omliggende bebouwing. Hij moet onderdeel uitmaken van het stedelijk interieur en daarmee de stadsbeleving.’

Wat is de rol van hoogbouw als het gaat om de plint?

‘Hoogbouw is eigenlijk niet heel belangrijk.’

Hoezo? Is het niet de toverformule om het woningtekort op te lossen?

De Willigens gelaatsuitdrukking en

lichaamstaal verraden onmiddellijk zijn antwoord. Hij schudt zijn hoofd van links naar rechts.

‘Driemaal neen! Dat is niet nodig. Met De Zwarte Hond hebben we best wat onderzoek gedaan. We kunnen de woningvraag ook zonder hoogbouw oplossen. In Rotterdam hebben de Hofdame door Klunder Architecten, met tien verdiepingen, en de Montevideotoren door Meccanoo, met 43, precies dezelfde dichtheid.’

Om verwarring te voorkomen: wat versta jij onder hoogbouw?

‘Alles boven de zeventig meter noem ik hoogbouw. Als je in Heerenveen praat over hoogbouw dan is alles boven de twintig meter hoogbouw, maar in onze definitie

109 de Architect | Interieur Interview
Interview met stedenbouwkundige Jeroen de Willigen

is het alles boven de zeventig meter, want dan gelden er andere regels voor brandveiligheid en constructie. Maar daaronder kun je al behoorlijk sterk verdichten. Voor het maken van stedelijke dichtheid is extreme hoogbouw dus niet essentieel en niet altijd wenselijk.’

Hoe is het in Rotterdam gesteld als het gaat om succesvolle plinten onder hoogbouw?

‘Ik zie geslaagde plinten in Rotterdam, zoals de plint onder de Montevideo op de Wilhelminapier. Maar een echt goeie plint die ook onderdeel is van het stedelijke weefsel, is er nog niet. Gelukkig zien ze dat bij de gemeente ook, gezien de laatste hoogbouwvisie, al laten de resultaten nog op zich wachten. We praten er allemaal over, maar het is moeilijk voor elkaar te krijgen.’

Hoe komt dat?

‘Als je veel bouwt op één klein plot – wat bij hoogbouw het geval is – heb je niet veel begane grond. De ruimte die er is gaat op aan allerlei technische voorzieningen die nodig zijn voor het gebouw, naast nog fietsenstallingen en inritten naar parkeergarages. Dan hou je niet veel ruimte over om ook voor de stad een interessante plint te maken.’

Is dat met een goede stedenbouwkundige typologie op te lossen?

‘Jazeker, het is onhandig om losse torens te bouwen, dan krijg je snel last van dat probleem. Als hoogbouw onderdeel is van een bouwblok maak je meer plint en gaat het gebouw zich verhouden tot de stad. Het wordt dan makkelijker om een goed plintprogramma te maken.’

Programmering is belangrijk voor een goed functionerende plint, maar in hoeverre is de architectuur dat ook?

‘Architectuur is een breed begrip. Maar je kan vanuit het vakgebied goed nadenken over welke ruimtes je maakt en hoe die aan de straat liggen om er vervolgens een geschikte invulling aan te geven. Voor een goed ontwerp moet je van tevoren weten wat je met de plint wil. Idealiter bepalen stedenbouw en architectuur samen de toekomstige invulling. Er lijkt bijvoorbeeld een reactie op slechte pinten te ontstaan bij overheden, die plinten van negen meter hoog eisen, maar die zijn heel moeilijk met functies te vullen.

‘Als bureau spreken wij over een raamwerk van “rust, reuring en ruis”, drie manieren van stadsmaken en het mengen van programma’s. Rust is wonen en werken, reuring heeft een publiek karakter en ruis is waar productie en nachthoreca een plek krijgen. Je kan plinten maken die daarop georganiseerd zijn. De juiste mix zorgt dat de levendigheid wordt opgerekt.’

De Willigen refereert naar de ‘oma-programmering’ die De Zwarte Hond introduceerde. ‘Met een ochtend-, middag- en avondprogramma zorg je ervoor dat een plek op elk moment van de dag en week prettig is en sociaal veilig aanvoelt. Dit levert dynamiek op en leidt tot verwachte en onverwachte ontmoetingen. Dat is echte stedelijkheid!’

Het realiseren van dat plintprogramma klinkt complex.

Al aarzelend en zichzelf corrigerend zegt de Willigen: ‘Ja en nee. Het klopt. Maar dat komt omdat we het niet gewend zijn, allerlei regels en condities in Nederland staan goede integrale projecten in de weg. Bij een project in de NDSM-werf in Amsterdam stelde ik voor om in een leegstaande plint een school onder te brengen. Maar dat is binnen de huidige manier van aanbesteden, bouwen en ontwikkelen bijna onmogelijk. Iedereen wil dat de plintprogramma’s slagen, maar niemand weet precies hoe.’

De Deense architect en stedenbouwkundige Jan Gehl ontwikkelde een beoordelingskader voor het maken van ‘levendige plinten’. Hierin let hij onder meer op het aantal functies in de plint, hun openbaarheid en het aantal deuren per vierkante meter.

‘Ten eerste: wie ben ik om Jan Gehl tegen te spreken?’

Hardop denkend vervolgt De Willigen: ‘Een goeie plint heeft veel te maken met de context waarin hij staat. Wat is de identiteit van de straat, de betekenis van de openbare ruimte en wat moet de plint doen? Gek genoeg ligt hier het probleem met veel Nederlandse hoogbouw: die is zelden contextueel. Op een of andere rare manier vinden Nederlandse architecten dat als ze torens bouwen ze alzijdig moeten zijn en met een vierkante plattegrond – dit staat ook vaak in beeldkwaliteitsplannen –, dus dat alles een voorkant moet zijn. Dit

is vervelend, want ze vormen zo geen onderdeel van de stad, die torens onttrekken zich er juist aan. Het zijn nogal arrogante gebouwen.’

De Willigen denkt even na en vervolgt: ‘Het is inderdaad complex om een goede plint te ontwerpen, op een menselijke schaal. Maar als je een goede plint maakt, functioneert het plintprogramma vaak beter en is de plint flexibel te gebruiken.’

Hij staat op en pakt een maquette van een gebouw met een terugspringende toren en een gemengd programma. Het is een werk-, woon- en winkelblok in Rijswijk.

‘Het gaat erom dat je de menselijke maat in acht neemt, de stad op ooghoogte niet uit het oog verliest. Zorg voor een zekere fijnkorreligheid. Wij spreken als bureau over een “hoogfrequente plint”. Zet bijvoorbeeld iedere tien meter een voordeur met een ander adres.’

De hoogfrequente plint is de opgave voor hoogbouwend Nederland?

‘Ja, zeker bij de overheid is nog niet duidelijk welke regels aan plint- en hoogbouwprogramma’s moeten worden gesteld. Er ontbreekt een strategie. Opvallend genoeg wordt Rotterdam genoemd als dé hoogbouwstad van Nederland, maar het is ook de stad waar lange tijd niet goed is nagedacht over regulering. Er werd veel gebouwd maar de gemeente stond niet altijd stil bij de betekenis van hoogbouw op straatniveau.

‘De Nederlandse hoogbouw manifesteert zich soms alsof zij niet bij de stad hoort. De torens missen vaak context, waardoor ze intimiderend worden. Want: hoe hoger je woont, hoe duurder het wordt. Dit creeert een verheven gevoel. Er zit iets psychologisch in de menselijke verhouding tot hoogbouw, en dat beseffen we te weinig.’

‘Ik wilde in een plint een school onderbrengen. Maar onze manier van aanbesteden, bouwen en ontwikkelen maakt dat bijna onmogelijk’
110
• Geen buitendeel • Klein van formaat en flexibele opstellingsmogelijkheden • Directe CO2-, gas- en geldbesparing/Lage initiële kosten • Werkt samen met elke cv-ketel (hybride) en onze hoogwaardige WPV-voorraadvaten (all-electric) • Eenvoudig te installeren en te onderhouden • De Nederlandse warmtepomp voor Nederlandse woningen • Kan ook koelen De nieuwe naam in warmtepompen voor bestaande bouw en nieuwbouw Ontmoet Vincent Scan de QR-code of kijk op ontmoetvincent.nl

Tijdelijk welkom voor studenten en passanten

Hotel Casa in Amsterdam-Oost is al 65 jaar het toonbeeld van de oplossing om woningnood onder studenten aan te pakken door de hoogte op te zoeken. Onder het motto ‘thuiskomen’ nam het Nederlandse interieurbureau i29, in samenwerking met meubelmerk Lensvelt en textielontwerper Mae Engelgeer, de 518 kamers onder handen.

TEKST CHARLOTTE THOMAS | FOTO’S EWOUT HUIBERS EN THOMAS VAN SCHAIK
de Architect | Interieur Project Interieur Hotel Casa, Amsterdam, door i29

Vierstuderende vrienden bedachten in 1957 een oplossing voor het – ook toen al heersende –gebrek aan studentenkamers in Amsterdam: Casa400. Hun missie was simpel: ‘Het tekort aan betaalbare studentenhuisvesting aanpakken door het studentengebouw in de zomer als hotel te gebruiken.’

Deze unieke formule maakte de studentenhuisvesting betaalbaar.

Op een steenworp afstand van het oorspronkelijke gebouw verrees in 2010 het vernieuwde Hotel Casa naar ontwerp van OZ. Gelegen aan de Eerste Ringdijkstraat, net achter de Wibautstraat, steken de ritmische gevels van glas en aluminium uit boven het verdichte stukje stad – met verder een middelhoog gebouw bestaande uit zelfbouwwoningen, sociale woningbouw en appartementsblokken. Met zijn 11 verdiepingen en 35 meter hoogte, vormt Hotel Casa een baken aan de historische Ringdijk.

OZ handhaafde het originele concept. Van de nu 518 kamers zijn er 150 het hele jaar door beschikbaar voor hotelgasten. De overige kamers ondergaan jaarlijks twee keer een kleine volksverhuizing bij het komen en gaan van de studenten.

Bont kleurenpalet

Sinds zijn ontstaan brengt Hotel Casa verschillende functies onder één dak samen. Naast studentenhuisvesting en hotel doet het dienst als conferentieruimte

en restaurant. Een divers programma van eisen dat meegroeit met de veranderende tijden – wat verklaart dat in 2010 een gloednieuw pand werd gebouwd met een strak wit interieur.

In 2019 nam Hotel Casa afscheid van deze klinische aankleding met ‘ziekenhuisentree’. Wit en grijstin ten maakten plaats voor een bont kleurenpalet. De renovatie van zowel het congrescentrum als de eerste verdieping en alle openbare ruimtes in de glazen plint zijn ontworpen door het Amsterdamse interieurbu reau Ninetynine. De ontwerpers transformeerden de begane grond naar een lobby waar iedereen welkom is om te lunchen, te flexwerken of koffie te drinken. Met een mix van stijlen, materialen en vormen vervalt het onderscheid van functies – zoals een bar, restaurant of incheckruimte. De fluïde ruimte oogt modern en speels. Een appelblauwzeegroene stalen trap verbindt – vanuit de vide – de functies van de plint met een bovenlig gend zwevend niveau en de eerste verdieping. Het samengeraapte maar stijlvolle karakter van het interieur is een knipoog naar de historie van Hotel Casa als on derkomen van uiteenlopende groepen gebruikers.

