ANS-krant 11 (J37)

Page 1

Het Laatste Oordeel ‘Er werd meer besproken dan alleen motortheorie tijdens de extra privélessen op het Lentstrandje.’

Interview

Column ‘Een taalvoorbeeld als ‘‘burgerrups’’ tekent de wereldvreemdheid van studenten.’

5 3 2

Opinie ‘De Radboud Universiteit moet zich sterker inzetten voor het behoud van kleine studies.’

VALKHOF OVER DE GRENS

Pagina 7: Directeur Hedwig Saam moest het Valkhof museum uit het slop trekken. Nu ondergaat het museum een ingrijpende verbouwing en krijgt het een nieuwe identiteit: ‘We willen de grenzen van tijd overstijgen.’

Meeloopreportage

Pagina 4: Wildplukken met yuppen. Waarom doen mensen aan wildplukken en hoeveel belangstelling kan het fenomeen verdragen?

Pagina 3: ‘Ik beweeg me op een schaal van fuck yeah tot what the fuck.’

Email redactie@ans-online.nl Adres Heyendaalseweg 141 6525AJ Nijmegen Tel. 06-45176456
Algemeen
Studentenblad ans.online ANS_online
Editie 11 - 26 april 2023
Nijmeegs
Over de Kook

Een ode aan de ANS’ers

Ons redactiejaar komt tot een einde en dat betekent dat dit het laatste commentaar van onze handen is. Inmiddels is het vaste prik dat we in ons commentaar tegen alles en iedereen aanschoppen. De universiteit, Robbert Dijkgraaf, Student Life en onze haters: ze moesten het allemaal ontgelden. En terecht ook, studenten worden behandeld als het afvoerputje van de samenleving. Dat allemaal terwijl de oude witte mannen in machtsposities van boven toekijken en ons nog net niet op het hoofd tuffen. Welke mediaorganisatie zal zich dan uitspreken voor de student? God weet dat Vox het in ieder geval niet is.

Toch is al die negativiteit niet representatief voor het afgelopen jaar. We hebben ook veel hoogtepunten genoten. Zo hebben onze artikelen echte veranderingen teweeggebracht. De RU heeft bijvoorbeeld haar privacyregels bij de Refter veranderd naar aanleiding van ons artikel daarover. Échte verandering dus, eat that USR. Daarnaast bleek uit de haatberichten die we dit jaar ontvingen eens te meer hoe serieus we worden genomen. En dat ondanks het vele gelach en de Taylor Swift-discussies op het vieze ANS-kantoor. Als er al geen jaren van ons leven af zijn gegaan vanwege alle Reftermaaltijden die we achter de kiezen hebben, dan is het wel vanwege de grote hoeveelheid kalk in de waterkoker of de schimmellucht van alle volle theekopjes die al een aantal weken staan te broeien in de afwas-winkelwagen. Wij ANS’ers doorstaan het allemaal, opdat we het nieuws mogen blijven brengen op deze grauwe campus. We zijn dus een bijzonder gezelschap van amateurs, waarvan sommigen met regelmaat dt-fouten maken en een enkeling het verschil tussen een lange ij en korte ei niet kent, desalniettemin ziet de meer ervaren en betaalde redactie van universiteitsblad Vox ons als volwaardige concurrentie. We hopen dat deze uitgesproken erkenning en waardering in de toekomst kan worden omgezet in daden en ANS een bronvermelding krijgt wanneer ze dat overduidelijk verdient. Ondanks dat Vox zichzelf bestempeld als onafhankelijk magazine van de universiteit, whatever the fuck that means, toont het zich hiermee vooralsnog een typisch universiteitsorgaan met mooie woorden, maar weinig daden. Over de universiteit gesproken: bedankt voor het gebrek aan daadkracht en het opfokken van een hele hoop zaken. Daardoor hebben wij vaak boeiende en rake artikelen kunnen schrijven. Tot slot willen we ook alle medewerkers van ANS oprecht bedanken voor jullie bijdragen bij het maken van de artikelen en de enorm gezellige sfeer op het kantoor. Bedankt voor alle toewijding die jullie hebben getoond door tot in de late uurtjes te strijden om artikelen af te maken. En in het bijzonder een bedankje aan de medewerker met zo’n groot ANShart dat hij vrijwillig tot het laatste moment op de deadlineavond wilde meehelpen en daardoor genoodzaakt was om te overnachten op het kantoor. Het was ons een waar genoegen.

De hoofdredactie

HET LAATSTE OORDEEL

Duffe opsommingen of ultiem entertainment?

ANS verschanst zich in de collegebanken om een genadeloos oordeel te vellen over het onderwijs aan de RU.

STUDIE : Master Rechten

COLLEGE : Relatievermogensrecht II, Woensdag 22 maart 13:30-15:15

DOCENT : mr. L.A.G.M. van der Geld

UITSTRALING : Overtuigd en ontspannen

PUBLIEK : Divers en gedisciplineerd

Om stipt half twee zijn de rechtenstudenten in het knusse, goedgevulde zaaltje in het Grotiusgebouw druk aan het kletsen. De docent van het college Relatievermogensrecht II is namelijk nergens te bekennen. Een paar minuten na de geplande starttijd komt meester Lucienne van der Geld rustig binnenwandelen. Ze legt haar wetboek en iPad op de spreekstoel neer en begint gedecideerd aan het college. Van der Geld is, zoals een jurist betaamt, ingetogen gekleed in een wijde zwarte jurk, met enkele zilveren sieraden en haar donkerbruine haren netjes opgestoken. Ze introduceert een casus over het samenwoningsrecht: personen ‘A’ en ‘B’ hebben besloten hun relatie te beëindigen, maar hebben onenigheid over de bekostiging van een verbouwing. Geldzaken dus. Hilarisch.

