Page 1


COLOFON Verantwoordelijke uitgever: prof. dr. Wim Robberecht, voorzitter Redactie en samenstelling: Prof. Rik Torfs Prof. dr. Wim Robberecht Prof. dr. Philippe Van Hootegem Marga Lavaerts Prof. dr. Dirk De Ridder Prof. dr. Caroline Weltens Prof. Kris Vanhaecht Dr. Luk Bruyneel Suzy Van Hoof Foto’s: Rob Stevens The Image-Zone UZ Leuven, Stijn Knapen Redactie: VznkuL vzw Herestraat 49 3000 Leuven – België T. +32 (0) 34 23 72 info@vznkul.be www.vznkul.be Vormgeving: Dotplus Niets uit deze uitgave mag overgenomen of vereenvoudigd worden zonder schriftelijke toelating van de uitgever.


INHOUD Voorwoord rector KU Leuven 4 Voorwoord voorzitter VznkuL 5 Historiek VznkuL 6 Leden 12 Bestuursorganen 13 Missie en doelen 14 Kwaliteit als strategische pijler van het VznkuL 16 Strategie en concrete werkwijze 20 Werkgroepen 24 Second and third victim 28 VZN-BI 30 Strategische inzichten 31 Tactische opvolging 31 Nurse Related Groups (NRG’s) 31 VZN-PI 32 Verpleegkundige indicatoren 33 Decubitus 33 Pijn 33 Valpreventie 33 EWS 33 Klinische Performantie 34 Hospital Standardized Mortality Ratio (HSMR) 34 Niveau individuele ziekenhuizen 34 Niveau VznkuL met oog op verbeteren kwaliteit 35 Niveau VznkuL met oog op belangenverdediging en publieke rapportering 35 Klinische kwaliteitsindicatoren met focus op verbeterprocessen 35 MKA en tandheelkunde 36 Niet Traumatische Aandoeningen van het Axiaal Skelet (NTAAS) 36 NefroCare 36 Oppervlakkige blaastumoren 36 Vaatheelkunde 37 Liesbreukchirurgie 37 Radiologie 37 Kwaliteitsindicatoren in de beroertezorg 37 Respiratoire oncologie 37 Belangenverdediging 38 Zeldzame ziekten: classificatie en aanpak 39 Visie op zorgnetwerken 39 Zorgprogramma kindergeneeskunde 40 Governance van netwerken 41 Slotbeschouwing 42


Voorwoord rector KU Leuven

“Het netwerk gaat niet enkel over duurzaamheid maar ook over reële samenwerking.” Met veel plezier schrijf ik een kort voorwoord voor dit lustrumboek. Dat is een levend bewijs van de vitaliteit die het Vlaams Ziekenhuisnetwerk KU Leuven eigen is. Dus is het een reden tot vreugde. Vooreerst wijst het woord lustrum al op enige duurzaamheid. Om een lustrum te bereiken zijn minstens vijf jaren nodig. Sommige verenigingen gaan al veel eerder ter ziele. Maar hier gaat het om een derde lustrum. Dat betekent niet enkel dat er al twee zijn gepasseerd, maar dat de leden van het netwerk elkaar gevonden hebben. Een derde lustrum bereik je niet zonder echte inhoud en gezamenlijke belangen. Zo kom ik meteen bij een tweede gedachte. Het netwerk gaat niet enkel over duurzaamheid maar ook over reële samenwerking. Die is, in de ziekenhuissector maar ook elders, belangrijker dan ooit. Wie denkt dat hij het alleen kan, vergist zich en vergeet de relativiteit der dingen. Bovendien werken we niet enkel samen om elkaar te versterken, waar niets mis mee is, maar ook ten bate van de heel concrete mensen die patiënten zijn. Samenwerking belooft in de toekomst nog aan belang te winnen. De gezondheidszorg gaat de komende jaren wellicht door een belangrijke evolutie. Wie dan alleen staat en enkel aan zichzelf denkt, dreigt daar bekaaid van af te komen.

4

Duurzaamheid en samenwerking zijn twee woorden die nauw verbonden zijn met het begrip vertrouwen. Als er iets is waaraan we vandaag behoefte hebben, is het toch wel dat. Soms hoor je wel eens zeggen dat vertrouwen goed is en controle beter, maar om te controleren heb je controleurs nodig. Dat zijn niet altijd te leukste mensen. Dus laten wij maar op weg trekken met de vrienden en collega’s die altijd aan onze zijde hebben gestaan. En hen doodgewoon vertrouwen. Dat verdienen ze. Rik Torfs Rector KU Leuven Februari 2017


Voorwoord voorzitter VznkuL

“Meer dan ooit staat netwerk­vorming centraal in patiëntenzorg.” In 2002 stonden artsen en directieleden van een aantal Vlaamse ziekenhuizen aan de wieg van het Vlaams Zieken­huisnetwerk KU Leuven, met de bedoeling een duurzame samenwerking op te zetten op het vlak van aanbod en kwaliteit van gezond­ heidszorg. Vijftien jaar later blijkt dit initiatief visionair te zijn geweest. Meer dan ooit staat netwerkvorming centraal in patiëntenzorg en wordt kwaliteit van zorg een expliciete vraag van patiënten, overheid en zorgverstrekkers zelf. Sedert 2002 heeft het VznkuL een belang­ rijk groei- en maturatieproces doorgemaakt. De omvang veranderde drastisch: van een netwerk van een tiental leden is het uitgegroeid tot een samenwerking van 31 ziekenhuizen, die 55 % van de Vlaamse en 30 % van de Belgische ziekenhuis­ bedden vertegenwoordigen. Ook de missie van het VznkuL veranderde, waarbij de nadruk kwam te liggen op het optimaliseren van zorg- en beleidskwaliteit door het delen van kennis en gegevens. Op die manier beoogt het netwerk bij te dragen aan de waardencreatie waarbij de kwaliteit van zorgverstrekking bevorderd en de kost ervan gereduceerd wordt. De maatschappelijke nood hieraan is immers immens. Het VznkuL gebruikt hiertoe een wetenschappelijk verantwoorde en cijfermatig onderbouwde methodologie, waarin twee strategieën een belangrijke rol spelen. In werkgroepen worden zorg en beleid inhoudelijk geanalyseerd. Zij vormen het hart van de samenwerking. De bijdrage eraan door directies, artsen, verpleegkundigen en andere zorgverstrekkers, maar ook door informatici, technische diensten en andere medewerkers, is indrukwekkend gebleken en is onontbeerlijk voor het welslagen van

het VznkuL-project. De tweede strategie bestaat in het generen van grote reeksen van cijfergegevens over zorgprogramma’s, patiëntengroepen, procedures, verblijfs­ duur, etc. Hiertoe is een gemeenschappelijk communicatieplatform bijzonder belangrijk gebleken. Het feit dat de meeste leden hetzelfde elektronische patiëntendossier gebruiken, faciliteert niet alleen de alledaagse patiëntenzorg in de prak­ tijk, maar is ook een onmisbaar middel om data te bekomen die de basis vormen van projecten voor kwaliteitsverbetering die de leden aanbrengen. Het heeft de werking van het VznkuL op een significant hoger niveau gebracht. Deze twee strategieën staan garant voor de validiteit van de data die door het VznkuL worden gegenereerd en de standpunten die erdoor worden ingenomen. Het VznkuL heeft hierdoor aanzienlijk aan slagkracht gewonnen. Het is uitgegroeid tot een organisatie die de belangen van zijn leden verdedigt tegenover derden, een opdracht die transparantie van beslissingsprocedure en bestuur vergt, en waaraan het VznkuL zijn structuren en werking heeft aan­ gepast. De activiteit van het coördinatie­ team, in het leven geroepen in 2010, is hiervoor essentieel geweest. De uitdagingen waarmee de gezond­ heidszorg de volgende jaren geconfronteerd zal worden zijn groot. Het VznkuL heeft de ambitie om deze aan te gaan door zijn opdracht als inclusief netwerk gericht op transparantie en wetenschappelijk onder­bouwde kwaliteitsverbetering blijvend op te nemen. Graag wil ik alle leden van harte danken voor hun enthousiaste bijdrage gedurende de afgelopen vijftien jaren. Verder dank ik alle leden van de raad van bestuur in de

verschillende samenstellingen voor hun belangloze inzet. Zij worden verder in dit lustrumboek vermeld. In het bijzonder noem ik hier Guy Mannaerts, stichtend voorzitter, en Bart Van Daele, Jozef Van Thillo, Hugo Casteleyn en Johan Kips, die het VznkuL gestalte gaven in de afgelopen periode. Ten slotte gaat, in naam van het hele VznkuL, mijn erkentelijkheid uit naar het huidige coördinatieteam, Dirk De Ridder, Caroline Weltens en Marga Lavaerts, voor hun onverdroten inspanning voor dit prachtige project. Wim Robberecht Voorzitter Februari 2017

5


“Hoe diep is de Schelde?” 6


Historiek VznkuL Toespraak door Philippe Van Hootegem, voorzitter Medische Raad AZ Sint-Lucas Brugge, bij de oprichting van het Vlaams Ziekenhuisnetwerk KU Leuven op 19 maart 2002 en ondervoorzitter VznkuL t/m 2016

Philippe Van Hootegem

Meneer de rector, zeer geachte aanwezigen, beste vrienden… Het is misschien niet gebruike­lijk om een toespraak op een Academische zitting te beginnen met “beste vrienden”. Toch is deze aanspreking vandaag op zijn plaats. We zijn hier vandaag immers bij mekaar om samen een project op te starten waarvoor een zeker basisvertrouwen en gemeenschappelijke verbondenheid noodzakelijk zijn. De wil om samen iets te doen, om kennis met elkaar te delen, om een beetje autonomie op te geven, dat zijn toch streefdoelen die vriendschap veronderstellen. Beste vrienden, vandaag staan we op een scharnierpunt waarbij enerzijds een vrij lang onderhandelingsproces wordt afgesloten en waar anderzijds de realisatie van een idee nog verder vorm gegeven moet worden. Van bij het begin was ik van nabij betrokken bij de besprekingen over het netwerkproject in ons ziekenhuis en ik zou u daarom vanavond enerzijds een korte schets willen brengen van mijn visie, enerzijds op de voorbije onderhandeling en anderzijds en voornamelijk, over de verwachtingen die ik als arts en vele artsen met mij in dit project hebben. De meeste onder u weten dat dit zieken­ huisnetwerkproject ontstaan is uit een zekere malaise over de vroeger afgesloten affiliatie-overeenkomsten. Mede onder impuls van de ziekenhuizen te Genk en te Bonheiden werd geijverd voor een meer inhoudsvolle samenwerking met UZ Leuven. We staan inderdaad als ziekenhuizen en artsen allen voor dezelfde uitdaging om

een steeds toenemende complexe zorg te verlenen bij steeds grotere kwaliteits­ vereisten en toch beperkte middelen. Een ziekenhuis is daarbij geen vastliggende entiteit, maar een voortdurend wijzigend systeem. De planning van vandaag is op het tijdstip van de uiteindelijke realisatie misschien achterhaald of gewijzigd, zodat een grote flexibiliteit in ons handelen noodzakelijk is. Voor elk ziekenhuis en elke arts stellen zich steeds opnieuw 3 essentiële vragen: 1. Wie zullen onze patiënten zijn? 2. Welke zullen hun nood en verlangens zijn? 3. Aan welke ziektes zullen ze lijden? Een uitgebreide discussie over de moge­ lijke antwoorden op deze 3 vragen zou ons vanavond te ver lijden, maar het is duide­lijk dat het ziekenhuis evolueert naar eenheden met enerzijds goed uitgeruste medische urgentiediensten, anderzijds grote poli­klinieken met belangrijke hoogtechnologische infrastructuur, een zeer uitgebreid daghospitaal en anderzijds de klassieke hospitalisatie, waar naast de zeer acute therapie, revalidatie, geriatrische en palliatieve zorg aan belang toenemen. Het is duidelijk dat de noodzakelijke grote flexibiliteit ook samen zal gaan met een takenverdeling en een complementariteit tussen de ziekenhuizen. Dit is ongetwijfeld één van de belangrijke redenen om over netwerkvorming na te denken. In de contactvergadering die we op 15 november vorig jaar hadden te Bonheiden sprak collega Bart Van Daele uitvoerig over de motivatie om een ziekenhuisnet-

