ANS-krant 6 (J37)

Page 1

Hoe is het om aan de RU te studeren met een beperking?

De Radboud Universiteit (RU) profileert zich als inclusieve universiteit. Zij stelt dat alle studenten met een functiebeperking de door hen gekozen opleiding moeten kunnen volgen zonder onnodige belemmering. Hoe zit dit eigenlijk in de praktijk? ANS vroeg vier studenten naar hun ervaring.

Aan de RU heeft geschat 13 procent van de studenten een fysieke of mentale beperking, vermeldt haar website. De RU zegt een inclusieve universiteit te zijn die de moeilijkheden die deze studenten door hun beperking in het onderwijs kunnen ervaren uit de weg ruimt. Toch concludeerde het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs uit de Nationale Studentenenquête van 2022 dat landelijk 85 procent van de studenten met een ondersteuningsbehoefte belemmering ervaart bij hun opleiding. Hoe zit dit op de RU? In hoeverre slaagt zij erin om inclusief onderwijs te bieden voor studenten met een beperking? Inez (Sociologie), Marèl (Taalwetenschappen), Eve (Philosophy, Politics and Society) en Larisa (Griekse en Latijnse Taal en Cultuur) delen hun persoonlijke ervaring met studeren, de campus en onderwijsvoorzieningen.

Inez: ‘Het voelt alsof de universiteit wil dat ik aan het einde van mijn studie geen hulp meer nodig heb.’ ‘Mijn keuze voor de RU was makkelijk gemaakt omdat ik uit Nijmegen kom en via mijn middelbare school al bekend was met de campus. Op de matchingsdag ben ik meteen in gesprek gegaan met de studieadviseur over studeren met autisme. Die heeft me toen goed uitgelegd wat er mogelijk was en wat niet. Ik heb nu een aantal tentamenvoorzieningen die me erg helpen. Ik zit bijvoorbeeld in een individuele tentamenruimte. Ik kan me op die manier beter concentreren en ik kom makkelijker op een antwoord dan in een volle zaal. Daardoor loop ik na het tentamen niet meer weg met een rotgevoel. Flexibiliteit krijgen is wel lastig. Ik had bijvoorbeeld laatst uitstel gevraagd voor een deadline omdat ik een paniekaanval had en daarom niet fatsoenlijk de opdracht kon maken. Ik kreeg meteen te horen dat ik dan mijn herkansing in zou moeten leveren. Toen heb ik die opdracht toch gemaakt terwijl ik half in een paniekaanval zat. Waarschijnlijk had ik uitstel gekregen als ik dat van tevoren aan de studieadviseur had gevraagd, maar als je af en toe ergens last van hebt, vraagt het erg veel om daarvoor telkens bij de studieadviseur aan te moeten kloppen.

Tijdens colleges zijn docenten over het algemeen begripvol. Ze doen niet moeilijk als ik oortjes draag met muziek tijdens de les. Of als ik aangeef dat ik het lokaal uit moet omdat het even niet meer gaat. Ik merk wel dat het dan lastig is om dan een plek te vinden waar ik bij kan komen en helemaal alleen kan zijn. Vooral in het Maria Montessori-gebouw, waar ik vaak college heb, is het super druk. Ik vind het vooral kwalijk dat je jaarlijks op gesprek moet bij de studieadviseur om je voorzieningen te verlengen. Aan het einde van vorig studiejaar was de conclusie van mijn gesprek dat ze nog een jaartje werden verlengd, maar dat ik het jaar daarna ervoor zou moeten vechten. Het voelt alsof ze willen dat ik aan het einde van mijn studie geen hulp meer nodig heb, terwijl ik een beperking heb die ik altijd met me mee zal dragen. Het idee hierachter is dat ik zonder ondersteuning moet kunnen functioneren als ik later ga werken, maar ook dan zal ik sommige dingen nog nodig hebben.’ 380/400 Marèl: ‘Problemen zijn wel te omzeilen als je een klas hebt die je wil helpen.’

‘Toen ik van de middelbare school naar de universiteit ging, was de grootste verandering dat ik in veel verschillende gebouwen college had. Omdat ik blind ben moest ik veel wegen uit mijn hoofd leren. Soms is navigeren nog steeds lastig: ik heb nu een vak waarbij ik elke week in een ander lokaal zit, die weg kan ik niet telkens leren. In het begin liep ik nog alleen met mijn stok over de campus, inmiddels heb ik een blindengeleidehond. Vaak volg ik dan met mijn hond iemand anders.

Als je een klas hebt die je wil helpen, zijn problemen wel te omzeilen. Zo’n klas heb ik nu gelukkig. In een vorige klas wilde een studiegenoot mij niet helpen, omdat ze dat de verantwoordelijkheid van de universiteit vond. Mensen vragen weleens of er geen speciaal hoger onderwijs is, of hoger onderwijs voor blinde of slechtziende mensen. Dat is er niet, en er zijn ook niet zo veel blinden en slechtzienden die naar de universiteit gaan. Ik vind dat het de verantwoordelijkheid van mijn studiegenoten is om mij te helpen, al vind ik dat vervelend om te zeggen. Daarnaast wil ik ook gewoon contact maken met mede-

studenten. Nu ik een blindengeleidehond heb, merk ik dat andere studenten sneller contact met me maken omdat ze mijn hond leuk vinden. Dat heeft wel voor verbetering gezorgd in de hulp die ik krijg van medestudenten.

Voor tentamens heb ik om 100 procent extra tijd moeten vragen, dat geven ze niet automatisch. Het is wel belangrijk want het kost mij eigenlijk dubbel zoveel tijd om een tekst te lezen. Ik moet het namelijk letter voor letter voelen. Ik kan niet snel een tekst scannen, daardoor lukt het soms ook niet om opdrachten op tijd in te leveren. Het voornaamste waar ik nog tegenaan loop is dat lesmateriaal voor mij niet leesbaar is. Literatuur moet ik laten omzetten door een organisatie, wat soms twee maanden kan duren. Daarom probeer ik altijd ruim voor de zomervakantie de boekenlijst te krijgen van docenten, maar zij weten dan vaak nog niet welke literatuur ze gaan gebruiken. Als ik het niet op tijd krijg, loop ik het risico op vertraging. Veel docenten zijn wel flexibel, maar niet allemaal. Het is maar net wie je hebt. Ik ken uitzonderingen aan de goede kant en aan de slechte kant. Ik had bijvoorbeeld een docent die alles deed om de onderwijsstof toegankelijk te maken voor mij. Hij typte hele beschrijvingen van visuele onderelen in zijn powerpointpresentaties.Daarentegen had ik vorig jaar een keuzevak waar ik uiteindelijk mee ben gestopt, omdat de docent niet kon begrijpen dat ik geen plaatjes kan lezen.’