Niet eigen maken

De laatste fase van de broodnodige opknapbeurt vond plaats tijdens de coronapandemie. Een uitdaging die toevertrouwd werd aan i29. De ‘wisselformule’ van hotel- en studentenkamers vroeg om slimme oplos-

114

De kamers staan vol designproducten in een sprekend kleurenschema.

Ze maken het meesleuren van meubilair overbodig

Ninetynine ontwierp een lobby met bar en werkplekken. Het voelt aan als een woonkamer vol kleurrijke meubels.

singen, aangezien de kamers verschillende gebruikers een thuisgevoel moeten bieden. Volgens Jasper Jansen en Jeroen Dellensen, oprichters van i29, was het een gevarieerde maar ook uitdagende opdracht. ‘De ruimte vraagt om een zekere robuustheid als je studenten hebt zitten, maar tegelijkertijd moet ze gastvrijheid en comfort uitstralen voor de hotelgast. De functies moeten kunnen veranderen – wat de opdracht ingewikkeld maakt’, legt Dellensen uit. Wonen in een hotelkamer klinkt enigszins tegenstrijdig omdat je je de ruimte niet eigen kan maken. ‘Het was een zoektocht hoe je de kamer kan personaliseren met wat er voor handen is binnen het programma van de ruimte’, zegt Dellensen. Het resultaat is een kleurrijk en vooral flexibel ontwerp. De gebruiker kan door de verhangbare nachtkast en hoofdbord aan de wandrail (die ook ruimte biedt voor eigen fotolijsten en decoratie) de indeling aanpassen. Het frisse kleurgebruik verwijst naar het motto van Hotel Casa: forever young De materiaalkeuzes, zoals vilt van gerecycled PET en stof, stralen knusheid uit, en fungeren als akoestisch element: ‘De gesprekken met alle partijen gingen vaak over geluidsoverlast, dus we moesten dit aanpakken’, vertelt Jansen. Aangezien het versterken van de wanden geen optie was, moest de volledige ruimte bestaan uit dempende materialen als het hoofdbord, de viltenkast, de vloerbekleding en de vensterbank met kussens.

Klassiek tafellampje

De omvang van het project, met zo’n 518 kamers en een oppervlakte van 17.600 vierkante meter, maakten het mogelijk om unieke interieurproducten te ontwikkelen. I29 greep, samen met het meubelmerk Lensvelt en textielontwerper Mae Engelgeer, terug op de archetypische interieurobjecten van studentenkamers en gaf ze een eigentijds jasje. ‘Normaal krijg je niet de kans om een oplage van ruim 500 stuks te maken, maar daardoor konden we producten maken die de identiteit van Hotel Casa uitdrukken’, vertelt Dellensen enthousiast. De kamers, van standaard tot premium, beschikken over designproducten in een sprekend kleurenschema eigen aan het project. Ze maken het meesleuren van extra meubilair overbodig. Ingenieus is de houten wand met sleuven en verplaatsbare wandplanken over de volle lengte van de kamer. Deze modulariteit vormt de rode draad in het interieur. Onder meer het bed met ingebouwde opberglades –onzichtbaar voor de hotelgast – is praktisch voor de spullen van de inwonende student. Het verhangbare nachtkastje en het losse bureau dat kan dienen als eettafel, etaleren een doordacht ruimtelijk ontwerp binnen strikte budgetten. Het klassieke tafellampje is een heruitgave van een origineel Casa400-ontwerp uit de jaren vijftig en vormt een pop of colour in de ruimte. Mae Engelgeer ontwierp ook de kleurstellingen van de gordijnen. Hier creëerde ze een subtiele vervaging van roze en blauwe kleuren die het strakke exterieur

115 de Architect | Interieur Project

van Hotel Casa een dosis luchtigheid en speelsheid geeft – een niet voor de hand liggend detail maar het werkt sprekend wanneer je Hotel Casa passeert als alle gordijnen dicht zijn.

Deze betaalbare studentenkamers vol design doen ergens het hart van de voormalige eerstejaarsstudent in mij sneller kloppen. Het praktische ontwerp ontlast studenten van veel gesjouw. En ideologisch bekeken hoop ik dat het creatieve verdienmodel van Hotel Casa staande in tijden van prangende woningnood overeind blijft.

Twee aansluitende kamerindelingen met rechts de gemeenschappelijke eet- en keukenruimte

Plattegrond van kamerindeling
116

De stoel, het bureautje en de bureaulamp zijn allemaal unieke ontwerpen voor Hotel Casa, uitgevoerd door meubelfabrikant Lensvelt. De grafische tekeningen zijn van Lesley Moore. Architect Interieur Project

Op de wandplank kunnen fotolijstjes staan, het PET-vilten hoofdbord en hangend nachtkastje van Lensvelt zijn te verschuiven.
117 de
|
Het flexibele nachtkastje kan de bewoner zelf verplaatsen.
118
De kitchenette kan naar eigen wens worden ingedeeld dankzij de verstelbare planken. de Architect | Interieur Project
119
Mae Engelgeer ontwierp de gordijnen en het textiel, Lensvelt boog zich over het flexibele meubilair en Lesley Moore verzorgde de kunstwerken aan de muur. De kast met PET-vilten panelen is kenmerkend voor de hotelkamers. De open kast helpt te voorkomen dat gasten spullen laten hangen bij vertrek. 120 HOTEL CASA, AMSTERDAM-OOST Ontwerp i29, Ouder Amstel Projectarchitecten Jaspar Jansen, Jeroen Dellensen Medewerkers Evelien Kranstauber, Joep Esseling Projectleider Jaspar Jansen Bouwmanagement Lensvelt, Amsterdam. Overige adviseurs Mae Engelgeer (textiel ontwerp); Lesley Moore, Amsterdam (grafisch ontwerp) Interieurbouwer Coors, Ridderkerk Interieurarchitect i29, Ouder-Amstel Losse inrichting en productontwikkeling Lensvelt, Amsterdam Wandsysteem, vast en los meubilair, verlichting i29 (custom ontwerp); Lensvelt (uitvoering en levering) Wand- en plafondafwerking Stukadoorsbedrijf J.P. de Koning, Purmerend Vloer Desso (custom ontwerp tapijttegels) Schilderwerk Kevin de Graaf, Purmerend Elektrische installatie Knook Totaaltechniek, Purmerend Stoffering en vloerbedekking Maasdam Groep, Waddinxveen Bruto vloeroppervlakte 18.690 m2 Netto vloeroppervlakte 17.800 m2 Programma Hotel Ontwerp 2020 Bouw 2020 – 2022

Omdat elk project anders is ...

SOFTLINE 82 NL is een pro elsysteem met ongekende ontwerpvrijheid.Het dikwandige pro el (wandsterkteklasse A) is zelfs geschikt voor triple glas en glasdikten tot 54 mm. Het SOFTLINE 82 NL pro elsysteem is ontwikkeld voor de Nederlandse bouwstijlen, dankzij de drie complementaire en combineerbare uitvoeringen kunnen verschillende gevelbeelden gerealiseerd worden. Complementair en combineerbaar

• klassiek afgeschuind (SOFTLINE 82 NL)

• jarendertigstijl (SOFTLINE 82 NL RETRO)

• modern (SOFTLINE 82 AD)

Nu ook in het unieke ultramatte SPECTRAL-kleursysteem.

www.softline82.nl

Creëren doe je met VEKA
121 de Architect
profielklasse A conform DIN EN 12608 100% kwaliteit: alleen vanVEKA

De publieke ruimte van een woontoren

Dromen van noaberschap

Met de bouw van een toren krijgt een buurt plotseling vele nieuwe bewoners, waardoor bestaande gemeenschappen onomkeerbaar veranderen. Architecten hebben de taak om in het ontwerp ruimte te bieden aan sociale ontmoetingen om de vorming van een nieuwe gemeenschap te bevorderen. Dat streven heeft een lange geschiedenis: tussen utopisme en dystopie.

Publieke ruimte op het dak van de Unité d’Habitation in Marseille. Beeld Bernd Dittrich TEKST AFKE LAARAKKER Architectuur Essay
123 de Architect |

Persoonlijk

heb ik weinig ervaring met het sociale leven in hoogbouw of grootschalige gebouwen. Ik woonde drie maanden in een toren in het Amsterdamse Buitenveldert waar ik mijn buren niet een keer zag. Daar bleef het bij, verder stonden mijn huizen meestal op de grond, tot mijn achttiende zelfs op het platteland waar ik iedereen binnen een straal van drie kilometer mijn buurman of buurvrouw noemde. Toch intrigeert mij het utopische beeld van de flat die functioneert als een verticale wijk. Dat beeld is vooral gebaseerd op de paar nachten die ik sliep in een Airbnb in de eerste Unité d’habitation (of Cité Radieuse) in Marseille. Le Corbusier ontwierp het woningbouwproject in 1952 tijdens de wederopbouw. Het is de eerste van een serie van vijf die in Duitsland en Frankrijk werd gebouw. Het is een gebouw als een enorm schip waarin je lang kunt verblijven zonder de stad om je heen nodig te hebben. De familie waar ik verbleef woonde een paar decennia in een van de prachtige duplexappartementen, nog in originele staat. Ze vertelden dat ze niet de enigen waren die er al zo lang woonden. En zoals hun medebewoners vertoefden zij ook regelmatig op het dak van het gebouw, de fijn vormgegeven publieke ruimte met bankjes, nissen en schaduwdaken. We zaten op het markante dakterras in de Zuid-Franse avondzon met uitzicht op de Middellandse Zee. Er waren meer ruimtes in het gebouw waar ik zo in kon lopen. Tijdens de lunch dronk ik thee in het café bij het hotel midden in het gebouw. En niet alleen de publieke buitenruimte was er aangenaam. ’s Ochtends ontbeet ik op het

smalle, beschutte balkon met de zoon van het gezin. In Cité Radieuse wordt het idealisme voelbaar achter het ontwerp van een flat die functioneert als een wijk, met behalve woningen ook andere functies, openbare en semiopenbare ruimtes en privébuitenruimte.

Verticaal dorp

Althans dat was mijn persoonlijke ervaring op dat moment. Voor sommigen is hetzelfde gebouw echter een schrikbeeld. Toen in de jaren zeventig brutalistische betonnen torens in Londen begonnen te verrijzen schetste de Britse schrijver JG Ballard in zijn roman High-Rise (1975) een dystopisch beeld van het leven in hoogbouw. De Unité d’habitation was als groot, betonnen collectief woongebouw een voorloper van de Londense torens en dus een bron van inspiratie, schrijft Ned Beauman in de introductie van High-Rise in de editie van 2014.