7


werk op te richten. Hiermee volgen we niet alleen een trend waarin andere bedrijven ons voorgingen en waarin nu ook de hogescholen zijn betrokken, maar kunnen we een meerwaarde creëren die de zorg voor onze patiënten enkel kan ten goede komen. Nu staan, zoals u weet, tussen droom en daad wetten in de weg en praktische bezwaren. Het getuigde van een zekere vermetelheid bij de directie van UZ Leuven om zich te wagen aan een project waarbij 12 ziekenhuizen werden uitgenodigd en waarbij lokale tradities, geplogenheden en gevoeligheden natuurlijk niet anders konden dan een rol spelen. Nu is een kritische geest met een open discussie en duidelijk omschreven meningsverschillen te ver­ kiezen boven apathie en onverschilligheid. Het doel van een academische opleiding is juist het verwerven van een kritische geest. Aangezien meer dan de helft van de artsen in Vlaanderen alumni zijn van de KU Leuven kon men aan deze universi­ teit toch ook niet anders verwachten dan dat het voorgestelde project kritisch zou onthaald worden. Op dit punt gekomen ben ik u enige uitleg verschuldigd over de titel van mijn toespraak vanavond “Hoe diep is de Schelde?”. Tijdens één van de besprekingen maakte Professor Mannaerts de bedenking dat de perceptie van het ziekenhuisnetwerk in de verschillende ziekenhuizen wel uiteenlopend was en dat er misschien wel een verschil was tussen het graafschap Vlaanderen en het oude Brabant. Zoals u weet is de Schelde steeds de historische grens geweest tussen deze twee middeleeuwse lenen, hoe­wel de Leuvense universiteit, en dat blijkt uit de oorkonden, van in den beginne gesticht werd voor de ganse Nederlanden. Het is natuurlijk wel zo dat de afstand tot Leuven, zeker in tijden van toenemende mobiliteitshinder, een belangrijke rol speelt in de perceptie van het nut van mogelijke samenwerking. Ik dacht nochtans dat er voldoende bruggen over de Schelde ge­ bouwd waren om vlotte verbindingen mogelijk te maken. De Schelde kan na­ tuurlijk ook figuurlijk diep zijn en er moet inderdaad een belangrijke emotionele stap gezet worden om toe te treden tot het netwerk. Een zekere vrees voor dominantie vanuit UZ Leuven of voor afremming van de eigen ziekenhuisontwikkeling of nog andere factoren hebben gemaakt dat drie van de oorspronkelijk uitgenodigde zieken­ huizen hier vanavond (nog) niet vertegenwoordigd zijn. Ik betreur dit ten zeerste

8

en ik hoop dat verdere gesprekken en de realisaties, die het netwerk kan voorleggen, hen er alsnog kunnen toe brengen ook toe te treden. De Schelde is natuurlijk de Vlaamse stroom bij uitstek, maar ik had even goed figuurlijk kunnen spreken over de Dijle, de Dender en de Demer, want elk van de hier vertegenwoordigde ziekenhuizen en hun artsen hebben de stroom figuurlijk moeten oversteken om deze netwerkovereenkomst mogelijk te maken. Zoals ik al zei moet het eigenlijke werk nu pas goed beginnen. Laat mij even toe met u te overlopen wat ik als arts hiervan verwacht. Laat mij beginnen met wat ons als arts uiteraard het meest ter harte gaat of zou moeten gaan, de zorg voor de patiënt. Het

uitbreiden van de ziekenhuisstaf met nieuwe stafleden. Zeker in associatief verband betekent het aantrekken van een nieuw staflid werkelijk het delen van reputatie, patiënten en centen en is dus een stap die slechts na grondige overwegingen kan gezet worden. Het is duidelijk dat elk netwerkziekenhuis hoopt dat er een blijvend aanbod is van hoogopgeleide kandidaten die vertrouwd zijn met nieuwe technologische ontwikkelingen en die de staf van onze ziekenhuizen kunnen ver­rijken. Ik hoop dat UZ Leuven ons ook in de toekomst de meest kwaliteitsvolle kandidaten kan voorstellen. Het is één van de taken van het netwerk om de noden in dit verband tijdig op te sporen en te signaleren. Het opleiden van geneesheer-specialisten is een ander veel besproken deel van de

Ondertekening oprichting VznkuL

is duidelijk dat in de huidige geneeskunde niemand nog alleen kan werken en dat slechts uit samenspraak met collega’s uit de eigen of andere disciplines goede medi­ sche zorg en vooruitgang kan ontstaan. Sinds jaren bestaat er een zeer positieve samenwerking tussen artsen van de verschillende ziekenhuizen, vooral maar niet uitsluitend alumni, en UZ Leuven. Dit berust voornamelijk op goede contacten op het persoonlijke vlak. Het is duidelijk dat deze goede persoonlijke contacten ook in de toekomst doorslaggevend zullen blijven. Het netwerk biedt hier een forum om de sterke en de zwakke kanten van de huidige samenwerking te analyseren en waar mogelijk te verbeteren. Een ander belangrijk punt dat ons als artsen natuurlijk zeer ter harte gaat, is het

overeenkomst. Ik kan niet ontkennen dat het hebben van een arts-assistent in oplei­ ding kan bijdragen tot verlichting van het werk van de stagemeester, al is het maar voor de wachtdiensten. Men kan het met een boutade ook op een andere manier opportunistisch bekijken: goed opgeleide assistenten worden later goede specialisten, die voor ons goed zullen zorgen. Het opleiden van een assistent betekent na­ tuurlijk veel meer dan dat. Om te beginnen is het doorgeven van kennis en ervaring één van de meest bevredigende mense­ lijke activiteiten. De kritische geest van de jonge assistenten houdt de stagemeester ook letterlijk en figuurlijk wakker. Het verheugt me dan ook dat het engagement werd aangegaan dat ten minste eenzelfde procentueel aandeel van de ASO’s als heden naar de netwerkziekenhuizen zal


blijven gestuurd worden. Het netwerk kan een belangrijk forum van overleg worden in verband met de inhoud van de opleiding. Nog een element dat ons artsen zeker interesseert is de ontwikkeling van informatica en telematica. Dergelijke projecten kunnen de klinische samenwerking in belangrijke mate ondersteunen. Ik ben sinds enkele dagen de gelukkige eigenaar van dit kleinood, een digipass dat mij toegang verleent tot het LISA-project: het project van Leuvense internetsamenwerking tussen artsen. Hierdoor is het mogelijk ‘online’ informatie over het verloop van het zorgproces te hebben van elke door mij doorverwezen patiënt, voor zover die daarmee akkoord gaat tenminste. Aan­gezien we als verwijzer toch veelal de tussen­persoon zijn voor contact met huisarts en familie vind ik dit een zeer belangrijke aanwinst. Andere projecten van videoconferencing voor postgraduaat-onderwijs of ‘second-opinion’ zullen wellicht ook in het netwerk ontwikkeld kunnen worden waarbij de ervaring met het reeds bestaande Pentalfaproject ongetwijfeld nog van pas zal komen. Tijdens de contactavond, die we te Bonheiden op 15 november hadden, werd naast het reeds besprokene, ook een werkgroep gevormd rond beleidsinformatie en internationalisatie. Als gesproken wordt over beleids­informatie dan vallen zeer snel woorden als benchmarking, klinische zorgpaden, kwaliteitscontrole, enz. Dure woorden die bij de meeste artsen eerder afwijzing dan enthousiasme oproepen. Zoals ik in het begin zei staan we in alle ziekenhuizen nochtans voor dezelfde uit-

dagingen en is het duidelijk dat het uitwisselen van beleidsgegevens voor alle partijen nuttig zal zijn. De werkgroep internationalisatie werd het minst druk bijgewoond, hoewel ook hier de realiteit misschien sneller gaat dan we ons kunnen voorstellen. Patiënten vanuit Nederland en Engeland zijn nu reeds graag gezien in West-Vlaanderen en wellicht ook in andere provincies en als het niet om zo een ern­stige zaak zou gaan, zou het zelfs grappig zijn om te zien dat de Nederlandse patiënten naar België komen, terwijl de Belgische artsen naar Nederland trekken. Voor UZ Leuven zelf zal de internationalisatie wellicht nog een ruimere dimensie krijgen, zoals buitenlandse voorbeelden aantonen. De volgende spreker, verbonden met de Mayo-kliniek zal ons hieromtrent wellicht ook iets weten te vertellen. Er is tenslotte nog een element waar het netwerk als forum zijn belang kan hebben en dat is namelijk in de discussie over de evolutie en de organisatie van de gezond­ heidszorg in België. Op 29 januari stelden de ministers Vandenbroucke en Aelvoet hun “agenda 2002 voor de verandering in de gezondheidszorg” voor. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat hierbij de tactiek van “Divide et Impera” wordt gebruikt. Huisartsen worden uitgespeeld tegen specialisten, ‘intellectuele’ specialisten tegen technici, universitaire tegen ‘perifere’ zieken­huizen, artsen tegen beheerders, zoals steeds voornamelijk over de financiën, enz.

op de gestelde uitdaging en ik hoop dat hierin een forum ontstaat dat werkelijk kan wegen op het beleid. Een goed onderwerp om mee te starten kan bijvoorbeeld zijn de relatie arts-ziekenhuisbeheerder waar de ererector van deze universiteit, Prof. Dillemans, recent van de overheid de rol van bemiddelaar kreeg toegespeeld. U hoort het, geachte aanwezigen, beste vrienden, ik ben overtuigd van het potentieel dat in dit netwerk huist. De tekst van het akkoord die we straks zullen onder­ tekenen is belangrijk, maar veel belang­ rijker nog is de aanwezige spirit en de wil tot samenwerking om concreet iets te realiseren. Er is geen garantie voor succes en het werk begint pas. De externe critici bekijken dit alles met argusogen. Een verwatering zoals bij de vorige affiliatie­ overeenkomsten kunnen we ons niet permitteren. Toen aan de Engelse dichter Oscar Wilde het verwijt werd gemaakt dat hij nogal een moeilijk man was, ontkende hij dit krachtig met de woorden; “I have a very simple taste, I’m always content with the best”. Laten wij ook voor het netwerk enkel tevreden zijn met het beste. Ik dank u voor uw aandacht. Philippe Van Hootegem Maart 2002

De keuze om een netwerk vorm te geven is eigenlijk al een gedeeltelijke uitspraak

“Het is duidelijk dat in de huidige geneeskunde niemand nog alleen kan werken.” 9


Geassocieerde leden Voorzitter Guy Mannaerts Info avond VznkuL in Imeldaziekenhuis

Ondervoorzitter Hugo Casteleyn en Philippe Van Hootegem Coördinator Jozef Van Thillo Secretaris Anne Vanden Bussche • WG Beleidsinformatie • WG Telematica

Sint-Trudo en Mariaziekenhuis Nieuwe leden: AZ Groeninge Secretaris Marga Lavaerts • WG Apotheek • WG Technische diensten • WG Verpleegkundig directeurs • Domeingroepen oncologisch handboek

15.11.2001

Voorzitter Jozef Janssens Coördinator Johan Kips AZ Sint-Maarten treedt toe

2003

2005

19.03.2002

2004

Oprichting VznkuL als verwijsnetwerk

Nieuwe leden • O.L.Vrouwziekenhuis Aalst • AZ Glorieux Ronse • Sint-Franciskusziekenhuis

• Imeldaziekenhuis Bonheiden • AZ Sint-Jozef Turnhout • Sint-Elisabethziekenhuis Turnhout • Ziekenhuis Oost-Limburg Genk • Virga Jesseziekenhuis Hasselt • Christelijk AZ Midden Limburg Hasselt • AZ Sint-Blasius Dendermonde • UZ K.U. Leuven • AZ Damiaan Oostende • AZ Sint-Lucas Brugge

Toetreding RZ Heilig Hart Tienen

Strategisch coördinator Dirk De Ridder

• WG Milieu & Preventie

2011 2010

Ondervoorzitter Hugo Prims

Coördinatieteam • Strategisch coördinator Hugo Casteleyn • Medisch coördinator Caroline Weltens • Administratief coördinator Marga Lavaerts Toetreding Ziekenhuis Maas en Kempen en AZ Diest WG Financieel directeurs

10

2013 13.06.2012

Van feitelijke vereniging naar vzw VznkuL Voorzitter Guy Mannaerts Ondervoorzitters Yves Breysem en Philippe Van Hootegem Bestuurders Marc Decramer, Serge Vanderschueren, Erwin Borremans en Raf Lippens


Voorzitter Mark Waer en vervolgens terug Guy Mannaerts AZ Herentals treedt toe

• Platform HRM

2007 2006

2009 2008

Van verwijzings- naar kennisnetwerk

WG Hoofdgeneesheren Voorzitters Medische Raad

Coördinator Karel Vermeyen WG Algemeen directeurs

Nieuwe bestuurders Voorzitter Wim Robberecht Nieuwe bestuurders Jo Leysen (vv Bormans), Stefaan Carlier (vv Vanderschueren) en Guy Bogaert

Nieuwe leden • AZ Sint-Jozef Malle • Heilig Hartziekenhuis Mol WG Pediatrie Klinische WG MKA en Tandheel­kunde, Nefrocare, NTAAS, Radiologie, Urologie