Eve: ‘Ik kan me voorstellen dat andere autistische studenten een introductie niks vinden.’

‘Toen ik aan de studie Philosophy, Politics and Society (PPS) begon, heb ik tijdens het eerste gesprek met de decaan en studieadviseur aangegeven dat fulltime studeren te veel is voor mij, omdat ik eerder met een studie heb moeten stoppen. Hiervoor studeerde ik namelijk Artificial Intelligence aan de RU, maar mijn problemen waren zo heftig dat de studieadviseur mij niet kon helpen. Ik ben blij dat zij toen heeft geadviseerd om te stoppen en professionele hulp te zoeken, want daardoor weet ik nu dat ik autisme heb en heb ik meer inzicht in mezelf. Bij PPS stonden ze het toe dat ik zonder bindend studieadvies doorging naar het volgende jaar.

Ze vertelden in dat eerste gesprek ook welke hulp ik kon krijgen. Wel hadden ze eerst mijn formele diagnose nodig voordat ze echt iets konden betekenen voor mij. Ik heb nu vrije plaatskeuze bij tentamens, omdat het belangrijk is dat ik vooraan kan zitten, zodat ik niet raak afgeleid door mensen om mij heen. Verder heb ik meegedaan met het buddyprogramma waarbij een medestudent je helpt met plannen en andere praktische dingen. Dat heeft me wel geholpen. Iets wat ik vervelend vind, is wanneer docenten over de pauzetijd heen gaan. Een college is namelijk veel informatie in een keer. Dat kan bij mij leiden tot overprikkeling. Na drie kwartier kan ik me niet meer concentreren en verwacht ik een pauze. Ik weet überhaupt niet of het onderwijs helemaal passend kan zijn voor mij, er komt gewoon veel informatie op je af. Ik moet zelf inschatten hoeveel colleges ik kan volgen op een dag en hoeveel vakken ik kan doen in een periode. Ik denk niet dat de universiteit daar concreet meer aan kan doen, behalve het versoepelen van aanwezigheidsplicht. Wat ze wel kunnen doen, is het creëren van meer stilteruimtes. Er zijn wel stilteruimtes op de campus, maar vooral rond tentamenweken zitten die snel vol. Ik kan me niet concentreren op een plek waar het rumoerig is, zoals in de Refter. Daarbij ben ik natuurlijk niet de enige die overprikkeld kan raken, het gebeurt bij mij alleen sneller dan bij anderen.

Ik denk daarnaast dat de universiteit betere begeleiding kan geven bij het begin aan de universiteit. Ik had het allemaal al een keer gedaan, maar ik vind het altijd spannend om op een nieuwe plek te komen met nieuwe mensen. Een introductieweek is natuurlijk bedoeld voor kennismaking, maar ik kan me voorstellen dat een autistische student zegt: een introductie is niks voor mij. Het zijn namelijk veel sociale activiteiten achter elkaar. Het buddyprogramma begon pas na anderhalve maand van het collegejaar.’

Larisa: ‘Het is pas écht toegankelijk als een gehandicapt persoon geen tijd, energie of geld hoeft te verspillen.’ ‘Voordat ik ging studeren ben ik tijdens een open dag op een studie adviseur afgestapt. Die zei dat het wel goed zou komen met stude

‘Alleen als je bereid bent privé- informatie te delen met vreemden kun je hulp krijgen.’

ren. Uiteindelijk ben ik met de bachelor Natuur- en Sterrenkunde gestopt omdat het echt niet toegankelijk was. Ik kon niet in sommige studie- en sociale ruimtes komen met mijn rolstoel. Daardoor kon ik niet de vakken volgen die ik het leukste vond.

Inmiddels ben ik de bachelor Griekse en Latijnse Taal en Cultuur aan het afronden. Ik heb geen gebruik gemaakt van onderwijsvoorzieningen want het enige dat werd aangeboden was extra tentamentijd. Daar heb ik niets aan omdat het voor mij het belangrijkste is dat ik met mijn rolstoel op plekken kan komen. Voor voorzieningen moet je ook altijd bewijs aanleveren: alleen als je bereid bent privé-informatie te delen met vreemden kun je hulp krijgen. Studenten worden er niet op vertrouwd dat zij ondersteuning nodig hebben wanneer zij erom vragen. Het zou eigenlijk niet uit zou moeten maken wat mijn medische achtergrond is. Dat ik niet kan lopen zorgt er duidelijk voor dat ik in sommige situaties ben benadeeld. Docenten of studieadviseurs willen je op individueel niveau vaak wel helpen, maar hebben niet vanzelfsprekend begrip voor je situatie. In mijn vijfde jaar op de campus zijn er nog steeds mensen die verbaasd zijn dat ik studeer. De meesten beseffen niet dat validisme, de discriminatie en marginalisatie van gehandicapten, bestaat op de universiteit. Dat is een breder maatschappelijk probleem: mensen met een handicap worden nog altijd gezien als een aparte klasse mensen die minder waard zijn dan mensen zonder handicap. Dit duidt op een gemedicaliseerd beeld van wat een handicap is: iets om op individueel niveau te bestrijden. Universiteiten hoeven hierdoor niet na te denken over validisme en toegankelijkheid. Mensen met een handicap gaan namelijk niet studeren of krijgen persoonlijke begeleiding, als ze bereid zijn om privé-informatie te delen. Die begeleiding moet ze helpen om op het niveau van een mens zonder handicap te komen. Terwijl geen enkele hoeveelheid persoonlijke begeleiding je leert een trap op te kunnen lopen als je niet kunt lopen.

Op dit moment komt de verantwoordelijkheid veel bij de student te liggen, terwijl de verantwoordelijkheid om het onderwijs goed in te richten bij de universiteit ligt. Toegankelijkheid gaat niet alleen over dat ik op papier ergens zou moeten kunnen komen. Het is pas echt toegankelijk als een gehandicapt persoon geen tijd, energie of geld hoeft te verspillen om deel te nemen.’

Nieuwe disABILITIES and Accessibility Committee op de RU

Vanaf 1 december 2022 kunnen studenten en medewerkers terecht bij een nieuwe commissie voor toegankelijkheid aan de RU. De disABILITIES and Accessibility Committee is in januari van dit jaar in het leven geroepen om hulpvragen over intersectionaliteit, werken of studeren met een functiebeperking en toegankelijkheid te behandelen.

2 Wat er verscheen op ANS-online
Interview

Schurft teistert de studentenwereld: wat is de oplossing?

Je huisgenoten zitten te krabben en bij elk bultje op je huid luid je alarmbellen: schurft hoost door de studentenwereld. Recentelijk steeg het aantal gevallen tot recordhoogte. Heiman Wertheim, afdelingshoofd Klinische Microbiologie van het Radboudumc, vindt dat er te weinig wordt gedaan tegen de uitbraak.