De juridische stof is niet spetterend en het college voltrekt zich volgens de standaardprocedure: de docent vertelt en de studenten luisteren. Er is weinig sprake van interactie en dit bevordert het spanningsgehalte niet. Van der Geld gebruikt geen powerpoint, wat het enerzijds moeilij-

ans.online

Hoofdredactie

Redactie

Medewerkers Britt Duijzer, Floriaan Gruisen en Stijn Lintsen

Illustraties Ande Cremers, Jonas Hoekstra en Vera Joosten

Foto’s Nienke Cremers, Vera Joosten en Michelle Tang

Columnist Gerald Wood

Eindredactie Richard van den Berg, Jochem Bodewes, Delphine Broasca, Floriaan Gruisen, Naomi Habashy, Noëlle Habraken, Maan Heijthuijsen, Stijn Lintsen, Thijs Meeuwisse, Isis Okker, Simone Vlug en Gijs Wortelboer

ker maakt om de kernpunten van het college mee te krijgen, maar wat er anderzijds voor zorgt dat de studenten goed moeten opletten. Deze tactiek werpt haar vruchten af. Op een moment lijkt het college aangevallen te worden door een kolossale zwerm bijen. Het blijkt echter het driftige getik van een vijftigtal studenten te zijn, die op hun ratelende laptops de uitleg van een wetsartikel meeschrijven.

Bij tijd en wijle wordt het college erg technisch, met een hoop wetsartikelen en juridisch jargon. Een enkele student begint daarom langzaam zijn concentratie te verliezen. Hier en daar licht er een telefoon op, wrijft er iemand in zijn ogen of wordt er aandachtig aan nagels gepulkt. Bij het aansnijden van een nieuwe casus over de geldzaken van een gescheiden koppel lijkt Van der Geld dit aandachtsverlies zelf aan te voelen en toont ze haar gevoel voor ironie: ‘Dat Rechtbank Gelderland heel woest besloot de verlenging van de verjaringstermijn op het scheidingsrecht ook op ongehuwden toe te passen was echt spectaculair.’

Van der Geld probeert zo met behulp van humor het college sprankelender te maken. Met succes, blijkt uit de laatst behandelde casus. Wederom spelen A en B de hoofdrol in het verhaal, dat plaatsvindt in het naburige Lent. De casus begint met B, die motorrijlessen ging volgen bij T. ‘Die lessen gingen alleen steeds langer duren’, vertelt de meester. ‘Er werd meer besproken dan alleen motortheorie tijdens de extra privélessen op het Lentstrandje. Daar kom ik dus nooit meer, want ik ben bang om B en T in actie te zien.’ Het komische voorbeeld wordt beloond met gegniffel vanuit het publiek. Van der Geld weet zo het droge samenlevingscontract op een speelse en luchtige wijze te illustreren aan haar studenten.

Het Laatste Oordeel der Studenten

‘Enthousiasmerende vrouw’, ‘vlot en gepassioneerd’, ‘vrolijk’: zo typeren de studenten Van der Geld. De levendige anekdotes en beschouwingen slaan duidelijk aan bij de aanstormend juristen. Een student zegt deze cursus behapbaar te vinden dankzij de docent: ‘Dit is niet mijn voornaamste interesse, maar door haar passie en haar verwijzingen naar de praktijk is het toch een boeiend vak.’ Desondanks kan Van der Geld niet voorkomen dat haar publiek af en toe indommelt. ‘Dat komt voornamelijk door de moeilijkheid van de stof’, zegt een student desgevraagd. De meeste studenten zijn het echter met elkaar eens dat de geestige verhalen van Van der Geld de colleges opleuken. Het oordeel van de rechtenstudenten luidt daarom een dikke acht. ANS

Lay-out Philip Schröder

Logodesign voorpagina Noah Kleijne

Dagelijks bestuur Khalid Abouzia (voorzitter), Yunus Sahin (penningmeester) en Sem Wilbers (secretaris)

Druk Flevodruk Harlingen BV

Uitgave, abonnementen en advertentie-acquisitie

Stichting MultiMedia: stichtingmultimedia@gmail.com

Redactieadres

Heyendaalseweg

141, 6525 AJ Nijmegen

Mail: redactie@ans-online.nl

Tel. 06-45 176 456

2 COMMENTAAR
tekst Floriaan Gruisen illustratie Ande Cremers 37e jaargang
Sophia van Engelshoven en Philip Schröder
Vera Joosten, Tom Steenblok, Michelle Tang, Ellen Theuws en Claire Vaessen

OVER DE KOOK

Dit is de rubriek voor echte fijnproevers. ANS bedenkt iedere editie een bepaald thema en een budget voor een gerecht. Het is aan de student om de uitdaging aan te gaan en een hoogstaand staaltje kookkunst te laten zien. Staat de student nog aan het begin van zijn bachelor of is hij al een masterchef? Deze keer: Refter Mystery Box.

In een knusse slaapkamer op Hoogeveldt grabbelt Lisa (19, Psychologie) popelend van opwinding alle ingrediënten uit een boodschappentas. Hiermee moet ze een, in haar optiek, zo lekker mogelijke maaltijd maken. Wat tot het eind van de uitdaging geheim blijft, is dat deze ingrediënten identiek zijn aan die van het gerecht dat vanavond bij het gerenommeerd culinair instituut de Refter wordt geserveerd: moussaka met coleslaw . ‘Wat moet ik hiermee? Ik kook bijna nooit met aubergine’, stamelt Lisa wanneer haar oog valt op de boodschappen. De bloem en boter en de witte kool en ciderazijn, die bij de Refter respectievelijk bechamelsaus en de coleslaw vormen, verwarren de tweedejaarsstudent. ‘Het lijkt allemaal zo onsamenhangend’, verzucht ze. Na een korte brainstorm besluit ze om een soort AVG’tje te maken. Dat lijkt misschien veilig, maar het is een uitdaging voor Lisa: ‘Ik kook altijd samen met vriendinnen en die willen nooit aardappels eten.’