2015 2014

• Bart Pardon (vv Breysem) • Eric Wyffels (vv Van Hootegem) • Rudy Poedts (vv Lippens) • Bjorn Ghillemijn (vv Bogaert)

Nieuwe leden

• AZ Delta Roeselare • AZ Maria Middelares Gent • AZ Sint-Rembert Torhout • O.L.V. van Lourdes Waregem • Sint-Vincentius Deinze • AZ Vesalius Tongeren Klinische WG CVA

2017

2016 Lustrum symposium

Bijkomend statutair doel: Belangenverdediging Nieuwe leden: • RZ Heilig Hart Leuven • Nationaal MS Centrum Melsbroek WG Communicatie

Nieuwe leden

15 jaar VznkuL

• AZ Sint-Jan Brugge-Oostende • Jan Yperman Ziekenhuis WG Governance Klinische WG FLIPR, REO, Vaatheelkunde

11


Leden

Het VznkuL vertegenwoordigt ondertussen 31 Vlaamse ziekenhuizen voor een totaal van 16.232 erkende bedden. Dit is 55% van de Vlaamse bedden of 30% van de Belgische. De leden worden statutair opgedeeld in drie groepen:

12

– Groep A: UZ Leuven – Groep B: de ziekenhuizen met meer dan 400 erkende bedden – Groep C: de ziekenhuizen met minder dan 400 erkende bedden


Bestuursorganen

Alle leden zijn in de algemene vergadering vertegenwoordigd via hun voorzitter van de raad van bestuur, algemeen directeur, hoofdarts en voorzitter medische raad. Voor UZ Leuven zijn zowel de vice-rector biomedische wetenschappen als de decaan van de faculteit geneeskunde van de KU Leuven bijkomend lid. Elk ziekenhuis beschikt over één stem. De raad van bestuur bestaat naast de voorzitter van het VznkuL en de gedelegeerd bestuurder van UZ Leuven uit leden van de algemene vergadering, benoemd door deze algemene

vergadering. Voor groep B betreft dit vier leden, voor groep C twee. Er wordt steeds gezorgd dat er een evenwichtige vertegenwoordiging is van directie en van artsen. De raad van bestuur wordt om de twee jaar voor de helft gewijzigd. Het coördinatieteam woont de vergaderingen bij. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van het VznkuL en het coördinatie­team (strategisch, medisch en juridisch/administratief coördinator). Linsey Rongé neemt het secretariaat voor haar rekening.

Raad van bestuur

v.l.n.r.: Philippe Van Hootegem (voorzitter medische raad AZ Sint-Lucas Brugge en ondervoorzitter), Marc Decramer (gedelegeerd bestuurder UZ Leuven), Wim Robberecht (voorzitter VznkuL en bestuurscomité UZ Leuven), Yves Breysem (algemeen directeur Jessa Ziekenhuis en ondervoorzitter), Raf Lippens (algemeen directeur Sint-Trudoziekenhuis) en Stefaan Carlier (voorzitter medische raad AZ Groeninge). Ontbreekt: Jo Leysen (gedelegeerd bestuurder AZ Turnhout). Vanaf 2017 wordt Philippe Van Hootegem opgevolgd door Eric Wyffels (hoofdarts O.L.Vrouwziekenhuis Aalst), Yves Breysem door Bart Pardon (algmeen directeur Imeldaziekenhuis), Raf Lippens door Rudy Poedts (algemeen directeur Sint-Franciskus­ ziekenhuis) en wordt het mandaat voor vertegenwoordiger van de artsen voor groep C ingevuld door Bjorn Ghillemijn (hoofdarts AZ Glorieux).

Dagelijks bestuur met secretariaat

v.l.n.r.: Marga Lavaerts (juridisch/admini­ stratief coördinator), Dirk De Ridder (stra­ tegisch coördinator), Linsey Rongé (secretariaat), Wim Robberecht (voorzitter) en Caroline Weltens (medisch coördinator).

13


Missie en doelen

14


Missie en doelen

Missie Het VznkuL wil een netwerk van artsen, paramedici en beleidsmakers zijn om een optimale, patiëntgeoriënteerde, hoogkwalitatieve en maatschappelijk (ethisch, sociaal, financieel,…) verantwoorde gezondheidszorg te realiseren. Het VznkuL streeft ernaar een duurzaam gezondheidszorgnetwerk te zijn dat optimalisatie van zorgkwaliteit realiseert door delen en valoriseren van kennis

en kwaliteitsgegevens. Het netwerk wil bijdragen aan de opleiding van haar medewerkers en de organisatie van de zorg in het Vlaamse landschap. Daartoe beoogt het een gemeenschappelijk communicatieplatform uit te bouwen, zijn leden te vertegenwoordigen naar derden en logistieke synergiën te faciliteren. Het VznkuL wil werken in een sfeer van vertrouwen en loyauteit.

Doelen De vereniging streeft volgende doelen na: –– De gemeenschappelijke belangen te verdedigen van haar leden ten opzichte van derden i.v.m. alle aspecten omtrent optimalisatie van zorgkwaliteit en de kwaliteit van de ziekenhuisbedrijfsvoering door middel van campagnes, publicaties en onderhandelingen met de beleidsmakers. –– Een bijdrage te leveren tot de ontwikkeling van een integrale en innovatieve visie op de continue kwaliteitsbewaking en op de structurering en financiering van de gezondheidszorg. –– Een bijdrage te leveren tot de realisatie van een toegankelijk en hoogkwalitatief aanbod van patiëntenzorg in Vlaanderen, volgens de principes van multidisciplinaire, transmurale samenwerking en van onderlinge taak­afspraken, gebaseerd op ervaringen en kennis binnen het netwerk. –– Het stimuleren van innovatie binnen de gezondheidszorg zoals die aangeboden wordt binnen het netwerk, door het optimaliseren van de doorstroming van innovatieve projecten. –– Het bieden van een platform voor hoogkwalitatieve opleiding van studenten en arts­-assistenten in opleiding, voor postgraduate vorming, in verband met alle aspecten van de ziekenhuisbedrijfsvoering. –– De verdere uitbouw van internationaal gewaardeerd wetenschappelijk onderzoek door een doorgedreven integratie tussen fundamenteel en toegepast onderzoek en een samenwerking tussen de leden. –– Samenwerking op het vlak van ad­mini­stratief­logistiek management stimuleren zodat op basis van ervaring en kennis best practices kunnen voorgesteld worden. –– In samenwerking met andere organisaties (bv. koepelorganisaties, adviesraden van de overheid en dergelijke) standpunten voorbereiden die de ge­meen­schappelijke belangen i.v.m. kwaliteit van de zorg stimuleren.

15


16

Kwaliteit als strategische pijler van het VznkuL


Kwaliteit als strategische pijler van het VznkuL

Voor vele actoren betrokken bij de organisatie van zorgverlening zijn kwaliteit en patiëntveiligheid het afgelopen decennium gradueel uitgegroeid tot een strategische prioriteit. De voornaamste katalysator van deze beweging was To Err Is Human.1 Dit rapport van het Institute of Medicine bracht onder de publieke aandacht dat tot bijna 100 000 overlijdens in Amerikaanse ziekenhuizen mogelijks het gevolg zijn van patiëntveiligheidsincidenten. Eerder dit jaar poneerden Makary and Daniel in het gerenommeerd wetenschappelijk tijdschrift The BMJ dat dergelijke incidenten de derde belangrijkste doodsoorzaak zijn, na hartaandoeningen en kanker, met meer dan 250 000 overlijdens in ziekenhuizen alleen.2 Deze stelling impliceert dat ongeveer een derde van het totaal aantal overlijdens in ziekenhuizen vermijdbaar zou zijn en dat To Err is Human een grove onderschatting van de ernst van het probleem was. De internationale pers pikte gretig in op het artikel, dat gepubliceerd werd onder de pakkende titel “Medical error–the third leading cause of death in the US”. Zowel clinici als onderzoekers bekritiseren echter deze recente cijfers omwille van de vele methodologische tekortkomingen – het betreft onder meer extrapolaties van studies met erg kleine aantallen – maar ook omwille van het sensatiebelust rapporteren van de bevindingen. In die mate dat experts in kwaliteit en patiëntveiligheid van oordeel zijn dat men op deze manier de positieve beweging die de afgelopen jaren plaatsvond eerder ondermijnt dan versterkt.3 We kunnen er niet naast kijken dat vijftien jaar na To Err is Human progressie relatief beperkt is. In Free from Harm: Accelerating Patient Safety Improvement Fifteen Years after To Err is Human wijst de Amerikaanse National Patient Safety Foundation erop dat er een veel meer doordringende totaalaanpak nodig is, waarin elke actor zich aangesproken voelt om hiervan deel uit te maken.

Luk Bruyneel & Kris Vanhaecht (Leuvens Instituut voor Gezondheidszorgbeleid, KU Leuven, Dienst Kwaliteit, UZ Leuven).

17


Alleen indien we daarin slagen zullen we in staat zijn om een veiligheidscultuur te creëren waarin het risico op fouten ingeperkt wordt.4 Net daarom mag de inschatting van de frequentie van fouten en het in relatie brengen van fouten en overlijdens niet herleid worden tot een dubieuze numbers race. De aandacht dient veel eerder uit te gaan naar het identificeren van leeropportuniteiten en het evalueren en breed implementeren van succesvolle verbeterinitiatieven. Het gebruik van rigoureuze performantie­indicatoren biedt de basis voor het identificeren van leeropportuniteiten en het initiëren van verbeterinitiatieven. Indicatoren dienen zowel zorgprocessen als zorguitkomsten in beeld te brengen, en moeten alle attributen hebben (bv. valide, beleidsrelevant, actiegericht) om de actoren in staat te stellen om (progressie in) doelstellingen voorop te stellen. Indicatoren zijn voor de organisatie concrete waardemeters voor het resultaatgedreven werken. Bovendien gaat in de rapportering van indicatoren in toenemende mate bijzondere aandacht uit naar verantwoording aan de maatschappij. Patiënten wordt de mogelijkheid geboden het ziekenhuis te beoordelen en kwaliteits- en patiëntveiligheidsindicatoren te raadplegen. Indicatoren worden ook steeds vaker aangewend om een resultaatgedreven financiering vorm te geven. Een eenvoudig maar effectief denkkader dat actoren ondersteunt in het vooropstellen van doelstellingen is Triple Aim.5 Hiermee wordt gedoeld op het simultaan werken aan zowel betere ervaringen van pa­ tiënten als aan een betere zorg voor de bevolking, en dit aan een aanvaardbare kost. Meerdere experts stelden recent onafhankelijk van mekaar een uitbreiding voor naar Quadruple Aim.6, 7 Deze vierde doelstelling betreft het verbeteren van het welzijn van zorgverleners, aangezien hun welzijn en inzet mee zal bepalen in welke mate de drie andere doelstellingen bereikt kunnen worden. Deze vierde doelstelling is een logisch gevolg van toenemende evidentie in de internationale literatuur waarin de belangrijke rol van zorgverleners en hun welzijn in de verf wordt gezet 8,10. Om Quadruple Aim te realiseren is er nood aan het ontwikkelen van valide indicatoren die op brede schaal ingebed kunnen worden en die de gebruikers alle mogelijke informatie bieden om tot actie over te gaan.