De afgelopen maanden steeg het aantal mensen met schurft tot recordhoogtes. Heiman Wertheim, hoogleraar klinische microbiologie en afdelingshoofd Klinische Microbiologie van het Radboudumc, sloeg een jaar geleden al alarm en pleit nog steeds voor meer maatregelen tegen de uitbraak. Zo suggereert hij dat serieus overwogen moet worden om een Ivermectine-pil tegen schurft te verstrekken aan alle studenten. ANS sprak hem over de uitbraak en de mogelijke oplossingen. ‘Niets doen is geen optie, dan krijg je spillover effecten naar opa’s en oma’s en mensen in verpleeghuizen.’

U waarschuwde een jaar geleden al voor de schurftuitbraak. Waarom deed u dat destijds?

‘Ik kreeg vragen van studenten die met schurft stoeiden. Ze liepen tegen allerlei problemen aan: het kwam terug na een smeerkuur, onduidelijke informatievoorziening, dat ze de kuur van hun eigen risico moesten betalen en dat de crèmes uitverkocht waren. Hun huisartsen herkenden schurft daarnaast soms pas laat, gaven adviezen waarmee ze niet uit de voeten konden en zaten soms in een andere stad, waardoor de arts geen zicht had op de omvang van het probleem. Ik merkte dat deze problemen universeel waren en de huidaandoening niet zomaar onder controle te krijgen is. Ik heb me er daarom toen op social media over uitgesproken.’

Wat had er toen moeten gebeuren?

‘De ziekte vraagt om een systematische aanpak, want het probleem zit in het publieke domein. De huisarts behandelt namelijk individuën, niet het hele studentenhuis, waardoor de ziekte zich blijft verspreiden. Ik had graag gezien dat de rol van de GGD groter werd en die van huisartsen kleiner. Echter is vorig jaar enkel de richtlijn omtrent behandelingen een beetje aangepast. Het systeem bleef onveranderd, terwijl dat hetgeen is dat niet werkt.’

Hoe is het nu gesteld met de schurftuitbraak? ‘Er zijn een paar duizend meldingen per week en het aantal

huisartsenconsulten met betrekking tot schurft is vervijfvoudigd sinds 2011. Het bewustzijn is groter dan eerst, maar het is duidelijk niet onder controle. Huisartsen balen ervan, want zij stromen over van de problemen terwijl er in het publieke domein niets wordt opgelost.’

‘Er moet worden nagedacht over of er wel een huisarts nodig is om studenten advies te geven.’

Hoe verhoudt de uitbraak in Nijmegen zich tot die in andere steden?

‘De uitbraak is in elke studentenstad aanzienlijk. Als ik in andere steden college geef en schurft benoem, hoor ik aan het gegniffel dat het daar ook speelt.’

Hoe kan het dat schurft nu zo veel voorkomt? ‘Schurft voelt zich heel prettig bij studenten. Ze hebben veel contacten, delen kleding, wonen in studentenhuizen, herkennen schurft niet altijd en hebben andere prioriteiten. Er is slechts een goede introductie van de mijt nodig voor een grote verspreiding. Een tijdje terug bijvoorbeeld was het kennelijk jackpot en trof schurft enkele personen met een groot netwerk van intieme contacten. Zij konden het gemakkelijk doorgeven en nu is er een grote uitbraak. Er is daarnaast ook meer alertheid en bekendheid. Dat zorgt ervoor dat de aantallen toenemen, omdat er meer meldingen worden gemaakt.’

Wat gaat er gebeuren als er nu geen maatregelen worden genomen tegen de uitbraak? ‘Dan krijg je spillover effecten naar opa’s en oma’s, mensen in verpleeghuizen en anderen. Je zult zien dat het via stageplekken van studenten genees- en verpleegkunde in de zorg terecht zal komen. Dat is vervelend, want de zorg staat al op zijn achterste poten. Het is natuurlijk ook onprettig voor iedereen die het krijgt, want je kunt ‘s nachts last van jeuk hebben, niet kunnen slapen, concentratie verliezen, minder goed presteren op je werk of studie en minder plezier in je leven krijgen. De krabplekken kunnen

daarnaast bacterieel geïnfecteerd raken. Het is echt een gedoe.’

Welke oplossingen ziet u om de uitbraak te beperken? ‘Dezelfde als een jaar geleden, maar er moet een tandje bij. Er moet worden nagedacht over of er wel een huisarts voor nodig is om studenten advies te geven. Ik denk dat we iets simpelers kunnen organiseren met een schurftadviseur die niet per se medisch opgeleid is. Iemand die laagdrempelig is om te bezoeken voor studenten, het onderwerp bespreekbaar maakt en ook met hen in gesprek kan gaan over oplossingen voor de uitbraak. Diegene kan helpen met het verbeteren van de informatievoorziening. Studenten moeten namelijk het advies krijgen om erop te letten, even geen kleding met elkaar te delen en tijdig naar de dokter te gaan. We kunnen ook tijdelijk meldingsplicht inschakelen om beter zicht op de uitbraak te krijgen.

Gezien de schaal moeten we daarnaast overwegen om studenten een paar keer per jaar een Ivermectine-pil op te sturen die ze slikken. Dat heet massale medicijntoediening. Het wordt ingezet bij een ziekte die je niet goed onder controle krijgt en waarbij het nagaan van alle bronnen en contacten niet mogelijk is door onvoldoende menskracht. We moeten hiervoor eerst met studenten in gesprek gaan over of ze dit zouden willen. Het zal daarnaast flink wat bureaucratie opleveren, want wie mag er zo’n pilletje verstrekken en wat is de verantwoordelijkheid van de universiteit? Niks doen is echter geen optie. We moeten de zorg anders durven inrichten..’

Wat vindt u dat studenten zelf moeten doen? ‘Ik hoop dat studenten druk gaan uitoefenen op de GGD, de huisartsen en de universiteit of hogeschool om een oplossing te bieden. Al is het niet hun verantwoordelijkheid, ze kunnen wel meehelpen om slimme oplossingen te verzinnen. Dat heeft meer zin dan wachten tot de overheid een keer iets doet. We kunnen de uitbraak niet zijn gang laten gaan omdat iemand anders het moet oplossen. Als we wat menskracht en geld verzamelen kunnen we experimenteren, kijken wat werkt en dat verder opschalen.’

Verdubbeling wachttijd bij studentenpsychologen RU: ‘Studenten staan onder druk’

tekst Sophia van Engelshoven De wachttijden bij de studentenpsychologen van de Radboud Universiteit (RU) zijn verdubbeld. Studenten moeten zes weken wachten voordat ze voor een intakegesprek worden uitgenodigd. Het stijgende aantal aanmeldingen komt door de winter, groeiende studentenaantallen en toenemende druk op studenten.