Wanneer Lisa heeft besloten wat ze gaat maken, zit er niks anders op dan het kookproces te vervolgen in de gemeenschappelijke keuken. Enthousiastelingen van het authentieke Hoogeveldtgevoel kunnen hier hun lusten botvieren: uitpuilende asbakken, schmutzige banken en natuurlijk een fornuis bekleed met aluminiumfolie dat bedolven is onder de etensresten. Manoeuvrerend tussen het afval kookt de psychologiestudent de aardappels en witte kool. ‘Ik doe gewoon wat op de verpakkingen staat’, licht Lisa lachend toe. Met de mouwen over haar handen als geïmproviseerde pannenlappen, giet ze het water van de aardappels af om ze vervolgens in schijfvorm te bakken. Terwijl in een andere pan

Budget : 1 6 euro voor drie personen (driemaal de prijs van een reftermaaltijd)

Boodschappen: Aubergine, aardappel, tomatenblokjes, tomatensaus, vegetarisch

rulgehakt, geraspte kaas, bloem, boter, witte kool en ciderazijn

Overige toegestane

ingrediënten: Water, olijfolie, peper, zout, knoflook, ui en kruiden

ook het gehakt, de tomatensaus en -blokjes en slechts een halve aubergine sudderen, blijven de bloem, boter, geraspte kaas en ciderazijn op tafel liggen. ‘Ahhh, wat moet ik ermee doen?’, schreeuwt ze uit, met letterlijk de handen in het haar. Na lang tobben besluit ze een soort kaassaus te maken van alle resterende ingrediënten. ‘Ik beweeg op een schaal van fuck yeah tot what the fuck ’, vertelt ze tijdens het roeren. Het mengen van de resterende ingrediënten blijkt echter tot niet veel meer dan een korrelige drab te leiden. ‘Ik bevind me nu wel echt aan de what the fuck-zijde ’, besluit ze. Zo’n anderhalf uur na het begin van de uitdaging schept ze het eten op. Ze heeft de aardappelschijfjes bedekt met een klein laagje witte kool en kaassaus. Het bord wordt gecomplementeerd met het sterk ingedikte, rode gehaktmengsel. Wanneer er een to-go maaltijdbox met de Refter-moussaka tevoorschijn wordt getoverd, valt de keuze voor de mysterieuze boodschappen eindelijk op zijn plaats. Ze kan haar verbazing niet verbergen: ‘ Oh my god , het ziet er zo anders uit! Ik heb deze week toevallig nog in de Refter gegeten, maar dit had ik nooit geraden.’

Studententaal

G. J. Wood (pseudoniem) is een tweedejaars student die het liefst breekt met de bestaande studentikoze en universitaire tradities. Hij schrijft zijn ontsteltenis van zich af in de vorm van een studentkritisch stukje proza, dat zelden onomstreden blijft.

In een van mijn eerst bijgewoonde colleges filosofie werd ons direct de mores op het gebied van universiteitstaal bijgebracht. Mijn docent begon zijn relaas met de mededeling dat hij een aantal woorden niet meer wilde horen. ‘We zijn hier immers niet meer op school, maar wij bevinden ons op de universiteit!’ riep hij. Hij vervolgde door te zeggen: ‘Hier krijgen jullie geen diploma maar een academische bul. Jullie zijn géén leerlingen en ik ben géén leraar, maar jullie zijn studenten en ik ben professor! Jullie volgen hier géén opleiding, maar jullie studeren!’

Ik was enigszins verrast dat juist een ‘leerkracht’ filosofie een onnozele semantische discussie was gestart over diploma’s en academische bullen. Je zou toch denken dat een heuse filosoof zich niet verlaagt tot een dergelijke woordenstrijd. Het woord ‘diploma’ en ‘bul’ hebben bijvoorbeeld exact dezelfde eigenschappen, betekenis en essentie, namelijk: een brevet van vermogen. De twee woorden zijn dus synoniemen van elkaar, waardoor een onderscheid tussen de twee overbodig wordt. Dat lijkt mij in alle bovengenoemde voorbeelden ook het geval. Het is nogal onfilosofisch om te discussiëren over het gebruik van synoniemen, waarvan één woord exclusief bestemd zou zijn voor een specifieke sociale context.

Door het gebruik van de eerder genoemde woorden die exclusief bestemd zijn voor universitair geschoolden, creëert de docent, bewust of onbewust, een onheuse en onterechte distantie tussen diegenen die op de universiteit ronddwalen en alles en iedereen die zich buiten de campusmuren bevinden. De aangedragen taalvoorbeelden tekenen de hoogmoed, zelfoverschatting en eigenwaan die menig student en docent niet vreemd is. Door bullen te halen in plaats van diploma’s voelt menigeen zich verheven boven de diplomahouders. We creeren hiermee een binnenwereld die zich onterecht beter voelt dan de buitenwereld.

IS DE SMAAK RAAK?

Door het lange getwijfel over het gebruik van de resterende ingrediënten zijn de aardappelen en witte kool niet al te warm meer, maar de hete kaassaus compenseert dit. De lange bereidingstijd is ook terug te proeven in het aubergine-gehakt-tomaatmengsel, dat haast tomatenpuree lijkt. Desalniettemin smaken alle onderdelen samen niet onaangenaam. De verschillende texturen vullen elkaar goed aan, zoals de bite van de nauwelijks gare aardappels en de smeuïge saus. Vergeleken met de lauw geworden Reftermaaltijd, blijkt Lisa’s AVG’tje toch het onderspit te delven. De moussaka is kruidiger, al mist deze een bite. De coleslaw is dus een welkome knapperige en frisse toevoeging. De conclusie is daarmee dat een willekeurige student zonder recept, net niet kan tippen aan de koks van de Refter. Veel scheelde het echter niet. ANS

Resultaat: Een AVG’tje die het net aflegt tegen een kantinemaaltje

Niet alleen docenten maar juist ook de studentenbevolking kan er wat van. Studententaal is pretentieus en hooghartig, zoals wel meer taalgebruik op den universiteit. Afko’s, het onnodige Engels en hautaine woorden zoals: ‘burgerrups’, ‘amice’ en ‘sjaars’. Een taalvoorbeeld als ‘burgerrups’ is bewust neerbuigend en tekent de wereldvreemdheid van vele studenten. Dit alles resulteert in een onterechte distantie tussen henzelf en het `burgervolk’ waar zij evenzogoed deel van uitmaken. Ik zou dan ook willen oproepen om niet meer te spreken over: ‘mijn academische bul aan de Universiteit.’ Zeg gewoon: ‘mijn diploma op school.’ Hiermee bestrijd je de wereldvreemdheid der studenten en jaag je een ‘filosofieleraar’ behoorlijk op de kast. Spreek al helemaal niet meer van ‘de burgerrups’ of ‘sjaars.’ Ook het ironische gebruik van deze woorden kan enkel worden opgevat als diep triest. Voor de duidelijkheid: dit is geen betoog tegen het gebruik van ‘moeilijke of oubollige’ woorden. Dit is louter een betoog tegen het gebruik van taal die onterechte hoogmoed faciliteert. Geen uitbanning van de schitterende variëteit der Nederlandstalig vocabulair, maar een aanval op het monopolie die velen aan een specifiek jargon toekennen.

tekst G.J. Wood

3
De studentopponent
tekst Stijn Lintsen foto’s Michelle Tang

VAN ONKRUID NAAR HAUTE

Aan de rand van het Arnhemse park Sonsbeek verzamelt zich naast de vele groepjes hardlopers, wielrenners en wandelaars een kluittje enthousiastelingen met groene vingers.