Ballard beschrijft het leven in een nieuwe torenflat van veertig verdiepingen in Londen, die net als de Cité een verticaal dorp vormt. De toren die simpelweg

124

High-Rise heet telt meer dan duizend bewoners. Het is geen homogene gemeenschap, en dat maakt de plek niet aangenamer. Boven huist de elite in penthouses, in het onderste deel de lagere sociale klasse in de schaduw van de hoger gelegen terrassen. Het gebouw heeft een mix van functies, zoals je dat ook vaak ziet bij de hybride gebouwen van tegenwoordig: een supermarkt en zwembad moeten de bewoners het leven veraangenamen. In High-Rise werkt deze stad in een gebouw verlammend: de bewoners komen alleen nog buiten om te werken. In het begin rijden ze dagelijks vanaf de immense parkeerplaats naar hun banen. Later doen ze ook dat steeds minder, in de greep van het leven in de toren.

De toren is een totaal dystopische plek en het loopt er dan ook – na de onheilspellende verdrinking van een hond in het zwembad – genadeloos uit de hand. Waar de ruimte rondom de liften eerst een plek voor sociale ontmoeting is, vinden er later vechtpartijen plaats. De liften bereiken de onderste appartementen bovendien nooit, omdat de elite maar op en neer blijft bewegen

in het bovenste deel van de toren. Eerst gaan ze nog van feestje naar feestje, later verwordt dat tot een doordenderende orgie. Om hun wijnflessen en zakken afval kwijt te raken gooien de rijke bewoners die van de brandtrappen naar beneden. Geen gemeenschap om naar te streven, lijkt me, maar fascinerend is ze wel. In het boek van Ballard lees je hoe de bewoners vanaf het begin vanzelfsprekend vriendschappen sluiten, affaires hebben en vijanden maken. Het gebouw is niet slechts gevuld met functies, maar is dankzij de gemeenschappelijke ruimtes medeplichtig aan de sociale spanningen. Het ontwerp brengt mensen samen én drijft de bestaande segregatie tot een hoogtepunt. Het lijkt daarmee in niets op een andere dystopie, die van de anonieme stadstoren waar niemand elkaar kent en mensen langs elkaar heen leven. Het laat zien – hoe extreem de voorgestelde wereld ook is – dat het schipperen is in hoogbouw. Hoe zorg je dat de mensen die dicht op elkaar gepakt wonen, ruimte hebben om elkaar te ontmoeten, maar geen overlast ondervinden van elkaar? Hoe ontmoetingen kunnen worden gestimuleerd, maar toch min of meer vrijwillig blijven. Hoe de utopische kant van de Unité d’habitation in hoge bouwwerken kan worden gevangen.

Een tuin op de plint Nederland bouwt steeds vaker de hoogte in. Ik ben benieuwd hoe het staat met de publieke ruimte, de ontmoetingsplekken en de sociale interacties van Nederlandse projecten en neem een kijkje bij Het Dok.

Het Dok op de NDSM-werf in Amsterdam. Architect: Pero Puljiz, Erik Vrieling, de Architekten Cie. Beeld Van Wijnen
Om hun wijnflessen en zakken afval kwijt te raken gooien de rijke bewoners die van de brandtrappen naar beneden Architect Architectuur Essay
125 de
|
De Maasbode in Rotterdam. De gangen in het gebouw zijn drie verdiepingen hoog, zo hoog als de woningen die via die gangen zijn ontsloten.
126

In mei verhuisde een vriendin naar een van de drie torens van het gebouw ontworpen door de Architecten Cie. Het staat op de NDSM-werf in Amsterdam, ingeklemd tussen de ontsluitingsweg en een aantal loodsen waar in de toekomst meer woningbouw zal komen. Ze laat me het dakterras van het gebouw zien. Een tuin op de plint, met bomen en planten, een zandbak en knalrode slingerende bankjes. Het uitzicht is er mooi, de voorzieningen goed. Voor kinderen is het er veiliger spelen dan op de parkeerplaatsen of aan de oevers van het IJ. Bovendien stimuleert de plek sociale ontmoetingen: op Facebook wordt opgeroepen tot een buurtborrel. Maar het is er ook onbeschut en de plek grenst aan de voortuinen van de woningen op dezelfde etage. Vanaf de glazen balkons van het torens zie je iedereen zitten – zou je dan wel je eigen balkon verruilen voor de daktuin? Tegelijkertijd is het gebouw erg anoniem. Als een dorp of wijk ervaart mijn vriendin de plek nog niet vertelt ze. Ze kent haar directe buren – ze hielp haar buurvrouw met het demonteren van het raamsysteem waardoor het raam slechts een paar centimeter open kon – maar verder vrijwel niemand. Als je anderen wilt ontmoeten moet je naar ze op zoek, of iemand aanspreken in de korte wachttijd bij de lift. In de toekomst kan dat misschien behalve op de daktuin ook in de plint: het stuk dat niet in beslag wordt genomen door de fietsenstalling is bestemd voor winkels, cafés of sportvoorzieningen. Maar vooralsnog staat de ruimte leeg.

Rondje lopen

Dat contact met je directe buren is de basis voor het wijkgevoel, denkt Jago van Bergen. De architect van Van Bergen Kolpa Architecten werkt aan de toren de Maasbode in Rotterdam: ‘In een stad ken je vaak je buren en je overburen. Misschien daarnaast maximaal een stuk of tien gezinnen in je wijk.’ In de Maasbode worden die ontmoetingen met de directe buren dan ook gestimuleerd. De toren is het winnende project van een architectenselectie voor een gezinstoren door ontwikkelaar BPD. De gemeente Rotterdam zoekt naar oplossingen omdat woningen voor gezinnen schaars zijn en vele daardoor de stad uit trekken. Van Bergen Kolpa vond een antwoord op die vraag met een concept van een toren die bestaat uit opeengestapelde straten. ‘De doodgewone straat met rijtjeshuizen stond model voor de woningen’, vertelt Van Bergen, ‘dat is de maat waarop mensen samenkomen.’ De gangen van de

Overzicht en informeel toezicht zijn belangrijk – maar om je comfortabel te voelen heb je ook intimiteit en enige anonimiteit nodig Architect Architectuur
127 de
|
Essay

Maasbode zijn telkens drie verdiepingen hoog, reiken tot aan de ‘daken’ van de tien woningen die uitkomen op de straten. Door de gangen ook breder te maken zijn ze ruim genoeg voor spelende kinderen of een gemeenschappelijk diner. Ze laten rijkelijk daglicht binnen. Hoewel een stuk korter doen ze denken aan de hoge straten in de Unité d’habitation van Le Corbusier. Behalve in het gebouw bevindt zich ook buiten een ruimte die alle bewoners kunnen gebruiken. Rondom de toren komt een galerij, een buitenom waar bewoners een rondje kunnen lopen. Het moest er komen omdat de interne straten niet brandveilig genoeg zijn als er bijvoorbeeld speelgoed ligt. Van Bergen denkt dat de galerij een mooie avondwandeling kan zijn. De rondgang langs de balkons maakt van de achterkanten van de woningen voorkanten. Helemaal onbeschut zit je er dus niet. En wie werkelijk een rondje struint langs de buitengevel zal zich ook bewust zijn van de blikken van anderen. Hoe het uitpakt moet nog blijken: de bouw is net begonnen.

Intimiteit en anonimiteit

De Maasbode heeft daarmee hoe dan ook een bijzondere, vernieuwende typologie. Hoewel deze ‘doodgewone rijtjeshuizen’ natuurlijk een stuk duurder zijn dan de variant in de buitenwijk en daarmee het sociale aspect van de Cité Radieuse missen, spreekt het idee van een toren verrijkt met variatie in ontmoetingsruimtes bijzonder aan. Ook een daktuin op de plint zoals bij Het Dok kan een mooie toevoeging zijn voor een toren. Daarbij is de benadering van zo’n plek als

een doorsnee stadsparkje niet altijd voldoende. Om overlast te voorkomen is overzicht en informeel toezicht belangrijk, maar om je comfortabel te voelen is intimiteit en enige anonimiteit óók belangrijk. In Nederland is er veel hoogbouw op komst en het zou mooi zijn als deze kwaliteiten, die ook in de publieke ruimte vanzelfsprekend zouden zijn, worden doorgetrokken binnen de architectuur. Om zo de hoogbouwprojecten een zetje te geven in de richting van sociale utopieën.

Zo moet het worden: in de binnenstraten van de Maasbode spelen kinderen en ontmoeten volwassenen elkaar.
128

Forbo Eurocol heeft zijn surface finishing-product LiquidDesign verder verbeterd. Deze stijlvolle, veer krachtige gietvloer, met zijn natuurlijke componenten, is nu nog makkelijker verwerkbaar. De tien populairste basiskleuren bleven en dit aanbod werd uitgebreid met twaalf volledig nieuwe kleuren. Dankzij een fijnere kurkstructuur is de gietmassa nu nog soepeler, dus extra gemak voor de verwerker.

Download de volledige productspecificaties op: www.eurocol.nl/liquiddesign

Anders dan bijvoorbeeld een PU- of epoxyvloer heeft LiquidDesign een warme, stijlvolle uitstraling en veerkrachtige, geluiddempende eigenschappen. Ideaal dus voor toepassing in bijvoorbeeld scholen, zorgcentra en bedrijfsrestaurants. Vanwege zijn hoogwaardige look & feel tref je LiquidDesign ook steeds vaker aan in moderne woninginterieurs, luxe winkels, stijlvolle kantoor ruimten en trendy studio’s. Met het nieuwe, gevarieerde aanbod is er voor elke stijl en interieur een fraaie kleur. en verbeterd www.eurocol.nl

129
liquiddesign vernieuwd
nog makkelijker verwerkbaar, nieuw kleurenpalet Forbo Eurocol Nederland B.V. • Industrieweg 1-2 • 1520 AC Wormerveer T +31 (0)75 627 16 00 • info.eurocol@forbo.com •

Spektakel aan de Zuidas

De Zuidas in Amsterdam is een icoon rijker: Valley, ontworpen door MVRDV. Het luxe kantoor- en appartementencomplex ziet eruit als een rotsformatie, geboetseerd uit onregelmatig gevormde terrassen en hangende tuinen. Het groenplan voor dit berglandschap is van Piet Oudolf. De conceptuele helderheid van de MVRDV-benadering pakt goed uit in de berg, maar minder in de publieke plint van het complex.

de Architect chitectuur Project Kantoor- Valley, Amsterdam-Zuidas, door MVRDV
|Ar
en appartementengebouw
TEKST HANS TEERDS | FOTO’S OSSIP VAN DUIVENBODE

Pure ‘architectenporno’, schreef architectuurcriticus Mark Minkjan in februari 2016 op de website Failed Architecture over de rendering die MVRDV naar buiten had gebracht bij de aankondiging van het Zuidas-project Valley. De rendering toonde het luxe kantoor- en appartementengebouw in een vogelvluchtperspectief, waarbij het lentelicht zacht langs de grote en onregelmatig gevormde terrassen stroomde. Porno, niet alleen omdat het plaatje duidelijk de kijker wilde verleiden – zoals alle architectuurrenderings –, maar ook omdat het beeld nooit werkelijkheid kon worden: niemand zal ooit dat specifieke perspectief innemen, en wanneer komt dat zachte zonlicht nu werkelijk voor?