De studentenpsychologen van de RU krijgen op dit moment wekelijks veertig tot zestig nieuwe aanmeldingen van studenten met klachten die invloed hebben op hun studie. Dit zijn meer aanmeldingen dan in andere periodes van het jaar, waardoor de wachttijd langer is dan gebruikelijk. Normaal gesproken worden studenten binnen drie weken voor een gesprek uitgenodigd, maar nu geldt een periode van zes weken. Janneke Hermans, hoofd Student Support, noemt het stijgende aantal aanmeldingen typisch voor deze tijd van het jaar. Ze legt uit: ‘Nieuwe studenten zijn inmiddels geland en komen erachter dat het niet goed gaat of dat de studie moeilijker is dan ze hadden verwacht. Daarnaast is de winterperiode moeilijk voor veel mensen.’

Hoewel de winterperiode meespeelt in het stijgende aantal aanmeldingen ziet Hermans ook een algemene groei van aanmeldingen in de afgelopen jaren. ‘Studenten staan onder druk en het aantal studenten met mentale klachten neemt daardoor toe’, zegt het Hoofd Student Support. ‘Studenten krijgen in toenemende mate te maken met studiedruk en financiële druk, en ook de nasleep van corona speelt mee’, vervolgt ze. Daarnaast zorgt het groeiende aantal studenten op de RU voor meer aanmeldingen.

De universiteit heeft sinds kort twee extra studentenpsychologen om het stijgende aantal aanmeldingen op te vangen. ‘We willen zo de capaciteit te vergroten, maar tegen de piek in de winterperiode kunnen we niet opboksen’, aldus Hermans.

Wachttijdprogramma

Er is geen oplossing bedacht voor het huidige capaciteitsprobleem. Om studenten tijdens de wachttijd toch hulp te bieden wordt door medewerkers van studentenwelzijn nagedacht over een wachttijdprogramma. ‘Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanbieden van andere activiteiten in de tussentijd waarmee studenten een verlichting van mentale klachten kunnen ervaren’, aldus Hermans.

Op de website van de RU worden studenten ook opgeroepen om niet te wachten op een intakegesprek wanneer hun klachten urgent zijn. Bij dringende klachten worden studenten doorverwezen naar de huisarts. ‘We kijken sowieso of studenten die zich aanmelden met een probleem bij ons aan het juiste adres zijn’, vertelt Hermans. ‘Zo kunnen we ze zo snel mogelijk naar een andere plek doorverwijzen als we denken dat ze daar beter worden geholpen.’

3

Hoe zou jij je stijl omschrijven? ‘Elke dag zie ik er anders uit, want ik kleed me naar mij stemming. Zo heb ik de ene week zwarte eyeliner, veel piercings en ben ik donker gekleed. De week erop heb ik daarentegen mijn haren ouderwets gekruld, een bloemetjesjurk aan en roze oogschaduw op. Wel gaat mijn voorkeur uit naar rood en zwart. Met wit en pastelkleuren heb ik niks. Daarnaast is mijn stijl ook vrij expressief en emotioneel, want zo ben ik zelf ook.’

Hoe kom je aan de inspiratie voor je stijl? ‘Mijn kledingstijl is een product van mijn omgeving, want veel van mijn kledingstukken krijg ik van vrienden en familie. Daarnaast haal ik inspiratie uit verschillende kunsten. Ik vind barok een boeiende stijl, vooral door het theatrale en het passievolle dat daarin zit. Heavy metal vind ik ook interessant. De energie van artiesten zoals Ozzy Osbourne zijn naar mijn mening geweldig. Vooral het excentrieke van deze inspiratiebronnen vind ik fantastisch. Mijn kleding moet dan ook iets aparts hebben: go crazy, go stupid. Als ik thuiskom bij mijn familie in Limburg, wil ik dat alle oude mensen boos naar me kijken.’

Waar komt dat rebelse vandaan? ‘Dat is een familietrekje. Mijn moeder kleedde zich vroeger ook gewaagd. Ze kwam een keer met een chic korset voor mij aanzetten, waarvan ik dacht: “Mama, waar kom je nu weer mee?” Ze vertelde dat ze die naar school aandeed. Verder droeg ze ook korte rokjes, waarmee ze weleens een docent heeft geflasht. Ik vind het stoer dat ze met zo’n gewaagde kledingstijl naar school ging. Mijn vader neemt ook nooit een blad voor de mond. Dankzij hem heb ik de heavy metal-cultuur leren kennen.’

Kleed jij je dan ook vanaf jongs af aan al zo expressief?

‘Nee, vroeger kleedde ik mij helemaal niet zo uitbundig. Ik was de personificatie van de 2016 Snapchat-periode, ging naar de Coolcat en droeg shirts met woordgrapjes erop. Ik durfde helemaal niet mezelf te zijn. Pas toen we door covid in quarantaine moesten, ben ik mijn kledingstijl gaan ontwikkelen. Ik verveelde me en had alle tijd om met nieuwe dingen te experimenteren zonder me druk te maken over wat andere mensen van me dachten. Ik keek veel make-upvideo’s van Jeffree Star, die toentertijd nog niet was gecanceld. Mijn moeder droeg daarnaast ook veel eyeliner. Zij hebben mij geïnspireerd om ook make-up te proberen. Vervolgens ben ik gaan experimenteren met expressieve kleding.’

Hoe was het voor je om na de quarantaineperiode met een nieuwe kledingstijl terug te komen?

‘Het was erg spannend, maar tegelijkertijd ook leuk. Sommige mensen waren positief, anderen niet. Ik heb wel eens nare dingen gehoord als “kanker emo”. Daar ben ik wel aan gewend, want als kind was ik altijd al een buitenbeentje. Ik heb daardoor wel moed gekregen en een eigen kledingstijl durven ontwikkelen. Dat is heel goed geweest voor mijn zelfvertrouwen. Zonder dat zou ik nu waarschijnlijk saaier zijn gekleed. Uiteindelijk vond ik het belangrijker om mezelf te vinden dan om bij de rest te horen.’ ANS

4 4
Wie : Nina Heijman (20), tweedejaars Arts & Culture Studies Stijl : Rebels Expressief VAN
LIJF
HET
Www.jokolo.nl info@jokolo.nl Hou je
zingen? Zing mee!
tekst Floriaan Gruisen foto’s Vera Joosten
van
Advertentie

RADDRAAIERS VAN DE UNIVERSITEIT: MARK DE JONG & NOAH VETTER

De rek op de universiteit is eruit: docenten zijn overwerkt, de campus stroomt over, een kamer is nog zelden te bemachtigen en studenten zinken steeds dieper de schulden in. Waar komen deze problemen vandaan en kan het ook anders? In dit tweede deel van de serie Raddraaiers van de universiteit vertellen Mark de Jong (asap) en Noah Vetter (AKKUraatd) over medezeggenschap en de actieve student.