Zij zullen op deze frisse zondagmorgen leren wildplukken. De liefhebbers van eetbare natuur zijn uit het gehele land afkomstig, de workshop vormde voor velen een verjaardagscadeau. Een in dezelfde groene parka gehuld echtpaar snelt naar de groep toe. ‘Sorry’, verontschuldigt de vrouw zich. ‘De auto moest nog in de laadpaal.’

Cursusleider Edwin Florès zal de haast uitsluitend hoogopgeleide groep vandaag leren ‘wildplukken op sterrenniveau’. De voormalig salesmanager groeide op in de natuur en richtte vijftien jaar geleden zijn bedrijf Casa Foresta op. Florès geeft verschillende workshops en opleidingen over wildpluk en schreef daarnaast meerdere boeken over het onderwerp. Dit deed hij onder meer samen met topchefs Ron Blaauw en Jonnie Boer, voor wier restaurants hij ook producten levert. Wildpluk wordt gezien als topgastronomie en mede dankzij de gedwongen vrije tijd in de lockdowns is de publieke belangstelling voor het fenomeen gegroeid. Inmiddels houdt Florès zich op dagelijkse basis bezig met het commercieel plukken en verspreiden van paddenstoelen, bloemen, planten, vruchten, zaden en noten uit de natuur. Waarom doen mensen aan wildplukken en hoeveel belangstelling kan het fenomeen verdragen?

Op strooptocht door de supermarkt Wie wil oogsten zonder zaaien, moet eerst weten wat hij gaat

plukken. ‘Het is net zoals in de Albert Heijn’, legt Florès uit. ‘Als je weet wat je nodig hebt, dan hoef je niet te zoeken.’ De Achterhoekse wildplukker stelt dat wie de supermarkt binnenwandelt voor Grolsch, ook niet met een fles whisky naar buiten zal gaan. Terwijl de deelnemers gniffelen om een grapje over impulsaankopen vertelt Florès uitgelaten verder over alles wat de begroeiing langs de parkeerplaats te bieden heeft. ‘Kijk, dit is winterpostelein’, zegt hij terwijl hij door zijn knieën gaat. Hij toont de vergeten groente en laat deze aan iemand proeven. Lachend voegt hij toe: ‘Ik buk niet voor iedereen. Wie het wil proberen, moet zelf plukken.’ De deelnemers speuren door het gras, waarna een vrouw een groene stengel in haar mond dreigt te stoppen. ‘Niet dat!’, onderbreekt Florès haar. De wildplukker reikt de deelnemer een stuk postelein aan: ‘Probeer dit eens.’ Het effect van uitsluitend leven van wildpluk wordt momenteel onderzocht in het Verenigd Koninkrijk. Florès is benieuwd naar die resultaten, maar ziet het persoonlijk niet zitten de supermarkt vaarwel te zeggen. ‘Ik eet veel wildpluk, maar puur daarvan leven is te ingewikkeld’, vertelt hij. ‘Ik ben nu eenmaal een luxepaard en ik hou van zuipen en chips.’ In Nederland is het leven van wildpluk sowieso haast onmogelijk, want plukken uit de wilde natuur wordt onder diefstal of stroperij geschaard. Dat zou in theorie kunnen leiden tot fikse boetes. In de praktijk gedogen boswachters het plukken, mits er niet meer dan zo’n 250 gram, ongeveer een bakje champignons, wordt meegenomen. Dankzij afspraken met park Sonsbeek mag Florès zijn workshopgroepen door het bos leiden en grotere hoeveelheden plukken. De regels kunnen echter niet voorkomen dat de voorraad in

grote getale wordt weggeplukt door belangstellenden. De wildplukker ondervindt zelf ook nadeel van stropende plantenliefhebbers. ‘Ik probeer al tien jaar lang daslook te planten in het park’, verzucht Florès. Jaar in jaar uit wordt de plant aan gort geknipt door andere plukkers. ‘Die zijn blij dat ze iets hebben gevonden, maar denken niet na over de gevolgen.’ Door de daslook volledig mee te nemen, kan deze namelijk niet meer groeien. ‘Inmiddels heb ik het opgegeven’, vertelt hij. ‘Dit komt toch nooit goed.’

Veel verwondering

Terwijl de gevoelstemperatuur in het Sonsbeekpark daalt tot onder het vriespunt, neemt de wildplukker de groep mee op speurtocht door de natuur rondom de wandelpaden en opent hij hun ogen voor een nieuw aanbod aan natuurlijke smaken. ‘Het eten van paddenstoelen behoort niet tot onze cultuur’, merkt Florès op terwijl de groep een zwam onder de loep neemt. Waar het in Azië gebruikelijk is om een variëteit aan paddenstoelen te eten, komt de gemiddelde Nederlander niet verder dan een gebakken champignon. ‘We zijn gewend om alles te prakken, terwijl de structuur juist zo bijzonder kan zijn.’ Een zogeheten Judasoor, een stevige, elastisch aanvoelende zwam, verwerkt hij bijvoorbeeld met chocolade en whisky tot een heerlijk dessert. ‘Er is zoveel meer te proeven dan de meeste mensen kennen.’ Met de parkeerplaats nog in zicht heeft Florès al een grote verscheidenheid aan eetbare paddenstoelen, planten en bloemen aangewezen. Wildpluk toont dat de Arnhemse flora veel te bieden heeft. ‘Overal waar je kijkt is eten’, legt hij uit. ‘Of alles

4
Meeloopreportage

CUISINE

Als een ware verzamelaar je eten bijeen sprokkelen in de natuur: wildpluk wordt steeds populairder. Dat geldt niet alleen voor sterrenrestaurants, maar ook voor kokkerellende leken met liefde voor natuur. Edwin Florès en Judith Klappers leren hen in een eendaagse workshop de kneepjes van het vak.

hummus, juncus, zuurdesembrood, salade, kaas, appel-perensap: de vegan masterchef in spe heeft zich uitgeleefd. Ook Klappers leerde in haar jonge jaren veel over wildpluk, toen zij door haar grootouders mee de natuur in werd genomen. Tien jaar geleden werd bij Klappers een auto-immuunziekte geconstateerd. ‘Ik besloot toen mijn leefstijl aan te passen aan de natuur’, vertelt ze. ‘Ik ging me verder verdiepen in wildpluk, werd vegan en veranderde mijn slaapritme.’ Inmiddels staat haar ziekte stil en heeft zij hier geen last meer van. ‘Gezondheid is voor veel plukkers een belangrijke motivatie.’