Ervaring met groen

Maar meer nog: op dit plaatje is elk balkon een groene oase, waarbij planten, bomen en struiken weldadig over de balkonrand groeien. Greenwashing, concludeerde Minkjan: zo groen kon het nooit worden. Het antwoord van MVRDV liet niet lang op zich wachten. Op het internetblog ArchDaily schreven Jan Knikker en Alex Davidson dat renderings nu eenmaal noodzakelijk zijn, en dat juist MVRDV, met onder andere het baanbrekende ontwerp voor het Nederlands Paviljoen van de Expo in Hannover (2000), veel ervaring had met groen in en op gebouwen.

Het gaat er hier niet om of Minkjan of juist de MVRDV medewerkers gelijk hebben gekregen – de kritiek heeft immers altijd gelijk: de werkelijkheid is altijd anders

dan het presentatiebeeld. Tegelijkertijd hebben we het hier wel over MVRDV, het bureau dat conceptuele consistentie als visitekaartje heeft. Voor Valley werkte het bureau samen met Piet Oudolf, die een gevarieerd groenplan maakte, en ontwikkelaar Edge, die het luxe gebouw als prestigeproject omarmde. Onlangs namen bewoners en kantoorhuurders hun intrek in het iconische gebouwcomplex. Het eerste groen op de terrassen is zichtbaar vanaf de straat, maar het zal nog wel even duren voordat we weten of het de presentatietekeningen zal evenaren.

Rotsig berglandschap

De grote uitdaging voor het gebouw ligt in de eenduidige conceptuele benadering van MVRDV. Het concept van het gebouw is eenvoudig te omschrijven. Binnen de door de stedenbouwkundig bepaalde bouwenvelop is tussen de drie voorgeschreven torens (100, 80, en 67 meter hoog) een rotsig berglandschap gemaakt: een ‘canyon’ van royale, soms overhangende openbare én publieke terrassen, gematerialiseerd in scherp gedetailleerde lichtbruine natuursteen. De publieke terrassen zijn met elkaar verbonden via een openbare route over de eerste vijf verdiepingen van de plint heen.

Het woongebouw ontleent zijn naam aan de publiek toegankelijke ‘vallei’.
132
133 de Architect | Architectuur Project Via de ‘grot’ binnen in de plint bereiken de bewoners de lift naar hun woning.

Alle terrassen in deze canyon, ook de private, hebben grote en diepe bloembakken en boomvakken. Waar dit berglandschap de gebouwenvelop raakt is de massa afgesneden, wat letterlijk is vertaald door het gebruik van een andere gevelafwerking. Op de eerste renderings stond nog transparant glas, dat de doorsnede van het complex zichtbaar zou maken. In latere renderings maakte de transparantie plaats voor een spiegelende glasgevel. In werkelijkheid is het een harde, donkere, spiegelende glasgevel geworden, gedetailleerd als een voorzetwand, die in uitwerking doet denken aan kantoorgebouwen uit begin jaren negentig.

Door gracht omgeven

De stedenbouwkundige setting van het gebouw is complex. De locatie ligt ingeklemd tussen de Beethovenstraat, ringweg A10 en de nieuwe sportvelden van voetbalclub AFC. Voor deze moeilijke locatie op de Zuidas kreeg MVRDV de opdracht een multifunctioneel gebouw te maken dat aansluit bij de zakelijke kant van de Zuidas en tevens het beginpunt vormt van de wijk Ravel, dat het gebied rond station Rai verbindt met het hart van de Zuidas. De publieke ruimte moest zoveel mogelijk doordringen in het gebouw.

De aansluiting met deze nieuwe wijk schuurt. De sportvelden van AFC dragen niet bij aan de kwaliteit en continuïteit van de openbare ruimte. Het was een mooi idee om deze velden voor de Zuidas te behouden, maar doordat ze door een grote gracht omgeven zijn, dragen ze niet bepaald bij aan de levendigheid van het publieke domein. Dat is ook nadelig voor Valley, aangezien het complex daardoor slechts aan een kant grenst aan een publiek toegankelijke straat en stoep. Deze situatie is MVRDV natuurlijk niet aan te rekenen, behalve dat het gebouw nu wel een duidelijke vooren achtergevel heeft gekregen. De voorzijde ligt aan de Beethovenlaan, achter is de AFC-zijde. Aan deze achterkant staan de twee hoektorens in de rooilijn – die daardoor scherp is afgebakend en van boven tot onder zijn bekleed met het spiegelende glas. Het complex doet daardoor vanaf de sportvelden hard en afstandelijk aan, in tegenstelling tot de voorzijde, waar de canyon op twee plekken het maaiveld raakt, en de hoeken minder hard zijn.

Loggia’s in de glasgevel

MVRDV heeft alles uit de kast gehaald om het gebouw inderdaad groen én publiek toegankelijk te maken. De plint biedt een mix aan programma: naast de toegangen tot de appartementen en een private fietsenstalling, is hij ook de entree naar de drielaagse ondergrondse parkeergarage, een openbare fietsenstalling, vier restaurants, een chique meubelshowroom, en een skybar boven in de hoogste toren en het Sapiens Lab,

MVRDV heeft alles uit de kast gehaald om het gebouw groen én publiek toegankelijk te maken
134

een tentoonstellingsruimte annex broedplaats van de Vrije Universiteit Amsterdam en Naturalis in Leiden, gericht op de klimaatverandering. Daarbovenop staan zeven verdiepingen kantoorvloer, en ten slotte tweehonderd appartementen.

De speelsheid van de canyon draagt bij aan het comfort van de aangelegen appartementen en kantoor vertrekken. Het berglandschap maakte het mogelijk om royale terrassen en hangende tuinen te maken,

voor optimale bezonning en uitzicht rondom, en daarbij geluidsoverlast tegen te gaan. De woningen die wat aan de randen van het gebouw liggen, moeten het doen met loggia’s in de glasgevel op het zuidoosten. De bewoners kunnen hun appartement zowel rechtstreeks vanaf de straat en parkeergarage bereiken, maar ook gebruikmaken van het centrale atrium op de eerste verdieping. Daarin liggen enkele winkels, de entrees voor de kantoorruimte, en de collectieve

De binnengevel wordt bepaald door een reeks stenen terrassen met grote plantenbakken. Architectuur Project
135 de Architect |
De plantenbakken op de terrassen geven het gebouw een groene uitstraling en een menselijke maat.
136

voorzieningen en ook de gym en het zwembad. De vormtaal van deze ruimte en de materialisering maken duidelijk dat het atrium behoort tot de canyon. Het is dan ook gedacht als deel van de publieke ruimte, die diep doordringt in het gebouw.

Het spel waarbij elke beslissing conceptueel wordt benaderd beheerst MVRDV tot in de puntjes. Ben je buiten de canyon, dan is dat meteen duidelijk te zien aan het materiaalgebruik. De toegang tot de parkeergarage is functioneel vormgegeven en bekleed met een witte natuursteen. De vestibules van de appartementen kregen juist een donkere natuursteen, marmer en zwart geschilderd hout, als ware het een hotellobby, passend bij de grootstedelijke luxe die het gebouw de bewoners te bieden heeft.

Gevarieerde aankleding

Ondanks de ambitie om de plint zo publiek mogelijk te maken, keert de conceptuele rechtlijnigheid van het ontwerp zich hier echter tegen de toegankelijkheid. Al volgt het gebouw op een mooie manier de Beethovenstraat, en zorgt het er mede voor dat deze verkeersader transformeert in een stadsstraat, de gevel zelf is hard en gesloten. Zonder enige onderbreking landt de glasgevel op de straat: zonder luifel, met slechts een subtiele verandering van detaillering, maar zonder setbacks of andere manieren om de publieke functies te articuleren of een entree vorm te geven. De grens tussen gebouw en maaiveld, publieke ruimte en private functies, tussen object en stad vraagt om meer nuance en ambiguïteit dan de ontwerpers zich hebben veroorloofd. De hardheid wordt gelukkig doorbroken door de restaurants, die tafels buitenzetten en de stoep een gevarieerde aankleding geven. Ook de twee openbare trappen van de publieke route over de canyon doorbreken de donkere glasgevel, en met de warme kleur van de steen, de scherpe en zorgvuldige detaillering en het groen dat hier tot aan straatniveau reikt, nodigen ze uit om de canyon te beklimmen.

Deze route biedt beschutte plekken en twee waterpartijen (tegelijk de skylights van het atrium), en ook uitzichten over de velden van AFC en de Beethovenstraat.

Een mooie toevoeging aan de stad, die zeker zal werken als collectieve buitenruimte voor de kantoormedewerkers en bewoners – al is het nog afwachten hoe het groen zich ontwikkelt.

Maar hoe lang zal deze route ook echt publiek toegankelijk blijven? Blikjes bier en energydrank in de bloembakken verraden publiek gebruik in de weekenden.

Kan deze strak ontworpen ruimte in zo’n prestigieus gebouw de publieke toe-eigening en het publieke leven aan?