Mark de Jong (Computing Science) en Noah Vetter (Politicologie), beiden zetelhouders in de Universitaire Studentenraad (USR), begroeten elkaar met een collegiale handdruk in de kantoorruimte waar studentenpartij asap zich vooralsnog huisvest. Vetter, als fanatiek debatteerder met politieke ambities, vond dat het tijd was om zich in te zetten in de medezeggenschapsraad en vult nu een zetel in de USR namens studentenpartij AKKUraatd. De Jong ontdekte tijdens zijn voorzitterschap van studievereniging Thalia dat hij veel gaf om de manier waarop zaken op de universiteit gaan en wilde op centraal niveau invloed proberen uit te oefenen. De USR leek hem daar uiterst geschikt voor en hij zit daar nu namens studentenpartij asap. Ze nemen plaats aan het bureau dat in het midden van de grote, kille ruimte staat. ‘Het is hier maar moeilijk te verwarmen’, grapt De Jong. Temidden de pijnlijke waarheid dat studentenpartij asap volgend jaar niet meer bestaat, vertellen De Jong en Vetter over de erbarmelijke staat van de medezeggenschap op de Radboud Universiteit (RU) en het leven van de actieve student.

Wat betekent de ontbinding van asap voor de medezeggenschap?

De Jong: ‘Een gemis. Dit is eigenlijk het eerste concrete teken dat het niet goed gaat met de medezeggenschap. In principe blijft er maar een partij over en dat is erg mager. Toen ik de ontbinding van asap bekend maakte op de gezamenlijke vergadering met de ondernemingsraad (OR) zag ik aan de gezichten van de leden dat ze er echt van schrokken.’

Vetter: ‘De toestand spreekt boekdelen. Als AKKUraatd hopen we dat er een nieuwe partij opstaat zodat wij niet als enige overblijven. Het is gezond om een discussie te hebben. We waren dan ook verdrietig toen we het nieuws hoorden.’

Wat moet er veranderen om de medezeggenschap uit het slop te trekken?

De Jong: ‘Ik denk dat de zichtbaarheid van de medezeggenschap een pijnpunt is. Regelmatig gaan we bij een gebouw staan met koffie en thee om een bepaald thema te bespreken met voorbijgaande studenten. Wanneer ik dan in een gesprek begin over de USR, weten ze eigenlijk nooit wat we doen. Het zou toch mooi zijn als drie op de tien studenten enigszins coherent kunnen vertellen wat de USR inhoudt.’

Vetter: ‘Zichtbaarheid is inderdaad belangrijk. Het succesvolle Billie Cup-initiatief is bijvoorbeeld ontstaan vanuit de USR. Volgens mij weet bijna niemand dat. Wij kunnen er wel over gaan schreeuwen, maar hopelijk zal de universiteit in de toekomst communiceren over dat zulke initiatieven mede mogelijk zijn gemaakt door de USR. We zijn momenteel in gesprek met de communicatieafdeling van de RU om het actieve studentenleven in bredere zin te promoten.’

De Jong: ‘Laten we duidelijk zijn dat we het niet doen om ons gezicht op een Billie Cup te hebben, maar het is wel de hoop dat mensen inzien dat studenten dit hebben gestart en realiseren dat zij zelf dus ook dingen kunnen opzetten. Dat is de vonk die je wilt hebben. Die ontbreekt nu compleet.’

Hoe komt het dat de medezeggenschap zo ‘onpopulair’ is?

De Jong: ‘Het actieve studentenleven staat onder druk. Door het huidige leenstelsel voelen studenten druk om snel hun diploma te halen en minder te focussen op zelfontplooiing tijdens hun studententijd. Dat resulteert in minder studenten die actief zijn bij verenigingen en in plaats daarvan eerder een bijbaantje oppakken. In de studentenpolitiek geldt dat al helemaal omdat het een vrij serieuze rol is waarbij je veel documenten moet doorspitten. Het is minder bier en meer documenten. Met de teloorgang van de actieve student wordt de universiteit een stukje armer.’

Vetter: ‘Inderdaad. Wij merken ook dat het intern moeilijk gaat, bijvoorbeeld met het opstellen van onze kandidatenlijst. We hebben maanden later dan normaal een lijst op orde. Het is diepdroevig, want de medezeggenschap is ontzettend belangrijk.’

Jullie wilden zelf wel in de USR. Wat gaat jullie aan het hart?

Vetter: ‘De invloed van de pandemie op de mentale gezondheid van studenten vind ik erg belangrijk. De studenten hier op de RU en in alle

Wat is de USR?

De USR is een medezeggenschapsraad die bestaat uit acht gekozen studentleden en zes benoemde leden uit koepelverenigingen. De USR en de Ondernemingsraad (OR), waar werknemers van de RU in zitten, geven adviezen aan het College van Bestuur (CvB) van de RU en moeten voor bepaalde onderwerpen het CvB-beleid goedkeuren. De USR heeft instemmingsrecht op beleid

met betrekking tot studentenaangelegenheden en adviesrecht over de andere onderwerpen.

Elk jaar in mei worden er verkiezingen gehouden voor de gekozen leden van de USR, waarbij elke Radboudstudent mag stemmen. De gekozen leden kwamen afgelopen jaren vanuit de twee studentenpartijen: AKKUraatd en asap. In oktober maakte asap bekend na het huidige collegejaar te ontbinden vanwege een tekort aan actieve leden.

5
Interview
tekst Marieke van Ruiten illustratie Jip Meijers

observaties.’

andere lagen van het onderwijs gaan samen de nieuwe tijd vormen. Om dan te zien dat er een toename is in burn-outs, stress en financiële problemen onder jongeren, daar word ik gewoon woest van.’

De Jong: ‘Het punt van studentenwelzijn proberen we te benadrukken in elk advies dat wij over beleidsstukken geven, bijvoorbeeld als het gaat om vormen van onderwijs. In de pandemie zijn er digitale vormen van onderwijs opgestart. We willen graag dat die beschikbaar blijven voor studenten die het nodig hebben. Dat kan leiden tot meer rust en minder werkdruk. Überhaupt zou ik graag willen zien dat alle studenten uitgebreid toegang hebben tot weblectures. Meer toegang tot kennis is altijd een goed idee.’

Vetter: ‘Het is inderdaad super zonde om de opgebouwde infrastructuur van de pandemie helemaal weg te gooien. Als AKKUraatd zijn wij het er bijvoorbeeld niet mee eens dat er zelfs binnen faculteiten verschil is tussen opleidingen rondom het aanbieden van digitaal onderwijs. Bij sommige vakken is het zelfs zo dat de docent bepaalt of ze het aanbieden of niet. Dat geeft weinig houvast voor studenten.’