18

“Door het succesvol samenbrengen van de organisaties, is VznkuL de voornaamste macro integrator in het Belgische zorglandschap.” De afgelopen jaren zijn gekenmerkt door een proliferatie in het aantal kwaliteitsinitiatieven en bijhorende indicatorensets. Een algemeen overzicht van indicatoren is beschikbaar via het Amerikaanse National Quality Forum. Deze consensus-gedreven organisatie waarin zowat alle belanghebbenden vertegenwoordigd zijn, onderschrijft indicatoren indien het belang om te meten werd aangetoond, de indicator wetenschappelijk onderbouwd is, bruikbaar en relevant is voor elke belanghebbende, en als het realistisch is om de benodigde gegevens te verzamelen. Voornamelijk de indicatoren van The Joint Commis­ sion, The Leapfrog Group en de door het Centers for Medicare & Medicaid Services gemeten ervaringen van patiënten vormen de leidraad voor toporganisaties zoals Intermountain Healthcare, Mayo Clinics, Kaiser Permanente en Geis­ inger Health System om over kwaliteit en patiëntveiligheid te rapporteren en verbeterinitiatieven te prioriteren. Deze indicatorensets sluiten nauw aan bij Triple Aim en in toenemende mate bij Quadruple Aim. Waar vroeger The industry goes a mile wide and an inch deep van toepassing was, kan men dankzij deze initiatieven stellen dat er meer dan ooit een gedetailleerd inzicht is op wat zich afspeelt in het ziekenhuis. Binnen bovengenoemde netwerken groeit het geloof dat het vergelijken van ziekenhuizen minder en minder de perceptie van bedreiging met zich meebrengt, en meer en meer die van partners die een gezonde vorm van competitie voeren om

de hoogst mogelijke veiligheid te bieden. Deze idee leeft ook binnen het Vlaams Ziekenhuisnetwerk KU Leuven (VznkuL). Door het succesvol samenbrengen van de organisaties die er momenteel deel van uitmaken, is VznkuL de voornaamste macro integrator – gedefinieerd als een voorname rol voor het bereiken van Triple/Quadruple Aim – in het Belgische zorglandschap. In de voorbije 15 jaar werd een kennis- en leernetwerk gecreëerd waarin interne variabiliteit in kwaliteit en patiëntveiligheid gecapteerd wordt voor meerdere indicatoren en systematisch wordt besproken. Kwaliteit en patiëntveiligheid zijn in dit netwerk geland als strategische prioriteit en omhelzen inhoudelijk reeds Quadruple Aim, getuige de thematische werkgroepen. Om naar een totaalaanpak te evolueren wordt het zaak om verder de vertaling te maken van strategische prioriteit naar operationele realiteit. We observeren enkele positieve evoluties die zullen toelaten dat het Quadruple Aim verwezenlijkt wordt. Ten eerste zet VznkuL in toenemende mate in op een platform waarin indicatoren drie doelstellingen dienen, zijnde interne kwaliteitsverbetering, externe rapportering en onderzoek. Actoren met elk hun eigen expertise in het bereiken van deze doelstellingen worden actief betrokken bij dit platform en interageren voortdurend. Er is een sterk geloof dat het bijeenbrengen van bestuurders, clinici, patiënten en onderzoekers een synergistisch effect teweegbrengt. Bovendien


is het zo dat indicatoren verschillende doeleinden dienen, en dat de vorm en rapportering meer en meer op maat zijn van de gebruiker. Hierdoor zal het gevoel van eigenaarschap van kwaliteit toe­nemen. Kwaliteit wordt zowel van bovenaf als van onderuit aangestuurd. Meer en meer zijn het de clinici die het voortouw nemen. Ten tweede brengt de voortdurende ontwikkeling van het VznkuL beleidsinformatiesysteem met zich mee dat de leden een betere waarde ontlenen aan de investeringen in kwaliteit en patiëntveiligheid. Dankzij het detail van de gegevens laat dit systeem toe dat bestaande indicatoren tijdig kunnen worden opgevraagd. In de toekomst zullen innovatieve indicatoren met een pro­actieve waarde worden aangeboord, zowel uit gestructureerde als niet-gestructureerde gegevens. De actieve deelname van belanghebbenden en de hoeveelheid en het detail van de gegevens binnen het beleidsinformatiesysteem vormen de ruggengraat van VznkuL. Het laat toe om binnen dit netwerk enerzijds met internationaal gevalideerde indicatoren aan de slag te gaan en anderzijds toch een zekere eigenheid in deze indicatoren te bewaren. Op die manier wordt een onderbouwde positie ingenomen in de toekomst van het kwaliteitsbeleid alsook de verdere uitwerking of aanpassing van de ziekenhuisaccreditering en -financiering. Waar echter voornamelijk ziekenhuisbrede indicatoren van betere zorg worden beschouwd (bv. gestandaardiseerde ziekenhuissterfte, heropnamegraad, verblijfsduur) zal het zaak zijn om een breed gedragen evenwicht te vinden met de andere Quadruple Aim doelstellingen alsook om een levendig gebruik van pathologie specifieke indicatoren te verwezenlijken. In de huidige situatie is dit evenwicht in de Quadruple Aim doelstellingen voornamelijk van belang voor wat betreft het prioriteren van verbeter­ initiatieven. Het aanhoudende klimaat van besparingen en de vraag naar meer kwaliteit maar ook meer efficiëntie maken dat dit evenwicht in de toekomst ook van belang zal zijn in het definiëren van pay-for-quality initiatieven. Free from Harm schuift de beoordeling van patiëntveiligheid in het volledige zorgcontinuüm naar voor als een van de belangrijkste strategieën om een totaalbenadering te realiseren. De komende jaren zal het evolutief zorglandschap VznkuL aanzetten om

zijn rol als macro integrator verder op te nemen en te transformeren van een ziekenhuisnetwerk naar een zorgnetwerk. Het transmurale karakter brengt een bijkomende informatiestroom met zich mee en nieuwe indicatoren zullen ongetwijfeld gedefinieerd worden. Toenemende samenwerking, bijvoorbeeld met de eerste lijn en woonzorgcentra, brengt ook verhoogde waakzaamheid met zich mee. Wanneer het kwaliteit en patiëntveiligheid betreft, en tel daarbij de jungle aan informatie die deze met zich meebrengen, biedt elk paar extra ogen een meerwaarde. Luk Bruyneel en Kris Vanhaecht Referenties

L. T. Kohn, J. M. Corrigan, and S. Molla, “To Err Is Human: Building a Safer Health System”, vol. 126. 1999. 1

M. A. Makary and M. Daniel, “Medical error-the third leading cause of death in the US”, BMJ, vol. 353, p. i2139, May 2016. 2

K. G. Shojania and M. Dixon-Woods,“ Estimating deaths due to medical error: the ongoing controversy and why it matters”, BMJ Qual. Saf., Oct. 2016. 3

NPSF, “Free from Harm: Accelerating Patient Safety Improvement Fifteen Years after To Err Is Human”, Natl. Patient Saf. Found., p. Accessed on May 09, 2016, 2015. 4

D. M. Berwick, T. W. Nolan, and J. Whittington, “The triple aim: care, health, and cost”, Health Aff. (Millwood), vol. 27, no. 3, pp. 759–69, 2008. 5

R. Sikka, J. M. Morath, and L. Leape, “The Quadruple Aim: care, health, cost and meaning in work”, BMJ Qual. Saf., vol. 24, no. 10, pp. 608–10, Oct. 2015. 6

T. Bodenheimer and C. Sinsky, “From triple to quadruple aim: care of the patient requires care of the provider”, Ann. Fam. Med., vol. 12, no. 6, pp. 573–6, 2014. 7

L. H. Aiken, W. Sermeus, K. Van den Heede, D. M. Sloane, R. Busse, M. McKee, L. Bruyneel, A. M. Rafferty, P. Griffiths, M. T. Moreno-Casbas, C. Tishelman, A. Scott, T. Brzostek, J. Kinnunen, R. Schwendimann, M. Heinen, D. Zikos, I. S. Sjetne, H. L. Smith, and A. Kutney-Lee, “Patient safety, satisfaction, and quality of hospital care: cross sectional surveys of nurses and patients in 12 countries in Europe and the United States”, BMJ, vol. 344, no. March, p. e1717, Jan. 2012. 8

D. Seys, S. Deneckere, W. Sermeus, E. Van Gerven, M. Panella, L. Bruyneel, T. Mutsvari, R. C. Bejarano, S. Kul, and K. Vanhaecht, “The Care Process Self-Evaluation Tool: a valid and reliable instrument for measuring care process organization of health care teams”, BMC Health Serv. Res., vol. 13, p. 325, Jan. 2013. 9

S. Deneckere, M. Euwema, C. Lodewijckx, M. Panella, T. Mutsvari, W. Sermeus, and K. Vanhaecht, “Better interprofessional teamwork, higher level of organized care, and lower risk of burnout in acute health care teams using care pathways: a cluster randomized controlled trial”, Med. Care, vol. 51, no. 1, pp. 99–107, Jan. 2013. 10

19


Strategie en concrete werkwijze

20


Strategie en concrete werkwijze

Strategie 2016-2020 De algemene vergadering van december 2015 keurde unaniem het strategische plan voor de jaren 2016-2020 goed. Het VznkuL wil onder andere: –– door het vormen van verantwoorde netwerken, bijdragen tot een optimalisatie van de gezondheidszorg in Vlaanderen. Deze verantwoorde locoregionale en supraregionale netwerken kunnen ondersteund worden door het VznkuL. –– de waardenset van het VznkuL blijven promoten, namelijk de wederkerigheid van acties tussen de partners, kwaliteit en duurzaamheid nastreven in alles wat we doen. Inzetten op kennisdeling en samenwerking promoten. –– haar acties meer bekend maken bij het grote publiek. Lidmaatschap van het VznkuL dient als een ken-

merk voor kwalitatieve zorg gezien te worden. –– de relatie met de federale en de Vlaamse overheid verder uitbouwen om op die manier een gesprekspartner te worden in de belangrijke veranderingen die de Belgische gezondheidszorg zal ondergaan in de komende jaren. Hierbij zal er de komende jaren meer aandacht gaan naar het bieden van een meerwaarde voor de klinische praktijk van de artsen verbonden aan een netwerkziekenhuis. Met hen willen we ervoor gaan om aan patiënten de beste kwalitatieve zorg te bieden. Kwaliteitsverbetering door het delen van kennis is immers onze leuze. Dus ook de reeds bestaande kwaliteitsprojecten worden verdergezet in dit nieuwe strategisch plan. Daarnaast moeten we (durven) naar buiten komen met standpunten gedragen door onze leden om het gezondheids-

“Kwaliteitsverbetering door het delen van kennis is immers onze leuze.”

21


Dirk De Ridder

Figuur 1: Doel van het VznkuL

- Minder spreiding - Mediaan verschuiving (in de juiste richting!)

Best practice & best training 22


zorgbeleid mee vorm te geven. Binnen het VznkuL worden gegevens onderling gedeeld in een vertrouwelijke omgeving. Met deze gegevens kunnen we standpunten objectief stofferen.

Door het delen van best practices willen we de variabiliteit tussen de leden verminderen en de mediaan laten evolueren in de juiste richting (zie figuur 1). De doelen van het VznkuL krijgen vorm via verschillende werkgroepen die met akkoord van de raad van bestuur worden opgericht. Alle leden krijgen de kans in deze werkgroepen iemand af te vaardigen. De werkgroepen vergaderen gemiddeld vier keer per jaar en rapporteren de resultaten van hun werking aan het coĂśrdinatieteam.

In samenwerking met onderwijsinstellingen zoals KU Leuven (Leuvens Instituut voor Gezondheidszorgbeleid), de universiteit van Gent en hun respectievelijke universitaire ziekenhuizen, worden in Zorgbeleid.be vormingen op maat ontwikkeld voor ziekenhuisdirecties en -artsen. Een kwaliteitsvolle opleiding voor de arts-specialisten in opleiding blijft eveneens een belangrijk doel binnen het VznkuL. Zij worden immers de artsen van onze toekomst.

Zij delen de kennis aanwezig in de verschillende ziekenhuizen en leren zo van elkaar. Dit gebeurt enerzijds door het opstellen van gemeenschappelijke richtlijnen en anderzijds door het verzamelen en vergelijken van indicatoren. De benchmarks van deze indicatoren komen in een beveiligde webtool die ter beschikking staat van de deelnemende leden (zie figuur 2).

Concrete werkwijze van het VznkuL Met de leden van het VznkuL willen we werken aan de kwaliteit van zorg. Dit moet ten goede komen aan de patiĂŤnt, maar ook aan de medewerkers en aan de maatschappij.