De grens tussen gebouw en maaiveld, publieke ruimte en private functies, tussen object en stad vraagt om meer nuance en ambiguïteit
Architectuur Project
137 de Architect |
Doordat de woonvolumes op de multifunctionele plint zijn geplaatst en tot aan de uiterste rand van de bouwenvelop zijn geduwd, lijkt het alsof ze samen één geheel vormen.
138
139 de Architect | Architectuur Project De spiegelende, strakke buitengevel doet tevens dienst als geluidsscherm.
140

Woningen Kantoren Openbare ruimte

Terrastorens

Terrasplint

Terrassen

Woningen Kantoren toegankelijke ‘vallei’ ruimtes

Cultureel programma

Parkeerplaatsen ruimte

Conceptschets van de torens die naar de randen van de bouwenvelop zijn gedrukt Geluidswerende gevel Openbaar toegankelijke
141 de Architect | Architectuur Project
‘vallei’
De grot Programma
Openbaar
Commerciële
Fietsenstalling Technische
Begane grond Eerste verdieping Vierde verdieping Vijfde verdieping Vijftiende
verdieping

Detail plantenbak Stalen daartussen Plantaarde

Filterstof Drainagedoek Waterdichte laag Thermische isolatie Gewapendbetonnen vloerplaat Irrigatiesysteem Glazen balustrade

7. Natuurstenen vloer

Terrassokkels Waterdichte laag Thermische isolatie met helling Gewapendbetonnen vloerplaat

KANTOOR- EN APPARTEMENTENGEBOUW VALLEY, AMSTERDAM-ZUIDAS

Opdrachtgever EDGE Technologies, Amsterdam

Ontwerpbureau MVRDV, Rotterdam

Projectarchitecten Winy Maas, Jeroen Zuidgeest, Gideon Maasland, Gijs Rikken

Programma mixed-use, kantoren, woningen, cultuur, bar-restaurant

Bouwtechnische uitwerking Inbo Architects, Amsterdam

Adviseur installaties Deerns, Den Haag

Adviseur bouwfysica DGMR, Arnhem

Landschapsarchitect Deltavormgroep, Utrecht; Piet Oudolf, Hummelo

Wellness Heyligers Architects

Investeerder RJB Group of Companies, Amsterdam

Bouwkostendeskundige BBN adviseurs, Rotterdam

Constructeur Van Rossum Raadgevende Ingenieurs, Rotterdam

Parametrisch gevelontwerp ARUP, Amsterdam

Bruto vloeroppervlakte 75.000 m2

Netto vloeroppervlakte 44.000 m2

Bruto inhoud 300.000 m3

Ontwerp 2016

143
Bouw 2017 – 2021
1. Natuursteen 2. Substructuur 3.
T-profiel met
cempanel 4.
5.
6.
6 7 3 4 5 1 1 23

Sponsored

Project: Mepal Lochem

Ontwerp: Buro van Linden

Fotografie: Studio Hans Morren

QbiQ levert voltransparante glazen systeemwanden die voldoen aan de strenge nieuwe eisen voor brand- en rookwerendheid. Dat betekent bouwen zonder belemmeringen maar ook zonder concessies te hoeven doen aan esthetische uitgangspunten.

QbiQ Wall Systems uit Alphen aan den Rijn staat bekend vanwege de ranke en transparante wandoplossingen, dankzij de basis van minimalistische profielen met een aanzicht van 33 millimeter. Architecten werken graag met de esthetische maatwerkoplossingen, die ook nog duurzaam zijn. De wandsystemen zijn Cradle to Cradle Silver gecertificeerd met behoud van akoestisch hoogstaande kwaliteit. Dat komt door de inzet van de juiste materialen en ook omdat ze verplaatsbaar zijn en daarmee steeds opnieuw in en aan te passen.

Ook op het gebied van brand- en rookwerendheid zijn de oplossingen van QbiQ helemaal up-to-date. Want, zo stelt Marianne van der Sande Brand Manager bij QbiQ, bij brand is rook veelal een grotere bedreiging dan de brand zelf. ‘Dat is de reden van aangescherpte eisen in het huidige bouwbesluit. Rook belemmert het zicht en is de oorzaak van desoriëntatie. Bij inademing zorgt het voor benauwdheid, paniek en weten mensen vaak niet meer hoe ze zich het beste in veiligheid kunnen brengen. Om die reden gelden sinds kort in utiliteitsgebouwen aangescherpte eisen voor wanden, plafonds en materialen in gangen en op vluchtroutes.

VOLTRANSPARANTE WANDEN QBIQ WALL SYSTEMS VOLDOEN AAN NIEUWE EISEN ROOKWERENDHEID
‘Bij brand is rook vaak bedreigender dan de brand zelf’
144
content

Bestand tegen ’warme’ en ‘koude’ rook

Van der Sande vindt het belangrijk dat architecten op de hoogte zijn, niet alleen van de nieuwe regels maar ook van de mogelijkheden van QbiQ. ‘De iQ Protect Smoke systeemwanden Sa en S200 zijn voltransparant en werken met dezelfde esthetische uitgangspunten als de andere wandsystemen. Het verschil is dat ze gecertificeerd zijn en gegarandeerd lucht- en rookdicht worden geleverd.’ Ook enkele en dubbele kaderdeuren in glas zijn inmiddels gecertificeerd.

De iQ Protect Smoke-wanden hebben net als de andere wanden van QbiQ rondom een profiel van slechts 33 millimeter in aanzicht. Door het toepassen van een akoestische folie tussen het glas, is het bovendien mogelijk om geluidsisolatiewaarden flink te verhogen. Daar waar extra hoge glaswanden gewenst zijn, zorgt dikker glas voor extra stabiliteit en sterkte van de rookwerende glaswand.

De zogenoemde Sa-glaswanden zijn geschikt om te plaatsen in ruimtes waar een Ra-classificatie vereist is. Dit zijn ‘niet-slaapgebouwen’ zoals bijvoorbeeld kantoren. Hier gaat men uit van rook met de temperatuur van de omgeving, ofwel ‘koude rook’.

iQ Protect Smoke S200-glaswanden zijn geschikt voor gebouwen waarin geslapen wordt zoals ziekenhuizen, hotels en kinderdagverblijven. Hierbij gaat het Bbl uit van rookwerendheid bij een temperatuur van 200 graden Celsius, ofwel ‘warme rook’.

Nog veiliger én net zo mooi

Van der Sande gaat graag met architecten in gesprek, over de nieuwe en aangescherpte regels maar ook over de mogelijkheden van QbiQ. ‘Wij zijn er helemaal klaar voor en lichten architecten graag in over de veranderde regels. Zo hebben wij onlangs een animatievideo gelanceerd die de regels en de context toelicht.’ Nog belangrijker vindt zij het dat architecten weten dat het ook binnen de veranderde situatie mogelijk blijft om met dezelfde esthetische uitgangspunten te werken. ‘Architecten die ons kennen, weten het inmiddels: wij zijn meer dan een systeemwandenleverancier,’ legt Marianne van der Sande uit. ‘We denken mee en ontwikkelen projectspecifieke oplossingen. De keuze voor de wanden komt daarmee niet pas later aan de orde, maar kan wat ons betreft heel goed onderdeel zijn van het ontwerpproces. Dat geldt zeker ook voor de nieuwe rookwerende systemen.’

Dit artikel is gesponsord door QbiQ Wall Systems.

Brand- én rookwerend

Een absolute noviteit, recent getest en gepresenteerd door QbiQ, is de S200 rookwerende volledig glazen iQ Protect Smoke. Het is de eerste systeemwand die aantoonbaar Sa en S200 rookwerend is, getest en gecertificeerd door een geaccrediteerd testinstituut. De innovatie voldoet aan de aangescherpte regelgeving voor rookwerendheid in het Bouwbesluit. Naar verwachting gaat 1 januari 2023 de nieuwe Omgevingswet in, waarbij de aangescherpte regelgeving op het gebied van rookwerendheid uit het Bouwbesluit wordt overgenomen in het Besluit bouwwerken Leefomgeving (BbL).

www.qbiq.nl/products/iq-protect/iq-protect-smoke/

QbiQ Wall Systems

QbiQ is de specialist voor systeem wanden en glasoplossingen. Het op maat maken van profielen en panelen, het poedercoaten ervan, maar ook het snijden en zagen van gelamineerd, brand- of rookwerend glas: het gebeurt allemaal in huis, in het productiebedrijf in Alphen aan den Rijn. Na bewerking zijn de materialen verwerkt tot ranke transparante of gesloten wand- en deuroplossingen.

Brand Manager Marianne van der Sande: ‘QbiQ wil bovendien nadrukkelijk een strategische partner zijn in het bouwtraject en verplaatst zich al vanaf het begin in de wens van de architect én die van de opdrachtgever.’ Het lukt QbiQ om co-creatief en projectspecifiek te werken in een markt waar ‘metalstud de mores is’. En zo wist QbiQ in nog geen zestien jaar tijd uit te groeien van een verfrissend bedrijfsidee tot een internationaal opererende onderneming met meer dan honderd werknemers.

145

Sierlijk en slim: Little C in Rotterdam

Het project Little C valt bij velen in de smaak. Logisch, het ziet er prachtig uit. Wat je niet ziet, is dat het ook een heel slim project is. Uniek en standaard tegelijk. Andreas Ververis van systeemhuis Reynaers Aluminium legt uit hoe dat in elkaar zit.

Ooit was het een plek in Rotterdam waar je maar beter niet kon komen, een desolaat stuk niemandsland met een parkeergarage en een tippelzone. Nu staan aan de Coolhaven vijftien woon- en werktorens, samen Little C, met een kosmopolitische, rauwe en tegelijk aaibare uitstraling. Pleintjes, veel groen en de menselijke maat bepalen het beeld. Niet voor niets won het project al diverse prijzen en is het genomineerd voor nog meer.

Het woon- en werkwijkje heeft een New York-achtige uitstraling. Rode bakstenen en veel zwart staal bepalen het beeld – met name in loopbruggen en hekwerken – maar zijn wel op een sierlijke manier ingepast. Ook de gevels hebben een staal-look, namelijk in de ramen en deuren van aluminium. En ook hier weer toegankelijk en vriendelijk. De architecten wilden Little C laten aansluiten bij de stijl van de Rotterdamse wijk Delfshaven, zoals het gebouw De Machinist, aan de overkant van het water. Een luxe en tegelijkertijd robuuste uitstraling.

Standaard

Typisch voor die stijl is de roedeverdeling in de ramen. Ook Little C heeft die, met wienersprossen, zodat het uiteindelijke ontwerp in het budget paste én de thermische resultaten goed zouden zijn. De architecten wilden zwarte roedes met een slank profiel. Een andere eis was een droog beglazingssysteem: zonder kit, want dat vergt veel onderhoud.

Het was een kolfje naar de hand van Reynaers Aluminium, dat via Hermeta Gevelbouw bij het project betrokken raakte. ‘Ons raam- en deursysteem SlimLine 38 Classic bleek uiteindelijk het antwoord te zijn op wat de architecten graag wilden’, vertelt Andreas Ververis, Key Accountmanager bij Reynaers Aluminium. ‘Door dat standaard systeem op een aantal punten aan te passen met nieuwe projectprofielen, wisten we dat het qua basis goed zat – wind-, water- en luchtdicht bijvoorbeeld – terwijl we toch een uniek product konden leveren.’ Opnieuw het wiel uitvinden is dus niet nodig, wil hij maar zeggen. ‘Dat kost veel tijd en geld. Je kunt beter gebruikmaken van wat er al is – en bewezen werkt – en dat op details aanpassen naar je smaak.’

Verbinding

De bouw viel midden in de coronacrisis, met allerlei personeelstekorten en oponthoud van dien. ‘Het was a hell of a job, ook omdat de bouwtijd kort was.’ Dus hier werd gekozen voor slimme oplossingen. ‘In plaats van het glas op locatie in de kozijnen te plaatsen werd alles voorbeglaasd, inclusief buitenroedes. Alleen de binnenroedes werden op locatie geplaatst.’ Zo kon elk montageteam wel tot dertig kozijnen per dag installeren. ‘Het betekende wel een enorme productiesnelheid, want een kozijn produceren duurt langer dan de montage ervan.’ Inmiddels is Little C naar tevredenheid in gebruik door bedrijven, woningeigenaren en huurders. Ververis kijkt met trots en genoegen terug. ‘Het project is een goed voorbeeld van slim bouwen: gebruik maken van kennis in de markt en die goed toepassen. We hebben in verbinding met elkaar iets moois achtergelaten in de stad.”