Terwijl het eten over tafel wordt doorgegeven en de wijnglazen worden gevuld, vertelt Klappers verder over de gestegen populariteit van wildpluk en de verschillende types die erdoor worden aangetrokken. ‘Ik merk dat er veel meer belangstelling is gekomen voor wildpluk’, legt ze uit. ‘Natuurlijk zie ik de geitenwollensokkentypes, maar ook bewoners van tiny houses en Wageningse voeding of gezondheidstudenten wonen de cursussen bij.’ Wildpluk is gezond, lekker en bovenal duurzaam. Dat er aan het beleven van deze natuurlijke producten een prijskaartje hangt, staat de belangstellenden niet in de weg. Zij hoesten zonder bezwaar honderd euro op voor de workshop. ‘Ik leer hier ontzettend veel’, vertelt een deelnemer.

Plukken uit eigen tuin

‘De lichtroze magnolia vind ik het lekkerste’, vertelt Klappers terwijl ze de bloem in haar hand neemt en de groep de gemberachtige smaak laat proeven. De plant staat niet in de openbare bossen, maar in de aanvulling die de biologische tuin van Casa Foresta daarop vormt. Deze functioneert als een klein ecosysteem: waar de aanhankelijke rode kater Poes de muizen van het terrein verjaagt, werken de loopeenden de slakken weg en zorgen de bijen voor de bestuiving van de planten.

Plukken van eigen terrein is wellicht iets minder wild, maar wel een stuk makkelijker. De tuin vormt een soort achter de hand gehouden natuur, waarin de onbekende eetbare planten eenvoudig beschikbaar zijn. ‘We telen hier de nooit-vergeten groenten’, lacht Klappers. ‘Sommige planten zijn nooit bekend

geweest.’ Bovendien is er geen concurrentie met andere plukkers. ‘Hé, hier staan hele bossen daslook’, merkt een van de deelnemers op. Waar er op het Arnhemse landgoed maar enkele restanten te vinden waren van Florès ‘kansloze projectje’, heeft de daslook in de pluktuin ongestoord kunnen groeien. Klappers geeft de groep de taak enkele stukken te plukken om ze later te gebruiken voor het bereiden van een snack.

Wildpluk of kaalpluk?

‘Je ziet dat er op plekken waar wij met de workshop komen meer wordt geplukt’, vertelt Klappers terwijl zij de inmiddels kokende deelnemers nauwlettend in de gaten houdt. ‘Dat is een risico. Als we allemaal op dat randje gaan plukken waar Edwin plukt, dan ontstaat daar een tekort.’ Om de negatieve gevolgen te beperken worden de workshops enkel aan de randen van de bossen gegeven, omdat daar minder dieren zijn. Over tafel klinkt enkel het geritsel van de messen. Wie dat nodig heeft, krijgt van Klappers een spoedcursus snijtechniek. Er heerst een gemoedelijke sfeer terwijl de groep de daslook verwerkt tot pesto en de overige vondsten uit de tuin met glasmie in rijstpapier verpakt. Onder hen zijn een aantal gegadigden die een speciaal kookboek hebben aangeschaft of zelf vaker willen gaan wildplukken. Kan de natuur dat aan? ‘We geven aan dat het niet de bedoeling is’, stelt Klappers. ‘Maar als mensen na de workshop in de auto stappen en terug naar het park rijden om daar paddenstoelen te plukken, dan ben ik daar niet bij.’ ‘Ik noem ze wildplukpakketjes’, concludeert Klappers terwijl zij het bord met de gebakken wildpluk in rijstpapier op tafel zet. De crostini’s met daslookpesto worden gretig onder de aanwezigen verdeeld. ‘Het is ontzettend leuk om te experimenteren met koken en inspiratie op te doen uit de natuur’, vertelt ze. Toch lijkt wildpluk bij de gratie van haar exclusiviteit te kunnen bestaan. Hoe gezond, duurzaam of lekker de planten ook zijn: natuurgebieden lenen zich niet voor hamsteren. ‘Houd je daarom ten allen tijden aan de regels’, betoogt Klappers. ‘Neem niet te veel mee, laat wat over voor de dieren en zorg dat je weet wat je doet.’ ANS

even lekker is, is een andere vraag.’ Waar bosklaverzuring leidt tot blij verraste gezichten, is de wortel van speenkruid volgens sommigen niet de moeite waard. Er is één constante: of het nu watermunt, maartse viooltjes, roomse kervel, rode ribis of de wilde mispel betreft, Florès weet overal een verhaal of potentieel gerecht bij te vertellen. ‘Het voorjaar staat op het punt om uit te komen’, zegt hij. ‘Over twee weken is het weer helemaal anders.’

Het ruime aanbod van de natuur en de unieke smaken die deze te bieden heeft, spreekt sterrenrestaurants aan. Zij serveren chips van gefrituurd duizendblad en verwerken lariksnaalden in desserts. ‘Sommige dingen kun je nu eenmaal niet kopen in de supermarkt’, stelt Florès terwijl hij een knop lariksnaalden in zijn hand neemt. ‘Hier bestellen de restaurants zestigduizend stuks van.’ Met een groep plukkers trekt Florès eropuit om aan zulke bestellingen te voldoen. De kisten vol waterkers of duizendblad levert hij af bij de randstedelijke restaurants, waar gasten kunnen genieten van exclusieve smaken.