Figuur 2: Concrete werkwijze VznkuL

Kwaliteit verbeteren door Kennis te delen

Ziekenhuis bedrijfsvoering

PatiĂŤntenzorg

WERKGROEPEN Guidelines

Benchmark

VZN-BI

Guidelines

Benchmark

VZN-PI

23


Werkgroepen 24


Werkgroepen

Kort na de oprichting van het VznkuL werd een eerste werkgroep opgericht: de WG Beleidsinformatie (voorzitter Guy Vanden Boer, diensthoofd MIR UZ Leuven). Deze werkgroep kreeg als opdracht de verschillende methodes en systemen rond beleidsinformatie te vergelijken. Deze vergelijking moest ertoe leiden dat de ziekenhuizen van het netwerk de gedeelde kennis intern zouden benutten zodat de netwerkziekenhuizen hun beleid met de ondersteunende informatie verder konden optimaliseren. Het verzamelen van de gegevens in het kader van de boordtabel van het VznkuL was hierin een vertrekpunt. Naar aanleiding van deze werkgroep werden later het Platform HRM en de WG Financieel beleid opgestart. Zij startten met het definiëren en verzamelen van indicatoren die ze nuttig vonden om te vergelijken. Uiteindelijk streeft het Platform HRM (voorzitter Marianne Vael, personeelsdirecteur UZ Leuven) naar een kwalitatief hoogstaand beleid inzake menselijk kapitaal in al haar facetten over alle disciplines heen door kennisoverdracht tussen haar leden. Het Platform sluit hierbij aan op actuele thema’s, rekening houdend met het doel van het VznkuL, namelijk een aangetoonde excellentie van haar leden. Vanuit die optiek promoveert het platform ook de ontwikkeling van kwaliteitsstandaarden voor de sector. Onder de leden worden de contacten bevorderd om een expertise­netwerk rond HRM uit te bouwen. De implementatie en gevolgen van nieuwe wetgeving worden eveneens in dit Platform besproken. De bijdrage van de WG Financieel beleid (voorzitter Katrien Kesteloot, financieel directeur UZ Leuven) is gesteund op de overtuiging dat continue aandacht voor een (lange termijn) gezond financieel en bedrijfseconomisch beleid, gesteund op efficiënt georganiseerde zorg- en ondersteunende processen, noodzakelijk is voor de continuïteit van een kwalitatieve en veilige patiëntenzorg. Zij startten met

het definiëren en verzamelen van parameters nuttig voor de opvolging van de activiteiten van een ziekenhuis (zie verder onder VZN-BI Tactische opvolging). Het hoeft geen betoog dat de werkgroep de laatste jaren druk bezig is met het uitklaren van wat de gevolgen gaan zijn met de nieuwe ziekenhuisfinanciering zoals bijvoorbeeld het verkorten van de verblijfsduur voor bevallingen, de nieuwe VIPA subsidie,... In opdracht van de WG Algemeen directeurs (voorzitter Marc Decramer, gedelegeerd bestuurder UZ Leuven), ontwikkelde de WG Beleidsinformatie samen met Management en Informatierapportering van UZ Leuven een VZN-BI webtool (zie verder onder VZN-BI). De algemeen directeurs vergaderen over ziekenhuisbrede aangelegenheden. Daar­ naast vormen ze een denktank rond de positionering van het VznkuL in het ziekenhuislandschap. Toen het VznkuL nog een verwijsnetwerk was, werd een WG Telematica (voorzitter Erwin Bellon, IT manager multimedia & telematics UZ Leuven) in het leven geroepen die in eerste instantie als doel kreeg telegeneeskunde binnen het VznkuL te ontwikkelen. Daarnaast werd Pentalfa via hen uitgewerkt. Dit is interactief postacademisch afstandsonderwijs via de welke de permanente vormingsprogramma’s van de Faculteit Geneeskunde aan de KU Leuven aangeboden worden. De netwerkleden kregen zo de mogelijkheid om als gastheer op te treden voor hun doorverwijzers in de regio. De werkgroep zorgt ook voor het operationaliseren van de hub VznkuL die dienst doet in het overheidsproject eHealth. Dit platform laat toe dat zorgverleners dossiers over patiënten kunnen delen indien zij een therapeutische relatie hebben met de patiënt en deze laatste hiervoor toestemming gaf. Een WG Ziekenhuisapotheek (voorzitter Thomas De Rijdt, diensthoofd apotheek UZ Leuven) ging aan de slag om

Marga Lavaerts

projectmatig rond technische aspecten van de ziekenhuisapotheek te werken. De essentie is overdracht van kennis en expertise: reprocessing, forfaitarisering geneesmiddelen, geneesmiddelendistributie, ethisch charter, MFC,... Vorig jaar werd deze werkgroep terug geactiveerd om kwaliteitsindicatoren te ontwikkelen. Er werd gekozen om de doorlooptijd van bereidingen van potentieel toxische stoffen te vergelijken met als doel de tijdperiode van uitvoering van een medische opdracht voor de bereiding van een potentieel toxisch product op te volgen (zie figuur 3). Daarnaast werden de incidentmeldingen vergeleken. Het doel is de interne werking van de apotheek te optimaliseren.

25


De werkgroep behandelt tevens actualiteiten en volgt de nieuwe wetgeving op. Naast een kwaliteitsproject gericht op patiëntveiligheid, op bestaffing en organisatie van de verpleegkundige zorg, zijn overdracht van kennis en vergelijking van omkadering binnen de verpleegkunde, taken van de WG Verpleegkundig directeurs (voorzitter Koen Balcaen, directeur verpleging en patiëntenbegeleiding UZ Leuven). Zo werkten zij indicatoren uit rond decubitus, patiënt­identificatie, pijnregistratie, valincidenten en vrijheidsberovende maatregelen en werden ad-hocwerkgroepen opgericht met een specifieke opdracht (zie verder onder VZN-PI). Standpunten inzake verpleegkundige onderwerpen kunnen via de raad van bestuur aan de diverse overheden bekend gemaakt worden. De WG Technische Diensten (voorzitter Eddy De Coster, diensthoofd technische dienst UZ Leuven) wisselt enerzijds informatie en kennis uit en kan anderzijds een gezamenlijk standpunt naar de overheid innemen in het kader van wijzigende wetgevingen en stijgende kosten t.g.v. maatregelen opgelegd door de overheid. Belangrijk is ook dat de leden van het forum onderling steun kunnen vinden bij probleemsituaties. De vergaderingen gebeuren ter plaatse in de verschillende ziekenhuizen volgens een beurtrol. Zij volgen volgende indicatoren op:

–– Status preventief onderhoud eigen beheer • Preventief onderhoud (PO): geplande, periodieke onderhoudswerkzaam­ heden bedoeld om defecten te voorkomen, uitgevoerd volgens een op voorhand gekozen interval; preventief onderhoud kan ook periodieke inspecties, kalibratie, validatie, e.d. omvatten. • De status PO wordt berekend als de verhouding tussen het aantal uitgevoerde orders, en het aantal geplande orders. –– Status preventief onderhoud onderhoudscontracten • Preventief onderhoud (PO): geplande, periodieke onderhoudswerkzaamheden bedoeld om defecten te voorkomen, uitgevoerd volgens een op voorhand gekozen interval; preventief onderhoud kan ook periodieke inspecties, kalibratie, validatie, e.d. omvatten. • De status PO wordt berekend als de verhouding tussen het aantal uitgevoerde orders (aangetoond met servicerapporten), en het aantal geplande orders (volgens contractuele afspraken). –– Doorlooptijd accidenteel onderhoud • Accidenteel onderhoud (AO): niet-­

geplande onderhoudswerkzaam­heden naar aanleiding van een defect, zoals een mechanisch of elektrisch probleem, het afwijken van een parameter, schade, e.d. • De doorlooptijd wordt berekend als de tijd gemeten tussen de registratie van de aanvraag en het tijdstip van afmelden (rapportage door een technicus of een administratie), ongeacht of de orders binnen of buiten de normale werkuren worden ontvangen of behandeld. Omdat de concretisering van de doelen van het VznkuL ondertussen op beleidsniveau vorm begon te krijgen, maar het medische luik nog ontbrak – nochtans de corebusiness van de leden – werd een WG Hoofdartsen – Voorzitters Medische Raad (voorzitter Johan Van Eldere, hoofdarts UZ Leuven) opgericht in 2006. De medische raden en hoofdartsen van de ziekenhuizen behandelen voornamelijk aspecten die mede een invloed hebben op het beleid en het personeel van het ziekenhuis. De werkgroep sluit aan bij actuele thema’s (vb. veiligheidsmanagementsysteem, zorgprogramma’s, klinische kwaliteitsindicatoren, publieke rapportering, accreditering,…). Alle aspecten van kwaliteit dienen samengebracht te worden in de werkgroep. De algemene opdracht van de WG Hoofdartsen – Voorzitters Medische Raad is het concretise-

Figuur 3: Flowchart doorlooptijd cytostatica

Voorschrift ondertekend

Voorschrift gevalideerd

Voorschrift ontvangen in apotheek

Start bereiding (voorbeiding)

Bereiding

Controle & vrijgave

Stop toediening

Start toediening

Stockage op afdeling

Ontvangst op afdeling

Transport

Consolidatie voorschrift

Voorgeschreven tijdstip versus gewenst tijdstip versus reël toedieningstijdstip

26


ren van de doelstelling een wezenlijke bijdrage te leveren tot de realisatie van een toegankelijk en hoogkwalitatief aanbod van patiëntenzorg in Vlaanderen, volgens de principes van multidisciplinaire en transmurale samenwerking, gebaseerd op ervaringen en kennis binnen het netwerk. De werkgroep heeft een brugfunctie naar de eigen medische staf om zodoende de verschillende projecten van het VznkuL kenbaar te maken en de medische staf te motiveren tot deelname aan de werking van het VznkuL. De verschillende klinische projecten worden op deze werkgroep gerapporteerd. De WG Milieu en Preventie streeft door kennisoverdracht tussen haar leden naar een kwalitatief hoogstaand beleid inzake milieu en preventie. Belangenverdediging wordt overgelaten aan de bestaande organisaties. De werkgroep kan indien nodig hierbij faciliteren. Er werden taakafspraken gemaakt met ZorgNet Vlaanderen en Prebes. De werkgroep deelt ervaringen zoals milieuverantwoord aankopen, procedures vertrouwelijk papier (zie afbeelding 1), rookcharter, veiligheidsschoenen, risico analyses, brand- en evacuatieoefeningen,… Het doel van de WG Communicatie (voorzitter Suzy Van Hoof, diensthoofd communicatie UZ Leuven) is ervaringsuitwisselingen activeren om van elkaar te leren op het vlak van de uitwerking

van een professioneel communicatiebeleid in een ziekenhuisomgeving. Voor bepaalde in overleg geselecteerde communicatiedomeinen, kunnen procedures of richtlijnen uitgeschreven worden, gebaseerd op best practices, die door de verschillende leden kunnen toegepast worden. Nieuwe ontwikkelingen, innovaties en trends inzake communicatie worden met elkaar gedeeld met een vertaalslag naar mogelijke toepassingen binnen de ziekenhuiscontext. Op 17 januari 2017 vond de installatie­ vergadering van de WG Ziekenhuisnoodplanning (voorzitter Dimitri De Fré, rampencoördinator UZ Leuven) plaats. UZ Leuven had immers in 2016 haar rampenplan een volledige update gegeven. Na de aanslagen in Parijs werd gestart met het opstellen van bijkomende actiekaarten, en vervolgens werd eveneens het rampenplan onderhanden genomen, naast projecten zoals geautomatiseerde alarmering, e-learning, rampoefeningen, etc. Hoewel dit werk zeker nog wordt verdergezet in 2017, wilde UZ Leuven graag wat meer aan benchmarking doen en ervaringen uitwisselen met de andere ziekenhuizen uit het VznkuL. Verder kan de werkgroep van gedachten wisselen over de vernieuw­ingen in het reglementair kader rond ziekenhuisnoodplanning.

Afbeelding 1: Doos vertrouwelijk papier ontwikkeld in samen­werking met de WG Milieu en Preventie, UZ Leuven en VPK Packaging.

27


Second and third victim 28


Second and third victim

In elke zorgorganisatie, groot of klein, universitair of algemeen, geaccrediteerd of niet geaccrediteerd, vinden patiëntveiligheidsincidenten (PVI) plaats. Deze patiëntveiligheidsincidenten brengen onbedoelde schade toe (of hadden die kunnen toebrengen) aan patiënten. De patiënt en zijn sociaal netwerk zijn met andere woorden de first victim na een PVI. Uit recent onderzoek van het Leuvens Instituut voor GezondheidszorgBeleid (LIGB) KU Leuven blijkt dat de impact van zulke PVI op medewerkers uit deze zorgorganisaties onderschat wordt. 1 op 10 hulpverleners geven aan in de voorbije zes maand betrokken te zijn geweest bij een incident. De impact van zulk incident op deze ‘second victims’ is een verdubbeling van het risico op burn-out, een grotere kans op medi­ catiegebruik, verstoring van de work-­ life balans en een hogere kans dat deze medewerkers hun job willen verlaten. In 2010 werd in de Verenigde Staten een richtlijn ontwikkeld over het respectvol omgaan met patiënten en medewerkers na een PVI. Deze richtlijn werd onder leiding van het LIGB vertaald voor de Vlaamse context. Het Vlaams Ziekenhuisnetwerk KU Leuven heeft in de voorbije twee jaar deze richtlijn verder geoperationaliseerd en experten uit VznkuL-organisaties deelden kennis over de toepassing ervan binnen hun organisatie. Het VznkuL participeerde hiervoor aan het LIGB-onderzoek dat recent gepubliceerd werd in toonaangevende tijdschriften als Medical Care en the British Medical Journal Open. Naast een interesse in de opvang van second victims en het deelnemen aan wetenschappelijk onderzoek, werd meer­maals de vraag binnen VznkuL gesteld naar de rol van een dienst communicatie in dit gebeuren. Indien een incident de pers haalt kan dit zeker leiden tot reputatieschade en wordt de organisatie de ‘third victim’. Het plaatsvinden van een PVI kan aldus gezien worden als een crisissituatie en hierop ben je best goed voorbereid. De richtlijn die ontwikkeld werd in de Verenigde Staten bevatte

reeds enkele aandachtpunten over de interne als zo nodig ook externe communicatie na een PVI. Om deze rol verder te bespreken werd een specifieke adhoc­­werkgroep communicatie opgericht binnen VznkuL. Aan deze werkgroep participeerden medewerkers van de dienst communicatie uit verschillende VznkuLorganisaties. De werkgroep werd tevens ondersteund door een masterproefstudent Management & Beleid, KU Leuven. De werkgroep werkte op basis van de internationale richtlijn. Deze werd besproken tijdens twee bijeenkomsten en kennis werd gedeeld over de huidige ervaring en expertise in de verschillende VznkuL-ziekenhuizen. De masterproefstudente bezocht tevens elke deelnemende organisatie en bezorgde de deelnemers een overzichtsrapport met de werking van de crisiscommunicatie in de verschillende organisaties. Op basis van dit rapport, de internationale richtlijn en de expertise van de deelnemende communicatiediensten stelde de werkgroep een plan van aanpak op, met onder meer een praktische checklist. Dit plan en de bijhorende checklist bieden een leidraad voor de aanpak van de interne en externe communicatie bij crisissituaties.