Dit artikel is gesponsord door Reynaers Aluminium.

Sponsored
146
content
Product Laura van Santen ‘Door te experimenteren creëer ik steeds nieuwe producten’ Het entreegebied van het Schoenenkwartier in Waalwijk – museum, kenniscentrum en ‘maaklab’ – ademt rust. De natuurtinten, de balie van kalkhennep, de plafonds van kunstvilt uit gerecyclede PET-flessen en de houten deurelementen geven het gebouw een sobere uitstraling. Prettig tegenwicht: de keramische tegelwand van Laura van Santen. TEKST CHARLOTTE THOMAS | FOTO’S MARIJE KUIPER 147 Keramische tegelwand in het Schoenenkwartier, Waalwijk

HetSchoenenkwartier is behalve museum ook een proeftuin voor nieuwe technieken, met een studiecentrum, een laboratorium en ontwerp- en maaklabs. Ook in de architectuur en het interieurontwerp door Civic Architects is geëxperimenteerd met technieken en materialen. Dit soort werkomgevingen met werkplaatsen vormt een rode draad in de onderzoekspraktijk van het bureau. ‘Het zijn plekken tussen je eigen atelier en de grote maakindustrie waar veel te leren valt’, vertelt Laura van Santen, mede-eigenaar van bureau la-di-da en tevens docent interieurarchitectuur aan de Haagse Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Tijdens Van Santens studie aan de faculteit bouwkunde op de TU Delft groeide haar interesse voor materiaalstudies. ‘Vanuit het proces van het maken begrijpen we hoe de rol van de ontwerper zich verhoudt tot het materiaal.’ De experimenteermogelijkheden van keramiek spreken Van Santen aan. ‘Door te spelen met temperaturen en de kleisamenstelling creëer je

steeds nieuwe producten. Het proces wordt het product.’

Tegels van afvalglazuur

Laura van Santen werkte al eerder samen met Civic Architects, bij de transformatie en renovatie van de LocHal in Tilburg. Van Santen ontwierp – samen met Inside Outside van Petra Blaisse – in het TextielLab Tilburg 4000 vierkante meter stof voor de LocHal.

De keramische muur in de entree bestaat uit zogeheten ‘triategels’ die Van Santen ontwierp met het Bossche maakbedrijf Cor Unum – en mogelijk gemaakt door het Europees Keramisch Werk Centrum en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. De stichting Cor Unum is een lokaal maakbedrijf in ’s-Hertogenbosch dat zich bezighoudt met keramiek. Triategels zijn driedimensionale driehoekstegels gemaakt van afval van glazuur en klei uit de werkplaats. ‘Het was een spannende opgave’, vertelt Van Santen. ‘Het was voor Cor Unum de eerste keer dat ze op zo’n schaal produceerden. Vaak maken ze servies, schalen

en potten, maar nooit iets van dit formaat.’ De opgave bleek zo groot dat de keramiekwerkplaats niet genoeg afvalglazuur had. Andere ateliers sprongen bij en doneerden afvalglazuur om te verwerken tot nieuwe klei. Van Santen: ‘Het werd zo een testcase om te kijken of je op de schaal van architectuur duurzame keramische tegels kan produceren.’

Complexe mozaïeken De wand combineert ambacht met innovatie en verduurzaming door het hergebruik van afval en de 3D-geprinte driehoeksvormige mallen. De keuze voor de driehoek lag voor de hand: ‘Deze vorm paste mooi in de geometrie van het monumentale Kropholler-complex waar het Schoenenkwartier deel van uitmaakt. De driehoek refereert aan experimenten met de drie glazuurbestanddelen water, zand en klei, en vormt de basis voor complexe mozaïeken.’ Afhankelijk van het hergebruikte materiaal en de hand van de maker variëren de tegels in relief – ongeglazuurd, geglazuurd, gedecoreerd – en in kleur.

‘Het hoeft niet perfect te zijn. Dat maakt het spannend. De tegelzetter drukt zijn eigen stempel op het motief.’ Op de tegelwand zijn verschillende patronen te ontwaren. De compositie heeft een gelijkmatig verloop van groot naar klein met hele en halve tegels om de hoeken en ronde wanden strak te betegelen.

Van Santen is blij met de ruimte die ze kreeg om te experimenteren met duurzame materialen. ‘Alleen door aandacht en toewijding van architecten en opdrachtgevers wordt het gebruik van biobased materialen de norm in de sector.’

1. 148

1. De tegelwand van Laura van Santen in het entreegebied van het Schoenenkwartier.

2. Presentatie van de tegels in het atelier van het Bossche maakbedrijf Cor Unum.

3. Detail van de driehoekstegels.

4. Er ontstaan verschillende patronen op de tegelwand. De compositie vertoont een gelijkmatig verloop van groot naar klein.

‘Het hoeft niet perfect te zijn. Dat maakt het spannend. De tegelzetter drukt zijn eigen stempel op het motief’
2. 3. 4.
149

Architectuurtaal Schuurpaleizen

De schuurpaleizen bestaan uit een representatief voorhuis met direct daaraan vastgeplakt een utilitaire schuur. Het contrast tussen beide is groot.
150 Pronkjuwelen in Oost-Groningen

Architectuur die verwondert –omdat ze meerdere boodschappen uitdraagt, een dubbele laag heeft, of schijnbare tegenstellingen verenigt –, die zal beklijven. Dat is ook een vorm van duurzaamheid, immers duurzaamheid schuilt niet alleen in technische oplossingen, maar tevens in de verschijningsvorm van gebouwen. Dit soort gebouwen nodigt uit tot nadere beschouwing omdat ze zichzelf langzamer prijsgeven, zoals de Schuurpaleizen in Oost-Groningen.

TEKST JOB FLORIS | FOTO’S JEROEN MUSCH
151

Tenoosten van Groningen brengt het land vlakke, uitgestrekte velden. De verre leegten doen je de stad vergeten. Dit landschap maakt lange lijnen van rationeel geordende akkers. De oneindigheid die hierdoor ontstaat, verleent dit land van zand, klei en graan een zekere monumen taliteit. Oost-Groningen, de voormalige graanschuur van Nederland, resoneert met de uitgestrektheid van Oekraïense graanvelden, de graanschuur van Europa.

Af en toe wordt deze oneindigheid verlevendigd door een dorpje, zoals Bellingwolde. En Meeden, dat precies op de overgang tussen de noordelijke kleigronden en de zuidelijke zandgronden ligt. Juist hier, in deze dorpjes ontvouwt zich een surrealisti sche wereld. Die wordt niet zozeer veroorzaakt door de rust en regelmaat van het landschap, maar vooral door de bebouwing

Olifantenlijf

In Meeden rijgt de Hereweg de bebouwing als een snoer aaneen – bestaande uit gematigde en modeste huizen, van oorsprong bewoond door zandboeren. Daartussen staan meerdere grote, rijk gedetailleerde panden, oorspronkelijk van kleiboeren. Dergelijke tegenstellingen bestaan wel in meer plaatsen in het land, vaak ontstaan door de samenstelling van de ondergrond. Maar in deze dorpjes gebeurt wat ongewoons.

Als ware het een cadavre exquis, staat direct achter deze herenhuizen steeds een enorme schuur. Niet op afstand, maar versmolten met het voorhuis. Het contrast tussen het representatieve voorhuis en de utilitaire schuur is groot, alsof achter een verfijnd, elegant masker een olifantenlijf schuilgaat. Alleen is hier geen enkele moeite gedaan om de schuur uit zicht te houden – begrijpelijk en opmerkelijk tegelijk. Want natuurlijk brachten deze graanschuren ooit

voorspoed, en maakten het mogelijk om opgepoetste koppen te maken. Om zo goed mogelijk voor de dag te komen werd een breed spectrum aan architectonische quotes, vrijheden en verbasteringen ingebracht. Sommige bijzonder houterig en onbeholpen, andere vindingrijk en elegant. Zoals een midden-risaliet dat verwordt tot tempel. Droog op een verder leeg gazon geplaatst, doet het ergens denken aan een Palladiaanse villa. Althans van de voorzijde. Of een exotisch Russisch paleis – maar dan midden in de polder, in Bellingwolde.

Roerige verhalen

Dergelijke beelden blijven jaren hangen, om er veel later achter te komen dat in dit ogenschijnlijk rustige landschap roerige verhalen liggen opgeslagen.

Zoals de geboorte van het socialisme en verregaande landbouwhervormingen die hier hun oorsprong vinden. Deze geschiedenis is treffend beschreven door Frank Westerman in De graanrepubliek. Dat is dan wel achteraf.

Deze statige panden zijn al oud, en de graanschuren erachter ook. Ze stammen uit tijden van grote ongelijkheid en gigantische rijkdom. Het classicistisch vocabulaire diende hier om macht en rijkdom uit te stralen. De droge en nuchtere schuren erachter lijken deze intenties geheel te ondergraven, gelukkig.

De voorhuizen doen denken aan Palladiaanse villa’s.
152

Rijp voor de psycholoog

Tijdens een fotografiesessie van een van onze gebouwen sprak ik met onze fotograaf over de beeldcompositie, het afsnijden van visuele ruis en de kleur van de kleding van die ene bezoeker, passend bij het gebouw. We constateerden dat de media tegenwoordig vragen om zorgvuldig gecureerde beelden, en architecten zitten doorgaans kort op de ontwikkelingen in het medialandschap. Maar een week later kreeg ik het gevoel dat we juist hopeloos achter lopen.

Onze huidige focus op beeld – waarschijnlijk door de aanname ‘de mooiste plaatjes maken de beste architect’ – sluit aan bij de maatschappelijke ontwikkelingen rond mediaconsumptie, gevoed door het gebruik van zaken als smartphones, socials en liveblogs. Dat merkien we indirect ook in de architectuur: de ontwikkelingen in de media beïnvloeden waar ons vak heen gaat, of het nu hyperglossy spektakelarchitectuur is met bomen erop of semiartistiek minimalisme met pastelkleurtjes. Onze ogen worden goed bediend. En nu de architectenscene ook op de podcasttrein springt komt daar het ‘oor’ binnenkort misschien wel bij.

Welk volgend medium zal een grote invloed op ons vak hebben? Sommige dwazen beantwoorden dat dat ‘de metaverse’ is, maar iedereen weet dat we het in de virtuele wereld gaan verliezen van de gamedesigners en andere vrije geesten. De meesten van ons wachten voorlopig op een tegenreactie, een herwaardering van het ‘echte’.

Toch sluiten die twee concepten – het multimediale en het echte – elkaar niet uit. Ik was laatst in een ‘echte’ omgeving die overeenkomsten heeft met plekken als de metaverse. Die een sterke immersive experience biedt, waar een multisensory aanpak van imagineering wordt gebruikt vanaf het moment dat je binnenkomt. Van slimme oriëntatietechnieken en zichtsequenties tot het inzetten van geluid en geur in interieurs.