Wat zijn concrete oplossingen die jullie voor ogen hebben om studentenwelzijn te verbeteren?

ten bij. Is diezelfde opleiding het jaar daarop populairder bij een concurrent, dan moeten er weer mensen weg. Zo kan je onderwijs niet over een langere termijn ontwikkelen. Als docent doe ik mijn best het eerste jaar dat ik een vak geef, maar er moet nog veel aan worden verbeterd. Tijdens het tweede jaar begint het ergens op te lijken en een vak wordt pas echt goed als je het vier of vijf jaar hebt gedoceerd. Als je met tijdelijke docenten werkt zijn die er tegen die tijd niet meer.’ ‘Wetenschappers aan de universiteit staan daardoor ook zodanig met elkaar in concurrentie dat ze onderzoeksvoorstellen schrijven tot ze erbij neervallen. De beoordeling van wetenschappers is de afgelopen jaren gebaseerd op harde, kwantitatieve metingen om te bewijzen dat ze waardevol zijn voor de universiteit. Iemands kwaliteiten worden beoordeeld op hoeveel artikelen ze hebben gepubliceerd, hoe vaak het is geciteerd en hoeveel geld ze hebben binnengehaald. Maar niet op de kwaliteit van de inhoud van het werk of de kwaliteit van het onderwijs dat ze geven. Dat geeft een verkeerd signaal aan jonge wetenschappers, namelijk dat zoveel mogelijk papers publiceren het doel is in het leven.’

je wordt geholpen. Dat geldt niet alleen voor studieadviseurs, ook studentpsychologen hebben lange wachttijden.’

‘Zo een beoordeling is subjectiever, maar het gaat wel in op de inhoud. Het feit dat maatstaven zoals de hoeveelheid citaties en publicaties objectief zijn, omdat er geen mens aan te pas komt, betekent niet per se dat ze correct zijn. Op de RU zijn we daar overigens wel een slag in aan het maken met een nieuwe visie op erkennen en waarderen.’

De Jong: ‘Die lange wachttijden herken ik zeker. Als je nu een afspraak wilt maken kan het goed zijn dat er pas over een maand plek is. Wanneer je uitgebreide toegang nodig hebt tot weblectures moet je dat via de mail proberen op te lossen omdat een afspraak maken niet lukt. Dat is kwalijk want in sommige gevallen is het echt nodig om met iemand te praten omdat je zelf niet precies weet wat je nodig hebt.’

Heeft de USR ook de middelen om voor verandering te zorgen?

Denkt u dat deze vorm van beoordelen realistisch is? ‘Het is niet perfect. Het grote risico is dat er vriendjespolitiek ontstaat. Wetenschappers in hetzelfde vakgebied kennen elkaar vaak. Die komen elkaar op congressen tegen. De grote puzzel is om het niet persoonlijk te maken. Toch denk ik dat het een vooruitgang is ten opzichte van alleen maar naar de cijfers kijken.’

De Jong: ‘Ja en nee. We hebben als USR zeker de mogelijkheid om proactief ideeën aan te dragen, zoals het Billie Cup-initiatief. Aan de andere kant denk ik dat een groot deel van het vermogen van de USR afhankelijk is van het enthousiasme van studenten om samen aan ideeen te werken. Als studentenbetrokkenheid achterblijft doet dit af aan de kracht van de USR.

verantwoordelijkheid kan nemen voor de ondersteuning die de USR krijgt. Dat bewaren we echter voor een intern gesprek met het CvB.’

Als jullie de medezeggenschap helemaal anders konden inrichten, hoe zou deze er dan uit komen te zien?

vooral heel trots op ben, is dat het doceren steeds beter is gegaan. Door het feit dat ik een vast contract kreeg, had ik de tijd om mijn onderwijs te verbeteren. Ik kon het oppoetsen tot het glom als een diamantje. Dat hoor ik ook terug van de studenten.’

Vetter: ‘Ik zou graag zien dat de USR meer instemmingsrecht heeft. Ik stoor me er weleens aan dat we op sommige stukken alleen adviesrecht hebben. Aan de andere kant snap ik het als het stukken zijn die over de OR gaan, maar die moeten we alsnog behandelen, wat ons wel werk oplevert.’

Hoe kan wetenschap worden beoordeeld zonder kwantitatieve indicatoren?

Vetter: ‘Er wordt momenteel gesproken over projecten om studieadviseurs toegankelijker en breder in te zetten. Het aanbod en de kwaliteit van studieadviseurs is nu namelijk ondermaats. Studieadviseurs krijgen momenteel geen training of opleiding voordat ze hun functie mogen bekleden. Als zij beter uitgerust zijn om studenten te ondersteunen, dan kan dat stress stress wegnemen bij studenten omdat ze makkelijker en beter kunnen worden geholpen.’

Hoe komt het dat het aanbod van studieadviseurs nu ondermaats is?

Vetter: ‘Een terugkerend probleem is dat het heel lang duurt voordat

‘De inhoud moet belangrijker worden dan de hoeveelheid. We moeten richting een beoordelingscultuur waarbij de bijdrage die iemand levert aan de wetenschap het belangrijkst is. Voor die beoordeling moeten experts in dat vakgebied ernaar kijken. Het gaat dan niet om hoe vaak iets is geciteerd, maar of iets heeft bijgedragen aan de ontwikkelingen in een vakgebied. Een artikel met een geweldige ontdekking is veel belangrijker dan honderd gepubliceerde stukjes met triviale

Afgezien van wat wij proactief inbrengen, is ons medezeggenschap een passieve rol. Als we het als USR en CvB oneens zijn over beleid leidt dat tot een gesprek waarin uiteindelijk consensus wordt bereikt. Vaak is het dan een beleidsstuk waar we instemmingsrecht over hebben. Meestal geef je allebei een beetje terug. Uiteindelijk heb je als USR maar beperkte invloed.’

Vetter: ‘Het kan lang duren, maar je kan echt wel dingen voor elkaar krijgen. Ik voel me niet nutteloos. Bij zo’n consensus wil je natuurlijk wel het uiterste bereiken, maar in de ogen van het CvB is dat dan niet haalbaar omdat de middelen er niet zijn. Als je consensus bereikt kan je dat vieren als een overwinning. Het is je eigen afweging of je dan vindt of je voldoende hebt bereikt.’

U bent zelf wetenschapper. Hoe ervaart u de druk? ‘Zelf heb ik nog niet zo lang een vaste aanstelling. Via allerlei constructies ben ik rondgeklotst van de ene universiteit naar de andere. In die tijd had ik het idee dat ik veel moest publiceren, want ik wilde bewijzen dat ik waardevol ben. Eigenlijk ben ik juist meer gaan publiceren op het moment dat het niet meer hoefde. Toen ik wist dat ik mocht blijven, kreeg ik rust in mijn hoofd en hoefde ik niet meer als een gek onderzoeksaanvragen te schrijven. In samenwerking met promovendi is het de afgelopen jaren echter bijna vanzelf gegaan, omdat we steeds op dingen komen waarvan ik denk: ‘’Wauw, dat moeten we opschrijven.’’’