Kris Vanhaecht

In het kielzog van de ad-hocwerkgroep ‘crisiscommunicatie’ werd de werkgroep communicatie bestendigd. Momenteel werkt deze groep rond het thema ‘omgaan met audiovisuele opnamen door patiënten en zorgverleners en de verspreiding ervan via social media’. Kris Vanhaecht en Suzy Van Hoof

Suzy Van Hoof

29


30

VZN-BI


VZN-BI

De BI in VZN-BI staat voor BeleidsInformatie en bestaat uit drie luiken: 1) Strategische inzichten 2) Tactische opvolging 3) Nurse Related Groups (NRG’s)

Strategische inzichten • Herkomst patiënten • Marktaandeel (globaal, per MDC of per DRG) • Case mix index (globaal, per MDC of per DRG) • Verblijfsduur (globaal, per MDC of per DRG) • Middeleninzet, patiënt nurse ratio • Middeleninzet per verblijf (globaal of per MDC) • Reële middeleninzet per MDC Reeds in 2012 besliste de werkgroep algemeen directeurs dat er nood was aan een vergelijking onder de leden over strategische kernvragen zoals: –– Welk soort patiënten heeft mijn zieken­huis qua pathologie en qua marktaandeel? –– Wat is de middeleninzet? –– Wat is de outcome? –– Wat is de relatie tussen middeleninzet en outcome? De bron voor deze gegevens zijn de klassieke MZG/MKG tapes. Via een beveiligde VZN-BI webtool kunnen de leden hun resultaten vergelijken binnen het VznkuL. In 2015 werd deze webtool door Management Informatie & Rapportering van UZ Leuven (MIR) verder ontwikkeld met de input van de VznkuL leden in verschillende kerngroepen, onderdeel van de werkgroep beleidsinformatie van het VznkuL. (zie foto met de MIR-medewerkers die deze tool zowel inhoudelijk als technisch ontwikkelen)

Bovenaan v.l.n.r.: Pieter Stijnen, Jan Grietens, André Collignon Onderaan v.l.n.r.: Pieter Maertens, Guy Vanden Boer, Niels Boon

Tactische opvolging • • • • • • • •

Erkende en verantwoorde bedden Aantal verpleegdagen Dialyse activiteit Aantal unieke patiënten Aantal bevallingen Activiteit (chirurgisch) dagziekenhuis Ongeplande en klassieke opnamen Raadplegingen

Bij de start van de werkgroep financieel beleid in 2010 werd het initiatief genomen om eerder tactische gegevens (‘snelle parameters’) te benchmarken tussen de leden. Vanaf 2011 werden dan ook een aantal activiteitenparameters verzameld.

Dit gebeurde via een losstaand Excel bestand. In 2015 werden deze gegevens geïntegreerd in de VZN-BI webtool.

Nurse Related Groups (NRG’s)

Aan de leden wordt een afzonderlijke webtool ter beschikking gesteld met als doelstelling de eerste feedback op te stellen m.b.t. het huidige financieringsmodel a.d.h.v. NRG’s. De doelstelling is tweeledig. Zo moet deze tool enerzijds toelaten het gehanteerde model klinisch te valideren en anderzijds een representatieve benchmark te bieden m.b.t. het huidige financieringsmodel (zie figuur 4).

Figuur 4: Nurse Related Groups

Door het invoeren door de overheid van de nieuwe ICD-10 codes in 2015 gecombineerd met een inhaalbeweging om de laatste drie jaren af te ronden, werd 2015 een schakeljaar waardoor er uitzonderlijk onvolledige pathologie informatie door de leden geregistreerd en dus aangeleverd kon worden. Hierdoor konden de pathologiegegevens van 2015 niet verwerkt worden in de VZN-BI webtool. Met de gegevens van 2016 zal dit terug operationeel worden. Hierbij krijgen we het voordeel dat de feedback meer accuraat zal zijn omdat er gewerkt kan worden met recentere gegevens (cfr. eerste semester 2016 is beschikbaar in oktober 2016).

31


32

VZN-PI


VZN-PI beleid in elk ziekenhuis geëvalueerd en bijgestuurd worden. Ondertussen loopt deze uitgebreide benchmark binnen het VznkuL met gegevens vanaf 2013 (vier keer per jaar). Leden kunnen met deze benchmark nagaan of de correcte preventiemaatregelen gebruikt werden voor hun risicopatiënten.

De PI in VZN-PI staat voor Patiëntgerelateerde Indicatoren.

Verpleegkundige indicatoren

Sinds 2011 worden via de werkgroep verpleegkundig directeurs een aantal indicatoren verzameld. • • • • •

Decubitus Patiëntidentificatie Pijnregistratie Valincidenten Vrijheidsberovende maatregelen

Pijn

Vanaf 2012 werden de gegevens verzameld om na te gaan of gehospitaliseerde patiënten minstens twee keer per dag bevraagd werden over hun pijn. Omdat dit geen goede kwaliteitsindicator is, werd in 2015 aan de ad-hocwerkgroep pijn gevraagd een registratie uit te werken waarbij bekeken kan worden of de nodige acties en herevaluaties werden genomen bij patiënten met een hoge pijnscore (> 4). Momenteel loopt er een proef voor gehospitaliseerde patiënten heelkunde die geen chronische pijnpatiënten zijn.

Aan deze indicatoren werden tevens verbeterprojecten gekoppeld. Drie ad-hoc­ werkgroepen werden opgestart die als taak kregen de indicatoren te optimaliseren zodat deze in de dagdagelijkse praktijk gebruikt kunnen worden om de processen te verbeteren.

Decubitus

Het doel van deze ad-hocwerkgroep was een consensus te formuleren omtrent de methodologie van de prevalentie meting decubitus zodat er op een uniforme wijze geregistreerd wordt in de netwerkziekenhuizen. Door de prevalentie van decubitus op uniforme wijze in kaart te brengen, kan het preventie-

Valpreventie

Valincidenten worden sinds 2011 geregistreerd en vergeleken onder de leden. Aangezien deze indicator eerder weergeeft of een goede registratiecultuur van

incidenten aanwezig is in het ziekenhuis, werd aan de ad-hocwerkgroep valpreventie in 2013 gevraagd een betere indicator voor te stellen die rekening houdt met de preventiemaatregelen. Verder worden de procedures naast elkaar gelegd en wordt er nagedacht hoe de valrisico’s voor ambulante patiënten in kaart kunnen worden gebracht.

Early warning system (EWS)

Op vraag van de werkgroep verpleegkundig directeurs en mede gezien de internationale accrediteringen waarmee onze leden bezig zijn, werd een ad-hoc­ werkgroep EWS opgericht onder het voorzitterschap van Dieter Remmerie, hoofdverpleegkundige intensieve zorg – stroke unit AZ Groeninge. Met het VznkuL kwamen we tot een consensus over de te meten parameters en de hieraan toe te kennen scores. Hieruit werd een algoritme gemaakt dat kan dienen om te bepalen wanneer een arts gecontacteerd dient te worden. Een aantal leden startte met de implementatie hiervan. Ondertussen wordt er ook gewerkt aan een early warning systeem voor kinderen (zie tabel 1).

Tabel 1: Early warning parametergrenzen en score SCORE

3

2

1

0

Bloeddruk systolisch

<70

71 - 80

81 - 100

101 - 200

Hartslagfrequentie

<40

41 - 50

51 - 100

101 - 110

111 - 129

Temperatuur °C

<35

35.1 - 36

36.1 - 37.4

37.5 - 38.4

>38.5

9 - 14

15 - 20

21 - 29

>30

Wakker

Aanspreken

Pijn

A-reactief

Ademhaling frequentie

<8

Nieuwe agitatie of confusie

WAPA

1

2

3

>201

>130

OP TE VOLGEN NA MEDISCH ORDER Spo2% Urine debiet ml/uur

<84%

85 - 89

90 - 94 < 75 ml gedurende afgelopen 4u

>95

33


Klinische Performantie

Het VznkuL heeft een lange ervaring opgebouwd met het verzamelen en vooral het gebruiken van kwaliteitsindicatoren. Zo werd in 2011 bijvoorbeeld gestart met het verzamelen, bespreken en publiek rapporteren van enkele klinische indicatoren. • Acuut Myocard Infarct: aspirine voorgeschreven bij ontslag • Acuut Myocard Infarct: Bètablokker voorgeschreven bij ontslag • Herseninfarct: antitrombotische behandeling voorgeschreven bij ontslag • Herseninfarct: door-to-needle time trombolyse • Starten/stoppen profylactische antibiotica volgens richtlijnen bij heup- of knie-arthroprothese • Percentage heupfracturen geopereerd binnen kalenderdag

Caroline Weltens

Op basis van deze ervaringen werden verschillende indicatoren projecten opgestart in het VznkuL. Hierbij werd duidelijk dat het belangrijk is verschillende potentiële doelstellingen te onderscheiden. Bij het meten van de klinische performantie van een ziekenhuis, kan de focus gelegd worden op interne of externe verantwoording, op verbeterprocessen of op onderzoek (zie figuur 5).

Hospital Standardized Mortality Ratio (HSMR)

Sinds 2008 wordt in het VznkuL gewerkt aan het ontwikkelen van een webtool waarmee beleidsinformatie ter beschikking gesteld wordt aan de VznkuL ziekenhuizen. Aan de hand van de door de ziekenhuizen aangeleverde MZG en BFM feedback data worden verschillende

strategische en tactische benchmarks gemaakt, zoals hierboven beschreven (VZN-BI). Sinds 2015 werd hieraan ook een luik “kwaliteit van de aangeboden zorg” gekoppeld, waarin een outcome parameter, namelijk de Standardised Hospital Mortality Rate (HSMR), binnen het VznkuL vergeleken wordt. De HSMR is de verhouding tussen het werkelijke en het ‘verwachte’ aantal sterfgevallen in een ziekenhuis. Met ‘verwachte sterfte’ wordt bedoeld: de sterfte die op basis van het patiëntenprofiel en een gekozen referentiepopulatie kan worden verwacht. Mortaliteisratio’s kunnen op verschillende niveaus in VznkuL gebruikt worden om de kwaliteit van de zorg te evalueren en te verbeteren: (1) op niveau van het individuele ziekenhuis als rooksignaal, (2) op niveau van het VznkuL als benchmark met het oog op verbeteracties en ontwikkelen van richtlijnen en (3) op Vlaams/nationaal niveau met het oog op belangenverdediging en publieke rapportering/verantwoording. NIVEAU INDIVIDUELE ZIEKENHUIZEN Het eerste en belangrijkste doel van de HSMR is de kwaliteit van de zorgverlening te verbeteren. Hiertoe worden door de individuele ziekenhuizen de HSMR gebruikt in de dagelijkse praktijk door de ziekenhuisdirecties in nauwe samenwerking met de specifieke klinische diensten. HSMR data worden gebruikt als een ‘smoke signal’. De trend van de HSMR wordt hierbij over verloop van de tijd opgevolgd. HSMR worden geanalyseerd volgens een door de werkgroep beleidsinformatie aangereikt sjabloon waarbij volgende stappen worden gevolgd (zie figuur 6): (1) nakijken codering

Figuur 5: KLINISCHE INDICATOREN in VznkuL

VOORBEELDEN HSMR 30d Mortaliteit Heropnames Patiënt tevredenheid Lenght Of Stay

Strategische Projecten QI focus op verantwoording

intern extern

Top down

Wetenschappelijke Projecten QI focus op onderzoek

Performantie metingen

VOORBEELDEN Kwaliteitsindicatoren Inguinale Hernia Oppervlakkige blaastumoren en lage rugpijn