Het was de Efteling, een geraffineerd ontworpen ruimte die precies tegemoetkomt aan de ervaringsbehoeften van de gebruikers. Nu hebben architecten ooit met elkaar afgesproken dat we walgen van dit soort plekken, maar ik durf het toch aan, omdat het verruimen van de ervaringswereld van bezoekers steeds meer aandacht krijgt, óók op highbrow cultuurplekken.

Laten we ons professioneel opstellen en voorbij de vormgevingsdetails van de Efteling kijken naar de ontwerpaanpak. Die vertrekt vanuit een duidelijke gebruiksintentie. Form follows function, maar dan vanuit ervaringsbehoefte. Die hoeft natuurlijk niet per se romantisch of nostalgisch te zijn, maar kan ook gaan over rust, opgewektheid, het sublieme, of je simpelweg op je gemak voelen. Als architecten weten we veel te weinig over de daadwerkelijke ervaringseffecten van onze acties, terwijl we juist omgevingen ontwerpen waar mensen dagelijks indrukken opdoen.

We zouden toch op zijn minst de basics moeten kennen van de omgevings- en gedragspsychologie om überhaupt toestemming te krijgen om onszelf architect te noemen. En hopelijk leidt dat meestal niet tot de architectuur uit mijn voorbeeld. Maar laten we wel wezen: het is niet verboden om in het dagelijks leven ook plekken te maken waar mensen een beetje vrolijk van worden.

TEKST GERT KWEKKEBOOM
Om zo goed mogelijk voor de dag te komen werden talrijke architectonische quotes, vrijheden en verbasteringen ingebracht
Column
153

Experimentele UFO-woningen

De vijftig iconische bolwoningen in de Bossche wijk Maaspoort worden vaak vergeleken met ruimteschepen of kabouterwoningen. De experimentele en energiezuinige woningen uit 1984 waren tiny houses avant la lettre. Ze zijn niet ontworpen door een architect, maar door de kunstenaar annex industrieel ontwerper Dries Kreijkamp.

Deuit Limburg afkomstige Dries Kreijkamp volgde onder meer de Academie Beeldende Kunsten Maastricht en de School voor Industriële Vormgeving in Eindhoven. Hij werd beeldhouwer, industrieel ontwerper en academiedocent. In 1964 maakte Kreijkamp bij de Glasfabriek Leerdam kristallen bollen en raakte geïntrigeerd door de bolvorm. Een jaar later ontwierp hij in Denemarken een conceptuele bolwoning van hout en aluminium.

Na een periode op Curaçao werkte Kreijkamp zijn woonideeën verder uit. Hij bedacht drijvende bolwoningen en

maakte in Vlijmen een prototype van hout, bespannen met plastic. Zijn boodschap was: ‘We leven op een bol, we zijn geboren uit een bol, waarom niet wonen in een bol?’

Behoeden voor aantasting

Rond 1980 wist Kreijkamp het Gemeentelijk Woning

Bedrijf ’s-Hertogenbosch te overtuigen van de voordelen van de bolwoning, zoals energiezuinigheid. Het project van vijftig HAT-woningen (Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens) in het uitbreidingsplan Maaspoort kon als laatste gebruikmaken van de subsidie-

TEKST ARJAN DEN BOER Luchtfoto van de wijk Maaspoort in 1990. Foto’s Shutterstock
Nieuw erfgoed Dries Kreijkamp (1937-2014) 154 Bolwoningen in Den Bosch

Op een cilindervormige voet van prefabbeton werden twee halve bollen van (P)GVC gehesen, die met behulp van houten mallen geproduceerd waren in een tijdelijke werkplaats in de buurt. De bolwanden hadden een sandwichconstructie, gevuld met steenwol. Voordat de bovenste bolhelft op de onderste werd geplaatst, werden eerst de binnenwanden en tussenvloer aangebracht.

Laag als een scheepskajuit

De bollen hebben een doorsnede van 5,50 meter en een vloeroppervlakte van 55 vierkante meter. Het interieur is een ingenieus samenspel van deels verspringende vloeren, wanden, platforms en een trap. Die laatste loopt als een spil vanuit de voet naar boven. Toilet en douche zijn in het midden geplaatst. De slaapkamer beneden is laag als een scheepskajuit. De woonkamer bestrijkt de hele bovenhelft van de bol, maar er zijn twee verhogingen in de vloer voor het trappenhuis en de onderliggende natte cel. De kleine open keuken is afgescheiden met een muurtje. Alle ruimte wordt benut. Zo zijn er bergruimtes onder de trap en het bed en inbouwkasten in onbruikbare hoeken.

De woningen hebben een laag energieverbruik. Van alle driedimensionale vormen heeft een bol het kleinste buitenoppervlak, waardoor zo’n woning minder snel afkoelt dan een rechthoekig huis. De ronde tuimelramen, speciaal ontwikkeld met waterdichte sluiting, zijn het grootst aan de zonzijde om te profiteren van natuurlijke warmte. Kreijkamp bewoonde zelf een van de bollen. Rond zijn

sterfjaar 2014 werden er schuurtjes bij de woningen geplaatst en werden de badkamers vergroot ten koste van ingebouwde kastruimte. Nadat de Bossche bollen in beeld waren geweest tijdens het Eurovisie Songfestival van 2021, kwamen ze opnieuw onder de aandacht. De gemeenteraad vroeg om een architectuur- en bouwhistorisch onderzoek. B en W besloten vervolgens de woningen op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten – voor woningcorporatie BrabantWonen wellicht een aansporing om meer onderhoud te plegen.

Al in 1984 besprak Joop Niesten de Bolwoningen in de Architect. Scan de QR-code en lees terug.
155 regeling voor experimenteel bouwen van het ministerie van Volkshuisvesting. Hiervoor deden het Bouwcentrum en TNO eerst onderzoek naar de haalbaarheid. Omdat bolconstructies met traditionele bouwmaterialen duurder zouden uitvallen dan traditionele woningen, kwam Kreijkamp samen met bouwkundige Peter Mes uit bij een nieuw materiaal: (P)GVC oftewel (polymeren) glasvezelversterkt cement’. De toevoeging van polymeren was bedoeld om de glasvezels te behoeden voor aantasting door het cement.

De achterdeur Museum Arnhem

Onderweg over de Utrechtseweg naar het pas verbouwde Museum Arnhem, genieten we van het zicht op de Rijn die in de groene diepte traag voorbij stroomt. Via een smal pad naar beneden, lopen we zo ongeveer tegen de nieuwbouw van het museum aan, de bouwhekken staan er nog. Weer omhoog, de Utrechtseweg op, treffen we meteen de achterdeur die we zochten.

Levendig verdomhoekje

De bijna onzichtbare, weggewerkte deur biedt toegang aan de expeditie. Ook bevindt zich hier een dienstingang, een ‘gewone’ deur die in het oude gebouw zit.

En een losstaand fietsenhok. Het hok staat propvol fietsen, vijf konden er niet meer bij en staan ervoor. Naast het fietsenhok is in hetzelfde gebouwtje nog een ruimte voor vuilcontainers – de deur staat wagenwijd open.

Door de dienstingang komt iemand naar buiten, een kok van het restaurant. Hij

steekt een sigaret op. We raken aan de praat over het overvolle fietsenhok: ‘Tsja, alles is hier te klein, ook mijn keuken!’ En aan rokers is al helemaal niet gedacht: ‘Dit is het verdomhoekje!’ Ons waren de vele peuken op de vloer ook al opgevallen. De kok probeert zijn sigaret af te tippen in de overvolle asbak die verdekt bij het fietsenhok staat. Iemand van de beveiliging is ook naar buiten gekomen om een sigaret te roken. Hij vraagt of we ons hebben aangemeld –dat hebben we niet. Hij raadt dringend aan ons bij de afdeling communicatie te melden. Als hij weer naar binnen gaat, blijkt er naast de dienstingang, verstopt achter een metalen plaatje, nog een asbak te staan, waar de beveiliger zijn peuk in uitdrukt.

Prachtige oude eikenboom

Een postbode levert enkele pakketjes af bij de dienstingang. Vrijwel meteen daarna komt een medewerkster van de afdeling communicatie naar buiten. We proberen uit

te leggen wat we komen doen. Het klinkt opeens een beetje raar, maar de communi catiemedewerkster begrijpt het verrassend goed: ‘Oh ja, heel conceptueel...’ Er komt nog iemand naar buiten, met een lunchpakketje, die verderop gaat zitten eten. Het is eigenlijk een aangenaam rustig, bijna sereen plekje: in de verte blaft een hond en de hele tijd horen we een merel in de prachtige oude eikenboom de sterren van de hemel zingen.

Voor een beter overzicht lopen we de straat weer op. Vanaf de stoep aan de overkant zien we een ouder stel naar de dienstingang lopen, vermoedelijk met het idee dat dit de hoofdingang is. De man loopt naar binnen, de vrouw blijft aarzelend staan. Als hij even later weer verschijnt, wijst zij hem de hoofdingang aan, iets verderop.

TEKST PIETER HOEXUM | FOTO CHRISTIAN VAN DER KOOY
156
Ongeziene architectuur

Daglicht komt Van Boven

157
® Daglicht maakt mensen gelukkiger en productiever. En het bespaart energie! Wij zijn gespecialiseerd in daglichtproducten voor bedrijfspanden en woonhuizen. Dat doen we al ruim 70 jaar. Daglicht komt Van Boven® Ga voor meer informatie naar van-boven.com of bel +31 183 633 477 Lichtkoepels Golfplaten Damwandplaten Vlakke platen Lichtstraten Lichtwanden Als abonnee heb je onbeperkt toegang tot dearchitect.nl online Blader door het archief met 500 de Architect magazines Luister naar inspirerende podcasts Bekijk de uitgebreide projectendatabase met ruim 6.000 projecten Nog geen abonnee of vragen over inloggen? Neem contact op met onze klantenservice via klantenservice@vmnmedia.nl of bel 088 5840 888 Lees het laatste nieuws, exclusieve longreads en prikkelende columns Log in via www.dearchitect.nl/inloggen

Sponsored

Klimaatadaptieve open bestrating als basis voor toekomstige groene stadswijk in Almere

Op de Floriade Expo 2022, die op dit moment in Almere wordt tentoongesteld, is nu al de basis gelegd voor de nieuwe, groene woonwijk Hortus, waar circa 660 woningen gebouwd zullen worden. De bestrating van de openbare ruimte met het groen maakt onderdeel uit van het Floriade Expo-thema Growing Green Cities. Na de expo blijft de bestrating intact voor de nieuwe woonwijk. Hiervoor werkten de landschapsarchitecten en architecten van Bureau ZUS samen met fabrikant MBI De Steenmeesters aan een concept voor een klimaatadaptief bestratingssysteem. Dit systeem vangt regenwater op en laat het groen groeien tussen de straattegels.