Plukken voor hart en ziel

Na de wildplukwandeling verplaatsen de deelnemers zich naar de tuin van Casa Foresta, in het boven Arnhem gelegen dorpje Ressen. Daar kunnen zij zich binnen warmen aan de houtkachel, terwijl het tweede deel van de workshop van start gaat. ‘Kom snel binnen’, heet Judith Klappers, eigenaresse van het bedrijf Vegalogisch, hen welkom. ‘Ik heb lunch voor jullie gemaakt.’ In de blokhut staan verschillende gezonde gerechten op tafel, allemaal op basis van wildpluk of biologische teelt. Brandnetelsoep,

5
‘Overal waar je kijkt is eten.’
tekst Britt Duijzer foto’s Vera Joosten

KLEINE STUDIE, FIJNE STUDIE

De studies Frans en Duits krijgen uiterlijk 2025 een landelijke studie, wat mogelijk gepaard gaat met een enkele opleidingslocatie. Voor de Radboud Universiteit (RU) is het verdwijnen van nog twee studies slechts een voortzetting van een trend: van 2010 tot 2021 is het aantal masters gedaald van 83 naar 57 en zijn er drie bachelors verdwenen. De RU moet zich sterker inzetten voor het behoud van kleine studies.

Een collegezaal met tien mensen. Het heeft een kalme, serene connotatie. Veel contact met medestudenten, een docent die echt aandacht heeft voor zijn studenten, en onderwijs dat, door een klein gesprekje met de leerkracht, vast een beetje kan worden gestuurd naar wat de studenten interessant vinden. Buiten de collegezaal zal de professor zich echter op een bestuurlijk slagveld bevinden. ‘Welke studies financiering krijgen is een politiek machtsspel tussen faculteiten en de universiteit’, stelt Willem Halffman, wetenschapssocioloog aan de RU. Een strijd die kleine studies vaak verliezen. Halffman: ‘Als een faculteit besluit een kleine studie te financieren, stuit dat op weerstand: “Hallo, zij gaan verder met vijf studenten, en wij dan?”’ Dat is jammer, want ook deze studies kunnen van grote waarde zijn. De RU moet daarom niet naar de strop grijpen als een studie weinig studenten trekt, maar juist actief inzetten op hun behoud.

Identiteit kwijt

Theologie is, met een instroom van twee tot tien studenten per jaar, een van die studies. Waarom theologie desondanks nog bestaat? Volgens Christoph Hübenthal, hoogleraar systematische theologie aan de RU, is dat vrij simpel: ‘Als de universiteit zich op wat voor manier dan ook verbindt met een katholieke identiteit, dan heb je theologische kennis nodig’, stelt hij. Geen katholieke identiteit zonder theologie dus.

Dat andere kleine studies aan de RU zouden moeten blijven bestaan, heeft een soortgelijke reden. Van oudsher behelst de identiteit van de RU namelijk ook brede regionale emancipa tie. Het moest een universiteit zijn waar lokale boeren konden uitgroeien van saaie dubbeltjes tot een rijk palet aan gekleur de kwartjes. Deze identiteit valt niet te handhaven zonder een breed aanbod van studies. Zodra een jongen uit Beek voor na genoeg alle letterenstudies en alle 26 verdwenen masters moet uitwijken naar de Randstad, wordt de RU een instituut dat zich niet meer kan profileren als brede emancipatieuniversiteit. Ze wordt dan een basisuniversiteit, waar je voor een groot ge deelte van de emancipatie toch bij een ander adres moet zijn.

Maatschappelijke waarde

Het verlies van een studie doet niet alleen afbreuk aan de identiteit van de universiteit, het is ook een ver lies van cultuur en kennis. ‘Als bepaalde kennis niet meer aanwezig is of niet meer wordt doorgegeven, is dat een culturele verarming’, stelt Hübenthal. Een verarming die in de huidige tijdgeest helaas vaak niet wordt erkend. ‘Alles wordt onder de noemer van efficiëntie geschaard. We praten en denken zelfs op de universiteit in managementtaal. Dan zie je alleen nog maar waar economisch vraag naar is.’ Dat is jammer, want de universiteit is bij uitstek de plek om diepgravende kennis door te geven aan de volgende generatie.

Tegelijkertijd is het voor de maatschappij noodzakelijk om een aantal experts op elk vakgebied te behouden. ‘We zullen bijvoorbeeld altijd een paar experts nodig hebben op verschillende talen,’ erkent Hübenthal. Paul Sars, hoogleraar aan het departement Moderne talen en culturen, geeft als voorbeeld de maatschappelijke vraag

naar germanisten: ‘Als er op een ministerie een brief uit Duitsland komt, moet een germanist die duiden, en in de haven van Rotterdam analyseert een germanist de ontwikkelingen op het gebied van Duitse binnenvaart.’ Alhoewel de instroom van een studie als Duits klein is, betekent dit dus niet dat zij inlevert aan maatschappelijke waarde. Als instituut dat wordt gefinancierd door belastinggelden heeft de RU de plicht om dat soort studies blijvend te ondersteunen.

Modelstudie

Kleine studies voldoen daarnaast vaak aan representaties van hoe het onderwijs aan de universiteit zou moeten zijn. Veel van de eigenschappen die de RU belangrijk acht, zijn namelijk te zien bij deze studies. ‘De RU vindt ontmoeting op de campus bijvoorbeeld belangrijk’, stelt Jan Bransen, academisch leider van het Radboud Teaching and Learning Centre. ‘Daarvoor heb je een groepje nodig dat je elke week ziet en moet je collegialiteit opbouwen met je docent.’ Bij grote studies is dit een uitdaging, bij kleinere studies gaat dit als vanzelf. Ook betreffende de betrokkenheid van studenten zijn kleine studies goede voorbeelden. ‘Bij die studies ligt er meer verantwoordelijkheid bij studenten, omdat docenten het zo door hebben als iemand de tekst niet heeft gelezen’, aldus Bransen. Bij kleine studies wordt daarnaast een type student gefaciliteerd, dat voor veel mensen voor zou komen als dé modelstudent. Want alhoewel deze studies weinig studenten trekken, zijn deze studenten vaak wel uiterst gemotiveerd. Dat ziet ook Hübenthal: ‘De studenten die ervoor kiezen om theologie te

hebben op een lucratief baantje. Als de universiteit deze modelstudenten wil aantrekken, die de zoektocht naar kennis op zichzelf waarderen, moet ze daarom deze kleine studies behouden.