De Jong: ‘Het lijkt mij goed om een studentassessor te hebben binnen het CvB. Het zijn nu namelijk allemaal mensen die de leeftijd van de gemiddelde student lang en breed zijn gepasseerd. Op facultair niveau is er altijd een assessor bij die de spil vormt tussen de facultaire raad en het faculteitsbestuur. Op centraal niveau zou dat ook kunnen. Dan zouden studenten op een informele manier meer inspraak hebben. Ik zou het een mooie manier vinden om het studentenperspectief actief in het bestuur te brengen.’

Speelt het CvB een rol in de beperkte invloed van de USR?

Vetter, twijfelend: ‘Wij zijn wel van mening dat de universiteit wat meer

Merkt u dit aan de kwaliteit van uw werk? ‘Goh, dat weet ik niet. Op de cijfertjes ik niet zo. Waar ik

KAMERVRAGEN

In Kamervragen gaan twee studenten op ontdekkingstocht in elkaars kamer en speculeren ze over de persoonlijkheid, activiteiten en vreemde trekjes van de bewoner. Kunnen ze uitvinden wat voor persoon er achter de kamer schuilgaat? Deze editie: Jasmijn en Marieke.

Jasmijn op bezoek bij Marieke

Jasmijn betreedt de opgeruimde kamer. ‘Het voelt vreemd om in iemand zijn kamer te staan wanneer je diegene niet kent.’

Haar felgele jas kleurt opvallend af tegen de witte ruimte waarin opmerkelijk veel bladgroen aanwezig is. ‘Wat een leuke kamer’, merkt ze vrolijk op. Achterin de ruimte prijken zowel een hoogslaper als een tweepersoonsbed, waarop Jasmijn verbaasd reageert: ‘Ik vraag mij af waarom de bewoner twee bedden heeft. Zoiets lijkt mij heel irritant.’ Boven het tweepersoonsbed hangt een wandplank waarop een boek ligt. ‘ The Chimpparadox: The mind-management program for confidence, success and happiness ’, leest ze voor. ‘Dit is vast een Communicatie- of Psychologiestudent.’

In haar zwarte kisten banjert Jasmijn naar de andere kant van de kamer, waar ze boven het bed een poster van de rapper Joost ziet hangen. Ze reflecteert hardop: ‘De bewoner houdt kennelijk van Nederlandse muziek.’ Vervolgens wijst Jasmijn naar twee beschilderde glasplaten die op het bureau tegen de muur staan. Ze beelden elk een nummer op Spotify af, Zus

Wanneer de deur van de kamer opengaat, is Marieke meteen onder de indruk. ‘Wauw’, is het eerste wat uit haar mond komt, gevolgd door de observatie: ‘rood’. Dat rood inderdaad de boventoon voert in de kleine kamer is te zien aan het dekbed, de stoel en het tapijt. Vol nieuwsgierigheid loopt Marieke verder de kamer in. De linkermuur boven het bureau trekt meteen haar aandacht. Deze is behangen met kleine kunstwerkjes, tekeningen, posters van arthouse films en gezellige foto’s. Op het bureau vindt ze een Nijntje-poppetje. Het konijn blijkt een terugke -

van Terry Joint en Ella van Two Feet. ‘Heel cool. Zou de bewoner die zelf hebben gemaakt?’, vraagt Jasmijn twijfelend.

Hierna graaft Jasmijn de lades van het bureau door.

Na het vinden van een zelfgehaakt hartje, een set kleurpotloden en een kleurplaat, zegt ze: ‘Dit moet een creatief persoon zijn.’ Al gniffelend voegt ze toe: ‘Misschien is ze wel een psychologiestudent die kleurplaten invult voor haar mindfulness.’ Kort speurt

Jasmijn door de geordende kast, die het bureau en tweepersoonsbed van elkaar scheidt. In de kast treft

Jasmijn een aantal lege drankflessen aan. ‘De bewoner heeft de drankflessen wel verstopt’, zegt ze met een spottende glimlach.

Jasmijn wendt zich naar links en bekijkt de muur, die met foto’s is bedekt. ‘Volgens mij is het een meisje’, herleidt de geboren detective aan de hand van de grote hoeveelheid afbeeldingen van dezelfde blije meid. Daarnaast hangen er veel feestelijke plaatjes tussen, waaruit Jasmijn concludeert dat de bewoonster van festivals en uitgaan houdt. Eveneens analyseert ze een afbeelding van drie meiden met rood-gele sjaals en generaliseert: ‘Zo’n carnavalsfoto betekent dat ze uit Den Bosch komt.’ Bij een volgende foto fonkelt plots het enthousiasme in haar ogen. Daarop staat een groep euforisch zij aan zij, met op hun shirts de tekst ‘Psychologie 2022’. ‘Dit moet dus een student Psychologie zijn’, slaakt ze.

rend thema: ze prijkt onder andere op een lamp, een theepot en een slaapmasker. ‘Wat leuk, de bewoner is fan van Nijntje. Waar zou dat vandaan komen?’, vraagt Marieke zich af.

Zoekend naar aanwijzingen over de bewoner draait de speurder zich om en stuit ze op de boekenkast. Daar treft ze alleen maar leesboeken aan. In geen velden of wegen is een studieboek te bekennen. De opleiding Geschiedenis schiet Marieke te binnen, maar een echte onderbouwing heeft ze hier niet voor. ‘Of zou ze iets met film of iets anders creatiefs studeren?’