De groeiende urgentie van klimaatadaptie is sterk verweven in het ontwerp van de bestrating van het terrein. De Hortus is dan ook een voorbeeld van hoe een wijk van de toekomst eruitziet als het over klimaatadaptatie gaat. Bureau ZUS en MBI De Steenmeesters kregen volop ruimte om klimaatadaptieve maatregelen in hun plan mee te nemen. Belangrijk uitgangspunt voor het ontwerp is dat de bestrating bepalend is voor het karakteristieke straatbeeld van de Expo Floriade. De bestrating is ook bestand tegen de duizenden bezoekers die de expo ontvangt. Gemeente Almere heeft als wens dat Hortus als Wijk van de Toekomst een zo duurzaam en groen mogelijke open bestrating krijgt, die regenwater opvangt. Bureau ZUS uit Rotterdam en MBI De Steenmeesters bundelden hun kennis en kracht om aan al deze sferen te kunnen voldoen.

Klimaatadaptief

Joan Almekinders, architect bij bureau ZUS, legt uit hoe een visuele vertaalslag naar een klimaatadaptief ontwerp is gemaakt, dat naast technisch goed uitvoerbaar ook sterk, duurzaam en circulair is. De straten en wandelpaden van de expo maken onderdeel uit van een uniforme verharding die in een systematisch grid over het terrein is aangelegd. Deze bestrating blijft liggen voor de toekomstige woonwijk. Overal heeft de straat hetzelfde profiel met een breedte van zes meter. ‘Maar, niet overal is verharding nodig van zes meter’, legt Almekinders uit. ‘Op sommige plekken is de verharding van de straat maar anderhalve meter breed en maken de overige meters ruimte voor het groen, dat het regenwater direct opvangt.’ De systematische opbouw van de goten met een efficiënt wateropvangsysteem over het hele terrein zorgt ervoor dat regenwater gecontroleerd wordt afgevoerd naar het Weerwater, dat aan de rand van het expogebied ligt.

NIEUWE WOONWIJK HORTUS OP DE PLEK VAN DE EXPO FLORIADE 2022
158
content

Arboretum

Voor de wandelpaden langs de expokavels is een holle bestrating toegepast, geen gebruikelijke bolle bestrating, om te voorkomen dat het regenwater naar zijkant van de straat stroomt. ‘Een complicerende factor was dat we in het grid van al die wegen rekening moesten houden met de vele bomen in het gebied’, vertelt Almekinders. Direct aan de straten ligt een vier meter breed arboretum met een brede verzameling aan bomen en planten. Binnen het tegelraster is ruimte voor de bestaande bomen gecreëerd door het systeem om de bomen heen te bouwen. Hiermee zijn alle bomen behouden, een belangrijk gegeven voor de groene wijk Hortus. ‘Een ingewikkelde puzzel, die de weelderigheid van de bomen en de planten volledig tot zijn recht laat komen.’

Groen straatbeeld

Voor het authentieke groene straatbeeld, dat richting de berm steeds groener wordt, ontwikkelde MBI betonnen frames met een verschillend raster om hierin de diverse typen tegels te kunnen plaatsen. De betonnen frames dienen als ondervloer, gemaakt van openstructuurbeton, ze zijn waterdoorlatend en liggen onder het maaiveld.

Het frame houdt de tegels op hun plek en voorkomt dat de straat bij hevige regenbuien met piekbelasting in een modderpoel verandert. Dit maakt het systeem extra stevig voor zware belasting van verkeer, ook langs de groenranden. Aan de buitenste stroken liggen betonnen frames waarin betontegels van 50x50 cm van 12 cm dik worden geplaatst. Het systeem is als volgt opgebouwd (zie onderstaande illustratie): vanaf de randen van de volledige bestrating liggen tegels van 20x20 cm, 30x30 cm en 40x40 cm naast elkaar. Deze tegels liggen in een frame. Om veel ruimte voor groen met weinig beton te creëren is tussen de tegels in het raster substraat aangebracht om gras te laten groeien. Het regenwater kan hier makkelijk langs zakken. Aan weerszijden van de goot liggen frames waarin grotere boulevardtegels van 100x100 cm van 12 cm dik zijn toegepast met ruimte voor groen en wateropvang.

Flexibiliteit

Inclusiviteit

Almekinders legt verder uit dat het klimaatadaptieve bestratingssysteem bij een flinke regenbui het overtollige regenwater opvangt via een goot in het midden van het straatprofiel. Deze goot voert het regenwater af naar het oppervlaktewater, dat langs de rand van de Hortus ligt. De flauwe hellingen in het gebied (circa 2%) zijn ingezet om de waterafvoer met elkaar te verbinden, zodat een efficiënte afwatering in het grid ontstaat. ‘De molgoot is tevens een zwarte contrastlijn, die je door het hele gebied leidt. Deze holte van de goot is voelbaar en hiermee ook direct een gidslijn voor blinden en slechtzienden.’ Voor de gemeente Almere is inclusiviteit een belangrijk uitgangspunt voor de openbare ruimte. Mensen met een beperking moeten zelfstandig en makkelijk door het gebied kunnen bewegen.

Hergebruikt beton

Menno Olthof, Manager Adviesteam van MBI, vertelt dat het bestratingssysteem 40.000 m2 tegels telt. ‘Dat klinkt als veel, toch merk je de bestrating nauwelijks op als je over de expo loopt. Je ervaart vooral veel groen en water’, zegt hij. MBI ontwikkelde voor dit systeem de tegel voor de goot en drie soorten tegels met een verschillende afmeting. De massieve tegels lijken vrij standaard, maar leveren verschillende prestaties. ‘Ze moeten in elk geval bestand zijn tegen de vele bezoekers van de Floriade. Ook moeten ze het auto- en vrachtverkeer aankunnen, want er rijdt regelmatig een vuilniswagen overheen’, legt Olthof uit. MBI produceert deze betonnen tegels voor een groot deel met teruggewonnen betonnen sloopafval. Ze voegen een derde aan alternatieve hulpstoffen toe aan het beton, om zo min mogelijk cement te gebruiken voor het productieproces.

Olthof: ‘De flexibiliteit van dit systeem is een groot voordeel. De tegels liggen los van elkaar, je ziet ze nauwelijks en ze kunnen bewegen en zetten. De ruimte tussen de tegels biedt voldoende bodem om gras en planten te laten groeien, die het regenwater opvangen en doorlaten. Het is ons gelukt om het esthetische beeld van de architect om te zetten naar een produceerbaar product.’ Almekinders van Bureau ZUS besluit: ‘De rijkheid van de beplanting wordt versterkt door systematische en rustige bestratingslijnen. Het grid van 50x50 cm met de diverse varianten van zichtbaarheid past perfect en kan ook op een vanzelfsprekende wijze om de bomen geleid worden. Dat is de kracht van het hele ontwerp!’

Dit artikel is gesponsord door MBI.

159

Interieur

service

Het Sluishuis, Amsterdam

Mooi, zorgvuldig, knap – en behoorlijk dwingend

Op de kop van IJburg is het Sluishuis verrezen. Het markante gebouw – ontworpen door Bjarke Ingels Group en Barcode – is onmiskenbaar een sculptuur, maar is het ook een comfortabel woongebouw? Een strijd tussen esthetiek en functionaliteit.

Abonnementen

Abonneren op de Architect? Ga dan naar dearchitect.nl/abonneren

Abonnees van de Architect hebben onbeperkt toegang tot alle artikelen, de projectendatabase en het archief op dearchitect.nl

Log in via dearchitect.nl/inloggen

Bij vragen: neem contact op met onze klantenservice.

Klantenservice klantenservice@vmnmedia.nl 088 58 40 888

VMN media Utrechtseweg 44

Advertentie-exploitatie

Accountmanager Jesse Weideman 06 22 02 37 24 jesseweideman@vmnmedia.nl

Voor informatie over onze leveringsvoorwaarden: ga naar vmnmedia.nl.

Alle rechten voorbehouden. Vanwege de aard van de uitgave, gaat VMN media uit van een zakelijke overeenkomst; deze overeenkomst valt onder het algemene verbintenissenrecht. Alle auteursrechten en databankrechten ten aanzien van de inhoud van deze uitgave worden uitdrukkelijk voorbehouden.

Interview met Zef Hemel

‘De Randstad is episch, daarbuiten staan we met onze mond vol tanden’

Of het nu is in Amsterdam, de IJsselmeerpolders of Groningen, Zef Hemel is op zoek naar een nieuwe ruimtelijke planning. Het liefst doet hij dit wandelend. Als kersverse hoogleraar aan de Abe Bonnemaleerstoel (Universiteit van Groningen en de TU Delft) wil hij iets moois ontwikkelen.

7 vragen aan Chantal Vos

‘Zonder interieur is een gebouw levenloos’

Als nieuwe associate partner bij Kraaijvanger Architects wil Chantal Vos verandering brengen in het ontwerpproces. ‘Nu komt het interieur vaak pas aan het einde van het proces aan bod – dan zijn de belangrijkste beslissingen al genomen.’

Lees alles over Hemels Wonen, scan de code of ga naar dearchitect.nl/hemelswonen

Copyright

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.

© VMN media 2022

Publicatievoorwaarden

Op iedere inzending van een bijdrage of informatie zijn de standaard publicatievoorwaarden van VMN media van toepassing. Deze zijn te vinden op vmnmedia.nl.

Disclaimer

Alle in deze uitgave opgenomen informatie is met de grootste zorgvuldigheid samengesteld. De juistheid en volledigheid kunnen echter niet worden gegarandeerd.

VMN media en de bij deze uitgave betrokken redactie en medewerkers aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade die het directe of indirecte gevolg is van het gebruik van de opgenomen informatie.

ISSN 1385-4542

Stedenbouw
Architectuur
3704 HD Zeist
160 Lees verder online

Zien.

Consequent gedacht van deur tot kamer. Volkomenheid in materiaal, vorm en opper vlakken. Meer dan alleen functioneel. Een designconcept dat we ook in het geheel

Voelen.

Gira Esprit, Gira System 106, Gira tastsensor 4 in edelstaal. In andere varianten te verkrijgen. partner.gira.nl

Gira / Systeemdesign

BREEAM Outstanding Vanderlande Gebouw 60, Veghel

Opvallende witte, aluminium lamellen geven de gevel van Gebouw 60 karakter. Het kantoor maakt deel uit van de Campus van Vanderlande, een bedrijf gespecialiseerd in transportsystemen voor luchthavenlogistiek. De kenmerkende gevel levert een belangrijke bijdrage aan de BREEAM Outstanding-classificatie van het gebouw. Voor de gevel die voor bijna 100 procent uit glas bestaat, is al in de ontwerpfase door architectenbureau LA|Architecten, gevelbouwer Thermo Konstrukties en systeemleverancier Reynaers Aluminium, nagedacht over de aansluiting van de lamellen en luifels op de constructie van vliesgevelsysteem ConceptWall 50. Zo bleef de thermische schil intact. #togetherforbetter

Together for better www.reynaers.nl
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.