34

Bottom up structuur Klinische Projecten QI focus op verbeteracties

proces outcome


(zijn de data juist?), (2) nakijken case mix (zijn de patiëntengroepen vergelijkbaar?), (3) nakijken structuur (hoe wordt de zorg georganiseerd?), (4) nakijken proces (zijn er verbeterpunten op de werkvloer?). Tevens worden voorbeelden van succesvolle aanpak vanuit verschillende ziekenhuizen gedeeld en geadopteerd zoals bijvoorbeeld het oprichten van Morbidity and Mortality kransen, gestructureerde dossier analyse met de Global Trigger Tool, enz. NIVEAU VZNKUL MET OOG OP VERBETEREN KWALITEIT Binnen het VznkuL worden projecten opgezet om voor specifieke pathologieën (DRG’s) de HSMR te vergelijken. Hierbij worden VznkuL ziekenhuizen met elkaar vergeleken, en verschillen worden opgespoord en geanalyseerd. Hierbij wordt hetzelfde 4 stappen sjabloon gevolgd op zoek naar de oorzaak van eventueel afwijkende HSMR. Dit kan aanleiding geven tot het ontstaan binnen het netwerk van nieuwe werkgroepen waarin verbeteracties besproken worden, procedures en richtlijnen gedeeld worden en eventueel kwaliteitsindicatoren bepaald, gemeten en opgevolgd worden. NIVEAU VZNKUL MET OOG OP BELANGENVERDEDIGING EN PUBLIEKE RAPPORTERING Alhoewel HSMR data in de eerste plaats dienen voor kwaliteitsverbeterende initiatieven, worden ze in de ons omliggende landen ook gebruikt voor publieke rapportering. In Nederland bijvoorbeeld zijn alle ziekenhuizen verplicht mortaliteitsdata op hun website te publiceren, terwijl de patiënt in de UK de HSMR van verschillende ziekenhuizen kan vergelij-

ken. Ook in Vlaanderen is er de laatste jaren vanuit patiëntenorganisaties en vanuit de overheid meer vraag naar publieke transparantie. In het VIP² project worden reeds enkele kwaliteitsindicatoren op een centrale website beschikbaar gesteld aan het brede publiek. Het VznkuL wil zich hierop voorbereiden en ervaring opdoen met het meten, analyseren en verklaren van mortaliteitsgegevens. Naast publieke rapportering, kunnen data van het VznkuL in zijn geheel gebruikt worden bij belangenverdediging en andere strategische opdrachten. VERDERE ONTWIKKELINGEN Deze tool zal in de nabije toekomst uitgebreid worden met 30 dagen mortaliteit, heropnames, Length of Stay en andere parameters.

Klinische kwaliteits­indicatoren met focus op ver­beterprocessen

Binnen het VznkuL wordt op verschillende niveaus gewerkt aan het ontwikkelen, verzamelen en verwerken van klinische kwaliteitsindicatoren. Hiermee wil het VznkuL een tool bieden om de kwaliteit van zorg in alle ziekenhuizen te verbeteren aan de hand van indicatoren, benchmarks, verbeterprocessen en gemeenschappelijke richtlijnen. Deze pathologie specifieke projecten worden geleid door arts-specialisten in klinische werkgroepen. En alhoewel deze werkgroepen zelf verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke aspecten van het project, zijn de rationale, doelstellingen en werkwijze gelijklopend voor alle werkgroepen. Het coördinatieteam van het VznkuL mengt zich niet inhoudelijk binnen de werkgroepen, maar waakt er wel over dat de werkwijze wetenschappelijk ver-

Figuur 6: Hoe kan ik mijn HSMR analyseren? Bron: dr. Foster Intelligence

Registratie en vastlegging Casemix Structuur Processen

antwoord is en conform internationale principes betreffende het meten van klinische performantie verloopt. Alvorens in te gaan op de specifieke inhoud van de verschillende projecten, sommen we kort de gemeenschappelijke kenmerken van de VznkuL klinische projecten op (zie figuur 7): 1. De projecten hebben een focus op kwaliteit en zijn bottom up ontstaan vanuit interesse van de artsen zelf. De artsen zelf zijn de initiatiefnemers, en zijn verantwoordelijk voor de keuze van de projecten en de uitwerking ervan. Wanneer de pathologie multidisciplinair dient te worden benaderd werken verschillende disciplines samen binnen de werkgroep. 2. Het werken rond kwaliteit is specifiek gericht op verbeterprocessen. De gemeten indicatoren kunnen binnen elk ziekenhuis gebruikt worden door de resultaten te vergelijken met de vooropgestelde target of te kijken naar de evolutie in de tijd. Binnen het VznkuL wordt een benchmark opgesteld, zodat men zich kan vergelijken met een belangrijke set Vlaamse ziekenhuizen. De in het VznkuL bestaande cultuur om de benchmark te bespreken met peers, zich te vergelijken met elkaar, oorzaken van variaties te bespreken en te leren van “the best of class” draagt bij tot de verbeterprocessen. Gemeenschappelijke protocollen en procedures worden ontwikkeld en geadopteerd. De multidisciplinaire teams participeren hierbij op gestructureerde wijze aan (1) de identificatie van best practices en richtlijnen, (2) een veranderingsstrategie, (3) verbeteracties, (4) rapportering en delen van de resultaten en (5) delen van informatie over het verbeterproces. Deze werkwijze heeft reeds in andere landen (e.g. clinical collaboratives) bewezen succesvol te zijn bij kwaliteitsverbeterende projecten. 3. Bij de keuze van de kwaliteitsindicatoren wordt de nadruk gelegd op flexibiliteit, haalbaarheid, kleinschaligheid en verbeterpotentieel. De indicatoren worden in eerste instantie ontwikkeld met een verbeterfinaliteit. Ze worden enkel gedeeld en vergeleken binnen de werkgroep. Desgewenst kan de werkgroep beslissen de indicatoren te gebruiken voor verantwoording, publieke rapportering of voor wetenschappelijke doeleinden. Namelijk, door het bundelen en aggregeren van de indicatoren tot higher level indicatoren kunnen sommige indicatoren gebruikt worden bij het nemen van beleidsopties door ziekenhuisbesturen en overheden, of dienen als bron voor wetenschappelijk onderzoek in samenwerking met het LIGB. 4. Alle netwerkziekenhuizen worden uitgenodigd om deel te nemen aan

35


elk klinisch project. De indicatoren worden gekozen binnen de werkgroep en na een pilootfase (in een beperkte groep) netwerkbreed uitgerold. Deze werkwijze laat een testfase toe door de ‘early adopters’, waardoor een breder draagvlak ontstaat en bij alle netwerk­ leden vertrouwen en enthousiasme gecreëerd wordt. Om de werklast te beperken speelt de (semi-) automatische registratie van indicatoren binnen nexuz een belangrijke rol. Echter, manueel verzamelde indicatoren kunnen ook via de VznkuL website opgeladen worden. OVERZICHT VAN DE KLINISCHE PROJECTEN EN HUN DOEL­ STELLINGEN MKA en tandheelkunde Voorzitter: prof. dr. Stan Politis, medisch diensthoofd MKA UZ Leuven Het preventief verwijderen van wijsheidstanden (M3) is een wijdverspreide praktijk. Wetenschappelijke studies over de voor- en nadelen van deze profylactische ingreep zijn zeldzaam. Het doel van deze prospectieve registratie studie is Belgische epidemiologische gegevens te verzamelen over M3 extractie, alsook data over indicatiestelling, tijdstip van verwijdering en complicaties. Het doel van dit M3-observatorium is om, op

termijn, te komen tot richtlijnen inzake behoud en/of verwijdering van wijsheids­ tanden en dit op basis van wetenschappelijk gefundeerde bevindingen uit de Belgische patiëntenpopulatie. Niet Traumatische Aandoeningen van het Axiaal Skelet (NTAAS) Voorzitter: prof. dr. Bart Depreitere, neurochirurg UZ Leuven Met de orthopedisten, neurochirurgen en fysische geneesheren van het VznkuL wordt een protocol ontwikkeld om patiënten met niet traumatische lage rugpijn op een uniforme kwaliteitsvolle manier te diagnosticeren en te behandelen, ongeacht de discipline van de arts waarbij de patiënt zich aanmeldt. Kwaliteit en efficiëntie kunnen verbeterd worden door multi/interdisciplinaire zorg, gestuurd vanuit de vraag van de patiënt en niet vanuit het aanbod op de markt, door registratie van de behandelingen en hun effect op patient-reported outcomes en door het hanteren van een conceptueel kader waarin diagnostische en therapeutische acties op een coherente manier gekaderd worden. NefroCare Voorzitter: prof. dr. Kathleen Claes, nefroloog UZ Leuven Doel van dit project is het bevorderen

Figuur 7: Klinische indicatoren in VznkuL Kwaliteit verbeteren

Voldoen aan actuele klinische noden KLINISCHE WERKGROEPEN Artsen uit VznkuL

MKA en Tandheelkunde Lage rug: NTAAS Nefrologie Radiologie Urologie: blaastumoren Inguinale Hernia Beroertezorg Respiratoire Oncologie Vaatheelkunde

36

Haalbaar zijn

Figuur 8: Nefrocare

Ontwerp: Albert Herelixka

van patiënt empowerment en zelfzorg door gebruik van verpleegkundige interventies en nieuwe interactiemiddelen bij patiënten met chronisch nierlijden. Hiertoe wordt een multidisciplinair samenwerkingsmodel ontwikkeld, dat ondersteund wordt door nieuwe communicatie- en interactietools (telemonitoring) en de inzet van een gespecialiseerde verpleegkundige (zie figuur 8). Oppervlakkige blaastumoren Voorzitter: prof. dr. Frank Van Der Aa, uroloog UZ Leuven In dit project worden kwaliteitsindicatoren voor oppervlakkige blaastumoren ontwikkeld. Een geautomatiseerd operatieverslag ontstond via een gestructureerd rapport waarbij een aantal parameters na de operatie ingevuld werden. Deze parameters worden tevens gebruikt om kwaliteitsindicatoren te meten. Ondertussen heeft de groep de grootste Europese databank rond oppervlakkige blaastumoren met meer dan 1.000 patiënten. De resultaten van de benchmark zullen gebruikt worden voor verbeteracties, maar ook voor een kritische analyse/update van de bestaande richtlijnen.


Vaatheelkunde Voorzitter: prof. dr. Inge Fourneau, medisch diensthoofd vaatheelkunde UZ Leuven

Radiologie Voorzitter: prof. dr. Raymond Oyen, medisch diensthoofd radiologie UZ Leuven

Het doel van deze werkgroep is om op een brede basis een beperkt aantal kwaliteitsindicatoren te ontwikkelen voor vaatheelkunde. De indicatoren worden gekozen via netwerkbrede vragenrondes. De nadruk ligt hierbij op proces en outcome indicatoren voor het heelkundig aspect van occlusief lijden, aneurysmata en veneus lijden.

Met de radiologen van het VznkuL wordt een gemeenschappelijke gestructureerde rapportering voor NMR prostaat ontwikkeld volgens de PIRADS classificatie. Tevens zal de uniformiteit van uitvoeringsprocedures bevorderd worden (zie figuur).

Liesbreukchirurgie Voorzitter: prof. dr. Marc Miserez, abdominaal chirurg UZ Leuven Het doel van dit project is inzicht verwerven in de resultaten van liesbreuk chirurgie. Hiervoor wordt een prospectieve registratie opgezet waarin patiënten behandeld voor een lies- of femoraalbreuk geïncludeerd worden. Aan de hand van Patient Reported Outcome Measurements (PROMS) zal inzicht verworven worden in eindpunten zoals incidentie van chronische pijn, risicofactoren voor chronische pijn, 30 dagen morbiditeit en voorkomen van recidief.

Kwaliteitsindicatoren in de beroertezorg Voorzitter: prof. dr. Robin Lemmens, neuroloog UZ Leuven

organisatie van het zorgproces te blijven analyseren. Respiratoire oncologie Voorzitter: prof. dr. Christophe Dooms, pneumoloog UZ Leuven De doelstellingen voor deze werkgroep zijn dubbel. Enerzijds zullen richtlijnen voor behandeling van longtumoren gemaakt en gedeeld worden via de website van het VznkuL in het oncologisch handboek respiratoire oncologie. Anderzijds zal een set kwaliteitsindicatoren bepaald worden en opgevolgd binnen het ganse netwerk.

Doel van dit project is een snelle en gestroomlijnde zorg vanaf aankomst op de spoedgevallen bij patiënten met een ischemische hersenberoerte te verzekeren, alsook de multidisciplinaire zorg in de uren en dagen na het acute event te optimaliseren om de uitkomst van patiënten met blijvende hersenschade te verbeteren. Dit project in beroertezorg behelst het oplijsten van objectieve doelstellingen over kwaliteit en efficiëntie van zorg op basis van beschikbare wetenschappelijke evidentie en het omzetten van deze doelstellingen in objectieve kwaliteitsindicatoren die via een elektronisch dossier en ge­automatiseerd feedbacksysteem de clinici alsook het management motiveren om kritisch de

37


Belangenverdediging

38


Belangenverdediging

Eind 2014 werden de statuten van de vzw aangepast met een bijkomend doel, namelijk belangenverdediging van de leden i.v.m. alle aspecten omtrent optimalisatie van zorgkwaliteit en de kwaliteit van de ziekenhuisbedrijfsvoering door middel van campagnes, publicaties en onderhandelingen met de beleids­ makers. Daarnaast zullen in samenwerking met andere organisaties (bv. koepelorganisaties, adviesraden van de overheid en dergelijke) standpunten voorbereid kunnen worden die de gemeenschappelijke belangen i.v.m. kwaliteit van de zorg stimuleren.