Na deze twijfels vindt ze nog een Nijntje in de kast, maar dit brengt Marieke niet dichter bij een antwoord. Er zijn nog een hoop andere jeugdsymbolen te vinden. Ook Jip en Janneke, het Sinterklaasjournaal en Kikker pronken aan de muur. ‘Misschien maakt ze zelf wel kindertekeningen?’ Naast het bureau hangen nog meer filmposters en ietwat bijzondere foto’s: Willem

Vetter: ‘Als je de USR meer zou inrichten als een gemeenteraad met meerdere partijen, kan je denk ik meer perspectieven belichten. Nu hebben we een tweepartijensysteem, ondersteund door politiek commissarissen. Met vier of vijf partijen krijg je inhoudelijk een totaal ander perspectief. Wellicht maakt het de studentenpolitiek ook laagdrempeliger. Persoonlijk lijkt het mij heel leuk, ik houd wel van een verhit debat.’ De Jong: ‘Laagdrempeligheid vind ik een interessant punt. Nu doe je een jaar lang medezeggenschap, of je doet het niet. Er komen documenten langs die over allerlei onderwerpen gaan. Het kan best kan zijn dat er een bepaald onderwerp langskomt dat toevallig vijf studenten van een bepaalde studie interesseert. Momenteel kan je als student niet voor één onderwerp worden betrokken bij de USR. Ik denk dat daarmee bepaalde perspectieven worden gemist.’ ANS

6
6
Jasmijn Marieke op bezoek bij Jasmijn Marieke tekst en foto’s Guul Stienen en Pablo Vinkenoog Noah Vetter is Mark de Jong is

geboden. Hierdoor ging zij zich bezighouden met HR-zaken. ‘Trash’ure Taarten heeft me een stabiel leven gegeven: ik ben hier nu sociaal werkbegeleider met een vast contract’, zegt Mustafa trots. ‘Het was moeilijk om een werkgever te vinden die me op niveau schatte, maar dat gebeurt hier wel.’ Ze vervolgt: ‘Statushouders kunnen dat bijna nergens vinden, want werkgevers denken altijd aan geld. Bij Trash’ure Taarten zijn ze geduldig en proberen ze ons altijd iets nieuws te leren.’ Nu kan ze dromen over de toekomst: ‘Ik wil mezelf ontwikkelen en directeur worden hier’, zegt ze met een knipoog naar Van Ittersum.

‘Nederlanders begrijpen elkaar beter dan wanneer een buitenlander met een Nederlander gaat praten.’

Meer dan een baan

Van Kooij komt de werkplaats uit lopen met een schaaltje lekkernijen. ‘Ik heb veganistische gevulde speculaas en stol. Hetzelfde soort als dat jullie net gemaakt zagen worden in de werkplaats’, zegt hij. Terwijl de baksels rondgaan om iedereen te laten proeven, vertelt Van Ittersum dat er meer problemen spelen die statushouders tegenhouden bij het vinden van een baan. ‘Iedereen komt hier binnen met een taalachterstand, maar gaandeweg kom je erachter dat dat het minst grote probleem is dat speelt bij een persoon’, zegt Van Ittersum. ‘Vaak speelt er een vervelende thuissituatie of trauma mee die extra tegenslag biedt bij het vinden van een baan.’

Ondertussen voegt Nada Sabri, een andere medewerker, zich bij het gesprek. Ze legt uit hoe Van Ittersum en Van Kooij de medewerkers helpen bij verschillende problemen. ‘Anton en Jeanne staan altijd voor ons klaar, ook voor problemen die niet over werk gaan.’ Van Ittersum haakt daarop in: ‘We proberen hen voor te bereiden op het werkende leven in Nederland. Zo ondersteunen we bijvoorbeeld mensen met smetvrees of helpen we hen ook met vragen over hun zorgverzekering of tandarts- of doktersafspraken’, legt de oprichter uit. Verder krijgen statushouders ook te maken met discrimina -

tie in de sollicitatieprocedure volgens Van Ittersum. ‘Daarom schrijven we samen met hen sollicitatiebrieven en soms gaan we zelfs mee op gesprek’, zegt ze. ‘Dan kan ik maar beter meegaan als levende referentie door te zeggen dat diegene altijd op kwam dagen en altijd op tijd was’, vervolgt ze vurig. Ze glundert als ze opmerkt dat ze al veel mensen op die manier aan een baan hebben geholpen. Mustafa kijkt op. ‘Echt dit’, zegt ze terwijl ze het pico bello teken maakt met haar vingers. ‘Nederlanders begrijpen elkaar beter dan wanneer

een buitenlander met een Nederlander gaat praten. Daarom is het belangrijk om een goed contactpersoon te hebben, zoals Jeanne’, voegt ze eraan toe.

Veel medewerkers blijven wel bij Trash’ure Taarten werken omdat ze het soort begrip krijgen die ze missen bij andere werknemers of in de Nederlandse maatschappij. ‘We zijn echt een soort familie’, stelt Mustafa. Op de vraag of de overheid dan ook genoeg doet voor statushouders reageert zij snel: ‘Trash’ure Taarten is de overheid voor mij.’ ANS

37e jaargang

37e jaargang

Hoofdredactie Sophia van Engelshoven en Philip Schröder

Redactie Vera Joosten, Marieke van Ruiten, Tom Steenblok, Michelle Tang en Claire Vaessen

Medewerkers Floriaan Gruisen, Guul Stienen en Pablo Vinkenoog

Illustratie Jip Meijers

Foto’s Vera Joosten, Dario König, Thijs Meeuwisse, Guul Stienen en Pablo Vinkenoog

Hoofdredactie Sophia van Engelshoven en Philip Schröder Redactie Vera Joosten, Marieke van Ruiten, Tom Steenblok, Michelle Tang en Claire Vaessen Medewerkers Floriaan Gruisen, Guul Stienenen en Pablo Vinkenoog Illustratie Jip Meijers

Logodesign voorpagina

voorpagina Noah Kleijne

bestuur Khalid Abouzia (voorzitter), Yunus Sahin (penningmeester) en

Druk Flevodruk Harlingen BV Uitgave, abonnementen en advertentie-acquisitie Stichting MultiMedia: stichtingmultimedia@gmail.com

Noah Kleijne Dagelijks bestuur Khalid Abouzia (voorzitter), Yunus Sahin (penningmeester), Sem Wilbers (secretaris) Druk Flevodruk Harlingen BV Uitgave, abonnementen en advertentie-acquisitie Stichting MultiMedia: stichtingmultimedia@gmail.com Redactieadres Heyendaalseweg 141 6525 AJ Nijmegen Mail: redactie@ans-online.nl

Redactieadres Heyendaalseweg 141, 6525 AJ Nijmegen Mail: redactie@ans-online.nl Tel. 06-45 176 456

8
Eindredactie Richard van den Berg, Jochem Bodewes, Delphine Broasca, Pim Dankloff, Britt Duijzer, Floriaan Gruisen , Maud Hagens, Maan Heijthuijsen, Julia Meilink, Guul Stienen, Mirthe Tetsch, Floor Toebes en Pablo Vinkenoog Lay-out Philip Schröder 8
Tel. 06-45 176 456
Foto’s Vera Joosten, Dario König, Thijs Meeuwisse, Guul Stienenen en Pablo Vinkenoog Eindredactie Richard van den Berg, Jochem Bodewes, Delphine Broasca, Pim Dankloff, Britt Duijzer, Floriaan Gruisen, Maud Hagens, Maan Heijthuijsen, Julia Meilink, Guul Stienen, Mirthe Tetsch, Floor Toebes en Pablo Vinkenoog Lay-out Philip Schröder Logodesign Dagelijks Sem Wilbers (secretaris)