De kennismarkt

Toch valt niet te ontkennen dat een afweging moet worden gemaakt. Een universiteit met honderden studies van tien studenten kan zich niet staande houden, hoe gemotiveerd die tien studenten ook zijn en hoe goed het onderwijs ook is. Daar is simpelweg niet genoeg geld voor. Daarom moeten sommige studies verdwijnen. Het lijkt alleen maar logisch dat, wil een universiteit overeind blijven, de kleine studies om financiële redenen dan in de zak belanden.

De universiteit hoort echter geen instituut te zijn dat financiële factoren voorop stelt, maar wetenschap, kennis en cultuur. Daarvoor kan de universiteit best wat minder investeren in marktgerelateerde kostenposten, zoals promotie. Dat betekent uiteraard niet dat elke kleine studie hoe dan ook moet worden behouden. Zoals Halffman zegt: ‘We hebben geen studie Oudnoors nodig.’ Het betekent wel dat de waarde die de studie toevoegt, zij het aan de maatschappij, de identiteit van de universiteit, of de wetenschap, voorop staat. Zulk beleid gaat recht in tegen de huidige tijdgeest, waarbij efficiëntie en monetaire prikkels de dienst uitmaken. Maar overwegingen waar het geld even buiten perspectief wordt gelaten, de menselijke maat, zijn dat ook niet waar mensen tegenwoordig om vragen? ANS

6
Opinie
tekst Tom Steenblok illustratie Jonas Hoekstra

HET VALKHOF OVER DE GRENS

Na jaren aan financiële tegenslagen en lage bezoekersaantallen werd Hedwig Saam in 2018 aangesteld als directeur van het Valkhof Museum. Met een nieuwe visie die zich richt op Nijmegen als grensregio en een grondige verbouwing probeert ze het tij te keren. ‘Mensen op de grens en de grens in de mens, daar gaat het om.’

Het Valkhof Museum bevond zich vijf jaar geleden op het randje van de afgrond. Bezoekersaantallen vielen tegen, waardoor het museum in financieel noodweer verkeerde. In combinatie met een flinke bestuurscrisis in 2017 zorgde dit ervoor dat het museum bijna kopje-onder ging. Vorig jaar heeft het museum groen licht gekregen van de gemeente voor een aanzienlijke verbouwing. Zo wordt de collectiepresentatie vernieuwd en komt er een café met terras aan de voorkant van het pand. In maart is de verbouwing begonnen, waardoor het Valkhof Museum tijdelijk huist in het voormalige ABN AMRO-gebouw aan het Keizer Karelplein. Directeur Hedwig Saam, gekleed in een stijlvolle rode trui met contrasterende paarse rok en hoge zwarte laarzen, staat in dit tijdelijke verblijf ANS te woord.

In 2018 werd Saam aangesteld als directeur om het museum uit het slop te trekken. Ze was toen al directeur geweest van het Nationaal Militair Museum in Soesterberg en van zowel het Museum voor Moderne Kunst als het Historisch Museum in Arnhem. ‘Toen kende ik het Valkhof Museum natuurlijk al’, vertelt ze. ‘Ik keek ernaar met de gedachte: “Wauw, wat een fantastische collectie, daar kun je toch veel meer mee doen dan wat er nu gebeurt.’’’ Als directeur van het Valkhof kan ze nu deze gedachte verwezenlijken. Hoe zal het nieuwe Valkhof Museum er naar de visie van Saam uit gaan zien?

Sinds 2018 bent u directeur van het Valkhof Museum, dat zware jaren achter de rug heeft. Wat was er aan de hand en is de weg omhoog inmiddels ingezet?

‘Het museum heeft een zware bestuurlijke en financiële crisis gehad in de jaren 2015-2017. Daarnaast was het gebouw echt aan renovatie toe en was de collectiepresentatie verouderd. Veel mensen denken nog steeds: “Het Valkhof, oh ja, daar is iets mee aan de hand.” Dat is jammer om te horen, want we zijn al veel verder nu. Het museum presteert goed en financieel hebben we alles onder controle. We hebben een missie, nieuwe visie en bijbehorend beleidsplan. Ondanks corona hebben we succesvolle tentoonstellingen gehad in de afgelopen jaren. De huidige verbouwing gaat ervoor zorgen dat de vaste

collectiepresentatie eindelijk wordt vernieuwd, waardoor de nieuwe identiteit van het museum beter naar voren zal komen.’

Wat is de nieuwe identiteit van het Valkhof?

‘Grenzen vormen het centrale thema van onze nieuwe identiteit. Allereerst willen we de grenzen van tijd overschrijden. Doordat de collectie bestaat uit zowel eeuwenoude als hedendaagse kunst, heeft het Valkhof lang geworsteld met haar identiteit: is het een historisch of kunstmuseum? Met onze nieuwe aanpak proberen we niet meer in deze hokjes te denken. We willen aan de hand van een unieke combinatie tussen archeologie en hedendaagse kunst verhalen vertellen die zowel tijdloos zijn als actueel.

Daarnaast zijn ook geografische grenzen belangrijk voor onze nieuwe collectiepresentatie. Al duizenden jaren ligt Nijmegen in een grensgebied. De ontmoeting van culturen die in grensregio’s plaatsvindt, vormt voor ons een belangrijke inspiratiebron. In het vernieuwde museum willen we verhalen vertellen over hoe de grens de mensen in deze regio heeft gevormd.

De grenzen waar we onze collectiepresentatie aan gaan ophangen, hoeven overigens niet alleen maar tijdsgrenzen of geografische grenzen te zijn. Je kunt ook denken aan de grens in jezelf, of de grens tussen arm en rijk. Mensen op de grens en de grens in de mens, daar gaat het om.’

Ik zie nog niet helemaal voor me hoe dit wordt uitgewerkt. Kunt u een voorbeeld geven van een dergelijke grensoverstijgende aanpak?