Zeldzame ziekten: classificatie en aanpak

De behandeling van zeldzame ziekten is complex. Het VznkuL heeft na de publicatie van het Koninklijk Besluit op de

zeldzame ziekten een duidelijke visie ontwikkeld over de rol van de regionale en de referentie functies in de opvolging van zeldzame ziekten. Het VznkuL stelde een functionele classificatie voor, welke complementair was aan de classificatie per pathologie of pathologiegroep. Op deze wijze kon ook de relatie tussen de regionale specialisten en de universitaire teams en hun eigen verantwoordelijkheid beter beschreven worden. Deze classificatie wordt in de onderstaande figuur verduidelijkt.

ziekenhuizen en alleen bij bepaalde complicaties te verwijzen naar 1 expertisecentrum –– Vooral opvolging in 1 gespecialiseerd expertisecentrum met wetenschappelijk onderzoek, trials en met internationaal netwerk (mogelijk verwijzing naar buitenland bij zeldzame complicaties) –– Voor sommige extreem zeldzame en complexe aandoeningen is misschien 1 of maar enkele West-Europese centra voldoende (bijvoorbeeld Progeria)

Kort samengevat worden vanuit het VznkuL volgende scenario’s voor zeldzame ziekten voorgesteld: –– Vooral opvolging in regionale ziekenhuizen en alleen bij bepaalde complicaties naar een universitair ziekenhuis –– Vooral opvolging in universitaire

Visie op zorgnetwerken

Vertrekkend van het regeerakkoord van de federale en Vlaamse overheid en rekening houdend met de paradigma wijzigingen in figuur 10 op de volgende pagina, tekende het VznkuL een visie uit waarbij de organisatie van de gezondheidszorg in eerste instantie patiëntgericht is, waarbij

Universitaire ziekenhuizen

Figuur 9: Classificatie zeldzame ziekten

Transplant

Genetic profiling

Orphan drug

Regionale ziekenhuizen

Relapsing of R/ resistentie

Multi-orgaan aantasting, diagnostisch probleem, ultrazeldzame aandoening, undiagnosed disease

Eenduidige of orgaanspecifieke aandoening

Internationale samenwerking en uitwisseling gegevens

Centraal register nuttig en noodzakelijk

Centraal register nuttig? i.f.v. werkbelasting

39


rekening gehouden wordt met de rol van de verschillende actoren rond de patiënt (arts, verpleegkundige, thuiszorg, mantelzorg, e.a.) en waarbij de inrichting van gezondheidsinstellingen afgestemd wordt op de zorgbehoefte. Bestaande netwerken die een goede kwalitatieve zorg aanbieden, dienen behouden te blijven. Netwerken kunnen enerzijds regionaal georganiseerd worden waarbij geografische spreiding richtinggevend is. Voor veel aandoeningen is deze regionale spreiding echter niet relevant. Vlaanderen is zo klein, dat afstanden zeer relatief zijn. Regio-overschrijdende samenwerkingsverbanden omtrent bepaalde zorgthema’s of zorgprogramma’s moeten anderzijds mogelijk zijn. Het uitbouwen van een gemeenschappelijke filosofie en kwaliteitsbeleid zijn minstens even belangrijk en vragen opnieuw grondig overleg met artsen en andere spelers. Wat kwalitatief kan op lokaal vlak, dient lokaal te blijven. Deze visie werd neergelegd bij het kabinet van minister De Block en ook bij het kabinet van minister Vandeurzen. Deze visie werd ook in een vergadering van het kabinet De Block toegelicht. De concrete uitwerking hiervan dient zeker verder opgevolgd te worden in de komende maanden en jaren.

voorzitters pediatrie v.l.n.r.: Stefaan Van Lierde (diensthoofd pediatrie RZ Heilig Hart Tienen), Dirk Vlasselaers (intensivist-anesthesist UZ Leuven) en Christel Van Geet (diensthoofd pediatrie UZ Leuven).

Zorgprogramma kindergeneeskunde

In de uitwerking van een nieuw zorgprogramma voor kindergeneeskunde zijn kwaliteit van zorg en efficiënte inzet van middelen de twee voornaamste uitgangspunten. Echelonnering in de organisatie van de zorg voor het zieke kind is daarvoor noodzakelijk. In het Koninklijk Besluit van 2 april 2014 houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor kinderen moet voldoen om erkend te worden, werd een eerste aanzet hiervoor uitgewerkt. Met de kinderartsen werkzaam binnen de VznkuL-ziekenhuizen hebben we een aantal belangrijke opmerkingen en suggesties voor verdere uitwerking op deze aanzet te geven.

Hiervoor werd een werkgroep pediatrie in het najaar van 2015 opgestart. Drie ad-hocwerkgroepen gingen van start ter voorbereiding van een visie gedragen door de kinderartsen uit het VznkuL: 1. Basis- en ambulante zorg onder leiding van dr. Stefaan Van Lierde, medisch diensthoofd kindergeneeskunde RZ Heilig Hart Tienen 2. Zorg voor het kritiek zieke kind onder leiding van prof. dr. Dirk Vlasselaers, intensivist-anesthesist UZ Leuven 3. Expertzorgprogramma’s en kwaliteitscriteria onder leiding van prof. dr. Christel Van Geet, medisch diensthoofd kindergeneeskunde UZ Leuven De werkgroep ging hierbij uit van de noden van de patiënt en recente evoluties

Figuur 10: Paradigmawijziging

Individuele arts Huisarts verwijst Ziekenhuis als centrum van zorg Patiënten hebben inspraak Kwaliteitsmeting Chronische zorg Fee for service

40

Werken in groep Huisarts deel van het team Medisch huis helpt bij zorgkeuze Patiënten beslissen mee Kwaliteit bepaalt financiering Geïntegreerde zorg Gebundelde financiering


in de kindergeneeskunde. Zij stellen drie zorgprogramma’s voor, namelijk een basiszorgprogramma zonder hospitalisatie mogelijkheden, een gespecialiseerd zorgprogramma waarbij zowel daghospitalisatie en hospitalisatie, materniteit en neonatologie en spoedgevallen aanwezig zijn en een expert zorgprogramma dat medische continuïteit in alle deeldisciplines van de kindergeneeskunde biedt en expertise bundelt voor die pathologie waar concentratie noodzakelijk is. Ook rondom de organisatie van de zorg voor het kritieke kind werden standpunten ingenomen. Hierbij wordt gesteld dat een gespecialiseerd zorgprogramma kritiek zieke kinderen zelf kan behandelen indien het een ongecompliceerde electieve heelkundige ingreep betreft, met nood aan verlengd toezicht of in geval van acute opvang en behandeling bv. wanneer veilig transport niet mogelijk is of een onmiddellijke ingreep levensnoodzakelijk is zonder uitstel. Of indien snel beterschap te verwachten is na een initiële opvang of ingreep. Ook dit document werd neergelegd bij de kabinetten van minister De Block en minister Vandeurzen

worden (bv. holdingstructuren) zouden kunnen aangepast worden naar de gezondheidssector. Kortom, er zijn nog heel wat vragen bij dit nieuwe ‘buzz woord’. Het VznkuL heeft daarom een high-level werkgroep opgericht om hierover van gedachten te wisselen. Leden werkgroep Governance • • • • • • • • • • • • • •

Dr. Yves Breysem (algemeen directeur Jessa Ziekenhuis) Prof. dr. Marc Decramer (gedelegeerd bestuurder UZ Leuven) Mr. Filip Dewallens (advocatenkantoor Dewallens & partner) Mr. Carlos De Wolf (voorzitter AZ Glorieux) Prof. dr. Dirk De Ridder (strategisch coördinator VznkuL) Marga Lavaerts (juridisch/administratief coördinator VznkuL) Mr. Christophe Lemmens (advocatenkantoor Dewallens & partners) Dr. Jo Leysen (gedelegeerd bestuurder AZ Turnhout) Prof. Steven Lierman (hoofddocent Faculteit Rechten KU Leuven) Mr. Frank Lippens (voorzitter AZ Sint-Lucas Brugge) Prof. dr. Dirk Ramaekers (hoofdarts Jessa Ziekenhuis) Prof. dr. Wim Robberecht (voorzitter VznkuL) Dr. Wim Tambeur (operationeel directeur UZ Leuven) Prof. dr. Caroline Weltens (medisch coördinator VznkuL)

Governance van netwerken

‘Ziekenhuisnetwerken’ is het nieuwe tover­woord. Iedereen heeft er de mond van vol. Samenwerkingsverbanden tussen artsen, tussen ziekenhuizen, met de welzijnssector, werden ook in de plannen van onze federale en Vlaamse minister ingeschreven. Ieder ziekenhuis zal in meer of mindere mate deel uitmaken van één of meer netwerken. De ziekenhuisartsen kunnen zich verenigen in ziekenhuisoverschrijdende associaties. De huidige ziekenhuiswet is niet flexibel genoeg om een goed juridisch kader te bieden aan al deze samenwerkingsvormen: fusies, groepering of associaties zijn niet altijd wenselijk of haalbaar. En toch moeten er afspraken gemaakt worden over de lasten en de lusten, instap en uitstapregelingen, financies, rechten en plichten, enz… De ziekenhuisdirecteurs en de ziekenhuisbeheerders moeten op een bepaald ogenblik ook al de informatie vanuit hun verschillende netwerken kunnen consolideren. Vanuit kwaliteitsperspectief en patiëntveiligheid blijft ook de vraag hoe we binnen een netwerk de optimale kwaliteit van zorg garanderen in alle samenstellende delen.

De werkgroep bereidde een voorstel tot Koninklijk Besluit voor. De vorming van ziekenhuisnetwerken wordt georganiseerd rond het netwerkcomité en een netwerkovereenkomst. Binnen de netwerkovereenkomst beschikken de ziekenhuizen, die wensen deel uit te maken van een dergelijk netwerk, over heel wat vrijheid omtrent de concrete invulling van hun netwerkactiviteiten. De medische raad voor het netwerk is alleen verantwoordelijk voor deze activiteiten die het netwerk aanbelangen. Het voorstel bevat belangrijke suggesties om de huidige wetgeving aan te passen zodat concrete netwerkvorming mogelijk wordt. Ondertussen is duidelijk geworden dat de overheid verder wil gaan dan dit voorstel. De voorstellen welke in november en december 2016 door de federale overheid gedaan werden, dreigen tot grotere fusie ziekenhuizen te zullen leiden. Het VznkuL zal proberen het standpunt van zijn leden duidelijk te maken aan de overheid en een concreet model van samenwerking proberen uit te werken.

Graag wilden we ook even naar de indus­ trie kijken om bv. na te gaan of de juridische stijlfiguren die daar gehanteerd

41


Slotbeschouwing Zoals u kon lezen heeft het VznkuL een lange weg afgelegd (van een verwijsnetwerk als feitelijke vereniging naar een kennisdelend kwaliteitsnetwerk met belangenverdediging als vzw), maar in alle bescheidenheid durven we toch te opperen dat dit met resultaat is: de leden vertrouwen hun gegevens en kennis toe aan het VznkuL waardoor in alle openheid van elkaar geleerd kan worden om de kwaliteit â&#x20AC;&#x201C; zowel bedrijfsmatig als klinisch â&#x20AC;&#x201C; te verbeteren. De actieve betrokkenheid van de artsen de laatste jaren is een enorme meerwaarde voor iedereen. Naast de participatie van artsen vinden we ook de betrokkenheid van patiĂŤnten uiterst belangrijk. Dit organiseren binnen ons netwerk betekent een interessante uitdaging voor de toekomst. We blijven zeker ambitieus. De samenwerking in een kwaliteitsnetwerk van een groeiend aantal ziekenhuizen (met elk hun eigen kenmerken) in een steeds veranderend ziekenhuislandschap, is zowel voor de leden als voor het VznkuL een boeiende uitdaging. We stellen echter telkens vast dat er meer zaken zijn die ons binden dan zaken die ons scheiden.

42


Profile for VznkuL

VznkuL-15 jaar  

Naar aanleiding van 15 jaar VznkuL werd een lustrumboek gemaakt.

VznkuL-15 jaar  

Naar aanleiding van 15 jaar VznkuL werd een lustrumboek gemaakt.

Profile for vznkul
Advertisement