‘Zeker. Neem onze recente tentoonstelling Moving Stories over migratie. We hebben hiervoor archeologische vondsten uit onze collectie gebruikt die al meer dan tweeduizend jaar oud zijn. De Romeinen hebben destijds de lokale bevolking uitgemoord en toen de Bataven, een vriendschappelijke stam, naar deze plek geïmporteerd. Vervolgens is er door die uitwisseling tussen de cultuur van de Romeinen en deze volkeren een nieuwe cultuur ontstaan. Objecten en verhalen over de migratie van toen hebben we gekoppeld aan de migratie van nu. Hiervoor hebben we nauw samengewerkt met mensen met een migratieachtergrond. We hebben hedendaagse kunstenaars werken laten maken van deze verhalen. Dan krijg je

dus hedendaagse kunst tegenover objecten van tweeduizend jaar oud. Die combinatie vertelt een verhaal over de vestiging van mensen in Nijmegen uit alle hoeken en windstreken, toen en nu.’

Gaat het museum dan alleen nog maar over Nijmegen als grensstad?

‘Nee, dat niet alleen. Grenzen kunnen zoals gezegd breder worden opgevat. Een thema dat we in het vernieuwde museum een jaar lang gaan belichten, is verzet. Dit heeft eveneens van alles te maken met grenzen: grenzen van wat toegestaan is en machtsgrenzen. Daarbij is verzet al eeuwen kenmerkend voor Nijmegen. We willen verhalen vertellen over verzet die tijdsgrenzen overschrijden, door bijvoorbeeld de Piersonrellen te combineren met de Bataafse Opstand.’

Hoe kunnen jullie op deze manier het roer omgooien als het museum gebonden is aan een vaste collectie?

‘De historische objecten en kunst in de collectie zijn uitermate geschikt, want die komen voor een groot deel uit deze regio. De grens van het Romeinse Rijk, de Limes, liep dwars door waar nu het museum staat en veel objecten in onze collectie zijn hier gevonden. We hebben uit de oudheid en middeleeuwen dan ook echt topstukken. Het Romeinse ruitermasker alleen al, dat is geweldig. Daarnaast hebben we het Nijmeegs Schippers Antependium, dat is een borduurwerk dat ook wel de nachtwacht van de middeleeuwen wordt genoemd. De hedendaagse kunstcollectie moeten we daarentegen wel versterken. Er is lang geen conservator hedendaagse kunst geweest, maar die hebben we nu wel. Voor de nieuwe inrichting van het museum gaan we nieuwe werken aankopen en opdrachten geven aan kunstenaars.’

Als het Valkhof door middel van hedendaagse kunst maatschappelijk relevante thema’s gaat behandelen, zoals bij de tentoonstelling over migratie, neemt het dan ook een standpunt in?

‘Als museum reik je altijd een perspectief aan, maar we zijn geen politiek instituut. We willen onderwerpen bevragen vanuit verschillende invalshoeken zodat bezoekers er zelf een

7
Interview
tekst Ellen Theuws foto Nienke Cremers illustratie Vera Joosten

mening over kunnen vormen. We gooien geen olie op het vuur door te polariseren, maar zetten aan tot gesprek en debat. Ik hoop dat we daarmee een bijdrage leveren aan een open samenleving waar we naar elkaar luisteren. Bij het onderwerp migratie probeerden we dit te doen door te laten zien dat migratie van alle tijden is. Daarmee willen we het onderwerp relativeren. Mensen hebben zich namelijk voortdurend verplaatst over de hele wereld. Het heeft altijd geleid tot fricties of geweld, maar het is een gegeven dat zo oud is als de mensheid zelf. Dat vind ik een troostrijke gedachte.’

Hoe denkt u dat deze nieuwe identiteit meer bezoekers gaat trekken?

‘We willen meer bezoekers uit de regio gaan trekken met de verhalen die we vertellen over dit gebied. Ik hoop dat het Valkhof een museum wordt waar je trots op kunt zijn als Nijmegenaar. Er is namelijk veel om trots op te zijn: Nijmegen is de (zelfbenoemde, red.) oudste stad van Nederland en was in de middeleeuwen een knooppunt van handel, religie en cultuur. Er was hier al een gouden eeuw, honderd jaar eerder dan in het westen van het land. We weten te weinig over deze culturele bloei en richten ons te veel op die andere gouden eeuw – of nee, gouden eeuw mag je het natuurlijk niet meer noemen. Daarnaast denk ik dat het museum zich in het verleden te specifiek op geschiedenisliefhebbers heeft gericht. Die willen we absoluut niet kwijt, maar we hopen het publiek te verbreden door meer actuele onderwerpen te behandelen. We willen zo mensen aanspreken die open-minded zijn. Ook willen we nadrukkelijk diverse en jongere bezoekers trekken. De studenten van de Radboud Universiteit (RU) moeten daar een rol in gaan spelen.’

Momenteel leeft het Valkhof Museum niet echt onder studenten. Hoe willen jullie hier verandering in brengen?

‘Onbekend maakt onbemind. Daarom proberen we al een paar jaar studenten te trekken door entree voor hen gratis te maken. Ik denk dat de verbouwing ook gaat helpen doordat er

een café aan de voorkant van het gebouw komt, met een terras erbij en een winkel. Dat wordt een plek om gewoon lekker te zitten. Ik hoop dat studenten ons gaan ontdekken als plek om even koffie te drinken. Daarnaast vind ik dat we meer moeten samenwerken met Nijmeegse culturele instanties die wel studenten weten te trekken, bijvoorbeeld Doornroosje of LUX. Daarnaast proberen we met studenten samen te werken in projecten. Zo zijn we momenteel bezig met de tentoonstelling Into the Black Hole , over zwarte gaten. Deze maken we samen met medewerkers en studenten van de RU ter ere van het lustrum van de universiteit. De tentoonstelling zal later dit jaar

zowel op de tijdelijke locatie van het museum als op de universiteitscampus te zien zijn.’

Tot slot, waarvoor hoopt u dat mensen naar het Valkhof Museum zullen gaan in de toekomst?

‘Ik hoop dat mensen straks denken: “Ik ga in het Valkhof hele spannende combinaties zien met prikkelende hedendaagse kunst en verrassende perspectieven.” Juist ongebruikelijke combinaties zetten je aan het denken. Welk onderwerp het ook is, het moet op een onverwachte manier worden gebracht.’ ANS

8
‘Als museum reik je altijd een perspectief aan, maar we zijn geen politiek instituut.’
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.